diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 12070-0.txt | 4270 | ||||
| -rw-r--r-- | 12070-h/12070-h.htm | 4862 | ||||
| -rw-r--r-- | 12070-h/images/decoration.png | bin | 0 -> 13782 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 12070-h/images/front.jpg | bin | 0 -> 271159 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 12070-h/images/p1.png | bin | 0 -> 157776 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 12070-h/images/p2.png | bin | 0 -> 267786 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 12070-h/images/p3.png | bin | 0 -> 252497 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 12070-h/images/p4.png | bin | 0 -> 323194 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 12070-h/images/spine.jpg | bin | 0 -> 42972 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 12070-h/images/titlepage.png | bin | 0 -> 27615 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 | ||||
| -rw-r--r-- | old/12070-8.txt | 4690 | ||||
| -rw-r--r-- | old/12070-8.zip | bin | 0 -> 66861 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/12070.txt | 4690 | ||||
| -rw-r--r-- | old/12070.zip | bin | 0 -> 66649 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/old-2024-12-07/12070-0.txt | 4272 |
18 files changed, 22800 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/12070-0.txt b/12070-0.txt new file mode 100644 index 0000000..5fa53b6 --- /dev/null +++ b/12070-0.txt @@ -0,0 +1,4270 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 12070 *** + + + + + EEN JOLIG TROEPJE + + DOOR + + MARIE LEOPOLD + + + + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +DE EERSTE VACANTIEDAG. + + + "'t Is vacantie! 't blijft vacantie! + Hoera, vacantie boven! + En als je dat niet zingen wilt, + Dan moet je er aan gelooven!" + + +zong Nel in haar nachtjapon, terwijl ze met een natte spons in de +hand voor Dora's bed stond. + + + "Hoera! vacantie boven! + En als je dat niet zingen wilt, + Dan moet je er aan gelooven!" + + +Pats, de natte spons viel op Dora's gezicht. + +"Wat is dat, br.... Nel, wat scheelt je? Br....!" riep Door, die +op eens rechtop in haar bed zat met een druipnat gezicht. "Dat is +verraderlijk. Ik sliep zoo lekker. Kijk dat laken eens: kletsnat. Brr, +geef me gauw mijn handdoek." + +"Zul je dan zingen?" + +"Ja, ja, alles wat je wilt, maar geef eerst mijn handdoek. Gauw, +'t loopt met een straaltje achter in mijn nek." + +"Nu, zing dan," dreigde Nel, de spons voor Door in de hoogte houdende. + + + "'t Is vacantie, 't blijft vacantie, + Hoera, vacantie boven!" + + +viel Door in. + + + "En ieder, die 't niet zingen wil, + Die moet er aan gelooven!" + + +Hup, vloog ze 't bed uit, greep Nel de spons uit de handen, doopte die +één, twéé, drie in de lampetkan. En vóór Nel nog iets had kunnen doen, +daar droop haar geheele gezicht. Toen begon een wilde jacht om de +tafel, over bedden en stoelen, dat hooren en zien je verging. Midden +in die dolle jacht zat rechtop in haar bed kleine Leni in de handen +te klappen en mee te zingen. + +Zacht ging de deur open, wat Nel en Door in 't vuur van haar spel niet +hoorden. Nel was onder de tafel gekropen en sloeg met den handdoek +naar Door, die met een natte spons klaar stond om op haar vijandin +in te stormen. + + + "'t Is vacantie, 't is vacantie ..." + + +"Maar kinderen, kinderen, dat belooft wat voor de vacantie," lachte +moeder. + +"O moeder, we hebben zoo'n pret," juichte Leni met een hoogroode kleur. + +"Maar kijk eens, een beekje is er uit de spons geloopen van de +lampetkan naar den stoel." + +"Ja, dáár," zei Door plechtig, "kreeg ik den vijand in handen." + +"Wat is dat?" riep moeder verschrikt, toen Leni haar met een sprongetje +op den rug zat. + +"Ook een vijand, maar een droge, dat zijn natte," zei Leen, terwijl +ze naar Nel en Door wees. "O, moesje, zing nu gauw, anders komt Door +met haar natte spons," en toen begonnen allen weer te zingen: + + + "'t Is vacantie, 't blijft vacantie, + Hoera, vacantie boven! + En als je dat niet zingen wilt, + Dan moet je er aan gelooven!" + + +En voor ze 't uit hadden, kwam in zijn hanssopje kleine broer, die +zóó verbaasd was over dit vroolijke tooneeltje in den vroegen morgen, +dat hij stil bleef staan, maar toch telkens de laatste woorden van +iederen regel trachtte mee te zingen. + +"Nu een, twee, drie voortgemaakt, kinderen. Zie eens, wat is 't al +laat. Kom, kleine broekeman, ga jij maar met mij mee, dan kunnen de +dames zich kalm aankleeden." + +"Jouw gezicht is in tijden niet zoo flink nat geweest, Nel," +plaagde Door. + +"En jij bent in tijden niet zoo vroeg uit je bed gesprongen," plaagde +Nel terug. + +"Ja, 't is zonde, dat ik er al uit ben," en met een verlangenden blik +keek ze naar haar bed. + +"Ik kroop er nog weer in, als ik jou was." + +"Nee, dank je, dan zijn jij en Leni al klaar, als ik mij nog aan +moet kleeden." Maar toch verplaatste Door zich er een oogenblik in, +hoe lekker het zou wezen nog eens eventjes er in te kruipen. Zoo'n +vacantie was juist zoo heerlijk, vond ze, omdat je dan niet zoo +"onmogelijk" vroeg op behoefde te staan. Half acht vond ze nu eenmaal +"onmogelijk" vroeg. Ze vond alles trouwens gauw "onmogelijk", vooral +als ze er geen lust in had. + +"Zeg eens, Door, zou ik mijn nieuwe gele schoentjes aan mogen +doen?" vroeg Leni. + +"Ik weet 't niet, schattepoes." + +"Trek jij je gele schoentjes maar aan, hoor," zei Nel. "'t Is vandaag +feest, omdat de vacantie begonnen is, en die schoentjes heb je gekregen +voor Zon- en Feestdagen." + +"Zou moesje 't goed vinden?" weifelde Leni. + +"Natuurlijk vindt ma het goed," pleitte Nel weer. "Zie je, den rechter +schoen doe je aan, omdat het de eerste vacantiedag is en dus een +feestdag, en den linker, ja den linker..." + +"Ik weet het: den linker doe ik aan, omdat Bob en Hansje komen." + +"O ja, hoe leuk. Wacht, ik zal je even helpen ter eere van Bob +en Hansje." + +"En ik voor den eersten vacantiedag: Ga maar op den rand van je +ledikant zitten. Beenen stijf houden, hoor." + +"O, jullie gooit mij haast om," zei Leni met een wanhopig gezicht. + +"Dat is niets, hou je maar flink vast, je valt niet in 't water. Wacht, +nog een duwtje. Wat is dat?" + +Daar lag Leni achterover in bed met de beenen in de lucht te +spartelen. Nel en Door lachten, dat de tranen haar over de wangen +liepen en met de kam begon Nel de maat te slaan: + + + "'t Is vacantie, 't blijft vacantie, + Twee gele schoentjes boven! + Wie dat niet met ons zingen wil, + Die moet er aan gelooven!" + + +En met de beenen in de lucht hoorde men Leni meezingen. + +"Laten we ons nu gauw klaar maken. Lieve deugd, kijk eens op de klok." + +"Ja, maar mijn schoenen zitten nog niet goed," klaagde Leen, die met +veel moeite uit het bed geklauterd was. + +"Stamp maar op den grond, dan zul je er wel in schieten," zei +Door. "Toe, Nel, jij bent al verder dan ik, help jij haar even met +'t haar. Ik moet mij nog wasschen. Maar waar is mijn handdoek? Wie +heeft mijn handdoek toch gezien?" + +"Pak den mijnen maar, die hangt op den stoel. Wat doe je?" vroeg Nel, +toen Door den handdoek recht voor zich uit hield en dien aandachtig +bekeek. + +"Ik zoek overal je natte puntje," zei ze plagend. + +"Denk je, dat ik mij na dat waterbad van jou nog ben gaan +wasschen? Dank je wel, hoor. Ik heb mij lekkertjes met den handdoek +afgedroogd. Wees maar blij, je kunt hem nu heerlijk gebruiken. Hoe +jij zoo'n ding ook altijd zoo nat krijgt, is mij een raadsel. Je kunt +toch wel schoon worden zonder zoo te plassen? Bah! Dat koude water, +daar moet ik niets van hebben." + +"En ik vind dat koude water nu juist zoo "onmogelijk" lekker. Zoo +met je geheele gezicht in de kom," zei Door, terwijl ze voorover ging +staan en haar gezicht nat gooide. "Lekker!" + +"Je schreeuwde toch maar moord en brand, toen ik met de natte spons +voor je bed stond," lachte Nel. + +"Nu ja, die aanval was ook verraderlijk." + +"Maar Door! Pas toch op, het wordt hier nog een overstrooming. Je +sputtert de geheele waschtafel onder en zie den spiegel eens." + +"Dat zijn dauwdroppels," lachte Door. + +"Andere dauwdroppels zul jij ook wel nooit te zien krijgen," plaagde +Nel terug. + +"Ziezoo, schattepoes, zeg nu eens of ik je niet een mooie kuif heb +gemaakt: wacht, ik zal je even optillen voor den spiegel. Die Door +ook met haar geplas, hé? Je kunt bijna niet in den spiegel zien, +zoo heeft zij hem besputterd." + +"Kijk toch eens. Zie je waar dat op lijkt?" zei Door, met een druipnat +gezicht naar een plas op de waschtafel wijzende. + +Leen en Nel keken en keken. + +"Een molshoop," zei Nel eindelijk. + +"Wel nee, kijk eens goed." + +"Een hoed met een veer," raadde Leni. + +"Och nee, ook niet." + +"Zeg het maar," vleide Leni. + +"Neen, neen, niet dadelijk zeggen: een meertje," zei Nel. + +"Dat is flauw, o, als ik zóó sta, kom eens even op mijn plaats, dan is +'t sprekend, 't Lijkt op een dier," helderde ze op. + +"Een kameel," zei Nel weer. + +"Och neen, je zegt maar wat. Een dier, dat wij allen goed kennen." + +"Nu zie ik het," riep Leni. "Julia! Kijk, ze zit recht-op. Dat is +haar kop. Zie je haar oortjes?" + +"Nu zie ik het ook," riep Nel opgetogen. + +"Waar is haar staart, haar mooie dikke staart?" + +"Die houdt ze vast, ze staat er met haar voorpootjes op." + +"Och, kijk die oortjes toch, hoe sprekend. Dag, oude, lekkere, natte +poesekop," zei Leni. + +"O, waar is de snor? De snor, waar Julia zoo trotsch op is," vroeg Nel. + +"Neen, een snor heeft ze niet, dat is jammer," zei Leni. + +"Dat is niets, ga maar een eindje van de waschtafel af, dan sputter +ik die er even bij." Brr! brr! naar alle kanten vloog het water. + +"Och, hoe jammer, nu heb je haar heelemaal bedorven. Die aardige +oortjes lijken wel olifants-ooren." + +"En arme Julia heeft zich een dikken neus gestooten," lachte Nel. "Zie +dat propje eens. Maar kom, Dorus, maak nu toch voort, je komt zoo +nooit klaar." + +"Wij gaan vast naar beneden." + +"Wie 't eerst de trap af is," zei Leni. + +"Even wachten," riep Door. "Ik ben dadelijk klaar." + +"Nu, eventjes dan." + +"Zeg eens, Nel, waar is mijn haarlintje? Ik weet zeker, dat ik het +gisteravond hier op de tafel gelegd heb," zei ze, terwijl ze met +de linkerhand het toefje haar vasthield en met de rechter allerlei +dingen optilde en verlegde. "Wat is 't hier ook een "onmogelijke" +rommel op tafel. Zoo kun je ook niets vinden," mopperde ze. + +"Dat haarlintje van jou is ook een veel te net lintje om tusschen zoo'n +"onmogelijken" rommel te willen liggen. Kijk, hier heb ik het al." + +"Waar was het?" + +"Op je kussen lag het, eenzaam en verlaten." + +"O, ja, ik kon gisteravond nergens een bandje vinden en moest het +lintje wel gebruiken. Ziezoo, klaar," zei ze even later. "Wie 't +eerst beneden is. Ik zal tellen. Eén, twee, drie." + +Vóór Nel of Door het zagen, had Leni haar eene been over de leuning +gegooid en gleed naar beneden. "Gewonnen!" riep ze en stormde door +naar de achterkamer, waar mevrouw Van Brakel bezig was voor 't ontbijt +te zorgen. + +"Dag, moesje." + +"Kindje, kindje, ik was werkelijk bang, dat je nooit klaar zou komen." + +"Ik heb het gewonnen, moesje. We deden wie 't eerst beneden was. Door +telde en flap! gooide ik mijn beenen over de leuning, nou--en toen +was ik 't eerst beneden. Door moest nog wel vijf treden doen. Jammer, +dat u zulke lange rokken hebt, dan is het natuurlijk erg moeilijk, +'t Gaat anders zoo heerlijk vlug. Je wint het zoo--altijd." + +"Ik zal er toch maar afloopen," lachte moeder. + +"Dan win ik het altijd van u, echt waar." + +Even later kwamen Nel en Door in de kamer. + +"Dag, maatje, dag, vader." + +"Treuzeltjes! Zijn jullie al op?" zei vader plagend. + +"Maar, vadertje, u weet ook niet hoe moeilijk 't is in de vacantie +vlug voort te maken." + +"Of 't moeilijk is!" + +"Kijk eens, ma," zei Leni, terwijl ze triomfantelijk haar gele +schoentjes liet zien. + +"Maar, Leni, kind, 't is toch geen Zondag. Hoe kom je daarbij, je +nieuwe schoenen ..." + +"Moeder, 't is een feestdag," zei Nel plechtig, "en deze schoentjes +zijn voor Zon- en Feestdagen." + +"Een feestdag?" + +"Bedenkt u zich maar eens goed." + +"Ik geloof, dat ik het begrijp," lachte vader. + +"Een feestdag? Jullie houdt mij voor den mal, ik begrijp er niets van." + +Toen begonnen alle drie de meisjes te zingen: + + + "'t Is vacantie, 't blijft vacantie, + Hoera, vacantie boven! + Wie dat niet met ons zingen wil, + Die moet er aan gelooven!" + + +"Ja, ja, jullie hebt gelijk, òf het een feestdag is." + +"'t Is eigenlijk een ketting van feestdagen," vond Leni. + +"En, moes, we zijn nog heel bescheiden geweest ook, want voor de +ketting van feestdagen hebben we Leni alléén maar den rechter schoen +aangedaan." + +"Alleen maar den rechter? Nu wordt het nog mooier. En waarvoor kreeg +ze dan wel den linker aan?" + +"Ook voor een feestdag." + +"O, 't is onmogelijk, u raadt het nooit, nooit, zeg ik." + +"'t Is ook wel wat "onmogelijk" vroeg voor al die raadseltjes," +zei vader. + +"'t Begint met ..." wilde Leni helpen. + +"Begin alsjeblief niet met: 't begint met," zei Nel, "dat is zulk +flauw raden." + +"'t Begint met Hans en Bob," raadde moeder. + +"Hoera voor onze knappe moes! Waar blijft Dolf toch?" + +"Hier ben ik: Dag vader, moeder, allemaal." + +"Zoo, studiosus!" + +"Hè, Dolf, hoe kom je zoo laat?" + +"Och ja, jullie met je vervelend lawaai. Ik kon gewoon niet slapen." + +"Stumperd!" + +"Wees nu maar niet zoo flauw, Nel. Moeder, mag 'k een boterham?" + +"Ze staat er al lang en je kopje thee ter eere van de vacantie is, +vrees ik, al koud geworden." + +"Vacantie bofe, mammi?" zei kleine Frits met een lief vraagstemmetje. + +"Ja, kleine grappenmaker." + +"Heb je ons hooren zingen, Dolf?" vroeg Nel. + +"Hooren zingen? Ik dacht, dat de zolder minstens naar beneden zou +komen." + +"Dat zou voor een eersten vacantiedag indrukwekkend geweest zijn," +vond Nel. + +"En "onmogelijk" gezellig voor jou, als we met ons drietjes zoo +plotseling voor je neus stonden." + +"Onmogelijk, onmogelijk," praatte Frits Door na. + +Allen proestten het uit. + +"Geef mij daar eens gauw een kus voor, lekkere vent. Nee, zoo +gemakkelijk kom je er niet van af. Ook een op deze wang en nog een: +het deftigste aller kusjes, één op mijn voorhoofd." En toen greep +Nel Fritsjes handjes en begonnen ze samen te zingen: + + + "'t Is vacantie, 't blijft vacantie, + Hoera, vacantie boven! + Wie dat niet met ons zingen wil, + Die moet er aan gelooven." + + +"Vacantie bofe blijfe? Vacantie nog in bedje? Vacantie stout geweest, +mammi?" vroeg Fritsje, die meende dat "vacantie" een ondeugend jongetje +was en voor straf boven moest blijven. + +"Jij bent een grappenmaker en mammi's kereltje, hoor." + +"Wie onze logés wil halen, zorge over een kwartier klaar te zijn," +kwam vaders stem om den hoek van de deur. + +Toen was 't een gevlieg en geloop naar alle kanten. + +"Mijn hoed, mijn hoed, wie heeft hem gezien?" riep Door wanhopig. + +"Misschien op je kussen bij je haarlintje," plaagde Nel. + +"Wees nu niet zoo flauw," bromde Door. "Jij hebt gemakkelijk praten, +jij behoeft nooit naar je dingen te zoeken. Maar als ik mijn hoed of +mijn mantel ergens neerleg, kan ik ze later nooit terugvinden." + +"Ik leg ze ook niet "ergens" neer." + +"Zoo? Wat doe jij dan?" + +"Ik hang ze op den stander natuurlijk." + +"Ik durf wedden, als ik mijn hoed dáár hang, dat hij toch weg is, +als ik hem hebben moet." + +"Probeer 't eens," lachte Nel. "Drie dagen kun je 't misschien wel +volhouden," en weg holde ze. + +"Moesje, weet u hem ook?" + +"Neen, werkelijk niet." + +"'t Is zoo'n "onmogelijk" zoeken, als je in 't geheel niet kunt +bedenken, waar zoo'n ding zit," zuchtte Door wanhopig. + +"Mag Foxje mee, vader?" + +"Neen, jongen, geen honden aan den trein." + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +DE LOGÉTJES. + + +Vijf minuten later was 't heele gezelschap op weg naar het station, +behalve moeder, die met Fritsje liever thuis bleef, en Door, die als +een wanhopige kamer in, kamer uit rende om haar hoed te zoeken. Met +donderend geraas kwam de trein binnenstuiven. + +"Zag je de coupé met de vlaggetjes?" riep Nel opgewonden. "Ik durf +wedden, dat ze daarin zitten. Dat is net iets voor oom Karel." + +Nel en Dolf renden er naar toe. Vader en Leni konden zoo +vlug niet. Maar voor ze bij de coupé kwamen, was mijnheer Van +Lichtenvoorde met zijn beide jongetjes al uitgestapt. 't Was een +vroolijke begroeting. + +"Zagen jullie onze vlaggetjes wel?" vroeg Hans. + +"Nou, òf we," zei Dolf. "Nel zei dadelijk, dat jullie zeker in +die coupé zat. Pas op, houd ze vooral voorzichtig vast. 't Is hier +zoo druk." + +"Hoera, daar heb je Door. Zie ze eens loopen," zei Nel. + +"Dag oom, dag jongens!" + +"Dag Dorus," zei oom Karel, "meisje, meisje, wat heb je geloopen." + +"Maar Door, wat heb je nu op?" vroeg Nel. + +"Mijn ouden tuinhoed. Ik kon mijn schoolhoed nergens vinden. Ja, +waar dat ding nog eens vandaan mag komen, _ik_ weet het niet," zei +ze met een grappig wanhopig gezicht. + +"Kinderen, ga jullie nu vooruit," zei mijnheer Van Brakel, "oom en +ik komen dan langzaam achteraan." + +"Zullen we een wedloop houden, wie 't eerst bij de brug is?" + +"Uitstekend," vond Nel. "Ik neem Hans; Door, neem jij Bob en Dolf +Leni. Eén, twee, drie; neen Dolf, allen te gelijk beginnen, een beetje +achteruit. Ziezoo, nu staan we allen goed: een, twee, drie!" Daar +gingen ze. + +"Gewonnen!" riep Door, nog hijgende en blazende. "Bob, jongen, steek +je vlag op." + +"Als die dikke mijnheer ons niet in den weg geloopen had, waren wij +jullie vóór geweest," zei Nel, die met Hansje nummer twee was. + +"Dikke heer, of niet, wij hebben het gewonnen. Maar kijk Dolf eens: +die schiet warempel niet hard op. O, ik zie het al, Leni zwoegt onder +haar nieuwe schoenen." + +"Als je van zwoegen onder iets wil praten, dan zou ik zeggen, dat +jij zwoegt onder je kostelijk mooie tuinhoedje," lachte Nel. "Je ziet +tenminste zoo rood als een kreeft." + +"Eindelijk," zei Leni met een ongelukkig gezichtje, "die nare +schoenen." + +"Dat was een treurige wedloop, hè Leen? Jij moet je linker en rechter +feestdag maar zoo gauw mogelijk uittrekken, als je thuis komt, dan +vier je opnieuw feest. Maar kom, we moeten voortmaken. Pa en oom +Karel zullen ons nog inhalen. Geef mij maar een arm, hinkelepinkje." + +"Doortje, is de koffer al gekomen?" vroeg Hansje. + +"De koffer? Nee, hoor, ten minste ik weet er niets van." + +"'t Is een heele groote, wel van dit paaltje tot dat." + +"Hij is nog véél grooter," zei Bob gewichtig, "wel zóó." Hij liep +vooruit om aan te toonen, hoe groot wel. + +Hans hield zich stil, hij vond, dat Bob den koffer nu wel wat héél +groot maakte. Maar hij vond het toch jammer dit te zeggen. + +"Dan ben ik toch werkelijk bang," zei Nel, die best begreep, dat Bob +overdreef, "dat die reuzenkoffer niet bij ons de voordeur in kan en +dus in 't geheel niet in jullie slaapkamertje kan staan. Ma zal hem +dan zeker wel in het schuurtje laten zetten." + +"In het schuurtje?" Een paar verschrikte oogen keken Nel aan. "Onze +mooie koffer?" + +"Ja, waar de cokes en de turf geborgen wordt." + +"Misschien is hij toch wel een beetje kleiner. Zou hij niet een beetje +kleiner zijn, Bobbie?" + +Bob knikte. "Maar 't is toch een groote." + +"Moesje, daar zijn we. Oom en Vader komen achteraan." + +"Dag, jongens; wèl, wèl, wat hebben jullie mooie vlaggetjes." + +"Spritsje, vlagje, Mammi?" vleide kleine Fritsje. + +"Mag Fritsje je vlagje even hebben, Bob?" + +"Hoera, ma vergist zich. Dit is Hans en dat is Bob. Nu zal ik jullie +eens even door elkaar rommelen. Niet kijken, ma." Dolf draaide Hans +en Bob als twee tolletjes om elkaar heen. "Doet u nu de oogen maar +weer open. Nu ...?" + +"Ja, jongens, dat is niet gemakkelijk. Ik geloof ... ik geloof ..., +dat ik hier Hansje Pansje bij 't oor heb," lachte mevrouw Van Brakel. + +"Geraden." + +"Dat Hansje Pansje, Mammi?" kwam Frits met zijn lief stemmetje er +tusschen. + +"Ja, kleine vent. Hansje Pansje. Nu zullen we maar eerst een boterham +gaan eten. Jullie buikjes zijn zeker leeg en hol." + +Hans en Bob knikten, dat hunne bolletjes er bijna afrolden en +natuurlijk deed Fritsjes bolletje op de maat mee. + +"Daar komen vader en oom Karel al aan. Door, zet gauw den grooten +stoel met het kussen voor oom klaar." + +"Och, kijk eens, Bobbie, wat een aardige poes," riep Hansje. "Effentjes +haar een kusje geven, tante?" + +"Zeker, geef jij Julia maar een kusje." + +Maar Julia had op dat oogenblik in 't geheel geen lust in een kusje +en stapte statig den tuin in, zonder ook maar naar de jongens om +te zien. 't Was duidelijk, dat zij zich eerst wat wilde opknappen, +voor ze aan Hans en Bob zou worden voorgesteld. Met één sprongetje +zat ze op de schutting en ging toen kalm haar toilet maken. + +Ja, Julia was een ijdel poesje. + +"Is ze bang, dat wij haar in den staart willen knijpen, of bij een +achterpoot in de hoogte tillen, zooals Jaap altijd doet, tante?" + +"Jaap, wie is Jaap?" + +"Jaap harkt onzen tuin op. En als hij kikkers vindt, doet hij ze +in een doosje. Een kikkertje spant hij er voor, dat is het paard, +zegt hij. Bobbie en ik vinden uit rijden gaan prettig, maar niet +als we kikkers waren. En dan met zoon kikkerpaard, dan zouden we +zeker zeeziek worden. Want dat doosje wipt zóó, hup, hup, net als de +kikker. Bobbie en ik hebben eens het doosje opengemaakt, toen Jaap in +'t gras een koetsiertje zocht." + +"En was Jaap ook boos, toen hij het zag?" + +"Hij lachte. Jaap wordt nooit boos. Hij zei.... wat zei hij ook weer, +Bobbie?" + +"Hij maakte het kikkerpaard los en zei: "ga maar gauw naar je +vrindjes." + +"Toch aardig van Jaap," lachte Nel. + +"Jaap maakt ook altijd wagentjes van wortels en kransjes van +bloemen. Dan doet hij poes en Bruno er een om. Maar die vinden dat +niet prettig, hoor. Jaap zegt dan altijd, dat ze jarig zijn. Maar zoo +vaak kun je niet jarig zijn. Maatje zegt, maar eenmaal in 't jaar en +een jaar duurt heel lang, hè tante?" + +"Zeker, heel lang, maar eet nu eerst jullie boterhammen. Vader heeft +niet zooveel tijd." + +"Gaat u al zoo gauw weg, oom?" + +"Ja zeker, Door. Ik heb even mijn kaboutertjes hier gebracht, maar +veel tijd heb ik niet. Maar Dorus, kind, ik begrijp niet, hoe het +komt, maar ik kan niet zeggen, dat ik gemakkelijk op dezen stoel +zit. Het schijnt aan het kussen te liggen. Ik zal het dingetje er +maar even uitnemen. Wat is dat?" zei Oom, en hield Doors hoed geheel +platgedrukt in de hoogte, "die stumperd kon zijn pleizier ook wel op +onder het kussen." + +"O moeder!" Door werd zoo rood als vuur. + +"O, kijk eens, kijk eens, je hoed lijkt wel een vogelnestje," +riep Dolf. + +"Door, Door, zul je dan ook nooit eens een beetje netter worden," +zei mevrouw Van Brakel hoofdschuddend. "Reken er maar op, dat je den +geheelen zomer met je vogelnestje moet blijven loopen. Zulke slordige +meisjes zijn geen nieuwe hoeden waard. Waar blijft Leni toch? Dolf, +ga jij haar eens roepen, zij is zeker weer bij het kippenhok. O, +daar komt ze juist aan. Leni, kind, waar blijf je toch?" + +"O, moesje, sneeuwwitje deed zoo raar," zei Leni schreiende. "En nu +is ze dood, ze ligt geheel stijf en de dwergjes loopen om haar heen +en begrijpen er niets van." + +Hans, die juist zijn glaasje melk in de hand hield, liet het van +schrik uit zijn handen vallen, zoodat alle melk van de tafel op zijn +broek en vervolgens op den grond stroomde. + +"O, paatje, hier, hier--is een sneeuwwitje." + +"En--enne, ook--dwergjes," zei Bob met een hoogroode kleur. + +Leni, die in het geheel niet verwacht had, dat dit bericht zoo'n +uitwerking op de tweelingen zou hebben, bleef als versteend in de +deur staan. Moeder, vader, oom, Dolf en de meisjes barstten in een +onbedaarlijk lachen uit. Fritsjes hoog stemmetje hoorde men gedurig +boven alles uit. + +"O, mammi, Hansje Pansje glaasje melk omgesmijt. Stout Hansje Pansje, +hè mammi?" + +"O, houd op, ik kan niet meer," gilde Nel. "Jongens, kijk me als je +blieft niet zoo verbaasd aan. Ik houd het niet uit. 't Is tè mooi." + +Door rende de kamer uit om een vaatdoek. + +Hans en Bob keken met verwonderde gezichtjes het geheele gezelschap +aan. 't Had er veel van, of allen een uitvoering ten beste gaven en +Hans en Bob het publiek uitmaakten. + +Toen het gelach even bedaard was, zei Hans, als om zich te +verontschuldigen, half schreiend: "maar, paatje, Leni _zei_ het toch." + +"Ja, ja, Leni _zei_ het ook, ventje," en weer proestte oom Karel +het uit. + +"'t Is maar een kip, een witte kip," brulde Dolf. + +"Is er,--is er dan geen sneeuwwitje?" vroeg Hans. + +"En waar zijn dan de dwergjes, zijn er óók geen dwergjes?" vroeg +Bob. Duidelijk klonk er teleur-stelling in hun stemmetjes. + +"Och neen, kleine vent," zei Nel, die nu toch medelijden met hen +kreeg. "Wij noemen de krielkipjes dwergjes, omdat ze zooveel kleiner +zijn dan de andere. Of beter gezegd, Leni geeft de kippenfamilie +zulke mooie namen. Wij zullen jullie straks aan het heele troepje +voorstellen. Als Leni morgen plotseling bericht, dat "Slokop dood +in haar hok ligt" of dat "Asschepoes een ei heeft gelegd," dan gooit +Hansje Pansje misschien van schrik een heele kan met melk om." + +Het koffiedrinken liep verder zonder stoornis af. + +"Nu, kinderen," zei oom Karel een tijdje later, "ik moet weer weg, +hoor. Ik heb in tijden niet zoo heerlijk gelachen. Waar zijn mijn +kaboutertjes?" + +"Hier, paatje," kwam er een stem uit het grasveld. "Ik zit in de +zon voor mijn natte broekspijp en Bobbie maakt een krans voor ons +sneeuwwitje." + +"Wel verbazend, jullie hebt het maar druk. Maar de tijd voor een kusje +kan er toch zeker wel af." Toen vlogen twee aardige jongens naar hun +paatje toe. "Dag, paatje, dit kusje aan ma brengen en dit aan Bruno, +en dit...." + +"Dank je wel, als ik ze alle weggeef, blijft er voor mij zelf niets +over." + +"U hebt ze toch zelf eerst een poosje mogen houden," zei Bob. + +"Dat is waar ook," lachte vader, "en als poes toevallig op de +muizenjacht is en Bruno maakt een wandeling met vriend Turk, dan houd +ik ze stil zelf, hoor." + +"O, oompje, dan is het goed, dat het geen appelbollen zijn, dan kreeg +u vast een overladen maag," lachte Door. + +"Vind jij appelbollen misschien "onmogelijk" lekker?" + +"Onmogelijk, oompje," zei Door met overtuiging. + +"Hier, meisje, heb je dan wat van mij, dan kun je het geheele +gezelschap op appelbollen trakteeren." + +"Dank u wel, hoera! Kinderen, vanavond zal een regiment appelbollen +zijn intrede in den huize Van Brakel doen." + +"Met het oog op onze logétjes vind ik beter de appelbollenpartij tot +morgen uit te stellen," zei moeder. "De kleuters moeten vanavond niet +te laat naar bed." + +"Dus morgen, heerlijk," zei Nel. + +"Maar Bob, wat doe je toch?" vroeg Door. + +Bobbie, voorover in het gras liggend, zat Julia aandachtig te +bestudeeren. Al een paar keer had hij moeite gedaan haar oogleden +op te lichten, zoodat poes, wie deze handtastelijkheden blijkbaar +danig begonnen te vervelen, bedaard Bob den rug toekeerde, langzaam, +met deftige passen, om het perk met viooltjes heen stapte en toen op +eenigen afstand van haar kleinen plaaggeest ging zitten. Ze kneep +haar beide oogjes toe tot op een kiertje, vleide haar staartje met +het grappige zwarte puntje keurig langs haar voorpootjes en bleef +zóó in diep nadenken verzonken. + +"Effentjes kijken, hoe laat het is," antwoordde Bob. + +"Hoe laat het is. Denk je dan soms, dat onze Julia een horloge draagt?" + +"Jaap zegt," zei Bob, "dat de oogen van een poes net klokjes zijn; +je kunt er op zien, hoe laat het is." + +"Ja," zei Hans, "Jaap zegt: als 't pilletje in zijn oogen als een +recht streepje omhoog staat, is het twaalf uur." + +"Het pilletje? O, de pupil," gierde Door. + +"Nel, Dolf en Leni, hoort eens, wat onze logétjes vertellen. O, +"onmogelijk" leuk!" + +"'t Is maar jammer," zei Dolf lachend, "dat de poesjes zelf zoo weinig +pleizier van hun horloge hebben." + +"Maar 't is nu zeker al veel later," zei hij, naar Julia kijkend, +die nu het heele troepje met haar ernstige oogen zat op te nemen. + +"Het pilletje lijkt in 't geheel niet op een recht wijzertje. Kijk, +'t is een klein, zwart balletje." + +"Ja," zei Hans, "hoe laat zou het nu wel zijn? Misschien wel tien +uur. Kijk eens, Bobbie." + +Bobbie knikte, hij wist het niet precies. Hij vond het een moeilijk +geval. + +"Tien uur is het gelukkig nog niet," zei Nel. + +"We kunnen nog best een spelletje doen. Zullen we verstoppertje doen +met verlos?" + +"Ja, best! Wie doet er mee?" + +"Ik, ik," klonk het van alle kanten. + +"Eerst er om raden, wie zoeken mag," stelde Door voor. "Ik zal wat +uit mijn zak nemen. Wie het aantal raadt, mag zoeken." + +"Mag?" lachte Dolf. "Zoeken is toch geen pretje?" + +"Nu _moet_ dan," verbeterde Door. "En als niemand het raadt, ben ik +de ongelukkige. Nu?" zei ze, nadat ze iets uit haar zak had genomen +en Nel haar hand voorhield. "Hoeveel raad je? één, twee, drie, vier, +vijf of zes?" + +"Drie." + +"En Leni?" + +"Twee," zei Leni, na zich een tijdje bedacht te hebben. + +"En onze logé's?" + +"Moeten we beiden hetzelfde raden?" vroeg Hans, die nooit zoo'n +spelletje had mee gedaan. + +"Neen, ieder mag op zijn beurt raden, maar als Hans het raadt, +helpt Bob zoeken en als Bob zoo knap is, Hans. Want zoeken is lang +niet gemakkelijk." + +Gelukkig voor Hans en Bob waren ze geen van beiden zoo knap. + +"Dolf, nu staat het tusschen ons beiden," zei Door. "Natuurlijk raad +jij het, dat moet je voor je zusje over hebben." + +Dolf lachte. "Neen hoor, zoo lief ben ik niet. Vier." + +"Mag ik je deze vier dingetjes laten zien als bewijs, dat je getoond +hebt toch wèl zoo'n lief broertje te zijn?" zei Door, Dolf vier +knikkers voorhoudende. + +"Maar Door, wat doe jij met knikkers in je zak?" lachte Nel. + +"Je weet," zei Door, "dat mijn zaakjes nu eenmaal veel van stuivertje +wisselen houden. Mijn mesje en mijn beurs ben ik al drie dagen kwijt en +daarvoor in de plaats loop ik al meer dan een week met deze knikkers in +mijn zak. Hoe ik er aan kom, weet ik werkelijk niet," zei ze lachend. + +"Ik begrijp het best," zei Nel. "Jij hebt die knikkers zeker ergens +zien liggen en omdat je er nu eenmaal niet van houdt, dat zulke +dingen rondslingeren, heb je ze in je zak gestoken, erg netjes, +dat moet ik zeggen." + +"En ik ben het slachtoffer van Doors opruimmanie," zei Dolf. "Nu, +ik ga tellen. Als ik vijftig roep, moet jullie verstopt zijn. Jullie +moogt je alleen in den tuin verstoppen, niet in huis." + +"Een, twee," telde Dolf. + +Ieder vloog een kant uit. Hans en Bob stonden wel wat verlegen. "Kom +maar met mij mee," zei Door tot Bob. "Ik kruip achter dezen struik, +ga jij achter dien staan." + +"O, Door," riep Bob verschrikt. + +"Wat is er?" fluisterde Door, omkijkende. "O, maar Bobbie, hoe is 't +mogelijk! Ben jij in Dolfs rooverhol gezakt? Je hadt warempel je beenen +wel kunnen breken. St, houd je maar stil en kruip er zoo diep mogelijk +in. 't Is het mooiste verstopplaatsje uit den geheelen tuin. Als Dolf +dezen kant uit komt, moet je je goed bukken, dan vindt hij je nooit, +eenig. Hoor Fox eens opgewonden zijn, zeker, omdat hij ons zoo hard +heeft zien loopen, daar kan Fox nu eenmaal niet tegen. Als hij ons +nu maar niet verraadt. Stil, Dolf komt dadelijk zoeken. Je zit daar +wèl leuk, hoor." + +"Vijftig!" riep Dolf, "Ik ga zoeken." + +Geen antwoord, ieder had zeker een plaatsje gevonden. + +"Stil toch, Fox en loop niet zoo om mijn beenen, bedaar toch wat." + +Maar Fox had hierin in het geheel geen lust. Als een dolleman vloog hij +den tuin door, toen eenige malen langs het kippenhok, zoodat de arme +dieren het bijna bestierven van angst. Daarna zou hij met een vaart +in huis, maar werd bijtijds door Kee, met een "hallo marsch, je niet +hier verstoppen," den tuin weer ingejaagd, zoodat hij ten laatste, +moe van het gedraaf, een middagdutje in het grasveld ging doen. + +Dolf zocht en zocht, maar durfde zich bijna niet van den boom begeven, +bang, dat de een of ander uit zijn schuilhoekje te voorschijn springen +en naar de verlosplaats loopen zou, om het hem af te winnen. + +"Leni, jij staat achter het kippenhok, een, twee, drie, verlos," +riep hij. + +"Nel, neen Door, dáár bij het priëel! kom maar voor den dag. Ik ken +je aan je hoed." + +"Hoera, voor 't vogelnestje," juichte Nel en kwam met Doors ingedeukten +hoed achter het priëel vandaan. "Gefopt." + +"Dat is flauw," zei Dolf teleurgesteld. "Wie kan dat nu ook denken." + +"Ja, zoo'n slim zusje heb je nu," lachte Nel, "wees maar blij." + +"Nu Door en de tweelingen nog." + +"Een, twee, drie verlos!" riep Door, toen Dolf juist den anderen kant +was opgeloopen. + +"Dat heb ik je lekker afgewonnen. Wat heb je dat mooi bedacht," zei ze +lachend tot Nel. "Waar mijn vogelnestje toch al niet dienstig voor is." + +"Kom, Dolf, nu de tweelingen nog," zei Nel. + +"Hé," zei Dolf lachend tot Kee, die gedurende de verstoppartij geheel +tegen haar gewoonte in al dien tijd op de waranda was blijven staan +kijken. "Mij dunkt, je hebt eenige rokken extra aangetrokken van +morgen. Je schort staat heelemaal uit." + +"Ja," zei Kee lachend, "één rok heb ik aangetrokken, omdat het de +eerste vacantiedag is en één, omdat Bob en Hansje gekomen zijn." + +"Die Kee, die Kee," proestten Nel en Door. "Of je gelijk hadt? Zoo'n +dubbele feestdag mag wel met een paar extra rokken gevierd worden." + +"Maar ik moet nu eigenlijk weer aan het werk. En dan is mijn +feestgewaad mij wel wat lastig." + +"Ja, dat wil ik wel gelooven," zei Dolf. "Wiens neus voel ik door Kee's +schort heen? Mij dunkt," zei hij, de schort wat op zij schuivende, +"mij dunkt, die van Hansje Pansje." + +Hansje schaterde het uit. "Was het geen mooi plaatsje? Je kon mij +toch bijna niet vinden, hè?" + +"Neen, hoor. Wie heeft dat wel zoo mooi bedacht?" + +"Kee," zei Hans. + +"Ik moet nu gauw naar het eten gaan kijken. 't Is maar goed, dat +hier niet elken dag zoo'n verstoppartij is," zei Kee en liep haastig +naar binnen. + +"Maar waar zou Bob nu zijn?" zei Dolf. "Die heeft zich een bijzonder +mooi plaatsje uitgezocht, dunkt me." + +"Ja," zei Door, "je moet maar goed zoeken." + +Dolf keek achter elken struik, bij het kippenhok, in het priëel, +tot hij op eens, achter in den tuin gekomen in lachen uitbarstte. + +"Komen jullie toch eens hier," riep hij. "O Bob, blijf zoo stil zitten, +ze moeten je allemaal zoo eens zien." + +Nel en Leni proestten het uit, toen ze Bob in den grooten kuil +zagen zitten met alleen zijn bovenlijf er uit. Hansje klapte in de +handen. "O, Bobbie, wat een mooi plaatsje." + +"Kom er maar gauw uit, kleine vent," zei Dolf en gaf Bob een hand. + +"Ik stapte op de takjes en zakte op eens naar beneden," legde Bob +triomfantelijk uit. + +"Je mag wel gauw je kuil dicht maken," zei Nel, "voor er ongelukken +gebeuren." + +"Ja," zei Dolf, die zich wel wat schuldig voelde. "Ik was dien +overdekten kuil heelemaal vergeten." + +"Ziezoo," zei Door, "nu weer een nieuw spelletje. Dolf, jongen, +je moet weer zoeken." + +Wat hadden allen een pret! + +"Och, kijk toch eens Bobbie, wat dikke kanaries," riep Hansje verbaasd, +toen hij voorbij het kippenhok liep en juist zou hij aan Door vragen, +of hij eens eventjes een in de hand zou mogen hebben, toen ze geroepen +werden, om te komen eten. Vroolijk holde het troepje naar binnen. + +"O, wat een bestorming, als je blieft eerst voeten vegen," zei Moeder. + +"Hansje Pansje glaasje melk omgesmijt, hè Mammi?" begon Fritsje weer, +toen hij Hansje zag. + +"Ja, ja," lachte Ma. + +"Mogen we na het eten de kanaries eens zien?" vroeg Bob, zoodra hij +aan tafel zat. + +"O ja, de kanaries," riep Hansje opgetogen. + +"De kanaries?" vroeg moeder verwonderd. + +"O, zulke dikke, tante. In het kippenhok zijn ze, hè Bob?" zei Hans +vol vuur. + +Moeder lachte. "O, nu begrijp ik het." + +"Na het eten gaan onze logétjes één, twee, drie naar bed," zei +vader. "Die kleine kanaries moeten nu ook slapen, anders kunnen het +nooit groote worden. Maar morgen vroeg, als haantje kukelekaantje +jullie wakker heeft geroepen, dan maar gauw je kleertjes aan en den +tuin in." + +***** + +"Een, twee, drie, instappen," zei Nel, toen ze een uurtje later Hansje +had uitgekleed en in bed tilde. + +"Wacht, eerst even bellen," zei Bob en greep een tafelbel, waarmee hij, +voor Door dit verhinderen kon, luid ging bellen. + +Kee kwam verschrikt naar boven vliegen. + +"Och, lieve tijd, wat is hier te doen?" riep ze. "Toch geen ongeluk +gebeurd?" + +"Gauw instappen, de trein gaat dadelijk weg," zei Bob tot Keetje, +niet begrijpende, dat hij haar zoo had doen schrikken. + +Kee, die eerst van plan was boos te worden, omdat hij haar voor niets +naar boven had laten komen, kon toch haar lachen niet bedwingen bij +het gezicht van die twee grappige broekemannetjes. "Tuut," riep ze +en zette den kleinen Bob in bed. "Goeie reis, hoor, goeie reis," +en met haar zakdoek wuivende verdween ze. + +Nel en Door gierden het uit. + +"Dumderdedumderdedum," en vier kleine voetjes trappelden, dat het +geheele bed schudde. + + * * * * * + +"Het zal mij benieuwen, of die dreumesjes gauw den slaap zullen +vatten," zei Nel, toen ze beneden in de huiskamer kwam. + +"'k Zal eens kijken, of ze slapen," zei Door een kwartiertje +later.--"Als roosjes, hoor!" kwam ze terug. + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +ARME HANS EN BOBBIE. + + +"Zullen wij den haan maar gaan roepen?" vroeg Hansje den volgenden +morgen. Hij stond met Bob voor Dora's bed. + +"Wat zeg je?" vroeg Door slaperig. + +"'t Haantje heeft ons niet geroepen, het is misschien ziek," +zei Bobbie. + +Nel lag te schudden in bed. Op eens begon ze te zingen: "Op, gij +meisjes en gij knapen, kukeleku! 't is uit met slapen," en sprong +het bed uit. + +"O, ik wou dat er geen hanen en geen Hansjes en Bobbies waren," +zei Door, half brommig, half lachend. + +"Op, gij meisjes en gij knapen, kukeleku! 't is uit met slapen," +zong Nel weer en wilde Door uit het bed trekken. "Toe, jongens, +jullie aan den anderen kant; wacht, daar komt Leni ook aan. Heisa, +hopsa!" Door stond buiten het bed. + +"Ik weet wel," zei Door, "dat ik vanavond niet naar bed ga, dan behoef +ik er morgen vroeg ook niet uit te komen." + +"Of je gelijk hebt. Dat is, geloof ik, nog het allerbeste voor +jou. Jongens, loop hier nu maar een beetje in je hanssopje rond. Zoodra +we klaar zijn, zullen we je helpen. Of ben jullie misschien zoo knap, +dat je je alleen kunt aankleeden?" + +"De kousen kunnen we wel aantrekken en de schoenen ook, maar ze dicht +maken, dat doet Maatje altijd." + +"Mooi zoo, haal jullie je kleeren en begin maar vast." + +Bob en Hansje togen ijverig aan het werk. + +"Och, kijk eens, dat kousje doet zoo raar," zuchtte Bob met een +vuurroode kleur van inspanning, nadat hij al een heelen tijd bezig +was geweest. + +"O, de hiel!" schaterde Leni. "Kijk, die zit boven op den voet. 't +Lijkt wel een leeg geldzakje. Wacht, ik zal je wel helpen." + +Door, Nel en Leni hadden het druk met de logétjes. 't Werd een +wedstrijd, wie 't eerst klaar zou zijn. + +"'k Zou juist zeggen, mijn schortje is zeker weer op de wandeling," +zei Door, die overal naar dit kleedingstuk had gezocht, "maar neen, +hoor, 't ligt kalm onder mijn handdoek. Toch grappig, dat al mijn +spulletjes altijd zoo'n lust hebben om van 't eene plaatsje naar +'t andere te verhuizen." + +"En dat ze jou nooit vooraf vertellen, waarheen ze gaan," plaagde Nel. + +Eindelijk waren allen aangekleed en ging ieder met een keurige +"vacantie-kuif", zooals Leni 't noemde, naar beneden. + +"Goeden morgen, goeden morgen!" klonk het vroolijk, toen 't vijftal +de huiskamer binnen kwam stormen. + +"Wel verbazend, kinderen, wat ben jullie vroeg," zei vader, "zoo mag +ik het zien." + +"Zullen we nu eerst even 't haantje roepen?" vroeg Hans. + +"'t Haantje roepen?" + +"Zou het ziek zijn, oom?" vroeg Bob. + +"Waarom ziek, kleine man?" + +"'t Haantje heeft ons niet geroepen." + +"En hoe komen jullie dan zoo vroeg?" + +"Bobbie en Hansje hebben voor haantje gespeeld. Ze hebben Dora wakker +gemaakt," zei Nel. + +"Ik was nog zoo "onmogelijk" slaperig." + +"Als jullie je boterham op hebt, moet je maar eens kijken, of het +haantje wakker is," vond moeder. + +"Kijk toch zoo'n bedelaarstertje eens," zei Nel, toen Julia zacht +miauwend achter op haar stoel sprong en voortdurend met haar kopje +tegen Nels arm duwde. + +"Zij wil verven, zij wil verven," riep Bob; "kijk, ze gaat met haar +staart over mijn gezicht." + +"Goed, dat er geen verf aan zit." + +"Ja, voor den staart en voor Bobbies neusje." + +"Jaap zegt, dat zijn poesje geverfd is, dat is heelemaal bruin, behalve +zijn borst en zijn pooten. Bobbie en ik hebben het eens met een spons +gewasschen, maar er kwam heelemaal geen verf aan de spons en toen heb +ik mijn vinger nat gemaakt en over zijn kopje gestreken en afgelikt, +maar het proefde in 't geheel niet naar verf en de schutting wel, +toen Jaap die geverfd had. Bobbie en ik hebben daar eventjes aan +gelikt, niets lekker, hoor!" + +"Brr," zei Hansje en trok bij de gedachte nog een vies gezicht. + +Allen schaterden het uit. + +"Vader zei, dat het niet geverfd, maar zoo geboren was." + +"Of vader gelijk had!" + +"Julia houdt in 't geheel niet van zoo'n waschpartij. Was dat poesje +niet boos, krabde ze niet?" + +"Wel een beetje, maar Bobbie en ik hebben haar toen stijf +vastgehouden." + +"Arm poesje. Lieve Hansje en Bobbie," ging Door grappig ernstig voort, +"zie je onze Julia?" + +Bob en Hans knikten. + +"Zie je dat keurige witte overhemdje, dat zwarte snuitje, dat grappige +staarte-puntje?" + +Weer knikten Hans en Bobbie. + +"Toen onze deftige Julia nog een heel klein Juliaatje was, had +ze al datzelfde grappige staarte-puntje, datzelfde zwarte snuitje, +datzelfde witte overhemdje. Onze Julia is zoo geboren. Begrijp jullie +mij goed? Onze Julia is zoo geboren," herhaalde ze. "Onze Julia is +dus niet geverfd. Ik zeg jullie dit alles, dat jullie haar morgen +of overmorgen ook niet in een badkuip zult stoppen, of met je lieve +vingers zult gaan belikken." + +Een schaterend gelach ging op en Dolf, die juist binnen kwam, riep: +"leve onze Dorus, leve onze Julia!" + +En Fritsjes lief stemmetje klonk hier tusschen door. "Julia een lief +poesje, hè, mammi?" + +Julia, die blijkbaar verlegen werd onder zooveel lof, haar door Dora +toegezwaaid, liet zich zacht van Nels schouder glijden en zocht een +plaatsje op den hoek van den schoorsteenmantel. + +"Mogen we nu de kanaries eens zien?" vroeg Bob, toen 't ontbijt +was afgeloopen. + +"Wel zeker, wel zeker, kom maar mee," zei Nel. + +"Neen, Foxje, jij kunt niet mee, je zoudt de geheele kippenfamilie +angstig maken. Kijk, Leni is alweer bezig haar kippetjes te +trakteeren." + +"Hij is toch wel wakker?" zei Bob verwonderd en wees naar den haan. + +"Ja, ja, ik geloof ook wel, dat hij jullie geroepen heeft; maar toen +lag jullie nog op één oor en heb je hem niet kunnen hooren." + +"Dan zal ik morgen eens op geen oor gaan liggen," dacht Bob bij +zich zelf. + +"Zie Slokop weer eens begeerig zijn," zei Nel, "vooruit, jou +deugniet." Met een stok duwde ze de zwarte kip weg. "Zal ik nu eens +zeggen, hoe deze kanaries heeten? Kuikentjes. Het zijn kindertjes van +die groote zwarte kip, die lekkere kruimeltjes voor haar kuikentjes +bewaart. De gele dààr heet Asschepoes, de andere hanen en kippen +zijn niet aardig voor haar. Kijk die ondeugende Schoorsteenveger en +Wafelbakster eens, die trekken haar aan den staart," en Nel deed alle +moeite, Asschepoes van een witte kip en een zwarten haan te bevrijden. + +Bob en Hans hadden pret voor tien om al die mooie namen. + +"En hier heb je de dwergjes," zei Leni. "Vind jullie het geen dotjes?" + +"Leggen die kuikentjes ook eitjes?" vroeg Hans, die zijn oogen niet +van de diertjes af had. + +"Mag ik zoo'n kuikeneitje?" + +"Neen, de kuikentjes leggen nog geen eieren; als ze groot zijn wel +en dan komen soms uit die eitjes weer heele kleine kuikentjes, o zoo +beeldig. Wafelbakster en Asschepoes zijn ook zulke aardige kuikentjes +geweest en kijk het nu eens groote kippen zijn." + +"Hier heb je ook nog een kuikentje," lachte moeder en zette Frits op +Nels hoofd. Frits kraaide het uit. + +"Hij is geen kuikentje, maar een kraaiend haantje," lachte Nel. "Kom +hier, Haantje kukelekaantje," en zij nam Frits op den arm. "Nu weet +ik een mooi spelletje," zei ze. "We zetten Fritsje in den ouden +kinderwagen, Dolf wordt zijn paard en Leni koetsier. Bob en Hans +komen in de sportkar. Dora is hun paard en ik word koetsier." + +Het geheel leek wel een optocht. Als de stoet bij vader en moeder, +die op de waranda zaten, voorbijkwam, wuifden zoowel passagiers +als publiek. + +"Niet zoo wild rijden, niet zoo wild!" had vader juist geroepen, +toen op eens, doordat Dora de bocht te kort nam, de sportkar omsloeg +en Bob en Hansje er uit en in 't gras vielen! Groote ontsteltenis! +Vader, moeder en Keetje kwamen dadelijk aanhollen, want beide logétjes +hieven een erbarmelijk geschrei aan. Bobbie bloedde vreeselijk uit zijn +neus en had zijn voorhoofd bezeerd en Hansje Pansje riep maar steeds: +"O, mijn voetje doet zoo'n pijn." + +Ma droeg hem en vader Bobbie naar binnen. Hans werd op de canapé +gelegd, waarna moeder hem den schoen uit trok. Bob kreeg koude +compressen op zijn neus. Door, die zoo wit als een doek zag, wilde +dadelijk om den dokter gaan, maar vader vond beter nog een poosje te +wachten. Gelukkig bedaarde het bloeden. Hansjes voet was blijkbaar een +beetje verstuikt. 't Was wel een ongelukkig gezicht, de twee vroolijke +kaboutertjes daar zoo te zien zitten met dikke tranen op de wangen: +Bob met een compres op den neus en Hans met zijn voet op de canapé. + +"Dat is een treurig begin van zoo'n vroolijken dag," zei vader. + +"Stil maar, jongens," troostte Door, "vanavond krijgen jullie heerlijke +appelbollen." + +"Jullie weet niet, hoe goed die voor bloedende neuzen en verstuikte +voeten zijn," zei Dolf. + +"En voor alle menschen, die geschrokken zijn. Och, lieve tijd, ik +beef er nog van in mijn beenen," klaagde Nel. + +"Kijk eens," en Leni kwam met in iedere hand een grappig klein eitje, +"is dat nu niet lief van mijn krielkipjes Snoetie en Toetie? Ze +zijn dadelijk aan het leggen gegaan, toen ze hoorden, dat jullie zoo +gevallen waart." + +Bob en Hans lachten door hun tranen heen. + +"Als ik wist, dat Toetie of Moetie".... + +"Snoetie, paatje." + +"Och, jij ook met je namen altijd. Nu, als ik wist, dat Snoetie voor +mij ook zoo'n lekker eitje wilde leggen, dan zou ik ook wel zoo'n +buiteling uit de sportkar willen maken." + +"Oompje in de sportkar," lachte Hans. + +Daar kwam Kee de kamer in stormen. Kee stormt altijd, langzaam loopen +kan ze niet, want Kee heeft altijd haast. "Kijk eens," zei ze en bracht +Hans en Bob ieder een schoteltje roode bessen. "Hoe vinden jullie +dat? Als je die op hebt, ben je, dat durf ik wedden, weer geheel +beter. Heb ik ze niet keurig gerist? Ik moest eigenlijk mijn kachel +poetsen, maar nee, dacht ik, eerst zal ik die wurmen een verfrisschend +hapje brengen. Door of Nel moeten er maar wat suiker op strooien. Kom, +die leelijke tranen neem ik mee naar de keuken," zei ze en veegde, +wel een beetje hardhandig, Bob en Hansje de tranen af. En vóór de +beide jongetjes nog iets hadden kunnen zeggen, was Kee verdwenen. + +"Heeft jij jouw been gebreekt? Kun je niet meer loopen?" Onderzoekend +keek de kleine Frits naar Hansjes been. + +"Beweeg het eens." Hans deed het heel voorzichtig. + +"Doet het pijn, als jij jouw voetje beweegt?" + +Hans knikte: "een beetje." + +"Ik is niet gevallen," zei hij toen met voldoening. "Mag ik eens zien, +of er nog bloed uit jouw neusje komt?" vroeg hij, vol belangstelling +naar Bobbie kijkende. + +Bobbie deed even den zakdoek voor den neus weg. + +"O, mammie!" Fritsje week verschrikt een paar passen achteruit. "O, +mammi, allemaal rood op Bobbies zakdoek!" + +"Kom maar gauw hier, mijn kereltje", zei ma. "Hans en Bob zullen wel +gauw weer beter zijn." + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +DE APPELBOLLENPARTIJ. + + +"Een brief, een brief!" Met deze woorden kwam Door eenige uren later +de kamer binnenstormen. + +"Voor wie?" klonk het als uit één mond en Nel strekte haar hand al +verlangend uit. + +"Mis, juffertje. Hij is voor Bobbie en Hansje." + +"Een brief, o Bobbie, zeker van maatje." + +"Of van vader, want paatje heeft ons er eentje beloofd." + +Door moest den brief laten kijken. + +"Ook een postzegel er op?" + +"Ja, 't is geen kleinigheid," lachte Nel, de verrukte gezichtjes +ziende. + +"Zal ik hem voorlezen?" vroeg Door. + +"Begin maar gauw," riep Hans. + +"Ook wat er buiten opstaat," vond Bob. + +"Aan Hans en Bob, gelogeerd bij hun oom, mijnheer Van Brakel te +Westerkerke. + +"Lieve kaboutertjes. De kusjes heb ik gegeven." + +"Van Paatje," zei Bob. + +"Ma," las Door, "op elken wang een. Bruno's snuit heb ik in mijn hand +genomen en Miekies zacht pootje even gedrukt. Jelui weet niet, hoe +stil ma, Bruno, Miekie en ik het vinden, nu onze kaboutertjes er niet +zijn. Bruno zat gisterenmorgen voor jullie slaapkamertje geduldig te +wachten. Ma en ik lieten hem stil begaan. Wij wilden eens zien, wat +hij zou doen. Na een tijd rustig gewacht te hebben, begon hij zacht +te janken. O, het klonk zoo bedroefd en steeds keek hij naar de kruk +van de deur. Daarop begon hij te blaffen en zoowaar aan de deur te +krabben. Toen riep ik hem. "Die ondeugende kaboutertjes! Willen ze de +deur niet open doen?" zei ik. Bruun kwispelstaartte uit alle macht, +liep van de slaapkamer naar mij en van mij naar de slaapkamer, en +keek mij met zijn trouwe, bruine oogen zóó smeekend aan, alsof hij +zeggen wilde: doe nu toch die nare deur open, ik kan toch niet door +'t sleutelgat. "Kom dan maar," zei ik, en toen was Bruun niet te +houden, hij sprong tegen mij op, likte mijn handen en blafte, dat +hooren en zien je verging. Met een vaart rende hij de slaapkamer in, +maar bleef op eens verbaasd staan, toen hij die leeg vond. Alles werd +besnuffeld, hij begreep er niets van. Zijn mooie pluimstaart, die even +te voren nog zoo vroolijk wapperde, hing nu sluik neer. "Arme hond, +zijn ze weg?" zei ik. Nog eens liep hij de kamer rond, snuffelde onder +'t bed en liep toen langzaam naar de huiskamer. + +Ma troostte hem met een stukje hondekaak en een hompje kaas. Na +'t ontbijt zijn ma en ik een flinke wandeling met Bruno gaan doen. + +Ma wilde Miekie, geloof ik, ook wel mee hebben, omdat ze het zoo +stil vond zonder haar ventjes, maar dat ging natuurlijk niet. Toen we +den hoek van de straat omsloegen, kwamen we Pollo tegen. Dat was een +vroolijke ontmoeting tusschen Bruun en hem. 't Was, alsof ze elkaar +in jaren niet gezien hadden. Daarna liepen ze een tijdje rustig naast +elkaar. Het scheen wel, dat Bruno vertelde, dat jullie weg waart en +ik denk, dat Pollo hem zoo goed mogelijk getroost heeft, tenminste +even later renden ze uitgelaten over 't weiland. De schapen, die daar +liepen, wisten zich van angst niet te bergen. Een klein lammetje +drukte zich stijf tegen zijn moedertje aan en blaatte zoo innig +bedroefd. Daar vloog Pollo over een sloot, Bruun hem achterna. En toen, +o mijn kaboutertjes, als jullie dat gezien hadt! Pol stond aan den +kant van de sloot juist eventjes uit te blazen, met de tong uit zijn +bek, want geloof maar, dat hij moe was, toen een dikke kikker, zeker +door Bruno opgejaagd, boven op Pollo's tong sprong. Ma en ik wisten +werkelijk niet, wat er gebeurde, zoo'n spektakel maakte Pollo op eens. + +Hij rolde zich om en om op 't gras, de vier pooten in de hoogte, +en het had niet veel gescheeld, of hij was in de sloot gevallen. Nu, +zoo'n bad was misschien wel goed geweest voor den schrik." + +"O, die kikker," schaterde Dolf. "Hij zag Pollo's tong voor een +rozeblaadje aan." + +"Ja, of voor een vischje," lachte Nel. + +"O, eenig, eenig!" proestte Door. "Maar stil, laat mij nu verder +lezen." + +"Na dit kikker-avontuur waren onze wandelgenootjes kalm en gehoorzaam. + +En hoe Miekie het maakt? Ik geloof, dat ze vast van plan is jullie +een briefje te schrijven en ze mij de kunst nu wil afzien. Viermaal +heb ik haar al van dit velletje postpapier afgezet, maar telkens komt +zij weer terug, zoodat ik haar nu maar laat zitten. 't Is een klein, +nieuwsgierig poesje en jullie weet, als Mieke eenmaal een plannetje +heeft, dan laat zij dit niet varen. + +Op dit oogenblik loert ze op mijn penhouder. Steeds gaat haar kopje +van links naar rechts. O wee! een letter met drie krullen, dat is +Miekies schuld: die wilde met haar pootje den penhouder grijpen. 't +Is maar goed, dat mijn praatje uit is. Het zal mij eens benieuwen, +wanneer zij jullie gaat schrijven, maar dan ga ik er ook bij zitten, +dat weet ik wel, die deugniet!" + +"Dan gaat oom zeker ook op het postpapier zitten," lachte Dolf. + +"Heel veel kusjes van moes, van Bruno een poot, van Mieke een hoogen +rug en duizend kusjes van paatje. + +Hoe hebben de appelbollen gesmaakt? En vraag aan Leni, of de +dwergjes nog bedroefd zijn. Vooral de groeten aan oom, tante en +alle kindertjes." + +"Is hij nu uit?" vroeg Bob. + +"Ja, is het geen onmogelijk lange brief?" + +Door moest den brief nòg eens en nòg eens voorlezen, vonden Leni, +Bob en Hansje. Op 't laatst kenden ze hem bijna van buiten. + +"Boven aan het blaadje staat het verhaal van den kikker, hè +Door?" vroeg Hans. + +"En dáár onder-aan dat van Mieke?" + +"Mammi, waar is de kikker nu?" vroeg Fritsje. + +"Ik denk, dat hij nu weer vroolijk door het water springt of over +'t land. Och, och, wat zal dat arme kikkertje geschrikt zijn, toen +het zag, dat het verdwaald was." + +"En hoe verdwaald!" lachte Dolf. + +"'t Was maar goed, dat Pol geen ooievaar was, want die had het +kikkertje stellig opgepeuzeld." + +"Brr!" Fritsje schudde zijn krullebol. "Ik vind kikkers niet lekker, +Mammi wèl?" + +"Neen hoor, ik eet liever appelbollen." + +"En ik, en ik," riepen Leni en de anderen. + +"Hoera! Vanavond appelbollenpartij!" + +"En hoe is 't nu met de patiëntjes? Zouden jullie vanavond wel trek +hebben in een appelbol?" vroeg mevrouw Van Brakel. + +"Mijn voetje doet bijna niet meer zeer, heusch niet." + +"En mijn neus, kijk, er komt geen droppel meer uit." + +"Dat dacht ik wel," zei Door. "Brieven zijn zoo goed voor verstuikte +voeten en bloedende neuzen." + +"Ja, en vooral zulke lange," lachte Nel. + +"Ramplamplan, daar komen wij an. We hebben geen schoenen of kousen +meer an," kwam Dolf dien avond de kamer instappen, een groot bord +met appelbollen op zijn hoofd balanceerende. + +"O, jongen, denk om het porseleinen bord," riep mevrouw Van Brakel. + +"En om onze heerlijke appelbollen," lachte pa. "Als ze over den grond +rollen, wil niemand ze meer hebben." + +"Ik wel, ik wel," riepen Leni, Hans en Bob. + +"Dan zal ik ze maar gauw neerzetten," zei Dolf, "want als jelui in +dat geval alle appelbollen samen op ging peuzelen, dan hadden we +morgen drie zieke kinderen, en dat zou wel zonde en jammer zijn van +de heerlijke vacantie." + +"Hoera voor de vacantie!" riep Nel en stak een oogenblik later een +appelbol op haar vork in de hoogte. + +"Hoera voor oom Karel!" juichte Door en deed hetzelfde. + +"'t Lijkt wel, dat er wijn in de appelbollen zit, zoo opgewonden +worden jullie," zei vader. "Ma, geef me nog maar eentje: die dingetjes +smaken uitstekend." + +"Ja, ze zijn onmogelijk lekker," beaamde Dora. Hans, Bob en Leni +hadden het veel te druk met hun bol om iets te zeggen. + +"Komt, kinderen, het klokje van gehoorzaamheid heeft geslagen," +zei moeder, en een half uur later: "Fritsje ligt al lang in bed." + +"Fritsje is ook nog zoo klein," zei Hans. Hij vond het zeker wel wat +kinderachtig, bij Fritsje vergeleken te worden. + +"Ja zeker," lachte ma, "maar ik geloof tòch, dat het zandmannetje al +even bij Hansje Pansje op bezoek is geweest." + +Een oogenblik later werden Leni en de tweelingen door Nel en Door +naar bed gebracht. + +"Kijk eens even, of het kussen ook tegen mijn ooren aankomt," zei +Bobbie tot Door, die hem had uitgekleed. + +"Tegen je ooren?" vroeg Door verwonderd. + +"Ja, kun je ze goed zien?" + +"Niet zoo heel goed," lachte ze, "ze spelen zoo'n beetje verstoppertje, +dunkt me." + +"Zou ik den haan zoo dan niet kunnen hooren?" + +Toen barstte Door in lachen uit. "O, wacht maar eens," en ze drukte +het kussen flink plat, zoodat heel Bobs bolletje als een kaatsbal +boven op het kussen kwam te liggen. "Nu maar goed luisteren morgen +vroeg. Wel te rusten, kindertjes." + +"Toe, Nel, ben je nu nog niet klaar?" bromde ze. "Je bent een echte +treuzel." + +"Ik moet nog even Hansjes pakje opvouwen." + +"Wat valt er nu aan zoo'n jongenspak op te vouwen? Ik heb Bobbies +kleeren...." + +"Ja, hoe jij Bobbies kleeren opbergt, daar weet ik alles van: Hij +heeft gisteren den geheelen dag met één kouseband geloopen. Waar die +andere nu weer is, begrijp ik niet." + +"O, ja, éénig," gierde Dora. "Verbeeld je, Bob had er twee aan zijn +rechterbeen. Of ik zijn spulletjes ook goed opberg, hè?" + +Nu moest Nel toch ook lachen en gearmd gingen beiden naar beneden +naar de huiskamer. + +"Alweer een dagje om, ma," zei Nel, toen ze dien avond met Door naar +bed ging. + +"Ja, ja, vrouwtje, maar er komen er nog veel, moet je maar denken." + +"En als dan het zonnetje van binnen en van buiten schijnt, dan zingen +we," zei vader lachend: "'t Is vacantie, 't blijft vacantie...." + +"Hoera, vacantie boven!" vielen Door en Nel in. + +"Nacht vader, nacht moes!" En zingende gingen, ze naar boven. + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +DE VERDWAALDE DWERGJES. + + +"Er zijn dieven," fluisterde Nel aan Doors oor, want hard praten +durfde ze niet. + +Door, nu op eens wakker, zat kaarsrecht in bed. + +"Hoor je 't?" fluisterde Nel. + +Door knikte. De angst benam haar bijna den adem. + +"Zullen we vader en moeder roepen?" fluisterde Nel weer. + +"'k Durf niet," kwam bijna onhoorbaar uit Doors mond. + +"Ik ook niet," klonk het wanhopig naast haar. + +"Luister eens. 't Is precies, of ze met sleutels rammelen," zei ze +en kneep Door van angst in den arm. + +"Ik durf onmogelijk opstaan," kermde Door. "Mijn mooien armband heb +ik gisteren op tafel laten liggen; dien nemen ze natuurlijk mee en +Fritsjes zilveren kroesje en de lepels en vorken! O, 't is vreeselijk," +zuchtte ze. "En mijn ringetje ligt, geloof ik, op den inktpot. Sst, wat +zijn ze nu stil. Misschien steken ze het wel aan een van hun vingers." + +"Het zal hun toch wel niet passen," zei Nel geruststellend. + +"Om de pink wel," snikte Door. + +"'t Is precies, of ze hierheen komen," fluisterde Nel en kroop stijf +tegen Door aan. + +"Maak toch zoo'n leven niet." + +"Konden we maar dood liggen, zooals Foxje." + +Weer was 't even stil in de voorkamer. + +"Ik probeer 't," zei Nel kordaat. + +"Wat?" + +"Ik houd het hier niet langer uit." + +"Nel, hoe durf je! Ik laat je niet alleen gaan," zei Door, toch alles +behalve moedig. + +Heel voorzichtig, met ingehouden adem, liet Nel zich uit 't bed +glijden. Door volgde klappertandend.... + +"De deur staat op een kiertje," fluisterde Door. + +Als twee angstige vogeltjes tegen elkaar aangedrukt, stonden Nel en +Door in de gang en trachtten door de deuropening te kijken. + +"Zie je iemand?" fluisterde Door tot Nel, die vooraan stond. + +"Niemand." + +"Ze zullen onder de canapé gekropen zijn." + +"Ik ga eens kijken," zei Nel moedig. + +"Ik zie niemand," zei ze, op haar buik liggende. + +"Kijk eens op 't inktstel naar mijn ringetje." + +"'t Ligt er nog" zei Nel, steeds moediger de kamer rondkijkende. + +"Ligt het er nòg?" Door was een en al verbazing. "Hoe is 't mogelijk; +dieven zijn anders dol op goud." + +"Misschien zijn ze boven op de kast gekropen," begon Door weer, +nu half in de kamer staande. + +"Op de kast?" vroeg Nel ongeloovig, terwijl ze voorzichtig het +tafelkleed oplichtte. + +"Ja zeker, op de kast. Als iets weg is, kan het overal zijn, zegt +ma altijd." + +"Je denkt zeker aan je haarlintje of je handschoenen, die ook altijd +zoek zijn. St.--hoor je dat?" Nel stond stijf van schrik. + +Door keek haar met groote oogen aan en durfde geen voet verzetten. + +"Daar hoor ik 't weer," zei Nel, nog steeds op dezelfde plaats +staande. "Maar--maar--ik geloof--dat--ja nu hoor--ik--het--duidelijk," +riep ze opgewonden.... + +"'t Is ... een vogel!" + +"Een vogel?" Door wist niet, wat ze hoorde. "Een vogel?" herhaalde ze +hoogst verwonderd en stond eensklaps midden in de kamer, naar alle +kanten kijkende en luisterende. "Ja, je hebt gelijk, nu hoor ik het +ook en heel duidelijk zelfs." + +"Hij zit stellig in den schoorsteen." + +"Neen, dat geloof ik niet, hij zit in de kachel. Die stumper kan zijn +pret ook wel op." + +"Ja, werkelijk, arm dier," zei Nel. + +"Wat wil je doen?" voeg Door, toen Nel naar het raam liep. + +"Het raam open schuiven; dan kan hij dadelijk naar buiten vliegen. Het +zal wel een verdwaalde kraai of spreeuw zijn." + +"Uitstekend," vond Door. "Nu zal ik het kacheldeurtje open zetten, +let op, een, twee, drie--rustverstoorder." + +Werkelijk vloog een jonge spreeuw er uit, keek even met zijn aardige +glinsteroogjes verbaasd rond, zag het open raam--en was verdwenen. + +"Kom eens gauw kijken, daar zit hij, daar zit hij," riep Nel +opgetogen. "Zie hij 't eens druk hebben en de veertjes glad strijken, +zoo'n ijdeltuitje.--Dag plaaggeest!" + +"Wat een geluk, dat het zomer is en er geen vuile stukken cokes en +asch in de kachel liggen. Wat draait hij met zijn kopje; het heeft +er veel van, dat hij zijn avontuur in geuren en kleuren aan die twee +dikke spreeuwen naast hem zit te vertellen." + +"Dan zullen die twee ouwetjes wel hun kopjes schudden, als ze hooren, +hoe hij ons heeft beet gehad," lachte Door. + +"En jouw netheid zal nog van de daken der huizen verkondigd worden," +zei Nel. + +"Maar kom, ons diefje heeft zijn vrijheid terug; ik kruip nu nog +lekker een paar uurtjes in bed." + +"En ik," zei Nel geeuwend. "Brr, wat een nacht." + +Na een kwartiertje waren beide heldinnetjes in zoete rust. + +Aan het ontbijt vertelden Door en Nel met veel ophef, wat ze vroeg +in den morgen hadden ondervonden en werden braaf uitgelachen. Leni en +de tweelingen zaten met open mond te luisteren en moesten natuurlijk +de kachel van alle kanten bekijken, alsof daar heel wat bijzonders +aan te zien was. En Nel en Door moesten den boom wijzen, waarin de +spreeuw gezeten had. Het drietal raakte niet uitgevraagd. + +"St, zacht loopen," zei Leni dien middag, terwijl ze met de tweelingen +naar den zolder ging. "Kijk, in den koffer zijn de kleeren, geloof +ik. Jullie moet mij eventjes helpen met de doozen, ze zijn zoo +zwaar." Met veel moeite gelukte het hun, met hun drietjes de doos op +te lichten. + +"O, Bob," juichte Hans, toen Leni het deksel van den koffer had +opgetild. "Kijk eens, een rood mutsje en een grijs. En wat is +dat?" vroeg hij, een met zilverpapier beplakte kroon in de hand +houdende. + +"Dat is de kroon, die Nel op gehad heeft, toen ze voor Asschepoes +heeft gespeeld," legde Leni uit. "Maar voorzichtig, jelui moet er nu +niet alles uit halen. Ik zal eerst eens kijken, waar de pakjes van +de dwergjes zijn." + +"O, Leni, worden wij dwergjes?" Hans klapte in de handen van pleizier. + +"Daar heb ik al een pakje; hoe vinden jullie dat?" + +"Is dat voor mij?" + +"Ja, trek je schoenen maar uit, of neen, het pijpje is nogal wijd. Ga +maar op deze kist zitten, dan zal ik je wel even helpen." + +"Zou het niet te groot zijn?" vroeg Hans. + +"Een beetje misschien wel, maar dat is niets. Zulke pakjes zitten +altijd nogal ruim," voegde zij er vertroostend aan toe. + +"Wat mag ik aan hebben?" vroeg Bob, die, met de zilveren kroon van +Asschepoes op zijn aardigen krullebol en een papieren sabel om, +verlangend in den koffer keek. + +"Jij krijgt dat grijze pakje aan; tweelingen moeten toch gelijk +gekleed zijn." + +"O ja dan zal ik mijn sabel zeker maar afdoen." + +"Ja," zei Leni, druk bezig Hansje een rood puntmutsje op te +zetten. "Klaar! Nu, wat zeg je er van? Is 't niet leuk?" Hans knikte +lachend. "Wacht, je moet nog den leeren riem om hebben, die zal ook +wel in den koffer zijn. Hoera, daar is hij al! Jammer, dat hier geen +spiegel is, dan kon je je zelf eens bekijken." + +"Hebben dwergjes dan spiegels?" + +"O, neen, 't is eigenlijk veel beter, dat er hier geen is, want +dwergjes bezitten die niet." + +"Stil, wat is dat? Daar is iemand aan de deur, geloof ik," zei Leni +verschrikt. "Gauw, Hans, kruip achter dezen koffer. Bob, verstop je +gauw." Voorzichtig deed Leni de deur open en verrast bleef ze staan, +toen Julia zacht miauwend met hoogen rug langs haar streek en in twee +sprongen op een koffer stond. + +"O, jou klein, nieuwsgierig poesekopje, om mij zoo verschrikt te +maken! Kom maar weer uit je schuilhoekje, jongens. 't Is Julia en +die verklapt ons niet." + +"Help je mij even? Ik kan niet in de tweede pijp komen." + +"Een, twee, drie, hopsa," zei Leni. "Past het niet mooi? Wacht, hier +is het een beetje te wijd, maar dat is niets, daar komt de ceintuur +over heen. Nu je puntmuts nog. Prachtig!" riep ze opgetogen. "Wat +zullen allen kijken, als jullie beneden komt. Ga beiden nu maar op +deze kist zitten, dan zal ik mij ook verkleeden. Oef, wat is 't hier +warm. Ik zal het raam open zetten." + +"Word jij ook een dwergje?" vroeg Bob. + +"Drie dwergjes," lachte Hans. + +"Maar dat kan toch niet, want dan ben jij een groote dwerg en dwergjes +zijn altijd klein." + +"Zijn er geen groote dwergen?" vroeg Hans. + +"Zijn er nooit pa-dwergjes?" + +"Jawel," zei Leni; "want dwergen dragen immers baarden. O ja, dat is +waar ook, jullie moet ook nog de baarden om hebben." + +En half uitgekleed, zocht ze weer in den koffer. "Ik kan ze nergens +vinden, dat is jammer, maar zoo zijn jullie toch ook mooi." + +Dat vonden Hans en Bob ook. + +"Ik wordt sneeuwwitje," zei ze. + +"Als deze koffer van glas was," zei Hans, "dan moest jij daarin gaan +liggen en konden wij je dragen." + +Leni lachte. + +"St! daar roept ma mij, geloof ik. Hoe jammer!" Haastig trok ze haar +jurk weer aan. + +"Stil blijven zitten, hoor! Ik kom gauw terug." + +'t Was een grappig gezicht, die twee aardige ventjes met hunne roode +puntmutsjes op de kist te zien zitten tusschen allerlei koffers, +doozen, manden enz. + +"O wee, kijk Julia eens," zei Hans even later. "Zij wil, geloof ik, +op het dak gaan en dat mag niet. Juul, Juul, Juul!" riep hij, zoo +hard hij kon. + +"Misschien is zij bang voor ons, omdat we nu op dwergjes lijken." + +"Als ze op het dak komt, gaat ze vogeltjes vangen," zei Hans wanhopig. + +Weer riepen beide kinderen zoo hard ze konden, maar poes stoorde zich +er in 't geheel niet aan en stapte kalm het raam uit. + +Bob en Hans vergaten heelemaal wat Leni gezegd had. Beiden liepen +naar het raam om te kijken, waar poes gebleven was. + +"Zie je haar?" vroeg Bob aan Hans, die 't meest vooraan stond. + +"Ja, ze loopt in de goot." + +"Och, die arme vogeltjes. Als poes ze ziet, eet zij ze op." + +"Wat zou ze doen, ze zit zoo stil als een muisje." + +"O Bobbie, misschien ziet ze al een vogeltje. Ik ga haar in den staart +knijpen. Jaap heeft mij verteld, dat, als je een poes, die loert, +in den staart knijpt, ze het vogeltje of muisje niet kan krijgen." + +"Laten we dan dadelijk gaan. Ze zit nog steeds op hetzelfde plaatsje." + +Beiden stapten toen voorzichtig in de goot. Bob vooraan, voetje voor +voetje, gingen ze op poes af. + +Julia bemerkte eerst niets, maar toen Hans en Bob op ongeveer vier +passen genaderd waren, scheen ze onraad te bespeuren, tenminste ze +verliet haar plaatsje en liep verder. + +"O, Hans, als wij haar nu maar kunnen krijgen," zei Bob half +schreiend. "Stil, daar zit ze weer, misschien heeft ze ons nog niet +gezien. Niet praten," zei hij, toen Bob weer iets wilde zeggen. + +Ondertusschen was Leni weer op den zolder terug gekomen. Ze keek +vreemd op, toen ze de tweelingen niet op de kist zag zitten. + +"Jullie deugnieten, heb je je verstopt?" zei ze lachend. "Ik zal je +wel vinden." Vroolijk zingend ging ze zoeken. "Hans, Bob!" riep ze +eenige keeren, toen zij ze niet vond. + +"Misschien zijn ze in slaap gevallen," dacht ze toen. "Maar dan moeten +ze hier toch zijn. Wat is dat? Julia ook weg? O wee, het raam! Zou +Julia op het dak zijn gegaan?" Op eens kreeg ze een vreeselijken +schrik. "Als-als-de tweelingen...." + +Leni holde naar beneden. "Ma--vader--Bob en Hansje zijn nergens te +vinden en Julia is op het dak." + +"Kom, kom, kleine meid," zei pa, "Julia zal wel gauw terugkomen; +ze vond het zeker frisscher op het dak dan op den zolder. Ze zal zoo +gauw geen ongeluk krijgen." + +"Och ja, maar ... paatje, Hans en Bob zijn er ook niet." + +"Hans en Bob zijn toch geen poesjes, die zijn toch niet op het dak +geklauterd? Kom, kom, vrouwtje, maak je toch zoo angstig niet. De +bengels zullen zich zeker verstopt hebben." + +"Ik heb ze overal gezocht," zei Leni, nu wel een beetje gerustgesteld. + +Ze gingen zoeken boven. Maar toen niemand ze vond, maakte een +vreeselijke angst zich van hen meester. Er was geen twijfel +meer aan. Bob en Hans waren op het dak geklommen en naar beneden +gevallen. Allen zagen lijkwit. Plotseling werd er hevig gebeld +en stonden ze stijf van schrik. Ieder verwachtte nu te hooren, +wat ze zoo zeer vreesden. Kee kwam naar boven hollen en vloog +vader bijna omver, die juist naar beneden wilde. "Ze--ze--" +stotterde ze,--"ze--zitten--dáár," en Kee wees met den vinger,--"dáár +gunder--op het--dak.--De slagersjongen kwam--het mij--zeggen"--hijgde +ze,--"och, die wurmen, die wurmen! Het--staat--daar vol menschen, de +politie--is er ook, och hemeltje--och, och! Enne, die kan--niet bij +ze--komen, omdat de menschen--die--daar wonen--uit--de stad zijn. Die +stakkers! Wat ze--aan hebben, weet ik niet, maar--ze zien er heel +gek--uit--zegt de slager." + +Allen holden naar beneden. Mevrouw Van Brakel kon van schrik bijna +geen voet verzetten. + +Ja waarlijk, een huis of zes verder zaten boven op het dak, als twee +parkietjes, Hans en Bobbie. + +Intusschen had de politie van de buren den sleutel gehaald en was +een agent naar boven geklommen. Een algemeene kreet van blijdschap +ging op uit de volksmenigte, toen ze den agent op het dak zagen. En +een oorverdoovend hoera brak los, toen hij met Hans, en mijnheer +Van Brakel, die den agent gevolgd was, met Bob weer uit het huis +kwamen. Mevrouw Van Brakel schreide en lachte te gelijk en geen van +hen wist van blijdschap wat te doen. + +"Kindertjes, kindertjes," zei mevrouw Van Brakel, toen men een beetje +van den schrik bekomen was, "hoe kwamen jullie er toch toe?" + +"Heeft ze een vogeltje gepakt, tante?" vroeg Hans. + +"Een vogeltje gepakt? Wie wilde een vogeltje pakken?" + +"Julia," zei Bob, en toen vertelde hij alles. "lederen keer, als ik +haar staart wilde grijpen, liep zij verder en op 't laatst zagen wij +Julia nergens meer." + +"En waarom liepen jullie toen niet terug?" vroeg Nel. + +"Wij durfden ons niet omdraaien. Wij wisten ook heelemaal niet, hoe +ver we geloopen waren." En op eens barstte Hans in een zenuwachtig +schreien uit. + +"O, we waren toch zoo bang." + +"Jullie kleine, domme kereltjes," zei mijnheer Van Brakel +troostend. "Wisten jullie nu nog niet, dat dwergjes op den grond +hooren en niet op het dak?" + +"O, daar heb je de schuldige," zei Door, toen poes de kamer binnen +kwam. "Poesje, poesje, je hebt wat op je geweten. Wat heb jij ons +een onmogelijken angst bezorgd." + +"Ja, gelukkig, dat dit alles nu weer voorbij is," zei mevrouw Van +Brakel. + +"Ter eere van den goeden afloop mag Fritsje een balletje aan onze +dwergjes presenteeren en de andere kinderen mogen mee snoepen." + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +EEN DAGJE BUITEN. + + +"Kinderen," zei mijnheer Van Brakel eenige dagen later, "nu heb ik +een mooi plan. 't Is zulk prachtig weer, wat denken jullie er van, +als we eens een groote wandeling gingen maken?" + +"Heerlijk, leuk!" klonk het van alle kanten. + +"Nu, over een uurtje verwacht ik, dat alles klaar zal zijn, hoor." + +"Meisjes, jullie moet mij dan maar flink helpen. Want er moeten heel +wat boterhammen gesmeerd worden," zei moeder. "Dolf, jongen, maak jij +de sportkar eens keurig schoon, want voor Fritsje moeten wij die wel +meenemen en Bob en Hans zullen ook wel eens willen rijden." + +Ma en Door gingen de boterhammen smeren. Leni bracht papier aan, de +tweelingen zorgden voor de touwtjes, Nel pakte alles in en Fritsje +bracht ze naar de sportkar. + +"Hoe staat het er mee?" vroeg vader, op zijn horloge ziende. "Het +wordt tijd." + +"We zijn klaar, vader," zei Nel. + +"Mooi zoo, dan maar opgemarcheerd, marsch." + +"Mag Foxje mee?" + +"Zeker." + +Toen Fox zijn naam hoorde noemen, was hij uitgelaten van +blijdschap. Als een pijl uit den boog vloog hij vooruit, rende weer +terug, sprong dan tegen dezen, dan tegen dien op en was zoo dol, dat +het niet veel gescheeld had, of hij had Fritsje in zijn blijdschap +omgegooid. + +"Koest, Fox, koest, we weten wel, dat je blij bent," zei Dolf, +"maar als je zoo begint te rennen, hou je het nooit uit." + +"Wat is het toch heerlijk buiten," zei moeder. + +"Mij dunkt, we gaan de hei over en dan straks bij vrouw Pruim een +glaasje melk drinken." + +"O, ja," zei Leni, "misschien heeft ze wel weer een ziek geitje, +zooals den vorigen keer." + +Vader begon hartelijk te lachen. + +"Je wenscht vrouw Pruim ook niet veel goeds toe, kleine meid." + +Leni lachte verlegen. "Och ja, vader, maar u wéét ook niet, hoe goed +vrouw Pruim haar ziek geitje oppaste." + +"Dan moeten wij eens gauw gaan kijken, maar als jelui mij vraagt, +dan zie ik liever een gezond dan een ziek geitje." + +"Leni vindt zieke dieren altijd veel aardiger," zei Nel plagend, +"omdat ze die dan flink verwennen en vertroetelen kan. Was ik nu +maar een zieke kikvorsch of een half doode spreeuw," zei ze grappig +wanhopig, "wat zou mijn zusje mij dan allerlei lekkere hapjes brengen." + +"Ja, ja, je bent me een stumperd," lachte Dolf, "en zoolang je +nog zoo'n verbazende massa boterhammen verslindt, vrees ik, dat er +vooreerst van jou geen sprake zal zijn." + +"En tot kikker zul je 't zeker wel nooit brengen," zei Door, "want +in plaats van in het water te springen, bleef jij 't liefst aan den +kant staan." + +"En jij niet tot spreeuw," plaagde Nel terug, "want aan vroeg opstaan +heb jij een broertje dood." + +"Daar zal ik ook altijd voor oppassen, als ik al eens spreeuw mocht +worden; want vogeltjes, die te vroeg zingen, zijn immers voor de poes?" + +"En nu stel ik voor," zei vader, "dat wij hier eens een poosje aan +den kant van den weg gaan zitten. We hebben al een heele wandeling +achter den rug en 't wordt warm vandaag." + +"Hè ja," vond Door, "eventjes uitblazen." + +"Hoe is 't met mijn kleine broekemannetje?" + +"Is het broertje ziek geweest en is dat broertje toen doodgegaan, +Mammi?" vroeg Fritsje met een bedroefd stemmetje. + +"Welk broertje toch, kleine man?" + +Allen keken naar Fritsje, want 't was duidelijk, dat het schreien +hem nader stond dan 't lachen. + +"O, ik begrijp het, ik begrijp het," gierde Door. "Hij heeft gehoord, +dat Nel tegen mij zei, dat ik aan vroeg opstaan een broertje dood had." + +Ze schaterden het uit. + +"Jou kleine, kleine krullebol," zei Ma, en trok haar kereltje +liefkoozend op den schoot. + +"Nel weet er niets van, hoor, er is geen broertje ziek geworden en +ook geen dood gegaan. Dolf, kom eens hier met de sportkar, de bron +van alle goeds, en laten we dan allen een eierkoek gaan eten op het +heerlijke feit, dat Nel geen kikvorsch en Door geen spreeuw is, en +op het broertje, dat niet ziek geworden is. Wat zit het hier toch +heerlijk, 'k was werkelijk al een beetje moe," zei mevrouw Van Brakel. + +"Maar waar is Leni nu weer?" vervolgde ze. "Daar loopt ze warempel +met Bob en Hans ons al een heel eind vooruit. Dolf, roep die drie +voortvluchtigen eens terug. Ze moeten wat rusten, anders worden ze +veel te moe." + +"O, daar komen ze al." + +"O, paatje, u weet niet, wat beeldige kapelletjes wij gezien +hebben!" zei Leni. "Hansje had er bijna eentje gevangen." + +"Jaap zegt, dat kapelletjes tooveren kunnen," zei Bob. + +"Zoo, heeft Jaap dat verteld?" + +"Ja oom. 't Kapelletje zegt: hocus, pocus pas, 'k wou dat ik een +rups was." + +"En wat zegt de rups?" lachte ma. + +"De rups? Hansje, zegt die ook wat?" vroeg Bob. Hans wist het niet. + +"Dan zegt die weer: hocus, pocus pas, 'k wou, dat ik weer een +kappelletje was, en dan wordt het een kapel. Is dat niet wonderlijk?" + +"Dat zal ik Jaap vertellen," zei Bob. + +"Kijk Foxje eens," zei Dolf, "òf hij ook moe is. Pas maar op je tong, +zoo meteen springt er een kikker op, net als op die van Pluto. Ik zou, +als ik jou was, mijn rood lapje maar gauw naar binnen halen. Hier, dit +is beter dan zoo'n springertje," en hij gaf Fox een stuk van zijn koek. + +"Ik weet een mooi spelletje," zei Leni, "zullen we bloemencorso +spelen?" + +"Bloemencorso?" + +"Goed," zei Door en sprong op, "er zijn hier zulke beeldige bloemen." + +"Vader en moeder zijn 't publiek," stelde Dolf voor. + +"Ja," zei Nel, "u moogt niet kijken, wij zullen wel waarschuwen, +als alles klaar is." + +"Dan zullen we ons maar in dezen greppel omdraaien; want om op zoo'n +mooien dag met je oogen dicht te zitten, is wel wat veel gevergd." + +Door stelde voor de sportkar te versieren. Dolf sneed heide, +terwijl de meisjes bloemen gingen plukken, 't Was niet zoo'n heel +gemakkelijk werkje. Door en Nel geleken, toen alles klaar was, wel +een paar pioenen. + +"Nu den optocht opstellen," zei Nel, terwijl zij nog bezig was aan +een krans voor Leni. + +"Eerst de sportkar met Bob er in. Leni, jij moogt hem rijden. Wat +zeg je wel van dit kransje?" + +"Door, laten wij van onze armen een stoeltje maken, dan kan Dolf Hansje +Pansje daar opzetten. Hij zelf kan Fritsje op zijn schouders nemen. Nu +eerst dat kleine heuveltje op," commandeerde Nel verder. "Ziezoo, +Leni, sta even stil, nu zal ik het publiek verzoeken te kijken. Vader, +moeder, het bloemencorso is gereed, u moogt kijken. Leni, vooruit nu." + +'t Was een aardig gezicht, dat vroolijk versierde troepje van den +heuvel te zien komen. + +"Beeldig, beeldig," riep Ma. + +"Prachtig," vond vader ook. + +Foxje was nu eens heraut, dan vormde hij weer de achterhoede, en +steeds wapperde zijn vlag. Toen de optocht tweemaal het publiek was +gepasseerd, vonden allen, dat het lang genoeg geduurd had. + +"'t Is mooi geweest, 't is mooi geweest, 't is drommels mooi geweest," +begon vader te zingen en allen vielen mee in. + +"En nu stel ik voor," zei ma, "dat we bij vrouw Pruim ons glaasje +melk gaan halen. Oef, wat is het warm!" + +"Ik weet den weg wel, vader," zei Leni. + +"Uitstekend, ga jij met Hansje maar vooruit." + +Dat vond Leni wàt gewichtig, en parmantig stapte ze voort. + +"St!" zei mijnheer Van Brakel even later, "ik hoor geritsel." + +"Een eekhoorntje," fluisterde Dolf. + +Ja waarlijk, daar zat op korten afstand een allerliefst eekhoorntje +te smullen aan een paddenstoel. Hij liet de plant in zijn pootjes +ronddraaien en knabbelde er zoo stukjes af. Zoo iets hadden de kinderen +nog nooit gezien. Ademloos stonden ze te kijken, toen hoe jammer, +Fox kwam aanrennen en binnen drie tellen zat het eekhoorntje boven +in een boom angstig naar beneden te kijken, of hij ook vervolgd werd. + +"Fox, hier!" commandeerde mijnheer Van Brakel, die den angst van den +eekhoorn zag. + +"Die stoute Fox," zei Bob boos. "Ik vind dat eekhoornhondje veel +aardiger." + +"Zoo, vind jij dat eekhoornhondje veel aardiger dan onzen lieven +Fox. Zullen we Fox dan in dien boom laten klimmen en het eekhoorntje +meenemen?" + +Even bedacht Bob zich. "Blijft Fox dan vannacht hier in 't bosch en +slaapt het eekhoornhondje dan in zijn nest?" + +"Ja zeker." + +"Och, laten we Foxje dan maar liever houden," zei hij. Maar nog eens +even keek hij door de takken, waar toch wel het mooie "eekhoornhondje," +zooals hij het noemde, gebleven was. + +"Leni en Hansje zullen al wel bij vrouw Pruim zijn," zei pa na een +half uurtje. "Wij hebben, geloof ik, een omweg gemaakt. Zij zullen +wel ongeduldig worden en niet begrijpen, waar wij blijven." + +Maar toen allen bij vrouw Pruim kwamen, zagen ze Leni en Hansje +nergens. + +"Leni zal in den stal zijn om haar zieke geit op te zoeken," zei vader +lachend. "Ga haar en Hans maar eens vertellen, dat wij er al zijn, +dan zal ik ondertusschen voor jullie een glas melk bestellen." + +"Ze zijn nergens," zei Nel, terugkomende. + +"Nergens? Nu nog mooier. Den eenen dag verdwalen de logé's op het +dak en een paar dagen later verdwaalt Leni op de hei." + +"Ze konden toch al lang hier zijn," zei moeder. + +"Hoe is 't mogelijk, die Leni, die altijd zoo goed den weg weet." + +"Ze zal wel weer achter een vlinder of hagedis zijn gaan loopen," +zei Nel. + +"Ik wou toch, dat ze er maar vast waren," zei moeder. "Ik ben er niet +zoo heel gerust op." + +"Ja," zei Dolf lachend, "als ze achter een hagedis aanloopt, moeder, +dan zal u ze wel niet zoo gauw terugzien. Maar daar komen ze, daar +komen ze. Ik zie ze heel in de verte." + +Ja, werkelijk, heel in de verte zag men twee kinderen langzaam +naderkomen. + +"Waarom loopen ze toch niet vlugger, ze zien ons toch wel zitten. Als +'t niet zoo "onmogelijk" warm was, liep ik ze te gemoet," zei Door. + +"Dat dient nergens toe, kindje. Ja, 't is verbazend warm. De lucht +ziet er werkelijk uit, of we onweer zullen krijgen, 't Is te hopen, +dat de bui nog maar wat uitblijft," zei mijnheer Van Brakel. + +"Ik zal maar vast de boterhammen ronddeelen, want er zullen wel leege +magen zijn en die twee laatkomers zullen ook wel trek hebben." + +"Hier zijn de schuldigen," zei Nel, die Leni en Hans toch te gemoet +geloopen was en nu met beiden voor mevrouw Van Brakel stond. + +"Maar kinderen, wat hebben jelui uitgevoerd!" riep mevrouw Van Brakel +verschrikt, de natte kleeren van Hans ziende. + +Allen zetten groote oogen op. + +"Wat is er gebeurd?" riepen Dolf en Door. + +"Dit jongetje," zei Nel, op den snikkenden Hans wijzende, "was op eens +heelemaal vergeten, dat hij een jongen was en dacht, dat de kikker +daar ginds in den plas zijn broertje Bob was. En toen hij zag, dat +zijn kikkerbroertje alle moeite deed om een mug te vangen, dacht hij: +stumpertje, ik zal jou wel even helpen, en flap, daar lag hij voorover +in den plas en toen begreep hij wel wat laat, dat hij geen kikker, +maar Hansje Pansje was." + +"Klein, dom Hansje, dacht je, dat je een kikker geworden was," lachte +mijnheer Van Brakel. + +Hans schudde heftig zijn hoofd. + +"Dacht jij, dat ik in een kikker omgetooverd was?" vroeg Bob lachend. + +Nog heviger ging Hansjes bolletje. + +"Hansje dacht," zei mevrouw Van Brakel, "dat een bad op zoo'n warmen +dag wel frisch zou zijn, maar hij vergat zijn kleeren uit te trekken." + +"Ik kon het heusch niet helpen," zei Leni, half schreiende, "maar ik +zag een klein vogeltje, dat o zoo akelig deed. Ieder oogenblik dacht +ik, dat het dood neer zou vallen, en juist toen ik het wilde grijpen, +vloog het, roef! naar boven in een boom. En toen ik omkeek, zag ik +Hans in den plas liggen. Ik heb hem toen dadelijk aan zijn arm er +uit getrokken." + +"Dat vogeltje was een kleine grappenmaker," zei vader. "Dat heeft jou +leelijk gefopt, meisje; want het was zoo gezond als een visch. Maar zal +ik je eens wat vertellen? Het was bang, dat jij zijn nestje zoudt zien, +waarin zijn kindertjes zaten daar in de buurt, en toen dacht het: als +dat meisje naar mij ziet en met mij meeloopt, kan ze mijn kleintjes +niet vinden. En toen jij ver genoeg van zijn nest verwijderd was, +vloog hij op en lachte je in zijn vuistje uit. Droog nu maar gauw je +tranen, kleine meid. Zoo'n bad zal Hans geen kwaad gedaan hebben. Nel +kan nu wel eens hooren, of vrouw Pruim ons misschien ook droge kleeren +kan leenen van een van haar jongens. Gerrit of Piet zullen wel iets +hebben, dat Hansje past." + +"Een jasje en een paar klompjes van onzen Dirk kan dat jongetje best +aanhebben. Kom jij maar mee, hoor," zei vrouw Pruim tot Hans, "dan +zal ik je die spulletjes gauw aantrekken." Maar Hans had hierin in +'t geheel geen lust, tot eindelijk mevrouw Van Brakel meeging. + +Een hartelijk gelach weerklonk, toen Hans na een tien minuten als +boertje met lange broek en klompen aan weer in den tuin verscheen. + +"O, "onmogelijk" leuk, onmogelijk," gilde Door. Hans kreeg nu ook +pret in 't geval, stak zijn beide handen in de zakken, zoodat ze +wijd uitstonden, draaide zich om en om en liet zich van alle kanten +bekijken. + +"Nu, wat zegt ge nu?" lachte vrouw Pruim, "heb ik niet een aardig +Pruimpje van je gemaakt?" + +"Och, zoo'n aardig Pruimpje," schaterde Dolf. + +"Maar nu zijn we geen tweelingen meer," riep Bob met een grappig +ongelukkig gezicht. "Hoe moet dat nu, tante?" + +"Dat is niets, ventje," zei mevrouw Van Brakel, "vanavond zijn jullie +weer tweelingen in je hanssopjes." + +Foxje was door al die luidruchtigheid ook heelemaal van streek en +holde van den een naar den ander. + +Na een half uur werd de terugtocht ondernomen en toen Hansje moe +werd van 't ongewone loopen op de klompjes, werd hij bij Frits in +de sportkar gezet, 't Was nog een heele wandeling en bij de greppel +gekomen, werd er halt gehouden. Door beweerde, dat ze "onmogelijk" +verder kon en allen hadden behoefte eens heerlijk uit te rusten met +die warmte. Dolf ging languit op de hei liggen en Fox hield trouw de +wacht bij zijn vriendje. + +"Nu maar weer opgemarcheerd," zei mijnheer Van Brakel na een +kwartiertje. "Ik ben anders bang, dat we niet voor de bui thuis +zullen zijn!" + +'t Was duidelijk, dat Julia blij was, toen haar vrindjes en +vriendinnetjes weer thuis waren. Ze deed niets dan langs de deurposten +strijken en zacht miauwen en duwde haar aardig kopje dan tegen dezen, +dan tegen dien aan. + +"Stil nu, stil nu," zei Door troostend. "Wat wil je toch, Julia? Wacht, +ik geloof dat er nog een kaakje in den zak is overgebleven. Dat krijg +je tot "welkom thuis" en morgen zullen we spelletjes doen; maar als +je te veel naar de vogeltjes kijkt in plaats van op te letten dan +neem ik mijn boek en ga in een hoek onder den treurboom lezen, hoor!" + +"Ziezoo, het klokje van gehoorzaamheid voor allen, groot en klein. Een, +twee, drie naar bed. 't Is een vermoeiende dag geweest." + +"Ik kruip alléén onder 't laken," zei Leni. + +"En ik," riepen Dolf en Nel. + +"Och, moezekepoes, wat is 't warm!" + +"Door en Nel, jullie zorgt wel voor onze logé's, niet waar?" + +"Ja zeker, moeder; ik zeg dan: hocus, pocus pas, 'k wou, dat +ons boertje weer Hansje was, en dan ..." lachte Nel. + +"Trekt Hans gauw zijn hanssopje aan," zei Bob. "Dan zijn we weer +tweelingen." + +"Nacht vader, nacht moeder!" + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +TWEE KNAPPE HUISHOUDSTERS. + + +"Kinderen, moeder is vanmorgen met hoofdpijn in bed blijven liggen," +zei mijnheer Van Brakel eenige dagen later. "Jullie moet Kee nu +maar een beetje helpen en vooral niet te veel leven maken, 't Is wel +vacantie, maar..." + +"Dat treft juist heel goed," zei Door geruststellend. "Ik zal-wel +voor de boterhammen zorgen en thee schenken. Nel kan dan--ja, Nel, +wat zul jij doen?" + +"'k Zal het Kee eens vragen," zei Nel. "Deze boontjes moeten afgehaald +worden, dat vind ik wel een leuk werkje. Leni kan mij wel wat helpen," +en vol ijver wilde Nel dadelijk al beginnen. + +"Och, Nel, help jij Fritsje even met zijn boterham. Laat die boontjes +maar staan tot na 't ontbijt." + +"Zou ik ze dan nog wel klaar krijgen? Kee zei: ""asjeblieft een portie +voor een kazerne."" Nu, dat kan nogal, dunkt me." + +"Zoo? Zei ze dat? Maar je moet mij nu toch even helpen. Het botermesje +ben ik kwijt," en Door tilde alle bordjes op, keek onder het theeblad, +op den stoel. "O, daar is 't gelukkig al. Waar zijn de tweelingen en +Leni? Wil je even kijken?" + +"Fritsje een glaasje melk, Door," vleide de kleine jongen. + +"Ja, ja, kleine snoes, dadelijk, 'k heb 't zoo druk. + +Och, Nel! Nel! Nè-èl! Hè, waar is ze nu weer?" zei Door in zich +zelf. "Waarom loopt ze nu juist weg? Ze kan toch wel begrijpen...." + +"Ze waren in den tuin," zei Nel, met de tweelingen terugkomende. + +"Wie waren in den tuin?" + +Nel proestte het uit. "Wie anders dan Bob en Hans. Je zei immers: +ik zou ze zoeken." + +"Dat is waar ook; maar geef jij Frits even zijn kroes met melk, ik kom +niet klaar. Wacht, even tellen: Vader, Dolf, Nel, Leni, de tweelingen, +dat is--dat is zes. Hoeveel sneetjes zou ik snijden? Hoeveel eet jij?" + +"Ik heb trek," zei Nel. + +"Nu ja, daar heb ik niets aan. Hoeveel sneetjes eet je dan, àls je +trek hebt?" + +"Twee." + +"En Dolf, denk je?" + +"Wel drie." + +"En vader?" + +"Ook wel zooveel." + +"Acht," telde Door. "En Leni?" + +"Ja, dat weet ik niet." + +"Leni, Leni!" riep Door, met in de eene hand het mes en de andere +het brood. + +"Natuurlijk, Leni is weer bij het kippenhok. Hoeveel?" riep Door, +'t brood in de hoogte houdende. + +"Vier," riep Leni terug. + +"Vier, hoe is 't mogelijk," zei Door, "dat is dus twaalf." + +"Och," zei Nel, "waarom vraag je dat toch alles; dat doet ma nooit." + +"Ma wéét, hoeveel ieder zoowat eet, maar ik niet. Zou jij ooit gedacht +hebben, dat Leni vier sneetjes at?" + +"En dan zegt ze nog wel, dat ze in de vacantie nooit trek heeft," +lachte Nel. + +"Bob en Hans ieder eentje, dat is veertien," telde Door. "Nu Kee +nog. Ik hoop maar niet, dat ze al te grooten honger heeft," zei ze +met een kleur van inspanning, "want 't mes is zoo akelig stomp. Help +jij vast smeren." + +"Kee!" riep ze, nu haar hoofd in de gang stekende. "Hoeveel?" + +"Hoeveel?" riep Kee verwonderd terug. "Gewoonlijk driehonderd, maar +nu nog vijftig meer." Door proestte het uit. + +"O, neen, maar Nel, hoe vind je die Kee?" verder kwam Door niet. + +"Wat zegt Kee?" vroeg Nel, lachend om Door. + +"Toe, zeg het nu," zei Nel ongeduldig, omdat Door maar blééf lachen. + +"Verbeeld je, Kee zegt ""gewoonlijk--,"" weer proestte Door 't uit. + +"Hè toe, wees nu niet zoo flauw," zei Nel half boos, half lachend. + +"Kee zegt," zei Door nu, haar best doende zich verstaanbaar te maken: +"gewoonlijk driehonderd en nu nog vijftig meer," wéér gierde Door. "O, +nee, maar Nel, wat zou ze meenen? Gewoonlijk driehonderd en nu nog +vijftig meer; zeker, omdat ik een stomp mes heb!" + +Nel, die juist Frits hielp, gutste door het lachen de helft van de +melk over het kroesje. "Ik begrijp het," schaterde ze. "Ze bedoelt +de slaboonen." + +"'t Is prachtig! Eenig! Stel je voor: driehonderd vijftig sneetjes +met een stomp mes." + +"Hoeveel _boterhammen_?" riep Door gierend terug. + +"Wie kan dat nou ook denken," zei Kee goedig; "drie, maar als ik +haast heb twee. En ik heb nu haast." + +"Dat is--hoeveel had ik ook weer?" + +"Veertien," hielp Nel. + +"Dat is dus zestien en ik zelf. Ja, 'k hèb honger, maar ook haast, +net als Kee, dus ook maar twee. Kom, nu zal ik de rest smeren. Wat is +zoo'n huishouding toch "onmogelijk" druk," zei ze, Fritsjes boterham +in smalle reepjes snijdende. "Je komt gewoon niet klaar." + +"Ziezoo, daar ben ik weer," zei mijnheer Van Brakel. "Ik zie wel, +dat je goed voor allen gezorgd hebt." + +"Leni, kom nu toch, we zijn allen klaar," riep Nel; "je boterhammen +zijn gesmeerd." + +"Ja, ik kom dadelijk, ik moet even de eieren naar de keuken +brengen. Zijn al die boterhammen voor mij?" vroeg ze, verbaasd naar +haar bordje kijkende. + +"Ja, natuurlijk," zei Door. "Ik heb je immers gevraagd, hoeveel je +hebben wou? Je eet nu maar op, wat op je bordje ligt." + +"Maar ik _heb_ niet gezegd, dat ik er vier wou hebben," zei Leni, +wanhopig naar den berg boterhammen kijkende. "Zoo veel eet ik nooit." + +"Wat is er toch, kinderen?" vroeg mijnheer Van Brakel. + +"Och, vader, ik was aan het brood snijden, en omdat ik niet graag meer +wilde snijden dan noodig was, vroeg ik Leni, die natuurlijk weer bij +de kippen was: "hoeveel?" + +"En toen?" + +"Toen riep ze van vier, dus...." + +"En vier kon _on_mogelijk iets anders zijn in Doors oogen dan sneetjes +brood; zoo'n huishoudstertje," lachte vader. + +"Nu begrijp ik het," zei Door, "vier kon bij Leni _on_mogelijk iets +anders zijn dan eieren." + +"Of kippen," zei Nel. + +"Dus kippeneieren," lachte Dolf. "Wat wil jij, Julia, kleine +vleister! Bob, zij wil, geloof ik, dolgraag een stukje van jouw +boterham hebben." + +"Nu zou ik toch eigenlijk wel graag een kopje thee willen hebben," +zei vader. + +"O wee, ik vergeet heelemaal in te schenken. Ma heeft misschien ook +wel trek in een kopje. Leni, wil jij eens even vragen?" + +"Wat is dat?" riep Door verschrikt uit. "Er komt water uit de tuit, +alléén water. En ik weet toch zeker, dat ik thee in den pot heb +gedaan." + +"Misschien gebeurt zoo iets in de vacantie wel meer," zei vader. + +"O, neen, paatje," zei Door, die wel begreep dat mijnheer Van Brakel +haar plaagde, "'t Is toch heusch waar. Ik heb het theebusje in de +hand gehad, ik weet het zeker." + +"Ja, je hebt met thee zetten gedaan als met de vraag aan Leni over +de boterhammen. Je vroeg hoeveel, en het voornaamste vergat je." + +"Ja, maar het theebusje," begon Door verdrietig, "waar is dat dan +toch gebleven. Ik zie het hier niet staan en toch...." + +"Ik heb het, ik heb het!" + +"Waar?" vroeg Door. + +"Hier, onder het deksel van het botervlootje," zei Nel. + +"Ik ben blij voor jou, dat het busje er weer is. Ik zal nu voor dezen +morgen maar een glas melk nemen; want het wordt mijn tijd." + +"Nu, paatje," zei Door, die het heel onpleizierig vond, dat haar +theeschenken zoo treurig afliep, "dan schenk ik u vanmiddag een extra +lekker kopje." + +"Water of thee?" lachte vader. + +"Wat is u toch een plaaggeest!" + +"Ik op 't lage stoeltje!" riep Nel een kwartier later en rende naar +het priëel zoo vlug ze kon, met de teil met prinsessenboonen voor +zich uit. "Jullie moet mij allen helpen. Dolf, haal jij even een +paar couranten voor de draden en een grooten bak voor de afgehaalde +boonen. Leni kan die boonen mooi doormidden breken. De tweelingen en +Fritsje kunnen met hun drietjes in den tuin spelen, wij hebben daarvoor +nu geen tijd. Er kan hun geen ongeluk overkomen. Fox, hier oude jongen, +breng dit boek eens naar binnen, dat heeft zeker iemand hier gisteren +weer laten liggen, je weet wel, wie ik bedoel. Fox sprong en blafte, +dat Bob de vingers in zijn ooren stak. "Fox, apporte, bedaar nu, +apporte," gebood Nel en toen nam de dartele, vroolijke Fox heel gedwee +het boek in zijn bek en ging er mee naar binnen. + +"Allo, marsch," riep Kee en toen stoof Fox de trap op naar Doors kamer. + +Bob, Hans en Frits hadden het al even druk met hun drietjes als de +kleine huishoudsters. + +"Dat is Asschepoes," legde Hans aan Bob en Frits uit, terwijl hij +bij het kippenhok stond, "en dat Snoetie. Kijk die kuikentjes toch +eens. Ik wou wel zoo'n kuikentje in de hand hebben." + +"Ik ook wel," zei Bob. "Misschien zouden ze 't wel prettig vinden, +als ze ook eens door den tuin mochten wandelen," opperde hij. + +"Ja," zei Hans, "en die arme Asschepoes zeker ook. 't Is toch ook +niet prettig, altijd in zoo'n hok te zitten." + +"Mag Frits ook een kuikentje hebben, zoo'n lief kuikentje?" en hij +trappelde al van ongeduld. + +"Is er ook een deurtje om in 't hok te komen?" onderzocht Hans. + +"Hier is een deurtje," zei Frits, die Leni dit dikwijls had zien +openen. + +"Wat een kleintje," lachte Bob. + +"Ja, dit is eigenlijk 't kippenhuis. Laten we spelen, dat wij kip +zijn," stelde Bob voor, "en Frits een kuikentje." + +"Neen," zei Hans, "ik ben Slokop en jij Asschepoes en dan vecht ik +met jou." + +"Fritsje vindt het toch niet zoo heel prettig in dit huisje," zei +Frits, angstig naar den haan kijkende. + +"Dat hoort ook zoo," zei Bob. "Kuikentjes vinden 't ook niet prettig +in een hok. Kijk eens, daar loopen warempel al twee op 't gras. Kijk +Asschepoes eens en de haan. En Snoetie en Toetie!" + +Voorzichtig stapte hij 't hok binnen, wel een klein beetje bang, +toen eenige kippen begonnen te fladderen. Maar dat wilde hij voor +Hans en Fritsje niet weten en liep daarom moedig verder. + +"Ze vinden het, geloof ik, niet goed, dat wij in hun huis komen," +en eigenlijk had Hans wel grooten trek om dadelijk weer terug te +keeren, maar toen hij Bob zoo dapper voort zag stappen, wilde hij +niet minder zijn. + +"Nu is er geen meer in 't hok! Hoe leuk," riep Hans, "nu doen we +het deurtje dicht!" Maar juist had Hansje dit gezegd, toen er een +doordringende gil van Leni te gelijk met een nog doordringender van +Door weerklonk; want de kippen, krielkipjes en kuikentjes genoten zoo +buitengewoon van hun vrijheid, dat ze uit puur pleizier steeds verder +waren getrippeld tot aan 't priëel, waarin allen zoo ijverig bezig +waren, dat ze Bob en Hans geheel hadden vergeten. Tot op eens Toetie +met haar kleine kraaloogjes om 't hoekje kwam kijken en de haan zijn +blijdschap over de heerlijke vrijheid niet beter wist uit te drukken, +dan door een krachtig kukeleku vlak bij Leni's oor te laten hooren. + +"De haan! de kippen! de kuikens!" klonk het van alle kanten. Door viel +bijna over den bak met slaboonen. "Wie is bij 't kippenhok geweest?" + +Leni sprong op en Nel zat als versteend. + +Fox, die rustig had liggen slapen, was op eens klaar wakker en pas +zag hij de niets vermoedende kuikentjes, of hij wilde er op af, +als Dolf hem niet met geweld bij den halsband vastgehouden en in +huis gezet had. Nu werd het een jagen van alle kanten. Tot driemaal +toe vloog Asschepoes angstig kakelend over het bed met viooltjes en +de kleine kuikentjes trippelen nù voor, dàn achteruit, in 't geheel +niet begrijpend, wat er van hen verlangd werd. + +"Niet zoo wild, niet zoo wild," riep Door, "dan kunnen we ze onmogelijk +krijgen. O wee, daar heb je Julia. Nel, jaag haar weg." Julia was +blijkbaar over dezen daad van Nel zóó diep beleedigd, dat ze, zonder +Nel ook maar met één blik te verwaardigen, rechtsomkeert maakte om +boven op de schutting haar toilet, waarmee ze te voren zoo ernstig +bezig was geweest, te voltooien. + +"Ssst, voorzichtig, daar zit een krielkipje onder die struik. Dolf, +ga jij hier staan, dan jagen we het er voorzichtig onder uit." + +"Och, kijk toch die kuikentjes, ze vallen bijna over hun eigen +pootjes," zei Leni. + +Op eens schaterde Dolf het uit. "O neen maar, kijk toch eens, kijk +eens. Bob, Hans en Fritsje in het kippenhok!" + +Allen waren, al jagende, nu ook het kippenhok genaderd en +niettegenstaande de groote verwarring door de "kippenoverstrooming", +zooals Dolf zei, ging er toch een uitbundig gelach op, toen ze de +drie kereltjes in het kippenhok zagen met hun neusjes stijf tegen +'t gaas gedrukt, vol belangstelling voor de kippenjacht. + +"Nu nog mooier," zei Nel. "Willen jullie wel eens één, twee, drie, +uit het hok komen? Zoolang jullie nog Bob en Hans bent, hooren jullie +niet in een kippenhok." + +"We dachten, dat de kippen het heel prettig zouden vinden in den tuin," +zei Bob. + +"Misschien vinden ze dat ook wel, maar kuikentjes en kippen zijn nog +maar domme dieren en weten niet, dat ze niet aan de bloemen mogen +pikken; daarom vinden wij het in het geheel niet prettig, dat ze in +den tuin zijn. Ze zouden onzen mooien tuin heel gauw leelijk maken +en dat willen jullie toch zeker ook niet. Ziezoo, blijf hier nu maar +even stil staan, dan zullen wij ze voorzichtig in het hok jagen." + +Bob en Hans stonden wel wat bedrukt te kijken. + +"Fritsje vond het niets prettig om kuikentje te spelen," zei Frits, +blij, dat hij uit het hok was. + +"Neen, ventje, dat is ook niet prettig, tenminste voor jongens niet." + +Eindelijk waren alle kippen weer in 't hok. Zelfs de haan, hoewel de +laatste van de geheele familie stapte deftig de voordeur van zijn +huis binnen en begon dadelijk te pikken van enkele graankorrels, +die op den grond lagen, met een gezicht en een deftigheid, alsof hij +niet even te voren zoo ondeugend zijn huis ontvlucht was. + +"Goeden middag!" hoorden de kinderen zeggen. + +"O, moesje, is u weer beter?" + +"Wie zou nu lang in bed kunnen blijven met zulk prachtig weer," +lachte mevrouw Van Brakel. + +"O, moes, 't is eigenlijk jammer, dat u nu pas komt. Als u even eerder +gekomen was...." + +"'k Heb alles van het balcon gezien," zei moeder, "en ik geloof, +dat ik het restje hoofdpijn weggelachen heb." + +"'t Was eigenlijk "onmogelijk" leuk," zei Door. + +"De slaboonen zijn klaar, maatje." + +"Jullie bent maar een paar knappe huishoudsters. En daar ben ik wat +trotsch op, hoor!" + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +EEN AVONTUUR. + + +"Hier heb ik de kleeren, die we voor Hans geleend hebben; die konden +jullie zoo meteen wel eens naar vrouw Pruim terugbrengen, 't Is er +juist zoo'n heerlijke dag voor," zei mevrouw Van Brakel. "Fritsje +blijft bij mij thuis, dan behoeft de sportkar niet mee, want Hans zal +nu toch voor de tweede maal wel niet in een plas vallen en naar huis +gereden moeten worden," lachte ze. "Kijk eens, Nel, koop hiervoor +wat chocolade voor de drie jongens van vrouw Pruim en hiervoor mag +je voor jullie zelf eene traktatie koopen, omdat het vacantie is." + +"Dat treft goed," riep Door opspringende, terwijl ze het boek, waarin +ze zat te lezen, neergooide, "ik dacht juist: wat zal ik nu eens doen +en daar komt u met zoo'n heerlijk plannetje." + +"Weet jullie wat," zei Nel, "ik ga vast vooruit met Hans en Bob om +iets te koopen, jullie komt ons dan wel na." + +"Wat gaan we koopen?" vroeg Hans. + +"Ja, dat weet ik niet, dat mogen jullie nu eens bedenken," zei Nel, +die het wat gewichtig vond, dat haar de inkoopen waren opgedragen. "We +moeten iets hebben voor Dirk, Piet en Gerrit." + +"Ik weet wel iets: een chocolade-sigaar," zei Hans. + +"Een chocolade-tol is veel mooier," vond Bob. + +"Dat vind ik allebei heel aardige dingen; als ik nu maar wist, wat +de jongens 't mooist vinden. Ziezoo, hier moet we zijn," zei Nel en +stapte met de beide jongens een winkel binnen. + + + Voeten vegen, wat verdriet, + Zien jelui die mat daar niet? + + +werd er op eens geroepen. Nel kreeg een kleur als vuur, gluurde overal +rond, maar zag niemand. Bob en Hans wisten ook niet, wat ze er van +denken moesten, maar alle drie deden gewillig wat hun bevolen werd. + + + Doe de deur toch dadelijk toe, + Hoor, hoe 'k hoest, aehoe! aehoe! + + +"De deur is dicht," zei Nel, niets op haar gemak. Maar tegenover Hans +en Bob wilde zij zich groot houden. + +"Wie zou dat toch zeggen?" fluisterde Hans. "Ik zie niemand." En +hij ging op zijn teenen staan om zoo ver mogelijk om zich heen te +kunnen kijken. + + + Houd op, houd op, ik lach mij ziek, + 'k Heb in mijn poot zoo'n rheumathiek + + +werd er toen geroepen en daarop klonk een schaterend lachen, zóó +vroolijk, dat Nel, Hans en Bob het mee uitproestten. Toen ging op +eens achter de toonbank een deur open en een dame met een vriendelijke +stem zei: "Neem me niet kwalijk, jongejuffrouw, dat ik u zoo lang liet +wachten, maar ik werd juist even opgehouden. Waarmee kan ik u dienen?" + +"Ik, ik".... Nel schaterde het weer uit. "Hebt u--ook."--Weer een +lachbui. "O, juffrouw, neen, ik kan 't niet zeggen." + +Bob en Hansje keken dàn naar Nel, dàn naar de juffrouw en deden ook +niets dan lachen. + +"Ik begrijp niet"--zei de juffrouw, nu ook lachende, "werkelijk +niet".... + +"Ik wou graag," begon Nel, die alle moeite deed zich goed te houden, +"ik wou graag".... + +"Ha, ha, nu begrijp ik, wat er gebeurd is," zei de juffrouw. "Toddy, +de raaf, is zeker aan 't woord geweest." + +"Was het geen mensch, was het een raaf?" vroeg Nel hoogst +verwonderd. "Hoe is 't mogelijk? Och toe, mogen wij hem eens zien?" + +"Kom dan maar mee," was het lachend antwoord. + +"Kijk, hier is hij." + +Nel en de tweelingen raakten niet uitgekeken. + +"Kan hij nog meer praten?" vroeg Nel opgetogen. + +"O zeker," zei de juffrouw, "maar hij wil niet altijd. O, 't is +zoo'n deugniet." + +"Niet waar, niet waar!" riep de vogel terug. + +"Jammer, dat de anderen hier niet zijn," zei Nel; "mag ik eens +even kijken, of ze komen, juffrouw? Leni zou de raaf zoo dolgraag +eens zien." + +"Zeker hoor, als je denkt, dat ze het aardig vinden." + +Nel stoof den winkel uit en kwam niet lang daarna met Door, Leni en +Dolf terug. Nel had onderweg het geheele verhaal al gedaan. + +"Klontje," zei Toddy en klopte met zijn snavel tegen de kooi. + +"Dat kun je begrijpen," zei de juffrouw lachend. + +"Och toe, juffrouw, mogen we hem iets geven?" vroeg Leni. + +"Dan moet hij er eerst om bedelen." Toen Toddy 't woord "bedelen" +hoorde, begon hij uit alle macht tegen de tralies te tikken, nam +een smeekende houding aan, door zijn kop schuin te houden, en riep: +"Och toe, och toe," wat zóó grappig klonk, dat allen het uitgierden. + +"Nu mag jullie hem een stukje borstplaat geven," zei de juffrouw. + +Hans durfde niet en Bob was wel bang, dat de raaf hem in de hand zou +pikken, maar toch gaf hij het hem. + +"Zit hij altijd in die kooi?" vroeg Hans. + +"Wel neen, hij komt er dikwijls uit." + +"Nu moeten we gaan," zei Door eindelijk. + +Leni had grooten lust te blijven. + +"Ik zou warempel mijn boodschappen nog vergeten," zei Nel. "Hebt u +ook chocolade-tollen, juffrouw?" + +"Kijk eens, hoe vind je deze?" vroeg de juffrouw, terwijl ze er één +van chocolade en één van suiker liet zien. + +"Beeldig, geeft u beide maar en dan nog een chocolade-sigaar." En +toen Nel ook een zakje met lekkers gekocht had, ging het geheele +gezelschap weer op stap, nadat de juffrouw hen uitgenooodigd had eens +spoedig terug te komen. "Toddy vindt het heerlijk, visite te krijgen +en ikzelf ook." + +"Zullen we heengaan over de hei en terug over 't land Van der +Pol?" stelde Door voor. + +Dat was best. + +"Daar zie ik het huis al," zei Leni na een poosje; "nog vijf +minuten--en we zijn er." + +"Wel, komen jullie daar allen aangestapt? Dat is aardig," zei vrouw +Pruim. "Kom maar binnen, kom maar binnen." + +"Neen, vrouw Pruim, wij willen hier buiten liever een beetje +uitrusten. We komen je 't pakje van Dirk terugbrengen en moeder +bedankt je vriendelijk." + +"Ja ja, 't is goed, 't is goed," zei vrouw Pruim. + +"Waar zijn Dirk, Piet en Gerrit? We hebben wat voor hen meegebracht," +zei Nel. + +"Dat had je toch niet moeten doen. Daar komen ze juist aan," zei +vrouw Pruim en wenkte hen uit alle macht. + +"Kijk eens," riep Nel en hield drie pakjes in de hoogte, "in ieder +pakje zit iets lekkers voor jullie, dat lijkt je zeker goed toe." + +De jongens bleven verlegen staan. + +"Gerrit, raad eens, wat ik hier heb?" zei Nel, een pakje in de hoogte +houdende. + +"'k Weet niet," zei Gerrit verlegen. + +"Je moet raden," zei vrouw Pruim, lachend. + +Gerrit haalde de schouders op, durfde niets zeggen. + +"Ik zal je een handje helpen," zei Dolf. + + + "Ik sta met één poot op den grond + En draai daar vroolijk op in 't rond. + Hoe meer men mij sla, + Hoe vlugger ik ga." + + +"Wat "onmogelijk" leuk," riep Door. "Dolf, hoe heb je dat zoo goed +bedacht?" + +"Stil, laat Gerrit raden." + +"Ik, ik weet het niet," zei Gerrit. + +"Een tol," raadde Piet met een hoogroode kleur. + +"Bravo!" riep Nel, "die is voor jou, je hebt hem eerlijk verdiend. En +nu heb ik hier nog iets. Dirk en Gerrit, nu ben jullie aan de +beurt. Toe, Dolf, jij bent in het raadseltjes opgeven zoo knap. Bedenk +nog eens wat." + +"Als jullie een oogenblikje geduld hebt," zei Dolf; "want opeens +zoo'n versje te maken, is zoo gemakkelijk niet. Wacht, ik weet al iets: + + + "Ik ben bruin en rond, + 'k Hoor in den mond. + Maar blijf ik daar een langen tijd, + 't Is zeker, dat ik steeds meer slijt, + 'k Ben bruin en rond en dik, + Nu raad eens, wie ben ik?" + + +"Leuk, leuk!" juichte Door weer. "Nu, Gerrit, bedenk jullie je goed." + +"Een sigaar," zei Gerrit na een poosje. + +"Knap geraden, als je blieft. Je weet nu," zei Nel lachend, "'k hoor +in den mond, maar blijf ik daar een langen tijd, 't is zeker, dat ik +steeds meer slijt." + +"En nu nog voor onzen Dirk, die zullen we maar niet laten raden, +want dat heeft Piet al voor hem gedaan. Voor Dirk ook een tol." + +'t Was aardig, de gelukkige gezichten te zien. + +"En als jullie nu niet te moe meer bent, moet je toch eens even +in de schuur komen kijken, daar is iets aardigs te zien," zei +vrouw Pruim. Dat werd aan geen doovemansooren gezegd. Leni holde +vooruit. "Nu héél stil zijn," vermaande vrouw Pruim, "wacht, ik zal +maar eerst gaan. Kijk eens," zei ze, toen ze eerst een paar kippen, +die daar liepen, had weggejaagd, en wees naar een groote ronde mand, +waarin Mollie, de poes, lag met vijf aardige, gele kuikentjes, die +gedeeltelijk van onder haar zachte vacht zichtbaar waren. + +"Wat is dat? Mollie met...!" Leni kon geen woorden vinden om hare +verwondering uit te drukken. Door en de anderen waren ook verstomd +over hetgeen zij zagen. + +"Maar--maar doet Mollie ze geen kwaad?" vroeg Nel angstig. + +"Wij vonden de kloek op een morgen dood in den tuin liggen," zei +vrouw Pruim, "en Mol lag op 't grasveld in de zon te slapen; toen +zijn de kuikentjes onder haar gekropen; ze keek eerst wel vreemd, +maar liet ze toch begaan. 't Was, of ze voelde, dat ze bij haar +bescherming zochten en sedert dien tijd koestert zij ze zooveel +mogelijk. Is het niet aardig? Stil maar Mol," zei ze tegen de poes, +die naar het scheen onrustig werd, omdat allen om haar heen stonden, +"blijf maar kalm liggen, we gaan dadelijk weg." + +"Wat vind ik dat toch een lieve poes," zei Hans. "O, Bobbie, als Jaap +hier eens was." + +"Neen, zoo iets heb ik nog nooit gezien," fluisterde Door. + +"'t Is snoezig," zei Leni verrukt, "snoezig." + +"'k Zie Julia al zoo met onze kuikentjes," zei Nel. + +"Mollie was ook zoo'n trouwe moeder voor haar eigen poesjes. Weet +je nog wel," zei Door, "hoe ze de kleine zwarte likte, die door Trim +gebeten was?" + +"Kom, kinderen," zei vrouw Pruim, "je moet nu allen maar in den tuin +gaan, ik ben anders bang, dat Mollie van de kuikentjes wegloopt." + +"'t Wordt ook onze tijd," zei Door, "je zoudt er anders wel zoo'n +heelen dag naar kunnen blijven kijken." + +"Zoo lief moest Julia zijn," vond Dolf. + +"Zeg niets van Julia," zei Leni, "al koestert ze geen kuikentjes, +'t is toch een lieve poes." + +"Dat vind ik ook," zei Door. + +Na vrouw Pruim en de jongens goeden dag gezegd te hebben, vertrok +het vroolijke troepje. + +Een kwartier later hield Nel den zak met lekkers in de hoogte en riep: +"Eerst een hartversterking." + +"Ja heerlijk, presenteer maar weer eens," zei Dolf. + +"Neen, neen, zoo gemakkelijk gaat het niet, jullie moet maar zien, +dat je iets krijgt," zei ze lachend. Door vloog op Nel af, maar toen +Nel dit zag, rende ze vooruit en allen achter haar aan. + +"Jongens, houdt Nel vast!" riep Dolf. + +"Dat kun je begrijpen, zoo gauw laat ik mij niet vangen," hijgde +Nel. Tot tweemaal toe ontglipte ze Dolf, die haar bij de mouw trachtte +te grijpen, maar eindelijk moest ze 't wel opgeven en plofte in +'t gras neer. "Ik kan niet meer, ik kan niet meer," zei ze. "Jullie +hebt je stukje eerlijk verdiend, kies maar uit." + +"Er zit wat in mijn schoen," zei Hans met een ongelukkig gezicht. + +"Er zit ook wat in mijn schoen," zei Leni. + +"Nu nog mooier!" riep Dolf. + +"Ja heusch," zei ze. + +"Trek hem dan eens uit," zei Door. + +"Neen, want dan is 't er niet meer in," lachte Leni. + +"Ze bedoelt haar voet! 'k Wist niet, dat mijn zusje zoo grappig was," +zei Nel, haar een kus gevende. "Maar Hans heeft er zeker nog meer in +zitten dan een voet, die kijkt zoo ongelukkig; kom ventje, trek je +schoen dan maar gauw uit. Met een hinkelepinkje kunnen we onmogelijk +de wandeling naar huis ondernemen. Daar hebben we 't al," zei ze, +een klein steentje weggooiende, "nu maar gauw voortgemaakt." "Toe, +Nel, presenteer nog eens," zei Leni na een poos, "we hebben al zoo'n +eind geloopen, we kunnen dan meteen eens zitten." + +"Mij goed, kinderen, kom maar hier, "moeder" zal voor jullie allen +iets heerlijks uitzoeken," zei Nel lachend. + +"Dat kan je begrijpen," zei Dolf, "neen hoor, ieder mag zelf kiezen." + +"Natuurlijk, natuurlijk," viel Door bij. + +"Dan zal ik van mijn zak een hoorn des overvloeds maken," zei Nel en +schudde het lekkers zoo ver mogelijk naar voren, terwijl ze haar hand +er als een presenteerblaadje onder hield. "Eerst mogen onze gasten +kiezen. Die nemen natuurlijk beiden hetzelfde. Tweelingen kunnen +"onmogelijk" anders." + +"Neen," zei Bob, "dat hoeft toch niet. Hans vindt chocoladeboontjes +met likeur het lekkerst en ik met fondant. We zijn alleen van buiten +tweelingen." + +"Kies jij maar gerust, hoor," zei Nel. "Door weet er niets van. Zij +zegt altijd zulke "onmogelijk" gekke dingen." + +"Nu maar weer voorwaarts marsch," commandeerde Dolf, nadat er een +tijdje gerust was. "Anders komen we veel te laat thuis." + +"Daar is het land al, dat we over moeten." + +"Doen die koeien niets?" vroeg Hans, niet erg op zijn gemak bij +'t vooruitzicht, die te moeten voorbij gaan. + +"We zijn al zoo dikwijls hier langs gekomen. Kijk, dat smalle paadje +gaan we over; als kippetjes loopen we dan achter elkaar aan. Dolf, +jij moet de haan maar zijn en ons voorgaan." + +"Wat een grappig wegje is dit," zei Bob, toen allen op het smalle +landpaadje liepen. + +Een paar koeien keken even met droomerige oogen op, toen ze de kinderen +zagen, maar graasden toen dadelijk rustig door. + +"Fox, hier blijven," beval Dolf, toen de hond vooruit wilde hollen. + +"Ik was toch liever niet door 't land gegaan, nu we Fox bij ons +hebben," fluisterde Door Nel een poosje later in 't oor, "maar zeg +hiervan niets aan de kleintjes." + +Juist had Door dit gezegd of een zwart gevlekte koe, die nog even +te voren rustig had staan kauwen, deed een paar passen in hun +richting. Nel stiet een klein gilletje uit. Fox, die zeker voelde, +dat er iets niet in den haak was, begon te blaffen. Eerst bleef de +koe staan, alsof zij verbaasd was over het geluid, dat zoo'n klein +beestje maakte. Maar toen begon zij al vlugger te loopen, naar Fox toe. + +"Zij komt op ons af!" gilde Door. "Fox, hier, hier!" En meteen nam ze +Hans bij de hand en zette het op een loopen. Nel met Bob er achteraan! +Dolf en Leni, die al een eind vooruit waren, keken bij het hooren +van het gegil achterom en renden angstig voort. + +"O, o!" jammerde Door en wanhopig sleurde ze Hans mee. "Hoe +vreeselijk!" + +"Als we maar eerst bij het hek waren," hijgde Nel. "Ik-ik kan +bijna--niet meer." Maar voort holde ze, den schreienden Bob +meetrekkende. Steeds dichter en dichter naderde de koe. Nel hoorde +het dier vlak achter zich. Ze bestierf het bijna van angst. Op +eens struikelde ze en sloeg voorover, terwijl ze Bob in haar vaart +meetrok. Op datzelfde oogenblik hoorde ze roepen: "Hector, pak aan!" En +even daarna stond een oud, krom boertje over haar heen gebogen. + +"Wel, wel, ben je zoo geschrokken?" hoorde ze hem vriendelijk zeggen +en meteen werd ze voorzichtig opgelicht. "Kom maar mee, hoor, en dat +kleine ventje ook," zeide hij, den hevig schreeuwenden Bob bij de hand +nemend. "Hector heeft die leelijke koe, die jullie zoo verschrikt +gemaakt heeft, bij het touw: Je behoeft niet meer bang te zijn, dat +ze je zal stooten. Kom maar gauw mee naar mijn huis. Je drinkt een +frisch glas water en je bent weer heelemaal beter." + +"Heb jullie je pijn gedaan?" vroeg Door bezorgd, die met de anderen +om Nel heen stond. + +"Mijn voet doet zoo'n pijn," zei Nel nog schreiend, gedeeltelijk van +den schrik en gedeeltelijk van de pijn. + +"Als je hem maar niet verstuikt hebt," zei Door. "En Bob, waar heb +jij je bezeerd?" + +"Mijn knie," zei Bob, "o, mijn knie doet zoo'n pijn." + +"Wel lieve tijd, zijn heele knie geschaafd," zei Door. "Stumperd. Hoe +komen we met twee zulke invaliden thuis!" + +"Moet je nog ver?" vroeg het boertje. + +"Nog een half uurtje," zei Dolf. + +"Zoo, zoo, dat is geen kleinigheid, dat is geen kleinigheid," herhaalde +hij hoofdschuddend. "Wil ik je eens wat zeggen? We zullen eerst een +glas water gaan drinken voor den schrik en dan span ik mijn Bruin voor +den wagen en breng jullie allen thuis. Nu, wat zeg je daarvan? 't Is +wel geen statiekoets, maar je behoeft dan toch niet te loopen." + +"Dat vind ik "onmogelijk" aardig," zei Door. + +Mijnheer en mevrouw Van Brakel wisten niet, wat ze zagen, toen daar +het heele vroolijke troepje op een hooiwagen den weg afkwam. Dolf en +Leni wuifden al uit de verte met hun zakdoeken. In kleuren en geuren +werd het geheele geval aan vader en moeder verteld. Natuurlijk moest +het oude boertje binnen komen en een glaasje bier drinken. En nadat +Leni hem vol trots haar kippenfamilie had getoond, ging hij, na nog +eens en nog eens vriendelijk bedankt te zijn, met Bruin weer naar +zijn eigen huis terug. + +Nels voet deed nog den heelen avond pijn. Maar moeder wist als altijd +raad, zoodat beide invaliden den val al gauw vergeten waren. + +"Maar tòch," zei Nel, "door een land met koeien ga ik van mijn leven +niet weer, daar heb ik genoeg van." + +"Als Fox er maar niet bij geweest was," zei Dolf "dan was er niets +gebeurd." + +"Ja, Foxje," zei Leni, "was jij nu maar zoo knap en zoo sterk als +Hector, dan had je ons natuurlijk wel geholpen, maar je bent eigenlijk +een klein, dom, eigenwijs hondje." + +Het duurde niet heel lang, of Door was in diepe rust, maar Nel was +blijkbaar nog onder den indruk van den schrik. + +Toch kreeg na lang woelen eindelijk de slaap de overhand; maar toen +werd de arme Nel geplaagd door de akeligste droomen. Ze zag zich zelf +alleen op een groot stuk land, waar van alle kanten koeien op haar +afkwamen, die haar met booze oogen aankeken. Ze vluchtte naar een +hek, maar toen ze daar dicht bij kwam, was 't hek verdwenen en lag +op die plaats een groote roodbonte koe kalm te grazen op een groot +veld papavers. En telkens als het dier een papaver in den bek stak, +veranderde de bloem in een draaiende tol. Toen liep Nel terug en +zag opeens Leni voorbijhollen, gezeten op een zwarte koe. Leni leek +veel grooter dan anders en telkens als ze langs Nel reed, strekte +ze haar lange armen naar haar uit. Maar als Nel haar wilde grijpen, +was zij verdwenen en zag Nel haar héél in de verte voortgaloppeeren, +steeds haar wenkende, terwijl het haar als een mantel om haar heen +golfde. Plotseling stond Nel voor een sloot en kon ze niet verder +en voor en achter zich zag ze niets dan koeien, toen op hetzelfde +oogenblik een wagen kwam aanrijden met een grappig klein paardje er +voor. De kop van het paard ging steeds op en neer. Op den wagen zaten +wel honderd kinderen, hij was zóó vol, dat onder 't rijden er gedurig +enkelen afvielen, maar als aapjes kropen ze er weer bij op. De voerman +pakte Nel op en zette haar er tusschen, maar toen zat Nel zóó nauw, +dat zij zich letterlijk niet kon bewegen, want van alle kanten drongen +ze tegen haar aan en een jongen hield haar knie zóó stijf vast en +trok zulke vreemde gezichten, dat ze met een gil wakker werd. + +"Wat heb je, wat is er?" riep Door verschrikt en zat rechtop in bed. + +"Ik weet het niet," kreunde Nel, "o, wat had ik een akelige droom, +je weet het niet--van koeien en--o vreeselijk." + +"Wacht, ik zal gauw licht opsteken," zei Door en wipte het bed +uit. "Een buitenkansje, de lucifers liggen op den kandelaar," zei ze, +de kaars aanstekend. "Wil je eens drinken?" + +"O, graag," zei Nel klappertandend. "Ik droomde--" + +"Neen, hoor, die droom zal ik morgen vroeg wel hooren, laten we nu +liever over iets anders praten, anders doorleven we straks beiden +vervolg en slot van deze minder opwekkende droomgeschiedenis," zei ze, +weer in bed stappend. + +"Weet je, wat ik wou," zocht Door Nel af te leiden, "dat ik zoo'n +raaf had als die juffrouw--" + +"Welke juffrouw?" + +"Je weet wel, die dame, bij wie we vandaag die tollen en de sigaar +kochten." + +"O ja, dat zou leuk zijn," zei Nel, nog niet geheel bekomen. + +"Ik zou hem allerlei versjes leeren; te beginnen met: "'t Is vacantie, +'t blijft vacantie" enz." + +"Meen maar niet, dat dat zoo gemakkelijk zou gaan. Als hij hier op +de slaapkamer stond, dan zou hij al gauw roepen: "Nel, waar is mijn +haarlintje, waar mijn armband, waar mijn themaboek?" + +"Om te gieren," vond Door. "Zou zoo'n vogel duur zijn?" + +"Ik weet het niet," zei Nel geeuwend. + +"'t Is jammer, dat het er met mijn spaarpot altijd zoo treurig +uitziet." + +"En met de mijne." + +"Zeg eens, Nel, Ne-èl." + +"Ja"--kwam er flauw uit het andere ledikant. + +"Je moet je oogen eens half toe doen en dan naar de kaars kijken, +dan zie je zulke prachtige stralen." + +"Hm," zei Nel, "'k doe ze liever heelemaal toe, 'k ben slaperig." + +"Ja, ik ook. Toch leuk, die stralen van die kaars, ik zal ze toch +zoo meteen uitblazen--" + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + +EEN DAG VOL GEHEIMEN. + + + + "Er stond een juffrouw aan de deur + Met een witte boezelaar veur + Hoe langer ze ston + Hoe meer ze vergong" + + +zei Door den volgenden morgen lachend en wees uit haar bed naar +den kandelaar. + +"Och, lieve tijd, je hebt de kaars laten branden," zei Nel en 't was +nog wel een nieuwe. + +"Ja, dat zal je altijd zien. Met stompjes zal mij zooiets niet +overkomen. Maar eigenlijk ben jij hier de schuldige." + +"Nu nog mooier!" + +"Ja, want om jou van een wissen ondergang te redden, ontstak ik het +licht," zei Door plechtig. + +"Ja, 't was een nare droom," zei Nel, nog rillend bij de herinnering. + +"Vertel hem nu maar; zoo onder het vastmaken van mijn knooplaarzen +bestaat er niet veel kans, dat ik hem verder droomen zal." + +"Ja," zei Nel, zich bezinnend, "ik droomde van koeien, die op mij af +kwamen--en--en--verder weet ik werkelijk niet meer." + +"Dat dacht ik wel. Een droom is als een Fransche les, als je hem +vertellen wilt, dan weet je er hoogstens één regel van. Maar dat je +van koeien gedroomd hebt, verwondert mij niet na ons avontuur van +gisteren. Mij dunkt, al de jonge leden van den huize Van Brakel hebben +het vannacht wel met een of meer koeien aan den stok gehad. Ik ken +mijzelf niet, dat ik er zoo heelhuids ben afgekomen, afschoon _jouw_ +koeien mij mijn halve nachtrust gekost hebben," lachte ze. + +De lucht zat vol geheimen! + +Geen wonder, Leni was den volgenden dag jarig en dat is op zichzelf +al een feest, maar jarig zijn in de vacantie, met nog twee aardige +logétjes, dat is wel een reden om er een echten feestdag van te +maken. Er werd dan ook heel wat afgefluisterd, zelfs Kee werd er in +betrokken, en wat meer zegt: Kee had nu eens geen haast, maar luisterde +belangstellend naar Nel of Door. Leni's hartje popelde van verlangen. + +"Is ons cadeautje al bezorgd?" fluisterde Door moeder in 't oor. + +"Nog niet, juffertje Ongeduld, maar dat zal wel komen." + +"Het zou jammer zijn, als het niet op tijd kwam. Weet u wat, ik ga +eens even naar den winkel." + +"Dat zou ik maar doen, zoo'n wandeling is gezond," zei mevrouw +Van Brakel. + +"Hoe vervelend! Nu kan ik mijn handschoenen weer niet vinden; maar kom, +dan maar zonder," overlegde Door bij zich zelf. "'t Is ook zoo warm." + +Zoo alleen boodschappen doen was juist een kolfje naar Doors hand; +ze hield dol van winkels kijken en nu kon ze net zoolang voor een +raam staan, als ze zelf verkoos. Nel had gewoonlijk zoo'n haast. Toen +ze eindelijk al haar aandacht gaf aan een winkel, waar mooie platen +voor de ramen hingen, bemerkte ze, dat een meisje naast haar stond, +dat gedurig naar haar keek en dat, telkens als Door haar aankeek, +lachend haar hoofd afwendde. Door wist niet, wat ze er van denken +moest en liep verder. Bij een volgenden winkel dacht ze: "Wat zien ze +toch aan mij?" toen ze bemerkte, dat ook een dame, die eerst achter +haar had geloopen, haar in 't voorbijgaan aankeek en lachend doorliep. + +"'t Is, alsof iedereen weet, dat we morgen een feestje hebben," dacht +ze bij zichzelf en liep wat vlugger om gauwer thuis te zijn. Maar +voor ze den winkel in ging om te vragen, of het cadeautje, dat zij +en Nel aan Leni wilden geven, klaar was, keek ze nog eens voor de +ramen naar allerlei beeldige dingetjes. Nauwelijks stond ze daar, +of een slagersjongen zei lachend: "Zeg eens, jongejuffrouw, is dat +de laatste mode, op _die_ manier je handschoenen te dragen?" + +Nu werd het Door toch te erg en met een kleur als vuur draaide ze +den winkel in. + +"Juffrouw," begon ze stotterend, "is..." maar Door kon bijna niet +verder spreken, toen ze het lachende gezicht van de juffrouw zag. "Is +de," hakkelde ze. Maar op eens schaterde de juffrouw het uit: "Hebt +u zoo door de stad geloopen?" + +"Ja," knikte Door verlegen. "Ja." + +Door bekeek zich van alle kanten, draaide zich om en om. + +"Hebt u niet naar uw handschoentjes gezocht?" Door knikte; begreep +er niets van. "Voelt u dan eens op uw hoed." Nu schaterde Door het +uit. "O, daar zijn ze, nu begrijp ik alles." + +"Ja, maar er zit nog iets, ik geloof een zakdoek. Voel maar eens +achter de lus." + +"Ja warempel," lachte Door. "Als ze dat thuis hooren! Ik ben maar wat +blij, dat u 't mij gezegd hebt, dank u wel. Maar nu zou ik bijna mijn +boodschap vergeten. Ik kwam eens hooren, of de mand klaar was. Morgen +is mijn zusje jarig." + +De juffrouw beloofde het cadeautje op tijd te bezorgen en lachend +nam Door afscheid. + +"Net iets voor jou, net iets voor jou," riep Nel, toen Door het heele +verhaal thuis deed. + +"Prachtig," zei vader, "prachtig. Jullie zult eens zien, dit meisje +wordt nog een professor." + +"Je verschijnt nog eens op een morgen met de handschoenen aan je +voeten en de schoenen aan je handen," plaagde Dolf. + +"Dat denk ik niet," zei Door; "want gewoonlijk mis ik een van beide." + +En terwijl Door beneden het verhaal deed van haar ongelukkigen tocht, +liepen Hans en Bob met Fritsje tusschen zich in ongemerkt zacht de +trap op. "Pas op, dat Leni ons niet hoort," zei Hans. + +"Leni morgen jarig," zei Fritsje. + +"Ja, Leni krijgt iets heel moois," zei Hans gewichtig. + +"Ja," zei Bob, "Leni krijgt een echt kuikentje, omdat ze zooveel van +kuikentjes houdt." + +"Waar is het?" vroeg Frits belangstellend. + +"Kom maar mee, het ligt in dezen koffer," zei Hans, terwijl hij den +koffer open deed. Nieuwsgierig keek Frits er in. + +"Ik zie geen kuikentje," zei hij teleurgesteld. + +"Zie je dat ei daar liggen?" vroeg Hans, nadat hij eerst allerlei +kleedingstukken van hem en Bob uit den koffer had genomen. + +Frits knikte. + +"Dat ei wordt een kuikentje," legde Bob uit. + +"Ja," zei Hans, Bobs woorden herhalend, "dat ei wordt een kuikentje." + +"Een echt?" vroeg Frits ongeloovig. + +"Ja. Maar eieren moeten een geheelen tijd héél warm liggen, voor er +kuikentjes uit kunnen komen," onderwees Bob weer. "Ik zal het daarom +maar weer gauw toedekken." + +"Als wij hier een kip hadden," bepeinsde Hans, "dan konden wij die +er op zetten." + +"Ja," zei Bob, wien dit ook wel toelachte, "dan kroop er misschien +morgen wel een kuikentje uit het ei, dat zou heerlijk zijn." + +"Durf jij een kip uit den tuin halen?" vroeg Hans. + +Bob schudde heftig zijn hoofd. "Een doode misschien wel," kwam er +flauwtjes uit. + +"Ja, maar die is er niet," zei Hans, met een bedenkelijk gezicht +naar de plaats kijkende, waar het ei lag, bedolven onder blousjes +en broeken. + +"Zal Fritsje kipje zijn?" stelde Frits moedig voor. + +Hans en Bob keken elkaar aan. + +"Kun je stil zitten?" vroeg Bob. + +Frits knikte. + +"Kippen zitten altijd doodstil op de eieren," zei Hans, die zich +verplicht gevoelde Frits het moeilijke van zijn taak goed onder het +oog te brengen. + +"Ik kan wel voor kipje spelen," zei Frits, die bij zijn voorstel bleef. + +"Dan zal ik de kleeren weer uit den koffer krijgen." + +"Kun je er alleen in stappen?" vroeg Bob. + +Neen, dat kon hij niet. Hans en Bob moesten hem helpen. + +"Daar is Julia ook," zei Bob, "die mag hier niet in deze kamer, +dan wil ze misschien ook in den koffer." + +"Als 't kuikentje piept, moet je er dadelijk uitkomen," waarschuwde +Hans. + +Frits knikte. + +"Als Frits op het kuiken zit, dan kan het wel dood gaan," zei Bob +angstig. + +Dat was een moeilijk geval, daar hadden Bob en Hans nog in 't geheel +niet aan gedacht. + +"Laten we dan maar liever de kleeren weer op 't ei leggen," stelde +Bob voor, die in zijn verbeelding het doode kuikentje al zag. En juist +zou Frits maar weer kip af zijn, toen vreeslijk gegil van beneden tot +hen doordrong. Bob en Hans holden naar het raam aan den voorkant en +zagen nog juist, dat Julia door Leni van de straat opgeraapt werd. + +"Hoe vreeselijk, Julia is uit het raam gevallen!" Bob en Hans vergaten +Frits en liepen, zoo vlug ze konden, naar beneden. + +"Och, lieve poes, lieve Julia," riep Leni schreiende. "Zie ze eens +beven. Als ze maar niet dood gaat." Zacht streelde ze poes; allen +stonden om haar heen. + +"Ze heeft gelukkig niets gebroken," zei mijnheer Van Brakel, de +pootjes onderzoekend. "Zet haar op dezen stoel, Leni; ik denk, dat +ze wel gauw weer de oude zal zijn. Zij is natuurlijk erg geschrokken." + +"Zie ze toch eens beven," zei Leni. + +"Maar hoe kwam poes toch boven? De deur van de voorkamer moet +opengestaan hebben." + +"Poes wou in den koffer," versprak Hans zich, "maar dat mocht niet, +want Fritsje...." + +"Fritsje? Is Frits dan boven?" vroeg mevrouw Van Brakel verbaasd. "Ik +dacht, dat jullie met hem in den tuin speelden." + +"Fritsje zit in den koffer," lichtte Bob toe. + +"In den koffer?" Allen keken verbaasd naar de tweelingen, toen Hans, +die opeens aan de verrassing van Leni dacht, zei: "Ja, 't is een +geheimpje, hé Bobbie?" + +De verwondering steeg ten top. Door holde naar boven, waar ze Fritsje +snikkend in den koffer vond zitten. + +"Och, kleine vent, wat scheelt er aan?" Maar niettegenstaande het +diep ongelukkige gezichtje van Frits kon Door toch haar lachen niet +bedwingen, toen Frits tusschen het schreien door riep: "Ik--ik--wil +geen kippetje zijn, Dora, ik wil geen kippetje zijn." + +Toen Door met het snikkende Fritsje beneden kwam en met vragen bestormd +werd, zei ze lachend: + +"Wij vertellen niets, dat is nu _ons_ geheimpje, wat zeg jij, kleine +man?" Fritsjes verdriet, nu hij uit den koffer en weer bij moesje was, +was spoedig geleden. + +Gelukkig was Julia gauw weer beter en toen Leni even de kamer +uit was, stelde vader voor, eerst de tweelingen en daarna Julia te +photografeeren. Kee werd in het geheim genomen. Die kwam daarom even +later Leni vragen, haar wat te helpen. + +"Ik kom anders nooit klaar en jij kunt zoo mooi helpen, je doet +mij zooveel pleizier," beweerde ze. "Je werkt nog beter dan ik +zelf." En ze liet Leni koffie malen uit den treuren, totdat ze wel +voor een week genoeg had. En nadat de heer Van Brakel Bob en Hans +had gephotografeerd, beiden zittende in de sportkar, was hij met een +onuitputtelijk geduld bezig Julia te "nemen." Juist op 't moment, +dat het gaan zou, zag Julia, onbewust van 't gewichtige oogenblik, +een vlieg, waardoor haar rustige houding van even te voren geheel +veranderde en zij vol belangstelling het diertje met haar poot +trachtte te grijpen. Maar eindelijk, na herhaalde pogingen, stond +Julia er "prachtig" op. Fox, die eigenlijk ook op een kiekje moest, +was op dat oogenblik nergens te vinden en dus bleef het bij poes en +de tweelingen. Dolf stelde voor Toetie en Snoetie te fotografeeren, +maar deze twee waren vader veel te beweeglijk, zoodat er veel kans +zou zijn, dat Snoetie met twee koppen en Toet er misschien met twee +staarten opkwam en vader wist zeker, dat Leni op zoo'n portret van +haar lievelingskippen niet gesteld was. + +"Jammer, dat Foxje er niet is," zei Dolf, "ik wil nog eens kijken, +misschien is hij wel in de buurt." En juist zou Dolf de kamer uitgaan, +toen Nel hem lachend tegen hield. + +"Weer een brief van oom Karel," zei ze, "dien moet je eerst hooren, ik +zal hem voorlezen. Jongens, een brief van vader, kom eens gauw," riep +ze den tuin in. "Waar is Leni, die moet ook bij de voorlezing wezen." + +"Hoera, hier zijn we al," juichte het drietal. + +"Toe, Nel, begin nu gauw," zei Door. + +Nel las: + +"Mijn lieve kaboutertjes! Het briefje, dat ik hierbij insluit, is +van Miekie. Ik vond het op den lessenaar. Miekie had natuurlijk geen +postzegel, daarom heb ik het briefje maar in het couvert gedaan en +aan jullie verzonden. Dat zij gisteren iets in haar schild voerde, +was duidelijk. Zij bleef voortdurend bij mij zitten, terwijl ik zat +te schrijven. Na eerst op mijn schouder en toen op een paar boeken +gezeten te hebben, ging ze op een blaadje postpapier zitten. Als ik +haar zei: "maar, Miekie, postpapier is er toch niet om op te zitten," +dan knipte ze een paar keer met haar groene oogjes en keek het raam +uit, alsof ze 't onschuldigste poesje van de wereld was." + +"Precies zooals Julia doen kan," zei Door. "En toen ik klaar was," las +Nel verder, "en het papier wilde meenemen, was ze zoowaar ingedommeld, +zoo hield zij zich tenminste, zoodat ik het blaadje wel moest laten +liggen. Toen ik later den brief zag, begreep ik, waarom zij dit grapje +uitgehaald had. + +Nu wil ik nog even vertellen, dat ik morgen bij jullie kom. Ik +weet, dat er dan een klein meisje jarig is, dat ik graag zou willen +feliciteeren en 't is dan mijn plan, de kaboutertjes den volgenden +dag mee naar hier te nemen. We verlangen allen erg naar hen en dan +... sedert gisteren heeft hier in huis een groote verandering plaats +gehad, maar ik _schrijf_ niet wat. Ik zal het mijn kaboutertjes +zelf _vertellen_. Wat zullen ze opkijken! Honderd kusjes van vader +en moeder." + +"Komt Paatje morgen hier?" riepen Bob en Hans opgetogen. + +"Ja, hoe vindt jullie dat?" + +"Heerlijk!" zei Bob, "juist op Leni's verjaardag." + +"En gaan we dan gauw naar huis?" + +"Zeker, dan nog één nacht hier slapen," zei Nel, lachend om de +opgewonden gezichtjes. + +"Dan gaan we weer naar Maatje," zei Hans blij. + +"Ja en als jullie dan heerlijk bij je Maatje zit en bij Miekie, Bruun +en Jaap, dan zitten wij helaas weer op school," zei Dolf zuchtend. + +"Maar nu kunnen we nog zingen," zei Door en met een potlood de maat +slaande, begon ze: + + + "'t Is vacantie, nog vacantie. + Hoera vacantie boven." + + +En allen vielen mee in: + + + "En ieder, die 't niet zingen wil, + Die moet er aan gelooven." + + +Dolfs stem hoorde men boven allen uit. + +"Stil, nu zal ik Miekies brief voorlezen, kijk toch eens die groote +letters," zei Nel, den brief in de hoogte houdende. + +"Leuk," riep Leni, "begin nu maar." + +"Lieve baasjes," las Nel en keek daarbij Bob en Hans aan, wier +gezichtjes straalden van genot. "Ik verlang zoo naar jullie en +Bruun ook. Jaap, geloof ik, ook wel, maar dat kan mij niet schelen; +want op Jaap ben ik boos. Dat is zóó gekomen. Ik was gisteren op de +muizenjacht. Uren en uren had ik voor een gaatje gezeten, waaruit een +muis moest komen. Ik kreeg op 't laatst erg veel verlangen naar mijn +schoteltje met melk, maar toch bleef ik zitten, omdat ik bang was, +dat mij 't muisje ontsnappen zou. Bruno kwam ook een paar keeren bij +mij, hij wou met mij spelen, maar ik bleef zitten, ik wou het muisje +hebben. Eindelijk, jawel, daar stak het zijn puntsnuitje uit het +gaatje. Ik verroerde mij niet. Voorzichtig kwam het er verder uit, +zag overal rond, tot het opeens heelemaal te voorschijn kwam. Toen +sprong ik er op af, maar toch ontkwam het mij en schoot achter een +kist. Ik zal jou wel krijgen, dacht ik, en bleef dicht bij de kist +zitten. Op eens kwam Jaap binnen. Hij begreep blijkbaar dadelijk, +waarom ik zoo stil zat. "Jij boosdoenster," zei hij. "'t Is jou zeker +weer om een muis te doen." En toen eindelijk de muis van achter de +kist te voorschijn kwam, zette hij de deur wijd open; zoo ontsnapte +mij het heerlijke kluifje. Toen ik het achtervolgen wilde, smeet hij +de deur toe en zei: "Dat kun je begrijpen! Jij er weer achter aan +zoodat je het op 't laatst tòch zou krijgen? Neen, daar komt niets van +in." Zoo was dus al mijn loeren voor niets geweest. Ik was zóó boos, +dat ik mij direct omkeerde en wegliep. Later kwam Jaap nog weer bij +mij met allerlei mooie praatjes, maar ik deed, alsof ik sliep en toen +ging hij gauw weer weg. + +"O, die oom Karel," lachte Dolf, "wat kan die toch aardige...." + +"Nu, wat kan oom Karel?" vroeg vader plagend. + +"Neen, neen," zei Dolf. "Ik bedoel, wat kan Miekie toch aardige +brieven schrijven." + +"Alsof Julia 't niet zoo kan," lachte Ma. + +"Ja, natuurlijk, Julia is dan ook een bijzonder knappe poes," zei Door. + +"Laat mij nu verder lezen," zei Nel, "de brief is nog lang niet uit." + +"Ik wilde toen mijn troost bij Bruno zoeken, maar die was als +gewoonlijk buiten en speelde op 't grasveld met andere honden. Aan +den kant van het grasveld staan boomen, zooals jullie weet, en nu had +iemand zijn hond, een mooien zwarten poedel, met een touw aan een van +die boomen vastgebonden, zeker, omdat hij hem niet goed mee naar binnen +kon nemen. Natuurlijk was dit alles behalve prettig voor dien hond, +vooral, omdat hij al die andere zoo vroolijk zag ronddraven. Bruno was +al eenige malen naar den armen gevangene toegeloopen om een praatje +met hem te maken, maar dan kreeg hij weer zoo'n lust om te stoeien, +dat hij wel driemaal 't bloemperk omrende, tot hij op eens op de +gedachte kwam den poedel te helpen. Hij begon in het touw te bijten, +te bijten--nu, je weet, Bruun heeft scherpe tanden. De vastgebonden +hond begon te kwispelstaarten en te blaffen, Bruun rustte even, begon +weer met vernieuwde krachten te rukken en te bijten. Tot hij het +touw doorgebeten had. Als een pijl uit den boog rende de poedel niet +eenmaal, maar wel zesmaal 't grasveld rond. Wat was hij blij! Bruun +achter hem aan. Het werd een dolle jacht. + +Toen de poedel geheel buiten adem met de tong uit den bek even stil +stond, kwam zijn baas er aan. Als jullie zijn gezicht gezien hadt! Hij +keek van den boom naar den poedel en van den poedel naar den boom en +dan naar de andere honden. Eenige menschen, die alles gezien hadden, +wezen naar Bruno. De baas lachte nu ook, floot een paar malen en +jawel, daar kwam de poedel, nog met een stuk touw achter zich aan, +schoorvoetend naar hem toe. Hij was, geloof ik, bang, dat de baas +boos zou zijn, maar die klopte zijn hond op den rug, streek hem over +den kop, zoodat de poedel vroolijk kwispelstaartte en met hem meeliep." + +"Zou Foxje ook zoo iets kunnen doen, vader?" vroeg Dolf. + +"Misschien wel, maar Bruun is een groote, sterke hond en heeft +natuurlijk een sterk gebit." + +"Kom maar terug naar je zoo zéér verlangende Miekie," las Nel. + +"Prachtig, moes, wat zou die verandering toch kunnen zijn?" vroegen +Nel en Leni. + +"Dat zul je morgen wel hooren," lachte ma. + +"Misschien heeft vader kuikentjes gekocht," zei Hans, die aan zijn ei +in den koffer dacht. "Of heeft Bruun een nieuwen halsband gekregen," +raadde Bob. + +"Of, of," zei Leni, "heeft Miekie jonge poesjes gekregen." + +"Ik wou, dat 't al morgen was," zuchtte Hans. + +"Ik kan bijna zoolang niet wachten," zei Bobbie. + +"Nu kan ik door twee dingen bijna niet in slaap komen vanavond. Ten +eerste, omdat ik morgen jarig ben en ten tweede, omdat ik zoo +verlangend ben naar hetgeen oom Karel heeft te vertellen." + +"Moes, u weet het," zei Door, mevrouw Van Brakel met den vinger +dreigend. "Toe, vertelt u het ons eens." + +"Dat kun je begrijpen," lachte moeder. + +En toen Door Nel later iets in het oor fluisterde en Dolf vroeg, +of er ook een verfkwastje was, zei mijnheer Van Brakel lachend: +"'t Is hier wel een tijd van geheimpjes, dat moet ik zeggen." + +"Nu, kinderen, 't is tijd om naar bed te gaan. De tweelingen en Leni +slapen zeker al lang." + +"Ja, kom Nel, wij moeten morgen vroeg op," zei Door, "want".... + +"St., niets vertellen," zei Nel, den vinger op den mond houdende. + +"Och, lieve tijd," zuchtte Door, "ik vind het toch zoo "onmogelijk" +lastig, geheimen te bewaren." + + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + +LENI'S VERJAARDAG. + + +"'t Is zes uur, sta op," fluisterde Nel. + +"Wat zeg je?" vroeg Door slaperig. + +"'t Is zes uur. We zouden immers bloemen voor Leni plukken. Kom +er uit." + +"Nu al?" + +"Ja zeker, anders komen we niet klaar." + +"Ik ben zoo "onmogelijk" slaperig." + +"Dat ben je om zeven uur ook nog," was 't kalme antwoord. + +"Je hebt ook nooit medelijden met mij," kwam er grappig klagend uit. + +"Als ik klaar ben, ga ik en wacht niet op je." zei Nel. "Stil, Leen +draait zich om; als ze wakker wordt, is alle aardigheid er af." + +"Ik kom al," zuchtte Door, haar kousen aantrekkend. + +Zacht fluisterend en op de teenen loopend kleedden Nel en Door, +zich aan. + +"Begin nu alsjeblieft niet met je sproeiwoede," zei Nel, toen Door +haar waschkom vol schonk, ''dan wordt Leni stellig wakker." + +"'k Vang dan anders twee vliegen in één klap," zei Door lachend. + +"Hoe zoo?" + +"Wel, ik krijg de volle laag en jij bent wel tevreden met de +druppeltjes, die mij voorbij vliegen; op die manier zijn we gauw +klaar." + +"Als jij dat druppeltjes verkiest te noemen," zei Nel, "'t is +gewoonlijk een volslagen fontein. Stil, Leni beweegt zich weer, +sta nu toch doodstil." + +Wel drie minuten stonden beide meisjes onbeweeglijk, angstig kijkend +naar de kleine jarige. + +"Voor standbeeld ben ik niet in de wieg gelegd," zei Door, toen zij +zich weer durfde bewegen, "dat merk ik wel." + +"En ik niet," zei Nel. + +Plof! Wat was dat? Doors kam gleed uit haar handen. Beide meisjes +stonden als palen; want nu volgde een onrustbarend geschuifel in +het ledikant. + +"Ga op den grond liggen," commandeerde Nel en zeeg zelf ook behoedzaam +neer. Het geschuifel hield aan. Door en Nel stikten bijna van 't +lachen. Door lag voorover met haar hoofd onder de tafel, de noodlottige +kam recht voor zich uit houdende. Nel in haar onderlijfje met de beenen +onder haar eigen ledikant. Toen werd de deur zacht opengeduwd en Hans +stond met verbaasde oogen naar het eigenaardige tooneeltje te kijken. + +Door wist geen raad van het lachen bij het zien van Hansjes +verwondering. Hij dacht zeker niet anders, of de beide meisjes waren +door een aardschok neergesmeten. Door wenkte met de kam, dat hij weg +moest gaan. Hans scheen haar niet te begrijpen en bleef onbeweeglijk +staan. + +"W-e-g," spelde Door met de lippen en wees naar Leni's ledikant. + +"Het-ei-is," fluisterde Hans en wilde blijkbaar nog meer zeggen, +maar Door zwaaide zóó wanhopig met de kam, dat Hans ten slotte +bedrukt wegging. + +"Ik geloof, dat Leni weer in slaap gevallen is. Houd toch op met je +gelach, je zult alles nog bederven," waarschuwde Nel boos. + +"Zag je Hansjes gezicht?" fluisterde Door, zich nu ook oprichtend. Nel +knikte. Tot overmaat van ramp kwam Foxje ook nog in de kamer, maar +Door zette hem er voorzichtig uit en zoo kwamen de beide meisjes toch +eindelijk klaar. Moeder was al beneden en werd in het geheim genomen; +ze beloofde Leni, als ze beneden kwam, naar Kee te sturen, tot alles +voor de jarige klaar was. + +"Kom nu maar gauw mee," zei Nel tot Door; "want er zijn heel wat +vaasjes te vullen." + +"Gelukkig! Ons cadeau is bezorgd," zei Door, op de nieuwe mand voor +Julia wijzend. "Stopt u die maar goed weg, moes, anders ziet Leni +die nog, voor we thuis zijn." + +"Daar zal ik wel voor zorgen, kind! Ja, meisjes, jullie moet +voortmaken. Een verjaardag zonder bloemen en dat nog wel in den zomer, +dat gaat toch niet. 't Is heerlijk, dat jullie een veldbouquet gaat +plukken; want het zou jammer zijn den tuin te plunderen, als het +niet noodig is; alles staat nu zoo mooi en we hebben er zoo lang +pleizier van." + +"Ja, moes, we komen gauw terug," zei Door, die den botaniseertrommel +van Dolf nam. Na een half uur hadden de meisjes een prachtigen +ruiker geplukt. + +"Ik pluk ook nog wat papavers," zei Nel, "die staan zoo beeldig." + +"Ja, dat doen ze, maar ze zijn zoo gauw verlept," vond Door. + +"Ziezoo, we hebben genoeg, laten we maar vlug opstappen, want het +valt niet mee, alles te moeten rangschikken." + +"Is Leni al beneden?" was 't eerste wat Nel vroeg, toen ze thuis +kwamen. + +"Neen, ze schijnt nogal te kunnen slapen, niettegenstaande ze gisteren +het tegendeel beweerde," zei mevrouw Van Brakel. "Hè, kinderen, +kinderen, wat een schat van bloemen brengen jullie mee." + +Alle vaasjes en glazen werden voor den dag gehaald en met bloemen +gevuld, wat aan de kamer een echt feestelijk aanzien gaf. + +"Foxje, kom eens hier, oude jonge, je vrouw jarig en jij geen strik +om? Dat is ongehoord." En Nel bond Fox een blauw lint om den hals +en maakte aan een kant een flinken strik. Zoo heel pleizierig vond +Foxje dit nu niet, maar voor een jarige moet je wat over hebben, +had hij dikwijls gehoord en dus droeg hij zijn lot gelaten, zooals +een gehoorzaam en liefhebbend hondje past. En terwijl Nel bezig was +met Fox, bond Door Julia een rood lint om. Blauw was meer haar kleur, +vond Door, maar met het oog op de rood gevoerde mand was het beter +de halsversiering ook in die kleur te nemen. + +"Daar komt Leni aan!" riep Nel. "Waar is Dolf en waar zijn de +tweelingen en vader? We moeten toch allen in de kamer zijn, voor +Leni binnenkomt." + +"Dolf is achter in den tuin, met Bob, Hans en Fritsje." + +"Jongens, op 't appèl!" riep Door. + +"'t Is vandaag feest, zooals 't nooit is geweest," zong vader en kwam +met Leni binnen. Leni wist van verlegenheid niet, hoe ze kijken zou, +toen allen haar in de kamer opwachtten. + +Verrukt keek ze naar de bloemen. + +"Ja, ja, daarvoor hebben Nel en Door gezorgd. Wat zeg je daar wel +van?" zei moeder. + +"Beeldig," vond Leni. + +"Een spel voor den tuin," zei moeder en zette een groote kist op +de tafel. + +"Een croquetspel," juichte Leni, "heerlijk!" En ze vloog op moeder +en vader toe om beiden te bedanken. + +"Wat je Julia geeft, geef je Leni, hebben wij gedacht," zei Door. + +"Een ledikant voor je Snoes," voegde Nel er bij en zette ter +verduidelijking de poes in de nieuwe mand. + +"Hoe leuk!" riep Leni. "Och, zie haar eigenwijs gezicht eens." + +"Julia onderzoekt, of ze een springveeren of een paardeharen matrasje +heeft," zei Dolf, toen de poes de mand van alle kanten besnuffelde. + +"Maar hoe staan onze logé's zoo stil te kijken?" vroeg mijnheer +Van Brakel. + +"Er is geen kuikentje uitgekomen," zei Bob. + +"Geen kuikentje uitgekomen, ventje?" vroeg moeder verwonderd. + +Door proestte het uit. + +"Neen," zei Hansje, die dit gelukkig niet zag. "Het heeft al dien +tijd in den koffer gelegen onder onze blousjes. En Fritsje durfden +wij er niet opzetten, omdat we bang waren, dat het kuikentje dan dood +zou gaan." + +"Ik begrijp toch niet recht, wat je bedoelt," zei vader, die moeite +deed ernstig te kijken; "vertel mij eens, wàt lag in den koffer, +kereltje?" + +"Dit ei," zei Hans. Maar nu kon mijnheer Van Brakel zich niet langer +bedwingen. Hij schaterde het uit en allen in de kamer schoten in een +hartelijk gelach. + +"'t Is een kalkei; o jongens, jongens, jullie bent eenig, eenig!" + +Toen allen zoo vroolijk waren en het zich zoo in 't geheel niet +aantrokken, dat er geen kuiken uit het ei gekomen was, zelfs Leni niet, +toen moesten Hans en Bob toch wel meelachen. + +"Kijk eens, dit màg jullie Leni geven," zei moeder en gaf Bob een +doos met flikjes. "Daar kan ze dan eens uit presenteeren vanmiddag, +als paatje er is." + +Dat was goed. + +"Fisjeleer," zei Fritsje, terwijl hij Leni een fleschje met eau de +cologne vereerde. Natuurlijk moest ieder even van de eau de cologne +ruiken en daar Fritsjes zakdoek nergens te vinden was, kreeg hij een +beetje op de punt van zijn schort. + +"Nu heb ik hier ook nog een paar oude kennisjes," zei vader, de +portretten van de tweelingen en Julia gevende. + +"Och, paatje, hoe aardig," zei Leni verrukt. "Wanneer hebt u dat +gedaan? Bob en Hans hebben me er niets van verteld." + +"Ja, dat _die_ geheimen kunnen bewaren, hebben we gemerkt," zei vader, +"maar Julia doet voor hen niet onder." + +"Mag ik nu de jarige in den tuin verzoeken?" zei Dolf. + +"In den tuin?" vroeg Nel. + +"Ja, komt allen maar mee, achter in den tuin." + +"Kijk toch eens, Dolf heeft warempel het kippenhok geverfd," riep +Leni opgetogen. + +"Hoe leuk!" + +"Dat noem ik nog eens een verrassing," zei vader. "Ik wist werkelijk +niet, dat ik zoo'n knappen zoon had." + +"Wanneer heb je dat gedaan?" vroeg Door. + +"Gisterenavond en vanmorgen. Ik was om zes uur al in den tuin," zei +Dolf, blij, dat allen het zoo aardig vonden. "Maar nu moet je er ook +eens even in gaan," zei hij tot Leni; "ik heb de kippenfamilie zoo +met elkaar zien fluisteren, het zou mij niet verwonderen, als zij +ook een verrassing voor je hadden." + +Lachend ging Leni in het hok. "Kom eens hier," riep ze en stond te +dansen voor de nesten van Toetie en Snoetie. "Komt toch eens allen +hier!" + +"Maar kindje, dat is toch wel wat veel gevergd," zei vader; "het +heele gezelschap in het kippenhok! Laat ons liever eens zien, +welke verrassing je kippenfamilie jou bereid heeft: wij branden +van verlangen." + +"Toe, Leen, kom er uit," zei Door, "je maakt ons zoo "onmogelijk" +nieuwsgierig." + +"Kijk eens," zei Leni, "dit rose suiker ei heeft Toet gelegd. Het +staat er op, leest u maar." + +"Van Toetie op uw verjaardag." + +"Wel verbazend, dat is kranig," zei vader. + +"En dit witte van Snoetie." + +"Zulke kippen moesten we meer hebben." + +"En dit," zei Leni, en liet een chocolade-ei zien, "van...?" + +"Asschepoes," raadde Nel gierend. + +"Van den haan. Zijn visitekaartje heeft hij er bij gelegd. Kijk, +Haantje-Kukelekaantje staat er op en aan den anderen kant: + + + "Lief jarig pleegmoedertje, + In 't kraaien ben ik wel een baas, + In 't eier leggen niet, helaas! + Maar op het feest van pleegmama + Legde ik toch een ei van chocola + Uit dankbaarheid, omdat zij elken morgen + Zoo trouw voor mij en mijn kippen komt zorgen." + + +"Dolf, Dolf, hoe onmogelijk leuk." + +Ieder moest het hanenei natuurlijk bekijken, 't Was dan ook wel een +groote bijzonderheid; zelfs vader, die al zoo oud was, beweerde, +er nog nooit een gezien te hebben. + +"Jij krijgt straks het kapje, hoor Snoet," zei Leni tegen Fritsje. Dat +leek Frits wel goed toe en Hans en Bob werd het kapje van de +suikereieren beloofd. + +"Waar is Kee? Die moet ze ook zien," riep Leni. + +"Daar komt ze juist aan." + +"Asjeblieft," zei Kee, nog voor Leni iets kon zeggen, "omdat jij +mij gisteren zoo geholpen hebt," en meteen duwde ze Leni een klein, +beeldig poppenkoffiemolentje in de hand. + +"Och moes, maatje, zie eens, van Kee!" + +"Kindje! Maar 't is al te erg vandaag, je wordt veel te veel verwend." + +Toen Leni de eieren aan Kee liet zien van Snoet, Toet en +Haantje-Kukelekaantje, sloeg Kee de armen van verbazing in de +hoogte. "Heb ik van mijn leven, heb ik van mijn leven! Nu begrijp +ik, waarom hij vanmorgen zoo aanhoudend kraaide, 't Is dan ook +geen kleinigheid, een chocolade-ei. Dat doen de kippen hem niet na, +ofschoon Snoet en Toet ook bijzonder knap zijn. Maar, liefje, ik moet +nu weer naar mijn boontjes," zei Kee en holde weg. + +"Hoor Fox eens, met wien heeft die het toch zoo aan den stok?" zei +mijnheer Van Brakel. "Hij keft ons de ooren doof. Daar zit toch soms +geen vreemde poes onder die struik?" + +"O wee!" riep Door, "ik begrijp het al. Als Fox hem maar geen kwaad +doet. Leni, kom eens gauw hier. Kijk eens onder die struik." + +Leni bukte zich. "Een egel?" vroeg ze verwonderd, "voor mij?" + +"Een extraatje van Door en mij," zei Nel lachend. + +"Ik had het diertje maar stil willen laten liggen, maar Door dacht, +dat jij hem wel "snoezig" zou vinden, omdat je nu eenmaal alles +snoezig vindt, wat dier is. We hebben hem aan den weg gevonden." + +"Laat eens kijken," zei Dolf, "hoe grappig, ik heb nog nooit een egel +zoo dichtbij gezien." + +Hans en Bob vonden het in 't geheel geen aardig beestje, beweerden ze, +en Frits bleef op een eerbiedigen afstand. + +"Als Fox hem maar geen kwaad doet," zei Door. + +"Wel neen, 't blijft bij blaffen," zei vader, "daar behoef jullie +niet bang voor te zijn. We zullen hem wat melk brengen, daar houden +ze in den regel van." + +Leni liep naar huis en kwam na een oogenblikje met een schoteltje +met melk terug. 't Was eerst, of de egel 't niet zag, maar al gauw +begon hij te drinken tot groote vreugde van allen. + +"Je zult eens zien, hoe gauw hij tam is," zei moeder. + +"Maar nu gaan we eerst ontbijten, anders zijn we niet klaar, als oom +Karel komt," zei moeder. + +"Ik verlang ook naar paatje," zei Bob. + +"Ja, en wat zou paatje wel te vertellen hebben?" vroeg Hans. + +"Nog maar een beetje geduld," lachte moeder. + +"Morgen gaan we naar huis, hè tante?" + +"Goeden dag, goeden dag, feestvierende menschen!" hoorde men oom +Karel dien middag plotseling zeggen. "Daar ben ik al. Waar zijn mijn +kaboutertjes en waar is de jarige dame?" + +"Hier paatje," en Bob en Hans vlogen hun vader om den hals. + +"Ja, ja, kereltjes, hoe is 't met jullie? Druk aan 't feestvieren zie +ik. Wel, wel Leni, is dat croquetspel een cadeau? En Fox en Julia in +feestgewaad! 't Is geen kleinigheid, 'k Ben wat blij, dat ik gekomen +ben. Kijk eens, dat is nu _mijn_ cadeautje. Ik hoop, dat je 't mooi +vindt, meisje. Ik kan maar niet vergeten, hoe bedroefd je was over 't +verlies van sneeuwwitje en daarom heb ik je nu een ander sneeuwwitje +meegebracht." + +"Een pop!" riep Lena opgetogen. "Oompje, hoe heerlijk!" + +"En als sneeuwwitje gekleed," zei Door, "hoe beeldig! Kijk toch eens, +moeder!" + +"Prachtig, prachtig! Die oom Karel verwent je maar," zei moeder +lachend. + +"Dat heb ik wel begrepen," zei Nel, "dat jarig zijn in de vacantie +lang niet voor de poes is." + +"En nu 't geheimpje, oom," zei Dolf. "Wij branden allen van verlangen." + +"Dat is goed, kinderen. Bob en Hans, komen jullie eens bij mij zitten, +ieder op een knie. Het is iets heel moois en prettigs, dat ik te +vertellen heb." + +Allen keken oom vol verwachting aan. + +"Zoo'n aardig popje, als Leni gekregen heeft om mee te spelen," +begon oom, "is er bij ons in huis gekomen." + +"Ook een sneeuwwitje?" vroeg Bob verbaasd. + +"Maar, paatje, jongens spelen toch niet met poppen," zei Hans +teleurgesteld. + +Oom Karel glimlachte. "Er is bij ons in huis een levend popje--een +kindje gekomen." + +"Een echt?" Hans schoot van de knie af. + +"Ja, een echt." + +"O, oom, hoe leuk, hoe aardig!" + +Even was er doodsche stilte. + +"Maar, maar,--wat doet ze, kan ze al praten?" zei Bob, die 't eerst +van zijn verbazing bekomen was. + +"Eet ze al?" vroeg Hans. + +"Hoe groot is ze?--Heeft ze al haar? Slaapt ze?--Kan ze al lachen? Toe, +paatje, toe vertel eens alles." + +"Kleine, lieve kaboutertjes, hoe kan ik zoo gauw op alle vragen +antwoorden? Neen, praten kan ze nog niet, dat moeten wij haar nog +leeren. Ze kan nu eigenlijk nog maar alleen slapen, drinken en +schreien." + +"Schreien is praten, hè paatje?" + +"Vindt moesje 't prettig, dat het zusje er is?" + +"En Jaap?" + +"Jaap ook. En Griet, die anders zoo'n leven kan maken in de keuken, +doet nu alles even zacht." + +"En-enne-paatje, luister eens. Hoe groot is zus?" vroeg Bob opgewonden. + +"Niet grooter dan Leni's pop." + +"Wijs eens, hoe groot haar handjes zijn." + +"Zoowat zoo groot als jou wijsvinger. Twee aardige, roode knuistjes +heeft ze." + +"Nu hebt u nog in 't geheel niet gezegd, hoe ze heet, oom," zei Leni. + +"Ze heet Else, ons kleine meisje." + +Allen vonden dit een prachtigen naam. "Zou ze 't prettig vinden, +dat we morgen terugkomen?" + +"Welk zusje zou niet blij zijn met zulke lieve broertjes," zei oom +Karel, Bob in de wang knijpende. + +"O paatje, ik verlang zoo," zei Hans met een diepen zucht. + +"Wat kunnen we later heerlijk paardje spelen, Bobbie. Zus komt dan +in de sportkar te zitten, jij wordt paard en ik koetsier." + +"Neen, dan wil ik koetsier zijn," zei Bob. + +"Neen," pruilde Hans, "ik heb het 't eerst gezegd." + +"Weet jullie wat," zei mevrouw Van Brakel, die bang was, dat er +gekibbel kwam. "Zusje mag dan kiezen, die is de dame, die gereden +wordt." + +"Ja, dat vind ik best," zei oom. "En zal ik jullie nu eens vertellen, +waarom zusje _nu_ gekomen is?" + +Ja, dat wist niemand. + +"Omdat ze het later zoo prettig zou vinden in de vacantie jarig +te zijn." + +"Òf ze gelijk heeft," riepen Nel en Door tegelijk. + +"Maar nu moet ik toch werkelijk eens kijken, wat Leni gekregen +heeft. Morgen in den trein kunnen we den geheelen tijd over zusje +praten. Mij dunkt, Door en Nel zijn hier aan 't versieren geweest. Wat +een heerlijke massa bloemen! Met je nieuw croquetspel wil ik vandaag +vast een spelletje doen." + +"Ja, ja, dat moet ingewijd worden," zei Dolf. + +"En nu moet u nog eens iets zien," zei Nel. + +"Extraatje van Door en mij," stelde ze voor, op den egel wijzend. + +"Neen, oompje, alleen van mij, Nel durfde hem niet opnemen." + +"Een egel? Daar moet je nu Door voor wezen om zoo'n aantrekkelijk +diertje mee te nemen," lachte oom. "Wat zei zusje wel van zoo'n +cadeau? Maar dat behoef ik eigenlijk niet te vragen. Bij Leni is +immers elk dier welkom." + +"Dat zei ik ook, oompje." + +"Hoe jammer," zei Leni, "dat de egel zich nu heelemaal ingerold heeft." + +"Dat is niets, die onbeleefdheid en dat nog wel op jouw verjaardag, +zal ik hem wel gauw afleeren," zei oom. "Dolf, haal mij eens een +kopje water, dan zullen we "extraatje," eens een bad geven." + +Nauwelijks had de egel het water gevoeld, of hij begon zich te +ontrollen. + +"O, kijk hem eens, kijk hem eens," riepen Dolf en Nel. + +"Zie hem eens boos kijken," lachte Door. "Foei, oude jongen, niet zoo +ernstig en dat nog wel op zoo'n grooten feestdag als vandaag. Ziezoo, +zoo mag ik je liever, nu ben je ons tevreden "extraatje" weer." + +"Stil, wij worden geroepen! Wie het eerst thuis is," zei oom en nam +Fritsje op zijn schouder en 't heele jolige troepje holde achter +hem aan. + +"Fritsje gewonnen! Moesje! Fritsje gewonnen!" + +"Ja, ja," lachte moeder, "jij lijkt het winterkoninkje wel, die bij +een wedstrijd onder de vogels, wie 't hoogste vliegen kon, onder de +vleugels van den adelaar kroop en zoo den strijd won, maar de andere +vogels leelijk fopte." + +Daar begreep Fritsje niets van, maar wel, dat, wat op tafel stond, +heerlijk was. + +"Bob en Hans, kom gauw. Hier staan beschuiten met muisjes op tafel," +riep Dolf, die de tweede overwinnaar was. "Ter eere van 't zusje," +zei mevrouw Van Brakel. + +'s Middags werd er croquet gespeeld, tot groot pleizier van de groote +en kleine menschen, maar niet het minst van Fox en Julia, die elken +bal naholden. Tot slot van het feest onthaalde moeder nog op een +heerlijke roomtaart, waarop ze voor de grap een vlaggetje gestoken +had en waarop stond: "Wie in Augustus geboren is, hoezee!" + +Allen begonnen dadelijk te zingen, zoodat het een oorverdoovend leven +was. Toen werden er nog allerlei spelletjes verzonnen en moest Leni +"Toetie" raden uit: begraven steden en Door "vacantie." + +Eindelijk werd het tijd voor de kleintjes om naar bed te gaan. Leni +mocht een uurtje langer opblijven. Toen eindelijk ook Door, Nel en +Dolf goeden nacht hadden gezegd, zongen ze nog als op den eersten dag +van de vacantie met een kleine verandering, door Door in het schoone +lied gebracht: + + + "'t Is vacantie, nog vacantie, + Hoera vacantie boven! + En ieder, die 't niet zingen wil, + Die moet er aan gelooven." + + +Den volgenden morgen voor schooltijd zag men weer, als op den eersten +dag van de vacantie, twee vlaggetjes uit een portier van den trein +wapperen. Maar nu wuifde oom Karel met zijn kaboutertjes den wachtenden +bij den trein met even vroolijke gezichten een afscheid toe. + +"Toe, kinderen, voor 't laatst nog eens," zei oom Karel plagend: +"'t Is vacantie!" + +"Neen, oompje," zei Door, lachend op haar boeken wijzende, "dat zal +niet gaan!" + +En de anderen gaven Door volkomen gelijk. + +"Onmogelijk, meisje?" + +"Onmogelijk, oompje," bevestigde Door. "Maar met de Kerstvacantie is +'t weer: "'t Is vacantie,"--zou Door juist beginnen te zingen, toen de +trein zich in beweging zette. Nog een laatste wuiven van de vlaggetjes +en van oom Karels witten zakdoek en 't vroolijke troepje groette van +'t perron terug. + +Om twaalf uur kwamen allen opgewekt uit school. + +"'t Was toch zoo leuk in de nieuwe klasse," vonden Door en Nel. Dolf +en Leni hadden allerlei prettige verhalen. + +"Dat mag ik zien," zei moeder. "Vroolijk op school en vroolijk thuis." + +"Ja, ja, we zijn wat trotsch op ons jolig troepje," zei vader lachend. + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 12070 *** diff --git a/12070-h/12070-h.htm b/12070-h/12070-h.htm new file mode 100644 index 0000000..b41a338 --- /dev/null +++ b/12070-h/12070-h.htm @@ -0,0 +1,4862 @@ +<!DOCTYPE HTML> +<html lang="nl"> +<head> +<meta charset="utf-8"> +<title>Een Jolig Troepje | Project Gutenberg</title> +<link rel="icon" href="images/front.jpg" type="image/x-cover"> +<style> +html { +line-height: 1.3; +} +body { +margin: 0; +} +main { +display: block; +} +h1 { +font-size: 2em; +margin: 0.67em 0; +} +hr { +height: 0; +overflow: visible; +} +pre { +font-family: monospace; +font-size: 1em; +} +a { +background-color: transparent; +} +abbr[title] { +border-bottom: none; +text-decoration: underline; +} +b, strong { +font-weight: bolder; +} +code, kbd, samp { +font-family: monospace; +font-size: 1em; +} +small { +font-size: 80%; +} +sub, sup { +font-size: 67%; +line-height: 0; +position: relative; +vertical-align: baseline; +} +sub { +bottom: -0.25em; +} +sup { +top: -0.5em; +} +img { +border-style: none; +} +body { +font-family: serif; +font-size: 100%; +text-align: left; +margin-top: 2.4em; +} +div.front, div.body { +margin-bottom: 7.2em; +} +div.back { +margin-bottom: 2.4em; +} +.div0 { +margin-top: 7.2em; +margin-bottom: 7.2em; +} +.div1 { +margin-top: 5.6em; +margin-bottom: 5.6em; +} +.div2 { +margin-top: 4.8em; +margin-bottom: 4.8em; +} +.div3 { +margin-top: 3.6em; +margin-bottom: 3.6em; +} +.div4 { +margin-top: 2.4em; +margin-bottom: 2.4em; +} +.div5, .div6, .div7 { +margin-top: 1.44em; +margin-bottom: 1.44em; +} +.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child, +.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child { +margin-bottom: 0; +} +blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back { +margin-top: 0; +margin-bottom: 0; +} +.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child, +.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child { +margin-top: 0; +} +h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 { +clear: both; +font-style: normal; +text-transform: none; +} +h3, .h3 { +font-size: 1.2em; +} +h3.label { +font-size: 1em; +margin-bottom: 0; +} +h4, .h4 { +font-size: 1em; +} +.alignleft { +text-align: left; +} +.alignright { +text-align: right; +} +.alignblock { +text-align: justify; +} +p.tb, hr.tb, .par.tb { +margin: 1.6em auto; +text-align: center; +} +p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument { +font-size: 0.9em; +text-indent: 0; +} +p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument { +margin: 1.58em 10%; +} +.opener, .address { +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +} +.addrline { +margin-top: 0; +margin-bottom: 0; +} +.dateline { +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +text-align: right; +} +.salute { +margin-top: 1.6em; +margin-left: 3.58em; +text-indent: -2em; +} +.signed { +margin-top: 1.6em; +margin-left: 3.58em; +text-indent: -2em; +} +.epigraph { +font-size: 0.9em; +width: 60%; +margin-left: auto; +} +.epigraph span.bibl { +display: block; +text-align: right; +} +.trailer { +clear: both; +margin-top: 3.6em; +} +span.abbr, abbr { +white-space: nowrap; +} +span.parNum { +font-weight: bold; +} +span.corr, span.gap { +border-bottom: 1px dotted red; +} +span.num, span.trans { +border-bottom: 1px dotted gray; +} +span.measure { +border-bottom: 1px dotted green; +} +.ex { +letter-spacing: 0.2em; +} +.sc { +font-variant: small-caps; +} +.asc { +font-variant: small-caps; +text-transform: lowercase; +} +.uc { +text-transform: uppercase; +} +.tt { +font-family: monospace; +} +.underline { +text-decoration: underline; +} +.overline, .overtilde { +text-decoration: overline; +} +.rm { +font-style: normal; +} +.red { +color: red; +} +hr { +clear: both; +border: none; +border-bottom: 1px solid black; +width: 45%; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +margin-top: 1em; +text-align: center; +} +hr.dotted { +border-bottom: 2px dotted black; +} +hr.dashed { +border-bottom: 2px dashed black; +} +.aligncenter { +text-align: center; +} +h1, h2, .h1, .h2 { +font-size: 1.44em; +line-height: 1.5; +} +h1.label, h2.label { +font-size: 1.2em; +margin-bottom: 0; +} +h5, h6 { +font-size: 1em; +font-style: italic; +} +p, .par { +text-indent: 0; +} +p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line { +text-transform: uppercase; +} +.hangq { +text-indent: -0.32em; +} +.hangqq { +text-indent: -0.42em; +} +.hangqqq { +text-indent: -0.84em; +} +p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter { +float: left; +clear: left; +margin: 0 0.05em 0 0; +padding: 0; +line-height: 0.8; +font-size: 420%; +vertical-align: super; +} +blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote { +font-size: 0.9em; +margin: 1.58em 5%; +} +.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden { +text-decoration: none; +} +.advertisement, .advertisements { +background-color: #FFFEE0; +border: black 1px dotted; +color: #000; +margin: 2em 5%; +padding: 1em; +} +span.accent { +display: inline-block; +text-align: center; +} +span.accent, span.accent span.top, span.accent span.base { +line-height: 0.40em; +} +span.accent span.top { +font-weight: bold; +font-size: 5pt; +} +span.accent span.base { +display: block; +} +.footnotes .body, .footnotes .div1 { +padding: 0; +} +.fnarrow { +color: #AAAAAA; +font-weight: bold; +text-decoration: none; +} +.fnarrow:hover, .fnreturn:hover { +color: #660000; +} +.fnreturn { +color: #AAAAAA; +font-size: 80%; +font-weight: bold; +text-decoration: none; +vertical-align: 0.25em; +} +a { +text-decoration: none; +} +a:hover { +text-decoration: underline; +background-color: #e9f5ff; +} +a.noteRef, a.pseudoNoteRef { +font-size: 67%; +vertical-align: super; +text-decoration: none; +margin-left: 0.1em; +} +.externalUrl { +font-size: small; +font-family: monospace; +color: gray; +} +.displayfootnote { +display: none; +} +div.footnotes { +font-size: 80%; +margin-top: 1em; +padding: 0; +} +hr.fnsep { +margin-left: 0; +margin-right: 0; +text-align: left; +width: 25%; +} +p.footnote, .par.footnote { +margin-bottom: 0.5em; +margin-top: 0.5em; +} +p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel { +float: left; +margin-left: -0.1em; +min-width: 1.0em; +padding-right: 0.4em; +} +.apparatusnote { +text-decoration: none; +} +.apparatusnote:target, .fndiv:target { +background-color: #eaf3ff; +} +table.tocList { +width: 100%; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +border-width: 0; +border-collapse: collapse; +} +td.tocText { +padding-top: 2em; +padding-bottom: 1em; +} +td.tocPageNum, td.tocDivNum { +text-align: right; +min-width: 10%; +border-width: 0; +white-space: nowrap; +} +td.tocDivNum { +padding-left: 0; +padding-right: 0.5em; +vertical-align: top; +} +td.tocPageNum { +padding-left: 0.5em; +padding-right: 0; +vertical-align: bottom; +} +td.tocDivTitle { +width: auto; +} +p.tocPart, .par.tocPart { +margin: 1.58em 0; +font-variant: small-caps; +} +p.tocChapter, .par.tocChapter { +margin: 1.58em 0; +} +p.tocSection, .par.tocSection { +margin: 0.7em 5%; +} +table.tocList td { +vertical-align: top; +} +table.tocList td.tocPageNum { +vertical-align: bottom; +} +table.inner { +display: inline-table; +border-collapse: collapse; +width: 100%; +} +td.itemNum { +text-align: right; +min-width: 5%; +padding-right: 0.8em; +} +td.innerContainer { +padding: 0; +margin: 0; +} +.index { +font-size: 80%; +} +.index p { +text-indent: -1em; +margin-left: 1em; +} +.indexToc { +text-align: center; +} +.transcriberNote { +background-color: #DDE; +border: black 1px dotted; +color: #000; +font-family: sans-serif; +font-size: 80%; +margin: 2em 5%; +padding: 1em; +} +.missingTarget { +text-decoration: line-through; +color: red; +} +.correctionTable { +width: 75%; +} +.width20 { +width: 20%; +} +.width40 { +width: 40%; +} +p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint { +color: #666666; +font-size: 80%; +} +span.musictime { +vertical-align: middle; +display: inline-block; +text-align: center; +} +span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom { +padding: 1px 0.5px; +font-size: xx-small; +font-weight: bold; +line-height: 0.7em; +} +span.musictime span.bottom { +display: block; +} +audio { +height: 20px; +margin-left: 0.5em; +margin-right: 0.5em; +} +ul { +list-style-type: none; +} +.splitListTable { +margin-left: 0; +} +.splitListTable td { +vertical-align: top; +} +.numberedItem { +text-indent: -3em; +margin-left: 3em; +} +.numberedItem .itemNumber { +float: left; +position: relative; +left: -3.5em; +width: 3em; +display: inline-block; +text-align: right; +} +.itemGroupTable { +border-collapse: collapse; +margin-left: 0; +} +.itemGroupTable td { +padding: 0; +margin: 0; +vertical-align: middle; +} +.itemGroupBrace { +padding: 0 0.5em !important; +} +.titlePage { +border: #DDDDDD 2px solid; +margin: 3em 0 7em; +padding: 5em 10% 6em; +text-align: center; +} +.titlePage .docTitle { +line-height: 1.7; +margin: 2em 0; +font-weight: bold; +} +.titlePage .docTitle .mainTitle { +font-size: 1.8em; +font-weight: inherit; +font-variant: inherit; +line-height: inherit; +} +.titlePage .docTitle .subTitle, +.titlePage .docTitle .seriesTitle, +.titlePage .docTitle .volumeTitle { +font-size: 1.44em; +font-weight: inherit; +font-variant: inherit; +line-height: inherit; +} +.titlePage .byline { +margin: 2em 0; +font-size: 1.2em; +line-height: 1.5; +} +.titlePage .byline .docAuthor { +font-size: 1.2em; +font-weight: bold; +} +.titlePage .figure { +margin: 2em auto; +} +.titlePage .docImprint { +margin: 4em 0 0; +font-size: 1.2em; +line-height: 1.5; +} +.titlePage .docImprint .docDate { +font-size: 1.2em; +font-weight: bold; +} +div.figure, div.figureGroup { +text-align: center; +} +table.figureGroupTable { +width: 80%; +border-collapse: collapse; +} +.figure, .figureGroup { +margin-left: auto; +margin-right: auto; +} +.floatLeft { +float: left; +margin: 10px 10px 10px 0; +} +.floatRight { +float: right; +margin: 10px 0 10px 10px; +} +p.figureHead, .par.figureHead { +font-size: 100%; +text-align: center; +} +.figAnnotation { +font-size: 80%; +position: relative; +margin: 0 auto; +} +.figTopLeft, .figBottomLeft { +float: left; +} +.figTopRight, .figBottomRight { +float: right; +} +.figure p, .figure .par, .figureGroup p, .figureGroup .par { +font-size: 80%; +margin-top: 0; +text-align: center; +} +img { +border-width: 0; +} +td.galleryFigure { +text-align: center; +vertical-align: middle; +} +td.galleryCaption { +text-align: center; +vertical-align: top; +} +.lgouter { +margin-left: auto; +margin-right: auto; +display: table; +} +.lg { +text-align: left; +padding: .5em 0; +} +.lg h4, .lgouter h4 { +font-weight: normal; +} +.lg .lineNum, .sp .lineNum, .lgouter .lineNum { +color: #777; +font-size: 90%; +left: 16%; +margin: 0; +position: absolute; +text-align: center; +text-indent: 0; +top: auto; +width: 1.75em; +} +p.line, .par.line { +margin: 0; +} +span.hemistich { +visibility: hidden; +} +.verseNum { +font-weight: bold; +} +.speaker { +font-weight: bold; +margin-bottom: 0.4em; +} +.sp .line { +margin: 0 10%; +text-align: left; +} +.castlist, .castitem { +list-style-type: none; +} +.castGroupTable { +border-collapse: collapse; +margin-left: 0; +} +.castGroupTable td { +padding: 0; +margin: 0; +vertical-align: middle; +} +.castGroupBrace { +padding: 0 0.5em !important; +} +body { +padding: 1.58em 16%; +} +.pageNum { +display: inline; +font-size: 8.4pt; +font-style: normal; +margin: 0; +padding: 0; +position: absolute; +right: 1%; +text-align: right; +letter-spacing: normal; +} +.marginnote { +font-size: 0.8em; +height: 0; +left: 1%; +position: absolute; +text-indent: 0; +width: 14%; +text-align: left; +} +.right-marginnote { +font-size: 0.8em; +height: 0; +right: 3%; +position: absolute; +text-indent: 0; +text-align: right; +width: 11% +} +.cut-in-left-note { +font-size: 0.8em; +left: 1%; +float: left; +text-indent: 0; +width: 14%; +text-align: left; +padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0; +} +.cut-in-right-note { +font-size: 0.8em; +left: 1%; +float: right; +text-indent: 0; +width: 14%; +text-align: right; +padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em; +} +span.tocPageNum, span.flushright { +position: absolute; +right: 16%; +top: auto; +text-indent: 0; +} +.pglink::after { +content: "\0000A0\01F4D8"; +font-size: 80%; +font-style: normal; +font-weight: normal; +} +.catlink::after { +content: "\0000A0\01F4C7"; +font-size: 80%; +font-style: normal; +font-weight: normal; +} +.exlink::after, .wplink::after, .biblink::after, .qurlink::after, .seclink::after { +content: "\0000A0\002197\00FE0F"; +color: blue; +font-size: 80%; +font-style: normal; +font-weight: normal; +} +.pglink:hover { +background-color: #DCFFDC; +} +.catlink:hover { +background-color: #FFFFDC; +} +.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover, .seclin:hover { +background-color: #FFDCDC; +} +body { +background: #FFFFFF; +font-family: serif; +} +body, a.hidden { +color: black; +} +h1, h2, .h1, .h2 { +text-align: center; +font-variant: small-caps; +font-weight: normal; +} +p.byline { +text-align: center; +font-style: italic; +margin-bottom: 2em; +} +.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline { +text-align: left; +} +.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum { +color: #660000; +} +.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a { +color: #AAAAAA; +} +a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover { +color: red; +} +h1, h2, h3, h4, h5, h6 { +font-weight: normal; +} +table { +margin-left: auto; +margin-right: auto; +} +td.tocText { +text-align: center; +font-variant: small-caps; +font-size: 1.2em; +line-height: 1.5; +} +.tableCaption { +text-align: center; +} +.arab { font-family: Scheherazade, serif; } +.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; } +.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; } +.hebr { font-family: 'SBL Hebrew', Shlomo, 'Ezra SIL', serif; } +.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; } +/* CSS rules generated from rendition elements in TEI file */ +.small { +font-size: small; +} +.large { +font-size: large; +} +.center { +text-align: center; +} +/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */ +.cover-imagewidth { +width:496px; +} +.p1width { +width:498px; +} +.titlepage-imagewidth { +width:487px; +} +.xd32e135 { +text-indent:4em; +} +.p2width { +width:497px; +} +.p3width { +width:497px; +} +.xd32e1661 { +text-indent:2em; +} +.xd32e1663 { +text-indent:6em; +} +.p4width { +width:490px; +} +</style> +</head> +<body> +<div>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 12070 ***</div> +<div class="front"> +<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> +<p class="first"></p> +<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/front.jpg" alt="Oorspronkelijke voorkant." width="496" height="720"></div><p> +</p> +</div> +</div> +<div class="div1 frenchtitle"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> +<p class="first center large">Een Jolig Troepje +</p> +<p class="center">(8–10 jaar) +</p> +<p class="center">Een frisch boekje, met mooie plaatjes van Mevr. B. Midderigh-Bokhorst. <i>Ons Huis</i>. +<span class="pageNum" id="xd32e81">[<a href="#xd32e81">2</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div1 frontispiece"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> +<p class="first"></p> +<div class="figure p1width"><img src="images/p1.png" alt="Op eens struikelde ze ..." width="498" height="720"><p class="figureHead">Op eens struikelde ze …</p> +</div><p> +<span class="pageNum" id="xd32e87">[<a href="#xd32e87">3</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div1 titlepage"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> +<p class="first"></p> +<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="487" height="720"></div> +</div> +</div> +<div class="titlePage"> +<div class="docTitle"> +<h1 class="mainTitle">Een Jolig Troepje</h1> +</div> +<div class="byline">Door<br> +<span class="docAuthor">Marie Leopold</span><br> +(Schrijfster van Dolly, Hanneke, Rudi e.a.)<br> +Met Vier Platen en Bandteekening<br> +Van<br> +B. Midderigh-Bokhorst</div> +<div class="docImprint">Tweede Druk<br><br> +<img src="images/decoration.png" alt="" width="150"><br><br> +Gouda—G.B. Van Goor Zonen</div> +</div> +<p><span class="pageNum" id="xd32e114">[<a href="#xd32e114">4</a>]</span></p> +<div class="div1 last-child advertisements"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> +<p class="first">Van Marie Leopold +</p> +<p>Verschenen bij Van Goor Zonen—Gouda +</p> +<ul> +<li>Dolly +</li> +<li>Rudi +</li> +<li>Hanneke +</li> +<li>Kermiskindje en Dot +</li> +<li>Van Kinderen en hun Lievelingen</li> +</ul><p> +<span class="pageNum" id="xd32e126">[<a href="#xd32e126">5</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +<div class="body"> +<div id="ch01" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch01.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="label">Eerste hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">De eerste vacantiedag.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first"></p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">„’t Is vacantie! ’t blijft vacantie! +</p> +<p class="line xd32e135">Hoera, vacantie boven! +</p> +<p class="line">En als je dat niet zingen wilt, +</p> +<p class="line xd32e135">Dan moet je er aan gelooven!”</p> +</div> +<p class="first">zong Nel in haar nachtjapon, terwijl ze met een natte spons in de hand voor Dora’s +bed stond. +</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">„Hoera! vacantie boven! +</p> +<p class="line xd32e135">En als je dat niet zingen wilt, +</p> +<p class="line">Dan moet je er aan gelooven!”</p> +</div> +<p class="first">Pats, de natte spons viel op Dora’s gezicht. +</p> +<p>„Wat is dat, br.… Nel, wat scheelt je? Br.…!” riep Door, die op eens rechtop in haar +bed zat met een druipnat gezicht. „Dat is verraderlijk. Ik sliep zoo lekker. Kijk +dat laken eens: kletsnat. Brr, geef me gauw mijn handdoek.” +<span class="pageNum" id="xd32e149">[<a href="#xd32e149">6</a>]</span></p> +<p>„Zul je dan zingen?” +</p> +<p>„Ja, ja, alles wat je wilt, maar geef eerst mijn handdoek. Gauw, ’t loopt met een +straaltje achter in mijn nek.” +</p> +<p>„Nu, zing dan,” dreigde Nel, de spons voor Door in de hoogte houdende. +</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">„’t Is vacantie, ’t blijft vacantie, +</p> +<p class="line xd32e135">Hoera, vacantie boven!”</p> +</div> +<p class="first">viel Door in. +</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">„En ieder, die ’t niet zingen wil, +</p> +<p class="line xd32e135">Die moet er aan gelooven!”</p> +</div> +<p class="first">Hup, vloog ze ’t bed uit, greep Nel de spons uit de handen, doopte die één, twéé, +drie in de lampetkan. En vóór Nel nog iets had kunnen doen, daar droop haar geheele +gezicht. Toen begon een wilde jacht om de tafel, over bedden en stoelen, dat hooren +en zien je verging. Midden in die dolle jacht zat rechtop in haar bed kleine Leni +in de handen te klappen en mee te zingen. +</p> +<p>Zacht ging de deur open, wat Nel en Door in ’t vuur van haar spel niet hoorden. Nel +was onder de tafel gekropen en sloeg met den handdoek naar <span class="pageNum" id="xd32e167">[<a href="#xd32e167">7</a>]</span>Door, die met een natte spons klaar stond om op haar vijandin in te stormen. +</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">„’t Is vacantie, ’t is vacantie …”</p> +</div> +<p class="first">„Maar kinderen, kinderen, dat belooft wat voor de vacantie,” lachte moeder. +</p> +<p>„O moeder, we hebben zoo’n pret,” juichte Leni met een hoogroode kleur. +</p> +<p>„Maar kijk eens, een beekje is er uit de spons geloopen van de lampetkan naar den +stoel.” +</p> +<p>„Ja, dáár,” zei Door plechtig, „kreeg ik den vijand in handen.” +</p> +<p>„Wat is dat?” riep moeder verschrikt, toen Leni haar met een sprongetje op den rug +zat. +</p> +<p>„Ook een vijand, maar een droge, dat zijn natte,” zei Leen, terwijl ze naar Nel en +Door wees. „O, moesje, zing nu gauw, anders komt Door met haar natte spons,” en toen +begonnen allen weer te zingen: +</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">„’t Is vacantie, ’t blijft vacantie, +</p> +<p class="line xd32e135">Hoera, vacantie boven! +</p> +<p class="line">En als je dat niet zingen wilt, +</p> +<p class="line xd32e135">Dan moet je er aan gelooven!”</p> +</div> +<p class="first">En voor ze ’t uit hadden, kwam in zijn hanssopje <span class="pageNum" id="xd32e187">[<a href="#xd32e187">8</a>]</span>kleine broer, die zóó verbaasd was over dit vroolijke tooneeltje in den vroegen morgen, +dat hij stil bleef staan, maar toch telkens de laatste woorden van iederen regel trachtte +mee te zingen. +</p> +<p>„Nu een, twee, drie voortgemaakt, kinderen. Zie eens, wat is ’t al laat. Kom, kleine +broekeman, ga jij maar met mij mee, dan kunnen de dames zich kalm aankleeden.” +</p> +<p>„Jouw gezicht is in tijden niet zoo flink nat geweest, Nel,” plaagde Door. +</p> +<p>„En jij bent in tijden niet zoo vroeg uit je bed gesprongen,” plaagde Nel terug. +</p> +<p>„Ja, ’t is zonde, dat ik er al uit ben,” en met een verlangenden blik keek ze naar +haar bed. +</p> +<p>„Ik kroop er nog weer in, als ik jou was.” +</p> +<p>„Nee, dank je, dan zijn jij en Leni al klaar, als ik mij nog aan moet kleeden.” Maar +toch verplaatste Door zich er een oogenblik in, hoe lekker het zou wezen nog eens +eventjes er in te kruipen. Zoo’n vacantie was juist zoo heerlijk, vond ze, omdat je +dan niet zoo „onmogelijk” vroeg op behoefde te staan. Half acht vond ze nu eenmaal +„onmogelijk” vroeg. Ze vond alles trouwens gauw „onmogelijk”, vooral als ze er geen +lust in had. +<span class="pageNum" id="xd32e196">[<a href="#xd32e196">9</a>]</span></p> +<p>„Zeg eens, Door, zou ik mijn nieuwe gele schoentjes aan mogen doen?” vroeg Leni. +</p> +<p>„Ik weet ’t niet, schattepoes.” +</p> +<p>„Trek jij je gele schoentjes maar aan, hoor,” zei Nel. „’t Is vandaag feest, omdat +de vacantie begonnen is, en die schoentjes heb je gekregen voor Zon- en Feestdagen.” +</p> +<p>„Zou moesje ’t goed vinden?” weifelde Leni. +</p> +<p>„Natuurlijk vindt ma het goed,” pleitte Nel weer. „Zie je, den rechter schoen doe +je aan, omdat het de eerste vacantiedag is en dus een feestdag, en den linker, ja +den linker …” +</p> +<p>„Ik weet het: den linker doe ik aan, omdat Bob en Hansje komen.” +</p> +<p>„O ja, hoe leuk. Wacht, ik zal je even helpen ter eere van Bob en Hansje.” +</p> +<p>„En ik voor den eersten vacantiedag: Ga maar op den rand van je ledikant zitten. Beenen +stijf houden, hoor.” +</p> +<p>„O, jullie gooit mij haast om,” zei Leni met een wanhopig gezicht. +</p> +<p>„Dat is niets, hou je maar flink vast, je valt niet in ’t water. Wacht, nog een duwtje. +Wat is dat?” +</p> +<p>Daar lag Leni achterover in bed met de beenen <span class="pageNum" id="xd32e210">[<a href="#xd32e210">10</a>]</span>in de lucht te spartelen. Nel en Door lachten, dat de tranen haar over de wangen liepen +en met de kam begon Nel de maat te slaan: +</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">„’t Is vacantie, ’t blijft vacantie, +</p> +<p class="line xd32e135">Twee gele schoentjes boven! +</p> +<p class="line">Wie dat niet met ons zingen wil, +</p> +<p class="line xd32e135">Die moet er aan gelooven!”</p> +</div> +<p class="first">En met de beenen in de lucht hoorde men Leni meezingen. +</p> +<p>„Laten we ons nu gauw klaar maken. Lieve deugd, kijk eens op de klok.” +</p> +<p>„Ja, maar mijn schoenen zitten nog niet goed,” klaagde Leen, die met veel moeite uit +het bed geklauterd was. +</p> +<p>„Stamp maar op den grond, dan zul je er wel in schieten,” zei Door. „Toe, Nel, jij +bent al verder dan ik, help jij haar even met ’t haar. Ik moet mij nog wasschen. Maar +waar is mijn handdoek? Wie heeft mijn handdoek toch gezien?” +</p> +<p>„Pak den mijnen maar, die hangt op den stoel. Wat doe je?” vroeg Nel, toen Door den +handdoek recht voor zich uit hield en dien aandachtig bekeek. +</p> +<p>„Ik zoek overal je natte puntje,” zei ze plagend. +<span class="pageNum" id="xd32e227">[<a href="#xd32e227">11</a>]</span></p> +<p>„Denk je, dat ik mij na dat waterbad van jou nog ben gaan wasschen? Dank je wel, hoor. +Ik heb mij lekkertjes met den handdoek afgedroogd. Wees maar blij, je kunt hem nu +heerlijk gebruiken. Hoe jij zoo’n ding ook altijd zoo nat krijgt, is mij een raadsel. +Je kunt toch wel schoon worden zonder zoo te plassen? Bah! Dat koude water, daar moet +ik niets van hebben.” +</p> +<p>„En ik vind dat koude water nu juist zoo „onmogelijk” lekker. Zoo met je geheele gezicht +in de kom,” zei Door, terwijl ze voorover ging staan en haar gezicht nat gooide. „Lekker!” +</p> +<p>„Je schreeuwde toch maar moord en brand, toen ik met de natte spons voor je bed stond,” +lachte Nel. +</p> +<p>„Nu ja, die aanval was ook verraderlijk.” +</p> +<p>„Maar Door! Pas toch op, het wordt hier nog een overstrooming. Je sputtert de geheele +waschtafel onder en zie den spiegel eens.” +</p> +<p>„Dat zijn dauwdroppels,” lachte Door. +</p> +<p>„Andere dauwdroppels zul jij ook wel nooit te zien krijgen,” plaagde Nel terug. +</p> +<p>„Ziezoo, schattepoes, zeg nu eens of ik je niet een mooie kuif heb gemaakt: wacht, +ik zal je even <span class="pageNum" id="xd32e238">[<a href="#xd32e238">12</a>]</span>optillen voor den spiegel. Die Door ook met haar geplas, hé? Je kunt bijna niet in +den spiegel zien, zoo heeft zij hem besputterd.” +</p> +<p>„Kijk toch eens. Zie je waar dat op lijkt?” zei Door, met een druipnat gezicht naar +een plas op de waschtafel wijzende. +</p> +<p>Leen en Nel keken en keken. +</p> +<p>„Een molshoop,” zei Nel eindelijk. +</p> +<p>„Wel nee, kijk eens goed.” +</p> +<p>„Een hoed met een veer,” raadde Leni. +</p> +<p>„Och nee, ook niet.” +</p> +<p>„Zeg het maar,” vleide Leni. +</p> +<p>„Neen, neen, niet dadelijk zeggen: een meertje,” zei Nel. +</p> +<p>„Dat is flauw, o, als ik zóó sta, kom eens even op mijn plaats, dan is ’t sprekend, +’t Lijkt op een dier,” helderde ze op. +</p> +<p>„Een kameel,” zei Nel weer. +</p> +<p>„Och neen, je zegt maar wat. Een dier, dat wij allen goed kennen.” +</p> +<p>„Nu zie ik het,” riep Leni. „Julia! Kijk, ze zit recht-op. Dat is haar kop. Zie je +haar oortjes?” +</p> +<p>„Nu zie ik het ook,” riep Nel opgetogen. +</p> +<p>„Waar is haar staart, haar mooie dikke staart?” +<span class="pageNum" id="xd32e256">[<a href="#xd32e256">13</a>]</span></p> +<p>„Die houdt ze vast, ze staat er met haar voorpootjes op.” +</p> +<p>„Och, kijk die oortjes toch, hoe sprekend. Dag, oude, lekkere, natte poesekop,” zei +Leni. +</p> +<p>„O, waar is de snor? De snor, waar Julia zoo trotsch op is,” vroeg Nel. +</p> +<p>„Neen, een snor heeft ze niet, dat is jammer,” zei Leni. +</p> +<p>„Dat is niets, ga maar een eindje van de waschtafel af, dan sputter ik die er even +bij.” Brr! brr! naar alle kanten vloog het water. +</p> +<p>„Och, hoe jammer, nu heb je haar heelemaal bedorven. Die aardige oortjes lijken wel +olifants-ooren.” +</p> +<p>„En arme Julia heeft zich een dikken neus gestooten,” lachte Nel. „Zie dat propje +eens. Maar kom, Dorus, maak nu toch voort, je komt zoo nooit klaar.” +</p> +<p>„Wij gaan vast naar beneden.” +</p> +<p>„Wie ’t eerst de trap af is,” zei Leni. +</p> +<p>„Even wachten,” riep Door. „Ik ben dadelijk klaar.” +</p> +<p>„Nu, eventjes dan.” +</p> +<p>„Zeg eens, Nel, waar is mijn haarlintje? Ik weet zeker, dat ik het gisteravond hier +op de tafel gelegd <span class="pageNum" id="xd32e271">[<a href="#xd32e271">14</a>]</span>heb,” zei ze, terwijl ze met de linkerhand het toefje haar vasthield en met de rechter +allerlei dingen optilde en verlegde. „Wat is ’t hier ook een „onmogelijke” rommel +op tafel. Zoo kun je ook niets vinden,” mopperde ze. +</p> +<p>„Dat haarlintje van jou is ook een veel te net lintje om tusschen zoo’n „onmogelijken” +rommel te willen liggen. Kijk, hier heb ik het al.” +</p> +<p>„Waar was het?” +</p> +<p>„Op je kussen lag het, eenzaam en verlaten.” +</p> +<p>„O, ja, ik kon gisteravond nergens een bandje vinden en moest het lintje wel gebruiken. +Ziezoo, klaar,” zei ze even later. „Wie ’t eerst beneden is. Ik zal tellen. Eén, twee, +drie.” +</p> +<p>Vóór Nel of Door het zagen, had Leni haar eene been over de leuning gegooid en gleed +naar beneden. „Gewonnen!” riep ze en stormde door naar de achterkamer, waar mevrouw +Van Brakel bezig was voor ’t ontbijt te zorgen. +</p> +<p>„Dag, moesje.” +</p> +<p>„Kindje, kindje, ik was werkelijk bang, dat je nooit klaar zou komen.” +</p> +<p>„Ik heb het gewonnen, moesje. We deden wie ’t eerst beneden was. Door telde en flap! +gooide <span class="pageNum" id="xd32e283">[<a href="#xd32e283">15</a>]</span>ik mijn beenen over de leuning, nou—en toen was ik ’t eerst beneden. Door moest nog +wel vijf treden doen. Jammer, dat u zulke lange rokken hebt, dan is het natuurlijk +erg moeilijk, ’t Gaat anders zoo heerlijk vlug. Je wint het zoo—altijd.” +</p> +<p>„Ik zal er toch maar afloopen,” lachte moeder. +</p> +<p>„Dan win ik het altijd van u, echt waar.” +</p> +<p>Even later kwamen Nel en Door in de kamer. +</p> +<p>„Dag, maatje, dag, vader.” +</p> +<p>„Treuzeltjes! Zijn jullie al op?” zei vader plagend. +</p> +<p>„Maar, vadertje, u weet ook niet hoe moeilijk ’t is in de vacantie vlug voort te maken.” +</p> +<p>„Of ’t moeilijk is!” +</p> +<p>„Kijk eens, ma,” zei Leni, terwijl ze triomfantelijk haar gele schoentjes liet zien. +</p> +<p>„Maar, Leni, kind, ’t is toch geen Zondag. Hoe kom je daarbij, je nieuwe schoenen +…” +</p> +<p>„Moeder, ’t is een feestdag,” zei Nel plechtig, „en deze schoentjes zijn voor Zon- +en Feestdagen.” +</p> +<p>„Een feestdag?” +</p> +<p>„Bedenkt u zich maar eens goed.” +</p> +<p>„Ik geloof, dat ik het begrijp,” lachte vader. +</p> +<p>„Een feestdag? Jullie houdt mij voor den mal, ik begrijp er niets van.” +<span class="pageNum" id="xd32e301">[<a href="#xd32e301">16</a>]</span></p> +<p>Toen begonnen alle drie de meisjes te zingen: +</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">„’t Is vacantie, ’t blijft vacantie, +</p> +<p class="line xd32e135">Hoera, vacantie boven! +</p> +<p class="line">Wie dat niet met ons zingen wil, +</p> +<p class="line xd32e135">Die moet er aan gelooven!”</p> +</div> +<p class="first">„Ja, ja, jullie hebt gelijk, òf het een feestdag is.” +</p> +<p>„’t Is eigenlijk een ketting van feestdagen,” vond Leni. +</p> +<p>„En, moes, we zijn nog heel bescheiden geweest ook, want voor de ketting van feestdagen +hebben we Leni alléén maar den rechter schoen aangedaan.” +</p> +<p>„Alleen maar den rechter? Nu wordt het nog mooier. En waarvoor kreeg ze dan wel den +linker aan?” +</p> +<p>„Ook voor een feestdag.” +</p> +<p>„O, ’t is onmogelijk, u raadt het nooit, nooit, zeg ik.” +</p> +<p>„’t Is ook wel wat „onmogelijk” vroeg voor al die raadseltjes,” zei vader. +</p> +<p>„’t Begint met …” wilde Leni helpen. +</p> +<p>„Begin alsjeblief niet met: ’t begint met,” zei Nel, „dat is zulk flauw raden.” +</p> +<p>„’t Begint met Hans en Bob,” raadde moeder. +</p> +<p>„Hoera voor onze knappe moes! Waar blijft Dolf toch?” +<span class="pageNum" id="xd32e323">[<a href="#xd32e323">17</a>]</span></p> +<p>„Hier ben ik: Dag vader, moeder, allemaal.” +</p> +<p>„Zoo, studiosus!” +</p> +<p>„Hè, Dolf, hoe kom je zoo laat?” +</p> +<p>„Och ja, jullie met je vervelend lawaai. Ik kon gewoon niet slapen.” +</p> +<p>„Stumperd!” +</p> +<p>„Wees nu maar niet zoo flauw, Nel. Moeder, mag ’k een boterham?” +</p> +<p>„Ze staat er al lang en je kopje thee ter eere van de vacantie is, vrees ik, al koud +geworden.” +</p> +<p>„Vacantie bofe, mammi?” zei kleine Frits met een lief vraagstemmetje. +</p> +<p>„Ja, kleine grappenmaker.” +</p> +<p>„Heb je ons hooren zingen, Dolf?” vroeg Nel. +</p> +<p>„Hooren zingen? Ik dacht, dat de zolder minstens naar beneden zou komen.” +</p> +<p>„Dat zou voor een eersten vacantiedag indrukwekkend geweest zijn,” vond Nel. +</p> +<p>„En „onmogelijk” gezellig voor jou, als we met ons drietjes zoo plotseling voor je +neus stonden.” +</p> +<p>„Onmogelijk, onmogelijk,” praatte Frits Door na. +</p> +<p>Allen proestten het uit. +</p> +<p>„Geef mij daar eens gauw een kus voor, lekkere vent. Nee, zoo gemakkelijk kom je er +niet van af. <span class="pageNum" id="xd32e343">[<a href="#xd32e343">18</a>]</span>Ook een op deze wang en nog een: het deftigste aller kusjes, één op mijn voorhoofd.” +En toen greep Nel Fritsjes handjes en begonnen ze samen te zingen: +</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">„’t Is vacantie, ’t blijft vacantie, +</p> +<p class="line xd32e135">Hoera, vacantie boven! +</p> +<p class="line">Wie dat niet met ons zingen wil, +</p> +<p class="line xd32e135">Die moet er aan gelooven.”</p> +</div> +<p class="first">„Vacantie bofe blijfe? Vacantie nog in bedje? Vacantie stout geweest, mammi?” vroeg +Fritsje, die meende dat „vacantie” een ondeugend jongetje was en voor straf boven +moest blijven. +</p> +<p>„Jij bent een grappenmaker en mammi’s kereltje, hoor.” +</p> +<p>„Wie onze logés wil halen, zorge over een kwartier klaar te zijn,” kwam vaders stem +om den hoek van de deur. +</p> +<p>Toen was ’t een gevlieg en geloop naar alle kanten. +</p> +<p>„Mijn hoed, mijn hoed, wie heeft hem gezien?” riep Door wanhopig. +</p> +<p>„Misschien op je kussen bij je haarlintje,” plaagde Nel. +</p> +<p>„Wees nu niet zoo flauw,” bromde Door. „Jij hebt gemakkelijk praten, jij behoeft nooit +naar je dingen te zoeken. Maar als ik mijn hoed of mijn <span class="pageNum" id="xd32e360">[<a href="#xd32e360">19</a>]</span>mantel ergens neerleg, kan ik ze later nooit terugvinden.” +</p> +<p>„Ik leg ze ook niet „ergens” neer.” +</p> +<p>„Zoo? Wat doe jij dan?” +</p> +<p>„Ik hang ze op den stander natuurlijk.” +</p> +<p>„Ik durf wedden, als ik mijn hoed dáár hang, dat hij toch weg is, als ik hem hebben +moet.” +</p> +<p>„Probeer ’t eens,” lachte Nel. „Drie dagen kun je ’t misschien wel volhouden,” en +weg holde ze. +</p> +<p>„Moesje, weet u hem ook?” +</p> +<p>„Neen, werkelijk niet.” +</p> +<p>„’t Is zoo’n „onmogelijk” zoeken, als je in ’t geheel niet kunt bedenken, waar zoo’n +ding zit,” zuchtte Door wanhopig. +</p> +<p>„Mag Foxje mee, vader?” +</p> +<p>„Neen, jongen, geen honden aan den trein.” +<span class="pageNum" id="xd32e374">[<a href="#xd32e374">20</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch02" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch02.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="label">Tweede hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">De logétjes.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Vijf minuten later was ’t heele gezelschap op weg naar het station, behalve moeder, +die met Fritsje liever thuis bleef, en Door, die als een wanhopige kamer in, kamer +uit rende om haar hoed te zoeken. Met donderend geraas kwam de trein binnenstuiven. +</p> +<p>„Zag je de coupé met de vlaggetjes?” riep Nel opgewonden. „Ik durf wedden, dat ze +daarin zitten. Dat is net iets voor oom Karel.” +</p> +<p>Nel en Dolf renden er naar toe. Vader en Leni konden zoo vlug niet. Maar voor ze bij +de coupé kwamen, was mijnheer Van Lichtenvoorde met zijn beide jongetjes al uitgestapt. +’t Was een vroolijke begroeting. +</p> +<p>„Zagen jullie onze vlaggetjes wel?” vroeg Hans. +</p> +<p>„Nou, òf we,” zei Dolf. „Nel zei dadelijk, dat <span class="pageNum" id="xd32e385">[<a href="#xd32e385">21</a>]</span>jullie zeker in die coupé zat. Pas op, houd ze vooral voorzichtig vast. ’t Is hier +zoo druk.” +</p> +<p>„Hoera, daar heb je Door. Zie ze eens loopen,” zei Nel. +</p> +<p>„Dag oom, dag jongens!” +</p> +<p>„Dag Dorus,” zei oom Karel, „meisje, meisje, wat heb je geloopen.” +</p> +<p>„Maar Door, wat heb je nu op?” vroeg Nel. +</p> +<p>„Mijn ouden tuinhoed. Ik kon mijn schoolhoed nergens vinden. Ja, waar dat ding nog +eens vandaan mag komen, <i>ik</i> weet het niet,” zei ze met een grappig wanhopig gezicht. +</p> +<p>„Kinderen, ga jullie nu vooruit,” zei mijnheer Van Brakel, „oom en ik komen dan langzaam +achteraan.” +</p> +<p>„Zullen we een wedloop houden, wie ’t eerst bij de brug is?” +</p> +<p>„Uitstekend,” vond Nel. „Ik neem Hans; Door, neem jij Bob en Dolf Leni. Eén, twee, +drie; neen Dolf, allen te gelijk beginnen, een beetje achteruit. Ziezoo, nu staan +we allen goed: een, twee, drie!” Daar gingen ze. +</p> +<p>„Gewonnen!” riep Door, nog hijgende en blazende. „Bob, jongen, steek je vlag op.” +</p> +<p>„Als die dikke mijnheer ons niet in den weg geloopen <span class="pageNum" id="xd32e402">[<a href="#xd32e402">22</a>]</span>had, waren wij jullie vóór geweest,” zei Nel, die met Hansje nummer twee was. +</p> +<p>„Dikke heer, of niet, wij hebben het gewonnen. Maar kijk Dolf eens: die schiet warempel +niet hard op. O, ik zie het al, Leni zwoegt onder haar nieuwe schoenen.” +</p> +<p>„Als je van zwoegen onder iets wil praten, dan zou ik zeggen, dat jij zwoegt onder +je kostelijk mooie tuinhoedje,” lachte Nel. „Je ziet tenminste zoo rood als een kreeft.” +</p> +<p>„Eindelijk,” zei Leni met een ongelukkig gezichtje, „die nare schoenen.” +</p> +<p>„Dat was een treurige wedloop, hè Leen? Jij moet je linker en rechter feestdag maar +zoo gauw mogelijk uittrekken, als je thuis komt, dan vier je opnieuw feest. Maar kom, +we moeten voortmaken. Pa en oom Karel zullen ons nog inhalen. Geef mij maar een arm, +hinkelepinkje.” +</p> +<p>„Doortje, is de koffer al gekomen?” vroeg Hansje. +</p> +<p>„De koffer? Nee, hoor, ten minste ik weet er niets van.” +</p> +<p>„’t Is een heele groote, wel van dit paaltje tot dat.” +</p> +<p>„Hij is nog véél grooter,” zei Bob gewichtig, „wel <span class="pageNum" id="xd32e414">[<a href="#xd32e414">23</a>]</span>zóó.” Hij liep vooruit om aan te toonen, hoe groot wel. +</p> +<p>Hans hield zich stil, hij vond, dat Bob den koffer nu wel wat héél groot maakte. Maar +hij vond het toch jammer dit te zeggen. +</p> +<p>„Dan ben ik toch werkelijk bang,” zei Nel, die best begreep, dat Bob overdreef, „dat +die reuzenkoffer niet bij ons de voordeur in kan en dus in ’t geheel niet in jullie +slaapkamertje kan staan. Ma zal hem dan zeker wel in het schuurtje laten zetten.” +</p> +<p>„In het schuurtje?” Een paar verschrikte oogen keken Nel aan. „Onze mooie koffer?” +</p> +<p>„Ja, waar de cokes en de turf geborgen wordt.” +</p> +<p>„Misschien is hij toch wel een beetje kleiner. Zou hij niet een beetje kleiner zijn, +Bobbie?” +</p> +<p>Bob knikte. „Maar ’t is toch een groote.” +</p> +<p>„Moesje, daar zijn we. Oom en Vader komen achteraan.” +</p> +<p>„Dag, jongens; wèl, wèl, wat hebben jullie mooie vlaggetjes.” +</p> +<p>„Spritsje, vlagje, Mammi?” vleide kleine Fritsje. +</p> +<p>„Mag Fritsje je vlagje even hebben, Bob?” +</p> +<p>„Hoera, ma vergist zich. Dit is Hans en dat is Bob. Nu zal ik jullie eens even door +elkaar rommelen. Niet kijken, ma.” Dolf draaide Hans en Bob <span class="pageNum" id="xd32e429">[<a href="#xd32e429">24</a>]</span>als twee tolletjes om elkaar heen. „Doet u nu de oogen maar weer open. Nu …?” +</p> +<p>„Ja, jongens, dat is niet gemakkelijk. Ik geloof … ik geloof …, dat ik hier Hansje +Pansje bij ’t oor heb,” lachte mevrouw Van Brakel. +</p> +<p>„Geraden.” +</p> +<p>„Dat Hansje Pansje, Mammi?” kwam Frits met zijn lief stemmetje er tusschen. +</p> +<p>„Ja, kleine vent. Hansje Pansje. Nu zullen we maar eerst een boterham gaan eten. Jullie +buikjes zijn zeker leeg en hol.” +</p> +<p>Hans en Bob knikten, dat hunne bolletjes er bijna afrolden en natuurlijk deed Fritsjes +bolletje op de maat mee. +</p> +<p>„Daar komen vader en oom Karel al aan. Door, zet gauw den grooten stoel met het kussen +voor oom klaar.” +</p> +<p>„Och, kijk eens, Bobbie, wat een aardige poes,” riep Hansje. „Effentjes haar een kusje +geven, tante?” +</p> +<p>„Zeker, geef jij Julia maar een kusje.” +</p> +<p>Maar Julia had op dat oogenblik in ’t geheel geen lust in een kusje en stapte statig +den tuin in, zonder ook maar naar de jongens om te zien. ’t Was duidelijk, dat zij +zich eerst wat wilde opknappen, voor <span class="pageNum" id="xd32e442">[<a href="#xd32e442">25</a>]</span>ze aan Hans en Bob zou worden voorgesteld. Met één sprongetje zat ze op de schutting +en ging toen kalm haar toilet maken. +</p> +<p>Ja, Julia was een ijdel poesje. +</p> +<p>„Is ze bang, dat wij haar in den staart willen knijpen, of bij een achterpoot in de +hoogte tillen, zooals Jaap altijd doet, tante?” +</p> +<p>„Jaap, wie is Jaap?” +</p> +<p>„Jaap harkt onzen tuin op. En als hij kikkers vindt, doet hij ze in een doosje. Een +kikkertje spant hij er voor, dat is het paard, zegt hij. Bobbie en ik vinden uit rijden +gaan prettig, maar niet als we kikkers waren. En dan met zoon kikkerpaard, dan zouden +we zeker zeeziek worden. Want dat doosje wipt zóó, hup, hup, net als de kikker. Bobbie +en ik hebben eens het doosje opengemaakt, toen Jaap in ’t gras een koetsiertje zocht.” +</p> +<p>„En was Jaap ook boos, toen hij het zag?” +</p> +<p>„Hij lachte. Jaap wordt nooit boos. Hij zei.… wat zei hij ook weer, Bobbie?” +</p> +<p>„Hij maakte het kikkerpaard los en zei: „ga maar gauw naar je vrindjes.” +</p> +<p>„Toch aardig van Jaap,” lachte Nel. +</p> +<p>„Jaap maakt ook altijd wagentjes van wortels en <span class="pageNum" id="xd32e454">[<a href="#xd32e454">26</a>]</span>kransjes van bloemen. Dan doet hij poes en Bruno er een om. Maar die vinden dat niet +prettig, hoor. Jaap zegt dan altijd, dat ze jarig zijn. Maar zoo vaak kun je niet +jarig zijn. Maatje zegt, maar eenmaal in ’t jaar en een jaar duurt heel lang, hè tante?” +</p> +<p>„Zeker, heel lang, maar eet nu eerst jullie boterhammen. Vader heeft niet zooveel +tijd.” +</p> +<p>„Gaat u al zoo gauw weg, oom?” +</p> +<p>„Ja zeker, Door. Ik heb even mijn kaboutertjes hier gebracht, maar veel tijd heb ik +niet. Maar Dorus, kind, ik begrijp niet, hoe het komt, maar ik kan niet zeggen, dat +ik gemakkelijk op dezen stoel zit. Het schijnt aan het kussen te liggen. Ik zal het +dingetje er maar even uitnemen. Wat is dat?” zei Oom, en hield Doors hoed geheel platgedrukt +in de hoogte, „die stumperd kon zijn pleizier ook wel op onder het kussen.” +</p> +<p>„O moeder!” Door werd zoo rood als vuur. +</p> +<p>„O, kijk eens, kijk eens, je hoed lijkt wel een vogelnestje,” riep Dolf. +</p> +<p>„Door, Door, zul je dan ook nooit eens een beetje netter worden,” zei mevrouw Van +Brakel hoofdschuddend. „Reken er maar op, dat je den geheelen <span class="pageNum" id="xd32e464">[<a href="#xd32e464">27</a>]</span>zomer met je vogelnestje moet blijven loopen. Zulke slordige meisjes zijn geen nieuwe +hoeden waard. Waar blijft Leni toch? Dolf, ga jij haar eens roepen, zij is zeker weer +bij het kippenhok. O, daar komt ze juist aan. Leni, kind, waar blijf je toch?” +</p> +<p>„O, moesje, sneeuwwitje deed zoo raar,” zei Leni schreiende. „En nu is ze dood, ze +ligt geheel stijf en de dwergjes loopen om haar heen en begrijpen er niets van.” +</p> +<p>Hans, die juist zijn glaasje melk in de hand hield, liet het van schrik uit zijn handen +vallen, zoodat alle melk van de tafel op zijn broek en vervolgens op den grond stroomde. +</p> +<p>„O, paatje, hier, hier—is een sneeuwwitje.” +</p> +<p>„En—enne, ook—dwergjes,” zei Bob met een hoogroode kleur. +</p> +<p>Leni, die in het geheel niet verwacht had, dat dit bericht zoo’n uitwerking op de +tweelingen zou hebben, bleef als versteend in de deur staan. Moeder, vader, oom, Dolf +en de meisjes barstten in een onbedaarlijk lachen uit. Fritsjes hoog stemmetje hoorde +men gedurig boven alles uit. +</p> +<p>„O, mammi, Hansje Pansje glaasje melk omgesmijt. Stout Hansje Pansje, hè mammi?” +<span class="pageNum" id="xd32e473">[<a href="#xd32e473">28</a>]</span></p> +<p>„O, houd op, ik kan niet meer,” gilde Nel. „Jongens, kijk me als je blieft niet zoo +verbaasd aan. Ik houd het niet uit. ’t Is tè mooi.” +</p> +<p>Door rende de kamer uit om een vaatdoek. +</p> +<p>Hans en Bob keken met verwonderde gezichtjes het geheele gezelschap aan. ’t Had er +veel van, of allen een uitvoering ten beste gaven en Hans en Bob het publiek uitmaakten. +</p> +<p>Toen het gelach even bedaard was, zei Hans, als om zich te verontschuldigen, half +schreiend: „maar, paatje, Leni <i>zei</i> het toch.” +</p> +<p>„Ja, ja, Leni <i>zei</i> het ook, ventje,” en weer proestte oom Karel het uit. +</p> +<p>„’t Is maar een kip, een witte kip,” brulde Dolf. +</p> +<p>„Is er,—is er dan geen sneeuwwitje?” vroeg Hans. +</p> +<p>„En waar zijn dan de dwergjes, zijn er óók geen dwergjes?” vroeg Bob. Duidelijk klonk +er teleur-stelling in hun stemmetjes. +</p> +<p>„Och neen, kleine vent,” zei Nel, die nu toch medelijden met hen kreeg. „Wij noemen +de krielkipjes dwergjes, omdat ze zooveel kleiner zijn dan de andere. Of beter gezegd, +Leni geeft de kippenfamilie zulke mooie namen. Wij zullen jullie straks <span class="pageNum" id="xd32e491">[<a href="#xd32e491">29</a>]</span>aan het heele troepje voorstellen. Als Leni morgen plotseling bericht, dat „Slokop +dood in haar hok ligt” of dat „Asschepoes een ei heeft gelegd,” dan gooit Hansje Pansje +misschien van schrik een heele kan met melk om.” +</p> +<p>Het koffiedrinken liep verder zonder stoornis af. +</p> +<p>„Nu, kinderen,” zei oom Karel een tijdje later, „ik moet weer weg, hoor. Ik heb in +tijden niet zoo heerlijk gelachen. Waar zijn mijn kaboutertjes?” +</p> +<p>„Hier, paatje,” kwam er een stem uit het grasveld. „Ik zit in de zon voor mijn natte +broekspijp en Bobbie maakt een krans voor ons sneeuwwitje.” +</p> +<p>„Wel verbazend, jullie hebt het maar druk. Maar de tijd voor een kusje kan er toch +zeker wel af.” Toen vlogen twee aardige jongens naar hun paatje toe. „Dag, paatje, +dit kusje aan ma brengen en dit aan Bruno, en dit.…” +</p> +<p>„Dank je wel, als ik ze alle weggeef, blijft er voor mij zelf niets over.” +</p> +<p>„U hebt ze toch zelf eerst een poosje mogen houden,” zei Bob. +</p> +<p>„Dat is waar ook,” lachte vader, „en als poes toevallig op de muizenjacht is en Bruno +maakt een wandeling met vriend Turk, dan houd ik ze stil zelf, hoor.” +<span class="pageNum" id="xd32e502">[<a href="#xd32e502">30</a>]</span></p> +<p>„O, oompje, dan is het goed, dat het geen appelbollen zijn, dan kreeg u vast een overladen +maag,” lachte Door. +</p> +<p>„Vind jij appelbollen misschien „onmogelijk” lekker?” +</p> +<p>„Onmogelijk, oompje,” zei Door met overtuiging. +</p> +<p>„Hier, meisje, heb je dan wat van mij, dan kun je het geheele gezelschap op appelbollen +trakteeren.” +</p> +<p>„Dank u wel, hoera! Kinderen, vanavond zal een regiment appelbollen zijn intrede in +den huize Van Brakel doen.” +</p> +<p>„Met het oog op onze logétjes vind ik beter de appelbollenpartij tot morgen uit te +stellen,” zei moeder. „De kleuters moeten vanavond niet te laat naar bed.” +</p> +<p>„Dus morgen, heerlijk,” zei Nel. +</p> +<p>„Maar Bob, wat doe je toch?” vroeg Door. +</p> +<p>Bobbie, voorover in het gras liggend, zat Julia aandachtig te bestudeeren. Al een +paar keer had hij moeite gedaan haar oogleden op te lichten, zoodat poes, wie deze +handtastelijkheden blijkbaar danig begonnen te vervelen, bedaard Bob den rug toekeerde, +langzaam, met deftige passen, om het perk met viooltjes heen stapte en toen op eenigen +afstand van <span class="pageNum" id="xd32e514">[<a href="#xd32e514">31</a>]</span>haar kleinen plaaggeest ging zitten. Ze kneep haar beide oogjes toe tot op een kiertje, +vleide haar staartje met het grappige zwarte puntje keurig langs haar voorpootjes +en bleef zóó in diep nadenken verzonken. +</p> +<p>„Effentjes kijken, hoe laat het is,” antwoordde Bob. +</p> +<p>„Hoe laat het is. Denk je dan soms, dat onze Julia een horloge draagt?” +</p> +<p>„Jaap zegt,” zei Bob, „dat de oogen van een poes net klokjes zijn; je kunt er op zien, +hoe laat het is.” +</p> +<p>„Ja,” zei Hans, „Jaap zegt: als ’t pilletje in zijn oogen als een recht streepje omhoog +staat, is het twaalf uur.” +</p> +<p>„Het pilletje? O, de pupil,” gierde Door. +</p> +<p>„Nel, Dolf en Leni, hoort eens, wat onze logétjes vertellen. O, „onmogelijk” leuk!” +</p> +<p>„’t Is maar jammer,” zei Dolf lachend, „dat de poesjes zelf zoo weinig pleizier van +hun horloge hebben.” +</p> +<p>„Maar ’t is nu zeker al veel later,” zei hij, naar Julia kijkend, die nu het heele +troepje met haar ernstige oogen zat op te nemen. +</p> +<p>„Het pilletje lijkt in ’t geheel niet op een recht wijzertje. Kijk, ’t is een klein, +zwart balletje.” +</p> +<p>„Ja,” zei Hans, „hoe laat zou het nu wel <span class="pageNum" id="xd32e528">[<a href="#xd32e528">32</a>]</span>zijn? Misschien wel tien uur. Kijk eens, Bobbie.” +</p> +<p>Bobbie knikte, hij wist het niet precies. Hij vond het een moeilijk geval. +</p> +<p>„Tien uur is het gelukkig nog niet,” zei Nel. +</p> +<p>„We kunnen nog best een spelletje doen. Zullen we verstoppertje doen met verlos?” +</p> +<p>„Ja, best! Wie doet er mee?” +</p> +<p>„Ik, ik,” klonk het van alle kanten. +</p> +<p>„Eerst er om raden, wie zoeken mag,” stelde Door voor. „Ik zal wat uit mijn zak nemen. +Wie het aantal raadt, mag zoeken.” +</p> +<p>„Mag?” lachte Dolf. „Zoeken is toch geen pretje?” +</p> +<p>„Nu <i>moet</i> dan,” verbeterde Door. „En als niemand het raadt, ben ik de ongelukkige. Nu?” zei +ze, nadat ze iets uit haar zak had genomen en Nel haar hand voorhield. „Hoeveel raad +je? één, twee, drie, vier, vijf of zes?” +</p> +<p>„Drie.” +</p> +<p>„En Leni?” +</p> +<p>„Twee,” zei Leni, na zich een tijdje bedacht te hebben. +</p> +<p>„En onze logé’s?” +</p> +<p>„Moeten we beiden hetzelfde raden?” vroeg Hans, die nooit zoo’n spelletje had mee +gedaan. +<span class="pageNum" id="xd32e548">[<a href="#xd32e548">33</a>]</span></p> +<p>„Neen, ieder mag op zijn beurt raden, maar als Hans het raadt, helpt Bob zoeken en +als Bob zoo knap is, Hans. Want zoeken is lang niet gemakkelijk.” +</p> +<p><span id="xd32e551"></span>Gelukkig voor Hans en Bob waren ze geen van beiden zoo knap. +</p> +<p>„Dolf, nu staat het tusschen ons beiden,” zei Door. „Natuurlijk raad jij het, dat +moet je voor je zusje over hebben.” +</p> +<p>Dolf lachte. „Neen hoor, zoo lief ben ik niet. Vier.” +</p> +<p>„Mag ik je deze vier dingetjes laten zien als bewijs, dat je getoond hebt toch wèl +zoo’n lief broertje te zijn?” zei Door, Dolf vier knikkers voorhoudende. +</p> +<p>„Maar Door, wat doe jij met knikkers in je zak?” lachte Nel. +</p> +<p>„Je weet,” zei Door, „dat mijn zaakjes nu eenmaal veel van stuivertje wisselen houden. +Mijn mesje en mijn beurs ben ik al drie dagen kwijt en daarvoor in de plaats loop +ik al meer dan een week met deze knikkers in mijn zak. Hoe ik er aan kom, weet ik +werkelijk niet,” zei ze lachend. +</p> +<p>„Ik begrijp het best,” zei Nel. „Jij hebt die knikkers zeker ergens zien liggen en +omdat je er nu eenmaal niet van houdt, dat zulke dingen rondslingeren, <span class="pageNum" id="xd32e561">[<a href="#xd32e561">34</a>]</span>heb je ze in je zak gestoken, erg netjes, dat moet ik zeggen.” +</p> +<p>„En ik ben het slachtoffer van Doors opruimmanie,” zei Dolf. „Nu, ik ga tellen. Als +ik vijftig roep, moet jullie verstopt zijn. Jullie moogt je alleen in den tuin verstoppen, +niet in huis.” +</p> +<p>„Een, twee,” telde Dolf. +</p> +<p>Ieder vloog een kant uit. Hans en Bob stonden wel wat verlegen. „Kom maar met mij +mee,” zei Door tot Bob. „Ik kruip achter dezen struik, ga jij achter dien staan.” +</p> +<p>„O, Door,” riep Bob verschrikt. +</p> +<p>„Wat is er?” fluisterde Door, omkijkende. „O, maar Bobbie, hoe is ’t mogelijk! Ben +jij in Dolfs rooverhol gezakt? Je hadt warempel je beenen wel kunnen breken. St, houd +je maar stil en kruip er zoo diep mogelijk in. ’t Is het mooiste verstopplaatsje uit +den geheelen tuin. Als Dolf dezen kant uit komt, moet je je goed bukken, dan vindt +hij je nooit, eenig. Hoor Fox eens opgewonden zijn, zeker, omdat hij ons zoo hard +heeft zien loopen, daar kan Fox nu eenmaal niet tegen. Als hij ons nu maar niet verraadt. +Stil, Dolf komt dadelijk zoeken. Je zit daar wèl leuk, hoor.” +<span class="pageNum" id="xd32e569">[<a href="#xd32e569">35</a>]</span></p> +<p>„Vijftig!” riep Dolf, „Ik ga zoeken.” +</p> +<p>Geen antwoord, ieder had zeker een plaatsje gevonden. +</p> +<p>„Stil toch, Fox en loop niet zoo om mijn beenen, bedaar toch wat.” +</p> +<p>Maar Fox had hierin in het geheel geen lust. Als een dolleman vloog hij den tuin door, +toen eenige malen langs het kippenhok, zoodat de arme dieren het bijna bestierven +van angst. Daarna zou hij met een vaart in huis, maar werd bijtijds door Kee, met +een „hallo marsch, je niet hier verstoppen,” den tuin weer ingejaagd, zoodat hij ten +laatste, moe van het gedraaf, een middagdutje in het grasveld ging doen. +</p> +<p>Dolf zocht en zocht, maar durfde zich bijna niet van den boom begeven, bang, dat de +een of ander uit zijn schuilhoekje te voorschijn springen en naar de verlosplaats +loopen zou, om het hem af te winnen. +</p> +<p>„Leni, jij staat achter het kippenhok, een, twee, drie, verlos,” riep hij. +</p> +<p>„Nel, neen Door, dáár bij het priëel! kom maar voor den dag. Ik ken je aan je hoed.” +</p> +<p>„Hoera, voor ’t vogelnestje,” juichte Nel en kwam met Doors ingedeukten hoed achter +het priëel vandaan. „Gefopt.” +<span class="pageNum" id="xd32e580">[<a href="#xd32e580">36</a>]</span></p> +<p>„Dat is flauw,” zei Dolf teleurgesteld. „Wie kan dat nu ook denken.” +</p> +<p>„Ja, zoo’n slim zusje heb je nu,” lachte Nel, „wees maar blij.” +</p> +<p>„Nu Door en de tweelingen nog.” +</p> +<p>„Een, twee, drie verlos!” riep Door, toen Dolf juist den anderen kant was opgeloopen. +</p> +<p>„Dat heb ik je lekker afgewonnen. Wat heb je dat mooi bedacht,” zei ze lachend tot +Nel. „Waar mijn vogelnestje toch al niet dienstig voor is.” +</p> +<p>„Kom, Dolf, nu de tweelingen nog,” zei Nel. +</p> +<p>„Hé,” zei Dolf lachend tot Kee, die gedurende de verstoppartij geheel tegen haar gewoonte +in al dien tijd op de waranda was blijven staan kijken. „Mij dunkt, je hebt eenige +rokken extra aangetrokken van morgen. Je schort staat heelemaal uit.” +</p> +<p>„Ja,” zei Kee lachend, „één rok heb ik aangetrokken, omdat het de eerste vacantiedag +is en één, omdat Bob en Hansje gekomen zijn.” +</p> +<p>„Die Kee, die Kee,” proestten Nel en Door. „Of je gelijk hadt? Zoo’n dubbele feestdag +mag wel met een paar extra rokken gevierd worden.” +</p> +<p>„Maar ik moet nu eigenlijk weer aan het werk. En dan is mijn feestgewaad mij wel wat +lastig.” +<span class="pageNum" id="xd32e593">[<a href="#xd32e593">37</a>]</span></p> +<p>„Ja, dat wil ik wel gelooven,” zei Dolf. „Wiens neus voel ik door Kee’s schort heen? +Mij dunkt,” zei hij, de schort wat op zij schuivende, „mij dunkt, die van Hansje Pansje.” +</p> +<p>Hansje schaterde het uit. „Was het geen mooi plaatsje? Je kon mij toch bijna niet +vinden, hè?” +</p> +<p>„Neen, hoor. Wie heeft dat wel zoo mooi bedacht?” +</p> +<p>„Kee,” zei Hans. +</p> +<p>„Ik moet nu gauw naar het eten gaan kijken. ’t Is maar goed, dat hier niet elken dag +zoo’n verstoppartij is,” zei Kee en liep haastig naar binnen. +</p> +<p>„Maar waar zou Bob nu zijn?” zei Dolf. „Die heeft zich een bijzonder mooi plaatsje +uitgezocht, dunkt me.” +</p> +<p>„Ja,” zei Door, „je moet maar goed zoeken.” +</p> +<p>Dolf keek achter elken struik, bij het kippenhok, in het priëel, tot hij op eens, +achter in den tuin gekomen in lachen uitbarstte. +</p> +<p>„Komen jullie toch eens hier,” riep hij. „O Bob, blijf zoo stil zitten, ze moeten +je allemaal zoo eens zien.” +</p> +<p>Nel en Leni proestten het uit, toen ze Bob in den grooten kuil zagen zitten met alleen +zijn bovenlijf <span class="pageNum" id="xd32e606">[<a href="#xd32e606">38</a>]</span>er uit. Hansje klapte in de handen. „O, Bobbie, wat een mooi plaatsje.” +</p> +<p>„Kom er maar gauw uit, kleine vent,” zei Dolf en gaf Bob een hand. +</p> +<p>„Ik stapte op de takjes en zakte op eens naar beneden,” legde Bob triomfantelijk uit. +</p> +<p>„Je mag wel gauw je kuil dicht maken,” zei Nel, „voor er ongelukken gebeuren.” +</p> +<p>„Ja,” zei Dolf, die zich wel wat schuldig voelde. „Ik was dien overdekten kuil heelemaal +vergeten.” +</p> +<p>„Ziezoo,” zei Door, „nu weer een nieuw spelletje. Dolf, jongen, je moet weer zoeken.” +</p> +<p>Wat hadden allen een pret! +</p> +<p>„Och, kijk toch eens Bobbie, wat dikke kanaries,” riep Hansje verbaasd, toen hij voorbij +het kippenhok liep en juist zou hij aan Door vragen, of hij eens eventjes een in de +hand zou mogen hebben, toen ze geroepen werden, om te komen eten. Vroolijk holde het +troepje naar binnen. +</p> +<p>„O, wat een bestorming, als je blieft eerst voeten vegen,” zei Moeder. +</p> +<p>„Hansje Pansje glaasje melk omgesmijt, hè Mammi?” begon Fritsje weer, toen hij Hansje +zag. +</p> +<p>„Ja, ja,” lachte Ma. +<span class="pageNum" id="xd32e619">[<a href="#xd32e619">39</a>]</span></p> +<p>„Mogen we na het eten de kanaries eens zien?” vroeg Bob, zoodra hij aan tafel zat. +</p> +<p>„O ja, de kanaries,” riep Hansje opgetogen. +</p> +<p>„De kanaries?” vroeg moeder verwonderd. +</p> +<p>„O, zulke dikke, tante. In het kippenhok zijn ze, hè Bob?” zei Hans vol vuur. +</p> +<p>Moeder lachte. „O, nu begrijp ik het.” +</p> +<p>„Na het eten gaan onze logétjes één, twee, drie naar bed,” zei vader. „Die kleine +kanaries moeten nu ook slapen, anders kunnen het nooit groote worden. Maar morgen +vroeg, als haantje kukelekaantje jullie wakker heeft geroepen, dan maar gauw je kleertjes +aan en den tuin in.” +</p> +<p class="center">***** +</p> +<p>„Een, twee, drie, instappen,” zei Nel, toen ze een uurtje later Hansje had uitgekleed +en in bed tilde. +</p> +<p>„Wacht, eerst even bellen,” zei Bob en greep een tafelbel, waarmee hij, voor Door +dit verhinderen kon, luid ging bellen. +</p> +<p>Kee kwam verschrikt naar boven vliegen. +</p> +<p>„Och, lieve tijd, wat is hier te doen?” riep ze. „Toch geen ongeluk gebeurd?” +<span class="pageNum" id="xd32e634">[<a href="#xd32e634">40</a>]</span></p> +<p>„Gauw instappen, de trein gaat dadelijk weg,” zei Bob tot Keetje, niet begrijpende, +dat hij haar zoo had doen schrikken. +</p> +<p>Kee, die eerst van plan was boos te worden, omdat hij haar voor niets naar boven had +laten komen, kon toch haar lachen niet bedwingen bij het gezicht van die twee grappige +broekemannetjes. „Tuut,” riep ze en zette den kleinen Bob in bed. „Goeie reis, hoor, +goeie reis,” en met haar zakdoek wuivende verdween ze. +</p> +<p>Nel en Door gierden het uit. +</p> +<p>„Dumderdedumderdedum,” en vier kleine voetjes trappelden, dat het geheele bed schudde. +</p> +<p class="center">***** +</p> +<p>„Het zal mij benieuwen, of die dreumesjes gauw den slaap zullen vatten,” zei Nel, +toen ze beneden in de huiskamer kwam. +</p> +<p>„’k Zal eens kijken, of ze slapen,” zei Door een kwartiertje later.—„Als roosjes, +hoor!” kwam ze terug. +<span class="pageNum" id="xd32e645">[<a href="#xd32e645">41</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch03" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch03.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="label">Derde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Arme Hans en Bobbie.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">„Zullen wij den haan maar gaan roepen?” vroeg Hansje den volgenden morgen. Hij stond +met Bob voor Dora’s bed. +</p> +<p>„Wat zeg je?” vroeg Door slaperig. +</p> +<p>„’t Haantje heeft ons niet geroepen, het is misschien ziek,” zei Bobbie. +</p> +<p>Nel lag te schudden in bed. Op eens begon ze te zingen: „Op, gij meisjes en gij knapen, +kukeleku! ’t is uit met slapen,” en sprong het bed uit. +</p> +<p>„O, ik wou dat er geen hanen en geen Hansjes en Bobbies waren,” zei Door, half brommig, +half lachend. +</p> +<p>„Op, gij meisjes en gij <span class="corr" id="xd32e657" title="Bron: knappen">knapen</span>, kukeleku! ’t is uit met slapen,” zong Nel weer en wilde Door uit het bed trekken. +„Toe, jongens, jullie aan den <span class="pageNum" id="xd32e660">[<a href="#xd32e660">42</a>]</span>anderen kant; wacht, daar komt Leni ook aan. Heisa, hopsa!” Door stond buiten het +bed. +</p> +<p>„Ik weet wel,” zei Door, „dat ik vanavond niet naar bed ga, dan behoef ik er morgen +vroeg ook niet uit te komen.” +</p> +<p>„Of je gelijk hebt. Dat is, geloof ik, nog het allerbeste voor jou. Jongens, loop +hier nu maar een beetje in je hanssopje rond. Zoodra we klaar zijn, zullen we je helpen. +Of ben jullie misschien zoo knap, dat je je alleen kunt aankleeden?” +</p> +<p>„De kousen kunnen we wel aantrekken en de schoenen ook, maar ze dicht maken, dat doet +Maatje altijd.” +</p> +<p>„Mooi zoo, haal jullie je kleeren en begin maar vast.” +</p> +<p>Bob en Hansje togen ijverig aan het werk. +</p> +<p>„Och, kijk eens, dat kousje doet zoo raar,” zuchtte Bob met een vuurroode kleur van +inspanning, nadat hij al een heelen tijd bezig was geweest. +</p> +<p>„O, de hiel!” schaterde Leni. „Kijk, die zit boven op den voet. ’t Lijkt wel een leeg +geldzakje. Wacht, ik zal je wel helpen.” +</p> +<p>Door, Nel en Leni hadden het druk met de logétjes. ’t Werd een wedstrijd, wie ’t eerst +klaar zou zijn. +<span class="pageNum" id="xd32e672">[<a href="#xd32e672">43</a>]</span></p> +<p>„’k Zou juist zeggen, mijn schortje is zeker weer op de wandeling,” zei Door, die +overal naar dit kleedingstuk had gezocht, „maar neen, hoor, ’t ligt kalm onder mijn +handdoek. Toch grappig, dat al mijn spulletjes altijd zoo’n lust hebben om van ’t +eene plaatsje naar ’t andere te verhuizen.” +</p> +<p>„En dat ze jou nooit vooraf vertellen, waarheen ze gaan,” plaagde Nel. +</p> +<p>Eindelijk waren allen aangekleed en ging ieder met een keurige „vacantie-kuif”, zooals +Leni ’t noemde, naar beneden. +</p> +<p>„Goeden morgen, goeden morgen!” klonk het vroolijk, toen ’t vijftal de huiskamer binnen +kwam stormen. +</p> +<p>„Wel verbazend, kinderen, wat ben jullie vroeg,” zei vader, „zoo mag ik het zien.” +</p> +<p>„Zullen we nu eerst even ’t haantje roepen?” vroeg Hans. +</p> +<p>„’t Haantje roepen?” +</p> +<p>„Zou het ziek zijn, oom?” vroeg Bob. +</p> +<p>„Waarom ziek, kleine man?” +</p> +<p>„’t Haantje heeft ons niet geroepen.” +</p> +<p>„En hoe komen jullie dan zoo vroeg?” +</p> +<p>„Bobbie en Hansje hebben voor haantje gespeeld. <span class="pageNum" id="xd32e687">[<a href="#xd32e687">44</a>]</span>Ze hebben Dora wakker gemaakt,” zei Nel. +</p> +<p>„Ik was nog zoo „onmogelijk” slaperig.” +</p> +<p>„Als jullie je boterham op hebt, moet je maar eens kijken, of het haantje wakker is,” +vond moeder. +</p> +<p>„Kijk toch zoo’n bedelaarstertje eens,” zei Nel, toen Julia zacht miauwend achter +op haar stoel sprong en voortdurend met haar kopje tegen Nels arm duwde. +</p> +<p>„Zij wil verven, zij wil verven,” riep Bob; „kijk, ze gaat met haar staart over mijn +gezicht.” +</p> +<p>„Goed, dat er geen verf aan zit.” +</p> +<p>„Ja, voor den staart en voor Bobbies neusje.” +</p> +<p>„Jaap zegt, dat zijn poesje geverfd is, dat is heelemaal bruin, behalve zijn borst +en zijn pooten. Bobbie en ik hebben het eens met een spons gewasschen, maar er kwam +heelemaal geen verf aan de spons en toen heb ik mijn vinger nat gemaakt en over zijn +kopje gestreken en afgelikt, maar het proefde in ’t geheel niet naar verf en de schutting +wel, toen Jaap die geverfd had. Bobbie en ik hebben daar eventjes aan gelikt, niets +lekker, hoor!” +</p> +<p>„Brr,” zei Hansje en trok bij de gedachte nog een vies gezicht. +</p> +<p>Allen schaterden het uit. +<span class="pageNum" id="xd32e700">[<a href="#xd32e700">45</a>]</span></p> +<p>„Vader zei, dat het niet geverfd, maar zoo geboren was.” +</p> +<p>„Of vader gelijk had!” +</p> +<p>„Julia houdt in ’t geheel niet van zoo’n waschpartij. Was dat poesje niet boos, krabde +ze niet?” +</p> +<p>„Wel een beetje, maar Bobbie en ik hebben haar toen stijf vastgehouden.” +</p> +<p>„Arm poesje. Lieve Hansje en Bobbie,” ging Door grappig ernstig voort, „zie je onze +Julia?” +</p> +<p>Bob en Hans knikten. +</p> +<p>„Zie je dat keurige witte overhemdje, dat zwarte snuitje, dat grappige staarte-puntje?” +</p> +<p>Weer knikten Hans en Bobbie. +</p> +<p>„Toen onze deftige Julia nog een heel klein Juliaatje was, had ze al datzelfde grappige +staarte-puntje, datzelfde zwarte snuitje, datzelfde witte overhemdje. Onze Julia is +zoo geboren. Begrijp jullie mij goed? Onze Julia is zoo geboren,” herhaalde ze. „Onze +Julia is dus niet geverfd. Ik zeg jullie dit alles, dat jullie haar morgen of overmorgen +ook niet in een badkuip zult stoppen, of met je lieve vingers zult gaan belikken.” +</p> +<p>Een schaterend gelach ging op en Dolf, die juist binnen kwam, riep: „leve onze Dorus, +leve onze Julia!” +<span class="pageNum" id="xd32e713">[<a href="#xd32e713">46</a>]</span></p> +<p>En Fritsjes lief stemmetje klonk hier tusschen door. „Julia een lief poesje, hè, mammi?” +</p> +<p>Julia, die blijkbaar verlegen werd onder zooveel lof, haar door Dora toegezwaaid, +liet zich zacht van Nels schouder glijden en zocht een plaatsje op den hoek van den +schoorsteenmantel. +</p> +<p>„Mogen we nu de kanaries eens zien?” vroeg Bob, toen ’t ontbijt was afgeloopen. +</p> +<p>„Wel zeker, wel zeker, kom maar mee,” zei Nel. +</p> +<p>„Neen, Foxje, jij kunt niet mee, je zoudt de geheele kippenfamilie angstig maken. +Kijk, Leni is alweer bezig haar kippetjes te trakteeren.” +</p> +<p>„Hij is toch wel wakker?” zei Bob verwonderd en wees naar den haan. +</p> +<p>„Ja, ja, ik geloof ook wel, dat hij jullie geroepen heeft; maar toen lag jullie nog +op één oor en heb je hem niet kunnen hooren.” +</p> +<p>„Dan zal ik morgen eens op geen oor gaan liggen,” dacht Bob bij zich zelf. +</p> +<p>„Zie Slokop weer eens begeerig zijn,” zei Nel, „vooruit, jou deugniet.” Met een stok +duwde ze de zwarte kip weg. „Zal ik nu eens zeggen, hoe deze kanaries heeten? Kuikentjes. +Het zijn kindertjes van die groote zwarte kip, die lekkere kruimeltjes voor <span class="pageNum" id="xd32e725">[<a href="#xd32e725">47</a>]</span>haar kuikentjes bewaart. De gele dààr heet Asschepoes, de andere hanen en kippen zijn +niet aardig voor haar. Kijk die ondeugende Schoorsteenveger en Wafelbakster eens, +die trekken haar aan den staart,” en Nel deed alle moeite, Asschepoes van een witte +kip en een zwarten haan te bevrijden. +</p> +<p>Bob en Hans hadden pret voor tien om al die mooie namen. +</p> +<p>„En hier heb je de dwergjes,” zei Leni. „Vind jullie het geen dotjes?” +</p> +<p>„Leggen die kuikentjes ook eitjes?” vroeg Hans, die zijn oogen niet van de diertjes +af had. +</p> +<p>„Mag ik zoo’n kuikeneitje?” +</p> +<p>„Neen, de kuikentjes leggen nog geen eieren; als ze groot zijn wel en dan komen soms +uit die eitjes weer heele kleine kuikentjes, o zoo beeldig. Wafelbakster en Asschepoes +zijn ook zulke aardige kuikentjes geweest en kijk het nu eens groote kippen zijn.” +</p> +<p>„Hier heb je ook nog een kuikentje,” lachte moeder en zette Frits op Nels hoofd. Frits +kraaide het uit. +</p> +<p>„Hij is geen kuikentje, maar een kraaiend haantje,” lachte Nel. „Kom hier, Haantje +kukelekaantje,” en <span class="pageNum" id="xd32e735">[<a href="#xd32e735">48</a>]</span>zij nam Frits op den arm. „Nu weet ik een mooi spelletje,” zei ze. „We zetten Fritsje +in den ouden kinderwagen, Dolf wordt zijn paard en Leni koetsier. Bob en Hans komen +in de sportkar. Dora is hun paard en ik word koetsier.” +</p> +<p>Het geheel leek wel een optocht. Als de stoet bij vader en moeder, die op de waranda +zaten, voorbijkwam, wuifden zoowel passagiers als publiek. +</p> +<p>„Niet zoo wild rijden, niet zoo wild!” had vader juist geroepen, toen op eens, doordat +Dora de bocht te kort nam, de sportkar omsloeg en Bob en Hansje er uit en in ’t gras +vielen! Groote ontsteltenis! Vader, moeder en Keetje kwamen dadelijk aanhollen, want +beide logétjes hieven een erbarmelijk geschrei aan. Bobbie bloedde vreeselijk uit +zijn neus en had zijn voorhoofd bezeerd en Hansje Pansje riep maar steeds: „O, mijn +voetje doet zoo’n pijn.” +</p> +<p></p> +<div class="figure p2width"><img src="images/p2.png" alt="Het geheel leek wel een optocht." width="497" height="720"><p class="figureHead">Het geheel leek wel een optocht.</p> +</div><p> +</p> +<p>Ma droeg hem en vader Bobbie naar binnen. Hans werd op de canapé gelegd, waarna moeder +hem den schoen uit trok. Bob kreeg koude compressen op zijn neus. Door, die zoo wit +als een doek zag, wilde dadelijk om den dokter gaan, maar vader vond beter nog een +poosje te wachten. Gelukkig bedaarde het bloeden. <span class="pageNum" id="xd32e746">[<a href="#xd32e746">49</a>]</span><span class="pageNum" id="xd32e747">[<a href="#xd32e747">50</a>]</span>Hansjes voet was blijkbaar een beetje verstuikt. ’t Was wel een ongelukkig gezicht, +de twee vroolijke kaboutertjes daar zoo te zien zitten met dikke tranen op de wangen: +Bob met een compres op den neus en Hans met zijn voet op de canapé. +</p> +<p>„Dat is een treurig begin van zoo’n vroolijken dag,” zei vader. +</p> +<p>„Stil maar, jongens,” troostte Door, „vanavond krijgen jullie heerlijke appelbollen.” +</p> +<p>„Jullie weet niet, hoe goed die voor bloedende neuzen en verstuikte voeten zijn,” +zei Dolf. +</p> +<p>„En voor alle menschen, die geschrokken zijn. Och, lieve tijd, ik beef er nog van +in mijn beenen,” klaagde Nel. +</p> +<p>„Kijk eens,” en Leni kwam met in iedere hand een grappig klein eitje, „is dat nu niet +lief van mijn krielkipjes Snoetie en Toetie? Ze zijn dadelijk aan het leggen gegaan, +toen ze hoorden, dat jullie zoo gevallen waart.” +</p> +<p>Bob en Hans lachten door hun tranen heen. +</p> +<p>„Als ik wist, dat Toetie of Moetie”.… +</p> +<p>„Snoetie, paatje.” +</p> +<p>„Och, jij ook met je namen altijd. Nu, als ik wist, dat Snoetie voor mij ook zoo’n +lekker eitje <span class="pageNum" id="xd32e759">[<a href="#xd32e759">51</a>]</span>wilde leggen, dan zou ik ook wel zoo’n buiteling uit de sportkar willen maken.” +</p> +<p>„Oompje in de sportkar,” lachte Hans. +</p> +<p>Daar kwam Kee de kamer in stormen. Kee stormt altijd, langzaam loopen kan ze niet, +want Kee heeft altijd haast. „Kijk eens,” zei ze en bracht Hans en Bob ieder een schoteltje +roode bessen. „Hoe vinden jullie dat? Als je die op hebt, ben je, dat durf ik wedden, +weer geheel beter. Heb ik ze niet keurig gerist? Ik moest eigenlijk mijn kachel poetsen, +maar nee, dacht ik, eerst zal ik die wurmen een verfrisschend hapje brengen. Door +of Nel moeten er maar wat suiker op strooien. Kom, die leelijke tranen neem ik mee +naar de keuken,” zei ze en veegde, wel een beetje hardhandig, Bob en Hansje de tranen +af. En vóór de beide jongetjes nog iets hadden kunnen zeggen, was Kee verdwenen. +</p> +<p>„Heeft jij jouw been gebreekt? Kun je niet meer loopen?” Onderzoekend keek de kleine +Frits naar Hansjes been. +</p> +<p>„Beweeg het eens.” Hans deed het heel voorzichtig. +</p> +<p>„Doet het pijn, als jij jouw voetje beweegt?” +</p> +<p>Hans knikte: „een beetje.” +<span class="pageNum" id="xd32e769">[<a href="#xd32e769">52</a>]</span></p> +<p>„Ik is niet gevallen,” zei hij toen met voldoening. „Mag ik eens zien, of er nog bloed +uit jouw neusje komt?” vroeg hij, vol belangstelling naar Bobbie kijkende. +</p> +<p>Bobbie deed even den zakdoek voor den neus weg. +</p> +<p>„O, mammie!” Fritsje week verschrikt een paar passen achteruit. „O, mammi, allemaal +rood op Bobbies zakdoek!” +</p> +<p>„Kom maar gauw hier, mijn kereltje”, zei ma. „Hans en Bob zullen wel gauw weer beter +zijn.” +<span class="pageNum" id="xd32e775">[<a href="#xd32e775">53</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch04" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch04.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="label">Vierde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">De appelbollenpartij.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">„Een brief, een brief!” Met deze woorden kwam Door eenige uren later de kamer binnenstormen. +</p> +<p>„Voor wie?” klonk het als uit één mond en Nel strekte haar hand al verlangend uit. +</p> +<p>„Mis, juffertje. Hij is voor Bobbie en Hansje.” +</p> +<p>„Een brief, o Bobbie, zeker van maatje.” +</p> +<p>„Of van vader, want paatje heeft ons er eentje beloofd.” +</p> +<p>Door moest den brief laten kijken. +</p> +<p>„Ook een postzegel er op?” +</p> +<p>„Ja, ’t is geen kleinigheid,” lachte Nel, de verrukte gezichtjes ziende. +</p> +<p>„Zal ik hem voorlezen?” vroeg Door. +</p> +<p>„Begin maar gauw,” riep Hans. +</p> +<p>„Ook wat er buiten opstaat,” vond Bob. +<span class="pageNum" id="xd32e793">[<a href="#xd32e793">54</a>]</span></p> +<p>„Aan Hans en Bob, gelogeerd bij hun oom, mijnheer Van Brakel te Westerkerke. +</p> +<p>„Lieve kaboutertjes. De kusjes heb ik gegeven.” +</p> +<p>„Van Paatje,” zei Bob. +</p> +<p>„Ma,” las Door, „op elken wang een. Bruno’s snuit heb ik in mijn hand genomen en Miekies +zacht pootje even gedrukt. Jelui weet niet, hoe stil ma, Bruno, Miekie en ik het vinden, +nu onze kaboutertjes er niet zijn. Bruno zat gisterenmorgen voor jullie slaapkamertje +geduldig te wachten. Ma en ik lieten hem stil begaan. Wij wilden eens zien, wat hij +zou doen. Na een tijd rustig gewacht te hebben, begon hij zacht te janken. O, het +klonk zoo bedroefd en steeds keek hij naar de kruk van de deur. Daarop begon hij te +blaffen en zoowaar aan de deur te krabben. Toen riep ik hem. „Die ondeugende kaboutertjes! +Willen ze de deur niet open doen?” zei ik. Bruun kwispelstaartte uit alle macht, liep +van de slaapkamer naar mij en van mij naar de slaapkamer, en keek mij met zijn trouwe, +bruine oogen zóó smeekend aan, alsof hij zeggen wilde: doe nu toch die nare deur open, +ik kan toch niet door ’t sleutelgat. „Kom dan maar,” zei ik, en toen was Bruun niet +te houden, hij sprong tegen <span class="pageNum" id="xd32e799">[<a href="#xd32e799">55</a>]</span>mij op, likte mijn handen en blafte, dat hooren en zien je verging. Met een vaart +rende hij de slaapkamer in, maar bleef op eens verbaasd staan, toen hij die leeg vond. +Alles werd besnuffeld, hij begreep er niets van. Zijn mooie pluimstaart, die even +te voren nog zoo vroolijk wapperde, hing nu sluik neer. „Arme hond, zijn ze weg?” +zei ik. Nog eens liep hij de kamer rond, snuffelde onder ’t bed en liep toen langzaam +naar de huiskamer. +</p> +<p>Ma troostte hem met een stukje hondekaak en een hompje kaas. Na ’t ontbijt zijn ma +en ik een flinke wandeling met Bruno gaan doen. +</p> +<p>Ma wilde Miekie, geloof ik, ook wel mee hebben, omdat ze het zoo stil vond zonder +haar ventjes, maar dat ging natuurlijk niet. Toen we den hoek van de straat omsloegen, +kwamen we Pollo tegen. Dat was een vroolijke ontmoeting tusschen Bruun en hem. ’t +Was, alsof ze elkaar in jaren niet gezien hadden. Daarna liepen ze een tijdje rustig +naast elkaar. Het scheen wel, dat Bruno vertelde, dat jullie weg waart en ik denk, +dat Pollo hem zoo goed mogelijk getroost heeft, tenminste even later renden ze uitgelaten +over ’t weiland. De schapen, die daar liepen, wisten zich van angst niet te bergen. +<span class="pageNum" id="xd32e804">[<a href="#xd32e804">56</a>]</span>Een klein lammetje drukte zich stijf tegen zijn moedertje aan en blaatte zoo innig +bedroefd. Daar vloog Pollo over een sloot, Bruun hem achterna. En toen, o mijn kaboutertjes, +als jullie dat gezien hadt! Pol stond aan den kant van de sloot juist eventjes uit +te blazen, met de tong uit zijn bek, want geloof maar, dat hij moe was, toen een dikke +kikker, zeker door Bruno opgejaagd, boven op Pollo’s tong sprong. Ma en ik wisten +werkelijk niet, wat er gebeurde, zoo’n spektakel maakte Pollo op eens. +</p> +<p>Hij rolde zich om en om op ’t gras, de vier pooten in de hoogte, en het had niet veel +gescheeld, of hij was in de sloot gevallen. Nu, zoo’n bad was misschien wel goed geweest +voor den schrik.” +</p> +<p>„O, die kikker,” schaterde Dolf. „Hij zag Pollo’s tong voor een rozeblaadje aan.” +</p> +<p>„Ja, of voor een vischje,” lachte Nel. +</p> +<p>„O, eenig, eenig!” proestte Door. „Maar stil, laat mij nu verder lezen.” +</p> +<p>„Na dit kikker-avontuur waren onze wandelgenootjes kalm en gehoorzaam. +</p> +<p>En hoe Miekie het maakt? Ik geloof, dat ze vast van plan is jullie een briefje te +schrijven en ze mij de kunst nu wil afzien. Viermaal heb ik haar al <span class="pageNum" id="xd32e814">[<a href="#xd32e814">57</a>]</span>van dit velletje postpapier afgezet, maar telkens komt zij weer terug, zoodat ik haar +nu maar laat zitten. ’t Is een klein, nieuwsgierig poesje en jullie weet, als Mieke +eenmaal een plannetje heeft, dan laat zij dit niet varen. +</p> +<p>Op dit oogenblik loert ze op mijn penhouder. Steeds gaat haar kopje van links naar +rechts. O wee! een letter met drie krullen, dat is Miekies schuld: die wilde met haar +pootje den penhouder grijpen. ’t Is maar goed, dat mijn praatje uit is. Het zal mij +eens benieuwen, wanneer zij jullie gaat schrijven, maar dan ga ik er ook bij zitten, +dat weet ik wel, die deugniet!” +</p> +<p>„Dan gaat oom zeker ook op het postpapier zitten,” lachte Dolf. +</p> +<p>„Heel veel kusjes van moes, van Bruno een poot, van Mieke een hoogen rug en duizend +kusjes van paatje. +</p> +<p>Hoe hebben de appelbollen gesmaakt? En vraag aan Leni, of de dwergjes nog bedroefd +zijn. Vooral de groeten aan oom, tante en alle kindertjes.” +</p> +<p>„Is hij nu uit?” vroeg Bob. +</p> +<p>„Ja, is het geen onmogelijk lange brief?” +</p> +<p>Door moest den brief nòg eens en nòg eens <span class="pageNum" id="xd32e824">[<a href="#xd32e824">58</a>]</span>voorlezen, vonden Leni, Bob en Hansje. Op ’t laatst kenden ze hem bijna van buiten. +</p> +<p>„Boven aan het blaadje staat het verhaal van den kikker, hè Door?” vroeg Hans. +</p> +<p>„En dáár onder-aan dat van Mieke?” +</p> +<p>„Mammi, waar is de kikker nu?” vroeg Fritsje. +</p> +<p>„Ik denk, dat hij nu weer vroolijk door het water springt of over ’t land. Och, och, +wat zal dat arme kikkertje geschrikt zijn, toen het zag, dat het verdwaald was.” +</p> +<p>„En hoe verdwaald!” lachte Dolf. +</p> +<p>„’t Was maar goed, dat Pol geen ooievaar was, want die had het kikkertje stellig opgepeuzeld.” +</p> +<p>„Brr!” Fritsje schudde zijn krullebol. „Ik vind kikkers niet lekker, Mammi wèl?” +</p> +<p>„Neen hoor, ik eet liever appelbollen.” +</p> +<p>„En ik, en ik,” riepen Leni en de anderen. +</p> +<p>„Hoera! Vanavond appelbollenpartij!” +</p> +<p>„En hoe is ’t nu met de patiëntjes? Zouden jullie vanavond wel trek hebben in een +appelbol?” vroeg mevrouw Van Brakel. +</p> +<p>„Mijn voetje doet bijna niet meer zeer, heusch niet.” +</p> +<p>„En mijn neus, kijk, er komt geen droppel meer uit.” +</p> +<p>„Dat dacht ik wel,” zei Door. „Brieven zijn zoo <span class="pageNum" id="xd32e843">[<a href="#xd32e843">59</a>]</span>goed voor verstuikte voeten en bloedende neuzen.” +</p> +<p>„Ja, en vooral zulke lange,” lachte Nel. +</p> +<p>„Ramplamplan, daar komen wij an. We hebben geen schoenen of kousen meer an,” kwam +Dolf dien avond de kamer instappen, een groot bord met appelbollen op zijn hoofd balanceerende. +</p> +<p>„O, jongen, denk om het porseleinen bord,” riep mevrouw Van Brakel. +</p> +<p>„En om onze heerlijke appelbollen,” lachte pa. „Als ze over den grond rollen, wil +niemand ze meer hebben.” +</p> +<p>„Ik wel, ik wel,” riepen Leni, Hans en Bob. +</p> +<p>„Dan zal ik ze maar gauw neerzetten,” zei Dolf, „want als jelui in dat geval alle +appelbollen samen op ging peuzelen, dan hadden we morgen drie zieke kinderen, en dat +zou wel zonde en jammer zijn van de heerlijke vacantie.” +</p> +<p>„Hoera voor de vacantie!” riep Nel en stak een oogenblik later een appelbol op haar +vork in de hoogte. +</p> +<p>„Hoera voor oom Karel!” juichte Door en deed hetzelfde. +</p> +<p>„’t Lijkt wel, dat er wijn in de appelbollen zit, <span class="pageNum" id="xd32e855">[<a href="#xd32e855">60</a>]</span>zoo opgewonden worden jullie,” zei vader. „Ma, geef me nog maar eentje: die dingetjes +smaken uitstekend.” +</p> +<p>„Ja, ze zijn onmogelijk lekker,” beaamde Dora. Hans, Bob en Leni hadden het veel te +druk met hun bol om iets te zeggen. +</p> +<p>„Komt, kinderen, het klokje van gehoorzaamheid heeft geslagen,” zei moeder, en een +half uur later: „Fritsje ligt al lang in bed.” +</p> +<p>„Fritsje is ook nog zoo klein,” zei Hans. Hij vond het zeker wel wat kinderachtig, +bij Fritsje vergeleken te worden. +</p> +<p>„Ja zeker,” lachte ma, „maar ik geloof tòch, dat het zandmannetje al even bij Hansje +Pansje op bezoek is geweest.” +</p> +<p>Een oogenblik later werden Leni en de tweelingen door Nel en Door naar bed gebracht. +</p> +<p>„Kijk eens even, of het kussen ook tegen mijn ooren aankomt,” zei Bobbie tot Door, +die hem had uitgekleed. +</p> +<p>„Tegen je ooren?” vroeg Door verwonderd. +</p> +<p>„Ja, kun je ze goed zien?” +</p> +<p>„Niet zoo heel goed,” lachte ze, „ze spelen zoo’n beetje verstoppertje, dunkt me.” +<span class="pageNum" id="xd32e868">[<a href="#xd32e868">61</a>]</span></p> +<p>„Zou ik den haan zoo dan niet kunnen hooren?” +</p> +<p>Toen barstte Door in lachen uit. „O, wacht maar eens,” en ze drukte het kussen flink +plat, zoodat heel Bobs bolletje als een kaatsbal boven op het kussen kwam te liggen. +„Nu maar goed luisteren morgen vroeg. Wel te rusten, kindertjes.” +</p> +<p>„Toe, Nel, ben je nu nog niet klaar?” bromde ze. „Je bent een echte treuzel.” +</p> +<p>„Ik moet nog even Hansjes pakje opvouwen.” +</p> +<p>„Wat valt er nu aan zoo’n jongenspak op te vouwen? Ik heb Bobbies kleeren.…” +</p> +<p>„Ja, hoe jij Bobbies kleeren opbergt, daar weet ik alles van: Hij heeft gisteren den +geheelen dag met één kouseband geloopen. Waar die andere nu weer is, begrijp ik niet.” +</p> +<p>„O, ja, éénig,” gierde Dora. „Verbeeld je, Bob had er twee aan zijn rechterbeen. Of +ik zijn spulletjes ook goed opberg, hè?” +</p> +<p>Nu moest Nel toch ook lachen en gearmd gingen beiden naar beneden naar de huiskamer. +</p> +<p>„Alweer een dagje om, ma,” zei Nel, toen ze dien avond met Door naar bed ging. +</p> +<p>„Ja, ja, vrouwtje, maar er komen er nog veel, moet je maar denken.” +<span class="pageNum" id="xd32e881">[<a href="#xd32e881">62</a>]</span></p> +<p>„En als dan het zonnetje van binnen en van buiten schijnt, dan zingen we,” zei vader +lachend: „’t Is vacantie, ’t blijft vacantie.…” +</p> +<p>„Hoera, vacantie boven!” vielen Door en Nel in. +</p> +<p>„Nacht vader, nacht moes!” En zingende gingen, ze naar boven. +<span class="pageNum" id="xd32e886">[<a href="#xd32e886">63</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch05" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch05.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="label">Vijfde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">De verdwaalde dwergjes.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">„Er zijn dieven,” fluisterde Nel aan Doors oor, want hard praten durfde ze niet. +</p> +<p>Door, nu op eens wakker, zat kaarsrecht in bed. +</p> +<p>„Hoor je ’t?” fluisterde Nel. +</p> +<p>Door knikte. De angst benam haar bijna den adem. +</p> +<p>„Zullen we vader en moeder roepen?” fluisterde Nel weer. +</p> +<p>„’k Durf niet,” kwam bijna onhoorbaar uit Doors mond. +</p> +<p>„Ik ook niet,” klonk het wanhopig naast haar. +</p> +<p>„Luister eens. ’t Is precies, of ze met sleutels rammelen,” zei ze en kneep Door van +angst in den arm. +</p> +<p>„Ik durf onmogelijk opstaan,” kermde Door. „Mijn <span class="pageNum" id="xd32e901">[<a href="#xd32e901">64</a>]</span>mooien armband heb ik gisteren op tafel laten liggen; dien nemen ze natuurlijk mee +en Fritsjes zilveren kroesje en de lepels en vorken! O, ’t is vreeselijk,” zuchtte +ze. „En mijn ringetje ligt, geloof ik, op den inktpot. Sst, wat zijn ze nu stil. Misschien +steken ze het wel aan een van hun vingers.” +</p> +<p>„Het zal hun toch wel niet passen,” zei Nel geruststellend. +</p> +<p>„Om de pink wel,” snikte Door. +</p> +<p>„’t Is precies, of ze hierheen komen,” fluisterde Nel en kroop stijf tegen Door aan. +</p> +<p>„Maak toch zoo’n leven niet.” +</p> +<p>„Konden we maar dood liggen, zooals Foxje.” +</p> +<p>Weer was ’t even stil in de voorkamer. +</p> +<p>„Ik probeer ’t,” zei Nel kordaat. +</p> +<p>„Wat?” +</p> +<p>„Ik houd het hier niet langer uit.” +</p> +<p>„Nel, hoe durf je! Ik laat je niet alleen gaan,” zei Door, toch alles behalve moedig. +</p> +<p>Heel voorzichtig, met ingehouden adem, liet Nel zich uit ’t bed glijden. Door volgde +klappertandend.… +</p> +<p>„De deur staat op een kiertje,” fluisterde Door. +</p> +<p>Als twee angstige vogeltjes tegen elkaar aangedrukt, <span class="pageNum" id="xd32e919">[<a href="#xd32e919">65</a>]</span>stonden Nel en Door in de gang en trachtten door de deuropening te kijken. +</p> +<p>„Zie je iemand?” fluisterde Door tot Nel, die vooraan stond. +</p> +<p>„Niemand.” +</p> +<p>„Ze zullen onder de canapé gekropen zijn.” +</p> +<p>„Ik ga eens kijken,” zei Nel moedig. +</p> +<p>„Ik zie niemand,” zei ze, op haar buik liggende. +</p> +<p>„Kijk eens op ’t inktstel naar mijn ringetje.” +</p> +<p>„’t Ligt er nog” zei Nel, steeds moediger de kamer rondkijkende. +</p> +<p>„Ligt het er nòg?” Door was een en al verbazing. „Hoe is ’t mogelijk; dieven zijn +anders dol op goud.” +</p> +<p>„Misschien zijn ze boven op de kast gekropen,” begon Door weer, nu half in de kamer +staande. +</p> +<p>„Op de kast?” vroeg Nel ongeloovig, terwijl ze voorzichtig het tafelkleed oplichtte. +</p> +<p>„Ja zeker, op de kast. Als iets weg is, kan het overal zijn, zegt ma altijd.” +</p> +<p>„Je denkt zeker aan je haarlintje of je handschoenen, die ook altijd zoek zijn. St.—hoor +je dat?” Nel stond stijf van schrik. +</p> +<p>Door keek haar met groote oogen aan en durfde geen voet verzetten. +<span class="pageNum" id="xd32e936">[<a href="#xd32e936">66</a>]</span></p> +<p>„Daar hoor ik ’t weer,” zei Nel, nog steeds op dezelfde plaats staande. „Maar—maar—ik +geloof—dat—ja nu hoor—ik—het—duidelijk,” riep ze opgewonden.… +</p> +<p>„’t Is … een vogel!” +</p> +<p>„Een vogel?” Door wist niet, wat ze hoorde. „Een vogel?” herhaalde ze hoogst verwonderd +en stond eensklaps midden in de kamer, naar alle kanten kijkende en luisterende. „Ja, +je hebt gelijk, nu hoor ik het ook en heel duidelijk zelfs.” +</p> +<p>„Hij zit stellig in den schoorsteen.” +</p> +<p>„Neen, dat geloof ik niet, hij zit in de kachel. Die stumper kan zijn pret ook wel +op.” +</p> +<p>„Ja, werkelijk, arm dier,” zei Nel. +</p> +<p>„Wat wil je doen?” voeg Door, toen Nel naar het raam liep. +</p> +<p>„Het raam open schuiven; dan kan hij dadelijk naar buiten vliegen. Het zal wel een +verdwaalde kraai of spreeuw zijn.” +</p> +<p>„Uitstekend,” vond Door. „Nu zal ik het kacheldeurtje open zetten, let op, een, twee, +drie—rustverstoorder.” +</p> +<p>Werkelijk vloog een jonge spreeuw er uit, keek even met zijn aardige glinsteroogjes +verbaasd <span class="pageNum" id="xd32e949">[<a href="#xd32e949">67</a>]</span>rond, zag het open raam—en was verdwenen. +</p> +<p>„Kom eens gauw kijken, daar zit hij, daar zit hij,” riep Nel opgetogen. „Zie hij ’t +eens druk hebben en de veertjes glad strijken, zoo’n ijdeltuitje.—Dag plaaggeest!” +</p> +<p>„Wat een geluk, dat het zomer is en er geen vuile stukken cokes en asch in de kachel +liggen. Wat draait hij met zijn kopje; het heeft er veel van, dat hij zijn avontuur +in geuren en kleuren aan die twee dikke spreeuwen naast hem zit te vertellen.” +</p> +<p>„Dan zullen die twee ouwetjes wel hun kopjes schudden, als ze hooren, hoe hij ons +heeft beet gehad,” lachte Door. +</p> +<p>„En jouw netheid zal nog van de daken der huizen verkondigd worden,” zei Nel. +</p> +<p>„Maar kom, ons diefje heeft zijn vrijheid terug; ik kruip nu nog lekker een paar uurtjes +in bed.” +</p> +<p>„En ik,” zei Nel geeuwend. „Brr, wat een nacht.” +</p> +<p>Na een kwartiertje waren beide heldinnetjes in zoete rust. +</p> +<p>Aan het ontbijt vertelden Door en Nel met veel ophef, wat ze vroeg in den morgen hadden +ondervonden en werden braaf uitgelachen. Leni en de tweelingen zaten met open mond +te luisteren en <span class="pageNum" id="xd32e960">[<a href="#xd32e960">68</a>]</span>moesten natuurlijk de kachel van alle kanten bekijken, alsof daar heel wat bijzonders +aan te zien was. En Nel en Door moesten den boom wijzen, waarin de spreeuw gezeten +had. Het drietal raakte niet uitgevraagd. +</p> +<p>„St, zacht loopen,” zei Leni dien middag, terwijl ze met de tweelingen naar den zolder +ging. „Kijk, in den koffer zijn de kleeren, geloof ik. Jullie moet mij eventjes helpen +met de doozen, ze zijn zoo zwaar.” Met veel moeite gelukte het hun, met hun drietjes +de doos op te lichten. +</p> +<p>„O, Bob,” juichte Hans, toen Leni het deksel van den koffer had opgetild. „Kijk eens, +een rood mutsje en een grijs. En wat is dat?” vroeg hij, een met zilverpapier beplakte +kroon in de hand houdende. +</p> +<p>„Dat is de kroon, die Nel op gehad heeft, toen ze voor Asschepoes heeft gespeeld,” +legde Leni uit. „Maar voorzichtig, jelui moet er nu niet alles uit halen. Ik zal eerst +eens kijken, waar de pakjes van de dwergjes zijn.” +</p> +<p>„O, Leni, worden wij dwergjes?” Hans klapte in de handen van pleizier. +</p> +<p>„Daar heb ik al een pakje; hoe vinden jullie dat?” +<span class="pageNum" id="xd32e969">[<a href="#xd32e969">69</a>]</span></p> +<p>„Is dat voor mij?” +</p> +<p>„Ja, trek je schoenen maar uit, of neen, het pijpje is nogal wijd. Ga maar op deze +kist zitten, dan zal ik je wel even helpen.” +</p> +<p>„Zou het niet te groot zijn?” vroeg Hans. +</p> +<p>„Een beetje misschien wel, maar dat is niets. Zulke pakjes zitten altijd nogal ruim,” +voegde zij er vertroostend aan toe. +</p> +<p>„Wat mag ik aan hebben?” vroeg Bob, die, met de zilveren kroon van Asschepoes op zijn +aardigen krullebol en een papieren sabel om, verlangend in den koffer keek. +</p> +<p>„Jij krijgt dat grijze pakje aan; tweelingen moeten toch gelijk gekleed zijn.” +</p> +<p>„O ja dan zal ik mijn sabel zeker maar afdoen.” +</p> +<p>„Ja,” zei Leni, druk bezig Hansje een rood puntmutsje op te zetten. „Klaar! Nu, wat +zeg je er van? Is ’t niet leuk?” Hans knikte lachend. „Wacht, je moet nog den leeren +riem om hebben, die zal ook wel in den koffer zijn. Hoera, daar is hij al! Jammer, +dat hier geen spiegel is, dan kon je je zelf eens bekijken.” +</p> +<p>„Hebben dwergjes dan spiegels?” +</p> +<p>„O, neen, ’t is eigenlijk veel beter, dat er hier geen is, want dwergjes bezitten +die niet.” +<span class="pageNum" id="xd32e982">[<a href="#xd32e982">70</a>]</span></p> +<p>„Stil, wat is dat? Daar is iemand aan de deur, geloof ik,” zei Leni verschrikt. „Gauw, +Hans, kruip achter dezen koffer. Bob, verstop je gauw.” Voorzichtig deed Leni de deur +open en verrast bleef ze staan, toen Julia zacht miauwend met hoogen rug langs haar +streek en in twee sprongen op een koffer stond. +</p> +<p>„O, jou klein, nieuwsgierig poesekopje, om mij zoo verschrikt te maken! Kom maar weer +uit je schuilhoekje, jongens. ’t Is Julia en die verklapt ons niet.” +</p> +<p>„Help je mij even? Ik kan niet in de tweede pijp komen.” +</p> +<p>„Een, twee, drie, hopsa,” zei Leni. „Past het niet mooi? Wacht, hier is het een beetje +te wijd, maar dat is niets, daar komt de ceintuur over heen. Nu je puntmuts nog. Prachtig!” +riep ze opgetogen. „Wat zullen allen kijken, als jullie beneden komt. Ga beiden nu +maar op deze kist zitten, dan zal ik mij ook verkleeden. Oef, wat is ’t hier warm. +Ik zal het raam open zetten.” +</p> +<p>„Word jij ook een dwergje?” vroeg Bob. +</p> +<p>„Drie dwergjes,” lachte Hans. +</p> +<p>„Maar dat kan toch niet, want dan ben jij een groote dwerg en dwergjes zijn altijd +klein.” +<span class="pageNum" id="xd32e991">[<a href="#xd32e991">71</a>]</span></p> +<p>„Zijn er geen groote dwergen?” vroeg Hans. +</p> +<p>„Zijn er nooit pa-dwergjes?” +</p> +<p>„Jawel,” zei Leni; „want dwergen dragen immers baarden. O ja, dat is waar ook, jullie +moet ook nog de baarden om hebben.” +</p> +<p>En half uitgekleed, zocht ze weer in den koffer. „Ik kan ze nergens vinden, dat is +jammer, maar zoo zijn jullie toch ook mooi.” +</p> +<p>Dat vonden Hans en Bob ook. +</p> +<p>„Ik wordt sneeuwwitje,” zei ze. +</p> +<p>„Als deze koffer van glas was,” zei Hans, „dan moest jij daarin gaan liggen en konden +wij je dragen.” +</p> +<p>Leni lachte. +</p> +<p>„St! daar roept ma mij, geloof ik. Hoe jammer!” Haastig trok ze haar jurk weer aan. +</p> +<p>„Stil blijven zitten, hoor! Ik kom <span class="corr" id="xd32e1004" title="Bron: ganw">gauw</span> terug.” +</p> +<p>’t Was een grappig gezicht, die twee aardige ventjes met hunne roode puntmutsjes op +de kist te zien zitten tusschen allerlei koffers, doozen, manden enz. +</p> +<p>„O wee, kijk Julia eens,” zei Hans even later. „Zij wil, geloof ik, op het dak gaan +en dat mag niet. Juul, Juul, Juul!” riep hij, zoo hard hij kon. +</p> +<p>„Misschien is zij bang voor ons, omdat we nu op dwergjes lijken.” +<span class="pageNum" id="xd32e1012">[<a href="#xd32e1012">72</a>]</span></p> +<p>„Als ze op het dak komt, gaat ze vogeltjes vangen,” zei Hans wanhopig. +</p> +<p>Weer riepen beide kinderen zoo hard ze konden, maar poes stoorde zich er in ’t geheel +niet aan en stapte kalm het raam uit. +</p> +<p>Bob en Hans vergaten heelemaal wat Leni gezegd had. Beiden liepen naar het raam om +te kijken, waar poes gebleven was. +</p> +<p>„Zie je haar?” vroeg Bob aan Hans, die ’t meest vooraan stond. +</p> +<p>„Ja, ze loopt in de goot.” +</p> +<p>„Och, die arme vogeltjes. Als poes ze ziet, eet zij ze op.” +</p> +<p>„Wat zou ze doen, ze zit zoo stil als een muisje.” +</p> +<p>„O Bobbie, misschien ziet ze al een vogeltje. Ik ga haar in den staart knijpen. Jaap +heeft mij verteld, dat, als je een poes, die loert, in den staart knijpt, ze het vogeltje +of muisje niet kan krijgen.” +</p> +<p>„Laten we dan dadelijk gaan. Ze zit nog steeds op hetzelfde plaatsje.” +</p> +<p>Beiden stapten toen voorzichtig in de goot. Bob vooraan, voetje voor voetje, gingen +ze op poes af. +</p> +<p>Julia bemerkte eerst niets, maar toen Hans en Bob op ongeveer vier passen genaderd +waren, scheen <span class="pageNum" id="xd32e1026">[<a href="#xd32e1026">73</a>]</span>ze onraad te bespeuren, tenminste ze verliet haar plaatsje en liep verder. +</p> +<p>„O, Hans, als wij haar nu maar kunnen krijgen,” zei Bob half schreiend. „Stil, daar +zit ze weer, misschien heeft ze ons nog niet gezien. Niet praten,” zei hij, toen Bob +weer iets wilde zeggen. +</p> +<p>Ondertusschen was Leni weer op den zolder terug gekomen. Ze keek vreemd op, toen ze +de tweelingen niet op de kist zag zitten. +</p> +<p>„Jullie deugnieten, heb je je verstopt?” zei ze lachend. „Ik zal je wel vinden.” Vroolijk +zingend ging ze zoeken. „Hans, Bob!” riep ze eenige keeren, toen zij ze niet vond. +</p> +<p>„Misschien zijn ze in slaap gevallen,” dacht ze toen. „Maar dan moeten ze hier toch +zijn. Wat is dat? Julia ook weg? O wee, het raam! Zou Julia op het dak zijn gegaan?” +Op eens kreeg ze een vreeselijken schrik. „Als-als-de tweelingen.…” +</p> +<p>Leni holde naar beneden. „Ma—vader—Bob en Hansje zijn nergens te vinden en Julia is +op het dak.” +</p> +<p>„Kom, kom, kleine meid,” zei pa, „Julia zal wel gauw terugkomen; ze vond het zeker +frisscher op het dak dan op den zolder. Ze zal zoo gauw geen ongeluk krijgen.” +<span class="pageNum" id="xd32e1035">[<a href="#xd32e1035">74</a>]</span></p> +<p>„Och ja, maar … paatje, Hans en Bob zijn er ook niet.” +</p> +<p>„Hans en Bob zijn toch geen poesjes, die zijn toch niet op het dak geklauterd? Kom, +kom, vrouwtje, maak je toch zoo angstig niet. De bengels zullen zich zeker verstopt +hebben.” +</p> +<p>„Ik heb ze overal gezocht,” zei Leni, nu wel een beetje gerustgesteld. +</p> +<p>Ze gingen zoeken boven. Maar toen niemand ze vond, maakte een vreeselijke angst zich +van hen meester. Er was geen twijfel meer aan. Bob en Hans waren op het dak geklommen +en naar beneden gevallen. Allen zagen lijkwit. Plotseling werd er hevig gebeld en +stonden ze stijf van schrik. Ieder verwachtte nu te hooren, wat ze zoo zeer vreesden. +Kee kwam naar boven hollen en vloog vader bijna omver, die juist naar beneden wilde. +„Ze—ze—” stotterde ze,—„ze—zitten—dáár,” en Kee wees met den vinger,—„dáár gunder—op +het—dak.—De slagersjongen kwam—het mij—zeggen”—hijgde ze,—„och, die wurmen, die wurmen! +Het—staat—daar vol menschen, de politie—is er ook, och hemeltje—och, och! Enne, die +kan—niet bij ze—komen, omdat de <span class="pageNum" id="xd32e1042">[<a href="#xd32e1042">75</a>]</span>menschen—die—daar wonen—uit—de stad zijn. Die stakkers! Wat ze—aan hebben, weet ik +niet, maar—ze zien er heel gek—uit—zegt de slager.” +</p> +<p>Allen holden naar beneden. Mevrouw Van Brakel kon van schrik bijna geen voet verzetten. +</p> +<p>Ja waarlijk, een huis of zes verder zaten boven op het dak, als twee parkietjes, Hans +en Bobbie. +</p> +<p>Intusschen had de politie van de buren den sleutel gehaald en was een agent naar boven +geklommen. Een algemeene kreet van blijdschap ging op uit de volksmenigte, toen ze +den agent op het dak zagen. En een oorverdoovend hoera brak los, toen hij met Hans, +en mijnheer Van Brakel, die den agent gevolgd was, met Bob weer uit het huis kwamen. +Mevrouw Van Brakel schreide en lachte te gelijk en geen van hen wist van blijdschap +wat te doen. +</p> +<p>„Kindertjes, kindertjes,” zei mevrouw Van Brakel, toen men een beetje van den schrik +bekomen was, „hoe kwamen jullie er toch toe?” +</p> +<p>„Heeft ze een vogeltje gepakt, tante?” vroeg Hans. +</p> +<p>„Een vogeltje gepakt? Wie wilde een vogeltje pakken?” +<span class="pageNum" id="xd32e1051">[<a href="#xd32e1051">76</a>]</span></p> +<p>„Julia,” zei Bob, en toen vertelde hij alles. „lederen keer, als ik haar staart wilde +grijpen, liep zij verder en op ’t laatst zagen wij Julia nergens meer.” +</p> +<p>„En waarom liepen jullie toen niet terug?” vroeg Nel. +</p> +<p>„Wij durfden ons niet omdraaien. Wij wisten <span class="corr" id="xd32e1056" title="Bron: eok">ook</span> heelemaal niet, hoe ver we geloopen waren.” En op eens barstte Hans in een zenuwachtig +schreien uit. +</p> +<p>„O, we waren toch zoo bang.” +</p> +<p>„Jullie kleine, domme kereltjes,” zei mijnheer Van Brakel troostend. „Wisten jullie +nu nog niet, dat dwergjes op den grond hooren en niet op het dak?” +</p> +<p>„O, daar heb je de schuldige,” zei Door, toen poes de kamer binnen kwam. „Poesje, +poesje, je hebt wat op je geweten. Wat heb jij ons een onmogelijken angst bezorgd.” +</p> +<p>„Ja, gelukkig, dat dit alles nu weer voorbij is,” zei mevrouw Van Brakel. +</p> +<p>„Ter eere van den goeden afloop mag Fritsje een balletje aan onze dwergjes presenteeren +en de andere kinderen mogen mee snoepen.” +<span class="pageNum" id="xd32e1066">[<a href="#xd32e1066">77</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch06" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch06.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="label">Zesde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Een dagje buiten.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">„Kinderen,” zei mijnheer Van Brakel eenige dagen later, „nu heb ik een mooi plan. +’t Is zulk prachtig weer, wat denken jullie er van, als we eens een groote wandeling +gingen maken?” +</p> +<p>„Heerlijk, leuk!” klonk het van alle kanten. +</p> +<p>„Nu, over een uurtje verwacht ik, dat alles klaar zal zijn, hoor.” +</p> +<p>„Meisjes, jullie moet mij dan maar flink helpen. Want er moeten heel wat boterhammen +gesmeerd worden,” zei moeder. „Dolf, jongen, maak jij de sportkar eens keurig schoon, +want voor Fritsje moeten wij die wel meenemen en Bob en Hans zullen ook wel eens willen +rijden.” +</p> +<p>Ma en Door gingen de boterhammen smeren. Leni bracht papier aan, de tweelingen zorgden +<span class="pageNum" id="xd32e1077">[<a href="#xd32e1077">78</a>]</span>voor de touwtjes, Nel pakte alles in en Fritsje bracht ze naar de sportkar. +</p> +<p>„Hoe staat het er mee?” vroeg vader, op zijn horloge ziende. „Het wordt tijd.” +</p> +<p>„We zijn klaar, vader,” zei Nel. +</p> +<p>„Mooi zoo, dan maar opgemarcheerd, marsch.” +</p> +<p>„Mag Foxje mee?” +</p> +<p>„Zeker.” +</p> +<p>Toen Fox zijn naam hoorde noemen, was hij uitgelaten van blijdschap. Als een pijl +uit den boog vloog hij vooruit, rende weer terug, sprong dan tegen dezen, dan tegen +dien op en was zoo dol, dat het niet veel gescheeld had, of hij had Fritsje in zijn +blijdschap omgegooid. +</p> +<p>„Koest, Fox, koest, we weten wel, dat je blij bent,” zei Dolf, „maar als je zoo begint +te rennen, hou je het nooit uit.” +</p> +<p>„Wat is het toch heerlijk buiten,” zei moeder. +</p> +<p>„Mij dunkt, we gaan de hei over en dan straks bij vrouw Pruim een glaasje melk drinken.” +</p> +<p>„O, ja,” zei Leni, „misschien heeft ze wel weer een ziek geitje, zooals den vorigen +keer.” +</p> +<p>Vader begon hartelijk te lachen. +</p> +<p>„Je wenscht vrouw Pruim ook niet veel goeds toe, kleine meid.” +<span class="pageNum" id="xd32e1093">[<a href="#xd32e1093">79</a>]</span></p> +<p>Leni lachte verlegen. „Och ja, vader, maar u wéét ook niet, hoe goed vrouw Pruim haar +ziek geitje oppaste.” +</p> +<p>„Dan moeten wij eens gauw gaan kijken, maar als jelui mij vraagt, dan zie ik liever +een gezond dan een ziek geitje.” +</p> +<p>„Leni vindt zieke dieren altijd veel aardiger,” zei Nel plagend, „omdat ze die dan +flink verwennen en vertroetelen kan. Was ik nu maar een zieke kikvorsch of een half +doode spreeuw,” zei ze grappig wanhopig, „wat zou mijn zusje mij dan allerlei lekkere +hapjes brengen.” +</p> +<p>„Ja, ja, je bent me een stumperd,” lachte Dolf, „en zoolang je nog zoo’n verbazende +massa boterhammen verslindt, vrees ik, dat er vooreerst van jou geen sprake zal zijn.” +</p> +<p>„En tot kikker zul je ’t zeker wel nooit brengen,” zei Door, „want in plaats van in +het water te springen, bleef jij ’t liefst aan den kant staan.” +</p> +<p>„En jij niet tot spreeuw,” plaagde Nel terug, „want aan vroeg opstaan heb jij een +broertje dood.” +</p> +<p>„Daar zal ik ook altijd voor oppassen, als ik al eens spreeuw mocht worden; want vogeltjes, +die te vroeg zingen, zijn immers voor de poes?” +<span class="pageNum" id="xd32e1103">[<a href="#xd32e1103">80</a>]</span></p> +<p>„En nu stel ik voor,” zei vader, „dat wij hier eens een poosje aan den kant van den +weg gaan zitten. We hebben al een heele wandeling achter den rug en ’t wordt warm +vandaag.” +</p> +<p>„Hè ja,” vond Door, „eventjes uitblazen.” +</p> +<p>„Hoe is ’t met mijn kleine broekemannetje?” +</p> +<p>„Is het broertje ziek geweest en is dat broertje toen doodgegaan, Mammi?” vroeg Fritsje +met een bedroefd stemmetje. +</p> +<p>„Welk broertje toch, kleine man?” +</p> +<p>Allen keken naar Fritsje, want ’t was duidelijk, dat het schreien hem nader stond +dan ’t lachen. +</p> +<p>„O, ik begrijp het, ik begrijp het,” gierde Door. „Hij heeft gehoord, dat Nel tegen +mij zei, dat ik aan vroeg opstaan een broertje dood had.” +</p> +<p>Ze schaterden het uit. +</p> +<p>„Jou kleine, kleine krullebol,” zei Ma, en trok haar kereltje liefkoozend op den schoot. +</p> +<p>„Nel weet er niets van, hoor, er is geen broertje ziek geworden en ook geen dood gegaan. +Dolf, kom eens hier met de sportkar, de bron van alle goeds, en laten we dan allen +een eierkoek gaan eten op het heerlijke feit, dat Nel geen kikvorsch en Door geen +spreeuw is, en op het broertje, dat niet ziek <span class="pageNum" id="xd32e1116">[<a href="#xd32e1116">81</a>]</span>geworden is. Wat zit het hier toch heerlijk, ’k was werkelijk al een beetje moe,” +zei mevrouw Van Brakel. +</p> +<p>„Maar waar is Leni nu weer?” vervolgde ze. „Daar loopt ze warempel met Bob en Hans +ons al een heel eind vooruit. Dolf, roep die drie voortvluchtigen eens terug. Ze moeten +wat rusten, anders worden ze veel te moe.” +</p> +<p>„O, daar komen ze al.” +</p> +<p>„O, paatje, u weet niet, wat beeldige kapelletjes wij gezien hebben!” zei Leni. „Hansje +had er bijna eentje gevangen.” +</p> +<p>„Jaap zegt, dat kapelletjes tooveren kunnen,” zei Bob. +</p> +<p>„Zoo, heeft Jaap dat verteld?” +</p> +<p>„Ja oom. ’t Kapelletje zegt: hocus, pocus pas, ’k wou dat ik een rups was.” +</p> +<p>„En wat zegt de rups?” lachte ma. +</p> +<p>„De rups? Hansje, zegt die ook wat?” vroeg Bob. Hans wist het niet. +</p> +<p>„Dan zegt die weer: hocus, pocus pas, ’k wou, dat ik weer een kappelletje was, en +dan wordt het een kapel. Is dat niet wonderlijk?” +</p> +<p>„Dat zal ik Jaap vertellen,” zei Bob. +<span class="pageNum" id="xd32e1130">[<a href="#xd32e1130">82</a>]</span></p> +<p>„Kijk Foxje eens,” zei Dolf, „òf hij ook moe is. Pas maar op je tong, zoo meteen springt +er een kikker op, net als op die van Pluto. Ik zou, als ik jou was, mijn rood lapje +maar gauw naar binnen halen. Hier, dit is beter dan zoo’n springertje,” en hij gaf +Fox een stuk van zijn koek. +</p> +<p>„Ik weet een mooi spelletje,” zei Leni, „zullen we bloemencorso spelen?” +</p> +<p>„Bloemencorso?” +</p> +<p>„Goed,” zei Door en sprong op, „er zijn hier zulke beeldige bloemen.” +</p> +<p>„Vader en moeder zijn ’t publiek,” stelde Dolf voor. +</p> +<p>„Ja,” zei Nel, „u moogt niet kijken, wij zullen wel waarschuwen, als alles klaar is.” +</p> +<p>„Dan zullen we ons maar in dezen greppel omdraaien; want om op zoo’n mooien dag met +je oogen dicht te zitten, is wel wat veel gevergd.” +</p> +<p>Door stelde voor de sportkar te versieren. Dolf sneed heide, terwijl de meisjes bloemen +gingen plukken, ’t Was niet zoo’n heel gemakkelijk werkje. Door en Nel geleken, toen +alles klaar was, wel een paar pioenen. +</p> +<p>„Nu den optocht opstellen,” zei Nel, terwijl zij nog bezig was aan een krans voor +Leni. +<span class="pageNum" id="xd32e1141">[<a href="#xd32e1141">83</a>]</span></p> +<p>„Eerst de sportkar met Bob er in. Leni, jij moogt hem rijden. Wat zeg je wel van dit +kransje?” +</p> +<p>„Door, laten wij van onze armen een stoeltje maken, dan kan Dolf Hansje Pansje daar +opzetten. Hij zelf kan Fritsje op zijn schouders nemen. Nu eerst dat kleine heuveltje +op,” commandeerde Nel verder. „Ziezoo, Leni, sta even stil, nu zal ik het publiek +verzoeken te kijken. Vader, moeder, het bloemencorso is gereed, u moogt kijken. Leni, +vooruit nu.” +</p> +<p>’t Was een aardig gezicht, dat vroolijk versierde troepje van den heuvel te zien komen. +</p> +<p>„Beeldig, beeldig,” riep Ma. +</p> +<p>„Prachtig,” vond vader ook. +</p> +<p>Foxje was nu eens heraut, dan vormde hij weer de achterhoede, en steeds wapperde zijn +vlag. Toen de optocht tweemaal het publiek was gepasseerd, vonden allen, dat het lang +genoeg geduurd had. +</p> +<p>„’t Is mooi geweest, ’t is mooi geweest, ’t is drommels mooi geweest,” begon vader +te zingen en allen vielen mee in. +</p> +<p>„En nu stel ik voor,” zei ma, „dat we bij vrouw Pruim ons glaasje melk gaan halen. +Oef, wat is het warm!” +<span class="pageNum" id="xd32e1152">[<a href="#xd32e1152">84</a>]</span></p> +<p>„Ik weet den weg wel, vader,” zei Leni. +</p> +<p>„Uitstekend, ga jij met Hansje maar vooruit.” +</p> +<p>Dat vond Leni wàt gewichtig, en parmantig stapte ze voort. +</p> +<p>„St!” zei mijnheer Van Brakel even later, „ik hoor geritsel.” +</p> +<p>„Een eekhoorntje,” fluisterde Dolf. +</p> +<p>Ja waarlijk, daar zat op korten afstand een allerliefst eekhoorntje te smullen aan +een paddenstoel. Hij liet de plant in zijn pootjes ronddraaien en knabbelde er zoo +stukjes af. Zoo iets hadden de kinderen nog nooit gezien. Ademloos stonden ze te kijken, +toen hoe jammer, Fox kwam aanrennen en binnen drie tellen zat het eekhoorntje boven +in een boom angstig naar beneden te kijken, of hij ook vervolgd werd. +</p> +<p>„Fox, hier!” commandeerde mijnheer Van Brakel, die den angst van den eekhoorn zag. +</p> +<p>„Die stoute Fox,” zei Bob boos. „Ik vind dat eekhoornhondje veel aardiger.” +</p> +<p>„Zoo, vind jij dat eekhoornhondje veel aardiger dan onzen lieven Fox. Zullen we Fox +dan in dien boom laten klimmen en het eekhoorntje meenemen?” +</p> +<p>Even bedacht Bob zich. „Blijft Fox dan vannacht <span class="pageNum" id="xd32e1165">[<a href="#xd32e1165">85</a>]</span>hier in ’t bosch en slaapt het eekhoornhondje dan in zijn nest?” +</p> +<p>„Ja zeker.” +</p> +<p>„Och, laten we Foxje dan maar liever houden,” zei hij. Maar nog eens even keek hij +door de takken, waar toch wel het mooie „eekhoornhondje,” zooals hij het noemde, gebleven +was. +</p> +<p>„Leni en Hansje zullen al wel bij vrouw Pruim zijn,” zei pa na een half uurtje. „Wij +hebben, geloof ik, een omweg gemaakt. Zij zullen wel ongeduldig worden en niet begrijpen, +waar wij blijven.” +</p> +<p>Maar toen allen bij vrouw Pruim kwamen, zagen ze Leni en Hansje nergens. +</p> +<p>„Leni zal in den stal zijn om haar zieke geit op te zoeken,” zei vader lachend. „Ga +haar en Hans maar eens vertellen, dat wij er al zijn, dan zal ik ondertusschen voor +jullie een glas melk bestellen.” +</p> +<p>„Ze zijn nergens,” zei Nel, terugkomende. +</p> +<p>„Nergens? Nu nog mooier. Den eenen dag verdwalen de logé’s op het dak en een paar +dagen later verdwaalt Leni op de hei.” +</p> +<p>„Ze konden toch al lang hier zijn,” zei moeder. +</p> +<p>„Hoe is ’t mogelijk, die Leni, die altijd zoo goed den weg weet.” +<span class="pageNum" id="xd32e1178">[<a href="#xd32e1178">86</a>]</span></p> +<p>„Ze zal wel weer achter een vlinder of hagedis zijn gaan loopen,” zei Nel. +</p> +<p>„Ik wou toch, dat ze er maar vast waren,” zei moeder. „Ik ben er niet zoo heel gerust +op.” +</p> +<p>„Ja,” zei Dolf lachend, „als ze achter een hagedis aanloopt, moeder, dan zal u ze +wel niet zoo gauw terugzien. Maar daar komen ze, daar komen ze. Ik zie ze heel in +de verte.” +</p> +<p>Ja, werkelijk, heel in de verte zag men twee kinderen langzaam naderkomen. +</p> +<p>„Waarom loopen ze toch niet vlugger, ze zien ons toch wel zitten. Als ’t niet zoo +„onmogelijk” warm was, liep ik ze te gemoet,” zei Door. +</p> +<p>„Dat dient nergens toe, kindje. Ja, ’t is verbazend warm. De lucht ziet er werkelijk +uit, of we onweer zullen krijgen, ’t Is te hopen, dat de bui nog maar wat uitblijft,” +zei mijnheer Van Brakel. +</p> +<p>„Ik zal maar vast de boterhammen ronddeelen, want er zullen wel leege magen zijn en +die twee laatkomers zullen ook wel trek hebben.” +</p> +<p>„Hier zijn de schuldigen,” zei Nel, die Leni en Hans toch te gemoet geloopen was en +nu met beiden voor mevrouw Van Brakel stond. +</p> +<p>„Maar kinderen, wat hebben jelui uitgevoerd!” <span class="pageNum" id="xd32e1190">[<a href="#xd32e1190">87</a>]</span>riep mevrouw Van Brakel verschrikt, de natte kleeren van Hans ziende. +</p> +<p>Allen zetten groote oogen op. +</p> +<p>„Wat is er gebeurd?” riepen Dolf en Door. +</p> +<p>„Dit jongetje,” zei Nel, op den snikkenden Hans wijzende, „was op eens heelemaal vergeten, +dat hij een jongen was en dacht, dat de kikker daar ginds in den plas zijn broertje +Bob was. En toen hij zag, dat zijn kikkerbroertje alle moeite deed om een mug te vangen, +dacht hij: stumpertje, ik zal jou wel even helpen, en flap, daar lag hij voorover +in den plas en toen begreep hij wel wat laat, dat hij geen kikker, maar Hansje Pansje +was.” +</p> +<p>„Klein, dom Hansje, dacht je, dat je een kikker geworden was,” lachte mijnheer Van +Brakel. +</p> +<p>Hans schudde heftig zijn hoofd. +</p> +<p>„Dacht jij, dat ik in een kikker omgetooverd was?” vroeg Bob lachend. +</p> +<p>Nog heviger ging Hansjes bolletje. +</p> +<p>„Hansje dacht,” zei mevrouw Van Brakel, „dat een bad op zoo’n warmen dag wel frisch +zou zijn, maar hij vergat zijn kleeren uit te trekken.” +</p> +<p>„Ik kon het heusch niet helpen,” zei Leni, half schreiende, „maar ik zag een klein +vogeltje, dat o <span class="pageNum" id="xd32e1203">[<a href="#xd32e1203">88</a>]</span>zoo akelig deed. Ieder oogenblik dacht ik, dat het dood neer zou vallen, en juist +toen ik het wilde grijpen, vloog het, roef! naar boven in een boom. En toen ik omkeek, +zag ik Hans in den plas liggen. Ik heb hem toen dadelijk aan zijn arm er uit getrokken.” +</p> +<p>„Dat vogeltje was een kleine grappenmaker,” zei vader. „Dat heeft jou leelijk gefopt, +meisje; want het was zoo gezond als een visch. Maar zal ik je eens wat vertellen? +Het was bang, dat jij zijn nestje zoudt zien, waarin zijn kindertjes zaten daar in +de buurt, en toen dacht het: als dat meisje naar mij ziet en met mij meeloopt, kan +ze mijn kleintjes niet vinden. En toen jij ver genoeg van zijn nest verwijderd was, +vloog hij op en lachte je in zijn vuistje uit. Droog nu maar gauw je tranen, kleine +meid. Zoo’n bad zal Hans geen kwaad gedaan hebben. Nel kan nu wel eens hooren, of +vrouw Pruim ons misschien ook droge kleeren kan leenen van een van haar jongens. Gerrit +of Piet zullen wel iets hebben, dat Hansje past.” +</p> +<p>„Een jasje en een paar klompjes van onzen Dirk kan dat jongetje best aanhebben. Kom +jij maar mee, hoor,” zei vrouw Pruim tot Hans, „dan zal ik je <span class="pageNum" id="xd32e1208">[<a href="#xd32e1208">89</a>]</span>die spulletjes gauw aantrekken.” Maar Hans had hierin in ’t geheel geen lust, tot +eindelijk mevrouw Van Brakel meeging. +</p> +<p>Een hartelijk gelach weerklonk, toen Hans na een tien minuten als boertje met lange +broek en klompen aan weer in den tuin verscheen. +</p> +<p>„O, „onmogelijk” leuk, onmogelijk,” gilde Door. Hans kreeg nu ook pret in ’t geval, +stak zijn beide handen in de zakken, zoodat ze wijd uitstonden, draaide zich om en +om en liet zich van alle kanten bekijken. +</p> +<p>„Nu, wat zegt ge nu?” lachte vrouw Pruim, „heb ik niet een aardig Pruimpje van je +gemaakt?” +</p> +<p>„Och, zoo’n aardig Pruimpje,” schaterde Dolf. +</p> +<p>„Maar nu zijn we geen tweelingen meer,” riep Bob met een grappig ongelukkig gezicht. +„Hoe moet dat nu, tante?” +</p> +<p>„Dat is niets, ventje,” zei mevrouw Van Brakel, „vanavond zijn jullie weer tweelingen +in je hanssopjes.” +</p> +<p>Foxje was door al die luidruchtigheid ook heelemaal van streek en holde van den een +naar den ander. +</p> +<p></p> +<div class="figure p3width"><img src="images/p3.png" alt="Hans stak beide handen in de zakken." width="497" height="720"><p class="figureHead">Hans stak beide handen in de zakken.</p> +</div><p> +</p> +<p>Na een half uur werd de terugtocht ondernomen en toen Hansje moe werd van ’t ongewone +loopen <span class="pageNum" id="xd32e1224">[<a href="#xd32e1224">90</a>]</span><span class="pageNum" id="xd32e1225">[<a href="#xd32e1225">91</a>]</span>op de klompjes, werd hij bij Frits in de sportkar gezet, ’t Was nog een heele wandeling +en bij de greppel gekomen, werd er halt gehouden. Door beweerde, dat ze „onmogelijk” +verder kon en allen hadden behoefte eens heerlijk uit te rusten met die warmte. Dolf +ging languit op de hei liggen en Fox hield trouw de wacht bij zijn vriendje. +</p> +<p>„Nu maar weer opgemarcheerd,” zei mijnheer Van Brakel na een kwartiertje. „Ik ben +anders bang, dat we niet voor de bui thuis zullen zijn!” +</p> +<p>’t Was duidelijk, dat Julia blij was, toen haar vrindjes en vriendinnetjes weer thuis +waren. Ze deed niets dan langs de deurposten strijken en zacht miauwen en duwde haar +aardig kopje dan tegen dezen, dan tegen dien aan. +</p> +<p>„Stil nu, stil nu,” zei Door troostend. „Wat wil je toch, Julia? Wacht, ik geloof +dat er nog een kaakje in den zak is overgebleven. Dat krijg je tot „welkom thuis” +en morgen zullen we spelletjes doen; maar als je te veel naar de vogeltjes kijkt in +plaats van op te letten dan neem ik mijn boek en ga in een hoek onder den treurboom +lezen, hoor!” +</p> +<p>„Ziezoo, het klokje van gehoorzaamheid voor allen, <span class="pageNum" id="xd32e1232">[<a href="#xd32e1232">92</a>]</span>groot en klein. Een, twee, drie naar bed. ’t Is een vermoeiende dag geweest.” +</p> +<p>„Ik kruip alléén onder ’t laken,” zei Leni. +</p> +<p>„En ik,” riepen Dolf en Nel. +</p> +<p>„Och, moezekepoes, wat is ’t warm!” +</p> +<p>„Door en Nel, jullie zorgt wel voor onze logé’s, niet waar?” +</p> +<p>„Ja zeker, moeder; ik zeg dan: hocus, pocus pas, ’k wou, dat ons boertje weer Hansje +was, en dan …” lachte Nel. +</p> +<p>„Trekt Hans gauw zijn hanssopje aan,” zei Bob. „Dan zijn we weer tweelingen.” +</p> +<p>„Nacht vader, nacht moeder!” +<span class="pageNum" id="xd32e1243">[<a href="#xd32e1243">93</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch07" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch07.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="label">Zevende hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Twee knappe huishoudsters.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">„Kinderen, moeder is vanmorgen met hoofdpijn in bed blijven liggen,” zei mijnheer +Van Brakel eenige dagen later. „Jullie moet Kee nu maar een beetje helpen en vooral +niet te veel leven maken, ’t Is wel vacantie, maar …” +</p> +<p>„Dat treft juist heel goed,” zei Door geruststellend. „Ik zal-wel voor de boterhammen +zorgen en thee schenken. Nel kan dan—ja, Nel, wat zul jij doen?” +</p> +<p>„’k Zal het Kee eens vragen,” zei Nel. „Deze boontjes moeten afgehaald worden, dat +vind ik wel een leuk werkje. Leni kan mij wel wat helpen,” en vol ijver wilde Nel +dadelijk al beginnen. +</p> +<p>„Och, Nel, help jij Fritsje even met zijn boterham. Laat die boontjes maar staan tot +na ’t ontbijt.” +</p> +<p>„Zou ik ze dan nog wel klaar krijgen? Kee zei: <span class="pageNum" id="xd32e1254">[<a href="#xd32e1254">94</a>]</span>„„asjeblieft een portie voor een kazerne.”” Nu, dat kan nogal, dunkt me.” +</p> +<p>„Zoo? Zei ze dat? Maar je moet mij nu toch even helpen. Het botermesje ben ik kwijt,” +en Door tilde alle bordjes op, keek onder het theeblad, op den stoel. „O, daar is +’t gelukkig al. Waar zijn de tweelingen en Leni? Wil je even kijken?” +</p> +<p>„Fritsje een glaasje melk, Door,” vleide de kleine jongen. +</p> +<p>„Ja, ja, kleine snoes, dadelijk, ’k heb ’t zoo druk. +</p> +<p>Och, Nel! Nel! Nè-èl! Hè, waar is ze nu weer?” zei Door in zich zelf. „Waarom loopt +ze nu juist weg? Ze kan toch wel begrijpen.…” +</p> +<p>„Ze waren in den tuin,” zei Nel, met de tweelingen terugkomende. +</p> +<p>„Wie waren in den tuin?” +</p> +<p>Nel proestte het uit. „Wie anders dan Bob en Hans. Je zei immers: ik zou ze zoeken.” +</p> +<p>„Dat is waar ook; maar geef jij Frits even zijn kroes met melk, ik kom niet klaar. +Wacht, even tellen: Vader, Dolf, Nel, Leni, de tweelingen, dat is—dat is zes. Hoeveel +sneetjes zou ik snijden? Hoeveel eet jij?” +</p> +<p>„Ik heb trek,” zei Nel. +<span class="pageNum" id="xd32e1267">[<a href="#xd32e1267">95</a>]</span></p> +<p>„Nu ja, daar heb ik niets aan. Hoeveel sneetjes eet je dan, àls je trek hebt?” +</p> +<p>„Twee.” +</p> +<p>„En Dolf, denk je?” +</p> +<p>„Wel drie.” +</p> +<p>„En vader?” +</p> +<p>„Ook wel zooveel.” +</p> +<p>„Acht,” telde Door. „En Leni?” +</p> +<p>„Ja, dat weet ik niet.” +</p> +<p>„Leni, Leni!” riep Door, met in de eene hand het mes en de andere het brood. +</p> +<p>„Natuurlijk, Leni is weer bij het kippenhok. Hoeveel?” riep Door, ’t brood in de hoogte +houdende. +</p> +<p>„Vier,” riep Leni terug. +</p> +<p>„Vier, hoe is ’t mogelijk,” zei Door, „dat is dus twaalf.” +</p> +<p>„Och,” zei Nel, „waarom vraag je dat toch alles; dat doet ma nooit.” +</p> +<p>„Ma wéét, hoeveel ieder zoowat eet, maar ik niet. Zou jij ooit gedacht hebben, dat +Leni vier sneetjes at?” +</p> +<p>„En dan zegt ze nog wel, dat ze in de vacantie nooit trek heeft,” lachte Nel. +</p> +<p>„Bob en Hans ieder eentje, dat is veertien,” telde Door. „Nu Kee nog. Ik hoop maar +niet, dat <span class="pageNum" id="xd32e1286">[<a href="#xd32e1286">96</a>]</span>ze al te grooten honger heeft,” zei ze met een kleur van inspanning, „want ’t mes +is zoo akelig stomp. Help jij vast smeren.” +</p> +<p>„Kee!” riep ze, nu haar hoofd in de gang stekende. „Hoeveel?” +</p> +<p>„Hoeveel?” riep Kee verwonderd terug. „Gewoonlijk driehonderd, maar nu nog vijftig +meer.” Door proestte het uit. +</p> +<p>„O, neen, maar Nel, hoe vind je die Kee?” verder kwam Door niet. +</p> +<p>„Wat zegt Kee?” vroeg Nel, lachend om Door. +</p> +<p>„Toe, zeg het nu,” zei Nel ongeduldig, omdat Door maar blééf lachen. +</p> +<p>„Verbeeld je, Kee zegt „„gewoonlijk—,”” weer proestte Door ’t uit. +</p> +<p>„Hè toe, wees nu niet zoo flauw,” zei Nel half boos, half lachend. +</p> +<p>„Kee zegt,” zei Door nu, haar best doende zich verstaanbaar te maken: „gewoonlijk +driehonderd en nu nog vijftig meer,” wéér gierde Door. „O, nee, maar Nel, wat zou +ze meenen? Gewoonlijk driehonderd en nu nog vijftig meer; zeker, omdat ik een stomp +mes heb!” +</p> +<p>Nel, die juist Frits hielp, gutste door het lachen <span class="pageNum" id="xd32e1299">[<a href="#xd32e1299">97</a>]</span>de helft van de melk over het kroesje. „Ik begrijp het,” schaterde ze. „Ze bedoelt +de slaboonen.” +</p> +<p>„’t Is prachtig! Eenig! Stel je voor: driehonderd vijftig sneetjes met een stomp mes.” +</p> +<p>„Hoeveel <i>boterhammen</i>?” riep Door gierend terug. +</p> +<p>„Wie kan dat nou ook denken,” zei Kee goedig; „drie, maar als ik haast heb twee. En +ik heb nu haast.” +</p> +<p>„Dat is—hoeveel had ik ook weer?” +</p> +<p>„Veertien,” hielp Nel. +</p> +<p>„Dat is dus zestien en ik zelf. Ja, ’k hèb honger, maar ook haast, net als Kee, dus +ook maar twee. Kom, nu zal ik de rest smeren. Wat is zoo’n huishouding toch „onmogelijk” +druk,” zei ze, Fritsjes boterham in smalle reepjes snijdende. „Je komt gewoon niet +klaar.” +</p> +<p>„Ziezoo, daar ben ik weer,” zei mijnheer Van Brakel. „Ik zie wel, dat je goed voor +allen gezorgd hebt.” +</p> +<p>„Leni, kom nu toch, we zijn allen klaar,” riep Nel; „je boterhammen zijn gesmeerd.” +</p> +<p>„Ja, ik kom dadelijk, ik moet even de eieren naar de keuken brengen. Zijn al die boterhammen +voor mij?” vroeg ze, verbaasd naar haar bordje kijkende. +<span class="pageNum" id="xd32e1315">[<a href="#xd32e1315">98</a>]</span></p> +<p>„Ja, natuurlijk,” zei Door. „Ik heb je immers gevraagd, hoeveel je hebben wou? Je +eet nu maar op, wat op je bordje ligt.” +</p> +<p>„Maar ik <i>heb</i> niet gezegd, dat ik er vier wou hebben,” zei Leni, wanhopig naar den berg boterhammen +kijkende. „Zoo veel eet ik nooit.” +</p> +<p>„Wat is er toch, kinderen?” vroeg mijnheer Van Brakel. +</p> +<p>„Och, vader, ik was aan het brood snijden, en omdat ik niet graag meer wilde snijden +dan noodig was, vroeg ik Leni, die natuurlijk weer bij de kippen was: „hoeveel?” +</p> +<p>„En toen?” +</p> +<p>„Toen riep ze van vier, dus.…” +</p> +<p>„En vier kon <i>on</i>mogelijk iets anders zijn in Doors oogen dan sneetjes brood; zoo’n huishoudstertje,” +lachte vader. +</p> +<p>„Nu begrijp ik het,” zei Door, „vier kon bij Leni <i>on</i>mogelijk iets anders zijn dan eieren.” +</p> +<p>„Of kippen,” zei Nel. +</p> +<p>„Dus kippeneieren,” lachte Dolf. „Wat wil jij, Julia, kleine vleister! Bob, zij wil, +geloof ik, dolgraag een stukje van jouw boterham hebben.” +</p> +<p>„Nu zou ik toch eigenlijk wel graag een kopje thee willen hebben,” zei vader. +<span class="pageNum" id="xd32e1338">[<a href="#xd32e1338">99</a>]</span></p> +<p>„O wee, ik vergeet heelemaal in te schenken. Ma heeft misschien ook wel trek in een +kopje. Leni, wil jij eens even vragen?” +</p> +<p>„Wat is dat?” riep Door verschrikt uit. „Er komt water uit de tuit, alléén water. +En ik weet toch zeker, dat ik thee in den pot heb gedaan.” +</p> +<p>„Misschien gebeurt zoo iets in de vacantie wel meer,” zei vader. +</p> +<p>„O, neen, paatje,” zei Door, die wel begreep dat mijnheer Van Brakel haar plaagde, +„’t Is toch heusch waar. Ik heb het theebusje in de hand gehad, ik weet het zeker.” +</p> +<p>„Ja, je hebt met thee zetten gedaan als met de vraag aan Leni over de boterhammen. +Je vroeg hoeveel, en het voornaamste vergat je.” +</p> +<p>„Ja, maar het theebusje,” begon Door verdrietig, „waar is dat dan toch gebleven. Ik +zie het hier niet staan en toch.…” +</p> +<p>„Ik heb het, ik heb het!” +</p> +<p>„Waar?” vroeg Door. +</p> +<p>„Hier, onder het deksel van het botervlootje,” zei Nel. +</p> +<p>„Ik ben blij voor jou, dat het busje er weer is. Ik zal nu voor dezen morgen maar +een glas melk nemen; want het wordt mijn tijd.” +<span class="pageNum" id="xd32e1351">[<a href="#xd32e1351">100</a>]</span></p> +<p>„Nu, paatje,” zei Door, die het heel onpleizierig vond, dat haar theeschenken zoo +treurig afliep, „dan schenk ik u vanmiddag een extra lekker kopje.” +</p> +<p>„Water of thee?” lachte vader. +</p> +<p>„Wat is u toch een plaaggeest!” +</p> +<p>„Ik op ’t lage stoeltje!” riep Nel een kwartier later en rende naar het priëel zoo +vlug ze kon, met de teil met prinsessenboonen voor zich uit. „Jullie moet mij allen +helpen. Dolf, haal jij even een paar couranten voor de draden en een grooten bak voor +de afgehaalde boonen. Leni kan die boonen mooi doormidden breken. De tweelingen en +Fritsje kunnen met hun drietjes in den tuin spelen, wij hebben daarvoor nu geen tijd. +Er kan hun geen ongeluk overkomen. Fox, hier oude jongen, breng dit boek eens naar +binnen, dat heeft zeker iemand hier gisteren weer laten liggen, je weet wel, wie ik +bedoel. Fox sprong en blafte, dat Bob de vingers in zijn ooren stak. „Fox, apporte, +bedaar nu, apporte,” gebood Nel en toen nam de dartele, vroolijke Fox heel gedwee +het boek in zijn bek en ging er mee naar binnen. +</p> +<p>„Allo, marsch,” riep Kee en toen stoof Fox de trap op naar Doors kamer. +<span class="pageNum" id="xd32e1358">[<a href="#xd32e1358">101</a>]</span></p> +<p>Bob, Hans en Frits hadden het al even druk met hun drietjes als de kleine huishoudsters. +</p> +<p>„Dat is Asschepoes,” legde Hans aan Bob en Frits uit, terwijl hij bij het kippenhok +stond, „en dat Snoetie. Kijk die kuikentjes toch eens. Ik wou wel zoo’n kuikentje +in de hand hebben.” +</p> +<p>„Ik ook wel,” zei Bob. „Misschien zouden ze ’t wel prettig vinden, als ze ook eens +door den tuin mochten wandelen,” opperde hij. +</p> +<p>„Ja,” zei Hans, „en die arme Asschepoes zeker ook. ’t Is toch ook niet prettig, altijd +in zoo’n hok te zitten.” +</p> +<p>„Mag Frits ook een kuikentje hebben, zoo’n lief kuikentje?” en hij trappelde al van +ongeduld. +</p> +<p>„Is er ook een deurtje om in ’t hok te komen?” onderzocht Hans. +</p> +<p>„Hier is een deurtje,” zei Frits, die Leni dit dikwijls had zien openen. +</p> +<p>„Wat een kleintje,” lachte Bob. +</p> +<p>„Ja, dit is eigenlijk ’t kippenhuis. Laten we spelen, dat wij kip zijn,” stelde Bob +voor, „en Frits een kuikentje.” +</p> +<p>„Neen,” zei Hans, „ik ben Slokop en jij Asschepoes en dan vecht ik met jou.” +<span class="pageNum" id="xd32e1371">[<a href="#xd32e1371">102</a>]</span></p> +<p>„Fritsje vindt het toch niet zoo heel prettig in dit huisje,” zei Frits, angstig naar +den haan kijkende. +</p> +<p>„Dat hoort ook zoo,” zei Bob. „Kuikentjes vinden ’t ook niet prettig in een hok. Kijk +eens, daar loopen warempel al twee op ’t gras. Kijk Asschepoes eens en de haan. En +Snoetie en Toetie!” +</p> +<p>Voorzichtig stapte hij ’t hok binnen, wel een klein beetje bang, toen eenige kippen +begonnen te fladderen. Maar dat wilde hij voor Hans en Fritsje niet weten en liep +daarom moedig verder. +</p> +<p>„Ze vinden het, geloof ik, niet goed, dat wij in hun huis komen,” en eigenlijk had +Hans wel grooten trek om dadelijk weer terug te keeren, maar toen hij Bob zoo dapper +voort zag stappen, wilde hij niet minder zijn. +</p> +<p>„Nu is er geen meer in ’t hok! Hoe leuk,” riep Hans, „nu doen we het deurtje dicht!” +Maar juist had Hansje dit gezegd, toen er een doordringende gil van Leni te gelijk +met een nog doordringender van Door weerklonk; want de kippen, krielkipjes en kuikentjes +genoten zoo buitengewoon van hun vrijheid, dat ze uit puur pleizier steeds verder +waren getrippeld tot aan ’t priëel, waarin allen zoo ijverig bezig waren, dat ze Bob +en Hans geheel hadden <span class="pageNum" id="xd32e1379">[<a href="#xd32e1379">103</a>]</span>vergeten. Tot op eens Toetie met haar kleine kraaloogjes om ’t hoekje kwam kijken +en de haan zijn blijdschap over de heerlijke vrijheid niet beter wist uit te drukken, +dan door een krachtig kukeleku vlak bij Leni’s oor te laten hooren. +</p> +<p>„De haan! de kippen! de kuikens!” klonk het van alle kanten. Door viel bijna over +den bak met slaboonen. „Wie is bij ’t kippenhok geweest?” +</p> +<p>Leni sprong op en Nel zat als versteend. +</p> +<p>Fox, die rustig had liggen slapen, was op eens klaar wakker en pas zag hij de niets +vermoedende kuikentjes, of hij wilde er op af, als Dolf hem niet met geweld bij den +halsband vastgehouden en in huis gezet had. Nu werd het een jagen van alle kanten. +Tot driemaal toe vloog Asschepoes angstig kakelend over het bed met viooltjes en de +kleine kuikentjes trippelen nù voor, dàn achteruit, in ’t geheel niet begrijpend, +wat er van hen verlangd werd. +</p> +<p>„Niet zoo wild, niet zoo wild,” riep Door, „dan kunnen we ze onmogelijk krijgen. O +wee, daar heb je Julia. Nel, jaag haar weg.” Julia was blijkbaar over dezen daad van +Nel zóó diep beleedigd, dat ze, zonder Nel ook maar met één blik te verwaardigen, +rechtsomkeert maakte om boven op de schutting <span class="pageNum" id="xd32e1386">[<a href="#xd32e1386">104</a>]</span>haar toilet, waarmee ze te voren zoo ernstig bezig was geweest, te voltooien. +</p> +<p>„Ssst, voorzichtig, daar zit een krielkipje onder die struik. Dolf, ga jij hier staan, +dan jagen we het er voorzichtig onder uit.” +</p> +<p>„Och, kijk toch die kuikentjes, ze vallen bijna over hun eigen pootjes,” zei Leni. +</p> +<p>Op eens schaterde Dolf het uit. „O neen maar, kijk toch eens, kijk eens. Bob, Hans +en Fritsje in het kippenhok!” +</p> +<p>Allen waren, al jagende, nu ook het kippenhok genaderd en niettegenstaande de groote +verwarring door de „kippenoverstrooming”, zooals Dolf zei, ging er toch een uitbundig +gelach op, toen ze de drie kereltjes in het kippenhok zagen met hun neusjes stijf +tegen ’t gaas gedrukt, vol belangstelling voor de kippenjacht. +</p> +<p>„Nu nog mooier,” zei Nel. „Willen jullie wel eens één, twee, drie, uit het hok komen? +Zoolang jullie nog Bob en Hans bent, hooren jullie niet in een kippenhok.” +</p> +<p>„We dachten, dat de kippen het heel prettig zouden vinden in den tuin,” zei Bob. +</p> +<p>„Misschien vinden ze dat ook wel, maar kuikentjes <span class="pageNum" id="xd32e1397">[<a href="#xd32e1397">105</a>]</span>en kippen zijn nog maar domme dieren en weten niet, dat ze niet aan de bloemen mogen +pikken; daarom vinden wij het in het geheel niet prettig, dat ze in den tuin zijn. +Ze zouden onzen mooien tuin heel gauw leelijk maken en dat willen jullie toch zeker +ook niet. Ziezoo, blijf hier nu maar even stil staan, dan zullen wij ze voorzichtig +in het hok jagen.” +</p> +<p>Bob en Hans stonden wel wat bedrukt te kijken. +</p> +<p>„Fritsje vond het niets prettig om kuikentje te spelen,” zei Frits, blij, dat hij +uit het hok was. +</p> +<p>„Neen, ventje, dat is ook niet prettig, tenminste voor jongens niet.” +</p> +<p>Eindelijk waren alle kippen weer in ’t hok. Zelfs de haan, hoewel de laatste van de +geheele familie stapte deftig de voordeur van zijn huis binnen en begon dadelijk te +pikken van enkele graankorrels, die op den grond lagen, met een gezicht en een deftigheid, +alsof hij niet even te voren zoo ondeugend zijn huis ontvlucht was. +</p> +<p>„Goeden middag!” hoorden de kinderen zeggen. +</p> +<p>„O, moesje, is u weer beter?” +</p> +<p>„Wie zou nu lang in bed kunnen blijven met zulk prachtig weer,” lachte mevrouw Van +Brakel. +<span class="pageNum" id="xd32e1407">[<a href="#xd32e1407">106</a>]</span></p> +<p>„O, moes, ’t is eigenlijk jammer, dat u nu pas komt. Als u even eerder gekomen was.…” +</p> +<p>„’k Heb alles van het balcon gezien,” zei moeder, „en ik geloof, dat ik het restje +hoofdpijn weggelachen heb.” +</p> +<p>„’t Was eigenlijk „onmogelijk” leuk,” zei Door. +</p> +<p>„De slaboonen zijn klaar, maatje.” +</p> +<p>„Jullie bent maar een paar knappe huishoudsters. En daar ben ik wat trotsch op, hoor!” +<span class="pageNum" id="xd32e1415">[<a href="#xd32e1415">107</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch08" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch08.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="label">Achtste hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Een avontuur.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">„Hier heb ik de kleeren, die we voor Hans geleend hebben; die konden jullie zoo meteen +wel eens naar vrouw Pruim terugbrengen, ’t Is er juist zoo’n heerlijke dag voor,” +zei mevrouw Van Brakel. „Fritsje blijft bij mij thuis, dan behoeft de sportkar niet +mee, want Hans zal nu toch voor de tweede maal wel niet in een plas vallen en naar +huis gereden moeten worden,” lachte ze. „Kijk eens, Nel, koop hiervoor wat chocolade +voor de drie jongens van vrouw Pruim en hiervoor mag je voor jullie zelf eene traktatie +koopen, omdat het vacantie is.” +</p> +<p>„Dat treft goed,” riep Door opspringende, terwijl ze het boek, waarin ze zat te lezen, +neergooide, „ik dacht juist: wat zal ik nu eens doen en daar komt u met zoo’n heerlijk +plannetje.” +<span class="pageNum" id="xd32e1423">[<a href="#xd32e1423">108</a>]</span></p> +<p>„Weet jullie wat,” zei Nel, „ik ga vast vooruit met Hans en Bob om iets te koopen, +jullie komt ons dan wel na.” +</p> +<p>„Wat gaan we koopen?” vroeg Hans. +</p> +<p>„Ja, dat weet ik niet, dat mogen jullie nu eens bedenken,” zei Nel, die het wat gewichtig +vond, dat haar de inkoopen waren opgedragen. „We moeten iets hebben voor Dirk, Piet +en Gerrit.” +</p> +<p>„Ik weet wel iets: een chocolade-sigaar,” zei Hans. +</p> +<p>„Een chocolade-tol is veel mooier,” vond Bob. +</p> +<p>„Dat vind ik allebei heel aardige dingen; als ik nu maar wist, wat de jongens ’t mooist +vinden. Ziezoo, hier moet we zijn,” zei Nel en stapte met de beide jongens een winkel +binnen. +</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">Voeten vegen, wat verdriet, +</p> +<p class="line">Zien jelui die mat daar niet?</p> +</div> +<p class="first">werd er op eens geroepen. Nel kreeg een kleur als vuur, gluurde overal rond, maar +zag niemand. Bob en Hans wisten ook niet, wat ze er van denken moesten, maar alle +drie deden gewillig wat hun bevolen werd. +</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">Doe de deur toch dadelijk toe, +</p> +<p class="line">Hoor, hoe ’k hoest, aehoe! aehoe!</p> +</div> +<p><span class="pageNum" id="xd32e1439">[<a href="#xd32e1439">109</a>]</span></p> +<p class="first">„De deur is dicht,” zei Nel, niets op haar gemak. Maar tegenover Hans en Bob wilde +zij zich groot houden. +</p> +<p>„Wie zou dat toch zeggen?” fluisterde Hans. „Ik zie niemand.” En hij ging op zijn +teenen staan om zoo ver mogelijk om zich heen te kunnen kijken. +</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">Houd op, houd op, ik lach mij ziek, +</p> +<p class="line">’k Heb in mijn poot zoo’n rheumathiek</p> +</div> +<p class="first">werd er toen geroepen en daarop klonk een schaterend lachen, zóó vroolijk, dat Nel, +Hans en Bob het mee uitproestten. Toen ging op eens achter de toonbank een deur open +en een dame met een vriendelijke stem zei: „Neem me niet kwalijk, jongejuffrouw, dat +ik u zoo lang liet wachten, maar ik werd juist even opgehouden. Waarmee kan ik u dienen?” +</p> +<p>„Ik, ik”.… Nel schaterde het weer uit. „Hebt u—ook.”—Weer een lachbui. „O, juffrouw, +neen, ik kan ’t niet zeggen.” +</p> +<p>Bob en Hansje keken dàn naar Nel, dàn naar de juffrouw en deden ook niets dan lachen. +</p> +<p>„Ik begrijp niet”—zei de juffrouw, nu ook lachende, „werkelijk niet”.… +<span class="pageNum" id="xd32e1451">[<a href="#xd32e1451">110</a>]</span></p> +<p>„Ik wou graag,” begon Nel, die alle moeite deed zich goed te houden, „ik wou graag”.… +</p> +<p>„Ha, ha, nu begrijp ik, wat er gebeurd is,” zei de juffrouw. „Toddy, de raaf, is zeker +aan ’t woord geweest.” +</p> +<p>„Was het geen mensch, was het een raaf?” vroeg Nel hoogst verwonderd. „Hoe is ’t mogelijk? +Och toe, mogen wij hem eens zien?” +</p> +<p>„Kom dan maar mee,” was het lachend antwoord. +</p> +<p>„Kijk, hier is hij.” +</p> +<p>Nel en de tweelingen raakten niet uitgekeken. +</p> +<p>„Kan hij nog meer praten?” vroeg Nel opgetogen. +</p> +<p>„O zeker,” zei de juffrouw, „maar hij wil niet altijd. O, ’t is zoo’n deugniet.” +</p> +<p>„Niet waar, niet waar!” riep de vogel terug. +</p> +<p>„Jammer, dat de anderen hier niet zijn,” zei Nel; „mag ik eens even kijken, of ze +komen, juffrouw? Leni zou de raaf zoo dolgraag eens zien.” +</p> +<p>„Zeker hoor, als je denkt, dat ze het aardig vinden.” +</p> +<p>Nel stoof den winkel uit en kwam niet lang daarna met Door, Leni en Dolf terug. Nel +had onderweg het geheele verhaal al gedaan. +</p> +<p>„Klontje,” zei Toddy en klopte met zijn snavel tegen de kooi. +<span class="pageNum" id="xd32e1468">[<a href="#xd32e1468">111</a>]</span></p> +<p>„Dat kun je begrijpen,” zei de juffrouw lachend. +</p> +<p>„Och toe, juffrouw, mogen we hem iets geven?” vroeg Leni. +</p> +<p>„Dan moet hij er eerst om bedelen.” Toen Toddy ’t woord „bedelen” hoorde, begon hij +uit alle macht tegen de tralies te tikken, nam een smeekende houding aan, door zijn +kop schuin te houden, en riep: „Och toe, och toe,” wat zóó grappig klonk, dat allen +het uitgierden. +</p> +<p>„Nu mag jullie hem een stukje borstplaat geven,” zei de juffrouw. +</p> +<p>Hans durfde niet en Bob was wel bang, dat de raaf hem in de hand zou pikken, maar +toch gaf hij het hem. +</p> +<p>„Zit hij altijd in die kooi?” vroeg Hans. +</p> +<p>„Wel neen, hij komt er dikwijls uit.” +</p> +<p>„Nu moeten we gaan,” zei Door eindelijk. +</p> +<p>Leni had grooten lust te blijven. +</p> +<p>„Ik zou warempel mijn boodschappen nog vergeten,” zei Nel. „Hebt u ook chocolade-tollen, +juffrouw?” +</p> +<p>„Kijk eens, hoe vind je deze?” vroeg de juffrouw, terwijl ze er één van chocolade +en één van suiker liet zien. +<span class="pageNum" id="xd32e1482">[<a href="#xd32e1482">112</a>]</span></p> +<p>„Beeldig, geeft u beide maar en dan nog een chocolade-sigaar.” En toen Nel ook een +zakje met lekkers gekocht had, ging het geheele gezelschap weer op stap, nadat de +juffrouw hen uitgenooodigd had eens spoedig terug te komen. „Toddy vindt het heerlijk, +visite te krijgen en ikzelf ook.” +</p> +<p>„Zullen we heengaan over de hei en terug over ’t land Van der Pol?” stelde Door voor. +</p> +<p>Dat was best. +</p> +<p>„Daar zie ik het huis al,” zei Leni na een poosje; „nog vijf minuten—en we zijn er.” +</p> +<p>„Wel, komen jullie daar allen aangestapt? Dat is aardig,” zei vrouw Pruim. „Kom maar +binnen, kom maar binnen.” +</p> +<p>„Neen, vrouw Pruim, wij willen hier buiten liever een beetje uitrusten. We komen je +’t pakje van Dirk terugbrengen en moeder bedankt je vriendelijk.” +</p> +<p>„Ja ja, ’t is goed, ’t is goed,” zei vrouw Pruim. +</p> +<p>„Waar zijn Dirk, Piet en Gerrit? We hebben wat voor hen meegebracht,” zei Nel. +</p> +<p>„Dat had je toch niet moeten doen. Daar komen ze juist aan,” zei vrouw Pruim en wenkte +hen uit alle macht. +</p> +<p>„Kijk eens,” riep Nel en hield drie pakjes in de <span class="pageNum" id="xd32e1494">[<a href="#xd32e1494">113</a>]</span>hoogte, „in ieder pakje zit iets lekkers voor jullie, dat lijkt je zeker goed toe.” +</p> +<p>De jongens bleven verlegen staan. +</p> +<p>„Gerrit, raad eens, wat ik hier heb?” zei Nel, een pakje in de hoogte houdende. +</p> +<p>„’k Weet niet,” zei Gerrit verlegen. +</p> +<p>„Je moet raden,” zei vrouw Pruim, lachend. +</p> +<p>Gerrit haalde de schouders op, durfde niets zeggen. +</p> +<p>„Ik zal je een handje helpen,” zei Dolf. +</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">„Ik sta met één poot op den grond +</p> +<p class="line">En draai daar vroolijk op in ’t rond. +</p> +<p class="line xd32e135">Hoe meer men mij sla, +</p> +<p class="line xd32e135">Hoe vlugger ik ga.”</p> +</div> +<p class="first">„Wat „onmogelijk” leuk,” riep Door. „Dolf, hoe heb je dat zoo goed bedacht?” +</p> +<p>„Stil, laat Gerrit raden.” +</p> +<p>„Ik, ik weet het niet,” zei Gerrit. +</p> +<p>„Een tol,” raadde Piet met een hoogroode kleur. +</p> +<p>„Bravo!” riep Nel, „die is voor jou, je hebt hem eerlijk verdiend. En nu heb ik hier +nog iets. Dirk en Gerrit, nu ben jullie aan de beurt. Toe, Dolf, jij bent in het raadseltjes +opgeven zoo knap. Bedenk nog eens wat.” +<span class="pageNum" id="xd32e1517">[<a href="#xd32e1517">114</a>]</span></p> +<p>„Als jullie een oogenblikje geduld hebt,” zei Dolf; „want opeens zoo’n versje te maken, +is zoo gemakkelijk niet. Wacht, ik weet al iets: +</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line xd32e135">„Ik ben bruin en rond, +</p> +<p class="line xd32e135">’k Hoor in den mond. +</p> +<p class="line">Maar blijf ik daar een langen tijd, +</p> +<p class="line">’t Is zeker, dat ik steeds meer slijt, +</p> +<p class="line"> ’k Ben bruin en rond en dik, +</p> +<p class="line"> Nu raad eens, wie ben ik?”</p> +</div> +<p class="first">„Leuk, leuk!” juichte Door weer. „Nu, Gerrit, bedenk jullie je goed.” +</p> +<p>„Een sigaar,” zei Gerrit na een poosje. +</p> +<p>„Knap geraden, als je blieft. Je weet nu,” zei Nel lachend, „’k hoor in den mond, +maar blijf ik daar een langen tijd, ’t is zeker, dat ik steeds meer slijt.” +</p> +<p>„En nu nog voor onzen Dirk, die zullen we maar niet laten raden, want dat heeft Piet +al voor hem gedaan. Voor Dirk ook een tol.” +</p> +<p>’t Was aardig, de gelukkige gezichten te zien. +</p> +<p>„En als jullie nu niet te moe meer bent, moet je toch eens even in de schuur komen +kijken, daar is iets aardigs te zien,” zei vrouw Pruim. Dat werd aan geen doovemansooren +gezegd. Leni holde vooruit. <span class="pageNum" id="xd32e1535">[<a href="#xd32e1535">115</a>]</span>„Nu héél stil zijn,” vermaande vrouw Pruim, „wacht, ik zal maar eerst gaan. Kijk eens,” +zei ze, toen ze eerst een paar kippen, die daar liepen, had weggejaagd, en wees naar +een groote ronde mand, waarin Mollie, de poes, lag met vijf aardige, gele kuikentjes, +die gedeeltelijk van onder haar zachte vacht zichtbaar waren. +</p> +<p>„Wat is dat? Mollie met …!” Leni kon geen woorden vinden om hare verwondering uit +te drukken. Door en de anderen waren ook verstomd over hetgeen zij zagen. +</p> +<p>„Maar—maar doet Mollie ze geen kwaad?” vroeg Nel angstig. +</p> +<p>„Wij vonden de kloek op een morgen dood in den tuin liggen,” zei vrouw Pruim, „en +Mol lag op ’t grasveld in de zon te slapen; toen zijn de kuikentjes onder haar gekropen; +ze keek eerst wel vreemd, maar liet ze toch begaan. ’t Was, of ze voelde, dat ze bij +haar bescherming zochten en sedert dien tijd koestert zij ze zooveel mogelijk. Is +het niet aardig? Stil maar Mol,” zei ze tegen de poes, die naar het scheen onrustig +werd, omdat allen om haar heen stonden, „blijf maar kalm liggen, we gaan dadelijk +weg.” +<span class="pageNum" id="xd32e1542">[<a href="#xd32e1542">116</a>]</span></p> +<p>„Wat vind ik dat toch een lieve poes,” zei Hans. „O, Bobbie, als Jaap hier eens was.” +</p> +<p>„Neen, zoo iets heb ik nog nooit gezien,” fluisterde Door. +</p> +<p>„’t Is snoezig,” zei Leni verrukt, „snoezig.” +</p> +<p>„’k Zie Julia al zoo met onze kuikentjes,” zei Nel. +</p> +<p>„Mollie was ook zoo’n trouwe moeder voor haar eigen poesjes. Weet je nog wel,” zei +Door, „hoe ze de kleine zwarte likte, die door Trim gebeten was?” +</p> +<p>„Kom, kinderen,” zei vrouw Pruim, „je moet nu allen maar in den tuin gaan, ik ben +anders bang, dat Mollie van de kuikentjes wegloopt.” +</p> +<p>„’t Wordt ook onze tijd,” zei Door, „je zoudt er anders wel zoo’n heelen dag naar +kunnen blijven kijken.” +</p> +<p>„Zoo lief moest Julia zijn,” vond Dolf. +</p> +<p>„Zeg niets van Julia,” zei Leni, „al koestert ze geen kuikentjes, ’t is toch een lieve +poes.” +</p> +<p>„Dat vind ik ook,” zei Door. +</p> +<p>Na vrouw Pruim en de jongens goeden dag gezegd te hebben, vertrok het vroolijke troepje. +</p> +<p>Een kwartier later hield Nel den zak met lekkers in de hoogte en riep: „Eerst een +hartversterking.” +</p> +<p>„Ja heerlijk, presenteer maar weer eens,” zei Dolf. +<span class="pageNum" id="xd32e1558">[<a href="#xd32e1558">117</a>]</span></p> +<p>„Neen, neen, zoo gemakkelijk gaat het niet, jullie moet maar zien, dat je iets krijgt,” +zei ze lachend. Door vloog op Nel af, maar toen Nel dit zag, rende ze vooruit en allen +achter haar aan. +</p> +<p>„Jongens, houdt Nel vast!” riep Dolf. +</p> +<p>„Dat kun je begrijpen, zoo gauw laat ik mij niet vangen,” hijgde Nel. Tot tweemaal +toe ontglipte ze Dolf, die haar bij de mouw trachtte te grijpen, maar eindelijk moest +ze ’t wel opgeven en plofte in ’t gras neer. „Ik kan niet meer, ik kan niet meer,” +zei ze. „Jullie hebt je stukje eerlijk verdiend, kies maar uit.” +</p> +<p>„Er zit wat in mijn schoen,” zei Hans met een ongelukkig gezicht. +</p> +<p>„Er zit ook wat in mijn schoen,” zei Leni. +</p> +<p>„Nu nog mooier!” riep Dolf. +</p> +<p>„Ja heusch,” zei ze. +</p> +<p>„Trek hem dan eens uit,” zei Door. +</p> +<p>„Neen, want dan is ’t er niet meer in,” lachte Leni. +</p> +<p>„Ze bedoelt haar voet! ’k Wist niet, dat mijn zusje zoo grappig was,” zei Nel, haar +een kus gevende. „Maar Hans heeft er zeker nog meer in zitten dan een voet, die kijkt +zoo ongelukkig; kom ventje, trek je schoen dan maar gauw uit. Met een hinkelepinkje +<span class="pageNum" id="xd32e1571">[<a href="#xd32e1571">118</a>]</span>kunnen we onmogelijk de wandeling naar huis ondernemen. Daar hebben we ’t al,” zei +ze, een klein steentje weggooiende, „nu maar gauw voortgemaakt.” „Toe, Nel, presenteer +nog eens,” zei Leni na een poos, „we hebben al zoo’n eind geloopen, we kunnen dan +meteen eens zitten.” +</p> +<p>„Mij goed, kinderen, kom maar hier, „moeder” zal voor jullie allen iets heerlijks +uitzoeken,” zei Nel lachend. +</p> +<p>„Dat kan je begrijpen,” zei Dolf, „neen hoor, ieder mag zelf kiezen.” +</p> +<p>„Natuurlijk, natuurlijk,” viel Door bij. +</p> +<p>„Dan zal ik van mijn zak een hoorn des overvloeds maken,” zei Nel en schudde het lekkers +zoo ver mogelijk naar voren, terwijl ze haar hand er als een presenteerblaadje onder +hield. „Eerst mogen onze gasten kiezen. Die nemen natuurlijk beiden hetzelfde. Tweelingen +kunnen „onmogelijk” anders.” +</p> +<p>„Neen,” zei Bob, „dat hoeft toch niet. Hans vindt chocoladeboontjes met likeur het +lekkerst en ik met fondant. We zijn alleen van buiten tweelingen.” +</p> +<p>„Kies jij maar gerust, hoor,” zei Nel. „Door weet er niets van. Zij zegt altijd zulke +„onmogelijk” gekke dingen.” +<span class="pageNum" id="xd32e1580">[<a href="#xd32e1580">119</a>]</span></p> +<p>„Nu maar weer voorwaarts marsch,” commandeerde Dolf, nadat er een tijdje gerust was. +„Anders komen we veel te laat thuis.” +</p> +<p>„Daar is het land al, dat we over moeten.” +</p> +<p>„Doen die koeien niets?” vroeg Hans, niet erg op zijn gemak bij ’t vooruitzicht, die +te moeten voorbij gaan. +</p> +<p>„We zijn al zoo dikwijls hier langs gekomen. Kijk, dat smalle paadje gaan we over; +als kippetjes loopen we dan achter elkaar aan. Dolf, jij moet de haan maar zijn en +ons voorgaan.” +</p> +<p>„Wat een grappig wegje is dit,” zei Bob, toen allen op het smalle landpaadje liepen. +</p> +<p>Een paar koeien keken even met droomerige oogen op, toen ze de kinderen zagen, maar +graasden toen dadelijk rustig door. +</p> +<p>„Fox, hier blijven,” beval Dolf, toen de hond vooruit wilde hollen. +</p> +<p>„Ik was toch liever niet door ’t land gegaan, nu we Fox bij ons hebben,” fluisterde +Door Nel een poosje later in ’t oor, „maar zeg hiervan niets aan de kleintjes.” +</p> +<p>Juist had Door dit gezegd of een zwart gevlekte koe, die nog even te voren rustig +had staan kauwen, <span class="pageNum" id="xd32e1592">[<a href="#xd32e1592">120</a>]</span>deed een paar passen in hun richting. Nel stiet een klein gilletje uit. Fox, die zeker +voelde, dat er iets niet in den haak was, begon te blaffen. Eerst bleef de koe staan, +alsof zij verbaasd was over het geluid, dat zoo’n klein beestje maakte. Maar toen +begon zij al vlugger te loopen, naar Fox toe. +</p> +<p>„Zij komt op ons af!” gilde Door. „Fox, hier, hier!” En meteen nam ze Hans bij de +hand en zette het op een loopen. Nel met Bob er achteraan! Dolf en Leni, die al een +eind vooruit waren, keken bij het hooren van het gegil achterom en renden angstig +voort. +</p> +<p>„O, o!” jammerde Door en wanhopig sleurde ze Hans mee. „Hoe vreeselijk!” +</p> +<p>„Als we maar eerst bij het hek waren,” hijgde Nel. „Ik-ik kan bijna—niet meer.” Maar +voort holde ze, den schreienden Bob meetrekkende. Steeds dichter en dichter naderde +de koe. Nel hoorde het dier vlak achter zich. Ze bestierf het bijna van angst. Op +eens struikelde ze en sloeg voorover, terwijl ze Bob in haar vaart meetrok. Op datzelfde +oogenblik hoorde ze roepen: „Hector, pak aan!” En even daarna stond een oud, krom +boertje over haar heen gebogen. +<span class="pageNum" id="xd32e1598">[<a href="#xd32e1598">121</a>]</span></p> +<p>„Wel, wel, ben je zoo geschrokken?” hoorde ze hem vriendelijk zeggen en meteen werd +ze voorzichtig opgelicht. „Kom maar mee, hoor, en dat kleine ventje ook,” zeide hij, +den hevig schreeuwenden Bob bij de hand nemend. „Hector heeft die leelijke koe, die +jullie zoo verschrikt gemaakt heeft, bij het touw: Je behoeft niet meer bang te zijn, +dat ze je zal stooten. Kom maar gauw mee naar mijn huis. Je drinkt een frisch glas +water en je bent weer heelemaal beter.” +</p> +<p>„Heb jullie je pijn gedaan?” vroeg Door bezorgd, die met de anderen om Nel heen stond. +</p> +<p>„Mijn voet doet zoo’n pijn,” zei Nel nog schreiend, gedeeltelijk van den schrik en +gedeeltelijk van de pijn. +</p> +<p>„Als je hem maar niet verstuikt hebt,” zei Door. „En Bob, waar heb jij je bezeerd?” +</p> +<p>„Mijn knie,” zei Bob, „o, mijn knie doet zoo’n pijn.” +</p> +<p>„Wel lieve tijd, zijn heele knie geschaafd,” zei Door. „Stumperd. Hoe komen we met +twee zulke invaliden thuis!” +</p> +<p>„Moet je nog ver?” vroeg het boertje. +</p> +<p>„Nog een half uurtje,” zei Dolf. +</p> +<p>„Zoo, zoo, dat is geen kleinigheid, dat is geen kleinigheid,” herhaalde hij hoofdschuddend. +„Wil <span class="pageNum" id="xd32e1610">[<a href="#xd32e1610">122</a>]</span>ik je eens wat zeggen? We zullen eerst een glas water gaan drinken voor den schrik +en dan span ik mijn Bruin voor den wagen en breng jullie allen thuis. Nu, wat zeg +je daarvan? ’t Is wel geen statiekoets, maar je behoeft dan toch niet te loopen.” +</p> +<p>„Dat vind ik „onmogelijk” aardig,” zei Door. +</p> +<p>Mijnheer en mevrouw Van Brakel wisten niet, wat ze zagen, toen daar het heele vroolijke +troepje op een hooiwagen den weg afkwam. Dolf en Leni wuifden al uit de verte met +hun zakdoeken. In kleuren en geuren werd het geheele geval aan vader en moeder verteld. +Natuurlijk moest het oude boertje binnen komen en een glaasje bier drinken. En nadat +Leni hem vol trots haar kippenfamilie had getoond, ging hij, na nog eens en nog eens +vriendelijk bedankt te zijn, met Bruin weer naar zijn eigen huis terug. +</p> +<p>Nels voet deed nog den heelen avond pijn. Maar moeder wist als altijd raad, zoodat +beide invaliden den val al gauw vergeten waren. +</p> +<p>„Maar tòch,” zei Nel, „door een land met koeien ga ik van mijn leven niet weer, daar +heb ik genoeg van.” +</p> +<p>„Als Fox er maar niet bij geweest was,” zei Dolf „dan was er niets gebeurd.” +<span class="pageNum" id="xd32e1619">[<a href="#xd32e1619">123</a>]</span></p> +<p>„Ja, Foxje,” zei Leni, „was jij nu maar zoo knap en zoo sterk als Hector, dan had +je ons natuurlijk wel geholpen, maar je bent eigenlijk een klein, dom, eigenwijs hondje.” +</p> +<p>Het duurde niet heel lang, of Door was in diepe rust, maar Nel was blijkbaar nog onder +den indruk van den schrik. +</p> +<p>Toch kreeg na lang woelen eindelijk de slaap de overhand; maar toen werd de arme Nel +geplaagd door de akeligste droomen. Ze zag zich zelf alleen op een groot stuk land, +waar van alle kanten koeien op haar afkwamen, die haar met booze oogen aankeken. Ze +vluchtte naar een hek, maar toen ze daar dicht bij kwam, was ’t hek verdwenen en lag +op die plaats een groote roodbonte koe kalm te grazen op een groot veld papavers. +En telkens als het dier een papaver in den bek stak, veranderde de bloem in een draaiende +tol. Toen liep Nel terug en zag opeens Leni voorbijhollen, gezeten op een zwarte koe. +Leni leek veel grooter dan anders en telkens als ze langs Nel reed, strekte ze haar +lange armen naar haar uit. Maar als Nel haar wilde grijpen, was zij verdwenen en zag +Nel haar héél in de verte voortgaloppeeren, steeds haar wenkende, terwijl het <span class="pageNum" id="xd32e1624">[<a href="#xd32e1624">124</a>]</span>haar als een mantel om haar heen golfde. Plotseling stond Nel voor een sloot en kon +ze niet verder en voor en achter zich zag ze niets dan koeien, toen op hetzelfde oogenblik +een wagen kwam aanrijden met een grappig klein paardje er voor. De kop van het paard +ging steeds op en neer. Op den wagen zaten wel honderd kinderen, hij was zóó vol, +dat onder ’t rijden er gedurig enkelen afvielen, maar als aapjes kropen ze er weer +bij op. De voerman pakte Nel op en zette haar er tusschen, maar toen zat Nel zóó nauw, +dat zij zich letterlijk niet kon bewegen, want van alle kanten drongen ze tegen haar +aan en een jongen hield haar knie zóó stijf vast en trok zulke vreemde gezichten, +dat ze met een gil wakker werd. +</p> +<p>„Wat heb je, wat is er?” riep Door verschrikt en zat rechtop in bed. +</p> +<p>„Ik weet het niet,” kreunde Nel, „o, wat had ik een akelige droom, je weet het niet—van +koeien en—o vreeselijk.” +</p> +<p>„Wacht, ik zal gauw licht opsteken,” zei Door en wipte het bed uit. „Een buitenkansje, +de lucifers liggen op den kandelaar,” zei ze, de kaars aanstekend. „Wil je eens drinken?” +<span class="pageNum" id="xd32e1630">[<a href="#xd32e1630">125</a>]</span></p> +<p>„O, graag,” zei Nel klappertandend. „Ik droomde—” +</p> +<p>„Neen, hoor, die droom zal ik morgen vroeg wel hooren, laten we nu liever over iets +anders praten, anders doorleven we straks beiden vervolg en slot van deze minder opwekkende +droomgeschiedenis,” zei ze, weer in bed stappend. +</p> +<p>„Weet je, wat ik wou,” zocht Door Nel af te leiden, „dat ik zoo’n raaf had als die +juffrouw—” +</p> +<p>„Welke juffrouw?” +</p> +<p>„Je weet wel, die dame, bij wie we vandaag die tollen en de sigaar kochten.” +</p> +<p>„O ja, dat zou leuk zijn,” zei Nel, nog niet geheel bekomen. +</p> +<p>„Ik zou hem allerlei versjes leeren; te beginnen met: „’t Is vacantie, ’t blijft vacantie” +enz.” +</p> +<p>„Meen maar niet, dat dat zoo gemakkelijk zou gaan. Als hij hier op de slaapkamer stond, +dan zou hij al gauw roepen: „Nel, waar is mijn haarlintje, waar mijn armband, waar +mijn themaboek?” +</p> +<p>„Om te gieren,” vond Door. „Zou zoo’n vogel duur zijn?” +</p> +<p>„Ik weet het niet,” zei Nel geeuwend. +</p> +<p>„’t Is jammer, dat het er met mijn spaarpot altijd zoo treurig uitziet.” +<span class="pageNum" id="xd32e1644">[<a href="#xd32e1644">126</a>]</span></p> +<p>„En met de mijne.” +</p> +<p>„Zeg eens, Nel, Ne-èl.” +</p> +<p>„Ja”—kwam er flauw uit het andere ledikant. +</p> +<p>„Je moet je oogen eens half toe doen en dan naar de kaars kijken, dan zie je zulke +prachtige stralen.” +</p> +<p>„Hm,” zei Nel, „’k doe ze liever heelemaal toe, ’k ben slaperig.” +</p> +<p>„Ja, ik ook. Toch leuk, die stralen van die kaars, ik zal ze toch zoo meteen uitblazen—” +<span class="pageNum" id="xd32e1653">[<a href="#xd32e1653">127</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch09" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch09.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="label">Negende hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Een dag vol geheimen.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first"></p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">„Er stond een juffrouw aan de deur +</p> +<p class="line xd32e1661">Met een witte boezelaar veur +</p> +<p class="line xd32e1663">Hoe langer ze ston +</p> +<p class="line xd32e135">Hoe meer ze vergong”</p> +</div> +<p class="first">zei Door den volgenden morgen lachend en wees uit haar bed naar den kandelaar. +</p> +<p>„Och, lieve tijd, je hebt de kaars laten branden,” zei Nel en ’t was nog wel een nieuwe. +</p> +<p>„Ja, dat zal je altijd zien. Met stompjes zal mij zooiets niet overkomen. Maar eigenlijk +ben jij hier de schuldige.” +</p> +<p>„Nu nog mooier!” +</p> +<p>„Ja, want om jou van een wissen ondergang te redden, ontstak ik het licht,” zei Door +plechtig. +</p> +<p>„Ja, ’t was een nare droom,” zei Nel, nog rillend bij de herinnering. +<span class="pageNum" id="xd32e1675">[<a href="#xd32e1675">128</a>]</span></p> +<p>„Vertel hem nu maar; zoo onder het vastmaken van mijn knooplaarzen bestaat er niet +veel kans, dat ik hem verder droomen zal.” +</p> +<p>„Ja,” zei Nel, zich bezinnend, „ik droomde van koeien, die op mij af kwamen—en—en—verder +weet ik werkelijk niet meer.” +</p> +<p>„Dat dacht ik wel. Een droom is als een Fransche les, als je hem vertellen wilt, dan +weet je er hoogstens één regel van. Maar dat je van koeien gedroomd hebt, verwondert +mij niet na ons avontuur van gisteren. Mij dunkt, al de jonge leden van den huize +Van Brakel hebben het vannacht wel met een of meer koeien aan den stok gehad. Ik ken +mijzelf niet, dat ik er zoo heelhuids ben afgekomen, afschoon <i>jouw</i> koeien mij mijn halve nachtrust gekost hebben,” lachte ze. +</p> +<p>De lucht zat vol geheimen! +</p> +<p>Geen wonder, Leni was den volgenden dag jarig en dat is op zichzelf al een feest, +maar jarig zijn in de vacantie, met nog twee aardige logétjes, dat is wel een reden +om er een echten feestdag van te maken. Er werd dan ook heel wat afgefluisterd, zelfs +Kee werd er in betrokken, en wat meer zegt: Kee had nu eens geen haast, maar luisterde +belangstellend <span class="pageNum" id="xd32e1686">[<a href="#xd32e1686">129</a>]</span>naar Nel of Door. Leni’s hartje popelde van verlangen. +</p> +<p>„Is ons cadeautje al bezorgd?” fluisterde Door moeder in ’t oor. +</p> +<p>„Nog niet, juffertje Ongeduld, maar dat zal wel komen.” +</p> +<p>„Het zou jammer zijn, als het niet op tijd kwam. Weet u wat, ik ga eens even naar +den winkel.” +</p> +<p>„Dat zou ik maar doen, zoo’n wandeling is gezond,” zei mevrouw Van Brakel. +</p> +<p>„Hoe vervelend! Nu kan ik mijn handschoenen weer niet vinden; maar kom, dan maar zonder,” +overlegde Door bij zich zelf. „’t Is ook zoo warm.” +</p> +<p>Zoo alleen boodschappen doen was juist een kolfje naar Doors hand; ze hield dol van +winkels kijken en nu kon ze net zoolang voor een raam staan, als ze zelf verkoos. +Nel had gewoonlijk zoo’n haast. Toen ze eindelijk al haar aandacht gaf aan een winkel, +waar mooie platen voor de ramen hingen, bemerkte ze, dat een meisje naast haar stond, +dat gedurig naar haar keek en dat, telkens als Door haar aankeek, lachend haar hoofd +afwendde. Door wist niet, wat ze er van denken moest en liep verder. Bij een volgenden +winkel dacht ze: „Wat zien ze toch aan mij?” toen ze bemerkte, dat ook een dame, <span class="pageNum" id="xd32e1695">[<a href="#xd32e1695">130</a>]</span>die eerst achter haar had geloopen, haar in ’t voorbijgaan aankeek en lachend doorliep. +</p> +<p>„’t Is, alsof iedereen weet, dat we morgen een feestje hebben,” dacht ze bij zichzelf +en liep wat vlugger om gauwer thuis te zijn. Maar voor ze den winkel in ging om te +vragen, of het cadeautje, dat zij en Nel aan Leni wilden geven, klaar was, keek ze +nog eens voor de ramen naar allerlei beeldige dingetjes. Nauwelijks stond ze daar, +of een slagersjongen zei lachend: „Zeg eens, jongejuffrouw, is dat de laatste mode, +op <i>die</i> manier je handschoenen te dragen?” +</p> +<p>Nu werd het Door toch te erg en met een kleur als vuur draaide ze den winkel in. +</p> +<p>„Juffrouw,” begon ze stotterend, „is …” maar Door kon bijna niet verder spreken, toen +ze het lachende gezicht van de juffrouw zag. „Is de,” hakkelde ze. Maar op eens schaterde +de juffrouw het uit: „Hebt u zoo door de stad geloopen?” +</p> +<p>„Ja,” knikte Door verlegen. „Ja.” +</p> +<p>Door bekeek zich van alle kanten, draaide zich om en om. +</p> +<p>„Hebt u niet naar uw handschoentjes gezocht?” Door knikte; begreep er niets van. „Voelt +u dan <span class="pageNum" id="xd32e1708">[<a href="#xd32e1708">131</a>]</span>eens op uw hoed.” Nu schaterde Door het uit. „O, daar zijn ze, nu begrijp ik alles.” +</p> +<p>„Ja, maar er zit nog iets, ik geloof een zakdoek. Voel maar eens achter de lus.” +</p> +<p>„Ja warempel,” lachte Door. „Als ze dat thuis hooren! Ik ben maar wat blij, dat u +’t mij gezegd hebt, dank u wel. Maar nu zou ik bijna mijn boodschap vergeten. Ik kwam +eens hooren, of de mand klaar was. Morgen is mijn zusje jarig.” +</p> +<p>De juffrouw beloofde het cadeautje op tijd te bezorgen en lachend nam Door afscheid. +</p> +<p>„Net iets voor jou, net iets voor jou,” riep Nel, toen Door het heele verhaal thuis +deed. +</p> +<p>„Prachtig,” zei vader, „prachtig. Jullie zult eens zien, dit meisje wordt nog een +professor.” +</p> +<p>„Je verschijnt nog eens op een morgen met de handschoenen aan je voeten en de schoenen +aan je handen,” plaagde Dolf. +</p> +<p>„Dat denk ik niet,” zei Door; „want gewoonlijk mis ik een van beide.” +</p> +<p>En terwijl Door beneden het verhaal deed van haar ongelukkigen tocht, liepen Hans +en Bob met Fritsje tusschen zich in ongemerkt zacht de trap op. „Pas op, dat Leni +ons niet hoort,” zei Hans. +<span class="pageNum" id="xd32e1720">[<a href="#xd32e1720">132</a>]</span></p> +<p>„Leni morgen jarig,” zei Fritsje. +</p> +<p>„Ja, Leni krijgt iets heel moois,” zei Hans gewichtig. +</p> +<p>„Ja,” zei Bob, „Leni krijgt een echt kuikentje, omdat ze zooveel van kuikentjes houdt.” +</p> +<p>„Waar is het?” vroeg Frits belangstellend. +</p> +<p>„Kom maar mee, het ligt in dezen koffer,” zei Hans, terwijl hij den koffer open deed. +Nieuwsgierig keek Frits er in. +</p> +<p>„Ik zie geen kuikentje,” zei hij teleurgesteld. +</p> +<p>„Zie je dat ei daar liggen?” vroeg Hans, nadat hij eerst allerlei kleedingstukken +van hem en Bob uit den koffer had genomen. +</p> +<p>Frits knikte. +</p> +<p>„Dat ei wordt een kuikentje,” legde Bob uit. +</p> +<p>„Ja,” zei Hans, Bobs woorden herhalend, „dat ei wordt een kuikentje.” +</p> +<p>„Een echt?” vroeg Frits ongeloovig. +</p> +<p>„Ja. Maar eieren moeten een geheelen tijd héél warm liggen, voor er kuikentjes uit +kunnen komen,” onderwees Bob weer. „Ik zal het daarom maar weer gauw toedekken.” +</p> +<p>„Als wij hier een kip hadden,” bepeinsde Hans, „dan konden wij die er op zetten.” +</p> +<p></p> +<div class="figure p4width"><img src="images/p4.png" alt="Nieuwsgierig keek Frits er in." width="490" height="720"><p class="figureHead">Nieuwsgierig keek Frits er in.</p> +</div><p> +</p> +<p>„Ja,” zei Bob, wien dit ook wel toelachte, „dan <span class="pageNum" id="xd32e1741">[<a href="#xd32e1741">133</a>]</span><span class="pageNum" id="xd32e1742">[<a href="#xd32e1742">134</a>]</span>kroop er misschien morgen wel een kuikentje uit het ei, dat zou heerlijk zijn.” +</p> +<p>„Durf jij een kip uit den tuin halen?” vroeg Hans. +</p> +<p>Bob schudde heftig zijn hoofd. „Een doode misschien wel,” kwam er flauwtjes uit. +</p> +<p>„Ja, maar die is er niet,” zei Hans, met een bedenkelijk gezicht naar de plaats kijkende, +waar het ei lag, bedolven onder blousjes en broeken. +</p> +<p>„Zal Fritsje kipje zijn?” stelde Frits moedig voor. +</p> +<p>Hans en Bob keken elkaar aan. +</p> +<p>„Kun je stil zitten?” vroeg Bob. +</p> +<p>Frits knikte. +</p> +<p>„Kippen zitten altijd doodstil op de eieren,” zei Hans, die zich verplicht gevoelde +Frits het moeilijke van zijn taak goed onder het oog te brengen. +</p> +<p>„Ik kan wel voor kipje spelen,” zei Frits, die bij zijn voorstel bleef. +</p> +<p>„Dan zal ik de kleeren weer uit den koffer krijgen.” +</p> +<p>„Kun je er alleen in stappen?” vroeg Bob. +</p> +<p>Neen, dat kon hij niet. Hans en Bob moesten hem helpen. +</p> +<p>„Daar is Julia ook,” zei Bob, „die mag hier niet in deze kamer, dan wil ze misschien +ook in den koffer.” +<span class="pageNum" id="xd32e1759">[<a href="#xd32e1759">135</a>]</span></p> +<p>„Als ’t kuikentje piept, moet je er dadelijk uitkomen,” waarschuwde Hans. +</p> +<p>Frits knikte. +</p> +<p>„Als Frits op het kuiken zit, dan kan het wel dood gaan,” zei Bob angstig. +</p> +<p>Dat was een moeilijk geval, daar hadden Bob en Hans nog in ’t geheel niet aan gedacht. +</p> +<p>„Laten we dan maar liever de kleeren weer op ’t ei leggen,” stelde Bob voor, die in +zijn verbeelding het doode kuikentje al zag. En juist zou Frits maar weer kip af zijn, +toen vreeslijk gegil van beneden tot hen doordrong. Bob en Hans holden naar het raam +aan den voorkant en zagen nog juist, dat Julia door Leni van de straat opgeraapt werd. +</p> +<p>„Hoe vreeselijk, Julia is uit het raam gevallen!” Bob en Hans vergaten Frits en liepen, +zoo vlug ze konden, naar beneden. +</p> +<p>„Och, lieve poes, lieve Julia,” riep Leni schreiende. „Zie ze eens beven. Als ze maar +niet dood gaat.” Zacht streelde ze poes; allen stonden om haar heen. +</p> +<p>„Ze heeft gelukkig niets gebroken,” zei mijnheer Van Brakel, de pootjes onderzoekend. +„Zet haar op dezen stoel, Leni; ik denk, dat ze wel gauw weer de oude zal zijn. Zij +is natuurlijk erg geschrokken.” +<span class="pageNum" id="xd32e1770">[<a href="#xd32e1770">136</a>]</span></p> +<p>„Zie ze toch eens beven,” zei Leni. +</p> +<p>„Maar hoe kwam poes toch boven? De deur van de voorkamer moet opengestaan hebben.” +</p> +<p>„Poes wou in den koffer,” versprak Hans zich, „maar dat mocht niet, want Fritsje.…” +</p> +<p>„Fritsje? Is Frits dan boven?” vroeg mevrouw Van Brakel verbaasd. „Ik dacht, dat jullie +met hem in den tuin speelden.” +</p> +<p>„Fritsje zit in den koffer,” lichtte Bob toe. +</p> +<p>„In den koffer?” Allen keken verbaasd naar de tweelingen, toen Hans, die opeens aan +de verrassing van Leni dacht, zei: „Ja, ’t is een geheimpje, hé Bobbie?” +</p> +<p>De verwondering steeg ten top. Door holde naar boven, waar ze Fritsje snikkend in +den koffer vond zitten. +</p> +<p>„Och, kleine vent, wat scheelt er aan?” Maar niettegenstaande het diep ongelukkige +gezichtje van Frits kon Door toch haar lachen niet bedwingen, toen Frits tusschen +het schreien door riep: „Ik—ik—wil geen kippetje zijn, Dora, ik wil geen kippetje +zijn.” +</p> +<p>Toen Door met het snikkende Fritsje beneden kwam en met vragen bestormd werd, zei +ze lachend: +<span class="pageNum" id="xd32e1782">[<a href="#xd32e1782">137</a>]</span></p> +<p>„Wij vertellen niets, dat is nu <i>ons</i> geheimpje, wat zeg jij, kleine man?” Fritsjes verdriet, nu hij uit den koffer en +weer bij moesje was, was spoedig geleden. +</p> +<p>Gelukkig was Julia gauw weer beter en toen Leni even de kamer uit was, stelde vader +voor, eerst de tweelingen en daarna Julia te photografeeren. Kee werd in het geheim +genomen. Die kwam daarom even later Leni vragen, haar wat te helpen. +</p> +<p>„Ik kom anders nooit klaar en jij kunt zoo mooi helpen, je doet mij zooveel pleizier,” +beweerde ze. „Je werkt nog beter dan ik zelf.” En ze liet Leni koffie malen uit den +treuren, totdat ze wel voor een week genoeg had. En nadat de heer Van Brakel Bob en +Hans had gephotografeerd, beiden zittende in de sportkar, was hij met een onuitputtelijk +geduld bezig Julia te „nemen.” Juist op ’t moment, dat het gaan zou, zag Julia, onbewust +van ’t gewichtige oogenblik, een vlieg, waardoor haar rustige houding van even te +voren geheel veranderde en zij vol belangstelling het diertje met haar poot trachtte +te grijpen. Maar eindelijk, na herhaalde pogingen, stond Julia er „prachtig” op. Fox, +die eigenlijk ook <span class="pageNum" id="xd32e1790">[<a href="#xd32e1790">138</a>]</span>op een kiekje moest, was op dat oogenblik nergens te vinden en dus bleef het bij poes +en de tweelingen. Dolf stelde voor Toetie en Snoetie te fotografeeren, maar deze twee +waren vader veel te beweeglijk, zoodat er veel kans zou zijn, dat Snoetie met twee +koppen en Toet er misschien met twee staarten opkwam en vader wist zeker, dat Leni +op zoo’n portret van haar lievelingskippen niet gesteld was. +</p> +<p>„Jammer, dat Foxje er niet is,” zei Dolf, „ik wil nog eens kijken, misschien is hij +wel in de buurt.” En juist zou Dolf de kamer uitgaan, toen Nel hem lachend tegen hield. +</p> +<p>„Weer een brief van oom Karel,” zei ze, „dien moet je eerst hooren, ik zal hem voorlezen. +Jongens, een brief van vader, kom eens gauw,” riep ze den tuin in. „Waar is Leni, +die moet ook bij de voorlezing wezen.” +</p> +<p>„Hoera, hier zijn we al,” juichte het drietal. +</p> +<p>„Toe, Nel, begin nu gauw,” zei Door. +</p> +<p>Nel las: +</p> +<p>„Mijn lieve kaboutertjes! Het briefje, dat ik hierbij insluit, is van Miekie. Ik vond +het op den lessenaar. Miekie had natuurlijk geen postzegel, daarom heb ik <span class="pageNum" id="xd32e1800">[<a href="#xd32e1800">139</a>]</span>het briefje maar in het couvert gedaan en aan jullie verzonden. Dat zij gisteren iets +in haar schild voerde, was duidelijk. Zij bleef voortdurend bij mij zitten, terwijl +ik zat te schrijven. Na eerst op mijn schouder en toen op een paar boeken gezeten +te hebben, ging ze op een blaadje postpapier zitten. Als ik haar zei: „maar, Miekie, +postpapier is er toch niet om op te zitten,” dan knipte ze een paar keer met haar +groene oogjes en keek het raam uit, alsof ze ’t onschuldigste poesje van de wereld +was.” +</p> +<p>„Precies zooals Julia doen kan,” zei Door. „En toen ik klaar was,” las Nel verder, +„en het papier wilde meenemen, was ze zoowaar ingedommeld, zoo hield zij zich tenminste, +zoodat ik het blaadje wel moest laten liggen. Toen ik later den brief zag, begreep +ik, waarom zij dit grapje uitgehaald had. +</p> +<p>Nu wil ik nog even vertellen, dat ik morgen bij jullie kom. Ik weet, dat er dan een +klein meisje jarig is, dat ik graag zou willen feliciteeren en ’t is dan mijn plan, +de kaboutertjes den volgenden dag mee naar hier te nemen. We verlangen allen erg naar +hen en dan … sedert gisteren heeft hier in huis een groote verandering plaats gehad, +maar ik <i>schrijf</i> niet wat. Ik zal het mijn kaboutertjes zelf <span class="pageNum" id="xd32e1807">[<a href="#xd32e1807">140</a>]</span><i>vertellen</i>. Wat zullen ze opkijken! Honderd kusjes van vader en moeder.” +</p> +<p>„Komt Paatje morgen hier?” riepen Bob en Hans opgetogen. +</p> +<p>„Ja, hoe vindt jullie dat?” +</p> +<p>„Heerlijk!” zei Bob, „juist op Leni’s verjaardag.” +</p> +<p>„En gaan we dan gauw naar huis?” +</p> +<p>„Zeker, dan nog één nacht hier slapen,” zei Nel, lachend om de opgewonden gezichtjes. +</p> +<p>„Dan gaan we weer naar Maatje,” zei Hans blij. +</p> +<p>„Ja en als jullie dan heerlijk bij je Maatje zit en bij Miekie, Bruun en Jaap, dan +zitten wij helaas weer op school,” zei Dolf zuchtend. +</p> +<p>„Maar nu kunnen we nog zingen,” zei Door en met een potlood de maat slaande, begon +ze: +</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">„’t Is vacantie, nog vacantie. +</p> +<p class="line">Hoera vacantie boven.”</p> +</div> +<p class="first">En allen vielen mee in: +</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">„En ieder, die ’t niet zingen wil, +</p> +<p class="line">Die moet er aan gelooven.”</p> +</div> +<p class="first">Dolfs stem hoorde men boven allen uit. +</p> +<p>„Stil, nu zal ik Miekies brief voorlezen, kijk toch eens die groote letters,” zei +Nel, den brief in de hoogte houdende. +<span class="pageNum" id="xd32e1829">[<a href="#xd32e1829">141</a>]</span></p> +<p>„Leuk,” riep Leni, „begin nu maar.” +</p> +<p>„Lieve baasjes,” las Nel en keek daarbij Bob en Hans aan, wier gezichtjes straalden +van genot. „Ik verlang zoo naar jullie en Bruun ook. Jaap, geloof ik, ook wel, maar +dat kan mij niet schelen; want op Jaap ben ik boos. Dat is zóó gekomen. Ik was gisteren +op de muizenjacht. Uren en uren had ik voor een gaatje gezeten, waaruit een muis moest +komen. Ik kreeg op ’t laatst erg veel verlangen naar mijn schoteltje met melk, maar +toch bleef ik zitten, omdat ik bang was, dat mij ’t muisje ontsnappen zou. Bruno kwam +ook een paar keeren bij mij, hij wou met mij spelen, maar ik bleef zitten, ik wou +het muisje hebben. Eindelijk, jawel, daar stak het zijn puntsnuitje uit het gaatje. +Ik verroerde mij niet. Voorzichtig kwam het er verder uit, zag overal rond, tot het +opeens heelemaal te voorschijn kwam. Toen sprong ik er op af, maar toch ontkwam het +mij en schoot achter een kist. Ik zal jou wel krijgen, dacht ik, en bleef dicht bij +de kist zitten. Op eens kwam Jaap binnen. Hij begreep blijkbaar dadelijk, waarom ik +zoo stil zat. „Jij boosdoenster,” zei hij. „’t Is jou zeker weer <span class="pageNum" id="xd32e1833">[<a href="#xd32e1833">142</a>]</span>om een muis te doen.” En toen eindelijk de muis van achter de kist te voorschijn kwam, +zette hij de deur wijd open; zoo ontsnapte mij het heerlijke kluifje. Toen ik het +achtervolgen wilde, smeet hij de deur toe en zei: „Dat kun je begrijpen! Jij er weer +achter aan zoodat je het op ’t laatst tòch zou krijgen? Neen, daar komt niets van +in.” Zoo was dus al mijn loeren voor niets geweest. Ik was zóó boos, dat ik mij direct +omkeerde en wegliep. Later kwam Jaap nog weer bij mij met allerlei mooie praatjes, +maar ik deed, alsof ik sliep en toen ging hij gauw weer weg. +</p> +<p>„O, die oom Karel,” lachte Dolf, „wat kan die toch aardige.…” +</p> +<p>„Nu, wat kan oom Karel?” vroeg vader plagend. +</p> +<p>„Neen, neen,” zei Dolf. „Ik bedoel, wat kan Miekie toch aardige brieven schrijven.” +</p> +<p>„Alsof Julia ’t niet zoo kan,” lachte Ma. +</p> +<p>„Ja, natuurlijk, Julia is dan ook een bijzonder knappe poes,” zei Door. +</p> +<p>„Laat mij nu verder lezen,” zei Nel, „de brief is nog lang niet uit.” +</p> +<p>„Ik wilde toen mijn troost bij Bruno zoeken, maar die was als gewoonlijk buiten en +speelde op <span class="pageNum" id="xd32e1844">[<a href="#xd32e1844">143</a>]</span>’t grasveld met andere honden. Aan den kant van het grasveld staan boomen, zooals +jullie weet, en nu had iemand zijn hond, een mooien zwarten poedel, met een touw aan +een van die boomen vastgebonden, zeker, omdat hij hem niet goed mee naar binnen kon +nemen. Natuurlijk was dit alles behalve prettig voor dien hond, vooral, omdat hij +al die andere zoo vroolijk zag ronddraven. Bruno was al eenige malen naar den armen +gevangene toegeloopen om een praatje met hem te maken, maar dan kreeg hij weer zoo’n +lust om te stoeien, dat hij wel driemaal ’t bloemperk omrende, tot hij op eens op +de gedachte kwam den poedel te helpen. Hij begon in het touw te bijten, te bijten—nu, +je weet, Bruun heeft scherpe tanden. De vastgebonden hond begon te kwispelstaarten +en te blaffen, Bruun rustte even, begon weer met vernieuwde krachten te rukken en +te bijten. Tot hij het touw doorgebeten had. Als een pijl uit den boog rende de poedel +niet eenmaal, maar wel zesmaal ’t grasveld rond. Wat was hij blij! Bruun achter hem +aan. Het werd een dolle jacht. +</p> +<p>Toen de poedel geheel buiten adem met de tong uit den bek even stil stond, kwam zijn +baas er aan. <span class="pageNum" id="xd32e1848">[<a href="#xd32e1848">144</a>]</span>Als jullie zijn gezicht gezien hadt! Hij keek van den boom naar den poedel en van +den poedel naar den boom en dan naar de andere honden. Eenige menschen, die alles +gezien hadden, wezen naar Bruno. De baas lachte nu ook, floot een paar malen en jawel, +daar kwam de poedel, nog met een stuk touw achter zich aan, schoorvoetend naar hem +toe. Hij was, geloof ik, bang, dat de baas boos zou zijn, maar die klopte zijn hond +op den rug, streek hem over den kop, zoodat de poedel vroolijk kwispelstaartte en +met hem meeliep.” +</p> +<p>„Zou Foxje ook zoo iets kunnen doen, vader?” vroeg Dolf. +</p> +<p>„Misschien wel, maar Bruun is een groote, sterke hond en heeft natuurlijk een sterk +gebit.” +</p> +<p>„Kom maar terug naar je zoo zéér verlangende Miekie,” las Nel. +</p> +<p>„Prachtig, moes, wat zou die verandering toch kunnen zijn?” vroegen Nel en Leni. +</p> +<p>„Dat zul je morgen wel hooren,” lachte ma. +</p> +<p>„Misschien heeft vader kuikentjes gekocht,” zei Hans, die aan zijn ei in den koffer +dacht. „Of heeft Bruun een nieuwen halsband gekregen,” raadde Bob. +<span class="pageNum" id="xd32e1857">[<a href="#xd32e1857">145</a>]</span></p> +<p>„Of, of,” zei Leni, „heeft Miekie jonge poesjes gekregen.” +</p> +<p>„Ik wou, dat ’t al morgen was,” zuchtte Hans. +</p> +<p>„Ik kan bijna zoolang niet wachten,” zei Bobbie. +</p> +<p>„Nu kan ik door twee dingen bijna niet in slaap komen vanavond. Ten eerste, omdat +ik morgen jarig ben en ten tweede, omdat ik zoo verlangend ben naar hetgeen oom Karel +heeft te vertellen.” +</p> +<p>„Moes, u weet het,” zei Door, mevrouw Van Brakel met den vinger dreigend. „Toe, vertelt +u het ons eens.” +</p> +<p>„Dat kun je begrijpen,” lachte moeder. +</p> +<p>En toen Door Nel later iets in het oor fluisterde en Dolf vroeg, of er ook een verfkwastje +was, zei mijnheer Van Brakel lachend: „’t Is hier wel een tijd van geheimpjes, dat +moet ik zeggen.” +</p> +<p>„Nu, kinderen, ’t is tijd om naar bed te gaan. De tweelingen en Leni slapen zeker +al lang.” +</p> +<p>„Ja, kom Nel, wij moeten morgen vroeg op,” zei Door, „want”.… +</p> +<p>„St., niets vertellen,” zei Nel, den vinger op den mond houdende. +</p> +<p>„Och, lieve tijd,” zuchtte Door, „ik vind het toch zoo „onmogelijk” lastig, geheimen +te bewaren.” +<span class="pageNum" id="xd32e1871">[<a href="#xd32e1871">146</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch10" class="div1 last-child chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch10.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="label">Tiende hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Leni’s verjaardag.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">„’t Is zes uur, sta op,” fluisterde Nel. +</p> +<p>„Wat zeg je?” vroeg Door slaperig. +</p> +<p>„’t Is zes uur. We zouden immers bloemen voor Leni plukken. Kom er uit.” +</p> +<p>„Nu al?” +</p> +<p>„Ja zeker, anders komen we niet klaar.” +</p> +<p>„Ik ben zoo „onmogelijk” slaperig.” +</p> +<p>„Dat ben je om zeven uur ook nog,” was ’t kalme antwoord. +</p> +<p>„Je hebt ook nooit medelijden met mij,” kwam er grappig klagend uit. +</p> +<p>„Als ik klaar ben, ga ik en wacht niet op je.” zei Nel. „Stil, Leen draait zich om; +als ze wakker wordt, is alle aardigheid er af.” +</p> +<p>„Ik kom al,” zuchtte Door, haar kousen aantrekkend. +<span class="pageNum" id="xd32e1888">[<a href="#xd32e1888">147</a>]</span></p> +<p>Zacht fluisterend en op de teenen loopend kleedden Nel en Door, zich aan. +</p> +<p>„Begin nu alsjeblieft niet met je sproeiwoede,” zei Nel, toen Door haar waschkom vol +schonk, ’’dan wordt Leni stellig wakker.” +</p> +<p>„’k Vang dan anders twee vliegen in één klap,” zei Door lachend. +</p> +<p>„Hoe zoo?” +</p> +<p>„Wel, ik krijg de volle laag en jij bent wel tevreden met de druppeltjes, die mij +voorbij vliegen; op die manier zijn we gauw klaar.” +</p> +<p>„Als jij dat druppeltjes verkiest te noemen,” zei Nel, „’t is gewoonlijk een volslagen +fontein. Stil, Leni beweegt zich weer, sta nu toch doodstil.” +</p> +<p>Wel drie minuten stonden beide meisjes onbeweeglijk, angstig kijkend naar de kleine +jarige. +</p> +<p>„Voor standbeeld ben ik niet in de wieg gelegd,” zei Door, toen zij zich weer durfde +bewegen, „dat merk ik wel.” +</p> +<p>„En ik niet,” zei Nel. +</p> +<p>Plof! Wat was dat? Doors kam gleed uit haar handen. Beide meisjes stonden als palen; +want nu volgde een onrustbarend geschuifel in het ledikant. +</p> +<p>„Ga op den grond liggen,” commandeerde Nel <span class="pageNum" id="xd32e1902">[<a href="#xd32e1902">148</a>]</span>en zeeg zelf ook behoedzaam neer. Het geschuifel hield aan. Door en Nel stikten bijna +van ’t lachen. Door lag voorover met haar hoofd onder de tafel, de noodlottige kam +recht voor zich uit houdende. Nel in haar onderlijfje met de beenen onder haar eigen +ledikant. Toen werd de deur zacht opengeduwd en Hans stond met verbaasde oogen naar +het eigenaardige tooneeltje te kijken. +</p> +<p>Door wist geen raad van het lachen bij het zien van Hansjes verwondering. Hij dacht +zeker niet anders, of de beide meisjes waren door een aardschok neergesmeten. Door +wenkte met de kam, dat hij weg moest gaan. Hans scheen haar niet te begrijpen en bleef +onbeweeglijk staan. +</p> +<p>„W-e-g,” spelde Door met de lippen en wees naar Leni’s ledikant. +</p> +<p>„Het-ei-is,” fluisterde Hans en wilde blijkbaar nog meer zeggen, maar Door zwaaide +zóó wanhopig met de kam, dat Hans ten slotte bedrukt wegging. +</p> +<p>„Ik geloof, dat Leni weer in slaap gevallen is. Houd toch op met je gelach, je zult +alles nog bederven,” waarschuwde Nel boos. +</p> +<p>„Zag je Hansjes gezicht?” fluisterde Door, zich nu ook oprichtend. Nel knikte. Tot +overmaat van <span class="pageNum" id="xd32e1910">[<a href="#xd32e1910">149</a>]</span>ramp kwam Foxje ook nog in de kamer, maar Door zette hem er voorzichtig uit en zoo +kwamen de beide meisjes toch eindelijk klaar. Moeder was al beneden en werd in het +geheim genomen; ze beloofde Leni, als ze beneden kwam, naar Kee te sturen, tot alles +voor de jarige klaar was. +</p> +<p>„Kom nu maar gauw mee,” zei Nel tot Door; „want er zijn heel wat vaasjes te vullen.” +</p> +<p>„Gelukkig! Ons cadeau is bezorgd,” zei Door, op de nieuwe mand voor Julia wijzend. +„Stopt u die maar goed weg, moes, anders ziet Leni die nog, voor we thuis zijn.” +</p> +<p>„Daar zal ik wel voor zorgen, kind! Ja, meisjes, jullie moet voortmaken. Een verjaardag +zonder bloemen en dat nog wel in den zomer, dat gaat toch niet. ’t Is heerlijk, dat +jullie een veldbouquet gaat plukken; want het zou jammer zijn den tuin te plunderen, +als het niet noodig is; alles staat nu zoo mooi en we hebben er zoo lang pleizier +van.” +</p> +<p>„Ja, moes, we komen gauw terug,” zei Door, die den botaniseertrommel van Dolf nam. +Na een half uur hadden de meisjes een prachtigen ruiker geplukt. +</p> +<p>„Ik pluk ook nog wat papavers,” zei Nel, „die staan zoo beeldig.” +<span class="pageNum" id="xd32e1918">[<a href="#xd32e1918">150</a>]</span></p> +<p>„Ja, dat doen ze, maar ze zijn zoo gauw verlept,” vond Door. +</p> +<p>„Ziezoo, we hebben genoeg, laten we maar vlug opstappen, want het valt niet mee, alles +te moeten rangschikken.” +</p> +<p>„Is Leni al beneden?” was ’t eerste wat Nel vroeg, toen ze thuis kwamen. +</p> +<p>„Neen, ze schijnt nogal te kunnen slapen, niettegenstaande ze gisteren het tegendeel +beweerde,” zei mevrouw Van Brakel. „Hè, kinderen, kinderen, wat een schat van bloemen +brengen jullie mee.” +</p> +<p>Alle vaasjes en glazen werden voor den dag gehaald en met bloemen gevuld, wat aan +de kamer een echt feestelijk aanzien gaf. +</p> +<p>„Foxje, kom eens hier, oude jonge, je vrouw jarig en jij geen strik om? Dat is ongehoord.” +En Nel bond Fox een blauw lint om den hals en maakte aan een kant een flinken strik. +Zoo heel pleizierig vond Foxje dit nu niet, maar voor een jarige moet je wat over +hebben, had hij dikwijls gehoord en dus droeg hij zijn lot gelaten, zooals een gehoorzaam +en liefhebbend hondje past. En terwijl Nel bezig was met Fox, bond Door Julia een +rood lint om. Blauw was meer haar kleur, vond Door, maar met het oog op <span class="pageNum" id="xd32e1927">[<a href="#xd32e1927">151</a>]</span>de rood gevoerde mand was het beter de halsversiering ook in die kleur te nemen. +</p> +<p>„Daar komt Leni aan!” riep Nel. „Waar is Dolf en waar zijn de tweelingen en vader? +We moeten toch allen in de kamer zijn, voor Leni binnenkomt.” +</p> +<p>„Dolf is achter in den tuin, met Bob, Hans en Fritsje.” +</p> +<p>„Jongens, op ’t appèl!” riep Door. +</p> +<p>„’t Is vandaag feest, zooals ’t nooit is geweest,” zong vader en kwam met Leni binnen. +Leni wist van verlegenheid niet, hoe ze kijken zou, toen allen haar in de kamer opwachtten. +</p> +<p>Verrukt keek ze naar de bloemen. +</p> +<p>„Ja, ja, daarvoor hebben Nel en Door gezorgd. Wat zeg je daar wel van?” zei moeder. +</p> +<p>„Beeldig,” vond Leni. +</p> +<p>„Een spel voor den tuin,” zei moeder en zette een groote kist op de tafel. +</p> +<p>„Een croquetspel,” <span class="corr" id="xd32e1940" title="Bron: juchte">juichte</span> Leni, „heerlijk!” En ze vloog op moeder en vader toe om beiden te bedanken. +</p> +<p>„Wat je Julia geeft, geef je Leni, hebben wij gedacht,” zei Door. +</p> +<p>„Een ledikant voor je Snoes,” voegde Nel er bij <span class="pageNum" id="xd32e1946">[<a href="#xd32e1946">152</a>]</span>en zette ter verduidelijking de poes in de nieuwe mand. +</p> +<p>„Hoe leuk!” riep Leni. „Och, zie haar eigenwijs gezicht eens.” +</p> +<p>„Julia onderzoekt, of ze een springveeren of een paardeharen matrasje heeft,” zei +Dolf, toen de poes de mand van alle kanten besnuffelde. +</p> +<p>„Maar hoe staan onze logé’s zoo stil te kijken?” vroeg mijnheer Van Brakel. +</p> +<p>„Er is geen kuikentje uitgekomen,” zei Bob. +</p> +<p>„Geen kuikentje uitgekomen, ventje?” vroeg moeder verwonderd. +</p> +<p>Door proestte het uit. +</p> +<p>„Neen,” zei Hansje, die dit gelukkig niet zag. „Het heeft al dien tijd in den koffer +gelegen onder onze blousjes. En Fritsje durfden wij er niet opzetten, omdat we bang +waren, dat het kuikentje dan dood zou gaan.” +</p> +<p>„Ik begrijp toch niet recht, wat je bedoelt,” zei vader, die moeite deed ernstig te +kijken; „vertel mij eens, wàt lag in den koffer, kereltje?” +</p> +<p>„Dit ei,” zei Hans. Maar nu kon mijnheer Van Brakel zich niet langer bedwingen. Hij +schaterde het uit en allen in de kamer schoten in een hartelijk gelach. +<span class="pageNum" id="xd32e1959">[<a href="#xd32e1959">153</a>]</span></p> +<p>„’t Is een kalkei; o jongens, jongens, jullie bent eenig, eenig!” +</p> +<p>Toen allen zoo vroolijk waren en het zich zoo in ’t geheel niet aantrokken, dat er +geen kuiken uit het ei gekomen was, zelfs Leni niet, toen moesten Hans en Bob toch +wel meelachen. +</p> +<p>„Kijk eens, dit màg jullie Leni geven,” zei moeder en gaf Bob een doos met flikjes. +„Daar kan ze dan eens uit presenteeren vanmiddag, als paatje er is.” +</p> +<p>Dat was goed. +</p> +<p>„Fisjeleer,” zei Fritsje, terwijl hij Leni een fleschje met eau de cologne vereerde. +Natuurlijk moest ieder even van de eau de cologne ruiken en daar Fritsjes zakdoek +nergens te vinden was, kreeg hij een beetje op de punt van zijn schort. +</p> +<p>„Nu heb ik hier ook nog een paar oude kennisjes,” zei vader, de portretten van de +tweelingen en Julia gevende. +</p> +<p>„Och, paatje, hoe aardig,” zei Leni verrukt. „Wanneer hebt u dat gedaan? Bob en Hans +hebben me er niets van verteld.” +</p> +<p>„Ja, dat <i>die</i> geheimen kunnen bewaren, hebben we gemerkt,” zei vader, „maar Julia doet voor hen +niet onder.” +<span class="pageNum" id="xd32e1972">[<a href="#xd32e1972">154</a>]</span></p> +<p>„Mag ik nu de jarige in den tuin verzoeken?” zei Dolf. +</p> +<p>„In den tuin?” vroeg Nel. +</p> +<p>„Ja, komt allen maar mee, achter in den tuin.” +</p> +<p>„Kijk toch eens, Dolf heeft warempel het kippenhok geverfd,” riep Leni opgetogen. +</p> +<p>„Hoe leuk!” +</p> +<p>„Dat noem ik nog eens een verrassing,” zei vader. „Ik wist werkelijk niet, dat ik +zoo’n knappen zoon had.” +</p> +<p>„Wanneer heb je dat gedaan?” vroeg Door. +</p> +<p>„Gisterenavond en vanmorgen. Ik was om zes uur al in den tuin,” zei Dolf, blij, dat +allen het zoo aardig vonden. „Maar nu moet je er ook eens even in gaan,” zei hij tot +Leni; „ik heb de kippenfamilie zoo met elkaar zien fluisteren, het zou mij niet verwonderen, +als zij ook een verrassing voor je hadden.” +</p> +<p>Lachend ging Leni in het hok. „Kom eens hier,” riep ze en stond te dansen voor de +nesten van Toetie en Snoetie. „Komt toch eens allen hier!” +</p> +<p>„Maar kindje, dat is toch wel wat veel gevergd,” zei vader; „het heele gezelschap +in het kippenhok! Laat ons liever eens zien, welke verrassing je kippenfamilie jou +bereid heeft: wij branden van verlangen.” +<span class="pageNum" id="xd32e1984">[<a href="#xd32e1984">155</a>]</span></p> +<p>„Toe, Leen, kom er uit,” zei Door, „je maakt ons zoo „onmogelijk” nieuwsgierig.” +</p> +<p>„Kijk eens,” zei Leni, „dit rose suiker ei heeft Toet gelegd. Het staat er op, leest +u maar.” +</p> +<p>„Van Toetie op uw verjaardag.” +</p> +<p>„Wel verbazend, dat is kranig,” zei vader. +</p> +<p>„En dit witte van Snoetie.” +</p> +<p>„Zulke kippen moesten we meer hebben.” +</p> +<p>„En dit,” zei Leni, en liet een chocolade-ei zien, „van …?” +</p> +<p>„Asschepoes,” raadde Nel gierend. +</p> +<p>„Van den haan. Zijn visitekaartje heeft hij er bij gelegd. Kijk, Haantje-Kukelekaantje +staat er op en aan den anderen kant: +</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">„Lief jarig pleegmoedertje, +</p> +<p class="line">In ’t kraaien ben ik wel een baas, +</p> +<p class="line">In ’t eier leggen niet, helaas! +</p> +<p class="line">Maar op het feest van pleegmama +</p> +<p class="line">Legde ik toch een ei van chocola +</p> +<p class="line">Uit dankbaarheid, omdat zij elken morgen +</p> +<p class="line">Zoo trouw voor mij en mijn kippen komt zorgen.”</p> +</div> +<p class="first">„Dolf, Dolf, hoe onmogelijk leuk.” +</p> +<p>Ieder moest het hanenei natuurlijk bekijken, ’t Was dan ook wel een groote bijzonderheid; +zelfs vader, <span class="pageNum" id="xd32e2007">[<a href="#xd32e2007">156</a>]</span>die al zoo oud was, beweerde, er nog nooit een gezien te hebben. +</p> +<p>„Jij krijgt straks het kapje, hoor Snoet,” zei Leni tegen Fritsje. Dat leek Frits +wel goed toe en Hans en Bob werd het kapje van de suikereieren beloofd. +</p> +<p>„Waar is Kee? Die moet ze ook zien,” riep Leni. +</p> +<p>„Daar komt ze juist aan.” +</p> +<p>„Asjeblieft,” zei Kee, nog voor Leni iets kon zeggen, „omdat jij mij gisteren zoo +geholpen hebt,” en meteen duwde ze Leni een klein, beeldig poppenkoffiemolentje in +de hand. +</p> +<p>„Och moes, maatje, zie eens, van Kee!” +</p> +<p>„Kindje! Maar ’t is al te erg vandaag, je wordt veel te veel verwend.” +</p> +<p>Toen Leni de eieren aan Kee liet zien van Snoet, Toet en Haantje-Kukelekaantje, sloeg +Kee de armen van verbazing in de hoogte. „Heb ik van mijn leven, heb ik van mijn leven! +Nu begrijp ik, waarom hij vanmorgen zoo aanhoudend kraaide, ’t Is dan ook geen kleinigheid, +een chocolade-ei. Dat doen de kippen hem niet na, ofschoon Snoet en Toet ook bijzonder +knap zijn. Maar, liefje, ik moet nu weer naar mijn boontjes,” zei Kee en holde weg. +</p> +<p>„Hoor Fox eens, met wien heeft die het toch <span class="pageNum" id="xd32e2018">[<a href="#xd32e2018">157</a>]</span>zoo aan den stok?” zei mijnheer Van Brakel. „Hij keft ons de ooren doof. Daar zit +toch soms geen vreemde poes onder die struik?” +</p> +<p>„O wee!” riep Door, „ik begrijp het al. Als Fox hem maar geen kwaad doet. Leni, kom +eens gauw hier. Kijk eens onder die struik.” +</p> +<p>Leni bukte zich. „Een egel?” vroeg ze verwonderd, „voor mij?” +</p> +<p>„Een extraatje van Door en mij,” zei Nel lachend. +</p> +<p>„Ik had het diertje maar stil willen laten liggen, maar Door dacht, dat jij hem wel +„snoezig” zou vinden, omdat je nu eenmaal alles snoezig vindt, wat dier is. We hebben +hem aan den weg gevonden.” +</p> +<p>„Laat eens kijken,” zei Dolf, „hoe grappig, ik heb nog nooit een egel zoo dichtbij +gezien.” +</p> +<p>Hans en Bob vonden het in ’t geheel geen aardig beestje, beweerden ze, en Frits bleef +op een eerbiedigen afstand. +</p> +<p>„Als Fox hem maar geen kwaad doet,” zei Door. +</p> +<p>„Wel neen, ’t blijft bij blaffen,” zei vader, „daar behoef jullie niet bang voor te +zijn. We zullen hem wat melk brengen, daar houden ze in den regel van.” +</p> +<p>Leni liep naar huis en kwam na een oogenblikje met een schoteltje met melk terug. +’t Was eerst, of <span class="pageNum" id="xd32e2031">[<a href="#xd32e2031">158</a>]</span>de egel ’t niet zag, maar al gauw begon hij te drinken tot groote vreugde van allen. +</p> +<p>„Je zult eens zien, hoe gauw hij tam is,” zei moeder. +</p> +<p>„Maar nu gaan we eerst ontbijten, anders zijn we niet klaar, als oom Karel komt,” +zei moeder. +</p> +<p>„Ik verlang ook naar paatje,” zei Bob. +</p> +<p>„Ja, en wat zou paatje wel te vertellen hebben?” vroeg Hans. +</p> +<p>„Nog maar een beetje geduld,” lachte moeder. +</p> +<p>„Morgen gaan we naar huis, hè tante?” +</p> +<p>„Goeden dag, goeden dag, feestvierende menschen!” hoorde men oom Karel dien middag +plotseling zeggen. „Daar ben ik al. Waar zijn mijn kaboutertjes en waar is de jarige +dame?” +</p> +<p>„Hier paatje,” en Bob en Hans vlogen hun vader om den hals. +</p> +<p>„Ja, ja, kereltjes, hoe is ’t met jullie? Druk aan ’t feestvieren zie ik. Wel, wel +Leni, is dat croquetspel een cadeau? En Fox en Julia in feestgewaad! ’t Is geen kleinigheid, +’k Ben wat blij, dat ik gekomen ben. Kijk eens, dat is nu <i>mijn</i> cadeautje. Ik hoop, dat je ’t mooi vindt, meisje. Ik kan maar niet vergeten, hoe +bedroefd je was over ’t verlies van sneeuwwitje en <span class="pageNum" id="xd32e2046">[<a href="#xd32e2046">159</a>]</span>daarom heb ik je nu een ander sneeuwwitje meegebracht.” +</p> +<p>„Een pop!” riep Lena opgetogen. „Oompje, hoe heerlijk!” +</p> +<p>„En als sneeuwwitje gekleed,” zei Door, „hoe beeldig! Kijk toch eens, moeder!” +</p> +<p>„Prachtig, prachtig! Die oom Karel verwent je maar,” zei moeder lachend. +</p> +<p>„Dat heb ik wel begrepen,” zei Nel, „dat jarig zijn in de vacantie lang niet voor +de poes is.” +</p> +<p>„En nu ’t geheimpje, oom,” zei Dolf. „Wij branden allen van verlangen.” +</p> +<p>„Dat is goed, kinderen. Bob en Hans, komen jullie eens bij mij zitten, ieder op een +knie. Het is iets heel moois en prettigs, dat ik te vertellen heb.” +</p> +<p>Allen keken oom vol verwachting aan. +</p> +<p>„Zoo’n aardig popje, als Leni gekregen heeft om mee te spelen,” begon oom, „is er +bij ons in huis gekomen.” +</p> +<p>„Ook een sneeuwwitje?” vroeg Bob verbaasd. +</p> +<p>„Maar, paatje, jongens spelen toch niet met poppen,” zei Hans teleurgesteld. +</p> +<p>Oom Karel glimlachte. „Er is bij ons in huis een levend popje—een kindje gekomen.” +<span class="pageNum" id="xd32e2061">[<a href="#xd32e2061">160</a>]</span></p> +<p>„Een echt?” Hans schoot van de knie af. +</p> +<p>„Ja, een echt.” +</p> +<p>„O, oom, hoe leuk, hoe aardig!” +</p> +<p>Even was er doodsche stilte. +</p> +<p>„Maar, maar,—wat doet ze, kan ze al praten?” zei Bob, die ’t eerst van zijn verbazing +bekomen was. +</p> +<p>„Eet ze al?” vroeg Hans. +</p> +<p>„Hoe groot is ze?—Heeft ze al haar? Slaapt ze?—Kan ze al lachen? Toe, paatje, toe +vertel eens alles.” +</p> +<p>„Kleine, lieve kaboutertjes, hoe kan ik zoo gauw op alle vragen antwoorden? Neen, +praten kan ze nog niet, dat moeten wij haar nog leeren. Ze kan nu eigenlijk nog maar +alleen slapen, drinken en schreien.” +</p> +<p>„Schreien is praten, hè paatje?” +</p> +<p>„Vindt moesje ’t prettig, dat het zusje er is?” +</p> +<p>„En Jaap?” +</p> +<p>„Jaap ook. En Griet, die anders zoo’n leven kan maken in de keuken, doet nu alles +even zacht.” +</p> +<p>„En-enne-paatje, luister eens. Hoe groot is zus?” vroeg Bob opgewonden. +</p> +<p>„Niet grooter dan Leni’s pop.” +</p> +<p>„Wijs eens, hoe groot haar handjes zijn.” +<span class="pageNum" id="xd32e2079">[<a href="#xd32e2079">161</a>]</span></p> +<p>„Zoowat zoo groot als jou wijsvinger. Twee aardige, roode knuistjes heeft ze.” +</p> +<p>„Nu hebt u nog in ’t geheel niet gezegd, hoe ze heet, oom,” zei Leni. +</p> +<p>„Ze heet Else, ons kleine meisje.” +</p> +<p>Allen vonden dit een prachtigen naam. „Zou ze ’t prettig vinden, dat we morgen terugkomen?” +</p> +<p>„Welk zusje zou niet blij zijn met zulke lieve broertjes,” zei oom Karel, Bob in de +wang knijpende. +</p> +<p>„O paatje, ik verlang zoo,” zei Hans met een diepen zucht. +</p> +<p>„Wat kunnen we later heerlijk paardje spelen, Bobbie. Zus komt dan in de sportkar +te zitten, jij wordt paard en ik koetsier.” +</p> +<p>„Neen, dan wil ik koetsier zijn,” zei Bob. +</p> +<p>„Neen,” pruilde Hans, „ik heb het ’t eerst gezegd.” +</p> +<p>„Weet jullie wat,” zei mevrouw Van Brakel, die bang was, dat er gekibbel kwam. „Zusje +mag dan kiezen, die is de dame, die gereden wordt.” +</p> +<p>„Ja, dat vind ik best,” zei oom. „En zal ik jullie nu eens vertellen, waarom zusje +<i>nu</i> gekomen is?” +</p> +<p>Ja, dat wist niemand. +</p> +<p>„Omdat ze het later zoo prettig zou vinden in de vacantie jarig te zijn.” +<span class="pageNum" id="xd32e2098">[<a href="#xd32e2098">162</a>]</span></p> +<p>„Òf ze gelijk heeft,” riepen Nel en Door tegelijk. +</p> +<p>„Maar nu moet ik toch werkelijk eens kijken, wat Leni gekregen heeft. Morgen in den +trein kunnen we den geheelen tijd over zusje praten. Mij dunkt, Door en Nel zijn hier +aan ’t versieren geweest. Wat een heerlijke massa bloemen! Met je nieuw croquetspel +wil ik vandaag vast een spelletje doen.” +</p> +<p>„Ja, ja, dat moet ingewijd worden,” zei Dolf. +</p> +<p>„En nu moet u nog eens iets zien,” zei Nel. +</p> +<p>„Extraatje van Door en mij,” stelde ze voor, op den egel wijzend. +</p> +<p>„Neen, oompje, alleen van mij, Nel durfde hem niet opnemen.” +</p> +<p>„Een egel? Daar moet je nu Door voor wezen om zoo’n aantrekkelijk diertje mee te nemen,” +lachte oom. „Wat zei zusje wel van zoo’n cadeau? Maar dat behoef ik eigenlijk niet +te vragen. Bij Leni is immers elk dier welkom.” +</p> +<p>„Dat zei ik ook, oompje.” +</p> +<p>„Hoe jammer,” zei Leni, „dat de egel zich nu heelemaal ingerold heeft.” +</p> +<p>„Dat is niets, die onbeleefdheid en dat nog wel op jouw verjaardag, zal ik hem wel +gauw afleeren,” zei oom. „Dolf, haal mij eens een kopje water, <span class="pageNum" id="xd32e2111">[<a href="#xd32e2111">163</a>]</span>dan zullen we „extraatje,” eens een bad geven.” +</p> +<p>Nauwelijks had de egel het water gevoeld, of hij begon zich te ontrollen. +</p> +<p>„O, kijk hem eens, kijk hem eens,” riepen Dolf en Nel. +</p> +<p>„Zie hem eens boos kijken,” lachte Door. „Foei, oude jongen, niet zoo ernstig en dat +nog wel op zoo’n grooten feestdag als vandaag. Ziezoo, zoo mag ik je liever, nu ben +je ons tevreden „extraatje” weer.” +</p> +<p>„Stil, wij worden geroepen! Wie het eerst thuis is,” zei oom en nam Fritsje op zijn +schouder en ’t heele jolige troepje holde achter hem aan. +</p> +<p>„Fritsje gewonnen! Moesje! Fritsje gewonnen!” +</p> +<p>„Ja, ja,” lachte moeder, „jij lijkt het winterkoninkje wel, die bij een wedstrijd +onder de vogels, wie ’t hoogste vliegen kon, onder de vleugels van den adelaar kroop +en zoo den strijd won, maar de andere vogels leelijk fopte.” +</p> +<p>Daar begreep Fritsje niets van, maar wel, dat, wat op tafel stond, heerlijk was. +</p> +<p>„Bob en Hans, kom gauw. Hier staan beschuiten met muisjes op tafel,” riep Dolf, die +de tweede overwinnaar was. „Ter eere van ’t zusje,” zei mevrouw Van Brakel. +<span class="pageNum" id="xd32e2123">[<a href="#xd32e2123">164</a>]</span></p> +<p>’s Middags werd er croquet gespeeld, tot groot pleizier van de groote en kleine menschen, +maar niet het minst van Fox en Julia, die elken bal naholden. Tot slot van het feest +onthaalde moeder nog op een heerlijke roomtaart, waarop ze voor de grap een vlaggetje +gestoken had en waarop stond: „Wie in Augustus geboren is, hoezee!” +</p> +<p>Allen begonnen dadelijk te zingen, zoodat het een oorverdoovend leven was. Toen werden +er nog allerlei spelletjes verzonnen en moest Leni „Toetie” raden uit: begraven steden +en Door „vacantie.” +</p> +<p>Eindelijk werd het tijd voor de kleintjes om naar bed te gaan. Leni mocht een uurtje +langer opblijven. Toen eindelijk ook Door, Nel en Dolf goeden nacht hadden gezegd, +zongen ze nog als op den eersten dag van de vacantie met een kleine verandering, door +Door in het schoone lied gebracht: +</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">„’t Is vacantie, nog vacantie, +</p> +<p class="line">Hoera vacantie boven! +</p> +<p class="line">En ieder, die ’t niet zingen wil, +</p> +<p class="line">Die moet er aan gelooven.”</p> +</div> +<p class="first">Den volgenden morgen voor schooltijd zag men weer, als op den eersten dag van de vacantie, +twee vlaggetjes uit een portier van den trein wapperen. <span class="pageNum" id="xd32e2135">[<a href="#xd32e2135">165</a>]</span>Maar nu wuifde oom Karel met zijn kaboutertjes den wachtenden bij den trein met even +vroolijke gezichten een afscheid toe. +</p> +<p>„Toe, kinderen, voor ’t laatst nog eens,” zei oom Karel plagend: „’t Is vacantie!” +</p> +<p>„Neen, oompje,” zei Door, lachend op haar boeken wijzende, „dat zal niet gaan!” +</p> +<p>En de anderen gaven Door volkomen gelijk. +</p> +<p>„Onmogelijk, meisje?” +</p> +<p>„Onmogelijk, oompje,” bevestigde Door. „Maar met de Kerstvacantie is ’t weer: „’t +Is vacantie,”—zou Door juist beginnen te zingen, toen de trein zich in beweging zette. +Nog een laatste wuiven van de vlaggetjes en van oom Karels witten zakdoek en ’t vroolijke +troepje groette van ’t perron terug. +</p> +<p>Om twaalf uur kwamen allen opgewekt uit school. +</p> +<p>„’t Was toch zoo leuk in de nieuwe klasse,” vonden Door en Nel. Dolf en Leni hadden +allerlei prettige verhalen. +</p> +<p>„Dat mag ik zien,” zei moeder. „Vroolijk op school en vroolijk thuis.” +</p> +<p>„Ja, ja, we zijn wat trotsch op ons jolig troepje,” zei vader lachend. +</p> +</div> +</div> +</div> +<div class="back"> +<div class="div1" id="toc"> +<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2> +<table> +<tr id="ch01.toc"> +<td class="tocDivNum">1. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch01">De eerste vacantiedag.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch01">5</a></td> +</tr> +<tr id="ch02.toc"> +<td class="tocDivNum">2. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch02">De logétjes.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch02">20</a></td> +</tr> +<tr id="ch03.toc"> +<td class="tocDivNum">3. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch03">Arme Hans en Bobbie.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch03">41</a></td> +</tr> +<tr id="ch04.toc"> +<td class="tocDivNum">4. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch04">De appelbollenpartij.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch04">53</a></td> +</tr> +<tr id="ch05.toc"> +<td class="tocDivNum">5. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch05">De verdwaalde dwergjes.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch05">63</a></td> +</tr> +<tr id="ch06.toc"> +<td class="tocDivNum">6. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch06">Een dagje buiten.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch06">77</a></td> +</tr> +<tr id="ch07.toc"> +<td class="tocDivNum">7. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch07">Twee knappe huishoudsters.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch07">93</a></td> +</tr> +<tr id="ch08.toc"> +<td class="tocDivNum">8. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch08">Een avontuur.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch08">107</a></td> +</tr> +<tr id="ch09.toc"> +<td class="tocDivNum">9. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch09">Een dag vol geheimen.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch09">127</a></td> +</tr> +<tr id="ch10.toc"> +<td class="tocDivNum">10. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch10">Leni’s verjaardag.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch10">146</a></td> +</tr> +</table> +</div> +<div class="transcriberNote"> +<h2 class="main">Colofon</h2> +<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3> +<p>Deze digitale editie is gebaseerd op de tweede druk uit 1917. +</p> +<h3 class="main">Codering</h3> +<p>Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren. +Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke +zetfouten in het origineel zijn gecorrigeerd. Dergelijke correcties zijn vermeld in +het colofon. +</p> +<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3> +<ul> +<li>2004-02-06 Begonnen. +</li> +<li>2008-03-28 Opnieuw bekeken. +</li> +<li>2024-12-07 Hogere resolutie afbeeldingen. +</li> +</ul> +<h3 class="main">Verbeteringen</h3> +<p>De volgende 5 verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> +<table class="correctionTable"> +<tr> +<th>Bladzijde</th> +<th>Bron</th> +<th>Verbetering</th> +<th>Bewerkingsafstand</th> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd32e551">33</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">„</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> +[<i>Verwijderd</i>] +</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd32e657">41</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">knappen</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">knapen</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd32e1004">71</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">ganw</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">gauw</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd32e1056">76</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">eok</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">ook</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd32e1940">151</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">juchte</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">juichte</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +</table> +</div> +</div> +<div>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 12070 ***</div> +</body> +</html> + diff --git a/12070-h/images/decoration.png b/12070-h/images/decoration.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..50b53b0 --- /dev/null +++ b/12070-h/images/decoration.png diff --git a/12070-h/images/front.jpg b/12070-h/images/front.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..b1d1dd4 --- /dev/null +++ b/12070-h/images/front.jpg diff --git a/12070-h/images/p1.png b/12070-h/images/p1.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..352a068 --- /dev/null +++ b/12070-h/images/p1.png diff --git a/12070-h/images/p2.png b/12070-h/images/p2.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..2950b92 --- /dev/null +++ b/12070-h/images/p2.png diff --git a/12070-h/images/p3.png b/12070-h/images/p3.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..ab5974a --- /dev/null +++ b/12070-h/images/p3.png diff --git a/12070-h/images/p4.png b/12070-h/images/p4.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..fb9c164 --- /dev/null +++ b/12070-h/images/p4.png diff --git a/12070-h/images/spine.jpg b/12070-h/images/spine.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..9ec01c4 --- /dev/null +++ b/12070-h/images/spine.jpg diff --git a/12070-h/images/titlepage.png b/12070-h/images/titlepage.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..3c77a62 --- /dev/null +++ b/12070-h/images/titlepage.png diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..ca392a1 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #12070 (https://www.gutenberg.org/ebooks/12070) diff --git a/old/12070-8.txt b/old/12070-8.txt new file mode 100644 index 0000000..28a1c40 --- /dev/null +++ b/old/12070-8.txt @@ -0,0 +1,4690 @@ +The Project Gutenberg EBook of Een Jolig Troepje, by Marie Leopold + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Een Jolig Troepje + +Author: Marie Leopold + +Release Date: April 17, 2004 [EBook #12070] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN JOLIG TROEPJE *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman en the Distributed Proofreaders Team + + + + +Een Jolig Troepje + +Door + +Marie Leopold + + + + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +DE EERSTE VACANTIEDAG. + + + "'t Is vacantie! 't blijft vacantie! + Hoera, vacantie boven! + En als je dat niet zingen wilt, + Dan moet je er aan gelooven!" + + +zong Nel in haar nachtjapon, terwijl ze met een natte spons in de +hand voor Dora's bed stond. + + + "Hoera! vacantie boven! + En als je dat niet zingen wilt, + Dan moet je er aan gelooven!" + + +Pats, de natte spons viel op Dora's gezicht. + +"Wat is dat, br.... Nel, wat scheelt je? Br....!" riep Door, die +op eens rechtop in haar bed zat met een druipnat gezicht. "Dat is +verraderlijk. Ik sliep zoo lekker. Kijk dat laken eens: kletsnat. Brr, +geef me gauw mijn handdoek." + +"Zul je dan zingen?" + +"Ja, ja, alles wat je wilt, maar geef eerst mijn handdoek. Gauw, +'t loopt met een straaltje achter in mijn nek." + +"Nu, zing dan," dreigde Nel, de spons voor Door in de hoogte houdende. + + + "'t Is vacantie, 't blijft vacantie, + Hoera, vacantie boven!" + + +viel Door in. + + + "En ieder, die 't niet zingen wil, + Die moet er aan gelooven!" + + +Hup, vloog ze 't bed uit, greep Nel de spons uit de handen, doopte die +n, tw, drie in de lampetkan. En vr Nel nog iets had kunnen doen, +daar droop haar geheele gezicht. Toen begon een wilde jacht om de +tafel, over bedden en stoelen, dat hooren en zien je verging. Midden +in die dolle jacht zat rechtop in haar bed kleine Leni in de handen +te klappen en mee te zingen. + +Zacht ging de deur open, wat Nel en Door in 't vuur van haar spel niet +hoorden. Nel was onder de tafel gekropen en sloeg met den handdoek +naar Door, die met een natte spons klaar stond om op haar vijandin +in te stormen. + + + "'t Is vacantie, 't is vacantie ..." + + +"Maar kinderen, kinderen, dat belooft wat voor de vacantie," lachte +moeder. + +"O moeder, we hebben zoo'n pret," juichte Leni met een hoogroode kleur. + +"Maar kijk eens, een beekje is er uit de spons geloopen van de +lampetkan naar den stoel." + +"Ja, dr," zei Door plechtig, "kreeg ik den vijand in handen." + +"Wat is dat?" riep moeder verschrikt, toen Leni haar met een sprongetje +op den rug zat. + +"Ook een vijand, maar een droge, dat zijn natte," zei Leen, terwijl +ze naar Nel en Door wees. "O, moesje, zing nu gauw, anders komt Door +met haar natte spons," en toen begonnen allen weer te zingen: + + + "'t Is vacantie, 't blijft vacantie, + Hoera, vacantie boven! + En als je dat niet zingen wilt, + Dan moet je er aan gelooven!" + + +En voor ze 't uit hadden, kwam in zijn hanssopje kleine broer, die +z verbaasd was over dit vroolijke tooneeltje in den vroegen morgen, +dat hij stil bleef staan, maar toch telkens de laatste woorden van +iederen regel trachtte mee te zingen. + +"Nu een, twee, drie voortgemaakt, kinderen. Zie eens, wat is 't al +laat. Kom, kleine broekeman, ga jij maar met mij mee, dan kunnen de +dames zich kalm aankleeden." + +"Jouw gezicht is in tijden niet zoo flink nat geweest, Nel," +plaagde Door. + +"En jij bent in tijden niet zoo vroeg uit je bed gesprongen," plaagde +Nel terug. + +"Ja, 't is zonde, dat ik er al uit ben," en met een verlangenden blik +keek ze naar haar bed. + +"Ik kroop er nog weer in, als ik jou was." + +"Nee, dank je, dan zijn jij en Leni al klaar, als ik mij nog aan +moet kleeden." Maar toch verplaatste Door zich er een oogenblik in, +hoe lekker het zou wezen nog eens eventjes er in te kruipen. Zoo'n +vacantie was juist zoo heerlijk, vond ze, omdat je dan niet zoo +"onmogelijk" vroeg op behoefde te staan. Half acht vond ze nu eenmaal +"onmogelijk" vroeg. Ze vond alles trouwens gauw "onmogelijk", vooral +als ze er geen lust in had. + +"Zeg eens, Door, zou ik mijn nieuwe gele schoentjes aan mogen +doen?" vroeg Leni. + +"Ik weet 't niet, schattepoes." + +"Trek jij je gele schoentjes maar aan, hoor," zei Nel. "'t Is vandaag +feest, omdat de vacantie begonnen is, en die schoentjes heb je gekregen +voor Zon- en Feestdagen." + +"Zou moesje 't goed vinden?" weifelde Leni. + +"Natuurlijk vindt ma het goed," pleitte Nel weer. "Zie je, den rechter +schoen doe je aan, omdat het de eerste vacantiedag is en dus een +feestdag, en den linker, ja den linker..." + +"Ik weet het: den linker doe ik aan, omdat Bob en Hansje komen." + +"O ja, hoe leuk. Wacht, ik zal je even helpen ter eere van Bob +en Hansje." + +"En ik voor den eersten vacantiedag: Ga maar op den rand van je +ledikant zitten. Beenen stijf houden, hoor." + +"O, jullie gooit mij haast om," zei Leni met een wanhopig gezicht. + +"Dat is niets, hou je maar flink vast, je valt niet in 't water. Wacht, +nog een duwtje. Wat is dat?" + +Daar lag Leni achterover in bed met de beenen in de lucht te +spartelen. Nel en Door lachten, dat de tranen haar over de wangen +liepen en met de kam begon Nel de maat te slaan: + + + "'t Is vacantie, 't blijft vacantie, + Twee gele schoentjes boven! + Wie dat niet met ons zingen wil, + Die moet er aan gelooven!" + + +En met de beenen in de lucht hoorde men Leni meezingen. + +"Laten we ons nu gauw klaar maken. Lieve deugd, kijk eens op de klok." + +"Ja, maar mijn schoenen zitten nog niet goed," klaagde Leen, die met +veel moeite uit het bed geklauterd was. + +"Stamp maar op den grond, dan zul je er wel in schieten," zei +Door. "Toe, Nel, jij bent al verder dan ik, help jij haar even met +'t haar. Ik moet mij nog wasschen. Maar waar is mijn handdoek? Wie +heeft mijn handdoek toch gezien?" + +"Pak den mijnen maar, die hangt op den stoel. Wat doe je?" vroeg Nel, +toen Door den handdoek recht voor zich uit hield en dien aandachtig +bekeek. + +"Ik zoek overal je natte puntje," zei ze plagend. + +"Denk je, dat ik mij na dat waterbad van jou nog ben gaan +wasschen? Dank je wel, hoor. Ik heb mij lekkertjes met den handdoek +afgedroogd. Wees maar blij, je kunt hem nu heerlijk gebruiken. Hoe +jij zoo'n ding ook altijd zoo nat krijgt, is mij een raadsel. Je kunt +toch wel schoon worden zonder zoo te plassen? Bah! Dat koude water, +daar moet ik niets van hebben." + +"En ik vind dat koude water nu juist zoo "onmogelijk" lekker. Zoo +met je geheele gezicht in de kom," zei Door, terwijl ze voorover ging +staan en haar gezicht nat gooide. "Lekker!" + +"Je schreeuwde toch maar moord en brand, toen ik met de natte spons +voor je bed stond," lachte Nel. + +"Nu ja, die aanval was ook verraderlijk." + +"Maar Door! Pas toch op, het wordt hier nog een overstrooming. Je +sputtert de geheele waschtafel onder en zie den spiegel eens." + +"Dat zijn dauwdroppels," lachte Door. + +"Andere dauwdroppels zul jij ook wel nooit te zien krijgen," plaagde +Nel terug. + +"Ziezoo, schattepoes, zeg nu eens of ik je niet een mooie kuif heb +gemaakt: wacht, ik zal je even optillen voor den spiegel. Die Door +ook met haar geplas, h? Je kunt bijna niet in den spiegel zien, +zoo heeft zij hem besputterd." + +"Kijk toch eens. Zie je waar dat op lijkt?" zei Door, met een druipnat +gezicht naar een plas op de waschtafel wijzende. + +Leen en Nel keken en keken. + +"Een molshoop," zei Nel eindelijk. + +"Wel nee, kijk eens goed." + +"Een hoed met een veer," raadde Leni. + +"Och nee, ook niet." + +"Zeg het maar," vleide Leni. + +"Neen, neen, niet dadelijk zeggen: een meertje," zei Nel. + +"Dat is flauw, o, als ik z sta, kom eens even op mijn plaats, dan is +'t sprekend, 't Lijkt op een dier," helderde ze op. + +"Een kameel," zei Nel weer. + +"Och neen, je zegt maar wat. Een dier, dat wij allen goed kennen." + +"Nu zie ik het," riep Leni. "Julia! Kijk, ze zit recht-op. Dat is +haar kop. Zie je haar oortjes?" + +"Nu zie ik het ook," riep Nel opgetogen. + +"Waar is haar staart, haar mooie dikke staart?" + +"Die houdt ze vast, ze staat er met haar voorpootjes op." + +"Och, kijk die oortjes toch, hoe sprekend. Dag, oude, lekkere, natte +poesekop," zei Leni. + +"O, waar is de snor? De snor, waar Julia zoo trotsch op is," vroeg Nel. + +"Neen, een snor heeft ze niet, dat is jammer," zei Leni. + +"Dat is niets, ga maar een eindje van de waschtafel af, dan sputter +ik die er even bij." Brr! brr! naar alle kanten vloog het water. + +"Och, hoe jammer, nu heb je haar heelemaal bedorven. Die aardige +oortjes lijken wel olifants-ooren." + +"En arme Julia heeft zich een dikken neus gestooten," lachte Nel. "Zie +dat propje eens. Maar kom, Dorus, maak nu toch voort, je komt zoo +nooit klaar." + +"Wij gaan vast naar beneden." + +"Wie 't eerst de trap af is," zei Leni. + +"Even wachten," riep Door. "Ik ben dadelijk klaar." + +"Nu, eventjes dan." + +"Zeg eens, Nel, waar is mijn haarlintje? Ik weet zeker, dat ik het +gisteravond hier op de tafel gelegd heb," zei ze, terwijl ze met +de linkerhand het toefje haar vasthield en met de rechter allerlei +dingen optilde en verlegde. "Wat is 't hier ook een "onmogelijke" +rommel op tafel. Zoo kun je ook niets vinden," mopperde ze. + +"Dat haarlintje van jou is ook een veel te net lintje om tusschen zoo'n +"onmogelijken" rommel te willen liggen. Kijk, hier heb ik het al." + +"Waar was het?" + +"Op je kussen lag het, eenzaam en verlaten." + +"O, ja, ik kon gisteravond nergens een bandje vinden en moest het +lintje wel gebruiken. Ziezoo, klaar," zei ze even later. "Wie 't +eerst beneden is. Ik zal tellen. En, twee, drie." + +Vr Nel of Door het zagen, had Leni haar eene been over de leuning +gegooid en gleed naar beneden. "Gewonnen!" riep ze en stormde door +naar de achterkamer, waar mevrouw Van Brakel bezig was voor 't ontbijt +te zorgen. + +"Dag, moesje." + +"Kindje, kindje, ik was werkelijk bang, dat je nooit klaar zou komen." + +"Ik heb het gewonnen, moesje. We deden wie 't eerst beneden was. Door +telde en flap! gooide ik mijn beenen over de leuning, nou--en toen +was ik 't eerst beneden. Door moest nog wel vijf treden doen. Jammer, +dat u zulke lange rokken hebt, dan is het natuurlijk erg moeilijk, +'t Gaat anders zoo heerlijk vlug. Je wint het zoo--altijd." + +"Ik zal er toch maar afloopen," lachte moeder. + +"Dan win ik het altijd van u, echt waar." + +Even later kwamen Nel en Door in de kamer. + +"Dag, maatje, dag, vader." + +"Treuzeltjes! Zijn jullie al op?" zei vader plagend. + +"Maar, vadertje, u weet ook niet hoe moeilijk 't is in de vacantie +vlug voort te maken." + +"Of 't moeilijk is!" + +"Kijk eens, ma," zei Leni, terwijl ze triomfantelijk haar gele +schoentjes liet zien. + +"Maar, Leni, kind, 't is toch geen Zondag. Hoe kom je daarbij, je +nieuwe schoenen ..." + +"Moeder, 't is een feestdag," zei Nel plechtig, "en deze schoentjes +zijn voor Zon- en Feestdagen." + +"Een feestdag?" + +"Bedenkt u zich maar eens goed." + +"Ik geloof, dat ik het begrijp," lachte vader. + +"Een feestdag? Jullie houdt mij voor den mal, ik begrijp er niets van." + +Toen begonnen alle drie de meisjes te zingen: + + + "'t Is vacantie, 't blijft vacantie, + Hoera, vacantie boven! + Wie dat niet met ons zingen wil, + Die moet er aan gelooven!" + + +"Ja, ja, jullie hebt gelijk, f het een feestdag is." + +"'t Is eigenlijk een ketting van feestdagen," vond Leni. + +"En, moes, we zijn nog heel bescheiden geweest ook, want voor de +ketting van feestdagen hebben we Leni alln maar den rechter schoen +aangedaan." + +"Alleen maar den rechter? Nu wordt het nog mooier. En waarvoor kreeg +ze dan wel den linker aan?" + +"Ook voor een feestdag." + +"O, 't is onmogelijk, u raadt het nooit, nooit, zeg ik." + +"'t Is ook wel wat "onmogelijk" vroeg voor al die raadseltjes," +zei vader. + +"'t Begint met ..." wilde Leni helpen. + +"Begin alsjeblief niet met: 't begint met," zei Nel, "dat is zulk +flauw raden." + +"'t Begint met Hans en Bob," raadde moeder. + +"Hoera voor onze knappe moes! Waar blijft Dolf toch?" + +"Hier ben ik: Dag vader, moeder, allemaal." + +"Zoo, studiosus!" + +"H, Dolf, hoe kom je zoo laat?" + +"Och ja, jullie met je vervelend lawaai. Ik kon gewoon niet slapen." + +"Stumperd!" + +"Wees nu maar niet zoo flauw, Nel. Moeder, mag 'k een boterham?" + +"Ze staat er al lang en je kopje thee ter eere van de vacantie is, +vrees ik, al koud geworden." + +"Vacantie bofe, mammi?" zei kleine Frits met een lief vraagstemmetje. + +"Ja, kleine grappenmaker." + +"Heb je ons hooren zingen, Dolf?" vroeg Nel. + +"Hooren zingen? Ik dacht, dat de zolder minstens naar beneden zou +komen." + +"Dat zou voor een eersten vacantiedag indrukwekkend geweest zijn," +vond Nel. + +"En "onmogelijk" gezellig voor jou, als we met ons drietjes zoo +plotseling voor je neus stonden." + +"Onmogelijk, onmogelijk," praatte Frits Door na. + +Allen proestten het uit. + +"Geef mij daar eens gauw een kus voor, lekkere vent. Nee, zoo +gemakkelijk kom je er niet van af. Ook een op deze wang en nog een: +het deftigste aller kusjes, n op mijn voorhoofd." En toen greep +Nel Fritsjes handjes en begonnen ze samen te zingen: + + + "'t Is vacantie, 't blijft vacantie, + Hoera, vacantie boven! + Wie dat niet met ons zingen wil, + Die moet er aan gelooven." + + +"Vacantie bofe blijfe? Vacantie nog in bedje? Vacantie stout geweest, +mammi?" vroeg Fritsje, die meende dat "vacantie" een ondeugend jongetje +was en voor straf boven moest blijven. + +"Jij bent een grappenmaker en mammi's kereltje, hoor." + +"Wie onze logs wil halen, zorge over een kwartier klaar te zijn," +kwam vaders stem om den hoek van de deur. + +Toen was 't een gevlieg en geloop naar alle kanten. + +"Mijn hoed, mijn hoed, wie heeft hem gezien?" riep Door wanhopig. + +"Misschien op je kussen bij je haarlintje," plaagde Nel. + +"Wees nu niet zoo flauw," bromde Door. "Jij hebt gemakkelijk praten, +jij behoeft nooit naar je dingen te zoeken. Maar als ik mijn hoed of +mijn mantel ergens neerleg, kan ik ze later nooit terugvinden." + +"Ik leg ze ook niet "ergens" neer." + +"Zoo? Wat doe jij dan?" + +"Ik hang ze op den stander natuurlijk." + +"Ik durf wedden, als ik mijn hoed dr hang, dat hij toch weg is, +als ik hem hebben moet." + +"Probeer 't eens," lachte Nel. "Drie dagen kun je 't misschien wel +volhouden," en weg holde ze. + +"Moesje, weet u hem ook?" + +"Neen, werkelijk niet." + +"'t Is zoo'n "onmogelijk" zoeken, als je in 't geheel niet kunt +bedenken, waar zoo'n ding zit," zuchtte Door wanhopig. + +"Mag Foxje mee, vader?" + +"Neen, jongen, geen honden aan den trein." + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +DE LOGTJES. + + +Vijf minuten later was 't heele gezelschap op weg naar het station, +behalve moeder, die met Fritsje liever thuis bleef, en Door, die als +een wanhopige kamer in, kamer uit rende om haar hoed te zoeken. Met +donderend geraas kwam de trein binnenstuiven. + +"Zag je de coup met de vlaggetjes?" riep Nel opgewonden. "Ik durf +wedden, dat ze daarin zitten. Dat is net iets voor oom Karel." + +Nel en Dolf renden er naar toe. Vader en Leni konden zoo +vlug niet. Maar voor ze bij de coup kwamen, was mijnheer Van +Lichtenvoorde met zijn beide jongetjes al uitgestapt. 't Was een +vroolijke begroeting. + +"Zagen jullie onze vlaggetjes wel?" vroeg Hans. + +"Nou, f we," zei Dolf. "Nel zei dadelijk, dat jullie zeker in +die coup zat. Pas op, houd ze vooral voorzichtig vast. 't Is hier +zoo druk." + +"Hoera, daar heb je Door. Zie ze eens loopen," zei Nel. + +"Dag oom, dag jongens!" + +"Dag Dorus," zei oom Karel, "meisje, meisje, wat heb je geloopen." + +"Maar Door, wat heb je nu op?" vroeg Nel. + +"Mijn ouden tuinhoed. Ik kon mijn schoolhoed nergens vinden. Ja, +waar dat ding nog eens vandaan mag komen, _ik_ weet het niet," zei +ze met een grappig wanhopig gezicht. + +"Kinderen, ga jullie nu vooruit," zei mijnheer Van Brakel, "oom en +ik komen dan langzaam achteraan." + +"Zullen we een wedloop houden, wie 't eerst bij de brug is?" + +"Uitstekend," vond Nel. "Ik neem Hans; Door, neem jij Bob en Dolf +Leni. En, twee, drie; neen Dolf, allen te gelijk beginnen, een beetje +achteruit. Ziezoo, nu staan we allen goed: een, twee, drie!" Daar +gingen ze. + +"Gewonnen!" riep Door, nog hijgende en blazende. "Bob, jongen, steek +je vlag op." + +"Als die dikke mijnheer ons niet in den weg geloopen had, waren wij +jullie vr geweest," zei Nel, die met Hansje nummer twee was. + +"Dikke heer, of niet, wij hebben het gewonnen. Maar kijk Dolf eens: +die schiet warempel niet hard op. O, ik zie het al, Leni zwoegt onder +haar nieuwe schoenen." + +"Als je van zwoegen onder iets wil praten, dan zou ik zeggen, dat +jij zwoegt onder je kostelijk mooie tuinhoedje," lachte Nel. "Je ziet +tenminste zoo rood als een kreeft." + +"Eindelijk," zei Leni met een ongelukkig gezichtje, "die nare +schoenen." + +"Dat was een treurige wedloop, h Leen? Jij moet je linker en rechter +feestdag maar zoo gauw mogelijk uittrekken, als je thuis komt, dan +vier je opnieuw feest. Maar kom, we moeten voortmaken. Pa en oom +Karel zullen ons nog inhalen. Geef mij maar een arm, hinkelepinkje." + +"Doortje, is de koffer al gekomen?" vroeg Hansje. + +"De koffer? Nee, hoor, ten minste ik weet er niets van." + +"'t Is een heele groote, wel van dit paaltje tot dat." + +"Hij is nog vl grooter," zei Bob gewichtig, "wel z." Hij liep +vooruit om aan te toonen, hoe groot wel. + +Hans hield zich stil, hij vond, dat Bob den koffer nu wel wat hl +groot maakte. Maar hij vond het toch jammer dit te zeggen. + +"Dan ben ik toch werkelijk bang," zei Nel, die best begreep, dat Bob +overdreef, "dat die reuzenkoffer niet bij ons de voordeur in kan en +dus in 't geheel niet in jullie slaapkamertje kan staan. Ma zal hem +dan zeker wel in het schuurtje laten zetten." + +"In het schuurtje?" Een paar verschrikte oogen keken Nel aan. "Onze +mooie koffer?" + +"Ja, waar de cokes en de turf geborgen wordt." + +"Misschien is hij toch wel een beetje kleiner. Zou hij niet een beetje +kleiner zijn, Bobbie?" + +Bob knikte. "Maar 't is toch een groote." + +"Moesje, daar zijn we. Oom en Vader komen achteraan." + +"Dag, jongens; wl, wl, wat hebben jullie mooie vlaggetjes." + +"Spritsje, vlagje, Mammi?" vleide kleine Fritsje. + +"Mag Fritsje je vlagje even hebben, Bob?" + +"Hoera, ma vergist zich. Dit is Hans en dat is Bob. Nu zal ik jullie +eens even door elkaar rommelen. Niet kijken, ma." Dolf draaide Hans +en Bob als twee tolletjes om elkaar heen. "Doet u nu de oogen maar +weer open. Nu ...?" + +"Ja, jongens, dat is niet gemakkelijk. Ik geloof ... ik geloof ..., +dat ik hier Hansje Pansje bij 't oor heb," lachte mevrouw Van Brakel. + +"Geraden." + +"Dat Hansje Pansje, Mammi?" kwam Frits met zijn lief stemmetje er +tusschen. + +"Ja, kleine vent. Hansje Pansje. Nu zullen we maar eerst een boterham +gaan eten. Jullie buikjes zijn zeker leeg en hol." + +Hans en Bob knikten, dat hunne bolletjes er bijna afrolden en +natuurlijk deed Fritsjes bolletje op de maat mee. + +"Daar komen vader en oom Karel al aan. Door, zet gauw den grooten +stoel met het kussen voor oom klaar." + +"Och, kijk eens, Bobbie, wat een aardige poes," riep Hansje. "Effentjes +haar een kusje geven, tante?" + +"Zeker, geef jij Julia maar een kusje." + +Maar Julia had op dat oogenblik in 't geheel geen lust in een kusje +en stapte statig den tuin in, zonder ook maar naar de jongens om +te zien. 't Was duidelijk, dat zij zich eerst wat wilde opknappen, +voor ze aan Hans en Bob zou worden voorgesteld. Met n sprongetje +zat ze op de schutting en ging toen kalm haar toilet maken. + +Ja, Julia was een ijdel poesje. + +"Is ze bang, dat wij haar in den staart willen knijpen, of bij een +achterpoot in de hoogte tillen, zooals Jaap altijd doet, tante?" + +"Jaap, wie is Jaap?" + +"Jaap harkt onzen tuin op. En als hij kikkers vindt, doet hij ze +in een doosje. Een kikkertje spant hij er voor, dat is het paard, +zegt hij. Bobbie en ik vinden uit rijden gaan prettig, maar niet +als we kikkers waren. En dan met zoon kikkerpaard, dan zouden we +zeker zeeziek worden. Want dat doosje wipt z, hup, hup, net als de +kikker. Bobbie en ik hebben eens het doosje opengemaakt, toen Jaap in +'t gras een koetsiertje zocht." + +"En was Jaap ook boos, toen hij het zag?" + +"Hij lachte. Jaap wordt nooit boos. Hij zei.... wat zei hij ook weer, +Bobbie?" + +"Hij maakte het kikkerpaard los en zei: "ga maar gauw naar je +vrindjes." + +"Toch aardig van Jaap," lachte Nel. + +"Jaap maakt ook altijd wagentjes van wortels en kransjes van +bloemen. Dan doet hij poes en Bruno er een om. Maar die vinden dat +niet prettig, hoor. Jaap zegt dan altijd, dat ze jarig zijn. Maar zoo +vaak kun je niet jarig zijn. Maatje zegt, maar eenmaal in 't jaar en +een jaar duurt heel lang, h tante?" + +"Zeker, heel lang, maar eet nu eerst jullie boterhammen. Vader heeft +niet zooveel tijd." + +"Gaat u al zoo gauw weg, oom?" + +"Ja zeker, Door. Ik heb even mijn kaboutertjes hier gebracht, maar +veel tijd heb ik niet. Maar Dorus, kind, ik begrijp niet, hoe het +komt, maar ik kan niet zeggen, dat ik gemakkelijk op dezen stoel +zit. Het schijnt aan het kussen te liggen. Ik zal het dingetje er +maar even uitnemen. Wat is dat?" zei Oom, en hield Doors hoed geheel +platgedrukt in de hoogte, "die stumperd kon zijn pleizier ook wel op +onder het kussen." + +"O moeder!" Door werd zoo rood als vuur. + +"O, kijk eens, kijk eens, je hoed lijkt wel een vogelnestje," +riep Dolf. + +"Door, Door, zul je dan ook nooit eens een beetje netter worden," +zei mevrouw Van Brakel hoofdschuddend. "Reken er maar op, dat je den +geheelen zomer met je vogelnestje moet blijven loopen. Zulke slordige +meisjes zijn geen nieuwe hoeden waard. Waar blijft Leni toch? Dolf, +ga jij haar eens roepen, zij is zeker weer bij het kippenhok. O, +daar komt ze juist aan. Leni, kind, waar blijf je toch?" + +"O, moesje, sneeuwwitje deed zoo raar," zei Leni schreiende. "En nu +is ze dood, ze ligt geheel stijf en de dwergjes loopen om haar heen +en begrijpen er niets van." + +Hans, die juist zijn glaasje melk in de hand hield, liet het van +schrik uit zijn handen vallen, zoodat alle melk van de tafel op zijn +broek en vervolgens op den grond stroomde. + +"O, paatje, hier, hier--is een sneeuwwitje." + +"En--enne, ook--dwergjes," zei Bob met een hoogroode kleur. + +Leni, die in het geheel niet verwacht had, dat dit bericht zoo'n +uitwerking op de tweelingen zou hebben, bleef als versteend in de +deur staan. Moeder, vader, oom, Dolf en de meisjes barstten in een +onbedaarlijk lachen uit. Fritsjes hoog stemmetje hoorde men gedurig +boven alles uit. + +"O, mammi, Hansje Pansje glaasje melk omgesmijt. Stout Hansje Pansje, +h mammi?" + +"O, houd op, ik kan niet meer," gilde Nel. "Jongens, kijk me als je +blieft niet zoo verbaasd aan. Ik houd het niet uit. 't Is t mooi." + +Door rende de kamer uit om een vaatdoek. + +Hans en Bob keken met verwonderde gezichtjes het geheele gezelschap +aan. 't Had er veel van, of allen een uitvoering ten beste gaven en +Hans en Bob het publiek uitmaakten. + +Toen het gelach even bedaard was, zei Hans, als om zich te +verontschuldigen, half schreiend: "maar, paatje, Leni _zei_ het toch." + +"Ja, ja, Leni _zei_ het ook, ventje," en weer proestte oom Karel +het uit. + +"'t Is maar een kip, een witte kip," brulde Dolf. + +"Is er,--is er dan geen sneeuwwitje?" vroeg Hans. + +"En waar zijn dan de dwergjes, zijn er k geen dwergjes?" vroeg +Bob. Duidelijk klonk er teleur-stelling in hun stemmetjes. + +"Och neen, kleine vent," zei Nel, die nu toch medelijden met hen +kreeg. "Wij noemen de krielkipjes dwergjes, omdat ze zooveel kleiner +zijn dan de andere. Of beter gezegd, Leni geeft de kippenfamilie +zulke mooie namen. Wij zullen jullie straks aan het heele troepje +voorstellen. Als Leni morgen plotseling bericht, dat "Slokop dood +in haar hok ligt" of dat "Asschepoes een ei heeft gelegd," dan gooit +Hansje Pansje misschien van schrik een heele kan met melk om." + +Het koffiedrinken liep verder zonder stoornis af. + +"Nu, kinderen," zei oom Karel een tijdje later, "ik moet weer weg, +hoor. Ik heb in tijden niet zoo heerlijk gelachen. Waar zijn mijn +kaboutertjes?" + +"Hier, paatje," kwam er een stem uit het grasveld. "Ik zit in de +zon voor mijn natte broekspijp en Bobbie maakt een krans voor ons +sneeuwwitje." + +"Wel verbazend, jullie hebt het maar druk. Maar de tijd voor een kusje +kan er toch zeker wel af." Toen vlogen twee aardige jongens naar hun +paatje toe. "Dag, paatje, dit kusje aan ma brengen en dit aan Bruno, +en dit...." + +"Dank je wel, als ik ze alle weggeef, blijft er voor mij zelf niets +over." + +"U hebt ze toch zelf eerst een poosje mogen houden," zei Bob. + +"Dat is waar ook," lachte vader, "en als poes toevallig op de +muizenjacht is en Bruno maakt een wandeling met vriend Turk, dan houd +ik ze stil zelf, hoor." + +"O, oompje, dan is het goed, dat het geen appelbollen zijn, dan kreeg +u vast een overladen maag," lachte Door. + +"Vind jij appelbollen misschien "onmogelijk" lekker?" + +"Onmogelijk, oompje," zei Door met overtuiging. + +"Hier, meisje, heb je dan wat van mij, dan kun je het geheele +gezelschap op appelbollen trakteeren." + +"Dank u wel, hoera! Kinderen, vanavond zal een regiment appelbollen +zijn intrede in den huize Van Brakel doen." + +"Met het oog op onze logtjes vind ik beter de appelbollenpartij tot +morgen uit te stellen," zei moeder. "De kleuters moeten vanavond niet +te laat naar bed." + +"Dus morgen, heerlijk," zei Nel. + +"Maar Bob, wat doe je toch?" vroeg Door. + +Bobbie, voorover in het gras liggend, zat Julia aandachtig te +bestudeeren. Al een paar keer had hij moeite gedaan haar oogleden +op te lichten, zoodat poes, wie deze handtastelijkheden blijkbaar +danig begonnen te vervelen, bedaard Bob den rug toekeerde, langzaam, +met deftige passen, om het perk met viooltjes heen stapte en toen op +eenigen afstand van haar kleinen plaaggeest ging zitten. Ze kneep +haar beide oogjes toe tot op een kiertje, vleide haar staartje met +het grappige zwarte puntje keurig langs haar voorpootjes en bleef +z in diep nadenken verzonken. + +"Effentjes kijken, hoe laat het is," antwoordde Bob. + +"Hoe laat het is. Denk je dan soms, dat onze Julia een horloge draagt?" + +"Jaap zegt," zei Bob, "dat de oogen van een poes net klokjes zijn; +je kunt er op zien, hoe laat het is." + +"Ja," zei Hans, "Jaap zegt: als 't pilletje in zijn oogen als een +recht streepje omhoog staat, is het twaalf uur." + +"Het pilletje? O, de pupil," gierde Door. + +"Nel, Dolf en Leni, hoort eens, wat onze logtjes vertellen. O, +"onmogelijk" leuk!" + +"'t Is maar jammer," zei Dolf lachend, "dat de poesjes zelf zoo weinig +pleizier van hun horloge hebben." + +"Maar 't is nu zeker al veel later," zei hij, naar Julia kijkend, +die nu het heele troepje met haar ernstige oogen zat op te nemen. + +"Het pilletje lijkt in 't geheel niet op een recht wijzertje. Kijk, +'t is een klein, zwart balletje." + +"Ja," zei Hans, "hoe laat zou het nu wel zijn? Misschien wel tien +uur. Kijk eens, Bobbie." + +Bobbie knikte, hij wist het niet precies. Hij vond het een moeilijk +geval. + +"Tien uur is het gelukkig nog niet," zei Nel. + +"We kunnen nog best een spelletje doen. Zullen we verstoppertje doen +met verlos?" + +"Ja, best! Wie doet er mee?" + +"Ik, ik," klonk het van alle kanten. + +"Eerst er om raden, wie zoeken mag," stelde Door voor. "Ik zal wat +uit mijn zak nemen. Wie het aantal raadt, mag zoeken." + +"Mag?" lachte Dolf. "Zoeken is toch geen pretje?" + +"Nu _moet_ dan," verbeterde Door. "En als niemand het raadt, ben ik +de ongelukkige. Nu?" zei ze, nadat ze iets uit haar zak had genomen +en Nel haar hand voorhield. "Hoeveel raad je? n, twee, drie, vier, +vijf of zes?" + +"Drie." + +"En Leni?" + +"Twee," zei Leni, na zich een tijdje bedacht te hebben. + +"En onze log's?" + +"Moeten we beiden hetzelfde raden?" vroeg Hans, die nooit zoo'n +spelletje had mee gedaan. + +"Neen, ieder mag op zijn beurt raden, maar als Hans het raadt, +helpt Bob zoeken en als Bob zoo knap is, Hans. Want zoeken is lang +niet gemakkelijk." + +Gelukkig voor Hans en Bob waren ze geen van beiden zoo knap. + +"Dolf, nu staat het tusschen ons beiden," zei Door. "Natuurlijk raad +jij het, dat moet je voor je zusje over hebben." + +Dolf lachte. "Neen hoor, zoo lief ben ik niet. Vier." + +"Mag ik je deze vier dingetjes laten zien als bewijs, dat je getoond +hebt toch wl zoo'n lief broertje te zijn?" zei Door, Dolf vier +knikkers voorhoudende. + +"Maar Door, wat doe jij met knikkers in je zak?" lachte Nel. + +"Je weet," zei Door, "dat mijn zaakjes nu eenmaal veel van stuivertje +wisselen houden. Mijn mesje en mijn beurs ben ik al drie dagen kwijt en +daarvoor in de plaats loop ik al meer dan een week met deze knikkers in +mijn zak. Hoe ik er aan kom, weet ik werkelijk niet," zei ze lachend. + +"Ik begrijp het best," zei Nel. "Jij hebt die knikkers zeker ergens +zien liggen en omdat je er nu eenmaal niet van houdt, dat zulke +dingen rondslingeren, heb je ze in je zak gestoken, erg netjes, +dat moet ik zeggen." + +"En ik ben het slachtoffer van Doors opruimmanie," zei Dolf. "Nu, +ik ga tellen. Als ik vijftig roep, moet jullie verstopt zijn. Jullie +moogt je alleen in den tuin verstoppen, niet in huis." + +"Een, twee," telde Dolf. + +Ieder vloog een kant uit. Hans en Bob stonden wel wat verlegen. "Kom +maar met mij mee," zei Door tot Bob. "Ik kruip achter dezen struik, +ga jij achter dien staan." + +"O, Door," riep Bob verschrikt. + +"Wat is er?" fluisterde Door, omkijkende. "O, maar Bobbie, hoe is 't +mogelijk! Ben jij in Dolfs rooverhol gezakt? Je hadt warempel je beenen +wel kunnen breken. St, houd je maar stil en kruip er zoo diep mogelijk +in. 't Is het mooiste verstopplaatsje uit den geheelen tuin. Als Dolf +dezen kant uit komt, moet je je goed bukken, dan vindt hij je nooit, +eenig. Hoor Fox eens opgewonden zijn, zeker, omdat hij ons zoo hard +heeft zien loopen, daar kan Fox nu eenmaal niet tegen. Als hij ons +nu maar niet verraadt. Stil, Dolf komt dadelijk zoeken. Je zit daar +wl leuk, hoor." + +"Vijftig!" riep Dolf, "Ik ga zoeken." + +Geen antwoord, ieder had zeker een plaatsje gevonden. + +"Stil toch, Fox en loop niet zoo om mijn beenen, bedaar toch wat." + +Maar Fox had hierin in het geheel geen lust. Als een dolleman vloog hij +den tuin door, toen eenige malen langs het kippenhok, zoodat de arme +dieren het bijna bestierven van angst. Daarna zou hij met een vaart +in huis, maar werd bijtijds door Kee, met een "hallo marsch, je niet +hier verstoppen," den tuin weer ingejaagd, zoodat hij ten laatste, +moe van het gedraaf, een middagdutje in het grasveld ging doen. + +Dolf zocht en zocht, maar durfde zich bijna niet van den boom begeven, +bang, dat de een of ander uit zijn schuilhoekje te voorschijn springen +en naar de verlosplaats loopen zou, om het hem af te winnen. + +"Leni, jij staat achter het kippenhok, een, twee, drie, verlos," +riep hij. + +"Nel, neen Door, dr bij het priel! kom maar voor den dag. Ik ken +je aan je hoed." + +"Hoera, voor 't vogelnestje," juichte Nel en kwam met Doors ingedeukten +hoed achter het priel vandaan. "Gefopt." + +"Dat is flauw," zei Dolf teleurgesteld. "Wie kan dat nu ook denken." + +"Ja, zoo'n slim zusje heb je nu," lachte Nel, "wees maar blij." + +"Nu Door en de tweelingen nog." + +"Een, twee, drie verlos!" riep Door, toen Dolf juist den anderen kant +was opgeloopen. + +"Dat heb ik je lekker afgewonnen. Wat heb je dat mooi bedacht," zei ze +lachend tot Nel. "Waar mijn vogelnestje toch al niet dienstig voor is." + +"Kom, Dolf, nu de tweelingen nog," zei Nel. + +"H," zei Dolf lachend tot Kee, die gedurende de verstoppartij geheel +tegen haar gewoonte in al dien tijd op de waranda was blijven staan +kijken. "Mij dunkt, je hebt eenige rokken extra aangetrokken van +morgen. Je schort staat heelemaal uit." + +"Ja," zei Kee lachend, "n rok heb ik aangetrokken, omdat het de +eerste vacantiedag is en n, omdat Bob en Hansje gekomen zijn." + +"Die Kee, die Kee," proestten Nel en Door. "Of je gelijk hadt? Zoo'n +dubbele feestdag mag wel met een paar extra rokken gevierd worden." + +"Maar ik moet nu eigenlijk weer aan het werk. En dan is mijn +feestgewaad mij wel wat lastig." + +"Ja, dat wil ik wel gelooven," zei Dolf. "Wiens neus voel ik door Kee's +schort heen? Mij dunkt," zei hij, de schort wat op zij schuivende, +"mij dunkt, die van Hansje Pansje." + +Hansje schaterde het uit. "Was het geen mooi plaatsje? Je kon mij +toch bijna niet vinden, h?" + +"Neen, hoor. Wie heeft dat wel zoo mooi bedacht?" + +"Kee," zei Hans. + +"Ik moet nu gauw naar het eten gaan kijken. 't Is maar goed, dat +hier niet elken dag zoo'n verstoppartij is," zei Kee en liep haastig +naar binnen. + +"Maar waar zou Bob nu zijn?" zei Dolf. "Die heeft zich een bijzonder +mooi plaatsje uitgezocht, dunkt me." + +"Ja," zei Door, "je moet maar goed zoeken." + +Dolf keek achter elken struik, bij het kippenhok, in het priel, +tot hij op eens, achter in den tuin gekomen in lachen uitbarstte. + +"Komen jullie toch eens hier," riep hij. "O Bob, blijf zoo stil zitten, +ze moeten je allemaal zoo eens zien." + +Nel en Leni proestten het uit, toen ze Bob in den grooten kuil +zagen zitten met alleen zijn bovenlijf er uit. Hansje klapte in de +handen. "O, Bobbie, wat een mooi plaatsje." + +"Kom er maar gauw uit, kleine vent," zei Dolf en gaf Bob een hand. + +"Ik stapte op de takjes en zakte op eens naar beneden," legde Bob +triomfantelijk uit. + +"Je mag wel gauw je kuil dicht maken," zei Nel, "voor er ongelukken +gebeuren." + +"Ja," zei Dolf, die zich wel wat schuldig voelde. "Ik was dien +overdekten kuil heelemaal vergeten." + +"Ziezoo," zei Door, "nu weer een nieuw spelletje. Dolf, jongen, +je moet weer zoeken." + +Wat hadden allen een pret! + +"Och, kijk toch eens Bobbie, wat dikke kanaries," riep Hansje verbaasd, +toen hij voorbij het kippenhok liep en juist zou hij aan Door vragen, +of hij eens eventjes een in de hand zou mogen hebben, toen ze geroepen +werden, om te komen eten. Vroolijk holde het troepje naar binnen. + +"O, wat een bestorming, als je blieft eerst voeten vegen," zei Moeder. + +"Hansje Pansje glaasje melk omgesmijt, h Mammi?" begon Fritsje weer, +toen hij Hansje zag. + +"Ja, ja," lachte Ma. + +"Mogen we na het eten de kanaries eens zien?" vroeg Bob, zoodra hij +aan tafel zat. + +"O ja, de kanaries," riep Hansje opgetogen. + +"De kanaries?" vroeg moeder verwonderd. + +"O, zulke dikke, tante. In het kippenhok zijn ze, h Bob?" zei Hans +vol vuur. + +Moeder lachte. "O, nu begrijp ik het." + +"Na het eten gaan onze logtjes n, twee, drie naar bed," zei +vader. "Die kleine kanaries moeten nu ook slapen, anders kunnen het +nooit groote worden. Maar morgen vroeg, als haantje kukelekaantje +jullie wakker heeft geroepen, dan maar gauw je kleertjes aan en den +tuin in." + +***** + +"Een, twee, drie, instappen," zei Nel, toen ze een uurtje later Hansje +had uitgekleed en in bed tilde. + +"Wacht, eerst even bellen," zei Bob en greep een tafelbel, waarmee hij, +voor Door dit verhinderen kon, luid ging bellen. + +Kee kwam verschrikt naar boven vliegen. + +"Och, lieve tijd, wat is hier te doen?" riep ze. "Toch geen ongeluk +gebeurd?" + +"Gauw instappen, de trein gaat dadelijk weg," zei Bob tot Keetje, +niet begrijpende, dat hij haar zoo had doen schrikken. + +Kee, die eerst van plan was boos te worden, omdat hij haar voor niets +naar boven had laten komen, kon toch haar lachen niet bedwingen bij +het gezicht van die twee grappige broekemannetjes. "Tuut," riep ze +en zette den kleinen Bob in bed. "Goeie reis, hoor, goeie reis," +en met haar zakdoek wuivende verdween ze. + +Nel en Door gierden het uit. + +"Dumderdedumderdedum," en vier kleine voetjes trappelden, dat het +geheele bed schudde. + + * * * * * + +"Het zal mij benieuwen, of die dreumesjes gauw den slaap zullen +vatten," zei Nel, toen ze beneden in de huiskamer kwam. + +"'k Zal eens kijken, of ze slapen," zei Door een kwartiertje +later.--"Als roosjes, hoor!" kwam ze terug. + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +ARME HANS EN BOBBIE. + + +"Zullen wij den haan maar gaan roepen?" vroeg Hansje den volgenden +morgen. Hij stond met Bob voor Dora's bed. + +"Wat zeg je?" vroeg Door slaperig. + +"'t Haantje heeft ons niet geroepen, het is misschien ziek," +zei Bobbie. + +Nel lag te schudden in bed. Op eens begon ze te zingen: "Op, gij +meisjes en gij knapen, kukeleku! 't is uit met slapen," en sprong +het bed uit. + +"O, ik wou dat er geen hanen en geen Hansjes en Bobbies waren," +zei Door, half brommig, half lachend. + +"Op, gij meisjes en gij knapen, kukeleku! 't is uit met slapen," +zong Nel weer en wilde Door uit het bed trekken. "Toe, jongens, +jullie aan den anderen kant; wacht, daar komt Leni ook aan. Heisa, +hopsa!" Door stond buiten het bed. + +"Ik weet wel," zei Door, "dat ik vanavond niet naar bed ga, dan behoef +ik er morgen vroeg ook niet uit te komen." + +"Of je gelijk hebt. Dat is, geloof ik, nog het allerbeste voor +jou. Jongens, loop hier nu maar een beetje in je hanssopje rond. Zoodra +we klaar zijn, zullen we je helpen. Of ben jullie misschien zoo knap, +dat je je alleen kunt aankleeden?" + +"De kousen kunnen we wel aantrekken en de schoenen ook, maar ze dicht +maken, dat doet Maatje altijd." + +"Mooi zoo, haal jullie je kleeren en begin maar vast." + +Bob en Hansje togen ijverig aan het werk. + +"Och, kijk eens, dat kousje doet zoo raar," zuchtte Bob met een +vuurroode kleur van inspanning, nadat hij al een heelen tijd bezig +was geweest. + +"O, de hiel!" schaterde Leni. "Kijk, die zit boven op den voet. 't +Lijkt wel een leeg geldzakje. Wacht, ik zal je wel helpen." + +Door, Nel en Leni hadden het druk met de logtjes. 't Werd een +wedstrijd, wie 't eerst klaar zou zijn. + +"'k Zou juist zeggen, mijn schortje is zeker weer op de wandeling," +zei Door, die overal naar dit kleedingstuk had gezocht, "maar neen, +hoor, 't ligt kalm onder mijn handdoek. Toch grappig, dat al mijn +spulletjes altijd zoo'n lust hebben om van 't eene plaatsje naar +'t andere te verhuizen." + +"En dat ze jou nooit vooraf vertellen, waarheen ze gaan," plaagde Nel. + +Eindelijk waren allen aangekleed en ging ieder met een keurige +"vacantie-kuif", zooals Leni 't noemde, naar beneden. + +"Goeden morgen, goeden morgen!" klonk het vroolijk, toen 't vijftal +de huiskamer binnen kwam stormen. + +"Wel verbazend, kinderen, wat ben jullie vroeg," zei vader, "zoo mag +ik het zien." + +"Zullen we nu eerst even 't haantje roepen?" vroeg Hans. + +"'t Haantje roepen?" + +"Zou het ziek zijn, oom?" vroeg Bob. + +"Waarom ziek, kleine man?" + +"'t Haantje heeft ons niet geroepen." + +"En hoe komen jullie dan zoo vroeg?" + +"Bobbie en Hansje hebben voor haantje gespeeld. Ze hebben Dora wakker +gemaakt," zei Nel. + +"Ik was nog zoo "onmogelijk" slaperig." + +"Als jullie je boterham op hebt, moet je maar eens kijken, of het +haantje wakker is," vond moeder. + +"Kijk toch zoo'n bedelaarstertje eens," zei Nel, toen Julia zacht +miauwend achter op haar stoel sprong en voortdurend met haar kopje +tegen Nels arm duwde. + +"Zij wil verven, zij wil verven," riep Bob; "kijk, ze gaat met haar +staart over mijn gezicht." + +"Goed, dat er geen verf aan zit." + +"Ja, voor den staart en voor Bobbies neusje." + +"Jaap zegt, dat zijn poesje geverfd is, dat is heelemaal bruin, behalve +zijn borst en zijn pooten. Bobbie en ik hebben het eens met een spons +gewasschen, maar er kwam heelemaal geen verf aan de spons en toen heb +ik mijn vinger nat gemaakt en over zijn kopje gestreken en afgelikt, +maar het proefde in 't geheel niet naar verf en de schutting wel, +toen Jaap die geverfd had. Bobbie en ik hebben daar eventjes aan +gelikt, niets lekker, hoor!" + +"Brr," zei Hansje en trok bij de gedachte nog een vies gezicht. + +Allen schaterden het uit. + +"Vader zei, dat het niet geverfd, maar zoo geboren was." + +"Of vader gelijk had!" + +"Julia houdt in 't geheel niet van zoo'n waschpartij. Was dat poesje +niet boos, krabde ze niet?" + +"Wel een beetje, maar Bobbie en ik hebben haar toen stijf +vastgehouden." + +"Arm poesje. Lieve Hansje en Bobbie," ging Door grappig ernstig voort, +"zie je onze Julia?" + +Bob en Hans knikten. + +"Zie je dat keurige witte overhemdje, dat zwarte snuitje, dat grappige +staarte-puntje?" + +Weer knikten Hans en Bobbie. + +"Toen onze deftige Julia nog een heel klein Juliaatje was, had +ze al datzelfde grappige staarte-puntje, datzelfde zwarte snuitje, +datzelfde witte overhemdje. Onze Julia is zoo geboren. Begrijp jullie +mij goed? Onze Julia is zoo geboren," herhaalde ze. "Onze Julia is +dus niet geverfd. Ik zeg jullie dit alles, dat jullie haar morgen +of overmorgen ook niet in een badkuip zult stoppen, of met je lieve +vingers zult gaan belikken." + +Een schaterend gelach ging op en Dolf, die juist binnen kwam, riep: +"leve onze Dorus, leve onze Julia!" + +En Fritsjes lief stemmetje klonk hier tusschen door. "Julia een lief +poesje, h, mammi?" + +Julia, die blijkbaar verlegen werd onder zooveel lof, haar door Dora +toegezwaaid, liet zich zacht van Nels schouder glijden en zocht een +plaatsje op den hoek van den schoorsteenmantel. + +"Mogen we nu de kanaries eens zien?" vroeg Bob, toen 't ontbijt +was afgeloopen. + +"Wel zeker, wel zeker, kom maar mee," zei Nel. + +"Neen, Foxje, jij kunt niet mee, je zoudt de geheele kippenfamilie +angstig maken. Kijk, Leni is alweer bezig haar kippetjes te +trakteeren." + +"Hij is toch wel wakker?" zei Bob verwonderd en wees naar den haan. + +"Ja, ja, ik geloof ook wel, dat hij jullie geroepen heeft; maar toen +lag jullie nog op n oor en heb je hem niet kunnen hooren." + +"Dan zal ik morgen eens op geen oor gaan liggen," dacht Bob bij +zich zelf. + +"Zie Slokop weer eens begeerig zijn," zei Nel, "vooruit, jou +deugniet." Met een stok duwde ze de zwarte kip weg. "Zal ik nu eens +zeggen, hoe deze kanaries heeten? Kuikentjes. Het zijn kindertjes van +die groote zwarte kip, die lekkere kruimeltjes voor haar kuikentjes +bewaart. De gele dr heet Asschepoes, de andere hanen en kippen +zijn niet aardig voor haar. Kijk die ondeugende Schoorsteenveger en +Wafelbakster eens, die trekken haar aan den staart," en Nel deed alle +moeite, Asschepoes van een witte kip en een zwarten haan te bevrijden. + +Bob en Hans hadden pret voor tien om al die mooie namen. + +"En hier heb je de dwergjes," zei Leni. "Vind jullie het geen dotjes?" + +"Leggen die kuikentjes ook eitjes?" vroeg Hans, die zijn oogen niet +van de diertjes af had. + +"Mag ik zoo'n kuikeneitje?" + +"Neen, de kuikentjes leggen nog geen eieren; als ze groot zijn wel +en dan komen soms uit die eitjes weer heele kleine kuikentjes, o zoo +beeldig. Wafelbakster en Asschepoes zijn ook zulke aardige kuikentjes +geweest en kijk het nu eens groote kippen zijn." + +"Hier heb je ook nog een kuikentje," lachte moeder en zette Frits op +Nels hoofd. Frits kraaide het uit. + +"Hij is geen kuikentje, maar een kraaiend haantje," lachte Nel. "Kom +hier, Haantje kukelekaantje," en zij nam Frits op den arm. "Nu weet +ik een mooi spelletje," zei ze. "We zetten Fritsje in den ouden +kinderwagen, Dolf wordt zijn paard en Leni koetsier. Bob en Hans +komen in de sportkar. Dora is hun paard en ik word koetsier." + +Het geheel leek wel een optocht. Als de stoet bij vader en moeder, +die op de waranda zaten, voorbijkwam, wuifden zoowel passagiers +als publiek. + +"Niet zoo wild rijden, niet zoo wild!" had vader juist geroepen, +toen op eens, doordat Dora de bocht te kort nam, de sportkar omsloeg +en Bob en Hansje er uit en in 't gras vielen! Groote ontsteltenis! +Vader, moeder en Keetje kwamen dadelijk aanhollen, want beide logtjes +hieven een erbarmelijk geschrei aan. Bobbie bloedde vreeselijk uit zijn +neus en had zijn voorhoofd bezeerd en Hansje Pansje riep maar steeds: +"O, mijn voetje doet zoo'n pijn." + +Ma droeg hem en vader Bobbie naar binnen. Hans werd op de canap +gelegd, waarna moeder hem den schoen uit trok. Bob kreeg koude +compressen op zijn neus. Door, die zoo wit als een doek zag, wilde +dadelijk om den dokter gaan, maar vader vond beter nog een poosje te +wachten. Gelukkig bedaarde het bloeden. Hansjes voet was blijkbaar een +beetje verstuikt. 't Was wel een ongelukkig gezicht, de twee vroolijke +kaboutertjes daar zoo te zien zitten met dikke tranen op de wangen: +Bob met een compres op den neus en Hans met zijn voet op de canap. + +"Dat is een treurig begin van zoo'n vroolijken dag," zei vader. + +"Stil maar, jongens," troostte Door, "vanavond krijgen jullie heerlijke +appelbollen." + +"Jullie weet niet, hoe goed die voor bloedende neuzen en verstuikte +voeten zijn," zei Dolf. + +"En voor alle menschen, die geschrokken zijn. Och, lieve tijd, ik +beef er nog van in mijn beenen," klaagde Nel. + +"Kijk eens," en Leni kwam met in iedere hand een grappig klein eitje, +"is dat nu niet lief van mijn krielkipjes Snoetie en Toetie? Ze +zijn dadelijk aan het leggen gegaan, toen ze hoorden, dat jullie zoo +gevallen waart." + +Bob en Hans lachten door hun tranen heen. + +"Als ik wist, dat Toetie of Moetie".... + +"Snoetie, paatje." + +"Och, jij ook met je namen altijd. Nu, als ik wist, dat Snoetie voor +mij ook zoo'n lekker eitje wilde leggen, dan zou ik ook wel zoo'n +buiteling uit de sportkar willen maken." + +"Oompje in de sportkar," lachte Hans. + +Daar kwam Kee de kamer in stormen. Kee stormt altijd, langzaam loopen +kan ze niet, want Kee heeft altijd haast. "Kijk eens," zei ze en bracht +Hans en Bob ieder een schoteltje roode bessen. "Hoe vinden jullie +dat? Als je die op hebt, ben je, dat durf ik wedden, weer geheel +beter. Heb ik ze niet keurig gerist? Ik moest eigenlijk mijn kachel +poetsen, maar nee, dacht ik, eerst zal ik die wurmen een verfrisschend +hapje brengen. Door of Nel moeten er maar wat suiker op strooien. Kom, +die leelijke tranen neem ik mee naar de keuken," zei ze en veegde, +wel een beetje hardhandig, Bob en Hansje de tranen af. En vr de +beide jongetjes nog iets hadden kunnen zeggen, was Kee verdwenen. + +"Heeft jij jouw been gebreekt? Kun je niet meer loopen?" Onderzoekend +keek de kleine Frits naar Hansjes been. + +"Beweeg het eens." Hans deed het heel voorzichtig. + +"Doet het pijn, als jij jouw voetje beweegt?" + +Hans knikte: "een beetje." + +"Ik is niet gevallen," zei hij toen met voldoening. "Mag ik eens zien, +of er nog bloed uit jouw neusje komt?" vroeg hij, vol belangstelling +naar Bobbie kijkende. + +Bobbie deed even den zakdoek voor den neus weg. + +"O, mammie!" Fritsje week verschrikt een paar passen achteruit. "O, +mammi, allemaal rood op Bobbies zakdoek!" + +"Kom maar gauw hier, mijn kereltje", zei ma. "Hans en Bob zullen wel +gauw weer beter zijn." + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +DE APPELBOLLENPARTIJ. + + +"Een brief, een brief!" Met deze woorden kwam Door eenige uren later +de kamer binnenstormen. + +"Voor wie?" klonk het als uit n mond en Nel strekte haar hand al +verlangend uit. + +"Mis, juffertje. Hij is voor Bobbie en Hansje." + +"Een brief, o Bobbie, zeker van maatje." + +"Of van vader, want paatje heeft ons er eentje beloofd." + +Door moest den brief laten kijken. + +"Ook een postzegel er op?" + +"Ja, 't is geen kleinigheid," lachte Nel, de verrukte gezichtjes +ziende. + +"Zal ik hem voorlezen?" vroeg Door. + +"Begin maar gauw," riep Hans. + +"Ook wat er buiten opstaat," vond Bob. + +"Aan Hans en Bob, gelogeerd bij hun oom, mijnheer Van Brakel te +Westerkerke. + +"Lieve kaboutertjes. De kusjes heb ik gegeven." + +"Van Paatje," zei Bob. + +"Ma," las Door, "op elken wang een. Bruno's snuit heb ik in mijn hand +genomen en Miekies zacht pootje even gedrukt. Jelui weet niet, hoe +stil ma, Bruno, Miekie en ik het vinden, nu onze kaboutertjes er niet +zijn. Bruno zat gisterenmorgen voor jullie slaapkamertje geduldig te +wachten. Ma en ik lieten hem stil begaan. Wij wilden eens zien, wat +hij zou doen. Na een tijd rustig gewacht te hebben, begon hij zacht +te janken. O, het klonk zoo bedroefd en steeds keek hij naar de kruk +van de deur. Daarop begon hij te blaffen en zoowaar aan de deur te +krabben. Toen riep ik hem. "Die ondeugende kaboutertjes! Willen ze de +deur niet open doen?" zei ik. Bruun kwispelstaartte uit alle macht, +liep van de slaapkamer naar mij en van mij naar de slaapkamer, en +keek mij met zijn trouwe, bruine oogen z smeekend aan, alsof hij +zeggen wilde: doe nu toch die nare deur open, ik kan toch niet door +'t sleutelgat. "Kom dan maar," zei ik, en toen was Bruun niet te +houden, hij sprong tegen mij op, likte mijn handen en blafte, dat +hooren en zien je verging. Met een vaart rende hij de slaapkamer in, +maar bleef op eens verbaasd staan, toen hij die leeg vond. Alles werd +besnuffeld, hij begreep er niets van. Zijn mooie pluimstaart, die even +te voren nog zoo vroolijk wapperde, hing nu sluik neer. "Arme hond, +zijn ze weg?" zei ik. Nog eens liep hij de kamer rond, snuffelde onder +'t bed en liep toen langzaam naar de huiskamer. + +Ma troostte hem met een stukje hondekaak en een hompje kaas. Na +'t ontbijt zijn ma en ik een flinke wandeling met Bruno gaan doen. + +Ma wilde Miekie, geloof ik, ook wel mee hebben, omdat ze het zoo +stil vond zonder haar ventjes, maar dat ging natuurlijk niet. Toen we +den hoek van de straat omsloegen, kwamen we Pollo tegen. Dat was een +vroolijke ontmoeting tusschen Bruun en hem. 't Was, alsof ze elkaar +in jaren niet gezien hadden. Daarna liepen ze een tijdje rustig naast +elkaar. Het scheen wel, dat Bruno vertelde, dat jullie weg waart en +ik denk, dat Pollo hem zoo goed mogelijk getroost heeft, tenminste +even later renden ze uitgelaten over 't weiland. De schapen, die daar +liepen, wisten zich van angst niet te bergen. Een klein lammetje +drukte zich stijf tegen zijn moedertje aan en blaatte zoo innig +bedroefd. Daar vloog Pollo over een sloot, Bruun hem achterna. En toen, +o mijn kaboutertjes, als jullie dat gezien hadt! Pol stond aan den +kant van de sloot juist eventjes uit te blazen, met de tong uit zijn +bek, want geloof maar, dat hij moe was, toen een dikke kikker, zeker +door Bruno opgejaagd, boven op Pollo's tong sprong. Ma en ik wisten +werkelijk niet, wat er gebeurde, zoo'n spektakel maakte Pollo op eens. + +Hij rolde zich om en om op 't gras, de vier pooten in de hoogte, +en het had niet veel gescheeld, of hij was in de sloot gevallen. Nu, +zoo'n bad was misschien wel goed geweest voor den schrik." + +"O, die kikker," schaterde Dolf. "Hij zag Pollo's tong voor een +rozeblaadje aan." + +"Ja, of voor een vischje," lachte Nel. + +"O, eenig, eenig!" proestte Door. "Maar stil, laat mij nu verder +lezen." + +"Na dit kikker-avontuur waren onze wandelgenootjes kalm en gehoorzaam. + +En hoe Miekie het maakt? Ik geloof, dat ze vast van plan is jullie +een briefje te schrijven en ze mij de kunst nu wil afzien. Viermaal +heb ik haar al van dit velletje postpapier afgezet, maar telkens komt +zij weer terug, zoodat ik haar nu maar laat zitten. 't Is een klein, +nieuwsgierig poesje en jullie weet, als Mieke eenmaal een plannetje +heeft, dan laat zij dit niet varen. + +Op dit oogenblik loert ze op mijn penhouder. Steeds gaat haar kopje +van links naar rechts. O wee! een letter met drie krullen, dat is +Miekies schuld: die wilde met haar pootje den penhouder grijpen. 't +Is maar goed, dat mijn praatje uit is. Het zal mij eens benieuwen, +wanneer zij jullie gaat schrijven, maar dan ga ik er ook bij zitten, +dat weet ik wel, die deugniet!" + +"Dan gaat oom zeker ook op het postpapier zitten," lachte Dolf. + +"Heel veel kusjes van moes, van Bruno een poot, van Mieke een hoogen +rug en duizend kusjes van paatje. + +Hoe hebben de appelbollen gesmaakt? En vraag aan Leni, of de +dwergjes nog bedroefd zijn. Vooral de groeten aan oom, tante en +alle kindertjes." + +"Is hij nu uit?" vroeg Bob. + +"Ja, is het geen onmogelijk lange brief?" + +Door moest den brief ng eens en ng eens voorlezen, vonden Leni, +Bob en Hansje. Op 't laatst kenden ze hem bijna van buiten. + +"Boven aan het blaadje staat het verhaal van den kikker, h +Door?" vroeg Hans. + +"En dr onder-aan dat van Mieke?" + +"Mammi, waar is de kikker nu?" vroeg Fritsje. + +"Ik denk, dat hij nu weer vroolijk door het water springt of over +'t land. Och, och, wat zal dat arme kikkertje geschrikt zijn, toen +het zag, dat het verdwaald was." + +"En hoe verdwaald!" lachte Dolf. + +"'t Was maar goed, dat Pol geen ooievaar was, want die had het +kikkertje stellig opgepeuzeld." + +"Brr!" Fritsje schudde zijn krullebol. "Ik vind kikkers niet lekker, +Mammi wl?" + +"Neen hoor, ik eet liever appelbollen." + +"En ik, en ik," riepen Leni en de anderen. + +"Hoera! Vanavond appelbollenpartij!" + +"En hoe is 't nu met de patintjes? Zouden jullie vanavond wel trek +hebben in een appelbol?" vroeg mevrouw Van Brakel. + +"Mijn voetje doet bijna niet meer zeer, heusch niet." + +"En mijn neus, kijk, er komt geen droppel meer uit." + +"Dat dacht ik wel," zei Door. "Brieven zijn zoo goed voor verstuikte +voeten en bloedende neuzen." + +"Ja, en vooral zulke lange," lachte Nel. + +"Ramplamplan, daar komen wij an. We hebben geen schoenen of kousen +meer an," kwam Dolf dien avond de kamer instappen, een groot bord +met appelbollen op zijn hoofd balanceerende. + +"O, jongen, denk om het porseleinen bord," riep mevrouw Van Brakel. + +"En om onze heerlijke appelbollen," lachte pa. "Als ze over den grond +rollen, wil niemand ze meer hebben." + +"Ik wel, ik wel," riepen Leni, Hans en Bob. + +"Dan zal ik ze maar gauw neerzetten," zei Dolf, "want als jelui in +dat geval alle appelbollen samen op ging peuzelen, dan hadden we +morgen drie zieke kinderen, en dat zou wel zonde en jammer zijn van +de heerlijke vacantie." + +"Hoera voor de vacantie!" riep Nel en stak een oogenblik later een +appelbol op haar vork in de hoogte. + +"Hoera voor oom Karel!" juichte Door en deed hetzelfde. + +"'t Lijkt wel, dat er wijn in de appelbollen zit, zoo opgewonden +worden jullie," zei vader. "Ma, geef me nog maar eentje: die dingetjes +smaken uitstekend." + +"Ja, ze zijn onmogelijk lekker," beaamde Dora. Hans, Bob en Leni +hadden het veel te druk met hun bol om iets te zeggen. + +"Komt, kinderen, het klokje van gehoorzaamheid heeft geslagen," +zei moeder, en een half uur later: "Fritsje ligt al lang in bed." + +"Fritsje is ook nog zoo klein," zei Hans. Hij vond het zeker wel wat +kinderachtig, bij Fritsje vergeleken te worden. + +"Ja zeker," lachte ma, "maar ik geloof tch, dat het zandmannetje al +even bij Hansje Pansje op bezoek is geweest." + +Een oogenblik later werden Leni en de tweelingen door Nel en Door +naar bed gebracht. + +"Kijk eens even, of het kussen ook tegen mijn ooren aankomt," zei +Bobbie tot Door, die hem had uitgekleed. + +"Tegen je ooren?" vroeg Door verwonderd. + +"Ja, kun je ze goed zien?" + +"Niet zoo heel goed," lachte ze, "ze spelen zoo'n beetje verstoppertje, +dunkt me." + +"Zou ik den haan zoo dan niet kunnen hooren?" + +Toen barstte Door in lachen uit. "O, wacht maar eens," en ze drukte +het kussen flink plat, zoodat heel Bobs bolletje als een kaatsbal +boven op het kussen kwam te liggen. "Nu maar goed luisteren morgen +vroeg. Wel te rusten, kindertjes." + +"Toe, Nel, ben je nu nog niet klaar?" bromde ze. "Je bent een echte +treuzel." + +"Ik moet nog even Hansjes pakje opvouwen." + +"Wat valt er nu aan zoo'n jongenspak op te vouwen? Ik heb Bobbies +kleeren...." + +"Ja, hoe jij Bobbies kleeren opbergt, daar weet ik alles van: Hij +heeft gisteren den geheelen dag met n kouseband geloopen. Waar die +andere nu weer is, begrijp ik niet." + +"O, ja, nig," gierde Dora. "Verbeeld je, Bob had er twee aan zijn +rechterbeen. Of ik zijn spulletjes ook goed opberg, h?" + +Nu moest Nel toch ook lachen en gearmd gingen beiden naar beneden +naar de huiskamer. + +"Alweer een dagje om, ma," zei Nel, toen ze dien avond met Door naar +bed ging. + +"Ja, ja, vrouwtje, maar er komen er nog veel, moet je maar denken." + +"En als dan het zonnetje van binnen en van buiten schijnt, dan zingen +we," zei vader lachend: "'t Is vacantie, 't blijft vacantie...." + +"Hoera, vacantie boven!" vielen Door en Nel in. + +"Nacht vader, nacht moes!" En zingende gingen, ze naar boven. + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +DE VERDWAALDE DWERGJES. + + +"Er zijn dieven," fluisterde Nel aan Doors oor, want hard praten +durfde ze niet. + +Door, nu op eens wakker, zat kaarsrecht in bed. + +"Hoor je 't?" fluisterde Nel. + +Door knikte. De angst benam haar bijna den adem. + +"Zullen we vader en moeder roepen?" fluisterde Nel weer. + +"'k Durf niet," kwam bijna onhoorbaar uit Doors mond. + +"Ik ook niet," klonk het wanhopig naast haar. + +"Luister eens. 't Is precies, of ze met sleutels rammelen," zei ze +en kneep Door van angst in den arm. + +"Ik durf onmogelijk opstaan," kermde Door. "Mijn mooien armband heb +ik gisteren op tafel laten liggen; dien nemen ze natuurlijk mee en +Fritsjes zilveren kroesje en de lepels en vorken! O, 't is vreeselijk," +zuchtte ze. "En mijn ringetje ligt, geloof ik, op den inktpot. Sst, wat +zijn ze nu stil. Misschien steken ze het wel aan een van hun vingers." + +"Het zal hun toch wel niet passen," zei Nel geruststellend. + +"Om de pink wel," snikte Door. + +"'t Is precies, of ze hierheen komen," fluisterde Nel en kroop stijf +tegen Door aan. + +"Maak toch zoo'n leven niet." + +"Konden we maar dood liggen, zooals Foxje." + +Weer was 't even stil in de voorkamer. + +"Ik probeer 't," zei Nel kordaat. + +"Wat?" + +"Ik houd het hier niet langer uit." + +"Nel, hoe durf je! Ik laat je niet alleen gaan," zei Door, toch alles +behalve moedig. + +Heel voorzichtig, met ingehouden adem, liet Nel zich uit 't bed +glijden. Door volgde klappertandend.... + +"De deur staat op een kiertje," fluisterde Door. + +Als twee angstige vogeltjes tegen elkaar aangedrukt, stonden Nel en +Door in de gang en trachtten door de deuropening te kijken. + +"Zie je iemand?" fluisterde Door tot Nel, die vooraan stond. + +"Niemand." + +"Ze zullen onder de canap gekropen zijn." + +"Ik ga eens kijken," zei Nel moedig. + +"Ik zie niemand," zei ze, op haar buik liggende. + +"Kijk eens op 't inktstel naar mijn ringetje." + +"'t Ligt er nog" zei Nel, steeds moediger de kamer rondkijkende. + +"Ligt het er ng?" Door was een en al verbazing. "Hoe is 't mogelijk; +dieven zijn anders dol op goud." + +"Misschien zijn ze boven op de kast gekropen," begon Door weer, +nu half in de kamer staande. + +"Op de kast?" vroeg Nel ongeloovig, terwijl ze voorzichtig het +tafelkleed oplichtte. + +"Ja zeker, op de kast. Als iets weg is, kan het overal zijn, zegt +ma altijd." + +"Je denkt zeker aan je haarlintje of je handschoenen, die ook altijd +zoek zijn. St.--hoor je dat?" Nel stond stijf van schrik. + +Door keek haar met groote oogen aan en durfde geen voet verzetten. + +"Daar hoor ik 't weer," zei Nel, nog steeds op dezelfde plaats +staande. "Maar--maar--ik geloof--dat--ja nu hoor--ik--het--duidelijk," +riep ze opgewonden.... + +"'t Is ... een vogel!" + +"Een vogel?" Door wist niet, wat ze hoorde. "Een vogel?" herhaalde ze +hoogst verwonderd en stond eensklaps midden in de kamer, naar alle +kanten kijkende en luisterende. "Ja, je hebt gelijk, nu hoor ik het +ook en heel duidelijk zelfs." + +"Hij zit stellig in den schoorsteen." + +"Neen, dat geloof ik niet, hij zit in de kachel. Die stumper kan zijn +pret ook wel op." + +"Ja, werkelijk, arm dier," zei Nel. + +"Wat wil je doen?" voeg Door, toen Nel naar het raam liep. + +"Het raam open schuiven; dan kan hij dadelijk naar buiten vliegen. Het +zal wel een verdwaalde kraai of spreeuw zijn." + +"Uitstekend," vond Door. "Nu zal ik het kacheldeurtje open zetten, +let op, een, twee, drie--rustverstoorder." + +Werkelijk vloog een jonge spreeuw er uit, keek even met zijn aardige +glinsteroogjes verbaasd rond, zag het open raam--en was verdwenen. + +"Kom eens gauw kijken, daar zit hij, daar zit hij," riep Nel +opgetogen. "Zie hij 't eens druk hebben en de veertjes glad strijken, +zoo'n ijdeltuitje.--Dag plaaggeest!" + +"Wat een geluk, dat het zomer is en er geen vuile stukken cokes en +asch in de kachel liggen. Wat draait hij met zijn kopje; het heeft +er veel van, dat hij zijn avontuur in geuren en kleuren aan die twee +dikke spreeuwen naast hem zit te vertellen." + +"Dan zullen die twee ouwetjes wel hun kopjes schudden, als ze hooren, +hoe hij ons heeft beet gehad," lachte Door. + +"En jouw netheid zal nog van de daken der huizen verkondigd worden," +zei Nel. + +"Maar kom, ons diefje heeft zijn vrijheid terug; ik kruip nu nog +lekker een paar uurtjes in bed." + +"En ik," zei Nel geeuwend. "Brr, wat een nacht." + +Na een kwartiertje waren beide heldinnetjes in zoete rust. + +Aan het ontbijt vertelden Door en Nel met veel ophef, wat ze vroeg +in den morgen hadden ondervonden en werden braaf uitgelachen. Leni en +de tweelingen zaten met open mond te luisteren en moesten natuurlijk +de kachel van alle kanten bekijken, alsof daar heel wat bijzonders +aan te zien was. En Nel en Door moesten den boom wijzen, waarin de +spreeuw gezeten had. Het drietal raakte niet uitgevraagd. + +"St, zacht loopen," zei Leni dien middag, terwijl ze met de tweelingen +naar den zolder ging. "Kijk, in den koffer zijn de kleeren, geloof +ik. Jullie moet mij eventjes helpen met de doozen, ze zijn zoo +zwaar." Met veel moeite gelukte het hun, met hun drietjes de doos op +te lichten. + +"O, Bob," juichte Hans, toen Leni het deksel van den koffer had +opgetild. "Kijk eens, een rood mutsje en een grijs. En wat is +dat?" vroeg hij, een met zilverpapier beplakte kroon in de hand +houdende. + +"Dat is de kroon, die Nel op gehad heeft, toen ze voor Asschepoes +heeft gespeeld," legde Leni uit. "Maar voorzichtig, jelui moet er nu +niet alles uit halen. Ik zal eerst eens kijken, waar de pakjes van +de dwergjes zijn." + +"O, Leni, worden wij dwergjes?" Hans klapte in de handen van pleizier. + +"Daar heb ik al een pakje; hoe vinden jullie dat?" + +"Is dat voor mij?" + +"Ja, trek je schoenen maar uit, of neen, het pijpje is nogal wijd. Ga +maar op deze kist zitten, dan zal ik je wel even helpen." + +"Zou het niet te groot zijn?" vroeg Hans. + +"Een beetje misschien wel, maar dat is niets. Zulke pakjes zitten +altijd nogal ruim," voegde zij er vertroostend aan toe. + +"Wat mag ik aan hebben?" vroeg Bob, die, met de zilveren kroon van +Asschepoes op zijn aardigen krullebol en een papieren sabel om, +verlangend in den koffer keek. + +"Jij krijgt dat grijze pakje aan; tweelingen moeten toch gelijk +gekleed zijn." + +"O ja dan zal ik mijn sabel zeker maar afdoen." + +"Ja," zei Leni, druk bezig Hansje een rood puntmutsje op te +zetten. "Klaar! Nu, wat zeg je er van? Is 't niet leuk?" Hans knikte +lachend. "Wacht, je moet nog den leeren riem om hebben, die zal ook +wel in den koffer zijn. Hoera, daar is hij al! Jammer, dat hier geen +spiegel is, dan kon je je zelf eens bekijken." + +"Hebben dwergjes dan spiegels?" + +"O, neen, 't is eigenlijk veel beter, dat er hier geen is, want +dwergjes bezitten die niet." + +"Stil, wat is dat? Daar is iemand aan de deur, geloof ik," zei Leni +verschrikt. "Gauw, Hans, kruip achter dezen koffer. Bob, verstop je +gauw." Voorzichtig deed Leni de deur open en verrast bleef ze staan, +toen Julia zacht miauwend met hoogen rug langs haar streek en in twee +sprongen op een koffer stond. + +"O, jou klein, nieuwsgierig poesekopje, om mij zoo verschrikt te +maken! Kom maar weer uit je schuilhoekje, jongens. 't Is Julia en +die verklapt ons niet." + +"Help je mij even? Ik kan niet in de tweede pijp komen." + +"Een, twee, drie, hopsa," zei Leni. "Past het niet mooi? Wacht, hier +is het een beetje te wijd, maar dat is niets, daar komt de ceintuur +over heen. Nu je puntmuts nog. Prachtig!" riep ze opgetogen. "Wat +zullen allen kijken, als jullie beneden komt. Ga beiden nu maar op +deze kist zitten, dan zal ik mij ook verkleeden. Oef, wat is 't hier +warm. Ik zal het raam open zetten." + +"Word jij ook een dwergje?" vroeg Bob. + +"Drie dwergjes," lachte Hans. + +"Maar dat kan toch niet, want dan ben jij een groote dwerg en dwergjes +zijn altijd klein." + +"Zijn er geen groote dwergen?" vroeg Hans. + +"Zijn er nooit pa-dwergjes?" + +"Jawel," zei Leni; "want dwergen dragen immers baarden. O ja, dat is +waar ook, jullie moet ook nog de baarden om hebben." + +En half uitgekleed, zocht ze weer in den koffer. "Ik kan ze nergens +vinden, dat is jammer, maar zoo zijn jullie toch ook mooi." + +Dat vonden Hans en Bob ook. + +"Ik wordt sneeuwwitje," zei ze. + +"Als deze koffer van glas was," zei Hans, "dan moest jij daarin gaan +liggen en konden wij je dragen." + +Leni lachte. + +"St! daar roept ma mij, geloof ik. Hoe jammer!" Haastig trok ze haar +jurk weer aan. + +"Stil blijven zitten, hoor! Ik kom gauw terug." + +'t Was een grappig gezicht, die twee aardige ventjes met hunne roode +puntmutsjes op de kist te zien zitten tusschen allerlei koffers, +doozen, manden enz. + +"O wee, kijk Julia eens," zei Hans even later. "Zij wil, geloof ik, +op het dak gaan en dat mag niet. Juul, Juul, Juul!" riep hij, zoo +hard hij kon. + +"Misschien is zij bang voor ons, omdat we nu op dwergjes lijken." + +"Als ze op het dak komt, gaat ze vogeltjes vangen," zei Hans wanhopig. + +Weer riepen beide kinderen zoo hard ze konden, maar poes stoorde zich +er in 't geheel niet aan en stapte kalm het raam uit. + +Bob en Hans vergaten heelemaal wat Leni gezegd had. Beiden liepen +naar het raam om te kijken, waar poes gebleven was. + +"Zie je haar?" vroeg Bob aan Hans, die 't meest vooraan stond. + +"Ja, ze loopt in de goot." + +"Och, die arme vogeltjes. Als poes ze ziet, eet zij ze op." + +"Wat zou ze doen, ze zit zoo stil als een muisje." + +"O Bobbie, misschien ziet ze al een vogeltje. Ik ga haar in den staart +knijpen. Jaap heeft mij verteld, dat, als je een poes, die loert, +in den staart knijpt, ze het vogeltje of muisje niet kan krijgen." + +"Laten we dan dadelijk gaan. Ze zit nog steeds op hetzelfde plaatsje." + +Beiden stapten toen voorzichtig in de goot. Bob vooraan, voetje voor +voetje, gingen ze op poes af. + +Julia bemerkte eerst niets, maar toen Hans en Bob op ongeveer vier +passen genaderd waren, scheen ze onraad te bespeuren, tenminste ze +verliet haar plaatsje en liep verder. + +"O, Hans, als wij haar nu maar kunnen krijgen," zei Bob half +schreiend. "Stil, daar zit ze weer, misschien heeft ze ons nog niet +gezien. Niet praten," zei hij, toen Bob weer iets wilde zeggen. + +Ondertusschen was Leni weer op den zolder terug gekomen. Ze keek +vreemd op, toen ze de tweelingen niet op de kist zag zitten. + +"Jullie deugnieten, heb je je verstopt?" zei ze lachend. "Ik zal je +wel vinden." Vroolijk zingend ging ze zoeken. "Hans, Bob!" riep ze +eenige keeren, toen zij ze niet vond. + +"Misschien zijn ze in slaap gevallen," dacht ze toen. "Maar dan moeten +ze hier toch zijn. Wat is dat? Julia ook weg? O wee, het raam! Zou +Julia op het dak zijn gegaan?" Op eens kreeg ze een vreeselijken +schrik. "Als-als-de tweelingen...." + +Leni holde naar beneden. "Ma--vader--Bob en Hansje zijn nergens te +vinden en Julia is op het dak." + +"Kom, kom, kleine meid," zei pa, "Julia zal wel gauw terugkomen; +ze vond het zeker frisscher op het dak dan op den zolder. Ze zal zoo +gauw geen ongeluk krijgen." + +"Och ja, maar ... paatje, Hans en Bob zijn er ook niet." + +"Hans en Bob zijn toch geen poesjes, die zijn toch niet op het dak +geklauterd? Kom, kom, vrouwtje, maak je toch zoo angstig niet. De +bengels zullen zich zeker verstopt hebben." + +"Ik heb ze overal gezocht," zei Leni, nu wel een beetje gerustgesteld. + +Ze gingen zoeken boven. Maar toen niemand ze vond, maakte een +vreeselijke angst zich van hen meester. Er was geen twijfel +meer aan. Bob en Hans waren op het dak geklommen en naar beneden +gevallen. Allen zagen lijkwit. Plotseling werd er hevig gebeld +en stonden ze stijf van schrik. Ieder verwachtte nu te hooren, +wat ze zoo zeer vreesden. Kee kwam naar boven hollen en vloog +vader bijna omver, die juist naar beneden wilde. "Ze--ze--" +stotterde ze,--"ze--zitten--dr," en Kee wees met den vinger,--"dr +gunder--op het--dak.--De slagersjongen kwam--het mij--zeggen"--hijgde +ze,--"och, die wurmen, die wurmen! Het--staat--daar vol menschen, de +politie--is er ook, och hemeltje--och, och! Enne, die kan--niet bij +ze--komen, omdat de menschen--die--daar wonen--uit--de stad zijn. Die +stakkers! Wat ze--aan hebben, weet ik niet, maar--ze zien er heel +gek--uit--zegt de slager." + +Allen holden naar beneden. Mevrouw Van Brakel kon van schrik bijna +geen voet verzetten. + +Ja waarlijk, een huis of zes verder zaten boven op het dak, als twee +parkietjes, Hans en Bobbie. + +Intusschen had de politie van de buren den sleutel gehaald en was +een agent naar boven geklommen. Een algemeene kreet van blijdschap +ging op uit de volksmenigte, toen ze den agent op het dak zagen. En +een oorverdoovend hoera brak los, toen hij met Hans, en mijnheer +Van Brakel, die den agent gevolgd was, met Bob weer uit het huis +kwamen. Mevrouw Van Brakel schreide en lachte te gelijk en geen van +hen wist van blijdschap wat te doen. + +"Kindertjes, kindertjes," zei mevrouw Van Brakel, toen men een beetje +van den schrik bekomen was, "hoe kwamen jullie er toch toe?" + +"Heeft ze een vogeltje gepakt, tante?" vroeg Hans. + +"Een vogeltje gepakt? Wie wilde een vogeltje pakken?" + +"Julia," zei Bob, en toen vertelde hij alles. "lederen keer, als ik +haar staart wilde grijpen, liep zij verder en op 't laatst zagen wij +Julia nergens meer." + +"En waarom liepen jullie toen niet terug?" vroeg Nel. + +"Wij durfden ons niet omdraaien. Wij wisten ook heelemaal niet, hoe +ver we geloopen waren." En op eens barstte Hans in een zenuwachtig +schreien uit. + +"O, we waren toch zoo bang." + +"Jullie kleine, domme kereltjes," zei mijnheer Van Brakel +troostend. "Wisten jullie nu nog niet, dat dwergjes op den grond +hooren en niet op het dak?" + +"O, daar heb je de schuldige," zei Door, toen poes de kamer binnen +kwam. "Poesje, poesje, je hebt wat op je geweten. Wat heb jij ons +een onmogelijken angst bezorgd." + +"Ja, gelukkig, dat dit alles nu weer voorbij is," zei mevrouw Van +Brakel. + +"Ter eere van den goeden afloop mag Fritsje een balletje aan onze +dwergjes presenteeren en de andere kinderen mogen mee snoepen." + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +EEN DAGJE BUITEN. + + +"Kinderen," zei mijnheer Van Brakel eenige dagen later, "nu heb ik +een mooi plan. 't Is zulk prachtig weer, wat denken jullie er van, +als we eens een groote wandeling gingen maken?" + +"Heerlijk, leuk!" klonk het van alle kanten. + +"Nu, over een uurtje verwacht ik, dat alles klaar zal zijn, hoor." + +"Meisjes, jullie moet mij dan maar flink helpen. Want er moeten heel +wat boterhammen gesmeerd worden," zei moeder. "Dolf, jongen, maak jij +de sportkar eens keurig schoon, want voor Fritsje moeten wij die wel +meenemen en Bob en Hans zullen ook wel eens willen rijden." + +Ma en Door gingen de boterhammen smeren. Leni bracht papier aan, de +tweelingen zorgden voor de touwtjes, Nel pakte alles in en Fritsje +bracht ze naar de sportkar. + +"Hoe staat het er mee?" vroeg vader, op zijn horloge ziende. "Het +wordt tijd." + +"We zijn klaar, vader," zei Nel. + +"Mooi zoo, dan maar opgemarcheerd, marsch." + +"Mag Foxje mee?" + +"Zeker." + +Toen Fox zijn naam hoorde noemen, was hij uitgelaten van +blijdschap. Als een pijl uit den boog vloog hij vooruit, rende weer +terug, sprong dan tegen dezen, dan tegen dien op en was zoo dol, dat +het niet veel gescheeld had, of hij had Fritsje in zijn blijdschap +omgegooid. + +"Koest, Fox, koest, we weten wel, dat je blij bent," zei Dolf, +"maar als je zoo begint te rennen, hou je het nooit uit." + +"Wat is het toch heerlijk buiten," zei moeder. + +"Mij dunkt, we gaan de hei over en dan straks bij vrouw Pruim een +glaasje melk drinken." + +"O, ja," zei Leni, "misschien heeft ze wel weer een ziek geitje, +zooals den vorigen keer." + +Vader begon hartelijk te lachen. + +"Je wenscht vrouw Pruim ook niet veel goeds toe, kleine meid." + +Leni lachte verlegen. "Och ja, vader, maar u wt ook niet, hoe goed +vrouw Pruim haar ziek geitje oppaste." + +"Dan moeten wij eens gauw gaan kijken, maar als jelui mij vraagt, +dan zie ik liever een gezond dan een ziek geitje." + +"Leni vindt zieke dieren altijd veel aardiger," zei Nel plagend, +"omdat ze die dan flink verwennen en vertroetelen kan. Was ik nu +maar een zieke kikvorsch of een half doode spreeuw," zei ze grappig +wanhopig, "wat zou mijn zusje mij dan allerlei lekkere hapjes brengen." + +"Ja, ja, je bent me een stumperd," lachte Dolf, "en zoolang je +nog zoo'n verbazende massa boterhammen verslindt, vrees ik, dat er +vooreerst van jou geen sprake zal zijn." + +"En tot kikker zul je 't zeker wel nooit brengen," zei Door, "want +in plaats van in het water te springen, bleef jij 't liefst aan den +kant staan." + +"En jij niet tot spreeuw," plaagde Nel terug, "want aan vroeg opstaan +heb jij een broertje dood." + +"Daar zal ik ook altijd voor oppassen, als ik al eens spreeuw mocht +worden; want vogeltjes, die te vroeg zingen, zijn immers voor de poes?" + +"En nu stel ik voor," zei vader, "dat wij hier eens een poosje aan +den kant van den weg gaan zitten. We hebben al een heele wandeling +achter den rug en 't wordt warm vandaag." + +"H ja," vond Door, "eventjes uitblazen." + +"Hoe is 't met mijn kleine broekemannetje?" + +"Is het broertje ziek geweest en is dat broertje toen doodgegaan, +Mammi?" vroeg Fritsje met een bedroefd stemmetje. + +"Welk broertje toch, kleine man?" + +Allen keken naar Fritsje, want 't was duidelijk, dat het schreien +hem nader stond dan 't lachen. + +"O, ik begrijp het, ik begrijp het," gierde Door. "Hij heeft gehoord, +dat Nel tegen mij zei, dat ik aan vroeg opstaan een broertje dood had." + +Ze schaterden het uit. + +"Jou kleine, kleine krullebol," zei Ma, en trok haar kereltje +liefkoozend op den schoot. + +"Nel weet er niets van, hoor, er is geen broertje ziek geworden en +ook geen dood gegaan. Dolf, kom eens hier met de sportkar, de bron +van alle goeds, en laten we dan allen een eierkoek gaan eten op het +heerlijke feit, dat Nel geen kikvorsch en Door geen spreeuw is, en +op het broertje, dat niet ziek geworden is. Wat zit het hier toch +heerlijk, 'k was werkelijk al een beetje moe," zei mevrouw Van Brakel. + +"Maar waar is Leni nu weer?" vervolgde ze. "Daar loopt ze warempel +met Bob en Hans ons al een heel eind vooruit. Dolf, roep die drie +voortvluchtigen eens terug. Ze moeten wat rusten, anders worden ze +veel te moe." + +"O, daar komen ze al." + +"O, paatje, u weet niet, wat beeldige kapelletjes wij gezien +hebben!" zei Leni. "Hansje had er bijna eentje gevangen." + +"Jaap zegt, dat kapelletjes tooveren kunnen," zei Bob. + +"Zoo, heeft Jaap dat verteld?" + +"Ja oom. 't Kapelletje zegt: hocus, pocus pas, 'k wou dat ik een +rups was." + +"En wat zegt de rups?" lachte ma. + +"De rups? Hansje, zegt die ook wat?" vroeg Bob. Hans wist het niet. + +"Dan zegt die weer: hocus, pocus pas, 'k wou, dat ik weer een +kappelletje was, en dan wordt het een kapel. Is dat niet wonderlijk?" + +"Dat zal ik Jaap vertellen," zei Bob. + +"Kijk Foxje eens," zei Dolf, "f hij ook moe is. Pas maar op je tong, +zoo meteen springt er een kikker op, net als op die van Pluto. Ik zou, +als ik jou was, mijn rood lapje maar gauw naar binnen halen. Hier, dit +is beter dan zoo'n springertje," en hij gaf Fox een stuk van zijn koek. + +"Ik weet een mooi spelletje," zei Leni, "zullen we bloemencorso +spelen?" + +"Bloemencorso?" + +"Goed," zei Door en sprong op, "er zijn hier zulke beeldige bloemen." + +"Vader en moeder zijn 't publiek," stelde Dolf voor. + +"Ja," zei Nel, "u moogt niet kijken, wij zullen wel waarschuwen, +als alles klaar is." + +"Dan zullen we ons maar in dezen greppel omdraaien; want om op zoo'n +mooien dag met je oogen dicht te zitten, is wel wat veel gevergd." + +Door stelde voor de sportkar te versieren. Dolf sneed heide, +terwijl de meisjes bloemen gingen plukken, 't Was niet zoo'n heel +gemakkelijk werkje. Door en Nel geleken, toen alles klaar was, wel +een paar pioenen. + +"Nu den optocht opstellen," zei Nel, terwijl zij nog bezig was aan +een krans voor Leni. + +"Eerst de sportkar met Bob er in. Leni, jij moogt hem rijden. Wat +zeg je wel van dit kransje?" + +"Door, laten wij van onze armen een stoeltje maken, dan kan Dolf Hansje +Pansje daar opzetten. Hij zelf kan Fritsje op zijn schouders nemen. Nu +eerst dat kleine heuveltje op," commandeerde Nel verder. "Ziezoo, +Leni, sta even stil, nu zal ik het publiek verzoeken te kijken. Vader, +moeder, het bloemencorso is gereed, u moogt kijken. Leni, vooruit nu." + +'t Was een aardig gezicht, dat vroolijk versierde troepje van den +heuvel te zien komen. + +"Beeldig, beeldig," riep Ma. + +"Prachtig," vond vader ook. + +Foxje was nu eens heraut, dan vormde hij weer de achterhoede, en +steeds wapperde zijn vlag. Toen de optocht tweemaal het publiek was +gepasseerd, vonden allen, dat het lang genoeg geduurd had. + +"'t Is mooi geweest, 't is mooi geweest, 't is drommels mooi geweest," +begon vader te zingen en allen vielen mee in. + +"En nu stel ik voor," zei ma, "dat we bij vrouw Pruim ons glaasje +melk gaan halen. Oef, wat is het warm!" + +"Ik weet den weg wel, vader," zei Leni. + +"Uitstekend, ga jij met Hansje maar vooruit." + +Dat vond Leni wt gewichtig, en parmantig stapte ze voort. + +"St!" zei mijnheer Van Brakel even later, "ik hoor geritsel." + +"Een eekhoorntje," fluisterde Dolf. + +Ja waarlijk, daar zat op korten afstand een allerliefst eekhoorntje +te smullen aan een paddenstoel. Hij liet de plant in zijn pootjes +ronddraaien en knabbelde er zoo stukjes af. Zoo iets hadden de kinderen +nog nooit gezien. Ademloos stonden ze te kijken, toen hoe jammer, +Fox kwam aanrennen en binnen drie tellen zat het eekhoorntje boven +in een boom angstig naar beneden te kijken, of hij ook vervolgd werd. + +"Fox, hier!" commandeerde mijnheer Van Brakel, die den angst van den +eekhoorn zag. + +"Die stoute Fox," zei Bob boos. "Ik vind dat eekhoornhondje veel +aardiger." + +"Zoo, vind jij dat eekhoornhondje veel aardiger dan onzen lieven +Fox. Zullen we Fox dan in dien boom laten klimmen en het eekhoorntje +meenemen?" + +Even bedacht Bob zich. "Blijft Fox dan vannacht hier in 't bosch en +slaapt het eekhoornhondje dan in zijn nest?" + +"Ja zeker." + +"Och, laten we Foxje dan maar liever houden," zei hij. Maar nog eens +even keek hij door de takken, waar toch wel het mooie "eekhoornhondje," +zooals hij het noemde, gebleven was. + +"Leni en Hansje zullen al wel bij vrouw Pruim zijn," zei pa na een +half uurtje. "Wij hebben, geloof ik, een omweg gemaakt. Zij zullen +wel ongeduldig worden en niet begrijpen, waar wij blijven." + +Maar toen allen bij vrouw Pruim kwamen, zagen ze Leni en Hansje +nergens. + +"Leni zal in den stal zijn om haar zieke geit op te zoeken," zei vader +lachend. "Ga haar en Hans maar eens vertellen, dat wij er al zijn, +dan zal ik ondertusschen voor jullie een glas melk bestellen." + +"Ze zijn nergens," zei Nel, terugkomende. + +"Nergens? Nu nog mooier. Den eenen dag verdwalen de log's op het +dak en een paar dagen later verdwaalt Leni op de hei." + +"Ze konden toch al lang hier zijn," zei moeder. + +"Hoe is 't mogelijk, die Leni, die altijd zoo goed den weg weet." + +"Ze zal wel weer achter een vlinder of hagedis zijn gaan loopen," +zei Nel. + +"Ik wou toch, dat ze er maar vast waren," zei moeder. "Ik ben er niet +zoo heel gerust op." + +"Ja," zei Dolf lachend, "als ze achter een hagedis aanloopt, moeder, +dan zal u ze wel niet zoo gauw terugzien. Maar daar komen ze, daar +komen ze. Ik zie ze heel in de verte." + +Ja, werkelijk, heel in de verte zag men twee kinderen langzaam +naderkomen. + +"Waarom loopen ze toch niet vlugger, ze zien ons toch wel zitten. Als +'t niet zoo "onmogelijk" warm was, liep ik ze te gemoet," zei Door. + +"Dat dient nergens toe, kindje. Ja, 't is verbazend warm. De lucht +ziet er werkelijk uit, of we onweer zullen krijgen, 't Is te hopen, +dat de bui nog maar wat uitblijft," zei mijnheer Van Brakel. + +"Ik zal maar vast de boterhammen ronddeelen, want er zullen wel leege +magen zijn en die twee laatkomers zullen ook wel trek hebben." + +"Hier zijn de schuldigen," zei Nel, die Leni en Hans toch te gemoet +geloopen was en nu met beiden voor mevrouw Van Brakel stond. + +"Maar kinderen, wat hebben jelui uitgevoerd!" riep mevrouw Van Brakel +verschrikt, de natte kleeren van Hans ziende. + +Allen zetten groote oogen op. + +"Wat is er gebeurd?" riepen Dolf en Door. + +"Dit jongetje," zei Nel, op den snikkenden Hans wijzende, "was op eens +heelemaal vergeten, dat hij een jongen was en dacht, dat de kikker +daar ginds in den plas zijn broertje Bob was. En toen hij zag, dat +zijn kikkerbroertje alle moeite deed om een mug te vangen, dacht hij: +stumpertje, ik zal jou wel even helpen, en flap, daar lag hij voorover +in den plas en toen begreep hij wel wat laat, dat hij geen kikker, +maar Hansje Pansje was." + +"Klein, dom Hansje, dacht je, dat je een kikker geworden was," lachte +mijnheer Van Brakel. + +Hans schudde heftig zijn hoofd. + +"Dacht jij, dat ik in een kikker omgetooverd was?" vroeg Bob lachend. + +Nog heviger ging Hansjes bolletje. + +"Hansje dacht," zei mevrouw Van Brakel, "dat een bad op zoo'n warmen +dag wel frisch zou zijn, maar hij vergat zijn kleeren uit te trekken." + +"Ik kon het heusch niet helpen," zei Leni, half schreiende, "maar ik +zag een klein vogeltje, dat o zoo akelig deed. Ieder oogenblik dacht +ik, dat het dood neer zou vallen, en juist toen ik het wilde grijpen, +vloog het, roef! naar boven in een boom. En toen ik omkeek, zag ik +Hans in den plas liggen. Ik heb hem toen dadelijk aan zijn arm er +uit getrokken." + +"Dat vogeltje was een kleine grappenmaker," zei vader. "Dat heeft jou +leelijk gefopt, meisje; want het was zoo gezond als een visch. Maar zal +ik je eens wat vertellen? Het was bang, dat jij zijn nestje zoudt zien, +waarin zijn kindertjes zaten daar in de buurt, en toen dacht het: als +dat meisje naar mij ziet en met mij meeloopt, kan ze mijn kleintjes +niet vinden. En toen jij ver genoeg van zijn nest verwijderd was, +vloog hij op en lachte je in zijn vuistje uit. Droog nu maar gauw je +tranen, kleine meid. Zoo'n bad zal Hans geen kwaad gedaan hebben. Nel +kan nu wel eens hooren, of vrouw Pruim ons misschien ook droge kleeren +kan leenen van een van haar jongens. Gerrit of Piet zullen wel iets +hebben, dat Hansje past." + +"Een jasje en een paar klompjes van onzen Dirk kan dat jongetje best +aanhebben. Kom jij maar mee, hoor," zei vrouw Pruim tot Hans, "dan +zal ik je die spulletjes gauw aantrekken." Maar Hans had hierin in +'t geheel geen lust, tot eindelijk mevrouw Van Brakel meeging. + +Een hartelijk gelach weerklonk, toen Hans na een tien minuten als +boertje met lange broek en klompen aan weer in den tuin verscheen. + +"O, "onmogelijk" leuk, onmogelijk," gilde Door. Hans kreeg nu ook +pret in 't geval, stak zijn beide handen in de zakken, zoodat ze +wijd uitstonden, draaide zich om en om en liet zich van alle kanten +bekijken. + +"Nu, wat zegt ge nu?" lachte vrouw Pruim, "heb ik niet een aardig +Pruimpje van je gemaakt?" + +"Och, zoo'n aardig Pruimpje," schaterde Dolf. + +"Maar nu zijn we geen tweelingen meer," riep Bob met een grappig +ongelukkig gezicht. "Hoe moet dat nu, tante?" + +"Dat is niets, ventje," zei mevrouw Van Brakel, "vanavond zijn jullie +weer tweelingen in je hanssopjes." + +Foxje was door al die luidruchtigheid ook heelemaal van streek en +holde van den een naar den ander. + +Na een half uur werd de terugtocht ondernomen en toen Hansje moe +werd van 't ongewone loopen op de klompjes, werd hij bij Frits in +de sportkar gezet, 't Was nog een heele wandeling en bij de greppel +gekomen, werd er halt gehouden. Door beweerde, dat ze "onmogelijk" +verder kon en allen hadden behoefte eens heerlijk uit te rusten met +die warmte. Dolf ging languit op de hei liggen en Fox hield trouw de +wacht bij zijn vriendje. + +"Nu maar weer opgemarcheerd," zei mijnheer Van Brakel na een +kwartiertje. "Ik ben anders bang, dat we niet voor de bui thuis +zullen zijn!" + +'t Was duidelijk, dat Julia blij was, toen haar vrindjes en +vriendinnetjes weer thuis waren. Ze deed niets dan langs de deurposten +strijken en zacht miauwen en duwde haar aardig kopje dan tegen dezen, +dan tegen dien aan. + +"Stil nu, stil nu," zei Door troostend. "Wat wil je toch, Julia? Wacht, +ik geloof dat er nog een kaakje in den zak is overgebleven. Dat krijg +je tot "welkom thuis" en morgen zullen we spelletjes doen; maar als +je te veel naar de vogeltjes kijkt in plaats van op te letten dan +neem ik mijn boek en ga in een hoek onder den treurboom lezen, hoor!" + +"Ziezoo, het klokje van gehoorzaamheid voor allen, groot en klein. Een, +twee, drie naar bed. 't Is een vermoeiende dag geweest." + +"Ik kruip alln onder 't laken," zei Leni. + +"En ik," riepen Dolf en Nel. + +"Och, moezekepoes, wat is 't warm!" + +"Door en Nel, jullie zorgt wel voor onze log's, niet waar?" + +"Ja zeker, moeder; ik zeg dan: hocus, pocus pas, 'k wou, dat +ons.boertje weer Hansje was, en dan ..." lachte Nel. + +"Trekt Hans gauw zijn hanssopje aan," zei Bob. "Dan zijn we weer +tweelingen." + +"Nacht vader, nacht moeder!" + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +TWEE KNAPPE HUISHOUDSTERS. + + +"Kinderen, moeder is vanmorgen met hoofdpijn in bed blijven liggen," +zei mijnheer Van Brakel eenige dagen later. "Jullie moet Kee nu +maar een beetje helpen en vooral niet te veel leven maken, 't Is wel +vacantie, maar..." + +"Dat treft juist heel goed," zei Door geruststellend. "Ik zal-wel +voor de boterhammen zorgen en thee schenken. Nel kan dan--ja, Nel, +wat zul jij doen?" + +"'k Zal het Kee eens vragen," zei Nel. "Deze boontjes moeten afgehaald +worden, dat vind ik wel een leuk werkje. Leni kan mij wel wat helpen," +en vol ijver wilde Nel dadelijk al beginnen. + +"Och, Nel, help jij Fritsje even met zijn boterham. Laat die boontjes +maar staan tot na 't ontbijt." + +"Zou ik ze dan nog wel klaar krijgen? Kee zei: ""asjeblieft een portie +voor een kazerne."" Nu, dat kan nogal, dunkt me." + +"Zoo? Zei ze dat? Maar je moet mij nu toch even helpen. Het botermesje +ben ik kwijt," en Door tilde alle bordjes op, keek onder het theeblad, +op den stoel. "O, daar is 't gelukkig al. Waar zijn de tweelingen en +Leni? Wil je even kijken?" + +"Fritsje een glaasje melk, Door," vleide de kleine jongen. + +"Ja, ja, kleine snoes, dadelijk, 'k heb 't zoo druk. + +Och, Nel! Nel! N-l! H, waar is ze nu weer?" zei Door in zich +zelf. "Waarom loopt ze nu juist weg? Ze kan toch wel begrijpen...." + +"Ze waren in den tuin," zei Nel, met de tweelingen terugkomende. + +"Wie waren in den tuin?" + +Nel proestte het uit. "Wie anders dan Bob en Hans. Je zei immers: +ik zou ze zoeken." + +"Dat is waar ook; maar geef jij Frits even zijn kroes met melk, ik kom +niet klaar. Wacht, even tellen: Vader, Dolf, Nel, Leni, de tweelingen, +dat is--dat is zes. Hoeveel sneetjes zou ik snijden? Hoeveel eet jij?" + +"Ik heb trek," zei Nel. + +"Nu ja, daar heb ik niets aan. Hoeveel sneetjes eet je dan, ls je +trek hebt?" + +"Twee." + +"En Dolf, denk je?" + +"Wel drie." + +"En vader?" + +"Ook wel zooveel." + +"Acht," telde Door. "En Leni?" + +"Ja, dat weet ik niet." + +"Leni, Leni!" riep Door, met in de eene hand het mes en de andere +het brood. + +"Natuurlijk, Leni is weer bij het kippenhok. Hoeveel?" riep Door, +'t brood in de hoogte houdende. + +"Vier," riep Leni terug. + +"Vier, hoe is 't mogelijk," zei Door, "dat is dus twaalf." + +"Och," zei Nel, "waarom vraag je dat toch alles; dat doet ma nooit." + +"Ma wt, hoeveel ieder zoowat eet, maar ik niet. Zou jij ooit gedacht +hebben, dat Leni vier sneetjes at?" + +"En dan zegt ze nog wel, dat ze in de vacantie nooit trek heeft," +lachte Nel. + +"Bob en Hans ieder eentje, dat is veertien," telde Door. "Nu Kee +nog. Ik hoop maar niet, dat ze al te grooten honger heeft," zei ze +met een kleur van inspanning, "want 't mes is zoo akelig stomp. Help +jij vast smeren." + +"Kee!" riep ze, nu haar hoofd in de gang stekende. "Hoeveel?" + +"Hoeveel?" riep Kee verwonderd terug. "Gewoonlijk driehonderd, maar +nu nog vijftig meer." Door proestte het uit. + +"O, neen, maar Nel, hoe vind je die Kee?" verder kwam Door niet. + +"Wat zegt Kee?" vroeg Nel, lachend om Door. + +"Toe, zeg het nu," zei Nel ongeduldig, omdat Door maar blf lachen. + +"Verbeeld je, Kee zegt ""gewoonlijk--,"" weer proestte Door 't uit. + +"H toe, wees nu niet zoo flauw," zei Nel half boos, half lachend. + +"Kee zegt," zei Door nu, haar best doende zich verstaanbaar te maken: +"gewoonlijk driehonderd en nu nog vijftig meer," wr gierde Door. "O, +nee, maar Nel, wat zou ze meenen? Gewoonlijk driehonderd en nu nog +vijftig meer; zeker, omdat ik een stomp mes heb!" + +Nel, die juist Frits hielp, gutste door het lachen de helft van de +melk over het kroesje. "Ik begrijp het," schaterde ze. "Ze bedoelt +de slaboonen." + +"'t Is prachtig! Eenig! Stel je voor: driehonderd vijftig sneetjes +met een stomp mes." + +"Hoeveel _boterhammen_?" riep Door gierend terug. + +"Wie kan dat nou ook denken," zei Kee goedig; "drie, maar als ik +haast heb twee. En ik heb nu haast." + +"Dat is--hoeveel had ik ook weer?" + +"Veertien," hielp Nel. + +"Dat is dus zestien en ik zelf. Ja, 'k hb honger, maar ook haast, +net als Kee, dus ook maar twee. Kom, nu zal ik de rest smeren. Wat is +zoo'n huishouding toch "onmogelijk" druk," zei ze, Fritsjes boterham +in smalle reepjes snijdende. "Je komt gewoon niet klaar." + +"Ziezoo, daar ben ik weer," zei mijnheer Van Brakel. "Ik zie wel, +dat je goed voor allen gezorgd hebt." + +"Leni, kom nu toch, we zijn allen klaar," riep Nel; "je boterhammen +zijn gesmeerd." + +"Ja, ik kom dadelijk, ik moet even de eieren naar de keuken +brengen. Zijn al die boterhammen voor mij?" vroeg ze, verbaasd naar +haar bordje kijkende. + +"Ja, natuurlijk," zei Door. "Ik heb je immers gevraagd, hoeveel je +hebben wou? Je eet nu maar op, wat op je bordje ligt." + +"Maar ik _heb_ niet gezegd, dat ik er vier wou hebben," zei Leni, +wanhopig naar den berg boterhammen kijkende. "Zoo veel eet ik nooit." + +"Wat is er toch, kinderen?" vroeg mijnheer Van Brakel. + +"Och, vader, ik was aan het brood snijden, en omdat ik niet graag meer +wilde snijden dan noodig was, vroeg ik Leni, die natuurlijk weer bij +de kippen was: "hoeveel?" + +"En toen?" + +"Toen riep ze van vier, dus...." + +"En vier kon _on_mogelijk iets anders zijn in Doors oogen dan sneetjes +brood; zoo'n huishoudstertje," lachte vader. + +"Nu begrijp ik het," zei Door, "vier kon bij Leni _on_mogelijk iets +anders zijn dan eieren." + +"Of kippen," zei Nel. + +"Dus kippeneieren," lachte Dolf. "Wat wil jij, Julia, kleine +vleister! Bob, zij wil, geloof ik, dolgraag een stukje van jouw +boterham hebben." + +"Nu zou ik toch eigenlijk wel graag een kopje thee willen hebben," +zei vader. + +"O wee, ik vergeet heelemaal in te schenken. Ma heeft misschien ook +wel trek in een kopje. Leni, wil jij eens even vragen?" + +"Wat is dat?" riep Door verschrikt uit. "Er komt water uit de tuit, +alln water. En ik weet toch zeker, dat ik thee in den pot heb +gedaan." + +"Misschien gebeurt zoo iets in de vacantie wel meer," zei vader. + +"O, neen, paatje," zei Door, die wel begreep dat mijnheer Van Brakel +haar plaagde, "'t Is toch heusch waar. Ik heb het theebusje in de +hand gehad, ik weet het zeker." + +"Ja, je hebt met thee zetten gedaan als met de vraag aan Leni over +de boterhammen. Je vroeg hoeveel, en het voornaamste vergat je." + +"Ja, maar het theebusje," begon Door verdrietig, "waar is dat dan +toch gebleven. Ik zie het hier niet staan en toch...." + +"Ik heb het, ik heb het!" + +"Waar?" vroeg Door. + +"Hier, onder het deksel van het botervlootje," zei Nel. + +"Ik ben blij voor jou, dat het busje er weer is. Ik zal nu voor dezen +morgen maar een glas melk nemen; want het wordt mijn tijd." + +"Nu, paatje," zei Door, die het heel onpleizierig vond, dat haar +theeschenken zoo treurig afliep, "dan schenk ik u vanmiddag een extra +lekker kopje." + +"Water of thee?" lachte vader. + +"Wat is u toch een plaaggeest!" + +"Ik op 't lage stoeltje!" riep Nel een kwartier later en rende naar +het priel zoo vlug ze kon, met de teil met prinsessenboonen voor +zich uit. "Jullie moet mij allen helpen. Dolf, haal jij even een +paar couranten voor de draden en een grooten bak voor de afgehaalde +boonen. Leni kan die boonen mooi doormidden breken. De tweelingen en +Fritsje kunnen met hun drietjes in den tuin spelen, wij hebben daarvoor +nu geen tijd. Er kan hun geen ongeluk overkomen. Fox, hier oude jongen, +breng dit boek eens naar binnen, dat heeft zeker iemand hier gisteren +weer laten liggen, je weet wel, wie ik bedoel. Fox sprong en blafte, +dat Bob de vingers in zijn ooren stak. "Fox, apporte, bedaar nu, +apporte," gebood Nel en toen nam de dartele, vroolijke Fox heel gedwee +het boek in zijn bek en ging er mee naar binnen. + +"Allo, marsch," riep Kee en toen stoof Fox de trap op naar Doors kamer. + +Bob, Hans en Frits hadden het al even druk met hun drietjes als de +kleine huishoudsters. + +"Dat is Asschepoes," legde Hans aan Bob en Frits uit, terwijl hij +bij het kippenhok stond, "en dat Snoetie. Kijk die kuikentjes toch +eens. Ik wou wel zoo'n kuikentje in de hand hebben." + +"Ik ook wel," zei Bob. "Misschien zouden ze 't wel prettig vinden, +als ze ook eens door den tuin mochten wandelen," opperde hij. + +"Ja," zei Hans, "en die arme Asschepoes zeker ook. 't Is toch ook +niet prettig, altijd in zoo'n hok te zitten." + +"Mag Frits ook een kuikentje hebben, zoo'n lief kuikentje?" en hij +trappelde al van ongeduld. + +"Is er ook een deurtje om in 't hok te komen?" onderzocht Hans. + +"Hier is een deurtje," zei Frits, die Leni dit dikwijls had zien +openen. + +"Wat een kleintje," lachte Bob. + +"Ja, dit is eigenlijk 't kippenhuis. Laten we spelen, dat wij kip +zijn," stelde Bob voor, "en Frits een kuikentje." + +"Neen," zei Hans, "ik ben Slokop en jij Asschepoes en dan vecht ik +met jou." + +"Fritsje vindt het toch niet zoo heel prettig in dit huisje," zei +Frits, angstig naar den haan kijkende. + +"Dat hoort ook zoo," zei Bob. "Kuikentjes vinden 't ook niet prettig +in een hok. Kijk eens, daar loopen warempel al twee op 't gras. Kijk +Asschepoes eens en de haan. En Snoetie en Toetie!" + +Voorzichtig stapte hij 't hok binnen, wel een klein beetje bang, +toen eenige kippen begonnen te fladderen. Maar dat wilde hij voor +Hans en Fritsje niet weten en liep daarom moedig verder. + +"Ze vinden het, geloof ik, niet goed, dat wij in hun huis komen," +en eigenlijk had Hans wel grooten trek om dadelijk weer terug te +keeren, maar toen hij Bob zoo dapper voort zag stappen, wilde hij +niet minder zijn. + +"Nu is er geen meer in 't hok! Hoe leuk," riep Hans, "nu doen we +het deurtje dicht!" Maar juist had Hansje dit gezegd, toen er een +doordringende gil van Leni te gelijk met een nog doordringender van +Door weerklonk; want de kippen, krielkipjes en kuikentjes genoten zoo +buitengewoon van hun vrijheid, dat ze uit puur pleizier steeds verder +waren getrippeld tot aan 't priel, waarin allen zoo ijverig bezig +waren, dat ze Bob en Hans geheel hadden vergeten. Tot op eens Toetie +met haar kleine kraaloogjes om 't hoekje kwam kijken en de haan zijn +blijdschap over de heerlijke vrijheid niet beter wist uit te drukken, +dan door een krachtig kukeleku vlak bij Leni's oor te laten hooren. + +"De haan! de kippen! de kuikens!" klonk het van alle kanten. Door viel +bijna over den bak met slaboonen. "Wie is bij 't kippenhok geweest?" + +Leni sprong op en Nel zat als versteend. + +Fox, die rustig had liggen slapen, was op eens klaar wakker en pas +zag hij de niets vermoedende kuikentjes, of hij wilde er op af, +als Dolf hem niet met geweld bij den halsband vastgehouden en in +huis gezet had. Nu werd het een jagen van alle kanten. Tot driemaal +toe vloog Asschepoes angstig kakelend over het bed met viooltjes en +de kleine kuikentjes trippelen n voor, dn achteruit, in 't geheel +niet begrijpend, wat er van hen verlangd werd. + +"Niet zoo wild, niet zoo wild," riep Door, "dan kunnen we ze onmogelijk +krijgen. O wee, daar heb je Julia. Nel, jaag haar weg." Julia was +blijkbaar over dezen daad van Nel z diep beleedigd, dat ze, zonder +Nel ook maar met n blik te verwaardigen, rechtsomkeert maakte om +boven op de schutting haar toilet, waarmee ze te voren zoo ernstig +bezig was geweest, te voltooien. + +"Ssst, voorzichtig, daar zit een krielkipje onder die struik. Dolf, +ga jij hier staan, dan jagen we het er voorzichtig onder uit." + +"Och, kijk toch die kuikentjes, ze vallen bijna over hun eigen +pootjes," zei Leni. + +Op eens schaterde Dolf het uit. "O neen maar, kijk toch eens, kijk +eens. Bob, Hans en Fritsje in het kippenhok!" + +Allen waren, al jagende, nu ook het kippenhok genaderd en +niettegenstaande de groote verwarring door de "kippenoverstrooming", +zooals Dolf zei, ging er toch een uitbundig gelach op, toen ze de +drie kereltjes in het kippenhok zagen met hun neusjes stijf tegen +'t gaas gedrukt, vol belangstelling voor de kippenjacht. + +"Nu nog mooier," zei Nel. "Willen jullie wel eens n, twee, drie, +uit het hok komen? Zoolang jullie nog Bob en Hans bent, hooren jullie +niet in een kippenhok." + +"We dachten, dat de kippen het heel prettig zouden vinden in den tuin," +zei Bob. + +"Misschien vinden ze dat ook wel, maar kuikentjes en kippen zijn nog +maar domme dieren en weten niet, dat ze niet aan de bloemen mogen +pikken; daarom vinden wij het in het geheel niet prettig, dat ze in +den tuin zijn. Ze zouden onzen mooien tuin heel gauw leelijk maken +en dat willen jullie toch zeker ook niet. Ziezoo, blijf hier nu maar +even stil staan, dan zullen wij ze voorzichtig in het hok jagen." + +Bob en Hans stonden wel wat bedrukt te kijken. + +"Fritsje vond het niets prettig om kuikentje te spelen," zei Frits, +blij, dat hij uit het hok was. + +"Neen, ventje, dat is ook niet prettig, tenminste voor jongens niet." + +Eindelijk waren alle kippen weer in 't hok. Zelfs de haan, hoewel de +laatste van de geheele familie stapte deftig de voordeur van zijn +huis binnen en begon dadelijk te pikken van enkele graankorrels, +die op den grond lagen, met een gezicht en een deftigheid, alsof hij +niet even te voren zoo ondeugend zijn huis ontvlucht was. + +"Goeden middag!" hoorden de kinderen zeggen. + +"O, moesje, is u weer beter?" + +"Wie zou nu lang in bed kunnen blijven met zulk prachtig weer," +lachte mevrouw Van Brakel. + +"O, moes, 't is eigenlijk jammer, dat u nu pas komt. Als u even eerder +gekomen was...." + +"'k Heb alles van het balcon gezien," zei moeder, "en ik geloof, +dat ik het restje hoofdpijn weggelachen heb." + +"'t Was eigenlijk "onmogelijk" leuk," zei Door. + +"De slaboonen zijn klaar, maatje." + +"Jullie bent maar een paar knappe huishoudsters. En daar ben ik wat +trotsch op, hoor!" + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +EEN AVONTUUR. + + +"Hier heb ik de kleeren, die we voor Hans geleend hebben; die konden +jullie zoo meteen wel eens naar vrouw Pruim terugbrengen, 't Is er +juist zoo'n heerlijke dag voor," zei mevrouw Van Brakel. "Fritsje +blijft bij mij thuis, dan behoeft de sportkar niet mee, want Hans zal +nu toch voor de tweede maal wel niet in een plas vallen en naar huis +gereden moeten worden," lachte ze. "Kijk eens, Nel, koop hiervoor +wat chocolade voor de drie jongens van vrouw Pruim en hiervoor mag +je voor jullie zelf eene traktatie koopen, omdat het vacantie is." + +"Dat treft goed," riep Door opspringende, terwijl ze het boek, waarin +ze zat te lezen, neergooide, "ik dacht juist: wat zal ik nu eens doen +en daar komt u met zoo'n heerlijk plannetje." + +"Weet jullie wat," zei Nel, "ik ga vast vooruit met Hans en Bob om +iets te koopen, jullie komt ons dan wel na." + +"Wat gaan we koopen?" vroeg Hans. + +"Ja, dat weet ik niet, dat mogen jullie nu eens bedenken," zei Nel, +die het wat gewichtig vond, dat haar de inkoopen waren opgedragen. "We +moeten iets hebben voor Dirk, Piet en Gerrit." + +"Ik weet wel iets: een chocolade-sigaar," zei Hans. + +"Een chocolade-tol is veel mooier," vond Bob. + +"Dat vind ik allebei heel aardige dingen; als ik nu maar wist, wat +de jongens 't mooist vinden. Ziezoo, hier moet we zijn," zei Nel en +stapte met de beide jongens een winkel binnen. + + + Voeten vegen, wat verdriet, + Zien jelui die mat daar niet? + + +werd er op eens geroepen. Nel kreeg een kleur als vuur, gluurde overal +rond, maar zag niemand. Bob en Hans wisten ook niet, wat ze er van +denken moesten, maar alle drie deden gewillig wat hun bevolen werd. + + + Doe de deur toch dadelijk toe, + Hoor, hoe 'k hoest, aehoe! aehoe! + + +"De deur is dicht," zei Nel, niets op haar gemak. Maar tegenover Hans +en Bob wilde zij zich groot houden. + +"Wie zou dat toch zeggen?" fluisterde Hans. "Ik zie niemand." En +hij ging op zijn teenen staan om zoo ver mogelijk om zich heen te +kunnen kijken. + + + Houd op, houd op, ik lach mij ziek, + 'k Heb in mijn poot zoo'n rheumathiek + + +werd er toen geroepen en daarop klonk een schaterend lachen, z +vroolijk, dat Nel, Hans en Bob het mee uitproestten. Toen ging op +eens achter de toonbank een deur open en een dame met een vriendelijke +stem zei: "Neem me niet kwalijk, jongejuffrouw, dat ik u zoo lang liet +wachten, maar ik werd juist even opgehouden. Waarmee kan ik u dienen?" + +"Ik, ik".... Nel schaterde het weer uit. "Hebt u--ook."--Weer een +lachbui. "O, juffrouw, neen, ik kan 't niet zeggen." + +Bob en Hansje keken dn naar Nel, dn naar de juffrouw en deden ook +niets dan lachen. + +"Ik begrijp niet"--zei de juffrouw, nu ook lachende, "werkelijk +niet".... + +"Ik wou graag," begon Nel, die alle moeite deed zich goed te houden, +"ik wou graag".... + +"Ha, ha, nu begrijp ik, wat er gebeurd is," zei de juffrouw. "Toddy, +de raaf, is zeker aan 't woord geweest." + +"Was het geen mensch, was het een raaf?" vroeg Nel hoogst +verwonderd. "Hoe is 't mogelijk? Och toe, mogen wij hem eens zien?" + +"Kom dan maar mee," was het lachend antwoord. + +"Kijk, hier is hij." + +Nel en de tweelingen raakten niet uitgekeken. + +"Kan hij nog meer praten?" vroeg Nel opgetogen. + +"O zeker," zei de juffrouw, "maar hij wil niet altijd. O, 't is +zoo'n deugniet." + +"Niet waar, niet waar!" riep de vogel terug. + +"Jammer, dat de anderen hier niet zijn," zei Nel; "mag ik eens +even kijken, of ze komen, juffrouw? Leni zou de raaf zoo dolgraag +eens zien." + +"Zeker hoor, als je denkt, dat ze het aardig vinden." + +Nel stoof den winkel uit en kwam niet lang daarna met Door, Leni en +Dolf terug. Nel had onderweg het geheele verhaal al gedaan. + +"Klontje," zei Toddy en klopte met zijn snavel tegen de kooi. + +"Dat kun je begrijpen," zei de juffrouw lachend. + +"Och toe, juffrouw, mogen we hem iets geven?" vroeg Leni. + +"Dan moet hij er eerst om bedelen." Toen Toddy 't woord "bedelen" +hoorde, begon hij uit alle macht tegen de tralies te tikken, nam +een smeekende houding aan, door zijn kop schuin te houden, en riep: +"Och toe, och toe," wat z grappig klonk, dat allen het uitgierden. + +"Nu mag jullie hem een stukje borstplaat geven," zei de juffrouw. + +Hans durfde niet en Bob was wel bang, dat de raaf hem in de hand zou +pikken, maar toch gaf hij het hem. + +"Zit hij altijd in die kooi?" vroeg Hans. + +"Wel neen, hij komt er dikwijls uit." + +"Nu moeten we gaan," zei Door eindelijk. + +Leni had grooten lust te blijven. + +"Ik zou warempel mijn boodschappen nog vergeten," zei Nel. "Hebt u +ook chocolade-tollen, juffrouw?" + +"Kijk eens, hoe vind je deze?" vroeg de juffrouw, terwijl ze er n +van chocolade en n van suiker liet zien. + +"Beeldig, geeft u beide maar en dan nog een chocolade-sigaar." En +toen Nel ook een zakje met lekkers gekocht had, ging het geheele +gezelschap weer op stap, nadat de juffrouw hen uitgenooodigd had eens +spoedig terug te komen. "Toddy vindt het heerlijk, visite te krijgen +en ikzelf ook." + +"Zullen we heengaan over de hei en terug over 't land Van der +Pol?" stelde Door voor. + +Dat was best. + +"Daar zie ik het huis al," zei Leni na een poosje; "nog vijf +minuten--en we zijn er." + +"Wel, komen jullie daar allen aangestapt? Dat is aardig," zei vrouw +Pruim. "Kom maar binnen, kom maar binnen." + +"Neen, vrouw Pruim, wij willen hier buiten liever een beetje +uitrusten. We komen je 't pakje van Dirk terugbrengen en moeder +bedankt je vriendelijk." + +"Ja ja, 't is goed, 't is goed," zei vrouw Pruim. + +"Waar zijn Dirk, Piet en Gerrit? We hebben wat voor hen meegebracht," +zei Nel. + +"Dat had je toch niet moeten doen. Daar komen ze juist aan," zei +vrouw Pruim en wenkte hen uit alle macht. + +"Kijk eens," riep Nel en hield drie pakjes in de hoogte, "in ieder +pakje zit iets lekkers voor jullie, dat lijkt je zeker goed toe." + +De jongens bleven verlegen staan. + +"Gerrit, raad eens, wat ik hier heb?" zei Nel, een pakje in de hoogte +houdende. + +"'k Weet niet," zei Gerrit verlegen. + +"Je moet raden," zei vrouw Pruim, lachend. + +Gerrit haalde de schouders op, durfde niets zeggen. + +"Ik zal je een handje helpen," zei Dolf. + + + "Ik sta met n poot op den grond + En draai daar vroolijk op in 't rond. + Hoe meer men mij sla, + Hoe vlugger ik ga." + + +"Wat "onmogelijk" leuk," riep Door. "Dolf, hoe heb je dat zoo goed +bedacht?" + +"Stil, laat Gerrit raden." + +"Ik, ik weet het niet," zei Gerrit. + +"Een tol," raadde Piet met een hoogroode kleur. + +"Bravo!" riep Nel, "die is voor jou, je hebt hem eerlijk verdiend. En +nu heb ik hier nog iets. Dirk en Gerrit, nu ben jullie aan de +beurt. Toe, Dolf, jij bent in het raadseltjes opgeven zoo knap. Bedenk +nog eens wat." + +"Als jullie een oogenblikje geduld hebt," zei Dolf; "want opeens +zoo'n versje te maken, is zoo gemakkelijk niet. Wacht, ik weet al iets: + + + "Ik ben bruin en rond, + 'k Hoor in den mond. + Maar blijf ik daar een langen tijd, + 't Is zeker, dat ik steeds meer slijt, + 'k Ben bruin en rond en dik, + Nu raad eens, wie ben ik?" + + +"Leuk, leuk!" juichte Door weer. "Nu, Gerrit, bedenk jullie je goed." + +"Een sigaar," zei Gerrit na een poosje. + +"Knap geraden, als je blieft. Je weet nu," zei Nel lachend, "'k hoor +in den mond, maar blijf ik daar een langen tijd, 't is zeker, dat ik +steeds meer slijt." + +"En nu nog voor onzen Dirk, die zullen we maar niet laten raden, +want dat heeft Piet al voor hem gedaan. Voor Dirk ook een tol." + +'t Was aardig, de gelukkige gezichten te zien. + +"En als jullie nu niet te moe meer bent, moet je toch eens even +in de schuur komen kijken, daar is iets aardigs te zien," zei +vrouw Pruim. Dat werd aan geen doovemansooren gezegd. Leni holde +vooruit. "Nu hl stil zijn," vermaande vrouw Pruim, "wacht, ik zal +maar eerst gaan. Kijk eens," zei ze, toen ze eerst een paar kippen, +die daar liepen, had weggejaagd, en wees naar een groote ronde mand, +waarin Mollie, de poes, lag met vijf aardige, gele kuikentjes, die +gedeeltelijk van onder haar zachte vacht zichtbaar waren. + +"Wat is dat? Mollie met...!" Leni kon geen woorden vinden om hare +verwondering uit te drukken. Door en de anderen waren ook verstomd +over hetgeen zij zagen. + +"Maar--maar doet Mollie ze geen kwaad?" vroeg Nel angstig. + +"Wij vonden de kloek op een morgen dood in den tuin liggen," zei +vrouw Pruim, "en Mol lag op 't grasveld in de zon te slapen; toen +zijn de kuikentjes onder haar gekropen; ze keek eerst wel vreemd, +maar liet ze toch begaan. 't Was, of ze voelde, dat ze bij haar +bescherming zochten en sedert dien tijd koestert zij ze zooveel +mogelijk. Is het niet aardig? Stil maar Mol," zei ze tegen de poes, +die naar het scheen onrustig werd, omdat allen om haar heen stonden, +"blijf maar kalm liggen, we gaan dadelijk weg." + +"Wat vind ik dat toch een lieve poes," zei Hans. "O, Bobbie, als Jaap +hier eens was." + +"Neen, zoo iets heb ik nog nooit gezien," fluisterde Door. + +"'t Is snoezig," zei Leni verrukt, "snoezig." + +"'k Zie Julia al zoo met onze kuikentjes," zei Nel. + +"Mollie was ook zoo'n trouwe moeder voor haar eigen poesjes. Weet +je nog wel," zei Door, "hoe ze de kleine zwarte likte, die door Trim +gebeten was?" + +"Kom, kinderen," zei vrouw Pruim, "je moet nu allen maar in den tuin +gaan, ik ben anders bang, dat Mollie van de kuikentjes wegloopt." + +"'t Wordt ook onze tijd," zei Door, "je zoudt er anders wel zoo'n +heelen dag naar kunnen blijven kijken." + +"Zoo lief moest Julia zijn," vond Dolf. + +"Zeg niets van Julia," zei Leni, "al koestert ze geen kuikentjes, +'t is toch een lieve poes." + +"Dat vind ik ook," zei Door. + +Na vrouw Pruim en de jongens goeden dag gezegd te hebben, vertrok +het vroolijke troepje. + +Een kwartier later hield Nel den zak met lekkers in de hoogte en riep: +"Eerst een hartversterking." + +"Ja heerlijk, presenteer maar weer eens," zei Dolf. + +"Neen, neen, zoo gemakkelijk gaat het niet, jullie moet maar zien, +dat je iets krijgt," zei ze lachend. Door vloog op Nel af, maar toen +Nel dit zag, rende ze vooruit en allen achter haar aan. + +"Jongens, houdt Nel vast!" riep Dolf. + +"Dat kun je begrijpen, zoo gauw laat ik mij niet vangen," hijgde +Nel. Tot tweemaal toe ontglipte ze Dolf, die haar bij de mouw trachtte +te grijpen, maar eindelijk moest ze 't wel opgeven en plofte in +'t gras neer. "Ik kan niet meer, ik kan niet meer," zei ze. "Jullie +hebt je stukje eerlijk verdiend, kies maar uit." + +"Er zit wat in mijn schoen," zei Hans met een ongelukkig gezicht. + +"Er zit ook wat in mijn schoen," zei Leni. + +"Nu nog mooier!" riep Dolf. + +"Ja heusch," zei ze. + +"Trek hem dan eens uit," zei Door. + +"Neen, want dan is 't er niet meer in," lachte Leni. + +"Ze bedoelt haar voet! 'k Wist niet, dat mijn zusje zoo grappig was," +zei Nel, haar een kus gevende. "Maar Hans heeft er zeker nog meer in +zitten dan een voet, die kijkt zoo ongelukkig; kom ventje, trek je +schoen dan maar gauw uit. Met een hinkelepinkje kunnen we onmogelijk +de wandeling naar huis ondernemen. Daar hebben we 't al," zei ze, +een klein steentje weggooiende, "nu maar gauw voortgemaakt." "Toe, +Nel, presenteer nog eens," zei Leni na een poos, "we hebben al zoo'n +eind geloopen, we kunnen dan meteen eens zitten." + +"Mij goed, kinderen, kom maar hier, "moeder" zal voor jullie allen +iets heerlijks uitzoeken," zei Nel lachend. + +"Dat kan je begrijpen," zei Dolf, "neen hoor, ieder mag zelf kiezen." + +"Natuurlijk, natuurlijk," viel Door bij. + +"Dan zal ik van mijn zak een hoorn des overvloeds maken," zei Nel en +schudde het lekkers zoo ver mogelijk naar voren, terwijl ze haar hand +er als een presenteerblaadje onder hield. "Eerst mogen onze gasten +kiezen. Die nemen natuurlijk beiden hetzelfde. Tweelingen kunnen +"onmogelijk" anders." + +"Neen," zei Bob, "dat hoeft toch niet. Hans vindt chocoladeboontjes +met likeur het lekkerst en ik met fondant. We zijn alleen van buiten +tweelingen." + +"Kies jij maar gerust, hoor," zei Nel. "Door weet er niets van. Zij +zegt altijd zulke "onmogelijk" gekke dingen." + +"Nu maar weer voorwaarts marsch," commandeerde Dolf, nadat er een +tijdje gerust was. "Anders komen we veel te laat thuis." + +"Daar is het land al, dat we over moeten." + +"Doen die koeien niets?" vroeg Hans, niet erg op zijn gemak bij +'t vooruitzicht, die te moeten voorbij gaan. + +"We zijn al zoo dikwijls hier langs gekomen. Kijk, dat smalle paadje +gaan we over; als kippetjes loopen we dan achter elkaar aan. Dolf, +jij moet de haan maar zijn en ons voorgaan." + +"Wat een grappig wegje is dit," zei Bob, toen allen op het smalle +landpaadje liepen. + +Een paar koeien keken even met droomerige oogen op, toen ze de kinderen +zagen, maar graasden toen dadelijk rustig door. + +"Fox, hier blijven," beval Dolf, toen de hond vooruit wilde hollen. + +"Ik was toch liever niet door 't land gegaan, nu we Fox bij ons +hebben," fluisterde Door Nel een poosje later in 't oor, "maar zeg +hiervan niets aan de kleintjes." + +Juist had Door dit gezegd of een zwart gevlekte koe, die nog even +te voren rustig had staan kauwen, deed een paar passen in hun +richting. Nel stiet een klein gilletje uit. Fox, die zeker voelde, +dat er iets niet in den haak was, begon te blaffen. Eerst bleef de +koe staan, alsof zij verbaasd was over het geluid, dat zoo'n klein +beestje maakte. Maar toen begon zij al vlugger te loopen, naar Fox toe. + +"Zij komt op ons af!" gilde Door. "Fox, hier, hier!" En meteen nam ze +Hans bij de hand en zette het op een loopen. Nel met Bob er achteraan! +Dolf en Leni, die al een eind vooruit waren, keken bij het hooren +van het gegil achterom en renden angstig voort. + +"O, o!" jammerde Door en wanhopig sleurde ze Hans mee. "Hoe +vreeselijk!" + +"Als we maar eerst bij het hek waren," hijgde Nel. "Ik-ik kan +bijna--niet meer." Maar voort holde ze, den schreienden Bob +meetrekkende. Steeds dichter en dichter naderde de koe. Nel hoorde +het dier vlak achter zich. Ze bestierf het bijna van angst. Op +eens struikelde ze en sloeg voorover, terwijl ze Bob in haar vaart +meetrok. Op datzelfde oogenblik hoorde ze roepen: "Hector, pak aan!" En +even daarna stond een oud, krom boertje over haar heen gebogen. + +"Wel, wel, ben je zoo geschrokken?" hoorde ze hem vriendelijk zeggen +en meteen werd ze voorzichtig opgelicht. "Kom maar mee, hoor, en dat +kleine ventje ook," zeide hij, den hevig schreeuwenden Bob bij de hand +nemend. "Hector heeft die leelijke koe, die jullie zoo verschrikt +gemaakt heeft, bij het touw: Je behoeft niet meer bang te zijn, dat +ze je zal stooten. Kom maar gauw mee naar mijn huis. Je drinkt een +frisch glas water en je bent weer heelemaal beter." + +"Heb jullie je pijn gedaan?" vroeg Door bezorgd, die met de anderen +om Nel heen stond. + +"Mijn voet doet zoo'n pijn," zei Nel nog schreiend, gedeeltelijk van +den schrik en gedeeltelijk van de pijn. + +"Als je hem maar niet verstuikt hebt," zei Door. "En Bob, waar heb +jij je bezeerd?" + +"Mijn knie," zei Bob, "o, mijn knie doet zoo'n pijn." + +"Wel lieve tijd, zijn heele knie geschaafd," zei Door. "Stumperd. Hoe +komen we met twee zulke invaliden thuis!" + +"Moet je nog ver?" vroeg het boertje. + +"Nog een half uurtje," zei Dolf. + +"Zoo, zoo, dat is geen kleinigheid, dat is geen kleinigheid," herhaalde +hij hoofdschuddend. "Wil ik je eens wat zeggen? We zullen eerst een +glas water gaan drinken voor den schrik en dan span ik mijn Bruin voor +den wagen en breng jullie allen thuis. Nu, wat zeg je daarvan? 't Is +wel geen statiekoets, maar je behoeft dan toch niet te loopen." + +"Dat vind ik "onmogelijk" aardig," zei Door. + +Mijnheer en mevrouw Van Brakel wisten niet, wat ze zagen, toen daar +het heele vroolijke troepje op een hooiwagen den weg afkwam. Dolf en +Leni wuifden al uit de verte met hun zakdoeken. In kleuren en geuren +werd het geheele geval aan vader en moeder verteld. Natuurlijk moest +het oude boertje binnen komen en een glaasje bier drinken. En nadat +Leni hem vol trots haar kippenfamilie had getoond, ging hij, na nog +eens en nog eens vriendelijk bedankt te zijn, met Bruin weer naar +zijn eigen huis terug. + +Nels voet deed nog den heelen avond pijn. Maar moeder wist als altijd +raad, zoodat beide invaliden den val al gauw vergeten waren. + +"Maar tch," zei Nel, "door een land met koeien ga ik van mijn leven +niet weer, daar heb ik genoeg van." + +"Als Fox er maar niet bij geweest was," zei Dolf "dan was er niets +gebeurd." + +"Ja, Foxje," zei Leni, "was jij nu maar zoo knap en zoo sterk als +Hector, dan had je ons natuurlijk wel geholpen, maar je bent eigenlijk +een klein, dom, eigenwijs hondje." + +Het duurde niet heel lang, of Door was in diepe rust, maar Nel was +blijkbaar nog onder den indruk van den schrik. + +Toch kreeg na lang woelen eindelijk de slaap de overhand; maar toen +werd de arme Nel geplaagd door de akeligste droomen. Ze zag zich zelf +alleen op een groot stuk land, waar van alle kanten koeien op haar +afkwamen, die haar met booze oogen aankeken. Ze vluchtte naar een +hek, maar toen ze daar dicht bij kwam, was 't hek verdwenen en lag +op die plaats een groote roodbonte koe kalm te grazen op een groot +veld papavers. En telkens als het dier een papaver in den bek stak, +veranderde de bloem in een draaiende tol. Toen liep Nel terug en +zag opeens Leni voorbijhollen, gezeten op een zwarte koe. Leni leek +veel grooter dan anders en telkens als ze langs Nel reed, strekte +ze haar lange armen naar haar uit. Maar als Nel haar wilde grijpen, +was zij verdwenen en zag Nel haar hl in de verte voortgaloppeeren, +steeds haar wenkende, terwijl het haar als een mantel om haar heen +golfde. Plotseling stond Nel voor een sloot en kon ze niet verder +en voor en achter zich zag ze niets dan koeien, toen op hetzelfde +oogenblik een wagen kwam aanrijden met een grappig klein paardje er +voor. De kop van het paard ging steeds op en neer. Op den wagen zaten +wel honderd kinderen, hij was z vol, dat onder 't rijden er gedurig +enkelen afvielen, maar als aapjes kropen ze er weer bij op. De voerman +pakte Nel op en zette haar er tusschen, maar toen zat Nel z nauw, +dat zij zich letterlijk niet kon bewegen, want van alle kanten drongen +ze tegen haar aan en een jongen hield haar knie z stijf vast en +trok zulke vreemde gezichten, dat ze met een gil wakker werd. + +"Wat heb je, wat is er?" riep Door verschrikt en zat rechtop in bed. + +"Ik weet het niet," kreunde Nel, "o, wat had ik een akelige droom, +je weet het niet--van koeien en--o vreeselijk." + +"Wacht, ik zal gauw licht opsteken " zei Door en wipte het bed +uit. "Een buitenkansje, de lucifers liggen op den kandelaar," zei ze, +de kaars aanstekend. "Wil je eens drinken?" + +"O, graag," zei Nel klappertandend. "Ik droomde--" + +"Neen, hoor, die droom zal ik morgen vroeg wel hooren, laten we nu +liever over iets anders praten, anders doorleven we straks beiden +vervolg en slot van deze minder opwekkende droomgeschiedenis," zei ze, +weer in bed stappend. + +"Weet je, wat ik wou," zocht Door Nel af te leiden, "dat ik zoo'n +raaf had als die juffrouw--" + +"Welke juffrouw?" + +"Je weet wel, die dame, bij wie we vandaag die tollen en de sigaar +kochten." + +"O ja, dat zou leuk zijn," zei Nel, nog niet geheel bekomen. + +"Ik zou hem allerlei versjes leeren; te beginnen met: "'t Is vacantie, +'t blijft vacantie" enz." + +"Meen maar niet, dat dat zoo gemakkelijk zou gaan. Als hij hier op +de slaapkamer stond, dan zou hij al gauw roepen: "Nel, waar is mijn +haarlintje, waar mijn armband, waar mijn themaboek?" + +"Om te gieren," vond Door. "Zou zoo'n vogel duur zijn?" + +"Ik weet het niet," zei Nel geeuwend. + +"'t Is jammer, dat het er met mijn spaarpot altijd zoo treurig +uitziet." + +"En met de mijne." + +"Zeg eens, Nel, Ne-l." + +"Ja"--kwam er flauw uit het andere ledikant. + +"Je moet je oogen eens half toe doen en dan naar de kaars kijken, +dan zie je zulke prachtige stralen." + +"Hm," zei Nel, "'k doe ze liever heelemaal toe, 'k ben slaperig." + +"Ja, ik ook. Toch leuk, die stralen van die kaars, ik zal ze toch +zoo meteen uitblazen--" + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + +EEN DAG VOL GEHEIMEN. + + + + "Er stond een juffrouw aan de deur + Met een witte boezelaar veur + Hoe langer ze ston + Hoe meer ze vergong" + + +zei Door den volgenden morgen lachend en wees uit haar bed naar +den kandelaar. + +"Och, lieve tijd, je hebt de kaars laten branden," zei Nel en 't was +nog wel een nieuwe. + +"Ja, dat zal je altijd zien. Met stompjes zal mij zooiets niet +overkomen. Maar eigenlijk ben jij hier de schuldige." + +"Nu nog mooier!" + +"Ja, want om jou van een wissen ondergang te redden, ontstak ik het +licht," zei Door plechtig. + +"Ja, 't was een nare droom," zei Nel, nog rillend bij de herinnering. + +"Vertel hem nu maar; zoo onder het vastmaken van mijn knooplaarzen +bestaat er niet veel kans, dat ik hem verder droomen zal." + +"Ja," zei Nel, zich bezinnend, "ik droomde van koeien, die op mij af +kwamen--en--en--verder weet ik werkelijk niet meer." + +"Dat dacht ik wel. Een droom is als een Fransche les, als je hem +vertellen wilt, dan weet je er hoogstens n regel van. Maar dat je +van koeien gedroomd hebt, verwondert mij niet na ons avontuur van +gisteren. Mij dunkt, al de jonge leden van den huize Van Brakel hebben +het vannacht wel met een of meer koeien aan den stok gehad. Ik ken +mijzelf niet, dat ik er zoo heelhuids ben afgekomen, afschoon _jouw_ +koeien mij mijn halve nachtrust gekost hebben," lachte ze. + +De lucht zat vol geheimen! + +Geen wonder, Leni was den volgenden dag jarig en dat is op zichzelf +al een feest, maar jarig zijn in de vacantie, met nog twee aardige +logtjes, dat is wel een reden om er een echten feestdag van te +maken. Er werd dan ook heel wat afgefluisterd, zelfs Kee werd er in +betrokken, en wat meer zegt: Kee had nu eens geen haast, maar luisterde +belangstellend naar Nel of Door. Leni's hartje popelde van verlangen. + +"Is ons cadeautje al bezorgd?" fluisterde Door moeder in 't oor. + +"Nog niet, juffertje Ongeduld, maar dat zal wel komen." + +"Het zou jammer zijn, als het niet op tijd kwam. Weet u wat, ik ga +eens even naar den winkel." + +"Dat zou ik maar doen, zoo'n wandeling is gezond," zei mevrouw +Van Brakel. + +"Hoe vervelend! Nu kan ik mijn handschoenen weer niet vinden; maar kom, +dan maar zonder," overlegde Door bij zich zelf. "'t Is ook zoo warm." + +Zoo alleen boodschappen doen was juist een kolfje naar Doors hand; +ze hield dol van winkels kijken en nu kon ze net zoolang voor een +raam staan, als ze zelf verkoos. Nel had gewoonlijk zoo'n haast. Toen +ze eindelijk al haar aandacht gaf aan een winkel, waar mooie platen +voor de ramen hingen, bemerkte ze, dat een meisje naast haar stond, +dat gedurig naar haar keek en dat, telkens als Door haar aankeek, +lachend haar hoofd afwendde. Door wist niet, wat ze er van denken +moest en liep verder. Bij een volgenden winkel dacht ze: "Wat zien ze +toch aan mij?" toen ze bemerkte, dat ook een dame, die eerst achter +haar had geloopen, haar in 't voorbijgaan aankeek en lachend doorliep. + +"'t Is, alsof iedereen weet, dat we morgen een feestje hebben," dacht +ze bij zichzelf en liep wat vlugger om gauwer thuis te zijn. Maar +voor ze den winkel in ging om te vragen, of het cadeautje, dat zij +en Nel aan Leni wilden geven, klaar was, keek ze nog eens voor de +ramen naar allerlei beeldige dingetjes. Nauwelijks stond ze daar, +of een slagersjongen zei lachend: "Zeg eens, jongejuffrouw, is dat +de laatste mode, op _die_ manier je handschoenen te dragen?" + +Nu werd het Door toch te erg en met een kleur als vuur draaide ze +den winkel in. + +"Juffrouw," begon ze stotterend, "is..." maar Door kon bijna niet +verder spreken, toen ze het lachende gezicht van de juffrouw zag. "Is +de," hakkelde ze. Maar op eens schaterde de juffrouw het uit: "Hebt +u zoo door de stad geloopen?" + +"Ja," knikte Door verlegen. "Ja." + +Door bekeek zich van alle kanten, draaide zich om en om. + +"Hebt u niet naar uw handschoentjes gezocht?" Door knikte; begreep +er niets van. "Voelt u dan eens op uw hoed." Nu schaterde Door het +uit. "O, daar zijn ze, nu begrijp ik alles." + +"Ja, maar er zit nog iets, ik geloof een zakdoek. Voel maar eens +achter de lus." + +"Ja warempel," lachte Door. "Als ze dat thuis hooren! Ik ben maar wat +blij, dat u 't mij gezegd hebt, dank u wel. Maar nu zou ik bijna mijn +boodschap vergeten. Ik kwam eens hooren, of de mand klaar was. Morgen +is mijn zusje jarig." + +De juffrouw beloofde het cadeautje op tijd te bezorgen en lachend +nam Door afscheid. + +"Net iets voor jou, net iets voor jou," riep Nel, toen Door het heele +verhaal thuis deed. + +"Prachtig," zei vader, "prachtig. Jullie zult eens zien, dit meisje +wordt nog een professor." + +"Je verschijnt nog eens op een morgen met de handschoenen aan je +voeten en de schoenen aan je handen," plaagde Dolf. + +"Dat denk ik niet," zei Door; "want gewoonlijk mis ik een van beide." + +En terwijl Door beneden het verhaal deed van haar ongelukkigen tocht, +liepen Hans en Bob met Fritsje tusschen zich in ongemerkt zacht de +trap op. "Pas op, dat Leni ons niet hoort," zei Hans. + +"Leni morgen jarig," zei Fritsje. + +"Ja, Leni krijgt iets heel moois," zei Hans gewichtig. + +"Ja," zei Bob, "Leni krijgt een echt kuikentje, omdat ze zooveel van +kuikentjes houdt." + +"Waar is het?" vroeg Frits belangstellend. + +"Kom maar mee, het ligt in dezen koffer," zei Hans, terwijl hij den +koffer open deed. Nieuwsgierig keek Frits er in. + +"Ik zie geen kuikentje," zei hij teleurgesteld. + +"Zie je dat ei daar liggen?" vroeg Hans, nadat hij eerst allerlei +kleedingstukken van hem en Bob uit den koffer had genomen. + +Frits knikte. + +"Dat ei wordt een kuikentje," legde Bob uit. + +"Ja," zei Hans, Bobs woorden herhalend, "dat ei wordt een kuikentje." + +"Een echt?" vroeg Frits ongeloovig. + +"Ja. Maar eieren moeten een geheelen tijd hl warm liggen, voor er +kuikentjes uit kunnen komen," onderwees Bob weer. "Ik zal het daarom +maar weer gauw toedekken." + +"Als wij hier een kip hadden," bepeinsde Hans, "dan konden wij die +er op zetten." + +"Ja," zei Bob, wien dit ook wel toelachte, "dan kroop er misschien +morgen wel een kuikentje uit het ei, dat zou heerlijk zijn." + +"Durf jij een kip uit den tuin halen?" vroeg Hans. + +Bob schudde heftig zijn hoofd. "Een doode misschien wel," kwam er +flauwtjes uit. + +"Ja, maar die is er niet," zei Hans, met een bedenkelijk gezicht +naar de plaats kijkende, waar het ei lag, bedolven onder blousjes +en broeken. + +"Zal Fritsje kipje zijn?" stelde Frits moedig voor. + +Hans en Bob keken elkaar aan. + +"Kun je stil zitten?" vroeg Bob. + +Frits knikte. + +"Kippen zitten altijd doodstil op de eieren," zei Hans, die zich +verplicht gevoelde Frits het moeilijke van zijn taak goed onder het +oog te brengen. + +"Ik kan wel voor kipje spelen," zei Frits, die bij zijn voorstel bleef. + +"Dan zal ik de kleeren weer uit den koffer krijgen." + +"Kun je er alleen in stappen?" vroeg Bob. + +Neen, dat kon hij niet. Hans en Bob moesten hem helpen. + +"Daar is Julia ook," zei Bob, "die mag hier niet in deze kamer, +dan wil ze misschien ook in den koffer." + +"Als 't kuikentje piept, moet je er dadelijk uitkomen," waarschuwde +Hans. + +Frits knikte. + +"Als Frits op het kuiken zit, dan kan het wel dood gaan," zei Bob +angstig. + +Dat was een moeilijk geval, daar hadden Bob en Hans nog in 't geheel +niet aan gedacht. + +"Laten we dan maar liever de kleeren weer op 't ei leggen," stelde +Bob voor, die in zijn verbeelding het doode kuikentje al zag. En juist +zou Frits maar weer kip af zijn, toen vreeslijk gegil van beneden tot +hen doordrong. Bob en Hans holden naar het raam aan den voorkant en +zagen nog juist, dat Julia door Leni van de straat opgeraapt werd. + +"Hoe vreeselijk, Julia is uit het raam gevallen!" Bob en Hans vergaten +Frits en liepen, zoo vlug ze konden, naar beneden. + +"Och, lieve poes, lieve Julia," riep Leni schreiende. "Zie ze eens +beven. Als ze maar niet dood gaat." Zacht streelde ze poes; allen +stonden om haar heen. + +"Ze heeft gelukkig niets gebroken," zei mijnheer Van Brakel, de +pootjes onderzoekend. "Zet haar op dezen stoel, Leni; ik denk, dat +ze wel gauw weer de oude zal zijn. Zij is natuurlijk erg geschrokken." + +"Zie ze toch eens beven," zei Leni. + +"Maar hoe kwam poes toch boven? De deur van de voorkamer moet +opengestaan hebben." + +"Poes wou in den koffer," versprak Hans zich, "maar dat mocht niet, +want Fritsje...." + +"Fritsje? Is Frits dan boven?" vroeg mevrouw Van Brakel verbaasd. "Ik +dacht, dat jullie met hem in den tuin speelden." + +"Fritsje zit in den koffer," lichtte Bob toe. + +"In den koffer?" Allen keken verbaasd naar de tweelingen, toen Hans, +die opeens aan de verrassing van Leni dacht, zei: "Ja, 't is een +geheimpje, h Bobbie?" + +De verwondering steeg ten top. Door holde naar boven, waar ze Fritsje +snikkend in den koffer vond zitten. + +"Och, kleine vent, wat scheelt er aan?" Maar niettegenstaande het +diep ongelukkige gezichtje van Frits kon Door toch haar lachen niet +bedwingen, toen Frits tusschen het schreien door riep: "Ik--ik--wil +geen kippetje zijn, Dora, ik wil geen kippetje zijn." + +Toen Door met het snikkende Fritsje beneden kwam en met vragen bestormd +werd, zei ze lachend: + +"Wij vertellen niets, dat is nu _ons_ geheimpje, wat zeg jij, kleine +man?" Fritsjes verdriet, nu hij uit den koffer en weer bij moesje was, +was spoedig geleden. + +Gelukkig was Julia gauw weer beter en toen Leni even de kamer +uit was, stelde vader voor, eerst de tweelingen en daarna Julia te +photografeeren. Kee werd in het geheim genomen. Die kwam daarom even +later Leni vragen, haar wat te helpen. + +"Ik kom anders nooit klaar en jij kunt zoo mooi helpen, je doet +mij zooveel pleizier," beweerde ze. "Je werkt nog beter dan ik +zelf." En ze liet Leni koffie malen uit den treuren, totdat ze wel +voor een week genoeg had. En nadat de heer Van Brakel Bob en Hans +had gephotografeerd, beiden zittende in de sportkar, was hij met een +onuitputtelijk geduld bezig Julia te "nemen." Juist op 't moment, +dat het gaan zou, zag Julia, onbewust van 't gewichtige oogenblik, +een vlieg, waardoor haar rustige houding van even te voren geheel +veranderde en zij vol belangstelling het diertje met haar poot +trachtte te grijpen. Maar eindelijk, na herhaalde pogingen, stond +Julia er "prachtig" op. Fox, die eigenlijk ook op een kiekje moest, +was op dat oogenblik nergens te vinden en dus bleef het bij poes en +de tweelingen. Dolf stelde voor Toetie en Snoetie te fotografeeren, +maar deze twee waren vader veel te beweeglijk, zoodat er veel kans +zou zijn, dat Snoetie met twee koppen en Toet er misschien met twee +staarten opkwam en vader wist zeker, dat Leni op zoo'n portret van +haar lievelingskippen niet gesteld was. + +"Jammer, dat Foxje er niet is," zei Dolf, "ik wil nog eens kijken, +misschien is hij wel in de buurt." En juist zou Dolf de kamer uitgaan, +toen Nel hem lachend tegen hield. + +"Weer een brief van oom Karel," zei ze, "dien moet je eerst hooren, ik +zal hem voorlezen. Jongens, een brief van vader, kom eens gauw," riep +ze den tuin in. "Waar is Leni, die moet ook bij de voorlezing wezen." + +"Hoera, hier zijn we al," juichte het drietal. + +"Toe, Nel, begin nu gauw," zei Door. + +Nel las: + +"Mijn lieve kaboutertjes! Het briefje, dat ik hierbij insluit, is +van Miekie. Ik vond het op den lessenaar. Miekie had natuurlijk geen +postzegel, daarom heb ik het briefje maar in het couvert gedaan en +aan jullie verzonden. Dat zij gisteren iets in haar schild voerde, +was duidelijk. Zij bleef voortdurend bij mij zitten, terwijl ik zat +te schrijven. Na eerst op mijn schouder en toen op een paar boeken +gezeten te hebben, ging ze op een blaadje postpapier zitten. Als ik +haar zei: "maar, Miekie, postpapier is er toch niet om op te zitten," +dan knipte ze een paar keer met haar groene oogjes en keek het raam +uit, alsof ze 't onschuldigste poesje van de wereld was." + +"Precies zooals Julia doen kan," zei Door. "En toen ik klaar was," las +Nel verder, "en het papier wilde meenemen, was ze zoowaar ingedommeld, +zoo hield zij zich tenminste, zoodat ik het blaadje wel moest laten +liggen. Toen ik later den brief zag, begreep ik, waarom zij dit grapje +uitgehaald had. + +Nu wil ik nog even vertellen, dat ik morgen bij jullie kom. Ik +weet, dat er dan een klein meisje jarig is, dat ik graag zou willen +feliciteeren en 't is dan mijn plan, de kaboutertjes den volgenden +dag mee naar hier te nemen. We verlangen allen erg naar hen en dan +... sedert gisteren heeft hier in huis een groote verandering plaats +gehad, maar ik _schrijf_ niet wat. Ik zal het mijn kaboutertjes +zelf _vertellen_. Wat zullen ze opkijken! Honderd kusjes van vader +en moeder." + +"Komt Paatje morgen hier?" riepen Bob en Hans opgetogen. + +"Ja, hoe vindt jullie dat?" + +"Heerlijk!" zei Bob, "juist op Leni's verjaardag." + +"En gaan we dan gauw naar huis?" + +"Zeker, dan nog n nacht hier slapen," zei Nel, lachend om de +opgewonden gezichtjes. + +"Dan gaan we weer naar Maatje," zei Hans blij. + +"Ja en als jullie dan heerlijk bij je Maatje zit en bij Miekie, Bruun +en Jaap, dan zitten wij helaas weer op school," zei Dolf zuchtend. + +"Maar nu kunnen we nog zingen," zei Door en met een potlood de maat +slaande, begon ze: + + + "'t Is vacantie, nog vacantie. + Hoera vacantie boven." + + +En allen vielen mee in: + + + "En ieder, die 't niet zingen wil, + Die moet er aan gelooven." + + +Dolfs stem hoorde men boven allen uit. + +"Stil, nu zal ik Miekies brief voorlezen, kijk toch eens die groote +letters," zei Nel, den brief in de hoogte houdende. + +"Leuk," riep Leni, "begin nu maar." + +"Lieve baasjes," las Nel en keek daarbij Bob en Hans aan, wier +gezichtjes straalden van genot. "Ik verlang zoo naar jullie en +Bruun ook. Jaap, geloof ik, ook wel, maar dat kan mij niet schelen; +want op Jaap ben ik boos. Dat is z gekomen. Ik was gisteren op de +muizenjacht. Uren en uren had ik voor een gaatje gezeten, waaruit een +muis moest komen. Ik kreeg op 't laatst erg veel verlangen naar mijn +schoteltje met melk, maar toch bleef ik zitten, omdat ik bang was, +dat mij 't muisje ontsnappen zou. Bruno kwam ook een paar keeren bij +mij, hij wou met mij spelen, maar ik bleef zitten, ik wou het muisje +hebben. Eindelijk, jawel, daar stak het zijn puntsnuitje uit het +gaatje. Ik verroerde mij niet. Voorzichtig kwam het er verder uit, +zag overal rond, tot het opeens heelemaal te voorschijn kwam. Toen +sprong ik er op af, maar toch ontkwam het mij en schoot achter een +kist. Ik zal jou wel krijgen, dacht ik, en bleef dicht bij de kist +zitten. Op eens kwam Jaap binnen. Hij begreep blijkbaar dadelijk, +waarom ik zoo stil zat. "Jij boosdoenster," zei hij. "'t Is jou zeker +weer om een muis te doen." En toen eindelijk de muis van achter de +kist te voorschijn kwam, zette hij de deur wijd open; zoo ontsnapte +mij het heerlijke kluifje. Toen ik het achtervolgen wilde, smeet hij +de deur toe en zei: "Dat kun je begrijpen! Jij er weer achter aan +zoodat je het op 't laatst tch zou krijgen? Neen, daar komt niets van +in." Zoo was dus al mijn loeren voor niets geweest. Ik was z boos, +dat ik mij direct omkeerde en wegliep. Later kwam Jaap nog weer bij +mij met allerlei mooie praatjes, maar ik deed, alsof ik sliep en toen +ging hij gauw weer weg. + +"O, die oom Karel," lachte Dolf, "wat kan die toch aardige...." + +"Nu, wat kan oom Karel?" vroeg vader plagend. + +"Neen, neen," zei Dolf. "Ik bedoel, wat kan Miekie toch aardige +brieven schrijven." + +"Alsof Julia 't niet zoo kan," lachte Ma. + +"Ja, natuurlijk, Julia is dan ook een bijzonder knappe poes," zei Door. + +"Laat mij nu verder lezen," zei Nel, "de brief is nog lang niet uit." + +"Ik wilde toen mijn troost bij Bruno zoeken, maar die was als +gewoonlijk buiten en speelde op 't grasveld met andere honden. Aan +den kant van het grasveld staan boomen, zooals jullie weet, en nu had +iemand zijn hond, een mooien zwarten poedel, met een touw aan een van +die boomen vastgebonden, zeker, omdat hij hem niet goed mee naar binnen +kon nemen. Natuurlijk was dit alles behalve prettig voor dien hond, +vooral, omdat hij al die andere zoo vroolijk zag ronddraven. Bruno was +al eenige malen naar den armen gevangene toegeloopen om een praatje +met hem te maken, maar dan kreeg hij weer zoo'n lust om te stoeien, +dat hij wel driemaal 't bloemperk omrende, tot hij op eens op de +gedachte kwam den poedel te helpen. Hij begon in het touw te bijten, +te bijten--nu, je weet, Bruun heeft scherpe tanden. De vastgebonden +hond begon te kwispelstaarten en te blaffen, Bruun rustte even, begon +weer met vernieuwde krachten te rukken en te bijten. Tot hij het +touw doorgebeten had. Als een pijl uit den boog rende de poedel niet +eenmaal, maar wel zesmaal 't grasveld rond. Wat was hij blij! Bruun +achter hem aan. Het werd een dolle jacht. + +Toen de poedel geheel buiten adem met de tong uit den bek even stil +stond, kwam zijn baas er aan. Als jullie zijn gezicht gezien hadt! Hij +keek van den boom naar den poedel en van den poedel naar den boom en +dan naar de andere honden. Eenige menschen, die alles gezien hadden, +wezen naar Bruno. De baas lachte nu ook, floot een paar malen en +jawel, daar kwam de poedel, nog met een stuk touw achter zich aan, +schoorvoetend naar hem toe. Hij was, geloof ik, bang, dat de baas +boos zou zijn, maar die klopte zijn hond op den rug, streek hem over +den kop, zoodat de poedel vroolijk kwispelstaartte en met hem meeliep." + +"Zou Foxje ook zoo iets kunnen doen, vader?" vroeg Dolf. + +"Misschien wel, maar Bruun is een groote, sterke hond en heeft +natuurlijk een sterk gebit." + +"Kom maar terug naar je zoo zr verlangende Miekie," las Nel. + +"Prachtig, moes, wat zou die verandering toch kunnen zijn?" vroegen +Nel en Leni. + +"Dat zul je morgen wel hooren," lachte ma. + +"Misschien heeft vader kuikentjes gekocht," zei Hans, die aan zijn ei +in den koffer dacht. "Of heeft Bruun een nieuwen halsband gekregen," +raadde Bob. + +"Of, of," zei Leni, "heeft Miekie jonge poesjes gekregen." + +"Ik wou, dat 't al morgen was," zuchtte Hans. + +"Ik kan bijna zoolang niet wachten," zei Bobbie. + +"Nu kan ik door twee dingen bijna niet in slaap komen vanavond. Ten +eerste, omdat ik morgen jarig ben en ten tweede, omdat ik zoo +verlangend ben naar hetgeen oom Karel heeft te vertellen." + +"Moes, u weet het," zei Door, mevrouw Van Brakel met den vinger +dreigend. "Toe, vertelt u het ons eens." + +"Dat kun je begrijpen," lachte moeder. + +En toen Door Nel later iets in het oor fluisterde en Dolf vroeg, +of er ook een verfkwastje was, zei mijnheer Van Brakel lachend: +"'t Is hier wel een tijd van geheimpjes, dat moet ik zeggen." + +"Nu, kinderen, 't is tijd om naar bed te gaan. De tweelingen en Leni +slapen zeker al lang." + +"Ja, kom Nel, wij moeten morgen vroeg op," zei Door, "want".... + +"St., niets vertellen," zei Nel, den vinger op den mond houdende. + +"Och, lieve tijd," zuchtte Door, "ik vind het toch zoo "onmogelijk" +lastig, geheimen te bewaren." + + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + +LENI'S VERJAARDAG. + + +"'t Is zes uur, sta op," fluisterde Nel. + +"Wat zeg je?" vroeg Door slaperig. + +"'t Is zes uur. We zouden immers bloemen voor Leni plukken. Kom +er uit." + +"Nu al?" + +"Ja zeker, anders komen we niet klaar." + +"Ik ben zoo "onmogelijk" slaperig." + +"Dat ben je om zeven uur ook nog," was 't kalme antwoord. + +"Je hebt ook nooit medelijden met mij," kwam er grappig klagend uit. + +"Als ik klaar ben, ga ik en wacht niet op je." zei Nel. "Stil, Leen +draait zich om; als ze wakker wordt, is alle aardigheid er af." + +"Ik kom al," zuchtte Door, haar kousen aantrekkend. + +Zacht fluisterend en op de teenen loopend kleedden Nel en Door, +zich aan. + +"Begin nu alsjeblieft niet met je sproeiwoede," zei Nel, toen Door +haar waschkom vol schonk, ''dan wordt Leni stellig wakker." + +"'k Vang dan anders twee vliegen in n klap," zei Door lachend. + +"Hoe zoo?" + +"Wel, ik krijg de volle laag en jij bent wel tevreden met de +druppeltjes, die mij voorbij vliegen; op die manier zijn we gauw +klaar." + +"Als jij dat druppeltjes verkiest te noemen," zei Nel, "'t is +gewoonlijk een volslagen fontein. Stil, Leni beweegt zich weer, +sta nu toch doodstil." + +Wel drie minuten stonden beide meisjes onbeweeglijk, angstig kijkend +naar de kleine jarige. + +"Voor standbeeld ben ik niet in de wieg gelegd," zei Door, toen zij +zich weer durfde bewegen, "dat merk ik wel." + +"En ik niet," zei Nel. + +Plof! Wat was dat? Doors kam gleed uit haar handen. Beide meisjes +stonden als palen; want nu volgde een onrustbarend geschuifel in +het ledikant. + +"Ga op den grond liggen," commandeerde Nel en zeeg zelf ook behoedzaam +neer. Het geschuifel hield aan. Door en Nel stikten bijna van 't +lachen. Door lag voorover met haar hoofd onder de tafel, de noodlottige +kam recht voor zich uit houdende. Nel in haar onderlijfje met de beenen +onder haar eigen ledikant. Toen werd de deur zacht opengeduwd en Hans +stond met verbaasde oogen naar het eigenaardige tooneeltje te kijken. + +Door wist geen raad van het lachen bij het zien van Hansjes +verwondering. Hij dacht zeker niet anders, of de beide meisjes waren +door een aardschok neergesmeten. Door wenkte met de kam, dat hij weg +moest gaan. Hans scheen haar niet te begrijpen en bleef onbeweeglijk +staan. + +"W-e-g," spelde Door met de lippen en wees naar Leni's ledikant. + +"Het-ei-is," fluisterde Hans en wilde blijkbaar nog meer zeggen, +maar Door zwaaide z wanhopig met de kam, dat Hans ten slotte +bedrukt wegging. + +"Ik geloof, dat Leni weer in slaap gevallen is. Houd toch op met je +gelach, je zult alles nog bederven," waarschuwde Nel boos. + +"Zag je Hansjes gezicht?" fluisterde Door, zich nu ook oprichtend. Nel +knikte. Tot overmaat van ramp kwam Foxje ook nog in de kamer, maar +Door zette hem er voorzichtig uit en zoo kwamen de beide meisjes toch +eindelijk klaar. Moeder was al beneden en werd in het geheim genomen; +ze beloofde Leni, als ze beneden kwam, naar Kee te sturen, tot alles +voor de jarige klaar was. + +"Kom nu maar gauw mee," zei Nel tot Door; "want er zijn heel wat +vaasjes te vullen." + +"Gelukkig! Ons cadeau is bezorgd," zei Door, op de nieuwe mand voor +Julia wijzend. "Stopt u die maar goed weg, moes, anders ziet Leni +die nog, voor we thuis zijn." + +"Daar zal ik wel voor zorgen, kind! Ja, meisjes, jullie moet +voortmaken. Een verjaardag zonder bloemen en dat nog wel in den zomer, +dat gaat toch niet. 't Is heerlijk, dat jullie een veldbouquet gaat +plukken; want het zou jammer zijn den tuin te plunderen, als het +niet noodig is; alles staat nu zoo mooi en we hebben er zoo lang +pleizier van." + +"Ja, moes, we komen gauw terug," zei Door, die den botaniseertrommel +van Dolf nam. Na een half uur hadden de meisjes een prachtigen +ruiker geplukt. + +"Ik pluk ook nog wat papavers," zei Nel, "die staan zoo beeldig." + +"Ja, dat doen ze, maar ze zijn zoo gauw verlept," vond Door. + +"Ziezoo, we hebben genoeg, laten we maar vlug opstappen, want het +valt niet mee, alles te moeten rangschikken." + +"Is Leni al beneden?" was 't eerste wat Nel vroeg, toen ze thuis +kwamen. + +"Neen, ze schijnt nogal te kunnen slapen, niettegenstaande ze gisteren +het tegendeel beweerde," zei mevrouw Van Brakel. "H, kinderen, +kinderen, wat een schat van bloemen brengen jullie mee." + +Alle vaasjes en glazen werden voor den dag gehaald en met bloemen +gevuld, wat aan de kamer een echt feestelijk aanzien gaf. + +"Foxje, kom eens hier, oude jonge, je vrouw jarig en jij geen strik +om? Dat is ongehoord." En Nel bond Fox een blauw lint om den hals +en maakte aan een kant een flinken strik. Zoo heel pleizierig vond +Foxje dit nu niet, maar voor een jarige moet je wat over hebben, +had hij dikwijls gehoord en dus droeg hij zijn lot gelaten, zooals +een gehoorzaam en liefhebbend hondje past. En terwijl Nel bezig was +met Fox, bond Door Julia een rood lint om. Blauw was meer haar kleur, +vond Door, maar met het oog op de rood gevoerde mand was het beter +de halsversiering ook in die kleur te nemen. + +"Daar komt Leni aan!" riep Nel. "Waar is Dolf en waar zijn de +tweelingen en vader? We moeten toch allen in de kamer zijn, voor +Leni binnenkomt." + +"Dolf is achter in den tuin, met Bob, Hans en Fritsje." + +"Jongens, op 't appl!" riep Door. + +"'t Is vandaag feest, zooals 't nooit is geweest," zong vader en kwam +met Leni binnen. Leni wist van verlegenheid niet, hoe ze kijken zou, +toen allen haar in de kamer opwachtten. + +Verrukt keek ze naar de bloemen. + +"Ja, ja, daarvoor hebben Nel en Door gezorgd. Wat zeg je daar wel +van?" zei moeder. + +"Beeldig," vond Leni. + +"Een spel voor den tuin," zei moeder en zette een groote kist op +de tafel. + +"Een croquetspel," juichte Leni, "heerlijk!" En ze vloog op moeder +en vader toe om beiden te bedanken. + +"Wat je Julia geeft, geef je Leni, hebben wij gedacht," zei Door. + +"Een ledikant voor je Snoes," voegde Nel er bij en zette ter +verduidelijking de poes in de nieuwe mand. + +"Hoe leuk!" riep Leni. "Och, zie haar eigenwijs gezicht eens." + +"Julia onderzoekt, of ze een springveeren of een paardeharen matrasje +heeft," zei Dolf, toen de poes de mand van alle kanten besnuffelde. + +"Maar hoe staan onze log's zoo stil te kijken?" vroeg mijnheer +Van Brakel. + +"Er is geen kuikentje uitgekomen," zei Bob. + +"Geen kuikentje uitgekomen, ventje?" vroeg moeder verwonderd. + +Door proestte het uit. + +"Neen," zei Hansje, die dit gelukkig niet zag. "Het heeft al dien +tijd in den koffer gelegen onder onze blousjes. En Fritsje durfden +wij er niet opzetten, omdat we bang waren, dat het kuikentje dan dood +zou gaan." + +"Ik begrijp toch niet recht, wat je bedoelt," zei vader, die moeite +deed ernstig te kijken; "vertel mij eens, wt lag in den koffer, +kereltje?" + +"Dit ei," zei Hans. Maar nu kon mijnheer Van Brakel zich niet langer +bedwingen. Hij schaterde het uit en allen in de kamer schoten in een +hartelijk gelach. + +"'t Is een kalkei; o jongens, jongens, jullie bent eenig, eenig!" + +Toen allen zoo vroolijk waren en het zich zoo in 't geheel niet +aantrokken, dat er geen kuiken uit het ei gekomen was, zelfs Leni niet, +toen moesten Hans en Bob toch wel meelachen. + +"Kijk eens, dit mg jullie Leni geven," zei moeder en gaf Bob een +doos met flikjes. "Daar kan ze dan eens uit presenteeren vanmiddag, +als paatje er is." + +Dat was goed. + +"Fisjeleer," zei Fritsje, terwijl hij Leni een fleschje met eau de +cologne vereerde. Natuurlijk moest ieder even van de eau de cologne +ruiken en daar Fritsjes zakdoek nergens te vinden was, kreeg hij een +beetje op de punt van zijn schort. + +"Nu heb ik hier ook nog een paar oude kennisjes," zei vader, de +portretten van de tweelingen en Julia gevende. + +"Och, paatje, hoe aardig," zei Leni verrukt. "Wanneer hebt u dat +gedaan? Bob en Hans hebben me er niets van verteld." + +"Ja, dat _die_ geheimen kunnen bewaren, hebben we gemerkt," zei vader, +"maar Julia doet voor hen niet onder." + +"Mag ik nu de jarige in den tuin verzoeken?" zei Dolf. + +"In den tuin?" vroeg Nel. + +"Ja, komt allen maar mee, achter in den tuin." + +"Kijk toch eens, Dolf heeft warempel het kippenhok geverfd," riep +Leni opgetogen. + +"Hoe leuk!" + +"Dat noem ik nog eens een verrassing," zei vader. "Ik wist werkelijk +niet, dat ik zoo'n knappen zoon had." + +"Wanneer heb je dat gedaan?" vroeg Door. + +"Gisterenavond en vanmorgen. Ik was om zes uur al in den tuin," zei +Dolf, blij, dat allen het zoo aardig vonden. "Maar nu moet je er ook +eens even in gaan," zei hij tot Leni; "ik heb de kippenfamilie zoo +met elkaar zien fluisteren, het zou mij niet verwonderen, als zij +ook een verrassing voor je hadden." + +Lachend ging Leni in het hok. "Kom eens hier," riep ze en stond te +dansen voor de nesten van Toetie en Snoetie. "Komt toch eens allen +hier!" + +"Maar kindje, dat is toch wel wat veel gevergd," zei vader; "het +heele gezelschap in het kippenhok! Laat ons liever eens zien, +welke verrassing je kippenfamilie jou bereid heeft: wij branden +van verlangen." + +"Toe, Leen, kom er uit," zei Door, "je maakt ons zoo "onmogelijk" +nieuwsgierig." + +"Kijk eens," zei Leni, "dit rose suiker ei heeft Toet gelegd. Het +staat er op, leest u maar." + +"Van Toetie op uw verjaardag." + +"Wel verbazend, dat is kranig," zei vader. + +"En dit witte van Snoetie." + +"Zulke kippen moesten we meer hebben." + +"En dit," zei Leni, en liet een chocolade-ei zien, "van...?" + +"Asschepoes," raadde Nel gierend. + +"Van den haan. Zijn visitekaartje heeft hij er bij gelegd. Kijk, +Haantje-Kukelekaantje staat er op en aan den anderen kant: + + + "Lief jarig pleegmoedertje, + In 't kraaien ben ik wel een baas, + In 't eier leggen niet, helaas! + Maar op het feest van pleegmama + Legde ik toch een ei van chocola + Uit dankbaarheid, omdat zij elken morgen + Zoo trouw voor mij en mijn kippen komt zorgen." + + +"Dolf, Dolf, hoe onmogelijk leuk." + +Ieder moest het hanenei natuurlijk bekijken, 't Was dan ook wel een +groote bijzonderheid; zelfs vader, die al zoo oud was, beweerde, +er nog nooit een gezien te hebben. + +"Jij krijgt straks het kapje, hoor Snoet," zei Leni tegen Fritsje. Dat +leek Frits wel goed toe en Hans en Bob werd het kapje van de +suikereieren beloofd. + +"Waar is Kee? Die moet ze ook zien," riep Leni. + +"Daar komt ze juist aan." + +"Asjeblieft," zei Kee, nog voor Leni iets kon zeggen, "omdat jij +mij gisteren zoo geholpen hebt," en meteen duwde ze Leni een klein, +beeldig poppenkoffiemolentje in de hand. + +"Och moes, maatje, zie eens, van Kee!" + +"Kindje! Maar 't is al te erg vandaag, je wordt veel te veel verwend." + +Toen Leni de eieren aan Kee liet zien van Snoet, Toet en +Haantje-Kukelekaantje, sloeg Kee de armen van verbazing in de +hoogte. "Heb ik van mijn leven, heb ik van mijn leven! Nu begrijp +ik, waarom hij vanmorgen zoo aanhoudend kraaide, 't Is dan ook +geen kleinigheid, een chocolade-ei. Dat doen de kippen hem niet na, +ofschoon Snoet en Toet ook bijzonder knap zijn. Maar, liefje, ik moet +nu weer naar mijn boontjes," zei Kee en holde weg. + +"Hoor Fox eens, met wien heeft die het toch zoo aan den stok?" zei +mijnheer Van Brakel. "Hij keft ons de ooren doof. Daar zit toch soms +geen vreemde poes onder die struik?" + +"O wee!" riep Door, "ik begrijp het al. Als Fox hem maar geen kwaad +doet. Leni, kom eens gauw hier. Kijk eens onder die struik." + +Leni bukte zich. "Een egel?" vroeg ze verwonderd, "voor mij?" + +"Een extraatje van Door en mij," zei Nel lachend. + +"Ik had het diertje maar stil willen laten liggen, maar Door dacht, +dat jij hem wel "snoezig" zou vinden, omdat je nu eenmaal alles +snoezig vindt, wat dier is. We hebben hem aan den weg gevonden." + +"Laat eens kijken," zei Dolf, "hoe grappig, ik heb nog nooit een egel +zoo dichtbij gezien." + +Hans en Bob vonden het in 't geheel geen aardig beestje, beweerden ze, +en Frits bleef op een eerbiedigen afstand. + +"Als Fox hem maar geen kwaad doet," zei Door. + +"Wel neen, 't blijft bij blaffen," zei vader, "daar behoef jullie +niet bang voor te zijn. We zullen hem wat melk brengen, daar houden +ze in den regel van." + +Leni liep naar huis en kwam na een oogenblikje met een schoteltje +met melk terug. 't Was eerst, of de egel 't niet zag, maar al gauw +begon hij te drinken tot groote vreugde van allen. + +"Je zult eens zien, hoe gauw hij tam is," zei moeder. + +"Maar nu gaan we eerst ontbijten, anders zijn we niet klaar, als oom +Karel komt," zei moeder. + +"Ik verlang ook naar paatje," zei Bob. + +"Ja, en wat zou paatje wel te vertellen hebben?" vroeg Hans. + +"Nog maar een beetje geduld," lachte moeder. + +"Morgen gaan we naar huis, h tante?" + +"Goeden dag, goeden dag, feestvierende menschen!" hoorde men oom +Karel dien middag plotseling zeggen. "Daar ben ik al. Waar zijn mijn +kaboutertjes en waar is de jarige dame?" + +"Hier paatje," en Bob en Hans vlogen hun vader om den hals. + +"Ja, ja, kereltjes, hoe is 't met jullie? Druk aan 't feestvieren zie +ik. Wel, wel Leni, is dat croquetspel een cadeau? En Fox en Julia in +feestgewaad! 't Is geen kleinigheid, 'k Ben wat blij, dat ik gekomen +ben. Kijk eens, dat is nu _mijn_ cadeautje. Ik hoop, dat je 't mooi +vindt, meisje. Ik kan maar niet vergeten, hoe bedroefd je was over 't +verlies van sneeuwwitje en daarom heb ik je nu een ander sneeuwwitje +meegebracht." + +"Een pop!" riep Lena opgetogen. "Oompje, hoe heerlijk!" + +"En als sneeuwwitje gekleed," zei Door, "hoe beeldig! Kijk toch eens, +moeder!" + +"Prachtig, prachtig! Die oom Karel verwent je maar," zei moeder +lachend. + +"Dat heb ik wel begrepen," zei Nel, "dat jarig zijn in de vacantie +lang niet voor de poes is." + +"En nu 't geheimpje, oom," zei Dolf. "Wij branden allen van verlangen." + +"Dat is goed, kinderen. Bob en Hans, komen jullie eens bij mij zitten, +ieder op een knie. Het is iets heel moois en prettigs, dat ik te +vertellen heb." + +Allen keken oom vol verwachting aan. + +"Zoo'n aardig popje, als Leni gekregen heeft om mee te spelen," +begon oom, "is er bij ons in huis gekomen." + +"Ook een sneeuwwitje?" vroeg Bob verbaasd. + +"Maar, paatje, jongens spelen toch niet met poppen," zei Hans +teleurgesteld. + +Oom Karel glimlachte. "Er is bij ons in huis een levend popje--een +kindje gekomen." + +"Een echt?" Hans schoot van de knie af. + +"Ja, een echt." + +"O, oom, hoe leuk, hoe aardig!" + +Even was er doodsche stilte. + +"Maar, maar,--wat doet ze, kan ze al praten?" zei Bob, die 't eerst +van zijn verbazing bekomen was. + +"Eet ze al?" vroeg Hans. + +"Hoe groot is ze?--Heeft ze al haar? Slaapt ze?--Kan ze al lachen? Toe, +paatje, toe vertel eens alles." + +"Kleine, lieve kaboutertjes, hoe kan ik zoo gauw op alle vragen +antwoorden? Neen, praten kan ze nog niet, dat moeten wij haar nog +leeren. Ze kan nu eigenlijk nog maar alleen slapen, drinken en +schreien." + +"Schreien is praten, h paatje?" + +"Vindt moesje 't prettig, dat het zusje er is?" + +"En Jaap?" + +"Jaap ook. En Griet, die anders zoo'n leven kan maken in de keuken, +doet nu alles even zacht." + +"En-enne-paatje, luister eens. Hoe groot is zus?" vroeg Bob opgewonden. + +"Niet grooter dan Leni's pop." + +"Wijs eens, hoe groot haar handjes zijn." + +"Zoowat zoo groot als jou wijsvinger. Twee aardige, roode knuistjes +heeft ze." + +"Nu hebt u nog in 't geheel niet gezegd, hoe ze heet, oom," zei Leni. + +"Ze heet Else, ons kleine meisje." + +Allen vonden dit een prachtigen naam. "Zou ze 't prettig vinden, +dat we morgen terugkomen?" + +"Welk zusje zou niet blij zijn met zulke lieve broertjes," zei oom +Karel, Bob in de wang knijpende. + +"O paatje, ik verlang zoo," zei Hans met een diepen zucht. + +"Wat kunnen we later heerlijk paardje spelen, Bobbie. Zus komt dan +in de sportkar te zitten, jij wordt paard en ik koetsier." + +"Neen, dan wil ik koetsier zijn," zei Bob. + +"Neen," pruilde Hans, "ik heb het 't eerst gezegd." + +"Weet jullie wat," zei mevrouw Van Brakel, die bang was, dat er +gekibbel kwam. "Zusje mag dan kiezen, die is de dame, die gereden +wordt." + +"Ja, dat vind ik best," zei oom. "En zal ik jullie nu eens vertellen, +waarom zusje _nu_ gekomen is?" + +Ja, dat wist niemand. + +"Omdat ze het later zoo prettig zou vinden in de vacantie jarig +te zijn." + +"f ze gelijk heeft," riepen Nel en Door tegelijk. + +"Maar nu moet ik toch werkelijk eens kijken, wat Leni gekregen +heeft. Morgen in den trein kunnen we den geheelen tijd over zusje +praten. Mij dunkt, Door en Nel zijn hier aan 't versieren geweest. Wat +een heerlijke massa bloemen! Met je nieuw croquetspel wil ik vandaag +vast een spelletje doen.' + +"Ja, ja, dat moet ingewijd worden," zei Dolf. + +"En nu moet u nog eens iets zien," zei Nel. + +"Extraatje van Door en mij," stelde ze voor, op den egel wijzend. + +"Neen, oompje, alleen van mij, Nel durfde hem niet opnemen." + +"Een egel? Daar moet je nu Door voor wezen om zoo'n aantrekkelijk +diertje mee te nemen," lachte oom. "Wat zei zusje wel van zoo'n +cadeau? Maar dat behoef ik eigenlijk niet te vragen. Bij Leni is +immers elk dier welkom." + +"Dat zei ik ook, oompje." + +"Hoe jammer," zei Leni, "dat de egel zich nu heelemaal ingerold heeft." + +"Dat is niets, die onbeleefdheid en dat nog wel op jouw verjaardag, +zal ik hem wel gauw afleeren," zei oom. "Dolf, haal mij eens een +kopje water, dan zullen we "extraatje," eens een bad geven." + +Nauwelijks had de egel het water gevoeld, of hij begon zich te +ontrollen. + +"O, kijk hem eens, kijk hem eens," riepen Dolf en Nel. + +"Zie hem eens boos kijken," lachte Door. "Foei, oude jongen, niet zoo +ernstig en dat nog wel op zoo'n grooten feestdag als vandaag. Ziezoo, +zoo mag ik je liever, nu ben je ons tevreden "extraatje" weer." + +"Stil, wij worden geroepen! Wie het eerst thuis is," zei oom en nam +Fritsje op zijn schouder en 't heele jolige troepje holde achter +hem aan. + +"Fritsje gewonnen! Moesje! Fritsje gewonnen!" + +"Ja, ja," lachte moeder, "jij lijkt het winterkoninkje wel, die bij +een wedstrijd onder de vogels, wie 't hoogste vliegen kon, onder de +vleugels van den adelaar kroop en zoo den strijd won, maar de andere +vogels leelijk fopte." + +Daar begreep Fritsje niets van, maar wel, dat, wat op tafel stond, +heerlijk was. + +"Bob en Hans, kom gauw. Hier staan beschuiten met muisjes op tafel," +riep Dolf, die de tweede overwinnaar was. "Ter eere van 't zusje," +zei mevrouw Van Brakel. + +'s Middags werd er croquet gespeeld, tot groot pleizier van de groote +en kleine menschen, maar niet het minst van Fox en Julia, die elken +bal naholden. Tot slot van het feest onthaalde moeder nog op een +heerlijke roomtaart, waarop ze voor de grap een vlaggetje gestoken +had en waarop stond: "Wie in Augustus geboren is, hoezee!" + +Allen begonnen dadelijk te zingen, zoodat het een oorverdoovend leven +was. Toen werden er nog allerlei spelletjes verzonnen en moest Leni +"Toetie" raden uit: begraven steden en Door "vacantie." + +Eindelijk werd het tijd voor de kleintjes om naar bed te gaan. Leni +mocht een uurtje langer opblijven. Toen eindelijk ook Door, Nel en +Dolf goeden nacht hadden gezegd, zongen ze nog als op den eersten dag +van de vacantie met een kleine verandering, door Door in het schoone +lied gebracht: + + + "'t Is vacantie, nog vacantie, + Hoera vacantie boven! + En ieder, die 't niet zingen wil, + Die moet er aan gelooven." + + +Den volgenden morgen voor schooltijd zag men weer, als op den eersten +dag van de vacantie, twee vlaggetjes uit een portier van den trein +wapperen. Maar nu wuifde oom Karel met zijn kaboutertjes den wachtenden +bij den trein met even vroolijke gezichten een afscheid toe. + +"Toe, kinderen, voor 't laatst nog eens," zei oom Karel plagend: +"'t Is vacantie!" + +"Neen, oompje," zei Door, lachend op haar boeken wijzende, "dat zal +niet gaan!" + +En de anderen gaven Door volkomen gelijk. + +"Onmogelijk, meisje?" + +"Onmogelijk, oompje," bevestigde Door. "Maar met de Kerstvacantie is +'t weer: "'t Is vacantie,"--zou Door juist beginnen te zingen, toen de +trein zich in beweging zette. Nog een laatste wuiven van de vlaggetjes +en van oom Karels witten zakdoek en 't vroolijke troepje groette van +'t perron terug. + +Om twaalf uur kwamen allen opgewekt uit school. + +"'t Was toch zoo leuk in de nieuwe klasse," vonden Door en Nel. Dolf +en Leni hadden allerlei prettige verhalen. + +"Dat mag ik zien," zei moeder. "Vroolijk op school en vroolijk thuis." + +"Ja, ja, we zijn wat trotsch op ons jolig troepje," zei vader lachend. + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Een Jolig Troepje, by Marie Leopold + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN JOLIG TROEPJE *** + +***** This file should be named 12070-8.txt or 12070-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/2/0/7/12070/ + +Produced by Jeroen Hellingman en the Distributed Proofreaders Team + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + +Each eBook is in a subdirectory of the same number as the eBook's +eBook number, often in several formats including plain vanilla ASCII, +compressed (zipped), HTML and others. + +Corrected EDITIONS of our eBooks replace the old file and take over +the old filename and etext number. The replaced older file is renamed. +VERSIONS based on separate sources are treated as new eBooks receiving +new filenames and etext numbers. + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + +EBooks posted prior to November 2003, with eBook numbers BELOW #10000, +are filed in directories based on their release date. If you want to +download any of these eBooks directly, rather than using the regular +search system you may utilize the following addresses and just +download by the etext year. + + https://www.gutenberg.org/etext06 + + (Or /etext 05, 04, 03, 02, 01, 00, 99, + 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90) + +EBooks posted since November 2003, with etext numbers OVER #10000, are +filed in a different way. The year of a release date is no longer part +of the directory path. The path is based on the etext number (which is +identical to the filename). The path to the file is made up of single +digits corresponding to all but the last digit in the filename. For +example an eBook of filename 10234 would be found at: + + https://www.gutenberg.org/1/0/2/3/10234 + +or filename 24689 would be found at: + https://www.gutenberg.org/2/4/6/8/24689 + +An alternative method of locating eBooks: + https://www.gutenberg.org/GUTINDEX.ALL + + diff --git a/old/12070-8.zip b/old/12070-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..3de79bb --- /dev/null +++ b/old/12070-8.zip diff --git a/old/12070.txt b/old/12070.txt new file mode 100644 index 0000000..654cc81 --- /dev/null +++ b/old/12070.txt @@ -0,0 +1,4690 @@ +The Project Gutenberg EBook of Een Jolig Troepje, by Marie Leopold + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Een Jolig Troepje + +Author: Marie Leopold + +Release Date: April 17, 2004 [EBook #12070] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ASCII + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN JOLIG TROEPJE *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman en the Distributed Proofreaders Team + + + + +Een Jolig Troepje + +Door + +Marie Leopold + + + + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +DE EERSTE VACANTIEDAG. + + + "'t Is vacantie! 't blijft vacantie! + Hoera, vacantie boven! + En als je dat niet zingen wilt, + Dan moet je er aan gelooven!" + + +zong Nel in haar nachtjapon, terwijl ze met een natte spons in de +hand voor Dora's bed stond. + + + "Hoera! vacantie boven! + En als je dat niet zingen wilt, + Dan moet je er aan gelooven!" + + +Pats, de natte spons viel op Dora's gezicht. + +"Wat is dat, br.... Nel, wat scheelt je? Br....!" riep Door, die +op eens rechtop in haar bed zat met een druipnat gezicht. "Dat is +verraderlijk. Ik sliep zoo lekker. Kijk dat laken eens: kletsnat. Brr, +geef me gauw mijn handdoek." + +"Zul je dan zingen?" + +"Ja, ja, alles wat je wilt, maar geef eerst mijn handdoek. Gauw, +'t loopt met een straaltje achter in mijn nek." + +"Nu, zing dan," dreigde Nel, de spons voor Door in de hoogte houdende. + + + "'t Is vacantie, 't blijft vacantie, + Hoera, vacantie boven!" + + +viel Door in. + + + "En ieder, die 't niet zingen wil, + Die moet er aan gelooven!" + + +Hup, vloog ze 't bed uit, greep Nel de spons uit de handen, doopte die +een, twee, drie in de lampetkan. En voor Nel nog iets had kunnen doen, +daar droop haar geheele gezicht. Toen begon een wilde jacht om de +tafel, over bedden en stoelen, dat hooren en zien je verging. Midden +in die dolle jacht zat rechtop in haar bed kleine Leni in de handen +te klappen en mee te zingen. + +Zacht ging de deur open, wat Nel en Door in 't vuur van haar spel niet +hoorden. Nel was onder de tafel gekropen en sloeg met den handdoek +naar Door, die met een natte spons klaar stond om op haar vijandin +in te stormen. + + + "'t Is vacantie, 't is vacantie ..." + + +"Maar kinderen, kinderen, dat belooft wat voor de vacantie," lachte +moeder. + +"O moeder, we hebben zoo'n pret," juichte Leni met een hoogroode kleur. + +"Maar kijk eens, een beekje is er uit de spons geloopen van de +lampetkan naar den stoel." + +"Ja, daar," zei Door plechtig, "kreeg ik den vijand in handen." + +"Wat is dat?" riep moeder verschrikt, toen Leni haar met een sprongetje +op den rug zat. + +"Ook een vijand, maar een droge, dat zijn natte," zei Leen, terwijl +ze naar Nel en Door wees. "O, moesje, zing nu gauw, anders komt Door +met haar natte spons," en toen begonnen allen weer te zingen: + + + "'t Is vacantie, 't blijft vacantie, + Hoera, vacantie boven! + En als je dat niet zingen wilt, + Dan moet je er aan gelooven!" + + +En voor ze 't uit hadden, kwam in zijn hanssopje kleine broer, die +zoo verbaasd was over dit vroolijke tooneeltje in den vroegen morgen, +dat hij stil bleef staan, maar toch telkens de laatste woorden van +iederen regel trachtte mee te zingen. + +"Nu een, twee, drie voortgemaakt, kinderen. Zie eens, wat is 't al +laat. Kom, kleine broekeman, ga jij maar met mij mee, dan kunnen de +dames zich kalm aankleeden." + +"Jouw gezicht is in tijden niet zoo flink nat geweest, Nel," +plaagde Door. + +"En jij bent in tijden niet zoo vroeg uit je bed gesprongen," plaagde +Nel terug. + +"Ja, 't is zonde, dat ik er al uit ben," en met een verlangenden blik +keek ze naar haar bed. + +"Ik kroop er nog weer in, als ik jou was." + +"Nee, dank je, dan zijn jij en Leni al klaar, als ik mij nog aan +moet kleeden." Maar toch verplaatste Door zich er een oogenblik in, +hoe lekker het zou wezen nog eens eventjes er in te kruipen. Zoo'n +vacantie was juist zoo heerlijk, vond ze, omdat je dan niet zoo +"onmogelijk" vroeg op behoefde te staan. Half acht vond ze nu eenmaal +"onmogelijk" vroeg. Ze vond alles trouwens gauw "onmogelijk", vooral +als ze er geen lust in had. + +"Zeg eens, Door, zou ik mijn nieuwe gele schoentjes aan mogen +doen?" vroeg Leni. + +"Ik weet 't niet, schattepoes." + +"Trek jij je gele schoentjes maar aan, hoor," zei Nel. "'t Is vandaag +feest, omdat de vacantie begonnen is, en die schoentjes heb je gekregen +voor Zon- en Feestdagen." + +"Zou moesje 't goed vinden?" weifelde Leni. + +"Natuurlijk vindt ma het goed," pleitte Nel weer. "Zie je, den rechter +schoen doe je aan, omdat het de eerste vacantiedag is en dus een +feestdag, en den linker, ja den linker..." + +"Ik weet het: den linker doe ik aan, omdat Bob en Hansje komen." + +"O ja, hoe leuk. Wacht, ik zal je even helpen ter eere van Bob +en Hansje." + +"En ik voor den eersten vacantiedag: Ga maar op den rand van je +ledikant zitten. Beenen stijf houden, hoor." + +"O, jullie gooit mij haast om," zei Leni met een wanhopig gezicht. + +"Dat is niets, hou je maar flink vast, je valt niet in 't water. Wacht, +nog een duwtje. Wat is dat?" + +Daar lag Leni achterover in bed met de beenen in de lucht te +spartelen. Nel en Door lachten, dat de tranen haar over de wangen +liepen en met de kam begon Nel de maat te slaan: + + + "'t Is vacantie, 't blijft vacantie, + Twee gele schoentjes boven! + Wie dat niet met ons zingen wil, + Die moet er aan gelooven!" + + +En met de beenen in de lucht hoorde men Leni meezingen. + +"Laten we ons nu gauw klaar maken. Lieve deugd, kijk eens op de klok." + +"Ja, maar mijn schoenen zitten nog niet goed," klaagde Leen, die met +veel moeite uit het bed geklauterd was. + +"Stamp maar op den grond, dan zul je er wel in schieten," zei +Door. "Toe, Nel, jij bent al verder dan ik, help jij haar even met +'t haar. Ik moet mij nog wasschen. Maar waar is mijn handdoek? Wie +heeft mijn handdoek toch gezien?" + +"Pak den mijnen maar, die hangt op den stoel. Wat doe je?" vroeg Nel, +toen Door den handdoek recht voor zich uit hield en dien aandachtig +bekeek. + +"Ik zoek overal je natte puntje," zei ze plagend. + +"Denk je, dat ik mij na dat waterbad van jou nog ben gaan +wasschen? Dank je wel, hoor. Ik heb mij lekkertjes met den handdoek +afgedroogd. Wees maar blij, je kunt hem nu heerlijk gebruiken. Hoe +jij zoo'n ding ook altijd zoo nat krijgt, is mij een raadsel. Je kunt +toch wel schoon worden zonder zoo te plassen? Bah! Dat koude water, +daar moet ik niets van hebben." + +"En ik vind dat koude water nu juist zoo "onmogelijk" lekker. Zoo +met je geheele gezicht in de kom," zei Door, terwijl ze voorover ging +staan en haar gezicht nat gooide. "Lekker!" + +"Je schreeuwde toch maar moord en brand, toen ik met de natte spons +voor je bed stond," lachte Nel. + +"Nu ja, die aanval was ook verraderlijk." + +"Maar Door! Pas toch op, het wordt hier nog een overstrooming. Je +sputtert de geheele waschtafel onder en zie den spiegel eens." + +"Dat zijn dauwdroppels," lachte Door. + +"Andere dauwdroppels zul jij ook wel nooit te zien krijgen," plaagde +Nel terug. + +"Ziezoo, schattepoes, zeg nu eens of ik je niet een mooie kuif heb +gemaakt: wacht, ik zal je even optillen voor den spiegel. Die Door +ook met haar geplas, he? Je kunt bijna niet in den spiegel zien, +zoo heeft zij hem besputterd." + +"Kijk toch eens. Zie je waar dat op lijkt?" zei Door, met een druipnat +gezicht naar een plas op de waschtafel wijzende. + +Leen en Nel keken en keken. + +"Een molshoop," zei Nel eindelijk. + +"Wel nee, kijk eens goed." + +"Een hoed met een veer," raadde Leni. + +"Och nee, ook niet." + +"Zeg het maar," vleide Leni. + +"Neen, neen, niet dadelijk zeggen: een meertje," zei Nel. + +"Dat is flauw, o, als ik zoo sta, kom eens even op mijn plaats, dan is +'t sprekend, 't Lijkt op een dier," helderde ze op. + +"Een kameel," zei Nel weer. + +"Och neen, je zegt maar wat. Een dier, dat wij allen goed kennen." + +"Nu zie ik het," riep Leni. "Julia! Kijk, ze zit recht-op. Dat is +haar kop. Zie je haar oortjes?" + +"Nu zie ik het ook," riep Nel opgetogen. + +"Waar is haar staart, haar mooie dikke staart?" + +"Die houdt ze vast, ze staat er met haar voorpootjes op." + +"Och, kijk die oortjes toch, hoe sprekend. Dag, oude, lekkere, natte +poesekop," zei Leni. + +"O, waar is de snor? De snor, waar Julia zoo trotsch op is," vroeg Nel. + +"Neen, een snor heeft ze niet, dat is jammer," zei Leni. + +"Dat is niets, ga maar een eindje van de waschtafel af, dan sputter +ik die er even bij." Brr! brr! naar alle kanten vloog het water. + +"Och, hoe jammer, nu heb je haar heelemaal bedorven. Die aardige +oortjes lijken wel olifants-ooren." + +"En arme Julia heeft zich een dikken neus gestooten," lachte Nel. "Zie +dat propje eens. Maar kom, Dorus, maak nu toch voort, je komt zoo +nooit klaar." + +"Wij gaan vast naar beneden." + +"Wie 't eerst de trap af is," zei Leni. + +"Even wachten," riep Door. "Ik ben dadelijk klaar." + +"Nu, eventjes dan." + +"Zeg eens, Nel, waar is mijn haarlintje? Ik weet zeker, dat ik het +gisteravond hier op de tafel gelegd heb," zei ze, terwijl ze met +de linkerhand het toefje haar vasthield en met de rechter allerlei +dingen optilde en verlegde. "Wat is 't hier ook een "onmogelijke" +rommel op tafel. Zoo kun je ook niets vinden," mopperde ze. + +"Dat haarlintje van jou is ook een veel te net lintje om tusschen zoo'n +"onmogelijken" rommel te willen liggen. Kijk, hier heb ik het al." + +"Waar was het?" + +"Op je kussen lag het, eenzaam en verlaten." + +"O, ja, ik kon gisteravond nergens een bandje vinden en moest het +lintje wel gebruiken. Ziezoo, klaar," zei ze even later. "Wie 't +eerst beneden is. Ik zal tellen. Een, twee, drie." + +Voor Nel of Door het zagen, had Leni haar eene been over de leuning +gegooid en gleed naar beneden. "Gewonnen!" riep ze en stormde door +naar de achterkamer, waar mevrouw Van Brakel bezig was voor 't ontbijt +te zorgen. + +"Dag, moesje." + +"Kindje, kindje, ik was werkelijk bang, dat je nooit klaar zou komen." + +"Ik heb het gewonnen, moesje. We deden wie 't eerst beneden was. Door +telde en flap! gooide ik mijn beenen over de leuning, nou--en toen +was ik 't eerst beneden. Door moest nog wel vijf treden doen. Jammer, +dat u zulke lange rokken hebt, dan is het natuurlijk erg moeilijk, +'t Gaat anders zoo heerlijk vlug. Je wint het zoo--altijd." + +"Ik zal er toch maar afloopen," lachte moeder. + +"Dan win ik het altijd van u, echt waar." + +Even later kwamen Nel en Door in de kamer. + +"Dag, maatje, dag, vader." + +"Treuzeltjes! Zijn jullie al op?" zei vader plagend. + +"Maar, vadertje, u weet ook niet hoe moeilijk 't is in de vacantie +vlug voort te maken." + +"Of 't moeilijk is!" + +"Kijk eens, ma," zei Leni, terwijl ze triomfantelijk haar gele +schoentjes liet zien. + +"Maar, Leni, kind, 't is toch geen Zondag. Hoe kom je daarbij, je +nieuwe schoenen ..." + +"Moeder, 't is een feestdag," zei Nel plechtig, "en deze schoentjes +zijn voor Zon- en Feestdagen." + +"Een feestdag?" + +"Bedenkt u zich maar eens goed." + +"Ik geloof, dat ik het begrijp," lachte vader. + +"Een feestdag? Jullie houdt mij voor den mal, ik begrijp er niets van." + +Toen begonnen alle drie de meisjes te zingen: + + + "'t Is vacantie, 't blijft vacantie, + Hoera, vacantie boven! + Wie dat niet met ons zingen wil, + Die moet er aan gelooven!" + + +"Ja, ja, jullie hebt gelijk, of het een feestdag is." + +"'t Is eigenlijk een ketting van feestdagen," vond Leni. + +"En, moes, we zijn nog heel bescheiden geweest ook, want voor de +ketting van feestdagen hebben we Leni alleen maar den rechter schoen +aangedaan." + +"Alleen maar den rechter? Nu wordt het nog mooier. En waarvoor kreeg +ze dan wel den linker aan?" + +"Ook voor een feestdag." + +"O, 't is onmogelijk, u raadt het nooit, nooit, zeg ik." + +"'t Is ook wel wat "onmogelijk" vroeg voor al die raadseltjes," +zei vader. + +"'t Begint met ..." wilde Leni helpen. + +"Begin alsjeblief niet met: 't begint met," zei Nel, "dat is zulk +flauw raden." + +"'t Begint met Hans en Bob," raadde moeder. + +"Hoera voor onze knappe moes! Waar blijft Dolf toch?" + +"Hier ben ik: Dag vader, moeder, allemaal." + +"Zoo, studiosus!" + +"He, Dolf, hoe kom je zoo laat?" + +"Och ja, jullie met je vervelend lawaai. Ik kon gewoon niet slapen." + +"Stumperd!" + +"Wees nu maar niet zoo flauw, Nel. Moeder, mag 'k een boterham?" + +"Ze staat er al lang en je kopje thee ter eere van de vacantie is, +vrees ik, al koud geworden." + +"Vacantie bofe, mammi?" zei kleine Frits met een lief vraagstemmetje. + +"Ja, kleine grappenmaker." + +"Heb je ons hooren zingen, Dolf?" vroeg Nel. + +"Hooren zingen? Ik dacht, dat de zolder minstens naar beneden zou +komen." + +"Dat zou voor een eersten vacantiedag indrukwekkend geweest zijn," +vond Nel. + +"En "onmogelijk" gezellig voor jou, als we met ons drietjes zoo +plotseling voor je neus stonden." + +"Onmogelijk, onmogelijk," praatte Frits Door na. + +Allen proestten het uit. + +"Geef mij daar eens gauw een kus voor, lekkere vent. Nee, zoo +gemakkelijk kom je er niet van af. Ook een op deze wang en nog een: +het deftigste aller kusjes, een op mijn voorhoofd." En toen greep +Nel Fritsjes handjes en begonnen ze samen te zingen: + + + "'t Is vacantie, 't blijft vacantie, + Hoera, vacantie boven! + Wie dat niet met ons zingen wil, + Die moet er aan gelooven." + + +"Vacantie bofe blijfe? Vacantie nog in bedje? Vacantie stout geweest, +mammi?" vroeg Fritsje, die meende dat "vacantie" een ondeugend jongetje +was en voor straf boven moest blijven. + +"Jij bent een grappenmaker en mammi's kereltje, hoor." + +"Wie onze loges wil halen, zorge over een kwartier klaar te zijn," +kwam vaders stem om den hoek van de deur. + +Toen was 't een gevlieg en geloop naar alle kanten. + +"Mijn hoed, mijn hoed, wie heeft hem gezien?" riep Door wanhopig. + +"Misschien op je kussen bij je haarlintje," plaagde Nel. + +"Wees nu niet zoo flauw," bromde Door. "Jij hebt gemakkelijk praten, +jij behoeft nooit naar je dingen te zoeken. Maar als ik mijn hoed of +mijn mantel ergens neerleg, kan ik ze later nooit terugvinden." + +"Ik leg ze ook niet "ergens" neer." + +"Zoo? Wat doe jij dan?" + +"Ik hang ze op den stander natuurlijk." + +"Ik durf wedden, als ik mijn hoed daar hang, dat hij toch weg is, +als ik hem hebben moet." + +"Probeer 't eens," lachte Nel. "Drie dagen kun je 't misschien wel +volhouden," en weg holde ze. + +"Moesje, weet u hem ook?" + +"Neen, werkelijk niet." + +"'t Is zoo'n "onmogelijk" zoeken, als je in 't geheel niet kunt +bedenken, waar zoo'n ding zit," zuchtte Door wanhopig. + +"Mag Foxje mee, vader?" + +"Neen, jongen, geen honden aan den trein." + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +DE LOGETJES. + + +Vijf minuten later was 't heele gezelschap op weg naar het station, +behalve moeder, die met Fritsje liever thuis bleef, en Door, die als +een wanhopige kamer in, kamer uit rende om haar hoed te zoeken. Met +donderend geraas kwam de trein binnenstuiven. + +"Zag je de coupe met de vlaggetjes?" riep Nel opgewonden. "Ik durf +wedden, dat ze daarin zitten. Dat is net iets voor oom Karel." + +Nel en Dolf renden er naar toe. Vader en Leni konden zoo +vlug niet. Maar voor ze bij de coupe kwamen, was mijnheer Van +Lichtenvoorde met zijn beide jongetjes al uitgestapt. 't Was een +vroolijke begroeting. + +"Zagen jullie onze vlaggetjes wel?" vroeg Hans. + +"Nou, of we," zei Dolf. "Nel zei dadelijk, dat jullie zeker in +die coupe zat. Pas op, houd ze vooral voorzichtig vast. 't Is hier +zoo druk." + +"Hoera, daar heb je Door. Zie ze eens loopen," zei Nel. + +"Dag oom, dag jongens!" + +"Dag Dorus," zei oom Karel, "meisje, meisje, wat heb je geloopen." + +"Maar Door, wat heb je nu op?" vroeg Nel. + +"Mijn ouden tuinhoed. Ik kon mijn schoolhoed nergens vinden. Ja, +waar dat ding nog eens vandaan mag komen, _ik_ weet het niet," zei +ze met een grappig wanhopig gezicht. + +"Kinderen, ga jullie nu vooruit," zei mijnheer Van Brakel, "oom en +ik komen dan langzaam achteraan." + +"Zullen we een wedloop houden, wie 't eerst bij de brug is?" + +"Uitstekend," vond Nel. "Ik neem Hans; Door, neem jij Bob en Dolf +Leni. Een, twee, drie; neen Dolf, allen te gelijk beginnen, een beetje +achteruit. Ziezoo, nu staan we allen goed: een, twee, drie!" Daar +gingen ze. + +"Gewonnen!" riep Door, nog hijgende en blazende. "Bob, jongen, steek +je vlag op." + +"Als die dikke mijnheer ons niet in den weg geloopen had, waren wij +jullie voor geweest," zei Nel, die met Hansje nummer twee was. + +"Dikke heer, of niet, wij hebben het gewonnen. Maar kijk Dolf eens: +die schiet warempel niet hard op. O, ik zie het al, Leni zwoegt onder +haar nieuwe schoenen." + +"Als je van zwoegen onder iets wil praten, dan zou ik zeggen, dat +jij zwoegt onder je kostelijk mooie tuinhoedje," lachte Nel. "Je ziet +tenminste zoo rood als een kreeft." + +"Eindelijk," zei Leni met een ongelukkig gezichtje, "die nare +schoenen." + +"Dat was een treurige wedloop, he Leen? Jij moet je linker en rechter +feestdag maar zoo gauw mogelijk uittrekken, als je thuis komt, dan +vier je opnieuw feest. Maar kom, we moeten voortmaken. Pa en oom +Karel zullen ons nog inhalen. Geef mij maar een arm, hinkelepinkje." + +"Doortje, is de koffer al gekomen?" vroeg Hansje. + +"De koffer? Nee, hoor, ten minste ik weet er niets van." + +"'t Is een heele groote, wel van dit paaltje tot dat." + +"Hij is nog veel grooter," zei Bob gewichtig, "wel zoo." Hij liep +vooruit om aan te toonen, hoe groot wel. + +Hans hield zich stil, hij vond, dat Bob den koffer nu wel wat heel +groot maakte. Maar hij vond het toch jammer dit te zeggen. + +"Dan ben ik toch werkelijk bang," zei Nel, die best begreep, dat Bob +overdreef, "dat die reuzenkoffer niet bij ons de voordeur in kan en +dus in 't geheel niet in jullie slaapkamertje kan staan. Ma zal hem +dan zeker wel in het schuurtje laten zetten." + +"In het schuurtje?" Een paar verschrikte oogen keken Nel aan. "Onze +mooie koffer?" + +"Ja, waar de cokes en de turf geborgen wordt." + +"Misschien is hij toch wel een beetje kleiner. Zou hij niet een beetje +kleiner zijn, Bobbie?" + +Bob knikte. "Maar 't is toch een groote." + +"Moesje, daar zijn we. Oom en Vader komen achteraan." + +"Dag, jongens; wel, wel, wat hebben jullie mooie vlaggetjes." + +"Spritsje, vlagje, Mammi?" vleide kleine Fritsje. + +"Mag Fritsje je vlagje even hebben, Bob?" + +"Hoera, ma vergist zich. Dit is Hans en dat is Bob. Nu zal ik jullie +eens even door elkaar rommelen. Niet kijken, ma." Dolf draaide Hans +en Bob als twee tolletjes om elkaar heen. "Doet u nu de oogen maar +weer open. Nu ...?" + +"Ja, jongens, dat is niet gemakkelijk. Ik geloof ... ik geloof ..., +dat ik hier Hansje Pansje bij 't oor heb," lachte mevrouw Van Brakel. + +"Geraden." + +"Dat Hansje Pansje, Mammi?" kwam Frits met zijn lief stemmetje er +tusschen. + +"Ja, kleine vent. Hansje Pansje. Nu zullen we maar eerst een boterham +gaan eten. Jullie buikjes zijn zeker leeg en hol." + +Hans en Bob knikten, dat hunne bolletjes er bijna afrolden en +natuurlijk deed Fritsjes bolletje op de maat mee. + +"Daar komen vader en oom Karel al aan. Door, zet gauw den grooten +stoel met het kussen voor oom klaar." + +"Och, kijk eens, Bobbie, wat een aardige poes," riep Hansje. "Effentjes +haar een kusje geven, tante?" + +"Zeker, geef jij Julia maar een kusje." + +Maar Julia had op dat oogenblik in 't geheel geen lust in een kusje +en stapte statig den tuin in, zonder ook maar naar de jongens om +te zien. 't Was duidelijk, dat zij zich eerst wat wilde opknappen, +voor ze aan Hans en Bob zou worden voorgesteld. Met een sprongetje +zat ze op de schutting en ging toen kalm haar toilet maken. + +Ja, Julia was een ijdel poesje. + +"Is ze bang, dat wij haar in den staart willen knijpen, of bij een +achterpoot in de hoogte tillen, zooals Jaap altijd doet, tante?" + +"Jaap, wie is Jaap?" + +"Jaap harkt onzen tuin op. En als hij kikkers vindt, doet hij ze +in een doosje. Een kikkertje spant hij er voor, dat is het paard, +zegt hij. Bobbie en ik vinden uit rijden gaan prettig, maar niet +als we kikkers waren. En dan met zoon kikkerpaard, dan zouden we +zeker zeeziek worden. Want dat doosje wipt zoo, hup, hup, net als de +kikker. Bobbie en ik hebben eens het doosje opengemaakt, toen Jaap in +'t gras een koetsiertje zocht." + +"En was Jaap ook boos, toen hij het zag?" + +"Hij lachte. Jaap wordt nooit boos. Hij zei.... wat zei hij ook weer, +Bobbie?" + +"Hij maakte het kikkerpaard los en zei: "ga maar gauw naar je +vrindjes." + +"Toch aardig van Jaap," lachte Nel. + +"Jaap maakt ook altijd wagentjes van wortels en kransjes van +bloemen. Dan doet hij poes en Bruno er een om. Maar die vinden dat +niet prettig, hoor. Jaap zegt dan altijd, dat ze jarig zijn. Maar zoo +vaak kun je niet jarig zijn. Maatje zegt, maar eenmaal in 't jaar en +een jaar duurt heel lang, he tante?" + +"Zeker, heel lang, maar eet nu eerst jullie boterhammen. Vader heeft +niet zooveel tijd." + +"Gaat u al zoo gauw weg, oom?" + +"Ja zeker, Door. Ik heb even mijn kaboutertjes hier gebracht, maar +veel tijd heb ik niet. Maar Dorus, kind, ik begrijp niet, hoe het +komt, maar ik kan niet zeggen, dat ik gemakkelijk op dezen stoel +zit. Het schijnt aan het kussen te liggen. Ik zal het dingetje er +maar even uitnemen. Wat is dat?" zei Oom, en hield Doors hoed geheel +platgedrukt in de hoogte, "die stumperd kon zijn pleizier ook wel op +onder het kussen." + +"O moeder!" Door werd zoo rood als vuur. + +"O, kijk eens, kijk eens, je hoed lijkt wel een vogelnestje," +riep Dolf. + +"Door, Door, zul je dan ook nooit eens een beetje netter worden," +zei mevrouw Van Brakel hoofdschuddend. "Reken er maar op, dat je den +geheelen zomer met je vogelnestje moet blijven loopen. Zulke slordige +meisjes zijn geen nieuwe hoeden waard. Waar blijft Leni toch? Dolf, +ga jij haar eens roepen, zij is zeker weer bij het kippenhok. O, +daar komt ze juist aan. Leni, kind, waar blijf je toch?" + +"O, moesje, sneeuwwitje deed zoo raar," zei Leni schreiende. "En nu +is ze dood, ze ligt geheel stijf en de dwergjes loopen om haar heen +en begrijpen er niets van." + +Hans, die juist zijn glaasje melk in de hand hield, liet het van +schrik uit zijn handen vallen, zoodat alle melk van de tafel op zijn +broek en vervolgens op den grond stroomde. + +"O, paatje, hier, hier--is een sneeuwwitje." + +"En--enne, ook--dwergjes," zei Bob met een hoogroode kleur. + +Leni, die in het geheel niet verwacht had, dat dit bericht zoo'n +uitwerking op de tweelingen zou hebben, bleef als versteend in de +deur staan. Moeder, vader, oom, Dolf en de meisjes barstten in een +onbedaarlijk lachen uit. Fritsjes hoog stemmetje hoorde men gedurig +boven alles uit. + +"O, mammi, Hansje Pansje glaasje melk omgesmijt. Stout Hansje Pansje, +he mammi?" + +"O, houd op, ik kan niet meer," gilde Nel. "Jongens, kijk me als je +blieft niet zoo verbaasd aan. Ik houd het niet uit. 't Is te mooi." + +Door rende de kamer uit om een vaatdoek. + +Hans en Bob keken met verwonderde gezichtjes het geheele gezelschap +aan. 't Had er veel van, of allen een uitvoering ten beste gaven en +Hans en Bob het publiek uitmaakten. + +Toen het gelach even bedaard was, zei Hans, als om zich te +verontschuldigen, half schreiend: "maar, paatje, Leni _zei_ het toch." + +"Ja, ja, Leni _zei_ het ook, ventje," en weer proestte oom Karel +het uit. + +"'t Is maar een kip, een witte kip," brulde Dolf. + +"Is er,--is er dan geen sneeuwwitje?" vroeg Hans. + +"En waar zijn dan de dwergjes, zijn er ook geen dwergjes?" vroeg +Bob. Duidelijk klonk er teleur-stelling in hun stemmetjes. + +"Och neen, kleine vent," zei Nel, die nu toch medelijden met hen +kreeg. "Wij noemen de krielkipjes dwergjes, omdat ze zooveel kleiner +zijn dan de andere. Of beter gezegd, Leni geeft de kippenfamilie +zulke mooie namen. Wij zullen jullie straks aan het heele troepje +voorstellen. Als Leni morgen plotseling bericht, dat "Slokop dood +in haar hok ligt" of dat "Asschepoes een ei heeft gelegd," dan gooit +Hansje Pansje misschien van schrik een heele kan met melk om." + +Het koffiedrinken liep verder zonder stoornis af. + +"Nu, kinderen," zei oom Karel een tijdje later, "ik moet weer weg, +hoor. Ik heb in tijden niet zoo heerlijk gelachen. Waar zijn mijn +kaboutertjes?" + +"Hier, paatje," kwam er een stem uit het grasveld. "Ik zit in de +zon voor mijn natte broekspijp en Bobbie maakt een krans voor ons +sneeuwwitje." + +"Wel verbazend, jullie hebt het maar druk. Maar de tijd voor een kusje +kan er toch zeker wel af." Toen vlogen twee aardige jongens naar hun +paatje toe. "Dag, paatje, dit kusje aan ma brengen en dit aan Bruno, +en dit...." + +"Dank je wel, als ik ze alle weggeef, blijft er voor mij zelf niets +over." + +"U hebt ze toch zelf eerst een poosje mogen houden," zei Bob. + +"Dat is waar ook," lachte vader, "en als poes toevallig op de +muizenjacht is en Bruno maakt een wandeling met vriend Turk, dan houd +ik ze stil zelf, hoor." + +"O, oompje, dan is het goed, dat het geen appelbollen zijn, dan kreeg +u vast een overladen maag," lachte Door. + +"Vind jij appelbollen misschien "onmogelijk" lekker?" + +"Onmogelijk, oompje," zei Door met overtuiging. + +"Hier, meisje, heb je dan wat van mij, dan kun je het geheele +gezelschap op appelbollen trakteeren." + +"Dank u wel, hoera! Kinderen, vanavond zal een regiment appelbollen +zijn intrede in den huize Van Brakel doen." + +"Met het oog op onze logetjes vind ik beter de appelbollenpartij tot +morgen uit te stellen," zei moeder. "De kleuters moeten vanavond niet +te laat naar bed." + +"Dus morgen, heerlijk," zei Nel. + +"Maar Bob, wat doe je toch?" vroeg Door. + +Bobbie, voorover in het gras liggend, zat Julia aandachtig te +bestudeeren. Al een paar keer had hij moeite gedaan haar oogleden +op te lichten, zoodat poes, wie deze handtastelijkheden blijkbaar +danig begonnen te vervelen, bedaard Bob den rug toekeerde, langzaam, +met deftige passen, om het perk met viooltjes heen stapte en toen op +eenigen afstand van haar kleinen plaaggeest ging zitten. Ze kneep +haar beide oogjes toe tot op een kiertje, vleide haar staartje met +het grappige zwarte puntje keurig langs haar voorpootjes en bleef +zoo in diep nadenken verzonken. + +"Effentjes kijken, hoe laat het is," antwoordde Bob. + +"Hoe laat het is. Denk je dan soms, dat onze Julia een horloge draagt?" + +"Jaap zegt," zei Bob, "dat de oogen van een poes net klokjes zijn; +je kunt er op zien, hoe laat het is." + +"Ja," zei Hans, "Jaap zegt: als 't pilletje in zijn oogen als een +recht streepje omhoog staat, is het twaalf uur." + +"Het pilletje? O, de pupil," gierde Door. + +"Nel, Dolf en Leni, hoort eens, wat onze logetjes vertellen. O, +"onmogelijk" leuk!" + +"'t Is maar jammer," zei Dolf lachend, "dat de poesjes zelf zoo weinig +pleizier van hun horloge hebben." + +"Maar 't is nu zeker al veel later," zei hij, naar Julia kijkend, +die nu het heele troepje met haar ernstige oogen zat op te nemen. + +"Het pilletje lijkt in 't geheel niet op een recht wijzertje. Kijk, +'t is een klein, zwart balletje." + +"Ja," zei Hans, "hoe laat zou het nu wel zijn? Misschien wel tien +uur. Kijk eens, Bobbie." + +Bobbie knikte, hij wist het niet precies. Hij vond het een moeilijk +geval. + +"Tien uur is het gelukkig nog niet," zei Nel. + +"We kunnen nog best een spelletje doen. Zullen we verstoppertje doen +met verlos?" + +"Ja, best! Wie doet er mee?" + +"Ik, ik," klonk het van alle kanten. + +"Eerst er om raden, wie zoeken mag," stelde Door voor. "Ik zal wat +uit mijn zak nemen. Wie het aantal raadt, mag zoeken." + +"Mag?" lachte Dolf. "Zoeken is toch geen pretje?" + +"Nu _moet_ dan," verbeterde Door. "En als niemand het raadt, ben ik +de ongelukkige. Nu?" zei ze, nadat ze iets uit haar zak had genomen +en Nel haar hand voorhield. "Hoeveel raad je? een, twee, drie, vier, +vijf of zes?" + +"Drie." + +"En Leni?" + +"Twee," zei Leni, na zich een tijdje bedacht te hebben. + +"En onze loge's?" + +"Moeten we beiden hetzelfde raden?" vroeg Hans, die nooit zoo'n +spelletje had mee gedaan. + +"Neen, ieder mag op zijn beurt raden, maar als Hans het raadt, +helpt Bob zoeken en als Bob zoo knap is, Hans. Want zoeken is lang +niet gemakkelijk." + +Gelukkig voor Hans en Bob waren ze geen van beiden zoo knap. + +"Dolf, nu staat het tusschen ons beiden," zei Door. "Natuurlijk raad +jij het, dat moet je voor je zusje over hebben." + +Dolf lachte. "Neen hoor, zoo lief ben ik niet. Vier." + +"Mag ik je deze vier dingetjes laten zien als bewijs, dat je getoond +hebt toch wel zoo'n lief broertje te zijn?" zei Door, Dolf vier +knikkers voorhoudende. + +"Maar Door, wat doe jij met knikkers in je zak?" lachte Nel. + +"Je weet," zei Door, "dat mijn zaakjes nu eenmaal veel van stuivertje +wisselen houden. Mijn mesje en mijn beurs ben ik al drie dagen kwijt en +daarvoor in de plaats loop ik al meer dan een week met deze knikkers in +mijn zak. Hoe ik er aan kom, weet ik werkelijk niet," zei ze lachend. + +"Ik begrijp het best," zei Nel. "Jij hebt die knikkers zeker ergens +zien liggen en omdat je er nu eenmaal niet van houdt, dat zulke +dingen rondslingeren, heb je ze in je zak gestoken, erg netjes, +dat moet ik zeggen." + +"En ik ben het slachtoffer van Doors opruimmanie," zei Dolf. "Nu, +ik ga tellen. Als ik vijftig roep, moet jullie verstopt zijn. Jullie +moogt je alleen in den tuin verstoppen, niet in huis." + +"Een, twee," telde Dolf. + +Ieder vloog een kant uit. Hans en Bob stonden wel wat verlegen. "Kom +maar met mij mee," zei Door tot Bob. "Ik kruip achter dezen struik, +ga jij achter dien staan." + +"O, Door," riep Bob verschrikt. + +"Wat is er?" fluisterde Door, omkijkende. "O, maar Bobbie, hoe is 't +mogelijk! Ben jij in Dolfs rooverhol gezakt? Je hadt warempel je beenen +wel kunnen breken. St, houd je maar stil en kruip er zoo diep mogelijk +in. 't Is het mooiste verstopplaatsje uit den geheelen tuin. Als Dolf +dezen kant uit komt, moet je je goed bukken, dan vindt hij je nooit, +eenig. Hoor Fox eens opgewonden zijn, zeker, omdat hij ons zoo hard +heeft zien loopen, daar kan Fox nu eenmaal niet tegen. Als hij ons +nu maar niet verraadt. Stil, Dolf komt dadelijk zoeken. Je zit daar +wel leuk, hoor." + +"Vijftig!" riep Dolf, "Ik ga zoeken." + +Geen antwoord, ieder had zeker een plaatsje gevonden. + +"Stil toch, Fox en loop niet zoo om mijn beenen, bedaar toch wat." + +Maar Fox had hierin in het geheel geen lust. Als een dolleman vloog hij +den tuin door, toen eenige malen langs het kippenhok, zoodat de arme +dieren het bijna bestierven van angst. Daarna zou hij met een vaart +in huis, maar werd bijtijds door Kee, met een "hallo marsch, je niet +hier verstoppen," den tuin weer ingejaagd, zoodat hij ten laatste, +moe van het gedraaf, een middagdutje in het grasveld ging doen. + +Dolf zocht en zocht, maar durfde zich bijna niet van den boom begeven, +bang, dat de een of ander uit zijn schuilhoekje te voorschijn springen +en naar de verlosplaats loopen zou, om het hem af te winnen. + +"Leni, jij staat achter het kippenhok, een, twee, drie, verlos," +riep hij. + +"Nel, neen Door, daar bij het prieel! kom maar voor den dag. Ik ken +je aan je hoed." + +"Hoera, voor 't vogelnestje," juichte Nel en kwam met Doors ingedeukten +hoed achter het prieel vandaan. "Gefopt." + +"Dat is flauw," zei Dolf teleurgesteld. "Wie kan dat nu ook denken." + +"Ja, zoo'n slim zusje heb je nu," lachte Nel, "wees maar blij." + +"Nu Door en de tweelingen nog." + +"Een, twee, drie verlos!" riep Door, toen Dolf juist den anderen kant +was opgeloopen. + +"Dat heb ik je lekker afgewonnen. Wat heb je dat mooi bedacht," zei ze +lachend tot Nel. "Waar mijn vogelnestje toch al niet dienstig voor is." + +"Kom, Dolf, nu de tweelingen nog," zei Nel. + +"He," zei Dolf lachend tot Kee, die gedurende de verstoppartij geheel +tegen haar gewoonte in al dien tijd op de waranda was blijven staan +kijken. "Mij dunkt, je hebt eenige rokken extra aangetrokken van +morgen. Je schort staat heelemaal uit." + +"Ja," zei Kee lachend, "een rok heb ik aangetrokken, omdat het de +eerste vacantiedag is en een, omdat Bob en Hansje gekomen zijn." + +"Die Kee, die Kee," proestten Nel en Door. "Of je gelijk hadt? Zoo'n +dubbele feestdag mag wel met een paar extra rokken gevierd worden." + +"Maar ik moet nu eigenlijk weer aan het werk. En dan is mijn +feestgewaad mij wel wat lastig." + +"Ja, dat wil ik wel gelooven," zei Dolf. "Wiens neus voel ik door Kee's +schort heen? Mij dunkt," zei hij, de schort wat op zij schuivende, +"mij dunkt, die van Hansje Pansje." + +Hansje schaterde het uit. "Was het geen mooi plaatsje? Je kon mij +toch bijna niet vinden, he?" + +"Neen, hoor. Wie heeft dat wel zoo mooi bedacht?" + +"Kee," zei Hans. + +"Ik moet nu gauw naar het eten gaan kijken. 't Is maar goed, dat +hier niet elken dag zoo'n verstoppartij is," zei Kee en liep haastig +naar binnen. + +"Maar waar zou Bob nu zijn?" zei Dolf. "Die heeft zich een bijzonder +mooi plaatsje uitgezocht, dunkt me." + +"Ja," zei Door, "je moet maar goed zoeken." + +Dolf keek achter elken struik, bij het kippenhok, in het prieel, +tot hij op eens, achter in den tuin gekomen in lachen uitbarstte. + +"Komen jullie toch eens hier," riep hij. "O Bob, blijf zoo stil zitten, +ze moeten je allemaal zoo eens zien." + +Nel en Leni proestten het uit, toen ze Bob in den grooten kuil +zagen zitten met alleen zijn bovenlijf er uit. Hansje klapte in de +handen. "O, Bobbie, wat een mooi plaatsje." + +"Kom er maar gauw uit, kleine vent," zei Dolf en gaf Bob een hand. + +"Ik stapte op de takjes en zakte op eens naar beneden," legde Bob +triomfantelijk uit. + +"Je mag wel gauw je kuil dicht maken," zei Nel, "voor er ongelukken +gebeuren." + +"Ja," zei Dolf, die zich wel wat schuldig voelde. "Ik was dien +overdekten kuil heelemaal vergeten." + +"Ziezoo," zei Door, "nu weer een nieuw spelletje. Dolf, jongen, +je moet weer zoeken." + +Wat hadden allen een pret! + +"Och, kijk toch eens Bobbie, wat dikke kanaries," riep Hansje verbaasd, +toen hij voorbij het kippenhok liep en juist zou hij aan Door vragen, +of hij eens eventjes een in de hand zou mogen hebben, toen ze geroepen +werden, om te komen eten. Vroolijk holde het troepje naar binnen. + +"O, wat een bestorming, als je blieft eerst voeten vegen," zei Moeder. + +"Hansje Pansje glaasje melk omgesmijt, he Mammi?" begon Fritsje weer, +toen hij Hansje zag. + +"Ja, ja," lachte Ma. + +"Mogen we na het eten de kanaries eens zien?" vroeg Bob, zoodra hij +aan tafel zat. + +"O ja, de kanaries," riep Hansje opgetogen. + +"De kanaries?" vroeg moeder verwonderd. + +"O, zulke dikke, tante. In het kippenhok zijn ze, he Bob?" zei Hans +vol vuur. + +Moeder lachte. "O, nu begrijp ik het." + +"Na het eten gaan onze logetjes een, twee, drie naar bed," zei +vader. "Die kleine kanaries moeten nu ook slapen, anders kunnen het +nooit groote worden. Maar morgen vroeg, als haantje kukelekaantje +jullie wakker heeft geroepen, dan maar gauw je kleertjes aan en den +tuin in." + +***** + +"Een, twee, drie, instappen," zei Nel, toen ze een uurtje later Hansje +had uitgekleed en in bed tilde. + +"Wacht, eerst even bellen," zei Bob en greep een tafelbel, waarmee hij, +voor Door dit verhinderen kon, luid ging bellen. + +Kee kwam verschrikt naar boven vliegen. + +"Och, lieve tijd, wat is hier te doen?" riep ze. "Toch geen ongeluk +gebeurd?" + +"Gauw instappen, de trein gaat dadelijk weg," zei Bob tot Keetje, +niet begrijpende, dat hij haar zoo had doen schrikken. + +Kee, die eerst van plan was boos te worden, omdat hij haar voor niets +naar boven had laten komen, kon toch haar lachen niet bedwingen bij +het gezicht van die twee grappige broekemannetjes. "Tuut," riep ze +en zette den kleinen Bob in bed. "Goeie reis, hoor, goeie reis," +en met haar zakdoek wuivende verdween ze. + +Nel en Door gierden het uit. + +"Dumderdedumderdedum," en vier kleine voetjes trappelden, dat het +geheele bed schudde. + + * * * * * + +"Het zal mij benieuwen, of die dreumesjes gauw den slaap zullen +vatten," zei Nel, toen ze beneden in de huiskamer kwam. + +"'k Zal eens kijken, of ze slapen," zei Door een kwartiertje +later.--"Als roosjes, hoor!" kwam ze terug. + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +ARME HANS EN BOBBIE. + + +"Zullen wij den haan maar gaan roepen?" vroeg Hansje den volgenden +morgen. Hij stond met Bob voor Dora's bed. + +"Wat zeg je?" vroeg Door slaperig. + +"'t Haantje heeft ons niet geroepen, het is misschien ziek," +zei Bobbie. + +Nel lag te schudden in bed. Op eens begon ze te zingen: "Op, gij +meisjes en gij knapen, kukeleku! 't is uit met slapen," en sprong +het bed uit. + +"O, ik wou dat er geen hanen en geen Hansjes en Bobbies waren," +zei Door, half brommig, half lachend. + +"Op, gij meisjes en gij knapen, kukeleku! 't is uit met slapen," +zong Nel weer en wilde Door uit het bed trekken. "Toe, jongens, +jullie aan den anderen kant; wacht, daar komt Leni ook aan. Heisa, +hopsa!" Door stond buiten het bed. + +"Ik weet wel," zei Door, "dat ik vanavond niet naar bed ga, dan behoef +ik er morgen vroeg ook niet uit te komen." + +"Of je gelijk hebt. Dat is, geloof ik, nog het allerbeste voor +jou. Jongens, loop hier nu maar een beetje in je hanssopje rond. Zoodra +we klaar zijn, zullen we je helpen. Of ben jullie misschien zoo knap, +dat je je alleen kunt aankleeden?" + +"De kousen kunnen we wel aantrekken en de schoenen ook, maar ze dicht +maken, dat doet Maatje altijd." + +"Mooi zoo, haal jullie je kleeren en begin maar vast." + +Bob en Hansje togen ijverig aan het werk. + +"Och, kijk eens, dat kousje doet zoo raar," zuchtte Bob met een +vuurroode kleur van inspanning, nadat hij al een heelen tijd bezig +was geweest. + +"O, de hiel!" schaterde Leni. "Kijk, die zit boven op den voet. 't +Lijkt wel een leeg geldzakje. Wacht, ik zal je wel helpen." + +Door, Nel en Leni hadden het druk met de logetjes. 't Werd een +wedstrijd, wie 't eerst klaar zou zijn. + +"'k Zou juist zeggen, mijn schortje is zeker weer op de wandeling," +zei Door, die overal naar dit kleedingstuk had gezocht, "maar neen, +hoor, 't ligt kalm onder mijn handdoek. Toch grappig, dat al mijn +spulletjes altijd zoo'n lust hebben om van 't eene plaatsje naar +'t andere te verhuizen." + +"En dat ze jou nooit vooraf vertellen, waarheen ze gaan," plaagde Nel. + +Eindelijk waren allen aangekleed en ging ieder met een keurige +"vacantie-kuif", zooals Leni 't noemde, naar beneden. + +"Goeden morgen, goeden morgen!" klonk het vroolijk, toen 't vijftal +de huiskamer binnen kwam stormen. + +"Wel verbazend, kinderen, wat ben jullie vroeg," zei vader, "zoo mag +ik het zien." + +"Zullen we nu eerst even 't haantje roepen?" vroeg Hans. + +"'t Haantje roepen?" + +"Zou het ziek zijn, oom?" vroeg Bob. + +"Waarom ziek, kleine man?" + +"'t Haantje heeft ons niet geroepen." + +"En hoe komen jullie dan zoo vroeg?" + +"Bobbie en Hansje hebben voor haantje gespeeld. Ze hebben Dora wakker +gemaakt," zei Nel. + +"Ik was nog zoo "onmogelijk" slaperig." + +"Als jullie je boterham op hebt, moet je maar eens kijken, of het +haantje wakker is," vond moeder. + +"Kijk toch zoo'n bedelaarstertje eens," zei Nel, toen Julia zacht +miauwend achter op haar stoel sprong en voortdurend met haar kopje +tegen Nels arm duwde. + +"Zij wil verven, zij wil verven," riep Bob; "kijk, ze gaat met haar +staart over mijn gezicht." + +"Goed, dat er geen verf aan zit." + +"Ja, voor den staart en voor Bobbies neusje." + +"Jaap zegt, dat zijn poesje geverfd is, dat is heelemaal bruin, behalve +zijn borst en zijn pooten. Bobbie en ik hebben het eens met een spons +gewasschen, maar er kwam heelemaal geen verf aan de spons en toen heb +ik mijn vinger nat gemaakt en over zijn kopje gestreken en afgelikt, +maar het proefde in 't geheel niet naar verf en de schutting wel, +toen Jaap die geverfd had. Bobbie en ik hebben daar eventjes aan +gelikt, niets lekker, hoor!" + +"Brr," zei Hansje en trok bij de gedachte nog een vies gezicht. + +Allen schaterden het uit. + +"Vader zei, dat het niet geverfd, maar zoo geboren was." + +"Of vader gelijk had!" + +"Julia houdt in 't geheel niet van zoo'n waschpartij. Was dat poesje +niet boos, krabde ze niet?" + +"Wel een beetje, maar Bobbie en ik hebben haar toen stijf +vastgehouden." + +"Arm poesje. Lieve Hansje en Bobbie," ging Door grappig ernstig voort, +"zie je onze Julia?" + +Bob en Hans knikten. + +"Zie je dat keurige witte overhemdje, dat zwarte snuitje, dat grappige +staarte-puntje?" + +Weer knikten Hans en Bobbie. + +"Toen onze deftige Julia nog een heel klein Juliaatje was, had +ze al datzelfde grappige staarte-puntje, datzelfde zwarte snuitje, +datzelfde witte overhemdje. Onze Julia is zoo geboren. Begrijp jullie +mij goed? Onze Julia is zoo geboren," herhaalde ze. "Onze Julia is +dus niet geverfd. Ik zeg jullie dit alles, dat jullie haar morgen +of overmorgen ook niet in een badkuip zult stoppen, of met je lieve +vingers zult gaan belikken." + +Een schaterend gelach ging op en Dolf, die juist binnen kwam, riep: +"leve onze Dorus, leve onze Julia!" + +En Fritsjes lief stemmetje klonk hier tusschen door. "Julia een lief +poesje, he, mammi?" + +Julia, die blijkbaar verlegen werd onder zooveel lof, haar door Dora +toegezwaaid, liet zich zacht van Nels schouder glijden en zocht een +plaatsje op den hoek van den schoorsteenmantel. + +"Mogen we nu de kanaries eens zien?" vroeg Bob, toen 't ontbijt +was afgeloopen. + +"Wel zeker, wel zeker, kom maar mee," zei Nel. + +"Neen, Foxje, jij kunt niet mee, je zoudt de geheele kippenfamilie +angstig maken. Kijk, Leni is alweer bezig haar kippetjes te +trakteeren." + +"Hij is toch wel wakker?" zei Bob verwonderd en wees naar den haan. + +"Ja, ja, ik geloof ook wel, dat hij jullie geroepen heeft; maar toen +lag jullie nog op een oor en heb je hem niet kunnen hooren." + +"Dan zal ik morgen eens op geen oor gaan liggen," dacht Bob bij +zich zelf. + +"Zie Slokop weer eens begeerig zijn," zei Nel, "vooruit, jou +deugniet." Met een stok duwde ze de zwarte kip weg. "Zal ik nu eens +zeggen, hoe deze kanaries heeten? Kuikentjes. Het zijn kindertjes van +die groote zwarte kip, die lekkere kruimeltjes voor haar kuikentjes +bewaart. De gele daar heet Asschepoes, de andere hanen en kippen +zijn niet aardig voor haar. Kijk die ondeugende Schoorsteenveger en +Wafelbakster eens, die trekken haar aan den staart," en Nel deed alle +moeite, Asschepoes van een witte kip en een zwarten haan te bevrijden. + +Bob en Hans hadden pret voor tien om al die mooie namen. + +"En hier heb je de dwergjes," zei Leni. "Vind jullie het geen dotjes?" + +"Leggen die kuikentjes ook eitjes?" vroeg Hans, die zijn oogen niet +van de diertjes af had. + +"Mag ik zoo'n kuikeneitje?" + +"Neen, de kuikentjes leggen nog geen eieren; als ze groot zijn wel +en dan komen soms uit die eitjes weer heele kleine kuikentjes, o zoo +beeldig. Wafelbakster en Asschepoes zijn ook zulke aardige kuikentjes +geweest en kijk het nu eens groote kippen zijn." + +"Hier heb je ook nog een kuikentje," lachte moeder en zette Frits op +Nels hoofd. Frits kraaide het uit. + +"Hij is geen kuikentje, maar een kraaiend haantje," lachte Nel. "Kom +hier, Haantje kukelekaantje," en zij nam Frits op den arm. "Nu weet +ik een mooi spelletje," zei ze. "We zetten Fritsje in den ouden +kinderwagen, Dolf wordt zijn paard en Leni koetsier. Bob en Hans +komen in de sportkar. Dora is hun paard en ik word koetsier." + +Het geheel leek wel een optocht. Als de stoet bij vader en moeder, +die op de waranda zaten, voorbijkwam, wuifden zoowel passagiers +als publiek. + +"Niet zoo wild rijden, niet zoo wild!" had vader juist geroepen, +toen op eens, doordat Dora de bocht te kort nam, de sportkar omsloeg +en Bob en Hansje er uit en in 't gras vielen! Groote ontsteltenis! +Vader, moeder en Keetje kwamen dadelijk aanhollen, want beide logetjes +hieven een erbarmelijk geschrei aan. Bobbie bloedde vreeselijk uit zijn +neus en had zijn voorhoofd bezeerd en Hansje Pansje riep maar steeds: +"O, mijn voetje doet zoo'n pijn." + +Ma droeg hem en vader Bobbie naar binnen. Hans werd op de canape +gelegd, waarna moeder hem den schoen uit trok. Bob kreeg koude +compressen op zijn neus. Door, die zoo wit als een doek zag, wilde +dadelijk om den dokter gaan, maar vader vond beter nog een poosje te +wachten. Gelukkig bedaarde het bloeden. Hansjes voet was blijkbaar een +beetje verstuikt. 't Was wel een ongelukkig gezicht, de twee vroolijke +kaboutertjes daar zoo te zien zitten met dikke tranen op de wangen: +Bob met een compres op den neus en Hans met zijn voet op de canape. + +"Dat is een treurig begin van zoo'n vroolijken dag," zei vader. + +"Stil maar, jongens," troostte Door, "vanavond krijgen jullie heerlijke +appelbollen." + +"Jullie weet niet, hoe goed die voor bloedende neuzen en verstuikte +voeten zijn," zei Dolf. + +"En voor alle menschen, die geschrokken zijn. Och, lieve tijd, ik +beef er nog van in mijn beenen," klaagde Nel. + +"Kijk eens," en Leni kwam met in iedere hand een grappig klein eitje, +"is dat nu niet lief van mijn krielkipjes Snoetie en Toetie? Ze +zijn dadelijk aan het leggen gegaan, toen ze hoorden, dat jullie zoo +gevallen waart." + +Bob en Hans lachten door hun tranen heen. + +"Als ik wist, dat Toetie of Moetie".... + +"Snoetie, paatje." + +"Och, jij ook met je namen altijd. Nu, als ik wist, dat Snoetie voor +mij ook zoo'n lekker eitje wilde leggen, dan zou ik ook wel zoo'n +buiteling uit de sportkar willen maken." + +"Oompje in de sportkar," lachte Hans. + +Daar kwam Kee de kamer in stormen. Kee stormt altijd, langzaam loopen +kan ze niet, want Kee heeft altijd haast. "Kijk eens," zei ze en bracht +Hans en Bob ieder een schoteltje roode bessen. "Hoe vinden jullie +dat? Als je die op hebt, ben je, dat durf ik wedden, weer geheel +beter. Heb ik ze niet keurig gerist? Ik moest eigenlijk mijn kachel +poetsen, maar nee, dacht ik, eerst zal ik die wurmen een verfrisschend +hapje brengen. Door of Nel moeten er maar wat suiker op strooien. Kom, +die leelijke tranen neem ik mee naar de keuken," zei ze en veegde, +wel een beetje hardhandig, Bob en Hansje de tranen af. En voor de +beide jongetjes nog iets hadden kunnen zeggen, was Kee verdwenen. + +"Heeft jij jouw been gebreekt? Kun je niet meer loopen?" Onderzoekend +keek de kleine Frits naar Hansjes been. + +"Beweeg het eens." Hans deed het heel voorzichtig. + +"Doet het pijn, als jij jouw voetje beweegt?" + +Hans knikte: "een beetje." + +"Ik is niet gevallen," zei hij toen met voldoening. "Mag ik eens zien, +of er nog bloed uit jouw neusje komt?" vroeg hij, vol belangstelling +naar Bobbie kijkende. + +Bobbie deed even den zakdoek voor den neus weg. + +"O, mammie!" Fritsje week verschrikt een paar passen achteruit. "O, +mammi, allemaal rood op Bobbies zakdoek!" + +"Kom maar gauw hier, mijn kereltje", zei ma. "Hans en Bob zullen wel +gauw weer beter zijn." + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +DE APPELBOLLENPARTIJ. + + +"Een brief, een brief!" Met deze woorden kwam Door eenige uren later +de kamer binnenstormen. + +"Voor wie?" klonk het als uit een mond en Nel strekte haar hand al +verlangend uit. + +"Mis, juffertje. Hij is voor Bobbie en Hansje." + +"Een brief, o Bobbie, zeker van maatje." + +"Of van vader, want paatje heeft ons er eentje beloofd." + +Door moest den brief laten kijken. + +"Ook een postzegel er op?" + +"Ja, 't is geen kleinigheid," lachte Nel, de verrukte gezichtjes +ziende. + +"Zal ik hem voorlezen?" vroeg Door. + +"Begin maar gauw," riep Hans. + +"Ook wat er buiten opstaat," vond Bob. + +"Aan Hans en Bob, gelogeerd bij hun oom, mijnheer Van Brakel te +Westerkerke. + +"Lieve kaboutertjes. De kusjes heb ik gegeven." + +"Van Paatje," zei Bob. + +"Ma," las Door, "op elken wang een. Bruno's snuit heb ik in mijn hand +genomen en Miekies zacht pootje even gedrukt. Jelui weet niet, hoe +stil ma, Bruno, Miekie en ik het vinden, nu onze kaboutertjes er niet +zijn. Bruno zat gisterenmorgen voor jullie slaapkamertje geduldig te +wachten. Ma en ik lieten hem stil begaan. Wij wilden eens zien, wat +hij zou doen. Na een tijd rustig gewacht te hebben, begon hij zacht +te janken. O, het klonk zoo bedroefd en steeds keek hij naar de kruk +van de deur. Daarop begon hij te blaffen en zoowaar aan de deur te +krabben. Toen riep ik hem. "Die ondeugende kaboutertjes! Willen ze de +deur niet open doen?" zei ik. Bruun kwispelstaartte uit alle macht, +liep van de slaapkamer naar mij en van mij naar de slaapkamer, en +keek mij met zijn trouwe, bruine oogen zoo smeekend aan, alsof hij +zeggen wilde: doe nu toch die nare deur open, ik kan toch niet door +'t sleutelgat. "Kom dan maar," zei ik, en toen was Bruun niet te +houden, hij sprong tegen mij op, likte mijn handen en blafte, dat +hooren en zien je verging. Met een vaart rende hij de slaapkamer in, +maar bleef op eens verbaasd staan, toen hij die leeg vond. Alles werd +besnuffeld, hij begreep er niets van. Zijn mooie pluimstaart, die even +te voren nog zoo vroolijk wapperde, hing nu sluik neer. "Arme hond, +zijn ze weg?" zei ik. Nog eens liep hij de kamer rond, snuffelde onder +'t bed en liep toen langzaam naar de huiskamer. + +Ma troostte hem met een stukje hondekaak en een hompje kaas. Na +'t ontbijt zijn ma en ik een flinke wandeling met Bruno gaan doen. + +Ma wilde Miekie, geloof ik, ook wel mee hebben, omdat ze het zoo +stil vond zonder haar ventjes, maar dat ging natuurlijk niet. Toen we +den hoek van de straat omsloegen, kwamen we Pollo tegen. Dat was een +vroolijke ontmoeting tusschen Bruun en hem. 't Was, alsof ze elkaar +in jaren niet gezien hadden. Daarna liepen ze een tijdje rustig naast +elkaar. Het scheen wel, dat Bruno vertelde, dat jullie weg waart en +ik denk, dat Pollo hem zoo goed mogelijk getroost heeft, tenminste +even later renden ze uitgelaten over 't weiland. De schapen, die daar +liepen, wisten zich van angst niet te bergen. Een klein lammetje +drukte zich stijf tegen zijn moedertje aan en blaatte zoo innig +bedroefd. Daar vloog Pollo over een sloot, Bruun hem achterna. En toen, +o mijn kaboutertjes, als jullie dat gezien hadt! Pol stond aan den +kant van de sloot juist eventjes uit te blazen, met de tong uit zijn +bek, want geloof maar, dat hij moe was, toen een dikke kikker, zeker +door Bruno opgejaagd, boven op Pollo's tong sprong. Ma en ik wisten +werkelijk niet, wat er gebeurde, zoo'n spektakel maakte Pollo op eens. + +Hij rolde zich om en om op 't gras, de vier pooten in de hoogte, +en het had niet veel gescheeld, of hij was in de sloot gevallen. Nu, +zoo'n bad was misschien wel goed geweest voor den schrik." + +"O, die kikker," schaterde Dolf. "Hij zag Pollo's tong voor een +rozeblaadje aan." + +"Ja, of voor een vischje," lachte Nel. + +"O, eenig, eenig!" proestte Door. "Maar stil, laat mij nu verder +lezen." + +"Na dit kikker-avontuur waren onze wandelgenootjes kalm en gehoorzaam. + +En hoe Miekie het maakt? Ik geloof, dat ze vast van plan is jullie +een briefje te schrijven en ze mij de kunst nu wil afzien. Viermaal +heb ik haar al van dit velletje postpapier afgezet, maar telkens komt +zij weer terug, zoodat ik haar nu maar laat zitten. 't Is een klein, +nieuwsgierig poesje en jullie weet, als Mieke eenmaal een plannetje +heeft, dan laat zij dit niet varen. + +Op dit oogenblik loert ze op mijn penhouder. Steeds gaat haar kopje +van links naar rechts. O wee! een letter met drie krullen, dat is +Miekies schuld: die wilde met haar pootje den penhouder grijpen. 't +Is maar goed, dat mijn praatje uit is. Het zal mij eens benieuwen, +wanneer zij jullie gaat schrijven, maar dan ga ik er ook bij zitten, +dat weet ik wel, die deugniet!" + +"Dan gaat oom zeker ook op het postpapier zitten," lachte Dolf. + +"Heel veel kusjes van moes, van Bruno een poot, van Mieke een hoogen +rug en duizend kusjes van paatje. + +Hoe hebben de appelbollen gesmaakt? En vraag aan Leni, of de +dwergjes nog bedroefd zijn. Vooral de groeten aan oom, tante en +alle kindertjes." + +"Is hij nu uit?" vroeg Bob. + +"Ja, is het geen onmogelijk lange brief?" + +Door moest den brief nog eens en nog eens voorlezen, vonden Leni, +Bob en Hansje. Op 't laatst kenden ze hem bijna van buiten. + +"Boven aan het blaadje staat het verhaal van den kikker, he +Door?" vroeg Hans. + +"En daar onder-aan dat van Mieke?" + +"Mammi, waar is de kikker nu?" vroeg Fritsje. + +"Ik denk, dat hij nu weer vroolijk door het water springt of over +'t land. Och, och, wat zal dat arme kikkertje geschrikt zijn, toen +het zag, dat het verdwaald was." + +"En hoe verdwaald!" lachte Dolf. + +"'t Was maar goed, dat Pol geen ooievaar was, want die had het +kikkertje stellig opgepeuzeld." + +"Brr!" Fritsje schudde zijn krullebol. "Ik vind kikkers niet lekker, +Mammi wel?" + +"Neen hoor, ik eet liever appelbollen." + +"En ik, en ik," riepen Leni en de anderen. + +"Hoera! Vanavond appelbollenpartij!" + +"En hoe is 't nu met de patientjes? Zouden jullie vanavond wel trek +hebben in een appelbol?" vroeg mevrouw Van Brakel. + +"Mijn voetje doet bijna niet meer zeer, heusch niet." + +"En mijn neus, kijk, er komt geen droppel meer uit." + +"Dat dacht ik wel," zei Door. "Brieven zijn zoo goed voor verstuikte +voeten en bloedende neuzen." + +"Ja, en vooral zulke lange," lachte Nel. + +"Ramplamplan, daar komen wij an. We hebben geen schoenen of kousen +meer an," kwam Dolf dien avond de kamer instappen, een groot bord +met appelbollen op zijn hoofd balanceerende. + +"O, jongen, denk om het porseleinen bord," riep mevrouw Van Brakel. + +"En om onze heerlijke appelbollen," lachte pa. "Als ze over den grond +rollen, wil niemand ze meer hebben." + +"Ik wel, ik wel," riepen Leni, Hans en Bob. + +"Dan zal ik ze maar gauw neerzetten," zei Dolf, "want als jelui in +dat geval alle appelbollen samen op ging peuzelen, dan hadden we +morgen drie zieke kinderen, en dat zou wel zonde en jammer zijn van +de heerlijke vacantie." + +"Hoera voor de vacantie!" riep Nel en stak een oogenblik later een +appelbol op haar vork in de hoogte. + +"Hoera voor oom Karel!" juichte Door en deed hetzelfde. + +"'t Lijkt wel, dat er wijn in de appelbollen zit, zoo opgewonden +worden jullie," zei vader. "Ma, geef me nog maar eentje: die dingetjes +smaken uitstekend." + +"Ja, ze zijn onmogelijk lekker," beaamde Dora. Hans, Bob en Leni +hadden het veel te druk met hun bol om iets te zeggen. + +"Komt, kinderen, het klokje van gehoorzaamheid heeft geslagen," +zei moeder, en een half uur later: "Fritsje ligt al lang in bed." + +"Fritsje is ook nog zoo klein," zei Hans. Hij vond het zeker wel wat +kinderachtig, bij Fritsje vergeleken te worden. + +"Ja zeker," lachte ma, "maar ik geloof toch, dat het zandmannetje al +even bij Hansje Pansje op bezoek is geweest." + +Een oogenblik later werden Leni en de tweelingen door Nel en Door +naar bed gebracht. + +"Kijk eens even, of het kussen ook tegen mijn ooren aankomt," zei +Bobbie tot Door, die hem had uitgekleed. + +"Tegen je ooren?" vroeg Door verwonderd. + +"Ja, kun je ze goed zien?" + +"Niet zoo heel goed," lachte ze, "ze spelen zoo'n beetje verstoppertje, +dunkt me." + +"Zou ik den haan zoo dan niet kunnen hooren?" + +Toen barstte Door in lachen uit. "O, wacht maar eens," en ze drukte +het kussen flink plat, zoodat heel Bobs bolletje als een kaatsbal +boven op het kussen kwam te liggen. "Nu maar goed luisteren morgen +vroeg. Wel te rusten, kindertjes." + +"Toe, Nel, ben je nu nog niet klaar?" bromde ze. "Je bent een echte +treuzel." + +"Ik moet nog even Hansjes pakje opvouwen." + +"Wat valt er nu aan zoo'n jongenspak op te vouwen? Ik heb Bobbies +kleeren...." + +"Ja, hoe jij Bobbies kleeren opbergt, daar weet ik alles van: Hij +heeft gisteren den geheelen dag met een kouseband geloopen. Waar die +andere nu weer is, begrijp ik niet." + +"O, ja, eenig," gierde Dora. "Verbeeld je, Bob had er twee aan zijn +rechterbeen. Of ik zijn spulletjes ook goed opberg, he?" + +Nu moest Nel toch ook lachen en gearmd gingen beiden naar beneden +naar de huiskamer. + +"Alweer een dagje om, ma," zei Nel, toen ze dien avond met Door naar +bed ging. + +"Ja, ja, vrouwtje, maar er komen er nog veel, moet je maar denken." + +"En als dan het zonnetje van binnen en van buiten schijnt, dan zingen +we," zei vader lachend: "'t Is vacantie, 't blijft vacantie...." + +"Hoera, vacantie boven!" vielen Door en Nel in. + +"Nacht vader, nacht moes!" En zingende gingen, ze naar boven. + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +DE VERDWAALDE DWERGJES. + + +"Er zijn dieven," fluisterde Nel aan Doors oor, want hard praten +durfde ze niet. + +Door, nu op eens wakker, zat kaarsrecht in bed. + +"Hoor je 't?" fluisterde Nel. + +Door knikte. De angst benam haar bijna den adem. + +"Zullen we vader en moeder roepen?" fluisterde Nel weer. + +"'k Durf niet," kwam bijna onhoorbaar uit Doors mond. + +"Ik ook niet," klonk het wanhopig naast haar. + +"Luister eens. 't Is precies, of ze met sleutels rammelen," zei ze +en kneep Door van angst in den arm. + +"Ik durf onmogelijk opstaan," kermde Door. "Mijn mooien armband heb +ik gisteren op tafel laten liggen; dien nemen ze natuurlijk mee en +Fritsjes zilveren kroesje en de lepels en vorken! O, 't is vreeselijk," +zuchtte ze. "En mijn ringetje ligt, geloof ik, op den inktpot. Sst, wat +zijn ze nu stil. Misschien steken ze het wel aan een van hun vingers." + +"Het zal hun toch wel niet passen," zei Nel geruststellend. + +"Om de pink wel," snikte Door. + +"'t Is precies, of ze hierheen komen," fluisterde Nel en kroop stijf +tegen Door aan. + +"Maak toch zoo'n leven niet." + +"Konden we maar dood liggen, zooals Foxje." + +Weer was 't even stil in de voorkamer. + +"Ik probeer 't," zei Nel kordaat. + +"Wat?" + +"Ik houd het hier niet langer uit." + +"Nel, hoe durf je! Ik laat je niet alleen gaan," zei Door, toch alles +behalve moedig. + +Heel voorzichtig, met ingehouden adem, liet Nel zich uit 't bed +glijden. Door volgde klappertandend.... + +"De deur staat op een kiertje," fluisterde Door. + +Als twee angstige vogeltjes tegen elkaar aangedrukt, stonden Nel en +Door in de gang en trachtten door de deuropening te kijken. + +"Zie je iemand?" fluisterde Door tot Nel, die vooraan stond. + +"Niemand." + +"Ze zullen onder de canape gekropen zijn." + +"Ik ga eens kijken," zei Nel moedig. + +"Ik zie niemand," zei ze, op haar buik liggende. + +"Kijk eens op 't inktstel naar mijn ringetje." + +"'t Ligt er nog" zei Nel, steeds moediger de kamer rondkijkende. + +"Ligt het er nog?" Door was een en al verbazing. "Hoe is 't mogelijk; +dieven zijn anders dol op goud." + +"Misschien zijn ze boven op de kast gekropen," begon Door weer, +nu half in de kamer staande. + +"Op de kast?" vroeg Nel ongeloovig, terwijl ze voorzichtig het +tafelkleed oplichtte. + +"Ja zeker, op de kast. Als iets weg is, kan het overal zijn, zegt +ma altijd." + +"Je denkt zeker aan je haarlintje of je handschoenen, die ook altijd +zoek zijn. St.--hoor je dat?" Nel stond stijf van schrik. + +Door keek haar met groote oogen aan en durfde geen voet verzetten. + +"Daar hoor ik 't weer," zei Nel, nog steeds op dezelfde plaats +staande. "Maar--maar--ik geloof--dat--ja nu hoor--ik--het--duidelijk," +riep ze opgewonden.... + +"'t Is ... een vogel!" + +"Een vogel?" Door wist niet, wat ze hoorde. "Een vogel?" herhaalde ze +hoogst verwonderd en stond eensklaps midden in de kamer, naar alle +kanten kijkende en luisterende. "Ja, je hebt gelijk, nu hoor ik het +ook en heel duidelijk zelfs." + +"Hij zit stellig in den schoorsteen." + +"Neen, dat geloof ik niet, hij zit in de kachel. Die stumper kan zijn +pret ook wel op." + +"Ja, werkelijk, arm dier," zei Nel. + +"Wat wil je doen?" voeg Door, toen Nel naar het raam liep. + +"Het raam open schuiven; dan kan hij dadelijk naar buiten vliegen. Het +zal wel een verdwaalde kraai of spreeuw zijn." + +"Uitstekend," vond Door. "Nu zal ik het kacheldeurtje open zetten, +let op, een, twee, drie--rustverstoorder." + +Werkelijk vloog een jonge spreeuw er uit, keek even met zijn aardige +glinsteroogjes verbaasd rond, zag het open raam--en was verdwenen. + +"Kom eens gauw kijken, daar zit hij, daar zit hij," riep Nel +opgetogen. "Zie hij 't eens druk hebben en de veertjes glad strijken, +zoo'n ijdeltuitje.--Dag plaaggeest!" + +"Wat een geluk, dat het zomer is en er geen vuile stukken cokes en +asch in de kachel liggen. Wat draait hij met zijn kopje; het heeft +er veel van, dat hij zijn avontuur in geuren en kleuren aan die twee +dikke spreeuwen naast hem zit te vertellen." + +"Dan zullen die twee ouwetjes wel hun kopjes schudden, als ze hooren, +hoe hij ons heeft beet gehad," lachte Door. + +"En jouw netheid zal nog van de daken der huizen verkondigd worden," +zei Nel. + +"Maar kom, ons diefje heeft zijn vrijheid terug; ik kruip nu nog +lekker een paar uurtjes in bed." + +"En ik," zei Nel geeuwend. "Brr, wat een nacht." + +Na een kwartiertje waren beide heldinnetjes in zoete rust. + +Aan het ontbijt vertelden Door en Nel met veel ophef, wat ze vroeg +in den morgen hadden ondervonden en werden braaf uitgelachen. Leni en +de tweelingen zaten met open mond te luisteren en moesten natuurlijk +de kachel van alle kanten bekijken, alsof daar heel wat bijzonders +aan te zien was. En Nel en Door moesten den boom wijzen, waarin de +spreeuw gezeten had. Het drietal raakte niet uitgevraagd. + +"St, zacht loopen," zei Leni dien middag, terwijl ze met de tweelingen +naar den zolder ging. "Kijk, in den koffer zijn de kleeren, geloof +ik. Jullie moet mij eventjes helpen met de doozen, ze zijn zoo +zwaar." Met veel moeite gelukte het hun, met hun drietjes de doos op +te lichten. + +"O, Bob," juichte Hans, toen Leni het deksel van den koffer had +opgetild. "Kijk eens, een rood mutsje en een grijs. En wat is +dat?" vroeg hij, een met zilverpapier beplakte kroon in de hand +houdende. + +"Dat is de kroon, die Nel op gehad heeft, toen ze voor Asschepoes +heeft gespeeld," legde Leni uit. "Maar voorzichtig, jelui moet er nu +niet alles uit halen. Ik zal eerst eens kijken, waar de pakjes van +de dwergjes zijn." + +"O, Leni, worden wij dwergjes?" Hans klapte in de handen van pleizier. + +"Daar heb ik al een pakje; hoe vinden jullie dat?" + +"Is dat voor mij?" + +"Ja, trek je schoenen maar uit, of neen, het pijpje is nogal wijd. Ga +maar op deze kist zitten, dan zal ik je wel even helpen." + +"Zou het niet te groot zijn?" vroeg Hans. + +"Een beetje misschien wel, maar dat is niets. Zulke pakjes zitten +altijd nogal ruim," voegde zij er vertroostend aan toe. + +"Wat mag ik aan hebben?" vroeg Bob, die, met de zilveren kroon van +Asschepoes op zijn aardigen krullebol en een papieren sabel om, +verlangend in den koffer keek. + +"Jij krijgt dat grijze pakje aan; tweelingen moeten toch gelijk +gekleed zijn." + +"O ja dan zal ik mijn sabel zeker maar afdoen." + +"Ja," zei Leni, druk bezig Hansje een rood puntmutsje op te +zetten. "Klaar! Nu, wat zeg je er van? Is 't niet leuk?" Hans knikte +lachend. "Wacht, je moet nog den leeren riem om hebben, die zal ook +wel in den koffer zijn. Hoera, daar is hij al! Jammer, dat hier geen +spiegel is, dan kon je je zelf eens bekijken." + +"Hebben dwergjes dan spiegels?" + +"O, neen, 't is eigenlijk veel beter, dat er hier geen is, want +dwergjes bezitten die niet." + +"Stil, wat is dat? Daar is iemand aan de deur, geloof ik," zei Leni +verschrikt. "Gauw, Hans, kruip achter dezen koffer. Bob, verstop je +gauw." Voorzichtig deed Leni de deur open en verrast bleef ze staan, +toen Julia zacht miauwend met hoogen rug langs haar streek en in twee +sprongen op een koffer stond. + +"O, jou klein, nieuwsgierig poesekopje, om mij zoo verschrikt te +maken! Kom maar weer uit je schuilhoekje, jongens. 't Is Julia en +die verklapt ons niet." + +"Help je mij even? Ik kan niet in de tweede pijp komen." + +"Een, twee, drie, hopsa," zei Leni. "Past het niet mooi? Wacht, hier +is het een beetje te wijd, maar dat is niets, daar komt de ceintuur +over heen. Nu je puntmuts nog. Prachtig!" riep ze opgetogen. "Wat +zullen allen kijken, als jullie beneden komt. Ga beiden nu maar op +deze kist zitten, dan zal ik mij ook verkleeden. Oef, wat is 't hier +warm. Ik zal het raam open zetten." + +"Word jij ook een dwergje?" vroeg Bob. + +"Drie dwergjes," lachte Hans. + +"Maar dat kan toch niet, want dan ben jij een groote dwerg en dwergjes +zijn altijd klein." + +"Zijn er geen groote dwergen?" vroeg Hans. + +"Zijn er nooit pa-dwergjes?" + +"Jawel," zei Leni; "want dwergen dragen immers baarden. O ja, dat is +waar ook, jullie moet ook nog de baarden om hebben." + +En half uitgekleed, zocht ze weer in den koffer. "Ik kan ze nergens +vinden, dat is jammer, maar zoo zijn jullie toch ook mooi." + +Dat vonden Hans en Bob ook. + +"Ik wordt sneeuwwitje," zei ze. + +"Als deze koffer van glas was," zei Hans, "dan moest jij daarin gaan +liggen en konden wij je dragen." + +Leni lachte. + +"St! daar roept ma mij, geloof ik. Hoe jammer!" Haastig trok ze haar +jurk weer aan. + +"Stil blijven zitten, hoor! Ik kom gauw terug." + +'t Was een grappig gezicht, die twee aardige ventjes met hunne roode +puntmutsjes op de kist te zien zitten tusschen allerlei koffers, +doozen, manden enz. + +"O wee, kijk Julia eens," zei Hans even later. "Zij wil, geloof ik, +op het dak gaan en dat mag niet. Juul, Juul, Juul!" riep hij, zoo +hard hij kon. + +"Misschien is zij bang voor ons, omdat we nu op dwergjes lijken." + +"Als ze op het dak komt, gaat ze vogeltjes vangen," zei Hans wanhopig. + +Weer riepen beide kinderen zoo hard ze konden, maar poes stoorde zich +er in 't geheel niet aan en stapte kalm het raam uit. + +Bob en Hans vergaten heelemaal wat Leni gezegd had. Beiden liepen +naar het raam om te kijken, waar poes gebleven was. + +"Zie je haar?" vroeg Bob aan Hans, die 't meest vooraan stond. + +"Ja, ze loopt in de goot." + +"Och, die arme vogeltjes. Als poes ze ziet, eet zij ze op." + +"Wat zou ze doen, ze zit zoo stil als een muisje." + +"O Bobbie, misschien ziet ze al een vogeltje. Ik ga haar in den staart +knijpen. Jaap heeft mij verteld, dat, als je een poes, die loert, +in den staart knijpt, ze het vogeltje of muisje niet kan krijgen." + +"Laten we dan dadelijk gaan. Ze zit nog steeds op hetzelfde plaatsje." + +Beiden stapten toen voorzichtig in de goot. Bob vooraan, voetje voor +voetje, gingen ze op poes af. + +Julia bemerkte eerst niets, maar toen Hans en Bob op ongeveer vier +passen genaderd waren, scheen ze onraad te bespeuren, tenminste ze +verliet haar plaatsje en liep verder. + +"O, Hans, als wij haar nu maar kunnen krijgen," zei Bob half +schreiend. "Stil, daar zit ze weer, misschien heeft ze ons nog niet +gezien. Niet praten," zei hij, toen Bob weer iets wilde zeggen. + +Ondertusschen was Leni weer op den zolder terug gekomen. Ze keek +vreemd op, toen ze de tweelingen niet op de kist zag zitten. + +"Jullie deugnieten, heb je je verstopt?" zei ze lachend. "Ik zal je +wel vinden." Vroolijk zingend ging ze zoeken. "Hans, Bob!" riep ze +eenige keeren, toen zij ze niet vond. + +"Misschien zijn ze in slaap gevallen," dacht ze toen. "Maar dan moeten +ze hier toch zijn. Wat is dat? Julia ook weg? O wee, het raam! Zou +Julia op het dak zijn gegaan?" Op eens kreeg ze een vreeselijken +schrik. "Als-als-de tweelingen...." + +Leni holde naar beneden. "Ma--vader--Bob en Hansje zijn nergens te +vinden en Julia is op het dak." + +"Kom, kom, kleine meid," zei pa, "Julia zal wel gauw terugkomen; +ze vond het zeker frisscher op het dak dan op den zolder. Ze zal zoo +gauw geen ongeluk krijgen." + +"Och ja, maar ... paatje, Hans en Bob zijn er ook niet." + +"Hans en Bob zijn toch geen poesjes, die zijn toch niet op het dak +geklauterd? Kom, kom, vrouwtje, maak je toch zoo angstig niet. De +bengels zullen zich zeker verstopt hebben." + +"Ik heb ze overal gezocht," zei Leni, nu wel een beetje gerustgesteld. + +Ze gingen zoeken boven. Maar toen niemand ze vond, maakte een +vreeselijke angst zich van hen meester. Er was geen twijfel +meer aan. Bob en Hans waren op het dak geklommen en naar beneden +gevallen. Allen zagen lijkwit. Plotseling werd er hevig gebeld +en stonden ze stijf van schrik. Ieder verwachtte nu te hooren, +wat ze zoo zeer vreesden. Kee kwam naar boven hollen en vloog +vader bijna omver, die juist naar beneden wilde. "Ze--ze--" +stotterde ze,--"ze--zitten--daar," en Kee wees met den vinger,--"daar +gunder--op het--dak.--De slagersjongen kwam--het mij--zeggen"--hijgde +ze,--"och, die wurmen, die wurmen! Het--staat--daar vol menschen, de +politie--is er ook, och hemeltje--och, och! Enne, die kan--niet bij +ze--komen, omdat de menschen--die--daar wonen--uit--de stad zijn. Die +stakkers! Wat ze--aan hebben, weet ik niet, maar--ze zien er heel +gek--uit--zegt de slager." + +Allen holden naar beneden. Mevrouw Van Brakel kon van schrik bijna +geen voet verzetten. + +Ja waarlijk, een huis of zes verder zaten boven op het dak, als twee +parkietjes, Hans en Bobbie. + +Intusschen had de politie van de buren den sleutel gehaald en was +een agent naar boven geklommen. Een algemeene kreet van blijdschap +ging op uit de volksmenigte, toen ze den agent op het dak zagen. En +een oorverdoovend hoera brak los, toen hij met Hans, en mijnheer +Van Brakel, die den agent gevolgd was, met Bob weer uit het huis +kwamen. Mevrouw Van Brakel schreide en lachte te gelijk en geen van +hen wist van blijdschap wat te doen. + +"Kindertjes, kindertjes," zei mevrouw Van Brakel, toen men een beetje +van den schrik bekomen was, "hoe kwamen jullie er toch toe?" + +"Heeft ze een vogeltje gepakt, tante?" vroeg Hans. + +"Een vogeltje gepakt? Wie wilde een vogeltje pakken?" + +"Julia," zei Bob, en toen vertelde hij alles. "lederen keer, als ik +haar staart wilde grijpen, liep zij verder en op 't laatst zagen wij +Julia nergens meer." + +"En waarom liepen jullie toen niet terug?" vroeg Nel. + +"Wij durfden ons niet omdraaien. Wij wisten ook heelemaal niet, hoe +ver we geloopen waren." En op eens barstte Hans in een zenuwachtig +schreien uit. + +"O, we waren toch zoo bang." + +"Jullie kleine, domme kereltjes," zei mijnheer Van Brakel +troostend. "Wisten jullie nu nog niet, dat dwergjes op den grond +hooren en niet op het dak?" + +"O, daar heb je de schuldige," zei Door, toen poes de kamer binnen +kwam. "Poesje, poesje, je hebt wat op je geweten. Wat heb jij ons +een onmogelijken angst bezorgd." + +"Ja, gelukkig, dat dit alles nu weer voorbij is," zei mevrouw Van +Brakel. + +"Ter eere van den goeden afloop mag Fritsje een balletje aan onze +dwergjes presenteeren en de andere kinderen mogen mee snoepen." + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +EEN DAGJE BUITEN. + + +"Kinderen," zei mijnheer Van Brakel eenige dagen later, "nu heb ik +een mooi plan. 't Is zulk prachtig weer, wat denken jullie er van, +als we eens een groote wandeling gingen maken?" + +"Heerlijk, leuk!" klonk het van alle kanten. + +"Nu, over een uurtje verwacht ik, dat alles klaar zal zijn, hoor." + +"Meisjes, jullie moet mij dan maar flink helpen. Want er moeten heel +wat boterhammen gesmeerd worden," zei moeder. "Dolf, jongen, maak jij +de sportkar eens keurig schoon, want voor Fritsje moeten wij die wel +meenemen en Bob en Hans zullen ook wel eens willen rijden." + +Ma en Door gingen de boterhammen smeren. Leni bracht papier aan, de +tweelingen zorgden voor de touwtjes, Nel pakte alles in en Fritsje +bracht ze naar de sportkar. + +"Hoe staat het er mee?" vroeg vader, op zijn horloge ziende. "Het +wordt tijd." + +"We zijn klaar, vader," zei Nel. + +"Mooi zoo, dan maar opgemarcheerd, marsch." + +"Mag Foxje mee?" + +"Zeker." + +Toen Fox zijn naam hoorde noemen, was hij uitgelaten van +blijdschap. Als een pijl uit den boog vloog hij vooruit, rende weer +terug, sprong dan tegen dezen, dan tegen dien op en was zoo dol, dat +het niet veel gescheeld had, of hij had Fritsje in zijn blijdschap +omgegooid. + +"Koest, Fox, koest, we weten wel, dat je blij bent," zei Dolf, +"maar als je zoo begint te rennen, hou je het nooit uit." + +"Wat is het toch heerlijk buiten," zei moeder. + +"Mij dunkt, we gaan de hei over en dan straks bij vrouw Pruim een +glaasje melk drinken." + +"O, ja," zei Leni, "misschien heeft ze wel weer een ziek geitje, +zooals den vorigen keer." + +Vader begon hartelijk te lachen. + +"Je wenscht vrouw Pruim ook niet veel goeds toe, kleine meid." + +Leni lachte verlegen. "Och ja, vader, maar u weet ook niet, hoe goed +vrouw Pruim haar ziek geitje oppaste." + +"Dan moeten wij eens gauw gaan kijken, maar als jelui mij vraagt, +dan zie ik liever een gezond dan een ziek geitje." + +"Leni vindt zieke dieren altijd veel aardiger," zei Nel plagend, +"omdat ze die dan flink verwennen en vertroetelen kan. Was ik nu +maar een zieke kikvorsch of een half doode spreeuw," zei ze grappig +wanhopig, "wat zou mijn zusje mij dan allerlei lekkere hapjes brengen." + +"Ja, ja, je bent me een stumperd," lachte Dolf, "en zoolang je +nog zoo'n verbazende massa boterhammen verslindt, vrees ik, dat er +vooreerst van jou geen sprake zal zijn." + +"En tot kikker zul je 't zeker wel nooit brengen," zei Door, "want +in plaats van in het water te springen, bleef jij 't liefst aan den +kant staan." + +"En jij niet tot spreeuw," plaagde Nel terug, "want aan vroeg opstaan +heb jij een broertje dood." + +"Daar zal ik ook altijd voor oppassen, als ik al eens spreeuw mocht +worden; want vogeltjes, die te vroeg zingen, zijn immers voor de poes?" + +"En nu stel ik voor," zei vader, "dat wij hier eens een poosje aan +den kant van den weg gaan zitten. We hebben al een heele wandeling +achter den rug en 't wordt warm vandaag." + +"He ja," vond Door, "eventjes uitblazen." + +"Hoe is 't met mijn kleine broekemannetje?" + +"Is het broertje ziek geweest en is dat broertje toen doodgegaan, +Mammi?" vroeg Fritsje met een bedroefd stemmetje. + +"Welk broertje toch, kleine man?" + +Allen keken naar Fritsje, want 't was duidelijk, dat het schreien +hem nader stond dan 't lachen. + +"O, ik begrijp het, ik begrijp het," gierde Door. "Hij heeft gehoord, +dat Nel tegen mij zei, dat ik aan vroeg opstaan een broertje dood had." + +Ze schaterden het uit. + +"Jou kleine, kleine krullebol," zei Ma, en trok haar kereltje +liefkoozend op den schoot. + +"Nel weet er niets van, hoor, er is geen broertje ziek geworden en +ook geen dood gegaan. Dolf, kom eens hier met de sportkar, de bron +van alle goeds, en laten we dan allen een eierkoek gaan eten op het +heerlijke feit, dat Nel geen kikvorsch en Door geen spreeuw is, en +op het broertje, dat niet ziek geworden is. Wat zit het hier toch +heerlijk, 'k was werkelijk al een beetje moe," zei mevrouw Van Brakel. + +"Maar waar is Leni nu weer?" vervolgde ze. "Daar loopt ze warempel +met Bob en Hans ons al een heel eind vooruit. Dolf, roep die drie +voortvluchtigen eens terug. Ze moeten wat rusten, anders worden ze +veel te moe." + +"O, daar komen ze al." + +"O, paatje, u weet niet, wat beeldige kapelletjes wij gezien +hebben!" zei Leni. "Hansje had er bijna eentje gevangen." + +"Jaap zegt, dat kapelletjes tooveren kunnen," zei Bob. + +"Zoo, heeft Jaap dat verteld?" + +"Ja oom. 't Kapelletje zegt: hocus, pocus pas, 'k wou dat ik een +rups was." + +"En wat zegt de rups?" lachte ma. + +"De rups? Hansje, zegt die ook wat?" vroeg Bob. Hans wist het niet. + +"Dan zegt die weer: hocus, pocus pas, 'k wou, dat ik weer een +kappelletje was, en dan wordt het een kapel. Is dat niet wonderlijk?" + +"Dat zal ik Jaap vertellen," zei Bob. + +"Kijk Foxje eens," zei Dolf, "of hij ook moe is. Pas maar op je tong, +zoo meteen springt er een kikker op, net als op die van Pluto. Ik zou, +als ik jou was, mijn rood lapje maar gauw naar binnen halen. Hier, dit +is beter dan zoo'n springertje," en hij gaf Fox een stuk van zijn koek. + +"Ik weet een mooi spelletje," zei Leni, "zullen we bloemencorso +spelen?" + +"Bloemencorso?" + +"Goed," zei Door en sprong op, "er zijn hier zulke beeldige bloemen." + +"Vader en moeder zijn 't publiek," stelde Dolf voor. + +"Ja," zei Nel, "u moogt niet kijken, wij zullen wel waarschuwen, +als alles klaar is." + +"Dan zullen we ons maar in dezen greppel omdraaien; want om op zoo'n +mooien dag met je oogen dicht te zitten, is wel wat veel gevergd." + +Door stelde voor de sportkar te versieren. Dolf sneed heide, +terwijl de meisjes bloemen gingen plukken, 't Was niet zoo'n heel +gemakkelijk werkje. Door en Nel geleken, toen alles klaar was, wel +een paar pioenen. + +"Nu den optocht opstellen," zei Nel, terwijl zij nog bezig was aan +een krans voor Leni. + +"Eerst de sportkar met Bob er in. Leni, jij moogt hem rijden. Wat +zeg je wel van dit kransje?" + +"Door, laten wij van onze armen een stoeltje maken, dan kan Dolf Hansje +Pansje daar opzetten. Hij zelf kan Fritsje op zijn schouders nemen. Nu +eerst dat kleine heuveltje op," commandeerde Nel verder. "Ziezoo, +Leni, sta even stil, nu zal ik het publiek verzoeken te kijken. Vader, +moeder, het bloemencorso is gereed, u moogt kijken. Leni, vooruit nu." + +'t Was een aardig gezicht, dat vroolijk versierde troepje van den +heuvel te zien komen. + +"Beeldig, beeldig," riep Ma. + +"Prachtig," vond vader ook. + +Foxje was nu eens heraut, dan vormde hij weer de achterhoede, en +steeds wapperde zijn vlag. Toen de optocht tweemaal het publiek was +gepasseerd, vonden allen, dat het lang genoeg geduurd had. + +"'t Is mooi geweest, 't is mooi geweest, 't is drommels mooi geweest," +begon vader te zingen en allen vielen mee in. + +"En nu stel ik voor," zei ma, "dat we bij vrouw Pruim ons glaasje +melk gaan halen. Oef, wat is het warm!" + +"Ik weet den weg wel, vader," zei Leni. + +"Uitstekend, ga jij met Hansje maar vooruit." + +Dat vond Leni wat gewichtig, en parmantig stapte ze voort. + +"St!" zei mijnheer Van Brakel even later, "ik hoor geritsel." + +"Een eekhoorntje," fluisterde Dolf. + +Ja waarlijk, daar zat op korten afstand een allerliefst eekhoorntje +te smullen aan een paddenstoel. Hij liet de plant in zijn pootjes +ronddraaien en knabbelde er zoo stukjes af. Zoo iets hadden de kinderen +nog nooit gezien. Ademloos stonden ze te kijken, toen hoe jammer, +Fox kwam aanrennen en binnen drie tellen zat het eekhoorntje boven +in een boom angstig naar beneden te kijken, of hij ook vervolgd werd. + +"Fox, hier!" commandeerde mijnheer Van Brakel, die den angst van den +eekhoorn zag. + +"Die stoute Fox," zei Bob boos. "Ik vind dat eekhoornhondje veel +aardiger." + +"Zoo, vind jij dat eekhoornhondje veel aardiger dan onzen lieven +Fox. Zullen we Fox dan in dien boom laten klimmen en het eekhoorntje +meenemen?" + +Even bedacht Bob zich. "Blijft Fox dan vannacht hier in 't bosch en +slaapt het eekhoornhondje dan in zijn nest?" + +"Ja zeker." + +"Och, laten we Foxje dan maar liever houden," zei hij. Maar nog eens +even keek hij door de takken, waar toch wel het mooie "eekhoornhondje," +zooals hij het noemde, gebleven was. + +"Leni en Hansje zullen al wel bij vrouw Pruim zijn," zei pa na een +half uurtje. "Wij hebben, geloof ik, een omweg gemaakt. Zij zullen +wel ongeduldig worden en niet begrijpen, waar wij blijven." + +Maar toen allen bij vrouw Pruim kwamen, zagen ze Leni en Hansje +nergens. + +"Leni zal in den stal zijn om haar zieke geit op te zoeken," zei vader +lachend. "Ga haar en Hans maar eens vertellen, dat wij er al zijn, +dan zal ik ondertusschen voor jullie een glas melk bestellen." + +"Ze zijn nergens," zei Nel, terugkomende. + +"Nergens? Nu nog mooier. Den eenen dag verdwalen de loge's op het +dak en een paar dagen later verdwaalt Leni op de hei." + +"Ze konden toch al lang hier zijn," zei moeder. + +"Hoe is 't mogelijk, die Leni, die altijd zoo goed den weg weet." + +"Ze zal wel weer achter een vlinder of hagedis zijn gaan loopen," +zei Nel. + +"Ik wou toch, dat ze er maar vast waren," zei moeder. "Ik ben er niet +zoo heel gerust op." + +"Ja," zei Dolf lachend, "als ze achter een hagedis aanloopt, moeder, +dan zal u ze wel niet zoo gauw terugzien. Maar daar komen ze, daar +komen ze. Ik zie ze heel in de verte." + +Ja, werkelijk, heel in de verte zag men twee kinderen langzaam +naderkomen. + +"Waarom loopen ze toch niet vlugger, ze zien ons toch wel zitten. Als +'t niet zoo "onmogelijk" warm was, liep ik ze te gemoet," zei Door. + +"Dat dient nergens toe, kindje. Ja, 't is verbazend warm. De lucht +ziet er werkelijk uit, of we onweer zullen krijgen, 't Is te hopen, +dat de bui nog maar wat uitblijft," zei mijnheer Van Brakel. + +"Ik zal maar vast de boterhammen ronddeelen, want er zullen wel leege +magen zijn en die twee laatkomers zullen ook wel trek hebben." + +"Hier zijn de schuldigen," zei Nel, die Leni en Hans toch te gemoet +geloopen was en nu met beiden voor mevrouw Van Brakel stond. + +"Maar kinderen, wat hebben jelui uitgevoerd!" riep mevrouw Van Brakel +verschrikt, de natte kleeren van Hans ziende. + +Allen zetten groote oogen op. + +"Wat is er gebeurd?" riepen Dolf en Door. + +"Dit jongetje," zei Nel, op den snikkenden Hans wijzende, "was op eens +heelemaal vergeten, dat hij een jongen was en dacht, dat de kikker +daar ginds in den plas zijn broertje Bob was. En toen hij zag, dat +zijn kikkerbroertje alle moeite deed om een mug te vangen, dacht hij: +stumpertje, ik zal jou wel even helpen, en flap, daar lag hij voorover +in den plas en toen begreep hij wel wat laat, dat hij geen kikker, +maar Hansje Pansje was." + +"Klein, dom Hansje, dacht je, dat je een kikker geworden was," lachte +mijnheer Van Brakel. + +Hans schudde heftig zijn hoofd. + +"Dacht jij, dat ik in een kikker omgetooverd was?" vroeg Bob lachend. + +Nog heviger ging Hansjes bolletje. + +"Hansje dacht," zei mevrouw Van Brakel, "dat een bad op zoo'n warmen +dag wel frisch zou zijn, maar hij vergat zijn kleeren uit te trekken." + +"Ik kon het heusch niet helpen," zei Leni, half schreiende, "maar ik +zag een klein vogeltje, dat o zoo akelig deed. Ieder oogenblik dacht +ik, dat het dood neer zou vallen, en juist toen ik het wilde grijpen, +vloog het, roef! naar boven in een boom. En toen ik omkeek, zag ik +Hans in den plas liggen. Ik heb hem toen dadelijk aan zijn arm er +uit getrokken." + +"Dat vogeltje was een kleine grappenmaker," zei vader. "Dat heeft jou +leelijk gefopt, meisje; want het was zoo gezond als een visch. Maar zal +ik je eens wat vertellen? Het was bang, dat jij zijn nestje zoudt zien, +waarin zijn kindertjes zaten daar in de buurt, en toen dacht het: als +dat meisje naar mij ziet en met mij meeloopt, kan ze mijn kleintjes +niet vinden. En toen jij ver genoeg van zijn nest verwijderd was, +vloog hij op en lachte je in zijn vuistje uit. Droog nu maar gauw je +tranen, kleine meid. Zoo'n bad zal Hans geen kwaad gedaan hebben. Nel +kan nu wel eens hooren, of vrouw Pruim ons misschien ook droge kleeren +kan leenen van een van haar jongens. Gerrit of Piet zullen wel iets +hebben, dat Hansje past." + +"Een jasje en een paar klompjes van onzen Dirk kan dat jongetje best +aanhebben. Kom jij maar mee, hoor," zei vrouw Pruim tot Hans, "dan +zal ik je die spulletjes gauw aantrekken." Maar Hans had hierin in +'t geheel geen lust, tot eindelijk mevrouw Van Brakel meeging. + +Een hartelijk gelach weerklonk, toen Hans na een tien minuten als +boertje met lange broek en klompen aan weer in den tuin verscheen. + +"O, "onmogelijk" leuk, onmogelijk," gilde Door. Hans kreeg nu ook +pret in 't geval, stak zijn beide handen in de zakken, zoodat ze +wijd uitstonden, draaide zich om en om en liet zich van alle kanten +bekijken. + +"Nu, wat zegt ge nu?" lachte vrouw Pruim, "heb ik niet een aardig +Pruimpje van je gemaakt?" + +"Och, zoo'n aardig Pruimpje," schaterde Dolf. + +"Maar nu zijn we geen tweelingen meer," riep Bob met een grappig +ongelukkig gezicht. "Hoe moet dat nu, tante?" + +"Dat is niets, ventje," zei mevrouw Van Brakel, "vanavond zijn jullie +weer tweelingen in je hanssopjes." + +Foxje was door al die luidruchtigheid ook heelemaal van streek en +holde van den een naar den ander. + +Na een half uur werd de terugtocht ondernomen en toen Hansje moe +werd van 't ongewone loopen op de klompjes, werd hij bij Frits in +de sportkar gezet, 't Was nog een heele wandeling en bij de greppel +gekomen, werd er halt gehouden. Door beweerde, dat ze "onmogelijk" +verder kon en allen hadden behoefte eens heerlijk uit te rusten met +die warmte. Dolf ging languit op de hei liggen en Fox hield trouw de +wacht bij zijn vriendje. + +"Nu maar weer opgemarcheerd," zei mijnheer Van Brakel na een +kwartiertje. "Ik ben anders bang, dat we niet voor de bui thuis +zullen zijn!" + +'t Was duidelijk, dat Julia blij was, toen haar vrindjes en +vriendinnetjes weer thuis waren. Ze deed niets dan langs de deurposten +strijken en zacht miauwen en duwde haar aardig kopje dan tegen dezen, +dan tegen dien aan. + +"Stil nu, stil nu," zei Door troostend. "Wat wil je toch, Julia? Wacht, +ik geloof dat er nog een kaakje in den zak is overgebleven. Dat krijg +je tot "welkom thuis" en morgen zullen we spelletjes doen; maar als +je te veel naar de vogeltjes kijkt in plaats van op te letten dan +neem ik mijn boek en ga in een hoek onder den treurboom lezen, hoor!" + +"Ziezoo, het klokje van gehoorzaamheid voor allen, groot en klein. Een, +twee, drie naar bed. 't Is een vermoeiende dag geweest." + +"Ik kruip alleen onder 't laken," zei Leni. + +"En ik," riepen Dolf en Nel. + +"Och, moezekepoes, wat is 't warm!" + +"Door en Nel, jullie zorgt wel voor onze loge's, niet waar?" + +"Ja zeker, moeder; ik zeg dan: hocus, pocus pas, 'k wou, dat +ons.boertje weer Hansje was, en dan ..." lachte Nel. + +"Trekt Hans gauw zijn hanssopje aan," zei Bob. "Dan zijn we weer +tweelingen." + +"Nacht vader, nacht moeder!" + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +TWEE KNAPPE HUISHOUDSTERS. + + +"Kinderen, moeder is vanmorgen met hoofdpijn in bed blijven liggen," +zei mijnheer Van Brakel eenige dagen later. "Jullie moet Kee nu +maar een beetje helpen en vooral niet te veel leven maken, 't Is wel +vacantie, maar..." + +"Dat treft juist heel goed," zei Door geruststellend. "Ik zal-wel +voor de boterhammen zorgen en thee schenken. Nel kan dan--ja, Nel, +wat zul jij doen?" + +"'k Zal het Kee eens vragen," zei Nel. "Deze boontjes moeten afgehaald +worden, dat vind ik wel een leuk werkje. Leni kan mij wel wat helpen," +en vol ijver wilde Nel dadelijk al beginnen. + +"Och, Nel, help jij Fritsje even met zijn boterham. Laat die boontjes +maar staan tot na 't ontbijt." + +"Zou ik ze dan nog wel klaar krijgen? Kee zei: ""asjeblieft een portie +voor een kazerne."" Nu, dat kan nogal, dunkt me." + +"Zoo? Zei ze dat? Maar je moet mij nu toch even helpen. Het botermesje +ben ik kwijt," en Door tilde alle bordjes op, keek onder het theeblad, +op den stoel. "O, daar is 't gelukkig al. Waar zijn de tweelingen en +Leni? Wil je even kijken?" + +"Fritsje een glaasje melk, Door," vleide de kleine jongen. + +"Ja, ja, kleine snoes, dadelijk, 'k heb 't zoo druk. + +Och, Nel! Nel! Ne-el! He, waar is ze nu weer?" zei Door in zich +zelf. "Waarom loopt ze nu juist weg? Ze kan toch wel begrijpen...." + +"Ze waren in den tuin," zei Nel, met de tweelingen terugkomende. + +"Wie waren in den tuin?" + +Nel proestte het uit. "Wie anders dan Bob en Hans. Je zei immers: +ik zou ze zoeken." + +"Dat is waar ook; maar geef jij Frits even zijn kroes met melk, ik kom +niet klaar. Wacht, even tellen: Vader, Dolf, Nel, Leni, de tweelingen, +dat is--dat is zes. Hoeveel sneetjes zou ik snijden? Hoeveel eet jij?" + +"Ik heb trek," zei Nel. + +"Nu ja, daar heb ik niets aan. Hoeveel sneetjes eet je dan, als je +trek hebt?" + +"Twee." + +"En Dolf, denk je?" + +"Wel drie." + +"En vader?" + +"Ook wel zooveel." + +"Acht," telde Door. "En Leni?" + +"Ja, dat weet ik niet." + +"Leni, Leni!" riep Door, met in de eene hand het mes en de andere +het brood. + +"Natuurlijk, Leni is weer bij het kippenhok. Hoeveel?" riep Door, +'t brood in de hoogte houdende. + +"Vier," riep Leni terug. + +"Vier, hoe is 't mogelijk," zei Door, "dat is dus twaalf." + +"Och," zei Nel, "waarom vraag je dat toch alles; dat doet ma nooit." + +"Ma weet, hoeveel ieder zoowat eet, maar ik niet. Zou jij ooit gedacht +hebben, dat Leni vier sneetjes at?" + +"En dan zegt ze nog wel, dat ze in de vacantie nooit trek heeft," +lachte Nel. + +"Bob en Hans ieder eentje, dat is veertien," telde Door. "Nu Kee +nog. Ik hoop maar niet, dat ze al te grooten honger heeft," zei ze +met een kleur van inspanning, "want 't mes is zoo akelig stomp. Help +jij vast smeren." + +"Kee!" riep ze, nu haar hoofd in de gang stekende. "Hoeveel?" + +"Hoeveel?" riep Kee verwonderd terug. "Gewoonlijk driehonderd, maar +nu nog vijftig meer." Door proestte het uit. + +"O, neen, maar Nel, hoe vind je die Kee?" verder kwam Door niet. + +"Wat zegt Kee?" vroeg Nel, lachend om Door. + +"Toe, zeg het nu," zei Nel ongeduldig, omdat Door maar bleef lachen. + +"Verbeeld je, Kee zegt ""gewoonlijk--,"" weer proestte Door 't uit. + +"He toe, wees nu niet zoo flauw," zei Nel half boos, half lachend. + +"Kee zegt," zei Door nu, haar best doende zich verstaanbaar te maken: +"gewoonlijk driehonderd en nu nog vijftig meer," weer gierde Door. "O, +nee, maar Nel, wat zou ze meenen? Gewoonlijk driehonderd en nu nog +vijftig meer; zeker, omdat ik een stomp mes heb!" + +Nel, die juist Frits hielp, gutste door het lachen de helft van de +melk over het kroesje. "Ik begrijp het," schaterde ze. "Ze bedoelt +de slaboonen." + +"'t Is prachtig! Eenig! Stel je voor: driehonderd vijftig sneetjes +met een stomp mes." + +"Hoeveel _boterhammen_?" riep Door gierend terug. + +"Wie kan dat nou ook denken," zei Kee goedig; "drie, maar als ik +haast heb twee. En ik heb nu haast." + +"Dat is--hoeveel had ik ook weer?" + +"Veertien," hielp Nel. + +"Dat is dus zestien en ik zelf. Ja, 'k heb honger, maar ook haast, +net als Kee, dus ook maar twee. Kom, nu zal ik de rest smeren. Wat is +zoo'n huishouding toch "onmogelijk" druk," zei ze, Fritsjes boterham +in smalle reepjes snijdende. "Je komt gewoon niet klaar." + +"Ziezoo, daar ben ik weer," zei mijnheer Van Brakel. "Ik zie wel, +dat je goed voor allen gezorgd hebt." + +"Leni, kom nu toch, we zijn allen klaar," riep Nel; "je boterhammen +zijn gesmeerd." + +"Ja, ik kom dadelijk, ik moet even de eieren naar de keuken +brengen. Zijn al die boterhammen voor mij?" vroeg ze, verbaasd naar +haar bordje kijkende. + +"Ja, natuurlijk," zei Door. "Ik heb je immers gevraagd, hoeveel je +hebben wou? Je eet nu maar op, wat op je bordje ligt." + +"Maar ik _heb_ niet gezegd, dat ik er vier wou hebben," zei Leni, +wanhopig naar den berg boterhammen kijkende. "Zoo veel eet ik nooit." + +"Wat is er toch, kinderen?" vroeg mijnheer Van Brakel. + +"Och, vader, ik was aan het brood snijden, en omdat ik niet graag meer +wilde snijden dan noodig was, vroeg ik Leni, die natuurlijk weer bij +de kippen was: "hoeveel?" + +"En toen?" + +"Toen riep ze van vier, dus...." + +"En vier kon _on_mogelijk iets anders zijn in Doors oogen dan sneetjes +brood; zoo'n huishoudstertje," lachte vader. + +"Nu begrijp ik het," zei Door, "vier kon bij Leni _on_mogelijk iets +anders zijn dan eieren." + +"Of kippen," zei Nel. + +"Dus kippeneieren," lachte Dolf. "Wat wil jij, Julia, kleine +vleister! Bob, zij wil, geloof ik, dolgraag een stukje van jouw +boterham hebben." + +"Nu zou ik toch eigenlijk wel graag een kopje thee willen hebben," +zei vader. + +"O wee, ik vergeet heelemaal in te schenken. Ma heeft misschien ook +wel trek in een kopje. Leni, wil jij eens even vragen?" + +"Wat is dat?" riep Door verschrikt uit. "Er komt water uit de tuit, +alleen water. En ik weet toch zeker, dat ik thee in den pot heb +gedaan." + +"Misschien gebeurt zoo iets in de vacantie wel meer," zei vader. + +"O, neen, paatje," zei Door, die wel begreep dat mijnheer Van Brakel +haar plaagde, "'t Is toch heusch waar. Ik heb het theebusje in de +hand gehad, ik weet het zeker." + +"Ja, je hebt met thee zetten gedaan als met de vraag aan Leni over +de boterhammen. Je vroeg hoeveel, en het voornaamste vergat je." + +"Ja, maar het theebusje," begon Door verdrietig, "waar is dat dan +toch gebleven. Ik zie het hier niet staan en toch...." + +"Ik heb het, ik heb het!" + +"Waar?" vroeg Door. + +"Hier, onder het deksel van het botervlootje," zei Nel. + +"Ik ben blij voor jou, dat het busje er weer is. Ik zal nu voor dezen +morgen maar een glas melk nemen; want het wordt mijn tijd." + +"Nu, paatje," zei Door, die het heel onpleizierig vond, dat haar +theeschenken zoo treurig afliep, "dan schenk ik u vanmiddag een extra +lekker kopje." + +"Water of thee?" lachte vader. + +"Wat is u toch een plaaggeest!" + +"Ik op 't lage stoeltje!" riep Nel een kwartier later en rende naar +het prieel zoo vlug ze kon, met de teil met prinsessenboonen voor +zich uit. "Jullie moet mij allen helpen. Dolf, haal jij even een +paar couranten voor de draden en een grooten bak voor de afgehaalde +boonen. Leni kan die boonen mooi doormidden breken. De tweelingen en +Fritsje kunnen met hun drietjes in den tuin spelen, wij hebben daarvoor +nu geen tijd. Er kan hun geen ongeluk overkomen. Fox, hier oude jongen, +breng dit boek eens naar binnen, dat heeft zeker iemand hier gisteren +weer laten liggen, je weet wel, wie ik bedoel. Fox sprong en blafte, +dat Bob de vingers in zijn ooren stak. "Fox, apporte, bedaar nu, +apporte," gebood Nel en toen nam de dartele, vroolijke Fox heel gedwee +het boek in zijn bek en ging er mee naar binnen. + +"Allo, marsch," riep Kee en toen stoof Fox de trap op naar Doors kamer. + +Bob, Hans en Frits hadden het al even druk met hun drietjes als de +kleine huishoudsters. + +"Dat is Asschepoes," legde Hans aan Bob en Frits uit, terwijl hij +bij het kippenhok stond, "en dat Snoetie. Kijk die kuikentjes toch +eens. Ik wou wel zoo'n kuikentje in de hand hebben." + +"Ik ook wel," zei Bob. "Misschien zouden ze 't wel prettig vinden, +als ze ook eens door den tuin mochten wandelen," opperde hij. + +"Ja," zei Hans, "en die arme Asschepoes zeker ook. 't Is toch ook +niet prettig, altijd in zoo'n hok te zitten." + +"Mag Frits ook een kuikentje hebben, zoo'n lief kuikentje?" en hij +trappelde al van ongeduld. + +"Is er ook een deurtje om in 't hok te komen?" onderzocht Hans. + +"Hier is een deurtje," zei Frits, die Leni dit dikwijls had zien +openen. + +"Wat een kleintje," lachte Bob. + +"Ja, dit is eigenlijk 't kippenhuis. Laten we spelen, dat wij kip +zijn," stelde Bob voor, "en Frits een kuikentje." + +"Neen," zei Hans, "ik ben Slokop en jij Asschepoes en dan vecht ik +met jou." + +"Fritsje vindt het toch niet zoo heel prettig in dit huisje," zei +Frits, angstig naar den haan kijkende. + +"Dat hoort ook zoo," zei Bob. "Kuikentjes vinden 't ook niet prettig +in een hok. Kijk eens, daar loopen warempel al twee op 't gras. Kijk +Asschepoes eens en de haan. En Snoetie en Toetie!" + +Voorzichtig stapte hij 't hok binnen, wel een klein beetje bang, +toen eenige kippen begonnen te fladderen. Maar dat wilde hij voor +Hans en Fritsje niet weten en liep daarom moedig verder. + +"Ze vinden het, geloof ik, niet goed, dat wij in hun huis komen," +en eigenlijk had Hans wel grooten trek om dadelijk weer terug te +keeren, maar toen hij Bob zoo dapper voort zag stappen, wilde hij +niet minder zijn. + +"Nu is er geen meer in 't hok! Hoe leuk," riep Hans, "nu doen we +het deurtje dicht!" Maar juist had Hansje dit gezegd, toen er een +doordringende gil van Leni te gelijk met een nog doordringender van +Door weerklonk; want de kippen, krielkipjes en kuikentjes genoten zoo +buitengewoon van hun vrijheid, dat ze uit puur pleizier steeds verder +waren getrippeld tot aan 't prieel, waarin allen zoo ijverig bezig +waren, dat ze Bob en Hans geheel hadden vergeten. Tot op eens Toetie +met haar kleine kraaloogjes om 't hoekje kwam kijken en de haan zijn +blijdschap over de heerlijke vrijheid niet beter wist uit te drukken, +dan door een krachtig kukeleku vlak bij Leni's oor te laten hooren. + +"De haan! de kippen! de kuikens!" klonk het van alle kanten. Door viel +bijna over den bak met slaboonen. "Wie is bij 't kippenhok geweest?" + +Leni sprong op en Nel zat als versteend. + +Fox, die rustig had liggen slapen, was op eens klaar wakker en pas +zag hij de niets vermoedende kuikentjes, of hij wilde er op af, +als Dolf hem niet met geweld bij den halsband vastgehouden en in +huis gezet had. Nu werd het een jagen van alle kanten. Tot driemaal +toe vloog Asschepoes angstig kakelend over het bed met viooltjes en +de kleine kuikentjes trippelen nu voor, dan achteruit, in 't geheel +niet begrijpend, wat er van hen verlangd werd. + +"Niet zoo wild, niet zoo wild," riep Door, "dan kunnen we ze onmogelijk +krijgen. O wee, daar heb je Julia. Nel, jaag haar weg." Julia was +blijkbaar over dezen daad van Nel zoo diep beleedigd, dat ze, zonder +Nel ook maar met een blik te verwaardigen, rechtsomkeert maakte om +boven op de schutting haar toilet, waarmee ze te voren zoo ernstig +bezig was geweest, te voltooien. + +"Ssst, voorzichtig, daar zit een krielkipje onder die struik. Dolf, +ga jij hier staan, dan jagen we het er voorzichtig onder uit." + +"Och, kijk toch die kuikentjes, ze vallen bijna over hun eigen +pootjes," zei Leni. + +Op eens schaterde Dolf het uit. "O neen maar, kijk toch eens, kijk +eens. Bob, Hans en Fritsje in het kippenhok!" + +Allen waren, al jagende, nu ook het kippenhok genaderd en +niettegenstaande de groote verwarring door de "kippenoverstrooming", +zooals Dolf zei, ging er toch een uitbundig gelach op, toen ze de +drie kereltjes in het kippenhok zagen met hun neusjes stijf tegen +'t gaas gedrukt, vol belangstelling voor de kippenjacht. + +"Nu nog mooier," zei Nel. "Willen jullie wel eens een, twee, drie, +uit het hok komen? Zoolang jullie nog Bob en Hans bent, hooren jullie +niet in een kippenhok." + +"We dachten, dat de kippen het heel prettig zouden vinden in den tuin," +zei Bob. + +"Misschien vinden ze dat ook wel, maar kuikentjes en kippen zijn nog +maar domme dieren en weten niet, dat ze niet aan de bloemen mogen +pikken; daarom vinden wij het in het geheel niet prettig, dat ze in +den tuin zijn. Ze zouden onzen mooien tuin heel gauw leelijk maken +en dat willen jullie toch zeker ook niet. Ziezoo, blijf hier nu maar +even stil staan, dan zullen wij ze voorzichtig in het hok jagen." + +Bob en Hans stonden wel wat bedrukt te kijken. + +"Fritsje vond het niets prettig om kuikentje te spelen," zei Frits, +blij, dat hij uit het hok was. + +"Neen, ventje, dat is ook niet prettig, tenminste voor jongens niet." + +Eindelijk waren alle kippen weer in 't hok. Zelfs de haan, hoewel de +laatste van de geheele familie stapte deftig de voordeur van zijn +huis binnen en begon dadelijk te pikken van enkele graankorrels, +die op den grond lagen, met een gezicht en een deftigheid, alsof hij +niet even te voren zoo ondeugend zijn huis ontvlucht was. + +"Goeden middag!" hoorden de kinderen zeggen. + +"O, moesje, is u weer beter?" + +"Wie zou nu lang in bed kunnen blijven met zulk prachtig weer," +lachte mevrouw Van Brakel. + +"O, moes, 't is eigenlijk jammer, dat u nu pas komt. Als u even eerder +gekomen was...." + +"'k Heb alles van het balcon gezien," zei moeder, "en ik geloof, +dat ik het restje hoofdpijn weggelachen heb." + +"'t Was eigenlijk "onmogelijk" leuk," zei Door. + +"De slaboonen zijn klaar, maatje." + +"Jullie bent maar een paar knappe huishoudsters. En daar ben ik wat +trotsch op, hoor!" + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +EEN AVONTUUR. + + +"Hier heb ik de kleeren, die we voor Hans geleend hebben; die konden +jullie zoo meteen wel eens naar vrouw Pruim terugbrengen, 't Is er +juist zoo'n heerlijke dag voor," zei mevrouw Van Brakel. "Fritsje +blijft bij mij thuis, dan behoeft de sportkar niet mee, want Hans zal +nu toch voor de tweede maal wel niet in een plas vallen en naar huis +gereden moeten worden," lachte ze. "Kijk eens, Nel, koop hiervoor +wat chocolade voor de drie jongens van vrouw Pruim en hiervoor mag +je voor jullie zelf eene traktatie koopen, omdat het vacantie is." + +"Dat treft goed," riep Door opspringende, terwijl ze het boek, waarin +ze zat te lezen, neergooide, "ik dacht juist: wat zal ik nu eens doen +en daar komt u met zoo'n heerlijk plannetje." + +"Weet jullie wat," zei Nel, "ik ga vast vooruit met Hans en Bob om +iets te koopen, jullie komt ons dan wel na." + +"Wat gaan we koopen?" vroeg Hans. + +"Ja, dat weet ik niet, dat mogen jullie nu eens bedenken," zei Nel, +die het wat gewichtig vond, dat haar de inkoopen waren opgedragen. "We +moeten iets hebben voor Dirk, Piet en Gerrit." + +"Ik weet wel iets: een chocolade-sigaar," zei Hans. + +"Een chocolade-tol is veel mooier," vond Bob. + +"Dat vind ik allebei heel aardige dingen; als ik nu maar wist, wat +de jongens 't mooist vinden. Ziezoo, hier moet we zijn," zei Nel en +stapte met de beide jongens een winkel binnen. + + + Voeten vegen, wat verdriet, + Zien jelui die mat daar niet? + + +werd er op eens geroepen. Nel kreeg een kleur als vuur, gluurde overal +rond, maar zag niemand. Bob en Hans wisten ook niet, wat ze er van +denken moesten, maar alle drie deden gewillig wat hun bevolen werd. + + + Doe de deur toch dadelijk toe, + Hoor, hoe 'k hoest, aehoe! aehoe! + + +"De deur is dicht," zei Nel, niets op haar gemak. Maar tegenover Hans +en Bob wilde zij zich groot houden. + +"Wie zou dat toch zeggen?" fluisterde Hans. "Ik zie niemand." En +hij ging op zijn teenen staan om zoo ver mogelijk om zich heen te +kunnen kijken. + + + Houd op, houd op, ik lach mij ziek, + 'k Heb in mijn poot zoo'n rheumathiek + + +werd er toen geroepen en daarop klonk een schaterend lachen, zoo +vroolijk, dat Nel, Hans en Bob het mee uitproestten. Toen ging op +eens achter de toonbank een deur open en een dame met een vriendelijke +stem zei: "Neem me niet kwalijk, jongejuffrouw, dat ik u zoo lang liet +wachten, maar ik werd juist even opgehouden. Waarmee kan ik u dienen?" + +"Ik, ik".... Nel schaterde het weer uit. "Hebt u--ook."--Weer een +lachbui. "O, juffrouw, neen, ik kan 't niet zeggen." + +Bob en Hansje keken dan naar Nel, dan naar de juffrouw en deden ook +niets dan lachen. + +"Ik begrijp niet"--zei de juffrouw, nu ook lachende, "werkelijk +niet".... + +"Ik wou graag," begon Nel, die alle moeite deed zich goed te houden, +"ik wou graag".... + +"Ha, ha, nu begrijp ik, wat er gebeurd is," zei de juffrouw. "Toddy, +de raaf, is zeker aan 't woord geweest." + +"Was het geen mensch, was het een raaf?" vroeg Nel hoogst +verwonderd. "Hoe is 't mogelijk? Och toe, mogen wij hem eens zien?" + +"Kom dan maar mee," was het lachend antwoord. + +"Kijk, hier is hij." + +Nel en de tweelingen raakten niet uitgekeken. + +"Kan hij nog meer praten?" vroeg Nel opgetogen. + +"O zeker," zei de juffrouw, "maar hij wil niet altijd. O, 't is +zoo'n deugniet." + +"Niet waar, niet waar!" riep de vogel terug. + +"Jammer, dat de anderen hier niet zijn," zei Nel; "mag ik eens +even kijken, of ze komen, juffrouw? Leni zou de raaf zoo dolgraag +eens zien." + +"Zeker hoor, als je denkt, dat ze het aardig vinden." + +Nel stoof den winkel uit en kwam niet lang daarna met Door, Leni en +Dolf terug. Nel had onderweg het geheele verhaal al gedaan. + +"Klontje," zei Toddy en klopte met zijn snavel tegen de kooi. + +"Dat kun je begrijpen," zei de juffrouw lachend. + +"Och toe, juffrouw, mogen we hem iets geven?" vroeg Leni. + +"Dan moet hij er eerst om bedelen." Toen Toddy 't woord "bedelen" +hoorde, begon hij uit alle macht tegen de tralies te tikken, nam +een smeekende houding aan, door zijn kop schuin te houden, en riep: +"Och toe, och toe," wat zoo grappig klonk, dat allen het uitgierden. + +"Nu mag jullie hem een stukje borstplaat geven," zei de juffrouw. + +Hans durfde niet en Bob was wel bang, dat de raaf hem in de hand zou +pikken, maar toch gaf hij het hem. + +"Zit hij altijd in die kooi?" vroeg Hans. + +"Wel neen, hij komt er dikwijls uit." + +"Nu moeten we gaan," zei Door eindelijk. + +Leni had grooten lust te blijven. + +"Ik zou warempel mijn boodschappen nog vergeten," zei Nel. "Hebt u +ook chocolade-tollen, juffrouw?" + +"Kijk eens, hoe vind je deze?" vroeg de juffrouw, terwijl ze er een +van chocolade en een van suiker liet zien. + +"Beeldig, geeft u beide maar en dan nog een chocolade-sigaar." En +toen Nel ook een zakje met lekkers gekocht had, ging het geheele +gezelschap weer op stap, nadat de juffrouw hen uitgenooodigd had eens +spoedig terug te komen. "Toddy vindt het heerlijk, visite te krijgen +en ikzelf ook." + +"Zullen we heengaan over de hei en terug over 't land Van der +Pol?" stelde Door voor. + +Dat was best. + +"Daar zie ik het huis al," zei Leni na een poosje; "nog vijf +minuten--en we zijn er." + +"Wel, komen jullie daar allen aangestapt? Dat is aardig," zei vrouw +Pruim. "Kom maar binnen, kom maar binnen." + +"Neen, vrouw Pruim, wij willen hier buiten liever een beetje +uitrusten. We komen je 't pakje van Dirk terugbrengen en moeder +bedankt je vriendelijk." + +"Ja ja, 't is goed, 't is goed," zei vrouw Pruim. + +"Waar zijn Dirk, Piet en Gerrit? We hebben wat voor hen meegebracht," +zei Nel. + +"Dat had je toch niet moeten doen. Daar komen ze juist aan," zei +vrouw Pruim en wenkte hen uit alle macht. + +"Kijk eens," riep Nel en hield drie pakjes in de hoogte, "in ieder +pakje zit iets lekkers voor jullie, dat lijkt je zeker goed toe." + +De jongens bleven verlegen staan. + +"Gerrit, raad eens, wat ik hier heb?" zei Nel, een pakje in de hoogte +houdende. + +"'k Weet niet," zei Gerrit verlegen. + +"Je moet raden," zei vrouw Pruim, lachend. + +Gerrit haalde de schouders op, durfde niets zeggen. + +"Ik zal je een handje helpen," zei Dolf. + + + "Ik sta met een poot op den grond + En draai daar vroolijk op in 't rond. + Hoe meer men mij sla, + Hoe vlugger ik ga." + + +"Wat "onmogelijk" leuk," riep Door. "Dolf, hoe heb je dat zoo goed +bedacht?" + +"Stil, laat Gerrit raden." + +"Ik, ik weet het niet," zei Gerrit. + +"Een tol," raadde Piet met een hoogroode kleur. + +"Bravo!" riep Nel, "die is voor jou, je hebt hem eerlijk verdiend. En +nu heb ik hier nog iets. Dirk en Gerrit, nu ben jullie aan de +beurt. Toe, Dolf, jij bent in het raadseltjes opgeven zoo knap. Bedenk +nog eens wat." + +"Als jullie een oogenblikje geduld hebt," zei Dolf; "want opeens +zoo'n versje te maken, is zoo gemakkelijk niet. Wacht, ik weet al iets: + + + "Ik ben bruin en rond, + 'k Hoor in den mond. + Maar blijf ik daar een langen tijd, + 't Is zeker, dat ik steeds meer slijt, + 'k Ben bruin en rond en dik, + Nu raad eens, wie ben ik?" + + +"Leuk, leuk!" juichte Door weer. "Nu, Gerrit, bedenk jullie je goed." + +"Een sigaar," zei Gerrit na een poosje. + +"Knap geraden, als je blieft. Je weet nu," zei Nel lachend, "'k hoor +in den mond, maar blijf ik daar een langen tijd, 't is zeker, dat ik +steeds meer slijt." + +"En nu nog voor onzen Dirk, die zullen we maar niet laten raden, +want dat heeft Piet al voor hem gedaan. Voor Dirk ook een tol." + +'t Was aardig, de gelukkige gezichten te zien. + +"En als jullie nu niet te moe meer bent, moet je toch eens even +in de schuur komen kijken, daar is iets aardigs te zien," zei +vrouw Pruim. Dat werd aan geen doovemansooren gezegd. Leni holde +vooruit. "Nu heel stil zijn," vermaande vrouw Pruim, "wacht, ik zal +maar eerst gaan. Kijk eens," zei ze, toen ze eerst een paar kippen, +die daar liepen, had weggejaagd, en wees naar een groote ronde mand, +waarin Mollie, de poes, lag met vijf aardige, gele kuikentjes, die +gedeeltelijk van onder haar zachte vacht zichtbaar waren. + +"Wat is dat? Mollie met...!" Leni kon geen woorden vinden om hare +verwondering uit te drukken. Door en de anderen waren ook verstomd +over hetgeen zij zagen. + +"Maar--maar doet Mollie ze geen kwaad?" vroeg Nel angstig. + +"Wij vonden de kloek op een morgen dood in den tuin liggen," zei +vrouw Pruim, "en Mol lag op 't grasveld in de zon te slapen; toen +zijn de kuikentjes onder haar gekropen; ze keek eerst wel vreemd, +maar liet ze toch begaan. 't Was, of ze voelde, dat ze bij haar +bescherming zochten en sedert dien tijd koestert zij ze zooveel +mogelijk. Is het niet aardig? Stil maar Mol," zei ze tegen de poes, +die naar het scheen onrustig werd, omdat allen om haar heen stonden, +"blijf maar kalm liggen, we gaan dadelijk weg." + +"Wat vind ik dat toch een lieve poes," zei Hans. "O, Bobbie, als Jaap +hier eens was." + +"Neen, zoo iets heb ik nog nooit gezien," fluisterde Door. + +"'t Is snoezig," zei Leni verrukt, "snoezig." + +"'k Zie Julia al zoo met onze kuikentjes," zei Nel. + +"Mollie was ook zoo'n trouwe moeder voor haar eigen poesjes. Weet +je nog wel," zei Door, "hoe ze de kleine zwarte likte, die door Trim +gebeten was?" + +"Kom, kinderen," zei vrouw Pruim, "je moet nu allen maar in den tuin +gaan, ik ben anders bang, dat Mollie van de kuikentjes wegloopt." + +"'t Wordt ook onze tijd," zei Door, "je zoudt er anders wel zoo'n +heelen dag naar kunnen blijven kijken." + +"Zoo lief moest Julia zijn," vond Dolf. + +"Zeg niets van Julia," zei Leni, "al koestert ze geen kuikentjes, +'t is toch een lieve poes." + +"Dat vind ik ook," zei Door. + +Na vrouw Pruim en de jongens goeden dag gezegd te hebben, vertrok +het vroolijke troepje. + +Een kwartier later hield Nel den zak met lekkers in de hoogte en riep: +"Eerst een hartversterking." + +"Ja heerlijk, presenteer maar weer eens," zei Dolf. + +"Neen, neen, zoo gemakkelijk gaat het niet, jullie moet maar zien, +dat je iets krijgt," zei ze lachend. Door vloog op Nel af, maar toen +Nel dit zag, rende ze vooruit en allen achter haar aan. + +"Jongens, houdt Nel vast!" riep Dolf. + +"Dat kun je begrijpen, zoo gauw laat ik mij niet vangen," hijgde +Nel. Tot tweemaal toe ontglipte ze Dolf, die haar bij de mouw trachtte +te grijpen, maar eindelijk moest ze 't wel opgeven en plofte in +'t gras neer. "Ik kan niet meer, ik kan niet meer," zei ze. "Jullie +hebt je stukje eerlijk verdiend, kies maar uit." + +"Er zit wat in mijn schoen," zei Hans met een ongelukkig gezicht. + +"Er zit ook wat in mijn schoen," zei Leni. + +"Nu nog mooier!" riep Dolf. + +"Ja heusch," zei ze. + +"Trek hem dan eens uit," zei Door. + +"Neen, want dan is 't er niet meer in," lachte Leni. + +"Ze bedoelt haar voet! 'k Wist niet, dat mijn zusje zoo grappig was," +zei Nel, haar een kus gevende. "Maar Hans heeft er zeker nog meer in +zitten dan een voet, die kijkt zoo ongelukkig; kom ventje, trek je +schoen dan maar gauw uit. Met een hinkelepinkje kunnen we onmogelijk +de wandeling naar huis ondernemen. Daar hebben we 't al," zei ze, +een klein steentje weggooiende, "nu maar gauw voortgemaakt." "Toe, +Nel, presenteer nog eens," zei Leni na een poos, "we hebben al zoo'n +eind geloopen, we kunnen dan meteen eens zitten." + +"Mij goed, kinderen, kom maar hier, "moeder" zal voor jullie allen +iets heerlijks uitzoeken," zei Nel lachend. + +"Dat kan je begrijpen," zei Dolf, "neen hoor, ieder mag zelf kiezen." + +"Natuurlijk, natuurlijk," viel Door bij. + +"Dan zal ik van mijn zak een hoorn des overvloeds maken," zei Nel en +schudde het lekkers zoo ver mogelijk naar voren, terwijl ze haar hand +er als een presenteerblaadje onder hield. "Eerst mogen onze gasten +kiezen. Die nemen natuurlijk beiden hetzelfde. Tweelingen kunnen +"onmogelijk" anders." + +"Neen," zei Bob, "dat hoeft toch niet. Hans vindt chocoladeboontjes +met likeur het lekkerst en ik met fondant. We zijn alleen van buiten +tweelingen." + +"Kies jij maar gerust, hoor," zei Nel. "Door weet er niets van. Zij +zegt altijd zulke "onmogelijk" gekke dingen." + +"Nu maar weer voorwaarts marsch," commandeerde Dolf, nadat er een +tijdje gerust was. "Anders komen we veel te laat thuis." + +"Daar is het land al, dat we over moeten." + +"Doen die koeien niets?" vroeg Hans, niet erg op zijn gemak bij +'t vooruitzicht, die te moeten voorbij gaan. + +"We zijn al zoo dikwijls hier langs gekomen. Kijk, dat smalle paadje +gaan we over; als kippetjes loopen we dan achter elkaar aan. Dolf, +jij moet de haan maar zijn en ons voorgaan." + +"Wat een grappig wegje is dit," zei Bob, toen allen op het smalle +landpaadje liepen. + +Een paar koeien keken even met droomerige oogen op, toen ze de kinderen +zagen, maar graasden toen dadelijk rustig door. + +"Fox, hier blijven," beval Dolf, toen de hond vooruit wilde hollen. + +"Ik was toch liever niet door 't land gegaan, nu we Fox bij ons +hebben," fluisterde Door Nel een poosje later in 't oor, "maar zeg +hiervan niets aan de kleintjes." + +Juist had Door dit gezegd of een zwart gevlekte koe, die nog even +te voren rustig had staan kauwen, deed een paar passen in hun +richting. Nel stiet een klein gilletje uit. Fox, die zeker voelde, +dat er iets niet in den haak was, begon te blaffen. Eerst bleef de +koe staan, alsof zij verbaasd was over het geluid, dat zoo'n klein +beestje maakte. Maar toen begon zij al vlugger te loopen, naar Fox toe. + +"Zij komt op ons af!" gilde Door. "Fox, hier, hier!" En meteen nam ze +Hans bij de hand en zette het op een loopen. Nel met Bob er achteraan! +Dolf en Leni, die al een eind vooruit waren, keken bij het hooren +van het gegil achterom en renden angstig voort. + +"O, o!" jammerde Door en wanhopig sleurde ze Hans mee. "Hoe +vreeselijk!" + +"Als we maar eerst bij het hek waren," hijgde Nel. "Ik-ik kan +bijna--niet meer." Maar voort holde ze, den schreienden Bob +meetrekkende. Steeds dichter en dichter naderde de koe. Nel hoorde +het dier vlak achter zich. Ze bestierf het bijna van angst. Op +eens struikelde ze en sloeg voorover, terwijl ze Bob in haar vaart +meetrok. Op datzelfde oogenblik hoorde ze roepen: "Hector, pak aan!" En +even daarna stond een oud, krom boertje over haar heen gebogen. + +"Wel, wel, ben je zoo geschrokken?" hoorde ze hem vriendelijk zeggen +en meteen werd ze voorzichtig opgelicht. "Kom maar mee, hoor, en dat +kleine ventje ook," zeide hij, den hevig schreeuwenden Bob bij de hand +nemend. "Hector heeft die leelijke koe, die jullie zoo verschrikt +gemaakt heeft, bij het touw: Je behoeft niet meer bang te zijn, dat +ze je zal stooten. Kom maar gauw mee naar mijn huis. Je drinkt een +frisch glas water en je bent weer heelemaal beter." + +"Heb jullie je pijn gedaan?" vroeg Door bezorgd, die met de anderen +om Nel heen stond. + +"Mijn voet doet zoo'n pijn," zei Nel nog schreiend, gedeeltelijk van +den schrik en gedeeltelijk van de pijn. + +"Als je hem maar niet verstuikt hebt," zei Door. "En Bob, waar heb +jij je bezeerd?" + +"Mijn knie," zei Bob, "o, mijn knie doet zoo'n pijn." + +"Wel lieve tijd, zijn heele knie geschaafd," zei Door. "Stumperd. Hoe +komen we met twee zulke invaliden thuis!" + +"Moet je nog ver?" vroeg het boertje. + +"Nog een half uurtje," zei Dolf. + +"Zoo, zoo, dat is geen kleinigheid, dat is geen kleinigheid," herhaalde +hij hoofdschuddend. "Wil ik je eens wat zeggen? We zullen eerst een +glas water gaan drinken voor den schrik en dan span ik mijn Bruin voor +den wagen en breng jullie allen thuis. Nu, wat zeg je daarvan? 't Is +wel geen statiekoets, maar je behoeft dan toch niet te loopen." + +"Dat vind ik "onmogelijk" aardig," zei Door. + +Mijnheer en mevrouw Van Brakel wisten niet, wat ze zagen, toen daar +het heele vroolijke troepje op een hooiwagen den weg afkwam. Dolf en +Leni wuifden al uit de verte met hun zakdoeken. In kleuren en geuren +werd het geheele geval aan vader en moeder verteld. Natuurlijk moest +het oude boertje binnen komen en een glaasje bier drinken. En nadat +Leni hem vol trots haar kippenfamilie had getoond, ging hij, na nog +eens en nog eens vriendelijk bedankt te zijn, met Bruin weer naar +zijn eigen huis terug. + +Nels voet deed nog den heelen avond pijn. Maar moeder wist als altijd +raad, zoodat beide invaliden den val al gauw vergeten waren. + +"Maar toch," zei Nel, "door een land met koeien ga ik van mijn leven +niet weer, daar heb ik genoeg van." + +"Als Fox er maar niet bij geweest was," zei Dolf "dan was er niets +gebeurd." + +"Ja, Foxje," zei Leni, "was jij nu maar zoo knap en zoo sterk als +Hector, dan had je ons natuurlijk wel geholpen, maar je bent eigenlijk +een klein, dom, eigenwijs hondje." + +Het duurde niet heel lang, of Door was in diepe rust, maar Nel was +blijkbaar nog onder den indruk van den schrik. + +Toch kreeg na lang woelen eindelijk de slaap de overhand; maar toen +werd de arme Nel geplaagd door de akeligste droomen. Ze zag zich zelf +alleen op een groot stuk land, waar van alle kanten koeien op haar +afkwamen, die haar met booze oogen aankeken. Ze vluchtte naar een +hek, maar toen ze daar dicht bij kwam, was 't hek verdwenen en lag +op die plaats een groote roodbonte koe kalm te grazen op een groot +veld papavers. En telkens als het dier een papaver in den bek stak, +veranderde de bloem in een draaiende tol. Toen liep Nel terug en +zag opeens Leni voorbijhollen, gezeten op een zwarte koe. Leni leek +veel grooter dan anders en telkens als ze langs Nel reed, strekte +ze haar lange armen naar haar uit. Maar als Nel haar wilde grijpen, +was zij verdwenen en zag Nel haar heel in de verte voortgaloppeeren, +steeds haar wenkende, terwijl het haar als een mantel om haar heen +golfde. Plotseling stond Nel voor een sloot en kon ze niet verder +en voor en achter zich zag ze niets dan koeien, toen op hetzelfde +oogenblik een wagen kwam aanrijden met een grappig klein paardje er +voor. De kop van het paard ging steeds op en neer. Op den wagen zaten +wel honderd kinderen, hij was zoo vol, dat onder 't rijden er gedurig +enkelen afvielen, maar als aapjes kropen ze er weer bij op. De voerman +pakte Nel op en zette haar er tusschen, maar toen zat Nel zoo nauw, +dat zij zich letterlijk niet kon bewegen, want van alle kanten drongen +ze tegen haar aan en een jongen hield haar knie zoo stijf vast en +trok zulke vreemde gezichten, dat ze met een gil wakker werd. + +"Wat heb je, wat is er?" riep Door verschrikt en zat rechtop in bed. + +"Ik weet het niet," kreunde Nel, "o, wat had ik een akelige droom, +je weet het niet--van koeien en--o vreeselijk." + +"Wacht, ik zal gauw licht opsteken " zei Door en wipte het bed +uit. "Een buitenkansje, de lucifers liggen op den kandelaar," zei ze, +de kaars aanstekend. "Wil je eens drinken?" + +"O, graag," zei Nel klappertandend. "Ik droomde--" + +"Neen, hoor, die droom zal ik morgen vroeg wel hooren, laten we nu +liever over iets anders praten, anders doorleven we straks beiden +vervolg en slot van deze minder opwekkende droomgeschiedenis," zei ze, +weer in bed stappend. + +"Weet je, wat ik wou," zocht Door Nel af te leiden, "dat ik zoo'n +raaf had als die juffrouw--" + +"Welke juffrouw?" + +"Je weet wel, die dame, bij wie we vandaag die tollen en de sigaar +kochten." + +"O ja, dat zou leuk zijn," zei Nel, nog niet geheel bekomen. + +"Ik zou hem allerlei versjes leeren; te beginnen met: "'t Is vacantie, +'t blijft vacantie" enz." + +"Meen maar niet, dat dat zoo gemakkelijk zou gaan. Als hij hier op +de slaapkamer stond, dan zou hij al gauw roepen: "Nel, waar is mijn +haarlintje, waar mijn armband, waar mijn themaboek?" + +"Om te gieren," vond Door. "Zou zoo'n vogel duur zijn?" + +"Ik weet het niet," zei Nel geeuwend. + +"'t Is jammer, dat het er met mijn spaarpot altijd zoo treurig +uitziet." + +"En met de mijne." + +"Zeg eens, Nel, Ne-el." + +"Ja"--kwam er flauw uit het andere ledikant. + +"Je moet je oogen eens half toe doen en dan naar de kaars kijken, +dan zie je zulke prachtige stralen." + +"Hm," zei Nel, "'k doe ze liever heelemaal toe, 'k ben slaperig." + +"Ja, ik ook. Toch leuk, die stralen van die kaars, ik zal ze toch +zoo meteen uitblazen--" + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + +EEN DAG VOL GEHEIMEN. + + + + "Er stond een juffrouw aan de deur + Met een witte boezelaar veur + Hoe langer ze ston + Hoe meer ze vergong" + + +zei Door den volgenden morgen lachend en wees uit haar bed naar +den kandelaar. + +"Och, lieve tijd, je hebt de kaars laten branden," zei Nel en 't was +nog wel een nieuwe. + +"Ja, dat zal je altijd zien. Met stompjes zal mij zooiets niet +overkomen. Maar eigenlijk ben jij hier de schuldige." + +"Nu nog mooier!" + +"Ja, want om jou van een wissen ondergang te redden, ontstak ik het +licht," zei Door plechtig. + +"Ja, 't was een nare droom," zei Nel, nog rillend bij de herinnering. + +"Vertel hem nu maar; zoo onder het vastmaken van mijn knooplaarzen +bestaat er niet veel kans, dat ik hem verder droomen zal." + +"Ja," zei Nel, zich bezinnend, "ik droomde van koeien, die op mij af +kwamen--en--en--verder weet ik werkelijk niet meer." + +"Dat dacht ik wel. Een droom is als een Fransche les, als je hem +vertellen wilt, dan weet je er hoogstens een regel van. Maar dat je +van koeien gedroomd hebt, verwondert mij niet na ons avontuur van +gisteren. Mij dunkt, al de jonge leden van den huize Van Brakel hebben +het vannacht wel met een of meer koeien aan den stok gehad. Ik ken +mijzelf niet, dat ik er zoo heelhuids ben afgekomen, afschoon _jouw_ +koeien mij mijn halve nachtrust gekost hebben," lachte ze. + +De lucht zat vol geheimen! + +Geen wonder, Leni was den volgenden dag jarig en dat is op zichzelf +al een feest, maar jarig zijn in de vacantie, met nog twee aardige +logetjes, dat is wel een reden om er een echten feestdag van te +maken. Er werd dan ook heel wat afgefluisterd, zelfs Kee werd er in +betrokken, en wat meer zegt: Kee had nu eens geen haast, maar luisterde +belangstellend naar Nel of Door. Leni's hartje popelde van verlangen. + +"Is ons cadeautje al bezorgd?" fluisterde Door moeder in 't oor. + +"Nog niet, juffertje Ongeduld, maar dat zal wel komen." + +"Het zou jammer zijn, als het niet op tijd kwam. Weet u wat, ik ga +eens even naar den winkel." + +"Dat zou ik maar doen, zoo'n wandeling is gezond," zei mevrouw +Van Brakel. + +"Hoe vervelend! Nu kan ik mijn handschoenen weer niet vinden; maar kom, +dan maar zonder," overlegde Door bij zich zelf. "'t Is ook zoo warm." + +Zoo alleen boodschappen doen was juist een kolfje naar Doors hand; +ze hield dol van winkels kijken en nu kon ze net zoolang voor een +raam staan, als ze zelf verkoos. Nel had gewoonlijk zoo'n haast. Toen +ze eindelijk al haar aandacht gaf aan een winkel, waar mooie platen +voor de ramen hingen, bemerkte ze, dat een meisje naast haar stond, +dat gedurig naar haar keek en dat, telkens als Door haar aankeek, +lachend haar hoofd afwendde. Door wist niet, wat ze er van denken +moest en liep verder. Bij een volgenden winkel dacht ze: "Wat zien ze +toch aan mij?" toen ze bemerkte, dat ook een dame, die eerst achter +haar had geloopen, haar in 't voorbijgaan aankeek en lachend doorliep. + +"'t Is, alsof iedereen weet, dat we morgen een feestje hebben," dacht +ze bij zichzelf en liep wat vlugger om gauwer thuis te zijn. Maar +voor ze den winkel in ging om te vragen, of het cadeautje, dat zij +en Nel aan Leni wilden geven, klaar was, keek ze nog eens voor de +ramen naar allerlei beeldige dingetjes. Nauwelijks stond ze daar, +of een slagersjongen zei lachend: "Zeg eens, jongejuffrouw, is dat +de laatste mode, op _die_ manier je handschoenen te dragen?" + +Nu werd het Door toch te erg en met een kleur als vuur draaide ze +den winkel in. + +"Juffrouw," begon ze stotterend, "is..." maar Door kon bijna niet +verder spreken, toen ze het lachende gezicht van de juffrouw zag. "Is +de," hakkelde ze. Maar op eens schaterde de juffrouw het uit: "Hebt +u zoo door de stad geloopen?" + +"Ja," knikte Door verlegen. "Ja." + +Door bekeek zich van alle kanten, draaide zich om en om. + +"Hebt u niet naar uw handschoentjes gezocht?" Door knikte; begreep +er niets van. "Voelt u dan eens op uw hoed." Nu schaterde Door het +uit. "O, daar zijn ze, nu begrijp ik alles." + +"Ja, maar er zit nog iets, ik geloof een zakdoek. Voel maar eens +achter de lus." + +"Ja warempel," lachte Door. "Als ze dat thuis hooren! Ik ben maar wat +blij, dat u 't mij gezegd hebt, dank u wel. Maar nu zou ik bijna mijn +boodschap vergeten. Ik kwam eens hooren, of de mand klaar was. Morgen +is mijn zusje jarig." + +De juffrouw beloofde het cadeautje op tijd te bezorgen en lachend +nam Door afscheid. + +"Net iets voor jou, net iets voor jou," riep Nel, toen Door het heele +verhaal thuis deed. + +"Prachtig," zei vader, "prachtig. Jullie zult eens zien, dit meisje +wordt nog een professor." + +"Je verschijnt nog eens op een morgen met de handschoenen aan je +voeten en de schoenen aan je handen," plaagde Dolf. + +"Dat denk ik niet," zei Door; "want gewoonlijk mis ik een van beide." + +En terwijl Door beneden het verhaal deed van haar ongelukkigen tocht, +liepen Hans en Bob met Fritsje tusschen zich in ongemerkt zacht de +trap op. "Pas op, dat Leni ons niet hoort," zei Hans. + +"Leni morgen jarig," zei Fritsje. + +"Ja, Leni krijgt iets heel moois," zei Hans gewichtig. + +"Ja," zei Bob, "Leni krijgt een echt kuikentje, omdat ze zooveel van +kuikentjes houdt." + +"Waar is het?" vroeg Frits belangstellend. + +"Kom maar mee, het ligt in dezen koffer," zei Hans, terwijl hij den +koffer open deed. Nieuwsgierig keek Frits er in. + +"Ik zie geen kuikentje," zei hij teleurgesteld. + +"Zie je dat ei daar liggen?" vroeg Hans, nadat hij eerst allerlei +kleedingstukken van hem en Bob uit den koffer had genomen. + +Frits knikte. + +"Dat ei wordt een kuikentje," legde Bob uit. + +"Ja," zei Hans, Bobs woorden herhalend, "dat ei wordt een kuikentje." + +"Een echt?" vroeg Frits ongeloovig. + +"Ja. Maar eieren moeten een geheelen tijd heel warm liggen, voor er +kuikentjes uit kunnen komen," onderwees Bob weer. "Ik zal het daarom +maar weer gauw toedekken." + +"Als wij hier een kip hadden," bepeinsde Hans, "dan konden wij die +er op zetten." + +"Ja," zei Bob, wien dit ook wel toelachte, "dan kroop er misschien +morgen wel een kuikentje uit het ei, dat zou heerlijk zijn." + +"Durf jij een kip uit den tuin halen?" vroeg Hans. + +Bob schudde heftig zijn hoofd. "Een doode misschien wel," kwam er +flauwtjes uit. + +"Ja, maar die is er niet," zei Hans, met een bedenkelijk gezicht +naar de plaats kijkende, waar het ei lag, bedolven onder blousjes +en broeken. + +"Zal Fritsje kipje zijn?" stelde Frits moedig voor. + +Hans en Bob keken elkaar aan. + +"Kun je stil zitten?" vroeg Bob. + +Frits knikte. + +"Kippen zitten altijd doodstil op de eieren," zei Hans, die zich +verplicht gevoelde Frits het moeilijke van zijn taak goed onder het +oog te brengen. + +"Ik kan wel voor kipje spelen," zei Frits, die bij zijn voorstel bleef. + +"Dan zal ik de kleeren weer uit den koffer krijgen." + +"Kun je er alleen in stappen?" vroeg Bob. + +Neen, dat kon hij niet. Hans en Bob moesten hem helpen. + +"Daar is Julia ook," zei Bob, "die mag hier niet in deze kamer, +dan wil ze misschien ook in den koffer." + +"Als 't kuikentje piept, moet je er dadelijk uitkomen," waarschuwde +Hans. + +Frits knikte. + +"Als Frits op het kuiken zit, dan kan het wel dood gaan," zei Bob +angstig. + +Dat was een moeilijk geval, daar hadden Bob en Hans nog in 't geheel +niet aan gedacht. + +"Laten we dan maar liever de kleeren weer op 't ei leggen," stelde +Bob voor, die in zijn verbeelding het doode kuikentje al zag. En juist +zou Frits maar weer kip af zijn, toen vreeslijk gegil van beneden tot +hen doordrong. Bob en Hans holden naar het raam aan den voorkant en +zagen nog juist, dat Julia door Leni van de straat opgeraapt werd. + +"Hoe vreeselijk, Julia is uit het raam gevallen!" Bob en Hans vergaten +Frits en liepen, zoo vlug ze konden, naar beneden. + +"Och, lieve poes, lieve Julia," riep Leni schreiende. "Zie ze eens +beven. Als ze maar niet dood gaat." Zacht streelde ze poes; allen +stonden om haar heen. + +"Ze heeft gelukkig niets gebroken," zei mijnheer Van Brakel, de +pootjes onderzoekend. "Zet haar op dezen stoel, Leni; ik denk, dat +ze wel gauw weer de oude zal zijn. Zij is natuurlijk erg geschrokken." + +"Zie ze toch eens beven," zei Leni. + +"Maar hoe kwam poes toch boven? De deur van de voorkamer moet +opengestaan hebben." + +"Poes wou in den koffer," versprak Hans zich, "maar dat mocht niet, +want Fritsje...." + +"Fritsje? Is Frits dan boven?" vroeg mevrouw Van Brakel verbaasd. "Ik +dacht, dat jullie met hem in den tuin speelden." + +"Fritsje zit in den koffer," lichtte Bob toe. + +"In den koffer?" Allen keken verbaasd naar de tweelingen, toen Hans, +die opeens aan de verrassing van Leni dacht, zei: "Ja, 't is een +geheimpje, he Bobbie?" + +De verwondering steeg ten top. Door holde naar boven, waar ze Fritsje +snikkend in den koffer vond zitten. + +"Och, kleine vent, wat scheelt er aan?" Maar niettegenstaande het +diep ongelukkige gezichtje van Frits kon Door toch haar lachen niet +bedwingen, toen Frits tusschen het schreien door riep: "Ik--ik--wil +geen kippetje zijn, Dora, ik wil geen kippetje zijn." + +Toen Door met het snikkende Fritsje beneden kwam en met vragen bestormd +werd, zei ze lachend: + +"Wij vertellen niets, dat is nu _ons_ geheimpje, wat zeg jij, kleine +man?" Fritsjes verdriet, nu hij uit den koffer en weer bij moesje was, +was spoedig geleden. + +Gelukkig was Julia gauw weer beter en toen Leni even de kamer +uit was, stelde vader voor, eerst de tweelingen en daarna Julia te +photografeeren. Kee werd in het geheim genomen. Die kwam daarom even +later Leni vragen, haar wat te helpen. + +"Ik kom anders nooit klaar en jij kunt zoo mooi helpen, je doet +mij zooveel pleizier," beweerde ze. "Je werkt nog beter dan ik +zelf." En ze liet Leni koffie malen uit den treuren, totdat ze wel +voor een week genoeg had. En nadat de heer Van Brakel Bob en Hans +had gephotografeerd, beiden zittende in de sportkar, was hij met een +onuitputtelijk geduld bezig Julia te "nemen." Juist op 't moment, +dat het gaan zou, zag Julia, onbewust van 't gewichtige oogenblik, +een vlieg, waardoor haar rustige houding van even te voren geheel +veranderde en zij vol belangstelling het diertje met haar poot +trachtte te grijpen. Maar eindelijk, na herhaalde pogingen, stond +Julia er "prachtig" op. Fox, die eigenlijk ook op een kiekje moest, +was op dat oogenblik nergens te vinden en dus bleef het bij poes en +de tweelingen. Dolf stelde voor Toetie en Snoetie te fotografeeren, +maar deze twee waren vader veel te beweeglijk, zoodat er veel kans +zou zijn, dat Snoetie met twee koppen en Toet er misschien met twee +staarten opkwam en vader wist zeker, dat Leni op zoo'n portret van +haar lievelingskippen niet gesteld was. + +"Jammer, dat Foxje er niet is," zei Dolf, "ik wil nog eens kijken, +misschien is hij wel in de buurt." En juist zou Dolf de kamer uitgaan, +toen Nel hem lachend tegen hield. + +"Weer een brief van oom Karel," zei ze, "dien moet je eerst hooren, ik +zal hem voorlezen. Jongens, een brief van vader, kom eens gauw," riep +ze den tuin in. "Waar is Leni, die moet ook bij de voorlezing wezen." + +"Hoera, hier zijn we al," juichte het drietal. + +"Toe, Nel, begin nu gauw," zei Door. + +Nel las: + +"Mijn lieve kaboutertjes! Het briefje, dat ik hierbij insluit, is +van Miekie. Ik vond het op den lessenaar. Miekie had natuurlijk geen +postzegel, daarom heb ik het briefje maar in het couvert gedaan en +aan jullie verzonden. Dat zij gisteren iets in haar schild voerde, +was duidelijk. Zij bleef voortdurend bij mij zitten, terwijl ik zat +te schrijven. Na eerst op mijn schouder en toen op een paar boeken +gezeten te hebben, ging ze op een blaadje postpapier zitten. Als ik +haar zei: "maar, Miekie, postpapier is er toch niet om op te zitten," +dan knipte ze een paar keer met haar groene oogjes en keek het raam +uit, alsof ze 't onschuldigste poesje van de wereld was." + +"Precies zooals Julia doen kan," zei Door. "En toen ik klaar was," las +Nel verder, "en het papier wilde meenemen, was ze zoowaar ingedommeld, +zoo hield zij zich tenminste, zoodat ik het blaadje wel moest laten +liggen. Toen ik later den brief zag, begreep ik, waarom zij dit grapje +uitgehaald had. + +Nu wil ik nog even vertellen, dat ik morgen bij jullie kom. Ik +weet, dat er dan een klein meisje jarig is, dat ik graag zou willen +feliciteeren en 't is dan mijn plan, de kaboutertjes den volgenden +dag mee naar hier te nemen. We verlangen allen erg naar hen en dan +... sedert gisteren heeft hier in huis een groote verandering plaats +gehad, maar ik _schrijf_ niet wat. Ik zal het mijn kaboutertjes +zelf _vertellen_. Wat zullen ze opkijken! Honderd kusjes van vader +en moeder." + +"Komt Paatje morgen hier?" riepen Bob en Hans opgetogen. + +"Ja, hoe vindt jullie dat?" + +"Heerlijk!" zei Bob, "juist op Leni's verjaardag." + +"En gaan we dan gauw naar huis?" + +"Zeker, dan nog een nacht hier slapen," zei Nel, lachend om de +opgewonden gezichtjes. + +"Dan gaan we weer naar Maatje," zei Hans blij. + +"Ja en als jullie dan heerlijk bij je Maatje zit en bij Miekie, Bruun +en Jaap, dan zitten wij helaas weer op school," zei Dolf zuchtend. + +"Maar nu kunnen we nog zingen," zei Door en met een potlood de maat +slaande, begon ze: + + + "'t Is vacantie, nog vacantie. + Hoera vacantie boven." + + +En allen vielen mee in: + + + "En ieder, die 't niet zingen wil, + Die moet er aan gelooven." + + +Dolfs stem hoorde men boven allen uit. + +"Stil, nu zal ik Miekies brief voorlezen, kijk toch eens die groote +letters," zei Nel, den brief in de hoogte houdende. + +"Leuk," riep Leni, "begin nu maar." + +"Lieve baasjes," las Nel en keek daarbij Bob en Hans aan, wier +gezichtjes straalden van genot. "Ik verlang zoo naar jullie en +Bruun ook. Jaap, geloof ik, ook wel, maar dat kan mij niet schelen; +want op Jaap ben ik boos. Dat is zoo gekomen. Ik was gisteren op de +muizenjacht. Uren en uren had ik voor een gaatje gezeten, waaruit een +muis moest komen. Ik kreeg op 't laatst erg veel verlangen naar mijn +schoteltje met melk, maar toch bleef ik zitten, omdat ik bang was, +dat mij 't muisje ontsnappen zou. Bruno kwam ook een paar keeren bij +mij, hij wou met mij spelen, maar ik bleef zitten, ik wou het muisje +hebben. Eindelijk, jawel, daar stak het zijn puntsnuitje uit het +gaatje. Ik verroerde mij niet. Voorzichtig kwam het er verder uit, +zag overal rond, tot het opeens heelemaal te voorschijn kwam. Toen +sprong ik er op af, maar toch ontkwam het mij en schoot achter een +kist. Ik zal jou wel krijgen, dacht ik, en bleef dicht bij de kist +zitten. Op eens kwam Jaap binnen. Hij begreep blijkbaar dadelijk, +waarom ik zoo stil zat. "Jij boosdoenster," zei hij. "'t Is jou zeker +weer om een muis te doen." En toen eindelijk de muis van achter de +kist te voorschijn kwam, zette hij de deur wijd open; zoo ontsnapte +mij het heerlijke kluifje. Toen ik het achtervolgen wilde, smeet hij +de deur toe en zei: "Dat kun je begrijpen! Jij er weer achter aan +zoodat je het op 't laatst toch zou krijgen? Neen, daar komt niets van +in." Zoo was dus al mijn loeren voor niets geweest. Ik was zoo boos, +dat ik mij direct omkeerde en wegliep. Later kwam Jaap nog weer bij +mij met allerlei mooie praatjes, maar ik deed, alsof ik sliep en toen +ging hij gauw weer weg. + +"O, die oom Karel," lachte Dolf, "wat kan die toch aardige...." + +"Nu, wat kan oom Karel?" vroeg vader plagend. + +"Neen, neen," zei Dolf. "Ik bedoel, wat kan Miekie toch aardige +brieven schrijven." + +"Alsof Julia 't niet zoo kan," lachte Ma. + +"Ja, natuurlijk, Julia is dan ook een bijzonder knappe poes," zei Door. + +"Laat mij nu verder lezen," zei Nel, "de brief is nog lang niet uit." + +"Ik wilde toen mijn troost bij Bruno zoeken, maar die was als +gewoonlijk buiten en speelde op 't grasveld met andere honden. Aan +den kant van het grasveld staan boomen, zooals jullie weet, en nu had +iemand zijn hond, een mooien zwarten poedel, met een touw aan een van +die boomen vastgebonden, zeker, omdat hij hem niet goed mee naar binnen +kon nemen. Natuurlijk was dit alles behalve prettig voor dien hond, +vooral, omdat hij al die andere zoo vroolijk zag ronddraven. Bruno was +al eenige malen naar den armen gevangene toegeloopen om een praatje +met hem te maken, maar dan kreeg hij weer zoo'n lust om te stoeien, +dat hij wel driemaal 't bloemperk omrende, tot hij op eens op de +gedachte kwam den poedel te helpen. Hij begon in het touw te bijten, +te bijten--nu, je weet, Bruun heeft scherpe tanden. De vastgebonden +hond begon te kwispelstaarten en te blaffen, Bruun rustte even, begon +weer met vernieuwde krachten te rukken en te bijten. Tot hij het +touw doorgebeten had. Als een pijl uit den boog rende de poedel niet +eenmaal, maar wel zesmaal 't grasveld rond. Wat was hij blij! Bruun +achter hem aan. Het werd een dolle jacht. + +Toen de poedel geheel buiten adem met de tong uit den bek even stil +stond, kwam zijn baas er aan. Als jullie zijn gezicht gezien hadt! Hij +keek van den boom naar den poedel en van den poedel naar den boom en +dan naar de andere honden. Eenige menschen, die alles gezien hadden, +wezen naar Bruno. De baas lachte nu ook, floot een paar malen en +jawel, daar kwam de poedel, nog met een stuk touw achter zich aan, +schoorvoetend naar hem toe. Hij was, geloof ik, bang, dat de baas +boos zou zijn, maar die klopte zijn hond op den rug, streek hem over +den kop, zoodat de poedel vroolijk kwispelstaartte en met hem meeliep." + +"Zou Foxje ook zoo iets kunnen doen, vader?" vroeg Dolf. + +"Misschien wel, maar Bruun is een groote, sterke hond en heeft +natuurlijk een sterk gebit." + +"Kom maar terug naar je zoo zeer verlangende Miekie," las Nel. + +"Prachtig, moes, wat zou die verandering toch kunnen zijn?" vroegen +Nel en Leni. + +"Dat zul je morgen wel hooren," lachte ma. + +"Misschien heeft vader kuikentjes gekocht," zei Hans, die aan zijn ei +in den koffer dacht. "Of heeft Bruun een nieuwen halsband gekregen," +raadde Bob. + +"Of, of," zei Leni, "heeft Miekie jonge poesjes gekregen." + +"Ik wou, dat 't al morgen was," zuchtte Hans. + +"Ik kan bijna zoolang niet wachten," zei Bobbie. + +"Nu kan ik door twee dingen bijna niet in slaap komen vanavond. Ten +eerste, omdat ik morgen jarig ben en ten tweede, omdat ik zoo +verlangend ben naar hetgeen oom Karel heeft te vertellen." + +"Moes, u weet het," zei Door, mevrouw Van Brakel met den vinger +dreigend. "Toe, vertelt u het ons eens." + +"Dat kun je begrijpen," lachte moeder. + +En toen Door Nel later iets in het oor fluisterde en Dolf vroeg, +of er ook een verfkwastje was, zei mijnheer Van Brakel lachend: +"'t Is hier wel een tijd van geheimpjes, dat moet ik zeggen." + +"Nu, kinderen, 't is tijd om naar bed te gaan. De tweelingen en Leni +slapen zeker al lang." + +"Ja, kom Nel, wij moeten morgen vroeg op," zei Door, "want".... + +"St., niets vertellen," zei Nel, den vinger op den mond houdende. + +"Och, lieve tijd," zuchtte Door, "ik vind het toch zoo "onmogelijk" +lastig, geheimen te bewaren." + + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + +LENI'S VERJAARDAG. + + +"'t Is zes uur, sta op," fluisterde Nel. + +"Wat zeg je?" vroeg Door slaperig. + +"'t Is zes uur. We zouden immers bloemen voor Leni plukken. Kom +er uit." + +"Nu al?" + +"Ja zeker, anders komen we niet klaar." + +"Ik ben zoo "onmogelijk" slaperig." + +"Dat ben je om zeven uur ook nog," was 't kalme antwoord. + +"Je hebt ook nooit medelijden met mij," kwam er grappig klagend uit. + +"Als ik klaar ben, ga ik en wacht niet op je." zei Nel. "Stil, Leen +draait zich om; als ze wakker wordt, is alle aardigheid er af." + +"Ik kom al," zuchtte Door, haar kousen aantrekkend. + +Zacht fluisterend en op de teenen loopend kleedden Nel en Door, +zich aan. + +"Begin nu alsjeblieft niet met je sproeiwoede," zei Nel, toen Door +haar waschkom vol schonk, ''dan wordt Leni stellig wakker." + +"'k Vang dan anders twee vliegen in een klap," zei Door lachend. + +"Hoe zoo?" + +"Wel, ik krijg de volle laag en jij bent wel tevreden met de +druppeltjes, die mij voorbij vliegen; op die manier zijn we gauw +klaar." + +"Als jij dat druppeltjes verkiest te noemen," zei Nel, "'t is +gewoonlijk een volslagen fontein. Stil, Leni beweegt zich weer, +sta nu toch doodstil." + +Wel drie minuten stonden beide meisjes onbeweeglijk, angstig kijkend +naar de kleine jarige. + +"Voor standbeeld ben ik niet in de wieg gelegd," zei Door, toen zij +zich weer durfde bewegen, "dat merk ik wel." + +"En ik niet," zei Nel. + +Plof! Wat was dat? Doors kam gleed uit haar handen. Beide meisjes +stonden als palen; want nu volgde een onrustbarend geschuifel in +het ledikant. + +"Ga op den grond liggen," commandeerde Nel en zeeg zelf ook behoedzaam +neer. Het geschuifel hield aan. Door en Nel stikten bijna van 't +lachen. Door lag voorover met haar hoofd onder de tafel, de noodlottige +kam recht voor zich uit houdende. Nel in haar onderlijfje met de beenen +onder haar eigen ledikant. Toen werd de deur zacht opengeduwd en Hans +stond met verbaasde oogen naar het eigenaardige tooneeltje te kijken. + +Door wist geen raad van het lachen bij het zien van Hansjes +verwondering. Hij dacht zeker niet anders, of de beide meisjes waren +door een aardschok neergesmeten. Door wenkte met de kam, dat hij weg +moest gaan. Hans scheen haar niet te begrijpen en bleef onbeweeglijk +staan. + +"W-e-g," spelde Door met de lippen en wees naar Leni's ledikant. + +"Het-ei-is," fluisterde Hans en wilde blijkbaar nog meer zeggen, +maar Door zwaaide zoo wanhopig met de kam, dat Hans ten slotte +bedrukt wegging. + +"Ik geloof, dat Leni weer in slaap gevallen is. Houd toch op met je +gelach, je zult alles nog bederven," waarschuwde Nel boos. + +"Zag je Hansjes gezicht?" fluisterde Door, zich nu ook oprichtend. Nel +knikte. Tot overmaat van ramp kwam Foxje ook nog in de kamer, maar +Door zette hem er voorzichtig uit en zoo kwamen de beide meisjes toch +eindelijk klaar. Moeder was al beneden en werd in het geheim genomen; +ze beloofde Leni, als ze beneden kwam, naar Kee te sturen, tot alles +voor de jarige klaar was. + +"Kom nu maar gauw mee," zei Nel tot Door; "want er zijn heel wat +vaasjes te vullen." + +"Gelukkig! Ons cadeau is bezorgd," zei Door, op de nieuwe mand voor +Julia wijzend. "Stopt u die maar goed weg, moes, anders ziet Leni +die nog, voor we thuis zijn." + +"Daar zal ik wel voor zorgen, kind! Ja, meisjes, jullie moet +voortmaken. Een verjaardag zonder bloemen en dat nog wel in den zomer, +dat gaat toch niet. 't Is heerlijk, dat jullie een veldbouquet gaat +plukken; want het zou jammer zijn den tuin te plunderen, als het +niet noodig is; alles staat nu zoo mooi en we hebben er zoo lang +pleizier van." + +"Ja, moes, we komen gauw terug," zei Door, die den botaniseertrommel +van Dolf nam. Na een half uur hadden de meisjes een prachtigen +ruiker geplukt. + +"Ik pluk ook nog wat papavers," zei Nel, "die staan zoo beeldig." + +"Ja, dat doen ze, maar ze zijn zoo gauw verlept," vond Door. + +"Ziezoo, we hebben genoeg, laten we maar vlug opstappen, want het +valt niet mee, alles te moeten rangschikken." + +"Is Leni al beneden?" was 't eerste wat Nel vroeg, toen ze thuis +kwamen. + +"Neen, ze schijnt nogal te kunnen slapen, niettegenstaande ze gisteren +het tegendeel beweerde," zei mevrouw Van Brakel. "He, kinderen, +kinderen, wat een schat van bloemen brengen jullie mee." + +Alle vaasjes en glazen werden voor den dag gehaald en met bloemen +gevuld, wat aan de kamer een echt feestelijk aanzien gaf. + +"Foxje, kom eens hier, oude jonge, je vrouw jarig en jij geen strik +om? Dat is ongehoord." En Nel bond Fox een blauw lint om den hals +en maakte aan een kant een flinken strik. Zoo heel pleizierig vond +Foxje dit nu niet, maar voor een jarige moet je wat over hebben, +had hij dikwijls gehoord en dus droeg hij zijn lot gelaten, zooals +een gehoorzaam en liefhebbend hondje past. En terwijl Nel bezig was +met Fox, bond Door Julia een rood lint om. Blauw was meer haar kleur, +vond Door, maar met het oog op de rood gevoerde mand was het beter +de halsversiering ook in die kleur te nemen. + +"Daar komt Leni aan!" riep Nel. "Waar is Dolf en waar zijn de +tweelingen en vader? We moeten toch allen in de kamer zijn, voor +Leni binnenkomt." + +"Dolf is achter in den tuin, met Bob, Hans en Fritsje." + +"Jongens, op 't appel!" riep Door. + +"'t Is vandaag feest, zooals 't nooit is geweest," zong vader en kwam +met Leni binnen. Leni wist van verlegenheid niet, hoe ze kijken zou, +toen allen haar in de kamer opwachtten. + +Verrukt keek ze naar de bloemen. + +"Ja, ja, daarvoor hebben Nel en Door gezorgd. Wat zeg je daar wel +van?" zei moeder. + +"Beeldig," vond Leni. + +"Een spel voor den tuin," zei moeder en zette een groote kist op +de tafel. + +"Een croquetspel," juichte Leni, "heerlijk!" En ze vloog op moeder +en vader toe om beiden te bedanken. + +"Wat je Julia geeft, geef je Leni, hebben wij gedacht," zei Door. + +"Een ledikant voor je Snoes," voegde Nel er bij en zette ter +verduidelijking de poes in de nieuwe mand. + +"Hoe leuk!" riep Leni. "Och, zie haar eigenwijs gezicht eens." + +"Julia onderzoekt, of ze een springveeren of een paardeharen matrasje +heeft," zei Dolf, toen de poes de mand van alle kanten besnuffelde. + +"Maar hoe staan onze loge's zoo stil te kijken?" vroeg mijnheer +Van Brakel. + +"Er is geen kuikentje uitgekomen," zei Bob. + +"Geen kuikentje uitgekomen, ventje?" vroeg moeder verwonderd. + +Door proestte het uit. + +"Neen," zei Hansje, die dit gelukkig niet zag. "Het heeft al dien +tijd in den koffer gelegen onder onze blousjes. En Fritsje durfden +wij er niet opzetten, omdat we bang waren, dat het kuikentje dan dood +zou gaan." + +"Ik begrijp toch niet recht, wat je bedoelt," zei vader, die moeite +deed ernstig te kijken; "vertel mij eens, wat lag in den koffer, +kereltje?" + +"Dit ei," zei Hans. Maar nu kon mijnheer Van Brakel zich niet langer +bedwingen. Hij schaterde het uit en allen in de kamer schoten in een +hartelijk gelach. + +"'t Is een kalkei; o jongens, jongens, jullie bent eenig, eenig!" + +Toen allen zoo vroolijk waren en het zich zoo in 't geheel niet +aantrokken, dat er geen kuiken uit het ei gekomen was, zelfs Leni niet, +toen moesten Hans en Bob toch wel meelachen. + +"Kijk eens, dit mag jullie Leni geven," zei moeder en gaf Bob een +doos met flikjes. "Daar kan ze dan eens uit presenteeren vanmiddag, +als paatje er is." + +Dat was goed. + +"Fisjeleer," zei Fritsje, terwijl hij Leni een fleschje met eau de +cologne vereerde. Natuurlijk moest ieder even van de eau de cologne +ruiken en daar Fritsjes zakdoek nergens te vinden was, kreeg hij een +beetje op de punt van zijn schort. + +"Nu heb ik hier ook nog een paar oude kennisjes," zei vader, de +portretten van de tweelingen en Julia gevende. + +"Och, paatje, hoe aardig," zei Leni verrukt. "Wanneer hebt u dat +gedaan? Bob en Hans hebben me er niets van verteld." + +"Ja, dat _die_ geheimen kunnen bewaren, hebben we gemerkt," zei vader, +"maar Julia doet voor hen niet onder." + +"Mag ik nu de jarige in den tuin verzoeken?" zei Dolf. + +"In den tuin?" vroeg Nel. + +"Ja, komt allen maar mee, achter in den tuin." + +"Kijk toch eens, Dolf heeft warempel het kippenhok geverfd," riep +Leni opgetogen. + +"Hoe leuk!" + +"Dat noem ik nog eens een verrassing," zei vader. "Ik wist werkelijk +niet, dat ik zoo'n knappen zoon had." + +"Wanneer heb je dat gedaan?" vroeg Door. + +"Gisterenavond en vanmorgen. Ik was om zes uur al in den tuin," zei +Dolf, blij, dat allen het zoo aardig vonden. "Maar nu moet je er ook +eens even in gaan," zei hij tot Leni; "ik heb de kippenfamilie zoo +met elkaar zien fluisteren, het zou mij niet verwonderen, als zij +ook een verrassing voor je hadden." + +Lachend ging Leni in het hok. "Kom eens hier," riep ze en stond te +dansen voor de nesten van Toetie en Snoetie. "Komt toch eens allen +hier!" + +"Maar kindje, dat is toch wel wat veel gevergd," zei vader; "het +heele gezelschap in het kippenhok! Laat ons liever eens zien, +welke verrassing je kippenfamilie jou bereid heeft: wij branden +van verlangen." + +"Toe, Leen, kom er uit," zei Door, "je maakt ons zoo "onmogelijk" +nieuwsgierig." + +"Kijk eens," zei Leni, "dit rose suiker ei heeft Toet gelegd. Het +staat er op, leest u maar." + +"Van Toetie op uw verjaardag." + +"Wel verbazend, dat is kranig," zei vader. + +"En dit witte van Snoetie." + +"Zulke kippen moesten we meer hebben." + +"En dit," zei Leni, en liet een chocolade-ei zien, "van...?" + +"Asschepoes," raadde Nel gierend. + +"Van den haan. Zijn visitekaartje heeft hij er bij gelegd. Kijk, +Haantje-Kukelekaantje staat er op en aan den anderen kant: + + + "Lief jarig pleegmoedertje, + In 't kraaien ben ik wel een baas, + In 't eier leggen niet, helaas! + Maar op het feest van pleegmama + Legde ik toch een ei van chocola + Uit dankbaarheid, omdat zij elken morgen + Zoo trouw voor mij en mijn kippen komt zorgen." + + +"Dolf, Dolf, hoe onmogelijk leuk." + +Ieder moest het hanenei natuurlijk bekijken, 't Was dan ook wel een +groote bijzonderheid; zelfs vader, die al zoo oud was, beweerde, +er nog nooit een gezien te hebben. + +"Jij krijgt straks het kapje, hoor Snoet," zei Leni tegen Fritsje. Dat +leek Frits wel goed toe en Hans en Bob werd het kapje van de +suikereieren beloofd. + +"Waar is Kee? Die moet ze ook zien," riep Leni. + +"Daar komt ze juist aan." + +"Asjeblieft," zei Kee, nog voor Leni iets kon zeggen, "omdat jij +mij gisteren zoo geholpen hebt," en meteen duwde ze Leni een klein, +beeldig poppenkoffiemolentje in de hand. + +"Och moes, maatje, zie eens, van Kee!" + +"Kindje! Maar 't is al te erg vandaag, je wordt veel te veel verwend." + +Toen Leni de eieren aan Kee liet zien van Snoet, Toet en +Haantje-Kukelekaantje, sloeg Kee de armen van verbazing in de +hoogte. "Heb ik van mijn leven, heb ik van mijn leven! Nu begrijp +ik, waarom hij vanmorgen zoo aanhoudend kraaide, 't Is dan ook +geen kleinigheid, een chocolade-ei. Dat doen de kippen hem niet na, +ofschoon Snoet en Toet ook bijzonder knap zijn. Maar, liefje, ik moet +nu weer naar mijn boontjes," zei Kee en holde weg. + +"Hoor Fox eens, met wien heeft die het toch zoo aan den stok?" zei +mijnheer Van Brakel. "Hij keft ons de ooren doof. Daar zit toch soms +geen vreemde poes onder die struik?" + +"O wee!" riep Door, "ik begrijp het al. Als Fox hem maar geen kwaad +doet. Leni, kom eens gauw hier. Kijk eens onder die struik." + +Leni bukte zich. "Een egel?" vroeg ze verwonderd, "voor mij?" + +"Een extraatje van Door en mij," zei Nel lachend. + +"Ik had het diertje maar stil willen laten liggen, maar Door dacht, +dat jij hem wel "snoezig" zou vinden, omdat je nu eenmaal alles +snoezig vindt, wat dier is. We hebben hem aan den weg gevonden." + +"Laat eens kijken," zei Dolf, "hoe grappig, ik heb nog nooit een egel +zoo dichtbij gezien." + +Hans en Bob vonden het in 't geheel geen aardig beestje, beweerden ze, +en Frits bleef op een eerbiedigen afstand. + +"Als Fox hem maar geen kwaad doet," zei Door. + +"Wel neen, 't blijft bij blaffen," zei vader, "daar behoef jullie +niet bang voor te zijn. We zullen hem wat melk brengen, daar houden +ze in den regel van." + +Leni liep naar huis en kwam na een oogenblikje met een schoteltje +met melk terug. 't Was eerst, of de egel 't niet zag, maar al gauw +begon hij te drinken tot groote vreugde van allen. + +"Je zult eens zien, hoe gauw hij tam is," zei moeder. + +"Maar nu gaan we eerst ontbijten, anders zijn we niet klaar, als oom +Karel komt," zei moeder. + +"Ik verlang ook naar paatje," zei Bob. + +"Ja, en wat zou paatje wel te vertellen hebben?" vroeg Hans. + +"Nog maar een beetje geduld," lachte moeder. + +"Morgen gaan we naar huis, he tante?" + +"Goeden dag, goeden dag, feestvierende menschen!" hoorde men oom +Karel dien middag plotseling zeggen. "Daar ben ik al. Waar zijn mijn +kaboutertjes en waar is de jarige dame?" + +"Hier paatje," en Bob en Hans vlogen hun vader om den hals. + +"Ja, ja, kereltjes, hoe is 't met jullie? Druk aan 't feestvieren zie +ik. Wel, wel Leni, is dat croquetspel een cadeau? En Fox en Julia in +feestgewaad! 't Is geen kleinigheid, 'k Ben wat blij, dat ik gekomen +ben. Kijk eens, dat is nu _mijn_ cadeautje. Ik hoop, dat je 't mooi +vindt, meisje. Ik kan maar niet vergeten, hoe bedroefd je was over 't +verlies van sneeuwwitje en daarom heb ik je nu een ander sneeuwwitje +meegebracht." + +"Een pop!" riep Lena opgetogen. "Oompje, hoe heerlijk!" + +"En als sneeuwwitje gekleed," zei Door, "hoe beeldig! Kijk toch eens, +moeder!" + +"Prachtig, prachtig! Die oom Karel verwent je maar," zei moeder +lachend. + +"Dat heb ik wel begrepen," zei Nel, "dat jarig zijn in de vacantie +lang niet voor de poes is." + +"En nu 't geheimpje, oom," zei Dolf. "Wij branden allen van verlangen." + +"Dat is goed, kinderen. Bob en Hans, komen jullie eens bij mij zitten, +ieder op een knie. Het is iets heel moois en prettigs, dat ik te +vertellen heb." + +Allen keken oom vol verwachting aan. + +"Zoo'n aardig popje, als Leni gekregen heeft om mee te spelen," +begon oom, "is er bij ons in huis gekomen." + +"Ook een sneeuwwitje?" vroeg Bob verbaasd. + +"Maar, paatje, jongens spelen toch niet met poppen," zei Hans +teleurgesteld. + +Oom Karel glimlachte. "Er is bij ons in huis een levend popje--een +kindje gekomen." + +"Een echt?" Hans schoot van de knie af. + +"Ja, een echt." + +"O, oom, hoe leuk, hoe aardig!" + +Even was er doodsche stilte. + +"Maar, maar,--wat doet ze, kan ze al praten?" zei Bob, die 't eerst +van zijn verbazing bekomen was. + +"Eet ze al?" vroeg Hans. + +"Hoe groot is ze?--Heeft ze al haar? Slaapt ze?--Kan ze al lachen? Toe, +paatje, toe vertel eens alles." + +"Kleine, lieve kaboutertjes, hoe kan ik zoo gauw op alle vragen +antwoorden? Neen, praten kan ze nog niet, dat moeten wij haar nog +leeren. Ze kan nu eigenlijk nog maar alleen slapen, drinken en +schreien." + +"Schreien is praten, he paatje?" + +"Vindt moesje 't prettig, dat het zusje er is?" + +"En Jaap?" + +"Jaap ook. En Griet, die anders zoo'n leven kan maken in de keuken, +doet nu alles even zacht." + +"En-enne-paatje, luister eens. Hoe groot is zus?" vroeg Bob opgewonden. + +"Niet grooter dan Leni's pop." + +"Wijs eens, hoe groot haar handjes zijn." + +"Zoowat zoo groot als jou wijsvinger. Twee aardige, roode knuistjes +heeft ze." + +"Nu hebt u nog in 't geheel niet gezegd, hoe ze heet, oom," zei Leni. + +"Ze heet Else, ons kleine meisje." + +Allen vonden dit een prachtigen naam. "Zou ze 't prettig vinden, +dat we morgen terugkomen?" + +"Welk zusje zou niet blij zijn met zulke lieve broertjes," zei oom +Karel, Bob in de wang knijpende. + +"O paatje, ik verlang zoo," zei Hans met een diepen zucht. + +"Wat kunnen we later heerlijk paardje spelen, Bobbie. Zus komt dan +in de sportkar te zitten, jij wordt paard en ik koetsier." + +"Neen, dan wil ik koetsier zijn," zei Bob. + +"Neen," pruilde Hans, "ik heb het 't eerst gezegd." + +"Weet jullie wat," zei mevrouw Van Brakel, die bang was, dat er +gekibbel kwam. "Zusje mag dan kiezen, die is de dame, die gereden +wordt." + +"Ja, dat vind ik best," zei oom. "En zal ik jullie nu eens vertellen, +waarom zusje _nu_ gekomen is?" + +Ja, dat wist niemand. + +"Omdat ze het later zoo prettig zou vinden in de vacantie jarig +te zijn." + +"Of ze gelijk heeft," riepen Nel en Door tegelijk. + +"Maar nu moet ik toch werkelijk eens kijken, wat Leni gekregen +heeft. Morgen in den trein kunnen we den geheelen tijd over zusje +praten. Mij dunkt, Door en Nel zijn hier aan 't versieren geweest. Wat +een heerlijke massa bloemen! Met je nieuw croquetspel wil ik vandaag +vast een spelletje doen.' + +"Ja, ja, dat moet ingewijd worden," zei Dolf. + +"En nu moet u nog eens iets zien," zei Nel. + +"Extraatje van Door en mij," stelde ze voor, op den egel wijzend. + +"Neen, oompje, alleen van mij, Nel durfde hem niet opnemen." + +"Een egel? Daar moet je nu Door voor wezen om zoo'n aantrekkelijk +diertje mee te nemen," lachte oom. "Wat zei zusje wel van zoo'n +cadeau? Maar dat behoef ik eigenlijk niet te vragen. Bij Leni is +immers elk dier welkom." + +"Dat zei ik ook, oompje." + +"Hoe jammer," zei Leni, "dat de egel zich nu heelemaal ingerold heeft." + +"Dat is niets, die onbeleefdheid en dat nog wel op jouw verjaardag, +zal ik hem wel gauw afleeren," zei oom. "Dolf, haal mij eens een +kopje water, dan zullen we "extraatje," eens een bad geven." + +Nauwelijks had de egel het water gevoeld, of hij begon zich te +ontrollen. + +"O, kijk hem eens, kijk hem eens," riepen Dolf en Nel. + +"Zie hem eens boos kijken," lachte Door. "Foei, oude jongen, niet zoo +ernstig en dat nog wel op zoo'n grooten feestdag als vandaag. Ziezoo, +zoo mag ik je liever, nu ben je ons tevreden "extraatje" weer." + +"Stil, wij worden geroepen! Wie het eerst thuis is," zei oom en nam +Fritsje op zijn schouder en 't heele jolige troepje holde achter +hem aan. + +"Fritsje gewonnen! Moesje! Fritsje gewonnen!" + +"Ja, ja," lachte moeder, "jij lijkt het winterkoninkje wel, die bij +een wedstrijd onder de vogels, wie 't hoogste vliegen kon, onder de +vleugels van den adelaar kroop en zoo den strijd won, maar de andere +vogels leelijk fopte." + +Daar begreep Fritsje niets van, maar wel, dat, wat op tafel stond, +heerlijk was. + +"Bob en Hans, kom gauw. Hier staan beschuiten met muisjes op tafel," +riep Dolf, die de tweede overwinnaar was. "Ter eere van 't zusje," +zei mevrouw Van Brakel. + +'s Middags werd er croquet gespeeld, tot groot pleizier van de groote +en kleine menschen, maar niet het minst van Fox en Julia, die elken +bal naholden. Tot slot van het feest onthaalde moeder nog op een +heerlijke roomtaart, waarop ze voor de grap een vlaggetje gestoken +had en waarop stond: "Wie in Augustus geboren is, hoezee!" + +Allen begonnen dadelijk te zingen, zoodat het een oorverdoovend leven +was. Toen werden er nog allerlei spelletjes verzonnen en moest Leni +"Toetie" raden uit: begraven steden en Door "vacantie." + +Eindelijk werd het tijd voor de kleintjes om naar bed te gaan. Leni +mocht een uurtje langer opblijven. Toen eindelijk ook Door, Nel en +Dolf goeden nacht hadden gezegd, zongen ze nog als op den eersten dag +van de vacantie met een kleine verandering, door Door in het schoone +lied gebracht: + + + "'t Is vacantie, nog vacantie, + Hoera vacantie boven! + En ieder, die 't niet zingen wil, + Die moet er aan gelooven." + + +Den volgenden morgen voor schooltijd zag men weer, als op den eersten +dag van de vacantie, twee vlaggetjes uit een portier van den trein +wapperen. Maar nu wuifde oom Karel met zijn kaboutertjes den wachtenden +bij den trein met even vroolijke gezichten een afscheid toe. + +"Toe, kinderen, voor 't laatst nog eens," zei oom Karel plagend: +"'t Is vacantie!" + +"Neen, oompje," zei Door, lachend op haar boeken wijzende, "dat zal +niet gaan!" + +En de anderen gaven Door volkomen gelijk. + +"Onmogelijk, meisje?" + +"Onmogelijk, oompje," bevestigde Door. "Maar met de Kerstvacantie is +'t weer: "'t Is vacantie,"--zou Door juist beginnen te zingen, toen de +trein zich in beweging zette. Nog een laatste wuiven van de vlaggetjes +en van oom Karels witten zakdoek en 't vroolijke troepje groette van +'t perron terug. + +Om twaalf uur kwamen allen opgewekt uit school. + +"'t Was toch zoo leuk in de nieuwe klasse," vonden Door en Nel. Dolf +en Leni hadden allerlei prettige verhalen. + +"Dat mag ik zien," zei moeder. "Vroolijk op school en vroolijk thuis." + +"Ja, ja, we zijn wat trotsch op ons jolig troepje," zei vader lachend. + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Een Jolig Troepje, by Marie Leopold + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN JOLIG TROEPJE *** + +***** This file should be named 12070.txt or 12070.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/2/0/7/12070/ + +Produced by Jeroen Hellingman en the Distributed Proofreaders Team + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + +Each eBook is in a subdirectory of the same number as the eBook's +eBook number, often in several formats including plain vanilla ASCII, +compressed (zipped), HTML and others. + +Corrected EDITIONS of our eBooks replace the old file and take over +the old filename and etext number. The replaced older file is renamed. +VERSIONS based on separate sources are treated as new eBooks receiving +new filenames and etext numbers. + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + +EBooks posted prior to November 2003, with eBook numbers BELOW #10000, +are filed in directories based on their release date. If you want to +download any of these eBooks directly, rather than using the regular +search system you may utilize the following addresses and just +download by the etext year. + + https://www.gutenberg.org/etext06 + + (Or /etext 05, 04, 03, 02, 01, 00, 99, + 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90) + +EBooks posted since November 2003, with etext numbers OVER #10000, are +filed in a different way. The year of a release date is no longer part +of the directory path. The path is based on the etext number (which is +identical to the filename). The path to the file is made up of single +digits corresponding to all but the last digit in the filename. For +example an eBook of filename 10234 would be found at: + + https://www.gutenberg.org/1/0/2/3/10234 + +or filename 24689 would be found at: + https://www.gutenberg.org/2/4/6/8/24689 + +An alternative method of locating eBooks: + https://www.gutenberg.org/GUTINDEX.ALL + + diff --git a/old/12070.zip b/old/12070.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..7ba3700 --- /dev/null +++ b/old/12070.zip diff --git a/old/old-2024-12-07/12070-0.txt b/old/old-2024-12-07/12070-0.txt new file mode 100644 index 0000000..d3850a3 --- /dev/null +++ b/old/old-2024-12-07/12070-0.txt @@ -0,0 +1,4272 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 12070 *** + +Een Jolig Troepje + +Door + +Marie Leopold + + + + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +DE EERSTE VACANTIEDAG. + + + "'t Is vacantie! 't blijft vacantie! + Hoera, vacantie boven! + En als je dat niet zingen wilt, + Dan moet je er aan gelooven!" + + +zong Nel in haar nachtjapon, terwijl ze met een natte spons in de +hand voor Dora's bed stond. + + + "Hoera! vacantie boven! + En als je dat niet zingen wilt, + Dan moet je er aan gelooven!" + + +Pats, de natte spons viel op Dora's gezicht. + +"Wat is dat, br.... Nel, wat scheelt je? Br....!" riep Door, die +op eens rechtop in haar bed zat met een druipnat gezicht. "Dat is +verraderlijk. Ik sliep zoo lekker. Kijk dat laken eens: kletsnat. Brr, +geef me gauw mijn handdoek." + +"Zul je dan zingen?" + +"Ja, ja, alles wat je wilt, maar geef eerst mijn handdoek. Gauw, +'t loopt met een straaltje achter in mijn nek." + +"Nu, zing dan," dreigde Nel, de spons voor Door in de hoogte houdende. + + + "'t Is vacantie, 't blijft vacantie, + Hoera, vacantie boven!" + + +viel Door in. + + + "En ieder, die 't niet zingen wil, + Die moet er aan gelooven!" + + +Hup, vloog ze 't bed uit, greep Nel de spons uit de handen, doopte die +één, twéé, drie in de lampetkan. En vóór Nel nog iets had kunnen doen, +daar droop haar geheele gezicht. Toen begon een wilde jacht om de +tafel, over bedden en stoelen, dat hooren en zien je verging. Midden +in die dolle jacht zat rechtop in haar bed kleine Leni in de handen +te klappen en mee te zingen. + +Zacht ging de deur open, wat Nel en Door in 't vuur van haar spel niet +hoorden. Nel was onder de tafel gekropen en sloeg met den handdoek +naar Door, die met een natte spons klaar stond om op haar vijandin +in te stormen. + + + "'t Is vacantie, 't is vacantie ..." + + +"Maar kinderen, kinderen, dat belooft wat voor de vacantie," lachte +moeder. + +"O moeder, we hebben zoo'n pret," juichte Leni met een hoogroode kleur. + +"Maar kijk eens, een beekje is er uit de spons geloopen van de +lampetkan naar den stoel." + +"Ja, dáár," zei Door plechtig, "kreeg ik den vijand in handen." + +"Wat is dat?" riep moeder verschrikt, toen Leni haar met een sprongetje +op den rug zat. + +"Ook een vijand, maar een droge, dat zijn natte," zei Leen, terwijl +ze naar Nel en Door wees. "O, moesje, zing nu gauw, anders komt Door +met haar natte spons," en toen begonnen allen weer te zingen: + + + "'t Is vacantie, 't blijft vacantie, + Hoera, vacantie boven! + En als je dat niet zingen wilt, + Dan moet je er aan gelooven!" + + +En voor ze 't uit hadden, kwam in zijn hanssopje kleine broer, die +zóó verbaasd was over dit vroolijke tooneeltje in den vroegen morgen, +dat hij stil bleef staan, maar toch telkens de laatste woorden van +iederen regel trachtte mee te zingen. + +"Nu een, twee, drie voortgemaakt, kinderen. Zie eens, wat is 't al +laat. Kom, kleine broekeman, ga jij maar met mij mee, dan kunnen de +dames zich kalm aankleeden." + +"Jouw gezicht is in tijden niet zoo flink nat geweest, Nel," +plaagde Door. + +"En jij bent in tijden niet zoo vroeg uit je bed gesprongen," plaagde +Nel terug. + +"Ja, 't is zonde, dat ik er al uit ben," en met een verlangenden blik +keek ze naar haar bed. + +"Ik kroop er nog weer in, als ik jou was." + +"Nee, dank je, dan zijn jij en Leni al klaar, als ik mij nog aan +moet kleeden." Maar toch verplaatste Door zich er een oogenblik in, +hoe lekker het zou wezen nog eens eventjes er in te kruipen. Zoo'n +vacantie was juist zoo heerlijk, vond ze, omdat je dan niet zoo +"onmogelijk" vroeg op behoefde te staan. Half acht vond ze nu eenmaal +"onmogelijk" vroeg. Ze vond alles trouwens gauw "onmogelijk", vooral +als ze er geen lust in had. + +"Zeg eens, Door, zou ik mijn nieuwe gele schoentjes aan mogen +doen?" vroeg Leni. + +"Ik weet 't niet, schattepoes." + +"Trek jij je gele schoentjes maar aan, hoor," zei Nel. "'t Is vandaag +feest, omdat de vacantie begonnen is, en die schoentjes heb je gekregen +voor Zon- en Feestdagen." + +"Zou moesje 't goed vinden?" weifelde Leni. + +"Natuurlijk vindt ma het goed," pleitte Nel weer. "Zie je, den rechter +schoen doe je aan, omdat het de eerste vacantiedag is en dus een +feestdag, en den linker, ja den linker..." + +"Ik weet het: den linker doe ik aan, omdat Bob en Hansje komen." + +"O ja, hoe leuk. Wacht, ik zal je even helpen ter eere van Bob +en Hansje." + +"En ik voor den eersten vacantiedag: Ga maar op den rand van je +ledikant zitten. Beenen stijf houden, hoor." + +"O, jullie gooit mij haast om," zei Leni met een wanhopig gezicht. + +"Dat is niets, hou je maar flink vast, je valt niet in 't water. Wacht, +nog een duwtje. Wat is dat?" + +Daar lag Leni achterover in bed met de beenen in de lucht te +spartelen. Nel en Door lachten, dat de tranen haar over de wangen +liepen en met de kam begon Nel de maat te slaan: + + + "'t Is vacantie, 't blijft vacantie, + Twee gele schoentjes boven! + Wie dat niet met ons zingen wil, + Die moet er aan gelooven!" + + +En met de beenen in de lucht hoorde men Leni meezingen. + +"Laten we ons nu gauw klaar maken. Lieve deugd, kijk eens op de klok." + +"Ja, maar mijn schoenen zitten nog niet goed," klaagde Leen, die met +veel moeite uit het bed geklauterd was. + +"Stamp maar op den grond, dan zul je er wel in schieten," zei +Door. "Toe, Nel, jij bent al verder dan ik, help jij haar even met +'t haar. Ik moet mij nog wasschen. Maar waar is mijn handdoek? Wie +heeft mijn handdoek toch gezien?" + +"Pak den mijnen maar, die hangt op den stoel. Wat doe je?" vroeg Nel, +toen Door den handdoek recht voor zich uit hield en dien aandachtig +bekeek. + +"Ik zoek overal je natte puntje," zei ze plagend. + +"Denk je, dat ik mij na dat waterbad van jou nog ben gaan +wasschen? Dank je wel, hoor. Ik heb mij lekkertjes met den handdoek +afgedroogd. Wees maar blij, je kunt hem nu heerlijk gebruiken. Hoe +jij zoo'n ding ook altijd zoo nat krijgt, is mij een raadsel. Je kunt +toch wel schoon worden zonder zoo te plassen? Bah! Dat koude water, +daar moet ik niets van hebben." + +"En ik vind dat koude water nu juist zoo "onmogelijk" lekker. Zoo +met je geheele gezicht in de kom," zei Door, terwijl ze voorover ging +staan en haar gezicht nat gooide. "Lekker!" + +"Je schreeuwde toch maar moord en brand, toen ik met de natte spons +voor je bed stond," lachte Nel. + +"Nu ja, die aanval was ook verraderlijk." + +"Maar Door! Pas toch op, het wordt hier nog een overstrooming. Je +sputtert de geheele waschtafel onder en zie den spiegel eens." + +"Dat zijn dauwdroppels," lachte Door. + +"Andere dauwdroppels zul jij ook wel nooit te zien krijgen," plaagde +Nel terug. + +"Ziezoo, schattepoes, zeg nu eens of ik je niet een mooie kuif heb +gemaakt: wacht, ik zal je even optillen voor den spiegel. Die Door +ook met haar geplas, hé? Je kunt bijna niet in den spiegel zien, +zoo heeft zij hem besputterd." + +"Kijk toch eens. Zie je waar dat op lijkt?" zei Door, met een druipnat +gezicht naar een plas op de waschtafel wijzende. + +Leen en Nel keken en keken. + +"Een molshoop," zei Nel eindelijk. + +"Wel nee, kijk eens goed." + +"Een hoed met een veer," raadde Leni. + +"Och nee, ook niet." + +"Zeg het maar," vleide Leni. + +"Neen, neen, niet dadelijk zeggen: een meertje," zei Nel. + +"Dat is flauw, o, als ik zóó sta, kom eens even op mijn plaats, dan is +'t sprekend, 't Lijkt op een dier," helderde ze op. + +"Een kameel," zei Nel weer. + +"Och neen, je zegt maar wat. Een dier, dat wij allen goed kennen." + +"Nu zie ik het," riep Leni. "Julia! Kijk, ze zit recht-op. Dat is +haar kop. Zie je haar oortjes?" + +"Nu zie ik het ook," riep Nel opgetogen. + +"Waar is haar staart, haar mooie dikke staart?" + +"Die houdt ze vast, ze staat er met haar voorpootjes op." + +"Och, kijk die oortjes toch, hoe sprekend. Dag, oude, lekkere, natte +poesekop," zei Leni. + +"O, waar is de snor? De snor, waar Julia zoo trotsch op is," vroeg Nel. + +"Neen, een snor heeft ze niet, dat is jammer," zei Leni. + +"Dat is niets, ga maar een eindje van de waschtafel af, dan sputter +ik die er even bij." Brr! brr! naar alle kanten vloog het water. + +"Och, hoe jammer, nu heb je haar heelemaal bedorven. Die aardige +oortjes lijken wel olifants-ooren." + +"En arme Julia heeft zich een dikken neus gestooten," lachte Nel. "Zie +dat propje eens. Maar kom, Dorus, maak nu toch voort, je komt zoo +nooit klaar." + +"Wij gaan vast naar beneden." + +"Wie 't eerst de trap af is," zei Leni. + +"Even wachten," riep Door. "Ik ben dadelijk klaar." + +"Nu, eventjes dan." + +"Zeg eens, Nel, waar is mijn haarlintje? Ik weet zeker, dat ik het +gisteravond hier op de tafel gelegd heb," zei ze, terwijl ze met +de linkerhand het toefje haar vasthield en met de rechter allerlei +dingen optilde en verlegde. "Wat is 't hier ook een "onmogelijke" +rommel op tafel. Zoo kun je ook niets vinden," mopperde ze. + +"Dat haarlintje van jou is ook een veel te net lintje om tusschen zoo'n +"onmogelijken" rommel te willen liggen. Kijk, hier heb ik het al." + +"Waar was het?" + +"Op je kussen lag het, eenzaam en verlaten." + +"O, ja, ik kon gisteravond nergens een bandje vinden en moest het +lintje wel gebruiken. Ziezoo, klaar," zei ze even later. "Wie 't +eerst beneden is. Ik zal tellen. Eén, twee, drie." + +Vóór Nel of Door het zagen, had Leni haar eene been over de leuning +gegooid en gleed naar beneden. "Gewonnen!" riep ze en stormde door +naar de achterkamer, waar mevrouw Van Brakel bezig was voor 't ontbijt +te zorgen. + +"Dag, moesje." + +"Kindje, kindje, ik was werkelijk bang, dat je nooit klaar zou komen." + +"Ik heb het gewonnen, moesje. We deden wie 't eerst beneden was. Door +telde en flap! gooide ik mijn beenen over de leuning, nou--en toen +was ik 't eerst beneden. Door moest nog wel vijf treden doen. Jammer, +dat u zulke lange rokken hebt, dan is het natuurlijk erg moeilijk, +'t Gaat anders zoo heerlijk vlug. Je wint het zoo--altijd." + +"Ik zal er toch maar afloopen," lachte moeder. + +"Dan win ik het altijd van u, echt waar." + +Even later kwamen Nel en Door in de kamer. + +"Dag, maatje, dag, vader." + +"Treuzeltjes! Zijn jullie al op?" zei vader plagend. + +"Maar, vadertje, u weet ook niet hoe moeilijk 't is in de vacantie +vlug voort te maken." + +"Of 't moeilijk is!" + +"Kijk eens, ma," zei Leni, terwijl ze triomfantelijk haar gele +schoentjes liet zien. + +"Maar, Leni, kind, 't is toch geen Zondag. Hoe kom je daarbij, je +nieuwe schoenen ..." + +"Moeder, 't is een feestdag," zei Nel plechtig, "en deze schoentjes +zijn voor Zon- en Feestdagen." + +"Een feestdag?" + +"Bedenkt u zich maar eens goed." + +"Ik geloof, dat ik het begrijp," lachte vader. + +"Een feestdag? Jullie houdt mij voor den mal, ik begrijp er niets van." + +Toen begonnen alle drie de meisjes te zingen: + + + "'t Is vacantie, 't blijft vacantie, + Hoera, vacantie boven! + Wie dat niet met ons zingen wil, + Die moet er aan gelooven!" + + +"Ja, ja, jullie hebt gelijk, òf het een feestdag is." + +"'t Is eigenlijk een ketting van feestdagen," vond Leni. + +"En, moes, we zijn nog heel bescheiden geweest ook, want voor de +ketting van feestdagen hebben we Leni alléén maar den rechter schoen +aangedaan." + +"Alleen maar den rechter? Nu wordt het nog mooier. En waarvoor kreeg +ze dan wel den linker aan?" + +"Ook voor een feestdag." + +"O, 't is onmogelijk, u raadt het nooit, nooit, zeg ik." + +"'t Is ook wel wat "onmogelijk" vroeg voor al die raadseltjes," +zei vader. + +"'t Begint met ..." wilde Leni helpen. + +"Begin alsjeblief niet met: 't begint met," zei Nel, "dat is zulk +flauw raden." + +"'t Begint met Hans en Bob," raadde moeder. + +"Hoera voor onze knappe moes! Waar blijft Dolf toch?" + +"Hier ben ik: Dag vader, moeder, allemaal." + +"Zoo, studiosus!" + +"Hè, Dolf, hoe kom je zoo laat?" + +"Och ja, jullie met je vervelend lawaai. Ik kon gewoon niet slapen." + +"Stumperd!" + +"Wees nu maar niet zoo flauw, Nel. Moeder, mag 'k een boterham?" + +"Ze staat er al lang en je kopje thee ter eere van de vacantie is, +vrees ik, al koud geworden." + +"Vacantie bofe, mammi?" zei kleine Frits met een lief vraagstemmetje. + +"Ja, kleine grappenmaker." + +"Heb je ons hooren zingen, Dolf?" vroeg Nel. + +"Hooren zingen? Ik dacht, dat de zolder minstens naar beneden zou +komen." + +"Dat zou voor een eersten vacantiedag indrukwekkend geweest zijn," +vond Nel. + +"En "onmogelijk" gezellig voor jou, als we met ons drietjes zoo +plotseling voor je neus stonden." + +"Onmogelijk, onmogelijk," praatte Frits Door na. + +Allen proestten het uit. + +"Geef mij daar eens gauw een kus voor, lekkere vent. Nee, zoo +gemakkelijk kom je er niet van af. Ook een op deze wang en nog een: +het deftigste aller kusjes, één op mijn voorhoofd." En toen greep +Nel Fritsjes handjes en begonnen ze samen te zingen: + + + "'t Is vacantie, 't blijft vacantie, + Hoera, vacantie boven! + Wie dat niet met ons zingen wil, + Die moet er aan gelooven." + + +"Vacantie bofe blijfe? Vacantie nog in bedje? Vacantie stout geweest, +mammi?" vroeg Fritsje, die meende dat "vacantie" een ondeugend jongetje +was en voor straf boven moest blijven. + +"Jij bent een grappenmaker en mammi's kereltje, hoor." + +"Wie onze logés wil halen, zorge over een kwartier klaar te zijn," +kwam vaders stem om den hoek van de deur. + +Toen was 't een gevlieg en geloop naar alle kanten. + +"Mijn hoed, mijn hoed, wie heeft hem gezien?" riep Door wanhopig. + +"Misschien op je kussen bij je haarlintje," plaagde Nel. + +"Wees nu niet zoo flauw," bromde Door. "Jij hebt gemakkelijk praten, +jij behoeft nooit naar je dingen te zoeken. Maar als ik mijn hoed of +mijn mantel ergens neerleg, kan ik ze later nooit terugvinden." + +"Ik leg ze ook niet "ergens" neer." + +"Zoo? Wat doe jij dan?" + +"Ik hang ze op den stander natuurlijk." + +"Ik durf wedden, als ik mijn hoed dáár hang, dat hij toch weg is, +als ik hem hebben moet." + +"Probeer 't eens," lachte Nel. "Drie dagen kun je 't misschien wel +volhouden," en weg holde ze. + +"Moesje, weet u hem ook?" + +"Neen, werkelijk niet." + +"'t Is zoo'n "onmogelijk" zoeken, als je in 't geheel niet kunt +bedenken, waar zoo'n ding zit," zuchtte Door wanhopig. + +"Mag Foxje mee, vader?" + +"Neen, jongen, geen honden aan den trein." + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +DE LOGÉTJES. + + +Vijf minuten later was 't heele gezelschap op weg naar het station, +behalve moeder, die met Fritsje liever thuis bleef, en Door, die als +een wanhopige kamer in, kamer uit rende om haar hoed te zoeken. Met +donderend geraas kwam de trein binnenstuiven. + +"Zag je de coupé met de vlaggetjes?" riep Nel opgewonden. "Ik durf +wedden, dat ze daarin zitten. Dat is net iets voor oom Karel." + +Nel en Dolf renden er naar toe. Vader en Leni konden zoo +vlug niet. Maar voor ze bij de coupé kwamen, was mijnheer Van +Lichtenvoorde met zijn beide jongetjes al uitgestapt. 't Was een +vroolijke begroeting. + +"Zagen jullie onze vlaggetjes wel?" vroeg Hans. + +"Nou, òf we," zei Dolf. "Nel zei dadelijk, dat jullie zeker in +die coupé zat. Pas op, houd ze vooral voorzichtig vast. 't Is hier +zoo druk." + +"Hoera, daar heb je Door. Zie ze eens loopen," zei Nel. + +"Dag oom, dag jongens!" + +"Dag Dorus," zei oom Karel, "meisje, meisje, wat heb je geloopen." + +"Maar Door, wat heb je nu op?" vroeg Nel. + +"Mijn ouden tuinhoed. Ik kon mijn schoolhoed nergens vinden. Ja, +waar dat ding nog eens vandaan mag komen, _ik_ weet het niet," zei +ze met een grappig wanhopig gezicht. + +"Kinderen, ga jullie nu vooruit," zei mijnheer Van Brakel, "oom en +ik komen dan langzaam achteraan." + +"Zullen we een wedloop houden, wie 't eerst bij de brug is?" + +"Uitstekend," vond Nel. "Ik neem Hans; Door, neem jij Bob en Dolf +Leni. Eén, twee, drie; neen Dolf, allen te gelijk beginnen, een beetje +achteruit. Ziezoo, nu staan we allen goed: een, twee, drie!" Daar +gingen ze. + +"Gewonnen!" riep Door, nog hijgende en blazende. "Bob, jongen, steek +je vlag op." + +"Als die dikke mijnheer ons niet in den weg geloopen had, waren wij +jullie vóór geweest," zei Nel, die met Hansje nummer twee was. + +"Dikke heer, of niet, wij hebben het gewonnen. Maar kijk Dolf eens: +die schiet warempel niet hard op. O, ik zie het al, Leni zwoegt onder +haar nieuwe schoenen." + +"Als je van zwoegen onder iets wil praten, dan zou ik zeggen, dat +jij zwoegt onder je kostelijk mooie tuinhoedje," lachte Nel. "Je ziet +tenminste zoo rood als een kreeft." + +"Eindelijk," zei Leni met een ongelukkig gezichtje, "die nare +schoenen." + +"Dat was een treurige wedloop, hè Leen? Jij moet je linker en rechter +feestdag maar zoo gauw mogelijk uittrekken, als je thuis komt, dan +vier je opnieuw feest. Maar kom, we moeten voortmaken. Pa en oom +Karel zullen ons nog inhalen. Geef mij maar een arm, hinkelepinkje." + +"Doortje, is de koffer al gekomen?" vroeg Hansje. + +"De koffer? Nee, hoor, ten minste ik weet er niets van." + +"'t Is een heele groote, wel van dit paaltje tot dat." + +"Hij is nog véél grooter," zei Bob gewichtig, "wel zóó." Hij liep +vooruit om aan te toonen, hoe groot wel. + +Hans hield zich stil, hij vond, dat Bob den koffer nu wel wat héél +groot maakte. Maar hij vond het toch jammer dit te zeggen. + +"Dan ben ik toch werkelijk bang," zei Nel, die best begreep, dat Bob +overdreef, "dat die reuzenkoffer niet bij ons de voordeur in kan en +dus in 't geheel niet in jullie slaapkamertje kan staan. Ma zal hem +dan zeker wel in het schuurtje laten zetten." + +"In het schuurtje?" Een paar verschrikte oogen keken Nel aan. "Onze +mooie koffer?" + +"Ja, waar de cokes en de turf geborgen wordt." + +"Misschien is hij toch wel een beetje kleiner. Zou hij niet een beetje +kleiner zijn, Bobbie?" + +Bob knikte. "Maar 't is toch een groote." + +"Moesje, daar zijn we. Oom en Vader komen achteraan." + +"Dag, jongens; wèl, wèl, wat hebben jullie mooie vlaggetjes." + +"Spritsje, vlagje, Mammi?" vleide kleine Fritsje. + +"Mag Fritsje je vlagje even hebben, Bob?" + +"Hoera, ma vergist zich. Dit is Hans en dat is Bob. Nu zal ik jullie +eens even door elkaar rommelen. Niet kijken, ma." Dolf draaide Hans +en Bob als twee tolletjes om elkaar heen. "Doet u nu de oogen maar +weer open. Nu ...?" + +"Ja, jongens, dat is niet gemakkelijk. Ik geloof ... ik geloof ..., +dat ik hier Hansje Pansje bij 't oor heb," lachte mevrouw Van Brakel. + +"Geraden." + +"Dat Hansje Pansje, Mammi?" kwam Frits met zijn lief stemmetje er +tusschen. + +"Ja, kleine vent. Hansje Pansje. Nu zullen we maar eerst een boterham +gaan eten. Jullie buikjes zijn zeker leeg en hol." + +Hans en Bob knikten, dat hunne bolletjes er bijna afrolden en +natuurlijk deed Fritsjes bolletje op de maat mee. + +"Daar komen vader en oom Karel al aan. Door, zet gauw den grooten +stoel met het kussen voor oom klaar." + +"Och, kijk eens, Bobbie, wat een aardige poes," riep Hansje. "Effentjes +haar een kusje geven, tante?" + +"Zeker, geef jij Julia maar een kusje." + +Maar Julia had op dat oogenblik in 't geheel geen lust in een kusje +en stapte statig den tuin in, zonder ook maar naar de jongens om +te zien. 't Was duidelijk, dat zij zich eerst wat wilde opknappen, +voor ze aan Hans en Bob zou worden voorgesteld. Met één sprongetje +zat ze op de schutting en ging toen kalm haar toilet maken. + +Ja, Julia was een ijdel poesje. + +"Is ze bang, dat wij haar in den staart willen knijpen, of bij een +achterpoot in de hoogte tillen, zooals Jaap altijd doet, tante?" + +"Jaap, wie is Jaap?" + +"Jaap harkt onzen tuin op. En als hij kikkers vindt, doet hij ze +in een doosje. Een kikkertje spant hij er voor, dat is het paard, +zegt hij. Bobbie en ik vinden uit rijden gaan prettig, maar niet +als we kikkers waren. En dan met zoon kikkerpaard, dan zouden we +zeker zeeziek worden. Want dat doosje wipt zóó, hup, hup, net als de +kikker. Bobbie en ik hebben eens het doosje opengemaakt, toen Jaap in +'t gras een koetsiertje zocht." + +"En was Jaap ook boos, toen hij het zag?" + +"Hij lachte. Jaap wordt nooit boos. Hij zei.... wat zei hij ook weer, +Bobbie?" + +"Hij maakte het kikkerpaard los en zei: "ga maar gauw naar je +vrindjes." + +"Toch aardig van Jaap," lachte Nel. + +"Jaap maakt ook altijd wagentjes van wortels en kransjes van +bloemen. Dan doet hij poes en Bruno er een om. Maar die vinden dat +niet prettig, hoor. Jaap zegt dan altijd, dat ze jarig zijn. Maar zoo +vaak kun je niet jarig zijn. Maatje zegt, maar eenmaal in 't jaar en +een jaar duurt heel lang, hè tante?" + +"Zeker, heel lang, maar eet nu eerst jullie boterhammen. Vader heeft +niet zooveel tijd." + +"Gaat u al zoo gauw weg, oom?" + +"Ja zeker, Door. Ik heb even mijn kaboutertjes hier gebracht, maar +veel tijd heb ik niet. Maar Dorus, kind, ik begrijp niet, hoe het +komt, maar ik kan niet zeggen, dat ik gemakkelijk op dezen stoel +zit. Het schijnt aan het kussen te liggen. Ik zal het dingetje er +maar even uitnemen. Wat is dat?" zei Oom, en hield Doors hoed geheel +platgedrukt in de hoogte, "die stumperd kon zijn pleizier ook wel op +onder het kussen." + +"O moeder!" Door werd zoo rood als vuur. + +"O, kijk eens, kijk eens, je hoed lijkt wel een vogelnestje," +riep Dolf. + +"Door, Door, zul je dan ook nooit eens een beetje netter worden," +zei mevrouw Van Brakel hoofdschuddend. "Reken er maar op, dat je den +geheelen zomer met je vogelnestje moet blijven loopen. Zulke slordige +meisjes zijn geen nieuwe hoeden waard. Waar blijft Leni toch? Dolf, +ga jij haar eens roepen, zij is zeker weer bij het kippenhok. O, +daar komt ze juist aan. Leni, kind, waar blijf je toch?" + +"O, moesje, sneeuwwitje deed zoo raar," zei Leni schreiende. "En nu +is ze dood, ze ligt geheel stijf en de dwergjes loopen om haar heen +en begrijpen er niets van." + +Hans, die juist zijn glaasje melk in de hand hield, liet het van +schrik uit zijn handen vallen, zoodat alle melk van de tafel op zijn +broek en vervolgens op den grond stroomde. + +"O, paatje, hier, hier--is een sneeuwwitje." + +"En--enne, ook--dwergjes," zei Bob met een hoogroode kleur. + +Leni, die in het geheel niet verwacht had, dat dit bericht zoo'n +uitwerking op de tweelingen zou hebben, bleef als versteend in de +deur staan. Moeder, vader, oom, Dolf en de meisjes barstten in een +onbedaarlijk lachen uit. Fritsjes hoog stemmetje hoorde men gedurig +boven alles uit. + +"O, mammi, Hansje Pansje glaasje melk omgesmijt. Stout Hansje Pansje, +hè mammi?" + +"O, houd op, ik kan niet meer," gilde Nel. "Jongens, kijk me als je +blieft niet zoo verbaasd aan. Ik houd het niet uit. 't Is tè mooi." + +Door rende de kamer uit om een vaatdoek. + +Hans en Bob keken met verwonderde gezichtjes het geheele gezelschap +aan. 't Had er veel van, of allen een uitvoering ten beste gaven en +Hans en Bob het publiek uitmaakten. + +Toen het gelach even bedaard was, zei Hans, als om zich te +verontschuldigen, half schreiend: "maar, paatje, Leni _zei_ het toch." + +"Ja, ja, Leni _zei_ het ook, ventje," en weer proestte oom Karel +het uit. + +"'t Is maar een kip, een witte kip," brulde Dolf. + +"Is er,--is er dan geen sneeuwwitje?" vroeg Hans. + +"En waar zijn dan de dwergjes, zijn er óók geen dwergjes?" vroeg +Bob. Duidelijk klonk er teleur-stelling in hun stemmetjes. + +"Och neen, kleine vent," zei Nel, die nu toch medelijden met hen +kreeg. "Wij noemen de krielkipjes dwergjes, omdat ze zooveel kleiner +zijn dan de andere. Of beter gezegd, Leni geeft de kippenfamilie +zulke mooie namen. Wij zullen jullie straks aan het heele troepje +voorstellen. Als Leni morgen plotseling bericht, dat "Slokop dood +in haar hok ligt" of dat "Asschepoes een ei heeft gelegd," dan gooit +Hansje Pansje misschien van schrik een heele kan met melk om." + +Het koffiedrinken liep verder zonder stoornis af. + +"Nu, kinderen," zei oom Karel een tijdje later, "ik moet weer weg, +hoor. Ik heb in tijden niet zoo heerlijk gelachen. Waar zijn mijn +kaboutertjes?" + +"Hier, paatje," kwam er een stem uit het grasveld. "Ik zit in de +zon voor mijn natte broekspijp en Bobbie maakt een krans voor ons +sneeuwwitje." + +"Wel verbazend, jullie hebt het maar druk. Maar de tijd voor een kusje +kan er toch zeker wel af." Toen vlogen twee aardige jongens naar hun +paatje toe. "Dag, paatje, dit kusje aan ma brengen en dit aan Bruno, +en dit...." + +"Dank je wel, als ik ze alle weggeef, blijft er voor mij zelf niets +over." + +"U hebt ze toch zelf eerst een poosje mogen houden," zei Bob. + +"Dat is waar ook," lachte vader, "en als poes toevallig op de +muizenjacht is en Bruno maakt een wandeling met vriend Turk, dan houd +ik ze stil zelf, hoor." + +"O, oompje, dan is het goed, dat het geen appelbollen zijn, dan kreeg +u vast een overladen maag," lachte Door. + +"Vind jij appelbollen misschien "onmogelijk" lekker?" + +"Onmogelijk, oompje," zei Door met overtuiging. + +"Hier, meisje, heb je dan wat van mij, dan kun je het geheele +gezelschap op appelbollen trakteeren." + +"Dank u wel, hoera! Kinderen, vanavond zal een regiment appelbollen +zijn intrede in den huize Van Brakel doen." + +"Met het oog op onze logétjes vind ik beter de appelbollenpartij tot +morgen uit te stellen," zei moeder. "De kleuters moeten vanavond niet +te laat naar bed." + +"Dus morgen, heerlijk," zei Nel. + +"Maar Bob, wat doe je toch?" vroeg Door. + +Bobbie, voorover in het gras liggend, zat Julia aandachtig te +bestudeeren. Al een paar keer had hij moeite gedaan haar oogleden +op te lichten, zoodat poes, wie deze handtastelijkheden blijkbaar +danig begonnen te vervelen, bedaard Bob den rug toekeerde, langzaam, +met deftige passen, om het perk met viooltjes heen stapte en toen op +eenigen afstand van haar kleinen plaaggeest ging zitten. Ze kneep +haar beide oogjes toe tot op een kiertje, vleide haar staartje met +het grappige zwarte puntje keurig langs haar voorpootjes en bleef +zóó in diep nadenken verzonken. + +"Effentjes kijken, hoe laat het is," antwoordde Bob. + +"Hoe laat het is. Denk je dan soms, dat onze Julia een horloge draagt?" + +"Jaap zegt," zei Bob, "dat de oogen van een poes net klokjes zijn; +je kunt er op zien, hoe laat het is." + +"Ja," zei Hans, "Jaap zegt: als 't pilletje in zijn oogen als een +recht streepje omhoog staat, is het twaalf uur." + +"Het pilletje? O, de pupil," gierde Door. + +"Nel, Dolf en Leni, hoort eens, wat onze logétjes vertellen. O, +"onmogelijk" leuk!" + +"'t Is maar jammer," zei Dolf lachend, "dat de poesjes zelf zoo weinig +pleizier van hun horloge hebben." + +"Maar 't is nu zeker al veel later," zei hij, naar Julia kijkend, +die nu het heele troepje met haar ernstige oogen zat op te nemen. + +"Het pilletje lijkt in 't geheel niet op een recht wijzertje. Kijk, +'t is een klein, zwart balletje." + +"Ja," zei Hans, "hoe laat zou het nu wel zijn? Misschien wel tien +uur. Kijk eens, Bobbie." + +Bobbie knikte, hij wist het niet precies. Hij vond het een moeilijk +geval. + +"Tien uur is het gelukkig nog niet," zei Nel. + +"We kunnen nog best een spelletje doen. Zullen we verstoppertje doen +met verlos?" + +"Ja, best! Wie doet er mee?" + +"Ik, ik," klonk het van alle kanten. + +"Eerst er om raden, wie zoeken mag," stelde Door voor. "Ik zal wat +uit mijn zak nemen. Wie het aantal raadt, mag zoeken." + +"Mag?" lachte Dolf. "Zoeken is toch geen pretje?" + +"Nu _moet_ dan," verbeterde Door. "En als niemand het raadt, ben ik +de ongelukkige. Nu?" zei ze, nadat ze iets uit haar zak had genomen +en Nel haar hand voorhield. "Hoeveel raad je? één, twee, drie, vier, +vijf of zes?" + +"Drie." + +"En Leni?" + +"Twee," zei Leni, na zich een tijdje bedacht te hebben. + +"En onze logé's?" + +"Moeten we beiden hetzelfde raden?" vroeg Hans, die nooit zoo'n +spelletje had mee gedaan. + +"Neen, ieder mag op zijn beurt raden, maar als Hans het raadt, +helpt Bob zoeken en als Bob zoo knap is, Hans. Want zoeken is lang +niet gemakkelijk." + +Gelukkig voor Hans en Bob waren ze geen van beiden zoo knap. + +"Dolf, nu staat het tusschen ons beiden," zei Door. "Natuurlijk raad +jij het, dat moet je voor je zusje over hebben." + +Dolf lachte. "Neen hoor, zoo lief ben ik niet. Vier." + +"Mag ik je deze vier dingetjes laten zien als bewijs, dat je getoond +hebt toch wèl zoo'n lief broertje te zijn?" zei Door, Dolf vier +knikkers voorhoudende. + +"Maar Door, wat doe jij met knikkers in je zak?" lachte Nel. + +"Je weet," zei Door, "dat mijn zaakjes nu eenmaal veel van stuivertje +wisselen houden. Mijn mesje en mijn beurs ben ik al drie dagen kwijt en +daarvoor in de plaats loop ik al meer dan een week met deze knikkers in +mijn zak. Hoe ik er aan kom, weet ik werkelijk niet," zei ze lachend. + +"Ik begrijp het best," zei Nel. "Jij hebt die knikkers zeker ergens +zien liggen en omdat je er nu eenmaal niet van houdt, dat zulke +dingen rondslingeren, heb je ze in je zak gestoken, erg netjes, +dat moet ik zeggen." + +"En ik ben het slachtoffer van Doors opruimmanie," zei Dolf. "Nu, +ik ga tellen. Als ik vijftig roep, moet jullie verstopt zijn. Jullie +moogt je alleen in den tuin verstoppen, niet in huis." + +"Een, twee," telde Dolf. + +Ieder vloog een kant uit. Hans en Bob stonden wel wat verlegen. "Kom +maar met mij mee," zei Door tot Bob. "Ik kruip achter dezen struik, +ga jij achter dien staan." + +"O, Door," riep Bob verschrikt. + +"Wat is er?" fluisterde Door, omkijkende. "O, maar Bobbie, hoe is 't +mogelijk! Ben jij in Dolfs rooverhol gezakt? Je hadt warempel je beenen +wel kunnen breken. St, houd je maar stil en kruip er zoo diep mogelijk +in. 't Is het mooiste verstopplaatsje uit den geheelen tuin. Als Dolf +dezen kant uit komt, moet je je goed bukken, dan vindt hij je nooit, +eenig. Hoor Fox eens opgewonden zijn, zeker, omdat hij ons zoo hard +heeft zien loopen, daar kan Fox nu eenmaal niet tegen. Als hij ons +nu maar niet verraadt. Stil, Dolf komt dadelijk zoeken. Je zit daar +wèl leuk, hoor." + +"Vijftig!" riep Dolf, "Ik ga zoeken." + +Geen antwoord, ieder had zeker een plaatsje gevonden. + +"Stil toch, Fox en loop niet zoo om mijn beenen, bedaar toch wat." + +Maar Fox had hierin in het geheel geen lust. Als een dolleman vloog hij +den tuin door, toen eenige malen langs het kippenhok, zoodat de arme +dieren het bijna bestierven van angst. Daarna zou hij met een vaart +in huis, maar werd bijtijds door Kee, met een "hallo marsch, je niet +hier verstoppen," den tuin weer ingejaagd, zoodat hij ten laatste, +moe van het gedraaf, een middagdutje in het grasveld ging doen. + +Dolf zocht en zocht, maar durfde zich bijna niet van den boom begeven, +bang, dat de een of ander uit zijn schuilhoekje te voorschijn springen +en naar de verlosplaats loopen zou, om het hem af te winnen. + +"Leni, jij staat achter het kippenhok, een, twee, drie, verlos," +riep hij. + +"Nel, neen Door, dáár bij het priëel! kom maar voor den dag. Ik ken +je aan je hoed." + +"Hoera, voor 't vogelnestje," juichte Nel en kwam met Doors ingedeukten +hoed achter het priëel vandaan. "Gefopt." + +"Dat is flauw," zei Dolf teleurgesteld. "Wie kan dat nu ook denken." + +"Ja, zoo'n slim zusje heb je nu," lachte Nel, "wees maar blij." + +"Nu Door en de tweelingen nog." + +"Een, twee, drie verlos!" riep Door, toen Dolf juist den anderen kant +was opgeloopen. + +"Dat heb ik je lekker afgewonnen. Wat heb je dat mooi bedacht," zei ze +lachend tot Nel. "Waar mijn vogelnestje toch al niet dienstig voor is." + +"Kom, Dolf, nu de tweelingen nog," zei Nel. + +"Hé," zei Dolf lachend tot Kee, die gedurende de verstoppartij geheel +tegen haar gewoonte in al dien tijd op de waranda was blijven staan +kijken. "Mij dunkt, je hebt eenige rokken extra aangetrokken van +morgen. Je schort staat heelemaal uit." + +"Ja," zei Kee lachend, "één rok heb ik aangetrokken, omdat het de +eerste vacantiedag is en één, omdat Bob en Hansje gekomen zijn." + +"Die Kee, die Kee," proestten Nel en Door. "Of je gelijk hadt? Zoo'n +dubbele feestdag mag wel met een paar extra rokken gevierd worden." + +"Maar ik moet nu eigenlijk weer aan het werk. En dan is mijn +feestgewaad mij wel wat lastig." + +"Ja, dat wil ik wel gelooven," zei Dolf. "Wiens neus voel ik door Kee's +schort heen? Mij dunkt," zei hij, de schort wat op zij schuivende, +"mij dunkt, die van Hansje Pansje." + +Hansje schaterde het uit. "Was het geen mooi plaatsje? Je kon mij +toch bijna niet vinden, hè?" + +"Neen, hoor. Wie heeft dat wel zoo mooi bedacht?" + +"Kee," zei Hans. + +"Ik moet nu gauw naar het eten gaan kijken. 't Is maar goed, dat +hier niet elken dag zoo'n verstoppartij is," zei Kee en liep haastig +naar binnen. + +"Maar waar zou Bob nu zijn?" zei Dolf. "Die heeft zich een bijzonder +mooi plaatsje uitgezocht, dunkt me." + +"Ja," zei Door, "je moet maar goed zoeken." + +Dolf keek achter elken struik, bij het kippenhok, in het priëel, +tot hij op eens, achter in den tuin gekomen in lachen uitbarstte. + +"Komen jullie toch eens hier," riep hij. "O Bob, blijf zoo stil zitten, +ze moeten je allemaal zoo eens zien." + +Nel en Leni proestten het uit, toen ze Bob in den grooten kuil +zagen zitten met alleen zijn bovenlijf er uit. Hansje klapte in de +handen. "O, Bobbie, wat een mooi plaatsje." + +"Kom er maar gauw uit, kleine vent," zei Dolf en gaf Bob een hand. + +"Ik stapte op de takjes en zakte op eens naar beneden," legde Bob +triomfantelijk uit. + +"Je mag wel gauw je kuil dicht maken," zei Nel, "voor er ongelukken +gebeuren." + +"Ja," zei Dolf, die zich wel wat schuldig voelde. "Ik was dien +overdekten kuil heelemaal vergeten." + +"Ziezoo," zei Door, "nu weer een nieuw spelletje. Dolf, jongen, +je moet weer zoeken." + +Wat hadden allen een pret! + +"Och, kijk toch eens Bobbie, wat dikke kanaries," riep Hansje verbaasd, +toen hij voorbij het kippenhok liep en juist zou hij aan Door vragen, +of hij eens eventjes een in de hand zou mogen hebben, toen ze geroepen +werden, om te komen eten. Vroolijk holde het troepje naar binnen. + +"O, wat een bestorming, als je blieft eerst voeten vegen," zei Moeder. + +"Hansje Pansje glaasje melk omgesmijt, hè Mammi?" begon Fritsje weer, +toen hij Hansje zag. + +"Ja, ja," lachte Ma. + +"Mogen we na het eten de kanaries eens zien?" vroeg Bob, zoodra hij +aan tafel zat. + +"O ja, de kanaries," riep Hansje opgetogen. + +"De kanaries?" vroeg moeder verwonderd. + +"O, zulke dikke, tante. In het kippenhok zijn ze, hè Bob?" zei Hans +vol vuur. + +Moeder lachte. "O, nu begrijp ik het." + +"Na het eten gaan onze logétjes één, twee, drie naar bed," zei +vader. "Die kleine kanaries moeten nu ook slapen, anders kunnen het +nooit groote worden. Maar morgen vroeg, als haantje kukelekaantje +jullie wakker heeft geroepen, dan maar gauw je kleertjes aan en den +tuin in." + +***** + +"Een, twee, drie, instappen," zei Nel, toen ze een uurtje later Hansje +had uitgekleed en in bed tilde. + +"Wacht, eerst even bellen," zei Bob en greep een tafelbel, waarmee hij, +voor Door dit verhinderen kon, luid ging bellen. + +Kee kwam verschrikt naar boven vliegen. + +"Och, lieve tijd, wat is hier te doen?" riep ze. "Toch geen ongeluk +gebeurd?" + +"Gauw instappen, de trein gaat dadelijk weg," zei Bob tot Keetje, +niet begrijpende, dat hij haar zoo had doen schrikken. + +Kee, die eerst van plan was boos te worden, omdat hij haar voor niets +naar boven had laten komen, kon toch haar lachen niet bedwingen bij +het gezicht van die twee grappige broekemannetjes. "Tuut," riep ze +en zette den kleinen Bob in bed. "Goeie reis, hoor, goeie reis," +en met haar zakdoek wuivende verdween ze. + +Nel en Door gierden het uit. + +"Dumderdedumderdedum," en vier kleine voetjes trappelden, dat het +geheele bed schudde. + + * * * * * + +"Het zal mij benieuwen, of die dreumesjes gauw den slaap zullen +vatten," zei Nel, toen ze beneden in de huiskamer kwam. + +"'k Zal eens kijken, of ze slapen," zei Door een kwartiertje +later.--"Als roosjes, hoor!" kwam ze terug. + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +ARME HANS EN BOBBIE. + + +"Zullen wij den haan maar gaan roepen?" vroeg Hansje den volgenden +morgen. Hij stond met Bob voor Dora's bed. + +"Wat zeg je?" vroeg Door slaperig. + +"'t Haantje heeft ons niet geroepen, het is misschien ziek," +zei Bobbie. + +Nel lag te schudden in bed. Op eens begon ze te zingen: "Op, gij +meisjes en gij knapen, kukeleku! 't is uit met slapen," en sprong +het bed uit. + +"O, ik wou dat er geen hanen en geen Hansjes en Bobbies waren," +zei Door, half brommig, half lachend. + +"Op, gij meisjes en gij knapen, kukeleku! 't is uit met slapen," +zong Nel weer en wilde Door uit het bed trekken. "Toe, jongens, +jullie aan den anderen kant; wacht, daar komt Leni ook aan. Heisa, +hopsa!" Door stond buiten het bed. + +"Ik weet wel," zei Door, "dat ik vanavond niet naar bed ga, dan behoef +ik er morgen vroeg ook niet uit te komen." + +"Of je gelijk hebt. Dat is, geloof ik, nog het allerbeste voor +jou. Jongens, loop hier nu maar een beetje in je hanssopje rond. Zoodra +we klaar zijn, zullen we je helpen. Of ben jullie misschien zoo knap, +dat je je alleen kunt aankleeden?" + +"De kousen kunnen we wel aantrekken en de schoenen ook, maar ze dicht +maken, dat doet Maatje altijd." + +"Mooi zoo, haal jullie je kleeren en begin maar vast." + +Bob en Hansje togen ijverig aan het werk. + +"Och, kijk eens, dat kousje doet zoo raar," zuchtte Bob met een +vuurroode kleur van inspanning, nadat hij al een heelen tijd bezig +was geweest. + +"O, de hiel!" schaterde Leni. "Kijk, die zit boven op den voet. 't +Lijkt wel een leeg geldzakje. Wacht, ik zal je wel helpen." + +Door, Nel en Leni hadden het druk met de logétjes. 't Werd een +wedstrijd, wie 't eerst klaar zou zijn. + +"'k Zou juist zeggen, mijn schortje is zeker weer op de wandeling," +zei Door, die overal naar dit kleedingstuk had gezocht, "maar neen, +hoor, 't ligt kalm onder mijn handdoek. Toch grappig, dat al mijn +spulletjes altijd zoo'n lust hebben om van 't eene plaatsje naar +'t andere te verhuizen." + +"En dat ze jou nooit vooraf vertellen, waarheen ze gaan," plaagde Nel. + +Eindelijk waren allen aangekleed en ging ieder met een keurige +"vacantie-kuif", zooals Leni 't noemde, naar beneden. + +"Goeden morgen, goeden morgen!" klonk het vroolijk, toen 't vijftal +de huiskamer binnen kwam stormen. + +"Wel verbazend, kinderen, wat ben jullie vroeg," zei vader, "zoo mag +ik het zien." + +"Zullen we nu eerst even 't haantje roepen?" vroeg Hans. + +"'t Haantje roepen?" + +"Zou het ziek zijn, oom?" vroeg Bob. + +"Waarom ziek, kleine man?" + +"'t Haantje heeft ons niet geroepen." + +"En hoe komen jullie dan zoo vroeg?" + +"Bobbie en Hansje hebben voor haantje gespeeld. Ze hebben Dora wakker +gemaakt," zei Nel. + +"Ik was nog zoo "onmogelijk" slaperig." + +"Als jullie je boterham op hebt, moet je maar eens kijken, of het +haantje wakker is," vond moeder. + +"Kijk toch zoo'n bedelaarstertje eens," zei Nel, toen Julia zacht +miauwend achter op haar stoel sprong en voortdurend met haar kopje +tegen Nels arm duwde. + +"Zij wil verven, zij wil verven," riep Bob; "kijk, ze gaat met haar +staart over mijn gezicht." + +"Goed, dat er geen verf aan zit." + +"Ja, voor den staart en voor Bobbies neusje." + +"Jaap zegt, dat zijn poesje geverfd is, dat is heelemaal bruin, behalve +zijn borst en zijn pooten. Bobbie en ik hebben het eens met een spons +gewasschen, maar er kwam heelemaal geen verf aan de spons en toen heb +ik mijn vinger nat gemaakt en over zijn kopje gestreken en afgelikt, +maar het proefde in 't geheel niet naar verf en de schutting wel, +toen Jaap die geverfd had. Bobbie en ik hebben daar eventjes aan +gelikt, niets lekker, hoor!" + +"Brr," zei Hansje en trok bij de gedachte nog een vies gezicht. + +Allen schaterden het uit. + +"Vader zei, dat het niet geverfd, maar zoo geboren was." + +"Of vader gelijk had!" + +"Julia houdt in 't geheel niet van zoo'n waschpartij. Was dat poesje +niet boos, krabde ze niet?" + +"Wel een beetje, maar Bobbie en ik hebben haar toen stijf +vastgehouden." + +"Arm poesje. Lieve Hansje en Bobbie," ging Door grappig ernstig voort, +"zie je onze Julia?" + +Bob en Hans knikten. + +"Zie je dat keurige witte overhemdje, dat zwarte snuitje, dat grappige +staarte-puntje?" + +Weer knikten Hans en Bobbie. + +"Toen onze deftige Julia nog een heel klein Juliaatje was, had +ze al datzelfde grappige staarte-puntje, datzelfde zwarte snuitje, +datzelfde witte overhemdje. Onze Julia is zoo geboren. Begrijp jullie +mij goed? Onze Julia is zoo geboren," herhaalde ze. "Onze Julia is +dus niet geverfd. Ik zeg jullie dit alles, dat jullie haar morgen +of overmorgen ook niet in een badkuip zult stoppen, of met je lieve +vingers zult gaan belikken." + +Een schaterend gelach ging op en Dolf, die juist binnen kwam, riep: +"leve onze Dorus, leve onze Julia!" + +En Fritsjes lief stemmetje klonk hier tusschen door. "Julia een lief +poesje, hè, mammi?" + +Julia, die blijkbaar verlegen werd onder zooveel lof, haar door Dora +toegezwaaid, liet zich zacht van Nels schouder glijden en zocht een +plaatsje op den hoek van den schoorsteenmantel. + +"Mogen we nu de kanaries eens zien?" vroeg Bob, toen 't ontbijt +was afgeloopen. + +"Wel zeker, wel zeker, kom maar mee," zei Nel. + +"Neen, Foxje, jij kunt niet mee, je zoudt de geheele kippenfamilie +angstig maken. Kijk, Leni is alweer bezig haar kippetjes te +trakteeren." + +"Hij is toch wel wakker?" zei Bob verwonderd en wees naar den haan. + +"Ja, ja, ik geloof ook wel, dat hij jullie geroepen heeft; maar toen +lag jullie nog op één oor en heb je hem niet kunnen hooren." + +"Dan zal ik morgen eens op geen oor gaan liggen," dacht Bob bij +zich zelf. + +"Zie Slokop weer eens begeerig zijn," zei Nel, "vooruit, jou +deugniet." Met een stok duwde ze de zwarte kip weg. "Zal ik nu eens +zeggen, hoe deze kanaries heeten? Kuikentjes. Het zijn kindertjes van +die groote zwarte kip, die lekkere kruimeltjes voor haar kuikentjes +bewaart. De gele dààr heet Asschepoes, de andere hanen en kippen +zijn niet aardig voor haar. Kijk die ondeugende Schoorsteenveger en +Wafelbakster eens, die trekken haar aan den staart," en Nel deed alle +moeite, Asschepoes van een witte kip en een zwarten haan te bevrijden. + +Bob en Hans hadden pret voor tien om al die mooie namen. + +"En hier heb je de dwergjes," zei Leni. "Vind jullie het geen dotjes?" + +"Leggen die kuikentjes ook eitjes?" vroeg Hans, die zijn oogen niet +van de diertjes af had. + +"Mag ik zoo'n kuikeneitje?" + +"Neen, de kuikentjes leggen nog geen eieren; als ze groot zijn wel +en dan komen soms uit die eitjes weer heele kleine kuikentjes, o zoo +beeldig. Wafelbakster en Asschepoes zijn ook zulke aardige kuikentjes +geweest en kijk het nu eens groote kippen zijn." + +"Hier heb je ook nog een kuikentje," lachte moeder en zette Frits op +Nels hoofd. Frits kraaide het uit. + +"Hij is geen kuikentje, maar een kraaiend haantje," lachte Nel. "Kom +hier, Haantje kukelekaantje," en zij nam Frits op den arm. "Nu weet +ik een mooi spelletje," zei ze. "We zetten Fritsje in den ouden +kinderwagen, Dolf wordt zijn paard en Leni koetsier. Bob en Hans +komen in de sportkar. Dora is hun paard en ik word koetsier." + +Het geheel leek wel een optocht. Als de stoet bij vader en moeder, +die op de waranda zaten, voorbijkwam, wuifden zoowel passagiers +als publiek. + +"Niet zoo wild rijden, niet zoo wild!" had vader juist geroepen, +toen op eens, doordat Dora de bocht te kort nam, de sportkar omsloeg +en Bob en Hansje er uit en in 't gras vielen! Groote ontsteltenis! +Vader, moeder en Keetje kwamen dadelijk aanhollen, want beide logétjes +hieven een erbarmelijk geschrei aan. Bobbie bloedde vreeselijk uit zijn +neus en had zijn voorhoofd bezeerd en Hansje Pansje riep maar steeds: +"O, mijn voetje doet zoo'n pijn." + +Ma droeg hem en vader Bobbie naar binnen. Hans werd op de canapé +gelegd, waarna moeder hem den schoen uit trok. Bob kreeg koude +compressen op zijn neus. Door, die zoo wit als een doek zag, wilde +dadelijk om den dokter gaan, maar vader vond beter nog een poosje te +wachten. Gelukkig bedaarde het bloeden. Hansjes voet was blijkbaar een +beetje verstuikt. 't Was wel een ongelukkig gezicht, de twee vroolijke +kaboutertjes daar zoo te zien zitten met dikke tranen op de wangen: +Bob met een compres op den neus en Hans met zijn voet op de canapé. + +"Dat is een treurig begin van zoo'n vroolijken dag," zei vader. + +"Stil maar, jongens," troostte Door, "vanavond krijgen jullie heerlijke +appelbollen." + +"Jullie weet niet, hoe goed die voor bloedende neuzen en verstuikte +voeten zijn," zei Dolf. + +"En voor alle menschen, die geschrokken zijn. Och, lieve tijd, ik +beef er nog van in mijn beenen," klaagde Nel. + +"Kijk eens," en Leni kwam met in iedere hand een grappig klein eitje, +"is dat nu niet lief van mijn krielkipjes Snoetie en Toetie? Ze +zijn dadelijk aan het leggen gegaan, toen ze hoorden, dat jullie zoo +gevallen waart." + +Bob en Hans lachten door hun tranen heen. + +"Als ik wist, dat Toetie of Moetie".... + +"Snoetie, paatje." + +"Och, jij ook met je namen altijd. Nu, als ik wist, dat Snoetie voor +mij ook zoo'n lekker eitje wilde leggen, dan zou ik ook wel zoo'n +buiteling uit de sportkar willen maken." + +"Oompje in de sportkar," lachte Hans. + +Daar kwam Kee de kamer in stormen. Kee stormt altijd, langzaam loopen +kan ze niet, want Kee heeft altijd haast. "Kijk eens," zei ze en bracht +Hans en Bob ieder een schoteltje roode bessen. "Hoe vinden jullie +dat? Als je die op hebt, ben je, dat durf ik wedden, weer geheel +beter. Heb ik ze niet keurig gerist? Ik moest eigenlijk mijn kachel +poetsen, maar nee, dacht ik, eerst zal ik die wurmen een verfrisschend +hapje brengen. Door of Nel moeten er maar wat suiker op strooien. Kom, +die leelijke tranen neem ik mee naar de keuken," zei ze en veegde, +wel een beetje hardhandig, Bob en Hansje de tranen af. En vóór de +beide jongetjes nog iets hadden kunnen zeggen, was Kee verdwenen. + +"Heeft jij jouw been gebreekt? Kun je niet meer loopen?" Onderzoekend +keek de kleine Frits naar Hansjes been. + +"Beweeg het eens." Hans deed het heel voorzichtig. + +"Doet het pijn, als jij jouw voetje beweegt?" + +Hans knikte: "een beetje." + +"Ik is niet gevallen," zei hij toen met voldoening. "Mag ik eens zien, +of er nog bloed uit jouw neusje komt?" vroeg hij, vol belangstelling +naar Bobbie kijkende. + +Bobbie deed even den zakdoek voor den neus weg. + +"O, mammie!" Fritsje week verschrikt een paar passen achteruit. "O, +mammi, allemaal rood op Bobbies zakdoek!" + +"Kom maar gauw hier, mijn kereltje", zei ma. "Hans en Bob zullen wel +gauw weer beter zijn." + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +DE APPELBOLLENPARTIJ. + + +"Een brief, een brief!" Met deze woorden kwam Door eenige uren later +de kamer binnenstormen. + +"Voor wie?" klonk het als uit één mond en Nel strekte haar hand al +verlangend uit. + +"Mis, juffertje. Hij is voor Bobbie en Hansje." + +"Een brief, o Bobbie, zeker van maatje." + +"Of van vader, want paatje heeft ons er eentje beloofd." + +Door moest den brief laten kijken. + +"Ook een postzegel er op?" + +"Ja, 't is geen kleinigheid," lachte Nel, de verrukte gezichtjes +ziende. + +"Zal ik hem voorlezen?" vroeg Door. + +"Begin maar gauw," riep Hans. + +"Ook wat er buiten opstaat," vond Bob. + +"Aan Hans en Bob, gelogeerd bij hun oom, mijnheer Van Brakel te +Westerkerke. + +"Lieve kaboutertjes. De kusjes heb ik gegeven." + +"Van Paatje," zei Bob. + +"Ma," las Door, "op elken wang een. Bruno's snuit heb ik in mijn hand +genomen en Miekies zacht pootje even gedrukt. Jelui weet niet, hoe +stil ma, Bruno, Miekie en ik het vinden, nu onze kaboutertjes er niet +zijn. Bruno zat gisterenmorgen voor jullie slaapkamertje geduldig te +wachten. Ma en ik lieten hem stil begaan. Wij wilden eens zien, wat +hij zou doen. Na een tijd rustig gewacht te hebben, begon hij zacht +te janken. O, het klonk zoo bedroefd en steeds keek hij naar de kruk +van de deur. Daarop begon hij te blaffen en zoowaar aan de deur te +krabben. Toen riep ik hem. "Die ondeugende kaboutertjes! Willen ze de +deur niet open doen?" zei ik. Bruun kwispelstaartte uit alle macht, +liep van de slaapkamer naar mij en van mij naar de slaapkamer, en +keek mij met zijn trouwe, bruine oogen zóó smeekend aan, alsof hij +zeggen wilde: doe nu toch die nare deur open, ik kan toch niet door +'t sleutelgat. "Kom dan maar," zei ik, en toen was Bruun niet te +houden, hij sprong tegen mij op, likte mijn handen en blafte, dat +hooren en zien je verging. Met een vaart rende hij de slaapkamer in, +maar bleef op eens verbaasd staan, toen hij die leeg vond. Alles werd +besnuffeld, hij begreep er niets van. Zijn mooie pluimstaart, die even +te voren nog zoo vroolijk wapperde, hing nu sluik neer. "Arme hond, +zijn ze weg?" zei ik. Nog eens liep hij de kamer rond, snuffelde onder +'t bed en liep toen langzaam naar de huiskamer. + +Ma troostte hem met een stukje hondekaak en een hompje kaas. Na +'t ontbijt zijn ma en ik een flinke wandeling met Bruno gaan doen. + +Ma wilde Miekie, geloof ik, ook wel mee hebben, omdat ze het zoo +stil vond zonder haar ventjes, maar dat ging natuurlijk niet. Toen we +den hoek van de straat omsloegen, kwamen we Pollo tegen. Dat was een +vroolijke ontmoeting tusschen Bruun en hem. 't Was, alsof ze elkaar +in jaren niet gezien hadden. Daarna liepen ze een tijdje rustig naast +elkaar. Het scheen wel, dat Bruno vertelde, dat jullie weg waart en +ik denk, dat Pollo hem zoo goed mogelijk getroost heeft, tenminste +even later renden ze uitgelaten over 't weiland. De schapen, die daar +liepen, wisten zich van angst niet te bergen. Een klein lammetje +drukte zich stijf tegen zijn moedertje aan en blaatte zoo innig +bedroefd. Daar vloog Pollo over een sloot, Bruun hem achterna. En toen, +o mijn kaboutertjes, als jullie dat gezien hadt! Pol stond aan den +kant van de sloot juist eventjes uit te blazen, met de tong uit zijn +bek, want geloof maar, dat hij moe was, toen een dikke kikker, zeker +door Bruno opgejaagd, boven op Pollo's tong sprong. Ma en ik wisten +werkelijk niet, wat er gebeurde, zoo'n spektakel maakte Pollo op eens. + +Hij rolde zich om en om op 't gras, de vier pooten in de hoogte, +en het had niet veel gescheeld, of hij was in de sloot gevallen. Nu, +zoo'n bad was misschien wel goed geweest voor den schrik." + +"O, die kikker," schaterde Dolf. "Hij zag Pollo's tong voor een +rozeblaadje aan." + +"Ja, of voor een vischje," lachte Nel. + +"O, eenig, eenig!" proestte Door. "Maar stil, laat mij nu verder +lezen." + +"Na dit kikker-avontuur waren onze wandelgenootjes kalm en gehoorzaam. + +En hoe Miekie het maakt? Ik geloof, dat ze vast van plan is jullie +een briefje te schrijven en ze mij de kunst nu wil afzien. Viermaal +heb ik haar al van dit velletje postpapier afgezet, maar telkens komt +zij weer terug, zoodat ik haar nu maar laat zitten. 't Is een klein, +nieuwsgierig poesje en jullie weet, als Mieke eenmaal een plannetje +heeft, dan laat zij dit niet varen. + +Op dit oogenblik loert ze op mijn penhouder. Steeds gaat haar kopje +van links naar rechts. O wee! een letter met drie krullen, dat is +Miekies schuld: die wilde met haar pootje den penhouder grijpen. 't +Is maar goed, dat mijn praatje uit is. Het zal mij eens benieuwen, +wanneer zij jullie gaat schrijven, maar dan ga ik er ook bij zitten, +dat weet ik wel, die deugniet!" + +"Dan gaat oom zeker ook op het postpapier zitten," lachte Dolf. + +"Heel veel kusjes van moes, van Bruno een poot, van Mieke een hoogen +rug en duizend kusjes van paatje. + +Hoe hebben de appelbollen gesmaakt? En vraag aan Leni, of de +dwergjes nog bedroefd zijn. Vooral de groeten aan oom, tante en +alle kindertjes." + +"Is hij nu uit?" vroeg Bob. + +"Ja, is het geen onmogelijk lange brief?" + +Door moest den brief nòg eens en nòg eens voorlezen, vonden Leni, +Bob en Hansje. Op 't laatst kenden ze hem bijna van buiten. + +"Boven aan het blaadje staat het verhaal van den kikker, hè +Door?" vroeg Hans. + +"En dáár onder-aan dat van Mieke?" + +"Mammi, waar is de kikker nu?" vroeg Fritsje. + +"Ik denk, dat hij nu weer vroolijk door het water springt of over +'t land. Och, och, wat zal dat arme kikkertje geschrikt zijn, toen +het zag, dat het verdwaald was." + +"En hoe verdwaald!" lachte Dolf. + +"'t Was maar goed, dat Pol geen ooievaar was, want die had het +kikkertje stellig opgepeuzeld." + +"Brr!" Fritsje schudde zijn krullebol. "Ik vind kikkers niet lekker, +Mammi wèl?" + +"Neen hoor, ik eet liever appelbollen." + +"En ik, en ik," riepen Leni en de anderen. + +"Hoera! Vanavond appelbollenpartij!" + +"En hoe is 't nu met de patiëntjes? Zouden jullie vanavond wel trek +hebben in een appelbol?" vroeg mevrouw Van Brakel. + +"Mijn voetje doet bijna niet meer zeer, heusch niet." + +"En mijn neus, kijk, er komt geen droppel meer uit." + +"Dat dacht ik wel," zei Door. "Brieven zijn zoo goed voor verstuikte +voeten en bloedende neuzen." + +"Ja, en vooral zulke lange," lachte Nel. + +"Ramplamplan, daar komen wij an. We hebben geen schoenen of kousen +meer an," kwam Dolf dien avond de kamer instappen, een groot bord +met appelbollen op zijn hoofd balanceerende. + +"O, jongen, denk om het porseleinen bord," riep mevrouw Van Brakel. + +"En om onze heerlijke appelbollen," lachte pa. "Als ze over den grond +rollen, wil niemand ze meer hebben." + +"Ik wel, ik wel," riepen Leni, Hans en Bob. + +"Dan zal ik ze maar gauw neerzetten," zei Dolf, "want als jelui in +dat geval alle appelbollen samen op ging peuzelen, dan hadden we +morgen drie zieke kinderen, en dat zou wel zonde en jammer zijn van +de heerlijke vacantie." + +"Hoera voor de vacantie!" riep Nel en stak een oogenblik later een +appelbol op haar vork in de hoogte. + +"Hoera voor oom Karel!" juichte Door en deed hetzelfde. + +"'t Lijkt wel, dat er wijn in de appelbollen zit, zoo opgewonden +worden jullie," zei vader. "Ma, geef me nog maar eentje: die dingetjes +smaken uitstekend." + +"Ja, ze zijn onmogelijk lekker," beaamde Dora. Hans, Bob en Leni +hadden het veel te druk met hun bol om iets te zeggen. + +"Komt, kinderen, het klokje van gehoorzaamheid heeft geslagen," +zei moeder, en een half uur later: "Fritsje ligt al lang in bed." + +"Fritsje is ook nog zoo klein," zei Hans. Hij vond het zeker wel wat +kinderachtig, bij Fritsje vergeleken te worden. + +"Ja zeker," lachte ma, "maar ik geloof tòch, dat het zandmannetje al +even bij Hansje Pansje op bezoek is geweest." + +Een oogenblik later werden Leni en de tweelingen door Nel en Door +naar bed gebracht. + +"Kijk eens even, of het kussen ook tegen mijn ooren aankomt," zei +Bobbie tot Door, die hem had uitgekleed. + +"Tegen je ooren?" vroeg Door verwonderd. + +"Ja, kun je ze goed zien?" + +"Niet zoo heel goed," lachte ze, "ze spelen zoo'n beetje verstoppertje, +dunkt me." + +"Zou ik den haan zoo dan niet kunnen hooren?" + +Toen barstte Door in lachen uit. "O, wacht maar eens," en ze drukte +het kussen flink plat, zoodat heel Bobs bolletje als een kaatsbal +boven op het kussen kwam te liggen. "Nu maar goed luisteren morgen +vroeg. Wel te rusten, kindertjes." + +"Toe, Nel, ben je nu nog niet klaar?" bromde ze. "Je bent een echte +treuzel." + +"Ik moet nog even Hansjes pakje opvouwen." + +"Wat valt er nu aan zoo'n jongenspak op te vouwen? Ik heb Bobbies +kleeren...." + +"Ja, hoe jij Bobbies kleeren opbergt, daar weet ik alles van: Hij +heeft gisteren den geheelen dag met één kouseband geloopen. Waar die +andere nu weer is, begrijp ik niet." + +"O, ja, éénig," gierde Dora. "Verbeeld je, Bob had er twee aan zijn +rechterbeen. Of ik zijn spulletjes ook goed opberg, hè?" + +Nu moest Nel toch ook lachen en gearmd gingen beiden naar beneden +naar de huiskamer. + +"Alweer een dagje om, ma," zei Nel, toen ze dien avond met Door naar +bed ging. + +"Ja, ja, vrouwtje, maar er komen er nog veel, moet je maar denken." + +"En als dan het zonnetje van binnen en van buiten schijnt, dan zingen +we," zei vader lachend: "'t Is vacantie, 't blijft vacantie...." + +"Hoera, vacantie boven!" vielen Door en Nel in. + +"Nacht vader, nacht moes!" En zingende gingen, ze naar boven. + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +DE VERDWAALDE DWERGJES. + + +"Er zijn dieven," fluisterde Nel aan Doors oor, want hard praten +durfde ze niet. + +Door, nu op eens wakker, zat kaarsrecht in bed. + +"Hoor je 't?" fluisterde Nel. + +Door knikte. De angst benam haar bijna den adem. + +"Zullen we vader en moeder roepen?" fluisterde Nel weer. + +"'k Durf niet," kwam bijna onhoorbaar uit Doors mond. + +"Ik ook niet," klonk het wanhopig naast haar. + +"Luister eens. 't Is precies, of ze met sleutels rammelen," zei ze +en kneep Door van angst in den arm. + +"Ik durf onmogelijk opstaan," kermde Door. "Mijn mooien armband heb +ik gisteren op tafel laten liggen; dien nemen ze natuurlijk mee en +Fritsjes zilveren kroesje en de lepels en vorken! O, 't is vreeselijk," +zuchtte ze. "En mijn ringetje ligt, geloof ik, op den inktpot. Sst, wat +zijn ze nu stil. Misschien steken ze het wel aan een van hun vingers." + +"Het zal hun toch wel niet passen," zei Nel geruststellend. + +"Om de pink wel," snikte Door. + +"'t Is precies, of ze hierheen komen," fluisterde Nel en kroop stijf +tegen Door aan. + +"Maak toch zoo'n leven niet." + +"Konden we maar dood liggen, zooals Foxje." + +Weer was 't even stil in de voorkamer. + +"Ik probeer 't," zei Nel kordaat. + +"Wat?" + +"Ik houd het hier niet langer uit." + +"Nel, hoe durf je! Ik laat je niet alleen gaan," zei Door, toch alles +behalve moedig. + +Heel voorzichtig, met ingehouden adem, liet Nel zich uit 't bed +glijden. Door volgde klappertandend.... + +"De deur staat op een kiertje," fluisterde Door. + +Als twee angstige vogeltjes tegen elkaar aangedrukt, stonden Nel en +Door in de gang en trachtten door de deuropening te kijken. + +"Zie je iemand?" fluisterde Door tot Nel, die vooraan stond. + +"Niemand." + +"Ze zullen onder de canapé gekropen zijn." + +"Ik ga eens kijken," zei Nel moedig. + +"Ik zie niemand," zei ze, op haar buik liggende. + +"Kijk eens op 't inktstel naar mijn ringetje." + +"'t Ligt er nog" zei Nel, steeds moediger de kamer rondkijkende. + +"Ligt het er nòg?" Door was een en al verbazing. "Hoe is 't mogelijk; +dieven zijn anders dol op goud." + +"Misschien zijn ze boven op de kast gekropen," begon Door weer, +nu half in de kamer staande. + +"Op de kast?" vroeg Nel ongeloovig, terwijl ze voorzichtig het +tafelkleed oplichtte. + +"Ja zeker, op de kast. Als iets weg is, kan het overal zijn, zegt +ma altijd." + +"Je denkt zeker aan je haarlintje of je handschoenen, die ook altijd +zoek zijn. St.--hoor je dat?" Nel stond stijf van schrik. + +Door keek haar met groote oogen aan en durfde geen voet verzetten. + +"Daar hoor ik 't weer," zei Nel, nog steeds op dezelfde plaats +staande. "Maar--maar--ik geloof--dat--ja nu hoor--ik--het--duidelijk," +riep ze opgewonden.... + +"'t Is ... een vogel!" + +"Een vogel?" Door wist niet, wat ze hoorde. "Een vogel?" herhaalde ze +hoogst verwonderd en stond eensklaps midden in de kamer, naar alle +kanten kijkende en luisterende. "Ja, je hebt gelijk, nu hoor ik het +ook en heel duidelijk zelfs." + +"Hij zit stellig in den schoorsteen." + +"Neen, dat geloof ik niet, hij zit in de kachel. Die stumper kan zijn +pret ook wel op." + +"Ja, werkelijk, arm dier," zei Nel. + +"Wat wil je doen?" voeg Door, toen Nel naar het raam liep. + +"Het raam open schuiven; dan kan hij dadelijk naar buiten vliegen. Het +zal wel een verdwaalde kraai of spreeuw zijn." + +"Uitstekend," vond Door. "Nu zal ik het kacheldeurtje open zetten, +let op, een, twee, drie--rustverstoorder." + +Werkelijk vloog een jonge spreeuw er uit, keek even met zijn aardige +glinsteroogjes verbaasd rond, zag het open raam--en was verdwenen. + +"Kom eens gauw kijken, daar zit hij, daar zit hij," riep Nel +opgetogen. "Zie hij 't eens druk hebben en de veertjes glad strijken, +zoo'n ijdeltuitje.--Dag plaaggeest!" + +"Wat een geluk, dat het zomer is en er geen vuile stukken cokes en +asch in de kachel liggen. Wat draait hij met zijn kopje; het heeft +er veel van, dat hij zijn avontuur in geuren en kleuren aan die twee +dikke spreeuwen naast hem zit te vertellen." + +"Dan zullen die twee ouwetjes wel hun kopjes schudden, als ze hooren, +hoe hij ons heeft beet gehad," lachte Door. + +"En jouw netheid zal nog van de daken der huizen verkondigd worden," +zei Nel. + +"Maar kom, ons diefje heeft zijn vrijheid terug; ik kruip nu nog +lekker een paar uurtjes in bed." + +"En ik," zei Nel geeuwend. "Brr, wat een nacht." + +Na een kwartiertje waren beide heldinnetjes in zoete rust. + +Aan het ontbijt vertelden Door en Nel met veel ophef, wat ze vroeg +in den morgen hadden ondervonden en werden braaf uitgelachen. Leni en +de tweelingen zaten met open mond te luisteren en moesten natuurlijk +de kachel van alle kanten bekijken, alsof daar heel wat bijzonders +aan te zien was. En Nel en Door moesten den boom wijzen, waarin de +spreeuw gezeten had. Het drietal raakte niet uitgevraagd. + +"St, zacht loopen," zei Leni dien middag, terwijl ze met de tweelingen +naar den zolder ging. "Kijk, in den koffer zijn de kleeren, geloof +ik. Jullie moet mij eventjes helpen met de doozen, ze zijn zoo +zwaar." Met veel moeite gelukte het hun, met hun drietjes de doos op +te lichten. + +"O, Bob," juichte Hans, toen Leni het deksel van den koffer had +opgetild. "Kijk eens, een rood mutsje en een grijs. En wat is +dat?" vroeg hij, een met zilverpapier beplakte kroon in de hand +houdende. + +"Dat is de kroon, die Nel op gehad heeft, toen ze voor Asschepoes +heeft gespeeld," legde Leni uit. "Maar voorzichtig, jelui moet er nu +niet alles uit halen. Ik zal eerst eens kijken, waar de pakjes van +de dwergjes zijn." + +"O, Leni, worden wij dwergjes?" Hans klapte in de handen van pleizier. + +"Daar heb ik al een pakje; hoe vinden jullie dat?" + +"Is dat voor mij?" + +"Ja, trek je schoenen maar uit, of neen, het pijpje is nogal wijd. Ga +maar op deze kist zitten, dan zal ik je wel even helpen." + +"Zou het niet te groot zijn?" vroeg Hans. + +"Een beetje misschien wel, maar dat is niets. Zulke pakjes zitten +altijd nogal ruim," voegde zij er vertroostend aan toe. + +"Wat mag ik aan hebben?" vroeg Bob, die, met de zilveren kroon van +Asschepoes op zijn aardigen krullebol en een papieren sabel om, +verlangend in den koffer keek. + +"Jij krijgt dat grijze pakje aan; tweelingen moeten toch gelijk +gekleed zijn." + +"O ja dan zal ik mijn sabel zeker maar afdoen." + +"Ja," zei Leni, druk bezig Hansje een rood puntmutsje op te +zetten. "Klaar! Nu, wat zeg je er van? Is 't niet leuk?" Hans knikte +lachend. "Wacht, je moet nog den leeren riem om hebben, die zal ook +wel in den koffer zijn. Hoera, daar is hij al! Jammer, dat hier geen +spiegel is, dan kon je je zelf eens bekijken." + +"Hebben dwergjes dan spiegels?" + +"O, neen, 't is eigenlijk veel beter, dat er hier geen is, want +dwergjes bezitten die niet." + +"Stil, wat is dat? Daar is iemand aan de deur, geloof ik," zei Leni +verschrikt. "Gauw, Hans, kruip achter dezen koffer. Bob, verstop je +gauw." Voorzichtig deed Leni de deur open en verrast bleef ze staan, +toen Julia zacht miauwend met hoogen rug langs haar streek en in twee +sprongen op een koffer stond. + +"O, jou klein, nieuwsgierig poesekopje, om mij zoo verschrikt te +maken! Kom maar weer uit je schuilhoekje, jongens. 't Is Julia en +die verklapt ons niet." + +"Help je mij even? Ik kan niet in de tweede pijp komen." + +"Een, twee, drie, hopsa," zei Leni. "Past het niet mooi? Wacht, hier +is het een beetje te wijd, maar dat is niets, daar komt de ceintuur +over heen. Nu je puntmuts nog. Prachtig!" riep ze opgetogen. "Wat +zullen allen kijken, als jullie beneden komt. Ga beiden nu maar op +deze kist zitten, dan zal ik mij ook verkleeden. Oef, wat is 't hier +warm. Ik zal het raam open zetten." + +"Word jij ook een dwergje?" vroeg Bob. + +"Drie dwergjes," lachte Hans. + +"Maar dat kan toch niet, want dan ben jij een groote dwerg en dwergjes +zijn altijd klein." + +"Zijn er geen groote dwergen?" vroeg Hans. + +"Zijn er nooit pa-dwergjes?" + +"Jawel," zei Leni; "want dwergen dragen immers baarden. O ja, dat is +waar ook, jullie moet ook nog de baarden om hebben." + +En half uitgekleed, zocht ze weer in den koffer. "Ik kan ze nergens +vinden, dat is jammer, maar zoo zijn jullie toch ook mooi." + +Dat vonden Hans en Bob ook. + +"Ik wordt sneeuwwitje," zei ze. + +"Als deze koffer van glas was," zei Hans, "dan moest jij daarin gaan +liggen en konden wij je dragen." + +Leni lachte. + +"St! daar roept ma mij, geloof ik. Hoe jammer!" Haastig trok ze haar +jurk weer aan. + +"Stil blijven zitten, hoor! Ik kom gauw terug." + +'t Was een grappig gezicht, die twee aardige ventjes met hunne roode +puntmutsjes op de kist te zien zitten tusschen allerlei koffers, +doozen, manden enz. + +"O wee, kijk Julia eens," zei Hans even later. "Zij wil, geloof ik, +op het dak gaan en dat mag niet. Juul, Juul, Juul!" riep hij, zoo +hard hij kon. + +"Misschien is zij bang voor ons, omdat we nu op dwergjes lijken." + +"Als ze op het dak komt, gaat ze vogeltjes vangen," zei Hans wanhopig. + +Weer riepen beide kinderen zoo hard ze konden, maar poes stoorde zich +er in 't geheel niet aan en stapte kalm het raam uit. + +Bob en Hans vergaten heelemaal wat Leni gezegd had. Beiden liepen +naar het raam om te kijken, waar poes gebleven was. + +"Zie je haar?" vroeg Bob aan Hans, die 't meest vooraan stond. + +"Ja, ze loopt in de goot." + +"Och, die arme vogeltjes. Als poes ze ziet, eet zij ze op." + +"Wat zou ze doen, ze zit zoo stil als een muisje." + +"O Bobbie, misschien ziet ze al een vogeltje. Ik ga haar in den staart +knijpen. Jaap heeft mij verteld, dat, als je een poes, die loert, +in den staart knijpt, ze het vogeltje of muisje niet kan krijgen." + +"Laten we dan dadelijk gaan. Ze zit nog steeds op hetzelfde plaatsje." + +Beiden stapten toen voorzichtig in de goot. Bob vooraan, voetje voor +voetje, gingen ze op poes af. + +Julia bemerkte eerst niets, maar toen Hans en Bob op ongeveer vier +passen genaderd waren, scheen ze onraad te bespeuren, tenminste ze +verliet haar plaatsje en liep verder. + +"O, Hans, als wij haar nu maar kunnen krijgen," zei Bob half +schreiend. "Stil, daar zit ze weer, misschien heeft ze ons nog niet +gezien. Niet praten," zei hij, toen Bob weer iets wilde zeggen. + +Ondertusschen was Leni weer op den zolder terug gekomen. Ze keek +vreemd op, toen ze de tweelingen niet op de kist zag zitten. + +"Jullie deugnieten, heb je je verstopt?" zei ze lachend. "Ik zal je +wel vinden." Vroolijk zingend ging ze zoeken. "Hans, Bob!" riep ze +eenige keeren, toen zij ze niet vond. + +"Misschien zijn ze in slaap gevallen," dacht ze toen. "Maar dan moeten +ze hier toch zijn. Wat is dat? Julia ook weg? O wee, het raam! Zou +Julia op het dak zijn gegaan?" Op eens kreeg ze een vreeselijken +schrik. "Als-als-de tweelingen...." + +Leni holde naar beneden. "Ma--vader--Bob en Hansje zijn nergens te +vinden en Julia is op het dak." + +"Kom, kom, kleine meid," zei pa, "Julia zal wel gauw terugkomen; +ze vond het zeker frisscher op het dak dan op den zolder. Ze zal zoo +gauw geen ongeluk krijgen." + +"Och ja, maar ... paatje, Hans en Bob zijn er ook niet." + +"Hans en Bob zijn toch geen poesjes, die zijn toch niet op het dak +geklauterd? Kom, kom, vrouwtje, maak je toch zoo angstig niet. De +bengels zullen zich zeker verstopt hebben." + +"Ik heb ze overal gezocht," zei Leni, nu wel een beetje gerustgesteld. + +Ze gingen zoeken boven. Maar toen niemand ze vond, maakte een +vreeselijke angst zich van hen meester. Er was geen twijfel +meer aan. Bob en Hans waren op het dak geklommen en naar beneden +gevallen. Allen zagen lijkwit. Plotseling werd er hevig gebeld +en stonden ze stijf van schrik. Ieder verwachtte nu te hooren, +wat ze zoo zeer vreesden. Kee kwam naar boven hollen en vloog +vader bijna omver, die juist naar beneden wilde. "Ze--ze--" +stotterde ze,--"ze--zitten--dáár," en Kee wees met den vinger,--"dáár +gunder--op het--dak.--De slagersjongen kwam--het mij--zeggen"--hijgde +ze,--"och, die wurmen, die wurmen! Het--staat--daar vol menschen, de +politie--is er ook, och hemeltje--och, och! Enne, die kan--niet bij +ze--komen, omdat de menschen--die--daar wonen--uit--de stad zijn. Die +stakkers! Wat ze--aan hebben, weet ik niet, maar--ze zien er heel +gek--uit--zegt de slager." + +Allen holden naar beneden. Mevrouw Van Brakel kon van schrik bijna +geen voet verzetten. + +Ja waarlijk, een huis of zes verder zaten boven op het dak, als twee +parkietjes, Hans en Bobbie. + +Intusschen had de politie van de buren den sleutel gehaald en was +een agent naar boven geklommen. Een algemeene kreet van blijdschap +ging op uit de volksmenigte, toen ze den agent op het dak zagen. En +een oorverdoovend hoera brak los, toen hij met Hans, en mijnheer +Van Brakel, die den agent gevolgd was, met Bob weer uit het huis +kwamen. Mevrouw Van Brakel schreide en lachte te gelijk en geen van +hen wist van blijdschap wat te doen. + +"Kindertjes, kindertjes," zei mevrouw Van Brakel, toen men een beetje +van den schrik bekomen was, "hoe kwamen jullie er toch toe?" + +"Heeft ze een vogeltje gepakt, tante?" vroeg Hans. + +"Een vogeltje gepakt? Wie wilde een vogeltje pakken?" + +"Julia," zei Bob, en toen vertelde hij alles. "lederen keer, als ik +haar staart wilde grijpen, liep zij verder en op 't laatst zagen wij +Julia nergens meer." + +"En waarom liepen jullie toen niet terug?" vroeg Nel. + +"Wij durfden ons niet omdraaien. Wij wisten ook heelemaal niet, hoe +ver we geloopen waren." En op eens barstte Hans in een zenuwachtig +schreien uit. + +"O, we waren toch zoo bang." + +"Jullie kleine, domme kereltjes," zei mijnheer Van Brakel +troostend. "Wisten jullie nu nog niet, dat dwergjes op den grond +hooren en niet op het dak?" + +"O, daar heb je de schuldige," zei Door, toen poes de kamer binnen +kwam. "Poesje, poesje, je hebt wat op je geweten. Wat heb jij ons +een onmogelijken angst bezorgd." + +"Ja, gelukkig, dat dit alles nu weer voorbij is," zei mevrouw Van +Brakel. + +"Ter eere van den goeden afloop mag Fritsje een balletje aan onze +dwergjes presenteeren en de andere kinderen mogen mee snoepen." + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +EEN DAGJE BUITEN. + + +"Kinderen," zei mijnheer Van Brakel eenige dagen later, "nu heb ik +een mooi plan. 't Is zulk prachtig weer, wat denken jullie er van, +als we eens een groote wandeling gingen maken?" + +"Heerlijk, leuk!" klonk het van alle kanten. + +"Nu, over een uurtje verwacht ik, dat alles klaar zal zijn, hoor." + +"Meisjes, jullie moet mij dan maar flink helpen. Want er moeten heel +wat boterhammen gesmeerd worden," zei moeder. "Dolf, jongen, maak jij +de sportkar eens keurig schoon, want voor Fritsje moeten wij die wel +meenemen en Bob en Hans zullen ook wel eens willen rijden." + +Ma en Door gingen de boterhammen smeren. Leni bracht papier aan, de +tweelingen zorgden voor de touwtjes, Nel pakte alles in en Fritsje +bracht ze naar de sportkar. + +"Hoe staat het er mee?" vroeg vader, op zijn horloge ziende. "Het +wordt tijd." + +"We zijn klaar, vader," zei Nel. + +"Mooi zoo, dan maar opgemarcheerd, marsch." + +"Mag Foxje mee?" + +"Zeker." + +Toen Fox zijn naam hoorde noemen, was hij uitgelaten van +blijdschap. Als een pijl uit den boog vloog hij vooruit, rende weer +terug, sprong dan tegen dezen, dan tegen dien op en was zoo dol, dat +het niet veel gescheeld had, of hij had Fritsje in zijn blijdschap +omgegooid. + +"Koest, Fox, koest, we weten wel, dat je blij bent," zei Dolf, +"maar als je zoo begint te rennen, hou je het nooit uit." + +"Wat is het toch heerlijk buiten," zei moeder. + +"Mij dunkt, we gaan de hei over en dan straks bij vrouw Pruim een +glaasje melk drinken." + +"O, ja," zei Leni, "misschien heeft ze wel weer een ziek geitje, +zooals den vorigen keer." + +Vader begon hartelijk te lachen. + +"Je wenscht vrouw Pruim ook niet veel goeds toe, kleine meid." + +Leni lachte verlegen. "Och ja, vader, maar u wéét ook niet, hoe goed +vrouw Pruim haar ziek geitje oppaste." + +"Dan moeten wij eens gauw gaan kijken, maar als jelui mij vraagt, +dan zie ik liever een gezond dan een ziek geitje." + +"Leni vindt zieke dieren altijd veel aardiger," zei Nel plagend, +"omdat ze die dan flink verwennen en vertroetelen kan. Was ik nu +maar een zieke kikvorsch of een half doode spreeuw," zei ze grappig +wanhopig, "wat zou mijn zusje mij dan allerlei lekkere hapjes brengen." + +"Ja, ja, je bent me een stumperd," lachte Dolf, "en zoolang je +nog zoo'n verbazende massa boterhammen verslindt, vrees ik, dat er +vooreerst van jou geen sprake zal zijn." + +"En tot kikker zul je 't zeker wel nooit brengen," zei Door, "want +in plaats van in het water te springen, bleef jij 't liefst aan den +kant staan." + +"En jij niet tot spreeuw," plaagde Nel terug, "want aan vroeg opstaan +heb jij een broertje dood." + +"Daar zal ik ook altijd voor oppassen, als ik al eens spreeuw mocht +worden; want vogeltjes, die te vroeg zingen, zijn immers voor de poes?" + +"En nu stel ik voor," zei vader, "dat wij hier eens een poosje aan +den kant van den weg gaan zitten. We hebben al een heele wandeling +achter den rug en 't wordt warm vandaag." + +"Hè ja," vond Door, "eventjes uitblazen." + +"Hoe is 't met mijn kleine broekemannetje?" + +"Is het broertje ziek geweest en is dat broertje toen doodgegaan, +Mammi?" vroeg Fritsje met een bedroefd stemmetje. + +"Welk broertje toch, kleine man?" + +Allen keken naar Fritsje, want 't was duidelijk, dat het schreien +hem nader stond dan 't lachen. + +"O, ik begrijp het, ik begrijp het," gierde Door. "Hij heeft gehoord, +dat Nel tegen mij zei, dat ik aan vroeg opstaan een broertje dood had." + +Ze schaterden het uit. + +"Jou kleine, kleine krullebol," zei Ma, en trok haar kereltje +liefkoozend op den schoot. + +"Nel weet er niets van, hoor, er is geen broertje ziek geworden en +ook geen dood gegaan. Dolf, kom eens hier met de sportkar, de bron +van alle goeds, en laten we dan allen een eierkoek gaan eten op het +heerlijke feit, dat Nel geen kikvorsch en Door geen spreeuw is, en +op het broertje, dat niet ziek geworden is. Wat zit het hier toch +heerlijk, 'k was werkelijk al een beetje moe," zei mevrouw Van Brakel. + +"Maar waar is Leni nu weer?" vervolgde ze. "Daar loopt ze warempel +met Bob en Hans ons al een heel eind vooruit. Dolf, roep die drie +voortvluchtigen eens terug. Ze moeten wat rusten, anders worden ze +veel te moe." + +"O, daar komen ze al." + +"O, paatje, u weet niet, wat beeldige kapelletjes wij gezien +hebben!" zei Leni. "Hansje had er bijna eentje gevangen." + +"Jaap zegt, dat kapelletjes tooveren kunnen," zei Bob. + +"Zoo, heeft Jaap dat verteld?" + +"Ja oom. 't Kapelletje zegt: hocus, pocus pas, 'k wou dat ik een +rups was." + +"En wat zegt de rups?" lachte ma. + +"De rups? Hansje, zegt die ook wat?" vroeg Bob. Hans wist het niet. + +"Dan zegt die weer: hocus, pocus pas, 'k wou, dat ik weer een +kappelletje was, en dan wordt het een kapel. Is dat niet wonderlijk?" + +"Dat zal ik Jaap vertellen," zei Bob. + +"Kijk Foxje eens," zei Dolf, "òf hij ook moe is. Pas maar op je tong, +zoo meteen springt er een kikker op, net als op die van Pluto. Ik zou, +als ik jou was, mijn rood lapje maar gauw naar binnen halen. Hier, dit +is beter dan zoo'n springertje," en hij gaf Fox een stuk van zijn koek. + +"Ik weet een mooi spelletje," zei Leni, "zullen we bloemencorso +spelen?" + +"Bloemencorso?" + +"Goed," zei Door en sprong op, "er zijn hier zulke beeldige bloemen." + +"Vader en moeder zijn 't publiek," stelde Dolf voor. + +"Ja," zei Nel, "u moogt niet kijken, wij zullen wel waarschuwen, +als alles klaar is." + +"Dan zullen we ons maar in dezen greppel omdraaien; want om op zoo'n +mooien dag met je oogen dicht te zitten, is wel wat veel gevergd." + +Door stelde voor de sportkar te versieren. Dolf sneed heide, +terwijl de meisjes bloemen gingen plukken, 't Was niet zoo'n heel +gemakkelijk werkje. Door en Nel geleken, toen alles klaar was, wel +een paar pioenen. + +"Nu den optocht opstellen," zei Nel, terwijl zij nog bezig was aan +een krans voor Leni. + +"Eerst de sportkar met Bob er in. Leni, jij moogt hem rijden. Wat +zeg je wel van dit kransje?" + +"Door, laten wij van onze armen een stoeltje maken, dan kan Dolf Hansje +Pansje daar opzetten. Hij zelf kan Fritsje op zijn schouders nemen. Nu +eerst dat kleine heuveltje op," commandeerde Nel verder. "Ziezoo, +Leni, sta even stil, nu zal ik het publiek verzoeken te kijken. Vader, +moeder, het bloemencorso is gereed, u moogt kijken. Leni, vooruit nu." + +'t Was een aardig gezicht, dat vroolijk versierde troepje van den +heuvel te zien komen. + +"Beeldig, beeldig," riep Ma. + +"Prachtig," vond vader ook. + +Foxje was nu eens heraut, dan vormde hij weer de achterhoede, en +steeds wapperde zijn vlag. Toen de optocht tweemaal het publiek was +gepasseerd, vonden allen, dat het lang genoeg geduurd had. + +"'t Is mooi geweest, 't is mooi geweest, 't is drommels mooi geweest," +begon vader te zingen en allen vielen mee in. + +"En nu stel ik voor," zei ma, "dat we bij vrouw Pruim ons glaasje +melk gaan halen. Oef, wat is het warm!" + +"Ik weet den weg wel, vader," zei Leni. + +"Uitstekend, ga jij met Hansje maar vooruit." + +Dat vond Leni wàt gewichtig, en parmantig stapte ze voort. + +"St!" zei mijnheer Van Brakel even later, "ik hoor geritsel." + +"Een eekhoorntje," fluisterde Dolf. + +Ja waarlijk, daar zat op korten afstand een allerliefst eekhoorntje +te smullen aan een paddenstoel. Hij liet de plant in zijn pootjes +ronddraaien en knabbelde er zoo stukjes af. Zoo iets hadden de kinderen +nog nooit gezien. Ademloos stonden ze te kijken, toen hoe jammer, +Fox kwam aanrennen en binnen drie tellen zat het eekhoorntje boven +in een boom angstig naar beneden te kijken, of hij ook vervolgd werd. + +"Fox, hier!" commandeerde mijnheer Van Brakel, die den angst van den +eekhoorn zag. + +"Die stoute Fox," zei Bob boos. "Ik vind dat eekhoornhondje veel +aardiger." + +"Zoo, vind jij dat eekhoornhondje veel aardiger dan onzen lieven +Fox. Zullen we Fox dan in dien boom laten klimmen en het eekhoorntje +meenemen?" + +Even bedacht Bob zich. "Blijft Fox dan vannacht hier in 't bosch en +slaapt het eekhoornhondje dan in zijn nest?" + +"Ja zeker." + +"Och, laten we Foxje dan maar liever houden," zei hij. Maar nog eens +even keek hij door de takken, waar toch wel het mooie "eekhoornhondje," +zooals hij het noemde, gebleven was. + +"Leni en Hansje zullen al wel bij vrouw Pruim zijn," zei pa na een +half uurtje. "Wij hebben, geloof ik, een omweg gemaakt. Zij zullen +wel ongeduldig worden en niet begrijpen, waar wij blijven." + +Maar toen allen bij vrouw Pruim kwamen, zagen ze Leni en Hansje +nergens. + +"Leni zal in den stal zijn om haar zieke geit op te zoeken," zei vader +lachend. "Ga haar en Hans maar eens vertellen, dat wij er al zijn, +dan zal ik ondertusschen voor jullie een glas melk bestellen." + +"Ze zijn nergens," zei Nel, terugkomende. + +"Nergens? Nu nog mooier. Den eenen dag verdwalen de logé's op het +dak en een paar dagen later verdwaalt Leni op de hei." + +"Ze konden toch al lang hier zijn," zei moeder. + +"Hoe is 't mogelijk, die Leni, die altijd zoo goed den weg weet." + +"Ze zal wel weer achter een vlinder of hagedis zijn gaan loopen," +zei Nel. + +"Ik wou toch, dat ze er maar vast waren," zei moeder. "Ik ben er niet +zoo heel gerust op." + +"Ja," zei Dolf lachend, "als ze achter een hagedis aanloopt, moeder, +dan zal u ze wel niet zoo gauw terugzien. Maar daar komen ze, daar +komen ze. Ik zie ze heel in de verte." + +Ja, werkelijk, heel in de verte zag men twee kinderen langzaam +naderkomen. + +"Waarom loopen ze toch niet vlugger, ze zien ons toch wel zitten. Als +'t niet zoo "onmogelijk" warm was, liep ik ze te gemoet," zei Door. + +"Dat dient nergens toe, kindje. Ja, 't is verbazend warm. De lucht +ziet er werkelijk uit, of we onweer zullen krijgen, 't Is te hopen, +dat de bui nog maar wat uitblijft," zei mijnheer Van Brakel. + +"Ik zal maar vast de boterhammen ronddeelen, want er zullen wel leege +magen zijn en die twee laatkomers zullen ook wel trek hebben." + +"Hier zijn de schuldigen," zei Nel, die Leni en Hans toch te gemoet +geloopen was en nu met beiden voor mevrouw Van Brakel stond. + +"Maar kinderen, wat hebben jelui uitgevoerd!" riep mevrouw Van Brakel +verschrikt, de natte kleeren van Hans ziende. + +Allen zetten groote oogen op. + +"Wat is er gebeurd?" riepen Dolf en Door. + +"Dit jongetje," zei Nel, op den snikkenden Hans wijzende, "was op eens +heelemaal vergeten, dat hij een jongen was en dacht, dat de kikker +daar ginds in den plas zijn broertje Bob was. En toen hij zag, dat +zijn kikkerbroertje alle moeite deed om een mug te vangen, dacht hij: +stumpertje, ik zal jou wel even helpen, en flap, daar lag hij voorover +in den plas en toen begreep hij wel wat laat, dat hij geen kikker, +maar Hansje Pansje was." + +"Klein, dom Hansje, dacht je, dat je een kikker geworden was," lachte +mijnheer Van Brakel. + +Hans schudde heftig zijn hoofd. + +"Dacht jij, dat ik in een kikker omgetooverd was?" vroeg Bob lachend. + +Nog heviger ging Hansjes bolletje. + +"Hansje dacht," zei mevrouw Van Brakel, "dat een bad op zoo'n warmen +dag wel frisch zou zijn, maar hij vergat zijn kleeren uit te trekken." + +"Ik kon het heusch niet helpen," zei Leni, half schreiende, "maar ik +zag een klein vogeltje, dat o zoo akelig deed. Ieder oogenblik dacht +ik, dat het dood neer zou vallen, en juist toen ik het wilde grijpen, +vloog het, roef! naar boven in een boom. En toen ik omkeek, zag ik +Hans in den plas liggen. Ik heb hem toen dadelijk aan zijn arm er +uit getrokken." + +"Dat vogeltje was een kleine grappenmaker," zei vader. "Dat heeft jou +leelijk gefopt, meisje; want het was zoo gezond als een visch. Maar zal +ik je eens wat vertellen? Het was bang, dat jij zijn nestje zoudt zien, +waarin zijn kindertjes zaten daar in de buurt, en toen dacht het: als +dat meisje naar mij ziet en met mij meeloopt, kan ze mijn kleintjes +niet vinden. En toen jij ver genoeg van zijn nest verwijderd was, +vloog hij op en lachte je in zijn vuistje uit. Droog nu maar gauw je +tranen, kleine meid. Zoo'n bad zal Hans geen kwaad gedaan hebben. Nel +kan nu wel eens hooren, of vrouw Pruim ons misschien ook droge kleeren +kan leenen van een van haar jongens. Gerrit of Piet zullen wel iets +hebben, dat Hansje past." + +"Een jasje en een paar klompjes van onzen Dirk kan dat jongetje best +aanhebben. Kom jij maar mee, hoor," zei vrouw Pruim tot Hans, "dan +zal ik je die spulletjes gauw aantrekken." Maar Hans had hierin in +'t geheel geen lust, tot eindelijk mevrouw Van Brakel meeging. + +Een hartelijk gelach weerklonk, toen Hans na een tien minuten als +boertje met lange broek en klompen aan weer in den tuin verscheen. + +"O, "onmogelijk" leuk, onmogelijk," gilde Door. Hans kreeg nu ook +pret in 't geval, stak zijn beide handen in de zakken, zoodat ze +wijd uitstonden, draaide zich om en om en liet zich van alle kanten +bekijken. + +"Nu, wat zegt ge nu?" lachte vrouw Pruim, "heb ik niet een aardig +Pruimpje van je gemaakt?" + +"Och, zoo'n aardig Pruimpje," schaterde Dolf. + +"Maar nu zijn we geen tweelingen meer," riep Bob met een grappig +ongelukkig gezicht. "Hoe moet dat nu, tante?" + +"Dat is niets, ventje," zei mevrouw Van Brakel, "vanavond zijn jullie +weer tweelingen in je hanssopjes." + +Foxje was door al die luidruchtigheid ook heelemaal van streek en +holde van den een naar den ander. + +Na een half uur werd de terugtocht ondernomen en toen Hansje moe +werd van 't ongewone loopen op de klompjes, werd hij bij Frits in +de sportkar gezet, 't Was nog een heele wandeling en bij de greppel +gekomen, werd er halt gehouden. Door beweerde, dat ze "onmogelijk" +verder kon en allen hadden behoefte eens heerlijk uit te rusten met +die warmte. Dolf ging languit op de hei liggen en Fox hield trouw de +wacht bij zijn vriendje. + +"Nu maar weer opgemarcheerd," zei mijnheer Van Brakel na een +kwartiertje. "Ik ben anders bang, dat we niet voor de bui thuis +zullen zijn!" + +'t Was duidelijk, dat Julia blij was, toen haar vrindjes en +vriendinnetjes weer thuis waren. Ze deed niets dan langs de deurposten +strijken en zacht miauwen en duwde haar aardig kopje dan tegen dezen, +dan tegen dien aan. + +"Stil nu, stil nu," zei Door troostend. "Wat wil je toch, Julia? Wacht, +ik geloof dat er nog een kaakje in den zak is overgebleven. Dat krijg +je tot "welkom thuis" en morgen zullen we spelletjes doen; maar als +je te veel naar de vogeltjes kijkt in plaats van op te letten dan +neem ik mijn boek en ga in een hoek onder den treurboom lezen, hoor!" + +"Ziezoo, het klokje van gehoorzaamheid voor allen, groot en klein. Een, +twee, drie naar bed. 't Is een vermoeiende dag geweest." + +"Ik kruip alléén onder 't laken," zei Leni. + +"En ik," riepen Dolf en Nel. + +"Och, moezekepoes, wat is 't warm!" + +"Door en Nel, jullie zorgt wel voor onze logé's, niet waar?" + +"Ja zeker, moeder; ik zeg dan: hocus, pocus pas, 'k wou, dat +ons.boertje weer Hansje was, en dan ..." lachte Nel. + +"Trekt Hans gauw zijn hanssopje aan," zei Bob. "Dan zijn we weer +tweelingen." + +"Nacht vader, nacht moeder!" + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +TWEE KNAPPE HUISHOUDSTERS. + + +"Kinderen, moeder is vanmorgen met hoofdpijn in bed blijven liggen," +zei mijnheer Van Brakel eenige dagen later. "Jullie moet Kee nu +maar een beetje helpen en vooral niet te veel leven maken, 't Is wel +vacantie, maar..." + +"Dat treft juist heel goed," zei Door geruststellend. "Ik zal-wel +voor de boterhammen zorgen en thee schenken. Nel kan dan--ja, Nel, +wat zul jij doen?" + +"'k Zal het Kee eens vragen," zei Nel. "Deze boontjes moeten afgehaald +worden, dat vind ik wel een leuk werkje. Leni kan mij wel wat helpen," +en vol ijver wilde Nel dadelijk al beginnen. + +"Och, Nel, help jij Fritsje even met zijn boterham. Laat die boontjes +maar staan tot na 't ontbijt." + +"Zou ik ze dan nog wel klaar krijgen? Kee zei: ""asjeblieft een portie +voor een kazerne."" Nu, dat kan nogal, dunkt me." + +"Zoo? Zei ze dat? Maar je moet mij nu toch even helpen. Het botermesje +ben ik kwijt," en Door tilde alle bordjes op, keek onder het theeblad, +op den stoel. "O, daar is 't gelukkig al. Waar zijn de tweelingen en +Leni? Wil je even kijken?" + +"Fritsje een glaasje melk, Door," vleide de kleine jongen. + +"Ja, ja, kleine snoes, dadelijk, 'k heb 't zoo druk. + +Och, Nel! Nel! Nè-èl! Hè, waar is ze nu weer?" zei Door in zich +zelf. "Waarom loopt ze nu juist weg? Ze kan toch wel begrijpen...." + +"Ze waren in den tuin," zei Nel, met de tweelingen terugkomende. + +"Wie waren in den tuin?" + +Nel proestte het uit. "Wie anders dan Bob en Hans. Je zei immers: +ik zou ze zoeken." + +"Dat is waar ook; maar geef jij Frits even zijn kroes met melk, ik kom +niet klaar. Wacht, even tellen: Vader, Dolf, Nel, Leni, de tweelingen, +dat is--dat is zes. Hoeveel sneetjes zou ik snijden? Hoeveel eet jij?" + +"Ik heb trek," zei Nel. + +"Nu ja, daar heb ik niets aan. Hoeveel sneetjes eet je dan, àls je +trek hebt?" + +"Twee." + +"En Dolf, denk je?" + +"Wel drie." + +"En vader?" + +"Ook wel zooveel." + +"Acht," telde Door. "En Leni?" + +"Ja, dat weet ik niet." + +"Leni, Leni!" riep Door, met in de eene hand het mes en de andere +het brood. + +"Natuurlijk, Leni is weer bij het kippenhok. Hoeveel?" riep Door, +'t brood in de hoogte houdende. + +"Vier," riep Leni terug. + +"Vier, hoe is 't mogelijk," zei Door, "dat is dus twaalf." + +"Och," zei Nel, "waarom vraag je dat toch alles; dat doet ma nooit." + +"Ma wéét, hoeveel ieder zoowat eet, maar ik niet. Zou jij ooit gedacht +hebben, dat Leni vier sneetjes at?" + +"En dan zegt ze nog wel, dat ze in de vacantie nooit trek heeft," +lachte Nel. + +"Bob en Hans ieder eentje, dat is veertien," telde Door. "Nu Kee +nog. Ik hoop maar niet, dat ze al te grooten honger heeft," zei ze +met een kleur van inspanning, "want 't mes is zoo akelig stomp. Help +jij vast smeren." + +"Kee!" riep ze, nu haar hoofd in de gang stekende. "Hoeveel?" + +"Hoeveel?" riep Kee verwonderd terug. "Gewoonlijk driehonderd, maar +nu nog vijftig meer." Door proestte het uit. + +"O, neen, maar Nel, hoe vind je die Kee?" verder kwam Door niet. + +"Wat zegt Kee?" vroeg Nel, lachend om Door. + +"Toe, zeg het nu," zei Nel ongeduldig, omdat Door maar blééf lachen. + +"Verbeeld je, Kee zegt ""gewoonlijk--,"" weer proestte Door 't uit. + +"Hè toe, wees nu niet zoo flauw," zei Nel half boos, half lachend. + +"Kee zegt," zei Door nu, haar best doende zich verstaanbaar te maken: +"gewoonlijk driehonderd en nu nog vijftig meer," wéér gierde Door. "O, +nee, maar Nel, wat zou ze meenen? Gewoonlijk driehonderd en nu nog +vijftig meer; zeker, omdat ik een stomp mes heb!" + +Nel, die juist Frits hielp, gutste door het lachen de helft van de +melk over het kroesje. "Ik begrijp het," schaterde ze. "Ze bedoelt +de slaboonen." + +"'t Is prachtig! Eenig! Stel je voor: driehonderd vijftig sneetjes +met een stomp mes." + +"Hoeveel _boterhammen_?" riep Door gierend terug. + +"Wie kan dat nou ook denken," zei Kee goedig; "drie, maar als ik +haast heb twee. En ik heb nu haast." + +"Dat is--hoeveel had ik ook weer?" + +"Veertien," hielp Nel. + +"Dat is dus zestien en ik zelf. Ja, 'k hèb honger, maar ook haast, +net als Kee, dus ook maar twee. Kom, nu zal ik de rest smeren. Wat is +zoo'n huishouding toch "onmogelijk" druk," zei ze, Fritsjes boterham +in smalle reepjes snijdende. "Je komt gewoon niet klaar." + +"Ziezoo, daar ben ik weer," zei mijnheer Van Brakel. "Ik zie wel, +dat je goed voor allen gezorgd hebt." + +"Leni, kom nu toch, we zijn allen klaar," riep Nel; "je boterhammen +zijn gesmeerd." + +"Ja, ik kom dadelijk, ik moet even de eieren naar de keuken +brengen. Zijn al die boterhammen voor mij?" vroeg ze, verbaasd naar +haar bordje kijkende. + +"Ja, natuurlijk," zei Door. "Ik heb je immers gevraagd, hoeveel je +hebben wou? Je eet nu maar op, wat op je bordje ligt." + +"Maar ik _heb_ niet gezegd, dat ik er vier wou hebben," zei Leni, +wanhopig naar den berg boterhammen kijkende. "Zoo veel eet ik nooit." + +"Wat is er toch, kinderen?" vroeg mijnheer Van Brakel. + +"Och, vader, ik was aan het brood snijden, en omdat ik niet graag meer +wilde snijden dan noodig was, vroeg ik Leni, die natuurlijk weer bij +de kippen was: "hoeveel?" + +"En toen?" + +"Toen riep ze van vier, dus...." + +"En vier kon _on_mogelijk iets anders zijn in Doors oogen dan sneetjes +brood; zoo'n huishoudstertje," lachte vader. + +"Nu begrijp ik het," zei Door, "vier kon bij Leni _on_mogelijk iets +anders zijn dan eieren." + +"Of kippen," zei Nel. + +"Dus kippeneieren," lachte Dolf. "Wat wil jij, Julia, kleine +vleister! Bob, zij wil, geloof ik, dolgraag een stukje van jouw +boterham hebben." + +"Nu zou ik toch eigenlijk wel graag een kopje thee willen hebben," +zei vader. + +"O wee, ik vergeet heelemaal in te schenken. Ma heeft misschien ook +wel trek in een kopje. Leni, wil jij eens even vragen?" + +"Wat is dat?" riep Door verschrikt uit. "Er komt water uit de tuit, +alléén water. En ik weet toch zeker, dat ik thee in den pot heb +gedaan." + +"Misschien gebeurt zoo iets in de vacantie wel meer," zei vader. + +"O, neen, paatje," zei Door, die wel begreep dat mijnheer Van Brakel +haar plaagde, "'t Is toch heusch waar. Ik heb het theebusje in de +hand gehad, ik weet het zeker." + +"Ja, je hebt met thee zetten gedaan als met de vraag aan Leni over +de boterhammen. Je vroeg hoeveel, en het voornaamste vergat je." + +"Ja, maar het theebusje," begon Door verdrietig, "waar is dat dan +toch gebleven. Ik zie het hier niet staan en toch...." + +"Ik heb het, ik heb het!" + +"Waar?" vroeg Door. + +"Hier, onder het deksel van het botervlootje," zei Nel. + +"Ik ben blij voor jou, dat het busje er weer is. Ik zal nu voor dezen +morgen maar een glas melk nemen; want het wordt mijn tijd." + +"Nu, paatje," zei Door, die het heel onpleizierig vond, dat haar +theeschenken zoo treurig afliep, "dan schenk ik u vanmiddag een extra +lekker kopje." + +"Water of thee?" lachte vader. + +"Wat is u toch een plaaggeest!" + +"Ik op 't lage stoeltje!" riep Nel een kwartier later en rende naar +het priëel zoo vlug ze kon, met de teil met prinsessenboonen voor +zich uit. "Jullie moet mij allen helpen. Dolf, haal jij even een +paar couranten voor de draden en een grooten bak voor de afgehaalde +boonen. Leni kan die boonen mooi doormidden breken. De tweelingen en +Fritsje kunnen met hun drietjes in den tuin spelen, wij hebben daarvoor +nu geen tijd. Er kan hun geen ongeluk overkomen. Fox, hier oude jongen, +breng dit boek eens naar binnen, dat heeft zeker iemand hier gisteren +weer laten liggen, je weet wel, wie ik bedoel. Fox sprong en blafte, +dat Bob de vingers in zijn ooren stak. "Fox, apporte, bedaar nu, +apporte," gebood Nel en toen nam de dartele, vroolijke Fox heel gedwee +het boek in zijn bek en ging er mee naar binnen. + +"Allo, marsch," riep Kee en toen stoof Fox de trap op naar Doors kamer. + +Bob, Hans en Frits hadden het al even druk met hun drietjes als de +kleine huishoudsters. + +"Dat is Asschepoes," legde Hans aan Bob en Frits uit, terwijl hij +bij het kippenhok stond, "en dat Snoetie. Kijk die kuikentjes toch +eens. Ik wou wel zoo'n kuikentje in de hand hebben." + +"Ik ook wel," zei Bob. "Misschien zouden ze 't wel prettig vinden, +als ze ook eens door den tuin mochten wandelen," opperde hij. + +"Ja," zei Hans, "en die arme Asschepoes zeker ook. 't Is toch ook +niet prettig, altijd in zoo'n hok te zitten." + +"Mag Frits ook een kuikentje hebben, zoo'n lief kuikentje?" en hij +trappelde al van ongeduld. + +"Is er ook een deurtje om in 't hok te komen?" onderzocht Hans. + +"Hier is een deurtje," zei Frits, die Leni dit dikwijls had zien +openen. + +"Wat een kleintje," lachte Bob. + +"Ja, dit is eigenlijk 't kippenhuis. Laten we spelen, dat wij kip +zijn," stelde Bob voor, "en Frits een kuikentje." + +"Neen," zei Hans, "ik ben Slokop en jij Asschepoes en dan vecht ik +met jou." + +"Fritsje vindt het toch niet zoo heel prettig in dit huisje," zei +Frits, angstig naar den haan kijkende. + +"Dat hoort ook zoo," zei Bob. "Kuikentjes vinden 't ook niet prettig +in een hok. Kijk eens, daar loopen warempel al twee op 't gras. Kijk +Asschepoes eens en de haan. En Snoetie en Toetie!" + +Voorzichtig stapte hij 't hok binnen, wel een klein beetje bang, +toen eenige kippen begonnen te fladderen. Maar dat wilde hij voor +Hans en Fritsje niet weten en liep daarom moedig verder. + +"Ze vinden het, geloof ik, niet goed, dat wij in hun huis komen," +en eigenlijk had Hans wel grooten trek om dadelijk weer terug te +keeren, maar toen hij Bob zoo dapper voort zag stappen, wilde hij +niet minder zijn. + +"Nu is er geen meer in 't hok! Hoe leuk," riep Hans, "nu doen we +het deurtje dicht!" Maar juist had Hansje dit gezegd, toen er een +doordringende gil van Leni te gelijk met een nog doordringender van +Door weerklonk; want de kippen, krielkipjes en kuikentjes genoten zoo +buitengewoon van hun vrijheid, dat ze uit puur pleizier steeds verder +waren getrippeld tot aan 't priëel, waarin allen zoo ijverig bezig +waren, dat ze Bob en Hans geheel hadden vergeten. Tot op eens Toetie +met haar kleine kraaloogjes om 't hoekje kwam kijken en de haan zijn +blijdschap over de heerlijke vrijheid niet beter wist uit te drukken, +dan door een krachtig kukeleku vlak bij Leni's oor te laten hooren. + +"De haan! de kippen! de kuikens!" klonk het van alle kanten. Door viel +bijna over den bak met slaboonen. "Wie is bij 't kippenhok geweest?" + +Leni sprong op en Nel zat als versteend. + +Fox, die rustig had liggen slapen, was op eens klaar wakker en pas +zag hij de niets vermoedende kuikentjes, of hij wilde er op af, +als Dolf hem niet met geweld bij den halsband vastgehouden en in +huis gezet had. Nu werd het een jagen van alle kanten. Tot driemaal +toe vloog Asschepoes angstig kakelend over het bed met viooltjes en +de kleine kuikentjes trippelen nù voor, dàn achteruit, in 't geheel +niet begrijpend, wat er van hen verlangd werd. + +"Niet zoo wild, niet zoo wild," riep Door, "dan kunnen we ze onmogelijk +krijgen. O wee, daar heb je Julia. Nel, jaag haar weg." Julia was +blijkbaar over dezen daad van Nel zóó diep beleedigd, dat ze, zonder +Nel ook maar met één blik te verwaardigen, rechtsomkeert maakte om +boven op de schutting haar toilet, waarmee ze te voren zoo ernstig +bezig was geweest, te voltooien. + +"Ssst, voorzichtig, daar zit een krielkipje onder die struik. Dolf, +ga jij hier staan, dan jagen we het er voorzichtig onder uit." + +"Och, kijk toch die kuikentjes, ze vallen bijna over hun eigen +pootjes," zei Leni. + +Op eens schaterde Dolf het uit. "O neen maar, kijk toch eens, kijk +eens. Bob, Hans en Fritsje in het kippenhok!" + +Allen waren, al jagende, nu ook het kippenhok genaderd en +niettegenstaande de groote verwarring door de "kippenoverstrooming", +zooals Dolf zei, ging er toch een uitbundig gelach op, toen ze de +drie kereltjes in het kippenhok zagen met hun neusjes stijf tegen +'t gaas gedrukt, vol belangstelling voor de kippenjacht. + +"Nu nog mooier," zei Nel. "Willen jullie wel eens één, twee, drie, +uit het hok komen? Zoolang jullie nog Bob en Hans bent, hooren jullie +niet in een kippenhok." + +"We dachten, dat de kippen het heel prettig zouden vinden in den tuin," +zei Bob. + +"Misschien vinden ze dat ook wel, maar kuikentjes en kippen zijn nog +maar domme dieren en weten niet, dat ze niet aan de bloemen mogen +pikken; daarom vinden wij het in het geheel niet prettig, dat ze in +den tuin zijn. Ze zouden onzen mooien tuin heel gauw leelijk maken +en dat willen jullie toch zeker ook niet. Ziezoo, blijf hier nu maar +even stil staan, dan zullen wij ze voorzichtig in het hok jagen." + +Bob en Hans stonden wel wat bedrukt te kijken. + +"Fritsje vond het niets prettig om kuikentje te spelen," zei Frits, +blij, dat hij uit het hok was. + +"Neen, ventje, dat is ook niet prettig, tenminste voor jongens niet." + +Eindelijk waren alle kippen weer in 't hok. Zelfs de haan, hoewel de +laatste van de geheele familie stapte deftig de voordeur van zijn +huis binnen en begon dadelijk te pikken van enkele graankorrels, +die op den grond lagen, met een gezicht en een deftigheid, alsof hij +niet even te voren zoo ondeugend zijn huis ontvlucht was. + +"Goeden middag!" hoorden de kinderen zeggen. + +"O, moesje, is u weer beter?" + +"Wie zou nu lang in bed kunnen blijven met zulk prachtig weer," +lachte mevrouw Van Brakel. + +"O, moes, 't is eigenlijk jammer, dat u nu pas komt. Als u even eerder +gekomen was...." + +"'k Heb alles van het balcon gezien," zei moeder, "en ik geloof, +dat ik het restje hoofdpijn weggelachen heb." + +"'t Was eigenlijk "onmogelijk" leuk," zei Door. + +"De slaboonen zijn klaar, maatje." + +"Jullie bent maar een paar knappe huishoudsters. En daar ben ik wat +trotsch op, hoor!" + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +EEN AVONTUUR. + + +"Hier heb ik de kleeren, die we voor Hans geleend hebben; die konden +jullie zoo meteen wel eens naar vrouw Pruim terugbrengen, 't Is er +juist zoo'n heerlijke dag voor," zei mevrouw Van Brakel. "Fritsje +blijft bij mij thuis, dan behoeft de sportkar niet mee, want Hans zal +nu toch voor de tweede maal wel niet in een plas vallen en naar huis +gereden moeten worden," lachte ze. "Kijk eens, Nel, koop hiervoor +wat chocolade voor de drie jongens van vrouw Pruim en hiervoor mag +je voor jullie zelf eene traktatie koopen, omdat het vacantie is." + +"Dat treft goed," riep Door opspringende, terwijl ze het boek, waarin +ze zat te lezen, neergooide, "ik dacht juist: wat zal ik nu eens doen +en daar komt u met zoo'n heerlijk plannetje." + +"Weet jullie wat," zei Nel, "ik ga vast vooruit met Hans en Bob om +iets te koopen, jullie komt ons dan wel na." + +"Wat gaan we koopen?" vroeg Hans. + +"Ja, dat weet ik niet, dat mogen jullie nu eens bedenken," zei Nel, +die het wat gewichtig vond, dat haar de inkoopen waren opgedragen. "We +moeten iets hebben voor Dirk, Piet en Gerrit." + +"Ik weet wel iets: een chocolade-sigaar," zei Hans. + +"Een chocolade-tol is veel mooier," vond Bob. + +"Dat vind ik allebei heel aardige dingen; als ik nu maar wist, wat +de jongens 't mooist vinden. Ziezoo, hier moet we zijn," zei Nel en +stapte met de beide jongens een winkel binnen. + + + Voeten vegen, wat verdriet, + Zien jelui die mat daar niet? + + +werd er op eens geroepen. Nel kreeg een kleur als vuur, gluurde overal +rond, maar zag niemand. Bob en Hans wisten ook niet, wat ze er van +denken moesten, maar alle drie deden gewillig wat hun bevolen werd. + + + Doe de deur toch dadelijk toe, + Hoor, hoe 'k hoest, aehoe! aehoe! + + +"De deur is dicht," zei Nel, niets op haar gemak. Maar tegenover Hans +en Bob wilde zij zich groot houden. + +"Wie zou dat toch zeggen?" fluisterde Hans. "Ik zie niemand." En +hij ging op zijn teenen staan om zoo ver mogelijk om zich heen te +kunnen kijken. + + + Houd op, houd op, ik lach mij ziek, + 'k Heb in mijn poot zoo'n rheumathiek + + +werd er toen geroepen en daarop klonk een schaterend lachen, zóó +vroolijk, dat Nel, Hans en Bob het mee uitproestten. Toen ging op +eens achter de toonbank een deur open en een dame met een vriendelijke +stem zei: "Neem me niet kwalijk, jongejuffrouw, dat ik u zoo lang liet +wachten, maar ik werd juist even opgehouden. Waarmee kan ik u dienen?" + +"Ik, ik".... Nel schaterde het weer uit. "Hebt u--ook."--Weer een +lachbui. "O, juffrouw, neen, ik kan 't niet zeggen." + +Bob en Hansje keken dàn naar Nel, dàn naar de juffrouw en deden ook +niets dan lachen. + +"Ik begrijp niet"--zei de juffrouw, nu ook lachende, "werkelijk +niet".... + +"Ik wou graag," begon Nel, die alle moeite deed zich goed te houden, +"ik wou graag".... + +"Ha, ha, nu begrijp ik, wat er gebeurd is," zei de juffrouw. "Toddy, +de raaf, is zeker aan 't woord geweest." + +"Was het geen mensch, was het een raaf?" vroeg Nel hoogst +verwonderd. "Hoe is 't mogelijk? Och toe, mogen wij hem eens zien?" + +"Kom dan maar mee," was het lachend antwoord. + +"Kijk, hier is hij." + +Nel en de tweelingen raakten niet uitgekeken. + +"Kan hij nog meer praten?" vroeg Nel opgetogen. + +"O zeker," zei de juffrouw, "maar hij wil niet altijd. O, 't is +zoo'n deugniet." + +"Niet waar, niet waar!" riep de vogel terug. + +"Jammer, dat de anderen hier niet zijn," zei Nel; "mag ik eens +even kijken, of ze komen, juffrouw? Leni zou de raaf zoo dolgraag +eens zien." + +"Zeker hoor, als je denkt, dat ze het aardig vinden." + +Nel stoof den winkel uit en kwam niet lang daarna met Door, Leni en +Dolf terug. Nel had onderweg het geheele verhaal al gedaan. + +"Klontje," zei Toddy en klopte met zijn snavel tegen de kooi. + +"Dat kun je begrijpen," zei de juffrouw lachend. + +"Och toe, juffrouw, mogen we hem iets geven?" vroeg Leni. + +"Dan moet hij er eerst om bedelen." Toen Toddy 't woord "bedelen" +hoorde, begon hij uit alle macht tegen de tralies te tikken, nam +een smeekende houding aan, door zijn kop schuin te houden, en riep: +"Och toe, och toe," wat zóó grappig klonk, dat allen het uitgierden. + +"Nu mag jullie hem een stukje borstplaat geven," zei de juffrouw. + +Hans durfde niet en Bob was wel bang, dat de raaf hem in de hand zou +pikken, maar toch gaf hij het hem. + +"Zit hij altijd in die kooi?" vroeg Hans. + +"Wel neen, hij komt er dikwijls uit." + +"Nu moeten we gaan," zei Door eindelijk. + +Leni had grooten lust te blijven. + +"Ik zou warempel mijn boodschappen nog vergeten," zei Nel. "Hebt u +ook chocolade-tollen, juffrouw?" + +"Kijk eens, hoe vind je deze?" vroeg de juffrouw, terwijl ze er één +van chocolade en één van suiker liet zien. + +"Beeldig, geeft u beide maar en dan nog een chocolade-sigaar." En +toen Nel ook een zakje met lekkers gekocht had, ging het geheele +gezelschap weer op stap, nadat de juffrouw hen uitgenooodigd had eens +spoedig terug te komen. "Toddy vindt het heerlijk, visite te krijgen +en ikzelf ook." + +"Zullen we heengaan over de hei en terug over 't land Van der +Pol?" stelde Door voor. + +Dat was best. + +"Daar zie ik het huis al," zei Leni na een poosje; "nog vijf +minuten--en we zijn er." + +"Wel, komen jullie daar allen aangestapt? Dat is aardig," zei vrouw +Pruim. "Kom maar binnen, kom maar binnen." + +"Neen, vrouw Pruim, wij willen hier buiten liever een beetje +uitrusten. We komen je 't pakje van Dirk terugbrengen en moeder +bedankt je vriendelijk." + +"Ja ja, 't is goed, 't is goed," zei vrouw Pruim. + +"Waar zijn Dirk, Piet en Gerrit? We hebben wat voor hen meegebracht," +zei Nel. + +"Dat had je toch niet moeten doen. Daar komen ze juist aan," zei +vrouw Pruim en wenkte hen uit alle macht. + +"Kijk eens," riep Nel en hield drie pakjes in de hoogte, "in ieder +pakje zit iets lekkers voor jullie, dat lijkt je zeker goed toe." + +De jongens bleven verlegen staan. + +"Gerrit, raad eens, wat ik hier heb?" zei Nel, een pakje in de hoogte +houdende. + +"'k Weet niet," zei Gerrit verlegen. + +"Je moet raden," zei vrouw Pruim, lachend. + +Gerrit haalde de schouders op, durfde niets zeggen. + +"Ik zal je een handje helpen," zei Dolf. + + + "Ik sta met één poot op den grond + En draai daar vroolijk op in 't rond. + Hoe meer men mij sla, + Hoe vlugger ik ga." + + +"Wat "onmogelijk" leuk," riep Door. "Dolf, hoe heb je dat zoo goed +bedacht?" + +"Stil, laat Gerrit raden." + +"Ik, ik weet het niet," zei Gerrit. + +"Een tol," raadde Piet met een hoogroode kleur. + +"Bravo!" riep Nel, "die is voor jou, je hebt hem eerlijk verdiend. En +nu heb ik hier nog iets. Dirk en Gerrit, nu ben jullie aan de +beurt. Toe, Dolf, jij bent in het raadseltjes opgeven zoo knap. Bedenk +nog eens wat." + +"Als jullie een oogenblikje geduld hebt," zei Dolf; "want opeens +zoo'n versje te maken, is zoo gemakkelijk niet. Wacht, ik weet al iets: + + + "Ik ben bruin en rond, + 'k Hoor in den mond. + Maar blijf ik daar een langen tijd, + 't Is zeker, dat ik steeds meer slijt, + 'k Ben bruin en rond en dik, + Nu raad eens, wie ben ik?" + + +"Leuk, leuk!" juichte Door weer. "Nu, Gerrit, bedenk jullie je goed." + +"Een sigaar," zei Gerrit na een poosje. + +"Knap geraden, als je blieft. Je weet nu," zei Nel lachend, "'k hoor +in den mond, maar blijf ik daar een langen tijd, 't is zeker, dat ik +steeds meer slijt." + +"En nu nog voor onzen Dirk, die zullen we maar niet laten raden, +want dat heeft Piet al voor hem gedaan. Voor Dirk ook een tol." + +'t Was aardig, de gelukkige gezichten te zien. + +"En als jullie nu niet te moe meer bent, moet je toch eens even +in de schuur komen kijken, daar is iets aardigs te zien," zei +vrouw Pruim. Dat werd aan geen doovemansooren gezegd. Leni holde +vooruit. "Nu héél stil zijn," vermaande vrouw Pruim, "wacht, ik zal +maar eerst gaan. Kijk eens," zei ze, toen ze eerst een paar kippen, +die daar liepen, had weggejaagd, en wees naar een groote ronde mand, +waarin Mollie, de poes, lag met vijf aardige, gele kuikentjes, die +gedeeltelijk van onder haar zachte vacht zichtbaar waren. + +"Wat is dat? Mollie met...!" Leni kon geen woorden vinden om hare +verwondering uit te drukken. Door en de anderen waren ook verstomd +over hetgeen zij zagen. + +"Maar--maar doet Mollie ze geen kwaad?" vroeg Nel angstig. + +"Wij vonden de kloek op een morgen dood in den tuin liggen," zei +vrouw Pruim, "en Mol lag op 't grasveld in de zon te slapen; toen +zijn de kuikentjes onder haar gekropen; ze keek eerst wel vreemd, +maar liet ze toch begaan. 't Was, of ze voelde, dat ze bij haar +bescherming zochten en sedert dien tijd koestert zij ze zooveel +mogelijk. Is het niet aardig? Stil maar Mol," zei ze tegen de poes, +die naar het scheen onrustig werd, omdat allen om haar heen stonden, +"blijf maar kalm liggen, we gaan dadelijk weg." + +"Wat vind ik dat toch een lieve poes," zei Hans. "O, Bobbie, als Jaap +hier eens was." + +"Neen, zoo iets heb ik nog nooit gezien," fluisterde Door. + +"'t Is snoezig," zei Leni verrukt, "snoezig." + +"'k Zie Julia al zoo met onze kuikentjes," zei Nel. + +"Mollie was ook zoo'n trouwe moeder voor haar eigen poesjes. Weet +je nog wel," zei Door, "hoe ze de kleine zwarte likte, die door Trim +gebeten was?" + +"Kom, kinderen," zei vrouw Pruim, "je moet nu allen maar in den tuin +gaan, ik ben anders bang, dat Mollie van de kuikentjes wegloopt." + +"'t Wordt ook onze tijd," zei Door, "je zoudt er anders wel zoo'n +heelen dag naar kunnen blijven kijken." + +"Zoo lief moest Julia zijn," vond Dolf. + +"Zeg niets van Julia," zei Leni, "al koestert ze geen kuikentjes, +'t is toch een lieve poes." + +"Dat vind ik ook," zei Door. + +Na vrouw Pruim en de jongens goeden dag gezegd te hebben, vertrok +het vroolijke troepje. + +Een kwartier later hield Nel den zak met lekkers in de hoogte en riep: +"Eerst een hartversterking." + +"Ja heerlijk, presenteer maar weer eens," zei Dolf. + +"Neen, neen, zoo gemakkelijk gaat het niet, jullie moet maar zien, +dat je iets krijgt," zei ze lachend. Door vloog op Nel af, maar toen +Nel dit zag, rende ze vooruit en allen achter haar aan. + +"Jongens, houdt Nel vast!" riep Dolf. + +"Dat kun je begrijpen, zoo gauw laat ik mij niet vangen," hijgde +Nel. Tot tweemaal toe ontglipte ze Dolf, die haar bij de mouw trachtte +te grijpen, maar eindelijk moest ze 't wel opgeven en plofte in +'t gras neer. "Ik kan niet meer, ik kan niet meer," zei ze. "Jullie +hebt je stukje eerlijk verdiend, kies maar uit." + +"Er zit wat in mijn schoen," zei Hans met een ongelukkig gezicht. + +"Er zit ook wat in mijn schoen," zei Leni. + +"Nu nog mooier!" riep Dolf. + +"Ja heusch," zei ze. + +"Trek hem dan eens uit," zei Door. + +"Neen, want dan is 't er niet meer in," lachte Leni. + +"Ze bedoelt haar voet! 'k Wist niet, dat mijn zusje zoo grappig was," +zei Nel, haar een kus gevende. "Maar Hans heeft er zeker nog meer in +zitten dan een voet, die kijkt zoo ongelukkig; kom ventje, trek je +schoen dan maar gauw uit. Met een hinkelepinkje kunnen we onmogelijk +de wandeling naar huis ondernemen. Daar hebben we 't al," zei ze, +een klein steentje weggooiende, "nu maar gauw voortgemaakt." "Toe, +Nel, presenteer nog eens," zei Leni na een poos, "we hebben al zoo'n +eind geloopen, we kunnen dan meteen eens zitten." + +"Mij goed, kinderen, kom maar hier, "moeder" zal voor jullie allen +iets heerlijks uitzoeken," zei Nel lachend. + +"Dat kan je begrijpen," zei Dolf, "neen hoor, ieder mag zelf kiezen." + +"Natuurlijk, natuurlijk," viel Door bij. + +"Dan zal ik van mijn zak een hoorn des overvloeds maken," zei Nel en +schudde het lekkers zoo ver mogelijk naar voren, terwijl ze haar hand +er als een presenteerblaadje onder hield. "Eerst mogen onze gasten +kiezen. Die nemen natuurlijk beiden hetzelfde. Tweelingen kunnen +"onmogelijk" anders." + +"Neen," zei Bob, "dat hoeft toch niet. Hans vindt chocoladeboontjes +met likeur het lekkerst en ik met fondant. We zijn alleen van buiten +tweelingen." + +"Kies jij maar gerust, hoor," zei Nel. "Door weet er niets van. Zij +zegt altijd zulke "onmogelijk" gekke dingen." + +"Nu maar weer voorwaarts marsch," commandeerde Dolf, nadat er een +tijdje gerust was. "Anders komen we veel te laat thuis." + +"Daar is het land al, dat we over moeten." + +"Doen die koeien niets?" vroeg Hans, niet erg op zijn gemak bij +'t vooruitzicht, die te moeten voorbij gaan. + +"We zijn al zoo dikwijls hier langs gekomen. Kijk, dat smalle paadje +gaan we over; als kippetjes loopen we dan achter elkaar aan. Dolf, +jij moet de haan maar zijn en ons voorgaan." + +"Wat een grappig wegje is dit," zei Bob, toen allen op het smalle +landpaadje liepen. + +Een paar koeien keken even met droomerige oogen op, toen ze de kinderen +zagen, maar graasden toen dadelijk rustig door. + +"Fox, hier blijven," beval Dolf, toen de hond vooruit wilde hollen. + +"Ik was toch liever niet door 't land gegaan, nu we Fox bij ons +hebben," fluisterde Door Nel een poosje later in 't oor, "maar zeg +hiervan niets aan de kleintjes." + +Juist had Door dit gezegd of een zwart gevlekte koe, die nog even +te voren rustig had staan kauwen, deed een paar passen in hun +richting. Nel stiet een klein gilletje uit. Fox, die zeker voelde, +dat er iets niet in den haak was, begon te blaffen. Eerst bleef de +koe staan, alsof zij verbaasd was over het geluid, dat zoo'n klein +beestje maakte. Maar toen begon zij al vlugger te loopen, naar Fox toe. + +"Zij komt op ons af!" gilde Door. "Fox, hier, hier!" En meteen nam ze +Hans bij de hand en zette het op een loopen. Nel met Bob er achteraan! +Dolf en Leni, die al een eind vooruit waren, keken bij het hooren +van het gegil achterom en renden angstig voort. + +"O, o!" jammerde Door en wanhopig sleurde ze Hans mee. "Hoe +vreeselijk!" + +"Als we maar eerst bij het hek waren," hijgde Nel. "Ik-ik kan +bijna--niet meer." Maar voort holde ze, den schreienden Bob +meetrekkende. Steeds dichter en dichter naderde de koe. Nel hoorde +het dier vlak achter zich. Ze bestierf het bijna van angst. Op +eens struikelde ze en sloeg voorover, terwijl ze Bob in haar vaart +meetrok. Op datzelfde oogenblik hoorde ze roepen: "Hector, pak aan!" En +even daarna stond een oud, krom boertje over haar heen gebogen. + +"Wel, wel, ben je zoo geschrokken?" hoorde ze hem vriendelijk zeggen +en meteen werd ze voorzichtig opgelicht. "Kom maar mee, hoor, en dat +kleine ventje ook," zeide hij, den hevig schreeuwenden Bob bij de hand +nemend. "Hector heeft die leelijke koe, die jullie zoo verschrikt +gemaakt heeft, bij het touw: Je behoeft niet meer bang te zijn, dat +ze je zal stooten. Kom maar gauw mee naar mijn huis. Je drinkt een +frisch glas water en je bent weer heelemaal beter." + +"Heb jullie je pijn gedaan?" vroeg Door bezorgd, die met de anderen +om Nel heen stond. + +"Mijn voet doet zoo'n pijn," zei Nel nog schreiend, gedeeltelijk van +den schrik en gedeeltelijk van de pijn. + +"Als je hem maar niet verstuikt hebt," zei Door. "En Bob, waar heb +jij je bezeerd?" + +"Mijn knie," zei Bob, "o, mijn knie doet zoo'n pijn." + +"Wel lieve tijd, zijn heele knie geschaafd," zei Door. "Stumperd. Hoe +komen we met twee zulke invaliden thuis!" + +"Moet je nog ver?" vroeg het boertje. + +"Nog een half uurtje," zei Dolf. + +"Zoo, zoo, dat is geen kleinigheid, dat is geen kleinigheid," herhaalde +hij hoofdschuddend. "Wil ik je eens wat zeggen? We zullen eerst een +glas water gaan drinken voor den schrik en dan span ik mijn Bruin voor +den wagen en breng jullie allen thuis. Nu, wat zeg je daarvan? 't Is +wel geen statiekoets, maar je behoeft dan toch niet te loopen." + +"Dat vind ik "onmogelijk" aardig," zei Door. + +Mijnheer en mevrouw Van Brakel wisten niet, wat ze zagen, toen daar +het heele vroolijke troepje op een hooiwagen den weg afkwam. Dolf en +Leni wuifden al uit de verte met hun zakdoeken. In kleuren en geuren +werd het geheele geval aan vader en moeder verteld. Natuurlijk moest +het oude boertje binnen komen en een glaasje bier drinken. En nadat +Leni hem vol trots haar kippenfamilie had getoond, ging hij, na nog +eens en nog eens vriendelijk bedankt te zijn, met Bruin weer naar +zijn eigen huis terug. + +Nels voet deed nog den heelen avond pijn. Maar moeder wist als altijd +raad, zoodat beide invaliden den val al gauw vergeten waren. + +"Maar tòch," zei Nel, "door een land met koeien ga ik van mijn leven +niet weer, daar heb ik genoeg van." + +"Als Fox er maar niet bij geweest was," zei Dolf "dan was er niets +gebeurd." + +"Ja, Foxje," zei Leni, "was jij nu maar zoo knap en zoo sterk als +Hector, dan had je ons natuurlijk wel geholpen, maar je bent eigenlijk +een klein, dom, eigenwijs hondje." + +Het duurde niet heel lang, of Door was in diepe rust, maar Nel was +blijkbaar nog onder den indruk van den schrik. + +Toch kreeg na lang woelen eindelijk de slaap de overhand; maar toen +werd de arme Nel geplaagd door de akeligste droomen. Ze zag zich zelf +alleen op een groot stuk land, waar van alle kanten koeien op haar +afkwamen, die haar met booze oogen aankeken. Ze vluchtte naar een +hek, maar toen ze daar dicht bij kwam, was 't hek verdwenen en lag +op die plaats een groote roodbonte koe kalm te grazen op een groot +veld papavers. En telkens als het dier een papaver in den bek stak, +veranderde de bloem in een draaiende tol. Toen liep Nel terug en +zag opeens Leni voorbijhollen, gezeten op een zwarte koe. Leni leek +veel grooter dan anders en telkens als ze langs Nel reed, strekte +ze haar lange armen naar haar uit. Maar als Nel haar wilde grijpen, +was zij verdwenen en zag Nel haar héél in de verte voortgaloppeeren, +steeds haar wenkende, terwijl het haar als een mantel om haar heen +golfde. Plotseling stond Nel voor een sloot en kon ze niet verder +en voor en achter zich zag ze niets dan koeien, toen op hetzelfde +oogenblik een wagen kwam aanrijden met een grappig klein paardje er +voor. De kop van het paard ging steeds op en neer. Op den wagen zaten +wel honderd kinderen, hij was zóó vol, dat onder 't rijden er gedurig +enkelen afvielen, maar als aapjes kropen ze er weer bij op. De voerman +pakte Nel op en zette haar er tusschen, maar toen zat Nel zóó nauw, +dat zij zich letterlijk niet kon bewegen, want van alle kanten drongen +ze tegen haar aan en een jongen hield haar knie zóó stijf vast en +trok zulke vreemde gezichten, dat ze met een gil wakker werd. + +"Wat heb je, wat is er?" riep Door verschrikt en zat rechtop in bed. + +"Ik weet het niet," kreunde Nel, "o, wat had ik een akelige droom, +je weet het niet--van koeien en--o vreeselijk." + +"Wacht, ik zal gauw licht opsteken " zei Door en wipte het bed +uit. "Een buitenkansje, de lucifers liggen op den kandelaar," zei ze, +de kaars aanstekend. "Wil je eens drinken?" + +"O, graag," zei Nel klappertandend. "Ik droomde--" + +"Neen, hoor, die droom zal ik morgen vroeg wel hooren, laten we nu +liever over iets anders praten, anders doorleven we straks beiden +vervolg en slot van deze minder opwekkende droomgeschiedenis," zei ze, +weer in bed stappend. + +"Weet je, wat ik wou," zocht Door Nel af te leiden, "dat ik zoo'n +raaf had als die juffrouw--" + +"Welke juffrouw?" + +"Je weet wel, die dame, bij wie we vandaag die tollen en de sigaar +kochten." + +"O ja, dat zou leuk zijn," zei Nel, nog niet geheel bekomen. + +"Ik zou hem allerlei versjes leeren; te beginnen met: "'t Is vacantie, +'t blijft vacantie" enz." + +"Meen maar niet, dat dat zoo gemakkelijk zou gaan. Als hij hier op +de slaapkamer stond, dan zou hij al gauw roepen: "Nel, waar is mijn +haarlintje, waar mijn armband, waar mijn themaboek?" + +"Om te gieren," vond Door. "Zou zoo'n vogel duur zijn?" + +"Ik weet het niet," zei Nel geeuwend. + +"'t Is jammer, dat het er met mijn spaarpot altijd zoo treurig +uitziet." + +"En met de mijne." + +"Zeg eens, Nel, Ne-èl." + +"Ja"--kwam er flauw uit het andere ledikant. + +"Je moet je oogen eens half toe doen en dan naar de kaars kijken, +dan zie je zulke prachtige stralen." + +"Hm," zei Nel, "'k doe ze liever heelemaal toe, 'k ben slaperig." + +"Ja, ik ook. Toch leuk, die stralen van die kaars, ik zal ze toch +zoo meteen uitblazen--" + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + +EEN DAG VOL GEHEIMEN. + + + + "Er stond een juffrouw aan de deur + Met een witte boezelaar veur + Hoe langer ze ston + Hoe meer ze vergong" + + +zei Door den volgenden morgen lachend en wees uit haar bed naar +den kandelaar. + +"Och, lieve tijd, je hebt de kaars laten branden," zei Nel en 't was +nog wel een nieuwe. + +"Ja, dat zal je altijd zien. Met stompjes zal mij zooiets niet +overkomen. Maar eigenlijk ben jij hier de schuldige." + +"Nu nog mooier!" + +"Ja, want om jou van een wissen ondergang te redden, ontstak ik het +licht," zei Door plechtig. + +"Ja, 't was een nare droom," zei Nel, nog rillend bij de herinnering. + +"Vertel hem nu maar; zoo onder het vastmaken van mijn knooplaarzen +bestaat er niet veel kans, dat ik hem verder droomen zal." + +"Ja," zei Nel, zich bezinnend, "ik droomde van koeien, die op mij af +kwamen--en--en--verder weet ik werkelijk niet meer." + +"Dat dacht ik wel. Een droom is als een Fransche les, als je hem +vertellen wilt, dan weet je er hoogstens één regel van. Maar dat je +van koeien gedroomd hebt, verwondert mij niet na ons avontuur van +gisteren. Mij dunkt, al de jonge leden van den huize Van Brakel hebben +het vannacht wel met een of meer koeien aan den stok gehad. Ik ken +mijzelf niet, dat ik er zoo heelhuids ben afgekomen, afschoon _jouw_ +koeien mij mijn halve nachtrust gekost hebben," lachte ze. + +De lucht zat vol geheimen! + +Geen wonder, Leni was den volgenden dag jarig en dat is op zichzelf +al een feest, maar jarig zijn in de vacantie, met nog twee aardige +logétjes, dat is wel een reden om er een echten feestdag van te +maken. Er werd dan ook heel wat afgefluisterd, zelfs Kee werd er in +betrokken, en wat meer zegt: Kee had nu eens geen haast, maar luisterde +belangstellend naar Nel of Door. Leni's hartje popelde van verlangen. + +"Is ons cadeautje al bezorgd?" fluisterde Door moeder in 't oor. + +"Nog niet, juffertje Ongeduld, maar dat zal wel komen." + +"Het zou jammer zijn, als het niet op tijd kwam. Weet u wat, ik ga +eens even naar den winkel." + +"Dat zou ik maar doen, zoo'n wandeling is gezond," zei mevrouw +Van Brakel. + +"Hoe vervelend! Nu kan ik mijn handschoenen weer niet vinden; maar kom, +dan maar zonder," overlegde Door bij zich zelf. "'t Is ook zoo warm." + +Zoo alleen boodschappen doen was juist een kolfje naar Doors hand; +ze hield dol van winkels kijken en nu kon ze net zoolang voor een +raam staan, als ze zelf verkoos. Nel had gewoonlijk zoo'n haast. Toen +ze eindelijk al haar aandacht gaf aan een winkel, waar mooie platen +voor de ramen hingen, bemerkte ze, dat een meisje naast haar stond, +dat gedurig naar haar keek en dat, telkens als Door haar aankeek, +lachend haar hoofd afwendde. Door wist niet, wat ze er van denken +moest en liep verder. Bij een volgenden winkel dacht ze: "Wat zien ze +toch aan mij?" toen ze bemerkte, dat ook een dame, die eerst achter +haar had geloopen, haar in 't voorbijgaan aankeek en lachend doorliep. + +"'t Is, alsof iedereen weet, dat we morgen een feestje hebben," dacht +ze bij zichzelf en liep wat vlugger om gauwer thuis te zijn. Maar +voor ze den winkel in ging om te vragen, of het cadeautje, dat zij +en Nel aan Leni wilden geven, klaar was, keek ze nog eens voor de +ramen naar allerlei beeldige dingetjes. Nauwelijks stond ze daar, +of een slagersjongen zei lachend: "Zeg eens, jongejuffrouw, is dat +de laatste mode, op _die_ manier je handschoenen te dragen?" + +Nu werd het Door toch te erg en met een kleur als vuur draaide ze +den winkel in. + +"Juffrouw," begon ze stotterend, "is..." maar Door kon bijna niet +verder spreken, toen ze het lachende gezicht van de juffrouw zag. "Is +de," hakkelde ze. Maar op eens schaterde de juffrouw het uit: "Hebt +u zoo door de stad geloopen?" + +"Ja," knikte Door verlegen. "Ja." + +Door bekeek zich van alle kanten, draaide zich om en om. + +"Hebt u niet naar uw handschoentjes gezocht?" Door knikte; begreep +er niets van. "Voelt u dan eens op uw hoed." Nu schaterde Door het +uit. "O, daar zijn ze, nu begrijp ik alles." + +"Ja, maar er zit nog iets, ik geloof een zakdoek. Voel maar eens +achter de lus." + +"Ja warempel," lachte Door. "Als ze dat thuis hooren! Ik ben maar wat +blij, dat u 't mij gezegd hebt, dank u wel. Maar nu zou ik bijna mijn +boodschap vergeten. Ik kwam eens hooren, of de mand klaar was. Morgen +is mijn zusje jarig." + +De juffrouw beloofde het cadeautje op tijd te bezorgen en lachend +nam Door afscheid. + +"Net iets voor jou, net iets voor jou," riep Nel, toen Door het heele +verhaal thuis deed. + +"Prachtig," zei vader, "prachtig. Jullie zult eens zien, dit meisje +wordt nog een professor." + +"Je verschijnt nog eens op een morgen met de handschoenen aan je +voeten en de schoenen aan je handen," plaagde Dolf. + +"Dat denk ik niet," zei Door; "want gewoonlijk mis ik een van beide." + +En terwijl Door beneden het verhaal deed van haar ongelukkigen tocht, +liepen Hans en Bob met Fritsje tusschen zich in ongemerkt zacht de +trap op. "Pas op, dat Leni ons niet hoort," zei Hans. + +"Leni morgen jarig," zei Fritsje. + +"Ja, Leni krijgt iets heel moois," zei Hans gewichtig. + +"Ja," zei Bob, "Leni krijgt een echt kuikentje, omdat ze zooveel van +kuikentjes houdt." + +"Waar is het?" vroeg Frits belangstellend. + +"Kom maar mee, het ligt in dezen koffer," zei Hans, terwijl hij den +koffer open deed. Nieuwsgierig keek Frits er in. + +"Ik zie geen kuikentje," zei hij teleurgesteld. + +"Zie je dat ei daar liggen?" vroeg Hans, nadat hij eerst allerlei +kleedingstukken van hem en Bob uit den koffer had genomen. + +Frits knikte. + +"Dat ei wordt een kuikentje," legde Bob uit. + +"Ja," zei Hans, Bobs woorden herhalend, "dat ei wordt een kuikentje." + +"Een echt?" vroeg Frits ongeloovig. + +"Ja. Maar eieren moeten een geheelen tijd héél warm liggen, voor er +kuikentjes uit kunnen komen," onderwees Bob weer. "Ik zal het daarom +maar weer gauw toedekken." + +"Als wij hier een kip hadden," bepeinsde Hans, "dan konden wij die +er op zetten." + +"Ja," zei Bob, wien dit ook wel toelachte, "dan kroop er misschien +morgen wel een kuikentje uit het ei, dat zou heerlijk zijn." + +"Durf jij een kip uit den tuin halen?" vroeg Hans. + +Bob schudde heftig zijn hoofd. "Een doode misschien wel," kwam er +flauwtjes uit. + +"Ja, maar die is er niet," zei Hans, met een bedenkelijk gezicht +naar de plaats kijkende, waar het ei lag, bedolven onder blousjes +en broeken. + +"Zal Fritsje kipje zijn?" stelde Frits moedig voor. + +Hans en Bob keken elkaar aan. + +"Kun je stil zitten?" vroeg Bob. + +Frits knikte. + +"Kippen zitten altijd doodstil op de eieren," zei Hans, die zich +verplicht gevoelde Frits het moeilijke van zijn taak goed onder het +oog te brengen. + +"Ik kan wel voor kipje spelen," zei Frits, die bij zijn voorstel bleef. + +"Dan zal ik de kleeren weer uit den koffer krijgen." + +"Kun je er alleen in stappen?" vroeg Bob. + +Neen, dat kon hij niet. Hans en Bob moesten hem helpen. + +"Daar is Julia ook," zei Bob, "die mag hier niet in deze kamer, +dan wil ze misschien ook in den koffer." + +"Als 't kuikentje piept, moet je er dadelijk uitkomen," waarschuwde +Hans. + +Frits knikte. + +"Als Frits op het kuiken zit, dan kan het wel dood gaan," zei Bob +angstig. + +Dat was een moeilijk geval, daar hadden Bob en Hans nog in 't geheel +niet aan gedacht. + +"Laten we dan maar liever de kleeren weer op 't ei leggen," stelde +Bob voor, die in zijn verbeelding het doode kuikentje al zag. En juist +zou Frits maar weer kip af zijn, toen vreeslijk gegil van beneden tot +hen doordrong. Bob en Hans holden naar het raam aan den voorkant en +zagen nog juist, dat Julia door Leni van de straat opgeraapt werd. + +"Hoe vreeselijk, Julia is uit het raam gevallen!" Bob en Hans vergaten +Frits en liepen, zoo vlug ze konden, naar beneden. + +"Och, lieve poes, lieve Julia," riep Leni schreiende. "Zie ze eens +beven. Als ze maar niet dood gaat." Zacht streelde ze poes; allen +stonden om haar heen. + +"Ze heeft gelukkig niets gebroken," zei mijnheer Van Brakel, de +pootjes onderzoekend. "Zet haar op dezen stoel, Leni; ik denk, dat +ze wel gauw weer de oude zal zijn. Zij is natuurlijk erg geschrokken." + +"Zie ze toch eens beven," zei Leni. + +"Maar hoe kwam poes toch boven? De deur van de voorkamer moet +opengestaan hebben." + +"Poes wou in den koffer," versprak Hans zich, "maar dat mocht niet, +want Fritsje...." + +"Fritsje? Is Frits dan boven?" vroeg mevrouw Van Brakel verbaasd. "Ik +dacht, dat jullie met hem in den tuin speelden." + +"Fritsje zit in den koffer," lichtte Bob toe. + +"In den koffer?" Allen keken verbaasd naar de tweelingen, toen Hans, +die opeens aan de verrassing van Leni dacht, zei: "Ja, 't is een +geheimpje, hé Bobbie?" + +De verwondering steeg ten top. Door holde naar boven, waar ze Fritsje +snikkend in den koffer vond zitten. + +"Och, kleine vent, wat scheelt er aan?" Maar niettegenstaande het +diep ongelukkige gezichtje van Frits kon Door toch haar lachen niet +bedwingen, toen Frits tusschen het schreien door riep: "Ik--ik--wil +geen kippetje zijn, Dora, ik wil geen kippetje zijn." + +Toen Door met het snikkende Fritsje beneden kwam en met vragen bestormd +werd, zei ze lachend: + +"Wij vertellen niets, dat is nu _ons_ geheimpje, wat zeg jij, kleine +man?" Fritsjes verdriet, nu hij uit den koffer en weer bij moesje was, +was spoedig geleden. + +Gelukkig was Julia gauw weer beter en toen Leni even de kamer +uit was, stelde vader voor, eerst de tweelingen en daarna Julia te +photografeeren. Kee werd in het geheim genomen. Die kwam daarom even +later Leni vragen, haar wat te helpen. + +"Ik kom anders nooit klaar en jij kunt zoo mooi helpen, je doet +mij zooveel pleizier," beweerde ze. "Je werkt nog beter dan ik +zelf." En ze liet Leni koffie malen uit den treuren, totdat ze wel +voor een week genoeg had. En nadat de heer Van Brakel Bob en Hans +had gephotografeerd, beiden zittende in de sportkar, was hij met een +onuitputtelijk geduld bezig Julia te "nemen." Juist op 't moment, +dat het gaan zou, zag Julia, onbewust van 't gewichtige oogenblik, +een vlieg, waardoor haar rustige houding van even te voren geheel +veranderde en zij vol belangstelling het diertje met haar poot +trachtte te grijpen. Maar eindelijk, na herhaalde pogingen, stond +Julia er "prachtig" op. Fox, die eigenlijk ook op een kiekje moest, +was op dat oogenblik nergens te vinden en dus bleef het bij poes en +de tweelingen. Dolf stelde voor Toetie en Snoetie te fotografeeren, +maar deze twee waren vader veel te beweeglijk, zoodat er veel kans +zou zijn, dat Snoetie met twee koppen en Toet er misschien met twee +staarten opkwam en vader wist zeker, dat Leni op zoo'n portret van +haar lievelingskippen niet gesteld was. + +"Jammer, dat Foxje er niet is," zei Dolf, "ik wil nog eens kijken, +misschien is hij wel in de buurt." En juist zou Dolf de kamer uitgaan, +toen Nel hem lachend tegen hield. + +"Weer een brief van oom Karel," zei ze, "dien moet je eerst hooren, ik +zal hem voorlezen. Jongens, een brief van vader, kom eens gauw," riep +ze den tuin in. "Waar is Leni, die moet ook bij de voorlezing wezen." + +"Hoera, hier zijn we al," juichte het drietal. + +"Toe, Nel, begin nu gauw," zei Door. + +Nel las: + +"Mijn lieve kaboutertjes! Het briefje, dat ik hierbij insluit, is +van Miekie. Ik vond het op den lessenaar. Miekie had natuurlijk geen +postzegel, daarom heb ik het briefje maar in het couvert gedaan en +aan jullie verzonden. Dat zij gisteren iets in haar schild voerde, +was duidelijk. Zij bleef voortdurend bij mij zitten, terwijl ik zat +te schrijven. Na eerst op mijn schouder en toen op een paar boeken +gezeten te hebben, ging ze op een blaadje postpapier zitten. Als ik +haar zei: "maar, Miekie, postpapier is er toch niet om op te zitten," +dan knipte ze een paar keer met haar groene oogjes en keek het raam +uit, alsof ze 't onschuldigste poesje van de wereld was." + +"Precies zooals Julia doen kan," zei Door. "En toen ik klaar was," las +Nel verder, "en het papier wilde meenemen, was ze zoowaar ingedommeld, +zoo hield zij zich tenminste, zoodat ik het blaadje wel moest laten +liggen. Toen ik later den brief zag, begreep ik, waarom zij dit grapje +uitgehaald had. + +Nu wil ik nog even vertellen, dat ik morgen bij jullie kom. Ik +weet, dat er dan een klein meisje jarig is, dat ik graag zou willen +feliciteeren en 't is dan mijn plan, de kaboutertjes den volgenden +dag mee naar hier te nemen. We verlangen allen erg naar hen en dan +... sedert gisteren heeft hier in huis een groote verandering plaats +gehad, maar ik _schrijf_ niet wat. Ik zal het mijn kaboutertjes +zelf _vertellen_. Wat zullen ze opkijken! Honderd kusjes van vader +en moeder." + +"Komt Paatje morgen hier?" riepen Bob en Hans opgetogen. + +"Ja, hoe vindt jullie dat?" + +"Heerlijk!" zei Bob, "juist op Leni's verjaardag." + +"En gaan we dan gauw naar huis?" + +"Zeker, dan nog één nacht hier slapen," zei Nel, lachend om de +opgewonden gezichtjes. + +"Dan gaan we weer naar Maatje," zei Hans blij. + +"Ja en als jullie dan heerlijk bij je Maatje zit en bij Miekie, Bruun +en Jaap, dan zitten wij helaas weer op school," zei Dolf zuchtend. + +"Maar nu kunnen we nog zingen," zei Door en met een potlood de maat +slaande, begon ze: + + + "'t Is vacantie, nog vacantie. + Hoera vacantie boven." + + +En allen vielen mee in: + + + "En ieder, die 't niet zingen wil, + Die moet er aan gelooven." + + +Dolfs stem hoorde men boven allen uit. + +"Stil, nu zal ik Miekies brief voorlezen, kijk toch eens die groote +letters," zei Nel, den brief in de hoogte houdende. + +"Leuk," riep Leni, "begin nu maar." + +"Lieve baasjes," las Nel en keek daarbij Bob en Hans aan, wier +gezichtjes straalden van genot. "Ik verlang zoo naar jullie en +Bruun ook. Jaap, geloof ik, ook wel, maar dat kan mij niet schelen; +want op Jaap ben ik boos. Dat is zóó gekomen. Ik was gisteren op de +muizenjacht. Uren en uren had ik voor een gaatje gezeten, waaruit een +muis moest komen. Ik kreeg op 't laatst erg veel verlangen naar mijn +schoteltje met melk, maar toch bleef ik zitten, omdat ik bang was, +dat mij 't muisje ontsnappen zou. Bruno kwam ook een paar keeren bij +mij, hij wou met mij spelen, maar ik bleef zitten, ik wou het muisje +hebben. Eindelijk, jawel, daar stak het zijn puntsnuitje uit het +gaatje. Ik verroerde mij niet. Voorzichtig kwam het er verder uit, +zag overal rond, tot het opeens heelemaal te voorschijn kwam. Toen +sprong ik er op af, maar toch ontkwam het mij en schoot achter een +kist. Ik zal jou wel krijgen, dacht ik, en bleef dicht bij de kist +zitten. Op eens kwam Jaap binnen. Hij begreep blijkbaar dadelijk, +waarom ik zoo stil zat. "Jij boosdoenster," zei hij. "'t Is jou zeker +weer om een muis te doen." En toen eindelijk de muis van achter de +kist te voorschijn kwam, zette hij de deur wijd open; zoo ontsnapte +mij het heerlijke kluifje. Toen ik het achtervolgen wilde, smeet hij +de deur toe en zei: "Dat kun je begrijpen! Jij er weer achter aan +zoodat je het op 't laatst tòch zou krijgen? Neen, daar komt niets van +in." Zoo was dus al mijn loeren voor niets geweest. Ik was zóó boos, +dat ik mij direct omkeerde en wegliep. Later kwam Jaap nog weer bij +mij met allerlei mooie praatjes, maar ik deed, alsof ik sliep en toen +ging hij gauw weer weg. + +"O, die oom Karel," lachte Dolf, "wat kan die toch aardige...." + +"Nu, wat kan oom Karel?" vroeg vader plagend. + +"Neen, neen," zei Dolf. "Ik bedoel, wat kan Miekie toch aardige +brieven schrijven." + +"Alsof Julia 't niet zoo kan," lachte Ma. + +"Ja, natuurlijk, Julia is dan ook een bijzonder knappe poes," zei Door. + +"Laat mij nu verder lezen," zei Nel, "de brief is nog lang niet uit." + +"Ik wilde toen mijn troost bij Bruno zoeken, maar die was als +gewoonlijk buiten en speelde op 't grasveld met andere honden. Aan +den kant van het grasveld staan boomen, zooals jullie weet, en nu had +iemand zijn hond, een mooien zwarten poedel, met een touw aan een van +die boomen vastgebonden, zeker, omdat hij hem niet goed mee naar binnen +kon nemen. Natuurlijk was dit alles behalve prettig voor dien hond, +vooral, omdat hij al die andere zoo vroolijk zag ronddraven. Bruno was +al eenige malen naar den armen gevangene toegeloopen om een praatje +met hem te maken, maar dan kreeg hij weer zoo'n lust om te stoeien, +dat hij wel driemaal 't bloemperk omrende, tot hij op eens op de +gedachte kwam den poedel te helpen. Hij begon in het touw te bijten, +te bijten--nu, je weet, Bruun heeft scherpe tanden. De vastgebonden +hond begon te kwispelstaarten en te blaffen, Bruun rustte even, begon +weer met vernieuwde krachten te rukken en te bijten. Tot hij het +touw doorgebeten had. Als een pijl uit den boog rende de poedel niet +eenmaal, maar wel zesmaal 't grasveld rond. Wat was hij blij! Bruun +achter hem aan. Het werd een dolle jacht. + +Toen de poedel geheel buiten adem met de tong uit den bek even stil +stond, kwam zijn baas er aan. Als jullie zijn gezicht gezien hadt! Hij +keek van den boom naar den poedel en van den poedel naar den boom en +dan naar de andere honden. Eenige menschen, die alles gezien hadden, +wezen naar Bruno. De baas lachte nu ook, floot een paar malen en +jawel, daar kwam de poedel, nog met een stuk touw achter zich aan, +schoorvoetend naar hem toe. Hij was, geloof ik, bang, dat de baas +boos zou zijn, maar die klopte zijn hond op den rug, streek hem over +den kop, zoodat de poedel vroolijk kwispelstaartte en met hem meeliep." + +"Zou Foxje ook zoo iets kunnen doen, vader?" vroeg Dolf. + +"Misschien wel, maar Bruun is een groote, sterke hond en heeft +natuurlijk een sterk gebit." + +"Kom maar terug naar je zoo zéér verlangende Miekie," las Nel. + +"Prachtig, moes, wat zou die verandering toch kunnen zijn?" vroegen +Nel en Leni. + +"Dat zul je morgen wel hooren," lachte ma. + +"Misschien heeft vader kuikentjes gekocht," zei Hans, die aan zijn ei +in den koffer dacht. "Of heeft Bruun een nieuwen halsband gekregen," +raadde Bob. + +"Of, of," zei Leni, "heeft Miekie jonge poesjes gekregen." + +"Ik wou, dat 't al morgen was," zuchtte Hans. + +"Ik kan bijna zoolang niet wachten," zei Bobbie. + +"Nu kan ik door twee dingen bijna niet in slaap komen vanavond. Ten +eerste, omdat ik morgen jarig ben en ten tweede, omdat ik zoo +verlangend ben naar hetgeen oom Karel heeft te vertellen." + +"Moes, u weet het," zei Door, mevrouw Van Brakel met den vinger +dreigend. "Toe, vertelt u het ons eens." + +"Dat kun je begrijpen," lachte moeder. + +En toen Door Nel later iets in het oor fluisterde en Dolf vroeg, +of er ook een verfkwastje was, zei mijnheer Van Brakel lachend: +"'t Is hier wel een tijd van geheimpjes, dat moet ik zeggen." + +"Nu, kinderen, 't is tijd om naar bed te gaan. De tweelingen en Leni +slapen zeker al lang." + +"Ja, kom Nel, wij moeten morgen vroeg op," zei Door, "want".... + +"St., niets vertellen," zei Nel, den vinger op den mond houdende. + +"Och, lieve tijd," zuchtte Door, "ik vind het toch zoo "onmogelijk" +lastig, geheimen te bewaren." + + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + +LENI'S VERJAARDAG. + + +"'t Is zes uur, sta op," fluisterde Nel. + +"Wat zeg je?" vroeg Door slaperig. + +"'t Is zes uur. We zouden immers bloemen voor Leni plukken. Kom +er uit." + +"Nu al?" + +"Ja zeker, anders komen we niet klaar." + +"Ik ben zoo "onmogelijk" slaperig." + +"Dat ben je om zeven uur ook nog," was 't kalme antwoord. + +"Je hebt ook nooit medelijden met mij," kwam er grappig klagend uit. + +"Als ik klaar ben, ga ik en wacht niet op je." zei Nel. "Stil, Leen +draait zich om; als ze wakker wordt, is alle aardigheid er af." + +"Ik kom al," zuchtte Door, haar kousen aantrekkend. + +Zacht fluisterend en op de teenen loopend kleedden Nel en Door, +zich aan. + +"Begin nu alsjeblieft niet met je sproeiwoede," zei Nel, toen Door +haar waschkom vol schonk, ''dan wordt Leni stellig wakker." + +"'k Vang dan anders twee vliegen in één klap," zei Door lachend. + +"Hoe zoo?" + +"Wel, ik krijg de volle laag en jij bent wel tevreden met de +druppeltjes, die mij voorbij vliegen; op die manier zijn we gauw +klaar." + +"Als jij dat druppeltjes verkiest te noemen," zei Nel, "'t is +gewoonlijk een volslagen fontein. Stil, Leni beweegt zich weer, +sta nu toch doodstil." + +Wel drie minuten stonden beide meisjes onbeweeglijk, angstig kijkend +naar de kleine jarige. + +"Voor standbeeld ben ik niet in de wieg gelegd," zei Door, toen zij +zich weer durfde bewegen, "dat merk ik wel." + +"En ik niet," zei Nel. + +Plof! Wat was dat? Doors kam gleed uit haar handen. Beide meisjes +stonden als palen; want nu volgde een onrustbarend geschuifel in +het ledikant. + +"Ga op den grond liggen," commandeerde Nel en zeeg zelf ook behoedzaam +neer. Het geschuifel hield aan. Door en Nel stikten bijna van 't +lachen. Door lag voorover met haar hoofd onder de tafel, de noodlottige +kam recht voor zich uit houdende. Nel in haar onderlijfje met de beenen +onder haar eigen ledikant. Toen werd de deur zacht opengeduwd en Hans +stond met verbaasde oogen naar het eigenaardige tooneeltje te kijken. + +Door wist geen raad van het lachen bij het zien van Hansjes +verwondering. Hij dacht zeker niet anders, of de beide meisjes waren +door een aardschok neergesmeten. Door wenkte met de kam, dat hij weg +moest gaan. Hans scheen haar niet te begrijpen en bleef onbeweeglijk +staan. + +"W-e-g," spelde Door met de lippen en wees naar Leni's ledikant. + +"Het-ei-is," fluisterde Hans en wilde blijkbaar nog meer zeggen, +maar Door zwaaide zóó wanhopig met de kam, dat Hans ten slotte +bedrukt wegging. + +"Ik geloof, dat Leni weer in slaap gevallen is. Houd toch op met je +gelach, je zult alles nog bederven," waarschuwde Nel boos. + +"Zag je Hansjes gezicht?" fluisterde Door, zich nu ook oprichtend. Nel +knikte. Tot overmaat van ramp kwam Foxje ook nog in de kamer, maar +Door zette hem er voorzichtig uit en zoo kwamen de beide meisjes toch +eindelijk klaar. Moeder was al beneden en werd in het geheim genomen; +ze beloofde Leni, als ze beneden kwam, naar Kee te sturen, tot alles +voor de jarige klaar was. + +"Kom nu maar gauw mee," zei Nel tot Door; "want er zijn heel wat +vaasjes te vullen." + +"Gelukkig! Ons cadeau is bezorgd," zei Door, op de nieuwe mand voor +Julia wijzend. "Stopt u die maar goed weg, moes, anders ziet Leni +die nog, voor we thuis zijn." + +"Daar zal ik wel voor zorgen, kind! Ja, meisjes, jullie moet +voortmaken. Een verjaardag zonder bloemen en dat nog wel in den zomer, +dat gaat toch niet. 't Is heerlijk, dat jullie een veldbouquet gaat +plukken; want het zou jammer zijn den tuin te plunderen, als het +niet noodig is; alles staat nu zoo mooi en we hebben er zoo lang +pleizier van." + +"Ja, moes, we komen gauw terug," zei Door, die den botaniseertrommel +van Dolf nam. Na een half uur hadden de meisjes een prachtigen +ruiker geplukt. + +"Ik pluk ook nog wat papavers," zei Nel, "die staan zoo beeldig." + +"Ja, dat doen ze, maar ze zijn zoo gauw verlept," vond Door. + +"Ziezoo, we hebben genoeg, laten we maar vlug opstappen, want het +valt niet mee, alles te moeten rangschikken." + +"Is Leni al beneden?" was 't eerste wat Nel vroeg, toen ze thuis +kwamen. + +"Neen, ze schijnt nogal te kunnen slapen, niettegenstaande ze gisteren +het tegendeel beweerde," zei mevrouw Van Brakel. "Hè, kinderen, +kinderen, wat een schat van bloemen brengen jullie mee." + +Alle vaasjes en glazen werden voor den dag gehaald en met bloemen +gevuld, wat aan de kamer een echt feestelijk aanzien gaf. + +"Foxje, kom eens hier, oude jonge, je vrouw jarig en jij geen strik +om? Dat is ongehoord." En Nel bond Fox een blauw lint om den hals +en maakte aan een kant een flinken strik. Zoo heel pleizierig vond +Foxje dit nu niet, maar voor een jarige moet je wat over hebben, +had hij dikwijls gehoord en dus droeg hij zijn lot gelaten, zooals +een gehoorzaam en liefhebbend hondje past. En terwijl Nel bezig was +met Fox, bond Door Julia een rood lint om. Blauw was meer haar kleur, +vond Door, maar met het oog op de rood gevoerde mand was het beter +de halsversiering ook in die kleur te nemen. + +"Daar komt Leni aan!" riep Nel. "Waar is Dolf en waar zijn de +tweelingen en vader? We moeten toch allen in de kamer zijn, voor +Leni binnenkomt." + +"Dolf is achter in den tuin, met Bob, Hans en Fritsje." + +"Jongens, op 't appèl!" riep Door. + +"'t Is vandaag feest, zooals 't nooit is geweest," zong vader en kwam +met Leni binnen. Leni wist van verlegenheid niet, hoe ze kijken zou, +toen allen haar in de kamer opwachtten. + +Verrukt keek ze naar de bloemen. + +"Ja, ja, daarvoor hebben Nel en Door gezorgd. Wat zeg je daar wel +van?" zei moeder. + +"Beeldig," vond Leni. + +"Een spel voor den tuin," zei moeder en zette een groote kist op +de tafel. + +"Een croquetspel," juichte Leni, "heerlijk!" En ze vloog op moeder +en vader toe om beiden te bedanken. + +"Wat je Julia geeft, geef je Leni, hebben wij gedacht," zei Door. + +"Een ledikant voor je Snoes," voegde Nel er bij en zette ter +verduidelijking de poes in de nieuwe mand. + +"Hoe leuk!" riep Leni. "Och, zie haar eigenwijs gezicht eens." + +"Julia onderzoekt, of ze een springveeren of een paardeharen matrasje +heeft," zei Dolf, toen de poes de mand van alle kanten besnuffelde. + +"Maar hoe staan onze logé's zoo stil te kijken?" vroeg mijnheer +Van Brakel. + +"Er is geen kuikentje uitgekomen," zei Bob. + +"Geen kuikentje uitgekomen, ventje?" vroeg moeder verwonderd. + +Door proestte het uit. + +"Neen," zei Hansje, die dit gelukkig niet zag. "Het heeft al dien +tijd in den koffer gelegen onder onze blousjes. En Fritsje durfden +wij er niet opzetten, omdat we bang waren, dat het kuikentje dan dood +zou gaan." + +"Ik begrijp toch niet recht, wat je bedoelt," zei vader, die moeite +deed ernstig te kijken; "vertel mij eens, wàt lag in den koffer, +kereltje?" + +"Dit ei," zei Hans. Maar nu kon mijnheer Van Brakel zich niet langer +bedwingen. Hij schaterde het uit en allen in de kamer schoten in een +hartelijk gelach. + +"'t Is een kalkei; o jongens, jongens, jullie bent eenig, eenig!" + +Toen allen zoo vroolijk waren en het zich zoo in 't geheel niet +aantrokken, dat er geen kuiken uit het ei gekomen was, zelfs Leni niet, +toen moesten Hans en Bob toch wel meelachen. + +"Kijk eens, dit màg jullie Leni geven," zei moeder en gaf Bob een +doos met flikjes. "Daar kan ze dan eens uit presenteeren vanmiddag, +als paatje er is." + +Dat was goed. + +"Fisjeleer," zei Fritsje, terwijl hij Leni een fleschje met eau de +cologne vereerde. Natuurlijk moest ieder even van de eau de cologne +ruiken en daar Fritsjes zakdoek nergens te vinden was, kreeg hij een +beetje op de punt van zijn schort. + +"Nu heb ik hier ook nog een paar oude kennisjes," zei vader, de +portretten van de tweelingen en Julia gevende. + +"Och, paatje, hoe aardig," zei Leni verrukt. "Wanneer hebt u dat +gedaan? Bob en Hans hebben me er niets van verteld." + +"Ja, dat _die_ geheimen kunnen bewaren, hebben we gemerkt," zei vader, +"maar Julia doet voor hen niet onder." + +"Mag ik nu de jarige in den tuin verzoeken?" zei Dolf. + +"In den tuin?" vroeg Nel. + +"Ja, komt allen maar mee, achter in den tuin." + +"Kijk toch eens, Dolf heeft warempel het kippenhok geverfd," riep +Leni opgetogen. + +"Hoe leuk!" + +"Dat noem ik nog eens een verrassing," zei vader. "Ik wist werkelijk +niet, dat ik zoo'n knappen zoon had." + +"Wanneer heb je dat gedaan?" vroeg Door. + +"Gisterenavond en vanmorgen. Ik was om zes uur al in den tuin," zei +Dolf, blij, dat allen het zoo aardig vonden. "Maar nu moet je er ook +eens even in gaan," zei hij tot Leni; "ik heb de kippenfamilie zoo +met elkaar zien fluisteren, het zou mij niet verwonderen, als zij +ook een verrassing voor je hadden." + +Lachend ging Leni in het hok. "Kom eens hier," riep ze en stond te +dansen voor de nesten van Toetie en Snoetie. "Komt toch eens allen +hier!" + +"Maar kindje, dat is toch wel wat veel gevergd," zei vader; "het +heele gezelschap in het kippenhok! Laat ons liever eens zien, +welke verrassing je kippenfamilie jou bereid heeft: wij branden +van verlangen." + +"Toe, Leen, kom er uit," zei Door, "je maakt ons zoo "onmogelijk" +nieuwsgierig." + +"Kijk eens," zei Leni, "dit rose suiker ei heeft Toet gelegd. Het +staat er op, leest u maar." + +"Van Toetie op uw verjaardag." + +"Wel verbazend, dat is kranig," zei vader. + +"En dit witte van Snoetie." + +"Zulke kippen moesten we meer hebben." + +"En dit," zei Leni, en liet een chocolade-ei zien, "van...?" + +"Asschepoes," raadde Nel gierend. + +"Van den haan. Zijn visitekaartje heeft hij er bij gelegd. Kijk, +Haantje-Kukelekaantje staat er op en aan den anderen kant: + + + "Lief jarig pleegmoedertje, + In 't kraaien ben ik wel een baas, + In 't eier leggen niet, helaas! + Maar op het feest van pleegmama + Legde ik toch een ei van chocola + Uit dankbaarheid, omdat zij elken morgen + Zoo trouw voor mij en mijn kippen komt zorgen." + + +"Dolf, Dolf, hoe onmogelijk leuk." + +Ieder moest het hanenei natuurlijk bekijken, 't Was dan ook wel een +groote bijzonderheid; zelfs vader, die al zoo oud was, beweerde, +er nog nooit een gezien te hebben. + +"Jij krijgt straks het kapje, hoor Snoet," zei Leni tegen Fritsje. Dat +leek Frits wel goed toe en Hans en Bob werd het kapje van de +suikereieren beloofd. + +"Waar is Kee? Die moet ze ook zien," riep Leni. + +"Daar komt ze juist aan." + +"Asjeblieft," zei Kee, nog voor Leni iets kon zeggen, "omdat jij +mij gisteren zoo geholpen hebt," en meteen duwde ze Leni een klein, +beeldig poppenkoffiemolentje in de hand. + +"Och moes, maatje, zie eens, van Kee!" + +"Kindje! Maar 't is al te erg vandaag, je wordt veel te veel verwend." + +Toen Leni de eieren aan Kee liet zien van Snoet, Toet en +Haantje-Kukelekaantje, sloeg Kee de armen van verbazing in de +hoogte. "Heb ik van mijn leven, heb ik van mijn leven! Nu begrijp +ik, waarom hij vanmorgen zoo aanhoudend kraaide, 't Is dan ook +geen kleinigheid, een chocolade-ei. Dat doen de kippen hem niet na, +ofschoon Snoet en Toet ook bijzonder knap zijn. Maar, liefje, ik moet +nu weer naar mijn boontjes," zei Kee en holde weg. + +"Hoor Fox eens, met wien heeft die het toch zoo aan den stok?" zei +mijnheer Van Brakel. "Hij keft ons de ooren doof. Daar zit toch soms +geen vreemde poes onder die struik?" + +"O wee!" riep Door, "ik begrijp het al. Als Fox hem maar geen kwaad +doet. Leni, kom eens gauw hier. Kijk eens onder die struik." + +Leni bukte zich. "Een egel?" vroeg ze verwonderd, "voor mij?" + +"Een extraatje van Door en mij," zei Nel lachend. + +"Ik had het diertje maar stil willen laten liggen, maar Door dacht, +dat jij hem wel "snoezig" zou vinden, omdat je nu eenmaal alles +snoezig vindt, wat dier is. We hebben hem aan den weg gevonden." + +"Laat eens kijken," zei Dolf, "hoe grappig, ik heb nog nooit een egel +zoo dichtbij gezien." + +Hans en Bob vonden het in 't geheel geen aardig beestje, beweerden ze, +en Frits bleef op een eerbiedigen afstand. + +"Als Fox hem maar geen kwaad doet," zei Door. + +"Wel neen, 't blijft bij blaffen," zei vader, "daar behoef jullie +niet bang voor te zijn. We zullen hem wat melk brengen, daar houden +ze in den regel van." + +Leni liep naar huis en kwam na een oogenblikje met een schoteltje +met melk terug. 't Was eerst, of de egel 't niet zag, maar al gauw +begon hij te drinken tot groote vreugde van allen. + +"Je zult eens zien, hoe gauw hij tam is," zei moeder. + +"Maar nu gaan we eerst ontbijten, anders zijn we niet klaar, als oom +Karel komt," zei moeder. + +"Ik verlang ook naar paatje," zei Bob. + +"Ja, en wat zou paatje wel te vertellen hebben?" vroeg Hans. + +"Nog maar een beetje geduld," lachte moeder. + +"Morgen gaan we naar huis, hè tante?" + +"Goeden dag, goeden dag, feestvierende menschen!" hoorde men oom +Karel dien middag plotseling zeggen. "Daar ben ik al. Waar zijn mijn +kaboutertjes en waar is de jarige dame?" + +"Hier paatje," en Bob en Hans vlogen hun vader om den hals. + +"Ja, ja, kereltjes, hoe is 't met jullie? Druk aan 't feestvieren zie +ik. Wel, wel Leni, is dat croquetspel een cadeau? En Fox en Julia in +feestgewaad! 't Is geen kleinigheid, 'k Ben wat blij, dat ik gekomen +ben. Kijk eens, dat is nu _mijn_ cadeautje. Ik hoop, dat je 't mooi +vindt, meisje. Ik kan maar niet vergeten, hoe bedroefd je was over 't +verlies van sneeuwwitje en daarom heb ik je nu een ander sneeuwwitje +meegebracht." + +"Een pop!" riep Lena opgetogen. "Oompje, hoe heerlijk!" + +"En als sneeuwwitje gekleed," zei Door, "hoe beeldig! Kijk toch eens, +moeder!" + +"Prachtig, prachtig! Die oom Karel verwent je maar," zei moeder +lachend. + +"Dat heb ik wel begrepen," zei Nel, "dat jarig zijn in de vacantie +lang niet voor de poes is." + +"En nu 't geheimpje, oom," zei Dolf. "Wij branden allen van verlangen." + +"Dat is goed, kinderen. Bob en Hans, komen jullie eens bij mij zitten, +ieder op een knie. Het is iets heel moois en prettigs, dat ik te +vertellen heb." + +Allen keken oom vol verwachting aan. + +"Zoo'n aardig popje, als Leni gekregen heeft om mee te spelen," +begon oom, "is er bij ons in huis gekomen." + +"Ook een sneeuwwitje?" vroeg Bob verbaasd. + +"Maar, paatje, jongens spelen toch niet met poppen," zei Hans +teleurgesteld. + +Oom Karel glimlachte. "Er is bij ons in huis een levend popje--een +kindje gekomen." + +"Een echt?" Hans schoot van de knie af. + +"Ja, een echt." + +"O, oom, hoe leuk, hoe aardig!" + +Even was er doodsche stilte. + +"Maar, maar,--wat doet ze, kan ze al praten?" zei Bob, die 't eerst +van zijn verbazing bekomen was. + +"Eet ze al?" vroeg Hans. + +"Hoe groot is ze?--Heeft ze al haar? Slaapt ze?--Kan ze al lachen? Toe, +paatje, toe vertel eens alles." + +"Kleine, lieve kaboutertjes, hoe kan ik zoo gauw op alle vragen +antwoorden? Neen, praten kan ze nog niet, dat moeten wij haar nog +leeren. Ze kan nu eigenlijk nog maar alleen slapen, drinken en +schreien." + +"Schreien is praten, hè paatje?" + +"Vindt moesje 't prettig, dat het zusje er is?" + +"En Jaap?" + +"Jaap ook. En Griet, die anders zoo'n leven kan maken in de keuken, +doet nu alles even zacht." + +"En-enne-paatje, luister eens. Hoe groot is zus?" vroeg Bob opgewonden. + +"Niet grooter dan Leni's pop." + +"Wijs eens, hoe groot haar handjes zijn." + +"Zoowat zoo groot als jou wijsvinger. Twee aardige, roode knuistjes +heeft ze." + +"Nu hebt u nog in 't geheel niet gezegd, hoe ze heet, oom," zei Leni. + +"Ze heet Else, ons kleine meisje." + +Allen vonden dit een prachtigen naam. "Zou ze 't prettig vinden, +dat we morgen terugkomen?" + +"Welk zusje zou niet blij zijn met zulke lieve broertjes," zei oom +Karel, Bob in de wang knijpende. + +"O paatje, ik verlang zoo," zei Hans met een diepen zucht. + +"Wat kunnen we later heerlijk paardje spelen, Bobbie. Zus komt dan +in de sportkar te zitten, jij wordt paard en ik koetsier." + +"Neen, dan wil ik koetsier zijn," zei Bob. + +"Neen," pruilde Hans, "ik heb het 't eerst gezegd." + +"Weet jullie wat," zei mevrouw Van Brakel, die bang was, dat er +gekibbel kwam. "Zusje mag dan kiezen, die is de dame, die gereden +wordt." + +"Ja, dat vind ik best," zei oom. "En zal ik jullie nu eens vertellen, +waarom zusje _nu_ gekomen is?" + +Ja, dat wist niemand. + +"Omdat ze het later zoo prettig zou vinden in de vacantie jarig +te zijn." + +"Òf ze gelijk heeft," riepen Nel en Door tegelijk. + +"Maar nu moet ik toch werkelijk eens kijken, wat Leni gekregen +heeft. Morgen in den trein kunnen we den geheelen tijd over zusje +praten. Mij dunkt, Door en Nel zijn hier aan 't versieren geweest. Wat +een heerlijke massa bloemen! Met je nieuw croquetspel wil ik vandaag +vast een spelletje doen.' + +"Ja, ja, dat moet ingewijd worden," zei Dolf. + +"En nu moet u nog eens iets zien," zei Nel. + +"Extraatje van Door en mij," stelde ze voor, op den egel wijzend. + +"Neen, oompje, alleen van mij, Nel durfde hem niet opnemen." + +"Een egel? Daar moet je nu Door voor wezen om zoo'n aantrekkelijk +diertje mee te nemen," lachte oom. "Wat zei zusje wel van zoo'n +cadeau? Maar dat behoef ik eigenlijk niet te vragen. Bij Leni is +immers elk dier welkom." + +"Dat zei ik ook, oompje." + +"Hoe jammer," zei Leni, "dat de egel zich nu heelemaal ingerold heeft." + +"Dat is niets, die onbeleefdheid en dat nog wel op jouw verjaardag, +zal ik hem wel gauw afleeren," zei oom. "Dolf, haal mij eens een +kopje water, dan zullen we "extraatje," eens een bad geven." + +Nauwelijks had de egel het water gevoeld, of hij begon zich te +ontrollen. + +"O, kijk hem eens, kijk hem eens," riepen Dolf en Nel. + +"Zie hem eens boos kijken," lachte Door. "Foei, oude jongen, niet zoo +ernstig en dat nog wel op zoo'n grooten feestdag als vandaag. Ziezoo, +zoo mag ik je liever, nu ben je ons tevreden "extraatje" weer." + +"Stil, wij worden geroepen! Wie het eerst thuis is," zei oom en nam +Fritsje op zijn schouder en 't heele jolige troepje holde achter +hem aan. + +"Fritsje gewonnen! Moesje! Fritsje gewonnen!" + +"Ja, ja," lachte moeder, "jij lijkt het winterkoninkje wel, die bij +een wedstrijd onder de vogels, wie 't hoogste vliegen kon, onder de +vleugels van den adelaar kroop en zoo den strijd won, maar de andere +vogels leelijk fopte." + +Daar begreep Fritsje niets van, maar wel, dat, wat op tafel stond, +heerlijk was. + +"Bob en Hans, kom gauw. Hier staan beschuiten met muisjes op tafel," +riep Dolf, die de tweede overwinnaar was. "Ter eere van 't zusje," +zei mevrouw Van Brakel. + +'s Middags werd er croquet gespeeld, tot groot pleizier van de groote +en kleine menschen, maar niet het minst van Fox en Julia, die elken +bal naholden. Tot slot van het feest onthaalde moeder nog op een +heerlijke roomtaart, waarop ze voor de grap een vlaggetje gestoken +had en waarop stond: "Wie in Augustus geboren is, hoezee!" + +Allen begonnen dadelijk te zingen, zoodat het een oorverdoovend leven +was. Toen werden er nog allerlei spelletjes verzonnen en moest Leni +"Toetie" raden uit: begraven steden en Door "vacantie." + +Eindelijk werd het tijd voor de kleintjes om naar bed te gaan. Leni +mocht een uurtje langer opblijven. Toen eindelijk ook Door, Nel en +Dolf goeden nacht hadden gezegd, zongen ze nog als op den eersten dag +van de vacantie met een kleine verandering, door Door in het schoone +lied gebracht: + + + "'t Is vacantie, nog vacantie, + Hoera vacantie boven! + En ieder, die 't niet zingen wil, + Die moet er aan gelooven." + + +Den volgenden morgen voor schooltijd zag men weer, als op den eersten +dag van de vacantie, twee vlaggetjes uit een portier van den trein +wapperen. Maar nu wuifde oom Karel met zijn kaboutertjes den wachtenden +bij den trein met even vroolijke gezichten een afscheid toe. + +"Toe, kinderen, voor 't laatst nog eens," zei oom Karel plagend: +"'t Is vacantie!" + +"Neen, oompje," zei Door, lachend op haar boeken wijzende, "dat zal +niet gaan!" + +En de anderen gaven Door volkomen gelijk. + +"Onmogelijk, meisje?" + +"Onmogelijk, oompje," bevestigde Door. "Maar met de Kerstvacantie is +'t weer: "'t Is vacantie,"--zou Door juist beginnen te zingen, toen de +trein zich in beweging zette. Nog een laatste wuiven van de vlaggetjes +en van oom Karels witten zakdoek en 't vroolijke troepje groette van +'t perron terug. + +Om twaalf uur kwamen allen opgewekt uit school. + +"'t Was toch zoo leuk in de nieuwe klasse," vonden Door en Nel. Dolf +en Leni hadden allerlei prettige verhalen. + +"Dat mag ik zien," zei moeder. "Vroolijk op school en vroolijk thuis." + +"Ja, ja, we zijn wat trotsch op ons jolig troepje," zei vader lachend. + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Een Jolig Troepje, by Marie Leopold + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 12070 *** |
