summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--12070-0.txt4270
-rw-r--r--12070-h/12070-h.htm4862
-rw-r--r--12070-h/images/decoration.pngbin0 -> 13782 bytes
-rw-r--r--12070-h/images/front.jpgbin0 -> 271159 bytes
-rw-r--r--12070-h/images/p1.pngbin0 -> 157776 bytes
-rw-r--r--12070-h/images/p2.pngbin0 -> 267786 bytes
-rw-r--r--12070-h/images/p3.pngbin0 -> 252497 bytes
-rw-r--r--12070-h/images/p4.pngbin0 -> 323194 bytes
-rw-r--r--12070-h/images/spine.jpgbin0 -> 42972 bytes
-rw-r--r--12070-h/images/titlepage.pngbin0 -> 27615 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/12070-8.txt4690
-rw-r--r--old/12070-8.zipbin0 -> 66861 bytes
-rw-r--r--old/12070.txt4690
-rw-r--r--old/12070.zipbin0 -> 66649 bytes
-rw-r--r--old/old-2024-12-07/12070-0.txt4272
18 files changed, 22800 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/12070-0.txt b/12070-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..5fa53b6
--- /dev/null
+++ b/12070-0.txt
@@ -0,0 +1,4270 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 12070 ***
+
+
+
+
+ EEN JOLIG TROEPJE
+
+ DOOR
+
+ MARIE LEOPOLD
+
+
+
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+DE EERSTE VACANTIEDAG.
+
+
+ "'t Is vacantie! 't blijft vacantie!
+ Hoera, vacantie boven!
+ En als je dat niet zingen wilt,
+ Dan moet je er aan gelooven!"
+
+
+zong Nel in haar nachtjapon, terwijl ze met een natte spons in de
+hand voor Dora's bed stond.
+
+
+ "Hoera! vacantie boven!
+ En als je dat niet zingen wilt,
+ Dan moet je er aan gelooven!"
+
+
+Pats, de natte spons viel op Dora's gezicht.
+
+"Wat is dat, br.... Nel, wat scheelt je? Br....!" riep Door, die
+op eens rechtop in haar bed zat met een druipnat gezicht. "Dat is
+verraderlijk. Ik sliep zoo lekker. Kijk dat laken eens: kletsnat. Brr,
+geef me gauw mijn handdoek."
+
+"Zul je dan zingen?"
+
+"Ja, ja, alles wat je wilt, maar geef eerst mijn handdoek. Gauw,
+'t loopt met een straaltje achter in mijn nek."
+
+"Nu, zing dan," dreigde Nel, de spons voor Door in de hoogte houdende.
+
+
+ "'t Is vacantie, 't blijft vacantie,
+ Hoera, vacantie boven!"
+
+
+viel Door in.
+
+
+ "En ieder, die 't niet zingen wil,
+ Die moet er aan gelooven!"
+
+
+Hup, vloog ze 't bed uit, greep Nel de spons uit de handen, doopte die
+één, twéé, drie in de lampetkan. En vóór Nel nog iets had kunnen doen,
+daar droop haar geheele gezicht. Toen begon een wilde jacht om de
+tafel, over bedden en stoelen, dat hooren en zien je verging. Midden
+in die dolle jacht zat rechtop in haar bed kleine Leni in de handen
+te klappen en mee te zingen.
+
+Zacht ging de deur open, wat Nel en Door in 't vuur van haar spel niet
+hoorden. Nel was onder de tafel gekropen en sloeg met den handdoek
+naar Door, die met een natte spons klaar stond om op haar vijandin
+in te stormen.
+
+
+ "'t Is vacantie, 't is vacantie ..."
+
+
+"Maar kinderen, kinderen, dat belooft wat voor de vacantie," lachte
+moeder.
+
+"O moeder, we hebben zoo'n pret," juichte Leni met een hoogroode kleur.
+
+"Maar kijk eens, een beekje is er uit de spons geloopen van de
+lampetkan naar den stoel."
+
+"Ja, dáár," zei Door plechtig, "kreeg ik den vijand in handen."
+
+"Wat is dat?" riep moeder verschrikt, toen Leni haar met een sprongetje
+op den rug zat.
+
+"Ook een vijand, maar een droge, dat zijn natte," zei Leen, terwijl
+ze naar Nel en Door wees. "O, moesje, zing nu gauw, anders komt Door
+met haar natte spons," en toen begonnen allen weer te zingen:
+
+
+ "'t Is vacantie, 't blijft vacantie,
+ Hoera, vacantie boven!
+ En als je dat niet zingen wilt,
+ Dan moet je er aan gelooven!"
+
+
+En voor ze 't uit hadden, kwam in zijn hanssopje kleine broer, die
+zóó verbaasd was over dit vroolijke tooneeltje in den vroegen morgen,
+dat hij stil bleef staan, maar toch telkens de laatste woorden van
+iederen regel trachtte mee te zingen.
+
+"Nu een, twee, drie voortgemaakt, kinderen. Zie eens, wat is 't al
+laat. Kom, kleine broekeman, ga jij maar met mij mee, dan kunnen de
+dames zich kalm aankleeden."
+
+"Jouw gezicht is in tijden niet zoo flink nat geweest, Nel,"
+plaagde Door.
+
+"En jij bent in tijden niet zoo vroeg uit je bed gesprongen," plaagde
+Nel terug.
+
+"Ja, 't is zonde, dat ik er al uit ben," en met een verlangenden blik
+keek ze naar haar bed.
+
+"Ik kroop er nog weer in, als ik jou was."
+
+"Nee, dank je, dan zijn jij en Leni al klaar, als ik mij nog aan
+moet kleeden." Maar toch verplaatste Door zich er een oogenblik in,
+hoe lekker het zou wezen nog eens eventjes er in te kruipen. Zoo'n
+vacantie was juist zoo heerlijk, vond ze, omdat je dan niet zoo
+"onmogelijk" vroeg op behoefde te staan. Half acht vond ze nu eenmaal
+"onmogelijk" vroeg. Ze vond alles trouwens gauw "onmogelijk", vooral
+als ze er geen lust in had.
+
+"Zeg eens, Door, zou ik mijn nieuwe gele schoentjes aan mogen
+doen?" vroeg Leni.
+
+"Ik weet 't niet, schattepoes."
+
+"Trek jij je gele schoentjes maar aan, hoor," zei Nel. "'t Is vandaag
+feest, omdat de vacantie begonnen is, en die schoentjes heb je gekregen
+voor Zon- en Feestdagen."
+
+"Zou moesje 't goed vinden?" weifelde Leni.
+
+"Natuurlijk vindt ma het goed," pleitte Nel weer. "Zie je, den rechter
+schoen doe je aan, omdat het de eerste vacantiedag is en dus een
+feestdag, en den linker, ja den linker..."
+
+"Ik weet het: den linker doe ik aan, omdat Bob en Hansje komen."
+
+"O ja, hoe leuk. Wacht, ik zal je even helpen ter eere van Bob
+en Hansje."
+
+"En ik voor den eersten vacantiedag: Ga maar op den rand van je
+ledikant zitten. Beenen stijf houden, hoor."
+
+"O, jullie gooit mij haast om," zei Leni met een wanhopig gezicht.
+
+"Dat is niets, hou je maar flink vast, je valt niet in 't water. Wacht,
+nog een duwtje. Wat is dat?"
+
+Daar lag Leni achterover in bed met de beenen in de lucht te
+spartelen. Nel en Door lachten, dat de tranen haar over de wangen
+liepen en met de kam begon Nel de maat te slaan:
+
+
+ "'t Is vacantie, 't blijft vacantie,
+ Twee gele schoentjes boven!
+ Wie dat niet met ons zingen wil,
+ Die moet er aan gelooven!"
+
+
+En met de beenen in de lucht hoorde men Leni meezingen.
+
+"Laten we ons nu gauw klaar maken. Lieve deugd, kijk eens op de klok."
+
+"Ja, maar mijn schoenen zitten nog niet goed," klaagde Leen, die met
+veel moeite uit het bed geklauterd was.
+
+"Stamp maar op den grond, dan zul je er wel in schieten," zei
+Door. "Toe, Nel, jij bent al verder dan ik, help jij haar even met
+'t haar. Ik moet mij nog wasschen. Maar waar is mijn handdoek? Wie
+heeft mijn handdoek toch gezien?"
+
+"Pak den mijnen maar, die hangt op den stoel. Wat doe je?" vroeg Nel,
+toen Door den handdoek recht voor zich uit hield en dien aandachtig
+bekeek.
+
+"Ik zoek overal je natte puntje," zei ze plagend.
+
+"Denk je, dat ik mij na dat waterbad van jou nog ben gaan
+wasschen? Dank je wel, hoor. Ik heb mij lekkertjes met den handdoek
+afgedroogd. Wees maar blij, je kunt hem nu heerlijk gebruiken. Hoe
+jij zoo'n ding ook altijd zoo nat krijgt, is mij een raadsel. Je kunt
+toch wel schoon worden zonder zoo te plassen? Bah! Dat koude water,
+daar moet ik niets van hebben."
+
+"En ik vind dat koude water nu juist zoo "onmogelijk" lekker. Zoo
+met je geheele gezicht in de kom," zei Door, terwijl ze voorover ging
+staan en haar gezicht nat gooide. "Lekker!"
+
+"Je schreeuwde toch maar moord en brand, toen ik met de natte spons
+voor je bed stond," lachte Nel.
+
+"Nu ja, die aanval was ook verraderlijk."
+
+"Maar Door! Pas toch op, het wordt hier nog een overstrooming. Je
+sputtert de geheele waschtafel onder en zie den spiegel eens."
+
+"Dat zijn dauwdroppels," lachte Door.
+
+"Andere dauwdroppels zul jij ook wel nooit te zien krijgen," plaagde
+Nel terug.
+
+"Ziezoo, schattepoes, zeg nu eens of ik je niet een mooie kuif heb
+gemaakt: wacht, ik zal je even optillen voor den spiegel. Die Door
+ook met haar geplas, hé? Je kunt bijna niet in den spiegel zien,
+zoo heeft zij hem besputterd."
+
+"Kijk toch eens. Zie je waar dat op lijkt?" zei Door, met een druipnat
+gezicht naar een plas op de waschtafel wijzende.
+
+Leen en Nel keken en keken.
+
+"Een molshoop," zei Nel eindelijk.
+
+"Wel nee, kijk eens goed."
+
+"Een hoed met een veer," raadde Leni.
+
+"Och nee, ook niet."
+
+"Zeg het maar," vleide Leni.
+
+"Neen, neen, niet dadelijk zeggen: een meertje," zei Nel.
+
+"Dat is flauw, o, als ik zóó sta, kom eens even op mijn plaats, dan is
+'t sprekend, 't Lijkt op een dier," helderde ze op.
+
+"Een kameel," zei Nel weer.
+
+"Och neen, je zegt maar wat. Een dier, dat wij allen goed kennen."
+
+"Nu zie ik het," riep Leni. "Julia! Kijk, ze zit recht-op. Dat is
+haar kop. Zie je haar oortjes?"
+
+"Nu zie ik het ook," riep Nel opgetogen.
+
+"Waar is haar staart, haar mooie dikke staart?"
+
+"Die houdt ze vast, ze staat er met haar voorpootjes op."
+
+"Och, kijk die oortjes toch, hoe sprekend. Dag, oude, lekkere, natte
+poesekop," zei Leni.
+
+"O, waar is de snor? De snor, waar Julia zoo trotsch op is," vroeg Nel.
+
+"Neen, een snor heeft ze niet, dat is jammer," zei Leni.
+
+"Dat is niets, ga maar een eindje van de waschtafel af, dan sputter
+ik die er even bij." Brr! brr! naar alle kanten vloog het water.
+
+"Och, hoe jammer, nu heb je haar heelemaal bedorven. Die aardige
+oortjes lijken wel olifants-ooren."
+
+"En arme Julia heeft zich een dikken neus gestooten," lachte Nel. "Zie
+dat propje eens. Maar kom, Dorus, maak nu toch voort, je komt zoo
+nooit klaar."
+
+"Wij gaan vast naar beneden."
+
+"Wie 't eerst de trap af is," zei Leni.
+
+"Even wachten," riep Door. "Ik ben dadelijk klaar."
+
+"Nu, eventjes dan."
+
+"Zeg eens, Nel, waar is mijn haarlintje? Ik weet zeker, dat ik het
+gisteravond hier op de tafel gelegd heb," zei ze, terwijl ze met
+de linkerhand het toefje haar vasthield en met de rechter allerlei
+dingen optilde en verlegde. "Wat is 't hier ook een "onmogelijke"
+rommel op tafel. Zoo kun je ook niets vinden," mopperde ze.
+
+"Dat haarlintje van jou is ook een veel te net lintje om tusschen zoo'n
+"onmogelijken" rommel te willen liggen. Kijk, hier heb ik het al."
+
+"Waar was het?"
+
+"Op je kussen lag het, eenzaam en verlaten."
+
+"O, ja, ik kon gisteravond nergens een bandje vinden en moest het
+lintje wel gebruiken. Ziezoo, klaar," zei ze even later. "Wie 't
+eerst beneden is. Ik zal tellen. Eén, twee, drie."
+
+Vóór Nel of Door het zagen, had Leni haar eene been over de leuning
+gegooid en gleed naar beneden. "Gewonnen!" riep ze en stormde door
+naar de achterkamer, waar mevrouw Van Brakel bezig was voor 't ontbijt
+te zorgen.
+
+"Dag, moesje."
+
+"Kindje, kindje, ik was werkelijk bang, dat je nooit klaar zou komen."
+
+"Ik heb het gewonnen, moesje. We deden wie 't eerst beneden was. Door
+telde en flap! gooide ik mijn beenen over de leuning, nou--en toen
+was ik 't eerst beneden. Door moest nog wel vijf treden doen. Jammer,
+dat u zulke lange rokken hebt, dan is het natuurlijk erg moeilijk,
+'t Gaat anders zoo heerlijk vlug. Je wint het zoo--altijd."
+
+"Ik zal er toch maar afloopen," lachte moeder.
+
+"Dan win ik het altijd van u, echt waar."
+
+Even later kwamen Nel en Door in de kamer.
+
+"Dag, maatje, dag, vader."
+
+"Treuzeltjes! Zijn jullie al op?" zei vader plagend.
+
+"Maar, vadertje, u weet ook niet hoe moeilijk 't is in de vacantie
+vlug voort te maken."
+
+"Of 't moeilijk is!"
+
+"Kijk eens, ma," zei Leni, terwijl ze triomfantelijk haar gele
+schoentjes liet zien.
+
+"Maar, Leni, kind, 't is toch geen Zondag. Hoe kom je daarbij, je
+nieuwe schoenen ..."
+
+"Moeder, 't is een feestdag," zei Nel plechtig, "en deze schoentjes
+zijn voor Zon- en Feestdagen."
+
+"Een feestdag?"
+
+"Bedenkt u zich maar eens goed."
+
+"Ik geloof, dat ik het begrijp," lachte vader.
+
+"Een feestdag? Jullie houdt mij voor den mal, ik begrijp er niets van."
+
+Toen begonnen alle drie de meisjes te zingen:
+
+
+ "'t Is vacantie, 't blijft vacantie,
+ Hoera, vacantie boven!
+ Wie dat niet met ons zingen wil,
+ Die moet er aan gelooven!"
+
+
+"Ja, ja, jullie hebt gelijk, òf het een feestdag is."
+
+"'t Is eigenlijk een ketting van feestdagen," vond Leni.
+
+"En, moes, we zijn nog heel bescheiden geweest ook, want voor de
+ketting van feestdagen hebben we Leni alléén maar den rechter schoen
+aangedaan."
+
+"Alleen maar den rechter? Nu wordt het nog mooier. En waarvoor kreeg
+ze dan wel den linker aan?"
+
+"Ook voor een feestdag."
+
+"O, 't is onmogelijk, u raadt het nooit, nooit, zeg ik."
+
+"'t Is ook wel wat "onmogelijk" vroeg voor al die raadseltjes,"
+zei vader.
+
+"'t Begint met ..." wilde Leni helpen.
+
+"Begin alsjeblief niet met: 't begint met," zei Nel, "dat is zulk
+flauw raden."
+
+"'t Begint met Hans en Bob," raadde moeder.
+
+"Hoera voor onze knappe moes! Waar blijft Dolf toch?"
+
+"Hier ben ik: Dag vader, moeder, allemaal."
+
+"Zoo, studiosus!"
+
+"Hè, Dolf, hoe kom je zoo laat?"
+
+"Och ja, jullie met je vervelend lawaai. Ik kon gewoon niet slapen."
+
+"Stumperd!"
+
+"Wees nu maar niet zoo flauw, Nel. Moeder, mag 'k een boterham?"
+
+"Ze staat er al lang en je kopje thee ter eere van de vacantie is,
+vrees ik, al koud geworden."
+
+"Vacantie bofe, mammi?" zei kleine Frits met een lief vraagstemmetje.
+
+"Ja, kleine grappenmaker."
+
+"Heb je ons hooren zingen, Dolf?" vroeg Nel.
+
+"Hooren zingen? Ik dacht, dat de zolder minstens naar beneden zou
+komen."
+
+"Dat zou voor een eersten vacantiedag indrukwekkend geweest zijn,"
+vond Nel.
+
+"En "onmogelijk" gezellig voor jou, als we met ons drietjes zoo
+plotseling voor je neus stonden."
+
+"Onmogelijk, onmogelijk," praatte Frits Door na.
+
+Allen proestten het uit.
+
+"Geef mij daar eens gauw een kus voor, lekkere vent. Nee, zoo
+gemakkelijk kom je er niet van af. Ook een op deze wang en nog een:
+het deftigste aller kusjes, één op mijn voorhoofd." En toen greep
+Nel Fritsjes handjes en begonnen ze samen te zingen:
+
+
+ "'t Is vacantie, 't blijft vacantie,
+ Hoera, vacantie boven!
+ Wie dat niet met ons zingen wil,
+ Die moet er aan gelooven."
+
+
+"Vacantie bofe blijfe? Vacantie nog in bedje? Vacantie stout geweest,
+mammi?" vroeg Fritsje, die meende dat "vacantie" een ondeugend jongetje
+was en voor straf boven moest blijven.
+
+"Jij bent een grappenmaker en mammi's kereltje, hoor."
+
+"Wie onze logés wil halen, zorge over een kwartier klaar te zijn,"
+kwam vaders stem om den hoek van de deur.
+
+Toen was 't een gevlieg en geloop naar alle kanten.
+
+"Mijn hoed, mijn hoed, wie heeft hem gezien?" riep Door wanhopig.
+
+"Misschien op je kussen bij je haarlintje," plaagde Nel.
+
+"Wees nu niet zoo flauw," bromde Door. "Jij hebt gemakkelijk praten,
+jij behoeft nooit naar je dingen te zoeken. Maar als ik mijn hoed of
+mijn mantel ergens neerleg, kan ik ze later nooit terugvinden."
+
+"Ik leg ze ook niet "ergens" neer."
+
+"Zoo? Wat doe jij dan?"
+
+"Ik hang ze op den stander natuurlijk."
+
+"Ik durf wedden, als ik mijn hoed dáár hang, dat hij toch weg is,
+als ik hem hebben moet."
+
+"Probeer 't eens," lachte Nel. "Drie dagen kun je 't misschien wel
+volhouden," en weg holde ze.
+
+"Moesje, weet u hem ook?"
+
+"Neen, werkelijk niet."
+
+"'t Is zoo'n "onmogelijk" zoeken, als je in 't geheel niet kunt
+bedenken, waar zoo'n ding zit," zuchtte Door wanhopig.
+
+"Mag Foxje mee, vader?"
+
+"Neen, jongen, geen honden aan den trein."
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+DE LOGÉTJES.
+
+
+Vijf minuten later was 't heele gezelschap op weg naar het station,
+behalve moeder, die met Fritsje liever thuis bleef, en Door, die als
+een wanhopige kamer in, kamer uit rende om haar hoed te zoeken. Met
+donderend geraas kwam de trein binnenstuiven.
+
+"Zag je de coupé met de vlaggetjes?" riep Nel opgewonden. "Ik durf
+wedden, dat ze daarin zitten. Dat is net iets voor oom Karel."
+
+Nel en Dolf renden er naar toe. Vader en Leni konden zoo
+vlug niet. Maar voor ze bij de coupé kwamen, was mijnheer Van
+Lichtenvoorde met zijn beide jongetjes al uitgestapt. 't Was een
+vroolijke begroeting.
+
+"Zagen jullie onze vlaggetjes wel?" vroeg Hans.
+
+"Nou, òf we," zei Dolf. "Nel zei dadelijk, dat jullie zeker in
+die coupé zat. Pas op, houd ze vooral voorzichtig vast. 't Is hier
+zoo druk."
+
+"Hoera, daar heb je Door. Zie ze eens loopen," zei Nel.
+
+"Dag oom, dag jongens!"
+
+"Dag Dorus," zei oom Karel, "meisje, meisje, wat heb je geloopen."
+
+"Maar Door, wat heb je nu op?" vroeg Nel.
+
+"Mijn ouden tuinhoed. Ik kon mijn schoolhoed nergens vinden. Ja,
+waar dat ding nog eens vandaan mag komen, _ik_ weet het niet," zei
+ze met een grappig wanhopig gezicht.
+
+"Kinderen, ga jullie nu vooruit," zei mijnheer Van Brakel, "oom en
+ik komen dan langzaam achteraan."
+
+"Zullen we een wedloop houden, wie 't eerst bij de brug is?"
+
+"Uitstekend," vond Nel. "Ik neem Hans; Door, neem jij Bob en Dolf
+Leni. Eén, twee, drie; neen Dolf, allen te gelijk beginnen, een beetje
+achteruit. Ziezoo, nu staan we allen goed: een, twee, drie!" Daar
+gingen ze.
+
+"Gewonnen!" riep Door, nog hijgende en blazende. "Bob, jongen, steek
+je vlag op."
+
+"Als die dikke mijnheer ons niet in den weg geloopen had, waren wij
+jullie vóór geweest," zei Nel, die met Hansje nummer twee was.
+
+"Dikke heer, of niet, wij hebben het gewonnen. Maar kijk Dolf eens:
+die schiet warempel niet hard op. O, ik zie het al, Leni zwoegt onder
+haar nieuwe schoenen."
+
+"Als je van zwoegen onder iets wil praten, dan zou ik zeggen, dat
+jij zwoegt onder je kostelijk mooie tuinhoedje," lachte Nel. "Je ziet
+tenminste zoo rood als een kreeft."
+
+"Eindelijk," zei Leni met een ongelukkig gezichtje, "die nare
+schoenen."
+
+"Dat was een treurige wedloop, hè Leen? Jij moet je linker en rechter
+feestdag maar zoo gauw mogelijk uittrekken, als je thuis komt, dan
+vier je opnieuw feest. Maar kom, we moeten voortmaken. Pa en oom
+Karel zullen ons nog inhalen. Geef mij maar een arm, hinkelepinkje."
+
+"Doortje, is de koffer al gekomen?" vroeg Hansje.
+
+"De koffer? Nee, hoor, ten minste ik weet er niets van."
+
+"'t Is een heele groote, wel van dit paaltje tot dat."
+
+"Hij is nog véél grooter," zei Bob gewichtig, "wel zóó." Hij liep
+vooruit om aan te toonen, hoe groot wel.
+
+Hans hield zich stil, hij vond, dat Bob den koffer nu wel wat héél
+groot maakte. Maar hij vond het toch jammer dit te zeggen.
+
+"Dan ben ik toch werkelijk bang," zei Nel, die best begreep, dat Bob
+overdreef, "dat die reuzenkoffer niet bij ons de voordeur in kan en
+dus in 't geheel niet in jullie slaapkamertje kan staan. Ma zal hem
+dan zeker wel in het schuurtje laten zetten."
+
+"In het schuurtje?" Een paar verschrikte oogen keken Nel aan. "Onze
+mooie koffer?"
+
+"Ja, waar de cokes en de turf geborgen wordt."
+
+"Misschien is hij toch wel een beetje kleiner. Zou hij niet een beetje
+kleiner zijn, Bobbie?"
+
+Bob knikte. "Maar 't is toch een groote."
+
+"Moesje, daar zijn we. Oom en Vader komen achteraan."
+
+"Dag, jongens; wèl, wèl, wat hebben jullie mooie vlaggetjes."
+
+"Spritsje, vlagje, Mammi?" vleide kleine Fritsje.
+
+"Mag Fritsje je vlagje even hebben, Bob?"
+
+"Hoera, ma vergist zich. Dit is Hans en dat is Bob. Nu zal ik jullie
+eens even door elkaar rommelen. Niet kijken, ma." Dolf draaide Hans
+en Bob als twee tolletjes om elkaar heen. "Doet u nu de oogen maar
+weer open. Nu ...?"
+
+"Ja, jongens, dat is niet gemakkelijk. Ik geloof ... ik geloof ...,
+dat ik hier Hansje Pansje bij 't oor heb," lachte mevrouw Van Brakel.
+
+"Geraden."
+
+"Dat Hansje Pansje, Mammi?" kwam Frits met zijn lief stemmetje er
+tusschen.
+
+"Ja, kleine vent. Hansje Pansje. Nu zullen we maar eerst een boterham
+gaan eten. Jullie buikjes zijn zeker leeg en hol."
+
+Hans en Bob knikten, dat hunne bolletjes er bijna afrolden en
+natuurlijk deed Fritsjes bolletje op de maat mee.
+
+"Daar komen vader en oom Karel al aan. Door, zet gauw den grooten
+stoel met het kussen voor oom klaar."
+
+"Och, kijk eens, Bobbie, wat een aardige poes," riep Hansje. "Effentjes
+haar een kusje geven, tante?"
+
+"Zeker, geef jij Julia maar een kusje."
+
+Maar Julia had op dat oogenblik in 't geheel geen lust in een kusje
+en stapte statig den tuin in, zonder ook maar naar de jongens om
+te zien. 't Was duidelijk, dat zij zich eerst wat wilde opknappen,
+voor ze aan Hans en Bob zou worden voorgesteld. Met één sprongetje
+zat ze op de schutting en ging toen kalm haar toilet maken.
+
+Ja, Julia was een ijdel poesje.
+
+"Is ze bang, dat wij haar in den staart willen knijpen, of bij een
+achterpoot in de hoogte tillen, zooals Jaap altijd doet, tante?"
+
+"Jaap, wie is Jaap?"
+
+"Jaap harkt onzen tuin op. En als hij kikkers vindt, doet hij ze
+in een doosje. Een kikkertje spant hij er voor, dat is het paard,
+zegt hij. Bobbie en ik vinden uit rijden gaan prettig, maar niet
+als we kikkers waren. En dan met zoon kikkerpaard, dan zouden we
+zeker zeeziek worden. Want dat doosje wipt zóó, hup, hup, net als de
+kikker. Bobbie en ik hebben eens het doosje opengemaakt, toen Jaap in
+'t gras een koetsiertje zocht."
+
+"En was Jaap ook boos, toen hij het zag?"
+
+"Hij lachte. Jaap wordt nooit boos. Hij zei.... wat zei hij ook weer,
+Bobbie?"
+
+"Hij maakte het kikkerpaard los en zei: "ga maar gauw naar je
+vrindjes."
+
+"Toch aardig van Jaap," lachte Nel.
+
+"Jaap maakt ook altijd wagentjes van wortels en kransjes van
+bloemen. Dan doet hij poes en Bruno er een om. Maar die vinden dat
+niet prettig, hoor. Jaap zegt dan altijd, dat ze jarig zijn. Maar zoo
+vaak kun je niet jarig zijn. Maatje zegt, maar eenmaal in 't jaar en
+een jaar duurt heel lang, hè tante?"
+
+"Zeker, heel lang, maar eet nu eerst jullie boterhammen. Vader heeft
+niet zooveel tijd."
+
+"Gaat u al zoo gauw weg, oom?"
+
+"Ja zeker, Door. Ik heb even mijn kaboutertjes hier gebracht, maar
+veel tijd heb ik niet. Maar Dorus, kind, ik begrijp niet, hoe het
+komt, maar ik kan niet zeggen, dat ik gemakkelijk op dezen stoel
+zit. Het schijnt aan het kussen te liggen. Ik zal het dingetje er
+maar even uitnemen. Wat is dat?" zei Oom, en hield Doors hoed geheel
+platgedrukt in de hoogte, "die stumperd kon zijn pleizier ook wel op
+onder het kussen."
+
+"O moeder!" Door werd zoo rood als vuur.
+
+"O, kijk eens, kijk eens, je hoed lijkt wel een vogelnestje,"
+riep Dolf.
+
+"Door, Door, zul je dan ook nooit eens een beetje netter worden,"
+zei mevrouw Van Brakel hoofdschuddend. "Reken er maar op, dat je den
+geheelen zomer met je vogelnestje moet blijven loopen. Zulke slordige
+meisjes zijn geen nieuwe hoeden waard. Waar blijft Leni toch? Dolf,
+ga jij haar eens roepen, zij is zeker weer bij het kippenhok. O,
+daar komt ze juist aan. Leni, kind, waar blijf je toch?"
+
+"O, moesje, sneeuwwitje deed zoo raar," zei Leni schreiende. "En nu
+is ze dood, ze ligt geheel stijf en de dwergjes loopen om haar heen
+en begrijpen er niets van."
+
+Hans, die juist zijn glaasje melk in de hand hield, liet het van
+schrik uit zijn handen vallen, zoodat alle melk van de tafel op zijn
+broek en vervolgens op den grond stroomde.
+
+"O, paatje, hier, hier--is een sneeuwwitje."
+
+"En--enne, ook--dwergjes," zei Bob met een hoogroode kleur.
+
+Leni, die in het geheel niet verwacht had, dat dit bericht zoo'n
+uitwerking op de tweelingen zou hebben, bleef als versteend in de
+deur staan. Moeder, vader, oom, Dolf en de meisjes barstten in een
+onbedaarlijk lachen uit. Fritsjes hoog stemmetje hoorde men gedurig
+boven alles uit.
+
+"O, mammi, Hansje Pansje glaasje melk omgesmijt. Stout Hansje Pansje,
+hè mammi?"
+
+"O, houd op, ik kan niet meer," gilde Nel. "Jongens, kijk me als je
+blieft niet zoo verbaasd aan. Ik houd het niet uit. 't Is tè mooi."
+
+Door rende de kamer uit om een vaatdoek.
+
+Hans en Bob keken met verwonderde gezichtjes het geheele gezelschap
+aan. 't Had er veel van, of allen een uitvoering ten beste gaven en
+Hans en Bob het publiek uitmaakten.
+
+Toen het gelach even bedaard was, zei Hans, als om zich te
+verontschuldigen, half schreiend: "maar, paatje, Leni _zei_ het toch."
+
+"Ja, ja, Leni _zei_ het ook, ventje," en weer proestte oom Karel
+het uit.
+
+"'t Is maar een kip, een witte kip," brulde Dolf.
+
+"Is er,--is er dan geen sneeuwwitje?" vroeg Hans.
+
+"En waar zijn dan de dwergjes, zijn er óók geen dwergjes?" vroeg
+Bob. Duidelijk klonk er teleur-stelling in hun stemmetjes.
+
+"Och neen, kleine vent," zei Nel, die nu toch medelijden met hen
+kreeg. "Wij noemen de krielkipjes dwergjes, omdat ze zooveel kleiner
+zijn dan de andere. Of beter gezegd, Leni geeft de kippenfamilie
+zulke mooie namen. Wij zullen jullie straks aan het heele troepje
+voorstellen. Als Leni morgen plotseling bericht, dat "Slokop dood
+in haar hok ligt" of dat "Asschepoes een ei heeft gelegd," dan gooit
+Hansje Pansje misschien van schrik een heele kan met melk om."
+
+Het koffiedrinken liep verder zonder stoornis af.
+
+"Nu, kinderen," zei oom Karel een tijdje later, "ik moet weer weg,
+hoor. Ik heb in tijden niet zoo heerlijk gelachen. Waar zijn mijn
+kaboutertjes?"
+
+"Hier, paatje," kwam er een stem uit het grasveld. "Ik zit in de
+zon voor mijn natte broekspijp en Bobbie maakt een krans voor ons
+sneeuwwitje."
+
+"Wel verbazend, jullie hebt het maar druk. Maar de tijd voor een kusje
+kan er toch zeker wel af." Toen vlogen twee aardige jongens naar hun
+paatje toe. "Dag, paatje, dit kusje aan ma brengen en dit aan Bruno,
+en dit...."
+
+"Dank je wel, als ik ze alle weggeef, blijft er voor mij zelf niets
+over."
+
+"U hebt ze toch zelf eerst een poosje mogen houden," zei Bob.
+
+"Dat is waar ook," lachte vader, "en als poes toevallig op de
+muizenjacht is en Bruno maakt een wandeling met vriend Turk, dan houd
+ik ze stil zelf, hoor."
+
+"O, oompje, dan is het goed, dat het geen appelbollen zijn, dan kreeg
+u vast een overladen maag," lachte Door.
+
+"Vind jij appelbollen misschien "onmogelijk" lekker?"
+
+"Onmogelijk, oompje," zei Door met overtuiging.
+
+"Hier, meisje, heb je dan wat van mij, dan kun je het geheele
+gezelschap op appelbollen trakteeren."
+
+"Dank u wel, hoera! Kinderen, vanavond zal een regiment appelbollen
+zijn intrede in den huize Van Brakel doen."
+
+"Met het oog op onze logétjes vind ik beter de appelbollenpartij tot
+morgen uit te stellen," zei moeder. "De kleuters moeten vanavond niet
+te laat naar bed."
+
+"Dus morgen, heerlijk," zei Nel.
+
+"Maar Bob, wat doe je toch?" vroeg Door.
+
+Bobbie, voorover in het gras liggend, zat Julia aandachtig te
+bestudeeren. Al een paar keer had hij moeite gedaan haar oogleden
+op te lichten, zoodat poes, wie deze handtastelijkheden blijkbaar
+danig begonnen te vervelen, bedaard Bob den rug toekeerde, langzaam,
+met deftige passen, om het perk met viooltjes heen stapte en toen op
+eenigen afstand van haar kleinen plaaggeest ging zitten. Ze kneep
+haar beide oogjes toe tot op een kiertje, vleide haar staartje met
+het grappige zwarte puntje keurig langs haar voorpootjes en bleef
+zóó in diep nadenken verzonken.
+
+"Effentjes kijken, hoe laat het is," antwoordde Bob.
+
+"Hoe laat het is. Denk je dan soms, dat onze Julia een horloge draagt?"
+
+"Jaap zegt," zei Bob, "dat de oogen van een poes net klokjes zijn;
+je kunt er op zien, hoe laat het is."
+
+"Ja," zei Hans, "Jaap zegt: als 't pilletje in zijn oogen als een
+recht streepje omhoog staat, is het twaalf uur."
+
+"Het pilletje? O, de pupil," gierde Door.
+
+"Nel, Dolf en Leni, hoort eens, wat onze logétjes vertellen. O,
+"onmogelijk" leuk!"
+
+"'t Is maar jammer," zei Dolf lachend, "dat de poesjes zelf zoo weinig
+pleizier van hun horloge hebben."
+
+"Maar 't is nu zeker al veel later," zei hij, naar Julia kijkend,
+die nu het heele troepje met haar ernstige oogen zat op te nemen.
+
+"Het pilletje lijkt in 't geheel niet op een recht wijzertje. Kijk,
+'t is een klein, zwart balletje."
+
+"Ja," zei Hans, "hoe laat zou het nu wel zijn? Misschien wel tien
+uur. Kijk eens, Bobbie."
+
+Bobbie knikte, hij wist het niet precies. Hij vond het een moeilijk
+geval.
+
+"Tien uur is het gelukkig nog niet," zei Nel.
+
+"We kunnen nog best een spelletje doen. Zullen we verstoppertje doen
+met verlos?"
+
+"Ja, best! Wie doet er mee?"
+
+"Ik, ik," klonk het van alle kanten.
+
+"Eerst er om raden, wie zoeken mag," stelde Door voor. "Ik zal wat
+uit mijn zak nemen. Wie het aantal raadt, mag zoeken."
+
+"Mag?" lachte Dolf. "Zoeken is toch geen pretje?"
+
+"Nu _moet_ dan," verbeterde Door. "En als niemand het raadt, ben ik
+de ongelukkige. Nu?" zei ze, nadat ze iets uit haar zak had genomen
+en Nel haar hand voorhield. "Hoeveel raad je? één, twee, drie, vier,
+vijf of zes?"
+
+"Drie."
+
+"En Leni?"
+
+"Twee," zei Leni, na zich een tijdje bedacht te hebben.
+
+"En onze logé's?"
+
+"Moeten we beiden hetzelfde raden?" vroeg Hans, die nooit zoo'n
+spelletje had mee gedaan.
+
+"Neen, ieder mag op zijn beurt raden, maar als Hans het raadt,
+helpt Bob zoeken en als Bob zoo knap is, Hans. Want zoeken is lang
+niet gemakkelijk."
+
+Gelukkig voor Hans en Bob waren ze geen van beiden zoo knap.
+
+"Dolf, nu staat het tusschen ons beiden," zei Door. "Natuurlijk raad
+jij het, dat moet je voor je zusje over hebben."
+
+Dolf lachte. "Neen hoor, zoo lief ben ik niet. Vier."
+
+"Mag ik je deze vier dingetjes laten zien als bewijs, dat je getoond
+hebt toch wèl zoo'n lief broertje te zijn?" zei Door, Dolf vier
+knikkers voorhoudende.
+
+"Maar Door, wat doe jij met knikkers in je zak?" lachte Nel.
+
+"Je weet," zei Door, "dat mijn zaakjes nu eenmaal veel van stuivertje
+wisselen houden. Mijn mesje en mijn beurs ben ik al drie dagen kwijt en
+daarvoor in de plaats loop ik al meer dan een week met deze knikkers in
+mijn zak. Hoe ik er aan kom, weet ik werkelijk niet," zei ze lachend.
+
+"Ik begrijp het best," zei Nel. "Jij hebt die knikkers zeker ergens
+zien liggen en omdat je er nu eenmaal niet van houdt, dat zulke
+dingen rondslingeren, heb je ze in je zak gestoken, erg netjes,
+dat moet ik zeggen."
+
+"En ik ben het slachtoffer van Doors opruimmanie," zei Dolf. "Nu,
+ik ga tellen. Als ik vijftig roep, moet jullie verstopt zijn. Jullie
+moogt je alleen in den tuin verstoppen, niet in huis."
+
+"Een, twee," telde Dolf.
+
+Ieder vloog een kant uit. Hans en Bob stonden wel wat verlegen. "Kom
+maar met mij mee," zei Door tot Bob. "Ik kruip achter dezen struik,
+ga jij achter dien staan."
+
+"O, Door," riep Bob verschrikt.
+
+"Wat is er?" fluisterde Door, omkijkende. "O, maar Bobbie, hoe is 't
+mogelijk! Ben jij in Dolfs rooverhol gezakt? Je hadt warempel je beenen
+wel kunnen breken. St, houd je maar stil en kruip er zoo diep mogelijk
+in. 't Is het mooiste verstopplaatsje uit den geheelen tuin. Als Dolf
+dezen kant uit komt, moet je je goed bukken, dan vindt hij je nooit,
+eenig. Hoor Fox eens opgewonden zijn, zeker, omdat hij ons zoo hard
+heeft zien loopen, daar kan Fox nu eenmaal niet tegen. Als hij ons
+nu maar niet verraadt. Stil, Dolf komt dadelijk zoeken. Je zit daar
+wèl leuk, hoor."
+
+"Vijftig!" riep Dolf, "Ik ga zoeken."
+
+Geen antwoord, ieder had zeker een plaatsje gevonden.
+
+"Stil toch, Fox en loop niet zoo om mijn beenen, bedaar toch wat."
+
+Maar Fox had hierin in het geheel geen lust. Als een dolleman vloog hij
+den tuin door, toen eenige malen langs het kippenhok, zoodat de arme
+dieren het bijna bestierven van angst. Daarna zou hij met een vaart
+in huis, maar werd bijtijds door Kee, met een "hallo marsch, je niet
+hier verstoppen," den tuin weer ingejaagd, zoodat hij ten laatste,
+moe van het gedraaf, een middagdutje in het grasveld ging doen.
+
+Dolf zocht en zocht, maar durfde zich bijna niet van den boom begeven,
+bang, dat de een of ander uit zijn schuilhoekje te voorschijn springen
+en naar de verlosplaats loopen zou, om het hem af te winnen.
+
+"Leni, jij staat achter het kippenhok, een, twee, drie, verlos,"
+riep hij.
+
+"Nel, neen Door, dáár bij het priëel! kom maar voor den dag. Ik ken
+je aan je hoed."
+
+"Hoera, voor 't vogelnestje," juichte Nel en kwam met Doors ingedeukten
+hoed achter het priëel vandaan. "Gefopt."
+
+"Dat is flauw," zei Dolf teleurgesteld. "Wie kan dat nu ook denken."
+
+"Ja, zoo'n slim zusje heb je nu," lachte Nel, "wees maar blij."
+
+"Nu Door en de tweelingen nog."
+
+"Een, twee, drie verlos!" riep Door, toen Dolf juist den anderen kant
+was opgeloopen.
+
+"Dat heb ik je lekker afgewonnen. Wat heb je dat mooi bedacht," zei ze
+lachend tot Nel. "Waar mijn vogelnestje toch al niet dienstig voor is."
+
+"Kom, Dolf, nu de tweelingen nog," zei Nel.
+
+"Hé," zei Dolf lachend tot Kee, die gedurende de verstoppartij geheel
+tegen haar gewoonte in al dien tijd op de waranda was blijven staan
+kijken. "Mij dunkt, je hebt eenige rokken extra aangetrokken van
+morgen. Je schort staat heelemaal uit."
+
+"Ja," zei Kee lachend, "één rok heb ik aangetrokken, omdat het de
+eerste vacantiedag is en één, omdat Bob en Hansje gekomen zijn."
+
+"Die Kee, die Kee," proestten Nel en Door. "Of je gelijk hadt? Zoo'n
+dubbele feestdag mag wel met een paar extra rokken gevierd worden."
+
+"Maar ik moet nu eigenlijk weer aan het werk. En dan is mijn
+feestgewaad mij wel wat lastig."
+
+"Ja, dat wil ik wel gelooven," zei Dolf. "Wiens neus voel ik door Kee's
+schort heen? Mij dunkt," zei hij, de schort wat op zij schuivende,
+"mij dunkt, die van Hansje Pansje."
+
+Hansje schaterde het uit. "Was het geen mooi plaatsje? Je kon mij
+toch bijna niet vinden, hè?"
+
+"Neen, hoor. Wie heeft dat wel zoo mooi bedacht?"
+
+"Kee," zei Hans.
+
+"Ik moet nu gauw naar het eten gaan kijken. 't Is maar goed, dat
+hier niet elken dag zoo'n verstoppartij is," zei Kee en liep haastig
+naar binnen.
+
+"Maar waar zou Bob nu zijn?" zei Dolf. "Die heeft zich een bijzonder
+mooi plaatsje uitgezocht, dunkt me."
+
+"Ja," zei Door, "je moet maar goed zoeken."
+
+Dolf keek achter elken struik, bij het kippenhok, in het priëel,
+tot hij op eens, achter in den tuin gekomen in lachen uitbarstte.
+
+"Komen jullie toch eens hier," riep hij. "O Bob, blijf zoo stil zitten,
+ze moeten je allemaal zoo eens zien."
+
+Nel en Leni proestten het uit, toen ze Bob in den grooten kuil
+zagen zitten met alleen zijn bovenlijf er uit. Hansje klapte in de
+handen. "O, Bobbie, wat een mooi plaatsje."
+
+"Kom er maar gauw uit, kleine vent," zei Dolf en gaf Bob een hand.
+
+"Ik stapte op de takjes en zakte op eens naar beneden," legde Bob
+triomfantelijk uit.
+
+"Je mag wel gauw je kuil dicht maken," zei Nel, "voor er ongelukken
+gebeuren."
+
+"Ja," zei Dolf, die zich wel wat schuldig voelde. "Ik was dien
+overdekten kuil heelemaal vergeten."
+
+"Ziezoo," zei Door, "nu weer een nieuw spelletje. Dolf, jongen,
+je moet weer zoeken."
+
+Wat hadden allen een pret!
+
+"Och, kijk toch eens Bobbie, wat dikke kanaries," riep Hansje verbaasd,
+toen hij voorbij het kippenhok liep en juist zou hij aan Door vragen,
+of hij eens eventjes een in de hand zou mogen hebben, toen ze geroepen
+werden, om te komen eten. Vroolijk holde het troepje naar binnen.
+
+"O, wat een bestorming, als je blieft eerst voeten vegen," zei Moeder.
+
+"Hansje Pansje glaasje melk omgesmijt, hè Mammi?" begon Fritsje weer,
+toen hij Hansje zag.
+
+"Ja, ja," lachte Ma.
+
+"Mogen we na het eten de kanaries eens zien?" vroeg Bob, zoodra hij
+aan tafel zat.
+
+"O ja, de kanaries," riep Hansje opgetogen.
+
+"De kanaries?" vroeg moeder verwonderd.
+
+"O, zulke dikke, tante. In het kippenhok zijn ze, hè Bob?" zei Hans
+vol vuur.
+
+Moeder lachte. "O, nu begrijp ik het."
+
+"Na het eten gaan onze logétjes één, twee, drie naar bed," zei
+vader. "Die kleine kanaries moeten nu ook slapen, anders kunnen het
+nooit groote worden. Maar morgen vroeg, als haantje kukelekaantje
+jullie wakker heeft geroepen, dan maar gauw je kleertjes aan en den
+tuin in."
+
+*****
+
+"Een, twee, drie, instappen," zei Nel, toen ze een uurtje later Hansje
+had uitgekleed en in bed tilde.
+
+"Wacht, eerst even bellen," zei Bob en greep een tafelbel, waarmee hij,
+voor Door dit verhinderen kon, luid ging bellen.
+
+Kee kwam verschrikt naar boven vliegen.
+
+"Och, lieve tijd, wat is hier te doen?" riep ze. "Toch geen ongeluk
+gebeurd?"
+
+"Gauw instappen, de trein gaat dadelijk weg," zei Bob tot Keetje,
+niet begrijpende, dat hij haar zoo had doen schrikken.
+
+Kee, die eerst van plan was boos te worden, omdat hij haar voor niets
+naar boven had laten komen, kon toch haar lachen niet bedwingen bij
+het gezicht van die twee grappige broekemannetjes. "Tuut," riep ze
+en zette den kleinen Bob in bed. "Goeie reis, hoor, goeie reis,"
+en met haar zakdoek wuivende verdween ze.
+
+Nel en Door gierden het uit.
+
+"Dumderdedumderdedum," en vier kleine voetjes trappelden, dat het
+geheele bed schudde.
+
+ * * * * *
+
+"Het zal mij benieuwen, of die dreumesjes gauw den slaap zullen
+vatten," zei Nel, toen ze beneden in de huiskamer kwam.
+
+"'k Zal eens kijken, of ze slapen," zei Door een kwartiertje
+later.--"Als roosjes, hoor!" kwam ze terug.
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+ARME HANS EN BOBBIE.
+
+
+"Zullen wij den haan maar gaan roepen?" vroeg Hansje den volgenden
+morgen. Hij stond met Bob voor Dora's bed.
+
+"Wat zeg je?" vroeg Door slaperig.
+
+"'t Haantje heeft ons niet geroepen, het is misschien ziek,"
+zei Bobbie.
+
+Nel lag te schudden in bed. Op eens begon ze te zingen: "Op, gij
+meisjes en gij knapen, kukeleku! 't is uit met slapen," en sprong
+het bed uit.
+
+"O, ik wou dat er geen hanen en geen Hansjes en Bobbies waren,"
+zei Door, half brommig, half lachend.
+
+"Op, gij meisjes en gij knapen, kukeleku! 't is uit met slapen,"
+zong Nel weer en wilde Door uit het bed trekken. "Toe, jongens,
+jullie aan den anderen kant; wacht, daar komt Leni ook aan. Heisa,
+hopsa!" Door stond buiten het bed.
+
+"Ik weet wel," zei Door, "dat ik vanavond niet naar bed ga, dan behoef
+ik er morgen vroeg ook niet uit te komen."
+
+"Of je gelijk hebt. Dat is, geloof ik, nog het allerbeste voor
+jou. Jongens, loop hier nu maar een beetje in je hanssopje rond. Zoodra
+we klaar zijn, zullen we je helpen. Of ben jullie misschien zoo knap,
+dat je je alleen kunt aankleeden?"
+
+"De kousen kunnen we wel aantrekken en de schoenen ook, maar ze dicht
+maken, dat doet Maatje altijd."
+
+"Mooi zoo, haal jullie je kleeren en begin maar vast."
+
+Bob en Hansje togen ijverig aan het werk.
+
+"Och, kijk eens, dat kousje doet zoo raar," zuchtte Bob met een
+vuurroode kleur van inspanning, nadat hij al een heelen tijd bezig
+was geweest.
+
+"O, de hiel!" schaterde Leni. "Kijk, die zit boven op den voet. 't
+Lijkt wel een leeg geldzakje. Wacht, ik zal je wel helpen."
+
+Door, Nel en Leni hadden het druk met de logétjes. 't Werd een
+wedstrijd, wie 't eerst klaar zou zijn.
+
+"'k Zou juist zeggen, mijn schortje is zeker weer op de wandeling,"
+zei Door, die overal naar dit kleedingstuk had gezocht, "maar neen,
+hoor, 't ligt kalm onder mijn handdoek. Toch grappig, dat al mijn
+spulletjes altijd zoo'n lust hebben om van 't eene plaatsje naar
+'t andere te verhuizen."
+
+"En dat ze jou nooit vooraf vertellen, waarheen ze gaan," plaagde Nel.
+
+Eindelijk waren allen aangekleed en ging ieder met een keurige
+"vacantie-kuif", zooals Leni 't noemde, naar beneden.
+
+"Goeden morgen, goeden morgen!" klonk het vroolijk, toen 't vijftal
+de huiskamer binnen kwam stormen.
+
+"Wel verbazend, kinderen, wat ben jullie vroeg," zei vader, "zoo mag
+ik het zien."
+
+"Zullen we nu eerst even 't haantje roepen?" vroeg Hans.
+
+"'t Haantje roepen?"
+
+"Zou het ziek zijn, oom?" vroeg Bob.
+
+"Waarom ziek, kleine man?"
+
+"'t Haantje heeft ons niet geroepen."
+
+"En hoe komen jullie dan zoo vroeg?"
+
+"Bobbie en Hansje hebben voor haantje gespeeld. Ze hebben Dora wakker
+gemaakt," zei Nel.
+
+"Ik was nog zoo "onmogelijk" slaperig."
+
+"Als jullie je boterham op hebt, moet je maar eens kijken, of het
+haantje wakker is," vond moeder.
+
+"Kijk toch zoo'n bedelaarstertje eens," zei Nel, toen Julia zacht
+miauwend achter op haar stoel sprong en voortdurend met haar kopje
+tegen Nels arm duwde.
+
+"Zij wil verven, zij wil verven," riep Bob; "kijk, ze gaat met haar
+staart over mijn gezicht."
+
+"Goed, dat er geen verf aan zit."
+
+"Ja, voor den staart en voor Bobbies neusje."
+
+"Jaap zegt, dat zijn poesje geverfd is, dat is heelemaal bruin, behalve
+zijn borst en zijn pooten. Bobbie en ik hebben het eens met een spons
+gewasschen, maar er kwam heelemaal geen verf aan de spons en toen heb
+ik mijn vinger nat gemaakt en over zijn kopje gestreken en afgelikt,
+maar het proefde in 't geheel niet naar verf en de schutting wel,
+toen Jaap die geverfd had. Bobbie en ik hebben daar eventjes aan
+gelikt, niets lekker, hoor!"
+
+"Brr," zei Hansje en trok bij de gedachte nog een vies gezicht.
+
+Allen schaterden het uit.
+
+"Vader zei, dat het niet geverfd, maar zoo geboren was."
+
+"Of vader gelijk had!"
+
+"Julia houdt in 't geheel niet van zoo'n waschpartij. Was dat poesje
+niet boos, krabde ze niet?"
+
+"Wel een beetje, maar Bobbie en ik hebben haar toen stijf
+vastgehouden."
+
+"Arm poesje. Lieve Hansje en Bobbie," ging Door grappig ernstig voort,
+"zie je onze Julia?"
+
+Bob en Hans knikten.
+
+"Zie je dat keurige witte overhemdje, dat zwarte snuitje, dat grappige
+staarte-puntje?"
+
+Weer knikten Hans en Bobbie.
+
+"Toen onze deftige Julia nog een heel klein Juliaatje was, had
+ze al datzelfde grappige staarte-puntje, datzelfde zwarte snuitje,
+datzelfde witte overhemdje. Onze Julia is zoo geboren. Begrijp jullie
+mij goed? Onze Julia is zoo geboren," herhaalde ze. "Onze Julia is
+dus niet geverfd. Ik zeg jullie dit alles, dat jullie haar morgen
+of overmorgen ook niet in een badkuip zult stoppen, of met je lieve
+vingers zult gaan belikken."
+
+Een schaterend gelach ging op en Dolf, die juist binnen kwam, riep:
+"leve onze Dorus, leve onze Julia!"
+
+En Fritsjes lief stemmetje klonk hier tusschen door. "Julia een lief
+poesje, hè, mammi?"
+
+Julia, die blijkbaar verlegen werd onder zooveel lof, haar door Dora
+toegezwaaid, liet zich zacht van Nels schouder glijden en zocht een
+plaatsje op den hoek van den schoorsteenmantel.
+
+"Mogen we nu de kanaries eens zien?" vroeg Bob, toen 't ontbijt
+was afgeloopen.
+
+"Wel zeker, wel zeker, kom maar mee," zei Nel.
+
+"Neen, Foxje, jij kunt niet mee, je zoudt de geheele kippenfamilie
+angstig maken. Kijk, Leni is alweer bezig haar kippetjes te
+trakteeren."
+
+"Hij is toch wel wakker?" zei Bob verwonderd en wees naar den haan.
+
+"Ja, ja, ik geloof ook wel, dat hij jullie geroepen heeft; maar toen
+lag jullie nog op één oor en heb je hem niet kunnen hooren."
+
+"Dan zal ik morgen eens op geen oor gaan liggen," dacht Bob bij
+zich zelf.
+
+"Zie Slokop weer eens begeerig zijn," zei Nel, "vooruit, jou
+deugniet." Met een stok duwde ze de zwarte kip weg. "Zal ik nu eens
+zeggen, hoe deze kanaries heeten? Kuikentjes. Het zijn kindertjes van
+die groote zwarte kip, die lekkere kruimeltjes voor haar kuikentjes
+bewaart. De gele dààr heet Asschepoes, de andere hanen en kippen
+zijn niet aardig voor haar. Kijk die ondeugende Schoorsteenveger en
+Wafelbakster eens, die trekken haar aan den staart," en Nel deed alle
+moeite, Asschepoes van een witte kip en een zwarten haan te bevrijden.
+
+Bob en Hans hadden pret voor tien om al die mooie namen.
+
+"En hier heb je de dwergjes," zei Leni. "Vind jullie het geen dotjes?"
+
+"Leggen die kuikentjes ook eitjes?" vroeg Hans, die zijn oogen niet
+van de diertjes af had.
+
+"Mag ik zoo'n kuikeneitje?"
+
+"Neen, de kuikentjes leggen nog geen eieren; als ze groot zijn wel
+en dan komen soms uit die eitjes weer heele kleine kuikentjes, o zoo
+beeldig. Wafelbakster en Asschepoes zijn ook zulke aardige kuikentjes
+geweest en kijk het nu eens groote kippen zijn."
+
+"Hier heb je ook nog een kuikentje," lachte moeder en zette Frits op
+Nels hoofd. Frits kraaide het uit.
+
+"Hij is geen kuikentje, maar een kraaiend haantje," lachte Nel. "Kom
+hier, Haantje kukelekaantje," en zij nam Frits op den arm. "Nu weet
+ik een mooi spelletje," zei ze. "We zetten Fritsje in den ouden
+kinderwagen, Dolf wordt zijn paard en Leni koetsier. Bob en Hans
+komen in de sportkar. Dora is hun paard en ik word koetsier."
+
+Het geheel leek wel een optocht. Als de stoet bij vader en moeder,
+die op de waranda zaten, voorbijkwam, wuifden zoowel passagiers
+als publiek.
+
+"Niet zoo wild rijden, niet zoo wild!" had vader juist geroepen,
+toen op eens, doordat Dora de bocht te kort nam, de sportkar omsloeg
+en Bob en Hansje er uit en in 't gras vielen! Groote ontsteltenis!
+Vader, moeder en Keetje kwamen dadelijk aanhollen, want beide logétjes
+hieven een erbarmelijk geschrei aan. Bobbie bloedde vreeselijk uit zijn
+neus en had zijn voorhoofd bezeerd en Hansje Pansje riep maar steeds:
+"O, mijn voetje doet zoo'n pijn."
+
+Ma droeg hem en vader Bobbie naar binnen. Hans werd op de canapé
+gelegd, waarna moeder hem den schoen uit trok. Bob kreeg koude
+compressen op zijn neus. Door, die zoo wit als een doek zag, wilde
+dadelijk om den dokter gaan, maar vader vond beter nog een poosje te
+wachten. Gelukkig bedaarde het bloeden. Hansjes voet was blijkbaar een
+beetje verstuikt. 't Was wel een ongelukkig gezicht, de twee vroolijke
+kaboutertjes daar zoo te zien zitten met dikke tranen op de wangen:
+Bob met een compres op den neus en Hans met zijn voet op de canapé.
+
+"Dat is een treurig begin van zoo'n vroolijken dag," zei vader.
+
+"Stil maar, jongens," troostte Door, "vanavond krijgen jullie heerlijke
+appelbollen."
+
+"Jullie weet niet, hoe goed die voor bloedende neuzen en verstuikte
+voeten zijn," zei Dolf.
+
+"En voor alle menschen, die geschrokken zijn. Och, lieve tijd, ik
+beef er nog van in mijn beenen," klaagde Nel.
+
+"Kijk eens," en Leni kwam met in iedere hand een grappig klein eitje,
+"is dat nu niet lief van mijn krielkipjes Snoetie en Toetie? Ze
+zijn dadelijk aan het leggen gegaan, toen ze hoorden, dat jullie zoo
+gevallen waart."
+
+Bob en Hans lachten door hun tranen heen.
+
+"Als ik wist, dat Toetie of Moetie"....
+
+"Snoetie, paatje."
+
+"Och, jij ook met je namen altijd. Nu, als ik wist, dat Snoetie voor
+mij ook zoo'n lekker eitje wilde leggen, dan zou ik ook wel zoo'n
+buiteling uit de sportkar willen maken."
+
+"Oompje in de sportkar," lachte Hans.
+
+Daar kwam Kee de kamer in stormen. Kee stormt altijd, langzaam loopen
+kan ze niet, want Kee heeft altijd haast. "Kijk eens," zei ze en bracht
+Hans en Bob ieder een schoteltje roode bessen. "Hoe vinden jullie
+dat? Als je die op hebt, ben je, dat durf ik wedden, weer geheel
+beter. Heb ik ze niet keurig gerist? Ik moest eigenlijk mijn kachel
+poetsen, maar nee, dacht ik, eerst zal ik die wurmen een verfrisschend
+hapje brengen. Door of Nel moeten er maar wat suiker op strooien. Kom,
+die leelijke tranen neem ik mee naar de keuken," zei ze en veegde,
+wel een beetje hardhandig, Bob en Hansje de tranen af. En vóór de
+beide jongetjes nog iets hadden kunnen zeggen, was Kee verdwenen.
+
+"Heeft jij jouw been gebreekt? Kun je niet meer loopen?" Onderzoekend
+keek de kleine Frits naar Hansjes been.
+
+"Beweeg het eens." Hans deed het heel voorzichtig.
+
+"Doet het pijn, als jij jouw voetje beweegt?"
+
+Hans knikte: "een beetje."
+
+"Ik is niet gevallen," zei hij toen met voldoening. "Mag ik eens zien,
+of er nog bloed uit jouw neusje komt?" vroeg hij, vol belangstelling
+naar Bobbie kijkende.
+
+Bobbie deed even den zakdoek voor den neus weg.
+
+"O, mammie!" Fritsje week verschrikt een paar passen achteruit. "O,
+mammi, allemaal rood op Bobbies zakdoek!"
+
+"Kom maar gauw hier, mijn kereltje", zei ma. "Hans en Bob zullen wel
+gauw weer beter zijn."
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+DE APPELBOLLENPARTIJ.
+
+
+"Een brief, een brief!" Met deze woorden kwam Door eenige uren later
+de kamer binnenstormen.
+
+"Voor wie?" klonk het als uit één mond en Nel strekte haar hand al
+verlangend uit.
+
+"Mis, juffertje. Hij is voor Bobbie en Hansje."
+
+"Een brief, o Bobbie, zeker van maatje."
+
+"Of van vader, want paatje heeft ons er eentje beloofd."
+
+Door moest den brief laten kijken.
+
+"Ook een postzegel er op?"
+
+"Ja, 't is geen kleinigheid," lachte Nel, de verrukte gezichtjes
+ziende.
+
+"Zal ik hem voorlezen?" vroeg Door.
+
+"Begin maar gauw," riep Hans.
+
+"Ook wat er buiten opstaat," vond Bob.
+
+"Aan Hans en Bob, gelogeerd bij hun oom, mijnheer Van Brakel te
+Westerkerke.
+
+"Lieve kaboutertjes. De kusjes heb ik gegeven."
+
+"Van Paatje," zei Bob.
+
+"Ma," las Door, "op elken wang een. Bruno's snuit heb ik in mijn hand
+genomen en Miekies zacht pootje even gedrukt. Jelui weet niet, hoe
+stil ma, Bruno, Miekie en ik het vinden, nu onze kaboutertjes er niet
+zijn. Bruno zat gisterenmorgen voor jullie slaapkamertje geduldig te
+wachten. Ma en ik lieten hem stil begaan. Wij wilden eens zien, wat
+hij zou doen. Na een tijd rustig gewacht te hebben, begon hij zacht
+te janken. O, het klonk zoo bedroefd en steeds keek hij naar de kruk
+van de deur. Daarop begon hij te blaffen en zoowaar aan de deur te
+krabben. Toen riep ik hem. "Die ondeugende kaboutertjes! Willen ze de
+deur niet open doen?" zei ik. Bruun kwispelstaartte uit alle macht,
+liep van de slaapkamer naar mij en van mij naar de slaapkamer, en
+keek mij met zijn trouwe, bruine oogen zóó smeekend aan, alsof hij
+zeggen wilde: doe nu toch die nare deur open, ik kan toch niet door
+'t sleutelgat. "Kom dan maar," zei ik, en toen was Bruun niet te
+houden, hij sprong tegen mij op, likte mijn handen en blafte, dat
+hooren en zien je verging. Met een vaart rende hij de slaapkamer in,
+maar bleef op eens verbaasd staan, toen hij die leeg vond. Alles werd
+besnuffeld, hij begreep er niets van. Zijn mooie pluimstaart, die even
+te voren nog zoo vroolijk wapperde, hing nu sluik neer. "Arme hond,
+zijn ze weg?" zei ik. Nog eens liep hij de kamer rond, snuffelde onder
+'t bed en liep toen langzaam naar de huiskamer.
+
+Ma troostte hem met een stukje hondekaak en een hompje kaas. Na
+'t ontbijt zijn ma en ik een flinke wandeling met Bruno gaan doen.
+
+Ma wilde Miekie, geloof ik, ook wel mee hebben, omdat ze het zoo
+stil vond zonder haar ventjes, maar dat ging natuurlijk niet. Toen we
+den hoek van de straat omsloegen, kwamen we Pollo tegen. Dat was een
+vroolijke ontmoeting tusschen Bruun en hem. 't Was, alsof ze elkaar
+in jaren niet gezien hadden. Daarna liepen ze een tijdje rustig naast
+elkaar. Het scheen wel, dat Bruno vertelde, dat jullie weg waart en
+ik denk, dat Pollo hem zoo goed mogelijk getroost heeft, tenminste
+even later renden ze uitgelaten over 't weiland. De schapen, die daar
+liepen, wisten zich van angst niet te bergen. Een klein lammetje
+drukte zich stijf tegen zijn moedertje aan en blaatte zoo innig
+bedroefd. Daar vloog Pollo over een sloot, Bruun hem achterna. En toen,
+o mijn kaboutertjes, als jullie dat gezien hadt! Pol stond aan den
+kant van de sloot juist eventjes uit te blazen, met de tong uit zijn
+bek, want geloof maar, dat hij moe was, toen een dikke kikker, zeker
+door Bruno opgejaagd, boven op Pollo's tong sprong. Ma en ik wisten
+werkelijk niet, wat er gebeurde, zoo'n spektakel maakte Pollo op eens.
+
+Hij rolde zich om en om op 't gras, de vier pooten in de hoogte,
+en het had niet veel gescheeld, of hij was in de sloot gevallen. Nu,
+zoo'n bad was misschien wel goed geweest voor den schrik."
+
+"O, die kikker," schaterde Dolf. "Hij zag Pollo's tong voor een
+rozeblaadje aan."
+
+"Ja, of voor een vischje," lachte Nel.
+
+"O, eenig, eenig!" proestte Door. "Maar stil, laat mij nu verder
+lezen."
+
+"Na dit kikker-avontuur waren onze wandelgenootjes kalm en gehoorzaam.
+
+En hoe Miekie het maakt? Ik geloof, dat ze vast van plan is jullie
+een briefje te schrijven en ze mij de kunst nu wil afzien. Viermaal
+heb ik haar al van dit velletje postpapier afgezet, maar telkens komt
+zij weer terug, zoodat ik haar nu maar laat zitten. 't Is een klein,
+nieuwsgierig poesje en jullie weet, als Mieke eenmaal een plannetje
+heeft, dan laat zij dit niet varen.
+
+Op dit oogenblik loert ze op mijn penhouder. Steeds gaat haar kopje
+van links naar rechts. O wee! een letter met drie krullen, dat is
+Miekies schuld: die wilde met haar pootje den penhouder grijpen. 't
+Is maar goed, dat mijn praatje uit is. Het zal mij eens benieuwen,
+wanneer zij jullie gaat schrijven, maar dan ga ik er ook bij zitten,
+dat weet ik wel, die deugniet!"
+
+"Dan gaat oom zeker ook op het postpapier zitten," lachte Dolf.
+
+"Heel veel kusjes van moes, van Bruno een poot, van Mieke een hoogen
+rug en duizend kusjes van paatje.
+
+Hoe hebben de appelbollen gesmaakt? En vraag aan Leni, of de
+dwergjes nog bedroefd zijn. Vooral de groeten aan oom, tante en
+alle kindertjes."
+
+"Is hij nu uit?" vroeg Bob.
+
+"Ja, is het geen onmogelijk lange brief?"
+
+Door moest den brief nòg eens en nòg eens voorlezen, vonden Leni,
+Bob en Hansje. Op 't laatst kenden ze hem bijna van buiten.
+
+"Boven aan het blaadje staat het verhaal van den kikker, hè
+Door?" vroeg Hans.
+
+"En dáár onder-aan dat van Mieke?"
+
+"Mammi, waar is de kikker nu?" vroeg Fritsje.
+
+"Ik denk, dat hij nu weer vroolijk door het water springt of over
+'t land. Och, och, wat zal dat arme kikkertje geschrikt zijn, toen
+het zag, dat het verdwaald was."
+
+"En hoe verdwaald!" lachte Dolf.
+
+"'t Was maar goed, dat Pol geen ooievaar was, want die had het
+kikkertje stellig opgepeuzeld."
+
+"Brr!" Fritsje schudde zijn krullebol. "Ik vind kikkers niet lekker,
+Mammi wèl?"
+
+"Neen hoor, ik eet liever appelbollen."
+
+"En ik, en ik," riepen Leni en de anderen.
+
+"Hoera! Vanavond appelbollenpartij!"
+
+"En hoe is 't nu met de patiëntjes? Zouden jullie vanavond wel trek
+hebben in een appelbol?" vroeg mevrouw Van Brakel.
+
+"Mijn voetje doet bijna niet meer zeer, heusch niet."
+
+"En mijn neus, kijk, er komt geen droppel meer uit."
+
+"Dat dacht ik wel," zei Door. "Brieven zijn zoo goed voor verstuikte
+voeten en bloedende neuzen."
+
+"Ja, en vooral zulke lange," lachte Nel.
+
+"Ramplamplan, daar komen wij an. We hebben geen schoenen of kousen
+meer an," kwam Dolf dien avond de kamer instappen, een groot bord
+met appelbollen op zijn hoofd balanceerende.
+
+"O, jongen, denk om het porseleinen bord," riep mevrouw Van Brakel.
+
+"En om onze heerlijke appelbollen," lachte pa. "Als ze over den grond
+rollen, wil niemand ze meer hebben."
+
+"Ik wel, ik wel," riepen Leni, Hans en Bob.
+
+"Dan zal ik ze maar gauw neerzetten," zei Dolf, "want als jelui in
+dat geval alle appelbollen samen op ging peuzelen, dan hadden we
+morgen drie zieke kinderen, en dat zou wel zonde en jammer zijn van
+de heerlijke vacantie."
+
+"Hoera voor de vacantie!" riep Nel en stak een oogenblik later een
+appelbol op haar vork in de hoogte.
+
+"Hoera voor oom Karel!" juichte Door en deed hetzelfde.
+
+"'t Lijkt wel, dat er wijn in de appelbollen zit, zoo opgewonden
+worden jullie," zei vader. "Ma, geef me nog maar eentje: die dingetjes
+smaken uitstekend."
+
+"Ja, ze zijn onmogelijk lekker," beaamde Dora. Hans, Bob en Leni
+hadden het veel te druk met hun bol om iets te zeggen.
+
+"Komt, kinderen, het klokje van gehoorzaamheid heeft geslagen,"
+zei moeder, en een half uur later: "Fritsje ligt al lang in bed."
+
+"Fritsje is ook nog zoo klein," zei Hans. Hij vond het zeker wel wat
+kinderachtig, bij Fritsje vergeleken te worden.
+
+"Ja zeker," lachte ma, "maar ik geloof tòch, dat het zandmannetje al
+even bij Hansje Pansje op bezoek is geweest."
+
+Een oogenblik later werden Leni en de tweelingen door Nel en Door
+naar bed gebracht.
+
+"Kijk eens even, of het kussen ook tegen mijn ooren aankomt," zei
+Bobbie tot Door, die hem had uitgekleed.
+
+"Tegen je ooren?" vroeg Door verwonderd.
+
+"Ja, kun je ze goed zien?"
+
+"Niet zoo heel goed," lachte ze, "ze spelen zoo'n beetje verstoppertje,
+dunkt me."
+
+"Zou ik den haan zoo dan niet kunnen hooren?"
+
+Toen barstte Door in lachen uit. "O, wacht maar eens," en ze drukte
+het kussen flink plat, zoodat heel Bobs bolletje als een kaatsbal
+boven op het kussen kwam te liggen. "Nu maar goed luisteren morgen
+vroeg. Wel te rusten, kindertjes."
+
+"Toe, Nel, ben je nu nog niet klaar?" bromde ze. "Je bent een echte
+treuzel."
+
+"Ik moet nog even Hansjes pakje opvouwen."
+
+"Wat valt er nu aan zoo'n jongenspak op te vouwen? Ik heb Bobbies
+kleeren...."
+
+"Ja, hoe jij Bobbies kleeren opbergt, daar weet ik alles van: Hij
+heeft gisteren den geheelen dag met één kouseband geloopen. Waar die
+andere nu weer is, begrijp ik niet."
+
+"O, ja, éénig," gierde Dora. "Verbeeld je, Bob had er twee aan zijn
+rechterbeen. Of ik zijn spulletjes ook goed opberg, hè?"
+
+Nu moest Nel toch ook lachen en gearmd gingen beiden naar beneden
+naar de huiskamer.
+
+"Alweer een dagje om, ma," zei Nel, toen ze dien avond met Door naar
+bed ging.
+
+"Ja, ja, vrouwtje, maar er komen er nog veel, moet je maar denken."
+
+"En als dan het zonnetje van binnen en van buiten schijnt, dan zingen
+we," zei vader lachend: "'t Is vacantie, 't blijft vacantie...."
+
+"Hoera, vacantie boven!" vielen Door en Nel in.
+
+"Nacht vader, nacht moes!" En zingende gingen, ze naar boven.
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+DE VERDWAALDE DWERGJES.
+
+
+"Er zijn dieven," fluisterde Nel aan Doors oor, want hard praten
+durfde ze niet.
+
+Door, nu op eens wakker, zat kaarsrecht in bed.
+
+"Hoor je 't?" fluisterde Nel.
+
+Door knikte. De angst benam haar bijna den adem.
+
+"Zullen we vader en moeder roepen?" fluisterde Nel weer.
+
+"'k Durf niet," kwam bijna onhoorbaar uit Doors mond.
+
+"Ik ook niet," klonk het wanhopig naast haar.
+
+"Luister eens. 't Is precies, of ze met sleutels rammelen," zei ze
+en kneep Door van angst in den arm.
+
+"Ik durf onmogelijk opstaan," kermde Door. "Mijn mooien armband heb
+ik gisteren op tafel laten liggen; dien nemen ze natuurlijk mee en
+Fritsjes zilveren kroesje en de lepels en vorken! O, 't is vreeselijk,"
+zuchtte ze. "En mijn ringetje ligt, geloof ik, op den inktpot. Sst, wat
+zijn ze nu stil. Misschien steken ze het wel aan een van hun vingers."
+
+"Het zal hun toch wel niet passen," zei Nel geruststellend.
+
+"Om de pink wel," snikte Door.
+
+"'t Is precies, of ze hierheen komen," fluisterde Nel en kroop stijf
+tegen Door aan.
+
+"Maak toch zoo'n leven niet."
+
+"Konden we maar dood liggen, zooals Foxje."
+
+Weer was 't even stil in de voorkamer.
+
+"Ik probeer 't," zei Nel kordaat.
+
+"Wat?"
+
+"Ik houd het hier niet langer uit."
+
+"Nel, hoe durf je! Ik laat je niet alleen gaan," zei Door, toch alles
+behalve moedig.
+
+Heel voorzichtig, met ingehouden adem, liet Nel zich uit 't bed
+glijden. Door volgde klappertandend....
+
+"De deur staat op een kiertje," fluisterde Door.
+
+Als twee angstige vogeltjes tegen elkaar aangedrukt, stonden Nel en
+Door in de gang en trachtten door de deuropening te kijken.
+
+"Zie je iemand?" fluisterde Door tot Nel, die vooraan stond.
+
+"Niemand."
+
+"Ze zullen onder de canapé gekropen zijn."
+
+"Ik ga eens kijken," zei Nel moedig.
+
+"Ik zie niemand," zei ze, op haar buik liggende.
+
+"Kijk eens op 't inktstel naar mijn ringetje."
+
+"'t Ligt er nog" zei Nel, steeds moediger de kamer rondkijkende.
+
+"Ligt het er nòg?" Door was een en al verbazing. "Hoe is 't mogelijk;
+dieven zijn anders dol op goud."
+
+"Misschien zijn ze boven op de kast gekropen," begon Door weer,
+nu half in de kamer staande.
+
+"Op de kast?" vroeg Nel ongeloovig, terwijl ze voorzichtig het
+tafelkleed oplichtte.
+
+"Ja zeker, op de kast. Als iets weg is, kan het overal zijn, zegt
+ma altijd."
+
+"Je denkt zeker aan je haarlintje of je handschoenen, die ook altijd
+zoek zijn. St.--hoor je dat?" Nel stond stijf van schrik.
+
+Door keek haar met groote oogen aan en durfde geen voet verzetten.
+
+"Daar hoor ik 't weer," zei Nel, nog steeds op dezelfde plaats
+staande. "Maar--maar--ik geloof--dat--ja nu hoor--ik--het--duidelijk,"
+riep ze opgewonden....
+
+"'t Is ... een vogel!"
+
+"Een vogel?" Door wist niet, wat ze hoorde. "Een vogel?" herhaalde ze
+hoogst verwonderd en stond eensklaps midden in de kamer, naar alle
+kanten kijkende en luisterende. "Ja, je hebt gelijk, nu hoor ik het
+ook en heel duidelijk zelfs."
+
+"Hij zit stellig in den schoorsteen."
+
+"Neen, dat geloof ik niet, hij zit in de kachel. Die stumper kan zijn
+pret ook wel op."
+
+"Ja, werkelijk, arm dier," zei Nel.
+
+"Wat wil je doen?" voeg Door, toen Nel naar het raam liep.
+
+"Het raam open schuiven; dan kan hij dadelijk naar buiten vliegen. Het
+zal wel een verdwaalde kraai of spreeuw zijn."
+
+"Uitstekend," vond Door. "Nu zal ik het kacheldeurtje open zetten,
+let op, een, twee, drie--rustverstoorder."
+
+Werkelijk vloog een jonge spreeuw er uit, keek even met zijn aardige
+glinsteroogjes verbaasd rond, zag het open raam--en was verdwenen.
+
+"Kom eens gauw kijken, daar zit hij, daar zit hij," riep Nel
+opgetogen. "Zie hij 't eens druk hebben en de veertjes glad strijken,
+zoo'n ijdeltuitje.--Dag plaaggeest!"
+
+"Wat een geluk, dat het zomer is en er geen vuile stukken cokes en
+asch in de kachel liggen. Wat draait hij met zijn kopje; het heeft
+er veel van, dat hij zijn avontuur in geuren en kleuren aan die twee
+dikke spreeuwen naast hem zit te vertellen."
+
+"Dan zullen die twee ouwetjes wel hun kopjes schudden, als ze hooren,
+hoe hij ons heeft beet gehad," lachte Door.
+
+"En jouw netheid zal nog van de daken der huizen verkondigd worden,"
+zei Nel.
+
+"Maar kom, ons diefje heeft zijn vrijheid terug; ik kruip nu nog
+lekker een paar uurtjes in bed."
+
+"En ik," zei Nel geeuwend. "Brr, wat een nacht."
+
+Na een kwartiertje waren beide heldinnetjes in zoete rust.
+
+Aan het ontbijt vertelden Door en Nel met veel ophef, wat ze vroeg
+in den morgen hadden ondervonden en werden braaf uitgelachen. Leni en
+de tweelingen zaten met open mond te luisteren en moesten natuurlijk
+de kachel van alle kanten bekijken, alsof daar heel wat bijzonders
+aan te zien was. En Nel en Door moesten den boom wijzen, waarin de
+spreeuw gezeten had. Het drietal raakte niet uitgevraagd.
+
+"St, zacht loopen," zei Leni dien middag, terwijl ze met de tweelingen
+naar den zolder ging. "Kijk, in den koffer zijn de kleeren, geloof
+ik. Jullie moet mij eventjes helpen met de doozen, ze zijn zoo
+zwaar." Met veel moeite gelukte het hun, met hun drietjes de doos op
+te lichten.
+
+"O, Bob," juichte Hans, toen Leni het deksel van den koffer had
+opgetild. "Kijk eens, een rood mutsje en een grijs. En wat is
+dat?" vroeg hij, een met zilverpapier beplakte kroon in de hand
+houdende.
+
+"Dat is de kroon, die Nel op gehad heeft, toen ze voor Asschepoes
+heeft gespeeld," legde Leni uit. "Maar voorzichtig, jelui moet er nu
+niet alles uit halen. Ik zal eerst eens kijken, waar de pakjes van
+de dwergjes zijn."
+
+"O, Leni, worden wij dwergjes?" Hans klapte in de handen van pleizier.
+
+"Daar heb ik al een pakje; hoe vinden jullie dat?"
+
+"Is dat voor mij?"
+
+"Ja, trek je schoenen maar uit, of neen, het pijpje is nogal wijd. Ga
+maar op deze kist zitten, dan zal ik je wel even helpen."
+
+"Zou het niet te groot zijn?" vroeg Hans.
+
+"Een beetje misschien wel, maar dat is niets. Zulke pakjes zitten
+altijd nogal ruim," voegde zij er vertroostend aan toe.
+
+"Wat mag ik aan hebben?" vroeg Bob, die, met de zilveren kroon van
+Asschepoes op zijn aardigen krullebol en een papieren sabel om,
+verlangend in den koffer keek.
+
+"Jij krijgt dat grijze pakje aan; tweelingen moeten toch gelijk
+gekleed zijn."
+
+"O ja dan zal ik mijn sabel zeker maar afdoen."
+
+"Ja," zei Leni, druk bezig Hansje een rood puntmutsje op te
+zetten. "Klaar! Nu, wat zeg je er van? Is 't niet leuk?" Hans knikte
+lachend. "Wacht, je moet nog den leeren riem om hebben, die zal ook
+wel in den koffer zijn. Hoera, daar is hij al! Jammer, dat hier geen
+spiegel is, dan kon je je zelf eens bekijken."
+
+"Hebben dwergjes dan spiegels?"
+
+"O, neen, 't is eigenlijk veel beter, dat er hier geen is, want
+dwergjes bezitten die niet."
+
+"Stil, wat is dat? Daar is iemand aan de deur, geloof ik," zei Leni
+verschrikt. "Gauw, Hans, kruip achter dezen koffer. Bob, verstop je
+gauw." Voorzichtig deed Leni de deur open en verrast bleef ze staan,
+toen Julia zacht miauwend met hoogen rug langs haar streek en in twee
+sprongen op een koffer stond.
+
+"O, jou klein, nieuwsgierig poesekopje, om mij zoo verschrikt te
+maken! Kom maar weer uit je schuilhoekje, jongens. 't Is Julia en
+die verklapt ons niet."
+
+"Help je mij even? Ik kan niet in de tweede pijp komen."
+
+"Een, twee, drie, hopsa," zei Leni. "Past het niet mooi? Wacht, hier
+is het een beetje te wijd, maar dat is niets, daar komt de ceintuur
+over heen. Nu je puntmuts nog. Prachtig!" riep ze opgetogen. "Wat
+zullen allen kijken, als jullie beneden komt. Ga beiden nu maar op
+deze kist zitten, dan zal ik mij ook verkleeden. Oef, wat is 't hier
+warm. Ik zal het raam open zetten."
+
+"Word jij ook een dwergje?" vroeg Bob.
+
+"Drie dwergjes," lachte Hans.
+
+"Maar dat kan toch niet, want dan ben jij een groote dwerg en dwergjes
+zijn altijd klein."
+
+"Zijn er geen groote dwergen?" vroeg Hans.
+
+"Zijn er nooit pa-dwergjes?"
+
+"Jawel," zei Leni; "want dwergen dragen immers baarden. O ja, dat is
+waar ook, jullie moet ook nog de baarden om hebben."
+
+En half uitgekleed, zocht ze weer in den koffer. "Ik kan ze nergens
+vinden, dat is jammer, maar zoo zijn jullie toch ook mooi."
+
+Dat vonden Hans en Bob ook.
+
+"Ik wordt sneeuwwitje," zei ze.
+
+"Als deze koffer van glas was," zei Hans, "dan moest jij daarin gaan
+liggen en konden wij je dragen."
+
+Leni lachte.
+
+"St! daar roept ma mij, geloof ik. Hoe jammer!" Haastig trok ze haar
+jurk weer aan.
+
+"Stil blijven zitten, hoor! Ik kom gauw terug."
+
+'t Was een grappig gezicht, die twee aardige ventjes met hunne roode
+puntmutsjes op de kist te zien zitten tusschen allerlei koffers,
+doozen, manden enz.
+
+"O wee, kijk Julia eens," zei Hans even later. "Zij wil, geloof ik,
+op het dak gaan en dat mag niet. Juul, Juul, Juul!" riep hij, zoo
+hard hij kon.
+
+"Misschien is zij bang voor ons, omdat we nu op dwergjes lijken."
+
+"Als ze op het dak komt, gaat ze vogeltjes vangen," zei Hans wanhopig.
+
+Weer riepen beide kinderen zoo hard ze konden, maar poes stoorde zich
+er in 't geheel niet aan en stapte kalm het raam uit.
+
+Bob en Hans vergaten heelemaal wat Leni gezegd had. Beiden liepen
+naar het raam om te kijken, waar poes gebleven was.
+
+"Zie je haar?" vroeg Bob aan Hans, die 't meest vooraan stond.
+
+"Ja, ze loopt in de goot."
+
+"Och, die arme vogeltjes. Als poes ze ziet, eet zij ze op."
+
+"Wat zou ze doen, ze zit zoo stil als een muisje."
+
+"O Bobbie, misschien ziet ze al een vogeltje. Ik ga haar in den staart
+knijpen. Jaap heeft mij verteld, dat, als je een poes, die loert,
+in den staart knijpt, ze het vogeltje of muisje niet kan krijgen."
+
+"Laten we dan dadelijk gaan. Ze zit nog steeds op hetzelfde plaatsje."
+
+Beiden stapten toen voorzichtig in de goot. Bob vooraan, voetje voor
+voetje, gingen ze op poes af.
+
+Julia bemerkte eerst niets, maar toen Hans en Bob op ongeveer vier
+passen genaderd waren, scheen ze onraad te bespeuren, tenminste ze
+verliet haar plaatsje en liep verder.
+
+"O, Hans, als wij haar nu maar kunnen krijgen," zei Bob half
+schreiend. "Stil, daar zit ze weer, misschien heeft ze ons nog niet
+gezien. Niet praten," zei hij, toen Bob weer iets wilde zeggen.
+
+Ondertusschen was Leni weer op den zolder terug gekomen. Ze keek
+vreemd op, toen ze de tweelingen niet op de kist zag zitten.
+
+"Jullie deugnieten, heb je je verstopt?" zei ze lachend. "Ik zal je
+wel vinden." Vroolijk zingend ging ze zoeken. "Hans, Bob!" riep ze
+eenige keeren, toen zij ze niet vond.
+
+"Misschien zijn ze in slaap gevallen," dacht ze toen. "Maar dan moeten
+ze hier toch zijn. Wat is dat? Julia ook weg? O wee, het raam! Zou
+Julia op het dak zijn gegaan?" Op eens kreeg ze een vreeselijken
+schrik. "Als-als-de tweelingen...."
+
+Leni holde naar beneden. "Ma--vader--Bob en Hansje zijn nergens te
+vinden en Julia is op het dak."
+
+"Kom, kom, kleine meid," zei pa, "Julia zal wel gauw terugkomen;
+ze vond het zeker frisscher op het dak dan op den zolder. Ze zal zoo
+gauw geen ongeluk krijgen."
+
+"Och ja, maar ... paatje, Hans en Bob zijn er ook niet."
+
+"Hans en Bob zijn toch geen poesjes, die zijn toch niet op het dak
+geklauterd? Kom, kom, vrouwtje, maak je toch zoo angstig niet. De
+bengels zullen zich zeker verstopt hebben."
+
+"Ik heb ze overal gezocht," zei Leni, nu wel een beetje gerustgesteld.
+
+Ze gingen zoeken boven. Maar toen niemand ze vond, maakte een
+vreeselijke angst zich van hen meester. Er was geen twijfel
+meer aan. Bob en Hans waren op het dak geklommen en naar beneden
+gevallen. Allen zagen lijkwit. Plotseling werd er hevig gebeld
+en stonden ze stijf van schrik. Ieder verwachtte nu te hooren,
+wat ze zoo zeer vreesden. Kee kwam naar boven hollen en vloog
+vader bijna omver, die juist naar beneden wilde. "Ze--ze--"
+stotterde ze,--"ze--zitten--dáár," en Kee wees met den vinger,--"dáár
+gunder--op het--dak.--De slagersjongen kwam--het mij--zeggen"--hijgde
+ze,--"och, die wurmen, die wurmen! Het--staat--daar vol menschen, de
+politie--is er ook, och hemeltje--och, och! Enne, die kan--niet bij
+ze--komen, omdat de menschen--die--daar wonen--uit--de stad zijn. Die
+stakkers! Wat ze--aan hebben, weet ik niet, maar--ze zien er heel
+gek--uit--zegt de slager."
+
+Allen holden naar beneden. Mevrouw Van Brakel kon van schrik bijna
+geen voet verzetten.
+
+Ja waarlijk, een huis of zes verder zaten boven op het dak, als twee
+parkietjes, Hans en Bobbie.
+
+Intusschen had de politie van de buren den sleutel gehaald en was
+een agent naar boven geklommen. Een algemeene kreet van blijdschap
+ging op uit de volksmenigte, toen ze den agent op het dak zagen. En
+een oorverdoovend hoera brak los, toen hij met Hans, en mijnheer
+Van Brakel, die den agent gevolgd was, met Bob weer uit het huis
+kwamen. Mevrouw Van Brakel schreide en lachte te gelijk en geen van
+hen wist van blijdschap wat te doen.
+
+"Kindertjes, kindertjes," zei mevrouw Van Brakel, toen men een beetje
+van den schrik bekomen was, "hoe kwamen jullie er toch toe?"
+
+"Heeft ze een vogeltje gepakt, tante?" vroeg Hans.
+
+"Een vogeltje gepakt? Wie wilde een vogeltje pakken?"
+
+"Julia," zei Bob, en toen vertelde hij alles. "lederen keer, als ik
+haar staart wilde grijpen, liep zij verder en op 't laatst zagen wij
+Julia nergens meer."
+
+"En waarom liepen jullie toen niet terug?" vroeg Nel.
+
+"Wij durfden ons niet omdraaien. Wij wisten ook heelemaal niet, hoe
+ver we geloopen waren." En op eens barstte Hans in een zenuwachtig
+schreien uit.
+
+"O, we waren toch zoo bang."
+
+"Jullie kleine, domme kereltjes," zei mijnheer Van Brakel
+troostend. "Wisten jullie nu nog niet, dat dwergjes op den grond
+hooren en niet op het dak?"
+
+"O, daar heb je de schuldige," zei Door, toen poes de kamer binnen
+kwam. "Poesje, poesje, je hebt wat op je geweten. Wat heb jij ons
+een onmogelijken angst bezorgd."
+
+"Ja, gelukkig, dat dit alles nu weer voorbij is," zei mevrouw Van
+Brakel.
+
+"Ter eere van den goeden afloop mag Fritsje een balletje aan onze
+dwergjes presenteeren en de andere kinderen mogen mee snoepen."
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+EEN DAGJE BUITEN.
+
+
+"Kinderen," zei mijnheer Van Brakel eenige dagen later, "nu heb ik
+een mooi plan. 't Is zulk prachtig weer, wat denken jullie er van,
+als we eens een groote wandeling gingen maken?"
+
+"Heerlijk, leuk!" klonk het van alle kanten.
+
+"Nu, over een uurtje verwacht ik, dat alles klaar zal zijn, hoor."
+
+"Meisjes, jullie moet mij dan maar flink helpen. Want er moeten heel
+wat boterhammen gesmeerd worden," zei moeder. "Dolf, jongen, maak jij
+de sportkar eens keurig schoon, want voor Fritsje moeten wij die wel
+meenemen en Bob en Hans zullen ook wel eens willen rijden."
+
+Ma en Door gingen de boterhammen smeren. Leni bracht papier aan, de
+tweelingen zorgden voor de touwtjes, Nel pakte alles in en Fritsje
+bracht ze naar de sportkar.
+
+"Hoe staat het er mee?" vroeg vader, op zijn horloge ziende. "Het
+wordt tijd."
+
+"We zijn klaar, vader," zei Nel.
+
+"Mooi zoo, dan maar opgemarcheerd, marsch."
+
+"Mag Foxje mee?"
+
+"Zeker."
+
+Toen Fox zijn naam hoorde noemen, was hij uitgelaten van
+blijdschap. Als een pijl uit den boog vloog hij vooruit, rende weer
+terug, sprong dan tegen dezen, dan tegen dien op en was zoo dol, dat
+het niet veel gescheeld had, of hij had Fritsje in zijn blijdschap
+omgegooid.
+
+"Koest, Fox, koest, we weten wel, dat je blij bent," zei Dolf,
+"maar als je zoo begint te rennen, hou je het nooit uit."
+
+"Wat is het toch heerlijk buiten," zei moeder.
+
+"Mij dunkt, we gaan de hei over en dan straks bij vrouw Pruim een
+glaasje melk drinken."
+
+"O, ja," zei Leni, "misschien heeft ze wel weer een ziek geitje,
+zooals den vorigen keer."
+
+Vader begon hartelijk te lachen.
+
+"Je wenscht vrouw Pruim ook niet veel goeds toe, kleine meid."
+
+Leni lachte verlegen. "Och ja, vader, maar u wéét ook niet, hoe goed
+vrouw Pruim haar ziek geitje oppaste."
+
+"Dan moeten wij eens gauw gaan kijken, maar als jelui mij vraagt,
+dan zie ik liever een gezond dan een ziek geitje."
+
+"Leni vindt zieke dieren altijd veel aardiger," zei Nel plagend,
+"omdat ze die dan flink verwennen en vertroetelen kan. Was ik nu
+maar een zieke kikvorsch of een half doode spreeuw," zei ze grappig
+wanhopig, "wat zou mijn zusje mij dan allerlei lekkere hapjes brengen."
+
+"Ja, ja, je bent me een stumperd," lachte Dolf, "en zoolang je
+nog zoo'n verbazende massa boterhammen verslindt, vrees ik, dat er
+vooreerst van jou geen sprake zal zijn."
+
+"En tot kikker zul je 't zeker wel nooit brengen," zei Door, "want
+in plaats van in het water te springen, bleef jij 't liefst aan den
+kant staan."
+
+"En jij niet tot spreeuw," plaagde Nel terug, "want aan vroeg opstaan
+heb jij een broertje dood."
+
+"Daar zal ik ook altijd voor oppassen, als ik al eens spreeuw mocht
+worden; want vogeltjes, die te vroeg zingen, zijn immers voor de poes?"
+
+"En nu stel ik voor," zei vader, "dat wij hier eens een poosje aan
+den kant van den weg gaan zitten. We hebben al een heele wandeling
+achter den rug en 't wordt warm vandaag."
+
+"Hè ja," vond Door, "eventjes uitblazen."
+
+"Hoe is 't met mijn kleine broekemannetje?"
+
+"Is het broertje ziek geweest en is dat broertje toen doodgegaan,
+Mammi?" vroeg Fritsje met een bedroefd stemmetje.
+
+"Welk broertje toch, kleine man?"
+
+Allen keken naar Fritsje, want 't was duidelijk, dat het schreien
+hem nader stond dan 't lachen.
+
+"O, ik begrijp het, ik begrijp het," gierde Door. "Hij heeft gehoord,
+dat Nel tegen mij zei, dat ik aan vroeg opstaan een broertje dood had."
+
+Ze schaterden het uit.
+
+"Jou kleine, kleine krullebol," zei Ma, en trok haar kereltje
+liefkoozend op den schoot.
+
+"Nel weet er niets van, hoor, er is geen broertje ziek geworden en
+ook geen dood gegaan. Dolf, kom eens hier met de sportkar, de bron
+van alle goeds, en laten we dan allen een eierkoek gaan eten op het
+heerlijke feit, dat Nel geen kikvorsch en Door geen spreeuw is, en
+op het broertje, dat niet ziek geworden is. Wat zit het hier toch
+heerlijk, 'k was werkelijk al een beetje moe," zei mevrouw Van Brakel.
+
+"Maar waar is Leni nu weer?" vervolgde ze. "Daar loopt ze warempel
+met Bob en Hans ons al een heel eind vooruit. Dolf, roep die drie
+voortvluchtigen eens terug. Ze moeten wat rusten, anders worden ze
+veel te moe."
+
+"O, daar komen ze al."
+
+"O, paatje, u weet niet, wat beeldige kapelletjes wij gezien
+hebben!" zei Leni. "Hansje had er bijna eentje gevangen."
+
+"Jaap zegt, dat kapelletjes tooveren kunnen," zei Bob.
+
+"Zoo, heeft Jaap dat verteld?"
+
+"Ja oom. 't Kapelletje zegt: hocus, pocus pas, 'k wou dat ik een
+rups was."
+
+"En wat zegt de rups?" lachte ma.
+
+"De rups? Hansje, zegt die ook wat?" vroeg Bob. Hans wist het niet.
+
+"Dan zegt die weer: hocus, pocus pas, 'k wou, dat ik weer een
+kappelletje was, en dan wordt het een kapel. Is dat niet wonderlijk?"
+
+"Dat zal ik Jaap vertellen," zei Bob.
+
+"Kijk Foxje eens," zei Dolf, "òf hij ook moe is. Pas maar op je tong,
+zoo meteen springt er een kikker op, net als op die van Pluto. Ik zou,
+als ik jou was, mijn rood lapje maar gauw naar binnen halen. Hier, dit
+is beter dan zoo'n springertje," en hij gaf Fox een stuk van zijn koek.
+
+"Ik weet een mooi spelletje," zei Leni, "zullen we bloemencorso
+spelen?"
+
+"Bloemencorso?"
+
+"Goed," zei Door en sprong op, "er zijn hier zulke beeldige bloemen."
+
+"Vader en moeder zijn 't publiek," stelde Dolf voor.
+
+"Ja," zei Nel, "u moogt niet kijken, wij zullen wel waarschuwen,
+als alles klaar is."
+
+"Dan zullen we ons maar in dezen greppel omdraaien; want om op zoo'n
+mooien dag met je oogen dicht te zitten, is wel wat veel gevergd."
+
+Door stelde voor de sportkar te versieren. Dolf sneed heide,
+terwijl de meisjes bloemen gingen plukken, 't Was niet zoo'n heel
+gemakkelijk werkje. Door en Nel geleken, toen alles klaar was, wel
+een paar pioenen.
+
+"Nu den optocht opstellen," zei Nel, terwijl zij nog bezig was aan
+een krans voor Leni.
+
+"Eerst de sportkar met Bob er in. Leni, jij moogt hem rijden. Wat
+zeg je wel van dit kransje?"
+
+"Door, laten wij van onze armen een stoeltje maken, dan kan Dolf Hansje
+Pansje daar opzetten. Hij zelf kan Fritsje op zijn schouders nemen. Nu
+eerst dat kleine heuveltje op," commandeerde Nel verder. "Ziezoo,
+Leni, sta even stil, nu zal ik het publiek verzoeken te kijken. Vader,
+moeder, het bloemencorso is gereed, u moogt kijken. Leni, vooruit nu."
+
+'t Was een aardig gezicht, dat vroolijk versierde troepje van den
+heuvel te zien komen.
+
+"Beeldig, beeldig," riep Ma.
+
+"Prachtig," vond vader ook.
+
+Foxje was nu eens heraut, dan vormde hij weer de achterhoede, en
+steeds wapperde zijn vlag. Toen de optocht tweemaal het publiek was
+gepasseerd, vonden allen, dat het lang genoeg geduurd had.
+
+"'t Is mooi geweest, 't is mooi geweest, 't is drommels mooi geweest,"
+begon vader te zingen en allen vielen mee in.
+
+"En nu stel ik voor," zei ma, "dat we bij vrouw Pruim ons glaasje
+melk gaan halen. Oef, wat is het warm!"
+
+"Ik weet den weg wel, vader," zei Leni.
+
+"Uitstekend, ga jij met Hansje maar vooruit."
+
+Dat vond Leni wàt gewichtig, en parmantig stapte ze voort.
+
+"St!" zei mijnheer Van Brakel even later, "ik hoor geritsel."
+
+"Een eekhoorntje," fluisterde Dolf.
+
+Ja waarlijk, daar zat op korten afstand een allerliefst eekhoorntje
+te smullen aan een paddenstoel. Hij liet de plant in zijn pootjes
+ronddraaien en knabbelde er zoo stukjes af. Zoo iets hadden de kinderen
+nog nooit gezien. Ademloos stonden ze te kijken, toen hoe jammer,
+Fox kwam aanrennen en binnen drie tellen zat het eekhoorntje boven
+in een boom angstig naar beneden te kijken, of hij ook vervolgd werd.
+
+"Fox, hier!" commandeerde mijnheer Van Brakel, die den angst van den
+eekhoorn zag.
+
+"Die stoute Fox," zei Bob boos. "Ik vind dat eekhoornhondje veel
+aardiger."
+
+"Zoo, vind jij dat eekhoornhondje veel aardiger dan onzen lieven
+Fox. Zullen we Fox dan in dien boom laten klimmen en het eekhoorntje
+meenemen?"
+
+Even bedacht Bob zich. "Blijft Fox dan vannacht hier in 't bosch en
+slaapt het eekhoornhondje dan in zijn nest?"
+
+"Ja zeker."
+
+"Och, laten we Foxje dan maar liever houden," zei hij. Maar nog eens
+even keek hij door de takken, waar toch wel het mooie "eekhoornhondje,"
+zooals hij het noemde, gebleven was.
+
+"Leni en Hansje zullen al wel bij vrouw Pruim zijn," zei pa na een
+half uurtje. "Wij hebben, geloof ik, een omweg gemaakt. Zij zullen
+wel ongeduldig worden en niet begrijpen, waar wij blijven."
+
+Maar toen allen bij vrouw Pruim kwamen, zagen ze Leni en Hansje
+nergens.
+
+"Leni zal in den stal zijn om haar zieke geit op te zoeken," zei vader
+lachend. "Ga haar en Hans maar eens vertellen, dat wij er al zijn,
+dan zal ik ondertusschen voor jullie een glas melk bestellen."
+
+"Ze zijn nergens," zei Nel, terugkomende.
+
+"Nergens? Nu nog mooier. Den eenen dag verdwalen de logé's op het
+dak en een paar dagen later verdwaalt Leni op de hei."
+
+"Ze konden toch al lang hier zijn," zei moeder.
+
+"Hoe is 't mogelijk, die Leni, die altijd zoo goed den weg weet."
+
+"Ze zal wel weer achter een vlinder of hagedis zijn gaan loopen,"
+zei Nel.
+
+"Ik wou toch, dat ze er maar vast waren," zei moeder. "Ik ben er niet
+zoo heel gerust op."
+
+"Ja," zei Dolf lachend, "als ze achter een hagedis aanloopt, moeder,
+dan zal u ze wel niet zoo gauw terugzien. Maar daar komen ze, daar
+komen ze. Ik zie ze heel in de verte."
+
+Ja, werkelijk, heel in de verte zag men twee kinderen langzaam
+naderkomen.
+
+"Waarom loopen ze toch niet vlugger, ze zien ons toch wel zitten. Als
+'t niet zoo "onmogelijk" warm was, liep ik ze te gemoet," zei Door.
+
+"Dat dient nergens toe, kindje. Ja, 't is verbazend warm. De lucht
+ziet er werkelijk uit, of we onweer zullen krijgen, 't Is te hopen,
+dat de bui nog maar wat uitblijft," zei mijnheer Van Brakel.
+
+"Ik zal maar vast de boterhammen ronddeelen, want er zullen wel leege
+magen zijn en die twee laatkomers zullen ook wel trek hebben."
+
+"Hier zijn de schuldigen," zei Nel, die Leni en Hans toch te gemoet
+geloopen was en nu met beiden voor mevrouw Van Brakel stond.
+
+"Maar kinderen, wat hebben jelui uitgevoerd!" riep mevrouw Van Brakel
+verschrikt, de natte kleeren van Hans ziende.
+
+Allen zetten groote oogen op.
+
+"Wat is er gebeurd?" riepen Dolf en Door.
+
+"Dit jongetje," zei Nel, op den snikkenden Hans wijzende, "was op eens
+heelemaal vergeten, dat hij een jongen was en dacht, dat de kikker
+daar ginds in den plas zijn broertje Bob was. En toen hij zag, dat
+zijn kikkerbroertje alle moeite deed om een mug te vangen, dacht hij:
+stumpertje, ik zal jou wel even helpen, en flap, daar lag hij voorover
+in den plas en toen begreep hij wel wat laat, dat hij geen kikker,
+maar Hansje Pansje was."
+
+"Klein, dom Hansje, dacht je, dat je een kikker geworden was," lachte
+mijnheer Van Brakel.
+
+Hans schudde heftig zijn hoofd.
+
+"Dacht jij, dat ik in een kikker omgetooverd was?" vroeg Bob lachend.
+
+Nog heviger ging Hansjes bolletje.
+
+"Hansje dacht," zei mevrouw Van Brakel, "dat een bad op zoo'n warmen
+dag wel frisch zou zijn, maar hij vergat zijn kleeren uit te trekken."
+
+"Ik kon het heusch niet helpen," zei Leni, half schreiende, "maar ik
+zag een klein vogeltje, dat o zoo akelig deed. Ieder oogenblik dacht
+ik, dat het dood neer zou vallen, en juist toen ik het wilde grijpen,
+vloog het, roef! naar boven in een boom. En toen ik omkeek, zag ik
+Hans in den plas liggen. Ik heb hem toen dadelijk aan zijn arm er
+uit getrokken."
+
+"Dat vogeltje was een kleine grappenmaker," zei vader. "Dat heeft jou
+leelijk gefopt, meisje; want het was zoo gezond als een visch. Maar zal
+ik je eens wat vertellen? Het was bang, dat jij zijn nestje zoudt zien,
+waarin zijn kindertjes zaten daar in de buurt, en toen dacht het: als
+dat meisje naar mij ziet en met mij meeloopt, kan ze mijn kleintjes
+niet vinden. En toen jij ver genoeg van zijn nest verwijderd was,
+vloog hij op en lachte je in zijn vuistje uit. Droog nu maar gauw je
+tranen, kleine meid. Zoo'n bad zal Hans geen kwaad gedaan hebben. Nel
+kan nu wel eens hooren, of vrouw Pruim ons misschien ook droge kleeren
+kan leenen van een van haar jongens. Gerrit of Piet zullen wel iets
+hebben, dat Hansje past."
+
+"Een jasje en een paar klompjes van onzen Dirk kan dat jongetje best
+aanhebben. Kom jij maar mee, hoor," zei vrouw Pruim tot Hans, "dan
+zal ik je die spulletjes gauw aantrekken." Maar Hans had hierin in
+'t geheel geen lust, tot eindelijk mevrouw Van Brakel meeging.
+
+Een hartelijk gelach weerklonk, toen Hans na een tien minuten als
+boertje met lange broek en klompen aan weer in den tuin verscheen.
+
+"O, "onmogelijk" leuk, onmogelijk," gilde Door. Hans kreeg nu ook
+pret in 't geval, stak zijn beide handen in de zakken, zoodat ze
+wijd uitstonden, draaide zich om en om en liet zich van alle kanten
+bekijken.
+
+"Nu, wat zegt ge nu?" lachte vrouw Pruim, "heb ik niet een aardig
+Pruimpje van je gemaakt?"
+
+"Och, zoo'n aardig Pruimpje," schaterde Dolf.
+
+"Maar nu zijn we geen tweelingen meer," riep Bob met een grappig
+ongelukkig gezicht. "Hoe moet dat nu, tante?"
+
+"Dat is niets, ventje," zei mevrouw Van Brakel, "vanavond zijn jullie
+weer tweelingen in je hanssopjes."
+
+Foxje was door al die luidruchtigheid ook heelemaal van streek en
+holde van den een naar den ander.
+
+Na een half uur werd de terugtocht ondernomen en toen Hansje moe
+werd van 't ongewone loopen op de klompjes, werd hij bij Frits in
+de sportkar gezet, 't Was nog een heele wandeling en bij de greppel
+gekomen, werd er halt gehouden. Door beweerde, dat ze "onmogelijk"
+verder kon en allen hadden behoefte eens heerlijk uit te rusten met
+die warmte. Dolf ging languit op de hei liggen en Fox hield trouw de
+wacht bij zijn vriendje.
+
+"Nu maar weer opgemarcheerd," zei mijnheer Van Brakel na een
+kwartiertje. "Ik ben anders bang, dat we niet voor de bui thuis
+zullen zijn!"
+
+'t Was duidelijk, dat Julia blij was, toen haar vrindjes en
+vriendinnetjes weer thuis waren. Ze deed niets dan langs de deurposten
+strijken en zacht miauwen en duwde haar aardig kopje dan tegen dezen,
+dan tegen dien aan.
+
+"Stil nu, stil nu," zei Door troostend. "Wat wil je toch, Julia? Wacht,
+ik geloof dat er nog een kaakje in den zak is overgebleven. Dat krijg
+je tot "welkom thuis" en morgen zullen we spelletjes doen; maar als
+je te veel naar de vogeltjes kijkt in plaats van op te letten dan
+neem ik mijn boek en ga in een hoek onder den treurboom lezen, hoor!"
+
+"Ziezoo, het klokje van gehoorzaamheid voor allen, groot en klein. Een,
+twee, drie naar bed. 't Is een vermoeiende dag geweest."
+
+"Ik kruip alléén onder 't laken," zei Leni.
+
+"En ik," riepen Dolf en Nel.
+
+"Och, moezekepoes, wat is 't warm!"
+
+"Door en Nel, jullie zorgt wel voor onze logé's, niet waar?"
+
+"Ja zeker, moeder; ik zeg dan: hocus, pocus pas, 'k wou, dat
+ons boertje weer Hansje was, en dan ..." lachte Nel.
+
+"Trekt Hans gauw zijn hanssopje aan," zei Bob. "Dan zijn we weer
+tweelingen."
+
+"Nacht vader, nacht moeder!"
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+TWEE KNAPPE HUISHOUDSTERS.
+
+
+"Kinderen, moeder is vanmorgen met hoofdpijn in bed blijven liggen,"
+zei mijnheer Van Brakel eenige dagen later. "Jullie moet Kee nu
+maar een beetje helpen en vooral niet te veel leven maken, 't Is wel
+vacantie, maar..."
+
+"Dat treft juist heel goed," zei Door geruststellend. "Ik zal-wel
+voor de boterhammen zorgen en thee schenken. Nel kan dan--ja, Nel,
+wat zul jij doen?"
+
+"'k Zal het Kee eens vragen," zei Nel. "Deze boontjes moeten afgehaald
+worden, dat vind ik wel een leuk werkje. Leni kan mij wel wat helpen,"
+en vol ijver wilde Nel dadelijk al beginnen.
+
+"Och, Nel, help jij Fritsje even met zijn boterham. Laat die boontjes
+maar staan tot na 't ontbijt."
+
+"Zou ik ze dan nog wel klaar krijgen? Kee zei: ""asjeblieft een portie
+voor een kazerne."" Nu, dat kan nogal, dunkt me."
+
+"Zoo? Zei ze dat? Maar je moet mij nu toch even helpen. Het botermesje
+ben ik kwijt," en Door tilde alle bordjes op, keek onder het theeblad,
+op den stoel. "O, daar is 't gelukkig al. Waar zijn de tweelingen en
+Leni? Wil je even kijken?"
+
+"Fritsje een glaasje melk, Door," vleide de kleine jongen.
+
+"Ja, ja, kleine snoes, dadelijk, 'k heb 't zoo druk.
+
+Och, Nel! Nel! Nè-èl! Hè, waar is ze nu weer?" zei Door in zich
+zelf. "Waarom loopt ze nu juist weg? Ze kan toch wel begrijpen...."
+
+"Ze waren in den tuin," zei Nel, met de tweelingen terugkomende.
+
+"Wie waren in den tuin?"
+
+Nel proestte het uit. "Wie anders dan Bob en Hans. Je zei immers:
+ik zou ze zoeken."
+
+"Dat is waar ook; maar geef jij Frits even zijn kroes met melk, ik kom
+niet klaar. Wacht, even tellen: Vader, Dolf, Nel, Leni, de tweelingen,
+dat is--dat is zes. Hoeveel sneetjes zou ik snijden? Hoeveel eet jij?"
+
+"Ik heb trek," zei Nel.
+
+"Nu ja, daar heb ik niets aan. Hoeveel sneetjes eet je dan, àls je
+trek hebt?"
+
+"Twee."
+
+"En Dolf, denk je?"
+
+"Wel drie."
+
+"En vader?"
+
+"Ook wel zooveel."
+
+"Acht," telde Door. "En Leni?"
+
+"Ja, dat weet ik niet."
+
+"Leni, Leni!" riep Door, met in de eene hand het mes en de andere
+het brood.
+
+"Natuurlijk, Leni is weer bij het kippenhok. Hoeveel?" riep Door,
+'t brood in de hoogte houdende.
+
+"Vier," riep Leni terug.
+
+"Vier, hoe is 't mogelijk," zei Door, "dat is dus twaalf."
+
+"Och," zei Nel, "waarom vraag je dat toch alles; dat doet ma nooit."
+
+"Ma wéét, hoeveel ieder zoowat eet, maar ik niet. Zou jij ooit gedacht
+hebben, dat Leni vier sneetjes at?"
+
+"En dan zegt ze nog wel, dat ze in de vacantie nooit trek heeft,"
+lachte Nel.
+
+"Bob en Hans ieder eentje, dat is veertien," telde Door. "Nu Kee
+nog. Ik hoop maar niet, dat ze al te grooten honger heeft," zei ze
+met een kleur van inspanning, "want 't mes is zoo akelig stomp. Help
+jij vast smeren."
+
+"Kee!" riep ze, nu haar hoofd in de gang stekende. "Hoeveel?"
+
+"Hoeveel?" riep Kee verwonderd terug. "Gewoonlijk driehonderd, maar
+nu nog vijftig meer." Door proestte het uit.
+
+"O, neen, maar Nel, hoe vind je die Kee?" verder kwam Door niet.
+
+"Wat zegt Kee?" vroeg Nel, lachend om Door.
+
+"Toe, zeg het nu," zei Nel ongeduldig, omdat Door maar blééf lachen.
+
+"Verbeeld je, Kee zegt ""gewoonlijk--,"" weer proestte Door 't uit.
+
+"Hè toe, wees nu niet zoo flauw," zei Nel half boos, half lachend.
+
+"Kee zegt," zei Door nu, haar best doende zich verstaanbaar te maken:
+"gewoonlijk driehonderd en nu nog vijftig meer," wéér gierde Door. "O,
+nee, maar Nel, wat zou ze meenen? Gewoonlijk driehonderd en nu nog
+vijftig meer; zeker, omdat ik een stomp mes heb!"
+
+Nel, die juist Frits hielp, gutste door het lachen de helft van de
+melk over het kroesje. "Ik begrijp het," schaterde ze. "Ze bedoelt
+de slaboonen."
+
+"'t Is prachtig! Eenig! Stel je voor: driehonderd vijftig sneetjes
+met een stomp mes."
+
+"Hoeveel _boterhammen_?" riep Door gierend terug.
+
+"Wie kan dat nou ook denken," zei Kee goedig; "drie, maar als ik
+haast heb twee. En ik heb nu haast."
+
+"Dat is--hoeveel had ik ook weer?"
+
+"Veertien," hielp Nel.
+
+"Dat is dus zestien en ik zelf. Ja, 'k hèb honger, maar ook haast,
+net als Kee, dus ook maar twee. Kom, nu zal ik de rest smeren. Wat is
+zoo'n huishouding toch "onmogelijk" druk," zei ze, Fritsjes boterham
+in smalle reepjes snijdende. "Je komt gewoon niet klaar."
+
+"Ziezoo, daar ben ik weer," zei mijnheer Van Brakel. "Ik zie wel,
+dat je goed voor allen gezorgd hebt."
+
+"Leni, kom nu toch, we zijn allen klaar," riep Nel; "je boterhammen
+zijn gesmeerd."
+
+"Ja, ik kom dadelijk, ik moet even de eieren naar de keuken
+brengen. Zijn al die boterhammen voor mij?" vroeg ze, verbaasd naar
+haar bordje kijkende.
+
+"Ja, natuurlijk," zei Door. "Ik heb je immers gevraagd, hoeveel je
+hebben wou? Je eet nu maar op, wat op je bordje ligt."
+
+"Maar ik _heb_ niet gezegd, dat ik er vier wou hebben," zei Leni,
+wanhopig naar den berg boterhammen kijkende. "Zoo veel eet ik nooit."
+
+"Wat is er toch, kinderen?" vroeg mijnheer Van Brakel.
+
+"Och, vader, ik was aan het brood snijden, en omdat ik niet graag meer
+wilde snijden dan noodig was, vroeg ik Leni, die natuurlijk weer bij
+de kippen was: "hoeveel?"
+
+"En toen?"
+
+"Toen riep ze van vier, dus...."
+
+"En vier kon _on_mogelijk iets anders zijn in Doors oogen dan sneetjes
+brood; zoo'n huishoudstertje," lachte vader.
+
+"Nu begrijp ik het," zei Door, "vier kon bij Leni _on_mogelijk iets
+anders zijn dan eieren."
+
+"Of kippen," zei Nel.
+
+"Dus kippeneieren," lachte Dolf. "Wat wil jij, Julia, kleine
+vleister! Bob, zij wil, geloof ik, dolgraag een stukje van jouw
+boterham hebben."
+
+"Nu zou ik toch eigenlijk wel graag een kopje thee willen hebben,"
+zei vader.
+
+"O wee, ik vergeet heelemaal in te schenken. Ma heeft misschien ook
+wel trek in een kopje. Leni, wil jij eens even vragen?"
+
+"Wat is dat?" riep Door verschrikt uit. "Er komt water uit de tuit,
+alléén water. En ik weet toch zeker, dat ik thee in den pot heb
+gedaan."
+
+"Misschien gebeurt zoo iets in de vacantie wel meer," zei vader.
+
+"O, neen, paatje," zei Door, die wel begreep dat mijnheer Van Brakel
+haar plaagde, "'t Is toch heusch waar. Ik heb het theebusje in de
+hand gehad, ik weet het zeker."
+
+"Ja, je hebt met thee zetten gedaan als met de vraag aan Leni over
+de boterhammen. Je vroeg hoeveel, en het voornaamste vergat je."
+
+"Ja, maar het theebusje," begon Door verdrietig, "waar is dat dan
+toch gebleven. Ik zie het hier niet staan en toch...."
+
+"Ik heb het, ik heb het!"
+
+"Waar?" vroeg Door.
+
+"Hier, onder het deksel van het botervlootje," zei Nel.
+
+"Ik ben blij voor jou, dat het busje er weer is. Ik zal nu voor dezen
+morgen maar een glas melk nemen; want het wordt mijn tijd."
+
+"Nu, paatje," zei Door, die het heel onpleizierig vond, dat haar
+theeschenken zoo treurig afliep, "dan schenk ik u vanmiddag een extra
+lekker kopje."
+
+"Water of thee?" lachte vader.
+
+"Wat is u toch een plaaggeest!"
+
+"Ik op 't lage stoeltje!" riep Nel een kwartier later en rende naar
+het priëel zoo vlug ze kon, met de teil met prinsessenboonen voor
+zich uit. "Jullie moet mij allen helpen. Dolf, haal jij even een
+paar couranten voor de draden en een grooten bak voor de afgehaalde
+boonen. Leni kan die boonen mooi doormidden breken. De tweelingen en
+Fritsje kunnen met hun drietjes in den tuin spelen, wij hebben daarvoor
+nu geen tijd. Er kan hun geen ongeluk overkomen. Fox, hier oude jongen,
+breng dit boek eens naar binnen, dat heeft zeker iemand hier gisteren
+weer laten liggen, je weet wel, wie ik bedoel. Fox sprong en blafte,
+dat Bob de vingers in zijn ooren stak. "Fox, apporte, bedaar nu,
+apporte," gebood Nel en toen nam de dartele, vroolijke Fox heel gedwee
+het boek in zijn bek en ging er mee naar binnen.
+
+"Allo, marsch," riep Kee en toen stoof Fox de trap op naar Doors kamer.
+
+Bob, Hans en Frits hadden het al even druk met hun drietjes als de
+kleine huishoudsters.
+
+"Dat is Asschepoes," legde Hans aan Bob en Frits uit, terwijl hij
+bij het kippenhok stond, "en dat Snoetie. Kijk die kuikentjes toch
+eens. Ik wou wel zoo'n kuikentje in de hand hebben."
+
+"Ik ook wel," zei Bob. "Misschien zouden ze 't wel prettig vinden,
+als ze ook eens door den tuin mochten wandelen," opperde hij.
+
+"Ja," zei Hans, "en die arme Asschepoes zeker ook. 't Is toch ook
+niet prettig, altijd in zoo'n hok te zitten."
+
+"Mag Frits ook een kuikentje hebben, zoo'n lief kuikentje?" en hij
+trappelde al van ongeduld.
+
+"Is er ook een deurtje om in 't hok te komen?" onderzocht Hans.
+
+"Hier is een deurtje," zei Frits, die Leni dit dikwijls had zien
+openen.
+
+"Wat een kleintje," lachte Bob.
+
+"Ja, dit is eigenlijk 't kippenhuis. Laten we spelen, dat wij kip
+zijn," stelde Bob voor, "en Frits een kuikentje."
+
+"Neen," zei Hans, "ik ben Slokop en jij Asschepoes en dan vecht ik
+met jou."
+
+"Fritsje vindt het toch niet zoo heel prettig in dit huisje," zei
+Frits, angstig naar den haan kijkende.
+
+"Dat hoort ook zoo," zei Bob. "Kuikentjes vinden 't ook niet prettig
+in een hok. Kijk eens, daar loopen warempel al twee op 't gras. Kijk
+Asschepoes eens en de haan. En Snoetie en Toetie!"
+
+Voorzichtig stapte hij 't hok binnen, wel een klein beetje bang,
+toen eenige kippen begonnen te fladderen. Maar dat wilde hij voor
+Hans en Fritsje niet weten en liep daarom moedig verder.
+
+"Ze vinden het, geloof ik, niet goed, dat wij in hun huis komen,"
+en eigenlijk had Hans wel grooten trek om dadelijk weer terug te
+keeren, maar toen hij Bob zoo dapper voort zag stappen, wilde hij
+niet minder zijn.
+
+"Nu is er geen meer in 't hok! Hoe leuk," riep Hans, "nu doen we
+het deurtje dicht!" Maar juist had Hansje dit gezegd, toen er een
+doordringende gil van Leni te gelijk met een nog doordringender van
+Door weerklonk; want de kippen, krielkipjes en kuikentjes genoten zoo
+buitengewoon van hun vrijheid, dat ze uit puur pleizier steeds verder
+waren getrippeld tot aan 't priëel, waarin allen zoo ijverig bezig
+waren, dat ze Bob en Hans geheel hadden vergeten. Tot op eens Toetie
+met haar kleine kraaloogjes om 't hoekje kwam kijken en de haan zijn
+blijdschap over de heerlijke vrijheid niet beter wist uit te drukken,
+dan door een krachtig kukeleku vlak bij Leni's oor te laten hooren.
+
+"De haan! de kippen! de kuikens!" klonk het van alle kanten. Door viel
+bijna over den bak met slaboonen. "Wie is bij 't kippenhok geweest?"
+
+Leni sprong op en Nel zat als versteend.
+
+Fox, die rustig had liggen slapen, was op eens klaar wakker en pas
+zag hij de niets vermoedende kuikentjes, of hij wilde er op af,
+als Dolf hem niet met geweld bij den halsband vastgehouden en in
+huis gezet had. Nu werd het een jagen van alle kanten. Tot driemaal
+toe vloog Asschepoes angstig kakelend over het bed met viooltjes en
+de kleine kuikentjes trippelen nù voor, dàn achteruit, in 't geheel
+niet begrijpend, wat er van hen verlangd werd.
+
+"Niet zoo wild, niet zoo wild," riep Door, "dan kunnen we ze onmogelijk
+krijgen. O wee, daar heb je Julia. Nel, jaag haar weg." Julia was
+blijkbaar over dezen daad van Nel zóó diep beleedigd, dat ze, zonder
+Nel ook maar met één blik te verwaardigen, rechtsomkeert maakte om
+boven op de schutting haar toilet, waarmee ze te voren zoo ernstig
+bezig was geweest, te voltooien.
+
+"Ssst, voorzichtig, daar zit een krielkipje onder die struik. Dolf,
+ga jij hier staan, dan jagen we het er voorzichtig onder uit."
+
+"Och, kijk toch die kuikentjes, ze vallen bijna over hun eigen
+pootjes," zei Leni.
+
+Op eens schaterde Dolf het uit. "O neen maar, kijk toch eens, kijk
+eens. Bob, Hans en Fritsje in het kippenhok!"
+
+Allen waren, al jagende, nu ook het kippenhok genaderd en
+niettegenstaande de groote verwarring door de "kippenoverstrooming",
+zooals Dolf zei, ging er toch een uitbundig gelach op, toen ze de
+drie kereltjes in het kippenhok zagen met hun neusjes stijf tegen
+'t gaas gedrukt, vol belangstelling voor de kippenjacht.
+
+"Nu nog mooier," zei Nel. "Willen jullie wel eens één, twee, drie,
+uit het hok komen? Zoolang jullie nog Bob en Hans bent, hooren jullie
+niet in een kippenhok."
+
+"We dachten, dat de kippen het heel prettig zouden vinden in den tuin,"
+zei Bob.
+
+"Misschien vinden ze dat ook wel, maar kuikentjes en kippen zijn nog
+maar domme dieren en weten niet, dat ze niet aan de bloemen mogen
+pikken; daarom vinden wij het in het geheel niet prettig, dat ze in
+den tuin zijn. Ze zouden onzen mooien tuin heel gauw leelijk maken
+en dat willen jullie toch zeker ook niet. Ziezoo, blijf hier nu maar
+even stil staan, dan zullen wij ze voorzichtig in het hok jagen."
+
+Bob en Hans stonden wel wat bedrukt te kijken.
+
+"Fritsje vond het niets prettig om kuikentje te spelen," zei Frits,
+blij, dat hij uit het hok was.
+
+"Neen, ventje, dat is ook niet prettig, tenminste voor jongens niet."
+
+Eindelijk waren alle kippen weer in 't hok. Zelfs de haan, hoewel de
+laatste van de geheele familie stapte deftig de voordeur van zijn
+huis binnen en begon dadelijk te pikken van enkele graankorrels,
+die op den grond lagen, met een gezicht en een deftigheid, alsof hij
+niet even te voren zoo ondeugend zijn huis ontvlucht was.
+
+"Goeden middag!" hoorden de kinderen zeggen.
+
+"O, moesje, is u weer beter?"
+
+"Wie zou nu lang in bed kunnen blijven met zulk prachtig weer,"
+lachte mevrouw Van Brakel.
+
+"O, moes, 't is eigenlijk jammer, dat u nu pas komt. Als u even eerder
+gekomen was...."
+
+"'k Heb alles van het balcon gezien," zei moeder, "en ik geloof,
+dat ik het restje hoofdpijn weggelachen heb."
+
+"'t Was eigenlijk "onmogelijk" leuk," zei Door.
+
+"De slaboonen zijn klaar, maatje."
+
+"Jullie bent maar een paar knappe huishoudsters. En daar ben ik wat
+trotsch op, hoor!"
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+EEN AVONTUUR.
+
+
+"Hier heb ik de kleeren, die we voor Hans geleend hebben; die konden
+jullie zoo meteen wel eens naar vrouw Pruim terugbrengen, 't Is er
+juist zoo'n heerlijke dag voor," zei mevrouw Van Brakel. "Fritsje
+blijft bij mij thuis, dan behoeft de sportkar niet mee, want Hans zal
+nu toch voor de tweede maal wel niet in een plas vallen en naar huis
+gereden moeten worden," lachte ze. "Kijk eens, Nel, koop hiervoor
+wat chocolade voor de drie jongens van vrouw Pruim en hiervoor mag
+je voor jullie zelf eene traktatie koopen, omdat het vacantie is."
+
+"Dat treft goed," riep Door opspringende, terwijl ze het boek, waarin
+ze zat te lezen, neergooide, "ik dacht juist: wat zal ik nu eens doen
+en daar komt u met zoo'n heerlijk plannetje."
+
+"Weet jullie wat," zei Nel, "ik ga vast vooruit met Hans en Bob om
+iets te koopen, jullie komt ons dan wel na."
+
+"Wat gaan we koopen?" vroeg Hans.
+
+"Ja, dat weet ik niet, dat mogen jullie nu eens bedenken," zei Nel,
+die het wat gewichtig vond, dat haar de inkoopen waren opgedragen. "We
+moeten iets hebben voor Dirk, Piet en Gerrit."
+
+"Ik weet wel iets: een chocolade-sigaar," zei Hans.
+
+"Een chocolade-tol is veel mooier," vond Bob.
+
+"Dat vind ik allebei heel aardige dingen; als ik nu maar wist, wat
+de jongens 't mooist vinden. Ziezoo, hier moet we zijn," zei Nel en
+stapte met de beide jongens een winkel binnen.
+
+
+ Voeten vegen, wat verdriet,
+ Zien jelui die mat daar niet?
+
+
+werd er op eens geroepen. Nel kreeg een kleur als vuur, gluurde overal
+rond, maar zag niemand. Bob en Hans wisten ook niet, wat ze er van
+denken moesten, maar alle drie deden gewillig wat hun bevolen werd.
+
+
+ Doe de deur toch dadelijk toe,
+ Hoor, hoe 'k hoest, aehoe! aehoe!
+
+
+"De deur is dicht," zei Nel, niets op haar gemak. Maar tegenover Hans
+en Bob wilde zij zich groot houden.
+
+"Wie zou dat toch zeggen?" fluisterde Hans. "Ik zie niemand." En
+hij ging op zijn teenen staan om zoo ver mogelijk om zich heen te
+kunnen kijken.
+
+
+ Houd op, houd op, ik lach mij ziek,
+ 'k Heb in mijn poot zoo'n rheumathiek
+
+
+werd er toen geroepen en daarop klonk een schaterend lachen, zóó
+vroolijk, dat Nel, Hans en Bob het mee uitproestten. Toen ging op
+eens achter de toonbank een deur open en een dame met een vriendelijke
+stem zei: "Neem me niet kwalijk, jongejuffrouw, dat ik u zoo lang liet
+wachten, maar ik werd juist even opgehouden. Waarmee kan ik u dienen?"
+
+"Ik, ik".... Nel schaterde het weer uit. "Hebt u--ook."--Weer een
+lachbui. "O, juffrouw, neen, ik kan 't niet zeggen."
+
+Bob en Hansje keken dàn naar Nel, dàn naar de juffrouw en deden ook
+niets dan lachen.
+
+"Ik begrijp niet"--zei de juffrouw, nu ook lachende, "werkelijk
+niet"....
+
+"Ik wou graag," begon Nel, die alle moeite deed zich goed te houden,
+"ik wou graag"....
+
+"Ha, ha, nu begrijp ik, wat er gebeurd is," zei de juffrouw. "Toddy,
+de raaf, is zeker aan 't woord geweest."
+
+"Was het geen mensch, was het een raaf?" vroeg Nel hoogst
+verwonderd. "Hoe is 't mogelijk? Och toe, mogen wij hem eens zien?"
+
+"Kom dan maar mee," was het lachend antwoord.
+
+"Kijk, hier is hij."
+
+Nel en de tweelingen raakten niet uitgekeken.
+
+"Kan hij nog meer praten?" vroeg Nel opgetogen.
+
+"O zeker," zei de juffrouw, "maar hij wil niet altijd. O, 't is
+zoo'n deugniet."
+
+"Niet waar, niet waar!" riep de vogel terug.
+
+"Jammer, dat de anderen hier niet zijn," zei Nel; "mag ik eens
+even kijken, of ze komen, juffrouw? Leni zou de raaf zoo dolgraag
+eens zien."
+
+"Zeker hoor, als je denkt, dat ze het aardig vinden."
+
+Nel stoof den winkel uit en kwam niet lang daarna met Door, Leni en
+Dolf terug. Nel had onderweg het geheele verhaal al gedaan.
+
+"Klontje," zei Toddy en klopte met zijn snavel tegen de kooi.
+
+"Dat kun je begrijpen," zei de juffrouw lachend.
+
+"Och toe, juffrouw, mogen we hem iets geven?" vroeg Leni.
+
+"Dan moet hij er eerst om bedelen." Toen Toddy 't woord "bedelen"
+hoorde, begon hij uit alle macht tegen de tralies te tikken, nam
+een smeekende houding aan, door zijn kop schuin te houden, en riep:
+"Och toe, och toe," wat zóó grappig klonk, dat allen het uitgierden.
+
+"Nu mag jullie hem een stukje borstplaat geven," zei de juffrouw.
+
+Hans durfde niet en Bob was wel bang, dat de raaf hem in de hand zou
+pikken, maar toch gaf hij het hem.
+
+"Zit hij altijd in die kooi?" vroeg Hans.
+
+"Wel neen, hij komt er dikwijls uit."
+
+"Nu moeten we gaan," zei Door eindelijk.
+
+Leni had grooten lust te blijven.
+
+"Ik zou warempel mijn boodschappen nog vergeten," zei Nel. "Hebt u
+ook chocolade-tollen, juffrouw?"
+
+"Kijk eens, hoe vind je deze?" vroeg de juffrouw, terwijl ze er één
+van chocolade en één van suiker liet zien.
+
+"Beeldig, geeft u beide maar en dan nog een chocolade-sigaar." En
+toen Nel ook een zakje met lekkers gekocht had, ging het geheele
+gezelschap weer op stap, nadat de juffrouw hen uitgenooodigd had eens
+spoedig terug te komen. "Toddy vindt het heerlijk, visite te krijgen
+en ikzelf ook."
+
+"Zullen we heengaan over de hei en terug over 't land Van der
+Pol?" stelde Door voor.
+
+Dat was best.
+
+"Daar zie ik het huis al," zei Leni na een poosje; "nog vijf
+minuten--en we zijn er."
+
+"Wel, komen jullie daar allen aangestapt? Dat is aardig," zei vrouw
+Pruim. "Kom maar binnen, kom maar binnen."
+
+"Neen, vrouw Pruim, wij willen hier buiten liever een beetje
+uitrusten. We komen je 't pakje van Dirk terugbrengen en moeder
+bedankt je vriendelijk."
+
+"Ja ja, 't is goed, 't is goed," zei vrouw Pruim.
+
+"Waar zijn Dirk, Piet en Gerrit? We hebben wat voor hen meegebracht,"
+zei Nel.
+
+"Dat had je toch niet moeten doen. Daar komen ze juist aan," zei
+vrouw Pruim en wenkte hen uit alle macht.
+
+"Kijk eens," riep Nel en hield drie pakjes in de hoogte, "in ieder
+pakje zit iets lekkers voor jullie, dat lijkt je zeker goed toe."
+
+De jongens bleven verlegen staan.
+
+"Gerrit, raad eens, wat ik hier heb?" zei Nel, een pakje in de hoogte
+houdende.
+
+"'k Weet niet," zei Gerrit verlegen.
+
+"Je moet raden," zei vrouw Pruim, lachend.
+
+Gerrit haalde de schouders op, durfde niets zeggen.
+
+"Ik zal je een handje helpen," zei Dolf.
+
+
+ "Ik sta met één poot op den grond
+ En draai daar vroolijk op in 't rond.
+ Hoe meer men mij sla,
+ Hoe vlugger ik ga."
+
+
+"Wat "onmogelijk" leuk," riep Door. "Dolf, hoe heb je dat zoo goed
+bedacht?"
+
+"Stil, laat Gerrit raden."
+
+"Ik, ik weet het niet," zei Gerrit.
+
+"Een tol," raadde Piet met een hoogroode kleur.
+
+"Bravo!" riep Nel, "die is voor jou, je hebt hem eerlijk verdiend. En
+nu heb ik hier nog iets. Dirk en Gerrit, nu ben jullie aan de
+beurt. Toe, Dolf, jij bent in het raadseltjes opgeven zoo knap. Bedenk
+nog eens wat."
+
+"Als jullie een oogenblikje geduld hebt," zei Dolf; "want opeens
+zoo'n versje te maken, is zoo gemakkelijk niet. Wacht, ik weet al iets:
+
+
+ "Ik ben bruin en rond,
+ 'k Hoor in den mond.
+ Maar blijf ik daar een langen tijd,
+ 't Is zeker, dat ik steeds meer slijt,
+ 'k Ben bruin en rond en dik,
+ Nu raad eens, wie ben ik?"
+
+
+"Leuk, leuk!" juichte Door weer. "Nu, Gerrit, bedenk jullie je goed."
+
+"Een sigaar," zei Gerrit na een poosje.
+
+"Knap geraden, als je blieft. Je weet nu," zei Nel lachend, "'k hoor
+in den mond, maar blijf ik daar een langen tijd, 't is zeker, dat ik
+steeds meer slijt."
+
+"En nu nog voor onzen Dirk, die zullen we maar niet laten raden,
+want dat heeft Piet al voor hem gedaan. Voor Dirk ook een tol."
+
+'t Was aardig, de gelukkige gezichten te zien.
+
+"En als jullie nu niet te moe meer bent, moet je toch eens even
+in de schuur komen kijken, daar is iets aardigs te zien," zei
+vrouw Pruim. Dat werd aan geen doovemansooren gezegd. Leni holde
+vooruit. "Nu héél stil zijn," vermaande vrouw Pruim, "wacht, ik zal
+maar eerst gaan. Kijk eens," zei ze, toen ze eerst een paar kippen,
+die daar liepen, had weggejaagd, en wees naar een groote ronde mand,
+waarin Mollie, de poes, lag met vijf aardige, gele kuikentjes, die
+gedeeltelijk van onder haar zachte vacht zichtbaar waren.
+
+"Wat is dat? Mollie met...!" Leni kon geen woorden vinden om hare
+verwondering uit te drukken. Door en de anderen waren ook verstomd
+over hetgeen zij zagen.
+
+"Maar--maar doet Mollie ze geen kwaad?" vroeg Nel angstig.
+
+"Wij vonden de kloek op een morgen dood in den tuin liggen," zei
+vrouw Pruim, "en Mol lag op 't grasveld in de zon te slapen; toen
+zijn de kuikentjes onder haar gekropen; ze keek eerst wel vreemd,
+maar liet ze toch begaan. 't Was, of ze voelde, dat ze bij haar
+bescherming zochten en sedert dien tijd koestert zij ze zooveel
+mogelijk. Is het niet aardig? Stil maar Mol," zei ze tegen de poes,
+die naar het scheen onrustig werd, omdat allen om haar heen stonden,
+"blijf maar kalm liggen, we gaan dadelijk weg."
+
+"Wat vind ik dat toch een lieve poes," zei Hans. "O, Bobbie, als Jaap
+hier eens was."
+
+"Neen, zoo iets heb ik nog nooit gezien," fluisterde Door.
+
+"'t Is snoezig," zei Leni verrukt, "snoezig."
+
+"'k Zie Julia al zoo met onze kuikentjes," zei Nel.
+
+"Mollie was ook zoo'n trouwe moeder voor haar eigen poesjes. Weet
+je nog wel," zei Door, "hoe ze de kleine zwarte likte, die door Trim
+gebeten was?"
+
+"Kom, kinderen," zei vrouw Pruim, "je moet nu allen maar in den tuin
+gaan, ik ben anders bang, dat Mollie van de kuikentjes wegloopt."
+
+"'t Wordt ook onze tijd," zei Door, "je zoudt er anders wel zoo'n
+heelen dag naar kunnen blijven kijken."
+
+"Zoo lief moest Julia zijn," vond Dolf.
+
+"Zeg niets van Julia," zei Leni, "al koestert ze geen kuikentjes,
+'t is toch een lieve poes."
+
+"Dat vind ik ook," zei Door.
+
+Na vrouw Pruim en de jongens goeden dag gezegd te hebben, vertrok
+het vroolijke troepje.
+
+Een kwartier later hield Nel den zak met lekkers in de hoogte en riep:
+"Eerst een hartversterking."
+
+"Ja heerlijk, presenteer maar weer eens," zei Dolf.
+
+"Neen, neen, zoo gemakkelijk gaat het niet, jullie moet maar zien,
+dat je iets krijgt," zei ze lachend. Door vloog op Nel af, maar toen
+Nel dit zag, rende ze vooruit en allen achter haar aan.
+
+"Jongens, houdt Nel vast!" riep Dolf.
+
+"Dat kun je begrijpen, zoo gauw laat ik mij niet vangen," hijgde
+Nel. Tot tweemaal toe ontglipte ze Dolf, die haar bij de mouw trachtte
+te grijpen, maar eindelijk moest ze 't wel opgeven en plofte in
+'t gras neer. "Ik kan niet meer, ik kan niet meer," zei ze. "Jullie
+hebt je stukje eerlijk verdiend, kies maar uit."
+
+"Er zit wat in mijn schoen," zei Hans met een ongelukkig gezicht.
+
+"Er zit ook wat in mijn schoen," zei Leni.
+
+"Nu nog mooier!" riep Dolf.
+
+"Ja heusch," zei ze.
+
+"Trek hem dan eens uit," zei Door.
+
+"Neen, want dan is 't er niet meer in," lachte Leni.
+
+"Ze bedoelt haar voet! 'k Wist niet, dat mijn zusje zoo grappig was,"
+zei Nel, haar een kus gevende. "Maar Hans heeft er zeker nog meer in
+zitten dan een voet, die kijkt zoo ongelukkig; kom ventje, trek je
+schoen dan maar gauw uit. Met een hinkelepinkje kunnen we onmogelijk
+de wandeling naar huis ondernemen. Daar hebben we 't al," zei ze,
+een klein steentje weggooiende, "nu maar gauw voortgemaakt." "Toe,
+Nel, presenteer nog eens," zei Leni na een poos, "we hebben al zoo'n
+eind geloopen, we kunnen dan meteen eens zitten."
+
+"Mij goed, kinderen, kom maar hier, "moeder" zal voor jullie allen
+iets heerlijks uitzoeken," zei Nel lachend.
+
+"Dat kan je begrijpen," zei Dolf, "neen hoor, ieder mag zelf kiezen."
+
+"Natuurlijk, natuurlijk," viel Door bij.
+
+"Dan zal ik van mijn zak een hoorn des overvloeds maken," zei Nel en
+schudde het lekkers zoo ver mogelijk naar voren, terwijl ze haar hand
+er als een presenteerblaadje onder hield. "Eerst mogen onze gasten
+kiezen. Die nemen natuurlijk beiden hetzelfde. Tweelingen kunnen
+"onmogelijk" anders."
+
+"Neen," zei Bob, "dat hoeft toch niet. Hans vindt chocoladeboontjes
+met likeur het lekkerst en ik met fondant. We zijn alleen van buiten
+tweelingen."
+
+"Kies jij maar gerust, hoor," zei Nel. "Door weet er niets van. Zij
+zegt altijd zulke "onmogelijk" gekke dingen."
+
+"Nu maar weer voorwaarts marsch," commandeerde Dolf, nadat er een
+tijdje gerust was. "Anders komen we veel te laat thuis."
+
+"Daar is het land al, dat we over moeten."
+
+"Doen die koeien niets?" vroeg Hans, niet erg op zijn gemak bij
+'t vooruitzicht, die te moeten voorbij gaan.
+
+"We zijn al zoo dikwijls hier langs gekomen. Kijk, dat smalle paadje
+gaan we over; als kippetjes loopen we dan achter elkaar aan. Dolf,
+jij moet de haan maar zijn en ons voorgaan."
+
+"Wat een grappig wegje is dit," zei Bob, toen allen op het smalle
+landpaadje liepen.
+
+Een paar koeien keken even met droomerige oogen op, toen ze de kinderen
+zagen, maar graasden toen dadelijk rustig door.
+
+"Fox, hier blijven," beval Dolf, toen de hond vooruit wilde hollen.
+
+"Ik was toch liever niet door 't land gegaan, nu we Fox bij ons
+hebben," fluisterde Door Nel een poosje later in 't oor, "maar zeg
+hiervan niets aan de kleintjes."
+
+Juist had Door dit gezegd of een zwart gevlekte koe, die nog even
+te voren rustig had staan kauwen, deed een paar passen in hun
+richting. Nel stiet een klein gilletje uit. Fox, die zeker voelde,
+dat er iets niet in den haak was, begon te blaffen. Eerst bleef de
+koe staan, alsof zij verbaasd was over het geluid, dat zoo'n klein
+beestje maakte. Maar toen begon zij al vlugger te loopen, naar Fox toe.
+
+"Zij komt op ons af!" gilde Door. "Fox, hier, hier!" En meteen nam ze
+Hans bij de hand en zette het op een loopen. Nel met Bob er achteraan!
+Dolf en Leni, die al een eind vooruit waren, keken bij het hooren
+van het gegil achterom en renden angstig voort.
+
+"O, o!" jammerde Door en wanhopig sleurde ze Hans mee. "Hoe
+vreeselijk!"
+
+"Als we maar eerst bij het hek waren," hijgde Nel. "Ik-ik kan
+bijna--niet meer." Maar voort holde ze, den schreienden Bob
+meetrekkende. Steeds dichter en dichter naderde de koe. Nel hoorde
+het dier vlak achter zich. Ze bestierf het bijna van angst. Op
+eens struikelde ze en sloeg voorover, terwijl ze Bob in haar vaart
+meetrok. Op datzelfde oogenblik hoorde ze roepen: "Hector, pak aan!" En
+even daarna stond een oud, krom boertje over haar heen gebogen.
+
+"Wel, wel, ben je zoo geschrokken?" hoorde ze hem vriendelijk zeggen
+en meteen werd ze voorzichtig opgelicht. "Kom maar mee, hoor, en dat
+kleine ventje ook," zeide hij, den hevig schreeuwenden Bob bij de hand
+nemend. "Hector heeft die leelijke koe, die jullie zoo verschrikt
+gemaakt heeft, bij het touw: Je behoeft niet meer bang te zijn, dat
+ze je zal stooten. Kom maar gauw mee naar mijn huis. Je drinkt een
+frisch glas water en je bent weer heelemaal beter."
+
+"Heb jullie je pijn gedaan?" vroeg Door bezorgd, die met de anderen
+om Nel heen stond.
+
+"Mijn voet doet zoo'n pijn," zei Nel nog schreiend, gedeeltelijk van
+den schrik en gedeeltelijk van de pijn.
+
+"Als je hem maar niet verstuikt hebt," zei Door. "En Bob, waar heb
+jij je bezeerd?"
+
+"Mijn knie," zei Bob, "o, mijn knie doet zoo'n pijn."
+
+"Wel lieve tijd, zijn heele knie geschaafd," zei Door. "Stumperd. Hoe
+komen we met twee zulke invaliden thuis!"
+
+"Moet je nog ver?" vroeg het boertje.
+
+"Nog een half uurtje," zei Dolf.
+
+"Zoo, zoo, dat is geen kleinigheid, dat is geen kleinigheid," herhaalde
+hij hoofdschuddend. "Wil ik je eens wat zeggen? We zullen eerst een
+glas water gaan drinken voor den schrik en dan span ik mijn Bruin voor
+den wagen en breng jullie allen thuis. Nu, wat zeg je daarvan? 't Is
+wel geen statiekoets, maar je behoeft dan toch niet te loopen."
+
+"Dat vind ik "onmogelijk" aardig," zei Door.
+
+Mijnheer en mevrouw Van Brakel wisten niet, wat ze zagen, toen daar
+het heele vroolijke troepje op een hooiwagen den weg afkwam. Dolf en
+Leni wuifden al uit de verte met hun zakdoeken. In kleuren en geuren
+werd het geheele geval aan vader en moeder verteld. Natuurlijk moest
+het oude boertje binnen komen en een glaasje bier drinken. En nadat
+Leni hem vol trots haar kippenfamilie had getoond, ging hij, na nog
+eens en nog eens vriendelijk bedankt te zijn, met Bruin weer naar
+zijn eigen huis terug.
+
+Nels voet deed nog den heelen avond pijn. Maar moeder wist als altijd
+raad, zoodat beide invaliden den val al gauw vergeten waren.
+
+"Maar tòch," zei Nel, "door een land met koeien ga ik van mijn leven
+niet weer, daar heb ik genoeg van."
+
+"Als Fox er maar niet bij geweest was," zei Dolf "dan was er niets
+gebeurd."
+
+"Ja, Foxje," zei Leni, "was jij nu maar zoo knap en zoo sterk als
+Hector, dan had je ons natuurlijk wel geholpen, maar je bent eigenlijk
+een klein, dom, eigenwijs hondje."
+
+Het duurde niet heel lang, of Door was in diepe rust, maar Nel was
+blijkbaar nog onder den indruk van den schrik.
+
+Toch kreeg na lang woelen eindelijk de slaap de overhand; maar toen
+werd de arme Nel geplaagd door de akeligste droomen. Ze zag zich zelf
+alleen op een groot stuk land, waar van alle kanten koeien op haar
+afkwamen, die haar met booze oogen aankeken. Ze vluchtte naar een
+hek, maar toen ze daar dicht bij kwam, was 't hek verdwenen en lag
+op die plaats een groote roodbonte koe kalm te grazen op een groot
+veld papavers. En telkens als het dier een papaver in den bek stak,
+veranderde de bloem in een draaiende tol. Toen liep Nel terug en
+zag opeens Leni voorbijhollen, gezeten op een zwarte koe. Leni leek
+veel grooter dan anders en telkens als ze langs Nel reed, strekte
+ze haar lange armen naar haar uit. Maar als Nel haar wilde grijpen,
+was zij verdwenen en zag Nel haar héél in de verte voortgaloppeeren,
+steeds haar wenkende, terwijl het haar als een mantel om haar heen
+golfde. Plotseling stond Nel voor een sloot en kon ze niet verder
+en voor en achter zich zag ze niets dan koeien, toen op hetzelfde
+oogenblik een wagen kwam aanrijden met een grappig klein paardje er
+voor. De kop van het paard ging steeds op en neer. Op den wagen zaten
+wel honderd kinderen, hij was zóó vol, dat onder 't rijden er gedurig
+enkelen afvielen, maar als aapjes kropen ze er weer bij op. De voerman
+pakte Nel op en zette haar er tusschen, maar toen zat Nel zóó nauw,
+dat zij zich letterlijk niet kon bewegen, want van alle kanten drongen
+ze tegen haar aan en een jongen hield haar knie zóó stijf vast en
+trok zulke vreemde gezichten, dat ze met een gil wakker werd.
+
+"Wat heb je, wat is er?" riep Door verschrikt en zat rechtop in bed.
+
+"Ik weet het niet," kreunde Nel, "o, wat had ik een akelige droom,
+je weet het niet--van koeien en--o vreeselijk."
+
+"Wacht, ik zal gauw licht opsteken," zei Door en wipte het bed
+uit. "Een buitenkansje, de lucifers liggen op den kandelaar," zei ze,
+de kaars aanstekend. "Wil je eens drinken?"
+
+"O, graag," zei Nel klappertandend. "Ik droomde--"
+
+"Neen, hoor, die droom zal ik morgen vroeg wel hooren, laten we nu
+liever over iets anders praten, anders doorleven we straks beiden
+vervolg en slot van deze minder opwekkende droomgeschiedenis," zei ze,
+weer in bed stappend.
+
+"Weet je, wat ik wou," zocht Door Nel af te leiden, "dat ik zoo'n
+raaf had als die juffrouw--"
+
+"Welke juffrouw?"
+
+"Je weet wel, die dame, bij wie we vandaag die tollen en de sigaar
+kochten."
+
+"O ja, dat zou leuk zijn," zei Nel, nog niet geheel bekomen.
+
+"Ik zou hem allerlei versjes leeren; te beginnen met: "'t Is vacantie,
+'t blijft vacantie" enz."
+
+"Meen maar niet, dat dat zoo gemakkelijk zou gaan. Als hij hier op
+de slaapkamer stond, dan zou hij al gauw roepen: "Nel, waar is mijn
+haarlintje, waar mijn armband, waar mijn themaboek?"
+
+"Om te gieren," vond Door. "Zou zoo'n vogel duur zijn?"
+
+"Ik weet het niet," zei Nel geeuwend.
+
+"'t Is jammer, dat het er met mijn spaarpot altijd zoo treurig
+uitziet."
+
+"En met de mijne."
+
+"Zeg eens, Nel, Ne-èl."
+
+"Ja"--kwam er flauw uit het andere ledikant.
+
+"Je moet je oogen eens half toe doen en dan naar de kaars kijken,
+dan zie je zulke prachtige stralen."
+
+"Hm," zei Nel, "'k doe ze liever heelemaal toe, 'k ben slaperig."
+
+"Ja, ik ook. Toch leuk, die stralen van die kaars, ik zal ze toch
+zoo meteen uitblazen--"
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+EEN DAG VOL GEHEIMEN.
+
+
+
+ "Er stond een juffrouw aan de deur
+ Met een witte boezelaar veur
+ Hoe langer ze ston
+ Hoe meer ze vergong"
+
+
+zei Door den volgenden morgen lachend en wees uit haar bed naar
+den kandelaar.
+
+"Och, lieve tijd, je hebt de kaars laten branden," zei Nel en 't was
+nog wel een nieuwe.
+
+"Ja, dat zal je altijd zien. Met stompjes zal mij zooiets niet
+overkomen. Maar eigenlijk ben jij hier de schuldige."
+
+"Nu nog mooier!"
+
+"Ja, want om jou van een wissen ondergang te redden, ontstak ik het
+licht," zei Door plechtig.
+
+"Ja, 't was een nare droom," zei Nel, nog rillend bij de herinnering.
+
+"Vertel hem nu maar; zoo onder het vastmaken van mijn knooplaarzen
+bestaat er niet veel kans, dat ik hem verder droomen zal."
+
+"Ja," zei Nel, zich bezinnend, "ik droomde van koeien, die op mij af
+kwamen--en--en--verder weet ik werkelijk niet meer."
+
+"Dat dacht ik wel. Een droom is als een Fransche les, als je hem
+vertellen wilt, dan weet je er hoogstens één regel van. Maar dat je
+van koeien gedroomd hebt, verwondert mij niet na ons avontuur van
+gisteren. Mij dunkt, al de jonge leden van den huize Van Brakel hebben
+het vannacht wel met een of meer koeien aan den stok gehad. Ik ken
+mijzelf niet, dat ik er zoo heelhuids ben afgekomen, afschoon _jouw_
+koeien mij mijn halve nachtrust gekost hebben," lachte ze.
+
+De lucht zat vol geheimen!
+
+Geen wonder, Leni was den volgenden dag jarig en dat is op zichzelf
+al een feest, maar jarig zijn in de vacantie, met nog twee aardige
+logétjes, dat is wel een reden om er een echten feestdag van te
+maken. Er werd dan ook heel wat afgefluisterd, zelfs Kee werd er in
+betrokken, en wat meer zegt: Kee had nu eens geen haast, maar luisterde
+belangstellend naar Nel of Door. Leni's hartje popelde van verlangen.
+
+"Is ons cadeautje al bezorgd?" fluisterde Door moeder in 't oor.
+
+"Nog niet, juffertje Ongeduld, maar dat zal wel komen."
+
+"Het zou jammer zijn, als het niet op tijd kwam. Weet u wat, ik ga
+eens even naar den winkel."
+
+"Dat zou ik maar doen, zoo'n wandeling is gezond," zei mevrouw
+Van Brakel.
+
+"Hoe vervelend! Nu kan ik mijn handschoenen weer niet vinden; maar kom,
+dan maar zonder," overlegde Door bij zich zelf. "'t Is ook zoo warm."
+
+Zoo alleen boodschappen doen was juist een kolfje naar Doors hand;
+ze hield dol van winkels kijken en nu kon ze net zoolang voor een
+raam staan, als ze zelf verkoos. Nel had gewoonlijk zoo'n haast. Toen
+ze eindelijk al haar aandacht gaf aan een winkel, waar mooie platen
+voor de ramen hingen, bemerkte ze, dat een meisje naast haar stond,
+dat gedurig naar haar keek en dat, telkens als Door haar aankeek,
+lachend haar hoofd afwendde. Door wist niet, wat ze er van denken
+moest en liep verder. Bij een volgenden winkel dacht ze: "Wat zien ze
+toch aan mij?" toen ze bemerkte, dat ook een dame, die eerst achter
+haar had geloopen, haar in 't voorbijgaan aankeek en lachend doorliep.
+
+"'t Is, alsof iedereen weet, dat we morgen een feestje hebben," dacht
+ze bij zichzelf en liep wat vlugger om gauwer thuis te zijn. Maar
+voor ze den winkel in ging om te vragen, of het cadeautje, dat zij
+en Nel aan Leni wilden geven, klaar was, keek ze nog eens voor de
+ramen naar allerlei beeldige dingetjes. Nauwelijks stond ze daar,
+of een slagersjongen zei lachend: "Zeg eens, jongejuffrouw, is dat
+de laatste mode, op _die_ manier je handschoenen te dragen?"
+
+Nu werd het Door toch te erg en met een kleur als vuur draaide ze
+den winkel in.
+
+"Juffrouw," begon ze stotterend, "is..." maar Door kon bijna niet
+verder spreken, toen ze het lachende gezicht van de juffrouw zag. "Is
+de," hakkelde ze. Maar op eens schaterde de juffrouw het uit: "Hebt
+u zoo door de stad geloopen?"
+
+"Ja," knikte Door verlegen. "Ja."
+
+Door bekeek zich van alle kanten, draaide zich om en om.
+
+"Hebt u niet naar uw handschoentjes gezocht?" Door knikte; begreep
+er niets van. "Voelt u dan eens op uw hoed." Nu schaterde Door het
+uit. "O, daar zijn ze, nu begrijp ik alles."
+
+"Ja, maar er zit nog iets, ik geloof een zakdoek. Voel maar eens
+achter de lus."
+
+"Ja warempel," lachte Door. "Als ze dat thuis hooren! Ik ben maar wat
+blij, dat u 't mij gezegd hebt, dank u wel. Maar nu zou ik bijna mijn
+boodschap vergeten. Ik kwam eens hooren, of de mand klaar was. Morgen
+is mijn zusje jarig."
+
+De juffrouw beloofde het cadeautje op tijd te bezorgen en lachend
+nam Door afscheid.
+
+"Net iets voor jou, net iets voor jou," riep Nel, toen Door het heele
+verhaal thuis deed.
+
+"Prachtig," zei vader, "prachtig. Jullie zult eens zien, dit meisje
+wordt nog een professor."
+
+"Je verschijnt nog eens op een morgen met de handschoenen aan je
+voeten en de schoenen aan je handen," plaagde Dolf.
+
+"Dat denk ik niet," zei Door; "want gewoonlijk mis ik een van beide."
+
+En terwijl Door beneden het verhaal deed van haar ongelukkigen tocht,
+liepen Hans en Bob met Fritsje tusschen zich in ongemerkt zacht de
+trap op. "Pas op, dat Leni ons niet hoort," zei Hans.
+
+"Leni morgen jarig," zei Fritsje.
+
+"Ja, Leni krijgt iets heel moois," zei Hans gewichtig.
+
+"Ja," zei Bob, "Leni krijgt een echt kuikentje, omdat ze zooveel van
+kuikentjes houdt."
+
+"Waar is het?" vroeg Frits belangstellend.
+
+"Kom maar mee, het ligt in dezen koffer," zei Hans, terwijl hij den
+koffer open deed. Nieuwsgierig keek Frits er in.
+
+"Ik zie geen kuikentje," zei hij teleurgesteld.
+
+"Zie je dat ei daar liggen?" vroeg Hans, nadat hij eerst allerlei
+kleedingstukken van hem en Bob uit den koffer had genomen.
+
+Frits knikte.
+
+"Dat ei wordt een kuikentje," legde Bob uit.
+
+"Ja," zei Hans, Bobs woorden herhalend, "dat ei wordt een kuikentje."
+
+"Een echt?" vroeg Frits ongeloovig.
+
+"Ja. Maar eieren moeten een geheelen tijd héél warm liggen, voor er
+kuikentjes uit kunnen komen," onderwees Bob weer. "Ik zal het daarom
+maar weer gauw toedekken."
+
+"Als wij hier een kip hadden," bepeinsde Hans, "dan konden wij die
+er op zetten."
+
+"Ja," zei Bob, wien dit ook wel toelachte, "dan kroop er misschien
+morgen wel een kuikentje uit het ei, dat zou heerlijk zijn."
+
+"Durf jij een kip uit den tuin halen?" vroeg Hans.
+
+Bob schudde heftig zijn hoofd. "Een doode misschien wel," kwam er
+flauwtjes uit.
+
+"Ja, maar die is er niet," zei Hans, met een bedenkelijk gezicht
+naar de plaats kijkende, waar het ei lag, bedolven onder blousjes
+en broeken.
+
+"Zal Fritsje kipje zijn?" stelde Frits moedig voor.
+
+Hans en Bob keken elkaar aan.
+
+"Kun je stil zitten?" vroeg Bob.
+
+Frits knikte.
+
+"Kippen zitten altijd doodstil op de eieren," zei Hans, die zich
+verplicht gevoelde Frits het moeilijke van zijn taak goed onder het
+oog te brengen.
+
+"Ik kan wel voor kipje spelen," zei Frits, die bij zijn voorstel bleef.
+
+"Dan zal ik de kleeren weer uit den koffer krijgen."
+
+"Kun je er alleen in stappen?" vroeg Bob.
+
+Neen, dat kon hij niet. Hans en Bob moesten hem helpen.
+
+"Daar is Julia ook," zei Bob, "die mag hier niet in deze kamer,
+dan wil ze misschien ook in den koffer."
+
+"Als 't kuikentje piept, moet je er dadelijk uitkomen," waarschuwde
+Hans.
+
+Frits knikte.
+
+"Als Frits op het kuiken zit, dan kan het wel dood gaan," zei Bob
+angstig.
+
+Dat was een moeilijk geval, daar hadden Bob en Hans nog in 't geheel
+niet aan gedacht.
+
+"Laten we dan maar liever de kleeren weer op 't ei leggen," stelde
+Bob voor, die in zijn verbeelding het doode kuikentje al zag. En juist
+zou Frits maar weer kip af zijn, toen vreeslijk gegil van beneden tot
+hen doordrong. Bob en Hans holden naar het raam aan den voorkant en
+zagen nog juist, dat Julia door Leni van de straat opgeraapt werd.
+
+"Hoe vreeselijk, Julia is uit het raam gevallen!" Bob en Hans vergaten
+Frits en liepen, zoo vlug ze konden, naar beneden.
+
+"Och, lieve poes, lieve Julia," riep Leni schreiende. "Zie ze eens
+beven. Als ze maar niet dood gaat." Zacht streelde ze poes; allen
+stonden om haar heen.
+
+"Ze heeft gelukkig niets gebroken," zei mijnheer Van Brakel, de
+pootjes onderzoekend. "Zet haar op dezen stoel, Leni; ik denk, dat
+ze wel gauw weer de oude zal zijn. Zij is natuurlijk erg geschrokken."
+
+"Zie ze toch eens beven," zei Leni.
+
+"Maar hoe kwam poes toch boven? De deur van de voorkamer moet
+opengestaan hebben."
+
+"Poes wou in den koffer," versprak Hans zich, "maar dat mocht niet,
+want Fritsje...."
+
+"Fritsje? Is Frits dan boven?" vroeg mevrouw Van Brakel verbaasd. "Ik
+dacht, dat jullie met hem in den tuin speelden."
+
+"Fritsje zit in den koffer," lichtte Bob toe.
+
+"In den koffer?" Allen keken verbaasd naar de tweelingen, toen Hans,
+die opeens aan de verrassing van Leni dacht, zei: "Ja, 't is een
+geheimpje, hé Bobbie?"
+
+De verwondering steeg ten top. Door holde naar boven, waar ze Fritsje
+snikkend in den koffer vond zitten.
+
+"Och, kleine vent, wat scheelt er aan?" Maar niettegenstaande het
+diep ongelukkige gezichtje van Frits kon Door toch haar lachen niet
+bedwingen, toen Frits tusschen het schreien door riep: "Ik--ik--wil
+geen kippetje zijn, Dora, ik wil geen kippetje zijn."
+
+Toen Door met het snikkende Fritsje beneden kwam en met vragen bestormd
+werd, zei ze lachend:
+
+"Wij vertellen niets, dat is nu _ons_ geheimpje, wat zeg jij, kleine
+man?" Fritsjes verdriet, nu hij uit den koffer en weer bij moesje was,
+was spoedig geleden.
+
+Gelukkig was Julia gauw weer beter en toen Leni even de kamer
+uit was, stelde vader voor, eerst de tweelingen en daarna Julia te
+photografeeren. Kee werd in het geheim genomen. Die kwam daarom even
+later Leni vragen, haar wat te helpen.
+
+"Ik kom anders nooit klaar en jij kunt zoo mooi helpen, je doet
+mij zooveel pleizier," beweerde ze. "Je werkt nog beter dan ik
+zelf." En ze liet Leni koffie malen uit den treuren, totdat ze wel
+voor een week genoeg had. En nadat de heer Van Brakel Bob en Hans
+had gephotografeerd, beiden zittende in de sportkar, was hij met een
+onuitputtelijk geduld bezig Julia te "nemen." Juist op 't moment,
+dat het gaan zou, zag Julia, onbewust van 't gewichtige oogenblik,
+een vlieg, waardoor haar rustige houding van even te voren geheel
+veranderde en zij vol belangstelling het diertje met haar poot
+trachtte te grijpen. Maar eindelijk, na herhaalde pogingen, stond
+Julia er "prachtig" op. Fox, die eigenlijk ook op een kiekje moest,
+was op dat oogenblik nergens te vinden en dus bleef het bij poes en
+de tweelingen. Dolf stelde voor Toetie en Snoetie te fotografeeren,
+maar deze twee waren vader veel te beweeglijk, zoodat er veel kans
+zou zijn, dat Snoetie met twee koppen en Toet er misschien met twee
+staarten opkwam en vader wist zeker, dat Leni op zoo'n portret van
+haar lievelingskippen niet gesteld was.
+
+"Jammer, dat Foxje er niet is," zei Dolf, "ik wil nog eens kijken,
+misschien is hij wel in de buurt." En juist zou Dolf de kamer uitgaan,
+toen Nel hem lachend tegen hield.
+
+"Weer een brief van oom Karel," zei ze, "dien moet je eerst hooren, ik
+zal hem voorlezen. Jongens, een brief van vader, kom eens gauw," riep
+ze den tuin in. "Waar is Leni, die moet ook bij de voorlezing wezen."
+
+"Hoera, hier zijn we al," juichte het drietal.
+
+"Toe, Nel, begin nu gauw," zei Door.
+
+Nel las:
+
+"Mijn lieve kaboutertjes! Het briefje, dat ik hierbij insluit, is
+van Miekie. Ik vond het op den lessenaar. Miekie had natuurlijk geen
+postzegel, daarom heb ik het briefje maar in het couvert gedaan en
+aan jullie verzonden. Dat zij gisteren iets in haar schild voerde,
+was duidelijk. Zij bleef voortdurend bij mij zitten, terwijl ik zat
+te schrijven. Na eerst op mijn schouder en toen op een paar boeken
+gezeten te hebben, ging ze op een blaadje postpapier zitten. Als ik
+haar zei: "maar, Miekie, postpapier is er toch niet om op te zitten,"
+dan knipte ze een paar keer met haar groene oogjes en keek het raam
+uit, alsof ze 't onschuldigste poesje van de wereld was."
+
+"Precies zooals Julia doen kan," zei Door. "En toen ik klaar was," las
+Nel verder, "en het papier wilde meenemen, was ze zoowaar ingedommeld,
+zoo hield zij zich tenminste, zoodat ik het blaadje wel moest laten
+liggen. Toen ik later den brief zag, begreep ik, waarom zij dit grapje
+uitgehaald had.
+
+Nu wil ik nog even vertellen, dat ik morgen bij jullie kom. Ik
+weet, dat er dan een klein meisje jarig is, dat ik graag zou willen
+feliciteeren en 't is dan mijn plan, de kaboutertjes den volgenden
+dag mee naar hier te nemen. We verlangen allen erg naar hen en dan
+... sedert gisteren heeft hier in huis een groote verandering plaats
+gehad, maar ik _schrijf_ niet wat. Ik zal het mijn kaboutertjes
+zelf _vertellen_. Wat zullen ze opkijken! Honderd kusjes van vader
+en moeder."
+
+"Komt Paatje morgen hier?" riepen Bob en Hans opgetogen.
+
+"Ja, hoe vindt jullie dat?"
+
+"Heerlijk!" zei Bob, "juist op Leni's verjaardag."
+
+"En gaan we dan gauw naar huis?"
+
+"Zeker, dan nog één nacht hier slapen," zei Nel, lachend om de
+opgewonden gezichtjes.
+
+"Dan gaan we weer naar Maatje," zei Hans blij.
+
+"Ja en als jullie dan heerlijk bij je Maatje zit en bij Miekie, Bruun
+en Jaap, dan zitten wij helaas weer op school," zei Dolf zuchtend.
+
+"Maar nu kunnen we nog zingen," zei Door en met een potlood de maat
+slaande, begon ze:
+
+
+ "'t Is vacantie, nog vacantie.
+ Hoera vacantie boven."
+
+
+En allen vielen mee in:
+
+
+ "En ieder, die 't niet zingen wil,
+ Die moet er aan gelooven."
+
+
+Dolfs stem hoorde men boven allen uit.
+
+"Stil, nu zal ik Miekies brief voorlezen, kijk toch eens die groote
+letters," zei Nel, den brief in de hoogte houdende.
+
+"Leuk," riep Leni, "begin nu maar."
+
+"Lieve baasjes," las Nel en keek daarbij Bob en Hans aan, wier
+gezichtjes straalden van genot. "Ik verlang zoo naar jullie en
+Bruun ook. Jaap, geloof ik, ook wel, maar dat kan mij niet schelen;
+want op Jaap ben ik boos. Dat is zóó gekomen. Ik was gisteren op de
+muizenjacht. Uren en uren had ik voor een gaatje gezeten, waaruit een
+muis moest komen. Ik kreeg op 't laatst erg veel verlangen naar mijn
+schoteltje met melk, maar toch bleef ik zitten, omdat ik bang was,
+dat mij 't muisje ontsnappen zou. Bruno kwam ook een paar keeren bij
+mij, hij wou met mij spelen, maar ik bleef zitten, ik wou het muisje
+hebben. Eindelijk, jawel, daar stak het zijn puntsnuitje uit het
+gaatje. Ik verroerde mij niet. Voorzichtig kwam het er verder uit,
+zag overal rond, tot het opeens heelemaal te voorschijn kwam. Toen
+sprong ik er op af, maar toch ontkwam het mij en schoot achter een
+kist. Ik zal jou wel krijgen, dacht ik, en bleef dicht bij de kist
+zitten. Op eens kwam Jaap binnen. Hij begreep blijkbaar dadelijk,
+waarom ik zoo stil zat. "Jij boosdoenster," zei hij. "'t Is jou zeker
+weer om een muis te doen." En toen eindelijk de muis van achter de
+kist te voorschijn kwam, zette hij de deur wijd open; zoo ontsnapte
+mij het heerlijke kluifje. Toen ik het achtervolgen wilde, smeet hij
+de deur toe en zei: "Dat kun je begrijpen! Jij er weer achter aan
+zoodat je het op 't laatst tòch zou krijgen? Neen, daar komt niets van
+in." Zoo was dus al mijn loeren voor niets geweest. Ik was zóó boos,
+dat ik mij direct omkeerde en wegliep. Later kwam Jaap nog weer bij
+mij met allerlei mooie praatjes, maar ik deed, alsof ik sliep en toen
+ging hij gauw weer weg.
+
+"O, die oom Karel," lachte Dolf, "wat kan die toch aardige...."
+
+"Nu, wat kan oom Karel?" vroeg vader plagend.
+
+"Neen, neen," zei Dolf. "Ik bedoel, wat kan Miekie toch aardige
+brieven schrijven."
+
+"Alsof Julia 't niet zoo kan," lachte Ma.
+
+"Ja, natuurlijk, Julia is dan ook een bijzonder knappe poes," zei Door.
+
+"Laat mij nu verder lezen," zei Nel, "de brief is nog lang niet uit."
+
+"Ik wilde toen mijn troost bij Bruno zoeken, maar die was als
+gewoonlijk buiten en speelde op 't grasveld met andere honden. Aan
+den kant van het grasveld staan boomen, zooals jullie weet, en nu had
+iemand zijn hond, een mooien zwarten poedel, met een touw aan een van
+die boomen vastgebonden, zeker, omdat hij hem niet goed mee naar binnen
+kon nemen. Natuurlijk was dit alles behalve prettig voor dien hond,
+vooral, omdat hij al die andere zoo vroolijk zag ronddraven. Bruno was
+al eenige malen naar den armen gevangene toegeloopen om een praatje
+met hem te maken, maar dan kreeg hij weer zoo'n lust om te stoeien,
+dat hij wel driemaal 't bloemperk omrende, tot hij op eens op de
+gedachte kwam den poedel te helpen. Hij begon in het touw te bijten,
+te bijten--nu, je weet, Bruun heeft scherpe tanden. De vastgebonden
+hond begon te kwispelstaarten en te blaffen, Bruun rustte even, begon
+weer met vernieuwde krachten te rukken en te bijten. Tot hij het
+touw doorgebeten had. Als een pijl uit den boog rende de poedel niet
+eenmaal, maar wel zesmaal 't grasveld rond. Wat was hij blij! Bruun
+achter hem aan. Het werd een dolle jacht.
+
+Toen de poedel geheel buiten adem met de tong uit den bek even stil
+stond, kwam zijn baas er aan. Als jullie zijn gezicht gezien hadt! Hij
+keek van den boom naar den poedel en van den poedel naar den boom en
+dan naar de andere honden. Eenige menschen, die alles gezien hadden,
+wezen naar Bruno. De baas lachte nu ook, floot een paar malen en
+jawel, daar kwam de poedel, nog met een stuk touw achter zich aan,
+schoorvoetend naar hem toe. Hij was, geloof ik, bang, dat de baas
+boos zou zijn, maar die klopte zijn hond op den rug, streek hem over
+den kop, zoodat de poedel vroolijk kwispelstaartte en met hem meeliep."
+
+"Zou Foxje ook zoo iets kunnen doen, vader?" vroeg Dolf.
+
+"Misschien wel, maar Bruun is een groote, sterke hond en heeft
+natuurlijk een sterk gebit."
+
+"Kom maar terug naar je zoo zéér verlangende Miekie," las Nel.
+
+"Prachtig, moes, wat zou die verandering toch kunnen zijn?" vroegen
+Nel en Leni.
+
+"Dat zul je morgen wel hooren," lachte ma.
+
+"Misschien heeft vader kuikentjes gekocht," zei Hans, die aan zijn ei
+in den koffer dacht. "Of heeft Bruun een nieuwen halsband gekregen,"
+raadde Bob.
+
+"Of, of," zei Leni, "heeft Miekie jonge poesjes gekregen."
+
+"Ik wou, dat 't al morgen was," zuchtte Hans.
+
+"Ik kan bijna zoolang niet wachten," zei Bobbie.
+
+"Nu kan ik door twee dingen bijna niet in slaap komen vanavond. Ten
+eerste, omdat ik morgen jarig ben en ten tweede, omdat ik zoo
+verlangend ben naar hetgeen oom Karel heeft te vertellen."
+
+"Moes, u weet het," zei Door, mevrouw Van Brakel met den vinger
+dreigend. "Toe, vertelt u het ons eens."
+
+"Dat kun je begrijpen," lachte moeder.
+
+En toen Door Nel later iets in het oor fluisterde en Dolf vroeg,
+of er ook een verfkwastje was, zei mijnheer Van Brakel lachend:
+"'t Is hier wel een tijd van geheimpjes, dat moet ik zeggen."
+
+"Nu, kinderen, 't is tijd om naar bed te gaan. De tweelingen en Leni
+slapen zeker al lang."
+
+"Ja, kom Nel, wij moeten morgen vroeg op," zei Door, "want"....
+
+"St., niets vertellen," zei Nel, den vinger op den mond houdende.
+
+"Och, lieve tijd," zuchtte Door, "ik vind het toch zoo "onmogelijk"
+lastig, geheimen te bewaren."
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+LENI'S VERJAARDAG.
+
+
+"'t Is zes uur, sta op," fluisterde Nel.
+
+"Wat zeg je?" vroeg Door slaperig.
+
+"'t Is zes uur. We zouden immers bloemen voor Leni plukken. Kom
+er uit."
+
+"Nu al?"
+
+"Ja zeker, anders komen we niet klaar."
+
+"Ik ben zoo "onmogelijk" slaperig."
+
+"Dat ben je om zeven uur ook nog," was 't kalme antwoord.
+
+"Je hebt ook nooit medelijden met mij," kwam er grappig klagend uit.
+
+"Als ik klaar ben, ga ik en wacht niet op je." zei Nel. "Stil, Leen
+draait zich om; als ze wakker wordt, is alle aardigheid er af."
+
+"Ik kom al," zuchtte Door, haar kousen aantrekkend.
+
+Zacht fluisterend en op de teenen loopend kleedden Nel en Door,
+zich aan.
+
+"Begin nu alsjeblieft niet met je sproeiwoede," zei Nel, toen Door
+haar waschkom vol schonk, ''dan wordt Leni stellig wakker."
+
+"'k Vang dan anders twee vliegen in één klap," zei Door lachend.
+
+"Hoe zoo?"
+
+"Wel, ik krijg de volle laag en jij bent wel tevreden met de
+druppeltjes, die mij voorbij vliegen; op die manier zijn we gauw
+klaar."
+
+"Als jij dat druppeltjes verkiest te noemen," zei Nel, "'t is
+gewoonlijk een volslagen fontein. Stil, Leni beweegt zich weer,
+sta nu toch doodstil."
+
+Wel drie minuten stonden beide meisjes onbeweeglijk, angstig kijkend
+naar de kleine jarige.
+
+"Voor standbeeld ben ik niet in de wieg gelegd," zei Door, toen zij
+zich weer durfde bewegen, "dat merk ik wel."
+
+"En ik niet," zei Nel.
+
+Plof! Wat was dat? Doors kam gleed uit haar handen. Beide meisjes
+stonden als palen; want nu volgde een onrustbarend geschuifel in
+het ledikant.
+
+"Ga op den grond liggen," commandeerde Nel en zeeg zelf ook behoedzaam
+neer. Het geschuifel hield aan. Door en Nel stikten bijna van 't
+lachen. Door lag voorover met haar hoofd onder de tafel, de noodlottige
+kam recht voor zich uit houdende. Nel in haar onderlijfje met de beenen
+onder haar eigen ledikant. Toen werd de deur zacht opengeduwd en Hans
+stond met verbaasde oogen naar het eigenaardige tooneeltje te kijken.
+
+Door wist geen raad van het lachen bij het zien van Hansjes
+verwondering. Hij dacht zeker niet anders, of de beide meisjes waren
+door een aardschok neergesmeten. Door wenkte met de kam, dat hij weg
+moest gaan. Hans scheen haar niet te begrijpen en bleef onbeweeglijk
+staan.
+
+"W-e-g," spelde Door met de lippen en wees naar Leni's ledikant.
+
+"Het-ei-is," fluisterde Hans en wilde blijkbaar nog meer zeggen,
+maar Door zwaaide zóó wanhopig met de kam, dat Hans ten slotte
+bedrukt wegging.
+
+"Ik geloof, dat Leni weer in slaap gevallen is. Houd toch op met je
+gelach, je zult alles nog bederven," waarschuwde Nel boos.
+
+"Zag je Hansjes gezicht?" fluisterde Door, zich nu ook oprichtend. Nel
+knikte. Tot overmaat van ramp kwam Foxje ook nog in de kamer, maar
+Door zette hem er voorzichtig uit en zoo kwamen de beide meisjes toch
+eindelijk klaar. Moeder was al beneden en werd in het geheim genomen;
+ze beloofde Leni, als ze beneden kwam, naar Kee te sturen, tot alles
+voor de jarige klaar was.
+
+"Kom nu maar gauw mee," zei Nel tot Door; "want er zijn heel wat
+vaasjes te vullen."
+
+"Gelukkig! Ons cadeau is bezorgd," zei Door, op de nieuwe mand voor
+Julia wijzend. "Stopt u die maar goed weg, moes, anders ziet Leni
+die nog, voor we thuis zijn."
+
+"Daar zal ik wel voor zorgen, kind! Ja, meisjes, jullie moet
+voortmaken. Een verjaardag zonder bloemen en dat nog wel in den zomer,
+dat gaat toch niet. 't Is heerlijk, dat jullie een veldbouquet gaat
+plukken; want het zou jammer zijn den tuin te plunderen, als het
+niet noodig is; alles staat nu zoo mooi en we hebben er zoo lang
+pleizier van."
+
+"Ja, moes, we komen gauw terug," zei Door, die den botaniseertrommel
+van Dolf nam. Na een half uur hadden de meisjes een prachtigen
+ruiker geplukt.
+
+"Ik pluk ook nog wat papavers," zei Nel, "die staan zoo beeldig."
+
+"Ja, dat doen ze, maar ze zijn zoo gauw verlept," vond Door.
+
+"Ziezoo, we hebben genoeg, laten we maar vlug opstappen, want het
+valt niet mee, alles te moeten rangschikken."
+
+"Is Leni al beneden?" was 't eerste wat Nel vroeg, toen ze thuis
+kwamen.
+
+"Neen, ze schijnt nogal te kunnen slapen, niettegenstaande ze gisteren
+het tegendeel beweerde," zei mevrouw Van Brakel. "Hè, kinderen,
+kinderen, wat een schat van bloemen brengen jullie mee."
+
+Alle vaasjes en glazen werden voor den dag gehaald en met bloemen
+gevuld, wat aan de kamer een echt feestelijk aanzien gaf.
+
+"Foxje, kom eens hier, oude jonge, je vrouw jarig en jij geen strik
+om? Dat is ongehoord." En Nel bond Fox een blauw lint om den hals
+en maakte aan een kant een flinken strik. Zoo heel pleizierig vond
+Foxje dit nu niet, maar voor een jarige moet je wat over hebben,
+had hij dikwijls gehoord en dus droeg hij zijn lot gelaten, zooals
+een gehoorzaam en liefhebbend hondje past. En terwijl Nel bezig was
+met Fox, bond Door Julia een rood lint om. Blauw was meer haar kleur,
+vond Door, maar met het oog op de rood gevoerde mand was het beter
+de halsversiering ook in die kleur te nemen.
+
+"Daar komt Leni aan!" riep Nel. "Waar is Dolf en waar zijn de
+tweelingen en vader? We moeten toch allen in de kamer zijn, voor
+Leni binnenkomt."
+
+"Dolf is achter in den tuin, met Bob, Hans en Fritsje."
+
+"Jongens, op 't appèl!" riep Door.
+
+"'t Is vandaag feest, zooals 't nooit is geweest," zong vader en kwam
+met Leni binnen. Leni wist van verlegenheid niet, hoe ze kijken zou,
+toen allen haar in de kamer opwachtten.
+
+Verrukt keek ze naar de bloemen.
+
+"Ja, ja, daarvoor hebben Nel en Door gezorgd. Wat zeg je daar wel
+van?" zei moeder.
+
+"Beeldig," vond Leni.
+
+"Een spel voor den tuin," zei moeder en zette een groote kist op
+de tafel.
+
+"Een croquetspel," juichte Leni, "heerlijk!" En ze vloog op moeder
+en vader toe om beiden te bedanken.
+
+"Wat je Julia geeft, geef je Leni, hebben wij gedacht," zei Door.
+
+"Een ledikant voor je Snoes," voegde Nel er bij en zette ter
+verduidelijking de poes in de nieuwe mand.
+
+"Hoe leuk!" riep Leni. "Och, zie haar eigenwijs gezicht eens."
+
+"Julia onderzoekt, of ze een springveeren of een paardeharen matrasje
+heeft," zei Dolf, toen de poes de mand van alle kanten besnuffelde.
+
+"Maar hoe staan onze logé's zoo stil te kijken?" vroeg mijnheer
+Van Brakel.
+
+"Er is geen kuikentje uitgekomen," zei Bob.
+
+"Geen kuikentje uitgekomen, ventje?" vroeg moeder verwonderd.
+
+Door proestte het uit.
+
+"Neen," zei Hansje, die dit gelukkig niet zag. "Het heeft al dien
+tijd in den koffer gelegen onder onze blousjes. En Fritsje durfden
+wij er niet opzetten, omdat we bang waren, dat het kuikentje dan dood
+zou gaan."
+
+"Ik begrijp toch niet recht, wat je bedoelt," zei vader, die moeite
+deed ernstig te kijken; "vertel mij eens, wàt lag in den koffer,
+kereltje?"
+
+"Dit ei," zei Hans. Maar nu kon mijnheer Van Brakel zich niet langer
+bedwingen. Hij schaterde het uit en allen in de kamer schoten in een
+hartelijk gelach.
+
+"'t Is een kalkei; o jongens, jongens, jullie bent eenig, eenig!"
+
+Toen allen zoo vroolijk waren en het zich zoo in 't geheel niet
+aantrokken, dat er geen kuiken uit het ei gekomen was, zelfs Leni niet,
+toen moesten Hans en Bob toch wel meelachen.
+
+"Kijk eens, dit màg jullie Leni geven," zei moeder en gaf Bob een
+doos met flikjes. "Daar kan ze dan eens uit presenteeren vanmiddag,
+als paatje er is."
+
+Dat was goed.
+
+"Fisjeleer," zei Fritsje, terwijl hij Leni een fleschje met eau de
+cologne vereerde. Natuurlijk moest ieder even van de eau de cologne
+ruiken en daar Fritsjes zakdoek nergens te vinden was, kreeg hij een
+beetje op de punt van zijn schort.
+
+"Nu heb ik hier ook nog een paar oude kennisjes," zei vader, de
+portretten van de tweelingen en Julia gevende.
+
+"Och, paatje, hoe aardig," zei Leni verrukt. "Wanneer hebt u dat
+gedaan? Bob en Hans hebben me er niets van verteld."
+
+"Ja, dat _die_ geheimen kunnen bewaren, hebben we gemerkt," zei vader,
+"maar Julia doet voor hen niet onder."
+
+"Mag ik nu de jarige in den tuin verzoeken?" zei Dolf.
+
+"In den tuin?" vroeg Nel.
+
+"Ja, komt allen maar mee, achter in den tuin."
+
+"Kijk toch eens, Dolf heeft warempel het kippenhok geverfd," riep
+Leni opgetogen.
+
+"Hoe leuk!"
+
+"Dat noem ik nog eens een verrassing," zei vader. "Ik wist werkelijk
+niet, dat ik zoo'n knappen zoon had."
+
+"Wanneer heb je dat gedaan?" vroeg Door.
+
+"Gisterenavond en vanmorgen. Ik was om zes uur al in den tuin," zei
+Dolf, blij, dat allen het zoo aardig vonden. "Maar nu moet je er ook
+eens even in gaan," zei hij tot Leni; "ik heb de kippenfamilie zoo
+met elkaar zien fluisteren, het zou mij niet verwonderen, als zij
+ook een verrassing voor je hadden."
+
+Lachend ging Leni in het hok. "Kom eens hier," riep ze en stond te
+dansen voor de nesten van Toetie en Snoetie. "Komt toch eens allen
+hier!"
+
+"Maar kindje, dat is toch wel wat veel gevergd," zei vader; "het
+heele gezelschap in het kippenhok! Laat ons liever eens zien,
+welke verrassing je kippenfamilie jou bereid heeft: wij branden
+van verlangen."
+
+"Toe, Leen, kom er uit," zei Door, "je maakt ons zoo "onmogelijk"
+nieuwsgierig."
+
+"Kijk eens," zei Leni, "dit rose suiker ei heeft Toet gelegd. Het
+staat er op, leest u maar."
+
+"Van Toetie op uw verjaardag."
+
+"Wel verbazend, dat is kranig," zei vader.
+
+"En dit witte van Snoetie."
+
+"Zulke kippen moesten we meer hebben."
+
+"En dit," zei Leni, en liet een chocolade-ei zien, "van...?"
+
+"Asschepoes," raadde Nel gierend.
+
+"Van den haan. Zijn visitekaartje heeft hij er bij gelegd. Kijk,
+Haantje-Kukelekaantje staat er op en aan den anderen kant:
+
+
+ "Lief jarig pleegmoedertje,
+ In 't kraaien ben ik wel een baas,
+ In 't eier leggen niet, helaas!
+ Maar op het feest van pleegmama
+ Legde ik toch een ei van chocola
+ Uit dankbaarheid, omdat zij elken morgen
+ Zoo trouw voor mij en mijn kippen komt zorgen."
+
+
+"Dolf, Dolf, hoe onmogelijk leuk."
+
+Ieder moest het hanenei natuurlijk bekijken, 't Was dan ook wel een
+groote bijzonderheid; zelfs vader, die al zoo oud was, beweerde,
+er nog nooit een gezien te hebben.
+
+"Jij krijgt straks het kapje, hoor Snoet," zei Leni tegen Fritsje. Dat
+leek Frits wel goed toe en Hans en Bob werd het kapje van de
+suikereieren beloofd.
+
+"Waar is Kee? Die moet ze ook zien," riep Leni.
+
+"Daar komt ze juist aan."
+
+"Asjeblieft," zei Kee, nog voor Leni iets kon zeggen, "omdat jij
+mij gisteren zoo geholpen hebt," en meteen duwde ze Leni een klein,
+beeldig poppenkoffiemolentje in de hand.
+
+"Och moes, maatje, zie eens, van Kee!"
+
+"Kindje! Maar 't is al te erg vandaag, je wordt veel te veel verwend."
+
+Toen Leni de eieren aan Kee liet zien van Snoet, Toet en
+Haantje-Kukelekaantje, sloeg Kee de armen van verbazing in de
+hoogte. "Heb ik van mijn leven, heb ik van mijn leven! Nu begrijp
+ik, waarom hij vanmorgen zoo aanhoudend kraaide, 't Is dan ook
+geen kleinigheid, een chocolade-ei. Dat doen de kippen hem niet na,
+ofschoon Snoet en Toet ook bijzonder knap zijn. Maar, liefje, ik moet
+nu weer naar mijn boontjes," zei Kee en holde weg.
+
+"Hoor Fox eens, met wien heeft die het toch zoo aan den stok?" zei
+mijnheer Van Brakel. "Hij keft ons de ooren doof. Daar zit toch soms
+geen vreemde poes onder die struik?"
+
+"O wee!" riep Door, "ik begrijp het al. Als Fox hem maar geen kwaad
+doet. Leni, kom eens gauw hier. Kijk eens onder die struik."
+
+Leni bukte zich. "Een egel?" vroeg ze verwonderd, "voor mij?"
+
+"Een extraatje van Door en mij," zei Nel lachend.
+
+"Ik had het diertje maar stil willen laten liggen, maar Door dacht,
+dat jij hem wel "snoezig" zou vinden, omdat je nu eenmaal alles
+snoezig vindt, wat dier is. We hebben hem aan den weg gevonden."
+
+"Laat eens kijken," zei Dolf, "hoe grappig, ik heb nog nooit een egel
+zoo dichtbij gezien."
+
+Hans en Bob vonden het in 't geheel geen aardig beestje, beweerden ze,
+en Frits bleef op een eerbiedigen afstand.
+
+"Als Fox hem maar geen kwaad doet," zei Door.
+
+"Wel neen, 't blijft bij blaffen," zei vader, "daar behoef jullie
+niet bang voor te zijn. We zullen hem wat melk brengen, daar houden
+ze in den regel van."
+
+Leni liep naar huis en kwam na een oogenblikje met een schoteltje
+met melk terug. 't Was eerst, of de egel 't niet zag, maar al gauw
+begon hij te drinken tot groote vreugde van allen.
+
+"Je zult eens zien, hoe gauw hij tam is," zei moeder.
+
+"Maar nu gaan we eerst ontbijten, anders zijn we niet klaar, als oom
+Karel komt," zei moeder.
+
+"Ik verlang ook naar paatje," zei Bob.
+
+"Ja, en wat zou paatje wel te vertellen hebben?" vroeg Hans.
+
+"Nog maar een beetje geduld," lachte moeder.
+
+"Morgen gaan we naar huis, hè tante?"
+
+"Goeden dag, goeden dag, feestvierende menschen!" hoorde men oom
+Karel dien middag plotseling zeggen. "Daar ben ik al. Waar zijn mijn
+kaboutertjes en waar is de jarige dame?"
+
+"Hier paatje," en Bob en Hans vlogen hun vader om den hals.
+
+"Ja, ja, kereltjes, hoe is 't met jullie? Druk aan 't feestvieren zie
+ik. Wel, wel Leni, is dat croquetspel een cadeau? En Fox en Julia in
+feestgewaad! 't Is geen kleinigheid, 'k Ben wat blij, dat ik gekomen
+ben. Kijk eens, dat is nu _mijn_ cadeautje. Ik hoop, dat je 't mooi
+vindt, meisje. Ik kan maar niet vergeten, hoe bedroefd je was over 't
+verlies van sneeuwwitje en daarom heb ik je nu een ander sneeuwwitje
+meegebracht."
+
+"Een pop!" riep Lena opgetogen. "Oompje, hoe heerlijk!"
+
+"En als sneeuwwitje gekleed," zei Door, "hoe beeldig! Kijk toch eens,
+moeder!"
+
+"Prachtig, prachtig! Die oom Karel verwent je maar," zei moeder
+lachend.
+
+"Dat heb ik wel begrepen," zei Nel, "dat jarig zijn in de vacantie
+lang niet voor de poes is."
+
+"En nu 't geheimpje, oom," zei Dolf. "Wij branden allen van verlangen."
+
+"Dat is goed, kinderen. Bob en Hans, komen jullie eens bij mij zitten,
+ieder op een knie. Het is iets heel moois en prettigs, dat ik te
+vertellen heb."
+
+Allen keken oom vol verwachting aan.
+
+"Zoo'n aardig popje, als Leni gekregen heeft om mee te spelen,"
+begon oom, "is er bij ons in huis gekomen."
+
+"Ook een sneeuwwitje?" vroeg Bob verbaasd.
+
+"Maar, paatje, jongens spelen toch niet met poppen," zei Hans
+teleurgesteld.
+
+Oom Karel glimlachte. "Er is bij ons in huis een levend popje--een
+kindje gekomen."
+
+"Een echt?" Hans schoot van de knie af.
+
+"Ja, een echt."
+
+"O, oom, hoe leuk, hoe aardig!"
+
+Even was er doodsche stilte.
+
+"Maar, maar,--wat doet ze, kan ze al praten?" zei Bob, die 't eerst
+van zijn verbazing bekomen was.
+
+"Eet ze al?" vroeg Hans.
+
+"Hoe groot is ze?--Heeft ze al haar? Slaapt ze?--Kan ze al lachen? Toe,
+paatje, toe vertel eens alles."
+
+"Kleine, lieve kaboutertjes, hoe kan ik zoo gauw op alle vragen
+antwoorden? Neen, praten kan ze nog niet, dat moeten wij haar nog
+leeren. Ze kan nu eigenlijk nog maar alleen slapen, drinken en
+schreien."
+
+"Schreien is praten, hè paatje?"
+
+"Vindt moesje 't prettig, dat het zusje er is?"
+
+"En Jaap?"
+
+"Jaap ook. En Griet, die anders zoo'n leven kan maken in de keuken,
+doet nu alles even zacht."
+
+"En-enne-paatje, luister eens. Hoe groot is zus?" vroeg Bob opgewonden.
+
+"Niet grooter dan Leni's pop."
+
+"Wijs eens, hoe groot haar handjes zijn."
+
+"Zoowat zoo groot als jou wijsvinger. Twee aardige, roode knuistjes
+heeft ze."
+
+"Nu hebt u nog in 't geheel niet gezegd, hoe ze heet, oom," zei Leni.
+
+"Ze heet Else, ons kleine meisje."
+
+Allen vonden dit een prachtigen naam. "Zou ze 't prettig vinden,
+dat we morgen terugkomen?"
+
+"Welk zusje zou niet blij zijn met zulke lieve broertjes," zei oom
+Karel, Bob in de wang knijpende.
+
+"O paatje, ik verlang zoo," zei Hans met een diepen zucht.
+
+"Wat kunnen we later heerlijk paardje spelen, Bobbie. Zus komt dan
+in de sportkar te zitten, jij wordt paard en ik koetsier."
+
+"Neen, dan wil ik koetsier zijn," zei Bob.
+
+"Neen," pruilde Hans, "ik heb het 't eerst gezegd."
+
+"Weet jullie wat," zei mevrouw Van Brakel, die bang was, dat er
+gekibbel kwam. "Zusje mag dan kiezen, die is de dame, die gereden
+wordt."
+
+"Ja, dat vind ik best," zei oom. "En zal ik jullie nu eens vertellen,
+waarom zusje _nu_ gekomen is?"
+
+Ja, dat wist niemand.
+
+"Omdat ze het later zoo prettig zou vinden in de vacantie jarig
+te zijn."
+
+"Òf ze gelijk heeft," riepen Nel en Door tegelijk.
+
+"Maar nu moet ik toch werkelijk eens kijken, wat Leni gekregen
+heeft. Morgen in den trein kunnen we den geheelen tijd over zusje
+praten. Mij dunkt, Door en Nel zijn hier aan 't versieren geweest. Wat
+een heerlijke massa bloemen! Met je nieuw croquetspel wil ik vandaag
+vast een spelletje doen."
+
+"Ja, ja, dat moet ingewijd worden," zei Dolf.
+
+"En nu moet u nog eens iets zien," zei Nel.
+
+"Extraatje van Door en mij," stelde ze voor, op den egel wijzend.
+
+"Neen, oompje, alleen van mij, Nel durfde hem niet opnemen."
+
+"Een egel? Daar moet je nu Door voor wezen om zoo'n aantrekkelijk
+diertje mee te nemen," lachte oom. "Wat zei zusje wel van zoo'n
+cadeau? Maar dat behoef ik eigenlijk niet te vragen. Bij Leni is
+immers elk dier welkom."
+
+"Dat zei ik ook, oompje."
+
+"Hoe jammer," zei Leni, "dat de egel zich nu heelemaal ingerold heeft."
+
+"Dat is niets, die onbeleefdheid en dat nog wel op jouw verjaardag,
+zal ik hem wel gauw afleeren," zei oom. "Dolf, haal mij eens een
+kopje water, dan zullen we "extraatje," eens een bad geven."
+
+Nauwelijks had de egel het water gevoeld, of hij begon zich te
+ontrollen.
+
+"O, kijk hem eens, kijk hem eens," riepen Dolf en Nel.
+
+"Zie hem eens boos kijken," lachte Door. "Foei, oude jongen, niet zoo
+ernstig en dat nog wel op zoo'n grooten feestdag als vandaag. Ziezoo,
+zoo mag ik je liever, nu ben je ons tevreden "extraatje" weer."
+
+"Stil, wij worden geroepen! Wie het eerst thuis is," zei oom en nam
+Fritsje op zijn schouder en 't heele jolige troepje holde achter
+hem aan.
+
+"Fritsje gewonnen! Moesje! Fritsje gewonnen!"
+
+"Ja, ja," lachte moeder, "jij lijkt het winterkoninkje wel, die bij
+een wedstrijd onder de vogels, wie 't hoogste vliegen kon, onder de
+vleugels van den adelaar kroop en zoo den strijd won, maar de andere
+vogels leelijk fopte."
+
+Daar begreep Fritsje niets van, maar wel, dat, wat op tafel stond,
+heerlijk was.
+
+"Bob en Hans, kom gauw. Hier staan beschuiten met muisjes op tafel,"
+riep Dolf, die de tweede overwinnaar was. "Ter eere van 't zusje,"
+zei mevrouw Van Brakel.
+
+'s Middags werd er croquet gespeeld, tot groot pleizier van de groote
+en kleine menschen, maar niet het minst van Fox en Julia, die elken
+bal naholden. Tot slot van het feest onthaalde moeder nog op een
+heerlijke roomtaart, waarop ze voor de grap een vlaggetje gestoken
+had en waarop stond: "Wie in Augustus geboren is, hoezee!"
+
+Allen begonnen dadelijk te zingen, zoodat het een oorverdoovend leven
+was. Toen werden er nog allerlei spelletjes verzonnen en moest Leni
+"Toetie" raden uit: begraven steden en Door "vacantie."
+
+Eindelijk werd het tijd voor de kleintjes om naar bed te gaan. Leni
+mocht een uurtje langer opblijven. Toen eindelijk ook Door, Nel en
+Dolf goeden nacht hadden gezegd, zongen ze nog als op den eersten dag
+van de vacantie met een kleine verandering, door Door in het schoone
+lied gebracht:
+
+
+ "'t Is vacantie, nog vacantie,
+ Hoera vacantie boven!
+ En ieder, die 't niet zingen wil,
+ Die moet er aan gelooven."
+
+
+Den volgenden morgen voor schooltijd zag men weer, als op den eersten
+dag van de vacantie, twee vlaggetjes uit een portier van den trein
+wapperen. Maar nu wuifde oom Karel met zijn kaboutertjes den wachtenden
+bij den trein met even vroolijke gezichten een afscheid toe.
+
+"Toe, kinderen, voor 't laatst nog eens," zei oom Karel plagend:
+"'t Is vacantie!"
+
+"Neen, oompje," zei Door, lachend op haar boeken wijzende, "dat zal
+niet gaan!"
+
+En de anderen gaven Door volkomen gelijk.
+
+"Onmogelijk, meisje?"
+
+"Onmogelijk, oompje," bevestigde Door. "Maar met de Kerstvacantie is
+'t weer: "'t Is vacantie,"--zou Door juist beginnen te zingen, toen de
+trein zich in beweging zette. Nog een laatste wuiven van de vlaggetjes
+en van oom Karels witten zakdoek en 't vroolijke troepje groette van
+'t perron terug.
+
+Om twaalf uur kwamen allen opgewekt uit school.
+
+"'t Was toch zoo leuk in de nieuwe klasse," vonden Door en Nel. Dolf
+en Leni hadden allerlei prettige verhalen.
+
+"Dat mag ik zien," zei moeder. "Vroolijk op school en vroolijk thuis."
+
+"Ja, ja, we zijn wat trotsch op ons jolig troepje," zei vader lachend.
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 12070 ***
diff --git a/12070-h/12070-h.htm b/12070-h/12070-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..b41a338
--- /dev/null
+++ b/12070-h/12070-h.htm
@@ -0,0 +1,4862 @@
+<!DOCTYPE HTML>
+<html lang="nl">
+<head>
+<meta charset="utf-8">
+<title>Een Jolig Troepje | Project Gutenberg</title>
+<link rel="icon" href="images/front.jpg" type="image/x-cover">
+<style>
+html {
+line-height: 1.3;
+}
+body {
+margin: 0;
+}
+main {
+display: block;
+}
+h1 {
+font-size: 2em;
+margin: 0.67em 0;
+}
+hr {
+height: 0;
+overflow: visible;
+}
+pre {
+font-family: monospace;
+font-size: 1em;
+}
+a {
+background-color: transparent;
+}
+abbr[title] {
+border-bottom: none;
+text-decoration: underline;
+}
+b, strong {
+font-weight: bolder;
+}
+code, kbd, samp {
+font-family: monospace;
+font-size: 1em;
+}
+small {
+font-size: 80%;
+}
+sub, sup {
+font-size: 67%;
+line-height: 0;
+position: relative;
+vertical-align: baseline;
+}
+sub {
+bottom: -0.25em;
+}
+sup {
+top: -0.5em;
+}
+img {
+border-style: none;
+}
+body {
+font-family: serif;
+font-size: 100%;
+text-align: left;
+margin-top: 2.4em;
+}
+div.front, div.body {
+margin-bottom: 7.2em;
+}
+div.back {
+margin-bottom: 2.4em;
+}
+.div0 {
+margin-top: 7.2em;
+margin-bottom: 7.2em;
+}
+.div1 {
+margin-top: 5.6em;
+margin-bottom: 5.6em;
+}
+.div2 {
+margin-top: 4.8em;
+margin-bottom: 4.8em;
+}
+.div3 {
+margin-top: 3.6em;
+margin-bottom: 3.6em;
+}
+.div4 {
+margin-top: 2.4em;
+margin-bottom: 2.4em;
+}
+.div5, .div6, .div7 {
+margin-top: 1.44em;
+margin-bottom: 1.44em;
+}
+.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child,
+.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child {
+margin-bottom: 0;
+}
+blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back {
+margin-top: 0;
+margin-bottom: 0;
+}
+.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child,
+.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child {
+margin-top: 0;
+}
+h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 {
+clear: both;
+font-style: normal;
+text-transform: none;
+}
+h3, .h3 {
+font-size: 1.2em;
+}
+h3.label {
+font-size: 1em;
+margin-bottom: 0;
+}
+h4, .h4 {
+font-size: 1em;
+}
+.alignleft {
+text-align: left;
+}
+.alignright {
+text-align: right;
+}
+.alignblock {
+text-align: justify;
+}
+p.tb, hr.tb, .par.tb {
+margin: 1.6em auto;
+text-align: center;
+}
+p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument {
+font-size: 0.9em;
+text-indent: 0;
+}
+p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument {
+margin: 1.58em 10%;
+}
+.opener, .address {
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+}
+.addrline {
+margin-top: 0;
+margin-bottom: 0;
+}
+.dateline {
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+text-align: right;
+}
+.salute {
+margin-top: 1.6em;
+margin-left: 3.58em;
+text-indent: -2em;
+}
+.signed {
+margin-top: 1.6em;
+margin-left: 3.58em;
+text-indent: -2em;
+}
+.epigraph {
+font-size: 0.9em;
+width: 60%;
+margin-left: auto;
+}
+.epigraph span.bibl {
+display: block;
+text-align: right;
+}
+.trailer {
+clear: both;
+margin-top: 3.6em;
+}
+span.abbr, abbr {
+white-space: nowrap;
+}
+span.parNum {
+font-weight: bold;
+}
+span.corr, span.gap {
+border-bottom: 1px dotted red;
+}
+span.num, span.trans {
+border-bottom: 1px dotted gray;
+}
+span.measure {
+border-bottom: 1px dotted green;
+}
+.ex {
+letter-spacing: 0.2em;
+}
+.sc {
+font-variant: small-caps;
+}
+.asc {
+font-variant: small-caps;
+text-transform: lowercase;
+}
+.uc {
+text-transform: uppercase;
+}
+.tt {
+font-family: monospace;
+}
+.underline {
+text-decoration: underline;
+}
+.overline, .overtilde {
+text-decoration: overline;
+}
+.rm {
+font-style: normal;
+}
+.red {
+color: red;
+}
+hr {
+clear: both;
+border: none;
+border-bottom: 1px solid black;
+width: 45%;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+margin-top: 1em;
+text-align: center;
+}
+hr.dotted {
+border-bottom: 2px dotted black;
+}
+hr.dashed {
+border-bottom: 2px dashed black;
+}
+.aligncenter {
+text-align: center;
+}
+h1, h2, .h1, .h2 {
+font-size: 1.44em;
+line-height: 1.5;
+}
+h1.label, h2.label {
+font-size: 1.2em;
+margin-bottom: 0;
+}
+h5, h6 {
+font-size: 1em;
+font-style: italic;
+}
+p, .par {
+text-indent: 0;
+}
+p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line {
+text-transform: uppercase;
+}
+.hangq {
+text-indent: -0.32em;
+}
+.hangqq {
+text-indent: -0.42em;
+}
+.hangqqq {
+text-indent: -0.84em;
+}
+p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter {
+float: left;
+clear: left;
+margin: 0 0.05em 0 0;
+padding: 0;
+line-height: 0.8;
+font-size: 420%;
+vertical-align: super;
+}
+blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote {
+font-size: 0.9em;
+margin: 1.58em 5%;
+}
+.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden {
+text-decoration: none;
+}
+.advertisement, .advertisements {
+background-color: #FFFEE0;
+border: black 1px dotted;
+color: #000;
+margin: 2em 5%;
+padding: 1em;
+}
+span.accent {
+display: inline-block;
+text-align: center;
+}
+span.accent, span.accent span.top, span.accent span.base {
+line-height: 0.40em;
+}
+span.accent span.top {
+font-weight: bold;
+font-size: 5pt;
+}
+span.accent span.base {
+display: block;
+}
+.footnotes .body, .footnotes .div1 {
+padding: 0;
+}
+.fnarrow {
+color: #AAAAAA;
+font-weight: bold;
+text-decoration: none;
+}
+.fnarrow:hover, .fnreturn:hover {
+color: #660000;
+}
+.fnreturn {
+color: #AAAAAA;
+font-size: 80%;
+font-weight: bold;
+text-decoration: none;
+vertical-align: 0.25em;
+}
+a {
+text-decoration: none;
+}
+a:hover {
+text-decoration: underline;
+background-color: #e9f5ff;
+}
+a.noteRef, a.pseudoNoteRef {
+font-size: 67%;
+vertical-align: super;
+text-decoration: none;
+margin-left: 0.1em;
+}
+.externalUrl {
+font-size: small;
+font-family: monospace;
+color: gray;
+}
+.displayfootnote {
+display: none;
+}
+div.footnotes {
+font-size: 80%;
+margin-top: 1em;
+padding: 0;
+}
+hr.fnsep {
+margin-left: 0;
+margin-right: 0;
+text-align: left;
+width: 25%;
+}
+p.footnote, .par.footnote {
+margin-bottom: 0.5em;
+margin-top: 0.5em;
+}
+p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel {
+float: left;
+margin-left: -0.1em;
+min-width: 1.0em;
+padding-right: 0.4em;
+}
+.apparatusnote {
+text-decoration: none;
+}
+.apparatusnote:target, .fndiv:target {
+background-color: #eaf3ff;
+}
+table.tocList {
+width: 100%;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+border-width: 0;
+border-collapse: collapse;
+}
+td.tocText {
+padding-top: 2em;
+padding-bottom: 1em;
+}
+td.tocPageNum, td.tocDivNum {
+text-align: right;
+min-width: 10%;
+border-width: 0;
+white-space: nowrap;
+}
+td.tocDivNum {
+padding-left: 0;
+padding-right: 0.5em;
+vertical-align: top;
+}
+td.tocPageNum {
+padding-left: 0.5em;
+padding-right: 0;
+vertical-align: bottom;
+}
+td.tocDivTitle {
+width: auto;
+}
+p.tocPart, .par.tocPart {
+margin: 1.58em 0;
+font-variant: small-caps;
+}
+p.tocChapter, .par.tocChapter {
+margin: 1.58em 0;
+}
+p.tocSection, .par.tocSection {
+margin: 0.7em 5%;
+}
+table.tocList td {
+vertical-align: top;
+}
+table.tocList td.tocPageNum {
+vertical-align: bottom;
+}
+table.inner {
+display: inline-table;
+border-collapse: collapse;
+width: 100%;
+}
+td.itemNum {
+text-align: right;
+min-width: 5%;
+padding-right: 0.8em;
+}
+td.innerContainer {
+padding: 0;
+margin: 0;
+}
+.index {
+font-size: 80%;
+}
+.index p {
+text-indent: -1em;
+margin-left: 1em;
+}
+.indexToc {
+text-align: center;
+}
+.transcriberNote {
+background-color: #DDE;
+border: black 1px dotted;
+color: #000;
+font-family: sans-serif;
+font-size: 80%;
+margin: 2em 5%;
+padding: 1em;
+}
+.missingTarget {
+text-decoration: line-through;
+color: red;
+}
+.correctionTable {
+width: 75%;
+}
+.width20 {
+width: 20%;
+}
+.width40 {
+width: 40%;
+}
+p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint {
+color: #666666;
+font-size: 80%;
+}
+span.musictime {
+vertical-align: middle;
+display: inline-block;
+text-align: center;
+}
+span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom {
+padding: 1px 0.5px;
+font-size: xx-small;
+font-weight: bold;
+line-height: 0.7em;
+}
+span.musictime span.bottom {
+display: block;
+}
+audio {
+height: 20px;
+margin-left: 0.5em;
+margin-right: 0.5em;
+}
+ul {
+list-style-type: none;
+}
+.splitListTable {
+margin-left: 0;
+}
+.splitListTable td {
+vertical-align: top;
+}
+.numberedItem {
+text-indent: -3em;
+margin-left: 3em;
+}
+.numberedItem .itemNumber {
+float: left;
+position: relative;
+left: -3.5em;
+width: 3em;
+display: inline-block;
+text-align: right;
+}
+.itemGroupTable {
+border-collapse: collapse;
+margin-left: 0;
+}
+.itemGroupTable td {
+padding: 0;
+margin: 0;
+vertical-align: middle;
+}
+.itemGroupBrace {
+padding: 0 0.5em !important;
+}
+.titlePage {
+border: #DDDDDD 2px solid;
+margin: 3em 0 7em;
+padding: 5em 10% 6em;
+text-align: center;
+}
+.titlePage .docTitle {
+line-height: 1.7;
+margin: 2em 0;
+font-weight: bold;
+}
+.titlePage .docTitle .mainTitle {
+font-size: 1.8em;
+font-weight: inherit;
+font-variant: inherit;
+line-height: inherit;
+}
+.titlePage .docTitle .subTitle,
+.titlePage .docTitle .seriesTitle,
+.titlePage .docTitle .volumeTitle {
+font-size: 1.44em;
+font-weight: inherit;
+font-variant: inherit;
+line-height: inherit;
+}
+.titlePage .byline {
+margin: 2em 0;
+font-size: 1.2em;
+line-height: 1.5;
+}
+.titlePage .byline .docAuthor {
+font-size: 1.2em;
+font-weight: bold;
+}
+.titlePage .figure {
+margin: 2em auto;
+}
+.titlePage .docImprint {
+margin: 4em 0 0;
+font-size: 1.2em;
+line-height: 1.5;
+}
+.titlePage .docImprint .docDate {
+font-size: 1.2em;
+font-weight: bold;
+}
+div.figure, div.figureGroup {
+text-align: center;
+}
+table.figureGroupTable {
+width: 80%;
+border-collapse: collapse;
+}
+.figure, .figureGroup {
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+}
+.floatLeft {
+float: left;
+margin: 10px 10px 10px 0;
+}
+.floatRight {
+float: right;
+margin: 10px 0 10px 10px;
+}
+p.figureHead, .par.figureHead {
+font-size: 100%;
+text-align: center;
+}
+.figAnnotation {
+font-size: 80%;
+position: relative;
+margin: 0 auto;
+}
+.figTopLeft, .figBottomLeft {
+float: left;
+}
+.figTopRight, .figBottomRight {
+float: right;
+}
+.figure p, .figure .par, .figureGroup p, .figureGroup .par {
+font-size: 80%;
+margin-top: 0;
+text-align: center;
+}
+img {
+border-width: 0;
+}
+td.galleryFigure {
+text-align: center;
+vertical-align: middle;
+}
+td.galleryCaption {
+text-align: center;
+vertical-align: top;
+}
+.lgouter {
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+display: table;
+}
+.lg {
+text-align: left;
+padding: .5em 0;
+}
+.lg h4, .lgouter h4 {
+font-weight: normal;
+}
+.lg .lineNum, .sp .lineNum, .lgouter .lineNum {
+color: #777;
+font-size: 90%;
+left: 16%;
+margin: 0;
+position: absolute;
+text-align: center;
+text-indent: 0;
+top: auto;
+width: 1.75em;
+}
+p.line, .par.line {
+margin: 0;
+}
+span.hemistich {
+visibility: hidden;
+}
+.verseNum {
+font-weight: bold;
+}
+.speaker {
+font-weight: bold;
+margin-bottom: 0.4em;
+}
+.sp .line {
+margin: 0 10%;
+text-align: left;
+}
+.castlist, .castitem {
+list-style-type: none;
+}
+.castGroupTable {
+border-collapse: collapse;
+margin-left: 0;
+}
+.castGroupTable td {
+padding: 0;
+margin: 0;
+vertical-align: middle;
+}
+.castGroupBrace {
+padding: 0 0.5em !important;
+}
+body {
+padding: 1.58em 16%;
+}
+.pageNum {
+display: inline;
+font-size: 8.4pt;
+font-style: normal;
+margin: 0;
+padding: 0;
+position: absolute;
+right: 1%;
+text-align: right;
+letter-spacing: normal;
+}
+.marginnote {
+font-size: 0.8em;
+height: 0;
+left: 1%;
+position: absolute;
+text-indent: 0;
+width: 14%;
+text-align: left;
+}
+.right-marginnote {
+font-size: 0.8em;
+height: 0;
+right: 3%;
+position: absolute;
+text-indent: 0;
+text-align: right;
+width: 11%
+}
+.cut-in-left-note {
+font-size: 0.8em;
+left: 1%;
+float: left;
+text-indent: 0;
+width: 14%;
+text-align: left;
+padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0;
+}
+.cut-in-right-note {
+font-size: 0.8em;
+left: 1%;
+float: right;
+text-indent: 0;
+width: 14%;
+text-align: right;
+padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em;
+}
+span.tocPageNum, span.flushright {
+position: absolute;
+right: 16%;
+top: auto;
+text-indent: 0;
+}
+.pglink::after {
+content: "\0000A0\01F4D8";
+font-size: 80%;
+font-style: normal;
+font-weight: normal;
+}
+.catlink::after {
+content: "\0000A0\01F4C7";
+font-size: 80%;
+font-style: normal;
+font-weight: normal;
+}
+.exlink::after, .wplink::after, .biblink::after, .qurlink::after, .seclink::after {
+content: "\0000A0\002197\00FE0F";
+color: blue;
+font-size: 80%;
+font-style: normal;
+font-weight: normal;
+}
+.pglink:hover {
+background-color: #DCFFDC;
+}
+.catlink:hover {
+background-color: #FFFFDC;
+}
+.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover, .seclin:hover {
+background-color: #FFDCDC;
+}
+body {
+background: #FFFFFF;
+font-family: serif;
+}
+body, a.hidden {
+color: black;
+}
+h1, h2, .h1, .h2 {
+text-align: center;
+font-variant: small-caps;
+font-weight: normal;
+}
+p.byline {
+text-align: center;
+font-style: italic;
+margin-bottom: 2em;
+}
+.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline {
+text-align: left;
+}
+.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum {
+color: #660000;
+}
+.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a {
+color: #AAAAAA;
+}
+a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover {
+color: red;
+}
+h1, h2, h3, h4, h5, h6 {
+font-weight: normal;
+}
+table {
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+}
+td.tocText {
+text-align: center;
+font-variant: small-caps;
+font-size: 1.2em;
+line-height: 1.5;
+}
+.tableCaption {
+text-align: center;
+}
+.arab { font-family: Scheherazade, serif; }
+.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; }
+.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; }
+.hebr { font-family: 'SBL Hebrew', Shlomo, 'Ezra SIL', serif; }
+.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; }
+/* CSS rules generated from rendition elements in TEI file */
+.small {
+font-size: small;
+}
+.large {
+font-size: large;
+}
+.center {
+text-align: center;
+}
+/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */
+.cover-imagewidth {
+width:496px;
+}
+.p1width {
+width:498px;
+}
+.titlepage-imagewidth {
+width:487px;
+}
+.xd32e135 {
+text-indent:4em;
+}
+.p2width {
+width:497px;
+}
+.p3width {
+width:497px;
+}
+.xd32e1661 {
+text-indent:2em;
+}
+.xd32e1663 {
+text-indent:6em;
+}
+.p4width {
+width:490px;
+}
+</style>
+</head>
+<body>
+<div>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 12070 ***</div>
+<div class="front">
+<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first"></p>
+<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/front.jpg" alt="Oorspronkelijke voorkant." width="496" height="720"></div><p>
+</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 frenchtitle"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first center large">Een Jolig Troepje
+</p>
+<p class="center">(8–10 jaar)
+</p>
+<p class="center">Een frisch boekje, met mooie plaatjes van Mevr. B. Midderigh-Bokhorst. <i>Ons Huis</i>.
+<span class="pageNum" id="xd32e81">[<a href="#xd32e81">2</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 frontispiece"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first"></p>
+<div class="figure p1width"><img src="images/p1.png" alt="Op eens struikelde ze ..." width="498" height="720"><p class="figureHead">Op eens struikelde ze …</p>
+</div><p>
+<span class="pageNum" id="xd32e87">[<a href="#xd32e87">3</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 titlepage"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first"></p>
+<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="487" height="720"></div>
+</div>
+</div>
+<div class="titlePage">
+<div class="docTitle">
+<h1 class="mainTitle">Een Jolig Troepje</h1>
+</div>
+<div class="byline">Door<br>
+<span class="docAuthor">Marie Leopold</span><br>
+(Schrijfster van Dolly, Hanneke, Rudi e.a.)<br>
+Met Vier Platen en Bandteekening<br>
+Van<br>
+B. Midderigh-Bokhorst</div>
+<div class="docImprint">Tweede Druk<br><br>
+<img src="images/decoration.png" alt="" width="150"><br><br>
+Gouda—G.B. Van Goor Zonen</div>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="xd32e114">[<a href="#xd32e114">4</a>]</span></p>
+<div class="div1 last-child advertisements"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first">Van Marie Leopold
+</p>
+<p>Verschenen bij Van Goor Zonen—Gouda
+</p>
+<ul>
+<li>Dolly
+</li>
+<li>Rudi
+</li>
+<li>Hanneke
+</li>
+<li>Kermiskindje en Dot
+</li>
+<li>Van Kinderen en hun Lievelingen</li>
+</ul><p>
+<span class="pageNum" id="xd32e126">[<a href="#xd32e126">5</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="body">
+<div id="ch01" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch01.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="label">Eerste hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">De eerste vacantiedag.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first"></p>
+<div class="lgouter">
+<p class="line">„’t Is vacantie! ’t blijft vacantie!
+</p>
+<p class="line xd32e135">Hoera, vacantie boven!
+</p>
+<p class="line">En als je dat niet zingen wilt,
+</p>
+<p class="line xd32e135">Dan moet je er aan gelooven!”</p>
+</div>
+<p class="first">zong Nel in haar nachtjapon, terwijl ze met een natte spons in de hand voor Dora’s
+bed stond.
+</p>
+<div class="lgouter">
+<p class="line">„Hoera! vacantie boven!
+</p>
+<p class="line xd32e135">En als je dat niet zingen wilt,
+</p>
+<p class="line">Dan moet je er aan gelooven!”</p>
+</div>
+<p class="first">Pats, de natte spons viel op Dora’s gezicht.
+</p>
+<p>„Wat is dat, br.… Nel, wat scheelt je? Br.…!” riep Door, die op eens rechtop in haar
+bed zat met een druipnat gezicht. „Dat is verraderlijk. Ik sliep zoo lekker. Kijk
+dat laken eens: kletsnat. Brr, geef me gauw mijn handdoek.”
+<span class="pageNum" id="xd32e149">[<a href="#xd32e149">6</a>]</span></p>
+<p>„Zul je dan zingen?”
+</p>
+<p>„Ja, ja, alles wat je wilt, maar geef eerst mijn handdoek. Gauw, ’t loopt met een
+straaltje achter in mijn nek.”
+</p>
+<p>„Nu, zing dan,” dreigde Nel, de spons voor Door in de hoogte houdende.
+</p>
+<div class="lgouter">
+<p class="line">„’t Is vacantie, ’t blijft vacantie,
+</p>
+<p class="line xd32e135">Hoera, vacantie boven!”</p>
+</div>
+<p class="first">viel Door in.
+</p>
+<div class="lgouter">
+<p class="line">„En ieder, die ’t niet zingen wil,
+</p>
+<p class="line xd32e135">Die moet er aan gelooven!”</p>
+</div>
+<p class="first">Hup, vloog ze ’t bed uit, greep Nel de spons uit de handen, doopte die één, twéé,
+drie in de lampetkan. En vóór Nel nog iets had kunnen doen, daar droop haar geheele
+gezicht. Toen begon een wilde jacht om de tafel, over bedden en stoelen, dat hooren
+en zien je verging. Midden in die dolle jacht zat rechtop in haar bed kleine Leni
+in de handen te klappen en mee te zingen.
+</p>
+<p>Zacht ging de deur open, wat Nel en Door in ’t vuur van haar spel niet hoorden. Nel
+was onder de tafel gekropen en sloeg met den handdoek naar <span class="pageNum" id="xd32e167">[<a href="#xd32e167">7</a>]</span>Door, die met een natte spons klaar stond om op haar vijandin in te stormen.
+</p>
+<div class="lgouter">
+<p class="line">„’t Is vacantie, ’t is vacantie …”</p>
+</div>
+<p class="first">„Maar kinderen, kinderen, dat belooft wat voor de vacantie,” lachte moeder.
+</p>
+<p>„O moeder, we hebben zoo’n pret,” juichte Leni met een hoogroode kleur.
+</p>
+<p>„Maar kijk eens, een beekje is er uit de spons geloopen van de lampetkan naar den
+stoel.”
+</p>
+<p>„Ja, dáár,” zei Door plechtig, „kreeg ik den vijand in handen.”
+</p>
+<p>„Wat is dat?” riep moeder verschrikt, toen Leni haar met een sprongetje op den rug
+zat.
+</p>
+<p>„Ook een vijand, maar een droge, dat zijn natte,” zei Leen, terwijl ze naar Nel en
+Door wees. „O, moesje, zing nu gauw, anders komt Door met haar natte spons,” en toen
+begonnen allen weer te zingen:
+</p>
+<div class="lgouter">
+<p class="line">„’t Is vacantie, ’t blijft vacantie,
+</p>
+<p class="line xd32e135">Hoera, vacantie boven!
+</p>
+<p class="line">En als je dat niet zingen wilt,
+</p>
+<p class="line xd32e135">Dan moet je er aan gelooven!”</p>
+</div>
+<p class="first">En voor ze ’t uit hadden, kwam in zijn hanssopje <span class="pageNum" id="xd32e187">[<a href="#xd32e187">8</a>]</span>kleine broer, die zóó verbaasd was over dit vroolijke tooneeltje in den vroegen morgen,
+dat hij stil bleef staan, maar toch telkens de laatste woorden van iederen regel trachtte
+mee te zingen.
+</p>
+<p>„Nu een, twee, drie voortgemaakt, kinderen. Zie eens, wat is ’t al laat. Kom, kleine
+broekeman, ga jij maar met mij mee, dan kunnen de dames zich kalm aankleeden.”
+</p>
+<p>„Jouw gezicht is in tijden niet zoo flink nat geweest, Nel,” plaagde Door.
+</p>
+<p>„En jij bent in tijden niet zoo vroeg uit je bed gesprongen,” plaagde Nel terug.
+</p>
+<p>„Ja, ’t is zonde, dat ik er al uit ben,” en met een verlangenden blik keek ze naar
+haar bed.
+</p>
+<p>„Ik kroop er nog weer in, als ik jou was.”
+</p>
+<p>„Nee, dank je, dan zijn jij en Leni al klaar, als ik mij nog aan moet kleeden.” Maar
+toch verplaatste Door zich er een oogenblik in, hoe lekker het zou wezen nog eens
+eventjes er in te kruipen. Zoo’n vacantie was juist zoo heerlijk, vond ze, omdat je
+dan niet zoo „onmogelijk” vroeg op behoefde te staan. Half acht vond ze nu eenmaal
+„onmogelijk” vroeg. Ze vond alles trouwens gauw „onmogelijk”, vooral als ze er geen
+lust in had.
+<span class="pageNum" id="xd32e196">[<a href="#xd32e196">9</a>]</span></p>
+<p>„Zeg eens, Door, zou ik mijn nieuwe gele schoentjes aan mogen doen?” vroeg Leni.
+</p>
+<p>„Ik weet ’t niet, schattepoes.”
+</p>
+<p>„Trek jij je gele schoentjes maar aan, hoor,” zei Nel. „’t Is vandaag feest, omdat
+de vacantie begonnen is, en die schoentjes heb je gekregen voor Zon- en Feestdagen.”
+</p>
+<p>„Zou moesje ’t goed vinden?” weifelde Leni.
+</p>
+<p>„Natuurlijk vindt ma het goed,” pleitte Nel weer. „Zie je, den rechter schoen doe
+je aan, omdat het de eerste vacantiedag is en dus een feestdag, en den linker, ja
+den linker …”
+</p>
+<p>„Ik weet het: den linker doe ik aan, omdat Bob en Hansje komen.”
+</p>
+<p>„O ja, hoe leuk. Wacht, ik zal je even helpen ter eere van Bob en Hansje.”
+</p>
+<p>„En ik voor den eersten vacantiedag: Ga maar op den rand van je ledikant zitten. Beenen
+stijf houden, hoor.”
+</p>
+<p>„O, jullie gooit mij haast om,” zei Leni met een wanhopig gezicht.
+</p>
+<p>„Dat is niets, hou je maar flink vast, je valt niet in ’t water. Wacht, nog een duwtje.
+Wat is dat?”
+</p>
+<p>Daar lag Leni achterover in bed met de beenen <span class="pageNum" id="xd32e210">[<a href="#xd32e210">10</a>]</span>in de lucht te spartelen. Nel en Door lachten, dat de tranen haar over de wangen liepen
+en met de kam begon Nel de maat te slaan:
+</p>
+<div class="lgouter">
+<p class="line">„’t Is vacantie, ’t blijft vacantie,
+</p>
+<p class="line xd32e135">Twee gele schoentjes boven!
+</p>
+<p class="line">Wie dat niet met ons zingen wil,
+</p>
+<p class="line xd32e135">Die moet er aan gelooven!”</p>
+</div>
+<p class="first">En met de beenen in de lucht hoorde men Leni meezingen.
+</p>
+<p>„Laten we ons nu gauw klaar maken. Lieve deugd, kijk eens op de klok.”
+</p>
+<p>„Ja, maar mijn schoenen zitten nog niet goed,” klaagde Leen, die met veel moeite uit
+het bed geklauterd was.
+</p>
+<p>„Stamp maar op den grond, dan zul je er wel in schieten,” zei Door. „Toe, Nel, jij
+bent al verder dan ik, help jij haar even met ’t haar. Ik moet mij nog wasschen. Maar
+waar is mijn handdoek? Wie heeft mijn handdoek toch gezien?”
+</p>
+<p>„Pak den mijnen maar, die hangt op den stoel. Wat doe je?” vroeg Nel, toen Door den
+handdoek recht voor zich uit hield en dien aandachtig bekeek.
+</p>
+<p>„Ik zoek overal je natte puntje,” zei ze plagend.
+<span class="pageNum" id="xd32e227">[<a href="#xd32e227">11</a>]</span></p>
+<p>„Denk je, dat ik mij na dat waterbad van jou nog ben gaan wasschen? Dank je wel, hoor.
+Ik heb mij lekkertjes met den handdoek afgedroogd. Wees maar blij, je kunt hem nu
+heerlijk gebruiken. Hoe jij zoo’n ding ook altijd zoo nat krijgt, is mij een raadsel.
+Je kunt toch wel schoon worden zonder zoo te plassen? Bah! Dat koude water, daar moet
+ik niets van hebben.”
+</p>
+<p>„En ik vind dat koude water nu juist zoo „onmogelijk” lekker. Zoo met je geheele gezicht
+in de kom,” zei Door, terwijl ze voorover ging staan en haar gezicht nat gooide. „Lekker!”
+</p>
+<p>„Je schreeuwde toch maar moord en brand, toen ik met de natte spons voor je bed stond,”
+lachte Nel.
+</p>
+<p>„Nu ja, die aanval was ook verraderlijk.”
+</p>
+<p>„Maar Door! Pas toch op, het wordt hier nog een overstrooming. Je sputtert de geheele
+waschtafel onder en zie den spiegel eens.”
+</p>
+<p>„Dat zijn dauwdroppels,” lachte Door.
+</p>
+<p>„Andere dauwdroppels zul jij ook wel nooit te zien krijgen,” plaagde Nel terug.
+</p>
+<p>„Ziezoo, schattepoes, zeg nu eens of ik je niet een mooie kuif heb gemaakt: wacht,
+ik zal je even <span class="pageNum" id="xd32e238">[<a href="#xd32e238">12</a>]</span>optillen voor den spiegel. Die Door ook met haar geplas, hé? Je kunt bijna niet in
+den spiegel zien, zoo heeft zij hem besputterd.”
+</p>
+<p>„Kijk toch eens. Zie je waar dat op lijkt?” zei Door, met een druipnat gezicht naar
+een plas op de waschtafel wijzende.
+</p>
+<p>Leen en Nel keken en keken.
+</p>
+<p>„Een molshoop,” zei Nel eindelijk.
+</p>
+<p>„Wel nee, kijk eens goed.”
+</p>
+<p>„Een hoed met een veer,” raadde Leni.
+</p>
+<p>„Och nee, ook niet.”
+</p>
+<p>„Zeg het maar,” vleide Leni.
+</p>
+<p>„Neen, neen, niet dadelijk zeggen: een meertje,” zei Nel.
+</p>
+<p>„Dat is flauw, o, als ik zóó sta, kom eens even op mijn plaats, dan is ’t sprekend,
+’t Lijkt op een dier,” helderde ze op.
+</p>
+<p>„Een kameel,” zei Nel weer.
+</p>
+<p>„Och neen, je zegt maar wat. Een dier, dat wij allen goed kennen.”
+</p>
+<p>„Nu zie ik het,” riep Leni. „Julia! Kijk, ze zit recht-op. Dat is haar kop. Zie je
+haar oortjes?”
+</p>
+<p>„Nu zie ik het ook,” riep Nel opgetogen.
+</p>
+<p>„Waar is haar staart, haar mooie dikke staart?”
+<span class="pageNum" id="xd32e256">[<a href="#xd32e256">13</a>]</span></p>
+<p>„Die houdt ze vast, ze staat er met haar voorpootjes op.”
+</p>
+<p>„Och, kijk die oortjes toch, hoe sprekend. Dag, oude, lekkere, natte poesekop,” zei
+Leni.
+</p>
+<p>„O, waar is de snor? De snor, waar Julia zoo trotsch op is,” vroeg Nel.
+</p>
+<p>„Neen, een snor heeft ze niet, dat is jammer,” zei Leni.
+</p>
+<p>„Dat is niets, ga maar een eindje van de waschtafel af, dan sputter ik die er even
+bij.” Brr! brr! naar alle kanten vloog het water.
+</p>
+<p>„Och, hoe jammer, nu heb je haar heelemaal bedorven. Die aardige oortjes lijken wel
+olifants-ooren.”
+</p>
+<p>„En arme Julia heeft zich een dikken neus gestooten,” lachte Nel. „Zie dat propje
+eens. Maar kom, Dorus, maak nu toch voort, je komt zoo nooit klaar.”
+</p>
+<p>„Wij gaan vast naar beneden.”
+</p>
+<p>„Wie ’t eerst de trap af is,” zei Leni.
+</p>
+<p>„Even wachten,” riep Door. „Ik ben dadelijk klaar.”
+</p>
+<p>„Nu, eventjes dan.”
+</p>
+<p>„Zeg eens, Nel, waar is mijn haarlintje? Ik weet zeker, dat ik het gisteravond hier
+op de tafel gelegd <span class="pageNum" id="xd32e271">[<a href="#xd32e271">14</a>]</span>heb,” zei ze, terwijl ze met de linkerhand het toefje haar vasthield en met de rechter
+allerlei dingen optilde en verlegde. „Wat is ’t hier ook een „onmogelijke” rommel
+op tafel. Zoo kun je ook niets vinden,” mopperde ze.
+</p>
+<p>„Dat haarlintje van jou is ook een veel te net lintje om tusschen zoo’n „onmogelijken”
+rommel te willen liggen. Kijk, hier heb ik het al.”
+</p>
+<p>„Waar was het?”
+</p>
+<p>„Op je kussen lag het, eenzaam en verlaten.”
+</p>
+<p>„O, ja, ik kon gisteravond nergens een bandje vinden en moest het lintje wel gebruiken.
+Ziezoo, klaar,” zei ze even later. „Wie ’t eerst beneden is. Ik zal tellen. Eén, twee,
+drie.”
+</p>
+<p>Vóór Nel of Door het zagen, had Leni haar eene been over de leuning gegooid en gleed
+naar beneden. „Gewonnen!” riep ze en stormde door naar de achterkamer, waar mevrouw
+Van Brakel bezig was voor ’t ontbijt te zorgen.
+</p>
+<p>„Dag, moesje.”
+</p>
+<p>„Kindje, kindje, ik was werkelijk bang, dat je nooit klaar zou komen.”
+</p>
+<p>„Ik heb het gewonnen, moesje. We deden wie ’t eerst beneden was. Door telde en flap!
+gooide <span class="pageNum" id="xd32e283">[<a href="#xd32e283">15</a>]</span>ik mijn beenen over de leuning, nou—en toen was ik ’t eerst beneden. Door moest nog
+wel vijf treden doen. Jammer, dat u zulke lange rokken hebt, dan is het natuurlijk
+erg moeilijk, ’t Gaat anders zoo heerlijk vlug. Je wint het zoo—altijd.”
+</p>
+<p>„Ik zal er toch maar afloopen,” lachte moeder.
+</p>
+<p>„Dan win ik het altijd van u, echt waar.”
+</p>
+<p>Even later kwamen Nel en Door in de kamer.
+</p>
+<p>„Dag, maatje, dag, vader.”
+</p>
+<p>„Treuzeltjes! Zijn jullie al op?” zei vader plagend.
+</p>
+<p>„Maar, vadertje, u weet ook niet hoe moeilijk ’t is in de vacantie vlug voort te maken.”
+</p>
+<p>„Of ’t moeilijk is!”
+</p>
+<p>„Kijk eens, ma,” zei Leni, terwijl ze triomfantelijk haar gele schoentjes liet zien.
+</p>
+<p>„Maar, Leni, kind, ’t is toch geen Zondag. Hoe kom je daarbij, je nieuwe schoenen
+…”
+</p>
+<p>„Moeder, ’t is een feestdag,” zei Nel plechtig, „en deze schoentjes zijn voor Zon-
+en Feestdagen.”
+</p>
+<p>„Een feestdag?”
+</p>
+<p>„Bedenkt u zich maar eens goed.”
+</p>
+<p>„Ik geloof, dat ik het begrijp,” lachte vader.
+</p>
+<p>„Een feestdag? Jullie houdt mij voor den mal, ik begrijp er niets van.”
+<span class="pageNum" id="xd32e301">[<a href="#xd32e301">16</a>]</span></p>
+<p>Toen begonnen alle drie de meisjes te zingen:
+</p>
+<div class="lgouter">
+<p class="line">„’t Is vacantie, ’t blijft vacantie,
+</p>
+<p class="line xd32e135">Hoera, vacantie boven!
+</p>
+<p class="line">Wie dat niet met ons zingen wil,
+</p>
+<p class="line xd32e135">Die moet er aan gelooven!”</p>
+</div>
+<p class="first">„Ja, ja, jullie hebt gelijk, òf het een feestdag is.”
+</p>
+<p>„’t Is eigenlijk een ketting van feestdagen,” vond Leni.
+</p>
+<p>„En, moes, we zijn nog heel bescheiden geweest ook, want voor de ketting van feestdagen
+hebben we Leni alléén maar den rechter schoen aangedaan.”
+</p>
+<p>„Alleen maar den rechter? Nu wordt het nog mooier. En waarvoor kreeg ze dan wel den
+linker aan?”
+</p>
+<p>„Ook voor een feestdag.”
+</p>
+<p>„O, ’t is onmogelijk, u raadt het nooit, nooit, zeg ik.”
+</p>
+<p>„’t Is ook wel wat „onmogelijk” vroeg voor al die raadseltjes,” zei vader.
+</p>
+<p>„’t Begint met …” wilde Leni helpen.
+</p>
+<p>„Begin alsjeblief niet met: ’t begint met,” zei Nel, „dat is zulk flauw raden.”
+</p>
+<p>„’t Begint met Hans en Bob,” raadde moeder.
+</p>
+<p>„Hoera voor onze knappe moes! Waar blijft Dolf toch?”
+<span class="pageNum" id="xd32e323">[<a href="#xd32e323">17</a>]</span></p>
+<p>„Hier ben ik: Dag vader, moeder, allemaal.”
+</p>
+<p>„Zoo, studiosus!”
+</p>
+<p>„Hè, Dolf, hoe kom je zoo laat?”
+</p>
+<p>„Och ja, jullie met je vervelend lawaai. Ik kon gewoon niet slapen.”
+</p>
+<p>„Stumperd!”
+</p>
+<p>„Wees nu maar niet zoo flauw, Nel. Moeder, mag ’k een boterham?”
+</p>
+<p>„Ze staat er al lang en je kopje thee ter eere van de vacantie is, vrees ik, al koud
+geworden.”
+</p>
+<p>„Vacantie bofe, mammi?” zei kleine Frits met een lief vraagstemmetje.
+</p>
+<p>„Ja, kleine grappenmaker.”
+</p>
+<p>„Heb je ons hooren zingen, Dolf?” vroeg Nel.
+</p>
+<p>„Hooren zingen? Ik dacht, dat de zolder minstens naar beneden zou komen.”
+</p>
+<p>„Dat zou voor een eersten vacantiedag indrukwekkend geweest zijn,” vond Nel.
+</p>
+<p>„En „onmogelijk” gezellig voor jou, als we met ons drietjes zoo plotseling voor je
+neus stonden.”
+</p>
+<p>„Onmogelijk, onmogelijk,” praatte Frits Door na.
+</p>
+<p>Allen proestten het uit.
+</p>
+<p>„Geef mij daar eens gauw een kus voor, lekkere vent. Nee, zoo gemakkelijk kom je er
+niet van af. <span class="pageNum" id="xd32e343">[<a href="#xd32e343">18</a>]</span>Ook een op deze wang en nog een: het deftigste aller kusjes, één op mijn voorhoofd.”
+En toen greep Nel Fritsjes handjes en begonnen ze samen te zingen:
+</p>
+<div class="lgouter">
+<p class="line">„’t Is vacantie, ’t blijft vacantie,
+</p>
+<p class="line xd32e135">Hoera, vacantie boven!
+</p>
+<p class="line">Wie dat niet met ons zingen wil,
+</p>
+<p class="line xd32e135">Die moet er aan gelooven.”</p>
+</div>
+<p class="first">„Vacantie bofe blijfe? Vacantie nog in bedje? Vacantie stout geweest, mammi?” vroeg
+Fritsje, die meende dat „vacantie” een ondeugend jongetje was en voor straf boven
+moest blijven.
+</p>
+<p>„Jij bent een grappenmaker en mammi’s kereltje, hoor.”
+</p>
+<p>„Wie onze logés wil halen, zorge over een kwartier klaar te zijn,” kwam vaders stem
+om den hoek van de deur.
+</p>
+<p>Toen was ’t een gevlieg en geloop naar alle kanten.
+</p>
+<p>„Mijn hoed, mijn hoed, wie heeft hem gezien?” riep Door wanhopig.
+</p>
+<p>„Misschien op je kussen bij je haarlintje,” plaagde Nel.
+</p>
+<p>„Wees nu niet zoo flauw,” bromde Door. „Jij hebt gemakkelijk praten, jij behoeft nooit
+naar je dingen te zoeken. Maar als ik mijn hoed of mijn <span class="pageNum" id="xd32e360">[<a href="#xd32e360">19</a>]</span>mantel ergens neerleg, kan ik ze later nooit terugvinden.”
+</p>
+<p>„Ik leg ze ook niet „ergens” neer.”
+</p>
+<p>„Zoo? Wat doe jij dan?”
+</p>
+<p>„Ik hang ze op den stander natuurlijk.”
+</p>
+<p>„Ik durf wedden, als ik mijn hoed dáár hang, dat hij toch weg is, als ik hem hebben
+moet.”
+</p>
+<p>„Probeer ’t eens,” lachte Nel. „Drie dagen kun je ’t misschien wel volhouden,” en
+weg holde ze.
+</p>
+<p>„Moesje, weet u hem ook?”
+</p>
+<p>„Neen, werkelijk niet.”
+</p>
+<p>„’t Is zoo’n „onmogelijk” zoeken, als je in ’t geheel niet kunt bedenken, waar zoo’n
+ding zit,” zuchtte Door wanhopig.
+</p>
+<p>„Mag Foxje mee, vader?”
+</p>
+<p>„Neen, jongen, geen honden aan den trein.”
+<span class="pageNum" id="xd32e374">[<a href="#xd32e374">20</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch02" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch02.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="label">Tweede hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">De logétjes.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Vijf minuten later was ’t heele gezelschap op weg naar het station, behalve moeder,
+die met Fritsje liever thuis bleef, en Door, die als een wanhopige kamer in, kamer
+uit rende om haar hoed te zoeken. Met donderend geraas kwam de trein binnenstuiven.
+</p>
+<p>„Zag je de coupé met de vlaggetjes?” riep Nel opgewonden. „Ik durf wedden, dat ze
+daarin zitten. Dat is net iets voor oom Karel.”
+</p>
+<p>Nel en Dolf renden er naar toe. Vader en Leni konden zoo vlug niet. Maar voor ze bij
+de coupé kwamen, was mijnheer Van Lichtenvoorde met zijn beide jongetjes al uitgestapt.
+’t Was een vroolijke begroeting.
+</p>
+<p>„Zagen jullie onze vlaggetjes wel?” vroeg Hans.
+</p>
+<p>„Nou, òf we,” zei Dolf. „Nel zei dadelijk, dat <span class="pageNum" id="xd32e385">[<a href="#xd32e385">21</a>]</span>jullie zeker in die coupé zat. Pas op, houd ze vooral voorzichtig vast. ’t Is hier
+zoo druk.”
+</p>
+<p>„Hoera, daar heb je Door. Zie ze eens loopen,” zei Nel.
+</p>
+<p>„Dag oom, dag jongens!”
+</p>
+<p>„Dag Dorus,” zei oom Karel, „meisje, meisje, wat heb je geloopen.”
+</p>
+<p>„Maar Door, wat heb je nu op?” vroeg Nel.
+</p>
+<p>„Mijn ouden tuinhoed. Ik kon mijn schoolhoed nergens vinden. Ja, waar dat ding nog
+eens vandaan mag komen, <i>ik</i> weet het niet,” zei ze met een grappig wanhopig gezicht.
+</p>
+<p>„Kinderen, ga jullie nu vooruit,” zei mijnheer Van Brakel, „oom en ik komen dan langzaam
+achteraan.”
+</p>
+<p>„Zullen we een wedloop houden, wie ’t eerst bij de brug is?”
+</p>
+<p>„Uitstekend,” vond Nel. „Ik neem Hans; Door, neem jij Bob en Dolf Leni. Eén, twee,
+drie; neen Dolf, allen te gelijk beginnen, een beetje achteruit. Ziezoo, nu staan
+we allen goed: een, twee, drie!” Daar gingen ze.
+</p>
+<p>„Gewonnen!” riep Door, nog hijgende en blazende. „Bob, jongen, steek je vlag op.”
+</p>
+<p>„Als die dikke mijnheer ons niet in den weg geloopen <span class="pageNum" id="xd32e402">[<a href="#xd32e402">22</a>]</span>had, waren wij jullie vóór geweest,” zei Nel, die met Hansje nummer twee was.
+</p>
+<p>„Dikke heer, of niet, wij hebben het gewonnen. Maar kijk Dolf eens: die schiet warempel
+niet hard op. O, ik zie het al, Leni zwoegt onder haar nieuwe schoenen.”
+</p>
+<p>„Als je van zwoegen onder iets wil praten, dan zou ik zeggen, dat jij zwoegt onder
+je kostelijk mooie tuinhoedje,” lachte Nel. „Je ziet tenminste zoo rood als een kreeft.”
+</p>
+<p>„Eindelijk,” zei Leni met een ongelukkig gezichtje, „die nare schoenen.”
+</p>
+<p>„Dat was een treurige wedloop, hè Leen? Jij moet je linker en rechter feestdag maar
+zoo gauw mogelijk uittrekken, als je thuis komt, dan vier je opnieuw feest. Maar kom,
+we moeten voortmaken. Pa en oom Karel zullen ons nog inhalen. Geef mij maar een arm,
+hinkelepinkje.”
+</p>
+<p>„Doortje, is de koffer al gekomen?” vroeg Hansje.
+</p>
+<p>„De koffer? Nee, hoor, ten minste ik weet er niets van.”
+</p>
+<p>„’t Is een heele groote, wel van dit paaltje tot dat.”
+</p>
+<p>„Hij is nog véél grooter,” zei Bob gewichtig, „wel <span class="pageNum" id="xd32e414">[<a href="#xd32e414">23</a>]</span>zóó.” Hij liep vooruit om aan te toonen, hoe groot wel.
+</p>
+<p>Hans hield zich stil, hij vond, dat Bob den koffer nu wel wat héél groot maakte. Maar
+hij vond het toch jammer dit te zeggen.
+</p>
+<p>„Dan ben ik toch werkelijk bang,” zei Nel, die best begreep, dat Bob overdreef, „dat
+die reuzenkoffer niet bij ons de voordeur in kan en dus in ’t geheel niet in jullie
+slaapkamertje kan staan. Ma zal hem dan zeker wel in het schuurtje laten zetten.”
+</p>
+<p>„In het schuurtje?” Een paar verschrikte oogen keken Nel aan. „Onze mooie koffer?”
+</p>
+<p>„Ja, waar de cokes en de turf geborgen wordt.”
+</p>
+<p>„Misschien is hij toch wel een beetje kleiner. Zou hij niet een beetje kleiner zijn,
+Bobbie?”
+</p>
+<p>Bob knikte. „Maar ’t is toch een groote.”
+</p>
+<p>„Moesje, daar zijn we. Oom en Vader komen achteraan.”
+</p>
+<p>„Dag, jongens; wèl, wèl, wat hebben jullie mooie vlaggetjes.”
+</p>
+<p>„Spritsje, vlagje, Mammi?” vleide kleine Fritsje.
+</p>
+<p>„Mag Fritsje je vlagje even hebben, Bob?”
+</p>
+<p>„Hoera, ma vergist zich. Dit is Hans en dat is Bob. Nu zal ik jullie eens even door
+elkaar rommelen. Niet kijken, ma.” Dolf draaide Hans en Bob <span class="pageNum" id="xd32e429">[<a href="#xd32e429">24</a>]</span>als twee tolletjes om elkaar heen. „Doet u nu de oogen maar weer open. Nu …?”
+</p>
+<p>„Ja, jongens, dat is niet gemakkelijk. Ik geloof … ik geloof …, dat ik hier Hansje
+Pansje bij ’t oor heb,” lachte mevrouw Van Brakel.
+</p>
+<p>„Geraden.”
+</p>
+<p>„Dat Hansje Pansje, Mammi?” kwam Frits met zijn lief stemmetje er tusschen.
+</p>
+<p>„Ja, kleine vent. Hansje Pansje. Nu zullen we maar eerst een boterham gaan eten. Jullie
+buikjes zijn zeker leeg en hol.”
+</p>
+<p>Hans en Bob knikten, dat hunne bolletjes er bijna afrolden en natuurlijk deed Fritsjes
+bolletje op de maat mee.
+</p>
+<p>„Daar komen vader en oom Karel al aan. Door, zet gauw den grooten stoel met het kussen
+voor oom klaar.”
+</p>
+<p>„Och, kijk eens, Bobbie, wat een aardige poes,” riep Hansje. „Effentjes haar een kusje
+geven, tante?”
+</p>
+<p>„Zeker, geef jij Julia maar een kusje.”
+</p>
+<p>Maar Julia had op dat oogenblik in ’t geheel geen lust in een kusje en stapte statig
+den tuin in, zonder ook maar naar de jongens om te zien. ’t Was duidelijk, dat zij
+zich eerst wat wilde opknappen, voor <span class="pageNum" id="xd32e442">[<a href="#xd32e442">25</a>]</span>ze aan Hans en Bob zou worden voorgesteld. Met één sprongetje zat ze op de schutting
+en ging toen kalm haar toilet maken.
+</p>
+<p>Ja, Julia was een ijdel poesje.
+</p>
+<p>„Is ze bang, dat wij haar in den staart willen knijpen, of bij een achterpoot in de
+hoogte tillen, zooals Jaap altijd doet, tante?”
+</p>
+<p>„Jaap, wie is Jaap?”
+</p>
+<p>„Jaap harkt onzen tuin op. En als hij kikkers vindt, doet hij ze in een doosje. Een
+kikkertje spant hij er voor, dat is het paard, zegt hij. Bobbie en ik vinden uit rijden
+gaan prettig, maar niet als we kikkers waren. En dan met zoon kikkerpaard, dan zouden
+we zeker zeeziek worden. Want dat doosje wipt zóó, hup, hup, net als de kikker. Bobbie
+en ik hebben eens het doosje opengemaakt, toen Jaap in ’t gras een koetsiertje zocht.”
+</p>
+<p>„En was Jaap ook boos, toen hij het zag?”
+</p>
+<p>„Hij lachte. Jaap wordt nooit boos. Hij zei.… wat zei hij ook weer, Bobbie?”
+</p>
+<p>„Hij maakte het kikkerpaard los en zei: „ga maar gauw naar je vrindjes.”
+</p>
+<p>„Toch aardig van Jaap,” lachte Nel.
+</p>
+<p>„Jaap maakt ook altijd wagentjes van wortels en <span class="pageNum" id="xd32e454">[<a href="#xd32e454">26</a>]</span>kransjes van bloemen. Dan doet hij poes en Bruno er een om. Maar die vinden dat niet
+prettig, hoor. Jaap zegt dan altijd, dat ze jarig zijn. Maar zoo vaak kun je niet
+jarig zijn. Maatje zegt, maar eenmaal in ’t jaar en een jaar duurt heel lang, hè tante?”
+</p>
+<p>„Zeker, heel lang, maar eet nu eerst jullie boterhammen. Vader heeft niet zooveel
+tijd.”
+</p>
+<p>„Gaat u al zoo gauw weg, oom?”
+</p>
+<p>„Ja zeker, Door. Ik heb even mijn kaboutertjes hier gebracht, maar veel tijd heb ik
+niet. Maar Dorus, kind, ik begrijp niet, hoe het komt, maar ik kan niet zeggen, dat
+ik gemakkelijk op dezen stoel zit. Het schijnt aan het kussen te liggen. Ik zal het
+dingetje er maar even uitnemen. Wat is dat?” zei Oom, en hield Doors hoed geheel platgedrukt
+in de hoogte, „die stumperd kon zijn pleizier ook wel op onder het kussen.”
+</p>
+<p>„O moeder!” Door werd zoo rood als vuur.
+</p>
+<p>„O, kijk eens, kijk eens, je hoed lijkt wel een vogelnestje,” riep Dolf.
+</p>
+<p>„Door, Door, zul je dan ook nooit eens een beetje netter worden,” zei mevrouw Van
+Brakel hoofdschuddend. „Reken er maar op, dat je den geheelen <span class="pageNum" id="xd32e464">[<a href="#xd32e464">27</a>]</span>zomer met je vogelnestje moet blijven loopen. Zulke slordige meisjes zijn geen nieuwe
+hoeden waard. Waar blijft Leni toch? Dolf, ga jij haar eens roepen, zij is zeker weer
+bij het kippenhok. O, daar komt ze juist aan. Leni, kind, waar blijf je toch?”
+</p>
+<p>„O, moesje, sneeuwwitje deed zoo raar,” zei Leni schreiende. „En nu is ze dood, ze
+ligt geheel stijf en de dwergjes loopen om haar heen en begrijpen er niets van.”
+</p>
+<p>Hans, die juist zijn glaasje melk in de hand hield, liet het van schrik uit zijn handen
+vallen, zoodat alle melk van de tafel op zijn broek en vervolgens op den grond stroomde.
+</p>
+<p>„O, paatje, hier, hier—is een sneeuwwitje.”
+</p>
+<p>„En—enne, ook—dwergjes,” zei Bob met een hoogroode kleur.
+</p>
+<p>Leni, die in het geheel niet verwacht had, dat dit bericht zoo’n uitwerking op de
+tweelingen zou hebben, bleef als versteend in de deur staan. Moeder, vader, oom, Dolf
+en de meisjes barstten in een onbedaarlijk lachen uit. Fritsjes hoog stemmetje hoorde
+men gedurig boven alles uit.
+</p>
+<p>„O, mammi, Hansje Pansje glaasje melk omgesmijt. Stout Hansje Pansje, hè mammi?”
+<span class="pageNum" id="xd32e473">[<a href="#xd32e473">28</a>]</span></p>
+<p>„O, houd op, ik kan niet meer,” gilde Nel. „Jongens, kijk me als je blieft niet zoo
+verbaasd aan. Ik houd het niet uit. ’t Is tè mooi.”
+</p>
+<p>Door rende de kamer uit om een vaatdoek.
+</p>
+<p>Hans en Bob keken met verwonderde gezichtjes het geheele gezelschap aan. ’t Had er
+veel van, of allen een uitvoering ten beste gaven en Hans en Bob het publiek uitmaakten.
+</p>
+<p>Toen het gelach even bedaard was, zei Hans, als om zich te verontschuldigen, half
+schreiend: „maar, paatje, Leni <i>zei</i> het toch.”
+</p>
+<p>„Ja, ja, Leni <i>zei</i> het ook, ventje,” en weer proestte oom Karel het uit.
+</p>
+<p>„’t Is maar een kip, een witte kip,” brulde Dolf.
+</p>
+<p>„Is er,—is er dan geen sneeuwwitje?” vroeg Hans.
+</p>
+<p>„En waar zijn dan de dwergjes, zijn er óók geen dwergjes?” vroeg Bob. Duidelijk klonk
+er teleur-stelling in hun stemmetjes.
+</p>
+<p>„Och neen, kleine vent,” zei Nel, die nu toch medelijden met hen kreeg. „Wij noemen
+de krielkipjes dwergjes, omdat ze zooveel kleiner zijn dan de andere. Of beter gezegd,
+Leni geeft de kippenfamilie zulke mooie namen. Wij zullen jullie straks <span class="pageNum" id="xd32e491">[<a href="#xd32e491">29</a>]</span>aan het heele troepje voorstellen. Als Leni morgen plotseling bericht, dat „Slokop
+dood in haar hok ligt” of dat „Asschepoes een ei heeft gelegd,” dan gooit Hansje Pansje
+misschien van schrik een heele kan met melk om.”
+</p>
+<p>Het koffiedrinken liep verder zonder stoornis af.
+</p>
+<p>„Nu, kinderen,” zei oom Karel een tijdje later, „ik moet weer weg, hoor. Ik heb in
+tijden niet zoo heerlijk gelachen. Waar zijn mijn kaboutertjes?”
+</p>
+<p>„Hier, paatje,” kwam er een stem uit het grasveld. „Ik zit in de zon voor mijn natte
+broekspijp en Bobbie maakt een krans voor ons sneeuwwitje.”
+</p>
+<p>„Wel verbazend, jullie hebt het maar druk. Maar de tijd voor een kusje kan er toch
+zeker wel af.” Toen vlogen twee aardige jongens naar hun paatje toe. „Dag, paatje,
+dit kusje aan ma brengen en dit aan Bruno, en dit.…”
+</p>
+<p>„Dank je wel, als ik ze alle weggeef, blijft er voor mij zelf niets over.”
+</p>
+<p>„U hebt ze toch zelf eerst een poosje mogen houden,” zei Bob.
+</p>
+<p>„Dat is waar ook,” lachte vader, „en als poes toevallig op de muizenjacht is en Bruno
+maakt een wandeling met vriend Turk, dan houd ik ze stil zelf, hoor.”
+<span class="pageNum" id="xd32e502">[<a href="#xd32e502">30</a>]</span></p>
+<p>„O, oompje, dan is het goed, dat het geen appelbollen zijn, dan kreeg u vast een overladen
+maag,” lachte Door.
+</p>
+<p>„Vind jij appelbollen misschien „onmogelijk” lekker?”
+</p>
+<p>„Onmogelijk, oompje,” zei Door met overtuiging.
+</p>
+<p>„Hier, meisje, heb je dan wat van mij, dan kun je het geheele gezelschap op appelbollen
+trakteeren.”
+</p>
+<p>„Dank u wel, hoera! Kinderen, vanavond zal een regiment appelbollen zijn intrede in
+den huize Van Brakel doen.”
+</p>
+<p>„Met het oog op onze logétjes vind ik beter de appelbollenpartij tot morgen uit te
+stellen,” zei moeder. „De kleuters moeten vanavond niet te laat naar bed.”
+</p>
+<p>„Dus morgen, heerlijk,” zei Nel.
+</p>
+<p>„Maar Bob, wat doe je toch?” vroeg Door.
+</p>
+<p>Bobbie, voorover in het gras liggend, zat Julia aandachtig te bestudeeren. Al een
+paar keer had hij moeite gedaan haar oogleden op te lichten, zoodat poes, wie deze
+handtastelijkheden blijkbaar danig begonnen te vervelen, bedaard Bob den rug toekeerde,
+langzaam, met deftige passen, om het perk met viooltjes heen stapte en toen op eenigen
+afstand van <span class="pageNum" id="xd32e514">[<a href="#xd32e514">31</a>]</span>haar kleinen plaaggeest ging zitten. Ze kneep haar beide oogjes toe tot op een kiertje,
+vleide haar staartje met het grappige zwarte puntje keurig langs haar voorpootjes
+en bleef zóó in diep nadenken verzonken.
+</p>
+<p>„Effentjes kijken, hoe laat het is,” antwoordde Bob.
+</p>
+<p>„Hoe laat het is. Denk je dan soms, dat onze Julia een horloge draagt?”
+</p>
+<p>„Jaap zegt,” zei Bob, „dat de oogen van een poes net klokjes zijn; je kunt er op zien,
+hoe laat het is.”
+</p>
+<p>„Ja,” zei Hans, „Jaap zegt: als ’t pilletje in zijn oogen als een recht streepje omhoog
+staat, is het twaalf uur.”
+</p>
+<p>„Het pilletje? O, de pupil,” gierde Door.
+</p>
+<p>„Nel, Dolf en Leni, hoort eens, wat onze logétjes vertellen. O, „onmogelijk” leuk!”
+</p>
+<p>„’t Is maar jammer,” zei Dolf lachend, „dat de poesjes zelf zoo weinig pleizier van
+hun horloge hebben.”
+</p>
+<p>„Maar ’t is nu zeker al veel later,” zei hij, naar Julia kijkend, die nu het heele
+troepje met haar ernstige oogen zat op te nemen.
+</p>
+<p>„Het pilletje lijkt in ’t geheel niet op een recht wijzertje. Kijk, ’t is een klein,
+zwart balletje.”
+</p>
+<p>„Ja,” zei Hans, „hoe laat zou het nu wel <span class="pageNum" id="xd32e528">[<a href="#xd32e528">32</a>]</span>zijn? Misschien wel tien uur. Kijk eens, Bobbie.”
+</p>
+<p>Bobbie knikte, hij wist het niet precies. Hij vond het een moeilijk geval.
+</p>
+<p>„Tien uur is het gelukkig nog niet,” zei Nel.
+</p>
+<p>„We kunnen nog best een spelletje doen. Zullen we verstoppertje doen met verlos?”
+</p>
+<p>„Ja, best! Wie doet er mee?”
+</p>
+<p>„Ik, ik,” klonk het van alle kanten.
+</p>
+<p>„Eerst er om raden, wie zoeken mag,” stelde Door voor. „Ik zal wat uit mijn zak nemen.
+Wie het aantal raadt, mag zoeken.”
+</p>
+<p>„Mag?” lachte Dolf. „Zoeken is toch geen pretje?”
+</p>
+<p>„Nu <i>moet</i> dan,” verbeterde Door. „En als niemand het raadt, ben ik de ongelukkige. Nu?” zei
+ze, nadat ze iets uit haar zak had genomen en Nel haar hand voorhield. „Hoeveel raad
+je? één, twee, drie, vier, vijf of zes?”
+</p>
+<p>„Drie.”
+</p>
+<p>„En Leni?”
+</p>
+<p>„Twee,” zei Leni, na zich een tijdje bedacht te hebben.
+</p>
+<p>„En onze logé’s?”
+</p>
+<p>„Moeten we beiden hetzelfde raden?” vroeg Hans, die nooit zoo’n spelletje had mee
+gedaan.
+<span class="pageNum" id="xd32e548">[<a href="#xd32e548">33</a>]</span></p>
+<p>„Neen, ieder mag op zijn beurt raden, maar als Hans het raadt, helpt Bob zoeken en
+als Bob zoo knap is, Hans. Want zoeken is lang niet gemakkelijk.”
+</p>
+<p><span id="xd32e551"></span>Gelukkig voor Hans en Bob waren ze geen van beiden zoo knap.
+</p>
+<p>„Dolf, nu staat het tusschen ons beiden,” zei Door. „Natuurlijk raad jij het, dat
+moet je voor je zusje over hebben.”
+</p>
+<p>Dolf lachte. „Neen hoor, zoo lief ben ik niet. Vier.”
+</p>
+<p>„Mag ik je deze vier dingetjes laten zien als bewijs, dat je getoond hebt toch wèl
+zoo’n lief broertje te zijn?” zei Door, Dolf vier knikkers voorhoudende.
+</p>
+<p>„Maar Door, wat doe jij met knikkers in je zak?” lachte Nel.
+</p>
+<p>„Je weet,” zei Door, „dat mijn zaakjes nu eenmaal veel van stuivertje wisselen houden.
+Mijn mesje en mijn beurs ben ik al drie dagen kwijt en daarvoor in de plaats loop
+ik al meer dan een week met deze knikkers in mijn zak. Hoe ik er aan kom, weet ik
+werkelijk niet,” zei ze lachend.
+</p>
+<p>„Ik begrijp het best,” zei Nel. „Jij hebt die knikkers zeker ergens zien liggen en
+omdat je er nu eenmaal niet van houdt, dat zulke dingen rondslingeren, <span class="pageNum" id="xd32e561">[<a href="#xd32e561">34</a>]</span>heb je ze in je zak gestoken, erg netjes, dat moet ik zeggen.”
+</p>
+<p>„En ik ben het slachtoffer van Doors opruimmanie,” zei Dolf. „Nu, ik ga tellen. Als
+ik vijftig roep, moet jullie verstopt zijn. Jullie moogt je alleen in den tuin verstoppen,
+niet in huis.”
+</p>
+<p>„Een, twee,” telde Dolf.
+</p>
+<p>Ieder vloog een kant uit. Hans en Bob stonden wel wat verlegen. „Kom maar met mij
+mee,” zei Door tot Bob. „Ik kruip achter dezen struik, ga jij achter dien staan.”
+</p>
+<p>„O, Door,” riep Bob verschrikt.
+</p>
+<p>„Wat is er?” fluisterde Door, omkijkende. „O, maar Bobbie, hoe is ’t mogelijk! Ben
+jij in Dolfs rooverhol gezakt? Je hadt warempel je beenen wel kunnen breken. St, houd
+je maar stil en kruip er zoo diep mogelijk in. ’t Is het mooiste verstopplaatsje uit
+den geheelen tuin. Als Dolf dezen kant uit komt, moet je je goed bukken, dan vindt
+hij je nooit, eenig. Hoor Fox eens opgewonden zijn, zeker, omdat hij ons zoo hard
+heeft zien loopen, daar kan Fox nu eenmaal niet tegen. Als hij ons nu maar niet verraadt.
+Stil, Dolf komt dadelijk zoeken. Je zit daar wèl leuk, hoor.”
+<span class="pageNum" id="xd32e569">[<a href="#xd32e569">35</a>]</span></p>
+<p>„Vijftig!” riep Dolf, „Ik ga zoeken.”
+</p>
+<p>Geen antwoord, ieder had zeker een plaatsje gevonden.
+</p>
+<p>„Stil toch, Fox en loop niet zoo om mijn beenen, bedaar toch wat.”
+</p>
+<p>Maar Fox had hierin in het geheel geen lust. Als een dolleman vloog hij den tuin door,
+toen eenige malen langs het kippenhok, zoodat de arme dieren het bijna bestierven
+van angst. Daarna zou hij met een vaart in huis, maar werd bijtijds door Kee, met
+een „hallo marsch, je niet hier verstoppen,” den tuin weer ingejaagd, zoodat hij ten
+laatste, moe van het gedraaf, een middagdutje in het grasveld ging doen.
+</p>
+<p>Dolf zocht en zocht, maar durfde zich bijna niet van den boom begeven, bang, dat de
+een of ander uit zijn schuilhoekje te voorschijn springen en naar de verlosplaats
+loopen zou, om het hem af te winnen.
+</p>
+<p>„Leni, jij staat achter het kippenhok, een, twee, drie, verlos,” riep hij.
+</p>
+<p>„Nel, neen Door, dáár bij het priëel! kom maar voor den dag. Ik ken je aan je hoed.”
+</p>
+<p>„Hoera, voor ’t vogelnestje,” juichte Nel en kwam met Doors ingedeukten hoed achter
+het priëel vandaan. „Gefopt.”
+<span class="pageNum" id="xd32e580">[<a href="#xd32e580">36</a>]</span></p>
+<p>„Dat is flauw,” zei Dolf teleurgesteld. „Wie kan dat nu ook denken.”
+</p>
+<p>„Ja, zoo’n slim zusje heb je nu,” lachte Nel, „wees maar blij.”
+</p>
+<p>„Nu Door en de tweelingen nog.”
+</p>
+<p>„Een, twee, drie verlos!” riep Door, toen Dolf juist den anderen kant was opgeloopen.
+</p>
+<p>„Dat heb ik je lekker afgewonnen. Wat heb je dat mooi bedacht,” zei ze lachend tot
+Nel. „Waar mijn vogelnestje toch al niet dienstig voor is.”
+</p>
+<p>„Kom, Dolf, nu de tweelingen nog,” zei Nel.
+</p>
+<p>„Hé,” zei Dolf lachend tot Kee, die gedurende de verstoppartij geheel tegen haar gewoonte
+in al dien tijd op de waranda was blijven staan kijken. „Mij dunkt, je hebt eenige
+rokken extra aangetrokken van morgen. Je schort staat heelemaal uit.”
+</p>
+<p>„Ja,” zei Kee lachend, „één rok heb ik aangetrokken, omdat het de eerste vacantiedag
+is en één, omdat Bob en Hansje gekomen zijn.”
+</p>
+<p>„Die Kee, die Kee,” proestten Nel en Door. „Of je gelijk hadt? Zoo’n dubbele feestdag
+mag wel met een paar extra rokken gevierd worden.”
+</p>
+<p>„Maar ik moet nu eigenlijk weer aan het werk. En dan is mijn feestgewaad mij wel wat
+lastig.”
+<span class="pageNum" id="xd32e593">[<a href="#xd32e593">37</a>]</span></p>
+<p>„Ja, dat wil ik wel gelooven,” zei Dolf. „Wiens neus voel ik door Kee’s schort heen?
+Mij dunkt,” zei hij, de schort wat op zij schuivende, „mij dunkt, die van Hansje Pansje.”
+</p>
+<p>Hansje schaterde het uit. „Was het geen mooi plaatsje? Je kon mij toch bijna niet
+vinden, hè?”
+</p>
+<p>„Neen, hoor. Wie heeft dat wel zoo mooi bedacht?”
+</p>
+<p>„Kee,” zei Hans.
+</p>
+<p>„Ik moet nu gauw naar het eten gaan kijken. ’t Is maar goed, dat hier niet elken dag
+zoo’n verstoppartij is,” zei Kee en liep haastig naar binnen.
+</p>
+<p>„Maar waar zou Bob nu zijn?” zei Dolf. „Die heeft zich een bijzonder mooi plaatsje
+uitgezocht, dunkt me.”
+</p>
+<p>„Ja,” zei Door, „je moet maar goed zoeken.”
+</p>
+<p>Dolf keek achter elken struik, bij het kippenhok, in het priëel, tot hij op eens,
+achter in den tuin gekomen in lachen uitbarstte.
+</p>
+<p>„Komen jullie toch eens hier,” riep hij. „O Bob, blijf zoo stil zitten, ze moeten
+je allemaal zoo eens zien.”
+</p>
+<p>Nel en Leni proestten het uit, toen ze Bob in den grooten kuil zagen zitten met alleen
+zijn bovenlijf <span class="pageNum" id="xd32e606">[<a href="#xd32e606">38</a>]</span>er uit. Hansje klapte in de handen. „O, Bobbie, wat een mooi plaatsje.”
+</p>
+<p>„Kom er maar gauw uit, kleine vent,” zei Dolf en gaf Bob een hand.
+</p>
+<p>„Ik stapte op de takjes en zakte op eens naar beneden,” legde Bob triomfantelijk uit.
+</p>
+<p>„Je mag wel gauw je kuil dicht maken,” zei Nel, „voor er ongelukken gebeuren.”
+</p>
+<p>„Ja,” zei Dolf, die zich wel wat schuldig voelde. „Ik was dien overdekten kuil heelemaal
+vergeten.”
+</p>
+<p>„Ziezoo,” zei Door, „nu weer een nieuw spelletje. Dolf, jongen, je moet weer zoeken.”
+</p>
+<p>Wat hadden allen een pret!
+</p>
+<p>„Och, kijk toch eens Bobbie, wat dikke kanaries,” riep Hansje verbaasd, toen hij voorbij
+het kippenhok liep en juist zou hij aan Door vragen, of hij eens eventjes een in de
+hand zou mogen hebben, toen ze geroepen werden, om te komen eten. Vroolijk holde het
+troepje naar binnen.
+</p>
+<p>„O, wat een bestorming, als je blieft eerst voeten vegen,” zei Moeder.
+</p>
+<p>„Hansje Pansje glaasje melk omgesmijt, hè Mammi?” begon Fritsje weer, toen hij Hansje
+zag.
+</p>
+<p>„Ja, ja,” lachte Ma.
+<span class="pageNum" id="xd32e619">[<a href="#xd32e619">39</a>]</span></p>
+<p>„Mogen we na het eten de kanaries eens zien?” vroeg Bob, zoodra hij aan tafel zat.
+</p>
+<p>„O ja, de kanaries,” riep Hansje opgetogen.
+</p>
+<p>„De kanaries?” vroeg moeder verwonderd.
+</p>
+<p>„O, zulke dikke, tante. In het kippenhok zijn ze, hè Bob?” zei Hans vol vuur.
+</p>
+<p>Moeder lachte. „O, nu begrijp ik het.”
+</p>
+<p>„Na het eten gaan onze logétjes één, twee, drie naar bed,” zei vader. „Die kleine
+kanaries moeten nu ook slapen, anders kunnen het nooit groote worden. Maar morgen
+vroeg, als haantje kukelekaantje jullie wakker heeft geroepen, dan maar gauw je kleertjes
+aan en den tuin in.”
+</p>
+<p class="center">*****
+</p>
+<p>„Een, twee, drie, instappen,” zei Nel, toen ze een uurtje later Hansje had uitgekleed
+en in bed tilde.
+</p>
+<p>„Wacht, eerst even bellen,” zei Bob en greep een tafelbel, waarmee hij, voor Door
+dit verhinderen kon, luid ging bellen.
+</p>
+<p>Kee kwam verschrikt naar boven vliegen.
+</p>
+<p>„Och, lieve tijd, wat is hier te doen?” riep ze. „Toch geen ongeluk gebeurd?”
+<span class="pageNum" id="xd32e634">[<a href="#xd32e634">40</a>]</span></p>
+<p>„Gauw instappen, de trein gaat dadelijk weg,” zei Bob tot Keetje, niet begrijpende,
+dat hij haar zoo had doen schrikken.
+</p>
+<p>Kee, die eerst van plan was boos te worden, omdat hij haar voor niets naar boven had
+laten komen, kon toch haar lachen niet bedwingen bij het gezicht van die twee grappige
+broekemannetjes. „Tuut,” riep ze en zette den kleinen Bob in bed. „Goeie reis, hoor,
+goeie reis,” en met haar zakdoek wuivende verdween ze.
+</p>
+<p>Nel en Door gierden het uit.
+</p>
+<p>„Dumderdedumderdedum,” en vier kleine voetjes trappelden, dat het geheele bed schudde.
+</p>
+<p class="center">*****
+</p>
+<p>„Het zal mij benieuwen, of die dreumesjes gauw den slaap zullen vatten,” zei Nel,
+toen ze beneden in de huiskamer kwam.
+</p>
+<p>„’k Zal eens kijken, of ze slapen,” zei Door een kwartiertje later.—„Als roosjes,
+hoor!” kwam ze terug.
+<span class="pageNum" id="xd32e645">[<a href="#xd32e645">41</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch03" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch03.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="label">Derde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Arme Hans en Bobbie.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">„Zullen wij den haan maar gaan roepen?” vroeg Hansje den volgenden morgen. Hij stond
+met Bob voor Dora’s bed.
+</p>
+<p>„Wat zeg je?” vroeg Door slaperig.
+</p>
+<p>„’t Haantje heeft ons niet geroepen, het is misschien ziek,” zei Bobbie.
+</p>
+<p>Nel lag te schudden in bed. Op eens begon ze te zingen: „Op, gij meisjes en gij knapen,
+kukeleku! ’t is uit met slapen,” en sprong het bed uit.
+</p>
+<p>„O, ik wou dat er geen hanen en geen Hansjes en Bobbies waren,” zei Door, half brommig,
+half lachend.
+</p>
+<p>„Op, gij meisjes en gij <span class="corr" id="xd32e657" title="Bron: knappen">knapen</span>, kukeleku! ’t is uit met slapen,” zong Nel weer en wilde Door uit het bed trekken.
+„Toe, jongens, jullie aan den <span class="pageNum" id="xd32e660">[<a href="#xd32e660">42</a>]</span>anderen kant; wacht, daar komt Leni ook aan. Heisa, hopsa!” Door stond buiten het
+bed.
+</p>
+<p>„Ik weet wel,” zei Door, „dat ik vanavond niet naar bed ga, dan behoef ik er morgen
+vroeg ook niet uit te komen.”
+</p>
+<p>„Of je gelijk hebt. Dat is, geloof ik, nog het allerbeste voor jou. Jongens, loop
+hier nu maar een beetje in je hanssopje rond. Zoodra we klaar zijn, zullen we je helpen.
+Of ben jullie misschien zoo knap, dat je je alleen kunt aankleeden?”
+</p>
+<p>„De kousen kunnen we wel aantrekken en de schoenen ook, maar ze dicht maken, dat doet
+Maatje altijd.”
+</p>
+<p>„Mooi zoo, haal jullie je kleeren en begin maar vast.”
+</p>
+<p>Bob en Hansje togen ijverig aan het werk.
+</p>
+<p>„Och, kijk eens, dat kousje doet zoo raar,” zuchtte Bob met een vuurroode kleur van
+inspanning, nadat hij al een heelen tijd bezig was geweest.
+</p>
+<p>„O, de hiel!” schaterde Leni. „Kijk, die zit boven op den voet. ’t Lijkt wel een leeg
+geldzakje. Wacht, ik zal je wel helpen.”
+</p>
+<p>Door, Nel en Leni hadden het druk met de logétjes. ’t Werd een wedstrijd, wie ’t eerst
+klaar zou zijn.
+<span class="pageNum" id="xd32e672">[<a href="#xd32e672">43</a>]</span></p>
+<p>„’k Zou juist zeggen, mijn schortje is zeker weer op de wandeling,” zei Door, die
+overal naar dit kleedingstuk had gezocht, „maar neen, hoor, ’t ligt kalm onder mijn
+handdoek. Toch grappig, dat al mijn spulletjes altijd zoo’n lust hebben om van ’t
+eene plaatsje naar ’t andere te verhuizen.”
+</p>
+<p>„En dat ze jou nooit vooraf vertellen, waarheen ze gaan,” plaagde Nel.
+</p>
+<p>Eindelijk waren allen aangekleed en ging ieder met een keurige „vacantie-kuif”, zooals
+Leni ’t noemde, naar beneden.
+</p>
+<p>„Goeden morgen, goeden morgen!” klonk het vroolijk, toen ’t vijftal de huiskamer binnen
+kwam stormen.
+</p>
+<p>„Wel verbazend, kinderen, wat ben jullie vroeg,” zei vader, „zoo mag ik het zien.”
+</p>
+<p>„Zullen we nu eerst even ’t haantje roepen?” vroeg Hans.
+</p>
+<p>„’t Haantje roepen?”
+</p>
+<p>„Zou het ziek zijn, oom?” vroeg Bob.
+</p>
+<p>„Waarom ziek, kleine man?”
+</p>
+<p>„’t Haantje heeft ons niet geroepen.”
+</p>
+<p>„En hoe komen jullie dan zoo vroeg?”
+</p>
+<p>„Bobbie en Hansje hebben voor haantje gespeeld. <span class="pageNum" id="xd32e687">[<a href="#xd32e687">44</a>]</span>Ze hebben Dora wakker gemaakt,” zei Nel.
+</p>
+<p>„Ik was nog zoo „onmogelijk” slaperig.”
+</p>
+<p>„Als jullie je boterham op hebt, moet je maar eens kijken, of het haantje wakker is,”
+vond moeder.
+</p>
+<p>„Kijk toch zoo’n bedelaarstertje eens,” zei Nel, toen Julia zacht miauwend achter
+op haar stoel sprong en voortdurend met haar kopje tegen Nels arm duwde.
+</p>
+<p>„Zij wil verven, zij wil verven,” riep Bob; „kijk, ze gaat met haar staart over mijn
+gezicht.”
+</p>
+<p>„Goed, dat er geen verf aan zit.”
+</p>
+<p>„Ja, voor den staart en voor Bobbies neusje.”
+</p>
+<p>„Jaap zegt, dat zijn poesje geverfd is, dat is heelemaal bruin, behalve zijn borst
+en zijn pooten. Bobbie en ik hebben het eens met een spons gewasschen, maar er kwam
+heelemaal geen verf aan de spons en toen heb ik mijn vinger nat gemaakt en over zijn
+kopje gestreken en afgelikt, maar het proefde in ’t geheel niet naar verf en de schutting
+wel, toen Jaap die geverfd had. Bobbie en ik hebben daar eventjes aan gelikt, niets
+lekker, hoor!”
+</p>
+<p>„Brr,” zei Hansje en trok bij de gedachte nog een vies gezicht.
+</p>
+<p>Allen schaterden het uit.
+<span class="pageNum" id="xd32e700">[<a href="#xd32e700">45</a>]</span></p>
+<p>„Vader zei, dat het niet geverfd, maar zoo geboren was.”
+</p>
+<p>„Of vader gelijk had!”
+</p>
+<p>„Julia houdt in ’t geheel niet van zoo’n waschpartij. Was dat poesje niet boos, krabde
+ze niet?”
+</p>
+<p>„Wel een beetje, maar Bobbie en ik hebben haar toen stijf vastgehouden.”
+</p>
+<p>„Arm poesje. Lieve Hansje en Bobbie,” ging Door grappig ernstig voort, „zie je onze
+Julia?”
+</p>
+<p>Bob en Hans knikten.
+</p>
+<p>„Zie je dat keurige witte overhemdje, dat zwarte snuitje, dat grappige staarte-puntje?”
+</p>
+<p>Weer knikten Hans en Bobbie.
+</p>
+<p>„Toen onze deftige Julia nog een heel klein Juliaatje was, had ze al datzelfde grappige
+staarte-puntje, datzelfde zwarte snuitje, datzelfde witte overhemdje. Onze Julia is
+zoo geboren. Begrijp jullie mij goed? Onze Julia is zoo geboren,” herhaalde ze. „Onze
+Julia is dus niet geverfd. Ik zeg jullie dit alles, dat jullie haar morgen of overmorgen
+ook niet in een badkuip zult stoppen, of met je lieve vingers zult gaan belikken.”
+</p>
+<p>Een schaterend gelach ging op en Dolf, die juist binnen kwam, riep: „leve onze Dorus,
+leve onze Julia!”
+<span class="pageNum" id="xd32e713">[<a href="#xd32e713">46</a>]</span></p>
+<p>En Fritsjes lief stemmetje klonk hier tusschen door. „Julia een lief poesje, hè, mammi?”
+</p>
+<p>Julia, die blijkbaar verlegen werd onder zooveel lof, haar door Dora toegezwaaid,
+liet zich zacht van Nels schouder glijden en zocht een plaatsje op den hoek van den
+schoorsteenmantel.
+</p>
+<p>„Mogen we nu de kanaries eens zien?” vroeg Bob, toen ’t ontbijt was afgeloopen.
+</p>
+<p>„Wel zeker, wel zeker, kom maar mee,” zei Nel.
+</p>
+<p>„Neen, Foxje, jij kunt niet mee, je zoudt de geheele kippenfamilie angstig maken.
+Kijk, Leni is alweer bezig haar kippetjes te trakteeren.”
+</p>
+<p>„Hij is toch wel wakker?” zei Bob verwonderd en wees naar den haan.
+</p>
+<p>„Ja, ja, ik geloof ook wel, dat hij jullie geroepen heeft; maar toen lag jullie nog
+op één oor en heb je hem niet kunnen hooren.”
+</p>
+<p>„Dan zal ik morgen eens op geen oor gaan liggen,” dacht Bob bij zich zelf.
+</p>
+<p>„Zie Slokop weer eens begeerig zijn,” zei Nel, „vooruit, jou deugniet.” Met een stok
+duwde ze de zwarte kip weg. „Zal ik nu eens zeggen, hoe deze kanaries heeten? Kuikentjes.
+Het zijn kindertjes van die groote zwarte kip, die lekkere kruimeltjes voor <span class="pageNum" id="xd32e725">[<a href="#xd32e725">47</a>]</span>haar kuikentjes bewaart. De gele dààr heet Asschepoes, de andere hanen en kippen zijn
+niet aardig voor haar. Kijk die ondeugende Schoorsteenveger en Wafelbakster eens,
+die trekken haar aan den staart,” en Nel deed alle moeite, Asschepoes van een witte
+kip en een zwarten haan te bevrijden.
+</p>
+<p>Bob en Hans hadden pret voor tien om al die mooie namen.
+</p>
+<p>„En hier heb je de dwergjes,” zei Leni. „Vind jullie het geen dotjes?”
+</p>
+<p>„Leggen die kuikentjes ook eitjes?” vroeg Hans, die zijn oogen niet van de diertjes
+af had.
+</p>
+<p>„Mag ik zoo’n kuikeneitje?”
+</p>
+<p>„Neen, de kuikentjes leggen nog geen eieren; als ze groot zijn wel en dan komen soms
+uit die eitjes weer heele kleine kuikentjes, o zoo beeldig. Wafelbakster en Asschepoes
+zijn ook zulke aardige kuikentjes geweest en kijk het nu eens groote kippen zijn.”
+</p>
+<p>„Hier heb je ook nog een kuikentje,” lachte moeder en zette Frits op Nels hoofd. Frits
+kraaide het uit.
+</p>
+<p>„Hij is geen kuikentje, maar een kraaiend haantje,” lachte Nel. „Kom hier, Haantje
+kukelekaantje,” en <span class="pageNum" id="xd32e735">[<a href="#xd32e735">48</a>]</span>zij nam Frits op den arm. „Nu weet ik een mooi spelletje,” zei ze. „We zetten Fritsje
+in den ouden kinderwagen, Dolf wordt zijn paard en Leni koetsier. Bob en Hans komen
+in de sportkar. Dora is hun paard en ik word koetsier.”
+</p>
+<p>Het geheel leek wel een optocht. Als de stoet bij vader en moeder, die op de waranda
+zaten, voorbijkwam, wuifden zoowel passagiers als publiek.
+</p>
+<p>„Niet zoo wild rijden, niet zoo wild!” had vader juist geroepen, toen op eens, doordat
+Dora de bocht te kort nam, de sportkar omsloeg en Bob en Hansje er uit en in ’t gras
+vielen! Groote ontsteltenis! Vader, moeder en Keetje kwamen dadelijk aanhollen, want
+beide logétjes hieven een erbarmelijk geschrei aan. Bobbie bloedde vreeselijk uit
+zijn neus en had zijn voorhoofd bezeerd en Hansje Pansje riep maar steeds: „O, mijn
+voetje doet zoo’n pijn.”
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure p2width"><img src="images/p2.png" alt="Het geheel leek wel een optocht." width="497" height="720"><p class="figureHead">Het geheel leek wel een optocht.</p>
+</div><p>
+</p>
+<p>Ma droeg hem en vader Bobbie naar binnen. Hans werd op de canapé gelegd, waarna moeder
+hem den schoen uit trok. Bob kreeg koude compressen op zijn neus. Door, die zoo wit
+als een doek zag, wilde dadelijk om den dokter gaan, maar vader vond beter nog een
+poosje te wachten. Gelukkig bedaarde het bloeden. <span class="pageNum" id="xd32e746">[<a href="#xd32e746">49</a>]</span><span class="pageNum" id="xd32e747">[<a href="#xd32e747">50</a>]</span>Hansjes voet was blijkbaar een beetje verstuikt. ’t Was wel een ongelukkig gezicht,
+de twee vroolijke kaboutertjes daar zoo te zien zitten met dikke tranen op de wangen:
+Bob met een compres op den neus en Hans met zijn voet op de canapé.
+</p>
+<p>„Dat is een treurig begin van zoo’n vroolijken dag,” zei vader.
+</p>
+<p>„Stil maar, jongens,” troostte Door, „vanavond krijgen jullie heerlijke appelbollen.”
+</p>
+<p>„Jullie weet niet, hoe goed die voor bloedende neuzen en verstuikte voeten zijn,”
+zei Dolf.
+</p>
+<p>„En voor alle menschen, die geschrokken zijn. Och, lieve tijd, ik beef er nog van
+in mijn beenen,” klaagde Nel.
+</p>
+<p>„Kijk eens,” en Leni kwam met in iedere hand een grappig klein eitje, „is dat nu niet
+lief van mijn krielkipjes Snoetie en Toetie? Ze zijn dadelijk aan het leggen gegaan,
+toen ze hoorden, dat jullie zoo gevallen waart.”
+</p>
+<p>Bob en Hans lachten door hun tranen heen.
+</p>
+<p>„Als ik wist, dat Toetie of Moetie”.…
+</p>
+<p>„Snoetie, paatje.”
+</p>
+<p>„Och, jij ook met je namen altijd. Nu, als ik wist, dat Snoetie voor mij ook zoo’n
+lekker eitje <span class="pageNum" id="xd32e759">[<a href="#xd32e759">51</a>]</span>wilde leggen, dan zou ik ook wel zoo’n buiteling uit de sportkar willen maken.”
+</p>
+<p>„Oompje in de sportkar,” lachte Hans.
+</p>
+<p>Daar kwam Kee de kamer in stormen. Kee stormt altijd, langzaam loopen kan ze niet,
+want Kee heeft altijd haast. „Kijk eens,” zei ze en bracht Hans en Bob ieder een schoteltje
+roode bessen. „Hoe vinden jullie dat? Als je die op hebt, ben je, dat durf ik wedden,
+weer geheel beter. Heb ik ze niet keurig gerist? Ik moest eigenlijk mijn kachel poetsen,
+maar nee, dacht ik, eerst zal ik die wurmen een verfrisschend hapje brengen. Door
+of Nel moeten er maar wat suiker op strooien. Kom, die leelijke tranen neem ik mee
+naar de keuken,” zei ze en veegde, wel een beetje hardhandig, Bob en Hansje de tranen
+af. En vóór de beide jongetjes nog iets hadden kunnen zeggen, was Kee verdwenen.
+</p>
+<p>„Heeft jij jouw been gebreekt? Kun je niet meer loopen?” Onderzoekend keek de kleine
+Frits naar Hansjes been.
+</p>
+<p>„Beweeg het eens.” Hans deed het heel voorzichtig.
+</p>
+<p>„Doet het pijn, als jij jouw voetje beweegt?”
+</p>
+<p>Hans knikte: „een beetje.”
+<span class="pageNum" id="xd32e769">[<a href="#xd32e769">52</a>]</span></p>
+<p>„Ik is niet gevallen,” zei hij toen met voldoening. „Mag ik eens zien, of er nog bloed
+uit jouw neusje komt?” vroeg hij, vol belangstelling naar Bobbie kijkende.
+</p>
+<p>Bobbie deed even den zakdoek voor den neus weg.
+</p>
+<p>„O, mammie!” Fritsje week verschrikt een paar passen achteruit. „O, mammi, allemaal
+rood op Bobbies zakdoek!”
+</p>
+<p>„Kom maar gauw hier, mijn kereltje”, zei ma. „Hans en Bob zullen wel gauw weer beter
+zijn.”
+<span class="pageNum" id="xd32e775">[<a href="#xd32e775">53</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch04" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch04.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="label">Vierde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">De appelbollenpartij.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">„Een brief, een brief!” Met deze woorden kwam Door eenige uren later de kamer binnenstormen.
+</p>
+<p>„Voor wie?” klonk het als uit één mond en Nel strekte haar hand al verlangend uit.
+</p>
+<p>„Mis, juffertje. Hij is voor Bobbie en Hansje.”
+</p>
+<p>„Een brief, o Bobbie, zeker van maatje.”
+</p>
+<p>„Of van vader, want paatje heeft ons er eentje beloofd.”
+</p>
+<p>Door moest den brief laten kijken.
+</p>
+<p>„Ook een postzegel er op?”
+</p>
+<p>„Ja, ’t is geen kleinigheid,” lachte Nel, de verrukte gezichtjes ziende.
+</p>
+<p>„Zal ik hem voorlezen?” vroeg Door.
+</p>
+<p>„Begin maar gauw,” riep Hans.
+</p>
+<p>„Ook wat er buiten opstaat,” vond Bob.
+<span class="pageNum" id="xd32e793">[<a href="#xd32e793">54</a>]</span></p>
+<p>„Aan Hans en Bob, gelogeerd bij hun oom, mijnheer Van Brakel te Westerkerke.
+</p>
+<p>„Lieve kaboutertjes. De kusjes heb ik gegeven.”
+</p>
+<p>„Van Paatje,” zei Bob.
+</p>
+<p>„Ma,” las Door, „op elken wang een. Bruno’s snuit heb ik in mijn hand genomen en Miekies
+zacht pootje even gedrukt. Jelui weet niet, hoe stil ma, Bruno, Miekie en ik het vinden,
+nu onze kaboutertjes er niet zijn. Bruno zat gisterenmorgen voor jullie slaapkamertje
+geduldig te wachten. Ma en ik lieten hem stil begaan. Wij wilden eens zien, wat hij
+zou doen. Na een tijd rustig gewacht te hebben, begon hij zacht te janken. O, het
+klonk zoo bedroefd en steeds keek hij naar de kruk van de deur. Daarop begon hij te
+blaffen en zoowaar aan de deur te krabben. Toen riep ik hem. „Die ondeugende kaboutertjes!
+Willen ze de deur niet open doen?” zei ik. Bruun kwispelstaartte uit alle macht, liep
+van de slaapkamer naar mij en van mij naar de slaapkamer, en keek mij met zijn trouwe,
+bruine oogen zóó smeekend aan, alsof hij zeggen wilde: doe nu toch die nare deur open,
+ik kan toch niet door ’t sleutelgat. „Kom dan maar,” zei ik, en toen was Bruun niet
+te houden, hij sprong tegen <span class="pageNum" id="xd32e799">[<a href="#xd32e799">55</a>]</span>mij op, likte mijn handen en blafte, dat hooren en zien je verging. Met een vaart
+rende hij de slaapkamer in, maar bleef op eens verbaasd staan, toen hij die leeg vond.
+Alles werd besnuffeld, hij begreep er niets van. Zijn mooie pluimstaart, die even
+te voren nog zoo vroolijk wapperde, hing nu sluik neer. „Arme hond, zijn ze weg?”
+zei ik. Nog eens liep hij de kamer rond, snuffelde onder ’t bed en liep toen langzaam
+naar de huiskamer.
+</p>
+<p>Ma troostte hem met een stukje hondekaak en een hompje kaas. Na ’t ontbijt zijn ma
+en ik een flinke wandeling met Bruno gaan doen.
+</p>
+<p>Ma wilde Miekie, geloof ik, ook wel mee hebben, omdat ze het zoo stil vond zonder
+haar ventjes, maar dat ging natuurlijk niet. Toen we den hoek van de straat omsloegen,
+kwamen we Pollo tegen. Dat was een vroolijke ontmoeting tusschen Bruun en hem. ’t
+Was, alsof ze elkaar in jaren niet gezien hadden. Daarna liepen ze een tijdje rustig
+naast elkaar. Het scheen wel, dat Bruno vertelde, dat jullie weg waart en ik denk,
+dat Pollo hem zoo goed mogelijk getroost heeft, tenminste even later renden ze uitgelaten
+over ’t weiland. De schapen, die daar liepen, wisten zich van angst niet te bergen.
+<span class="pageNum" id="xd32e804">[<a href="#xd32e804">56</a>]</span>Een klein lammetje drukte zich stijf tegen zijn moedertje aan en blaatte zoo innig
+bedroefd. Daar vloog Pollo over een sloot, Bruun hem achterna. En toen, o mijn kaboutertjes,
+als jullie dat gezien hadt! Pol stond aan den kant van de sloot juist eventjes uit
+te blazen, met de tong uit zijn bek, want geloof maar, dat hij moe was, toen een dikke
+kikker, zeker door Bruno opgejaagd, boven op Pollo’s tong sprong. Ma en ik wisten
+werkelijk niet, wat er gebeurde, zoo’n spektakel maakte Pollo op eens.
+</p>
+<p>Hij rolde zich om en om op ’t gras, de vier pooten in de hoogte, en het had niet veel
+gescheeld, of hij was in de sloot gevallen. Nu, zoo’n bad was misschien wel goed geweest
+voor den schrik.”
+</p>
+<p>„O, die kikker,” schaterde Dolf. „Hij zag Pollo’s tong voor een rozeblaadje aan.”
+</p>
+<p>„Ja, of voor een vischje,” lachte Nel.
+</p>
+<p>„O, eenig, eenig!” proestte Door. „Maar stil, laat mij nu verder lezen.”
+</p>
+<p>„Na dit kikker-avontuur waren onze wandelgenootjes kalm en gehoorzaam.
+</p>
+<p>En hoe Miekie het maakt? Ik geloof, dat ze vast van plan is jullie een briefje te
+schrijven en ze mij de kunst nu wil afzien. Viermaal heb ik haar al <span class="pageNum" id="xd32e814">[<a href="#xd32e814">57</a>]</span>van dit velletje postpapier afgezet, maar telkens komt zij weer terug, zoodat ik haar
+nu maar laat zitten. ’t Is een klein, nieuwsgierig poesje en jullie weet, als Mieke
+eenmaal een plannetje heeft, dan laat zij dit niet varen.
+</p>
+<p>Op dit oogenblik loert ze op mijn penhouder. Steeds gaat haar kopje van links naar
+rechts. O wee! een letter met drie krullen, dat is Miekies schuld: die wilde met haar
+pootje den penhouder grijpen. ’t Is maar goed, dat mijn praatje uit is. Het zal mij
+eens benieuwen, wanneer zij jullie gaat schrijven, maar dan ga ik er ook bij zitten,
+dat weet ik wel, die deugniet!”
+</p>
+<p>„Dan gaat oom zeker ook op het postpapier zitten,” lachte Dolf.
+</p>
+<p>„Heel veel kusjes van moes, van Bruno een poot, van Mieke een hoogen rug en duizend
+kusjes van paatje.
+</p>
+<p>Hoe hebben de appelbollen gesmaakt? En vraag aan Leni, of de dwergjes nog bedroefd
+zijn. Vooral de groeten aan oom, tante en alle kindertjes.”
+</p>
+<p>„Is hij nu uit?” vroeg Bob.
+</p>
+<p>„Ja, is het geen onmogelijk lange brief?”
+</p>
+<p>Door moest den brief nòg eens en nòg eens <span class="pageNum" id="xd32e824">[<a href="#xd32e824">58</a>]</span>voorlezen, vonden Leni, Bob en Hansje. Op ’t laatst kenden ze hem bijna van buiten.
+</p>
+<p>„Boven aan het blaadje staat het verhaal van den kikker, hè Door?” vroeg Hans.
+</p>
+<p>„En dáár onder-aan dat van Mieke?”
+</p>
+<p>„Mammi, waar is de kikker nu?” vroeg Fritsje.
+</p>
+<p>„Ik denk, dat hij nu weer vroolijk door het water springt of over ’t land. Och, och,
+wat zal dat arme kikkertje geschrikt zijn, toen het zag, dat het verdwaald was.”
+</p>
+<p>„En hoe verdwaald!” lachte Dolf.
+</p>
+<p>„’t Was maar goed, dat Pol geen ooievaar was, want die had het kikkertje stellig opgepeuzeld.”
+</p>
+<p>„Brr!” Fritsje schudde zijn krullebol. „Ik vind kikkers niet lekker, Mammi wèl?”
+</p>
+<p>„Neen hoor, ik eet liever appelbollen.”
+</p>
+<p>„En ik, en ik,” riepen Leni en de anderen.
+</p>
+<p>„Hoera! Vanavond appelbollenpartij!”
+</p>
+<p>„En hoe is ’t nu met de patiëntjes? Zouden jullie vanavond wel trek hebben in een
+appelbol?” vroeg mevrouw Van Brakel.
+</p>
+<p>„Mijn voetje doet bijna niet meer zeer, heusch niet.”
+</p>
+<p>„En mijn neus, kijk, er komt geen droppel meer uit.”
+</p>
+<p>„Dat dacht ik wel,” zei Door. „Brieven zijn zoo <span class="pageNum" id="xd32e843">[<a href="#xd32e843">59</a>]</span>goed voor verstuikte voeten en bloedende neuzen.”
+</p>
+<p>„Ja, en vooral zulke lange,” lachte Nel.
+</p>
+<p>„Ramplamplan, daar komen wij an. We hebben geen schoenen of kousen meer an,” kwam
+Dolf dien avond de kamer instappen, een groot bord met appelbollen op zijn hoofd balanceerende.
+</p>
+<p>„O, jongen, denk om het porseleinen bord,” riep mevrouw Van Brakel.
+</p>
+<p>„En om onze heerlijke appelbollen,” lachte pa. „Als ze over den grond rollen, wil
+niemand ze meer hebben.”
+</p>
+<p>„Ik wel, ik wel,” riepen Leni, Hans en Bob.
+</p>
+<p>„Dan zal ik ze maar gauw neerzetten,” zei Dolf, „want als jelui in dat geval alle
+appelbollen samen op ging peuzelen, dan hadden we morgen drie zieke kinderen, en dat
+zou wel zonde en jammer zijn van de heerlijke vacantie.”
+</p>
+<p>„Hoera voor de vacantie!” riep Nel en stak een oogenblik later een appelbol op haar
+vork in de hoogte.
+</p>
+<p>„Hoera voor oom Karel!” juichte Door en deed hetzelfde.
+</p>
+<p>„’t Lijkt wel, dat er wijn in de appelbollen zit, <span class="pageNum" id="xd32e855">[<a href="#xd32e855">60</a>]</span>zoo opgewonden worden jullie,” zei vader. „Ma, geef me nog maar eentje: die dingetjes
+smaken uitstekend.”
+</p>
+<p>„Ja, ze zijn onmogelijk lekker,” beaamde Dora. Hans, Bob en Leni hadden het veel te
+druk met hun bol om iets te zeggen.
+</p>
+<p>„Komt, kinderen, het klokje van gehoorzaamheid heeft geslagen,” zei moeder, en een
+half uur later: „Fritsje ligt al lang in bed.”
+</p>
+<p>„Fritsje is ook nog zoo klein,” zei Hans. Hij vond het zeker wel wat kinderachtig,
+bij Fritsje vergeleken te worden.
+</p>
+<p>„Ja zeker,” lachte ma, „maar ik geloof tòch, dat het zandmannetje al even bij Hansje
+Pansje op bezoek is geweest.”
+</p>
+<p>Een oogenblik later werden Leni en de tweelingen door Nel en Door naar bed gebracht.
+</p>
+<p>„Kijk eens even, of het kussen ook tegen mijn ooren aankomt,” zei Bobbie tot Door,
+die hem had uitgekleed.
+</p>
+<p>„Tegen je ooren?” vroeg Door verwonderd.
+</p>
+<p>„Ja, kun je ze goed zien?”
+</p>
+<p>„Niet zoo heel goed,” lachte ze, „ze spelen zoo’n beetje verstoppertje, dunkt me.”
+<span class="pageNum" id="xd32e868">[<a href="#xd32e868">61</a>]</span></p>
+<p>„Zou ik den haan zoo dan niet kunnen hooren?”
+</p>
+<p>Toen barstte Door in lachen uit. „O, wacht maar eens,” en ze drukte het kussen flink
+plat, zoodat heel Bobs bolletje als een kaatsbal boven op het kussen kwam te liggen.
+„Nu maar goed luisteren morgen vroeg. Wel te rusten, kindertjes.”
+</p>
+<p>„Toe, Nel, ben je nu nog niet klaar?” bromde ze. „Je bent een echte treuzel.”
+</p>
+<p>„Ik moet nog even Hansjes pakje opvouwen.”
+</p>
+<p>„Wat valt er nu aan zoo’n jongenspak op te vouwen? Ik heb Bobbies kleeren.…”
+</p>
+<p>„Ja, hoe jij Bobbies kleeren opbergt, daar weet ik alles van: Hij heeft gisteren den
+geheelen dag met één kouseband geloopen. Waar die andere nu weer is, begrijp ik niet.”
+</p>
+<p>„O, ja, éénig,” gierde Dora. „Verbeeld je, Bob had er twee aan zijn rechterbeen. Of
+ik zijn spulletjes ook goed opberg, hè?”
+</p>
+<p>Nu moest Nel toch ook lachen en gearmd gingen beiden naar beneden naar de huiskamer.
+</p>
+<p>„Alweer een dagje om, ma,” zei Nel, toen ze dien avond met Door naar bed ging.
+</p>
+<p>„Ja, ja, vrouwtje, maar er komen er nog veel, moet je maar denken.”
+<span class="pageNum" id="xd32e881">[<a href="#xd32e881">62</a>]</span></p>
+<p>„En als dan het zonnetje van binnen en van buiten schijnt, dan zingen we,” zei vader
+lachend: „’t Is vacantie, ’t blijft vacantie.…”
+</p>
+<p>„Hoera, vacantie boven!” vielen Door en Nel in.
+</p>
+<p>„Nacht vader, nacht moes!” En zingende gingen, ze naar boven.
+<span class="pageNum" id="xd32e886">[<a href="#xd32e886">63</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch05" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch05.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="label">Vijfde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">De verdwaalde dwergjes.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">„Er zijn dieven,” fluisterde Nel aan Doors oor, want hard praten durfde ze niet.
+</p>
+<p>Door, nu op eens wakker, zat kaarsrecht in bed.
+</p>
+<p>„Hoor je ’t?” fluisterde Nel.
+</p>
+<p>Door knikte. De angst benam haar bijna den adem.
+</p>
+<p>„Zullen we vader en moeder roepen?” fluisterde Nel weer.
+</p>
+<p>„’k Durf niet,” kwam bijna onhoorbaar uit Doors mond.
+</p>
+<p>„Ik ook niet,” klonk het wanhopig naast haar.
+</p>
+<p>„Luister eens. ’t Is precies, of ze met sleutels rammelen,” zei ze en kneep Door van
+angst in den arm.
+</p>
+<p>„Ik durf onmogelijk opstaan,” kermde Door. „Mijn <span class="pageNum" id="xd32e901">[<a href="#xd32e901">64</a>]</span>mooien armband heb ik gisteren op tafel laten liggen; dien nemen ze natuurlijk mee
+en Fritsjes zilveren kroesje en de lepels en vorken! O, ’t is vreeselijk,” zuchtte
+ze. „En mijn ringetje ligt, geloof ik, op den inktpot. Sst, wat zijn ze nu stil. Misschien
+steken ze het wel aan een van hun vingers.”
+</p>
+<p>„Het zal hun toch wel niet passen,” zei Nel geruststellend.
+</p>
+<p>„Om de pink wel,” snikte Door.
+</p>
+<p>„’t Is precies, of ze hierheen komen,” fluisterde Nel en kroop stijf tegen Door aan.
+</p>
+<p>„Maak toch zoo’n leven niet.”
+</p>
+<p>„Konden we maar dood liggen, zooals Foxje.”
+</p>
+<p>Weer was ’t even stil in de voorkamer.
+</p>
+<p>„Ik probeer ’t,” zei Nel kordaat.
+</p>
+<p>„Wat?”
+</p>
+<p>„Ik houd het hier niet langer uit.”
+</p>
+<p>„Nel, hoe durf je! Ik laat je niet alleen gaan,” zei Door, toch alles behalve moedig.
+</p>
+<p>Heel voorzichtig, met ingehouden adem, liet Nel zich uit ’t bed glijden. Door volgde
+klappertandend.…
+</p>
+<p>„De deur staat op een kiertje,” fluisterde Door.
+</p>
+<p>Als twee angstige vogeltjes tegen elkaar aangedrukt, <span class="pageNum" id="xd32e919">[<a href="#xd32e919">65</a>]</span>stonden Nel en Door in de gang en trachtten door de deuropening te kijken.
+</p>
+<p>„Zie je iemand?” fluisterde Door tot Nel, die vooraan stond.
+</p>
+<p>„Niemand.”
+</p>
+<p>„Ze zullen onder de canapé gekropen zijn.”
+</p>
+<p>„Ik ga eens kijken,” zei Nel moedig.
+</p>
+<p>„Ik zie niemand,” zei ze, op haar buik liggende.
+</p>
+<p>„Kijk eens op ’t inktstel naar mijn ringetje.”
+</p>
+<p>„’t Ligt er nog” zei Nel, steeds moediger de kamer rondkijkende.
+</p>
+<p>„Ligt het er nòg?” Door was een en al verbazing. „Hoe is ’t mogelijk; dieven zijn
+anders dol op goud.”
+</p>
+<p>„Misschien zijn ze boven op de kast gekropen,” begon Door weer, nu half in de kamer
+staande.
+</p>
+<p>„Op de kast?” vroeg Nel ongeloovig, terwijl ze voorzichtig het tafelkleed oplichtte.
+</p>
+<p>„Ja zeker, op de kast. Als iets weg is, kan het overal zijn, zegt ma altijd.”
+</p>
+<p>„Je denkt zeker aan je haarlintje of je handschoenen, die ook altijd zoek zijn. St.—hoor
+je dat?” Nel stond stijf van schrik.
+</p>
+<p>Door keek haar met groote oogen aan en durfde geen voet verzetten.
+<span class="pageNum" id="xd32e936">[<a href="#xd32e936">66</a>]</span></p>
+<p>„Daar hoor ik ’t weer,” zei Nel, nog steeds op dezelfde plaats staande. „Maar—maar—ik
+geloof—dat—ja nu hoor—ik—het—duidelijk,” riep ze opgewonden.…
+</p>
+<p>„’t Is … een vogel!”
+</p>
+<p>„Een vogel?” Door wist niet, wat ze hoorde. „Een vogel?” herhaalde ze hoogst verwonderd
+en stond eensklaps midden in de kamer, naar alle kanten kijkende en luisterende. „Ja,
+je hebt gelijk, nu hoor ik het ook en heel duidelijk zelfs.”
+</p>
+<p>„Hij zit stellig in den schoorsteen.”
+</p>
+<p>„Neen, dat geloof ik niet, hij zit in de kachel. Die stumper kan zijn pret ook wel
+op.”
+</p>
+<p>„Ja, werkelijk, arm dier,” zei Nel.
+</p>
+<p>„Wat wil je doen?” voeg Door, toen Nel naar het raam liep.
+</p>
+<p>„Het raam open schuiven; dan kan hij dadelijk naar buiten vliegen. Het zal wel een
+verdwaalde kraai of spreeuw zijn.”
+</p>
+<p>„Uitstekend,” vond Door. „Nu zal ik het kacheldeurtje open zetten, let op, een, twee,
+drie—rustverstoorder.”
+</p>
+<p>Werkelijk vloog een jonge spreeuw er uit, keek even met zijn aardige glinsteroogjes
+verbaasd <span class="pageNum" id="xd32e949">[<a href="#xd32e949">67</a>]</span>rond, zag het open raam—en was verdwenen.
+</p>
+<p>„Kom eens gauw kijken, daar zit hij, daar zit hij,” riep Nel opgetogen. „Zie hij ’t
+eens druk hebben en de veertjes glad strijken, zoo’n ijdeltuitje.—Dag plaaggeest!”
+</p>
+<p>„Wat een geluk, dat het zomer is en er geen vuile stukken cokes en asch in de kachel
+liggen. Wat draait hij met zijn kopje; het heeft er veel van, dat hij zijn avontuur
+in geuren en kleuren aan die twee dikke spreeuwen naast hem zit te vertellen.”
+</p>
+<p>„Dan zullen die twee ouwetjes wel hun kopjes schudden, als ze hooren, hoe hij ons
+heeft beet gehad,” lachte Door.
+</p>
+<p>„En jouw netheid zal nog van de daken der huizen verkondigd worden,” zei Nel.
+</p>
+<p>„Maar kom, ons diefje heeft zijn vrijheid terug; ik kruip nu nog lekker een paar uurtjes
+in bed.”
+</p>
+<p>„En ik,” zei Nel geeuwend. „Brr, wat een nacht.”
+</p>
+<p>Na een kwartiertje waren beide heldinnetjes in zoete rust.
+</p>
+<p>Aan het ontbijt vertelden Door en Nel met veel ophef, wat ze vroeg in den morgen hadden
+ondervonden en werden braaf uitgelachen. Leni en de tweelingen zaten met open mond
+te luisteren en <span class="pageNum" id="xd32e960">[<a href="#xd32e960">68</a>]</span>moesten natuurlijk de kachel van alle kanten bekijken, alsof daar heel wat bijzonders
+aan te zien was. En Nel en Door moesten den boom wijzen, waarin de spreeuw gezeten
+had. Het drietal raakte niet uitgevraagd.
+</p>
+<p>„St, zacht loopen,” zei Leni dien middag, terwijl ze met de tweelingen naar den zolder
+ging. „Kijk, in den koffer zijn de kleeren, geloof ik. Jullie moet mij eventjes helpen
+met de doozen, ze zijn zoo zwaar.” Met veel moeite gelukte het hun, met hun drietjes
+de doos op te lichten.
+</p>
+<p>„O, Bob,” juichte Hans, toen Leni het deksel van den koffer had opgetild. „Kijk eens,
+een rood mutsje en een grijs. En wat is dat?” vroeg hij, een met zilverpapier beplakte
+kroon in de hand houdende.
+</p>
+<p>„Dat is de kroon, die Nel op gehad heeft, toen ze voor Asschepoes heeft gespeeld,”
+legde Leni uit. „Maar voorzichtig, jelui moet er nu niet alles uit halen. Ik zal eerst
+eens kijken, waar de pakjes van de dwergjes zijn.”
+</p>
+<p>„O, Leni, worden wij dwergjes?” Hans klapte in de handen van pleizier.
+</p>
+<p>„Daar heb ik al een pakje; hoe vinden jullie dat?”
+<span class="pageNum" id="xd32e969">[<a href="#xd32e969">69</a>]</span></p>
+<p>„Is dat voor mij?”
+</p>
+<p>„Ja, trek je schoenen maar uit, of neen, het pijpje is nogal wijd. Ga maar op deze
+kist zitten, dan zal ik je wel even helpen.”
+</p>
+<p>„Zou het niet te groot zijn?” vroeg Hans.
+</p>
+<p>„Een beetje misschien wel, maar dat is niets. Zulke pakjes zitten altijd nogal ruim,”
+voegde zij er vertroostend aan toe.
+</p>
+<p>„Wat mag ik aan hebben?” vroeg Bob, die, met de zilveren kroon van Asschepoes op zijn
+aardigen krullebol en een papieren sabel om, verlangend in den koffer keek.
+</p>
+<p>„Jij krijgt dat grijze pakje aan; tweelingen moeten toch gelijk gekleed zijn.”
+</p>
+<p>„O ja dan zal ik mijn sabel zeker maar afdoen.”
+</p>
+<p>„Ja,” zei Leni, druk bezig Hansje een rood puntmutsje op te zetten. „Klaar! Nu, wat
+zeg je er van? Is ’t niet leuk?” Hans knikte lachend. „Wacht, je moet nog den leeren
+riem om hebben, die zal ook wel in den koffer zijn. Hoera, daar is hij al! Jammer,
+dat hier geen spiegel is, dan kon je je zelf eens bekijken.”
+</p>
+<p>„Hebben dwergjes dan spiegels?”
+</p>
+<p>„O, neen, ’t is eigenlijk veel beter, dat er hier geen is, want dwergjes bezitten
+die niet.”
+<span class="pageNum" id="xd32e982">[<a href="#xd32e982">70</a>]</span></p>
+<p>„Stil, wat is dat? Daar is iemand aan de deur, geloof ik,” zei Leni verschrikt. „Gauw,
+Hans, kruip achter dezen koffer. Bob, verstop je gauw.” Voorzichtig deed Leni de deur
+open en verrast bleef ze staan, toen Julia zacht miauwend met hoogen rug langs haar
+streek en in twee sprongen op een koffer stond.
+</p>
+<p>„O, jou klein, nieuwsgierig poesekopje, om mij zoo verschrikt te maken! Kom maar weer
+uit je schuilhoekje, jongens. ’t Is Julia en die verklapt ons niet.”
+</p>
+<p>„Help je mij even? Ik kan niet in de tweede pijp komen.”
+</p>
+<p>„Een, twee, drie, hopsa,” zei Leni. „Past het niet mooi? Wacht, hier is het een beetje
+te wijd, maar dat is niets, daar komt de ceintuur over heen. Nu je puntmuts nog. Prachtig!”
+riep ze opgetogen. „Wat zullen allen kijken, als jullie beneden komt. Ga beiden nu
+maar op deze kist zitten, dan zal ik mij ook verkleeden. Oef, wat is ’t hier warm.
+Ik zal het raam open zetten.”
+</p>
+<p>„Word jij ook een dwergje?” vroeg Bob.
+</p>
+<p>„Drie dwergjes,” lachte Hans.
+</p>
+<p>„Maar dat kan toch niet, want dan ben jij een groote dwerg en dwergjes zijn altijd
+klein.”
+<span class="pageNum" id="xd32e991">[<a href="#xd32e991">71</a>]</span></p>
+<p>„Zijn er geen groote dwergen?” vroeg Hans.
+</p>
+<p>„Zijn er nooit pa-dwergjes?”
+</p>
+<p>„Jawel,” zei Leni; „want dwergen dragen immers baarden. O ja, dat is waar ook, jullie
+moet ook nog de baarden om hebben.”
+</p>
+<p>En half uitgekleed, zocht ze weer in den koffer. „Ik kan ze nergens vinden, dat is
+jammer, maar zoo zijn jullie toch ook mooi.”
+</p>
+<p>Dat vonden Hans en Bob ook.
+</p>
+<p>„Ik wordt sneeuwwitje,” zei ze.
+</p>
+<p>„Als deze koffer van glas was,” zei Hans, „dan moest jij daarin gaan liggen en konden
+wij je dragen.”
+</p>
+<p>Leni lachte.
+</p>
+<p>„St! daar roept ma mij, geloof ik. Hoe jammer!” Haastig trok ze haar jurk weer aan.
+</p>
+<p>„Stil blijven zitten, hoor! Ik kom <span class="corr" id="xd32e1004" title="Bron: ganw">gauw</span> terug.”
+</p>
+<p>’t Was een grappig gezicht, die twee aardige ventjes met hunne roode puntmutsjes op
+de kist te zien zitten tusschen allerlei koffers, doozen, manden enz.
+</p>
+<p>„O wee, kijk Julia eens,” zei Hans even later. „Zij wil, geloof ik, op het dak gaan
+en dat mag niet. Juul, Juul, Juul!” riep hij, zoo hard hij kon.
+</p>
+<p>„Misschien is zij bang voor ons, omdat we nu op dwergjes lijken.”
+<span class="pageNum" id="xd32e1012">[<a href="#xd32e1012">72</a>]</span></p>
+<p>„Als ze op het dak komt, gaat ze vogeltjes vangen,” zei Hans wanhopig.
+</p>
+<p>Weer riepen beide kinderen zoo hard ze konden, maar poes stoorde zich er in ’t geheel
+niet aan en stapte kalm het raam uit.
+</p>
+<p>Bob en Hans vergaten heelemaal wat Leni gezegd had. Beiden liepen naar het raam om
+te kijken, waar poes gebleven was.
+</p>
+<p>„Zie je haar?” vroeg Bob aan Hans, die ’t meest vooraan stond.
+</p>
+<p>„Ja, ze loopt in de goot.”
+</p>
+<p>„Och, die arme vogeltjes. Als poes ze ziet, eet zij ze op.”
+</p>
+<p>„Wat zou ze doen, ze zit zoo stil als een muisje.”
+</p>
+<p>„O Bobbie, misschien ziet ze al een vogeltje. Ik ga haar in den staart knijpen. Jaap
+heeft mij verteld, dat, als je een poes, die loert, in den staart knijpt, ze het vogeltje
+of muisje niet kan krijgen.”
+</p>
+<p>„Laten we dan dadelijk gaan. Ze zit nog steeds op hetzelfde plaatsje.”
+</p>
+<p>Beiden stapten toen voorzichtig in de goot. Bob vooraan, voetje voor voetje, gingen
+ze op poes af.
+</p>
+<p>Julia bemerkte eerst niets, maar toen Hans en Bob op ongeveer vier passen genaderd
+waren, scheen <span class="pageNum" id="xd32e1026">[<a href="#xd32e1026">73</a>]</span>ze onraad te bespeuren, tenminste ze verliet haar plaatsje en liep verder.
+</p>
+<p>„O, Hans, als wij haar nu maar kunnen krijgen,” zei Bob half schreiend. „Stil, daar
+zit ze weer, misschien heeft ze ons nog niet gezien. Niet praten,” zei hij, toen Bob
+weer iets wilde zeggen.
+</p>
+<p>Ondertusschen was Leni weer op den zolder terug gekomen. Ze keek vreemd op, toen ze
+de tweelingen niet op de kist zag zitten.
+</p>
+<p>„Jullie deugnieten, heb je je verstopt?” zei ze lachend. „Ik zal je wel vinden.” Vroolijk
+zingend ging ze zoeken. „Hans, Bob!” riep ze eenige keeren, toen zij ze niet vond.
+</p>
+<p>„Misschien zijn ze in slaap gevallen,” dacht ze toen. „Maar dan moeten ze hier toch
+zijn. Wat is dat? Julia ook weg? O wee, het raam! Zou Julia op het dak zijn gegaan?”
+Op eens kreeg ze een vreeselijken schrik. „Als-als-de tweelingen.…”
+</p>
+<p>Leni holde naar beneden. „Ma—vader—Bob en Hansje zijn nergens te vinden en Julia is
+op het dak.”
+</p>
+<p>„Kom, kom, kleine meid,” zei pa, „Julia zal wel gauw terugkomen; ze vond het zeker
+frisscher op het dak dan op den zolder. Ze zal zoo gauw geen ongeluk krijgen.”
+<span class="pageNum" id="xd32e1035">[<a href="#xd32e1035">74</a>]</span></p>
+<p>„Och ja, maar … paatje, Hans en Bob zijn er ook niet.”
+</p>
+<p>„Hans en Bob zijn toch geen poesjes, die zijn toch niet op het dak geklauterd? Kom,
+kom, vrouwtje, maak je toch zoo angstig niet. De bengels zullen zich zeker verstopt
+hebben.”
+</p>
+<p>„Ik heb ze overal gezocht,” zei Leni, nu wel een beetje gerustgesteld.
+</p>
+<p>Ze gingen zoeken boven. Maar toen niemand ze vond, maakte een vreeselijke angst zich
+van hen meester. Er was geen twijfel meer aan. Bob en Hans waren op het dak geklommen
+en naar beneden gevallen. Allen zagen lijkwit. Plotseling werd er hevig gebeld en
+stonden ze stijf van schrik. Ieder verwachtte nu te hooren, wat ze zoo zeer vreesden.
+Kee kwam naar boven hollen en vloog vader bijna omver, die juist naar beneden wilde.
+„Ze—ze—” stotterde ze,—„ze—zitten—dáár,” en Kee wees met den vinger,—„dáár gunder—op
+het—dak.—De slagersjongen kwam—het mij—zeggen”—hijgde ze,—„och, die wurmen, die wurmen!
+Het—staat—daar vol menschen, de politie—is er ook, och hemeltje—och, och! Enne, die
+kan—niet bij ze—komen, omdat de <span class="pageNum" id="xd32e1042">[<a href="#xd32e1042">75</a>]</span>menschen—die—daar wonen—uit—de stad zijn. Die stakkers! Wat ze—aan hebben, weet ik
+niet, maar—ze zien er heel gek—uit—zegt de slager.”
+</p>
+<p>Allen holden naar beneden. Mevrouw Van Brakel kon van schrik bijna geen voet verzetten.
+</p>
+<p>Ja waarlijk, een huis of zes verder zaten boven op het dak, als twee parkietjes, Hans
+en Bobbie.
+</p>
+<p>Intusschen had de politie van de buren den sleutel gehaald en was een agent naar boven
+geklommen. Een algemeene kreet van blijdschap ging op uit de volksmenigte, toen ze
+den agent op het dak zagen. En een oorverdoovend hoera brak los, toen hij met Hans,
+en mijnheer Van Brakel, die den agent gevolgd was, met Bob weer uit het huis kwamen.
+Mevrouw Van Brakel schreide en lachte te gelijk en geen van hen wist van blijdschap
+wat te doen.
+</p>
+<p>„Kindertjes, kindertjes,” zei mevrouw Van Brakel, toen men een beetje van den schrik
+bekomen was, „hoe kwamen jullie er toch toe?”
+</p>
+<p>„Heeft ze een vogeltje gepakt, tante?” vroeg Hans.
+</p>
+<p>„Een vogeltje gepakt? Wie wilde een vogeltje pakken?”
+<span class="pageNum" id="xd32e1051">[<a href="#xd32e1051">76</a>]</span></p>
+<p>„Julia,” zei Bob, en toen vertelde hij alles. „lederen keer, als ik haar staart wilde
+grijpen, liep zij verder en op ’t laatst zagen wij Julia nergens meer.”
+</p>
+<p>„En waarom liepen jullie toen niet terug?” vroeg Nel.
+</p>
+<p>„Wij durfden ons niet omdraaien. Wij wisten <span class="corr" id="xd32e1056" title="Bron: eok">ook</span> heelemaal niet, hoe ver we geloopen waren.” En op eens barstte Hans in een zenuwachtig
+schreien uit.
+</p>
+<p>„O, we waren toch zoo bang.”
+</p>
+<p>„Jullie kleine, domme kereltjes,” zei mijnheer Van Brakel troostend. „Wisten jullie
+nu nog niet, dat dwergjes op den grond hooren en niet op het dak?”
+</p>
+<p>„O, daar heb je de schuldige,” zei Door, toen poes de kamer binnen kwam. „Poesje,
+poesje, je hebt wat op je geweten. Wat heb jij ons een onmogelijken angst bezorgd.”
+</p>
+<p>„Ja, gelukkig, dat dit alles nu weer voorbij is,” zei mevrouw Van Brakel.
+</p>
+<p>„Ter eere van den goeden afloop mag Fritsje een balletje aan onze dwergjes presenteeren
+en de andere kinderen mogen mee snoepen.”
+<span class="pageNum" id="xd32e1066">[<a href="#xd32e1066">77</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch06" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch06.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="label">Zesde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Een dagje buiten.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">„Kinderen,” zei mijnheer Van Brakel eenige dagen later, „nu heb ik een mooi plan.
+’t Is zulk prachtig weer, wat denken jullie er van, als we eens een groote wandeling
+gingen maken?”
+</p>
+<p>„Heerlijk, leuk!” klonk het van alle kanten.
+</p>
+<p>„Nu, over een uurtje verwacht ik, dat alles klaar zal zijn, hoor.”
+</p>
+<p>„Meisjes, jullie moet mij dan maar flink helpen. Want er moeten heel wat boterhammen
+gesmeerd worden,” zei moeder. „Dolf, jongen, maak jij de sportkar eens keurig schoon,
+want voor Fritsje moeten wij die wel meenemen en Bob en Hans zullen ook wel eens willen
+rijden.”
+</p>
+<p>Ma en Door gingen de boterhammen smeren. Leni bracht papier aan, de tweelingen zorgden
+<span class="pageNum" id="xd32e1077">[<a href="#xd32e1077">78</a>]</span>voor de touwtjes, Nel pakte alles in en Fritsje bracht ze naar de sportkar.
+</p>
+<p>„Hoe staat het er mee?” vroeg vader, op zijn horloge ziende. „Het wordt tijd.”
+</p>
+<p>„We zijn klaar, vader,” zei Nel.
+</p>
+<p>„Mooi zoo, dan maar opgemarcheerd, marsch.”
+</p>
+<p>„Mag Foxje mee?”
+</p>
+<p>„Zeker.”
+</p>
+<p>Toen Fox zijn naam hoorde noemen, was hij uitgelaten van blijdschap. Als een pijl
+uit den boog vloog hij vooruit, rende weer terug, sprong dan tegen dezen, dan tegen
+dien op en was zoo dol, dat het niet veel gescheeld had, of hij had Fritsje in zijn
+blijdschap omgegooid.
+</p>
+<p>„Koest, Fox, koest, we weten wel, dat je blij bent,” zei Dolf, „maar als je zoo begint
+te rennen, hou je het nooit uit.”
+</p>
+<p>„Wat is het toch heerlijk buiten,” zei moeder.
+</p>
+<p>„Mij dunkt, we gaan de hei over en dan straks bij vrouw Pruim een glaasje melk drinken.”
+</p>
+<p>„O, ja,” zei Leni, „misschien heeft ze wel weer een ziek geitje, zooals den vorigen
+keer.”
+</p>
+<p>Vader begon hartelijk te lachen.
+</p>
+<p>„Je wenscht vrouw Pruim ook niet veel goeds toe, kleine meid.”
+<span class="pageNum" id="xd32e1093">[<a href="#xd32e1093">79</a>]</span></p>
+<p>Leni lachte verlegen. „Och ja, vader, maar u wéét ook niet, hoe goed vrouw Pruim haar
+ziek geitje oppaste.”
+</p>
+<p>„Dan moeten wij eens gauw gaan kijken, maar als jelui mij vraagt, dan zie ik liever
+een gezond dan een ziek geitje.”
+</p>
+<p>„Leni vindt zieke dieren altijd veel aardiger,” zei Nel plagend, „omdat ze die dan
+flink verwennen en vertroetelen kan. Was ik nu maar een zieke kikvorsch of een half
+doode spreeuw,” zei ze grappig wanhopig, „wat zou mijn zusje mij dan allerlei lekkere
+hapjes brengen.”
+</p>
+<p>„Ja, ja, je bent me een stumperd,” lachte Dolf, „en zoolang je nog zoo’n verbazende
+massa boterhammen verslindt, vrees ik, dat er vooreerst van jou geen sprake zal zijn.”
+</p>
+<p>„En tot kikker zul je ’t zeker wel nooit brengen,” zei Door, „want in plaats van in
+het water te springen, bleef jij ’t liefst aan den kant staan.”
+</p>
+<p>„En jij niet tot spreeuw,” plaagde Nel terug, „want aan vroeg opstaan heb jij een
+broertje dood.”
+</p>
+<p>„Daar zal ik ook altijd voor oppassen, als ik al eens spreeuw mocht worden; want vogeltjes,
+die te vroeg zingen, zijn immers voor de poes?”
+<span class="pageNum" id="xd32e1103">[<a href="#xd32e1103">80</a>]</span></p>
+<p>„En nu stel ik voor,” zei vader, „dat wij hier eens een poosje aan den kant van den
+weg gaan zitten. We hebben al een heele wandeling achter den rug en ’t wordt warm
+vandaag.”
+</p>
+<p>„Hè ja,” vond Door, „eventjes uitblazen.”
+</p>
+<p>„Hoe is ’t met mijn kleine broekemannetje?”
+</p>
+<p>„Is het broertje ziek geweest en is dat broertje toen doodgegaan, Mammi?” vroeg Fritsje
+met een bedroefd stemmetje.
+</p>
+<p>„Welk broertje toch, kleine man?”
+</p>
+<p>Allen keken naar Fritsje, want ’t was duidelijk, dat het schreien hem nader stond
+dan ’t lachen.
+</p>
+<p>„O, ik begrijp het, ik begrijp het,” gierde Door. „Hij heeft gehoord, dat Nel tegen
+mij zei, dat ik aan vroeg opstaan een broertje dood had.”
+</p>
+<p>Ze schaterden het uit.
+</p>
+<p>„Jou kleine, kleine krullebol,” zei Ma, en trok haar kereltje liefkoozend op den schoot.
+</p>
+<p>„Nel weet er niets van, hoor, er is geen broertje ziek geworden en ook geen dood gegaan.
+Dolf, kom eens hier met de sportkar, de bron van alle goeds, en laten we dan allen
+een eierkoek gaan eten op het heerlijke feit, dat Nel geen kikvorsch en Door geen
+spreeuw is, en op het broertje, dat niet ziek <span class="pageNum" id="xd32e1116">[<a href="#xd32e1116">81</a>]</span>geworden is. Wat zit het hier toch heerlijk, ’k was werkelijk al een beetje moe,”
+zei mevrouw Van Brakel.
+</p>
+<p>„Maar waar is Leni nu weer?” vervolgde ze. „Daar loopt ze warempel met Bob en Hans
+ons al een heel eind vooruit. Dolf, roep die drie voortvluchtigen eens terug. Ze moeten
+wat rusten, anders worden ze veel te moe.”
+</p>
+<p>„O, daar komen ze al.”
+</p>
+<p>„O, paatje, u weet niet, wat beeldige kapelletjes wij gezien hebben!” zei Leni. „Hansje
+had er bijna eentje gevangen.”
+</p>
+<p>„Jaap zegt, dat kapelletjes tooveren kunnen,” zei Bob.
+</p>
+<p>„Zoo, heeft Jaap dat verteld?”
+</p>
+<p>„Ja oom. ’t Kapelletje zegt: hocus, pocus pas, ’k wou dat ik een rups was.”
+</p>
+<p>„En wat zegt de rups?” lachte ma.
+</p>
+<p>„De rups? Hansje, zegt die ook wat?” vroeg Bob. Hans wist het niet.
+</p>
+<p>„Dan zegt die weer: hocus, pocus pas, ’k wou, dat ik weer een kappelletje was, en
+dan wordt het een kapel. Is dat niet wonderlijk?”
+</p>
+<p>„Dat zal ik Jaap vertellen,” zei Bob.
+<span class="pageNum" id="xd32e1130">[<a href="#xd32e1130">82</a>]</span></p>
+<p>„Kijk Foxje eens,” zei Dolf, „òf hij ook moe is. Pas maar op je tong, zoo meteen springt
+er een kikker op, net als op die van Pluto. Ik zou, als ik jou was, mijn rood lapje
+maar gauw naar binnen halen. Hier, dit is beter dan zoo’n springertje,” en hij gaf
+Fox een stuk van zijn koek.
+</p>
+<p>„Ik weet een mooi spelletje,” zei Leni, „zullen we bloemencorso spelen?”
+</p>
+<p>„Bloemencorso?”
+</p>
+<p>„Goed,” zei Door en sprong op, „er zijn hier zulke beeldige bloemen.”
+</p>
+<p>„Vader en moeder zijn ’t publiek,” stelde Dolf voor.
+</p>
+<p>„Ja,” zei Nel, „u moogt niet kijken, wij zullen wel waarschuwen, als alles klaar is.”
+</p>
+<p>„Dan zullen we ons maar in dezen greppel omdraaien; want om op zoo’n mooien dag met
+je oogen dicht te zitten, is wel wat veel gevergd.”
+</p>
+<p>Door stelde voor de sportkar te versieren. Dolf sneed heide, terwijl de meisjes bloemen
+gingen plukken, ’t Was niet zoo’n heel gemakkelijk werkje. Door en Nel geleken, toen
+alles klaar was, wel een paar pioenen.
+</p>
+<p>„Nu den optocht opstellen,” zei Nel, terwijl zij nog bezig was aan een krans voor
+Leni.
+<span class="pageNum" id="xd32e1141">[<a href="#xd32e1141">83</a>]</span></p>
+<p>„Eerst de sportkar met Bob er in. Leni, jij moogt hem rijden. Wat zeg je wel van dit
+kransje?”
+</p>
+<p>„Door, laten wij van onze armen een stoeltje maken, dan kan Dolf Hansje Pansje daar
+opzetten. Hij zelf kan Fritsje op zijn schouders nemen. Nu eerst dat kleine heuveltje
+op,” commandeerde Nel verder. „Ziezoo, Leni, sta even stil, nu zal ik het publiek
+verzoeken te kijken. Vader, moeder, het bloemencorso is gereed, u moogt kijken. Leni,
+vooruit nu.”
+</p>
+<p>’t Was een aardig gezicht, dat vroolijk versierde troepje van den heuvel te zien komen.
+</p>
+<p>„Beeldig, beeldig,” riep Ma.
+</p>
+<p>„Prachtig,” vond vader ook.
+</p>
+<p>Foxje was nu eens heraut, dan vormde hij weer de achterhoede, en steeds wapperde zijn
+vlag. Toen de optocht tweemaal het publiek was gepasseerd, vonden allen, dat het lang
+genoeg geduurd had.
+</p>
+<p>„’t Is mooi geweest, ’t is mooi geweest, ’t is drommels mooi geweest,” begon vader
+te zingen en allen vielen mee in.
+</p>
+<p>„En nu stel ik voor,” zei ma, „dat we bij vrouw Pruim ons glaasje melk gaan halen.
+Oef, wat is het warm!”
+<span class="pageNum" id="xd32e1152">[<a href="#xd32e1152">84</a>]</span></p>
+<p>„Ik weet den weg wel, vader,” zei Leni.
+</p>
+<p>„Uitstekend, ga jij met Hansje maar vooruit.”
+</p>
+<p>Dat vond Leni wàt gewichtig, en parmantig stapte ze voort.
+</p>
+<p>„St!” zei mijnheer Van Brakel even later, „ik hoor geritsel.”
+</p>
+<p>„Een eekhoorntje,” fluisterde Dolf.
+</p>
+<p>Ja waarlijk, daar zat op korten afstand een allerliefst eekhoorntje te smullen aan
+een paddenstoel. Hij liet de plant in zijn pootjes ronddraaien en knabbelde er zoo
+stukjes af. Zoo iets hadden de kinderen nog nooit gezien. Ademloos stonden ze te kijken,
+toen hoe jammer, Fox kwam aanrennen en binnen drie tellen zat het eekhoorntje boven
+in een boom angstig naar beneden te kijken, of hij ook vervolgd werd.
+</p>
+<p>„Fox, hier!” commandeerde mijnheer Van Brakel, die den angst van den eekhoorn zag.
+</p>
+<p>„Die stoute Fox,” zei Bob boos. „Ik vind dat eekhoornhondje veel aardiger.”
+</p>
+<p>„Zoo, vind jij dat eekhoornhondje veel aardiger dan onzen lieven Fox. Zullen we Fox
+dan in dien boom laten klimmen en het eekhoorntje meenemen?”
+</p>
+<p>Even bedacht Bob zich. „Blijft Fox dan vannacht <span class="pageNum" id="xd32e1165">[<a href="#xd32e1165">85</a>]</span>hier in ’t bosch en slaapt het eekhoornhondje dan in zijn nest?”
+</p>
+<p>„Ja zeker.”
+</p>
+<p>„Och, laten we Foxje dan maar liever houden,” zei hij. Maar nog eens even keek hij
+door de takken, waar toch wel het mooie „eekhoornhondje,” zooals hij het noemde, gebleven
+was.
+</p>
+<p>„Leni en Hansje zullen al wel bij vrouw Pruim zijn,” zei pa na een half uurtje. „Wij
+hebben, geloof ik, een omweg gemaakt. Zij zullen wel ongeduldig worden en niet begrijpen,
+waar wij blijven.”
+</p>
+<p>Maar toen allen bij vrouw Pruim kwamen, zagen ze Leni en Hansje nergens.
+</p>
+<p>„Leni zal in den stal zijn om haar zieke geit op te zoeken,” zei vader lachend. „Ga
+haar en Hans maar eens vertellen, dat wij er al zijn, dan zal ik ondertusschen voor
+jullie een glas melk bestellen.”
+</p>
+<p>„Ze zijn nergens,” zei Nel, terugkomende.
+</p>
+<p>„Nergens? Nu nog mooier. Den eenen dag verdwalen de logé’s op het dak en een paar
+dagen later verdwaalt Leni op de hei.”
+</p>
+<p>„Ze konden toch al lang hier zijn,” zei moeder.
+</p>
+<p>„Hoe is ’t mogelijk, die Leni, die altijd zoo goed den weg weet.”
+<span class="pageNum" id="xd32e1178">[<a href="#xd32e1178">86</a>]</span></p>
+<p>„Ze zal wel weer achter een vlinder of hagedis zijn gaan loopen,” zei Nel.
+</p>
+<p>„Ik wou toch, dat ze er maar vast waren,” zei moeder. „Ik ben er niet zoo heel gerust
+op.”
+</p>
+<p>„Ja,” zei Dolf lachend, „als ze achter een hagedis aanloopt, moeder, dan zal u ze
+wel niet zoo gauw terugzien. Maar daar komen ze, daar komen ze. Ik zie ze heel in
+de verte.”
+</p>
+<p>Ja, werkelijk, heel in de verte zag men twee kinderen langzaam naderkomen.
+</p>
+<p>„Waarom loopen ze toch niet vlugger, ze zien ons toch wel zitten. Als ’t niet zoo
+„onmogelijk” warm was, liep ik ze te gemoet,” zei Door.
+</p>
+<p>„Dat dient nergens toe, kindje. Ja, ’t is verbazend warm. De lucht ziet er werkelijk
+uit, of we onweer zullen krijgen, ’t Is te hopen, dat de bui nog maar wat uitblijft,”
+zei mijnheer Van Brakel.
+</p>
+<p>„Ik zal maar vast de boterhammen ronddeelen, want er zullen wel leege magen zijn en
+die twee laatkomers zullen ook wel trek hebben.”
+</p>
+<p>„Hier zijn de schuldigen,” zei Nel, die Leni en Hans toch te gemoet geloopen was en
+nu met beiden voor mevrouw Van Brakel stond.
+</p>
+<p>„Maar kinderen, wat hebben jelui uitgevoerd!” <span class="pageNum" id="xd32e1190">[<a href="#xd32e1190">87</a>]</span>riep mevrouw Van Brakel verschrikt, de natte kleeren van Hans ziende.
+</p>
+<p>Allen zetten groote oogen op.
+</p>
+<p>„Wat is er gebeurd?” riepen Dolf en Door.
+</p>
+<p>„Dit jongetje,” zei Nel, op den snikkenden Hans wijzende, „was op eens heelemaal vergeten,
+dat hij een jongen was en dacht, dat de kikker daar ginds in den plas zijn broertje
+Bob was. En toen hij zag, dat zijn kikkerbroertje alle moeite deed om een mug te vangen,
+dacht hij: stumpertje, ik zal jou wel even helpen, en flap, daar lag hij voorover
+in den plas en toen begreep hij wel wat laat, dat hij geen kikker, maar Hansje Pansje
+was.”
+</p>
+<p>„Klein, dom Hansje, dacht je, dat je een kikker geworden was,” lachte mijnheer Van
+Brakel.
+</p>
+<p>Hans schudde heftig zijn hoofd.
+</p>
+<p>„Dacht jij, dat ik in een kikker omgetooverd was?” vroeg Bob lachend.
+</p>
+<p>Nog heviger ging Hansjes bolletje.
+</p>
+<p>„Hansje dacht,” zei mevrouw Van Brakel, „dat een bad op zoo’n warmen dag wel frisch
+zou zijn, maar hij vergat zijn kleeren uit te trekken.”
+</p>
+<p>„Ik kon het heusch niet helpen,” zei Leni, half schreiende, „maar ik zag een klein
+vogeltje, dat o <span class="pageNum" id="xd32e1203">[<a href="#xd32e1203">88</a>]</span>zoo akelig deed. Ieder oogenblik dacht ik, dat het dood neer zou vallen, en juist
+toen ik het wilde grijpen, vloog het, roef! naar boven in een boom. En toen ik omkeek,
+zag ik Hans in den plas liggen. Ik heb hem toen dadelijk aan zijn arm er uit getrokken.”
+</p>
+<p>„Dat vogeltje was een kleine grappenmaker,” zei vader. „Dat heeft jou leelijk gefopt,
+meisje; want het was zoo gezond als een visch. Maar zal ik je eens wat vertellen?
+Het was bang, dat jij zijn nestje zoudt zien, waarin zijn kindertjes zaten daar in
+de buurt, en toen dacht het: als dat meisje naar mij ziet en met mij meeloopt, kan
+ze mijn kleintjes niet vinden. En toen jij ver genoeg van zijn nest verwijderd was,
+vloog hij op en lachte je in zijn vuistje uit. Droog nu maar gauw je tranen, kleine
+meid. Zoo’n bad zal Hans geen kwaad gedaan hebben. Nel kan nu wel eens hooren, of
+vrouw Pruim ons misschien ook droge kleeren kan leenen van een van haar jongens. Gerrit
+of Piet zullen wel iets hebben, dat Hansje past.”
+</p>
+<p>„Een jasje en een paar klompjes van onzen Dirk kan dat jongetje best aanhebben. Kom
+jij maar mee, hoor,” zei vrouw Pruim tot Hans, „dan zal ik je <span class="pageNum" id="xd32e1208">[<a href="#xd32e1208">89</a>]</span>die spulletjes gauw aantrekken.” Maar Hans had hierin in ’t geheel geen lust, tot
+eindelijk mevrouw Van Brakel meeging.
+</p>
+<p>Een hartelijk gelach weerklonk, toen Hans na een tien minuten als boertje met lange
+broek en klompen aan weer in den tuin verscheen.
+</p>
+<p>„O, „onmogelijk” leuk, onmogelijk,” gilde Door. Hans kreeg nu ook pret in ’t geval,
+stak zijn beide handen in de zakken, zoodat ze wijd uitstonden, draaide zich om en
+om en liet zich van alle kanten bekijken.
+</p>
+<p>„Nu, wat zegt ge nu?” lachte vrouw Pruim, „heb ik niet een aardig Pruimpje van je
+gemaakt?”
+</p>
+<p>„Och, zoo’n aardig Pruimpje,” schaterde Dolf.
+</p>
+<p>„Maar nu zijn we geen tweelingen meer,” riep Bob met een grappig ongelukkig gezicht.
+„Hoe moet dat nu, tante?”
+</p>
+<p>„Dat is niets, ventje,” zei mevrouw Van Brakel, „vanavond zijn jullie weer tweelingen
+in je hanssopjes.”
+</p>
+<p>Foxje was door al die luidruchtigheid ook heelemaal van streek en holde van den een
+naar den ander.
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure p3width"><img src="images/p3.png" alt="Hans stak beide handen in de zakken." width="497" height="720"><p class="figureHead">Hans stak beide handen in de zakken.</p>
+</div><p>
+</p>
+<p>Na een half uur werd de terugtocht ondernomen en toen Hansje moe werd van ’t ongewone
+loopen <span class="pageNum" id="xd32e1224">[<a href="#xd32e1224">90</a>]</span><span class="pageNum" id="xd32e1225">[<a href="#xd32e1225">91</a>]</span>op de klompjes, werd hij bij Frits in de sportkar gezet, ’t Was nog een heele wandeling
+en bij de greppel gekomen, werd er halt gehouden. Door beweerde, dat ze „onmogelijk”
+verder kon en allen hadden behoefte eens heerlijk uit te rusten met die warmte. Dolf
+ging languit op de hei liggen en Fox hield trouw de wacht bij zijn vriendje.
+</p>
+<p>„Nu maar weer opgemarcheerd,” zei mijnheer Van Brakel na een kwartiertje. „Ik ben
+anders bang, dat we niet voor de bui thuis zullen zijn!”
+</p>
+<p>’t Was duidelijk, dat Julia blij was, toen haar vrindjes en vriendinnetjes weer thuis
+waren. Ze deed niets dan langs de deurposten strijken en zacht miauwen en duwde haar
+aardig kopje dan tegen dezen, dan tegen dien aan.
+</p>
+<p>„Stil nu, stil nu,” zei Door troostend. „Wat wil je toch, Julia? Wacht, ik geloof
+dat er nog een kaakje in den zak is overgebleven. Dat krijg je tot „welkom thuis”
+en morgen zullen we spelletjes doen; maar als je te veel naar de vogeltjes kijkt in
+plaats van op te letten dan neem ik mijn boek en ga in een hoek onder den treurboom
+lezen, hoor!”
+</p>
+<p>„Ziezoo, het klokje van gehoorzaamheid voor allen, <span class="pageNum" id="xd32e1232">[<a href="#xd32e1232">92</a>]</span>groot en klein. Een, twee, drie naar bed. ’t Is een vermoeiende dag geweest.”
+</p>
+<p>„Ik kruip alléén onder ’t laken,” zei Leni.
+</p>
+<p>„En ik,” riepen Dolf en Nel.
+</p>
+<p>„Och, moezekepoes, wat is ’t warm!”
+</p>
+<p>„Door en Nel, jullie zorgt wel voor onze logé’s, niet waar?”
+</p>
+<p>„Ja zeker, moeder; ik zeg dan: hocus, pocus pas, ’k wou, dat ons boertje weer Hansje
+was, en dan …” lachte Nel.
+</p>
+<p>„Trekt Hans gauw zijn hanssopje aan,” zei Bob. „Dan zijn we weer tweelingen.”
+</p>
+<p>„Nacht vader, nacht moeder!”
+<span class="pageNum" id="xd32e1243">[<a href="#xd32e1243">93</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch07" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch07.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="label">Zevende hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Twee knappe huishoudsters.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">„Kinderen, moeder is vanmorgen met hoofdpijn in bed blijven liggen,” zei mijnheer
+Van Brakel eenige dagen later. „Jullie moet Kee nu maar een beetje helpen en vooral
+niet te veel leven maken, ’t Is wel vacantie, maar …”
+</p>
+<p>„Dat treft juist heel goed,” zei Door geruststellend. „Ik zal-wel voor de boterhammen
+zorgen en thee schenken. Nel kan dan—ja, Nel, wat zul jij doen?”
+</p>
+<p>„’k Zal het Kee eens vragen,” zei Nel. „Deze boontjes moeten afgehaald worden, dat
+vind ik wel een leuk werkje. Leni kan mij wel wat helpen,” en vol ijver wilde Nel
+dadelijk al beginnen.
+</p>
+<p>„Och, Nel, help jij Fritsje even met zijn boterham. Laat die boontjes maar staan tot
+na ’t ontbijt.”
+</p>
+<p>„Zou ik ze dan nog wel klaar krijgen? Kee zei: <span class="pageNum" id="xd32e1254">[<a href="#xd32e1254">94</a>]</span>„„asjeblieft een portie voor een kazerne.”” Nu, dat kan nogal, dunkt me.”
+</p>
+<p>„Zoo? Zei ze dat? Maar je moet mij nu toch even helpen. Het botermesje ben ik kwijt,”
+en Door tilde alle bordjes op, keek onder het theeblad, op den stoel. „O, daar is
+’t gelukkig al. Waar zijn de tweelingen en Leni? Wil je even kijken?”
+</p>
+<p>„Fritsje een glaasje melk, Door,” vleide de kleine jongen.
+</p>
+<p>„Ja, ja, kleine snoes, dadelijk, ’k heb ’t zoo druk.
+</p>
+<p>Och, Nel! Nel! Nè-èl! Hè, waar is ze nu weer?” zei Door in zich zelf. „Waarom loopt
+ze nu juist weg? Ze kan toch wel begrijpen.…”
+</p>
+<p>„Ze waren in den tuin,” zei Nel, met de tweelingen terugkomende.
+</p>
+<p>„Wie waren in den tuin?”
+</p>
+<p>Nel proestte het uit. „Wie anders dan Bob en Hans. Je zei immers: ik zou ze zoeken.”
+</p>
+<p>„Dat is waar ook; maar geef jij Frits even zijn kroes met melk, ik kom niet klaar.
+Wacht, even tellen: Vader, Dolf, Nel, Leni, de tweelingen, dat is—dat is zes. Hoeveel
+sneetjes zou ik snijden? Hoeveel eet jij?”
+</p>
+<p>„Ik heb trek,” zei Nel.
+<span class="pageNum" id="xd32e1267">[<a href="#xd32e1267">95</a>]</span></p>
+<p>„Nu ja, daar heb ik niets aan. Hoeveel sneetjes eet je dan, àls je trek hebt?”
+</p>
+<p>„Twee.”
+</p>
+<p>„En Dolf, denk je?”
+</p>
+<p>„Wel drie.”
+</p>
+<p>„En vader?”
+</p>
+<p>„Ook wel zooveel.”
+</p>
+<p>„Acht,” telde Door. „En Leni?”
+</p>
+<p>„Ja, dat weet ik niet.”
+</p>
+<p>„Leni, Leni!” riep Door, met in de eene hand het mes en de andere het brood.
+</p>
+<p>„Natuurlijk, Leni is weer bij het kippenhok. Hoeveel?” riep Door, ’t brood in de hoogte
+houdende.
+</p>
+<p>„Vier,” riep Leni terug.
+</p>
+<p>„Vier, hoe is ’t mogelijk,” zei Door, „dat is dus twaalf.”
+</p>
+<p>„Och,” zei Nel, „waarom vraag je dat toch alles; dat doet ma nooit.”
+</p>
+<p>„Ma wéét, hoeveel ieder zoowat eet, maar ik niet. Zou jij ooit gedacht hebben, dat
+Leni vier sneetjes at?”
+</p>
+<p>„En dan zegt ze nog wel, dat ze in de vacantie nooit trek heeft,” lachte Nel.
+</p>
+<p>„Bob en Hans ieder eentje, dat is veertien,” telde Door. „Nu Kee nog. Ik hoop maar
+niet, dat <span class="pageNum" id="xd32e1286">[<a href="#xd32e1286">96</a>]</span>ze al te grooten honger heeft,” zei ze met een kleur van inspanning, „want ’t mes
+is zoo akelig stomp. Help jij vast smeren.”
+</p>
+<p>„Kee!” riep ze, nu haar hoofd in de gang stekende. „Hoeveel?”
+</p>
+<p>„Hoeveel?” riep Kee verwonderd terug. „Gewoonlijk driehonderd, maar nu nog vijftig
+meer.” Door proestte het uit.
+</p>
+<p>„O, neen, maar Nel, hoe vind je die Kee?” verder kwam Door niet.
+</p>
+<p>„Wat zegt Kee?” vroeg Nel, lachend om Door.
+</p>
+<p>„Toe, zeg het nu,” zei Nel ongeduldig, omdat Door maar blééf lachen.
+</p>
+<p>„Verbeeld je, Kee zegt „„gewoonlijk—,”” weer proestte Door ’t uit.
+</p>
+<p>„Hè toe, wees nu niet zoo flauw,” zei Nel half boos, half lachend.
+</p>
+<p>„Kee zegt,” zei Door nu, haar best doende zich verstaanbaar te maken: „gewoonlijk
+driehonderd en nu nog vijftig meer,” wéér gierde Door. „O, nee, maar Nel, wat zou
+ze meenen? Gewoonlijk driehonderd en nu nog vijftig meer; zeker, omdat ik een stomp
+mes heb!”
+</p>
+<p>Nel, die juist Frits hielp, gutste door het lachen <span class="pageNum" id="xd32e1299">[<a href="#xd32e1299">97</a>]</span>de helft van de melk over het kroesje. „Ik begrijp het,” schaterde ze. „Ze bedoelt
+de slaboonen.”
+</p>
+<p>„’t Is prachtig! Eenig! Stel je voor: driehonderd vijftig sneetjes met een stomp mes.”
+</p>
+<p>„Hoeveel <i>boterhammen</i>?” riep Door gierend terug.
+</p>
+<p>„Wie kan dat nou ook denken,” zei Kee goedig; „drie, maar als ik haast heb twee. En
+ik heb nu haast.”
+</p>
+<p>„Dat is—hoeveel had ik ook weer?”
+</p>
+<p>„Veertien,” hielp Nel.
+</p>
+<p>„Dat is dus zestien en ik zelf. Ja, ’k hèb honger, maar ook haast, net als Kee, dus
+ook maar twee. Kom, nu zal ik de rest smeren. Wat is zoo’n huishouding toch „onmogelijk”
+druk,” zei ze, Fritsjes boterham in smalle reepjes snijdende. „Je komt gewoon niet
+klaar.”
+</p>
+<p>„Ziezoo, daar ben ik weer,” zei mijnheer Van Brakel. „Ik zie wel, dat je goed voor
+allen gezorgd hebt.”
+</p>
+<p>„Leni, kom nu toch, we zijn allen klaar,” riep Nel; „je boterhammen zijn gesmeerd.”
+</p>
+<p>„Ja, ik kom dadelijk, ik moet even de eieren naar de keuken brengen. Zijn al die boterhammen
+voor mij?” vroeg ze, verbaasd naar haar bordje kijkende.
+<span class="pageNum" id="xd32e1315">[<a href="#xd32e1315">98</a>]</span></p>
+<p>„Ja, natuurlijk,” zei Door. „Ik heb je immers gevraagd, hoeveel je hebben wou? Je
+eet nu maar op, wat op je bordje ligt.”
+</p>
+<p>„Maar ik <i>heb</i> niet gezegd, dat ik er vier wou hebben,” zei Leni, wanhopig naar den berg boterhammen
+kijkende. „Zoo veel eet ik nooit.”
+</p>
+<p>„Wat is er toch, kinderen?” vroeg mijnheer Van Brakel.
+</p>
+<p>„Och, vader, ik was aan het brood snijden, en omdat ik niet graag meer wilde snijden
+dan noodig was, vroeg ik Leni, die natuurlijk weer bij de kippen was: „hoeveel?”
+</p>
+<p>„En toen?”
+</p>
+<p>„Toen riep ze van vier, dus.…”
+</p>
+<p>„En vier kon <i>on</i>mogelijk iets anders zijn in Doors oogen dan sneetjes brood; zoo’n huishoudstertje,”
+lachte vader.
+</p>
+<p>„Nu begrijp ik het,” zei Door, „vier kon bij Leni <i>on</i>mogelijk iets anders zijn dan eieren.”
+</p>
+<p>„Of kippen,” zei Nel.
+</p>
+<p>„Dus kippeneieren,” lachte Dolf. „Wat wil jij, Julia, kleine vleister! Bob, zij wil,
+geloof ik, dolgraag een stukje van jouw boterham hebben.”
+</p>
+<p>„Nu zou ik toch eigenlijk wel graag een kopje thee willen hebben,” zei vader.
+<span class="pageNum" id="xd32e1338">[<a href="#xd32e1338">99</a>]</span></p>
+<p>„O wee, ik vergeet heelemaal in te schenken. Ma heeft misschien ook wel trek in een
+kopje. Leni, wil jij eens even vragen?”
+</p>
+<p>„Wat is dat?” riep Door verschrikt uit. „Er komt water uit de tuit, alléén water.
+En ik weet toch zeker, dat ik thee in den pot heb gedaan.”
+</p>
+<p>„Misschien gebeurt zoo iets in de vacantie wel meer,” zei vader.
+</p>
+<p>„O, neen, paatje,” zei Door, die wel begreep dat mijnheer Van Brakel haar plaagde,
+„’t Is toch heusch waar. Ik heb het theebusje in de hand gehad, ik weet het zeker.”
+</p>
+<p>„Ja, je hebt met thee zetten gedaan als met de vraag aan Leni over de boterhammen.
+Je vroeg hoeveel, en het voornaamste vergat je.”
+</p>
+<p>„Ja, maar het theebusje,” begon Door verdrietig, „waar is dat dan toch gebleven. Ik
+zie het hier niet staan en toch.…”
+</p>
+<p>„Ik heb het, ik heb het!”
+</p>
+<p>„Waar?” vroeg Door.
+</p>
+<p>„Hier, onder het deksel van het botervlootje,” zei Nel.
+</p>
+<p>„Ik ben blij voor jou, dat het busje er weer is. Ik zal nu voor dezen morgen maar
+een glas melk nemen; want het wordt mijn tijd.”
+<span class="pageNum" id="xd32e1351">[<a href="#xd32e1351">100</a>]</span></p>
+<p>„Nu, paatje,” zei Door, die het heel onpleizierig vond, dat haar theeschenken zoo
+treurig afliep, „dan schenk ik u vanmiddag een extra lekker kopje.”
+</p>
+<p>„Water of thee?” lachte vader.
+</p>
+<p>„Wat is u toch een plaaggeest!”
+</p>
+<p>„Ik op ’t lage stoeltje!” riep Nel een kwartier later en rende naar het priëel zoo
+vlug ze kon, met de teil met prinsessenboonen voor zich uit. „Jullie moet mij allen
+helpen. Dolf, haal jij even een paar couranten voor de draden en een grooten bak voor
+de afgehaalde boonen. Leni kan die boonen mooi doormidden breken. De tweelingen en
+Fritsje kunnen met hun drietjes in den tuin spelen, wij hebben daarvoor nu geen tijd.
+Er kan hun geen ongeluk overkomen. Fox, hier oude jongen, breng dit boek eens naar
+binnen, dat heeft zeker iemand hier gisteren weer laten liggen, je weet wel, wie ik
+bedoel. Fox sprong en blafte, dat Bob de vingers in zijn ooren stak. „Fox, apporte,
+bedaar nu, apporte,” gebood Nel en toen nam de dartele, vroolijke Fox heel gedwee
+het boek in zijn bek en ging er mee naar binnen.
+</p>
+<p>„Allo, marsch,” riep Kee en toen stoof Fox de trap op naar Doors kamer.
+<span class="pageNum" id="xd32e1358">[<a href="#xd32e1358">101</a>]</span></p>
+<p>Bob, Hans en Frits hadden het al even druk met hun drietjes als de kleine huishoudsters.
+</p>
+<p>„Dat is Asschepoes,” legde Hans aan Bob en Frits uit, terwijl hij bij het kippenhok
+stond, „en dat Snoetie. Kijk die kuikentjes toch eens. Ik wou wel zoo’n kuikentje
+in de hand hebben.”
+</p>
+<p>„Ik ook wel,” zei Bob. „Misschien zouden ze ’t wel prettig vinden, als ze ook eens
+door den tuin mochten wandelen,” opperde hij.
+</p>
+<p>„Ja,” zei Hans, „en die arme Asschepoes zeker ook. ’t Is toch ook niet prettig, altijd
+in zoo’n hok te zitten.”
+</p>
+<p>„Mag Frits ook een kuikentje hebben, zoo’n lief kuikentje?” en hij trappelde al van
+ongeduld.
+</p>
+<p>„Is er ook een deurtje om in ’t hok te komen?” onderzocht Hans.
+</p>
+<p>„Hier is een deurtje,” zei Frits, die Leni dit dikwijls had zien openen.
+</p>
+<p>„Wat een kleintje,” lachte Bob.
+</p>
+<p>„Ja, dit is eigenlijk ’t kippenhuis. Laten we spelen, dat wij kip zijn,” stelde Bob
+voor, „en Frits een kuikentje.”
+</p>
+<p>„Neen,” zei Hans, „ik ben Slokop en jij Asschepoes en dan vecht ik met jou.”
+<span class="pageNum" id="xd32e1371">[<a href="#xd32e1371">102</a>]</span></p>
+<p>„Fritsje vindt het toch niet zoo heel prettig in dit huisje,” zei Frits, angstig naar
+den haan kijkende.
+</p>
+<p>„Dat hoort ook zoo,” zei Bob. „Kuikentjes vinden ’t ook niet prettig in een hok. Kijk
+eens, daar loopen warempel al twee op ’t gras. Kijk Asschepoes eens en de haan. En
+Snoetie en Toetie!”
+</p>
+<p>Voorzichtig stapte hij ’t hok binnen, wel een klein beetje bang, toen eenige kippen
+begonnen te fladderen. Maar dat wilde hij voor Hans en Fritsje niet weten en liep
+daarom moedig verder.
+</p>
+<p>„Ze vinden het, geloof ik, niet goed, dat wij in hun huis komen,” en eigenlijk had
+Hans wel grooten trek om dadelijk weer terug te keeren, maar toen hij Bob zoo dapper
+voort zag stappen, wilde hij niet minder zijn.
+</p>
+<p>„Nu is er geen meer in ’t hok! Hoe leuk,” riep Hans, „nu doen we het deurtje dicht!”
+Maar juist had Hansje dit gezegd, toen er een doordringende gil van Leni te gelijk
+met een nog doordringender van Door weerklonk; want de kippen, krielkipjes en kuikentjes
+genoten zoo buitengewoon van hun vrijheid, dat ze uit puur pleizier steeds verder
+waren getrippeld tot aan ’t priëel, waarin allen zoo ijverig bezig waren, dat ze Bob
+en Hans geheel hadden <span class="pageNum" id="xd32e1379">[<a href="#xd32e1379">103</a>]</span>vergeten. Tot op eens Toetie met haar kleine kraaloogjes om ’t hoekje kwam kijken
+en de haan zijn blijdschap over de heerlijke vrijheid niet beter wist uit te drukken,
+dan door een krachtig kukeleku vlak bij Leni’s oor te laten hooren.
+</p>
+<p>„De haan! de kippen! de kuikens!” klonk het van alle kanten. Door viel bijna over
+den bak met slaboonen. „Wie is bij ’t kippenhok geweest?”
+</p>
+<p>Leni sprong op en Nel zat als versteend.
+</p>
+<p>Fox, die rustig had liggen slapen, was op eens klaar wakker en pas zag hij de niets
+vermoedende kuikentjes, of hij wilde er op af, als Dolf hem niet met geweld bij den
+halsband vastgehouden en in huis gezet had. Nu werd het een jagen van alle kanten.
+Tot driemaal toe vloog Asschepoes angstig kakelend over het bed met viooltjes en de
+kleine kuikentjes trippelen nù voor, dàn achteruit, in ’t geheel niet begrijpend,
+wat er van hen verlangd werd.
+</p>
+<p>„Niet zoo wild, niet zoo wild,” riep Door, „dan kunnen we ze onmogelijk krijgen. O
+wee, daar heb je Julia. Nel, jaag haar weg.” Julia was blijkbaar over dezen daad van
+Nel zóó diep beleedigd, dat ze, zonder Nel ook maar met één blik te verwaardigen,
+rechtsomkeert maakte om boven op de schutting <span class="pageNum" id="xd32e1386">[<a href="#xd32e1386">104</a>]</span>haar toilet, waarmee ze te voren zoo ernstig bezig was geweest, te voltooien.
+</p>
+<p>„Ssst, voorzichtig, daar zit een krielkipje onder die struik. Dolf, ga jij hier staan,
+dan jagen we het er voorzichtig onder uit.”
+</p>
+<p>„Och, kijk toch die kuikentjes, ze vallen bijna over hun eigen pootjes,” zei Leni.
+</p>
+<p>Op eens schaterde Dolf het uit. „O neen maar, kijk toch eens, kijk eens. Bob, Hans
+en Fritsje in het kippenhok!”
+</p>
+<p>Allen waren, al jagende, nu ook het kippenhok genaderd en niettegenstaande de groote
+verwarring door de „kippenoverstrooming”, zooals Dolf zei, ging er toch een uitbundig
+gelach op, toen ze de drie kereltjes in het kippenhok zagen met hun neusjes stijf
+tegen ’t gaas gedrukt, vol belangstelling voor de kippenjacht.
+</p>
+<p>„Nu nog mooier,” zei Nel. „Willen jullie wel eens één, twee, drie, uit het hok komen?
+Zoolang jullie nog Bob en Hans bent, hooren jullie niet in een kippenhok.”
+</p>
+<p>„We dachten, dat de kippen het heel prettig zouden vinden in den tuin,” zei Bob.
+</p>
+<p>„Misschien vinden ze dat ook wel, maar kuikentjes <span class="pageNum" id="xd32e1397">[<a href="#xd32e1397">105</a>]</span>en kippen zijn nog maar domme dieren en weten niet, dat ze niet aan de bloemen mogen
+pikken; daarom vinden wij het in het geheel niet prettig, dat ze in den tuin zijn.
+Ze zouden onzen mooien tuin heel gauw leelijk maken en dat willen jullie toch zeker
+ook niet. Ziezoo, blijf hier nu maar even stil staan, dan zullen wij ze voorzichtig
+in het hok jagen.”
+</p>
+<p>Bob en Hans stonden wel wat bedrukt te kijken.
+</p>
+<p>„Fritsje vond het niets prettig om kuikentje te spelen,” zei Frits, blij, dat hij
+uit het hok was.
+</p>
+<p>„Neen, ventje, dat is ook niet prettig, tenminste voor jongens niet.”
+</p>
+<p>Eindelijk waren alle kippen weer in ’t hok. Zelfs de haan, hoewel de laatste van de
+geheele familie stapte deftig de voordeur van zijn huis binnen en begon dadelijk te
+pikken van enkele graankorrels, die op den grond lagen, met een gezicht en een deftigheid,
+alsof hij niet even te voren zoo ondeugend zijn huis ontvlucht was.
+</p>
+<p>„Goeden middag!” hoorden de kinderen zeggen.
+</p>
+<p>„O, moesje, is u weer beter?”
+</p>
+<p>„Wie zou nu lang in bed kunnen blijven met zulk prachtig weer,” lachte mevrouw Van
+Brakel.
+<span class="pageNum" id="xd32e1407">[<a href="#xd32e1407">106</a>]</span></p>
+<p>„O, moes, ’t is eigenlijk jammer, dat u nu pas komt. Als u even eerder gekomen was.…”
+</p>
+<p>„’k Heb alles van het balcon gezien,” zei moeder, „en ik geloof, dat ik het restje
+hoofdpijn weggelachen heb.”
+</p>
+<p>„’t Was eigenlijk „onmogelijk” leuk,” zei Door.
+</p>
+<p>„De slaboonen zijn klaar, maatje.”
+</p>
+<p>„Jullie bent maar een paar knappe huishoudsters. En daar ben ik wat trotsch op, hoor!”
+<span class="pageNum" id="xd32e1415">[<a href="#xd32e1415">107</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch08" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch08.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="label">Achtste hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Een avontuur.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">„Hier heb ik de kleeren, die we voor Hans geleend hebben; die konden jullie zoo meteen
+wel eens naar vrouw Pruim terugbrengen, ’t Is er juist zoo’n heerlijke dag voor,”
+zei mevrouw Van Brakel. „Fritsje blijft bij mij thuis, dan behoeft de sportkar niet
+mee, want Hans zal nu toch voor de tweede maal wel niet in een plas vallen en naar
+huis gereden moeten worden,” lachte ze. „Kijk eens, Nel, koop hiervoor wat chocolade
+voor de drie jongens van vrouw Pruim en hiervoor mag je voor jullie zelf eene traktatie
+koopen, omdat het vacantie is.”
+</p>
+<p>„Dat treft goed,” riep Door opspringende, terwijl ze het boek, waarin ze zat te lezen,
+neergooide, „ik dacht juist: wat zal ik nu eens doen en daar komt u met zoo’n heerlijk
+plannetje.”
+<span class="pageNum" id="xd32e1423">[<a href="#xd32e1423">108</a>]</span></p>
+<p>„Weet jullie wat,” zei Nel, „ik ga vast vooruit met Hans en Bob om iets te koopen,
+jullie komt ons dan wel na.”
+</p>
+<p>„Wat gaan we koopen?” vroeg Hans.
+</p>
+<p>„Ja, dat weet ik niet, dat mogen jullie nu eens bedenken,” zei Nel, die het wat gewichtig
+vond, dat haar de inkoopen waren opgedragen. „We moeten iets hebben voor Dirk, Piet
+en Gerrit.”
+</p>
+<p>„Ik weet wel iets: een chocolade-sigaar,” zei Hans.
+</p>
+<p>„Een chocolade-tol is veel mooier,” vond Bob.
+</p>
+<p>„Dat vind ik allebei heel aardige dingen; als ik nu maar wist, wat de jongens ’t mooist
+vinden. Ziezoo, hier moet we zijn,” zei Nel en stapte met de beide jongens een winkel
+binnen.
+</p>
+<div class="lgouter">
+<p class="line">Voeten vegen, wat verdriet,
+</p>
+<p class="line">Zien jelui die mat daar niet?</p>
+</div>
+<p class="first">werd er op eens geroepen. Nel kreeg een kleur als vuur, gluurde overal rond, maar
+zag niemand. Bob en Hans wisten ook niet, wat ze er van denken moesten, maar alle
+drie deden gewillig wat hun bevolen werd.
+</p>
+<div class="lgouter">
+<p class="line">Doe de deur toch dadelijk toe,
+</p>
+<p class="line">Hoor, hoe ’k hoest, aehoe! aehoe!</p>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="xd32e1439">[<a href="#xd32e1439">109</a>]</span></p>
+<p class="first">„De deur is dicht,” zei Nel, niets op haar gemak. Maar tegenover Hans en Bob wilde
+zij zich groot houden.
+</p>
+<p>„Wie zou dat toch zeggen?” fluisterde Hans. „Ik zie niemand.” En hij ging op zijn
+teenen staan om zoo ver mogelijk om zich heen te kunnen kijken.
+</p>
+<div class="lgouter">
+<p class="line">Houd op, houd op, ik lach mij ziek,
+</p>
+<p class="line">’k Heb in mijn poot zoo’n rheumathiek</p>
+</div>
+<p class="first">werd er toen geroepen en daarop klonk een schaterend lachen, zóó vroolijk, dat Nel,
+Hans en Bob het mee uitproestten. Toen ging op eens achter de toonbank een deur open
+en een dame met een vriendelijke stem zei: „Neem me niet kwalijk, jongejuffrouw, dat
+ik u zoo lang liet wachten, maar ik werd juist even opgehouden. Waarmee kan ik u dienen?”
+</p>
+<p>„Ik, ik”.… Nel schaterde het weer uit. „Hebt u—ook.”—Weer een lachbui. „O, juffrouw,
+neen, ik kan ’t niet zeggen.”
+</p>
+<p>Bob en Hansje keken dàn naar Nel, dàn naar de juffrouw en deden ook niets dan lachen.
+</p>
+<p>„Ik begrijp niet”—zei de juffrouw, nu ook lachende, „werkelijk niet”.…
+<span class="pageNum" id="xd32e1451">[<a href="#xd32e1451">110</a>]</span></p>
+<p>„Ik wou graag,” begon Nel, die alle moeite deed zich goed te houden, „ik wou graag”.…
+</p>
+<p>„Ha, ha, nu begrijp ik, wat er gebeurd is,” zei de juffrouw. „Toddy, de raaf, is zeker
+aan ’t woord geweest.”
+</p>
+<p>„Was het geen mensch, was het een raaf?” vroeg Nel hoogst verwonderd. „Hoe is ’t mogelijk?
+Och toe, mogen wij hem eens zien?”
+</p>
+<p>„Kom dan maar mee,” was het lachend antwoord.
+</p>
+<p>„Kijk, hier is hij.”
+</p>
+<p>Nel en de tweelingen raakten niet uitgekeken.
+</p>
+<p>„Kan hij nog meer praten?” vroeg Nel opgetogen.
+</p>
+<p>„O zeker,” zei de juffrouw, „maar hij wil niet altijd. O, ’t is zoo’n deugniet.”
+</p>
+<p>„Niet waar, niet waar!” riep de vogel terug.
+</p>
+<p>„Jammer, dat de anderen hier niet zijn,” zei Nel; „mag ik eens even kijken, of ze
+komen, juffrouw? Leni zou de raaf zoo dolgraag eens zien.”
+</p>
+<p>„Zeker hoor, als je denkt, dat ze het aardig vinden.”
+</p>
+<p>Nel stoof den winkel uit en kwam niet lang daarna met Door, Leni en Dolf terug. Nel
+had onderweg het geheele verhaal al gedaan.
+</p>
+<p>„Klontje,” zei Toddy en klopte met zijn snavel tegen de kooi.
+<span class="pageNum" id="xd32e1468">[<a href="#xd32e1468">111</a>]</span></p>
+<p>„Dat kun je begrijpen,” zei de juffrouw lachend.
+</p>
+<p>„Och toe, juffrouw, mogen we hem iets geven?” vroeg Leni.
+</p>
+<p>„Dan moet hij er eerst om bedelen.” Toen Toddy ’t woord „bedelen” hoorde, begon hij
+uit alle macht tegen de tralies te tikken, nam een smeekende houding aan, door zijn
+kop schuin te houden, en riep: „Och toe, och toe,” wat zóó grappig klonk, dat allen
+het uitgierden.
+</p>
+<p>„Nu mag jullie hem een stukje borstplaat geven,” zei de juffrouw.
+</p>
+<p>Hans durfde niet en Bob was wel bang, dat de raaf hem in de hand zou pikken, maar
+toch gaf hij het hem.
+</p>
+<p>„Zit hij altijd in die kooi?” vroeg Hans.
+</p>
+<p>„Wel neen, hij komt er dikwijls uit.”
+</p>
+<p>„Nu moeten we gaan,” zei Door eindelijk.
+</p>
+<p>Leni had grooten lust te blijven.
+</p>
+<p>„Ik zou warempel mijn boodschappen nog vergeten,” zei Nel. „Hebt u ook chocolade-tollen,
+juffrouw?”
+</p>
+<p>„Kijk eens, hoe vind je deze?” vroeg de juffrouw, terwijl ze er één van chocolade
+en één van suiker liet zien.
+<span class="pageNum" id="xd32e1482">[<a href="#xd32e1482">112</a>]</span></p>
+<p>„Beeldig, geeft u beide maar en dan nog een chocolade-sigaar.” En toen Nel ook een
+zakje met lekkers gekocht had, ging het geheele gezelschap weer op stap, nadat de
+juffrouw hen uitgenooodigd had eens spoedig terug te komen. „Toddy vindt het heerlijk,
+visite te krijgen en ikzelf ook.”
+</p>
+<p>„Zullen we heengaan over de hei en terug over ’t land Van der Pol?” stelde Door voor.
+</p>
+<p>Dat was best.
+</p>
+<p>„Daar zie ik het huis al,” zei Leni na een poosje; „nog vijf minuten—en we zijn er.”
+</p>
+<p>„Wel, komen jullie daar allen aangestapt? Dat is aardig,” zei vrouw Pruim. „Kom maar
+binnen, kom maar binnen.”
+</p>
+<p>„Neen, vrouw Pruim, wij willen hier buiten liever een beetje uitrusten. We komen je
+’t pakje van Dirk terugbrengen en moeder bedankt je vriendelijk.”
+</p>
+<p>„Ja ja, ’t is goed, ’t is goed,” zei vrouw Pruim.
+</p>
+<p>„Waar zijn Dirk, Piet en Gerrit? We hebben wat voor hen meegebracht,” zei Nel.
+</p>
+<p>„Dat had je toch niet moeten doen. Daar komen ze juist aan,” zei vrouw Pruim en wenkte
+hen uit alle macht.
+</p>
+<p>„Kijk eens,” riep Nel en hield drie pakjes in de <span class="pageNum" id="xd32e1494">[<a href="#xd32e1494">113</a>]</span>hoogte, „in ieder pakje zit iets lekkers voor jullie, dat lijkt je zeker goed toe.”
+</p>
+<p>De jongens bleven verlegen staan.
+</p>
+<p>„Gerrit, raad eens, wat ik hier heb?” zei Nel, een pakje in de hoogte houdende.
+</p>
+<p>„’k Weet niet,” zei Gerrit verlegen.
+</p>
+<p>„Je moet raden,” zei vrouw Pruim, lachend.
+</p>
+<p>Gerrit haalde de schouders op, durfde niets zeggen.
+</p>
+<p>„Ik zal je een handje helpen,” zei Dolf.
+</p>
+<div class="lgouter">
+<p class="line">„Ik sta met één poot op den grond
+</p>
+<p class="line">En draai daar vroolijk op in ’t rond.
+</p>
+<p class="line xd32e135">Hoe meer men mij sla,
+</p>
+<p class="line xd32e135">Hoe vlugger ik ga.”</p>
+</div>
+<p class="first">„Wat „onmogelijk” leuk,” riep Door. „Dolf, hoe heb je dat zoo goed bedacht?”
+</p>
+<p>„Stil, laat Gerrit raden.”
+</p>
+<p>„Ik, ik weet het niet,” zei Gerrit.
+</p>
+<p>„Een tol,” raadde Piet met een hoogroode kleur.
+</p>
+<p>„Bravo!” riep Nel, „die is voor jou, je hebt hem eerlijk verdiend. En nu heb ik hier
+nog iets. Dirk en Gerrit, nu ben jullie aan de beurt. Toe, Dolf, jij bent in het raadseltjes
+opgeven zoo knap. Bedenk nog eens wat.”
+<span class="pageNum" id="xd32e1517">[<a href="#xd32e1517">114</a>]</span></p>
+<p>„Als jullie een oogenblikje geduld hebt,” zei Dolf; „want opeens zoo’n versje te maken,
+is zoo gemakkelijk niet. Wacht, ik weet al iets:
+</p>
+<div class="lgouter">
+<p class="line xd32e135">„Ik ben bruin en rond,
+</p>
+<p class="line xd32e135">’k Hoor in den mond.
+</p>
+<p class="line">Maar blijf ik daar een langen tijd,
+</p>
+<p class="line">’t Is zeker, dat ik steeds meer slijt,
+</p>
+<p class="line"> ’k Ben bruin en rond en dik,
+</p>
+<p class="line"> Nu raad eens, wie ben ik?”</p>
+</div>
+<p class="first">„Leuk, leuk!” juichte Door weer. „Nu, Gerrit, bedenk jullie je goed.”
+</p>
+<p>„Een sigaar,” zei Gerrit na een poosje.
+</p>
+<p>„Knap geraden, als je blieft. Je weet nu,” zei Nel lachend, „’k hoor in den mond,
+maar blijf ik daar een langen tijd, ’t is zeker, dat ik steeds meer slijt.”
+</p>
+<p>„En nu nog voor onzen Dirk, die zullen we maar niet laten raden, want dat heeft Piet
+al voor hem gedaan. Voor Dirk ook een tol.”
+</p>
+<p>’t Was aardig, de gelukkige gezichten te zien.
+</p>
+<p>„En als jullie nu niet te moe meer bent, moet je toch eens even in de schuur komen
+kijken, daar is iets aardigs te zien,” zei vrouw Pruim. Dat werd aan geen doovemansooren
+gezegd. Leni holde vooruit. <span class="pageNum" id="xd32e1535">[<a href="#xd32e1535">115</a>]</span>„Nu héél stil zijn,” vermaande vrouw Pruim, „wacht, ik zal maar eerst gaan. Kijk eens,”
+zei ze, toen ze eerst een paar kippen, die daar liepen, had weggejaagd, en wees naar
+een groote ronde mand, waarin Mollie, de poes, lag met vijf aardige, gele kuikentjes,
+die gedeeltelijk van onder haar zachte vacht zichtbaar waren.
+</p>
+<p>„Wat is dat? Mollie met …!” Leni kon geen woorden vinden om hare verwondering uit
+te drukken. Door en de anderen waren ook verstomd over hetgeen zij zagen.
+</p>
+<p>„Maar—maar doet Mollie ze geen kwaad?” vroeg Nel angstig.
+</p>
+<p>„Wij vonden de kloek op een morgen dood in den tuin liggen,” zei vrouw Pruim, „en
+Mol lag op ’t grasveld in de zon te slapen; toen zijn de kuikentjes onder haar gekropen;
+ze keek eerst wel vreemd, maar liet ze toch begaan. ’t Was, of ze voelde, dat ze bij
+haar bescherming zochten en sedert dien tijd koestert zij ze zooveel mogelijk. Is
+het niet aardig? Stil maar Mol,” zei ze tegen de poes, die naar het scheen onrustig
+werd, omdat allen om haar heen stonden, „blijf maar kalm liggen, we gaan dadelijk
+weg.”
+<span class="pageNum" id="xd32e1542">[<a href="#xd32e1542">116</a>]</span></p>
+<p>„Wat vind ik dat toch een lieve poes,” zei Hans. „O, Bobbie, als Jaap hier eens was.”
+</p>
+<p>„Neen, zoo iets heb ik nog nooit gezien,” fluisterde Door.
+</p>
+<p>„’t Is snoezig,” zei Leni verrukt, „snoezig.”
+</p>
+<p>„’k Zie Julia al zoo met onze kuikentjes,” zei Nel.
+</p>
+<p>„Mollie was ook zoo’n trouwe moeder voor haar eigen poesjes. Weet je nog wel,” zei
+Door, „hoe ze de kleine zwarte likte, die door Trim gebeten was?”
+</p>
+<p>„Kom, kinderen,” zei vrouw Pruim, „je moet nu allen maar in den tuin gaan, ik ben
+anders bang, dat Mollie van de kuikentjes wegloopt.”
+</p>
+<p>„’t Wordt ook onze tijd,” zei Door, „je zoudt er anders wel zoo’n heelen dag naar
+kunnen blijven kijken.”
+</p>
+<p>„Zoo lief moest Julia zijn,” vond Dolf.
+</p>
+<p>„Zeg niets van Julia,” zei Leni, „al koestert ze geen kuikentjes, ’t is toch een lieve
+poes.”
+</p>
+<p>„Dat vind ik ook,” zei Door.
+</p>
+<p>Na vrouw Pruim en de jongens goeden dag gezegd te hebben, vertrok het vroolijke troepje.
+</p>
+<p>Een kwartier later hield Nel den zak met lekkers in de hoogte en riep: „Eerst een
+hartversterking.”
+</p>
+<p>„Ja heerlijk, presenteer maar weer eens,” zei Dolf.
+<span class="pageNum" id="xd32e1558">[<a href="#xd32e1558">117</a>]</span></p>
+<p>„Neen, neen, zoo gemakkelijk gaat het niet, jullie moet maar zien, dat je iets krijgt,”
+zei ze lachend. Door vloog op Nel af, maar toen Nel dit zag, rende ze vooruit en allen
+achter haar aan.
+</p>
+<p>„Jongens, houdt Nel vast!” riep Dolf.
+</p>
+<p>„Dat kun je begrijpen, zoo gauw laat ik mij niet vangen,” hijgde Nel. Tot tweemaal
+toe ontglipte ze Dolf, die haar bij de mouw trachtte te grijpen, maar eindelijk moest
+ze ’t wel opgeven en plofte in ’t gras neer. „Ik kan niet meer, ik kan niet meer,”
+zei ze. „Jullie hebt je stukje eerlijk verdiend, kies maar uit.”
+</p>
+<p>„Er zit wat in mijn schoen,” zei Hans met een ongelukkig gezicht.
+</p>
+<p>„Er zit ook wat in mijn schoen,” zei Leni.
+</p>
+<p>„Nu nog mooier!” riep Dolf.
+</p>
+<p>„Ja heusch,” zei ze.
+</p>
+<p>„Trek hem dan eens uit,” zei Door.
+</p>
+<p>„Neen, want dan is ’t er niet meer in,” lachte Leni.
+</p>
+<p>„Ze bedoelt haar voet! ’k Wist niet, dat mijn zusje zoo grappig was,” zei Nel, haar
+een kus gevende. „Maar Hans heeft er zeker nog meer in zitten dan een voet, die kijkt
+zoo ongelukkig; kom ventje, trek je schoen dan maar gauw uit. Met een hinkelepinkje
+<span class="pageNum" id="xd32e1571">[<a href="#xd32e1571">118</a>]</span>kunnen we onmogelijk de wandeling naar huis ondernemen. Daar hebben we ’t al,” zei
+ze, een klein steentje weggooiende, „nu maar gauw voortgemaakt.” „Toe, Nel, presenteer
+nog eens,” zei Leni na een poos, „we hebben al zoo’n eind geloopen, we kunnen dan
+meteen eens zitten.”
+</p>
+<p>„Mij goed, kinderen, kom maar hier, „moeder” zal voor jullie allen iets heerlijks
+uitzoeken,” zei Nel lachend.
+</p>
+<p>„Dat kan je begrijpen,” zei Dolf, „neen hoor, ieder mag zelf kiezen.”
+</p>
+<p>„Natuurlijk, natuurlijk,” viel Door bij.
+</p>
+<p>„Dan zal ik van mijn zak een hoorn des overvloeds maken,” zei Nel en schudde het lekkers
+zoo ver mogelijk naar voren, terwijl ze haar hand er als een presenteerblaadje onder
+hield. „Eerst mogen onze gasten kiezen. Die nemen natuurlijk beiden hetzelfde. Tweelingen
+kunnen „onmogelijk” anders.”
+</p>
+<p>„Neen,” zei Bob, „dat hoeft toch niet. Hans vindt chocoladeboontjes met likeur het
+lekkerst en ik met fondant. We zijn alleen van buiten tweelingen.”
+</p>
+<p>„Kies jij maar gerust, hoor,” zei Nel. „Door weet er niets van. Zij zegt altijd zulke
+„onmogelijk” gekke dingen.”
+<span class="pageNum" id="xd32e1580">[<a href="#xd32e1580">119</a>]</span></p>
+<p>„Nu maar weer voorwaarts marsch,” commandeerde Dolf, nadat er een tijdje gerust was.
+„Anders komen we veel te laat thuis.”
+</p>
+<p>„Daar is het land al, dat we over moeten.”
+</p>
+<p>„Doen die koeien niets?” vroeg Hans, niet erg op zijn gemak bij ’t vooruitzicht, die
+te moeten voorbij gaan.
+</p>
+<p>„We zijn al zoo dikwijls hier langs gekomen. Kijk, dat smalle paadje gaan we over;
+als kippetjes loopen we dan achter elkaar aan. Dolf, jij moet de haan maar zijn en
+ons voorgaan.”
+</p>
+<p>„Wat een grappig wegje is dit,” zei Bob, toen allen op het smalle landpaadje liepen.
+</p>
+<p>Een paar koeien keken even met droomerige oogen op, toen ze de kinderen zagen, maar
+graasden toen dadelijk rustig door.
+</p>
+<p>„Fox, hier blijven,” beval Dolf, toen de hond vooruit wilde hollen.
+</p>
+<p>„Ik was toch liever niet door ’t land gegaan, nu we Fox bij ons hebben,” fluisterde
+Door Nel een poosje later in ’t oor, „maar zeg hiervan niets aan de kleintjes.”
+</p>
+<p>Juist had Door dit gezegd of een zwart gevlekte koe, die nog even te voren rustig
+had staan kauwen, <span class="pageNum" id="xd32e1592">[<a href="#xd32e1592">120</a>]</span>deed een paar passen in hun richting. Nel stiet een klein gilletje uit. Fox, die zeker
+voelde, dat er iets niet in den haak was, begon te blaffen. Eerst bleef de koe staan,
+alsof zij verbaasd was over het geluid, dat zoo’n klein beestje maakte. Maar toen
+begon zij al vlugger te loopen, naar Fox toe.
+</p>
+<p>„Zij komt op ons af!” gilde Door. „Fox, hier, hier!” En meteen nam ze Hans bij de
+hand en zette het op een loopen. Nel met Bob er achteraan! Dolf en Leni, die al een
+eind vooruit waren, keken bij het hooren van het gegil achterom en renden angstig
+voort.
+</p>
+<p>„O, o!” jammerde Door en wanhopig sleurde ze Hans mee. „Hoe vreeselijk!”
+</p>
+<p>„Als we maar eerst bij het hek waren,” hijgde Nel. „Ik-ik kan bijna—niet meer.” Maar
+voort holde ze, den schreienden Bob meetrekkende. Steeds dichter en dichter naderde
+de koe. Nel hoorde het dier vlak achter zich. Ze bestierf het bijna van angst. Op
+eens struikelde ze en sloeg voorover, terwijl ze Bob in haar vaart meetrok. Op datzelfde
+oogenblik hoorde ze roepen: „Hector, pak aan!” En even daarna stond een oud, krom
+boertje over haar heen gebogen.
+<span class="pageNum" id="xd32e1598">[<a href="#xd32e1598">121</a>]</span></p>
+<p>„Wel, wel, ben je zoo geschrokken?” hoorde ze hem vriendelijk zeggen en meteen werd
+ze voorzichtig opgelicht. „Kom maar mee, hoor, en dat kleine ventje ook,” zeide hij,
+den hevig schreeuwenden Bob bij de hand nemend. „Hector heeft die leelijke koe, die
+jullie zoo verschrikt gemaakt heeft, bij het touw: Je behoeft niet meer bang te zijn,
+dat ze je zal stooten. Kom maar gauw mee naar mijn huis. Je drinkt een frisch glas
+water en je bent weer heelemaal beter.”
+</p>
+<p>„Heb jullie je pijn gedaan?” vroeg Door bezorgd, die met de anderen om Nel heen stond.
+</p>
+<p>„Mijn voet doet zoo’n pijn,” zei Nel nog schreiend, gedeeltelijk van den schrik en
+gedeeltelijk van de pijn.
+</p>
+<p>„Als je hem maar niet verstuikt hebt,” zei Door. „En Bob, waar heb jij je bezeerd?”
+</p>
+<p>„Mijn knie,” zei Bob, „o, mijn knie doet zoo’n pijn.”
+</p>
+<p>„Wel lieve tijd, zijn heele knie geschaafd,” zei Door. „Stumperd. Hoe komen we met
+twee zulke invaliden thuis!”
+</p>
+<p>„Moet je nog ver?” vroeg het boertje.
+</p>
+<p>„Nog een half uurtje,” zei Dolf.
+</p>
+<p>„Zoo, zoo, dat is geen kleinigheid, dat is geen kleinigheid,” herhaalde hij hoofdschuddend.
+„Wil <span class="pageNum" id="xd32e1610">[<a href="#xd32e1610">122</a>]</span>ik je eens wat zeggen? We zullen eerst een glas water gaan drinken voor den schrik
+en dan span ik mijn Bruin voor den wagen en breng jullie allen thuis. Nu, wat zeg
+je daarvan? ’t Is wel geen statiekoets, maar je behoeft dan toch niet te loopen.”
+</p>
+<p>„Dat vind ik „onmogelijk” aardig,” zei Door.
+</p>
+<p>Mijnheer en mevrouw Van Brakel wisten niet, wat ze zagen, toen daar het heele vroolijke
+troepje op een hooiwagen den weg afkwam. Dolf en Leni wuifden al uit de verte met
+hun zakdoeken. In kleuren en geuren werd het geheele geval aan vader en moeder verteld.
+Natuurlijk moest het oude boertje binnen komen en een glaasje bier drinken. En nadat
+Leni hem vol trots haar kippenfamilie had getoond, ging hij, na nog eens en nog eens
+vriendelijk bedankt te zijn, met Bruin weer naar zijn eigen huis terug.
+</p>
+<p>Nels voet deed nog den heelen avond pijn. Maar moeder wist als altijd raad, zoodat
+beide invaliden den val al gauw vergeten waren.
+</p>
+<p>„Maar tòch,” zei Nel, „door een land met koeien ga ik van mijn leven niet weer, daar
+heb ik genoeg van.”
+</p>
+<p>„Als Fox er maar niet bij geweest was,” zei Dolf „dan was er niets gebeurd.”
+<span class="pageNum" id="xd32e1619">[<a href="#xd32e1619">123</a>]</span></p>
+<p>„Ja, Foxje,” zei Leni, „was jij nu maar zoo knap en zoo sterk als Hector, dan had
+je ons natuurlijk wel geholpen, maar je bent eigenlijk een klein, dom, eigenwijs hondje.”
+</p>
+<p>Het duurde niet heel lang, of Door was in diepe rust, maar Nel was blijkbaar nog onder
+den indruk van den schrik.
+</p>
+<p>Toch kreeg na lang woelen eindelijk de slaap de overhand; maar toen werd de arme Nel
+geplaagd door de akeligste droomen. Ze zag zich zelf alleen op een groot stuk land,
+waar van alle kanten koeien op haar afkwamen, die haar met booze oogen aankeken. Ze
+vluchtte naar een hek, maar toen ze daar dicht bij kwam, was ’t hek verdwenen en lag
+op die plaats een groote roodbonte koe kalm te grazen op een groot veld papavers.
+En telkens als het dier een papaver in den bek stak, veranderde de bloem in een draaiende
+tol. Toen liep Nel terug en zag opeens Leni voorbijhollen, gezeten op een zwarte koe.
+Leni leek veel grooter dan anders en telkens als ze langs Nel reed, strekte ze haar
+lange armen naar haar uit. Maar als Nel haar wilde grijpen, was zij verdwenen en zag
+Nel haar héél in de verte voortgaloppeeren, steeds haar wenkende, terwijl het <span class="pageNum" id="xd32e1624">[<a href="#xd32e1624">124</a>]</span>haar als een mantel om haar heen golfde. Plotseling stond Nel voor een sloot en kon
+ze niet verder en voor en achter zich zag ze niets dan koeien, toen op hetzelfde oogenblik
+een wagen kwam aanrijden met een grappig klein paardje er voor. De kop van het paard
+ging steeds op en neer. Op den wagen zaten wel honderd kinderen, hij was zóó vol,
+dat onder ’t rijden er gedurig enkelen afvielen, maar als aapjes kropen ze er weer
+bij op. De voerman pakte Nel op en zette haar er tusschen, maar toen zat Nel zóó nauw,
+dat zij zich letterlijk niet kon bewegen, want van alle kanten drongen ze tegen haar
+aan en een jongen hield haar knie zóó stijf vast en trok zulke vreemde gezichten,
+dat ze met een gil wakker werd.
+</p>
+<p>„Wat heb je, wat is er?” riep Door verschrikt en zat rechtop in bed.
+</p>
+<p>„Ik weet het niet,” kreunde Nel, „o, wat had ik een akelige droom, je weet het niet—van
+koeien en—o vreeselijk.”
+</p>
+<p>„Wacht, ik zal gauw licht opsteken,” zei Door en wipte het bed uit. „Een buitenkansje,
+de lucifers liggen op den kandelaar,” zei ze, de kaars aanstekend. „Wil je eens drinken?”
+<span class="pageNum" id="xd32e1630">[<a href="#xd32e1630">125</a>]</span></p>
+<p>„O, graag,” zei Nel klappertandend. „Ik droomde—”
+</p>
+<p>„Neen, hoor, die droom zal ik morgen vroeg wel hooren, laten we nu liever over iets
+anders praten, anders doorleven we straks beiden vervolg en slot van deze minder opwekkende
+droomgeschiedenis,” zei ze, weer in bed stappend.
+</p>
+<p>„Weet je, wat ik wou,” zocht Door Nel af te leiden, „dat ik zoo’n raaf had als die
+juffrouw—”
+</p>
+<p>„Welke juffrouw?”
+</p>
+<p>„Je weet wel, die dame, bij wie we vandaag die tollen en de sigaar kochten.”
+</p>
+<p>„O ja, dat zou leuk zijn,” zei Nel, nog niet geheel bekomen.
+</p>
+<p>„Ik zou hem allerlei versjes leeren; te beginnen met: „’t Is vacantie, ’t blijft vacantie”
+enz.”
+</p>
+<p>„Meen maar niet, dat dat zoo gemakkelijk zou gaan. Als hij hier op de slaapkamer stond,
+dan zou hij al gauw roepen: „Nel, waar is mijn haarlintje, waar mijn armband, waar
+mijn themaboek?”
+</p>
+<p>„Om te gieren,” vond Door. „Zou zoo’n vogel duur zijn?”
+</p>
+<p>„Ik weet het niet,” zei Nel geeuwend.
+</p>
+<p>„’t Is jammer, dat het er met mijn spaarpot altijd zoo treurig uitziet.”
+<span class="pageNum" id="xd32e1644">[<a href="#xd32e1644">126</a>]</span></p>
+<p>„En met de mijne.”
+</p>
+<p>„Zeg eens, Nel, Ne-èl.”
+</p>
+<p>„Ja”—kwam er flauw uit het andere ledikant.
+</p>
+<p>„Je moet je oogen eens half toe doen en dan naar de kaars kijken, dan zie je zulke
+prachtige stralen.”
+</p>
+<p>„Hm,” zei Nel, „’k doe ze liever heelemaal toe, ’k ben slaperig.”
+</p>
+<p>„Ja, ik ook. Toch leuk, die stralen van die kaars, ik zal ze toch zoo meteen uitblazen—”
+<span class="pageNum" id="xd32e1653">[<a href="#xd32e1653">127</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch09" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch09.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="label">Negende hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Een dag vol geheimen.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first"></p>
+<div class="lgouter">
+<p class="line">„Er stond een juffrouw aan de deur
+</p>
+<p class="line xd32e1661">Met een witte boezelaar veur
+</p>
+<p class="line xd32e1663">Hoe langer ze ston
+</p>
+<p class="line xd32e135">Hoe meer ze vergong”</p>
+</div>
+<p class="first">zei Door den volgenden morgen lachend en wees uit haar bed naar den kandelaar.
+</p>
+<p>„Och, lieve tijd, je hebt de kaars laten branden,” zei Nel en ’t was nog wel een nieuwe.
+</p>
+<p>„Ja, dat zal je altijd zien. Met stompjes zal mij zooiets niet overkomen. Maar eigenlijk
+ben jij hier de schuldige.”
+</p>
+<p>„Nu nog mooier!”
+</p>
+<p>„Ja, want om jou van een wissen ondergang te redden, ontstak ik het licht,” zei Door
+plechtig.
+</p>
+<p>„Ja, ’t was een nare droom,” zei Nel, nog rillend bij de herinnering.
+<span class="pageNum" id="xd32e1675">[<a href="#xd32e1675">128</a>]</span></p>
+<p>„Vertel hem nu maar; zoo onder het vastmaken van mijn knooplaarzen bestaat er niet
+veel kans, dat ik hem verder droomen zal.”
+</p>
+<p>„Ja,” zei Nel, zich bezinnend, „ik droomde van koeien, die op mij af kwamen—en—en—verder
+weet ik werkelijk niet meer.”
+</p>
+<p>„Dat dacht ik wel. Een droom is als een Fransche les, als je hem vertellen wilt, dan
+weet je er hoogstens één regel van. Maar dat je van koeien gedroomd hebt, verwondert
+mij niet na ons avontuur van gisteren. Mij dunkt, al de jonge leden van den huize
+Van Brakel hebben het vannacht wel met een of meer koeien aan den stok gehad. Ik ken
+mijzelf niet, dat ik er zoo heelhuids ben afgekomen, afschoon <i>jouw</i> koeien mij mijn halve nachtrust gekost hebben,” lachte ze.
+</p>
+<p>De lucht zat vol geheimen!
+</p>
+<p>Geen wonder, Leni was den volgenden dag jarig en dat is op zichzelf al een feest,
+maar jarig zijn in de vacantie, met nog twee aardige logétjes, dat is wel een reden
+om er een echten feestdag van te maken. Er werd dan ook heel wat afgefluisterd, zelfs
+Kee werd er in betrokken, en wat meer zegt: Kee had nu eens geen haast, maar luisterde
+belangstellend <span class="pageNum" id="xd32e1686">[<a href="#xd32e1686">129</a>]</span>naar Nel of Door. Leni’s hartje popelde van verlangen.
+</p>
+<p>„Is ons cadeautje al bezorgd?” fluisterde Door moeder in ’t oor.
+</p>
+<p>„Nog niet, juffertje Ongeduld, maar dat zal wel komen.”
+</p>
+<p>„Het zou jammer zijn, als het niet op tijd kwam. Weet u wat, ik ga eens even naar
+den winkel.”
+</p>
+<p>„Dat zou ik maar doen, zoo’n wandeling is gezond,” zei mevrouw Van Brakel.
+</p>
+<p>„Hoe vervelend! Nu kan ik mijn handschoenen weer niet vinden; maar kom, dan maar zonder,”
+overlegde Door bij zich zelf. „’t Is ook zoo warm.”
+</p>
+<p>Zoo alleen boodschappen doen was juist een kolfje naar Doors hand; ze hield dol van
+winkels kijken en nu kon ze net zoolang voor een raam staan, als ze zelf verkoos.
+Nel had gewoonlijk zoo’n haast. Toen ze eindelijk al haar aandacht gaf aan een winkel,
+waar mooie platen voor de ramen hingen, bemerkte ze, dat een meisje naast haar stond,
+dat gedurig naar haar keek en dat, telkens als Door haar aankeek, lachend haar hoofd
+afwendde. Door wist niet, wat ze er van denken moest en liep verder. Bij een volgenden
+winkel dacht ze: „Wat zien ze toch aan mij?” toen ze bemerkte, dat ook een dame, <span class="pageNum" id="xd32e1695">[<a href="#xd32e1695">130</a>]</span>die eerst achter haar had geloopen, haar in ’t voorbijgaan aankeek en lachend doorliep.
+</p>
+<p>„’t Is, alsof iedereen weet, dat we morgen een feestje hebben,” dacht ze bij zichzelf
+en liep wat vlugger om gauwer thuis te zijn. Maar voor ze den winkel in ging om te
+vragen, of het cadeautje, dat zij en Nel aan Leni wilden geven, klaar was, keek ze
+nog eens voor de ramen naar allerlei beeldige dingetjes. Nauwelijks stond ze daar,
+of een slagersjongen zei lachend: „Zeg eens, jongejuffrouw, is dat de laatste mode,
+op <i>die</i> manier je handschoenen te dragen?”
+</p>
+<p>Nu werd het Door toch te erg en met een kleur als vuur draaide ze den winkel in.
+</p>
+<p>„Juffrouw,” begon ze stotterend, „is …” maar Door kon bijna niet verder spreken, toen
+ze het lachende gezicht van de juffrouw zag. „Is de,” hakkelde ze. Maar op eens schaterde
+de juffrouw het uit: „Hebt u zoo door de stad geloopen?”
+</p>
+<p>„Ja,” knikte Door verlegen. „Ja.”
+</p>
+<p>Door bekeek zich van alle kanten, draaide zich om en om.
+</p>
+<p>„Hebt u niet naar uw handschoentjes gezocht?” Door knikte; begreep er niets van. „Voelt
+u dan <span class="pageNum" id="xd32e1708">[<a href="#xd32e1708">131</a>]</span>eens op uw hoed.” Nu schaterde Door het uit. „O, daar zijn ze, nu begrijp ik alles.”
+</p>
+<p>„Ja, maar er zit nog iets, ik geloof een zakdoek. Voel maar eens achter de lus.”
+</p>
+<p>„Ja warempel,” lachte Door. „Als ze dat thuis hooren! Ik ben maar wat blij, dat u
+’t mij gezegd hebt, dank u wel. Maar nu zou ik bijna mijn boodschap vergeten. Ik kwam
+eens hooren, of de mand klaar was. Morgen is mijn zusje jarig.”
+</p>
+<p>De juffrouw beloofde het cadeautje op tijd te bezorgen en lachend nam Door afscheid.
+</p>
+<p>„Net iets voor jou, net iets voor jou,” riep Nel, toen Door het heele verhaal thuis
+deed.
+</p>
+<p>„Prachtig,” zei vader, „prachtig. Jullie zult eens zien, dit meisje wordt nog een
+professor.”
+</p>
+<p>„Je verschijnt nog eens op een morgen met de handschoenen aan je voeten en de schoenen
+aan je handen,” plaagde Dolf.
+</p>
+<p>„Dat denk ik niet,” zei Door; „want gewoonlijk mis ik een van beide.”
+</p>
+<p>En terwijl Door beneden het verhaal deed van haar ongelukkigen tocht, liepen Hans
+en Bob met Fritsje tusschen zich in ongemerkt zacht de trap op. „Pas op, dat Leni
+ons niet hoort,” zei Hans.
+<span class="pageNum" id="xd32e1720">[<a href="#xd32e1720">132</a>]</span></p>
+<p>„Leni morgen jarig,” zei Fritsje.
+</p>
+<p>„Ja, Leni krijgt iets heel moois,” zei Hans gewichtig.
+</p>
+<p>„Ja,” zei Bob, „Leni krijgt een echt kuikentje, omdat ze zooveel van kuikentjes houdt.”
+</p>
+<p>„Waar is het?” vroeg Frits belangstellend.
+</p>
+<p>„Kom maar mee, het ligt in dezen koffer,” zei Hans, terwijl hij den koffer open deed.
+Nieuwsgierig keek Frits er in.
+</p>
+<p>„Ik zie geen kuikentje,” zei hij teleurgesteld.
+</p>
+<p>„Zie je dat ei daar liggen?” vroeg Hans, nadat hij eerst allerlei kleedingstukken
+van hem en Bob uit den koffer had genomen.
+</p>
+<p>Frits knikte.
+</p>
+<p>„Dat ei wordt een kuikentje,” legde Bob uit.
+</p>
+<p>„Ja,” zei Hans, Bobs woorden herhalend, „dat ei wordt een kuikentje.”
+</p>
+<p>„Een echt?” vroeg Frits ongeloovig.
+</p>
+<p>„Ja. Maar eieren moeten een geheelen tijd héél warm liggen, voor er kuikentjes uit
+kunnen komen,” onderwees Bob weer. „Ik zal het daarom maar weer gauw toedekken.”
+</p>
+<p>„Als wij hier een kip hadden,” bepeinsde Hans, „dan konden wij die er op zetten.”
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure p4width"><img src="images/p4.png" alt="Nieuwsgierig keek Frits er in." width="490" height="720"><p class="figureHead">Nieuwsgierig keek Frits er in.</p>
+</div><p>
+</p>
+<p>„Ja,” zei Bob, wien dit ook wel toelachte, „dan <span class="pageNum" id="xd32e1741">[<a href="#xd32e1741">133</a>]</span><span class="pageNum" id="xd32e1742">[<a href="#xd32e1742">134</a>]</span>kroop er misschien morgen wel een kuikentje uit het ei, dat zou heerlijk zijn.”
+</p>
+<p>„Durf jij een kip uit den tuin halen?” vroeg Hans.
+</p>
+<p>Bob schudde heftig zijn hoofd. „Een doode misschien wel,” kwam er flauwtjes uit.
+</p>
+<p>„Ja, maar die is er niet,” zei Hans, met een bedenkelijk gezicht naar de plaats kijkende,
+waar het ei lag, bedolven onder blousjes en broeken.
+</p>
+<p>„Zal Fritsje kipje zijn?” stelde Frits moedig voor.
+</p>
+<p>Hans en Bob keken elkaar aan.
+</p>
+<p>„Kun je stil zitten?” vroeg Bob.
+</p>
+<p>Frits knikte.
+</p>
+<p>„Kippen zitten altijd doodstil op de eieren,” zei Hans, die zich verplicht gevoelde
+Frits het moeilijke van zijn taak goed onder het oog te brengen.
+</p>
+<p>„Ik kan wel voor kipje spelen,” zei Frits, die bij zijn voorstel bleef.
+</p>
+<p>„Dan zal ik de kleeren weer uit den koffer krijgen.”
+</p>
+<p>„Kun je er alleen in stappen?” vroeg Bob.
+</p>
+<p>Neen, dat kon hij niet. Hans en Bob moesten hem helpen.
+</p>
+<p>„Daar is Julia ook,” zei Bob, „die mag hier niet in deze kamer, dan wil ze misschien
+ook in den koffer.”
+<span class="pageNum" id="xd32e1759">[<a href="#xd32e1759">135</a>]</span></p>
+<p>„Als ’t kuikentje piept, moet je er dadelijk uitkomen,” waarschuwde Hans.
+</p>
+<p>Frits knikte.
+</p>
+<p>„Als Frits op het kuiken zit, dan kan het wel dood gaan,” zei Bob angstig.
+</p>
+<p>Dat was een moeilijk geval, daar hadden Bob en Hans nog in ’t geheel niet aan gedacht.
+</p>
+<p>„Laten we dan maar liever de kleeren weer op ’t ei leggen,” stelde Bob voor, die in
+zijn verbeelding het doode kuikentje al zag. En juist zou Frits maar weer kip af zijn,
+toen vreeslijk gegil van beneden tot hen doordrong. Bob en Hans holden naar het raam
+aan den voorkant en zagen nog juist, dat Julia door Leni van de straat opgeraapt werd.
+</p>
+<p>„Hoe vreeselijk, Julia is uit het raam gevallen!” Bob en Hans vergaten Frits en liepen,
+zoo vlug ze konden, naar beneden.
+</p>
+<p>„Och, lieve poes, lieve Julia,” riep Leni schreiende. „Zie ze eens beven. Als ze maar
+niet dood gaat.” Zacht streelde ze poes; allen stonden om haar heen.
+</p>
+<p>„Ze heeft gelukkig niets gebroken,” zei mijnheer Van Brakel, de pootjes onderzoekend.
+„Zet haar op dezen stoel, Leni; ik denk, dat ze wel gauw weer de oude zal zijn. Zij
+is natuurlijk erg geschrokken.”
+<span class="pageNum" id="xd32e1770">[<a href="#xd32e1770">136</a>]</span></p>
+<p>„Zie ze toch eens beven,” zei Leni.
+</p>
+<p>„Maar hoe kwam poes toch boven? De deur van de voorkamer moet opengestaan hebben.”
+</p>
+<p>„Poes wou in den koffer,” versprak Hans zich, „maar dat mocht niet, want Fritsje.…”
+</p>
+<p>„Fritsje? Is Frits dan boven?” vroeg mevrouw Van Brakel verbaasd. „Ik dacht, dat jullie
+met hem in den tuin speelden.”
+</p>
+<p>„Fritsje zit in den koffer,” lichtte Bob toe.
+</p>
+<p>„In den koffer?” Allen keken verbaasd naar de tweelingen, toen Hans, die opeens aan
+de verrassing van Leni dacht, zei: „Ja, ’t is een geheimpje, hé Bobbie?”
+</p>
+<p>De verwondering steeg ten top. Door holde naar boven, waar ze Fritsje snikkend in
+den koffer vond zitten.
+</p>
+<p>„Och, kleine vent, wat scheelt er aan?” Maar niettegenstaande het diep ongelukkige
+gezichtje van Frits kon Door toch haar lachen niet bedwingen, toen Frits tusschen
+het schreien door riep: „Ik—ik—wil geen kippetje zijn, Dora, ik wil geen kippetje
+zijn.”
+</p>
+<p>Toen Door met het snikkende Fritsje beneden kwam en met vragen bestormd werd, zei
+ze lachend:
+<span class="pageNum" id="xd32e1782">[<a href="#xd32e1782">137</a>]</span></p>
+<p>„Wij vertellen niets, dat is nu <i>ons</i> geheimpje, wat zeg jij, kleine man?” Fritsjes verdriet, nu hij uit den koffer en
+weer bij moesje was, was spoedig geleden.
+</p>
+<p>Gelukkig was Julia gauw weer beter en toen Leni even de kamer uit was, stelde vader
+voor, eerst de tweelingen en daarna Julia te photografeeren. Kee werd in het geheim
+genomen. Die kwam daarom even later Leni vragen, haar wat te helpen.
+</p>
+<p>„Ik kom anders nooit klaar en jij kunt zoo mooi helpen, je doet mij zooveel pleizier,”
+beweerde ze. „Je werkt nog beter dan ik zelf.” En ze liet Leni koffie malen uit den
+treuren, totdat ze wel voor een week genoeg had. En nadat de heer Van Brakel Bob en
+Hans had gephotografeerd, beiden zittende in de sportkar, was hij met een onuitputtelijk
+geduld bezig Julia te „nemen.” Juist op ’t moment, dat het gaan zou, zag Julia, onbewust
+van ’t gewichtige oogenblik, een vlieg, waardoor haar rustige houding van even te
+voren geheel veranderde en zij vol belangstelling het diertje met haar poot trachtte
+te grijpen. Maar eindelijk, na herhaalde pogingen, stond Julia er „prachtig” op. Fox,
+die eigenlijk ook <span class="pageNum" id="xd32e1790">[<a href="#xd32e1790">138</a>]</span>op een kiekje moest, was op dat oogenblik nergens te vinden en dus bleef het bij poes
+en de tweelingen. Dolf stelde voor Toetie en Snoetie te fotografeeren, maar deze twee
+waren vader veel te beweeglijk, zoodat er veel kans zou zijn, dat Snoetie met twee
+koppen en Toet er misschien met twee staarten opkwam en vader wist zeker, dat Leni
+op zoo’n portret van haar lievelingskippen niet gesteld was.
+</p>
+<p>„Jammer, dat Foxje er niet is,” zei Dolf, „ik wil nog eens kijken, misschien is hij
+wel in de buurt.” En juist zou Dolf de kamer uitgaan, toen Nel hem lachend tegen hield.
+</p>
+<p>„Weer een brief van oom Karel,” zei ze, „dien moet je eerst hooren, ik zal hem voorlezen.
+Jongens, een brief van vader, kom eens gauw,” riep ze den tuin in. „Waar is Leni,
+die moet ook bij de voorlezing wezen.”
+</p>
+<p>„Hoera, hier zijn we al,” juichte het drietal.
+</p>
+<p>„Toe, Nel, begin nu gauw,” zei Door.
+</p>
+<p>Nel las:
+</p>
+<p>„Mijn lieve kaboutertjes! Het briefje, dat ik hierbij insluit, is van Miekie. Ik vond
+het op den lessenaar. Miekie had natuurlijk geen postzegel, daarom heb ik <span class="pageNum" id="xd32e1800">[<a href="#xd32e1800">139</a>]</span>het briefje maar in het couvert gedaan en aan jullie verzonden. Dat zij gisteren iets
+in haar schild voerde, was duidelijk. Zij bleef voortdurend bij mij zitten, terwijl
+ik zat te schrijven. Na eerst op mijn schouder en toen op een paar boeken gezeten
+te hebben, ging ze op een blaadje postpapier zitten. Als ik haar zei: „maar, Miekie,
+postpapier is er toch niet om op te zitten,” dan knipte ze een paar keer met haar
+groene oogjes en keek het raam uit, alsof ze ’t onschuldigste poesje van de wereld
+was.”
+</p>
+<p>„Precies zooals Julia doen kan,” zei Door. „En toen ik klaar was,” las Nel verder,
+„en het papier wilde meenemen, was ze zoowaar ingedommeld, zoo hield zij zich tenminste,
+zoodat ik het blaadje wel moest laten liggen. Toen ik later den brief zag, begreep
+ik, waarom zij dit grapje uitgehaald had.
+</p>
+<p>Nu wil ik nog even vertellen, dat ik morgen bij jullie kom. Ik weet, dat er dan een
+klein meisje jarig is, dat ik graag zou willen feliciteeren en ’t is dan mijn plan,
+de kaboutertjes den volgenden dag mee naar hier te nemen. We verlangen allen erg naar
+hen en dan … sedert gisteren heeft hier in huis een groote verandering plaats gehad,
+maar ik <i>schrijf</i> niet wat. Ik zal het mijn kaboutertjes zelf <span class="pageNum" id="xd32e1807">[<a href="#xd32e1807">140</a>]</span><i>vertellen</i>. Wat zullen ze opkijken! Honderd kusjes van vader en moeder.”
+</p>
+<p>„Komt Paatje morgen hier?” riepen Bob en Hans opgetogen.
+</p>
+<p>„Ja, hoe vindt jullie dat?”
+</p>
+<p>„Heerlijk!” zei Bob, „juist op Leni’s verjaardag.”
+</p>
+<p>„En gaan we dan gauw naar huis?”
+</p>
+<p>„Zeker, dan nog één nacht hier slapen,” zei Nel, lachend om de opgewonden gezichtjes.
+</p>
+<p>„Dan gaan we weer naar Maatje,” zei Hans blij.
+</p>
+<p>„Ja en als jullie dan heerlijk bij je Maatje zit en bij Miekie, Bruun en Jaap, dan
+zitten wij helaas weer op school,” zei Dolf zuchtend.
+</p>
+<p>„Maar nu kunnen we nog zingen,” zei Door en met een potlood de maat slaande, begon
+ze:
+</p>
+<div class="lgouter">
+<p class="line">„’t Is vacantie, nog vacantie.
+</p>
+<p class="line">Hoera vacantie boven.”</p>
+</div>
+<p class="first">En allen vielen mee in:
+</p>
+<div class="lgouter">
+<p class="line">„En ieder, die ’t niet zingen wil,
+</p>
+<p class="line">Die moet er aan gelooven.”</p>
+</div>
+<p class="first">Dolfs stem hoorde men boven allen uit.
+</p>
+<p>„Stil, nu zal ik Miekies brief voorlezen, kijk toch eens die groote letters,” zei
+Nel, den brief in de hoogte houdende.
+<span class="pageNum" id="xd32e1829">[<a href="#xd32e1829">141</a>]</span></p>
+<p>„Leuk,” riep Leni, „begin nu maar.”
+</p>
+<p>„Lieve baasjes,” las Nel en keek daarbij Bob en Hans aan, wier gezichtjes straalden
+van genot. „Ik verlang zoo naar jullie en Bruun ook. Jaap, geloof ik, ook wel, maar
+dat kan mij niet schelen; want op Jaap ben ik boos. Dat is zóó gekomen. Ik was gisteren
+op de muizenjacht. Uren en uren had ik voor een gaatje gezeten, waaruit een muis moest
+komen. Ik kreeg op ’t laatst erg veel verlangen naar mijn schoteltje met melk, maar
+toch bleef ik zitten, omdat ik bang was, dat mij ’t muisje ontsnappen zou. Bruno kwam
+ook een paar keeren bij mij, hij wou met mij spelen, maar ik bleef zitten, ik wou
+het muisje hebben. Eindelijk, jawel, daar stak het zijn puntsnuitje uit het gaatje.
+Ik verroerde mij niet. Voorzichtig kwam het er verder uit, zag overal rond, tot het
+opeens heelemaal te voorschijn kwam. Toen sprong ik er op af, maar toch ontkwam het
+mij en schoot achter een kist. Ik zal jou wel krijgen, dacht ik, en bleef dicht bij
+de kist zitten. Op eens kwam Jaap binnen. Hij begreep blijkbaar dadelijk, waarom ik
+zoo stil zat. „Jij boosdoenster,” zei hij. „’t Is jou zeker weer <span class="pageNum" id="xd32e1833">[<a href="#xd32e1833">142</a>]</span>om een muis te doen.” En toen eindelijk de muis van achter de kist te voorschijn kwam,
+zette hij de deur wijd open; zoo ontsnapte mij het heerlijke kluifje. Toen ik het
+achtervolgen wilde, smeet hij de deur toe en zei: „Dat kun je begrijpen! Jij er weer
+achter aan zoodat je het op ’t laatst tòch zou krijgen? Neen, daar komt niets van
+in.” Zoo was dus al mijn loeren voor niets geweest. Ik was zóó boos, dat ik mij direct
+omkeerde en wegliep. Later kwam Jaap nog weer bij mij met allerlei mooie praatjes,
+maar ik deed, alsof ik sliep en toen ging hij gauw weer weg.
+</p>
+<p>„O, die oom Karel,” lachte Dolf, „wat kan die toch aardige.…”
+</p>
+<p>„Nu, wat kan oom Karel?” vroeg vader plagend.
+</p>
+<p>„Neen, neen,” zei Dolf. „Ik bedoel, wat kan Miekie toch aardige brieven schrijven.”
+</p>
+<p>„Alsof Julia ’t niet zoo kan,” lachte Ma.
+</p>
+<p>„Ja, natuurlijk, Julia is dan ook een bijzonder knappe poes,” zei Door.
+</p>
+<p>„Laat mij nu verder lezen,” zei Nel, „de brief is nog lang niet uit.”
+</p>
+<p>„Ik wilde toen mijn troost bij Bruno zoeken, maar die was als gewoonlijk buiten en
+speelde op <span class="pageNum" id="xd32e1844">[<a href="#xd32e1844">143</a>]</span>’t grasveld met andere honden. Aan den kant van het grasveld staan boomen, zooals
+jullie weet, en nu had iemand zijn hond, een mooien zwarten poedel, met een touw aan
+een van die boomen vastgebonden, zeker, omdat hij hem niet goed mee naar binnen kon
+nemen. Natuurlijk was dit alles behalve prettig voor dien hond, vooral, omdat hij
+al die andere zoo vroolijk zag ronddraven. Bruno was al eenige malen naar den armen
+gevangene toegeloopen om een praatje met hem te maken, maar dan kreeg hij weer zoo’n
+lust om te stoeien, dat hij wel driemaal ’t bloemperk omrende, tot hij op eens op
+de gedachte kwam den poedel te helpen. Hij begon in het touw te bijten, te bijten—nu,
+je weet, Bruun heeft scherpe tanden. De vastgebonden hond begon te kwispelstaarten
+en te blaffen, Bruun rustte even, begon weer met vernieuwde krachten te rukken en
+te bijten. Tot hij het touw doorgebeten had. Als een pijl uit den boog rende de poedel
+niet eenmaal, maar wel zesmaal ’t grasveld rond. Wat was hij blij! Bruun achter hem
+aan. Het werd een dolle jacht.
+</p>
+<p>Toen de poedel geheel buiten adem met de tong uit den bek even stil stond, kwam zijn
+baas er aan. <span class="pageNum" id="xd32e1848">[<a href="#xd32e1848">144</a>]</span>Als jullie zijn gezicht gezien hadt! Hij keek van den boom naar den poedel en van
+den poedel naar den boom en dan naar de andere honden. Eenige menschen, die alles
+gezien hadden, wezen naar Bruno. De baas lachte nu ook, floot een paar malen en jawel,
+daar kwam de poedel, nog met een stuk touw achter zich aan, schoorvoetend naar hem
+toe. Hij was, geloof ik, bang, dat de baas boos zou zijn, maar die klopte zijn hond
+op den rug, streek hem over den kop, zoodat de poedel vroolijk kwispelstaartte en
+met hem meeliep.”
+</p>
+<p>„Zou Foxje ook zoo iets kunnen doen, vader?” vroeg Dolf.
+</p>
+<p>„Misschien wel, maar Bruun is een groote, sterke hond en heeft natuurlijk een sterk
+gebit.”
+</p>
+<p>„Kom maar terug naar je zoo zéér verlangende Miekie,” las Nel.
+</p>
+<p>„Prachtig, moes, wat zou die verandering toch kunnen zijn?” vroegen Nel en Leni.
+</p>
+<p>„Dat zul je morgen wel hooren,” lachte ma.
+</p>
+<p>„Misschien heeft vader kuikentjes gekocht,” zei Hans, die aan zijn ei in den koffer
+dacht. „Of heeft Bruun een nieuwen halsband gekregen,” raadde Bob.
+<span class="pageNum" id="xd32e1857">[<a href="#xd32e1857">145</a>]</span></p>
+<p>„Of, of,” zei Leni, „heeft Miekie jonge poesjes gekregen.”
+</p>
+<p>„Ik wou, dat ’t al morgen was,” zuchtte Hans.
+</p>
+<p>„Ik kan bijna zoolang niet wachten,” zei Bobbie.
+</p>
+<p>„Nu kan ik door twee dingen bijna niet in slaap komen vanavond. Ten eerste, omdat
+ik morgen jarig ben en ten tweede, omdat ik zoo verlangend ben naar hetgeen oom Karel
+heeft te vertellen.”
+</p>
+<p>„Moes, u weet het,” zei Door, mevrouw Van Brakel met den vinger dreigend. „Toe, vertelt
+u het ons eens.”
+</p>
+<p>„Dat kun je begrijpen,” lachte moeder.
+</p>
+<p>En toen Door Nel later iets in het oor fluisterde en Dolf vroeg, of er ook een verfkwastje
+was, zei mijnheer Van Brakel lachend: „’t Is hier wel een tijd van geheimpjes, dat
+moet ik zeggen.”
+</p>
+<p>„Nu, kinderen, ’t is tijd om naar bed te gaan. De tweelingen en Leni slapen zeker
+al lang.”
+</p>
+<p>„Ja, kom Nel, wij moeten morgen vroeg op,” zei Door, „want”.…
+</p>
+<p>„St., niets vertellen,” zei Nel, den vinger op den mond houdende.
+</p>
+<p>„Och, lieve tijd,” zuchtte Door, „ik vind het toch zoo „onmogelijk” lastig, geheimen
+te bewaren.”
+<span class="pageNum" id="xd32e1871">[<a href="#xd32e1871">146</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch10" class="div1 last-child chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch10.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="label">Tiende hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Leni’s verjaardag.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">„’t Is zes uur, sta op,” fluisterde Nel.
+</p>
+<p>„Wat zeg je?” vroeg Door slaperig.
+</p>
+<p>„’t Is zes uur. We zouden immers bloemen voor Leni plukken. Kom er uit.”
+</p>
+<p>„Nu al?”
+</p>
+<p>„Ja zeker, anders komen we niet klaar.”
+</p>
+<p>„Ik ben zoo „onmogelijk” slaperig.”
+</p>
+<p>„Dat ben je om zeven uur ook nog,” was ’t kalme antwoord.
+</p>
+<p>„Je hebt ook nooit medelijden met mij,” kwam er grappig klagend uit.
+</p>
+<p>„Als ik klaar ben, ga ik en wacht niet op je.” zei Nel. „Stil, Leen draait zich om;
+als ze wakker wordt, is alle aardigheid er af.”
+</p>
+<p>„Ik kom al,” zuchtte Door, haar kousen aantrekkend.
+<span class="pageNum" id="xd32e1888">[<a href="#xd32e1888">147</a>]</span></p>
+<p>Zacht fluisterend en op de teenen loopend kleedden Nel en Door, zich aan.
+</p>
+<p>„Begin nu alsjeblieft niet met je sproeiwoede,” zei Nel, toen Door haar waschkom vol
+schonk, ’’dan wordt Leni stellig wakker.”
+</p>
+<p>„’k Vang dan anders twee vliegen in één klap,” zei Door lachend.
+</p>
+<p>„Hoe zoo?”
+</p>
+<p>„Wel, ik krijg de volle laag en jij bent wel tevreden met de druppeltjes, die mij
+voorbij vliegen; op die manier zijn we gauw klaar.”
+</p>
+<p>„Als jij dat druppeltjes verkiest te noemen,” zei Nel, „’t is gewoonlijk een volslagen
+fontein. Stil, Leni beweegt zich weer, sta nu toch doodstil.”
+</p>
+<p>Wel drie minuten stonden beide meisjes onbeweeglijk, angstig kijkend naar de kleine
+jarige.
+</p>
+<p>„Voor standbeeld ben ik niet in de wieg gelegd,” zei Door, toen zij zich weer durfde
+bewegen, „dat merk ik wel.”
+</p>
+<p>„En ik niet,” zei Nel.
+</p>
+<p>Plof! Wat was dat? Doors kam gleed uit haar handen. Beide meisjes stonden als palen;
+want nu volgde een onrustbarend geschuifel in het ledikant.
+</p>
+<p>„Ga op den grond liggen,” commandeerde Nel <span class="pageNum" id="xd32e1902">[<a href="#xd32e1902">148</a>]</span>en zeeg zelf ook behoedzaam neer. Het geschuifel hield aan. Door en Nel stikten bijna
+van ’t lachen. Door lag voorover met haar hoofd onder de tafel, de noodlottige kam
+recht voor zich uit houdende. Nel in haar onderlijfje met de beenen onder haar eigen
+ledikant. Toen werd de deur zacht opengeduwd en Hans stond met verbaasde oogen naar
+het eigenaardige tooneeltje te kijken.
+</p>
+<p>Door wist geen raad van het lachen bij het zien van Hansjes verwondering. Hij dacht
+zeker niet anders, of de beide meisjes waren door een aardschok neergesmeten. Door
+wenkte met de kam, dat hij weg moest gaan. Hans scheen haar niet te begrijpen en bleef
+onbeweeglijk staan.
+</p>
+<p>„W-e-g,” spelde Door met de lippen en wees naar Leni’s ledikant.
+</p>
+<p>„Het-ei-is,” fluisterde Hans en wilde blijkbaar nog meer zeggen, maar Door zwaaide
+zóó wanhopig met de kam, dat Hans ten slotte bedrukt wegging.
+</p>
+<p>„Ik geloof, dat Leni weer in slaap gevallen is. Houd toch op met je gelach, je zult
+alles nog bederven,” waarschuwde Nel boos.
+</p>
+<p>„Zag je Hansjes gezicht?” fluisterde Door, zich nu ook oprichtend. Nel knikte. Tot
+overmaat van <span class="pageNum" id="xd32e1910">[<a href="#xd32e1910">149</a>]</span>ramp kwam Foxje ook nog in de kamer, maar Door zette hem er voorzichtig uit en zoo
+kwamen de beide meisjes toch eindelijk klaar. Moeder was al beneden en werd in het
+geheim genomen; ze beloofde Leni, als ze beneden kwam, naar Kee te sturen, tot alles
+voor de jarige klaar was.
+</p>
+<p>„Kom nu maar gauw mee,” zei Nel tot Door; „want er zijn heel wat vaasjes te vullen.”
+</p>
+<p>„Gelukkig! Ons cadeau is bezorgd,” zei Door, op de nieuwe mand voor Julia wijzend.
+„Stopt u die maar goed weg, moes, anders ziet Leni die nog, voor we thuis zijn.”
+</p>
+<p>„Daar zal ik wel voor zorgen, kind! Ja, meisjes, jullie moet voortmaken. Een verjaardag
+zonder bloemen en dat nog wel in den zomer, dat gaat toch niet. ’t Is heerlijk, dat
+jullie een veldbouquet gaat plukken; want het zou jammer zijn den tuin te plunderen,
+als het niet noodig is; alles staat nu zoo mooi en we hebben er zoo lang pleizier
+van.”
+</p>
+<p>„Ja, moes, we komen gauw terug,” zei Door, die den botaniseertrommel van Dolf nam.
+Na een half uur hadden de meisjes een prachtigen ruiker geplukt.
+</p>
+<p>„Ik pluk ook nog wat papavers,” zei Nel, „die staan zoo beeldig.”
+<span class="pageNum" id="xd32e1918">[<a href="#xd32e1918">150</a>]</span></p>
+<p>„Ja, dat doen ze, maar ze zijn zoo gauw verlept,” vond Door.
+</p>
+<p>„Ziezoo, we hebben genoeg, laten we maar vlug opstappen, want het valt niet mee, alles
+te moeten rangschikken.”
+</p>
+<p>„Is Leni al beneden?” was ’t eerste wat Nel vroeg, toen ze thuis kwamen.
+</p>
+<p>„Neen, ze schijnt nogal te kunnen slapen, niettegenstaande ze gisteren het tegendeel
+beweerde,” zei mevrouw Van Brakel. „Hè, kinderen, kinderen, wat een schat van bloemen
+brengen jullie mee.”
+</p>
+<p>Alle vaasjes en glazen werden voor den dag gehaald en met bloemen gevuld, wat aan
+de kamer een echt feestelijk aanzien gaf.
+</p>
+<p>„Foxje, kom eens hier, oude jonge, je vrouw jarig en jij geen strik om? Dat is ongehoord.”
+En Nel bond Fox een blauw lint om den hals en maakte aan een kant een flinken strik.
+Zoo heel pleizierig vond Foxje dit nu niet, maar voor een jarige moet je wat over
+hebben, had hij dikwijls gehoord en dus droeg hij zijn lot gelaten, zooals een gehoorzaam
+en liefhebbend hondje past. En terwijl Nel bezig was met Fox, bond Door Julia een
+rood lint om. Blauw was meer haar kleur, vond Door, maar met het oog op <span class="pageNum" id="xd32e1927">[<a href="#xd32e1927">151</a>]</span>de rood gevoerde mand was het beter de halsversiering ook in die kleur te nemen.
+</p>
+<p>„Daar komt Leni aan!” riep Nel. „Waar is Dolf en waar zijn de tweelingen en vader?
+We moeten toch allen in de kamer zijn, voor Leni binnenkomt.”
+</p>
+<p>„Dolf is achter in den tuin, met Bob, Hans en Fritsje.”
+</p>
+<p>„Jongens, op ’t appèl!” riep Door.
+</p>
+<p>„’t Is vandaag feest, zooals ’t nooit is geweest,” zong vader en kwam met Leni binnen.
+Leni wist van verlegenheid niet, hoe ze kijken zou, toen allen haar in de kamer opwachtten.
+</p>
+<p>Verrukt keek ze naar de bloemen.
+</p>
+<p>„Ja, ja, daarvoor hebben Nel en Door gezorgd. Wat zeg je daar wel van?” zei moeder.
+</p>
+<p>„Beeldig,” vond Leni.
+</p>
+<p>„Een spel voor den tuin,” zei moeder en zette een groote kist op de tafel.
+</p>
+<p>„Een croquetspel,” <span class="corr" id="xd32e1940" title="Bron: juchte">juichte</span> Leni, „heerlijk!” En ze vloog op moeder en vader toe om beiden te bedanken.
+</p>
+<p>„Wat je Julia geeft, geef je Leni, hebben wij gedacht,” zei Door.
+</p>
+<p>„Een ledikant voor je Snoes,” voegde Nel er bij <span class="pageNum" id="xd32e1946">[<a href="#xd32e1946">152</a>]</span>en zette ter verduidelijking de poes in de nieuwe mand.
+</p>
+<p>„Hoe leuk!” riep Leni. „Och, zie haar eigenwijs gezicht eens.”
+</p>
+<p>„Julia onderzoekt, of ze een springveeren of een paardeharen matrasje heeft,” zei
+Dolf, toen de poes de mand van alle kanten besnuffelde.
+</p>
+<p>„Maar hoe staan onze logé’s zoo stil te kijken?” vroeg mijnheer Van Brakel.
+</p>
+<p>„Er is geen kuikentje uitgekomen,” zei Bob.
+</p>
+<p>„Geen kuikentje uitgekomen, ventje?” vroeg moeder verwonderd.
+</p>
+<p>Door proestte het uit.
+</p>
+<p>„Neen,” zei Hansje, die dit gelukkig niet zag. „Het heeft al dien tijd in den koffer
+gelegen onder onze blousjes. En Fritsje durfden wij er niet opzetten, omdat we bang
+waren, dat het kuikentje dan dood zou gaan.”
+</p>
+<p>„Ik begrijp toch niet recht, wat je bedoelt,” zei vader, die moeite deed ernstig te
+kijken; „vertel mij eens, wàt lag in den koffer, kereltje?”
+</p>
+<p>„Dit ei,” zei Hans. Maar nu kon mijnheer Van Brakel zich niet langer bedwingen. Hij
+schaterde het uit en allen in de kamer schoten in een hartelijk gelach.
+<span class="pageNum" id="xd32e1959">[<a href="#xd32e1959">153</a>]</span></p>
+<p>„’t Is een kalkei; o jongens, jongens, jullie bent eenig, eenig!”
+</p>
+<p>Toen allen zoo vroolijk waren en het zich zoo in ’t geheel niet aantrokken, dat er
+geen kuiken uit het ei gekomen was, zelfs Leni niet, toen moesten Hans en Bob toch
+wel meelachen.
+</p>
+<p>„Kijk eens, dit màg jullie Leni geven,” zei moeder en gaf Bob een doos met flikjes.
+„Daar kan ze dan eens uit presenteeren vanmiddag, als paatje er is.”
+</p>
+<p>Dat was goed.
+</p>
+<p>„Fisjeleer,” zei Fritsje, terwijl hij Leni een fleschje met eau de cologne vereerde.
+Natuurlijk moest ieder even van de eau de cologne ruiken en daar Fritsjes zakdoek
+nergens te vinden was, kreeg hij een beetje op de punt van zijn schort.
+</p>
+<p>„Nu heb ik hier ook nog een paar oude kennisjes,” zei vader, de portretten van de
+tweelingen en Julia gevende.
+</p>
+<p>„Och, paatje, hoe aardig,” zei Leni verrukt. „Wanneer hebt u dat gedaan? Bob en Hans
+hebben me er niets van verteld.”
+</p>
+<p>„Ja, dat <i>die</i> geheimen kunnen bewaren, hebben we gemerkt,” zei vader, „maar Julia doet voor hen
+niet onder.”
+<span class="pageNum" id="xd32e1972">[<a href="#xd32e1972">154</a>]</span></p>
+<p>„Mag ik nu de jarige in den tuin verzoeken?” zei Dolf.
+</p>
+<p>„In den tuin?” vroeg Nel.
+</p>
+<p>„Ja, komt allen maar mee, achter in den tuin.”
+</p>
+<p>„Kijk toch eens, Dolf heeft warempel het kippenhok geverfd,” riep Leni opgetogen.
+</p>
+<p>„Hoe leuk!”
+</p>
+<p>„Dat noem ik nog eens een verrassing,” zei vader. „Ik wist werkelijk niet, dat ik
+zoo’n knappen zoon had.”
+</p>
+<p>„Wanneer heb je dat gedaan?” vroeg Door.
+</p>
+<p>„Gisterenavond en vanmorgen. Ik was om zes uur al in den tuin,” zei Dolf, blij, dat
+allen het zoo aardig vonden. „Maar nu moet je er ook eens even in gaan,” zei hij tot
+Leni; „ik heb de kippenfamilie zoo met elkaar zien fluisteren, het zou mij niet verwonderen,
+als zij ook een verrassing voor je hadden.”
+</p>
+<p>Lachend ging Leni in het hok. „Kom eens hier,” riep ze en stond te dansen voor de
+nesten van Toetie en Snoetie. „Komt toch eens allen hier!”
+</p>
+<p>„Maar kindje, dat is toch wel wat veel gevergd,” zei vader; „het heele gezelschap
+in het kippenhok! Laat ons liever eens zien, welke verrassing je kippenfamilie jou
+bereid heeft: wij branden van verlangen.”
+<span class="pageNum" id="xd32e1984">[<a href="#xd32e1984">155</a>]</span></p>
+<p>„Toe, Leen, kom er uit,” zei Door, „je maakt ons zoo „onmogelijk” nieuwsgierig.”
+</p>
+<p>„Kijk eens,” zei Leni, „dit rose suiker ei heeft Toet gelegd. Het staat er op, leest
+u maar.”
+</p>
+<p>„Van Toetie op uw verjaardag.”
+</p>
+<p>„Wel verbazend, dat is kranig,” zei vader.
+</p>
+<p>„En dit witte van Snoetie.”
+</p>
+<p>„Zulke kippen moesten we meer hebben.”
+</p>
+<p>„En dit,” zei Leni, en liet een chocolade-ei zien, „van …?”
+</p>
+<p>„Asschepoes,” raadde Nel gierend.
+</p>
+<p>„Van den haan. Zijn visitekaartje heeft hij er bij gelegd. Kijk, Haantje-Kukelekaantje
+staat er op en aan den anderen kant:
+</p>
+<div class="lgouter">
+<p class="line">„Lief jarig pleegmoedertje,
+</p>
+<p class="line">In ’t kraaien ben ik wel een baas,
+</p>
+<p class="line">In ’t eier leggen niet, helaas!
+</p>
+<p class="line">Maar op het feest van pleegmama
+</p>
+<p class="line">Legde ik toch een ei van chocola
+</p>
+<p class="line">Uit dankbaarheid, omdat zij elken morgen
+</p>
+<p class="line">Zoo trouw voor mij en mijn kippen komt zorgen.”</p>
+</div>
+<p class="first">„Dolf, Dolf, hoe onmogelijk leuk.”
+</p>
+<p>Ieder moest het hanenei natuurlijk bekijken, ’t Was dan ook wel een groote bijzonderheid;
+zelfs vader, <span class="pageNum" id="xd32e2007">[<a href="#xd32e2007">156</a>]</span>die al zoo oud was, beweerde, er nog nooit een gezien te hebben.
+</p>
+<p>„Jij krijgt straks het kapje, hoor Snoet,” zei Leni tegen Fritsje. Dat leek Frits
+wel goed toe en Hans en Bob werd het kapje van de suikereieren beloofd.
+</p>
+<p>„Waar is Kee? Die moet ze ook zien,” riep Leni.
+</p>
+<p>„Daar komt ze juist aan.”
+</p>
+<p>„Asjeblieft,” zei Kee, nog voor Leni iets kon zeggen, „omdat jij mij gisteren zoo
+geholpen hebt,” en meteen duwde ze Leni een klein, beeldig poppenkoffiemolentje in
+de hand.
+</p>
+<p>„Och moes, maatje, zie eens, van Kee!”
+</p>
+<p>„Kindje! Maar ’t is al te erg vandaag, je wordt veel te veel verwend.”
+</p>
+<p>Toen Leni de eieren aan Kee liet zien van Snoet, Toet en Haantje-Kukelekaantje, sloeg
+Kee de armen van verbazing in de hoogte. „Heb ik van mijn leven, heb ik van mijn leven!
+Nu begrijp ik, waarom hij vanmorgen zoo aanhoudend kraaide, ’t Is dan ook geen kleinigheid,
+een chocolade-ei. Dat doen de kippen hem niet na, ofschoon Snoet en Toet ook bijzonder
+knap zijn. Maar, liefje, ik moet nu weer naar mijn boontjes,” zei Kee en holde weg.
+</p>
+<p>„Hoor Fox eens, met wien heeft die het toch <span class="pageNum" id="xd32e2018">[<a href="#xd32e2018">157</a>]</span>zoo aan den stok?” zei mijnheer Van Brakel. „Hij keft ons de ooren doof. Daar zit
+toch soms geen vreemde poes onder die struik?”
+</p>
+<p>„O wee!” riep Door, „ik begrijp het al. Als Fox hem maar geen kwaad doet. Leni, kom
+eens gauw hier. Kijk eens onder die struik.”
+</p>
+<p>Leni bukte zich. „Een egel?” vroeg ze verwonderd, „voor mij?”
+</p>
+<p>„Een extraatje van Door en mij,” zei Nel lachend.
+</p>
+<p>„Ik had het diertje maar stil willen laten liggen, maar Door dacht, dat jij hem wel
+„snoezig” zou vinden, omdat je nu eenmaal alles snoezig vindt, wat dier is. We hebben
+hem aan den weg gevonden.”
+</p>
+<p>„Laat eens kijken,” zei Dolf, „hoe grappig, ik heb nog nooit een egel zoo dichtbij
+gezien.”
+</p>
+<p>Hans en Bob vonden het in ’t geheel geen aardig beestje, beweerden ze, en Frits bleef
+op een eerbiedigen afstand.
+</p>
+<p>„Als Fox hem maar geen kwaad doet,” zei Door.
+</p>
+<p>„Wel neen, ’t blijft bij blaffen,” zei vader, „daar behoef jullie niet bang voor te
+zijn. We zullen hem wat melk brengen, daar houden ze in den regel van.”
+</p>
+<p>Leni liep naar huis en kwam na een oogenblikje met een schoteltje met melk terug.
+’t Was eerst, of <span class="pageNum" id="xd32e2031">[<a href="#xd32e2031">158</a>]</span>de egel ’t niet zag, maar al gauw begon hij te drinken tot groote vreugde van allen.
+</p>
+<p>„Je zult eens zien, hoe gauw hij tam is,” zei moeder.
+</p>
+<p>„Maar nu gaan we eerst ontbijten, anders zijn we niet klaar, als oom Karel komt,”
+zei moeder.
+</p>
+<p>„Ik verlang ook naar paatje,” zei Bob.
+</p>
+<p>„Ja, en wat zou paatje wel te vertellen hebben?” vroeg Hans.
+</p>
+<p>„Nog maar een beetje geduld,” lachte moeder.
+</p>
+<p>„Morgen gaan we naar huis, hè tante?”
+</p>
+<p>„Goeden dag, goeden dag, feestvierende menschen!” hoorde men oom Karel dien middag
+plotseling zeggen. „Daar ben ik al. Waar zijn mijn kaboutertjes en waar is de jarige
+dame?”
+</p>
+<p>„Hier paatje,” en Bob en Hans vlogen hun vader om den hals.
+</p>
+<p>„Ja, ja, kereltjes, hoe is ’t met jullie? Druk aan ’t feestvieren zie ik. Wel, wel
+Leni, is dat croquetspel een cadeau? En Fox en Julia in feestgewaad! ’t Is geen kleinigheid,
+’k Ben wat blij, dat ik gekomen ben. Kijk eens, dat is nu <i>mijn</i> cadeautje. Ik hoop, dat je ’t mooi vindt, meisje. Ik kan maar niet vergeten, hoe
+bedroefd je was over ’t verlies van sneeuwwitje en <span class="pageNum" id="xd32e2046">[<a href="#xd32e2046">159</a>]</span>daarom heb ik je nu een ander sneeuwwitje meegebracht.”
+</p>
+<p>„Een pop!” riep Lena opgetogen. „Oompje, hoe heerlijk!”
+</p>
+<p>„En als sneeuwwitje gekleed,” zei Door, „hoe beeldig! Kijk toch eens, moeder!”
+</p>
+<p>„Prachtig, prachtig! Die oom Karel verwent je maar,” zei moeder lachend.
+</p>
+<p>„Dat heb ik wel begrepen,” zei Nel, „dat jarig zijn in de vacantie lang niet voor
+de poes is.”
+</p>
+<p>„En nu ’t geheimpje, oom,” zei Dolf. „Wij branden allen van verlangen.”
+</p>
+<p>„Dat is goed, kinderen. Bob en Hans, komen jullie eens bij mij zitten, ieder op een
+knie. Het is iets heel moois en prettigs, dat ik te vertellen heb.”
+</p>
+<p>Allen keken oom vol verwachting aan.
+</p>
+<p>„Zoo’n aardig popje, als Leni gekregen heeft om mee te spelen,” begon oom, „is er
+bij ons in huis gekomen.”
+</p>
+<p>„Ook een sneeuwwitje?” vroeg Bob verbaasd.
+</p>
+<p>„Maar, paatje, jongens spelen toch niet met poppen,” zei Hans teleurgesteld.
+</p>
+<p>Oom Karel glimlachte. „Er is bij ons in huis een levend popje—een kindje gekomen.”
+<span class="pageNum" id="xd32e2061">[<a href="#xd32e2061">160</a>]</span></p>
+<p>„Een echt?” Hans schoot van de knie af.
+</p>
+<p>„Ja, een echt.”
+</p>
+<p>„O, oom, hoe leuk, hoe aardig!”
+</p>
+<p>Even was er doodsche stilte.
+</p>
+<p>„Maar, maar,—wat doet ze, kan ze al praten?” zei Bob, die ’t eerst van zijn verbazing
+bekomen was.
+</p>
+<p>„Eet ze al?” vroeg Hans.
+</p>
+<p>„Hoe groot is ze?—Heeft ze al haar? Slaapt ze?—Kan ze al lachen? Toe, paatje, toe
+vertel eens alles.”
+</p>
+<p>„Kleine, lieve kaboutertjes, hoe kan ik zoo gauw op alle vragen antwoorden? Neen,
+praten kan ze nog niet, dat moeten wij haar nog leeren. Ze kan nu eigenlijk nog maar
+alleen slapen, drinken en schreien.”
+</p>
+<p>„Schreien is praten, hè paatje?”
+</p>
+<p>„Vindt moesje ’t prettig, dat het zusje er is?”
+</p>
+<p>„En Jaap?”
+</p>
+<p>„Jaap ook. En Griet, die anders zoo’n leven kan maken in de keuken, doet nu alles
+even zacht.”
+</p>
+<p>„En-enne-paatje, luister eens. Hoe groot is zus?” vroeg Bob opgewonden.
+</p>
+<p>„Niet grooter dan Leni’s pop.”
+</p>
+<p>„Wijs eens, hoe groot haar handjes zijn.”
+<span class="pageNum" id="xd32e2079">[<a href="#xd32e2079">161</a>]</span></p>
+<p>„Zoowat zoo groot als jou wijsvinger. Twee aardige, roode knuistjes heeft ze.”
+</p>
+<p>„Nu hebt u nog in ’t geheel niet gezegd, hoe ze heet, oom,” zei Leni.
+</p>
+<p>„Ze heet Else, ons kleine meisje.”
+</p>
+<p>Allen vonden dit een prachtigen naam. „Zou ze ’t prettig vinden, dat we morgen terugkomen?”
+</p>
+<p>„Welk zusje zou niet blij zijn met zulke lieve broertjes,” zei oom Karel, Bob in de
+wang knijpende.
+</p>
+<p>„O paatje, ik verlang zoo,” zei Hans met een diepen zucht.
+</p>
+<p>„Wat kunnen we later heerlijk paardje spelen, Bobbie. Zus komt dan in de sportkar
+te zitten, jij wordt paard en ik koetsier.”
+</p>
+<p>„Neen, dan wil ik koetsier zijn,” zei Bob.
+</p>
+<p>„Neen,” pruilde Hans, „ik heb het ’t eerst gezegd.”
+</p>
+<p>„Weet jullie wat,” zei mevrouw Van Brakel, die bang was, dat er gekibbel kwam. „Zusje
+mag dan kiezen, die is de dame, die gereden wordt.”
+</p>
+<p>„Ja, dat vind ik best,” zei oom. „En zal ik jullie nu eens vertellen, waarom zusje
+<i>nu</i> gekomen is?”
+</p>
+<p>Ja, dat wist niemand.
+</p>
+<p>„Omdat ze het later zoo prettig zou vinden in de vacantie jarig te zijn.”
+<span class="pageNum" id="xd32e2098">[<a href="#xd32e2098">162</a>]</span></p>
+<p>„Òf ze gelijk heeft,” riepen Nel en Door tegelijk.
+</p>
+<p>„Maar nu moet ik toch werkelijk eens kijken, wat Leni gekregen heeft. Morgen in den
+trein kunnen we den geheelen tijd over zusje praten. Mij dunkt, Door en Nel zijn hier
+aan ’t versieren geweest. Wat een heerlijke massa bloemen! Met je nieuw croquetspel
+wil ik vandaag vast een spelletje doen.”
+</p>
+<p>„Ja, ja, dat moet ingewijd worden,” zei Dolf.
+</p>
+<p>„En nu moet u nog eens iets zien,” zei Nel.
+</p>
+<p>„Extraatje van Door en mij,” stelde ze voor, op den egel wijzend.
+</p>
+<p>„Neen, oompje, alleen van mij, Nel durfde hem niet opnemen.”
+</p>
+<p>„Een egel? Daar moet je nu Door voor wezen om zoo’n aantrekkelijk diertje mee te nemen,”
+lachte oom. „Wat zei zusje wel van zoo’n cadeau? Maar dat behoef ik eigenlijk niet
+te vragen. Bij Leni is immers elk dier welkom.”
+</p>
+<p>„Dat zei ik ook, oompje.”
+</p>
+<p>„Hoe jammer,” zei Leni, „dat de egel zich nu heelemaal ingerold heeft.”
+</p>
+<p>„Dat is niets, die onbeleefdheid en dat nog wel op jouw verjaardag, zal ik hem wel
+gauw afleeren,” zei oom. „Dolf, haal mij eens een kopje water, <span class="pageNum" id="xd32e2111">[<a href="#xd32e2111">163</a>]</span>dan zullen we „extraatje,” eens een bad geven.”
+</p>
+<p>Nauwelijks had de egel het water gevoeld, of hij begon zich te ontrollen.
+</p>
+<p>„O, kijk hem eens, kijk hem eens,” riepen Dolf en Nel.
+</p>
+<p>„Zie hem eens boos kijken,” lachte Door. „Foei, oude jongen, niet zoo ernstig en dat
+nog wel op zoo’n grooten feestdag als vandaag. Ziezoo, zoo mag ik je liever, nu ben
+je ons tevreden „extraatje” weer.”
+</p>
+<p>„Stil, wij worden geroepen! Wie het eerst thuis is,” zei oom en nam Fritsje op zijn
+schouder en ’t heele jolige troepje holde achter hem aan.
+</p>
+<p>„Fritsje gewonnen! Moesje! Fritsje gewonnen!”
+</p>
+<p>„Ja, ja,” lachte moeder, „jij lijkt het winterkoninkje wel, die bij een wedstrijd
+onder de vogels, wie ’t hoogste vliegen kon, onder de vleugels van den adelaar kroop
+en zoo den strijd won, maar de andere vogels leelijk fopte.”
+</p>
+<p>Daar begreep Fritsje niets van, maar wel, dat, wat op tafel stond, heerlijk was.
+</p>
+<p>„Bob en Hans, kom gauw. Hier staan beschuiten met muisjes op tafel,” riep Dolf, die
+de tweede overwinnaar was. „Ter eere van ’t zusje,” zei mevrouw Van Brakel.
+<span class="pageNum" id="xd32e2123">[<a href="#xd32e2123">164</a>]</span></p>
+<p>’s Middags werd er croquet gespeeld, tot groot pleizier van de groote en kleine menschen,
+maar niet het minst van Fox en Julia, die elken bal naholden. Tot slot van het feest
+onthaalde moeder nog op een heerlijke roomtaart, waarop ze voor de grap een vlaggetje
+gestoken had en waarop stond: „Wie in Augustus geboren is, hoezee!”
+</p>
+<p>Allen begonnen dadelijk te zingen, zoodat het een oorverdoovend leven was. Toen werden
+er nog allerlei spelletjes verzonnen en moest Leni „Toetie” raden uit: begraven steden
+en Door „vacantie.”
+</p>
+<p>Eindelijk werd het tijd voor de kleintjes om naar bed te gaan. Leni mocht een uurtje
+langer opblijven. Toen eindelijk ook Door, Nel en Dolf goeden nacht hadden gezegd,
+zongen ze nog als op den eersten dag van de vacantie met een kleine verandering, door
+Door in het schoone lied gebracht:
+</p>
+<div class="lgouter">
+<p class="line">„’t Is vacantie, nog vacantie,
+</p>
+<p class="line">Hoera vacantie boven!
+</p>
+<p class="line">En ieder, die ’t niet zingen wil,
+</p>
+<p class="line">Die moet er aan gelooven.”</p>
+</div>
+<p class="first">Den volgenden morgen voor schooltijd zag men weer, als op den eersten dag van de vacantie,
+twee vlaggetjes uit een portier van den trein wapperen. <span class="pageNum" id="xd32e2135">[<a href="#xd32e2135">165</a>]</span>Maar nu wuifde oom Karel met zijn kaboutertjes den wachtenden bij den trein met even
+vroolijke gezichten een afscheid toe.
+</p>
+<p>„Toe, kinderen, voor ’t laatst nog eens,” zei oom Karel plagend: „’t Is vacantie!”
+</p>
+<p>„Neen, oompje,” zei Door, lachend op haar boeken wijzende, „dat zal niet gaan!”
+</p>
+<p>En de anderen gaven Door volkomen gelijk.
+</p>
+<p>„Onmogelijk, meisje?”
+</p>
+<p>„Onmogelijk, oompje,” bevestigde Door. „Maar met de Kerstvacantie is ’t weer: „’t
+Is vacantie,”—zou Door juist beginnen te zingen, toen de trein zich in beweging zette.
+Nog een laatste wuiven van de vlaggetjes en van oom Karels witten zakdoek en ’t vroolijke
+troepje groette van ’t perron terug.
+</p>
+<p>Om twaalf uur kwamen allen opgewekt uit school.
+</p>
+<p>„’t Was toch zoo leuk in de nieuwe klasse,” vonden Door en Nel. Dolf en Leni hadden
+allerlei prettige verhalen.
+</p>
+<p>„Dat mag ik zien,” zei moeder. „Vroolijk op school en vroolijk thuis.”
+</p>
+<p>„Ja, ja, we zijn wat trotsch op ons jolig troepje,” zei vader lachend.
+</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="back">
+<div class="div1" id="toc">
+<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2>
+<table>
+<tr id="ch01.toc">
+<td class="tocDivNum">1. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#ch01">De eerste vacantiedag.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch01">5</a></td>
+</tr>
+<tr id="ch02.toc">
+<td class="tocDivNum">2. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#ch02">De logétjes.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch02">20</a></td>
+</tr>
+<tr id="ch03.toc">
+<td class="tocDivNum">3. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#ch03">Arme Hans en Bobbie.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch03">41</a></td>
+</tr>
+<tr id="ch04.toc">
+<td class="tocDivNum">4. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#ch04">De appelbollenpartij.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch04">53</a></td>
+</tr>
+<tr id="ch05.toc">
+<td class="tocDivNum">5. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#ch05">De verdwaalde dwergjes.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch05">63</a></td>
+</tr>
+<tr id="ch06.toc">
+<td class="tocDivNum">6. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#ch06">Een dagje buiten.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch06">77</a></td>
+</tr>
+<tr id="ch07.toc">
+<td class="tocDivNum">7. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#ch07">Twee knappe huishoudsters.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch07">93</a></td>
+</tr>
+<tr id="ch08.toc">
+<td class="tocDivNum">8. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#ch08">Een avontuur.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch08">107</a></td>
+</tr>
+<tr id="ch09.toc">
+<td class="tocDivNum">9. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#ch09">Een dag vol geheimen.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch09">127</a></td>
+</tr>
+<tr id="ch10.toc">
+<td class="tocDivNum">10. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#ch10">Leni’s verjaardag.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch10">146</a></td>
+</tr>
+</table>
+</div>
+<div class="transcriberNote">
+<h2 class="main">Colofon</h2>
+<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3>
+<p>Deze digitale editie is gebaseerd op de tweede druk uit 1917.
+</p>
+<h3 class="main">Codering</h3>
+<p>Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.
+Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke
+zetfouten in het origineel zijn gecorrigeerd. Dergelijke correcties zijn vermeld in
+het colofon.
+</p>
+<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3>
+<ul>
+<li>2004-02-06 Begonnen.
+</li>
+<li>2008-03-28 Opnieuw bekeken.
+</li>
+<li>2024-12-07 Hogere resolutie afbeeldingen.
+</li>
+</ul>
+<h3 class="main">Verbeteringen</h3>
+<p>De volgende 5 verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
+<table class="correctionTable">
+<tr>
+<th>Bladzijde</th>
+<th>Bron</th>
+<th>Verbetering</th>
+<th>Bewerkingsafstand</th>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd32e551">33</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">„</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">
+[<i>Verwijderd</i>]
+</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd32e657">41</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">knappen</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">knapen</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd32e1004">71</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">ganw</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">gauw</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd32e1056">76</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">eok</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">ook</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd32e1940">151</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">juchte</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">juichte</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+</table>
+</div>
+</div>
+<div>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 12070 ***</div>
+</body>
+</html>
+
diff --git a/12070-h/images/decoration.png b/12070-h/images/decoration.png
new file mode 100644
index 0000000..50b53b0
--- /dev/null
+++ b/12070-h/images/decoration.png
Binary files differ
diff --git a/12070-h/images/front.jpg b/12070-h/images/front.jpg
new file mode 100644
index 0000000..b1d1dd4
--- /dev/null
+++ b/12070-h/images/front.jpg
Binary files differ
diff --git a/12070-h/images/p1.png b/12070-h/images/p1.png
new file mode 100644
index 0000000..352a068
--- /dev/null
+++ b/12070-h/images/p1.png
Binary files differ
diff --git a/12070-h/images/p2.png b/12070-h/images/p2.png
new file mode 100644
index 0000000..2950b92
--- /dev/null
+++ b/12070-h/images/p2.png
Binary files differ
diff --git a/12070-h/images/p3.png b/12070-h/images/p3.png
new file mode 100644
index 0000000..ab5974a
--- /dev/null
+++ b/12070-h/images/p3.png
Binary files differ
diff --git a/12070-h/images/p4.png b/12070-h/images/p4.png
new file mode 100644
index 0000000..fb9c164
--- /dev/null
+++ b/12070-h/images/p4.png
Binary files differ
diff --git a/12070-h/images/spine.jpg b/12070-h/images/spine.jpg
new file mode 100644
index 0000000..9ec01c4
--- /dev/null
+++ b/12070-h/images/spine.jpg
Binary files differ
diff --git a/12070-h/images/titlepage.png b/12070-h/images/titlepage.png
new file mode 100644
index 0000000..3c77a62
--- /dev/null
+++ b/12070-h/images/titlepage.png
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..ca392a1
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #12070 (https://www.gutenberg.org/ebooks/12070)
diff --git a/old/12070-8.txt b/old/12070-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..28a1c40
--- /dev/null
+++ b/old/12070-8.txt
@@ -0,0 +1,4690 @@
+The Project Gutenberg EBook of Een Jolig Troepje, by Marie Leopold
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Een Jolig Troepje
+
+Author: Marie Leopold
+
+Release Date: April 17, 2004 [EBook #12070]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN JOLIG TROEPJE ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman en the Distributed Proofreaders Team
+
+
+
+
+Een Jolig Troepje
+
+Door
+
+Marie Leopold
+
+
+
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+DE EERSTE VACANTIEDAG.
+
+
+ "'t Is vacantie! 't blijft vacantie!
+ Hoera, vacantie boven!
+ En als je dat niet zingen wilt,
+ Dan moet je er aan gelooven!"
+
+
+zong Nel in haar nachtjapon, terwijl ze met een natte spons in de
+hand voor Dora's bed stond.
+
+
+ "Hoera! vacantie boven!
+ En als je dat niet zingen wilt,
+ Dan moet je er aan gelooven!"
+
+
+Pats, de natte spons viel op Dora's gezicht.
+
+"Wat is dat, br.... Nel, wat scheelt je? Br....!" riep Door, die
+op eens rechtop in haar bed zat met een druipnat gezicht. "Dat is
+verraderlijk. Ik sliep zoo lekker. Kijk dat laken eens: kletsnat. Brr,
+geef me gauw mijn handdoek."
+
+"Zul je dan zingen?"
+
+"Ja, ja, alles wat je wilt, maar geef eerst mijn handdoek. Gauw,
+'t loopt met een straaltje achter in mijn nek."
+
+"Nu, zing dan," dreigde Nel, de spons voor Door in de hoogte houdende.
+
+
+ "'t Is vacantie, 't blijft vacantie,
+ Hoera, vacantie boven!"
+
+
+viel Door in.
+
+
+ "En ieder, die 't niet zingen wil,
+ Die moet er aan gelooven!"
+
+
+Hup, vloog ze 't bed uit, greep Nel de spons uit de handen, doopte die
+n, tw, drie in de lampetkan. En vr Nel nog iets had kunnen doen,
+daar droop haar geheele gezicht. Toen begon een wilde jacht om de
+tafel, over bedden en stoelen, dat hooren en zien je verging. Midden
+in die dolle jacht zat rechtop in haar bed kleine Leni in de handen
+te klappen en mee te zingen.
+
+Zacht ging de deur open, wat Nel en Door in 't vuur van haar spel niet
+hoorden. Nel was onder de tafel gekropen en sloeg met den handdoek
+naar Door, die met een natte spons klaar stond om op haar vijandin
+in te stormen.
+
+
+ "'t Is vacantie, 't is vacantie ..."
+
+
+"Maar kinderen, kinderen, dat belooft wat voor de vacantie," lachte
+moeder.
+
+"O moeder, we hebben zoo'n pret," juichte Leni met een hoogroode kleur.
+
+"Maar kijk eens, een beekje is er uit de spons geloopen van de
+lampetkan naar den stoel."
+
+"Ja, dr," zei Door plechtig, "kreeg ik den vijand in handen."
+
+"Wat is dat?" riep moeder verschrikt, toen Leni haar met een sprongetje
+op den rug zat.
+
+"Ook een vijand, maar een droge, dat zijn natte," zei Leen, terwijl
+ze naar Nel en Door wees. "O, moesje, zing nu gauw, anders komt Door
+met haar natte spons," en toen begonnen allen weer te zingen:
+
+
+ "'t Is vacantie, 't blijft vacantie,
+ Hoera, vacantie boven!
+ En als je dat niet zingen wilt,
+ Dan moet je er aan gelooven!"
+
+
+En voor ze 't uit hadden, kwam in zijn hanssopje kleine broer, die
+z verbaasd was over dit vroolijke tooneeltje in den vroegen morgen,
+dat hij stil bleef staan, maar toch telkens de laatste woorden van
+iederen regel trachtte mee te zingen.
+
+"Nu een, twee, drie voortgemaakt, kinderen. Zie eens, wat is 't al
+laat. Kom, kleine broekeman, ga jij maar met mij mee, dan kunnen de
+dames zich kalm aankleeden."
+
+"Jouw gezicht is in tijden niet zoo flink nat geweest, Nel,"
+plaagde Door.
+
+"En jij bent in tijden niet zoo vroeg uit je bed gesprongen," plaagde
+Nel terug.
+
+"Ja, 't is zonde, dat ik er al uit ben," en met een verlangenden blik
+keek ze naar haar bed.
+
+"Ik kroop er nog weer in, als ik jou was."
+
+"Nee, dank je, dan zijn jij en Leni al klaar, als ik mij nog aan
+moet kleeden." Maar toch verplaatste Door zich er een oogenblik in,
+hoe lekker het zou wezen nog eens eventjes er in te kruipen. Zoo'n
+vacantie was juist zoo heerlijk, vond ze, omdat je dan niet zoo
+"onmogelijk" vroeg op behoefde te staan. Half acht vond ze nu eenmaal
+"onmogelijk" vroeg. Ze vond alles trouwens gauw "onmogelijk", vooral
+als ze er geen lust in had.
+
+"Zeg eens, Door, zou ik mijn nieuwe gele schoentjes aan mogen
+doen?" vroeg Leni.
+
+"Ik weet 't niet, schattepoes."
+
+"Trek jij je gele schoentjes maar aan, hoor," zei Nel. "'t Is vandaag
+feest, omdat de vacantie begonnen is, en die schoentjes heb je gekregen
+voor Zon- en Feestdagen."
+
+"Zou moesje 't goed vinden?" weifelde Leni.
+
+"Natuurlijk vindt ma het goed," pleitte Nel weer. "Zie je, den rechter
+schoen doe je aan, omdat het de eerste vacantiedag is en dus een
+feestdag, en den linker, ja den linker..."
+
+"Ik weet het: den linker doe ik aan, omdat Bob en Hansje komen."
+
+"O ja, hoe leuk. Wacht, ik zal je even helpen ter eere van Bob
+en Hansje."
+
+"En ik voor den eersten vacantiedag: Ga maar op den rand van je
+ledikant zitten. Beenen stijf houden, hoor."
+
+"O, jullie gooit mij haast om," zei Leni met een wanhopig gezicht.
+
+"Dat is niets, hou je maar flink vast, je valt niet in 't water. Wacht,
+nog een duwtje. Wat is dat?"
+
+Daar lag Leni achterover in bed met de beenen in de lucht te
+spartelen. Nel en Door lachten, dat de tranen haar over de wangen
+liepen en met de kam begon Nel de maat te slaan:
+
+
+ "'t Is vacantie, 't blijft vacantie,
+ Twee gele schoentjes boven!
+ Wie dat niet met ons zingen wil,
+ Die moet er aan gelooven!"
+
+
+En met de beenen in de lucht hoorde men Leni meezingen.
+
+"Laten we ons nu gauw klaar maken. Lieve deugd, kijk eens op de klok."
+
+"Ja, maar mijn schoenen zitten nog niet goed," klaagde Leen, die met
+veel moeite uit het bed geklauterd was.
+
+"Stamp maar op den grond, dan zul je er wel in schieten," zei
+Door. "Toe, Nel, jij bent al verder dan ik, help jij haar even met
+'t haar. Ik moet mij nog wasschen. Maar waar is mijn handdoek? Wie
+heeft mijn handdoek toch gezien?"
+
+"Pak den mijnen maar, die hangt op den stoel. Wat doe je?" vroeg Nel,
+toen Door den handdoek recht voor zich uit hield en dien aandachtig
+bekeek.
+
+"Ik zoek overal je natte puntje," zei ze plagend.
+
+"Denk je, dat ik mij na dat waterbad van jou nog ben gaan
+wasschen? Dank je wel, hoor. Ik heb mij lekkertjes met den handdoek
+afgedroogd. Wees maar blij, je kunt hem nu heerlijk gebruiken. Hoe
+jij zoo'n ding ook altijd zoo nat krijgt, is mij een raadsel. Je kunt
+toch wel schoon worden zonder zoo te plassen? Bah! Dat koude water,
+daar moet ik niets van hebben."
+
+"En ik vind dat koude water nu juist zoo "onmogelijk" lekker. Zoo
+met je geheele gezicht in de kom," zei Door, terwijl ze voorover ging
+staan en haar gezicht nat gooide. "Lekker!"
+
+"Je schreeuwde toch maar moord en brand, toen ik met de natte spons
+voor je bed stond," lachte Nel.
+
+"Nu ja, die aanval was ook verraderlijk."
+
+"Maar Door! Pas toch op, het wordt hier nog een overstrooming. Je
+sputtert de geheele waschtafel onder en zie den spiegel eens."
+
+"Dat zijn dauwdroppels," lachte Door.
+
+"Andere dauwdroppels zul jij ook wel nooit te zien krijgen," plaagde
+Nel terug.
+
+"Ziezoo, schattepoes, zeg nu eens of ik je niet een mooie kuif heb
+gemaakt: wacht, ik zal je even optillen voor den spiegel. Die Door
+ook met haar geplas, h? Je kunt bijna niet in den spiegel zien,
+zoo heeft zij hem besputterd."
+
+"Kijk toch eens. Zie je waar dat op lijkt?" zei Door, met een druipnat
+gezicht naar een plas op de waschtafel wijzende.
+
+Leen en Nel keken en keken.
+
+"Een molshoop," zei Nel eindelijk.
+
+"Wel nee, kijk eens goed."
+
+"Een hoed met een veer," raadde Leni.
+
+"Och nee, ook niet."
+
+"Zeg het maar," vleide Leni.
+
+"Neen, neen, niet dadelijk zeggen: een meertje," zei Nel.
+
+"Dat is flauw, o, als ik z sta, kom eens even op mijn plaats, dan is
+'t sprekend, 't Lijkt op een dier," helderde ze op.
+
+"Een kameel," zei Nel weer.
+
+"Och neen, je zegt maar wat. Een dier, dat wij allen goed kennen."
+
+"Nu zie ik het," riep Leni. "Julia! Kijk, ze zit recht-op. Dat is
+haar kop. Zie je haar oortjes?"
+
+"Nu zie ik het ook," riep Nel opgetogen.
+
+"Waar is haar staart, haar mooie dikke staart?"
+
+"Die houdt ze vast, ze staat er met haar voorpootjes op."
+
+"Och, kijk die oortjes toch, hoe sprekend. Dag, oude, lekkere, natte
+poesekop," zei Leni.
+
+"O, waar is de snor? De snor, waar Julia zoo trotsch op is," vroeg Nel.
+
+"Neen, een snor heeft ze niet, dat is jammer," zei Leni.
+
+"Dat is niets, ga maar een eindje van de waschtafel af, dan sputter
+ik die er even bij." Brr! brr! naar alle kanten vloog het water.
+
+"Och, hoe jammer, nu heb je haar heelemaal bedorven. Die aardige
+oortjes lijken wel olifants-ooren."
+
+"En arme Julia heeft zich een dikken neus gestooten," lachte Nel. "Zie
+dat propje eens. Maar kom, Dorus, maak nu toch voort, je komt zoo
+nooit klaar."
+
+"Wij gaan vast naar beneden."
+
+"Wie 't eerst de trap af is," zei Leni.
+
+"Even wachten," riep Door. "Ik ben dadelijk klaar."
+
+"Nu, eventjes dan."
+
+"Zeg eens, Nel, waar is mijn haarlintje? Ik weet zeker, dat ik het
+gisteravond hier op de tafel gelegd heb," zei ze, terwijl ze met
+de linkerhand het toefje haar vasthield en met de rechter allerlei
+dingen optilde en verlegde. "Wat is 't hier ook een "onmogelijke"
+rommel op tafel. Zoo kun je ook niets vinden," mopperde ze.
+
+"Dat haarlintje van jou is ook een veel te net lintje om tusschen zoo'n
+"onmogelijken" rommel te willen liggen. Kijk, hier heb ik het al."
+
+"Waar was het?"
+
+"Op je kussen lag het, eenzaam en verlaten."
+
+"O, ja, ik kon gisteravond nergens een bandje vinden en moest het
+lintje wel gebruiken. Ziezoo, klaar," zei ze even later. "Wie 't
+eerst beneden is. Ik zal tellen. En, twee, drie."
+
+Vr Nel of Door het zagen, had Leni haar eene been over de leuning
+gegooid en gleed naar beneden. "Gewonnen!" riep ze en stormde door
+naar de achterkamer, waar mevrouw Van Brakel bezig was voor 't ontbijt
+te zorgen.
+
+"Dag, moesje."
+
+"Kindje, kindje, ik was werkelijk bang, dat je nooit klaar zou komen."
+
+"Ik heb het gewonnen, moesje. We deden wie 't eerst beneden was. Door
+telde en flap! gooide ik mijn beenen over de leuning, nou--en toen
+was ik 't eerst beneden. Door moest nog wel vijf treden doen. Jammer,
+dat u zulke lange rokken hebt, dan is het natuurlijk erg moeilijk,
+'t Gaat anders zoo heerlijk vlug. Je wint het zoo--altijd."
+
+"Ik zal er toch maar afloopen," lachte moeder.
+
+"Dan win ik het altijd van u, echt waar."
+
+Even later kwamen Nel en Door in de kamer.
+
+"Dag, maatje, dag, vader."
+
+"Treuzeltjes! Zijn jullie al op?" zei vader plagend.
+
+"Maar, vadertje, u weet ook niet hoe moeilijk 't is in de vacantie
+vlug voort te maken."
+
+"Of 't moeilijk is!"
+
+"Kijk eens, ma," zei Leni, terwijl ze triomfantelijk haar gele
+schoentjes liet zien.
+
+"Maar, Leni, kind, 't is toch geen Zondag. Hoe kom je daarbij, je
+nieuwe schoenen ..."
+
+"Moeder, 't is een feestdag," zei Nel plechtig, "en deze schoentjes
+zijn voor Zon- en Feestdagen."
+
+"Een feestdag?"
+
+"Bedenkt u zich maar eens goed."
+
+"Ik geloof, dat ik het begrijp," lachte vader.
+
+"Een feestdag? Jullie houdt mij voor den mal, ik begrijp er niets van."
+
+Toen begonnen alle drie de meisjes te zingen:
+
+
+ "'t Is vacantie, 't blijft vacantie,
+ Hoera, vacantie boven!
+ Wie dat niet met ons zingen wil,
+ Die moet er aan gelooven!"
+
+
+"Ja, ja, jullie hebt gelijk, f het een feestdag is."
+
+"'t Is eigenlijk een ketting van feestdagen," vond Leni.
+
+"En, moes, we zijn nog heel bescheiden geweest ook, want voor de
+ketting van feestdagen hebben we Leni alln maar den rechter schoen
+aangedaan."
+
+"Alleen maar den rechter? Nu wordt het nog mooier. En waarvoor kreeg
+ze dan wel den linker aan?"
+
+"Ook voor een feestdag."
+
+"O, 't is onmogelijk, u raadt het nooit, nooit, zeg ik."
+
+"'t Is ook wel wat "onmogelijk" vroeg voor al die raadseltjes,"
+zei vader.
+
+"'t Begint met ..." wilde Leni helpen.
+
+"Begin alsjeblief niet met: 't begint met," zei Nel, "dat is zulk
+flauw raden."
+
+"'t Begint met Hans en Bob," raadde moeder.
+
+"Hoera voor onze knappe moes! Waar blijft Dolf toch?"
+
+"Hier ben ik: Dag vader, moeder, allemaal."
+
+"Zoo, studiosus!"
+
+"H, Dolf, hoe kom je zoo laat?"
+
+"Och ja, jullie met je vervelend lawaai. Ik kon gewoon niet slapen."
+
+"Stumperd!"
+
+"Wees nu maar niet zoo flauw, Nel. Moeder, mag 'k een boterham?"
+
+"Ze staat er al lang en je kopje thee ter eere van de vacantie is,
+vrees ik, al koud geworden."
+
+"Vacantie bofe, mammi?" zei kleine Frits met een lief vraagstemmetje.
+
+"Ja, kleine grappenmaker."
+
+"Heb je ons hooren zingen, Dolf?" vroeg Nel.
+
+"Hooren zingen? Ik dacht, dat de zolder minstens naar beneden zou
+komen."
+
+"Dat zou voor een eersten vacantiedag indrukwekkend geweest zijn,"
+vond Nel.
+
+"En "onmogelijk" gezellig voor jou, als we met ons drietjes zoo
+plotseling voor je neus stonden."
+
+"Onmogelijk, onmogelijk," praatte Frits Door na.
+
+Allen proestten het uit.
+
+"Geef mij daar eens gauw een kus voor, lekkere vent. Nee, zoo
+gemakkelijk kom je er niet van af. Ook een op deze wang en nog een:
+het deftigste aller kusjes, n op mijn voorhoofd." En toen greep
+Nel Fritsjes handjes en begonnen ze samen te zingen:
+
+
+ "'t Is vacantie, 't blijft vacantie,
+ Hoera, vacantie boven!
+ Wie dat niet met ons zingen wil,
+ Die moet er aan gelooven."
+
+
+"Vacantie bofe blijfe? Vacantie nog in bedje? Vacantie stout geweest,
+mammi?" vroeg Fritsje, die meende dat "vacantie" een ondeugend jongetje
+was en voor straf boven moest blijven.
+
+"Jij bent een grappenmaker en mammi's kereltje, hoor."
+
+"Wie onze logs wil halen, zorge over een kwartier klaar te zijn,"
+kwam vaders stem om den hoek van de deur.
+
+Toen was 't een gevlieg en geloop naar alle kanten.
+
+"Mijn hoed, mijn hoed, wie heeft hem gezien?" riep Door wanhopig.
+
+"Misschien op je kussen bij je haarlintje," plaagde Nel.
+
+"Wees nu niet zoo flauw," bromde Door. "Jij hebt gemakkelijk praten,
+jij behoeft nooit naar je dingen te zoeken. Maar als ik mijn hoed of
+mijn mantel ergens neerleg, kan ik ze later nooit terugvinden."
+
+"Ik leg ze ook niet "ergens" neer."
+
+"Zoo? Wat doe jij dan?"
+
+"Ik hang ze op den stander natuurlijk."
+
+"Ik durf wedden, als ik mijn hoed dr hang, dat hij toch weg is,
+als ik hem hebben moet."
+
+"Probeer 't eens," lachte Nel. "Drie dagen kun je 't misschien wel
+volhouden," en weg holde ze.
+
+"Moesje, weet u hem ook?"
+
+"Neen, werkelijk niet."
+
+"'t Is zoo'n "onmogelijk" zoeken, als je in 't geheel niet kunt
+bedenken, waar zoo'n ding zit," zuchtte Door wanhopig.
+
+"Mag Foxje mee, vader?"
+
+"Neen, jongen, geen honden aan den trein."
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+DE LOGTJES.
+
+
+Vijf minuten later was 't heele gezelschap op weg naar het station,
+behalve moeder, die met Fritsje liever thuis bleef, en Door, die als
+een wanhopige kamer in, kamer uit rende om haar hoed te zoeken. Met
+donderend geraas kwam de trein binnenstuiven.
+
+"Zag je de coup met de vlaggetjes?" riep Nel opgewonden. "Ik durf
+wedden, dat ze daarin zitten. Dat is net iets voor oom Karel."
+
+Nel en Dolf renden er naar toe. Vader en Leni konden zoo
+vlug niet. Maar voor ze bij de coup kwamen, was mijnheer Van
+Lichtenvoorde met zijn beide jongetjes al uitgestapt. 't Was een
+vroolijke begroeting.
+
+"Zagen jullie onze vlaggetjes wel?" vroeg Hans.
+
+"Nou, f we," zei Dolf. "Nel zei dadelijk, dat jullie zeker in
+die coup zat. Pas op, houd ze vooral voorzichtig vast. 't Is hier
+zoo druk."
+
+"Hoera, daar heb je Door. Zie ze eens loopen," zei Nel.
+
+"Dag oom, dag jongens!"
+
+"Dag Dorus," zei oom Karel, "meisje, meisje, wat heb je geloopen."
+
+"Maar Door, wat heb je nu op?" vroeg Nel.
+
+"Mijn ouden tuinhoed. Ik kon mijn schoolhoed nergens vinden. Ja,
+waar dat ding nog eens vandaan mag komen, _ik_ weet het niet," zei
+ze met een grappig wanhopig gezicht.
+
+"Kinderen, ga jullie nu vooruit," zei mijnheer Van Brakel, "oom en
+ik komen dan langzaam achteraan."
+
+"Zullen we een wedloop houden, wie 't eerst bij de brug is?"
+
+"Uitstekend," vond Nel. "Ik neem Hans; Door, neem jij Bob en Dolf
+Leni. En, twee, drie; neen Dolf, allen te gelijk beginnen, een beetje
+achteruit. Ziezoo, nu staan we allen goed: een, twee, drie!" Daar
+gingen ze.
+
+"Gewonnen!" riep Door, nog hijgende en blazende. "Bob, jongen, steek
+je vlag op."
+
+"Als die dikke mijnheer ons niet in den weg geloopen had, waren wij
+jullie vr geweest," zei Nel, die met Hansje nummer twee was.
+
+"Dikke heer, of niet, wij hebben het gewonnen. Maar kijk Dolf eens:
+die schiet warempel niet hard op. O, ik zie het al, Leni zwoegt onder
+haar nieuwe schoenen."
+
+"Als je van zwoegen onder iets wil praten, dan zou ik zeggen, dat
+jij zwoegt onder je kostelijk mooie tuinhoedje," lachte Nel. "Je ziet
+tenminste zoo rood als een kreeft."
+
+"Eindelijk," zei Leni met een ongelukkig gezichtje, "die nare
+schoenen."
+
+"Dat was een treurige wedloop, h Leen? Jij moet je linker en rechter
+feestdag maar zoo gauw mogelijk uittrekken, als je thuis komt, dan
+vier je opnieuw feest. Maar kom, we moeten voortmaken. Pa en oom
+Karel zullen ons nog inhalen. Geef mij maar een arm, hinkelepinkje."
+
+"Doortje, is de koffer al gekomen?" vroeg Hansje.
+
+"De koffer? Nee, hoor, ten minste ik weet er niets van."
+
+"'t Is een heele groote, wel van dit paaltje tot dat."
+
+"Hij is nog vl grooter," zei Bob gewichtig, "wel z." Hij liep
+vooruit om aan te toonen, hoe groot wel.
+
+Hans hield zich stil, hij vond, dat Bob den koffer nu wel wat hl
+groot maakte. Maar hij vond het toch jammer dit te zeggen.
+
+"Dan ben ik toch werkelijk bang," zei Nel, die best begreep, dat Bob
+overdreef, "dat die reuzenkoffer niet bij ons de voordeur in kan en
+dus in 't geheel niet in jullie slaapkamertje kan staan. Ma zal hem
+dan zeker wel in het schuurtje laten zetten."
+
+"In het schuurtje?" Een paar verschrikte oogen keken Nel aan. "Onze
+mooie koffer?"
+
+"Ja, waar de cokes en de turf geborgen wordt."
+
+"Misschien is hij toch wel een beetje kleiner. Zou hij niet een beetje
+kleiner zijn, Bobbie?"
+
+Bob knikte. "Maar 't is toch een groote."
+
+"Moesje, daar zijn we. Oom en Vader komen achteraan."
+
+"Dag, jongens; wl, wl, wat hebben jullie mooie vlaggetjes."
+
+"Spritsje, vlagje, Mammi?" vleide kleine Fritsje.
+
+"Mag Fritsje je vlagje even hebben, Bob?"
+
+"Hoera, ma vergist zich. Dit is Hans en dat is Bob. Nu zal ik jullie
+eens even door elkaar rommelen. Niet kijken, ma." Dolf draaide Hans
+en Bob als twee tolletjes om elkaar heen. "Doet u nu de oogen maar
+weer open. Nu ...?"
+
+"Ja, jongens, dat is niet gemakkelijk. Ik geloof ... ik geloof ...,
+dat ik hier Hansje Pansje bij 't oor heb," lachte mevrouw Van Brakel.
+
+"Geraden."
+
+"Dat Hansje Pansje, Mammi?" kwam Frits met zijn lief stemmetje er
+tusschen.
+
+"Ja, kleine vent. Hansje Pansje. Nu zullen we maar eerst een boterham
+gaan eten. Jullie buikjes zijn zeker leeg en hol."
+
+Hans en Bob knikten, dat hunne bolletjes er bijna afrolden en
+natuurlijk deed Fritsjes bolletje op de maat mee.
+
+"Daar komen vader en oom Karel al aan. Door, zet gauw den grooten
+stoel met het kussen voor oom klaar."
+
+"Och, kijk eens, Bobbie, wat een aardige poes," riep Hansje. "Effentjes
+haar een kusje geven, tante?"
+
+"Zeker, geef jij Julia maar een kusje."
+
+Maar Julia had op dat oogenblik in 't geheel geen lust in een kusje
+en stapte statig den tuin in, zonder ook maar naar de jongens om
+te zien. 't Was duidelijk, dat zij zich eerst wat wilde opknappen,
+voor ze aan Hans en Bob zou worden voorgesteld. Met n sprongetje
+zat ze op de schutting en ging toen kalm haar toilet maken.
+
+Ja, Julia was een ijdel poesje.
+
+"Is ze bang, dat wij haar in den staart willen knijpen, of bij een
+achterpoot in de hoogte tillen, zooals Jaap altijd doet, tante?"
+
+"Jaap, wie is Jaap?"
+
+"Jaap harkt onzen tuin op. En als hij kikkers vindt, doet hij ze
+in een doosje. Een kikkertje spant hij er voor, dat is het paard,
+zegt hij. Bobbie en ik vinden uit rijden gaan prettig, maar niet
+als we kikkers waren. En dan met zoon kikkerpaard, dan zouden we
+zeker zeeziek worden. Want dat doosje wipt z, hup, hup, net als de
+kikker. Bobbie en ik hebben eens het doosje opengemaakt, toen Jaap in
+'t gras een koetsiertje zocht."
+
+"En was Jaap ook boos, toen hij het zag?"
+
+"Hij lachte. Jaap wordt nooit boos. Hij zei.... wat zei hij ook weer,
+Bobbie?"
+
+"Hij maakte het kikkerpaard los en zei: "ga maar gauw naar je
+vrindjes."
+
+"Toch aardig van Jaap," lachte Nel.
+
+"Jaap maakt ook altijd wagentjes van wortels en kransjes van
+bloemen. Dan doet hij poes en Bruno er een om. Maar die vinden dat
+niet prettig, hoor. Jaap zegt dan altijd, dat ze jarig zijn. Maar zoo
+vaak kun je niet jarig zijn. Maatje zegt, maar eenmaal in 't jaar en
+een jaar duurt heel lang, h tante?"
+
+"Zeker, heel lang, maar eet nu eerst jullie boterhammen. Vader heeft
+niet zooveel tijd."
+
+"Gaat u al zoo gauw weg, oom?"
+
+"Ja zeker, Door. Ik heb even mijn kaboutertjes hier gebracht, maar
+veel tijd heb ik niet. Maar Dorus, kind, ik begrijp niet, hoe het
+komt, maar ik kan niet zeggen, dat ik gemakkelijk op dezen stoel
+zit. Het schijnt aan het kussen te liggen. Ik zal het dingetje er
+maar even uitnemen. Wat is dat?" zei Oom, en hield Doors hoed geheel
+platgedrukt in de hoogte, "die stumperd kon zijn pleizier ook wel op
+onder het kussen."
+
+"O moeder!" Door werd zoo rood als vuur.
+
+"O, kijk eens, kijk eens, je hoed lijkt wel een vogelnestje,"
+riep Dolf.
+
+"Door, Door, zul je dan ook nooit eens een beetje netter worden,"
+zei mevrouw Van Brakel hoofdschuddend. "Reken er maar op, dat je den
+geheelen zomer met je vogelnestje moet blijven loopen. Zulke slordige
+meisjes zijn geen nieuwe hoeden waard. Waar blijft Leni toch? Dolf,
+ga jij haar eens roepen, zij is zeker weer bij het kippenhok. O,
+daar komt ze juist aan. Leni, kind, waar blijf je toch?"
+
+"O, moesje, sneeuwwitje deed zoo raar," zei Leni schreiende. "En nu
+is ze dood, ze ligt geheel stijf en de dwergjes loopen om haar heen
+en begrijpen er niets van."
+
+Hans, die juist zijn glaasje melk in de hand hield, liet het van
+schrik uit zijn handen vallen, zoodat alle melk van de tafel op zijn
+broek en vervolgens op den grond stroomde.
+
+"O, paatje, hier, hier--is een sneeuwwitje."
+
+"En--enne, ook--dwergjes," zei Bob met een hoogroode kleur.
+
+Leni, die in het geheel niet verwacht had, dat dit bericht zoo'n
+uitwerking op de tweelingen zou hebben, bleef als versteend in de
+deur staan. Moeder, vader, oom, Dolf en de meisjes barstten in een
+onbedaarlijk lachen uit. Fritsjes hoog stemmetje hoorde men gedurig
+boven alles uit.
+
+"O, mammi, Hansje Pansje glaasje melk omgesmijt. Stout Hansje Pansje,
+h mammi?"
+
+"O, houd op, ik kan niet meer," gilde Nel. "Jongens, kijk me als je
+blieft niet zoo verbaasd aan. Ik houd het niet uit. 't Is t mooi."
+
+Door rende de kamer uit om een vaatdoek.
+
+Hans en Bob keken met verwonderde gezichtjes het geheele gezelschap
+aan. 't Had er veel van, of allen een uitvoering ten beste gaven en
+Hans en Bob het publiek uitmaakten.
+
+Toen het gelach even bedaard was, zei Hans, als om zich te
+verontschuldigen, half schreiend: "maar, paatje, Leni _zei_ het toch."
+
+"Ja, ja, Leni _zei_ het ook, ventje," en weer proestte oom Karel
+het uit.
+
+"'t Is maar een kip, een witte kip," brulde Dolf.
+
+"Is er,--is er dan geen sneeuwwitje?" vroeg Hans.
+
+"En waar zijn dan de dwergjes, zijn er k geen dwergjes?" vroeg
+Bob. Duidelijk klonk er teleur-stelling in hun stemmetjes.
+
+"Och neen, kleine vent," zei Nel, die nu toch medelijden met hen
+kreeg. "Wij noemen de krielkipjes dwergjes, omdat ze zooveel kleiner
+zijn dan de andere. Of beter gezegd, Leni geeft de kippenfamilie
+zulke mooie namen. Wij zullen jullie straks aan het heele troepje
+voorstellen. Als Leni morgen plotseling bericht, dat "Slokop dood
+in haar hok ligt" of dat "Asschepoes een ei heeft gelegd," dan gooit
+Hansje Pansje misschien van schrik een heele kan met melk om."
+
+Het koffiedrinken liep verder zonder stoornis af.
+
+"Nu, kinderen," zei oom Karel een tijdje later, "ik moet weer weg,
+hoor. Ik heb in tijden niet zoo heerlijk gelachen. Waar zijn mijn
+kaboutertjes?"
+
+"Hier, paatje," kwam er een stem uit het grasveld. "Ik zit in de
+zon voor mijn natte broekspijp en Bobbie maakt een krans voor ons
+sneeuwwitje."
+
+"Wel verbazend, jullie hebt het maar druk. Maar de tijd voor een kusje
+kan er toch zeker wel af." Toen vlogen twee aardige jongens naar hun
+paatje toe. "Dag, paatje, dit kusje aan ma brengen en dit aan Bruno,
+en dit...."
+
+"Dank je wel, als ik ze alle weggeef, blijft er voor mij zelf niets
+over."
+
+"U hebt ze toch zelf eerst een poosje mogen houden," zei Bob.
+
+"Dat is waar ook," lachte vader, "en als poes toevallig op de
+muizenjacht is en Bruno maakt een wandeling met vriend Turk, dan houd
+ik ze stil zelf, hoor."
+
+"O, oompje, dan is het goed, dat het geen appelbollen zijn, dan kreeg
+u vast een overladen maag," lachte Door.
+
+"Vind jij appelbollen misschien "onmogelijk" lekker?"
+
+"Onmogelijk, oompje," zei Door met overtuiging.
+
+"Hier, meisje, heb je dan wat van mij, dan kun je het geheele
+gezelschap op appelbollen trakteeren."
+
+"Dank u wel, hoera! Kinderen, vanavond zal een regiment appelbollen
+zijn intrede in den huize Van Brakel doen."
+
+"Met het oog op onze logtjes vind ik beter de appelbollenpartij tot
+morgen uit te stellen," zei moeder. "De kleuters moeten vanavond niet
+te laat naar bed."
+
+"Dus morgen, heerlijk," zei Nel.
+
+"Maar Bob, wat doe je toch?" vroeg Door.
+
+Bobbie, voorover in het gras liggend, zat Julia aandachtig te
+bestudeeren. Al een paar keer had hij moeite gedaan haar oogleden
+op te lichten, zoodat poes, wie deze handtastelijkheden blijkbaar
+danig begonnen te vervelen, bedaard Bob den rug toekeerde, langzaam,
+met deftige passen, om het perk met viooltjes heen stapte en toen op
+eenigen afstand van haar kleinen plaaggeest ging zitten. Ze kneep
+haar beide oogjes toe tot op een kiertje, vleide haar staartje met
+het grappige zwarte puntje keurig langs haar voorpootjes en bleef
+z in diep nadenken verzonken.
+
+"Effentjes kijken, hoe laat het is," antwoordde Bob.
+
+"Hoe laat het is. Denk je dan soms, dat onze Julia een horloge draagt?"
+
+"Jaap zegt," zei Bob, "dat de oogen van een poes net klokjes zijn;
+je kunt er op zien, hoe laat het is."
+
+"Ja," zei Hans, "Jaap zegt: als 't pilletje in zijn oogen als een
+recht streepje omhoog staat, is het twaalf uur."
+
+"Het pilletje? O, de pupil," gierde Door.
+
+"Nel, Dolf en Leni, hoort eens, wat onze logtjes vertellen. O,
+"onmogelijk" leuk!"
+
+"'t Is maar jammer," zei Dolf lachend, "dat de poesjes zelf zoo weinig
+pleizier van hun horloge hebben."
+
+"Maar 't is nu zeker al veel later," zei hij, naar Julia kijkend,
+die nu het heele troepje met haar ernstige oogen zat op te nemen.
+
+"Het pilletje lijkt in 't geheel niet op een recht wijzertje. Kijk,
+'t is een klein, zwart balletje."
+
+"Ja," zei Hans, "hoe laat zou het nu wel zijn? Misschien wel tien
+uur. Kijk eens, Bobbie."
+
+Bobbie knikte, hij wist het niet precies. Hij vond het een moeilijk
+geval.
+
+"Tien uur is het gelukkig nog niet," zei Nel.
+
+"We kunnen nog best een spelletje doen. Zullen we verstoppertje doen
+met verlos?"
+
+"Ja, best! Wie doet er mee?"
+
+"Ik, ik," klonk het van alle kanten.
+
+"Eerst er om raden, wie zoeken mag," stelde Door voor. "Ik zal wat
+uit mijn zak nemen. Wie het aantal raadt, mag zoeken."
+
+"Mag?" lachte Dolf. "Zoeken is toch geen pretje?"
+
+"Nu _moet_ dan," verbeterde Door. "En als niemand het raadt, ben ik
+de ongelukkige. Nu?" zei ze, nadat ze iets uit haar zak had genomen
+en Nel haar hand voorhield. "Hoeveel raad je? n, twee, drie, vier,
+vijf of zes?"
+
+"Drie."
+
+"En Leni?"
+
+"Twee," zei Leni, na zich een tijdje bedacht te hebben.
+
+"En onze log's?"
+
+"Moeten we beiden hetzelfde raden?" vroeg Hans, die nooit zoo'n
+spelletje had mee gedaan.
+
+"Neen, ieder mag op zijn beurt raden, maar als Hans het raadt,
+helpt Bob zoeken en als Bob zoo knap is, Hans. Want zoeken is lang
+niet gemakkelijk."
+
+Gelukkig voor Hans en Bob waren ze geen van beiden zoo knap.
+
+"Dolf, nu staat het tusschen ons beiden," zei Door. "Natuurlijk raad
+jij het, dat moet je voor je zusje over hebben."
+
+Dolf lachte. "Neen hoor, zoo lief ben ik niet. Vier."
+
+"Mag ik je deze vier dingetjes laten zien als bewijs, dat je getoond
+hebt toch wl zoo'n lief broertje te zijn?" zei Door, Dolf vier
+knikkers voorhoudende.
+
+"Maar Door, wat doe jij met knikkers in je zak?" lachte Nel.
+
+"Je weet," zei Door, "dat mijn zaakjes nu eenmaal veel van stuivertje
+wisselen houden. Mijn mesje en mijn beurs ben ik al drie dagen kwijt en
+daarvoor in de plaats loop ik al meer dan een week met deze knikkers in
+mijn zak. Hoe ik er aan kom, weet ik werkelijk niet," zei ze lachend.
+
+"Ik begrijp het best," zei Nel. "Jij hebt die knikkers zeker ergens
+zien liggen en omdat je er nu eenmaal niet van houdt, dat zulke
+dingen rondslingeren, heb je ze in je zak gestoken, erg netjes,
+dat moet ik zeggen."
+
+"En ik ben het slachtoffer van Doors opruimmanie," zei Dolf. "Nu,
+ik ga tellen. Als ik vijftig roep, moet jullie verstopt zijn. Jullie
+moogt je alleen in den tuin verstoppen, niet in huis."
+
+"Een, twee," telde Dolf.
+
+Ieder vloog een kant uit. Hans en Bob stonden wel wat verlegen. "Kom
+maar met mij mee," zei Door tot Bob. "Ik kruip achter dezen struik,
+ga jij achter dien staan."
+
+"O, Door," riep Bob verschrikt.
+
+"Wat is er?" fluisterde Door, omkijkende. "O, maar Bobbie, hoe is 't
+mogelijk! Ben jij in Dolfs rooverhol gezakt? Je hadt warempel je beenen
+wel kunnen breken. St, houd je maar stil en kruip er zoo diep mogelijk
+in. 't Is het mooiste verstopplaatsje uit den geheelen tuin. Als Dolf
+dezen kant uit komt, moet je je goed bukken, dan vindt hij je nooit,
+eenig. Hoor Fox eens opgewonden zijn, zeker, omdat hij ons zoo hard
+heeft zien loopen, daar kan Fox nu eenmaal niet tegen. Als hij ons
+nu maar niet verraadt. Stil, Dolf komt dadelijk zoeken. Je zit daar
+wl leuk, hoor."
+
+"Vijftig!" riep Dolf, "Ik ga zoeken."
+
+Geen antwoord, ieder had zeker een plaatsje gevonden.
+
+"Stil toch, Fox en loop niet zoo om mijn beenen, bedaar toch wat."
+
+Maar Fox had hierin in het geheel geen lust. Als een dolleman vloog hij
+den tuin door, toen eenige malen langs het kippenhok, zoodat de arme
+dieren het bijna bestierven van angst. Daarna zou hij met een vaart
+in huis, maar werd bijtijds door Kee, met een "hallo marsch, je niet
+hier verstoppen," den tuin weer ingejaagd, zoodat hij ten laatste,
+moe van het gedraaf, een middagdutje in het grasveld ging doen.
+
+Dolf zocht en zocht, maar durfde zich bijna niet van den boom begeven,
+bang, dat de een of ander uit zijn schuilhoekje te voorschijn springen
+en naar de verlosplaats loopen zou, om het hem af te winnen.
+
+"Leni, jij staat achter het kippenhok, een, twee, drie, verlos,"
+riep hij.
+
+"Nel, neen Door, dr bij het priel! kom maar voor den dag. Ik ken
+je aan je hoed."
+
+"Hoera, voor 't vogelnestje," juichte Nel en kwam met Doors ingedeukten
+hoed achter het priel vandaan. "Gefopt."
+
+"Dat is flauw," zei Dolf teleurgesteld. "Wie kan dat nu ook denken."
+
+"Ja, zoo'n slim zusje heb je nu," lachte Nel, "wees maar blij."
+
+"Nu Door en de tweelingen nog."
+
+"Een, twee, drie verlos!" riep Door, toen Dolf juist den anderen kant
+was opgeloopen.
+
+"Dat heb ik je lekker afgewonnen. Wat heb je dat mooi bedacht," zei ze
+lachend tot Nel. "Waar mijn vogelnestje toch al niet dienstig voor is."
+
+"Kom, Dolf, nu de tweelingen nog," zei Nel.
+
+"H," zei Dolf lachend tot Kee, die gedurende de verstoppartij geheel
+tegen haar gewoonte in al dien tijd op de waranda was blijven staan
+kijken. "Mij dunkt, je hebt eenige rokken extra aangetrokken van
+morgen. Je schort staat heelemaal uit."
+
+"Ja," zei Kee lachend, "n rok heb ik aangetrokken, omdat het de
+eerste vacantiedag is en n, omdat Bob en Hansje gekomen zijn."
+
+"Die Kee, die Kee," proestten Nel en Door. "Of je gelijk hadt? Zoo'n
+dubbele feestdag mag wel met een paar extra rokken gevierd worden."
+
+"Maar ik moet nu eigenlijk weer aan het werk. En dan is mijn
+feestgewaad mij wel wat lastig."
+
+"Ja, dat wil ik wel gelooven," zei Dolf. "Wiens neus voel ik door Kee's
+schort heen? Mij dunkt," zei hij, de schort wat op zij schuivende,
+"mij dunkt, die van Hansje Pansje."
+
+Hansje schaterde het uit. "Was het geen mooi plaatsje? Je kon mij
+toch bijna niet vinden, h?"
+
+"Neen, hoor. Wie heeft dat wel zoo mooi bedacht?"
+
+"Kee," zei Hans.
+
+"Ik moet nu gauw naar het eten gaan kijken. 't Is maar goed, dat
+hier niet elken dag zoo'n verstoppartij is," zei Kee en liep haastig
+naar binnen.
+
+"Maar waar zou Bob nu zijn?" zei Dolf. "Die heeft zich een bijzonder
+mooi plaatsje uitgezocht, dunkt me."
+
+"Ja," zei Door, "je moet maar goed zoeken."
+
+Dolf keek achter elken struik, bij het kippenhok, in het priel,
+tot hij op eens, achter in den tuin gekomen in lachen uitbarstte.
+
+"Komen jullie toch eens hier," riep hij. "O Bob, blijf zoo stil zitten,
+ze moeten je allemaal zoo eens zien."
+
+Nel en Leni proestten het uit, toen ze Bob in den grooten kuil
+zagen zitten met alleen zijn bovenlijf er uit. Hansje klapte in de
+handen. "O, Bobbie, wat een mooi plaatsje."
+
+"Kom er maar gauw uit, kleine vent," zei Dolf en gaf Bob een hand.
+
+"Ik stapte op de takjes en zakte op eens naar beneden," legde Bob
+triomfantelijk uit.
+
+"Je mag wel gauw je kuil dicht maken," zei Nel, "voor er ongelukken
+gebeuren."
+
+"Ja," zei Dolf, die zich wel wat schuldig voelde. "Ik was dien
+overdekten kuil heelemaal vergeten."
+
+"Ziezoo," zei Door, "nu weer een nieuw spelletje. Dolf, jongen,
+je moet weer zoeken."
+
+Wat hadden allen een pret!
+
+"Och, kijk toch eens Bobbie, wat dikke kanaries," riep Hansje verbaasd,
+toen hij voorbij het kippenhok liep en juist zou hij aan Door vragen,
+of hij eens eventjes een in de hand zou mogen hebben, toen ze geroepen
+werden, om te komen eten. Vroolijk holde het troepje naar binnen.
+
+"O, wat een bestorming, als je blieft eerst voeten vegen," zei Moeder.
+
+"Hansje Pansje glaasje melk omgesmijt, h Mammi?" begon Fritsje weer,
+toen hij Hansje zag.
+
+"Ja, ja," lachte Ma.
+
+"Mogen we na het eten de kanaries eens zien?" vroeg Bob, zoodra hij
+aan tafel zat.
+
+"O ja, de kanaries," riep Hansje opgetogen.
+
+"De kanaries?" vroeg moeder verwonderd.
+
+"O, zulke dikke, tante. In het kippenhok zijn ze, h Bob?" zei Hans
+vol vuur.
+
+Moeder lachte. "O, nu begrijp ik het."
+
+"Na het eten gaan onze logtjes n, twee, drie naar bed," zei
+vader. "Die kleine kanaries moeten nu ook slapen, anders kunnen het
+nooit groote worden. Maar morgen vroeg, als haantje kukelekaantje
+jullie wakker heeft geroepen, dan maar gauw je kleertjes aan en den
+tuin in."
+
+*****
+
+"Een, twee, drie, instappen," zei Nel, toen ze een uurtje later Hansje
+had uitgekleed en in bed tilde.
+
+"Wacht, eerst even bellen," zei Bob en greep een tafelbel, waarmee hij,
+voor Door dit verhinderen kon, luid ging bellen.
+
+Kee kwam verschrikt naar boven vliegen.
+
+"Och, lieve tijd, wat is hier te doen?" riep ze. "Toch geen ongeluk
+gebeurd?"
+
+"Gauw instappen, de trein gaat dadelijk weg," zei Bob tot Keetje,
+niet begrijpende, dat hij haar zoo had doen schrikken.
+
+Kee, die eerst van plan was boos te worden, omdat hij haar voor niets
+naar boven had laten komen, kon toch haar lachen niet bedwingen bij
+het gezicht van die twee grappige broekemannetjes. "Tuut," riep ze
+en zette den kleinen Bob in bed. "Goeie reis, hoor, goeie reis,"
+en met haar zakdoek wuivende verdween ze.
+
+Nel en Door gierden het uit.
+
+"Dumderdedumderdedum," en vier kleine voetjes trappelden, dat het
+geheele bed schudde.
+
+ * * * * *
+
+"Het zal mij benieuwen, of die dreumesjes gauw den slaap zullen
+vatten," zei Nel, toen ze beneden in de huiskamer kwam.
+
+"'k Zal eens kijken, of ze slapen," zei Door een kwartiertje
+later.--"Als roosjes, hoor!" kwam ze terug.
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+ARME HANS EN BOBBIE.
+
+
+"Zullen wij den haan maar gaan roepen?" vroeg Hansje den volgenden
+morgen. Hij stond met Bob voor Dora's bed.
+
+"Wat zeg je?" vroeg Door slaperig.
+
+"'t Haantje heeft ons niet geroepen, het is misschien ziek,"
+zei Bobbie.
+
+Nel lag te schudden in bed. Op eens begon ze te zingen: "Op, gij
+meisjes en gij knapen, kukeleku! 't is uit met slapen," en sprong
+het bed uit.
+
+"O, ik wou dat er geen hanen en geen Hansjes en Bobbies waren,"
+zei Door, half brommig, half lachend.
+
+"Op, gij meisjes en gij knapen, kukeleku! 't is uit met slapen,"
+zong Nel weer en wilde Door uit het bed trekken. "Toe, jongens,
+jullie aan den anderen kant; wacht, daar komt Leni ook aan. Heisa,
+hopsa!" Door stond buiten het bed.
+
+"Ik weet wel," zei Door, "dat ik vanavond niet naar bed ga, dan behoef
+ik er morgen vroeg ook niet uit te komen."
+
+"Of je gelijk hebt. Dat is, geloof ik, nog het allerbeste voor
+jou. Jongens, loop hier nu maar een beetje in je hanssopje rond. Zoodra
+we klaar zijn, zullen we je helpen. Of ben jullie misschien zoo knap,
+dat je je alleen kunt aankleeden?"
+
+"De kousen kunnen we wel aantrekken en de schoenen ook, maar ze dicht
+maken, dat doet Maatje altijd."
+
+"Mooi zoo, haal jullie je kleeren en begin maar vast."
+
+Bob en Hansje togen ijverig aan het werk.
+
+"Och, kijk eens, dat kousje doet zoo raar," zuchtte Bob met een
+vuurroode kleur van inspanning, nadat hij al een heelen tijd bezig
+was geweest.
+
+"O, de hiel!" schaterde Leni. "Kijk, die zit boven op den voet. 't
+Lijkt wel een leeg geldzakje. Wacht, ik zal je wel helpen."
+
+Door, Nel en Leni hadden het druk met de logtjes. 't Werd een
+wedstrijd, wie 't eerst klaar zou zijn.
+
+"'k Zou juist zeggen, mijn schortje is zeker weer op de wandeling,"
+zei Door, die overal naar dit kleedingstuk had gezocht, "maar neen,
+hoor, 't ligt kalm onder mijn handdoek. Toch grappig, dat al mijn
+spulletjes altijd zoo'n lust hebben om van 't eene plaatsje naar
+'t andere te verhuizen."
+
+"En dat ze jou nooit vooraf vertellen, waarheen ze gaan," plaagde Nel.
+
+Eindelijk waren allen aangekleed en ging ieder met een keurige
+"vacantie-kuif", zooals Leni 't noemde, naar beneden.
+
+"Goeden morgen, goeden morgen!" klonk het vroolijk, toen 't vijftal
+de huiskamer binnen kwam stormen.
+
+"Wel verbazend, kinderen, wat ben jullie vroeg," zei vader, "zoo mag
+ik het zien."
+
+"Zullen we nu eerst even 't haantje roepen?" vroeg Hans.
+
+"'t Haantje roepen?"
+
+"Zou het ziek zijn, oom?" vroeg Bob.
+
+"Waarom ziek, kleine man?"
+
+"'t Haantje heeft ons niet geroepen."
+
+"En hoe komen jullie dan zoo vroeg?"
+
+"Bobbie en Hansje hebben voor haantje gespeeld. Ze hebben Dora wakker
+gemaakt," zei Nel.
+
+"Ik was nog zoo "onmogelijk" slaperig."
+
+"Als jullie je boterham op hebt, moet je maar eens kijken, of het
+haantje wakker is," vond moeder.
+
+"Kijk toch zoo'n bedelaarstertje eens," zei Nel, toen Julia zacht
+miauwend achter op haar stoel sprong en voortdurend met haar kopje
+tegen Nels arm duwde.
+
+"Zij wil verven, zij wil verven," riep Bob; "kijk, ze gaat met haar
+staart over mijn gezicht."
+
+"Goed, dat er geen verf aan zit."
+
+"Ja, voor den staart en voor Bobbies neusje."
+
+"Jaap zegt, dat zijn poesje geverfd is, dat is heelemaal bruin, behalve
+zijn borst en zijn pooten. Bobbie en ik hebben het eens met een spons
+gewasschen, maar er kwam heelemaal geen verf aan de spons en toen heb
+ik mijn vinger nat gemaakt en over zijn kopje gestreken en afgelikt,
+maar het proefde in 't geheel niet naar verf en de schutting wel,
+toen Jaap die geverfd had. Bobbie en ik hebben daar eventjes aan
+gelikt, niets lekker, hoor!"
+
+"Brr," zei Hansje en trok bij de gedachte nog een vies gezicht.
+
+Allen schaterden het uit.
+
+"Vader zei, dat het niet geverfd, maar zoo geboren was."
+
+"Of vader gelijk had!"
+
+"Julia houdt in 't geheel niet van zoo'n waschpartij. Was dat poesje
+niet boos, krabde ze niet?"
+
+"Wel een beetje, maar Bobbie en ik hebben haar toen stijf
+vastgehouden."
+
+"Arm poesje. Lieve Hansje en Bobbie," ging Door grappig ernstig voort,
+"zie je onze Julia?"
+
+Bob en Hans knikten.
+
+"Zie je dat keurige witte overhemdje, dat zwarte snuitje, dat grappige
+staarte-puntje?"
+
+Weer knikten Hans en Bobbie.
+
+"Toen onze deftige Julia nog een heel klein Juliaatje was, had
+ze al datzelfde grappige staarte-puntje, datzelfde zwarte snuitje,
+datzelfde witte overhemdje. Onze Julia is zoo geboren. Begrijp jullie
+mij goed? Onze Julia is zoo geboren," herhaalde ze. "Onze Julia is
+dus niet geverfd. Ik zeg jullie dit alles, dat jullie haar morgen
+of overmorgen ook niet in een badkuip zult stoppen, of met je lieve
+vingers zult gaan belikken."
+
+Een schaterend gelach ging op en Dolf, die juist binnen kwam, riep:
+"leve onze Dorus, leve onze Julia!"
+
+En Fritsjes lief stemmetje klonk hier tusschen door. "Julia een lief
+poesje, h, mammi?"
+
+Julia, die blijkbaar verlegen werd onder zooveel lof, haar door Dora
+toegezwaaid, liet zich zacht van Nels schouder glijden en zocht een
+plaatsje op den hoek van den schoorsteenmantel.
+
+"Mogen we nu de kanaries eens zien?" vroeg Bob, toen 't ontbijt
+was afgeloopen.
+
+"Wel zeker, wel zeker, kom maar mee," zei Nel.
+
+"Neen, Foxje, jij kunt niet mee, je zoudt de geheele kippenfamilie
+angstig maken. Kijk, Leni is alweer bezig haar kippetjes te
+trakteeren."
+
+"Hij is toch wel wakker?" zei Bob verwonderd en wees naar den haan.
+
+"Ja, ja, ik geloof ook wel, dat hij jullie geroepen heeft; maar toen
+lag jullie nog op n oor en heb je hem niet kunnen hooren."
+
+"Dan zal ik morgen eens op geen oor gaan liggen," dacht Bob bij
+zich zelf.
+
+"Zie Slokop weer eens begeerig zijn," zei Nel, "vooruit, jou
+deugniet." Met een stok duwde ze de zwarte kip weg. "Zal ik nu eens
+zeggen, hoe deze kanaries heeten? Kuikentjes. Het zijn kindertjes van
+die groote zwarte kip, die lekkere kruimeltjes voor haar kuikentjes
+bewaart. De gele dr heet Asschepoes, de andere hanen en kippen
+zijn niet aardig voor haar. Kijk die ondeugende Schoorsteenveger en
+Wafelbakster eens, die trekken haar aan den staart," en Nel deed alle
+moeite, Asschepoes van een witte kip en een zwarten haan te bevrijden.
+
+Bob en Hans hadden pret voor tien om al die mooie namen.
+
+"En hier heb je de dwergjes," zei Leni. "Vind jullie het geen dotjes?"
+
+"Leggen die kuikentjes ook eitjes?" vroeg Hans, die zijn oogen niet
+van de diertjes af had.
+
+"Mag ik zoo'n kuikeneitje?"
+
+"Neen, de kuikentjes leggen nog geen eieren; als ze groot zijn wel
+en dan komen soms uit die eitjes weer heele kleine kuikentjes, o zoo
+beeldig. Wafelbakster en Asschepoes zijn ook zulke aardige kuikentjes
+geweest en kijk het nu eens groote kippen zijn."
+
+"Hier heb je ook nog een kuikentje," lachte moeder en zette Frits op
+Nels hoofd. Frits kraaide het uit.
+
+"Hij is geen kuikentje, maar een kraaiend haantje," lachte Nel. "Kom
+hier, Haantje kukelekaantje," en zij nam Frits op den arm. "Nu weet
+ik een mooi spelletje," zei ze. "We zetten Fritsje in den ouden
+kinderwagen, Dolf wordt zijn paard en Leni koetsier. Bob en Hans
+komen in de sportkar. Dora is hun paard en ik word koetsier."
+
+Het geheel leek wel een optocht. Als de stoet bij vader en moeder,
+die op de waranda zaten, voorbijkwam, wuifden zoowel passagiers
+als publiek.
+
+"Niet zoo wild rijden, niet zoo wild!" had vader juist geroepen,
+toen op eens, doordat Dora de bocht te kort nam, de sportkar omsloeg
+en Bob en Hansje er uit en in 't gras vielen! Groote ontsteltenis!
+Vader, moeder en Keetje kwamen dadelijk aanhollen, want beide logtjes
+hieven een erbarmelijk geschrei aan. Bobbie bloedde vreeselijk uit zijn
+neus en had zijn voorhoofd bezeerd en Hansje Pansje riep maar steeds:
+"O, mijn voetje doet zoo'n pijn."
+
+Ma droeg hem en vader Bobbie naar binnen. Hans werd op de canap
+gelegd, waarna moeder hem den schoen uit trok. Bob kreeg koude
+compressen op zijn neus. Door, die zoo wit als een doek zag, wilde
+dadelijk om den dokter gaan, maar vader vond beter nog een poosje te
+wachten. Gelukkig bedaarde het bloeden. Hansjes voet was blijkbaar een
+beetje verstuikt. 't Was wel een ongelukkig gezicht, de twee vroolijke
+kaboutertjes daar zoo te zien zitten met dikke tranen op de wangen:
+Bob met een compres op den neus en Hans met zijn voet op de canap.
+
+"Dat is een treurig begin van zoo'n vroolijken dag," zei vader.
+
+"Stil maar, jongens," troostte Door, "vanavond krijgen jullie heerlijke
+appelbollen."
+
+"Jullie weet niet, hoe goed die voor bloedende neuzen en verstuikte
+voeten zijn," zei Dolf.
+
+"En voor alle menschen, die geschrokken zijn. Och, lieve tijd, ik
+beef er nog van in mijn beenen," klaagde Nel.
+
+"Kijk eens," en Leni kwam met in iedere hand een grappig klein eitje,
+"is dat nu niet lief van mijn krielkipjes Snoetie en Toetie? Ze
+zijn dadelijk aan het leggen gegaan, toen ze hoorden, dat jullie zoo
+gevallen waart."
+
+Bob en Hans lachten door hun tranen heen.
+
+"Als ik wist, dat Toetie of Moetie"....
+
+"Snoetie, paatje."
+
+"Och, jij ook met je namen altijd. Nu, als ik wist, dat Snoetie voor
+mij ook zoo'n lekker eitje wilde leggen, dan zou ik ook wel zoo'n
+buiteling uit de sportkar willen maken."
+
+"Oompje in de sportkar," lachte Hans.
+
+Daar kwam Kee de kamer in stormen. Kee stormt altijd, langzaam loopen
+kan ze niet, want Kee heeft altijd haast. "Kijk eens," zei ze en bracht
+Hans en Bob ieder een schoteltje roode bessen. "Hoe vinden jullie
+dat? Als je die op hebt, ben je, dat durf ik wedden, weer geheel
+beter. Heb ik ze niet keurig gerist? Ik moest eigenlijk mijn kachel
+poetsen, maar nee, dacht ik, eerst zal ik die wurmen een verfrisschend
+hapje brengen. Door of Nel moeten er maar wat suiker op strooien. Kom,
+die leelijke tranen neem ik mee naar de keuken," zei ze en veegde,
+wel een beetje hardhandig, Bob en Hansje de tranen af. En vr de
+beide jongetjes nog iets hadden kunnen zeggen, was Kee verdwenen.
+
+"Heeft jij jouw been gebreekt? Kun je niet meer loopen?" Onderzoekend
+keek de kleine Frits naar Hansjes been.
+
+"Beweeg het eens." Hans deed het heel voorzichtig.
+
+"Doet het pijn, als jij jouw voetje beweegt?"
+
+Hans knikte: "een beetje."
+
+"Ik is niet gevallen," zei hij toen met voldoening. "Mag ik eens zien,
+of er nog bloed uit jouw neusje komt?" vroeg hij, vol belangstelling
+naar Bobbie kijkende.
+
+Bobbie deed even den zakdoek voor den neus weg.
+
+"O, mammie!" Fritsje week verschrikt een paar passen achteruit. "O,
+mammi, allemaal rood op Bobbies zakdoek!"
+
+"Kom maar gauw hier, mijn kereltje", zei ma. "Hans en Bob zullen wel
+gauw weer beter zijn."
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+DE APPELBOLLENPARTIJ.
+
+
+"Een brief, een brief!" Met deze woorden kwam Door eenige uren later
+de kamer binnenstormen.
+
+"Voor wie?" klonk het als uit n mond en Nel strekte haar hand al
+verlangend uit.
+
+"Mis, juffertje. Hij is voor Bobbie en Hansje."
+
+"Een brief, o Bobbie, zeker van maatje."
+
+"Of van vader, want paatje heeft ons er eentje beloofd."
+
+Door moest den brief laten kijken.
+
+"Ook een postzegel er op?"
+
+"Ja, 't is geen kleinigheid," lachte Nel, de verrukte gezichtjes
+ziende.
+
+"Zal ik hem voorlezen?" vroeg Door.
+
+"Begin maar gauw," riep Hans.
+
+"Ook wat er buiten opstaat," vond Bob.
+
+"Aan Hans en Bob, gelogeerd bij hun oom, mijnheer Van Brakel te
+Westerkerke.
+
+"Lieve kaboutertjes. De kusjes heb ik gegeven."
+
+"Van Paatje," zei Bob.
+
+"Ma," las Door, "op elken wang een. Bruno's snuit heb ik in mijn hand
+genomen en Miekies zacht pootje even gedrukt. Jelui weet niet, hoe
+stil ma, Bruno, Miekie en ik het vinden, nu onze kaboutertjes er niet
+zijn. Bruno zat gisterenmorgen voor jullie slaapkamertje geduldig te
+wachten. Ma en ik lieten hem stil begaan. Wij wilden eens zien, wat
+hij zou doen. Na een tijd rustig gewacht te hebben, begon hij zacht
+te janken. O, het klonk zoo bedroefd en steeds keek hij naar de kruk
+van de deur. Daarop begon hij te blaffen en zoowaar aan de deur te
+krabben. Toen riep ik hem. "Die ondeugende kaboutertjes! Willen ze de
+deur niet open doen?" zei ik. Bruun kwispelstaartte uit alle macht,
+liep van de slaapkamer naar mij en van mij naar de slaapkamer, en
+keek mij met zijn trouwe, bruine oogen z smeekend aan, alsof hij
+zeggen wilde: doe nu toch die nare deur open, ik kan toch niet door
+'t sleutelgat. "Kom dan maar," zei ik, en toen was Bruun niet te
+houden, hij sprong tegen mij op, likte mijn handen en blafte, dat
+hooren en zien je verging. Met een vaart rende hij de slaapkamer in,
+maar bleef op eens verbaasd staan, toen hij die leeg vond. Alles werd
+besnuffeld, hij begreep er niets van. Zijn mooie pluimstaart, die even
+te voren nog zoo vroolijk wapperde, hing nu sluik neer. "Arme hond,
+zijn ze weg?" zei ik. Nog eens liep hij de kamer rond, snuffelde onder
+'t bed en liep toen langzaam naar de huiskamer.
+
+Ma troostte hem met een stukje hondekaak en een hompje kaas. Na
+'t ontbijt zijn ma en ik een flinke wandeling met Bruno gaan doen.
+
+Ma wilde Miekie, geloof ik, ook wel mee hebben, omdat ze het zoo
+stil vond zonder haar ventjes, maar dat ging natuurlijk niet. Toen we
+den hoek van de straat omsloegen, kwamen we Pollo tegen. Dat was een
+vroolijke ontmoeting tusschen Bruun en hem. 't Was, alsof ze elkaar
+in jaren niet gezien hadden. Daarna liepen ze een tijdje rustig naast
+elkaar. Het scheen wel, dat Bruno vertelde, dat jullie weg waart en
+ik denk, dat Pollo hem zoo goed mogelijk getroost heeft, tenminste
+even later renden ze uitgelaten over 't weiland. De schapen, die daar
+liepen, wisten zich van angst niet te bergen. Een klein lammetje
+drukte zich stijf tegen zijn moedertje aan en blaatte zoo innig
+bedroefd. Daar vloog Pollo over een sloot, Bruun hem achterna. En toen,
+o mijn kaboutertjes, als jullie dat gezien hadt! Pol stond aan den
+kant van de sloot juist eventjes uit te blazen, met de tong uit zijn
+bek, want geloof maar, dat hij moe was, toen een dikke kikker, zeker
+door Bruno opgejaagd, boven op Pollo's tong sprong. Ma en ik wisten
+werkelijk niet, wat er gebeurde, zoo'n spektakel maakte Pollo op eens.
+
+Hij rolde zich om en om op 't gras, de vier pooten in de hoogte,
+en het had niet veel gescheeld, of hij was in de sloot gevallen. Nu,
+zoo'n bad was misschien wel goed geweest voor den schrik."
+
+"O, die kikker," schaterde Dolf. "Hij zag Pollo's tong voor een
+rozeblaadje aan."
+
+"Ja, of voor een vischje," lachte Nel.
+
+"O, eenig, eenig!" proestte Door. "Maar stil, laat mij nu verder
+lezen."
+
+"Na dit kikker-avontuur waren onze wandelgenootjes kalm en gehoorzaam.
+
+En hoe Miekie het maakt? Ik geloof, dat ze vast van plan is jullie
+een briefje te schrijven en ze mij de kunst nu wil afzien. Viermaal
+heb ik haar al van dit velletje postpapier afgezet, maar telkens komt
+zij weer terug, zoodat ik haar nu maar laat zitten. 't Is een klein,
+nieuwsgierig poesje en jullie weet, als Mieke eenmaal een plannetje
+heeft, dan laat zij dit niet varen.
+
+Op dit oogenblik loert ze op mijn penhouder. Steeds gaat haar kopje
+van links naar rechts. O wee! een letter met drie krullen, dat is
+Miekies schuld: die wilde met haar pootje den penhouder grijpen. 't
+Is maar goed, dat mijn praatje uit is. Het zal mij eens benieuwen,
+wanneer zij jullie gaat schrijven, maar dan ga ik er ook bij zitten,
+dat weet ik wel, die deugniet!"
+
+"Dan gaat oom zeker ook op het postpapier zitten," lachte Dolf.
+
+"Heel veel kusjes van moes, van Bruno een poot, van Mieke een hoogen
+rug en duizend kusjes van paatje.
+
+Hoe hebben de appelbollen gesmaakt? En vraag aan Leni, of de
+dwergjes nog bedroefd zijn. Vooral de groeten aan oom, tante en
+alle kindertjes."
+
+"Is hij nu uit?" vroeg Bob.
+
+"Ja, is het geen onmogelijk lange brief?"
+
+Door moest den brief ng eens en ng eens voorlezen, vonden Leni,
+Bob en Hansje. Op 't laatst kenden ze hem bijna van buiten.
+
+"Boven aan het blaadje staat het verhaal van den kikker, h
+Door?" vroeg Hans.
+
+"En dr onder-aan dat van Mieke?"
+
+"Mammi, waar is de kikker nu?" vroeg Fritsje.
+
+"Ik denk, dat hij nu weer vroolijk door het water springt of over
+'t land. Och, och, wat zal dat arme kikkertje geschrikt zijn, toen
+het zag, dat het verdwaald was."
+
+"En hoe verdwaald!" lachte Dolf.
+
+"'t Was maar goed, dat Pol geen ooievaar was, want die had het
+kikkertje stellig opgepeuzeld."
+
+"Brr!" Fritsje schudde zijn krullebol. "Ik vind kikkers niet lekker,
+Mammi wl?"
+
+"Neen hoor, ik eet liever appelbollen."
+
+"En ik, en ik," riepen Leni en de anderen.
+
+"Hoera! Vanavond appelbollenpartij!"
+
+"En hoe is 't nu met de patintjes? Zouden jullie vanavond wel trek
+hebben in een appelbol?" vroeg mevrouw Van Brakel.
+
+"Mijn voetje doet bijna niet meer zeer, heusch niet."
+
+"En mijn neus, kijk, er komt geen droppel meer uit."
+
+"Dat dacht ik wel," zei Door. "Brieven zijn zoo goed voor verstuikte
+voeten en bloedende neuzen."
+
+"Ja, en vooral zulke lange," lachte Nel.
+
+"Ramplamplan, daar komen wij an. We hebben geen schoenen of kousen
+meer an," kwam Dolf dien avond de kamer instappen, een groot bord
+met appelbollen op zijn hoofd balanceerende.
+
+"O, jongen, denk om het porseleinen bord," riep mevrouw Van Brakel.
+
+"En om onze heerlijke appelbollen," lachte pa. "Als ze over den grond
+rollen, wil niemand ze meer hebben."
+
+"Ik wel, ik wel," riepen Leni, Hans en Bob.
+
+"Dan zal ik ze maar gauw neerzetten," zei Dolf, "want als jelui in
+dat geval alle appelbollen samen op ging peuzelen, dan hadden we
+morgen drie zieke kinderen, en dat zou wel zonde en jammer zijn van
+de heerlijke vacantie."
+
+"Hoera voor de vacantie!" riep Nel en stak een oogenblik later een
+appelbol op haar vork in de hoogte.
+
+"Hoera voor oom Karel!" juichte Door en deed hetzelfde.
+
+"'t Lijkt wel, dat er wijn in de appelbollen zit, zoo opgewonden
+worden jullie," zei vader. "Ma, geef me nog maar eentje: die dingetjes
+smaken uitstekend."
+
+"Ja, ze zijn onmogelijk lekker," beaamde Dora. Hans, Bob en Leni
+hadden het veel te druk met hun bol om iets te zeggen.
+
+"Komt, kinderen, het klokje van gehoorzaamheid heeft geslagen,"
+zei moeder, en een half uur later: "Fritsje ligt al lang in bed."
+
+"Fritsje is ook nog zoo klein," zei Hans. Hij vond het zeker wel wat
+kinderachtig, bij Fritsje vergeleken te worden.
+
+"Ja zeker," lachte ma, "maar ik geloof tch, dat het zandmannetje al
+even bij Hansje Pansje op bezoek is geweest."
+
+Een oogenblik later werden Leni en de tweelingen door Nel en Door
+naar bed gebracht.
+
+"Kijk eens even, of het kussen ook tegen mijn ooren aankomt," zei
+Bobbie tot Door, die hem had uitgekleed.
+
+"Tegen je ooren?" vroeg Door verwonderd.
+
+"Ja, kun je ze goed zien?"
+
+"Niet zoo heel goed," lachte ze, "ze spelen zoo'n beetje verstoppertje,
+dunkt me."
+
+"Zou ik den haan zoo dan niet kunnen hooren?"
+
+Toen barstte Door in lachen uit. "O, wacht maar eens," en ze drukte
+het kussen flink plat, zoodat heel Bobs bolletje als een kaatsbal
+boven op het kussen kwam te liggen. "Nu maar goed luisteren morgen
+vroeg. Wel te rusten, kindertjes."
+
+"Toe, Nel, ben je nu nog niet klaar?" bromde ze. "Je bent een echte
+treuzel."
+
+"Ik moet nog even Hansjes pakje opvouwen."
+
+"Wat valt er nu aan zoo'n jongenspak op te vouwen? Ik heb Bobbies
+kleeren...."
+
+"Ja, hoe jij Bobbies kleeren opbergt, daar weet ik alles van: Hij
+heeft gisteren den geheelen dag met n kouseband geloopen. Waar die
+andere nu weer is, begrijp ik niet."
+
+"O, ja, nig," gierde Dora. "Verbeeld je, Bob had er twee aan zijn
+rechterbeen. Of ik zijn spulletjes ook goed opberg, h?"
+
+Nu moest Nel toch ook lachen en gearmd gingen beiden naar beneden
+naar de huiskamer.
+
+"Alweer een dagje om, ma," zei Nel, toen ze dien avond met Door naar
+bed ging.
+
+"Ja, ja, vrouwtje, maar er komen er nog veel, moet je maar denken."
+
+"En als dan het zonnetje van binnen en van buiten schijnt, dan zingen
+we," zei vader lachend: "'t Is vacantie, 't blijft vacantie...."
+
+"Hoera, vacantie boven!" vielen Door en Nel in.
+
+"Nacht vader, nacht moes!" En zingende gingen, ze naar boven.
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+DE VERDWAALDE DWERGJES.
+
+
+"Er zijn dieven," fluisterde Nel aan Doors oor, want hard praten
+durfde ze niet.
+
+Door, nu op eens wakker, zat kaarsrecht in bed.
+
+"Hoor je 't?" fluisterde Nel.
+
+Door knikte. De angst benam haar bijna den adem.
+
+"Zullen we vader en moeder roepen?" fluisterde Nel weer.
+
+"'k Durf niet," kwam bijna onhoorbaar uit Doors mond.
+
+"Ik ook niet," klonk het wanhopig naast haar.
+
+"Luister eens. 't Is precies, of ze met sleutels rammelen," zei ze
+en kneep Door van angst in den arm.
+
+"Ik durf onmogelijk opstaan," kermde Door. "Mijn mooien armband heb
+ik gisteren op tafel laten liggen; dien nemen ze natuurlijk mee en
+Fritsjes zilveren kroesje en de lepels en vorken! O, 't is vreeselijk,"
+zuchtte ze. "En mijn ringetje ligt, geloof ik, op den inktpot. Sst, wat
+zijn ze nu stil. Misschien steken ze het wel aan een van hun vingers."
+
+"Het zal hun toch wel niet passen," zei Nel geruststellend.
+
+"Om de pink wel," snikte Door.
+
+"'t Is precies, of ze hierheen komen," fluisterde Nel en kroop stijf
+tegen Door aan.
+
+"Maak toch zoo'n leven niet."
+
+"Konden we maar dood liggen, zooals Foxje."
+
+Weer was 't even stil in de voorkamer.
+
+"Ik probeer 't," zei Nel kordaat.
+
+"Wat?"
+
+"Ik houd het hier niet langer uit."
+
+"Nel, hoe durf je! Ik laat je niet alleen gaan," zei Door, toch alles
+behalve moedig.
+
+Heel voorzichtig, met ingehouden adem, liet Nel zich uit 't bed
+glijden. Door volgde klappertandend....
+
+"De deur staat op een kiertje," fluisterde Door.
+
+Als twee angstige vogeltjes tegen elkaar aangedrukt, stonden Nel en
+Door in de gang en trachtten door de deuropening te kijken.
+
+"Zie je iemand?" fluisterde Door tot Nel, die vooraan stond.
+
+"Niemand."
+
+"Ze zullen onder de canap gekropen zijn."
+
+"Ik ga eens kijken," zei Nel moedig.
+
+"Ik zie niemand," zei ze, op haar buik liggende.
+
+"Kijk eens op 't inktstel naar mijn ringetje."
+
+"'t Ligt er nog" zei Nel, steeds moediger de kamer rondkijkende.
+
+"Ligt het er ng?" Door was een en al verbazing. "Hoe is 't mogelijk;
+dieven zijn anders dol op goud."
+
+"Misschien zijn ze boven op de kast gekropen," begon Door weer,
+nu half in de kamer staande.
+
+"Op de kast?" vroeg Nel ongeloovig, terwijl ze voorzichtig het
+tafelkleed oplichtte.
+
+"Ja zeker, op de kast. Als iets weg is, kan het overal zijn, zegt
+ma altijd."
+
+"Je denkt zeker aan je haarlintje of je handschoenen, die ook altijd
+zoek zijn. St.--hoor je dat?" Nel stond stijf van schrik.
+
+Door keek haar met groote oogen aan en durfde geen voet verzetten.
+
+"Daar hoor ik 't weer," zei Nel, nog steeds op dezelfde plaats
+staande. "Maar--maar--ik geloof--dat--ja nu hoor--ik--het--duidelijk,"
+riep ze opgewonden....
+
+"'t Is ... een vogel!"
+
+"Een vogel?" Door wist niet, wat ze hoorde. "Een vogel?" herhaalde ze
+hoogst verwonderd en stond eensklaps midden in de kamer, naar alle
+kanten kijkende en luisterende. "Ja, je hebt gelijk, nu hoor ik het
+ook en heel duidelijk zelfs."
+
+"Hij zit stellig in den schoorsteen."
+
+"Neen, dat geloof ik niet, hij zit in de kachel. Die stumper kan zijn
+pret ook wel op."
+
+"Ja, werkelijk, arm dier," zei Nel.
+
+"Wat wil je doen?" voeg Door, toen Nel naar het raam liep.
+
+"Het raam open schuiven; dan kan hij dadelijk naar buiten vliegen. Het
+zal wel een verdwaalde kraai of spreeuw zijn."
+
+"Uitstekend," vond Door. "Nu zal ik het kacheldeurtje open zetten,
+let op, een, twee, drie--rustverstoorder."
+
+Werkelijk vloog een jonge spreeuw er uit, keek even met zijn aardige
+glinsteroogjes verbaasd rond, zag het open raam--en was verdwenen.
+
+"Kom eens gauw kijken, daar zit hij, daar zit hij," riep Nel
+opgetogen. "Zie hij 't eens druk hebben en de veertjes glad strijken,
+zoo'n ijdeltuitje.--Dag plaaggeest!"
+
+"Wat een geluk, dat het zomer is en er geen vuile stukken cokes en
+asch in de kachel liggen. Wat draait hij met zijn kopje; het heeft
+er veel van, dat hij zijn avontuur in geuren en kleuren aan die twee
+dikke spreeuwen naast hem zit te vertellen."
+
+"Dan zullen die twee ouwetjes wel hun kopjes schudden, als ze hooren,
+hoe hij ons heeft beet gehad," lachte Door.
+
+"En jouw netheid zal nog van de daken der huizen verkondigd worden,"
+zei Nel.
+
+"Maar kom, ons diefje heeft zijn vrijheid terug; ik kruip nu nog
+lekker een paar uurtjes in bed."
+
+"En ik," zei Nel geeuwend. "Brr, wat een nacht."
+
+Na een kwartiertje waren beide heldinnetjes in zoete rust.
+
+Aan het ontbijt vertelden Door en Nel met veel ophef, wat ze vroeg
+in den morgen hadden ondervonden en werden braaf uitgelachen. Leni en
+de tweelingen zaten met open mond te luisteren en moesten natuurlijk
+de kachel van alle kanten bekijken, alsof daar heel wat bijzonders
+aan te zien was. En Nel en Door moesten den boom wijzen, waarin de
+spreeuw gezeten had. Het drietal raakte niet uitgevraagd.
+
+"St, zacht loopen," zei Leni dien middag, terwijl ze met de tweelingen
+naar den zolder ging. "Kijk, in den koffer zijn de kleeren, geloof
+ik. Jullie moet mij eventjes helpen met de doozen, ze zijn zoo
+zwaar." Met veel moeite gelukte het hun, met hun drietjes de doos op
+te lichten.
+
+"O, Bob," juichte Hans, toen Leni het deksel van den koffer had
+opgetild. "Kijk eens, een rood mutsje en een grijs. En wat is
+dat?" vroeg hij, een met zilverpapier beplakte kroon in de hand
+houdende.
+
+"Dat is de kroon, die Nel op gehad heeft, toen ze voor Asschepoes
+heeft gespeeld," legde Leni uit. "Maar voorzichtig, jelui moet er nu
+niet alles uit halen. Ik zal eerst eens kijken, waar de pakjes van
+de dwergjes zijn."
+
+"O, Leni, worden wij dwergjes?" Hans klapte in de handen van pleizier.
+
+"Daar heb ik al een pakje; hoe vinden jullie dat?"
+
+"Is dat voor mij?"
+
+"Ja, trek je schoenen maar uit, of neen, het pijpje is nogal wijd. Ga
+maar op deze kist zitten, dan zal ik je wel even helpen."
+
+"Zou het niet te groot zijn?" vroeg Hans.
+
+"Een beetje misschien wel, maar dat is niets. Zulke pakjes zitten
+altijd nogal ruim," voegde zij er vertroostend aan toe.
+
+"Wat mag ik aan hebben?" vroeg Bob, die, met de zilveren kroon van
+Asschepoes op zijn aardigen krullebol en een papieren sabel om,
+verlangend in den koffer keek.
+
+"Jij krijgt dat grijze pakje aan; tweelingen moeten toch gelijk
+gekleed zijn."
+
+"O ja dan zal ik mijn sabel zeker maar afdoen."
+
+"Ja," zei Leni, druk bezig Hansje een rood puntmutsje op te
+zetten. "Klaar! Nu, wat zeg je er van? Is 't niet leuk?" Hans knikte
+lachend. "Wacht, je moet nog den leeren riem om hebben, die zal ook
+wel in den koffer zijn. Hoera, daar is hij al! Jammer, dat hier geen
+spiegel is, dan kon je je zelf eens bekijken."
+
+"Hebben dwergjes dan spiegels?"
+
+"O, neen, 't is eigenlijk veel beter, dat er hier geen is, want
+dwergjes bezitten die niet."
+
+"Stil, wat is dat? Daar is iemand aan de deur, geloof ik," zei Leni
+verschrikt. "Gauw, Hans, kruip achter dezen koffer. Bob, verstop je
+gauw." Voorzichtig deed Leni de deur open en verrast bleef ze staan,
+toen Julia zacht miauwend met hoogen rug langs haar streek en in twee
+sprongen op een koffer stond.
+
+"O, jou klein, nieuwsgierig poesekopje, om mij zoo verschrikt te
+maken! Kom maar weer uit je schuilhoekje, jongens. 't Is Julia en
+die verklapt ons niet."
+
+"Help je mij even? Ik kan niet in de tweede pijp komen."
+
+"Een, twee, drie, hopsa," zei Leni. "Past het niet mooi? Wacht, hier
+is het een beetje te wijd, maar dat is niets, daar komt de ceintuur
+over heen. Nu je puntmuts nog. Prachtig!" riep ze opgetogen. "Wat
+zullen allen kijken, als jullie beneden komt. Ga beiden nu maar op
+deze kist zitten, dan zal ik mij ook verkleeden. Oef, wat is 't hier
+warm. Ik zal het raam open zetten."
+
+"Word jij ook een dwergje?" vroeg Bob.
+
+"Drie dwergjes," lachte Hans.
+
+"Maar dat kan toch niet, want dan ben jij een groote dwerg en dwergjes
+zijn altijd klein."
+
+"Zijn er geen groote dwergen?" vroeg Hans.
+
+"Zijn er nooit pa-dwergjes?"
+
+"Jawel," zei Leni; "want dwergen dragen immers baarden. O ja, dat is
+waar ook, jullie moet ook nog de baarden om hebben."
+
+En half uitgekleed, zocht ze weer in den koffer. "Ik kan ze nergens
+vinden, dat is jammer, maar zoo zijn jullie toch ook mooi."
+
+Dat vonden Hans en Bob ook.
+
+"Ik wordt sneeuwwitje," zei ze.
+
+"Als deze koffer van glas was," zei Hans, "dan moest jij daarin gaan
+liggen en konden wij je dragen."
+
+Leni lachte.
+
+"St! daar roept ma mij, geloof ik. Hoe jammer!" Haastig trok ze haar
+jurk weer aan.
+
+"Stil blijven zitten, hoor! Ik kom gauw terug."
+
+'t Was een grappig gezicht, die twee aardige ventjes met hunne roode
+puntmutsjes op de kist te zien zitten tusschen allerlei koffers,
+doozen, manden enz.
+
+"O wee, kijk Julia eens," zei Hans even later. "Zij wil, geloof ik,
+op het dak gaan en dat mag niet. Juul, Juul, Juul!" riep hij, zoo
+hard hij kon.
+
+"Misschien is zij bang voor ons, omdat we nu op dwergjes lijken."
+
+"Als ze op het dak komt, gaat ze vogeltjes vangen," zei Hans wanhopig.
+
+Weer riepen beide kinderen zoo hard ze konden, maar poes stoorde zich
+er in 't geheel niet aan en stapte kalm het raam uit.
+
+Bob en Hans vergaten heelemaal wat Leni gezegd had. Beiden liepen
+naar het raam om te kijken, waar poes gebleven was.
+
+"Zie je haar?" vroeg Bob aan Hans, die 't meest vooraan stond.
+
+"Ja, ze loopt in de goot."
+
+"Och, die arme vogeltjes. Als poes ze ziet, eet zij ze op."
+
+"Wat zou ze doen, ze zit zoo stil als een muisje."
+
+"O Bobbie, misschien ziet ze al een vogeltje. Ik ga haar in den staart
+knijpen. Jaap heeft mij verteld, dat, als je een poes, die loert,
+in den staart knijpt, ze het vogeltje of muisje niet kan krijgen."
+
+"Laten we dan dadelijk gaan. Ze zit nog steeds op hetzelfde plaatsje."
+
+Beiden stapten toen voorzichtig in de goot. Bob vooraan, voetje voor
+voetje, gingen ze op poes af.
+
+Julia bemerkte eerst niets, maar toen Hans en Bob op ongeveer vier
+passen genaderd waren, scheen ze onraad te bespeuren, tenminste ze
+verliet haar plaatsje en liep verder.
+
+"O, Hans, als wij haar nu maar kunnen krijgen," zei Bob half
+schreiend. "Stil, daar zit ze weer, misschien heeft ze ons nog niet
+gezien. Niet praten," zei hij, toen Bob weer iets wilde zeggen.
+
+Ondertusschen was Leni weer op den zolder terug gekomen. Ze keek
+vreemd op, toen ze de tweelingen niet op de kist zag zitten.
+
+"Jullie deugnieten, heb je je verstopt?" zei ze lachend. "Ik zal je
+wel vinden." Vroolijk zingend ging ze zoeken. "Hans, Bob!" riep ze
+eenige keeren, toen zij ze niet vond.
+
+"Misschien zijn ze in slaap gevallen," dacht ze toen. "Maar dan moeten
+ze hier toch zijn. Wat is dat? Julia ook weg? O wee, het raam! Zou
+Julia op het dak zijn gegaan?" Op eens kreeg ze een vreeselijken
+schrik. "Als-als-de tweelingen...."
+
+Leni holde naar beneden. "Ma--vader--Bob en Hansje zijn nergens te
+vinden en Julia is op het dak."
+
+"Kom, kom, kleine meid," zei pa, "Julia zal wel gauw terugkomen;
+ze vond het zeker frisscher op het dak dan op den zolder. Ze zal zoo
+gauw geen ongeluk krijgen."
+
+"Och ja, maar ... paatje, Hans en Bob zijn er ook niet."
+
+"Hans en Bob zijn toch geen poesjes, die zijn toch niet op het dak
+geklauterd? Kom, kom, vrouwtje, maak je toch zoo angstig niet. De
+bengels zullen zich zeker verstopt hebben."
+
+"Ik heb ze overal gezocht," zei Leni, nu wel een beetje gerustgesteld.
+
+Ze gingen zoeken boven. Maar toen niemand ze vond, maakte een
+vreeselijke angst zich van hen meester. Er was geen twijfel
+meer aan. Bob en Hans waren op het dak geklommen en naar beneden
+gevallen. Allen zagen lijkwit. Plotseling werd er hevig gebeld
+en stonden ze stijf van schrik. Ieder verwachtte nu te hooren,
+wat ze zoo zeer vreesden. Kee kwam naar boven hollen en vloog
+vader bijna omver, die juist naar beneden wilde. "Ze--ze--"
+stotterde ze,--"ze--zitten--dr," en Kee wees met den vinger,--"dr
+gunder--op het--dak.--De slagersjongen kwam--het mij--zeggen"--hijgde
+ze,--"och, die wurmen, die wurmen! Het--staat--daar vol menschen, de
+politie--is er ook, och hemeltje--och, och! Enne, die kan--niet bij
+ze--komen, omdat de menschen--die--daar wonen--uit--de stad zijn. Die
+stakkers! Wat ze--aan hebben, weet ik niet, maar--ze zien er heel
+gek--uit--zegt de slager."
+
+Allen holden naar beneden. Mevrouw Van Brakel kon van schrik bijna
+geen voet verzetten.
+
+Ja waarlijk, een huis of zes verder zaten boven op het dak, als twee
+parkietjes, Hans en Bobbie.
+
+Intusschen had de politie van de buren den sleutel gehaald en was
+een agent naar boven geklommen. Een algemeene kreet van blijdschap
+ging op uit de volksmenigte, toen ze den agent op het dak zagen. En
+een oorverdoovend hoera brak los, toen hij met Hans, en mijnheer
+Van Brakel, die den agent gevolgd was, met Bob weer uit het huis
+kwamen. Mevrouw Van Brakel schreide en lachte te gelijk en geen van
+hen wist van blijdschap wat te doen.
+
+"Kindertjes, kindertjes," zei mevrouw Van Brakel, toen men een beetje
+van den schrik bekomen was, "hoe kwamen jullie er toch toe?"
+
+"Heeft ze een vogeltje gepakt, tante?" vroeg Hans.
+
+"Een vogeltje gepakt? Wie wilde een vogeltje pakken?"
+
+"Julia," zei Bob, en toen vertelde hij alles. "lederen keer, als ik
+haar staart wilde grijpen, liep zij verder en op 't laatst zagen wij
+Julia nergens meer."
+
+"En waarom liepen jullie toen niet terug?" vroeg Nel.
+
+"Wij durfden ons niet omdraaien. Wij wisten ook heelemaal niet, hoe
+ver we geloopen waren." En op eens barstte Hans in een zenuwachtig
+schreien uit.
+
+"O, we waren toch zoo bang."
+
+"Jullie kleine, domme kereltjes," zei mijnheer Van Brakel
+troostend. "Wisten jullie nu nog niet, dat dwergjes op den grond
+hooren en niet op het dak?"
+
+"O, daar heb je de schuldige," zei Door, toen poes de kamer binnen
+kwam. "Poesje, poesje, je hebt wat op je geweten. Wat heb jij ons
+een onmogelijken angst bezorgd."
+
+"Ja, gelukkig, dat dit alles nu weer voorbij is," zei mevrouw Van
+Brakel.
+
+"Ter eere van den goeden afloop mag Fritsje een balletje aan onze
+dwergjes presenteeren en de andere kinderen mogen mee snoepen."
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+EEN DAGJE BUITEN.
+
+
+"Kinderen," zei mijnheer Van Brakel eenige dagen later, "nu heb ik
+een mooi plan. 't Is zulk prachtig weer, wat denken jullie er van,
+als we eens een groote wandeling gingen maken?"
+
+"Heerlijk, leuk!" klonk het van alle kanten.
+
+"Nu, over een uurtje verwacht ik, dat alles klaar zal zijn, hoor."
+
+"Meisjes, jullie moet mij dan maar flink helpen. Want er moeten heel
+wat boterhammen gesmeerd worden," zei moeder. "Dolf, jongen, maak jij
+de sportkar eens keurig schoon, want voor Fritsje moeten wij die wel
+meenemen en Bob en Hans zullen ook wel eens willen rijden."
+
+Ma en Door gingen de boterhammen smeren. Leni bracht papier aan, de
+tweelingen zorgden voor de touwtjes, Nel pakte alles in en Fritsje
+bracht ze naar de sportkar.
+
+"Hoe staat het er mee?" vroeg vader, op zijn horloge ziende. "Het
+wordt tijd."
+
+"We zijn klaar, vader," zei Nel.
+
+"Mooi zoo, dan maar opgemarcheerd, marsch."
+
+"Mag Foxje mee?"
+
+"Zeker."
+
+Toen Fox zijn naam hoorde noemen, was hij uitgelaten van
+blijdschap. Als een pijl uit den boog vloog hij vooruit, rende weer
+terug, sprong dan tegen dezen, dan tegen dien op en was zoo dol, dat
+het niet veel gescheeld had, of hij had Fritsje in zijn blijdschap
+omgegooid.
+
+"Koest, Fox, koest, we weten wel, dat je blij bent," zei Dolf,
+"maar als je zoo begint te rennen, hou je het nooit uit."
+
+"Wat is het toch heerlijk buiten," zei moeder.
+
+"Mij dunkt, we gaan de hei over en dan straks bij vrouw Pruim een
+glaasje melk drinken."
+
+"O, ja," zei Leni, "misschien heeft ze wel weer een ziek geitje,
+zooals den vorigen keer."
+
+Vader begon hartelijk te lachen.
+
+"Je wenscht vrouw Pruim ook niet veel goeds toe, kleine meid."
+
+Leni lachte verlegen. "Och ja, vader, maar u wt ook niet, hoe goed
+vrouw Pruim haar ziek geitje oppaste."
+
+"Dan moeten wij eens gauw gaan kijken, maar als jelui mij vraagt,
+dan zie ik liever een gezond dan een ziek geitje."
+
+"Leni vindt zieke dieren altijd veel aardiger," zei Nel plagend,
+"omdat ze die dan flink verwennen en vertroetelen kan. Was ik nu
+maar een zieke kikvorsch of een half doode spreeuw," zei ze grappig
+wanhopig, "wat zou mijn zusje mij dan allerlei lekkere hapjes brengen."
+
+"Ja, ja, je bent me een stumperd," lachte Dolf, "en zoolang je
+nog zoo'n verbazende massa boterhammen verslindt, vrees ik, dat er
+vooreerst van jou geen sprake zal zijn."
+
+"En tot kikker zul je 't zeker wel nooit brengen," zei Door, "want
+in plaats van in het water te springen, bleef jij 't liefst aan den
+kant staan."
+
+"En jij niet tot spreeuw," plaagde Nel terug, "want aan vroeg opstaan
+heb jij een broertje dood."
+
+"Daar zal ik ook altijd voor oppassen, als ik al eens spreeuw mocht
+worden; want vogeltjes, die te vroeg zingen, zijn immers voor de poes?"
+
+"En nu stel ik voor," zei vader, "dat wij hier eens een poosje aan
+den kant van den weg gaan zitten. We hebben al een heele wandeling
+achter den rug en 't wordt warm vandaag."
+
+"H ja," vond Door, "eventjes uitblazen."
+
+"Hoe is 't met mijn kleine broekemannetje?"
+
+"Is het broertje ziek geweest en is dat broertje toen doodgegaan,
+Mammi?" vroeg Fritsje met een bedroefd stemmetje.
+
+"Welk broertje toch, kleine man?"
+
+Allen keken naar Fritsje, want 't was duidelijk, dat het schreien
+hem nader stond dan 't lachen.
+
+"O, ik begrijp het, ik begrijp het," gierde Door. "Hij heeft gehoord,
+dat Nel tegen mij zei, dat ik aan vroeg opstaan een broertje dood had."
+
+Ze schaterden het uit.
+
+"Jou kleine, kleine krullebol," zei Ma, en trok haar kereltje
+liefkoozend op den schoot.
+
+"Nel weet er niets van, hoor, er is geen broertje ziek geworden en
+ook geen dood gegaan. Dolf, kom eens hier met de sportkar, de bron
+van alle goeds, en laten we dan allen een eierkoek gaan eten op het
+heerlijke feit, dat Nel geen kikvorsch en Door geen spreeuw is, en
+op het broertje, dat niet ziek geworden is. Wat zit het hier toch
+heerlijk, 'k was werkelijk al een beetje moe," zei mevrouw Van Brakel.
+
+"Maar waar is Leni nu weer?" vervolgde ze. "Daar loopt ze warempel
+met Bob en Hans ons al een heel eind vooruit. Dolf, roep die drie
+voortvluchtigen eens terug. Ze moeten wat rusten, anders worden ze
+veel te moe."
+
+"O, daar komen ze al."
+
+"O, paatje, u weet niet, wat beeldige kapelletjes wij gezien
+hebben!" zei Leni. "Hansje had er bijna eentje gevangen."
+
+"Jaap zegt, dat kapelletjes tooveren kunnen," zei Bob.
+
+"Zoo, heeft Jaap dat verteld?"
+
+"Ja oom. 't Kapelletje zegt: hocus, pocus pas, 'k wou dat ik een
+rups was."
+
+"En wat zegt de rups?" lachte ma.
+
+"De rups? Hansje, zegt die ook wat?" vroeg Bob. Hans wist het niet.
+
+"Dan zegt die weer: hocus, pocus pas, 'k wou, dat ik weer een
+kappelletje was, en dan wordt het een kapel. Is dat niet wonderlijk?"
+
+"Dat zal ik Jaap vertellen," zei Bob.
+
+"Kijk Foxje eens," zei Dolf, "f hij ook moe is. Pas maar op je tong,
+zoo meteen springt er een kikker op, net als op die van Pluto. Ik zou,
+als ik jou was, mijn rood lapje maar gauw naar binnen halen. Hier, dit
+is beter dan zoo'n springertje," en hij gaf Fox een stuk van zijn koek.
+
+"Ik weet een mooi spelletje," zei Leni, "zullen we bloemencorso
+spelen?"
+
+"Bloemencorso?"
+
+"Goed," zei Door en sprong op, "er zijn hier zulke beeldige bloemen."
+
+"Vader en moeder zijn 't publiek," stelde Dolf voor.
+
+"Ja," zei Nel, "u moogt niet kijken, wij zullen wel waarschuwen,
+als alles klaar is."
+
+"Dan zullen we ons maar in dezen greppel omdraaien; want om op zoo'n
+mooien dag met je oogen dicht te zitten, is wel wat veel gevergd."
+
+Door stelde voor de sportkar te versieren. Dolf sneed heide,
+terwijl de meisjes bloemen gingen plukken, 't Was niet zoo'n heel
+gemakkelijk werkje. Door en Nel geleken, toen alles klaar was, wel
+een paar pioenen.
+
+"Nu den optocht opstellen," zei Nel, terwijl zij nog bezig was aan
+een krans voor Leni.
+
+"Eerst de sportkar met Bob er in. Leni, jij moogt hem rijden. Wat
+zeg je wel van dit kransje?"
+
+"Door, laten wij van onze armen een stoeltje maken, dan kan Dolf Hansje
+Pansje daar opzetten. Hij zelf kan Fritsje op zijn schouders nemen. Nu
+eerst dat kleine heuveltje op," commandeerde Nel verder. "Ziezoo,
+Leni, sta even stil, nu zal ik het publiek verzoeken te kijken. Vader,
+moeder, het bloemencorso is gereed, u moogt kijken. Leni, vooruit nu."
+
+'t Was een aardig gezicht, dat vroolijk versierde troepje van den
+heuvel te zien komen.
+
+"Beeldig, beeldig," riep Ma.
+
+"Prachtig," vond vader ook.
+
+Foxje was nu eens heraut, dan vormde hij weer de achterhoede, en
+steeds wapperde zijn vlag. Toen de optocht tweemaal het publiek was
+gepasseerd, vonden allen, dat het lang genoeg geduurd had.
+
+"'t Is mooi geweest, 't is mooi geweest, 't is drommels mooi geweest,"
+begon vader te zingen en allen vielen mee in.
+
+"En nu stel ik voor," zei ma, "dat we bij vrouw Pruim ons glaasje
+melk gaan halen. Oef, wat is het warm!"
+
+"Ik weet den weg wel, vader," zei Leni.
+
+"Uitstekend, ga jij met Hansje maar vooruit."
+
+Dat vond Leni wt gewichtig, en parmantig stapte ze voort.
+
+"St!" zei mijnheer Van Brakel even later, "ik hoor geritsel."
+
+"Een eekhoorntje," fluisterde Dolf.
+
+Ja waarlijk, daar zat op korten afstand een allerliefst eekhoorntje
+te smullen aan een paddenstoel. Hij liet de plant in zijn pootjes
+ronddraaien en knabbelde er zoo stukjes af. Zoo iets hadden de kinderen
+nog nooit gezien. Ademloos stonden ze te kijken, toen hoe jammer,
+Fox kwam aanrennen en binnen drie tellen zat het eekhoorntje boven
+in een boom angstig naar beneden te kijken, of hij ook vervolgd werd.
+
+"Fox, hier!" commandeerde mijnheer Van Brakel, die den angst van den
+eekhoorn zag.
+
+"Die stoute Fox," zei Bob boos. "Ik vind dat eekhoornhondje veel
+aardiger."
+
+"Zoo, vind jij dat eekhoornhondje veel aardiger dan onzen lieven
+Fox. Zullen we Fox dan in dien boom laten klimmen en het eekhoorntje
+meenemen?"
+
+Even bedacht Bob zich. "Blijft Fox dan vannacht hier in 't bosch en
+slaapt het eekhoornhondje dan in zijn nest?"
+
+"Ja zeker."
+
+"Och, laten we Foxje dan maar liever houden," zei hij. Maar nog eens
+even keek hij door de takken, waar toch wel het mooie "eekhoornhondje,"
+zooals hij het noemde, gebleven was.
+
+"Leni en Hansje zullen al wel bij vrouw Pruim zijn," zei pa na een
+half uurtje. "Wij hebben, geloof ik, een omweg gemaakt. Zij zullen
+wel ongeduldig worden en niet begrijpen, waar wij blijven."
+
+Maar toen allen bij vrouw Pruim kwamen, zagen ze Leni en Hansje
+nergens.
+
+"Leni zal in den stal zijn om haar zieke geit op te zoeken," zei vader
+lachend. "Ga haar en Hans maar eens vertellen, dat wij er al zijn,
+dan zal ik ondertusschen voor jullie een glas melk bestellen."
+
+"Ze zijn nergens," zei Nel, terugkomende.
+
+"Nergens? Nu nog mooier. Den eenen dag verdwalen de log's op het
+dak en een paar dagen later verdwaalt Leni op de hei."
+
+"Ze konden toch al lang hier zijn," zei moeder.
+
+"Hoe is 't mogelijk, die Leni, die altijd zoo goed den weg weet."
+
+"Ze zal wel weer achter een vlinder of hagedis zijn gaan loopen,"
+zei Nel.
+
+"Ik wou toch, dat ze er maar vast waren," zei moeder. "Ik ben er niet
+zoo heel gerust op."
+
+"Ja," zei Dolf lachend, "als ze achter een hagedis aanloopt, moeder,
+dan zal u ze wel niet zoo gauw terugzien. Maar daar komen ze, daar
+komen ze. Ik zie ze heel in de verte."
+
+Ja, werkelijk, heel in de verte zag men twee kinderen langzaam
+naderkomen.
+
+"Waarom loopen ze toch niet vlugger, ze zien ons toch wel zitten. Als
+'t niet zoo "onmogelijk" warm was, liep ik ze te gemoet," zei Door.
+
+"Dat dient nergens toe, kindje. Ja, 't is verbazend warm. De lucht
+ziet er werkelijk uit, of we onweer zullen krijgen, 't Is te hopen,
+dat de bui nog maar wat uitblijft," zei mijnheer Van Brakel.
+
+"Ik zal maar vast de boterhammen ronddeelen, want er zullen wel leege
+magen zijn en die twee laatkomers zullen ook wel trek hebben."
+
+"Hier zijn de schuldigen," zei Nel, die Leni en Hans toch te gemoet
+geloopen was en nu met beiden voor mevrouw Van Brakel stond.
+
+"Maar kinderen, wat hebben jelui uitgevoerd!" riep mevrouw Van Brakel
+verschrikt, de natte kleeren van Hans ziende.
+
+Allen zetten groote oogen op.
+
+"Wat is er gebeurd?" riepen Dolf en Door.
+
+"Dit jongetje," zei Nel, op den snikkenden Hans wijzende, "was op eens
+heelemaal vergeten, dat hij een jongen was en dacht, dat de kikker
+daar ginds in den plas zijn broertje Bob was. En toen hij zag, dat
+zijn kikkerbroertje alle moeite deed om een mug te vangen, dacht hij:
+stumpertje, ik zal jou wel even helpen, en flap, daar lag hij voorover
+in den plas en toen begreep hij wel wat laat, dat hij geen kikker,
+maar Hansje Pansje was."
+
+"Klein, dom Hansje, dacht je, dat je een kikker geworden was," lachte
+mijnheer Van Brakel.
+
+Hans schudde heftig zijn hoofd.
+
+"Dacht jij, dat ik in een kikker omgetooverd was?" vroeg Bob lachend.
+
+Nog heviger ging Hansjes bolletje.
+
+"Hansje dacht," zei mevrouw Van Brakel, "dat een bad op zoo'n warmen
+dag wel frisch zou zijn, maar hij vergat zijn kleeren uit te trekken."
+
+"Ik kon het heusch niet helpen," zei Leni, half schreiende, "maar ik
+zag een klein vogeltje, dat o zoo akelig deed. Ieder oogenblik dacht
+ik, dat het dood neer zou vallen, en juist toen ik het wilde grijpen,
+vloog het, roef! naar boven in een boom. En toen ik omkeek, zag ik
+Hans in den plas liggen. Ik heb hem toen dadelijk aan zijn arm er
+uit getrokken."
+
+"Dat vogeltje was een kleine grappenmaker," zei vader. "Dat heeft jou
+leelijk gefopt, meisje; want het was zoo gezond als een visch. Maar zal
+ik je eens wat vertellen? Het was bang, dat jij zijn nestje zoudt zien,
+waarin zijn kindertjes zaten daar in de buurt, en toen dacht het: als
+dat meisje naar mij ziet en met mij meeloopt, kan ze mijn kleintjes
+niet vinden. En toen jij ver genoeg van zijn nest verwijderd was,
+vloog hij op en lachte je in zijn vuistje uit. Droog nu maar gauw je
+tranen, kleine meid. Zoo'n bad zal Hans geen kwaad gedaan hebben. Nel
+kan nu wel eens hooren, of vrouw Pruim ons misschien ook droge kleeren
+kan leenen van een van haar jongens. Gerrit of Piet zullen wel iets
+hebben, dat Hansje past."
+
+"Een jasje en een paar klompjes van onzen Dirk kan dat jongetje best
+aanhebben. Kom jij maar mee, hoor," zei vrouw Pruim tot Hans, "dan
+zal ik je die spulletjes gauw aantrekken." Maar Hans had hierin in
+'t geheel geen lust, tot eindelijk mevrouw Van Brakel meeging.
+
+Een hartelijk gelach weerklonk, toen Hans na een tien minuten als
+boertje met lange broek en klompen aan weer in den tuin verscheen.
+
+"O, "onmogelijk" leuk, onmogelijk," gilde Door. Hans kreeg nu ook
+pret in 't geval, stak zijn beide handen in de zakken, zoodat ze
+wijd uitstonden, draaide zich om en om en liet zich van alle kanten
+bekijken.
+
+"Nu, wat zegt ge nu?" lachte vrouw Pruim, "heb ik niet een aardig
+Pruimpje van je gemaakt?"
+
+"Och, zoo'n aardig Pruimpje," schaterde Dolf.
+
+"Maar nu zijn we geen tweelingen meer," riep Bob met een grappig
+ongelukkig gezicht. "Hoe moet dat nu, tante?"
+
+"Dat is niets, ventje," zei mevrouw Van Brakel, "vanavond zijn jullie
+weer tweelingen in je hanssopjes."
+
+Foxje was door al die luidruchtigheid ook heelemaal van streek en
+holde van den een naar den ander.
+
+Na een half uur werd de terugtocht ondernomen en toen Hansje moe
+werd van 't ongewone loopen op de klompjes, werd hij bij Frits in
+de sportkar gezet, 't Was nog een heele wandeling en bij de greppel
+gekomen, werd er halt gehouden. Door beweerde, dat ze "onmogelijk"
+verder kon en allen hadden behoefte eens heerlijk uit te rusten met
+die warmte. Dolf ging languit op de hei liggen en Fox hield trouw de
+wacht bij zijn vriendje.
+
+"Nu maar weer opgemarcheerd," zei mijnheer Van Brakel na een
+kwartiertje. "Ik ben anders bang, dat we niet voor de bui thuis
+zullen zijn!"
+
+'t Was duidelijk, dat Julia blij was, toen haar vrindjes en
+vriendinnetjes weer thuis waren. Ze deed niets dan langs de deurposten
+strijken en zacht miauwen en duwde haar aardig kopje dan tegen dezen,
+dan tegen dien aan.
+
+"Stil nu, stil nu," zei Door troostend. "Wat wil je toch, Julia? Wacht,
+ik geloof dat er nog een kaakje in den zak is overgebleven. Dat krijg
+je tot "welkom thuis" en morgen zullen we spelletjes doen; maar als
+je te veel naar de vogeltjes kijkt in plaats van op te letten dan
+neem ik mijn boek en ga in een hoek onder den treurboom lezen, hoor!"
+
+"Ziezoo, het klokje van gehoorzaamheid voor allen, groot en klein. Een,
+twee, drie naar bed. 't Is een vermoeiende dag geweest."
+
+"Ik kruip alln onder 't laken," zei Leni.
+
+"En ik," riepen Dolf en Nel.
+
+"Och, moezekepoes, wat is 't warm!"
+
+"Door en Nel, jullie zorgt wel voor onze log's, niet waar?"
+
+"Ja zeker, moeder; ik zeg dan: hocus, pocus pas, 'k wou, dat
+ons.boertje weer Hansje was, en dan ..." lachte Nel.
+
+"Trekt Hans gauw zijn hanssopje aan," zei Bob. "Dan zijn we weer
+tweelingen."
+
+"Nacht vader, nacht moeder!"
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+TWEE KNAPPE HUISHOUDSTERS.
+
+
+"Kinderen, moeder is vanmorgen met hoofdpijn in bed blijven liggen,"
+zei mijnheer Van Brakel eenige dagen later. "Jullie moet Kee nu
+maar een beetje helpen en vooral niet te veel leven maken, 't Is wel
+vacantie, maar..."
+
+"Dat treft juist heel goed," zei Door geruststellend. "Ik zal-wel
+voor de boterhammen zorgen en thee schenken. Nel kan dan--ja, Nel,
+wat zul jij doen?"
+
+"'k Zal het Kee eens vragen," zei Nel. "Deze boontjes moeten afgehaald
+worden, dat vind ik wel een leuk werkje. Leni kan mij wel wat helpen,"
+en vol ijver wilde Nel dadelijk al beginnen.
+
+"Och, Nel, help jij Fritsje even met zijn boterham. Laat die boontjes
+maar staan tot na 't ontbijt."
+
+"Zou ik ze dan nog wel klaar krijgen? Kee zei: ""asjeblieft een portie
+voor een kazerne."" Nu, dat kan nogal, dunkt me."
+
+"Zoo? Zei ze dat? Maar je moet mij nu toch even helpen. Het botermesje
+ben ik kwijt," en Door tilde alle bordjes op, keek onder het theeblad,
+op den stoel. "O, daar is 't gelukkig al. Waar zijn de tweelingen en
+Leni? Wil je even kijken?"
+
+"Fritsje een glaasje melk, Door," vleide de kleine jongen.
+
+"Ja, ja, kleine snoes, dadelijk, 'k heb 't zoo druk.
+
+Och, Nel! Nel! N-l! H, waar is ze nu weer?" zei Door in zich
+zelf. "Waarom loopt ze nu juist weg? Ze kan toch wel begrijpen...."
+
+"Ze waren in den tuin," zei Nel, met de tweelingen terugkomende.
+
+"Wie waren in den tuin?"
+
+Nel proestte het uit. "Wie anders dan Bob en Hans. Je zei immers:
+ik zou ze zoeken."
+
+"Dat is waar ook; maar geef jij Frits even zijn kroes met melk, ik kom
+niet klaar. Wacht, even tellen: Vader, Dolf, Nel, Leni, de tweelingen,
+dat is--dat is zes. Hoeveel sneetjes zou ik snijden? Hoeveel eet jij?"
+
+"Ik heb trek," zei Nel.
+
+"Nu ja, daar heb ik niets aan. Hoeveel sneetjes eet je dan, ls je
+trek hebt?"
+
+"Twee."
+
+"En Dolf, denk je?"
+
+"Wel drie."
+
+"En vader?"
+
+"Ook wel zooveel."
+
+"Acht," telde Door. "En Leni?"
+
+"Ja, dat weet ik niet."
+
+"Leni, Leni!" riep Door, met in de eene hand het mes en de andere
+het brood.
+
+"Natuurlijk, Leni is weer bij het kippenhok. Hoeveel?" riep Door,
+'t brood in de hoogte houdende.
+
+"Vier," riep Leni terug.
+
+"Vier, hoe is 't mogelijk," zei Door, "dat is dus twaalf."
+
+"Och," zei Nel, "waarom vraag je dat toch alles; dat doet ma nooit."
+
+"Ma wt, hoeveel ieder zoowat eet, maar ik niet. Zou jij ooit gedacht
+hebben, dat Leni vier sneetjes at?"
+
+"En dan zegt ze nog wel, dat ze in de vacantie nooit trek heeft,"
+lachte Nel.
+
+"Bob en Hans ieder eentje, dat is veertien," telde Door. "Nu Kee
+nog. Ik hoop maar niet, dat ze al te grooten honger heeft," zei ze
+met een kleur van inspanning, "want 't mes is zoo akelig stomp. Help
+jij vast smeren."
+
+"Kee!" riep ze, nu haar hoofd in de gang stekende. "Hoeveel?"
+
+"Hoeveel?" riep Kee verwonderd terug. "Gewoonlijk driehonderd, maar
+nu nog vijftig meer." Door proestte het uit.
+
+"O, neen, maar Nel, hoe vind je die Kee?" verder kwam Door niet.
+
+"Wat zegt Kee?" vroeg Nel, lachend om Door.
+
+"Toe, zeg het nu," zei Nel ongeduldig, omdat Door maar blf lachen.
+
+"Verbeeld je, Kee zegt ""gewoonlijk--,"" weer proestte Door 't uit.
+
+"H toe, wees nu niet zoo flauw," zei Nel half boos, half lachend.
+
+"Kee zegt," zei Door nu, haar best doende zich verstaanbaar te maken:
+"gewoonlijk driehonderd en nu nog vijftig meer," wr gierde Door. "O,
+nee, maar Nel, wat zou ze meenen? Gewoonlijk driehonderd en nu nog
+vijftig meer; zeker, omdat ik een stomp mes heb!"
+
+Nel, die juist Frits hielp, gutste door het lachen de helft van de
+melk over het kroesje. "Ik begrijp het," schaterde ze. "Ze bedoelt
+de slaboonen."
+
+"'t Is prachtig! Eenig! Stel je voor: driehonderd vijftig sneetjes
+met een stomp mes."
+
+"Hoeveel _boterhammen_?" riep Door gierend terug.
+
+"Wie kan dat nou ook denken," zei Kee goedig; "drie, maar als ik
+haast heb twee. En ik heb nu haast."
+
+"Dat is--hoeveel had ik ook weer?"
+
+"Veertien," hielp Nel.
+
+"Dat is dus zestien en ik zelf. Ja, 'k hb honger, maar ook haast,
+net als Kee, dus ook maar twee. Kom, nu zal ik de rest smeren. Wat is
+zoo'n huishouding toch "onmogelijk" druk," zei ze, Fritsjes boterham
+in smalle reepjes snijdende. "Je komt gewoon niet klaar."
+
+"Ziezoo, daar ben ik weer," zei mijnheer Van Brakel. "Ik zie wel,
+dat je goed voor allen gezorgd hebt."
+
+"Leni, kom nu toch, we zijn allen klaar," riep Nel; "je boterhammen
+zijn gesmeerd."
+
+"Ja, ik kom dadelijk, ik moet even de eieren naar de keuken
+brengen. Zijn al die boterhammen voor mij?" vroeg ze, verbaasd naar
+haar bordje kijkende.
+
+"Ja, natuurlijk," zei Door. "Ik heb je immers gevraagd, hoeveel je
+hebben wou? Je eet nu maar op, wat op je bordje ligt."
+
+"Maar ik _heb_ niet gezegd, dat ik er vier wou hebben," zei Leni,
+wanhopig naar den berg boterhammen kijkende. "Zoo veel eet ik nooit."
+
+"Wat is er toch, kinderen?" vroeg mijnheer Van Brakel.
+
+"Och, vader, ik was aan het brood snijden, en omdat ik niet graag meer
+wilde snijden dan noodig was, vroeg ik Leni, die natuurlijk weer bij
+de kippen was: "hoeveel?"
+
+"En toen?"
+
+"Toen riep ze van vier, dus...."
+
+"En vier kon _on_mogelijk iets anders zijn in Doors oogen dan sneetjes
+brood; zoo'n huishoudstertje," lachte vader.
+
+"Nu begrijp ik het," zei Door, "vier kon bij Leni _on_mogelijk iets
+anders zijn dan eieren."
+
+"Of kippen," zei Nel.
+
+"Dus kippeneieren," lachte Dolf. "Wat wil jij, Julia, kleine
+vleister! Bob, zij wil, geloof ik, dolgraag een stukje van jouw
+boterham hebben."
+
+"Nu zou ik toch eigenlijk wel graag een kopje thee willen hebben,"
+zei vader.
+
+"O wee, ik vergeet heelemaal in te schenken. Ma heeft misschien ook
+wel trek in een kopje. Leni, wil jij eens even vragen?"
+
+"Wat is dat?" riep Door verschrikt uit. "Er komt water uit de tuit,
+alln water. En ik weet toch zeker, dat ik thee in den pot heb
+gedaan."
+
+"Misschien gebeurt zoo iets in de vacantie wel meer," zei vader.
+
+"O, neen, paatje," zei Door, die wel begreep dat mijnheer Van Brakel
+haar plaagde, "'t Is toch heusch waar. Ik heb het theebusje in de
+hand gehad, ik weet het zeker."
+
+"Ja, je hebt met thee zetten gedaan als met de vraag aan Leni over
+de boterhammen. Je vroeg hoeveel, en het voornaamste vergat je."
+
+"Ja, maar het theebusje," begon Door verdrietig, "waar is dat dan
+toch gebleven. Ik zie het hier niet staan en toch...."
+
+"Ik heb het, ik heb het!"
+
+"Waar?" vroeg Door.
+
+"Hier, onder het deksel van het botervlootje," zei Nel.
+
+"Ik ben blij voor jou, dat het busje er weer is. Ik zal nu voor dezen
+morgen maar een glas melk nemen; want het wordt mijn tijd."
+
+"Nu, paatje," zei Door, die het heel onpleizierig vond, dat haar
+theeschenken zoo treurig afliep, "dan schenk ik u vanmiddag een extra
+lekker kopje."
+
+"Water of thee?" lachte vader.
+
+"Wat is u toch een plaaggeest!"
+
+"Ik op 't lage stoeltje!" riep Nel een kwartier later en rende naar
+het priel zoo vlug ze kon, met de teil met prinsessenboonen voor
+zich uit. "Jullie moet mij allen helpen. Dolf, haal jij even een
+paar couranten voor de draden en een grooten bak voor de afgehaalde
+boonen. Leni kan die boonen mooi doormidden breken. De tweelingen en
+Fritsje kunnen met hun drietjes in den tuin spelen, wij hebben daarvoor
+nu geen tijd. Er kan hun geen ongeluk overkomen. Fox, hier oude jongen,
+breng dit boek eens naar binnen, dat heeft zeker iemand hier gisteren
+weer laten liggen, je weet wel, wie ik bedoel. Fox sprong en blafte,
+dat Bob de vingers in zijn ooren stak. "Fox, apporte, bedaar nu,
+apporte," gebood Nel en toen nam de dartele, vroolijke Fox heel gedwee
+het boek in zijn bek en ging er mee naar binnen.
+
+"Allo, marsch," riep Kee en toen stoof Fox de trap op naar Doors kamer.
+
+Bob, Hans en Frits hadden het al even druk met hun drietjes als de
+kleine huishoudsters.
+
+"Dat is Asschepoes," legde Hans aan Bob en Frits uit, terwijl hij
+bij het kippenhok stond, "en dat Snoetie. Kijk die kuikentjes toch
+eens. Ik wou wel zoo'n kuikentje in de hand hebben."
+
+"Ik ook wel," zei Bob. "Misschien zouden ze 't wel prettig vinden,
+als ze ook eens door den tuin mochten wandelen," opperde hij.
+
+"Ja," zei Hans, "en die arme Asschepoes zeker ook. 't Is toch ook
+niet prettig, altijd in zoo'n hok te zitten."
+
+"Mag Frits ook een kuikentje hebben, zoo'n lief kuikentje?" en hij
+trappelde al van ongeduld.
+
+"Is er ook een deurtje om in 't hok te komen?" onderzocht Hans.
+
+"Hier is een deurtje," zei Frits, die Leni dit dikwijls had zien
+openen.
+
+"Wat een kleintje," lachte Bob.
+
+"Ja, dit is eigenlijk 't kippenhuis. Laten we spelen, dat wij kip
+zijn," stelde Bob voor, "en Frits een kuikentje."
+
+"Neen," zei Hans, "ik ben Slokop en jij Asschepoes en dan vecht ik
+met jou."
+
+"Fritsje vindt het toch niet zoo heel prettig in dit huisje," zei
+Frits, angstig naar den haan kijkende.
+
+"Dat hoort ook zoo," zei Bob. "Kuikentjes vinden 't ook niet prettig
+in een hok. Kijk eens, daar loopen warempel al twee op 't gras. Kijk
+Asschepoes eens en de haan. En Snoetie en Toetie!"
+
+Voorzichtig stapte hij 't hok binnen, wel een klein beetje bang,
+toen eenige kippen begonnen te fladderen. Maar dat wilde hij voor
+Hans en Fritsje niet weten en liep daarom moedig verder.
+
+"Ze vinden het, geloof ik, niet goed, dat wij in hun huis komen,"
+en eigenlijk had Hans wel grooten trek om dadelijk weer terug te
+keeren, maar toen hij Bob zoo dapper voort zag stappen, wilde hij
+niet minder zijn.
+
+"Nu is er geen meer in 't hok! Hoe leuk," riep Hans, "nu doen we
+het deurtje dicht!" Maar juist had Hansje dit gezegd, toen er een
+doordringende gil van Leni te gelijk met een nog doordringender van
+Door weerklonk; want de kippen, krielkipjes en kuikentjes genoten zoo
+buitengewoon van hun vrijheid, dat ze uit puur pleizier steeds verder
+waren getrippeld tot aan 't priel, waarin allen zoo ijverig bezig
+waren, dat ze Bob en Hans geheel hadden vergeten. Tot op eens Toetie
+met haar kleine kraaloogjes om 't hoekje kwam kijken en de haan zijn
+blijdschap over de heerlijke vrijheid niet beter wist uit te drukken,
+dan door een krachtig kukeleku vlak bij Leni's oor te laten hooren.
+
+"De haan! de kippen! de kuikens!" klonk het van alle kanten. Door viel
+bijna over den bak met slaboonen. "Wie is bij 't kippenhok geweest?"
+
+Leni sprong op en Nel zat als versteend.
+
+Fox, die rustig had liggen slapen, was op eens klaar wakker en pas
+zag hij de niets vermoedende kuikentjes, of hij wilde er op af,
+als Dolf hem niet met geweld bij den halsband vastgehouden en in
+huis gezet had. Nu werd het een jagen van alle kanten. Tot driemaal
+toe vloog Asschepoes angstig kakelend over het bed met viooltjes en
+de kleine kuikentjes trippelen n voor, dn achteruit, in 't geheel
+niet begrijpend, wat er van hen verlangd werd.
+
+"Niet zoo wild, niet zoo wild," riep Door, "dan kunnen we ze onmogelijk
+krijgen. O wee, daar heb je Julia. Nel, jaag haar weg." Julia was
+blijkbaar over dezen daad van Nel z diep beleedigd, dat ze, zonder
+Nel ook maar met n blik te verwaardigen, rechtsomkeert maakte om
+boven op de schutting haar toilet, waarmee ze te voren zoo ernstig
+bezig was geweest, te voltooien.
+
+"Ssst, voorzichtig, daar zit een krielkipje onder die struik. Dolf,
+ga jij hier staan, dan jagen we het er voorzichtig onder uit."
+
+"Och, kijk toch die kuikentjes, ze vallen bijna over hun eigen
+pootjes," zei Leni.
+
+Op eens schaterde Dolf het uit. "O neen maar, kijk toch eens, kijk
+eens. Bob, Hans en Fritsje in het kippenhok!"
+
+Allen waren, al jagende, nu ook het kippenhok genaderd en
+niettegenstaande de groote verwarring door de "kippenoverstrooming",
+zooals Dolf zei, ging er toch een uitbundig gelach op, toen ze de
+drie kereltjes in het kippenhok zagen met hun neusjes stijf tegen
+'t gaas gedrukt, vol belangstelling voor de kippenjacht.
+
+"Nu nog mooier," zei Nel. "Willen jullie wel eens n, twee, drie,
+uit het hok komen? Zoolang jullie nog Bob en Hans bent, hooren jullie
+niet in een kippenhok."
+
+"We dachten, dat de kippen het heel prettig zouden vinden in den tuin,"
+zei Bob.
+
+"Misschien vinden ze dat ook wel, maar kuikentjes en kippen zijn nog
+maar domme dieren en weten niet, dat ze niet aan de bloemen mogen
+pikken; daarom vinden wij het in het geheel niet prettig, dat ze in
+den tuin zijn. Ze zouden onzen mooien tuin heel gauw leelijk maken
+en dat willen jullie toch zeker ook niet. Ziezoo, blijf hier nu maar
+even stil staan, dan zullen wij ze voorzichtig in het hok jagen."
+
+Bob en Hans stonden wel wat bedrukt te kijken.
+
+"Fritsje vond het niets prettig om kuikentje te spelen," zei Frits,
+blij, dat hij uit het hok was.
+
+"Neen, ventje, dat is ook niet prettig, tenminste voor jongens niet."
+
+Eindelijk waren alle kippen weer in 't hok. Zelfs de haan, hoewel de
+laatste van de geheele familie stapte deftig de voordeur van zijn
+huis binnen en begon dadelijk te pikken van enkele graankorrels,
+die op den grond lagen, met een gezicht en een deftigheid, alsof hij
+niet even te voren zoo ondeugend zijn huis ontvlucht was.
+
+"Goeden middag!" hoorden de kinderen zeggen.
+
+"O, moesje, is u weer beter?"
+
+"Wie zou nu lang in bed kunnen blijven met zulk prachtig weer,"
+lachte mevrouw Van Brakel.
+
+"O, moes, 't is eigenlijk jammer, dat u nu pas komt. Als u even eerder
+gekomen was...."
+
+"'k Heb alles van het balcon gezien," zei moeder, "en ik geloof,
+dat ik het restje hoofdpijn weggelachen heb."
+
+"'t Was eigenlijk "onmogelijk" leuk," zei Door.
+
+"De slaboonen zijn klaar, maatje."
+
+"Jullie bent maar een paar knappe huishoudsters. En daar ben ik wat
+trotsch op, hoor!"
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+EEN AVONTUUR.
+
+
+"Hier heb ik de kleeren, die we voor Hans geleend hebben; die konden
+jullie zoo meteen wel eens naar vrouw Pruim terugbrengen, 't Is er
+juist zoo'n heerlijke dag voor," zei mevrouw Van Brakel. "Fritsje
+blijft bij mij thuis, dan behoeft de sportkar niet mee, want Hans zal
+nu toch voor de tweede maal wel niet in een plas vallen en naar huis
+gereden moeten worden," lachte ze. "Kijk eens, Nel, koop hiervoor
+wat chocolade voor de drie jongens van vrouw Pruim en hiervoor mag
+je voor jullie zelf eene traktatie koopen, omdat het vacantie is."
+
+"Dat treft goed," riep Door opspringende, terwijl ze het boek, waarin
+ze zat te lezen, neergooide, "ik dacht juist: wat zal ik nu eens doen
+en daar komt u met zoo'n heerlijk plannetje."
+
+"Weet jullie wat," zei Nel, "ik ga vast vooruit met Hans en Bob om
+iets te koopen, jullie komt ons dan wel na."
+
+"Wat gaan we koopen?" vroeg Hans.
+
+"Ja, dat weet ik niet, dat mogen jullie nu eens bedenken," zei Nel,
+die het wat gewichtig vond, dat haar de inkoopen waren opgedragen. "We
+moeten iets hebben voor Dirk, Piet en Gerrit."
+
+"Ik weet wel iets: een chocolade-sigaar," zei Hans.
+
+"Een chocolade-tol is veel mooier," vond Bob.
+
+"Dat vind ik allebei heel aardige dingen; als ik nu maar wist, wat
+de jongens 't mooist vinden. Ziezoo, hier moet we zijn," zei Nel en
+stapte met de beide jongens een winkel binnen.
+
+
+ Voeten vegen, wat verdriet,
+ Zien jelui die mat daar niet?
+
+
+werd er op eens geroepen. Nel kreeg een kleur als vuur, gluurde overal
+rond, maar zag niemand. Bob en Hans wisten ook niet, wat ze er van
+denken moesten, maar alle drie deden gewillig wat hun bevolen werd.
+
+
+ Doe de deur toch dadelijk toe,
+ Hoor, hoe 'k hoest, aehoe! aehoe!
+
+
+"De deur is dicht," zei Nel, niets op haar gemak. Maar tegenover Hans
+en Bob wilde zij zich groot houden.
+
+"Wie zou dat toch zeggen?" fluisterde Hans. "Ik zie niemand." En
+hij ging op zijn teenen staan om zoo ver mogelijk om zich heen te
+kunnen kijken.
+
+
+ Houd op, houd op, ik lach mij ziek,
+ 'k Heb in mijn poot zoo'n rheumathiek
+
+
+werd er toen geroepen en daarop klonk een schaterend lachen, z
+vroolijk, dat Nel, Hans en Bob het mee uitproestten. Toen ging op
+eens achter de toonbank een deur open en een dame met een vriendelijke
+stem zei: "Neem me niet kwalijk, jongejuffrouw, dat ik u zoo lang liet
+wachten, maar ik werd juist even opgehouden. Waarmee kan ik u dienen?"
+
+"Ik, ik".... Nel schaterde het weer uit. "Hebt u--ook."--Weer een
+lachbui. "O, juffrouw, neen, ik kan 't niet zeggen."
+
+Bob en Hansje keken dn naar Nel, dn naar de juffrouw en deden ook
+niets dan lachen.
+
+"Ik begrijp niet"--zei de juffrouw, nu ook lachende, "werkelijk
+niet"....
+
+"Ik wou graag," begon Nel, die alle moeite deed zich goed te houden,
+"ik wou graag"....
+
+"Ha, ha, nu begrijp ik, wat er gebeurd is," zei de juffrouw. "Toddy,
+de raaf, is zeker aan 't woord geweest."
+
+"Was het geen mensch, was het een raaf?" vroeg Nel hoogst
+verwonderd. "Hoe is 't mogelijk? Och toe, mogen wij hem eens zien?"
+
+"Kom dan maar mee," was het lachend antwoord.
+
+"Kijk, hier is hij."
+
+Nel en de tweelingen raakten niet uitgekeken.
+
+"Kan hij nog meer praten?" vroeg Nel opgetogen.
+
+"O zeker," zei de juffrouw, "maar hij wil niet altijd. O, 't is
+zoo'n deugniet."
+
+"Niet waar, niet waar!" riep de vogel terug.
+
+"Jammer, dat de anderen hier niet zijn," zei Nel; "mag ik eens
+even kijken, of ze komen, juffrouw? Leni zou de raaf zoo dolgraag
+eens zien."
+
+"Zeker hoor, als je denkt, dat ze het aardig vinden."
+
+Nel stoof den winkel uit en kwam niet lang daarna met Door, Leni en
+Dolf terug. Nel had onderweg het geheele verhaal al gedaan.
+
+"Klontje," zei Toddy en klopte met zijn snavel tegen de kooi.
+
+"Dat kun je begrijpen," zei de juffrouw lachend.
+
+"Och toe, juffrouw, mogen we hem iets geven?" vroeg Leni.
+
+"Dan moet hij er eerst om bedelen." Toen Toddy 't woord "bedelen"
+hoorde, begon hij uit alle macht tegen de tralies te tikken, nam
+een smeekende houding aan, door zijn kop schuin te houden, en riep:
+"Och toe, och toe," wat z grappig klonk, dat allen het uitgierden.
+
+"Nu mag jullie hem een stukje borstplaat geven," zei de juffrouw.
+
+Hans durfde niet en Bob was wel bang, dat de raaf hem in de hand zou
+pikken, maar toch gaf hij het hem.
+
+"Zit hij altijd in die kooi?" vroeg Hans.
+
+"Wel neen, hij komt er dikwijls uit."
+
+"Nu moeten we gaan," zei Door eindelijk.
+
+Leni had grooten lust te blijven.
+
+"Ik zou warempel mijn boodschappen nog vergeten," zei Nel. "Hebt u
+ook chocolade-tollen, juffrouw?"
+
+"Kijk eens, hoe vind je deze?" vroeg de juffrouw, terwijl ze er n
+van chocolade en n van suiker liet zien.
+
+"Beeldig, geeft u beide maar en dan nog een chocolade-sigaar." En
+toen Nel ook een zakje met lekkers gekocht had, ging het geheele
+gezelschap weer op stap, nadat de juffrouw hen uitgenooodigd had eens
+spoedig terug te komen. "Toddy vindt het heerlijk, visite te krijgen
+en ikzelf ook."
+
+"Zullen we heengaan over de hei en terug over 't land Van der
+Pol?" stelde Door voor.
+
+Dat was best.
+
+"Daar zie ik het huis al," zei Leni na een poosje; "nog vijf
+minuten--en we zijn er."
+
+"Wel, komen jullie daar allen aangestapt? Dat is aardig," zei vrouw
+Pruim. "Kom maar binnen, kom maar binnen."
+
+"Neen, vrouw Pruim, wij willen hier buiten liever een beetje
+uitrusten. We komen je 't pakje van Dirk terugbrengen en moeder
+bedankt je vriendelijk."
+
+"Ja ja, 't is goed, 't is goed," zei vrouw Pruim.
+
+"Waar zijn Dirk, Piet en Gerrit? We hebben wat voor hen meegebracht,"
+zei Nel.
+
+"Dat had je toch niet moeten doen. Daar komen ze juist aan," zei
+vrouw Pruim en wenkte hen uit alle macht.
+
+"Kijk eens," riep Nel en hield drie pakjes in de hoogte, "in ieder
+pakje zit iets lekkers voor jullie, dat lijkt je zeker goed toe."
+
+De jongens bleven verlegen staan.
+
+"Gerrit, raad eens, wat ik hier heb?" zei Nel, een pakje in de hoogte
+houdende.
+
+"'k Weet niet," zei Gerrit verlegen.
+
+"Je moet raden," zei vrouw Pruim, lachend.
+
+Gerrit haalde de schouders op, durfde niets zeggen.
+
+"Ik zal je een handje helpen," zei Dolf.
+
+
+ "Ik sta met n poot op den grond
+ En draai daar vroolijk op in 't rond.
+ Hoe meer men mij sla,
+ Hoe vlugger ik ga."
+
+
+"Wat "onmogelijk" leuk," riep Door. "Dolf, hoe heb je dat zoo goed
+bedacht?"
+
+"Stil, laat Gerrit raden."
+
+"Ik, ik weet het niet," zei Gerrit.
+
+"Een tol," raadde Piet met een hoogroode kleur.
+
+"Bravo!" riep Nel, "die is voor jou, je hebt hem eerlijk verdiend. En
+nu heb ik hier nog iets. Dirk en Gerrit, nu ben jullie aan de
+beurt. Toe, Dolf, jij bent in het raadseltjes opgeven zoo knap. Bedenk
+nog eens wat."
+
+"Als jullie een oogenblikje geduld hebt," zei Dolf; "want opeens
+zoo'n versje te maken, is zoo gemakkelijk niet. Wacht, ik weet al iets:
+
+
+ "Ik ben bruin en rond,
+ 'k Hoor in den mond.
+ Maar blijf ik daar een langen tijd,
+ 't Is zeker, dat ik steeds meer slijt,
+ 'k Ben bruin en rond en dik,
+ Nu raad eens, wie ben ik?"
+
+
+"Leuk, leuk!" juichte Door weer. "Nu, Gerrit, bedenk jullie je goed."
+
+"Een sigaar," zei Gerrit na een poosje.
+
+"Knap geraden, als je blieft. Je weet nu," zei Nel lachend, "'k hoor
+in den mond, maar blijf ik daar een langen tijd, 't is zeker, dat ik
+steeds meer slijt."
+
+"En nu nog voor onzen Dirk, die zullen we maar niet laten raden,
+want dat heeft Piet al voor hem gedaan. Voor Dirk ook een tol."
+
+'t Was aardig, de gelukkige gezichten te zien.
+
+"En als jullie nu niet te moe meer bent, moet je toch eens even
+in de schuur komen kijken, daar is iets aardigs te zien," zei
+vrouw Pruim. Dat werd aan geen doovemansooren gezegd. Leni holde
+vooruit. "Nu hl stil zijn," vermaande vrouw Pruim, "wacht, ik zal
+maar eerst gaan. Kijk eens," zei ze, toen ze eerst een paar kippen,
+die daar liepen, had weggejaagd, en wees naar een groote ronde mand,
+waarin Mollie, de poes, lag met vijf aardige, gele kuikentjes, die
+gedeeltelijk van onder haar zachte vacht zichtbaar waren.
+
+"Wat is dat? Mollie met...!" Leni kon geen woorden vinden om hare
+verwondering uit te drukken. Door en de anderen waren ook verstomd
+over hetgeen zij zagen.
+
+"Maar--maar doet Mollie ze geen kwaad?" vroeg Nel angstig.
+
+"Wij vonden de kloek op een morgen dood in den tuin liggen," zei
+vrouw Pruim, "en Mol lag op 't grasveld in de zon te slapen; toen
+zijn de kuikentjes onder haar gekropen; ze keek eerst wel vreemd,
+maar liet ze toch begaan. 't Was, of ze voelde, dat ze bij haar
+bescherming zochten en sedert dien tijd koestert zij ze zooveel
+mogelijk. Is het niet aardig? Stil maar Mol," zei ze tegen de poes,
+die naar het scheen onrustig werd, omdat allen om haar heen stonden,
+"blijf maar kalm liggen, we gaan dadelijk weg."
+
+"Wat vind ik dat toch een lieve poes," zei Hans. "O, Bobbie, als Jaap
+hier eens was."
+
+"Neen, zoo iets heb ik nog nooit gezien," fluisterde Door.
+
+"'t Is snoezig," zei Leni verrukt, "snoezig."
+
+"'k Zie Julia al zoo met onze kuikentjes," zei Nel.
+
+"Mollie was ook zoo'n trouwe moeder voor haar eigen poesjes. Weet
+je nog wel," zei Door, "hoe ze de kleine zwarte likte, die door Trim
+gebeten was?"
+
+"Kom, kinderen," zei vrouw Pruim, "je moet nu allen maar in den tuin
+gaan, ik ben anders bang, dat Mollie van de kuikentjes wegloopt."
+
+"'t Wordt ook onze tijd," zei Door, "je zoudt er anders wel zoo'n
+heelen dag naar kunnen blijven kijken."
+
+"Zoo lief moest Julia zijn," vond Dolf.
+
+"Zeg niets van Julia," zei Leni, "al koestert ze geen kuikentjes,
+'t is toch een lieve poes."
+
+"Dat vind ik ook," zei Door.
+
+Na vrouw Pruim en de jongens goeden dag gezegd te hebben, vertrok
+het vroolijke troepje.
+
+Een kwartier later hield Nel den zak met lekkers in de hoogte en riep:
+"Eerst een hartversterking."
+
+"Ja heerlijk, presenteer maar weer eens," zei Dolf.
+
+"Neen, neen, zoo gemakkelijk gaat het niet, jullie moet maar zien,
+dat je iets krijgt," zei ze lachend. Door vloog op Nel af, maar toen
+Nel dit zag, rende ze vooruit en allen achter haar aan.
+
+"Jongens, houdt Nel vast!" riep Dolf.
+
+"Dat kun je begrijpen, zoo gauw laat ik mij niet vangen," hijgde
+Nel. Tot tweemaal toe ontglipte ze Dolf, die haar bij de mouw trachtte
+te grijpen, maar eindelijk moest ze 't wel opgeven en plofte in
+'t gras neer. "Ik kan niet meer, ik kan niet meer," zei ze. "Jullie
+hebt je stukje eerlijk verdiend, kies maar uit."
+
+"Er zit wat in mijn schoen," zei Hans met een ongelukkig gezicht.
+
+"Er zit ook wat in mijn schoen," zei Leni.
+
+"Nu nog mooier!" riep Dolf.
+
+"Ja heusch," zei ze.
+
+"Trek hem dan eens uit," zei Door.
+
+"Neen, want dan is 't er niet meer in," lachte Leni.
+
+"Ze bedoelt haar voet! 'k Wist niet, dat mijn zusje zoo grappig was,"
+zei Nel, haar een kus gevende. "Maar Hans heeft er zeker nog meer in
+zitten dan een voet, die kijkt zoo ongelukkig; kom ventje, trek je
+schoen dan maar gauw uit. Met een hinkelepinkje kunnen we onmogelijk
+de wandeling naar huis ondernemen. Daar hebben we 't al," zei ze,
+een klein steentje weggooiende, "nu maar gauw voortgemaakt." "Toe,
+Nel, presenteer nog eens," zei Leni na een poos, "we hebben al zoo'n
+eind geloopen, we kunnen dan meteen eens zitten."
+
+"Mij goed, kinderen, kom maar hier, "moeder" zal voor jullie allen
+iets heerlijks uitzoeken," zei Nel lachend.
+
+"Dat kan je begrijpen," zei Dolf, "neen hoor, ieder mag zelf kiezen."
+
+"Natuurlijk, natuurlijk," viel Door bij.
+
+"Dan zal ik van mijn zak een hoorn des overvloeds maken," zei Nel en
+schudde het lekkers zoo ver mogelijk naar voren, terwijl ze haar hand
+er als een presenteerblaadje onder hield. "Eerst mogen onze gasten
+kiezen. Die nemen natuurlijk beiden hetzelfde. Tweelingen kunnen
+"onmogelijk" anders."
+
+"Neen," zei Bob, "dat hoeft toch niet. Hans vindt chocoladeboontjes
+met likeur het lekkerst en ik met fondant. We zijn alleen van buiten
+tweelingen."
+
+"Kies jij maar gerust, hoor," zei Nel. "Door weet er niets van. Zij
+zegt altijd zulke "onmogelijk" gekke dingen."
+
+"Nu maar weer voorwaarts marsch," commandeerde Dolf, nadat er een
+tijdje gerust was. "Anders komen we veel te laat thuis."
+
+"Daar is het land al, dat we over moeten."
+
+"Doen die koeien niets?" vroeg Hans, niet erg op zijn gemak bij
+'t vooruitzicht, die te moeten voorbij gaan.
+
+"We zijn al zoo dikwijls hier langs gekomen. Kijk, dat smalle paadje
+gaan we over; als kippetjes loopen we dan achter elkaar aan. Dolf,
+jij moet de haan maar zijn en ons voorgaan."
+
+"Wat een grappig wegje is dit," zei Bob, toen allen op het smalle
+landpaadje liepen.
+
+Een paar koeien keken even met droomerige oogen op, toen ze de kinderen
+zagen, maar graasden toen dadelijk rustig door.
+
+"Fox, hier blijven," beval Dolf, toen de hond vooruit wilde hollen.
+
+"Ik was toch liever niet door 't land gegaan, nu we Fox bij ons
+hebben," fluisterde Door Nel een poosje later in 't oor, "maar zeg
+hiervan niets aan de kleintjes."
+
+Juist had Door dit gezegd of een zwart gevlekte koe, die nog even
+te voren rustig had staan kauwen, deed een paar passen in hun
+richting. Nel stiet een klein gilletje uit. Fox, die zeker voelde,
+dat er iets niet in den haak was, begon te blaffen. Eerst bleef de
+koe staan, alsof zij verbaasd was over het geluid, dat zoo'n klein
+beestje maakte. Maar toen begon zij al vlugger te loopen, naar Fox toe.
+
+"Zij komt op ons af!" gilde Door. "Fox, hier, hier!" En meteen nam ze
+Hans bij de hand en zette het op een loopen. Nel met Bob er achteraan!
+Dolf en Leni, die al een eind vooruit waren, keken bij het hooren
+van het gegil achterom en renden angstig voort.
+
+"O, o!" jammerde Door en wanhopig sleurde ze Hans mee. "Hoe
+vreeselijk!"
+
+"Als we maar eerst bij het hek waren," hijgde Nel. "Ik-ik kan
+bijna--niet meer." Maar voort holde ze, den schreienden Bob
+meetrekkende. Steeds dichter en dichter naderde de koe. Nel hoorde
+het dier vlak achter zich. Ze bestierf het bijna van angst. Op
+eens struikelde ze en sloeg voorover, terwijl ze Bob in haar vaart
+meetrok. Op datzelfde oogenblik hoorde ze roepen: "Hector, pak aan!" En
+even daarna stond een oud, krom boertje over haar heen gebogen.
+
+"Wel, wel, ben je zoo geschrokken?" hoorde ze hem vriendelijk zeggen
+en meteen werd ze voorzichtig opgelicht. "Kom maar mee, hoor, en dat
+kleine ventje ook," zeide hij, den hevig schreeuwenden Bob bij de hand
+nemend. "Hector heeft die leelijke koe, die jullie zoo verschrikt
+gemaakt heeft, bij het touw: Je behoeft niet meer bang te zijn, dat
+ze je zal stooten. Kom maar gauw mee naar mijn huis. Je drinkt een
+frisch glas water en je bent weer heelemaal beter."
+
+"Heb jullie je pijn gedaan?" vroeg Door bezorgd, die met de anderen
+om Nel heen stond.
+
+"Mijn voet doet zoo'n pijn," zei Nel nog schreiend, gedeeltelijk van
+den schrik en gedeeltelijk van de pijn.
+
+"Als je hem maar niet verstuikt hebt," zei Door. "En Bob, waar heb
+jij je bezeerd?"
+
+"Mijn knie," zei Bob, "o, mijn knie doet zoo'n pijn."
+
+"Wel lieve tijd, zijn heele knie geschaafd," zei Door. "Stumperd. Hoe
+komen we met twee zulke invaliden thuis!"
+
+"Moet je nog ver?" vroeg het boertje.
+
+"Nog een half uurtje," zei Dolf.
+
+"Zoo, zoo, dat is geen kleinigheid, dat is geen kleinigheid," herhaalde
+hij hoofdschuddend. "Wil ik je eens wat zeggen? We zullen eerst een
+glas water gaan drinken voor den schrik en dan span ik mijn Bruin voor
+den wagen en breng jullie allen thuis. Nu, wat zeg je daarvan? 't Is
+wel geen statiekoets, maar je behoeft dan toch niet te loopen."
+
+"Dat vind ik "onmogelijk" aardig," zei Door.
+
+Mijnheer en mevrouw Van Brakel wisten niet, wat ze zagen, toen daar
+het heele vroolijke troepje op een hooiwagen den weg afkwam. Dolf en
+Leni wuifden al uit de verte met hun zakdoeken. In kleuren en geuren
+werd het geheele geval aan vader en moeder verteld. Natuurlijk moest
+het oude boertje binnen komen en een glaasje bier drinken. En nadat
+Leni hem vol trots haar kippenfamilie had getoond, ging hij, na nog
+eens en nog eens vriendelijk bedankt te zijn, met Bruin weer naar
+zijn eigen huis terug.
+
+Nels voet deed nog den heelen avond pijn. Maar moeder wist als altijd
+raad, zoodat beide invaliden den val al gauw vergeten waren.
+
+"Maar tch," zei Nel, "door een land met koeien ga ik van mijn leven
+niet weer, daar heb ik genoeg van."
+
+"Als Fox er maar niet bij geweest was," zei Dolf "dan was er niets
+gebeurd."
+
+"Ja, Foxje," zei Leni, "was jij nu maar zoo knap en zoo sterk als
+Hector, dan had je ons natuurlijk wel geholpen, maar je bent eigenlijk
+een klein, dom, eigenwijs hondje."
+
+Het duurde niet heel lang, of Door was in diepe rust, maar Nel was
+blijkbaar nog onder den indruk van den schrik.
+
+Toch kreeg na lang woelen eindelijk de slaap de overhand; maar toen
+werd de arme Nel geplaagd door de akeligste droomen. Ze zag zich zelf
+alleen op een groot stuk land, waar van alle kanten koeien op haar
+afkwamen, die haar met booze oogen aankeken. Ze vluchtte naar een
+hek, maar toen ze daar dicht bij kwam, was 't hek verdwenen en lag
+op die plaats een groote roodbonte koe kalm te grazen op een groot
+veld papavers. En telkens als het dier een papaver in den bek stak,
+veranderde de bloem in een draaiende tol. Toen liep Nel terug en
+zag opeens Leni voorbijhollen, gezeten op een zwarte koe. Leni leek
+veel grooter dan anders en telkens als ze langs Nel reed, strekte
+ze haar lange armen naar haar uit. Maar als Nel haar wilde grijpen,
+was zij verdwenen en zag Nel haar hl in de verte voortgaloppeeren,
+steeds haar wenkende, terwijl het haar als een mantel om haar heen
+golfde. Plotseling stond Nel voor een sloot en kon ze niet verder
+en voor en achter zich zag ze niets dan koeien, toen op hetzelfde
+oogenblik een wagen kwam aanrijden met een grappig klein paardje er
+voor. De kop van het paard ging steeds op en neer. Op den wagen zaten
+wel honderd kinderen, hij was z vol, dat onder 't rijden er gedurig
+enkelen afvielen, maar als aapjes kropen ze er weer bij op. De voerman
+pakte Nel op en zette haar er tusschen, maar toen zat Nel z nauw,
+dat zij zich letterlijk niet kon bewegen, want van alle kanten drongen
+ze tegen haar aan en een jongen hield haar knie z stijf vast en
+trok zulke vreemde gezichten, dat ze met een gil wakker werd.
+
+"Wat heb je, wat is er?" riep Door verschrikt en zat rechtop in bed.
+
+"Ik weet het niet," kreunde Nel, "o, wat had ik een akelige droom,
+je weet het niet--van koeien en--o vreeselijk."
+
+"Wacht, ik zal gauw licht opsteken " zei Door en wipte het bed
+uit. "Een buitenkansje, de lucifers liggen op den kandelaar," zei ze,
+de kaars aanstekend. "Wil je eens drinken?"
+
+"O, graag," zei Nel klappertandend. "Ik droomde--"
+
+"Neen, hoor, die droom zal ik morgen vroeg wel hooren, laten we nu
+liever over iets anders praten, anders doorleven we straks beiden
+vervolg en slot van deze minder opwekkende droomgeschiedenis," zei ze,
+weer in bed stappend.
+
+"Weet je, wat ik wou," zocht Door Nel af te leiden, "dat ik zoo'n
+raaf had als die juffrouw--"
+
+"Welke juffrouw?"
+
+"Je weet wel, die dame, bij wie we vandaag die tollen en de sigaar
+kochten."
+
+"O ja, dat zou leuk zijn," zei Nel, nog niet geheel bekomen.
+
+"Ik zou hem allerlei versjes leeren; te beginnen met: "'t Is vacantie,
+'t blijft vacantie" enz."
+
+"Meen maar niet, dat dat zoo gemakkelijk zou gaan. Als hij hier op
+de slaapkamer stond, dan zou hij al gauw roepen: "Nel, waar is mijn
+haarlintje, waar mijn armband, waar mijn themaboek?"
+
+"Om te gieren," vond Door. "Zou zoo'n vogel duur zijn?"
+
+"Ik weet het niet," zei Nel geeuwend.
+
+"'t Is jammer, dat het er met mijn spaarpot altijd zoo treurig
+uitziet."
+
+"En met de mijne."
+
+"Zeg eens, Nel, Ne-l."
+
+"Ja"--kwam er flauw uit het andere ledikant.
+
+"Je moet je oogen eens half toe doen en dan naar de kaars kijken,
+dan zie je zulke prachtige stralen."
+
+"Hm," zei Nel, "'k doe ze liever heelemaal toe, 'k ben slaperig."
+
+"Ja, ik ook. Toch leuk, die stralen van die kaars, ik zal ze toch
+zoo meteen uitblazen--"
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+EEN DAG VOL GEHEIMEN.
+
+
+
+ "Er stond een juffrouw aan de deur
+ Met een witte boezelaar veur
+ Hoe langer ze ston
+ Hoe meer ze vergong"
+
+
+zei Door den volgenden morgen lachend en wees uit haar bed naar
+den kandelaar.
+
+"Och, lieve tijd, je hebt de kaars laten branden," zei Nel en 't was
+nog wel een nieuwe.
+
+"Ja, dat zal je altijd zien. Met stompjes zal mij zooiets niet
+overkomen. Maar eigenlijk ben jij hier de schuldige."
+
+"Nu nog mooier!"
+
+"Ja, want om jou van een wissen ondergang te redden, ontstak ik het
+licht," zei Door plechtig.
+
+"Ja, 't was een nare droom," zei Nel, nog rillend bij de herinnering.
+
+"Vertel hem nu maar; zoo onder het vastmaken van mijn knooplaarzen
+bestaat er niet veel kans, dat ik hem verder droomen zal."
+
+"Ja," zei Nel, zich bezinnend, "ik droomde van koeien, die op mij af
+kwamen--en--en--verder weet ik werkelijk niet meer."
+
+"Dat dacht ik wel. Een droom is als een Fransche les, als je hem
+vertellen wilt, dan weet je er hoogstens n regel van. Maar dat je
+van koeien gedroomd hebt, verwondert mij niet na ons avontuur van
+gisteren. Mij dunkt, al de jonge leden van den huize Van Brakel hebben
+het vannacht wel met een of meer koeien aan den stok gehad. Ik ken
+mijzelf niet, dat ik er zoo heelhuids ben afgekomen, afschoon _jouw_
+koeien mij mijn halve nachtrust gekost hebben," lachte ze.
+
+De lucht zat vol geheimen!
+
+Geen wonder, Leni was den volgenden dag jarig en dat is op zichzelf
+al een feest, maar jarig zijn in de vacantie, met nog twee aardige
+logtjes, dat is wel een reden om er een echten feestdag van te
+maken. Er werd dan ook heel wat afgefluisterd, zelfs Kee werd er in
+betrokken, en wat meer zegt: Kee had nu eens geen haast, maar luisterde
+belangstellend naar Nel of Door. Leni's hartje popelde van verlangen.
+
+"Is ons cadeautje al bezorgd?" fluisterde Door moeder in 't oor.
+
+"Nog niet, juffertje Ongeduld, maar dat zal wel komen."
+
+"Het zou jammer zijn, als het niet op tijd kwam. Weet u wat, ik ga
+eens even naar den winkel."
+
+"Dat zou ik maar doen, zoo'n wandeling is gezond," zei mevrouw
+Van Brakel.
+
+"Hoe vervelend! Nu kan ik mijn handschoenen weer niet vinden; maar kom,
+dan maar zonder," overlegde Door bij zich zelf. "'t Is ook zoo warm."
+
+Zoo alleen boodschappen doen was juist een kolfje naar Doors hand;
+ze hield dol van winkels kijken en nu kon ze net zoolang voor een
+raam staan, als ze zelf verkoos. Nel had gewoonlijk zoo'n haast. Toen
+ze eindelijk al haar aandacht gaf aan een winkel, waar mooie platen
+voor de ramen hingen, bemerkte ze, dat een meisje naast haar stond,
+dat gedurig naar haar keek en dat, telkens als Door haar aankeek,
+lachend haar hoofd afwendde. Door wist niet, wat ze er van denken
+moest en liep verder. Bij een volgenden winkel dacht ze: "Wat zien ze
+toch aan mij?" toen ze bemerkte, dat ook een dame, die eerst achter
+haar had geloopen, haar in 't voorbijgaan aankeek en lachend doorliep.
+
+"'t Is, alsof iedereen weet, dat we morgen een feestje hebben," dacht
+ze bij zichzelf en liep wat vlugger om gauwer thuis te zijn. Maar
+voor ze den winkel in ging om te vragen, of het cadeautje, dat zij
+en Nel aan Leni wilden geven, klaar was, keek ze nog eens voor de
+ramen naar allerlei beeldige dingetjes. Nauwelijks stond ze daar,
+of een slagersjongen zei lachend: "Zeg eens, jongejuffrouw, is dat
+de laatste mode, op _die_ manier je handschoenen te dragen?"
+
+Nu werd het Door toch te erg en met een kleur als vuur draaide ze
+den winkel in.
+
+"Juffrouw," begon ze stotterend, "is..." maar Door kon bijna niet
+verder spreken, toen ze het lachende gezicht van de juffrouw zag. "Is
+de," hakkelde ze. Maar op eens schaterde de juffrouw het uit: "Hebt
+u zoo door de stad geloopen?"
+
+"Ja," knikte Door verlegen. "Ja."
+
+Door bekeek zich van alle kanten, draaide zich om en om.
+
+"Hebt u niet naar uw handschoentjes gezocht?" Door knikte; begreep
+er niets van. "Voelt u dan eens op uw hoed." Nu schaterde Door het
+uit. "O, daar zijn ze, nu begrijp ik alles."
+
+"Ja, maar er zit nog iets, ik geloof een zakdoek. Voel maar eens
+achter de lus."
+
+"Ja warempel," lachte Door. "Als ze dat thuis hooren! Ik ben maar wat
+blij, dat u 't mij gezegd hebt, dank u wel. Maar nu zou ik bijna mijn
+boodschap vergeten. Ik kwam eens hooren, of de mand klaar was. Morgen
+is mijn zusje jarig."
+
+De juffrouw beloofde het cadeautje op tijd te bezorgen en lachend
+nam Door afscheid.
+
+"Net iets voor jou, net iets voor jou," riep Nel, toen Door het heele
+verhaal thuis deed.
+
+"Prachtig," zei vader, "prachtig. Jullie zult eens zien, dit meisje
+wordt nog een professor."
+
+"Je verschijnt nog eens op een morgen met de handschoenen aan je
+voeten en de schoenen aan je handen," plaagde Dolf.
+
+"Dat denk ik niet," zei Door; "want gewoonlijk mis ik een van beide."
+
+En terwijl Door beneden het verhaal deed van haar ongelukkigen tocht,
+liepen Hans en Bob met Fritsje tusschen zich in ongemerkt zacht de
+trap op. "Pas op, dat Leni ons niet hoort," zei Hans.
+
+"Leni morgen jarig," zei Fritsje.
+
+"Ja, Leni krijgt iets heel moois," zei Hans gewichtig.
+
+"Ja," zei Bob, "Leni krijgt een echt kuikentje, omdat ze zooveel van
+kuikentjes houdt."
+
+"Waar is het?" vroeg Frits belangstellend.
+
+"Kom maar mee, het ligt in dezen koffer," zei Hans, terwijl hij den
+koffer open deed. Nieuwsgierig keek Frits er in.
+
+"Ik zie geen kuikentje," zei hij teleurgesteld.
+
+"Zie je dat ei daar liggen?" vroeg Hans, nadat hij eerst allerlei
+kleedingstukken van hem en Bob uit den koffer had genomen.
+
+Frits knikte.
+
+"Dat ei wordt een kuikentje," legde Bob uit.
+
+"Ja," zei Hans, Bobs woorden herhalend, "dat ei wordt een kuikentje."
+
+"Een echt?" vroeg Frits ongeloovig.
+
+"Ja. Maar eieren moeten een geheelen tijd hl warm liggen, voor er
+kuikentjes uit kunnen komen," onderwees Bob weer. "Ik zal het daarom
+maar weer gauw toedekken."
+
+"Als wij hier een kip hadden," bepeinsde Hans, "dan konden wij die
+er op zetten."
+
+"Ja," zei Bob, wien dit ook wel toelachte, "dan kroop er misschien
+morgen wel een kuikentje uit het ei, dat zou heerlijk zijn."
+
+"Durf jij een kip uit den tuin halen?" vroeg Hans.
+
+Bob schudde heftig zijn hoofd. "Een doode misschien wel," kwam er
+flauwtjes uit.
+
+"Ja, maar die is er niet," zei Hans, met een bedenkelijk gezicht
+naar de plaats kijkende, waar het ei lag, bedolven onder blousjes
+en broeken.
+
+"Zal Fritsje kipje zijn?" stelde Frits moedig voor.
+
+Hans en Bob keken elkaar aan.
+
+"Kun je stil zitten?" vroeg Bob.
+
+Frits knikte.
+
+"Kippen zitten altijd doodstil op de eieren," zei Hans, die zich
+verplicht gevoelde Frits het moeilijke van zijn taak goed onder het
+oog te brengen.
+
+"Ik kan wel voor kipje spelen," zei Frits, die bij zijn voorstel bleef.
+
+"Dan zal ik de kleeren weer uit den koffer krijgen."
+
+"Kun je er alleen in stappen?" vroeg Bob.
+
+Neen, dat kon hij niet. Hans en Bob moesten hem helpen.
+
+"Daar is Julia ook," zei Bob, "die mag hier niet in deze kamer,
+dan wil ze misschien ook in den koffer."
+
+"Als 't kuikentje piept, moet je er dadelijk uitkomen," waarschuwde
+Hans.
+
+Frits knikte.
+
+"Als Frits op het kuiken zit, dan kan het wel dood gaan," zei Bob
+angstig.
+
+Dat was een moeilijk geval, daar hadden Bob en Hans nog in 't geheel
+niet aan gedacht.
+
+"Laten we dan maar liever de kleeren weer op 't ei leggen," stelde
+Bob voor, die in zijn verbeelding het doode kuikentje al zag. En juist
+zou Frits maar weer kip af zijn, toen vreeslijk gegil van beneden tot
+hen doordrong. Bob en Hans holden naar het raam aan den voorkant en
+zagen nog juist, dat Julia door Leni van de straat opgeraapt werd.
+
+"Hoe vreeselijk, Julia is uit het raam gevallen!" Bob en Hans vergaten
+Frits en liepen, zoo vlug ze konden, naar beneden.
+
+"Och, lieve poes, lieve Julia," riep Leni schreiende. "Zie ze eens
+beven. Als ze maar niet dood gaat." Zacht streelde ze poes; allen
+stonden om haar heen.
+
+"Ze heeft gelukkig niets gebroken," zei mijnheer Van Brakel, de
+pootjes onderzoekend. "Zet haar op dezen stoel, Leni; ik denk, dat
+ze wel gauw weer de oude zal zijn. Zij is natuurlijk erg geschrokken."
+
+"Zie ze toch eens beven," zei Leni.
+
+"Maar hoe kwam poes toch boven? De deur van de voorkamer moet
+opengestaan hebben."
+
+"Poes wou in den koffer," versprak Hans zich, "maar dat mocht niet,
+want Fritsje...."
+
+"Fritsje? Is Frits dan boven?" vroeg mevrouw Van Brakel verbaasd. "Ik
+dacht, dat jullie met hem in den tuin speelden."
+
+"Fritsje zit in den koffer," lichtte Bob toe.
+
+"In den koffer?" Allen keken verbaasd naar de tweelingen, toen Hans,
+die opeens aan de verrassing van Leni dacht, zei: "Ja, 't is een
+geheimpje, h Bobbie?"
+
+De verwondering steeg ten top. Door holde naar boven, waar ze Fritsje
+snikkend in den koffer vond zitten.
+
+"Och, kleine vent, wat scheelt er aan?" Maar niettegenstaande het
+diep ongelukkige gezichtje van Frits kon Door toch haar lachen niet
+bedwingen, toen Frits tusschen het schreien door riep: "Ik--ik--wil
+geen kippetje zijn, Dora, ik wil geen kippetje zijn."
+
+Toen Door met het snikkende Fritsje beneden kwam en met vragen bestormd
+werd, zei ze lachend:
+
+"Wij vertellen niets, dat is nu _ons_ geheimpje, wat zeg jij, kleine
+man?" Fritsjes verdriet, nu hij uit den koffer en weer bij moesje was,
+was spoedig geleden.
+
+Gelukkig was Julia gauw weer beter en toen Leni even de kamer
+uit was, stelde vader voor, eerst de tweelingen en daarna Julia te
+photografeeren. Kee werd in het geheim genomen. Die kwam daarom even
+later Leni vragen, haar wat te helpen.
+
+"Ik kom anders nooit klaar en jij kunt zoo mooi helpen, je doet
+mij zooveel pleizier," beweerde ze. "Je werkt nog beter dan ik
+zelf." En ze liet Leni koffie malen uit den treuren, totdat ze wel
+voor een week genoeg had. En nadat de heer Van Brakel Bob en Hans
+had gephotografeerd, beiden zittende in de sportkar, was hij met een
+onuitputtelijk geduld bezig Julia te "nemen." Juist op 't moment,
+dat het gaan zou, zag Julia, onbewust van 't gewichtige oogenblik,
+een vlieg, waardoor haar rustige houding van even te voren geheel
+veranderde en zij vol belangstelling het diertje met haar poot
+trachtte te grijpen. Maar eindelijk, na herhaalde pogingen, stond
+Julia er "prachtig" op. Fox, die eigenlijk ook op een kiekje moest,
+was op dat oogenblik nergens te vinden en dus bleef het bij poes en
+de tweelingen. Dolf stelde voor Toetie en Snoetie te fotografeeren,
+maar deze twee waren vader veel te beweeglijk, zoodat er veel kans
+zou zijn, dat Snoetie met twee koppen en Toet er misschien met twee
+staarten opkwam en vader wist zeker, dat Leni op zoo'n portret van
+haar lievelingskippen niet gesteld was.
+
+"Jammer, dat Foxje er niet is," zei Dolf, "ik wil nog eens kijken,
+misschien is hij wel in de buurt." En juist zou Dolf de kamer uitgaan,
+toen Nel hem lachend tegen hield.
+
+"Weer een brief van oom Karel," zei ze, "dien moet je eerst hooren, ik
+zal hem voorlezen. Jongens, een brief van vader, kom eens gauw," riep
+ze den tuin in. "Waar is Leni, die moet ook bij de voorlezing wezen."
+
+"Hoera, hier zijn we al," juichte het drietal.
+
+"Toe, Nel, begin nu gauw," zei Door.
+
+Nel las:
+
+"Mijn lieve kaboutertjes! Het briefje, dat ik hierbij insluit, is
+van Miekie. Ik vond het op den lessenaar. Miekie had natuurlijk geen
+postzegel, daarom heb ik het briefje maar in het couvert gedaan en
+aan jullie verzonden. Dat zij gisteren iets in haar schild voerde,
+was duidelijk. Zij bleef voortdurend bij mij zitten, terwijl ik zat
+te schrijven. Na eerst op mijn schouder en toen op een paar boeken
+gezeten te hebben, ging ze op een blaadje postpapier zitten. Als ik
+haar zei: "maar, Miekie, postpapier is er toch niet om op te zitten,"
+dan knipte ze een paar keer met haar groene oogjes en keek het raam
+uit, alsof ze 't onschuldigste poesje van de wereld was."
+
+"Precies zooals Julia doen kan," zei Door. "En toen ik klaar was," las
+Nel verder, "en het papier wilde meenemen, was ze zoowaar ingedommeld,
+zoo hield zij zich tenminste, zoodat ik het blaadje wel moest laten
+liggen. Toen ik later den brief zag, begreep ik, waarom zij dit grapje
+uitgehaald had.
+
+Nu wil ik nog even vertellen, dat ik morgen bij jullie kom. Ik
+weet, dat er dan een klein meisje jarig is, dat ik graag zou willen
+feliciteeren en 't is dan mijn plan, de kaboutertjes den volgenden
+dag mee naar hier te nemen. We verlangen allen erg naar hen en dan
+... sedert gisteren heeft hier in huis een groote verandering plaats
+gehad, maar ik _schrijf_ niet wat. Ik zal het mijn kaboutertjes
+zelf _vertellen_. Wat zullen ze opkijken! Honderd kusjes van vader
+en moeder."
+
+"Komt Paatje morgen hier?" riepen Bob en Hans opgetogen.
+
+"Ja, hoe vindt jullie dat?"
+
+"Heerlijk!" zei Bob, "juist op Leni's verjaardag."
+
+"En gaan we dan gauw naar huis?"
+
+"Zeker, dan nog n nacht hier slapen," zei Nel, lachend om de
+opgewonden gezichtjes.
+
+"Dan gaan we weer naar Maatje," zei Hans blij.
+
+"Ja en als jullie dan heerlijk bij je Maatje zit en bij Miekie, Bruun
+en Jaap, dan zitten wij helaas weer op school," zei Dolf zuchtend.
+
+"Maar nu kunnen we nog zingen," zei Door en met een potlood de maat
+slaande, begon ze:
+
+
+ "'t Is vacantie, nog vacantie.
+ Hoera vacantie boven."
+
+
+En allen vielen mee in:
+
+
+ "En ieder, die 't niet zingen wil,
+ Die moet er aan gelooven."
+
+
+Dolfs stem hoorde men boven allen uit.
+
+"Stil, nu zal ik Miekies brief voorlezen, kijk toch eens die groote
+letters," zei Nel, den brief in de hoogte houdende.
+
+"Leuk," riep Leni, "begin nu maar."
+
+"Lieve baasjes," las Nel en keek daarbij Bob en Hans aan, wier
+gezichtjes straalden van genot. "Ik verlang zoo naar jullie en
+Bruun ook. Jaap, geloof ik, ook wel, maar dat kan mij niet schelen;
+want op Jaap ben ik boos. Dat is z gekomen. Ik was gisteren op de
+muizenjacht. Uren en uren had ik voor een gaatje gezeten, waaruit een
+muis moest komen. Ik kreeg op 't laatst erg veel verlangen naar mijn
+schoteltje met melk, maar toch bleef ik zitten, omdat ik bang was,
+dat mij 't muisje ontsnappen zou. Bruno kwam ook een paar keeren bij
+mij, hij wou met mij spelen, maar ik bleef zitten, ik wou het muisje
+hebben. Eindelijk, jawel, daar stak het zijn puntsnuitje uit het
+gaatje. Ik verroerde mij niet. Voorzichtig kwam het er verder uit,
+zag overal rond, tot het opeens heelemaal te voorschijn kwam. Toen
+sprong ik er op af, maar toch ontkwam het mij en schoot achter een
+kist. Ik zal jou wel krijgen, dacht ik, en bleef dicht bij de kist
+zitten. Op eens kwam Jaap binnen. Hij begreep blijkbaar dadelijk,
+waarom ik zoo stil zat. "Jij boosdoenster," zei hij. "'t Is jou zeker
+weer om een muis te doen." En toen eindelijk de muis van achter de
+kist te voorschijn kwam, zette hij de deur wijd open; zoo ontsnapte
+mij het heerlijke kluifje. Toen ik het achtervolgen wilde, smeet hij
+de deur toe en zei: "Dat kun je begrijpen! Jij er weer achter aan
+zoodat je het op 't laatst tch zou krijgen? Neen, daar komt niets van
+in." Zoo was dus al mijn loeren voor niets geweest. Ik was z boos,
+dat ik mij direct omkeerde en wegliep. Later kwam Jaap nog weer bij
+mij met allerlei mooie praatjes, maar ik deed, alsof ik sliep en toen
+ging hij gauw weer weg.
+
+"O, die oom Karel," lachte Dolf, "wat kan die toch aardige...."
+
+"Nu, wat kan oom Karel?" vroeg vader plagend.
+
+"Neen, neen," zei Dolf. "Ik bedoel, wat kan Miekie toch aardige
+brieven schrijven."
+
+"Alsof Julia 't niet zoo kan," lachte Ma.
+
+"Ja, natuurlijk, Julia is dan ook een bijzonder knappe poes," zei Door.
+
+"Laat mij nu verder lezen," zei Nel, "de brief is nog lang niet uit."
+
+"Ik wilde toen mijn troost bij Bruno zoeken, maar die was als
+gewoonlijk buiten en speelde op 't grasveld met andere honden. Aan
+den kant van het grasveld staan boomen, zooals jullie weet, en nu had
+iemand zijn hond, een mooien zwarten poedel, met een touw aan een van
+die boomen vastgebonden, zeker, omdat hij hem niet goed mee naar binnen
+kon nemen. Natuurlijk was dit alles behalve prettig voor dien hond,
+vooral, omdat hij al die andere zoo vroolijk zag ronddraven. Bruno was
+al eenige malen naar den armen gevangene toegeloopen om een praatje
+met hem te maken, maar dan kreeg hij weer zoo'n lust om te stoeien,
+dat hij wel driemaal 't bloemperk omrende, tot hij op eens op de
+gedachte kwam den poedel te helpen. Hij begon in het touw te bijten,
+te bijten--nu, je weet, Bruun heeft scherpe tanden. De vastgebonden
+hond begon te kwispelstaarten en te blaffen, Bruun rustte even, begon
+weer met vernieuwde krachten te rukken en te bijten. Tot hij het
+touw doorgebeten had. Als een pijl uit den boog rende de poedel niet
+eenmaal, maar wel zesmaal 't grasveld rond. Wat was hij blij! Bruun
+achter hem aan. Het werd een dolle jacht.
+
+Toen de poedel geheel buiten adem met de tong uit den bek even stil
+stond, kwam zijn baas er aan. Als jullie zijn gezicht gezien hadt! Hij
+keek van den boom naar den poedel en van den poedel naar den boom en
+dan naar de andere honden. Eenige menschen, die alles gezien hadden,
+wezen naar Bruno. De baas lachte nu ook, floot een paar malen en
+jawel, daar kwam de poedel, nog met een stuk touw achter zich aan,
+schoorvoetend naar hem toe. Hij was, geloof ik, bang, dat de baas
+boos zou zijn, maar die klopte zijn hond op den rug, streek hem over
+den kop, zoodat de poedel vroolijk kwispelstaartte en met hem meeliep."
+
+"Zou Foxje ook zoo iets kunnen doen, vader?" vroeg Dolf.
+
+"Misschien wel, maar Bruun is een groote, sterke hond en heeft
+natuurlijk een sterk gebit."
+
+"Kom maar terug naar je zoo zr verlangende Miekie," las Nel.
+
+"Prachtig, moes, wat zou die verandering toch kunnen zijn?" vroegen
+Nel en Leni.
+
+"Dat zul je morgen wel hooren," lachte ma.
+
+"Misschien heeft vader kuikentjes gekocht," zei Hans, die aan zijn ei
+in den koffer dacht. "Of heeft Bruun een nieuwen halsband gekregen,"
+raadde Bob.
+
+"Of, of," zei Leni, "heeft Miekie jonge poesjes gekregen."
+
+"Ik wou, dat 't al morgen was," zuchtte Hans.
+
+"Ik kan bijna zoolang niet wachten," zei Bobbie.
+
+"Nu kan ik door twee dingen bijna niet in slaap komen vanavond. Ten
+eerste, omdat ik morgen jarig ben en ten tweede, omdat ik zoo
+verlangend ben naar hetgeen oom Karel heeft te vertellen."
+
+"Moes, u weet het," zei Door, mevrouw Van Brakel met den vinger
+dreigend. "Toe, vertelt u het ons eens."
+
+"Dat kun je begrijpen," lachte moeder.
+
+En toen Door Nel later iets in het oor fluisterde en Dolf vroeg,
+of er ook een verfkwastje was, zei mijnheer Van Brakel lachend:
+"'t Is hier wel een tijd van geheimpjes, dat moet ik zeggen."
+
+"Nu, kinderen, 't is tijd om naar bed te gaan. De tweelingen en Leni
+slapen zeker al lang."
+
+"Ja, kom Nel, wij moeten morgen vroeg op," zei Door, "want"....
+
+"St., niets vertellen," zei Nel, den vinger op den mond houdende.
+
+"Och, lieve tijd," zuchtte Door, "ik vind het toch zoo "onmogelijk"
+lastig, geheimen te bewaren."
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+LENI'S VERJAARDAG.
+
+
+"'t Is zes uur, sta op," fluisterde Nel.
+
+"Wat zeg je?" vroeg Door slaperig.
+
+"'t Is zes uur. We zouden immers bloemen voor Leni plukken. Kom
+er uit."
+
+"Nu al?"
+
+"Ja zeker, anders komen we niet klaar."
+
+"Ik ben zoo "onmogelijk" slaperig."
+
+"Dat ben je om zeven uur ook nog," was 't kalme antwoord.
+
+"Je hebt ook nooit medelijden met mij," kwam er grappig klagend uit.
+
+"Als ik klaar ben, ga ik en wacht niet op je." zei Nel. "Stil, Leen
+draait zich om; als ze wakker wordt, is alle aardigheid er af."
+
+"Ik kom al," zuchtte Door, haar kousen aantrekkend.
+
+Zacht fluisterend en op de teenen loopend kleedden Nel en Door,
+zich aan.
+
+"Begin nu alsjeblieft niet met je sproeiwoede," zei Nel, toen Door
+haar waschkom vol schonk, ''dan wordt Leni stellig wakker."
+
+"'k Vang dan anders twee vliegen in n klap," zei Door lachend.
+
+"Hoe zoo?"
+
+"Wel, ik krijg de volle laag en jij bent wel tevreden met de
+druppeltjes, die mij voorbij vliegen; op die manier zijn we gauw
+klaar."
+
+"Als jij dat druppeltjes verkiest te noemen," zei Nel, "'t is
+gewoonlijk een volslagen fontein. Stil, Leni beweegt zich weer,
+sta nu toch doodstil."
+
+Wel drie minuten stonden beide meisjes onbeweeglijk, angstig kijkend
+naar de kleine jarige.
+
+"Voor standbeeld ben ik niet in de wieg gelegd," zei Door, toen zij
+zich weer durfde bewegen, "dat merk ik wel."
+
+"En ik niet," zei Nel.
+
+Plof! Wat was dat? Doors kam gleed uit haar handen. Beide meisjes
+stonden als palen; want nu volgde een onrustbarend geschuifel in
+het ledikant.
+
+"Ga op den grond liggen," commandeerde Nel en zeeg zelf ook behoedzaam
+neer. Het geschuifel hield aan. Door en Nel stikten bijna van 't
+lachen. Door lag voorover met haar hoofd onder de tafel, de noodlottige
+kam recht voor zich uit houdende. Nel in haar onderlijfje met de beenen
+onder haar eigen ledikant. Toen werd de deur zacht opengeduwd en Hans
+stond met verbaasde oogen naar het eigenaardige tooneeltje te kijken.
+
+Door wist geen raad van het lachen bij het zien van Hansjes
+verwondering. Hij dacht zeker niet anders, of de beide meisjes waren
+door een aardschok neergesmeten. Door wenkte met de kam, dat hij weg
+moest gaan. Hans scheen haar niet te begrijpen en bleef onbeweeglijk
+staan.
+
+"W-e-g," spelde Door met de lippen en wees naar Leni's ledikant.
+
+"Het-ei-is," fluisterde Hans en wilde blijkbaar nog meer zeggen,
+maar Door zwaaide z wanhopig met de kam, dat Hans ten slotte
+bedrukt wegging.
+
+"Ik geloof, dat Leni weer in slaap gevallen is. Houd toch op met je
+gelach, je zult alles nog bederven," waarschuwde Nel boos.
+
+"Zag je Hansjes gezicht?" fluisterde Door, zich nu ook oprichtend. Nel
+knikte. Tot overmaat van ramp kwam Foxje ook nog in de kamer, maar
+Door zette hem er voorzichtig uit en zoo kwamen de beide meisjes toch
+eindelijk klaar. Moeder was al beneden en werd in het geheim genomen;
+ze beloofde Leni, als ze beneden kwam, naar Kee te sturen, tot alles
+voor de jarige klaar was.
+
+"Kom nu maar gauw mee," zei Nel tot Door; "want er zijn heel wat
+vaasjes te vullen."
+
+"Gelukkig! Ons cadeau is bezorgd," zei Door, op de nieuwe mand voor
+Julia wijzend. "Stopt u die maar goed weg, moes, anders ziet Leni
+die nog, voor we thuis zijn."
+
+"Daar zal ik wel voor zorgen, kind! Ja, meisjes, jullie moet
+voortmaken. Een verjaardag zonder bloemen en dat nog wel in den zomer,
+dat gaat toch niet. 't Is heerlijk, dat jullie een veldbouquet gaat
+plukken; want het zou jammer zijn den tuin te plunderen, als het
+niet noodig is; alles staat nu zoo mooi en we hebben er zoo lang
+pleizier van."
+
+"Ja, moes, we komen gauw terug," zei Door, die den botaniseertrommel
+van Dolf nam. Na een half uur hadden de meisjes een prachtigen
+ruiker geplukt.
+
+"Ik pluk ook nog wat papavers," zei Nel, "die staan zoo beeldig."
+
+"Ja, dat doen ze, maar ze zijn zoo gauw verlept," vond Door.
+
+"Ziezoo, we hebben genoeg, laten we maar vlug opstappen, want het
+valt niet mee, alles te moeten rangschikken."
+
+"Is Leni al beneden?" was 't eerste wat Nel vroeg, toen ze thuis
+kwamen.
+
+"Neen, ze schijnt nogal te kunnen slapen, niettegenstaande ze gisteren
+het tegendeel beweerde," zei mevrouw Van Brakel. "H, kinderen,
+kinderen, wat een schat van bloemen brengen jullie mee."
+
+Alle vaasjes en glazen werden voor den dag gehaald en met bloemen
+gevuld, wat aan de kamer een echt feestelijk aanzien gaf.
+
+"Foxje, kom eens hier, oude jonge, je vrouw jarig en jij geen strik
+om? Dat is ongehoord." En Nel bond Fox een blauw lint om den hals
+en maakte aan een kant een flinken strik. Zoo heel pleizierig vond
+Foxje dit nu niet, maar voor een jarige moet je wat over hebben,
+had hij dikwijls gehoord en dus droeg hij zijn lot gelaten, zooals
+een gehoorzaam en liefhebbend hondje past. En terwijl Nel bezig was
+met Fox, bond Door Julia een rood lint om. Blauw was meer haar kleur,
+vond Door, maar met het oog op de rood gevoerde mand was het beter
+de halsversiering ook in die kleur te nemen.
+
+"Daar komt Leni aan!" riep Nel. "Waar is Dolf en waar zijn de
+tweelingen en vader? We moeten toch allen in de kamer zijn, voor
+Leni binnenkomt."
+
+"Dolf is achter in den tuin, met Bob, Hans en Fritsje."
+
+"Jongens, op 't appl!" riep Door.
+
+"'t Is vandaag feest, zooals 't nooit is geweest," zong vader en kwam
+met Leni binnen. Leni wist van verlegenheid niet, hoe ze kijken zou,
+toen allen haar in de kamer opwachtten.
+
+Verrukt keek ze naar de bloemen.
+
+"Ja, ja, daarvoor hebben Nel en Door gezorgd. Wat zeg je daar wel
+van?" zei moeder.
+
+"Beeldig," vond Leni.
+
+"Een spel voor den tuin," zei moeder en zette een groote kist op
+de tafel.
+
+"Een croquetspel," juichte Leni, "heerlijk!" En ze vloog op moeder
+en vader toe om beiden te bedanken.
+
+"Wat je Julia geeft, geef je Leni, hebben wij gedacht," zei Door.
+
+"Een ledikant voor je Snoes," voegde Nel er bij en zette ter
+verduidelijking de poes in de nieuwe mand.
+
+"Hoe leuk!" riep Leni. "Och, zie haar eigenwijs gezicht eens."
+
+"Julia onderzoekt, of ze een springveeren of een paardeharen matrasje
+heeft," zei Dolf, toen de poes de mand van alle kanten besnuffelde.
+
+"Maar hoe staan onze log's zoo stil te kijken?" vroeg mijnheer
+Van Brakel.
+
+"Er is geen kuikentje uitgekomen," zei Bob.
+
+"Geen kuikentje uitgekomen, ventje?" vroeg moeder verwonderd.
+
+Door proestte het uit.
+
+"Neen," zei Hansje, die dit gelukkig niet zag. "Het heeft al dien
+tijd in den koffer gelegen onder onze blousjes. En Fritsje durfden
+wij er niet opzetten, omdat we bang waren, dat het kuikentje dan dood
+zou gaan."
+
+"Ik begrijp toch niet recht, wat je bedoelt," zei vader, die moeite
+deed ernstig te kijken; "vertel mij eens, wt lag in den koffer,
+kereltje?"
+
+"Dit ei," zei Hans. Maar nu kon mijnheer Van Brakel zich niet langer
+bedwingen. Hij schaterde het uit en allen in de kamer schoten in een
+hartelijk gelach.
+
+"'t Is een kalkei; o jongens, jongens, jullie bent eenig, eenig!"
+
+Toen allen zoo vroolijk waren en het zich zoo in 't geheel niet
+aantrokken, dat er geen kuiken uit het ei gekomen was, zelfs Leni niet,
+toen moesten Hans en Bob toch wel meelachen.
+
+"Kijk eens, dit mg jullie Leni geven," zei moeder en gaf Bob een
+doos met flikjes. "Daar kan ze dan eens uit presenteeren vanmiddag,
+als paatje er is."
+
+Dat was goed.
+
+"Fisjeleer," zei Fritsje, terwijl hij Leni een fleschje met eau de
+cologne vereerde. Natuurlijk moest ieder even van de eau de cologne
+ruiken en daar Fritsjes zakdoek nergens te vinden was, kreeg hij een
+beetje op de punt van zijn schort.
+
+"Nu heb ik hier ook nog een paar oude kennisjes," zei vader, de
+portretten van de tweelingen en Julia gevende.
+
+"Och, paatje, hoe aardig," zei Leni verrukt. "Wanneer hebt u dat
+gedaan? Bob en Hans hebben me er niets van verteld."
+
+"Ja, dat _die_ geheimen kunnen bewaren, hebben we gemerkt," zei vader,
+"maar Julia doet voor hen niet onder."
+
+"Mag ik nu de jarige in den tuin verzoeken?" zei Dolf.
+
+"In den tuin?" vroeg Nel.
+
+"Ja, komt allen maar mee, achter in den tuin."
+
+"Kijk toch eens, Dolf heeft warempel het kippenhok geverfd," riep
+Leni opgetogen.
+
+"Hoe leuk!"
+
+"Dat noem ik nog eens een verrassing," zei vader. "Ik wist werkelijk
+niet, dat ik zoo'n knappen zoon had."
+
+"Wanneer heb je dat gedaan?" vroeg Door.
+
+"Gisterenavond en vanmorgen. Ik was om zes uur al in den tuin," zei
+Dolf, blij, dat allen het zoo aardig vonden. "Maar nu moet je er ook
+eens even in gaan," zei hij tot Leni; "ik heb de kippenfamilie zoo
+met elkaar zien fluisteren, het zou mij niet verwonderen, als zij
+ook een verrassing voor je hadden."
+
+Lachend ging Leni in het hok. "Kom eens hier," riep ze en stond te
+dansen voor de nesten van Toetie en Snoetie. "Komt toch eens allen
+hier!"
+
+"Maar kindje, dat is toch wel wat veel gevergd," zei vader; "het
+heele gezelschap in het kippenhok! Laat ons liever eens zien,
+welke verrassing je kippenfamilie jou bereid heeft: wij branden
+van verlangen."
+
+"Toe, Leen, kom er uit," zei Door, "je maakt ons zoo "onmogelijk"
+nieuwsgierig."
+
+"Kijk eens," zei Leni, "dit rose suiker ei heeft Toet gelegd. Het
+staat er op, leest u maar."
+
+"Van Toetie op uw verjaardag."
+
+"Wel verbazend, dat is kranig," zei vader.
+
+"En dit witte van Snoetie."
+
+"Zulke kippen moesten we meer hebben."
+
+"En dit," zei Leni, en liet een chocolade-ei zien, "van...?"
+
+"Asschepoes," raadde Nel gierend.
+
+"Van den haan. Zijn visitekaartje heeft hij er bij gelegd. Kijk,
+Haantje-Kukelekaantje staat er op en aan den anderen kant:
+
+
+ "Lief jarig pleegmoedertje,
+ In 't kraaien ben ik wel een baas,
+ In 't eier leggen niet, helaas!
+ Maar op het feest van pleegmama
+ Legde ik toch een ei van chocola
+ Uit dankbaarheid, omdat zij elken morgen
+ Zoo trouw voor mij en mijn kippen komt zorgen."
+
+
+"Dolf, Dolf, hoe onmogelijk leuk."
+
+Ieder moest het hanenei natuurlijk bekijken, 't Was dan ook wel een
+groote bijzonderheid; zelfs vader, die al zoo oud was, beweerde,
+er nog nooit een gezien te hebben.
+
+"Jij krijgt straks het kapje, hoor Snoet," zei Leni tegen Fritsje. Dat
+leek Frits wel goed toe en Hans en Bob werd het kapje van de
+suikereieren beloofd.
+
+"Waar is Kee? Die moet ze ook zien," riep Leni.
+
+"Daar komt ze juist aan."
+
+"Asjeblieft," zei Kee, nog voor Leni iets kon zeggen, "omdat jij
+mij gisteren zoo geholpen hebt," en meteen duwde ze Leni een klein,
+beeldig poppenkoffiemolentje in de hand.
+
+"Och moes, maatje, zie eens, van Kee!"
+
+"Kindje! Maar 't is al te erg vandaag, je wordt veel te veel verwend."
+
+Toen Leni de eieren aan Kee liet zien van Snoet, Toet en
+Haantje-Kukelekaantje, sloeg Kee de armen van verbazing in de
+hoogte. "Heb ik van mijn leven, heb ik van mijn leven! Nu begrijp
+ik, waarom hij vanmorgen zoo aanhoudend kraaide, 't Is dan ook
+geen kleinigheid, een chocolade-ei. Dat doen de kippen hem niet na,
+ofschoon Snoet en Toet ook bijzonder knap zijn. Maar, liefje, ik moet
+nu weer naar mijn boontjes," zei Kee en holde weg.
+
+"Hoor Fox eens, met wien heeft die het toch zoo aan den stok?" zei
+mijnheer Van Brakel. "Hij keft ons de ooren doof. Daar zit toch soms
+geen vreemde poes onder die struik?"
+
+"O wee!" riep Door, "ik begrijp het al. Als Fox hem maar geen kwaad
+doet. Leni, kom eens gauw hier. Kijk eens onder die struik."
+
+Leni bukte zich. "Een egel?" vroeg ze verwonderd, "voor mij?"
+
+"Een extraatje van Door en mij," zei Nel lachend.
+
+"Ik had het diertje maar stil willen laten liggen, maar Door dacht,
+dat jij hem wel "snoezig" zou vinden, omdat je nu eenmaal alles
+snoezig vindt, wat dier is. We hebben hem aan den weg gevonden."
+
+"Laat eens kijken," zei Dolf, "hoe grappig, ik heb nog nooit een egel
+zoo dichtbij gezien."
+
+Hans en Bob vonden het in 't geheel geen aardig beestje, beweerden ze,
+en Frits bleef op een eerbiedigen afstand.
+
+"Als Fox hem maar geen kwaad doet," zei Door.
+
+"Wel neen, 't blijft bij blaffen," zei vader, "daar behoef jullie
+niet bang voor te zijn. We zullen hem wat melk brengen, daar houden
+ze in den regel van."
+
+Leni liep naar huis en kwam na een oogenblikje met een schoteltje
+met melk terug. 't Was eerst, of de egel 't niet zag, maar al gauw
+begon hij te drinken tot groote vreugde van allen.
+
+"Je zult eens zien, hoe gauw hij tam is," zei moeder.
+
+"Maar nu gaan we eerst ontbijten, anders zijn we niet klaar, als oom
+Karel komt," zei moeder.
+
+"Ik verlang ook naar paatje," zei Bob.
+
+"Ja, en wat zou paatje wel te vertellen hebben?" vroeg Hans.
+
+"Nog maar een beetje geduld," lachte moeder.
+
+"Morgen gaan we naar huis, h tante?"
+
+"Goeden dag, goeden dag, feestvierende menschen!" hoorde men oom
+Karel dien middag plotseling zeggen. "Daar ben ik al. Waar zijn mijn
+kaboutertjes en waar is de jarige dame?"
+
+"Hier paatje," en Bob en Hans vlogen hun vader om den hals.
+
+"Ja, ja, kereltjes, hoe is 't met jullie? Druk aan 't feestvieren zie
+ik. Wel, wel Leni, is dat croquetspel een cadeau? En Fox en Julia in
+feestgewaad! 't Is geen kleinigheid, 'k Ben wat blij, dat ik gekomen
+ben. Kijk eens, dat is nu _mijn_ cadeautje. Ik hoop, dat je 't mooi
+vindt, meisje. Ik kan maar niet vergeten, hoe bedroefd je was over 't
+verlies van sneeuwwitje en daarom heb ik je nu een ander sneeuwwitje
+meegebracht."
+
+"Een pop!" riep Lena opgetogen. "Oompje, hoe heerlijk!"
+
+"En als sneeuwwitje gekleed," zei Door, "hoe beeldig! Kijk toch eens,
+moeder!"
+
+"Prachtig, prachtig! Die oom Karel verwent je maar," zei moeder
+lachend.
+
+"Dat heb ik wel begrepen," zei Nel, "dat jarig zijn in de vacantie
+lang niet voor de poes is."
+
+"En nu 't geheimpje, oom," zei Dolf. "Wij branden allen van verlangen."
+
+"Dat is goed, kinderen. Bob en Hans, komen jullie eens bij mij zitten,
+ieder op een knie. Het is iets heel moois en prettigs, dat ik te
+vertellen heb."
+
+Allen keken oom vol verwachting aan.
+
+"Zoo'n aardig popje, als Leni gekregen heeft om mee te spelen,"
+begon oom, "is er bij ons in huis gekomen."
+
+"Ook een sneeuwwitje?" vroeg Bob verbaasd.
+
+"Maar, paatje, jongens spelen toch niet met poppen," zei Hans
+teleurgesteld.
+
+Oom Karel glimlachte. "Er is bij ons in huis een levend popje--een
+kindje gekomen."
+
+"Een echt?" Hans schoot van de knie af.
+
+"Ja, een echt."
+
+"O, oom, hoe leuk, hoe aardig!"
+
+Even was er doodsche stilte.
+
+"Maar, maar,--wat doet ze, kan ze al praten?" zei Bob, die 't eerst
+van zijn verbazing bekomen was.
+
+"Eet ze al?" vroeg Hans.
+
+"Hoe groot is ze?--Heeft ze al haar? Slaapt ze?--Kan ze al lachen? Toe,
+paatje, toe vertel eens alles."
+
+"Kleine, lieve kaboutertjes, hoe kan ik zoo gauw op alle vragen
+antwoorden? Neen, praten kan ze nog niet, dat moeten wij haar nog
+leeren. Ze kan nu eigenlijk nog maar alleen slapen, drinken en
+schreien."
+
+"Schreien is praten, h paatje?"
+
+"Vindt moesje 't prettig, dat het zusje er is?"
+
+"En Jaap?"
+
+"Jaap ook. En Griet, die anders zoo'n leven kan maken in de keuken,
+doet nu alles even zacht."
+
+"En-enne-paatje, luister eens. Hoe groot is zus?" vroeg Bob opgewonden.
+
+"Niet grooter dan Leni's pop."
+
+"Wijs eens, hoe groot haar handjes zijn."
+
+"Zoowat zoo groot als jou wijsvinger. Twee aardige, roode knuistjes
+heeft ze."
+
+"Nu hebt u nog in 't geheel niet gezegd, hoe ze heet, oom," zei Leni.
+
+"Ze heet Else, ons kleine meisje."
+
+Allen vonden dit een prachtigen naam. "Zou ze 't prettig vinden,
+dat we morgen terugkomen?"
+
+"Welk zusje zou niet blij zijn met zulke lieve broertjes," zei oom
+Karel, Bob in de wang knijpende.
+
+"O paatje, ik verlang zoo," zei Hans met een diepen zucht.
+
+"Wat kunnen we later heerlijk paardje spelen, Bobbie. Zus komt dan
+in de sportkar te zitten, jij wordt paard en ik koetsier."
+
+"Neen, dan wil ik koetsier zijn," zei Bob.
+
+"Neen," pruilde Hans, "ik heb het 't eerst gezegd."
+
+"Weet jullie wat," zei mevrouw Van Brakel, die bang was, dat er
+gekibbel kwam. "Zusje mag dan kiezen, die is de dame, die gereden
+wordt."
+
+"Ja, dat vind ik best," zei oom. "En zal ik jullie nu eens vertellen,
+waarom zusje _nu_ gekomen is?"
+
+Ja, dat wist niemand.
+
+"Omdat ze het later zoo prettig zou vinden in de vacantie jarig
+te zijn."
+
+"f ze gelijk heeft," riepen Nel en Door tegelijk.
+
+"Maar nu moet ik toch werkelijk eens kijken, wat Leni gekregen
+heeft. Morgen in den trein kunnen we den geheelen tijd over zusje
+praten. Mij dunkt, Door en Nel zijn hier aan 't versieren geweest. Wat
+een heerlijke massa bloemen! Met je nieuw croquetspel wil ik vandaag
+vast een spelletje doen.'
+
+"Ja, ja, dat moet ingewijd worden," zei Dolf.
+
+"En nu moet u nog eens iets zien," zei Nel.
+
+"Extraatje van Door en mij," stelde ze voor, op den egel wijzend.
+
+"Neen, oompje, alleen van mij, Nel durfde hem niet opnemen."
+
+"Een egel? Daar moet je nu Door voor wezen om zoo'n aantrekkelijk
+diertje mee te nemen," lachte oom. "Wat zei zusje wel van zoo'n
+cadeau? Maar dat behoef ik eigenlijk niet te vragen. Bij Leni is
+immers elk dier welkom."
+
+"Dat zei ik ook, oompje."
+
+"Hoe jammer," zei Leni, "dat de egel zich nu heelemaal ingerold heeft."
+
+"Dat is niets, die onbeleefdheid en dat nog wel op jouw verjaardag,
+zal ik hem wel gauw afleeren," zei oom. "Dolf, haal mij eens een
+kopje water, dan zullen we "extraatje," eens een bad geven."
+
+Nauwelijks had de egel het water gevoeld, of hij begon zich te
+ontrollen.
+
+"O, kijk hem eens, kijk hem eens," riepen Dolf en Nel.
+
+"Zie hem eens boos kijken," lachte Door. "Foei, oude jongen, niet zoo
+ernstig en dat nog wel op zoo'n grooten feestdag als vandaag. Ziezoo,
+zoo mag ik je liever, nu ben je ons tevreden "extraatje" weer."
+
+"Stil, wij worden geroepen! Wie het eerst thuis is," zei oom en nam
+Fritsje op zijn schouder en 't heele jolige troepje holde achter
+hem aan.
+
+"Fritsje gewonnen! Moesje! Fritsje gewonnen!"
+
+"Ja, ja," lachte moeder, "jij lijkt het winterkoninkje wel, die bij
+een wedstrijd onder de vogels, wie 't hoogste vliegen kon, onder de
+vleugels van den adelaar kroop en zoo den strijd won, maar de andere
+vogels leelijk fopte."
+
+Daar begreep Fritsje niets van, maar wel, dat, wat op tafel stond,
+heerlijk was.
+
+"Bob en Hans, kom gauw. Hier staan beschuiten met muisjes op tafel,"
+riep Dolf, die de tweede overwinnaar was. "Ter eere van 't zusje,"
+zei mevrouw Van Brakel.
+
+'s Middags werd er croquet gespeeld, tot groot pleizier van de groote
+en kleine menschen, maar niet het minst van Fox en Julia, die elken
+bal naholden. Tot slot van het feest onthaalde moeder nog op een
+heerlijke roomtaart, waarop ze voor de grap een vlaggetje gestoken
+had en waarop stond: "Wie in Augustus geboren is, hoezee!"
+
+Allen begonnen dadelijk te zingen, zoodat het een oorverdoovend leven
+was. Toen werden er nog allerlei spelletjes verzonnen en moest Leni
+"Toetie" raden uit: begraven steden en Door "vacantie."
+
+Eindelijk werd het tijd voor de kleintjes om naar bed te gaan. Leni
+mocht een uurtje langer opblijven. Toen eindelijk ook Door, Nel en
+Dolf goeden nacht hadden gezegd, zongen ze nog als op den eersten dag
+van de vacantie met een kleine verandering, door Door in het schoone
+lied gebracht:
+
+
+ "'t Is vacantie, nog vacantie,
+ Hoera vacantie boven!
+ En ieder, die 't niet zingen wil,
+ Die moet er aan gelooven."
+
+
+Den volgenden morgen voor schooltijd zag men weer, als op den eersten
+dag van de vacantie, twee vlaggetjes uit een portier van den trein
+wapperen. Maar nu wuifde oom Karel met zijn kaboutertjes den wachtenden
+bij den trein met even vroolijke gezichten een afscheid toe.
+
+"Toe, kinderen, voor 't laatst nog eens," zei oom Karel plagend:
+"'t Is vacantie!"
+
+"Neen, oompje," zei Door, lachend op haar boeken wijzende, "dat zal
+niet gaan!"
+
+En de anderen gaven Door volkomen gelijk.
+
+"Onmogelijk, meisje?"
+
+"Onmogelijk, oompje," bevestigde Door. "Maar met de Kerstvacantie is
+'t weer: "'t Is vacantie,"--zou Door juist beginnen te zingen, toen de
+trein zich in beweging zette. Nog een laatste wuiven van de vlaggetjes
+en van oom Karels witten zakdoek en 't vroolijke troepje groette van
+'t perron terug.
+
+Om twaalf uur kwamen allen opgewekt uit school.
+
+"'t Was toch zoo leuk in de nieuwe klasse," vonden Door en Nel. Dolf
+en Leni hadden allerlei prettige verhalen.
+
+"Dat mag ik zien," zei moeder. "Vroolijk op school en vroolijk thuis."
+
+"Ja, ja, we zijn wat trotsch op ons jolig troepje," zei vader lachend.
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Een Jolig Troepje, by Marie Leopold
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN JOLIG TROEPJE ***
+
+***** This file should be named 12070-8.txt or 12070-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/2/0/7/12070/
+
+Produced by Jeroen Hellingman en the Distributed Proofreaders Team
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+Each eBook is in a subdirectory of the same number as the eBook's
+eBook number, often in several formats including plain vanilla ASCII,
+compressed (zipped), HTML and others.
+
+Corrected EDITIONS of our eBooks replace the old file and take over
+the old filename and etext number. The replaced older file is renamed.
+VERSIONS based on separate sources are treated as new eBooks receiving
+new filenames and etext numbers.
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+EBooks posted prior to November 2003, with eBook numbers BELOW #10000,
+are filed in directories based on their release date. If you want to
+download any of these eBooks directly, rather than using the regular
+search system you may utilize the following addresses and just
+download by the etext year.
+
+ https://www.gutenberg.org/etext06
+
+ (Or /etext 05, 04, 03, 02, 01, 00, 99,
+ 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90)
+
+EBooks posted since November 2003, with etext numbers OVER #10000, are
+filed in a different way. The year of a release date is no longer part
+of the directory path. The path is based on the etext number (which is
+identical to the filename). The path to the file is made up of single
+digits corresponding to all but the last digit in the filename. For
+example an eBook of filename 10234 would be found at:
+
+ https://www.gutenberg.org/1/0/2/3/10234
+
+or filename 24689 would be found at:
+ https://www.gutenberg.org/2/4/6/8/24689
+
+An alternative method of locating eBooks:
+ https://www.gutenberg.org/GUTINDEX.ALL
+
+
diff --git a/old/12070-8.zip b/old/12070-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..3de79bb
--- /dev/null
+++ b/old/12070-8.zip
Binary files differ
diff --git a/old/12070.txt b/old/12070.txt
new file mode 100644
index 0000000..654cc81
--- /dev/null
+++ b/old/12070.txt
@@ -0,0 +1,4690 @@
+The Project Gutenberg EBook of Een Jolig Troepje, by Marie Leopold
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Een Jolig Troepje
+
+Author: Marie Leopold
+
+Release Date: April 17, 2004 [EBook #12070]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ASCII
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN JOLIG TROEPJE ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman en the Distributed Proofreaders Team
+
+
+
+
+Een Jolig Troepje
+
+Door
+
+Marie Leopold
+
+
+
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+DE EERSTE VACANTIEDAG.
+
+
+ "'t Is vacantie! 't blijft vacantie!
+ Hoera, vacantie boven!
+ En als je dat niet zingen wilt,
+ Dan moet je er aan gelooven!"
+
+
+zong Nel in haar nachtjapon, terwijl ze met een natte spons in de
+hand voor Dora's bed stond.
+
+
+ "Hoera! vacantie boven!
+ En als je dat niet zingen wilt,
+ Dan moet je er aan gelooven!"
+
+
+Pats, de natte spons viel op Dora's gezicht.
+
+"Wat is dat, br.... Nel, wat scheelt je? Br....!" riep Door, die
+op eens rechtop in haar bed zat met een druipnat gezicht. "Dat is
+verraderlijk. Ik sliep zoo lekker. Kijk dat laken eens: kletsnat. Brr,
+geef me gauw mijn handdoek."
+
+"Zul je dan zingen?"
+
+"Ja, ja, alles wat je wilt, maar geef eerst mijn handdoek. Gauw,
+'t loopt met een straaltje achter in mijn nek."
+
+"Nu, zing dan," dreigde Nel, de spons voor Door in de hoogte houdende.
+
+
+ "'t Is vacantie, 't blijft vacantie,
+ Hoera, vacantie boven!"
+
+
+viel Door in.
+
+
+ "En ieder, die 't niet zingen wil,
+ Die moet er aan gelooven!"
+
+
+Hup, vloog ze 't bed uit, greep Nel de spons uit de handen, doopte die
+een, twee, drie in de lampetkan. En voor Nel nog iets had kunnen doen,
+daar droop haar geheele gezicht. Toen begon een wilde jacht om de
+tafel, over bedden en stoelen, dat hooren en zien je verging. Midden
+in die dolle jacht zat rechtop in haar bed kleine Leni in de handen
+te klappen en mee te zingen.
+
+Zacht ging de deur open, wat Nel en Door in 't vuur van haar spel niet
+hoorden. Nel was onder de tafel gekropen en sloeg met den handdoek
+naar Door, die met een natte spons klaar stond om op haar vijandin
+in te stormen.
+
+
+ "'t Is vacantie, 't is vacantie ..."
+
+
+"Maar kinderen, kinderen, dat belooft wat voor de vacantie," lachte
+moeder.
+
+"O moeder, we hebben zoo'n pret," juichte Leni met een hoogroode kleur.
+
+"Maar kijk eens, een beekje is er uit de spons geloopen van de
+lampetkan naar den stoel."
+
+"Ja, daar," zei Door plechtig, "kreeg ik den vijand in handen."
+
+"Wat is dat?" riep moeder verschrikt, toen Leni haar met een sprongetje
+op den rug zat.
+
+"Ook een vijand, maar een droge, dat zijn natte," zei Leen, terwijl
+ze naar Nel en Door wees. "O, moesje, zing nu gauw, anders komt Door
+met haar natte spons," en toen begonnen allen weer te zingen:
+
+
+ "'t Is vacantie, 't blijft vacantie,
+ Hoera, vacantie boven!
+ En als je dat niet zingen wilt,
+ Dan moet je er aan gelooven!"
+
+
+En voor ze 't uit hadden, kwam in zijn hanssopje kleine broer, die
+zoo verbaasd was over dit vroolijke tooneeltje in den vroegen morgen,
+dat hij stil bleef staan, maar toch telkens de laatste woorden van
+iederen regel trachtte mee te zingen.
+
+"Nu een, twee, drie voortgemaakt, kinderen. Zie eens, wat is 't al
+laat. Kom, kleine broekeman, ga jij maar met mij mee, dan kunnen de
+dames zich kalm aankleeden."
+
+"Jouw gezicht is in tijden niet zoo flink nat geweest, Nel,"
+plaagde Door.
+
+"En jij bent in tijden niet zoo vroeg uit je bed gesprongen," plaagde
+Nel terug.
+
+"Ja, 't is zonde, dat ik er al uit ben," en met een verlangenden blik
+keek ze naar haar bed.
+
+"Ik kroop er nog weer in, als ik jou was."
+
+"Nee, dank je, dan zijn jij en Leni al klaar, als ik mij nog aan
+moet kleeden." Maar toch verplaatste Door zich er een oogenblik in,
+hoe lekker het zou wezen nog eens eventjes er in te kruipen. Zoo'n
+vacantie was juist zoo heerlijk, vond ze, omdat je dan niet zoo
+"onmogelijk" vroeg op behoefde te staan. Half acht vond ze nu eenmaal
+"onmogelijk" vroeg. Ze vond alles trouwens gauw "onmogelijk", vooral
+als ze er geen lust in had.
+
+"Zeg eens, Door, zou ik mijn nieuwe gele schoentjes aan mogen
+doen?" vroeg Leni.
+
+"Ik weet 't niet, schattepoes."
+
+"Trek jij je gele schoentjes maar aan, hoor," zei Nel. "'t Is vandaag
+feest, omdat de vacantie begonnen is, en die schoentjes heb je gekregen
+voor Zon- en Feestdagen."
+
+"Zou moesje 't goed vinden?" weifelde Leni.
+
+"Natuurlijk vindt ma het goed," pleitte Nel weer. "Zie je, den rechter
+schoen doe je aan, omdat het de eerste vacantiedag is en dus een
+feestdag, en den linker, ja den linker..."
+
+"Ik weet het: den linker doe ik aan, omdat Bob en Hansje komen."
+
+"O ja, hoe leuk. Wacht, ik zal je even helpen ter eere van Bob
+en Hansje."
+
+"En ik voor den eersten vacantiedag: Ga maar op den rand van je
+ledikant zitten. Beenen stijf houden, hoor."
+
+"O, jullie gooit mij haast om," zei Leni met een wanhopig gezicht.
+
+"Dat is niets, hou je maar flink vast, je valt niet in 't water. Wacht,
+nog een duwtje. Wat is dat?"
+
+Daar lag Leni achterover in bed met de beenen in de lucht te
+spartelen. Nel en Door lachten, dat de tranen haar over de wangen
+liepen en met de kam begon Nel de maat te slaan:
+
+
+ "'t Is vacantie, 't blijft vacantie,
+ Twee gele schoentjes boven!
+ Wie dat niet met ons zingen wil,
+ Die moet er aan gelooven!"
+
+
+En met de beenen in de lucht hoorde men Leni meezingen.
+
+"Laten we ons nu gauw klaar maken. Lieve deugd, kijk eens op de klok."
+
+"Ja, maar mijn schoenen zitten nog niet goed," klaagde Leen, die met
+veel moeite uit het bed geklauterd was.
+
+"Stamp maar op den grond, dan zul je er wel in schieten," zei
+Door. "Toe, Nel, jij bent al verder dan ik, help jij haar even met
+'t haar. Ik moet mij nog wasschen. Maar waar is mijn handdoek? Wie
+heeft mijn handdoek toch gezien?"
+
+"Pak den mijnen maar, die hangt op den stoel. Wat doe je?" vroeg Nel,
+toen Door den handdoek recht voor zich uit hield en dien aandachtig
+bekeek.
+
+"Ik zoek overal je natte puntje," zei ze plagend.
+
+"Denk je, dat ik mij na dat waterbad van jou nog ben gaan
+wasschen? Dank je wel, hoor. Ik heb mij lekkertjes met den handdoek
+afgedroogd. Wees maar blij, je kunt hem nu heerlijk gebruiken. Hoe
+jij zoo'n ding ook altijd zoo nat krijgt, is mij een raadsel. Je kunt
+toch wel schoon worden zonder zoo te plassen? Bah! Dat koude water,
+daar moet ik niets van hebben."
+
+"En ik vind dat koude water nu juist zoo "onmogelijk" lekker. Zoo
+met je geheele gezicht in de kom," zei Door, terwijl ze voorover ging
+staan en haar gezicht nat gooide. "Lekker!"
+
+"Je schreeuwde toch maar moord en brand, toen ik met de natte spons
+voor je bed stond," lachte Nel.
+
+"Nu ja, die aanval was ook verraderlijk."
+
+"Maar Door! Pas toch op, het wordt hier nog een overstrooming. Je
+sputtert de geheele waschtafel onder en zie den spiegel eens."
+
+"Dat zijn dauwdroppels," lachte Door.
+
+"Andere dauwdroppels zul jij ook wel nooit te zien krijgen," plaagde
+Nel terug.
+
+"Ziezoo, schattepoes, zeg nu eens of ik je niet een mooie kuif heb
+gemaakt: wacht, ik zal je even optillen voor den spiegel. Die Door
+ook met haar geplas, he? Je kunt bijna niet in den spiegel zien,
+zoo heeft zij hem besputterd."
+
+"Kijk toch eens. Zie je waar dat op lijkt?" zei Door, met een druipnat
+gezicht naar een plas op de waschtafel wijzende.
+
+Leen en Nel keken en keken.
+
+"Een molshoop," zei Nel eindelijk.
+
+"Wel nee, kijk eens goed."
+
+"Een hoed met een veer," raadde Leni.
+
+"Och nee, ook niet."
+
+"Zeg het maar," vleide Leni.
+
+"Neen, neen, niet dadelijk zeggen: een meertje," zei Nel.
+
+"Dat is flauw, o, als ik zoo sta, kom eens even op mijn plaats, dan is
+'t sprekend, 't Lijkt op een dier," helderde ze op.
+
+"Een kameel," zei Nel weer.
+
+"Och neen, je zegt maar wat. Een dier, dat wij allen goed kennen."
+
+"Nu zie ik het," riep Leni. "Julia! Kijk, ze zit recht-op. Dat is
+haar kop. Zie je haar oortjes?"
+
+"Nu zie ik het ook," riep Nel opgetogen.
+
+"Waar is haar staart, haar mooie dikke staart?"
+
+"Die houdt ze vast, ze staat er met haar voorpootjes op."
+
+"Och, kijk die oortjes toch, hoe sprekend. Dag, oude, lekkere, natte
+poesekop," zei Leni.
+
+"O, waar is de snor? De snor, waar Julia zoo trotsch op is," vroeg Nel.
+
+"Neen, een snor heeft ze niet, dat is jammer," zei Leni.
+
+"Dat is niets, ga maar een eindje van de waschtafel af, dan sputter
+ik die er even bij." Brr! brr! naar alle kanten vloog het water.
+
+"Och, hoe jammer, nu heb je haar heelemaal bedorven. Die aardige
+oortjes lijken wel olifants-ooren."
+
+"En arme Julia heeft zich een dikken neus gestooten," lachte Nel. "Zie
+dat propje eens. Maar kom, Dorus, maak nu toch voort, je komt zoo
+nooit klaar."
+
+"Wij gaan vast naar beneden."
+
+"Wie 't eerst de trap af is," zei Leni.
+
+"Even wachten," riep Door. "Ik ben dadelijk klaar."
+
+"Nu, eventjes dan."
+
+"Zeg eens, Nel, waar is mijn haarlintje? Ik weet zeker, dat ik het
+gisteravond hier op de tafel gelegd heb," zei ze, terwijl ze met
+de linkerhand het toefje haar vasthield en met de rechter allerlei
+dingen optilde en verlegde. "Wat is 't hier ook een "onmogelijke"
+rommel op tafel. Zoo kun je ook niets vinden," mopperde ze.
+
+"Dat haarlintje van jou is ook een veel te net lintje om tusschen zoo'n
+"onmogelijken" rommel te willen liggen. Kijk, hier heb ik het al."
+
+"Waar was het?"
+
+"Op je kussen lag het, eenzaam en verlaten."
+
+"O, ja, ik kon gisteravond nergens een bandje vinden en moest het
+lintje wel gebruiken. Ziezoo, klaar," zei ze even later. "Wie 't
+eerst beneden is. Ik zal tellen. Een, twee, drie."
+
+Voor Nel of Door het zagen, had Leni haar eene been over de leuning
+gegooid en gleed naar beneden. "Gewonnen!" riep ze en stormde door
+naar de achterkamer, waar mevrouw Van Brakel bezig was voor 't ontbijt
+te zorgen.
+
+"Dag, moesje."
+
+"Kindje, kindje, ik was werkelijk bang, dat je nooit klaar zou komen."
+
+"Ik heb het gewonnen, moesje. We deden wie 't eerst beneden was. Door
+telde en flap! gooide ik mijn beenen over de leuning, nou--en toen
+was ik 't eerst beneden. Door moest nog wel vijf treden doen. Jammer,
+dat u zulke lange rokken hebt, dan is het natuurlijk erg moeilijk,
+'t Gaat anders zoo heerlijk vlug. Je wint het zoo--altijd."
+
+"Ik zal er toch maar afloopen," lachte moeder.
+
+"Dan win ik het altijd van u, echt waar."
+
+Even later kwamen Nel en Door in de kamer.
+
+"Dag, maatje, dag, vader."
+
+"Treuzeltjes! Zijn jullie al op?" zei vader plagend.
+
+"Maar, vadertje, u weet ook niet hoe moeilijk 't is in de vacantie
+vlug voort te maken."
+
+"Of 't moeilijk is!"
+
+"Kijk eens, ma," zei Leni, terwijl ze triomfantelijk haar gele
+schoentjes liet zien.
+
+"Maar, Leni, kind, 't is toch geen Zondag. Hoe kom je daarbij, je
+nieuwe schoenen ..."
+
+"Moeder, 't is een feestdag," zei Nel plechtig, "en deze schoentjes
+zijn voor Zon- en Feestdagen."
+
+"Een feestdag?"
+
+"Bedenkt u zich maar eens goed."
+
+"Ik geloof, dat ik het begrijp," lachte vader.
+
+"Een feestdag? Jullie houdt mij voor den mal, ik begrijp er niets van."
+
+Toen begonnen alle drie de meisjes te zingen:
+
+
+ "'t Is vacantie, 't blijft vacantie,
+ Hoera, vacantie boven!
+ Wie dat niet met ons zingen wil,
+ Die moet er aan gelooven!"
+
+
+"Ja, ja, jullie hebt gelijk, of het een feestdag is."
+
+"'t Is eigenlijk een ketting van feestdagen," vond Leni.
+
+"En, moes, we zijn nog heel bescheiden geweest ook, want voor de
+ketting van feestdagen hebben we Leni alleen maar den rechter schoen
+aangedaan."
+
+"Alleen maar den rechter? Nu wordt het nog mooier. En waarvoor kreeg
+ze dan wel den linker aan?"
+
+"Ook voor een feestdag."
+
+"O, 't is onmogelijk, u raadt het nooit, nooit, zeg ik."
+
+"'t Is ook wel wat "onmogelijk" vroeg voor al die raadseltjes,"
+zei vader.
+
+"'t Begint met ..." wilde Leni helpen.
+
+"Begin alsjeblief niet met: 't begint met," zei Nel, "dat is zulk
+flauw raden."
+
+"'t Begint met Hans en Bob," raadde moeder.
+
+"Hoera voor onze knappe moes! Waar blijft Dolf toch?"
+
+"Hier ben ik: Dag vader, moeder, allemaal."
+
+"Zoo, studiosus!"
+
+"He, Dolf, hoe kom je zoo laat?"
+
+"Och ja, jullie met je vervelend lawaai. Ik kon gewoon niet slapen."
+
+"Stumperd!"
+
+"Wees nu maar niet zoo flauw, Nel. Moeder, mag 'k een boterham?"
+
+"Ze staat er al lang en je kopje thee ter eere van de vacantie is,
+vrees ik, al koud geworden."
+
+"Vacantie bofe, mammi?" zei kleine Frits met een lief vraagstemmetje.
+
+"Ja, kleine grappenmaker."
+
+"Heb je ons hooren zingen, Dolf?" vroeg Nel.
+
+"Hooren zingen? Ik dacht, dat de zolder minstens naar beneden zou
+komen."
+
+"Dat zou voor een eersten vacantiedag indrukwekkend geweest zijn,"
+vond Nel.
+
+"En "onmogelijk" gezellig voor jou, als we met ons drietjes zoo
+plotseling voor je neus stonden."
+
+"Onmogelijk, onmogelijk," praatte Frits Door na.
+
+Allen proestten het uit.
+
+"Geef mij daar eens gauw een kus voor, lekkere vent. Nee, zoo
+gemakkelijk kom je er niet van af. Ook een op deze wang en nog een:
+het deftigste aller kusjes, een op mijn voorhoofd." En toen greep
+Nel Fritsjes handjes en begonnen ze samen te zingen:
+
+
+ "'t Is vacantie, 't blijft vacantie,
+ Hoera, vacantie boven!
+ Wie dat niet met ons zingen wil,
+ Die moet er aan gelooven."
+
+
+"Vacantie bofe blijfe? Vacantie nog in bedje? Vacantie stout geweest,
+mammi?" vroeg Fritsje, die meende dat "vacantie" een ondeugend jongetje
+was en voor straf boven moest blijven.
+
+"Jij bent een grappenmaker en mammi's kereltje, hoor."
+
+"Wie onze loges wil halen, zorge over een kwartier klaar te zijn,"
+kwam vaders stem om den hoek van de deur.
+
+Toen was 't een gevlieg en geloop naar alle kanten.
+
+"Mijn hoed, mijn hoed, wie heeft hem gezien?" riep Door wanhopig.
+
+"Misschien op je kussen bij je haarlintje," plaagde Nel.
+
+"Wees nu niet zoo flauw," bromde Door. "Jij hebt gemakkelijk praten,
+jij behoeft nooit naar je dingen te zoeken. Maar als ik mijn hoed of
+mijn mantel ergens neerleg, kan ik ze later nooit terugvinden."
+
+"Ik leg ze ook niet "ergens" neer."
+
+"Zoo? Wat doe jij dan?"
+
+"Ik hang ze op den stander natuurlijk."
+
+"Ik durf wedden, als ik mijn hoed daar hang, dat hij toch weg is,
+als ik hem hebben moet."
+
+"Probeer 't eens," lachte Nel. "Drie dagen kun je 't misschien wel
+volhouden," en weg holde ze.
+
+"Moesje, weet u hem ook?"
+
+"Neen, werkelijk niet."
+
+"'t Is zoo'n "onmogelijk" zoeken, als je in 't geheel niet kunt
+bedenken, waar zoo'n ding zit," zuchtte Door wanhopig.
+
+"Mag Foxje mee, vader?"
+
+"Neen, jongen, geen honden aan den trein."
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+DE LOGETJES.
+
+
+Vijf minuten later was 't heele gezelschap op weg naar het station,
+behalve moeder, die met Fritsje liever thuis bleef, en Door, die als
+een wanhopige kamer in, kamer uit rende om haar hoed te zoeken. Met
+donderend geraas kwam de trein binnenstuiven.
+
+"Zag je de coupe met de vlaggetjes?" riep Nel opgewonden. "Ik durf
+wedden, dat ze daarin zitten. Dat is net iets voor oom Karel."
+
+Nel en Dolf renden er naar toe. Vader en Leni konden zoo
+vlug niet. Maar voor ze bij de coupe kwamen, was mijnheer Van
+Lichtenvoorde met zijn beide jongetjes al uitgestapt. 't Was een
+vroolijke begroeting.
+
+"Zagen jullie onze vlaggetjes wel?" vroeg Hans.
+
+"Nou, of we," zei Dolf. "Nel zei dadelijk, dat jullie zeker in
+die coupe zat. Pas op, houd ze vooral voorzichtig vast. 't Is hier
+zoo druk."
+
+"Hoera, daar heb je Door. Zie ze eens loopen," zei Nel.
+
+"Dag oom, dag jongens!"
+
+"Dag Dorus," zei oom Karel, "meisje, meisje, wat heb je geloopen."
+
+"Maar Door, wat heb je nu op?" vroeg Nel.
+
+"Mijn ouden tuinhoed. Ik kon mijn schoolhoed nergens vinden. Ja,
+waar dat ding nog eens vandaan mag komen, _ik_ weet het niet," zei
+ze met een grappig wanhopig gezicht.
+
+"Kinderen, ga jullie nu vooruit," zei mijnheer Van Brakel, "oom en
+ik komen dan langzaam achteraan."
+
+"Zullen we een wedloop houden, wie 't eerst bij de brug is?"
+
+"Uitstekend," vond Nel. "Ik neem Hans; Door, neem jij Bob en Dolf
+Leni. Een, twee, drie; neen Dolf, allen te gelijk beginnen, een beetje
+achteruit. Ziezoo, nu staan we allen goed: een, twee, drie!" Daar
+gingen ze.
+
+"Gewonnen!" riep Door, nog hijgende en blazende. "Bob, jongen, steek
+je vlag op."
+
+"Als die dikke mijnheer ons niet in den weg geloopen had, waren wij
+jullie voor geweest," zei Nel, die met Hansje nummer twee was.
+
+"Dikke heer, of niet, wij hebben het gewonnen. Maar kijk Dolf eens:
+die schiet warempel niet hard op. O, ik zie het al, Leni zwoegt onder
+haar nieuwe schoenen."
+
+"Als je van zwoegen onder iets wil praten, dan zou ik zeggen, dat
+jij zwoegt onder je kostelijk mooie tuinhoedje," lachte Nel. "Je ziet
+tenminste zoo rood als een kreeft."
+
+"Eindelijk," zei Leni met een ongelukkig gezichtje, "die nare
+schoenen."
+
+"Dat was een treurige wedloop, he Leen? Jij moet je linker en rechter
+feestdag maar zoo gauw mogelijk uittrekken, als je thuis komt, dan
+vier je opnieuw feest. Maar kom, we moeten voortmaken. Pa en oom
+Karel zullen ons nog inhalen. Geef mij maar een arm, hinkelepinkje."
+
+"Doortje, is de koffer al gekomen?" vroeg Hansje.
+
+"De koffer? Nee, hoor, ten minste ik weet er niets van."
+
+"'t Is een heele groote, wel van dit paaltje tot dat."
+
+"Hij is nog veel grooter," zei Bob gewichtig, "wel zoo." Hij liep
+vooruit om aan te toonen, hoe groot wel.
+
+Hans hield zich stil, hij vond, dat Bob den koffer nu wel wat heel
+groot maakte. Maar hij vond het toch jammer dit te zeggen.
+
+"Dan ben ik toch werkelijk bang," zei Nel, die best begreep, dat Bob
+overdreef, "dat die reuzenkoffer niet bij ons de voordeur in kan en
+dus in 't geheel niet in jullie slaapkamertje kan staan. Ma zal hem
+dan zeker wel in het schuurtje laten zetten."
+
+"In het schuurtje?" Een paar verschrikte oogen keken Nel aan. "Onze
+mooie koffer?"
+
+"Ja, waar de cokes en de turf geborgen wordt."
+
+"Misschien is hij toch wel een beetje kleiner. Zou hij niet een beetje
+kleiner zijn, Bobbie?"
+
+Bob knikte. "Maar 't is toch een groote."
+
+"Moesje, daar zijn we. Oom en Vader komen achteraan."
+
+"Dag, jongens; wel, wel, wat hebben jullie mooie vlaggetjes."
+
+"Spritsje, vlagje, Mammi?" vleide kleine Fritsje.
+
+"Mag Fritsje je vlagje even hebben, Bob?"
+
+"Hoera, ma vergist zich. Dit is Hans en dat is Bob. Nu zal ik jullie
+eens even door elkaar rommelen. Niet kijken, ma." Dolf draaide Hans
+en Bob als twee tolletjes om elkaar heen. "Doet u nu de oogen maar
+weer open. Nu ...?"
+
+"Ja, jongens, dat is niet gemakkelijk. Ik geloof ... ik geloof ...,
+dat ik hier Hansje Pansje bij 't oor heb," lachte mevrouw Van Brakel.
+
+"Geraden."
+
+"Dat Hansje Pansje, Mammi?" kwam Frits met zijn lief stemmetje er
+tusschen.
+
+"Ja, kleine vent. Hansje Pansje. Nu zullen we maar eerst een boterham
+gaan eten. Jullie buikjes zijn zeker leeg en hol."
+
+Hans en Bob knikten, dat hunne bolletjes er bijna afrolden en
+natuurlijk deed Fritsjes bolletje op de maat mee.
+
+"Daar komen vader en oom Karel al aan. Door, zet gauw den grooten
+stoel met het kussen voor oom klaar."
+
+"Och, kijk eens, Bobbie, wat een aardige poes," riep Hansje. "Effentjes
+haar een kusje geven, tante?"
+
+"Zeker, geef jij Julia maar een kusje."
+
+Maar Julia had op dat oogenblik in 't geheel geen lust in een kusje
+en stapte statig den tuin in, zonder ook maar naar de jongens om
+te zien. 't Was duidelijk, dat zij zich eerst wat wilde opknappen,
+voor ze aan Hans en Bob zou worden voorgesteld. Met een sprongetje
+zat ze op de schutting en ging toen kalm haar toilet maken.
+
+Ja, Julia was een ijdel poesje.
+
+"Is ze bang, dat wij haar in den staart willen knijpen, of bij een
+achterpoot in de hoogte tillen, zooals Jaap altijd doet, tante?"
+
+"Jaap, wie is Jaap?"
+
+"Jaap harkt onzen tuin op. En als hij kikkers vindt, doet hij ze
+in een doosje. Een kikkertje spant hij er voor, dat is het paard,
+zegt hij. Bobbie en ik vinden uit rijden gaan prettig, maar niet
+als we kikkers waren. En dan met zoon kikkerpaard, dan zouden we
+zeker zeeziek worden. Want dat doosje wipt zoo, hup, hup, net als de
+kikker. Bobbie en ik hebben eens het doosje opengemaakt, toen Jaap in
+'t gras een koetsiertje zocht."
+
+"En was Jaap ook boos, toen hij het zag?"
+
+"Hij lachte. Jaap wordt nooit boos. Hij zei.... wat zei hij ook weer,
+Bobbie?"
+
+"Hij maakte het kikkerpaard los en zei: "ga maar gauw naar je
+vrindjes."
+
+"Toch aardig van Jaap," lachte Nel.
+
+"Jaap maakt ook altijd wagentjes van wortels en kransjes van
+bloemen. Dan doet hij poes en Bruno er een om. Maar die vinden dat
+niet prettig, hoor. Jaap zegt dan altijd, dat ze jarig zijn. Maar zoo
+vaak kun je niet jarig zijn. Maatje zegt, maar eenmaal in 't jaar en
+een jaar duurt heel lang, he tante?"
+
+"Zeker, heel lang, maar eet nu eerst jullie boterhammen. Vader heeft
+niet zooveel tijd."
+
+"Gaat u al zoo gauw weg, oom?"
+
+"Ja zeker, Door. Ik heb even mijn kaboutertjes hier gebracht, maar
+veel tijd heb ik niet. Maar Dorus, kind, ik begrijp niet, hoe het
+komt, maar ik kan niet zeggen, dat ik gemakkelijk op dezen stoel
+zit. Het schijnt aan het kussen te liggen. Ik zal het dingetje er
+maar even uitnemen. Wat is dat?" zei Oom, en hield Doors hoed geheel
+platgedrukt in de hoogte, "die stumperd kon zijn pleizier ook wel op
+onder het kussen."
+
+"O moeder!" Door werd zoo rood als vuur.
+
+"O, kijk eens, kijk eens, je hoed lijkt wel een vogelnestje,"
+riep Dolf.
+
+"Door, Door, zul je dan ook nooit eens een beetje netter worden,"
+zei mevrouw Van Brakel hoofdschuddend. "Reken er maar op, dat je den
+geheelen zomer met je vogelnestje moet blijven loopen. Zulke slordige
+meisjes zijn geen nieuwe hoeden waard. Waar blijft Leni toch? Dolf,
+ga jij haar eens roepen, zij is zeker weer bij het kippenhok. O,
+daar komt ze juist aan. Leni, kind, waar blijf je toch?"
+
+"O, moesje, sneeuwwitje deed zoo raar," zei Leni schreiende. "En nu
+is ze dood, ze ligt geheel stijf en de dwergjes loopen om haar heen
+en begrijpen er niets van."
+
+Hans, die juist zijn glaasje melk in de hand hield, liet het van
+schrik uit zijn handen vallen, zoodat alle melk van de tafel op zijn
+broek en vervolgens op den grond stroomde.
+
+"O, paatje, hier, hier--is een sneeuwwitje."
+
+"En--enne, ook--dwergjes," zei Bob met een hoogroode kleur.
+
+Leni, die in het geheel niet verwacht had, dat dit bericht zoo'n
+uitwerking op de tweelingen zou hebben, bleef als versteend in de
+deur staan. Moeder, vader, oom, Dolf en de meisjes barstten in een
+onbedaarlijk lachen uit. Fritsjes hoog stemmetje hoorde men gedurig
+boven alles uit.
+
+"O, mammi, Hansje Pansje glaasje melk omgesmijt. Stout Hansje Pansje,
+he mammi?"
+
+"O, houd op, ik kan niet meer," gilde Nel. "Jongens, kijk me als je
+blieft niet zoo verbaasd aan. Ik houd het niet uit. 't Is te mooi."
+
+Door rende de kamer uit om een vaatdoek.
+
+Hans en Bob keken met verwonderde gezichtjes het geheele gezelschap
+aan. 't Had er veel van, of allen een uitvoering ten beste gaven en
+Hans en Bob het publiek uitmaakten.
+
+Toen het gelach even bedaard was, zei Hans, als om zich te
+verontschuldigen, half schreiend: "maar, paatje, Leni _zei_ het toch."
+
+"Ja, ja, Leni _zei_ het ook, ventje," en weer proestte oom Karel
+het uit.
+
+"'t Is maar een kip, een witte kip," brulde Dolf.
+
+"Is er,--is er dan geen sneeuwwitje?" vroeg Hans.
+
+"En waar zijn dan de dwergjes, zijn er ook geen dwergjes?" vroeg
+Bob. Duidelijk klonk er teleur-stelling in hun stemmetjes.
+
+"Och neen, kleine vent," zei Nel, die nu toch medelijden met hen
+kreeg. "Wij noemen de krielkipjes dwergjes, omdat ze zooveel kleiner
+zijn dan de andere. Of beter gezegd, Leni geeft de kippenfamilie
+zulke mooie namen. Wij zullen jullie straks aan het heele troepje
+voorstellen. Als Leni morgen plotseling bericht, dat "Slokop dood
+in haar hok ligt" of dat "Asschepoes een ei heeft gelegd," dan gooit
+Hansje Pansje misschien van schrik een heele kan met melk om."
+
+Het koffiedrinken liep verder zonder stoornis af.
+
+"Nu, kinderen," zei oom Karel een tijdje later, "ik moet weer weg,
+hoor. Ik heb in tijden niet zoo heerlijk gelachen. Waar zijn mijn
+kaboutertjes?"
+
+"Hier, paatje," kwam er een stem uit het grasveld. "Ik zit in de
+zon voor mijn natte broekspijp en Bobbie maakt een krans voor ons
+sneeuwwitje."
+
+"Wel verbazend, jullie hebt het maar druk. Maar de tijd voor een kusje
+kan er toch zeker wel af." Toen vlogen twee aardige jongens naar hun
+paatje toe. "Dag, paatje, dit kusje aan ma brengen en dit aan Bruno,
+en dit...."
+
+"Dank je wel, als ik ze alle weggeef, blijft er voor mij zelf niets
+over."
+
+"U hebt ze toch zelf eerst een poosje mogen houden," zei Bob.
+
+"Dat is waar ook," lachte vader, "en als poes toevallig op de
+muizenjacht is en Bruno maakt een wandeling met vriend Turk, dan houd
+ik ze stil zelf, hoor."
+
+"O, oompje, dan is het goed, dat het geen appelbollen zijn, dan kreeg
+u vast een overladen maag," lachte Door.
+
+"Vind jij appelbollen misschien "onmogelijk" lekker?"
+
+"Onmogelijk, oompje," zei Door met overtuiging.
+
+"Hier, meisje, heb je dan wat van mij, dan kun je het geheele
+gezelschap op appelbollen trakteeren."
+
+"Dank u wel, hoera! Kinderen, vanavond zal een regiment appelbollen
+zijn intrede in den huize Van Brakel doen."
+
+"Met het oog op onze logetjes vind ik beter de appelbollenpartij tot
+morgen uit te stellen," zei moeder. "De kleuters moeten vanavond niet
+te laat naar bed."
+
+"Dus morgen, heerlijk," zei Nel.
+
+"Maar Bob, wat doe je toch?" vroeg Door.
+
+Bobbie, voorover in het gras liggend, zat Julia aandachtig te
+bestudeeren. Al een paar keer had hij moeite gedaan haar oogleden
+op te lichten, zoodat poes, wie deze handtastelijkheden blijkbaar
+danig begonnen te vervelen, bedaard Bob den rug toekeerde, langzaam,
+met deftige passen, om het perk met viooltjes heen stapte en toen op
+eenigen afstand van haar kleinen plaaggeest ging zitten. Ze kneep
+haar beide oogjes toe tot op een kiertje, vleide haar staartje met
+het grappige zwarte puntje keurig langs haar voorpootjes en bleef
+zoo in diep nadenken verzonken.
+
+"Effentjes kijken, hoe laat het is," antwoordde Bob.
+
+"Hoe laat het is. Denk je dan soms, dat onze Julia een horloge draagt?"
+
+"Jaap zegt," zei Bob, "dat de oogen van een poes net klokjes zijn;
+je kunt er op zien, hoe laat het is."
+
+"Ja," zei Hans, "Jaap zegt: als 't pilletje in zijn oogen als een
+recht streepje omhoog staat, is het twaalf uur."
+
+"Het pilletje? O, de pupil," gierde Door.
+
+"Nel, Dolf en Leni, hoort eens, wat onze logetjes vertellen. O,
+"onmogelijk" leuk!"
+
+"'t Is maar jammer," zei Dolf lachend, "dat de poesjes zelf zoo weinig
+pleizier van hun horloge hebben."
+
+"Maar 't is nu zeker al veel later," zei hij, naar Julia kijkend,
+die nu het heele troepje met haar ernstige oogen zat op te nemen.
+
+"Het pilletje lijkt in 't geheel niet op een recht wijzertje. Kijk,
+'t is een klein, zwart balletje."
+
+"Ja," zei Hans, "hoe laat zou het nu wel zijn? Misschien wel tien
+uur. Kijk eens, Bobbie."
+
+Bobbie knikte, hij wist het niet precies. Hij vond het een moeilijk
+geval.
+
+"Tien uur is het gelukkig nog niet," zei Nel.
+
+"We kunnen nog best een spelletje doen. Zullen we verstoppertje doen
+met verlos?"
+
+"Ja, best! Wie doet er mee?"
+
+"Ik, ik," klonk het van alle kanten.
+
+"Eerst er om raden, wie zoeken mag," stelde Door voor. "Ik zal wat
+uit mijn zak nemen. Wie het aantal raadt, mag zoeken."
+
+"Mag?" lachte Dolf. "Zoeken is toch geen pretje?"
+
+"Nu _moet_ dan," verbeterde Door. "En als niemand het raadt, ben ik
+de ongelukkige. Nu?" zei ze, nadat ze iets uit haar zak had genomen
+en Nel haar hand voorhield. "Hoeveel raad je? een, twee, drie, vier,
+vijf of zes?"
+
+"Drie."
+
+"En Leni?"
+
+"Twee," zei Leni, na zich een tijdje bedacht te hebben.
+
+"En onze loge's?"
+
+"Moeten we beiden hetzelfde raden?" vroeg Hans, die nooit zoo'n
+spelletje had mee gedaan.
+
+"Neen, ieder mag op zijn beurt raden, maar als Hans het raadt,
+helpt Bob zoeken en als Bob zoo knap is, Hans. Want zoeken is lang
+niet gemakkelijk."
+
+Gelukkig voor Hans en Bob waren ze geen van beiden zoo knap.
+
+"Dolf, nu staat het tusschen ons beiden," zei Door. "Natuurlijk raad
+jij het, dat moet je voor je zusje over hebben."
+
+Dolf lachte. "Neen hoor, zoo lief ben ik niet. Vier."
+
+"Mag ik je deze vier dingetjes laten zien als bewijs, dat je getoond
+hebt toch wel zoo'n lief broertje te zijn?" zei Door, Dolf vier
+knikkers voorhoudende.
+
+"Maar Door, wat doe jij met knikkers in je zak?" lachte Nel.
+
+"Je weet," zei Door, "dat mijn zaakjes nu eenmaal veel van stuivertje
+wisselen houden. Mijn mesje en mijn beurs ben ik al drie dagen kwijt en
+daarvoor in de plaats loop ik al meer dan een week met deze knikkers in
+mijn zak. Hoe ik er aan kom, weet ik werkelijk niet," zei ze lachend.
+
+"Ik begrijp het best," zei Nel. "Jij hebt die knikkers zeker ergens
+zien liggen en omdat je er nu eenmaal niet van houdt, dat zulke
+dingen rondslingeren, heb je ze in je zak gestoken, erg netjes,
+dat moet ik zeggen."
+
+"En ik ben het slachtoffer van Doors opruimmanie," zei Dolf. "Nu,
+ik ga tellen. Als ik vijftig roep, moet jullie verstopt zijn. Jullie
+moogt je alleen in den tuin verstoppen, niet in huis."
+
+"Een, twee," telde Dolf.
+
+Ieder vloog een kant uit. Hans en Bob stonden wel wat verlegen. "Kom
+maar met mij mee," zei Door tot Bob. "Ik kruip achter dezen struik,
+ga jij achter dien staan."
+
+"O, Door," riep Bob verschrikt.
+
+"Wat is er?" fluisterde Door, omkijkende. "O, maar Bobbie, hoe is 't
+mogelijk! Ben jij in Dolfs rooverhol gezakt? Je hadt warempel je beenen
+wel kunnen breken. St, houd je maar stil en kruip er zoo diep mogelijk
+in. 't Is het mooiste verstopplaatsje uit den geheelen tuin. Als Dolf
+dezen kant uit komt, moet je je goed bukken, dan vindt hij je nooit,
+eenig. Hoor Fox eens opgewonden zijn, zeker, omdat hij ons zoo hard
+heeft zien loopen, daar kan Fox nu eenmaal niet tegen. Als hij ons
+nu maar niet verraadt. Stil, Dolf komt dadelijk zoeken. Je zit daar
+wel leuk, hoor."
+
+"Vijftig!" riep Dolf, "Ik ga zoeken."
+
+Geen antwoord, ieder had zeker een plaatsje gevonden.
+
+"Stil toch, Fox en loop niet zoo om mijn beenen, bedaar toch wat."
+
+Maar Fox had hierin in het geheel geen lust. Als een dolleman vloog hij
+den tuin door, toen eenige malen langs het kippenhok, zoodat de arme
+dieren het bijna bestierven van angst. Daarna zou hij met een vaart
+in huis, maar werd bijtijds door Kee, met een "hallo marsch, je niet
+hier verstoppen," den tuin weer ingejaagd, zoodat hij ten laatste,
+moe van het gedraaf, een middagdutje in het grasveld ging doen.
+
+Dolf zocht en zocht, maar durfde zich bijna niet van den boom begeven,
+bang, dat de een of ander uit zijn schuilhoekje te voorschijn springen
+en naar de verlosplaats loopen zou, om het hem af te winnen.
+
+"Leni, jij staat achter het kippenhok, een, twee, drie, verlos,"
+riep hij.
+
+"Nel, neen Door, daar bij het prieel! kom maar voor den dag. Ik ken
+je aan je hoed."
+
+"Hoera, voor 't vogelnestje," juichte Nel en kwam met Doors ingedeukten
+hoed achter het prieel vandaan. "Gefopt."
+
+"Dat is flauw," zei Dolf teleurgesteld. "Wie kan dat nu ook denken."
+
+"Ja, zoo'n slim zusje heb je nu," lachte Nel, "wees maar blij."
+
+"Nu Door en de tweelingen nog."
+
+"Een, twee, drie verlos!" riep Door, toen Dolf juist den anderen kant
+was opgeloopen.
+
+"Dat heb ik je lekker afgewonnen. Wat heb je dat mooi bedacht," zei ze
+lachend tot Nel. "Waar mijn vogelnestje toch al niet dienstig voor is."
+
+"Kom, Dolf, nu de tweelingen nog," zei Nel.
+
+"He," zei Dolf lachend tot Kee, die gedurende de verstoppartij geheel
+tegen haar gewoonte in al dien tijd op de waranda was blijven staan
+kijken. "Mij dunkt, je hebt eenige rokken extra aangetrokken van
+morgen. Je schort staat heelemaal uit."
+
+"Ja," zei Kee lachend, "een rok heb ik aangetrokken, omdat het de
+eerste vacantiedag is en een, omdat Bob en Hansje gekomen zijn."
+
+"Die Kee, die Kee," proestten Nel en Door. "Of je gelijk hadt? Zoo'n
+dubbele feestdag mag wel met een paar extra rokken gevierd worden."
+
+"Maar ik moet nu eigenlijk weer aan het werk. En dan is mijn
+feestgewaad mij wel wat lastig."
+
+"Ja, dat wil ik wel gelooven," zei Dolf. "Wiens neus voel ik door Kee's
+schort heen? Mij dunkt," zei hij, de schort wat op zij schuivende,
+"mij dunkt, die van Hansje Pansje."
+
+Hansje schaterde het uit. "Was het geen mooi plaatsje? Je kon mij
+toch bijna niet vinden, he?"
+
+"Neen, hoor. Wie heeft dat wel zoo mooi bedacht?"
+
+"Kee," zei Hans.
+
+"Ik moet nu gauw naar het eten gaan kijken. 't Is maar goed, dat
+hier niet elken dag zoo'n verstoppartij is," zei Kee en liep haastig
+naar binnen.
+
+"Maar waar zou Bob nu zijn?" zei Dolf. "Die heeft zich een bijzonder
+mooi plaatsje uitgezocht, dunkt me."
+
+"Ja," zei Door, "je moet maar goed zoeken."
+
+Dolf keek achter elken struik, bij het kippenhok, in het prieel,
+tot hij op eens, achter in den tuin gekomen in lachen uitbarstte.
+
+"Komen jullie toch eens hier," riep hij. "O Bob, blijf zoo stil zitten,
+ze moeten je allemaal zoo eens zien."
+
+Nel en Leni proestten het uit, toen ze Bob in den grooten kuil
+zagen zitten met alleen zijn bovenlijf er uit. Hansje klapte in de
+handen. "O, Bobbie, wat een mooi plaatsje."
+
+"Kom er maar gauw uit, kleine vent," zei Dolf en gaf Bob een hand.
+
+"Ik stapte op de takjes en zakte op eens naar beneden," legde Bob
+triomfantelijk uit.
+
+"Je mag wel gauw je kuil dicht maken," zei Nel, "voor er ongelukken
+gebeuren."
+
+"Ja," zei Dolf, die zich wel wat schuldig voelde. "Ik was dien
+overdekten kuil heelemaal vergeten."
+
+"Ziezoo," zei Door, "nu weer een nieuw spelletje. Dolf, jongen,
+je moet weer zoeken."
+
+Wat hadden allen een pret!
+
+"Och, kijk toch eens Bobbie, wat dikke kanaries," riep Hansje verbaasd,
+toen hij voorbij het kippenhok liep en juist zou hij aan Door vragen,
+of hij eens eventjes een in de hand zou mogen hebben, toen ze geroepen
+werden, om te komen eten. Vroolijk holde het troepje naar binnen.
+
+"O, wat een bestorming, als je blieft eerst voeten vegen," zei Moeder.
+
+"Hansje Pansje glaasje melk omgesmijt, he Mammi?" begon Fritsje weer,
+toen hij Hansje zag.
+
+"Ja, ja," lachte Ma.
+
+"Mogen we na het eten de kanaries eens zien?" vroeg Bob, zoodra hij
+aan tafel zat.
+
+"O ja, de kanaries," riep Hansje opgetogen.
+
+"De kanaries?" vroeg moeder verwonderd.
+
+"O, zulke dikke, tante. In het kippenhok zijn ze, he Bob?" zei Hans
+vol vuur.
+
+Moeder lachte. "O, nu begrijp ik het."
+
+"Na het eten gaan onze logetjes een, twee, drie naar bed," zei
+vader. "Die kleine kanaries moeten nu ook slapen, anders kunnen het
+nooit groote worden. Maar morgen vroeg, als haantje kukelekaantje
+jullie wakker heeft geroepen, dan maar gauw je kleertjes aan en den
+tuin in."
+
+*****
+
+"Een, twee, drie, instappen," zei Nel, toen ze een uurtje later Hansje
+had uitgekleed en in bed tilde.
+
+"Wacht, eerst even bellen," zei Bob en greep een tafelbel, waarmee hij,
+voor Door dit verhinderen kon, luid ging bellen.
+
+Kee kwam verschrikt naar boven vliegen.
+
+"Och, lieve tijd, wat is hier te doen?" riep ze. "Toch geen ongeluk
+gebeurd?"
+
+"Gauw instappen, de trein gaat dadelijk weg," zei Bob tot Keetje,
+niet begrijpende, dat hij haar zoo had doen schrikken.
+
+Kee, die eerst van plan was boos te worden, omdat hij haar voor niets
+naar boven had laten komen, kon toch haar lachen niet bedwingen bij
+het gezicht van die twee grappige broekemannetjes. "Tuut," riep ze
+en zette den kleinen Bob in bed. "Goeie reis, hoor, goeie reis,"
+en met haar zakdoek wuivende verdween ze.
+
+Nel en Door gierden het uit.
+
+"Dumderdedumderdedum," en vier kleine voetjes trappelden, dat het
+geheele bed schudde.
+
+ * * * * *
+
+"Het zal mij benieuwen, of die dreumesjes gauw den slaap zullen
+vatten," zei Nel, toen ze beneden in de huiskamer kwam.
+
+"'k Zal eens kijken, of ze slapen," zei Door een kwartiertje
+later.--"Als roosjes, hoor!" kwam ze terug.
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+ARME HANS EN BOBBIE.
+
+
+"Zullen wij den haan maar gaan roepen?" vroeg Hansje den volgenden
+morgen. Hij stond met Bob voor Dora's bed.
+
+"Wat zeg je?" vroeg Door slaperig.
+
+"'t Haantje heeft ons niet geroepen, het is misschien ziek,"
+zei Bobbie.
+
+Nel lag te schudden in bed. Op eens begon ze te zingen: "Op, gij
+meisjes en gij knapen, kukeleku! 't is uit met slapen," en sprong
+het bed uit.
+
+"O, ik wou dat er geen hanen en geen Hansjes en Bobbies waren,"
+zei Door, half brommig, half lachend.
+
+"Op, gij meisjes en gij knapen, kukeleku! 't is uit met slapen,"
+zong Nel weer en wilde Door uit het bed trekken. "Toe, jongens,
+jullie aan den anderen kant; wacht, daar komt Leni ook aan. Heisa,
+hopsa!" Door stond buiten het bed.
+
+"Ik weet wel," zei Door, "dat ik vanavond niet naar bed ga, dan behoef
+ik er morgen vroeg ook niet uit te komen."
+
+"Of je gelijk hebt. Dat is, geloof ik, nog het allerbeste voor
+jou. Jongens, loop hier nu maar een beetje in je hanssopje rond. Zoodra
+we klaar zijn, zullen we je helpen. Of ben jullie misschien zoo knap,
+dat je je alleen kunt aankleeden?"
+
+"De kousen kunnen we wel aantrekken en de schoenen ook, maar ze dicht
+maken, dat doet Maatje altijd."
+
+"Mooi zoo, haal jullie je kleeren en begin maar vast."
+
+Bob en Hansje togen ijverig aan het werk.
+
+"Och, kijk eens, dat kousje doet zoo raar," zuchtte Bob met een
+vuurroode kleur van inspanning, nadat hij al een heelen tijd bezig
+was geweest.
+
+"O, de hiel!" schaterde Leni. "Kijk, die zit boven op den voet. 't
+Lijkt wel een leeg geldzakje. Wacht, ik zal je wel helpen."
+
+Door, Nel en Leni hadden het druk met de logetjes. 't Werd een
+wedstrijd, wie 't eerst klaar zou zijn.
+
+"'k Zou juist zeggen, mijn schortje is zeker weer op de wandeling,"
+zei Door, die overal naar dit kleedingstuk had gezocht, "maar neen,
+hoor, 't ligt kalm onder mijn handdoek. Toch grappig, dat al mijn
+spulletjes altijd zoo'n lust hebben om van 't eene plaatsje naar
+'t andere te verhuizen."
+
+"En dat ze jou nooit vooraf vertellen, waarheen ze gaan," plaagde Nel.
+
+Eindelijk waren allen aangekleed en ging ieder met een keurige
+"vacantie-kuif", zooals Leni 't noemde, naar beneden.
+
+"Goeden morgen, goeden morgen!" klonk het vroolijk, toen 't vijftal
+de huiskamer binnen kwam stormen.
+
+"Wel verbazend, kinderen, wat ben jullie vroeg," zei vader, "zoo mag
+ik het zien."
+
+"Zullen we nu eerst even 't haantje roepen?" vroeg Hans.
+
+"'t Haantje roepen?"
+
+"Zou het ziek zijn, oom?" vroeg Bob.
+
+"Waarom ziek, kleine man?"
+
+"'t Haantje heeft ons niet geroepen."
+
+"En hoe komen jullie dan zoo vroeg?"
+
+"Bobbie en Hansje hebben voor haantje gespeeld. Ze hebben Dora wakker
+gemaakt," zei Nel.
+
+"Ik was nog zoo "onmogelijk" slaperig."
+
+"Als jullie je boterham op hebt, moet je maar eens kijken, of het
+haantje wakker is," vond moeder.
+
+"Kijk toch zoo'n bedelaarstertje eens," zei Nel, toen Julia zacht
+miauwend achter op haar stoel sprong en voortdurend met haar kopje
+tegen Nels arm duwde.
+
+"Zij wil verven, zij wil verven," riep Bob; "kijk, ze gaat met haar
+staart over mijn gezicht."
+
+"Goed, dat er geen verf aan zit."
+
+"Ja, voor den staart en voor Bobbies neusje."
+
+"Jaap zegt, dat zijn poesje geverfd is, dat is heelemaal bruin, behalve
+zijn borst en zijn pooten. Bobbie en ik hebben het eens met een spons
+gewasschen, maar er kwam heelemaal geen verf aan de spons en toen heb
+ik mijn vinger nat gemaakt en over zijn kopje gestreken en afgelikt,
+maar het proefde in 't geheel niet naar verf en de schutting wel,
+toen Jaap die geverfd had. Bobbie en ik hebben daar eventjes aan
+gelikt, niets lekker, hoor!"
+
+"Brr," zei Hansje en trok bij de gedachte nog een vies gezicht.
+
+Allen schaterden het uit.
+
+"Vader zei, dat het niet geverfd, maar zoo geboren was."
+
+"Of vader gelijk had!"
+
+"Julia houdt in 't geheel niet van zoo'n waschpartij. Was dat poesje
+niet boos, krabde ze niet?"
+
+"Wel een beetje, maar Bobbie en ik hebben haar toen stijf
+vastgehouden."
+
+"Arm poesje. Lieve Hansje en Bobbie," ging Door grappig ernstig voort,
+"zie je onze Julia?"
+
+Bob en Hans knikten.
+
+"Zie je dat keurige witte overhemdje, dat zwarte snuitje, dat grappige
+staarte-puntje?"
+
+Weer knikten Hans en Bobbie.
+
+"Toen onze deftige Julia nog een heel klein Juliaatje was, had
+ze al datzelfde grappige staarte-puntje, datzelfde zwarte snuitje,
+datzelfde witte overhemdje. Onze Julia is zoo geboren. Begrijp jullie
+mij goed? Onze Julia is zoo geboren," herhaalde ze. "Onze Julia is
+dus niet geverfd. Ik zeg jullie dit alles, dat jullie haar morgen
+of overmorgen ook niet in een badkuip zult stoppen, of met je lieve
+vingers zult gaan belikken."
+
+Een schaterend gelach ging op en Dolf, die juist binnen kwam, riep:
+"leve onze Dorus, leve onze Julia!"
+
+En Fritsjes lief stemmetje klonk hier tusschen door. "Julia een lief
+poesje, he, mammi?"
+
+Julia, die blijkbaar verlegen werd onder zooveel lof, haar door Dora
+toegezwaaid, liet zich zacht van Nels schouder glijden en zocht een
+plaatsje op den hoek van den schoorsteenmantel.
+
+"Mogen we nu de kanaries eens zien?" vroeg Bob, toen 't ontbijt
+was afgeloopen.
+
+"Wel zeker, wel zeker, kom maar mee," zei Nel.
+
+"Neen, Foxje, jij kunt niet mee, je zoudt de geheele kippenfamilie
+angstig maken. Kijk, Leni is alweer bezig haar kippetjes te
+trakteeren."
+
+"Hij is toch wel wakker?" zei Bob verwonderd en wees naar den haan.
+
+"Ja, ja, ik geloof ook wel, dat hij jullie geroepen heeft; maar toen
+lag jullie nog op een oor en heb je hem niet kunnen hooren."
+
+"Dan zal ik morgen eens op geen oor gaan liggen," dacht Bob bij
+zich zelf.
+
+"Zie Slokop weer eens begeerig zijn," zei Nel, "vooruit, jou
+deugniet." Met een stok duwde ze de zwarte kip weg. "Zal ik nu eens
+zeggen, hoe deze kanaries heeten? Kuikentjes. Het zijn kindertjes van
+die groote zwarte kip, die lekkere kruimeltjes voor haar kuikentjes
+bewaart. De gele daar heet Asschepoes, de andere hanen en kippen
+zijn niet aardig voor haar. Kijk die ondeugende Schoorsteenveger en
+Wafelbakster eens, die trekken haar aan den staart," en Nel deed alle
+moeite, Asschepoes van een witte kip en een zwarten haan te bevrijden.
+
+Bob en Hans hadden pret voor tien om al die mooie namen.
+
+"En hier heb je de dwergjes," zei Leni. "Vind jullie het geen dotjes?"
+
+"Leggen die kuikentjes ook eitjes?" vroeg Hans, die zijn oogen niet
+van de diertjes af had.
+
+"Mag ik zoo'n kuikeneitje?"
+
+"Neen, de kuikentjes leggen nog geen eieren; als ze groot zijn wel
+en dan komen soms uit die eitjes weer heele kleine kuikentjes, o zoo
+beeldig. Wafelbakster en Asschepoes zijn ook zulke aardige kuikentjes
+geweest en kijk het nu eens groote kippen zijn."
+
+"Hier heb je ook nog een kuikentje," lachte moeder en zette Frits op
+Nels hoofd. Frits kraaide het uit.
+
+"Hij is geen kuikentje, maar een kraaiend haantje," lachte Nel. "Kom
+hier, Haantje kukelekaantje," en zij nam Frits op den arm. "Nu weet
+ik een mooi spelletje," zei ze. "We zetten Fritsje in den ouden
+kinderwagen, Dolf wordt zijn paard en Leni koetsier. Bob en Hans
+komen in de sportkar. Dora is hun paard en ik word koetsier."
+
+Het geheel leek wel een optocht. Als de stoet bij vader en moeder,
+die op de waranda zaten, voorbijkwam, wuifden zoowel passagiers
+als publiek.
+
+"Niet zoo wild rijden, niet zoo wild!" had vader juist geroepen,
+toen op eens, doordat Dora de bocht te kort nam, de sportkar omsloeg
+en Bob en Hansje er uit en in 't gras vielen! Groote ontsteltenis!
+Vader, moeder en Keetje kwamen dadelijk aanhollen, want beide logetjes
+hieven een erbarmelijk geschrei aan. Bobbie bloedde vreeselijk uit zijn
+neus en had zijn voorhoofd bezeerd en Hansje Pansje riep maar steeds:
+"O, mijn voetje doet zoo'n pijn."
+
+Ma droeg hem en vader Bobbie naar binnen. Hans werd op de canape
+gelegd, waarna moeder hem den schoen uit trok. Bob kreeg koude
+compressen op zijn neus. Door, die zoo wit als een doek zag, wilde
+dadelijk om den dokter gaan, maar vader vond beter nog een poosje te
+wachten. Gelukkig bedaarde het bloeden. Hansjes voet was blijkbaar een
+beetje verstuikt. 't Was wel een ongelukkig gezicht, de twee vroolijke
+kaboutertjes daar zoo te zien zitten met dikke tranen op de wangen:
+Bob met een compres op den neus en Hans met zijn voet op de canape.
+
+"Dat is een treurig begin van zoo'n vroolijken dag," zei vader.
+
+"Stil maar, jongens," troostte Door, "vanavond krijgen jullie heerlijke
+appelbollen."
+
+"Jullie weet niet, hoe goed die voor bloedende neuzen en verstuikte
+voeten zijn," zei Dolf.
+
+"En voor alle menschen, die geschrokken zijn. Och, lieve tijd, ik
+beef er nog van in mijn beenen," klaagde Nel.
+
+"Kijk eens," en Leni kwam met in iedere hand een grappig klein eitje,
+"is dat nu niet lief van mijn krielkipjes Snoetie en Toetie? Ze
+zijn dadelijk aan het leggen gegaan, toen ze hoorden, dat jullie zoo
+gevallen waart."
+
+Bob en Hans lachten door hun tranen heen.
+
+"Als ik wist, dat Toetie of Moetie"....
+
+"Snoetie, paatje."
+
+"Och, jij ook met je namen altijd. Nu, als ik wist, dat Snoetie voor
+mij ook zoo'n lekker eitje wilde leggen, dan zou ik ook wel zoo'n
+buiteling uit de sportkar willen maken."
+
+"Oompje in de sportkar," lachte Hans.
+
+Daar kwam Kee de kamer in stormen. Kee stormt altijd, langzaam loopen
+kan ze niet, want Kee heeft altijd haast. "Kijk eens," zei ze en bracht
+Hans en Bob ieder een schoteltje roode bessen. "Hoe vinden jullie
+dat? Als je die op hebt, ben je, dat durf ik wedden, weer geheel
+beter. Heb ik ze niet keurig gerist? Ik moest eigenlijk mijn kachel
+poetsen, maar nee, dacht ik, eerst zal ik die wurmen een verfrisschend
+hapje brengen. Door of Nel moeten er maar wat suiker op strooien. Kom,
+die leelijke tranen neem ik mee naar de keuken," zei ze en veegde,
+wel een beetje hardhandig, Bob en Hansje de tranen af. En voor de
+beide jongetjes nog iets hadden kunnen zeggen, was Kee verdwenen.
+
+"Heeft jij jouw been gebreekt? Kun je niet meer loopen?" Onderzoekend
+keek de kleine Frits naar Hansjes been.
+
+"Beweeg het eens." Hans deed het heel voorzichtig.
+
+"Doet het pijn, als jij jouw voetje beweegt?"
+
+Hans knikte: "een beetje."
+
+"Ik is niet gevallen," zei hij toen met voldoening. "Mag ik eens zien,
+of er nog bloed uit jouw neusje komt?" vroeg hij, vol belangstelling
+naar Bobbie kijkende.
+
+Bobbie deed even den zakdoek voor den neus weg.
+
+"O, mammie!" Fritsje week verschrikt een paar passen achteruit. "O,
+mammi, allemaal rood op Bobbies zakdoek!"
+
+"Kom maar gauw hier, mijn kereltje", zei ma. "Hans en Bob zullen wel
+gauw weer beter zijn."
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+DE APPELBOLLENPARTIJ.
+
+
+"Een brief, een brief!" Met deze woorden kwam Door eenige uren later
+de kamer binnenstormen.
+
+"Voor wie?" klonk het als uit een mond en Nel strekte haar hand al
+verlangend uit.
+
+"Mis, juffertje. Hij is voor Bobbie en Hansje."
+
+"Een brief, o Bobbie, zeker van maatje."
+
+"Of van vader, want paatje heeft ons er eentje beloofd."
+
+Door moest den brief laten kijken.
+
+"Ook een postzegel er op?"
+
+"Ja, 't is geen kleinigheid," lachte Nel, de verrukte gezichtjes
+ziende.
+
+"Zal ik hem voorlezen?" vroeg Door.
+
+"Begin maar gauw," riep Hans.
+
+"Ook wat er buiten opstaat," vond Bob.
+
+"Aan Hans en Bob, gelogeerd bij hun oom, mijnheer Van Brakel te
+Westerkerke.
+
+"Lieve kaboutertjes. De kusjes heb ik gegeven."
+
+"Van Paatje," zei Bob.
+
+"Ma," las Door, "op elken wang een. Bruno's snuit heb ik in mijn hand
+genomen en Miekies zacht pootje even gedrukt. Jelui weet niet, hoe
+stil ma, Bruno, Miekie en ik het vinden, nu onze kaboutertjes er niet
+zijn. Bruno zat gisterenmorgen voor jullie slaapkamertje geduldig te
+wachten. Ma en ik lieten hem stil begaan. Wij wilden eens zien, wat
+hij zou doen. Na een tijd rustig gewacht te hebben, begon hij zacht
+te janken. O, het klonk zoo bedroefd en steeds keek hij naar de kruk
+van de deur. Daarop begon hij te blaffen en zoowaar aan de deur te
+krabben. Toen riep ik hem. "Die ondeugende kaboutertjes! Willen ze de
+deur niet open doen?" zei ik. Bruun kwispelstaartte uit alle macht,
+liep van de slaapkamer naar mij en van mij naar de slaapkamer, en
+keek mij met zijn trouwe, bruine oogen zoo smeekend aan, alsof hij
+zeggen wilde: doe nu toch die nare deur open, ik kan toch niet door
+'t sleutelgat. "Kom dan maar," zei ik, en toen was Bruun niet te
+houden, hij sprong tegen mij op, likte mijn handen en blafte, dat
+hooren en zien je verging. Met een vaart rende hij de slaapkamer in,
+maar bleef op eens verbaasd staan, toen hij die leeg vond. Alles werd
+besnuffeld, hij begreep er niets van. Zijn mooie pluimstaart, die even
+te voren nog zoo vroolijk wapperde, hing nu sluik neer. "Arme hond,
+zijn ze weg?" zei ik. Nog eens liep hij de kamer rond, snuffelde onder
+'t bed en liep toen langzaam naar de huiskamer.
+
+Ma troostte hem met een stukje hondekaak en een hompje kaas. Na
+'t ontbijt zijn ma en ik een flinke wandeling met Bruno gaan doen.
+
+Ma wilde Miekie, geloof ik, ook wel mee hebben, omdat ze het zoo
+stil vond zonder haar ventjes, maar dat ging natuurlijk niet. Toen we
+den hoek van de straat omsloegen, kwamen we Pollo tegen. Dat was een
+vroolijke ontmoeting tusschen Bruun en hem. 't Was, alsof ze elkaar
+in jaren niet gezien hadden. Daarna liepen ze een tijdje rustig naast
+elkaar. Het scheen wel, dat Bruno vertelde, dat jullie weg waart en
+ik denk, dat Pollo hem zoo goed mogelijk getroost heeft, tenminste
+even later renden ze uitgelaten over 't weiland. De schapen, die daar
+liepen, wisten zich van angst niet te bergen. Een klein lammetje
+drukte zich stijf tegen zijn moedertje aan en blaatte zoo innig
+bedroefd. Daar vloog Pollo over een sloot, Bruun hem achterna. En toen,
+o mijn kaboutertjes, als jullie dat gezien hadt! Pol stond aan den
+kant van de sloot juist eventjes uit te blazen, met de tong uit zijn
+bek, want geloof maar, dat hij moe was, toen een dikke kikker, zeker
+door Bruno opgejaagd, boven op Pollo's tong sprong. Ma en ik wisten
+werkelijk niet, wat er gebeurde, zoo'n spektakel maakte Pollo op eens.
+
+Hij rolde zich om en om op 't gras, de vier pooten in de hoogte,
+en het had niet veel gescheeld, of hij was in de sloot gevallen. Nu,
+zoo'n bad was misschien wel goed geweest voor den schrik."
+
+"O, die kikker," schaterde Dolf. "Hij zag Pollo's tong voor een
+rozeblaadje aan."
+
+"Ja, of voor een vischje," lachte Nel.
+
+"O, eenig, eenig!" proestte Door. "Maar stil, laat mij nu verder
+lezen."
+
+"Na dit kikker-avontuur waren onze wandelgenootjes kalm en gehoorzaam.
+
+En hoe Miekie het maakt? Ik geloof, dat ze vast van plan is jullie
+een briefje te schrijven en ze mij de kunst nu wil afzien. Viermaal
+heb ik haar al van dit velletje postpapier afgezet, maar telkens komt
+zij weer terug, zoodat ik haar nu maar laat zitten. 't Is een klein,
+nieuwsgierig poesje en jullie weet, als Mieke eenmaal een plannetje
+heeft, dan laat zij dit niet varen.
+
+Op dit oogenblik loert ze op mijn penhouder. Steeds gaat haar kopje
+van links naar rechts. O wee! een letter met drie krullen, dat is
+Miekies schuld: die wilde met haar pootje den penhouder grijpen. 't
+Is maar goed, dat mijn praatje uit is. Het zal mij eens benieuwen,
+wanneer zij jullie gaat schrijven, maar dan ga ik er ook bij zitten,
+dat weet ik wel, die deugniet!"
+
+"Dan gaat oom zeker ook op het postpapier zitten," lachte Dolf.
+
+"Heel veel kusjes van moes, van Bruno een poot, van Mieke een hoogen
+rug en duizend kusjes van paatje.
+
+Hoe hebben de appelbollen gesmaakt? En vraag aan Leni, of de
+dwergjes nog bedroefd zijn. Vooral de groeten aan oom, tante en
+alle kindertjes."
+
+"Is hij nu uit?" vroeg Bob.
+
+"Ja, is het geen onmogelijk lange brief?"
+
+Door moest den brief nog eens en nog eens voorlezen, vonden Leni,
+Bob en Hansje. Op 't laatst kenden ze hem bijna van buiten.
+
+"Boven aan het blaadje staat het verhaal van den kikker, he
+Door?" vroeg Hans.
+
+"En daar onder-aan dat van Mieke?"
+
+"Mammi, waar is de kikker nu?" vroeg Fritsje.
+
+"Ik denk, dat hij nu weer vroolijk door het water springt of over
+'t land. Och, och, wat zal dat arme kikkertje geschrikt zijn, toen
+het zag, dat het verdwaald was."
+
+"En hoe verdwaald!" lachte Dolf.
+
+"'t Was maar goed, dat Pol geen ooievaar was, want die had het
+kikkertje stellig opgepeuzeld."
+
+"Brr!" Fritsje schudde zijn krullebol. "Ik vind kikkers niet lekker,
+Mammi wel?"
+
+"Neen hoor, ik eet liever appelbollen."
+
+"En ik, en ik," riepen Leni en de anderen.
+
+"Hoera! Vanavond appelbollenpartij!"
+
+"En hoe is 't nu met de patientjes? Zouden jullie vanavond wel trek
+hebben in een appelbol?" vroeg mevrouw Van Brakel.
+
+"Mijn voetje doet bijna niet meer zeer, heusch niet."
+
+"En mijn neus, kijk, er komt geen droppel meer uit."
+
+"Dat dacht ik wel," zei Door. "Brieven zijn zoo goed voor verstuikte
+voeten en bloedende neuzen."
+
+"Ja, en vooral zulke lange," lachte Nel.
+
+"Ramplamplan, daar komen wij an. We hebben geen schoenen of kousen
+meer an," kwam Dolf dien avond de kamer instappen, een groot bord
+met appelbollen op zijn hoofd balanceerende.
+
+"O, jongen, denk om het porseleinen bord," riep mevrouw Van Brakel.
+
+"En om onze heerlijke appelbollen," lachte pa. "Als ze over den grond
+rollen, wil niemand ze meer hebben."
+
+"Ik wel, ik wel," riepen Leni, Hans en Bob.
+
+"Dan zal ik ze maar gauw neerzetten," zei Dolf, "want als jelui in
+dat geval alle appelbollen samen op ging peuzelen, dan hadden we
+morgen drie zieke kinderen, en dat zou wel zonde en jammer zijn van
+de heerlijke vacantie."
+
+"Hoera voor de vacantie!" riep Nel en stak een oogenblik later een
+appelbol op haar vork in de hoogte.
+
+"Hoera voor oom Karel!" juichte Door en deed hetzelfde.
+
+"'t Lijkt wel, dat er wijn in de appelbollen zit, zoo opgewonden
+worden jullie," zei vader. "Ma, geef me nog maar eentje: die dingetjes
+smaken uitstekend."
+
+"Ja, ze zijn onmogelijk lekker," beaamde Dora. Hans, Bob en Leni
+hadden het veel te druk met hun bol om iets te zeggen.
+
+"Komt, kinderen, het klokje van gehoorzaamheid heeft geslagen,"
+zei moeder, en een half uur later: "Fritsje ligt al lang in bed."
+
+"Fritsje is ook nog zoo klein," zei Hans. Hij vond het zeker wel wat
+kinderachtig, bij Fritsje vergeleken te worden.
+
+"Ja zeker," lachte ma, "maar ik geloof toch, dat het zandmannetje al
+even bij Hansje Pansje op bezoek is geweest."
+
+Een oogenblik later werden Leni en de tweelingen door Nel en Door
+naar bed gebracht.
+
+"Kijk eens even, of het kussen ook tegen mijn ooren aankomt," zei
+Bobbie tot Door, die hem had uitgekleed.
+
+"Tegen je ooren?" vroeg Door verwonderd.
+
+"Ja, kun je ze goed zien?"
+
+"Niet zoo heel goed," lachte ze, "ze spelen zoo'n beetje verstoppertje,
+dunkt me."
+
+"Zou ik den haan zoo dan niet kunnen hooren?"
+
+Toen barstte Door in lachen uit. "O, wacht maar eens," en ze drukte
+het kussen flink plat, zoodat heel Bobs bolletje als een kaatsbal
+boven op het kussen kwam te liggen. "Nu maar goed luisteren morgen
+vroeg. Wel te rusten, kindertjes."
+
+"Toe, Nel, ben je nu nog niet klaar?" bromde ze. "Je bent een echte
+treuzel."
+
+"Ik moet nog even Hansjes pakje opvouwen."
+
+"Wat valt er nu aan zoo'n jongenspak op te vouwen? Ik heb Bobbies
+kleeren...."
+
+"Ja, hoe jij Bobbies kleeren opbergt, daar weet ik alles van: Hij
+heeft gisteren den geheelen dag met een kouseband geloopen. Waar die
+andere nu weer is, begrijp ik niet."
+
+"O, ja, eenig," gierde Dora. "Verbeeld je, Bob had er twee aan zijn
+rechterbeen. Of ik zijn spulletjes ook goed opberg, he?"
+
+Nu moest Nel toch ook lachen en gearmd gingen beiden naar beneden
+naar de huiskamer.
+
+"Alweer een dagje om, ma," zei Nel, toen ze dien avond met Door naar
+bed ging.
+
+"Ja, ja, vrouwtje, maar er komen er nog veel, moet je maar denken."
+
+"En als dan het zonnetje van binnen en van buiten schijnt, dan zingen
+we," zei vader lachend: "'t Is vacantie, 't blijft vacantie...."
+
+"Hoera, vacantie boven!" vielen Door en Nel in.
+
+"Nacht vader, nacht moes!" En zingende gingen, ze naar boven.
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+DE VERDWAALDE DWERGJES.
+
+
+"Er zijn dieven," fluisterde Nel aan Doors oor, want hard praten
+durfde ze niet.
+
+Door, nu op eens wakker, zat kaarsrecht in bed.
+
+"Hoor je 't?" fluisterde Nel.
+
+Door knikte. De angst benam haar bijna den adem.
+
+"Zullen we vader en moeder roepen?" fluisterde Nel weer.
+
+"'k Durf niet," kwam bijna onhoorbaar uit Doors mond.
+
+"Ik ook niet," klonk het wanhopig naast haar.
+
+"Luister eens. 't Is precies, of ze met sleutels rammelen," zei ze
+en kneep Door van angst in den arm.
+
+"Ik durf onmogelijk opstaan," kermde Door. "Mijn mooien armband heb
+ik gisteren op tafel laten liggen; dien nemen ze natuurlijk mee en
+Fritsjes zilveren kroesje en de lepels en vorken! O, 't is vreeselijk,"
+zuchtte ze. "En mijn ringetje ligt, geloof ik, op den inktpot. Sst, wat
+zijn ze nu stil. Misschien steken ze het wel aan een van hun vingers."
+
+"Het zal hun toch wel niet passen," zei Nel geruststellend.
+
+"Om de pink wel," snikte Door.
+
+"'t Is precies, of ze hierheen komen," fluisterde Nel en kroop stijf
+tegen Door aan.
+
+"Maak toch zoo'n leven niet."
+
+"Konden we maar dood liggen, zooals Foxje."
+
+Weer was 't even stil in de voorkamer.
+
+"Ik probeer 't," zei Nel kordaat.
+
+"Wat?"
+
+"Ik houd het hier niet langer uit."
+
+"Nel, hoe durf je! Ik laat je niet alleen gaan," zei Door, toch alles
+behalve moedig.
+
+Heel voorzichtig, met ingehouden adem, liet Nel zich uit 't bed
+glijden. Door volgde klappertandend....
+
+"De deur staat op een kiertje," fluisterde Door.
+
+Als twee angstige vogeltjes tegen elkaar aangedrukt, stonden Nel en
+Door in de gang en trachtten door de deuropening te kijken.
+
+"Zie je iemand?" fluisterde Door tot Nel, die vooraan stond.
+
+"Niemand."
+
+"Ze zullen onder de canape gekropen zijn."
+
+"Ik ga eens kijken," zei Nel moedig.
+
+"Ik zie niemand," zei ze, op haar buik liggende.
+
+"Kijk eens op 't inktstel naar mijn ringetje."
+
+"'t Ligt er nog" zei Nel, steeds moediger de kamer rondkijkende.
+
+"Ligt het er nog?" Door was een en al verbazing. "Hoe is 't mogelijk;
+dieven zijn anders dol op goud."
+
+"Misschien zijn ze boven op de kast gekropen," begon Door weer,
+nu half in de kamer staande.
+
+"Op de kast?" vroeg Nel ongeloovig, terwijl ze voorzichtig het
+tafelkleed oplichtte.
+
+"Ja zeker, op de kast. Als iets weg is, kan het overal zijn, zegt
+ma altijd."
+
+"Je denkt zeker aan je haarlintje of je handschoenen, die ook altijd
+zoek zijn. St.--hoor je dat?" Nel stond stijf van schrik.
+
+Door keek haar met groote oogen aan en durfde geen voet verzetten.
+
+"Daar hoor ik 't weer," zei Nel, nog steeds op dezelfde plaats
+staande. "Maar--maar--ik geloof--dat--ja nu hoor--ik--het--duidelijk,"
+riep ze opgewonden....
+
+"'t Is ... een vogel!"
+
+"Een vogel?" Door wist niet, wat ze hoorde. "Een vogel?" herhaalde ze
+hoogst verwonderd en stond eensklaps midden in de kamer, naar alle
+kanten kijkende en luisterende. "Ja, je hebt gelijk, nu hoor ik het
+ook en heel duidelijk zelfs."
+
+"Hij zit stellig in den schoorsteen."
+
+"Neen, dat geloof ik niet, hij zit in de kachel. Die stumper kan zijn
+pret ook wel op."
+
+"Ja, werkelijk, arm dier," zei Nel.
+
+"Wat wil je doen?" voeg Door, toen Nel naar het raam liep.
+
+"Het raam open schuiven; dan kan hij dadelijk naar buiten vliegen. Het
+zal wel een verdwaalde kraai of spreeuw zijn."
+
+"Uitstekend," vond Door. "Nu zal ik het kacheldeurtje open zetten,
+let op, een, twee, drie--rustverstoorder."
+
+Werkelijk vloog een jonge spreeuw er uit, keek even met zijn aardige
+glinsteroogjes verbaasd rond, zag het open raam--en was verdwenen.
+
+"Kom eens gauw kijken, daar zit hij, daar zit hij," riep Nel
+opgetogen. "Zie hij 't eens druk hebben en de veertjes glad strijken,
+zoo'n ijdeltuitje.--Dag plaaggeest!"
+
+"Wat een geluk, dat het zomer is en er geen vuile stukken cokes en
+asch in de kachel liggen. Wat draait hij met zijn kopje; het heeft
+er veel van, dat hij zijn avontuur in geuren en kleuren aan die twee
+dikke spreeuwen naast hem zit te vertellen."
+
+"Dan zullen die twee ouwetjes wel hun kopjes schudden, als ze hooren,
+hoe hij ons heeft beet gehad," lachte Door.
+
+"En jouw netheid zal nog van de daken der huizen verkondigd worden,"
+zei Nel.
+
+"Maar kom, ons diefje heeft zijn vrijheid terug; ik kruip nu nog
+lekker een paar uurtjes in bed."
+
+"En ik," zei Nel geeuwend. "Brr, wat een nacht."
+
+Na een kwartiertje waren beide heldinnetjes in zoete rust.
+
+Aan het ontbijt vertelden Door en Nel met veel ophef, wat ze vroeg
+in den morgen hadden ondervonden en werden braaf uitgelachen. Leni en
+de tweelingen zaten met open mond te luisteren en moesten natuurlijk
+de kachel van alle kanten bekijken, alsof daar heel wat bijzonders
+aan te zien was. En Nel en Door moesten den boom wijzen, waarin de
+spreeuw gezeten had. Het drietal raakte niet uitgevraagd.
+
+"St, zacht loopen," zei Leni dien middag, terwijl ze met de tweelingen
+naar den zolder ging. "Kijk, in den koffer zijn de kleeren, geloof
+ik. Jullie moet mij eventjes helpen met de doozen, ze zijn zoo
+zwaar." Met veel moeite gelukte het hun, met hun drietjes de doos op
+te lichten.
+
+"O, Bob," juichte Hans, toen Leni het deksel van den koffer had
+opgetild. "Kijk eens, een rood mutsje en een grijs. En wat is
+dat?" vroeg hij, een met zilverpapier beplakte kroon in de hand
+houdende.
+
+"Dat is de kroon, die Nel op gehad heeft, toen ze voor Asschepoes
+heeft gespeeld," legde Leni uit. "Maar voorzichtig, jelui moet er nu
+niet alles uit halen. Ik zal eerst eens kijken, waar de pakjes van
+de dwergjes zijn."
+
+"O, Leni, worden wij dwergjes?" Hans klapte in de handen van pleizier.
+
+"Daar heb ik al een pakje; hoe vinden jullie dat?"
+
+"Is dat voor mij?"
+
+"Ja, trek je schoenen maar uit, of neen, het pijpje is nogal wijd. Ga
+maar op deze kist zitten, dan zal ik je wel even helpen."
+
+"Zou het niet te groot zijn?" vroeg Hans.
+
+"Een beetje misschien wel, maar dat is niets. Zulke pakjes zitten
+altijd nogal ruim," voegde zij er vertroostend aan toe.
+
+"Wat mag ik aan hebben?" vroeg Bob, die, met de zilveren kroon van
+Asschepoes op zijn aardigen krullebol en een papieren sabel om,
+verlangend in den koffer keek.
+
+"Jij krijgt dat grijze pakje aan; tweelingen moeten toch gelijk
+gekleed zijn."
+
+"O ja dan zal ik mijn sabel zeker maar afdoen."
+
+"Ja," zei Leni, druk bezig Hansje een rood puntmutsje op te
+zetten. "Klaar! Nu, wat zeg je er van? Is 't niet leuk?" Hans knikte
+lachend. "Wacht, je moet nog den leeren riem om hebben, die zal ook
+wel in den koffer zijn. Hoera, daar is hij al! Jammer, dat hier geen
+spiegel is, dan kon je je zelf eens bekijken."
+
+"Hebben dwergjes dan spiegels?"
+
+"O, neen, 't is eigenlijk veel beter, dat er hier geen is, want
+dwergjes bezitten die niet."
+
+"Stil, wat is dat? Daar is iemand aan de deur, geloof ik," zei Leni
+verschrikt. "Gauw, Hans, kruip achter dezen koffer. Bob, verstop je
+gauw." Voorzichtig deed Leni de deur open en verrast bleef ze staan,
+toen Julia zacht miauwend met hoogen rug langs haar streek en in twee
+sprongen op een koffer stond.
+
+"O, jou klein, nieuwsgierig poesekopje, om mij zoo verschrikt te
+maken! Kom maar weer uit je schuilhoekje, jongens. 't Is Julia en
+die verklapt ons niet."
+
+"Help je mij even? Ik kan niet in de tweede pijp komen."
+
+"Een, twee, drie, hopsa," zei Leni. "Past het niet mooi? Wacht, hier
+is het een beetje te wijd, maar dat is niets, daar komt de ceintuur
+over heen. Nu je puntmuts nog. Prachtig!" riep ze opgetogen. "Wat
+zullen allen kijken, als jullie beneden komt. Ga beiden nu maar op
+deze kist zitten, dan zal ik mij ook verkleeden. Oef, wat is 't hier
+warm. Ik zal het raam open zetten."
+
+"Word jij ook een dwergje?" vroeg Bob.
+
+"Drie dwergjes," lachte Hans.
+
+"Maar dat kan toch niet, want dan ben jij een groote dwerg en dwergjes
+zijn altijd klein."
+
+"Zijn er geen groote dwergen?" vroeg Hans.
+
+"Zijn er nooit pa-dwergjes?"
+
+"Jawel," zei Leni; "want dwergen dragen immers baarden. O ja, dat is
+waar ook, jullie moet ook nog de baarden om hebben."
+
+En half uitgekleed, zocht ze weer in den koffer. "Ik kan ze nergens
+vinden, dat is jammer, maar zoo zijn jullie toch ook mooi."
+
+Dat vonden Hans en Bob ook.
+
+"Ik wordt sneeuwwitje," zei ze.
+
+"Als deze koffer van glas was," zei Hans, "dan moest jij daarin gaan
+liggen en konden wij je dragen."
+
+Leni lachte.
+
+"St! daar roept ma mij, geloof ik. Hoe jammer!" Haastig trok ze haar
+jurk weer aan.
+
+"Stil blijven zitten, hoor! Ik kom gauw terug."
+
+'t Was een grappig gezicht, die twee aardige ventjes met hunne roode
+puntmutsjes op de kist te zien zitten tusschen allerlei koffers,
+doozen, manden enz.
+
+"O wee, kijk Julia eens," zei Hans even later. "Zij wil, geloof ik,
+op het dak gaan en dat mag niet. Juul, Juul, Juul!" riep hij, zoo
+hard hij kon.
+
+"Misschien is zij bang voor ons, omdat we nu op dwergjes lijken."
+
+"Als ze op het dak komt, gaat ze vogeltjes vangen," zei Hans wanhopig.
+
+Weer riepen beide kinderen zoo hard ze konden, maar poes stoorde zich
+er in 't geheel niet aan en stapte kalm het raam uit.
+
+Bob en Hans vergaten heelemaal wat Leni gezegd had. Beiden liepen
+naar het raam om te kijken, waar poes gebleven was.
+
+"Zie je haar?" vroeg Bob aan Hans, die 't meest vooraan stond.
+
+"Ja, ze loopt in de goot."
+
+"Och, die arme vogeltjes. Als poes ze ziet, eet zij ze op."
+
+"Wat zou ze doen, ze zit zoo stil als een muisje."
+
+"O Bobbie, misschien ziet ze al een vogeltje. Ik ga haar in den staart
+knijpen. Jaap heeft mij verteld, dat, als je een poes, die loert,
+in den staart knijpt, ze het vogeltje of muisje niet kan krijgen."
+
+"Laten we dan dadelijk gaan. Ze zit nog steeds op hetzelfde plaatsje."
+
+Beiden stapten toen voorzichtig in de goot. Bob vooraan, voetje voor
+voetje, gingen ze op poes af.
+
+Julia bemerkte eerst niets, maar toen Hans en Bob op ongeveer vier
+passen genaderd waren, scheen ze onraad te bespeuren, tenminste ze
+verliet haar plaatsje en liep verder.
+
+"O, Hans, als wij haar nu maar kunnen krijgen," zei Bob half
+schreiend. "Stil, daar zit ze weer, misschien heeft ze ons nog niet
+gezien. Niet praten," zei hij, toen Bob weer iets wilde zeggen.
+
+Ondertusschen was Leni weer op den zolder terug gekomen. Ze keek
+vreemd op, toen ze de tweelingen niet op de kist zag zitten.
+
+"Jullie deugnieten, heb je je verstopt?" zei ze lachend. "Ik zal je
+wel vinden." Vroolijk zingend ging ze zoeken. "Hans, Bob!" riep ze
+eenige keeren, toen zij ze niet vond.
+
+"Misschien zijn ze in slaap gevallen," dacht ze toen. "Maar dan moeten
+ze hier toch zijn. Wat is dat? Julia ook weg? O wee, het raam! Zou
+Julia op het dak zijn gegaan?" Op eens kreeg ze een vreeselijken
+schrik. "Als-als-de tweelingen...."
+
+Leni holde naar beneden. "Ma--vader--Bob en Hansje zijn nergens te
+vinden en Julia is op het dak."
+
+"Kom, kom, kleine meid," zei pa, "Julia zal wel gauw terugkomen;
+ze vond het zeker frisscher op het dak dan op den zolder. Ze zal zoo
+gauw geen ongeluk krijgen."
+
+"Och ja, maar ... paatje, Hans en Bob zijn er ook niet."
+
+"Hans en Bob zijn toch geen poesjes, die zijn toch niet op het dak
+geklauterd? Kom, kom, vrouwtje, maak je toch zoo angstig niet. De
+bengels zullen zich zeker verstopt hebben."
+
+"Ik heb ze overal gezocht," zei Leni, nu wel een beetje gerustgesteld.
+
+Ze gingen zoeken boven. Maar toen niemand ze vond, maakte een
+vreeselijke angst zich van hen meester. Er was geen twijfel
+meer aan. Bob en Hans waren op het dak geklommen en naar beneden
+gevallen. Allen zagen lijkwit. Plotseling werd er hevig gebeld
+en stonden ze stijf van schrik. Ieder verwachtte nu te hooren,
+wat ze zoo zeer vreesden. Kee kwam naar boven hollen en vloog
+vader bijna omver, die juist naar beneden wilde. "Ze--ze--"
+stotterde ze,--"ze--zitten--daar," en Kee wees met den vinger,--"daar
+gunder--op het--dak.--De slagersjongen kwam--het mij--zeggen"--hijgde
+ze,--"och, die wurmen, die wurmen! Het--staat--daar vol menschen, de
+politie--is er ook, och hemeltje--och, och! Enne, die kan--niet bij
+ze--komen, omdat de menschen--die--daar wonen--uit--de stad zijn. Die
+stakkers! Wat ze--aan hebben, weet ik niet, maar--ze zien er heel
+gek--uit--zegt de slager."
+
+Allen holden naar beneden. Mevrouw Van Brakel kon van schrik bijna
+geen voet verzetten.
+
+Ja waarlijk, een huis of zes verder zaten boven op het dak, als twee
+parkietjes, Hans en Bobbie.
+
+Intusschen had de politie van de buren den sleutel gehaald en was
+een agent naar boven geklommen. Een algemeene kreet van blijdschap
+ging op uit de volksmenigte, toen ze den agent op het dak zagen. En
+een oorverdoovend hoera brak los, toen hij met Hans, en mijnheer
+Van Brakel, die den agent gevolgd was, met Bob weer uit het huis
+kwamen. Mevrouw Van Brakel schreide en lachte te gelijk en geen van
+hen wist van blijdschap wat te doen.
+
+"Kindertjes, kindertjes," zei mevrouw Van Brakel, toen men een beetje
+van den schrik bekomen was, "hoe kwamen jullie er toch toe?"
+
+"Heeft ze een vogeltje gepakt, tante?" vroeg Hans.
+
+"Een vogeltje gepakt? Wie wilde een vogeltje pakken?"
+
+"Julia," zei Bob, en toen vertelde hij alles. "lederen keer, als ik
+haar staart wilde grijpen, liep zij verder en op 't laatst zagen wij
+Julia nergens meer."
+
+"En waarom liepen jullie toen niet terug?" vroeg Nel.
+
+"Wij durfden ons niet omdraaien. Wij wisten ook heelemaal niet, hoe
+ver we geloopen waren." En op eens barstte Hans in een zenuwachtig
+schreien uit.
+
+"O, we waren toch zoo bang."
+
+"Jullie kleine, domme kereltjes," zei mijnheer Van Brakel
+troostend. "Wisten jullie nu nog niet, dat dwergjes op den grond
+hooren en niet op het dak?"
+
+"O, daar heb je de schuldige," zei Door, toen poes de kamer binnen
+kwam. "Poesje, poesje, je hebt wat op je geweten. Wat heb jij ons
+een onmogelijken angst bezorgd."
+
+"Ja, gelukkig, dat dit alles nu weer voorbij is," zei mevrouw Van
+Brakel.
+
+"Ter eere van den goeden afloop mag Fritsje een balletje aan onze
+dwergjes presenteeren en de andere kinderen mogen mee snoepen."
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+EEN DAGJE BUITEN.
+
+
+"Kinderen," zei mijnheer Van Brakel eenige dagen later, "nu heb ik
+een mooi plan. 't Is zulk prachtig weer, wat denken jullie er van,
+als we eens een groote wandeling gingen maken?"
+
+"Heerlijk, leuk!" klonk het van alle kanten.
+
+"Nu, over een uurtje verwacht ik, dat alles klaar zal zijn, hoor."
+
+"Meisjes, jullie moet mij dan maar flink helpen. Want er moeten heel
+wat boterhammen gesmeerd worden," zei moeder. "Dolf, jongen, maak jij
+de sportkar eens keurig schoon, want voor Fritsje moeten wij die wel
+meenemen en Bob en Hans zullen ook wel eens willen rijden."
+
+Ma en Door gingen de boterhammen smeren. Leni bracht papier aan, de
+tweelingen zorgden voor de touwtjes, Nel pakte alles in en Fritsje
+bracht ze naar de sportkar.
+
+"Hoe staat het er mee?" vroeg vader, op zijn horloge ziende. "Het
+wordt tijd."
+
+"We zijn klaar, vader," zei Nel.
+
+"Mooi zoo, dan maar opgemarcheerd, marsch."
+
+"Mag Foxje mee?"
+
+"Zeker."
+
+Toen Fox zijn naam hoorde noemen, was hij uitgelaten van
+blijdschap. Als een pijl uit den boog vloog hij vooruit, rende weer
+terug, sprong dan tegen dezen, dan tegen dien op en was zoo dol, dat
+het niet veel gescheeld had, of hij had Fritsje in zijn blijdschap
+omgegooid.
+
+"Koest, Fox, koest, we weten wel, dat je blij bent," zei Dolf,
+"maar als je zoo begint te rennen, hou je het nooit uit."
+
+"Wat is het toch heerlijk buiten," zei moeder.
+
+"Mij dunkt, we gaan de hei over en dan straks bij vrouw Pruim een
+glaasje melk drinken."
+
+"O, ja," zei Leni, "misschien heeft ze wel weer een ziek geitje,
+zooals den vorigen keer."
+
+Vader begon hartelijk te lachen.
+
+"Je wenscht vrouw Pruim ook niet veel goeds toe, kleine meid."
+
+Leni lachte verlegen. "Och ja, vader, maar u weet ook niet, hoe goed
+vrouw Pruim haar ziek geitje oppaste."
+
+"Dan moeten wij eens gauw gaan kijken, maar als jelui mij vraagt,
+dan zie ik liever een gezond dan een ziek geitje."
+
+"Leni vindt zieke dieren altijd veel aardiger," zei Nel plagend,
+"omdat ze die dan flink verwennen en vertroetelen kan. Was ik nu
+maar een zieke kikvorsch of een half doode spreeuw," zei ze grappig
+wanhopig, "wat zou mijn zusje mij dan allerlei lekkere hapjes brengen."
+
+"Ja, ja, je bent me een stumperd," lachte Dolf, "en zoolang je
+nog zoo'n verbazende massa boterhammen verslindt, vrees ik, dat er
+vooreerst van jou geen sprake zal zijn."
+
+"En tot kikker zul je 't zeker wel nooit brengen," zei Door, "want
+in plaats van in het water te springen, bleef jij 't liefst aan den
+kant staan."
+
+"En jij niet tot spreeuw," plaagde Nel terug, "want aan vroeg opstaan
+heb jij een broertje dood."
+
+"Daar zal ik ook altijd voor oppassen, als ik al eens spreeuw mocht
+worden; want vogeltjes, die te vroeg zingen, zijn immers voor de poes?"
+
+"En nu stel ik voor," zei vader, "dat wij hier eens een poosje aan
+den kant van den weg gaan zitten. We hebben al een heele wandeling
+achter den rug en 't wordt warm vandaag."
+
+"He ja," vond Door, "eventjes uitblazen."
+
+"Hoe is 't met mijn kleine broekemannetje?"
+
+"Is het broertje ziek geweest en is dat broertje toen doodgegaan,
+Mammi?" vroeg Fritsje met een bedroefd stemmetje.
+
+"Welk broertje toch, kleine man?"
+
+Allen keken naar Fritsje, want 't was duidelijk, dat het schreien
+hem nader stond dan 't lachen.
+
+"O, ik begrijp het, ik begrijp het," gierde Door. "Hij heeft gehoord,
+dat Nel tegen mij zei, dat ik aan vroeg opstaan een broertje dood had."
+
+Ze schaterden het uit.
+
+"Jou kleine, kleine krullebol," zei Ma, en trok haar kereltje
+liefkoozend op den schoot.
+
+"Nel weet er niets van, hoor, er is geen broertje ziek geworden en
+ook geen dood gegaan. Dolf, kom eens hier met de sportkar, de bron
+van alle goeds, en laten we dan allen een eierkoek gaan eten op het
+heerlijke feit, dat Nel geen kikvorsch en Door geen spreeuw is, en
+op het broertje, dat niet ziek geworden is. Wat zit het hier toch
+heerlijk, 'k was werkelijk al een beetje moe," zei mevrouw Van Brakel.
+
+"Maar waar is Leni nu weer?" vervolgde ze. "Daar loopt ze warempel
+met Bob en Hans ons al een heel eind vooruit. Dolf, roep die drie
+voortvluchtigen eens terug. Ze moeten wat rusten, anders worden ze
+veel te moe."
+
+"O, daar komen ze al."
+
+"O, paatje, u weet niet, wat beeldige kapelletjes wij gezien
+hebben!" zei Leni. "Hansje had er bijna eentje gevangen."
+
+"Jaap zegt, dat kapelletjes tooveren kunnen," zei Bob.
+
+"Zoo, heeft Jaap dat verteld?"
+
+"Ja oom. 't Kapelletje zegt: hocus, pocus pas, 'k wou dat ik een
+rups was."
+
+"En wat zegt de rups?" lachte ma.
+
+"De rups? Hansje, zegt die ook wat?" vroeg Bob. Hans wist het niet.
+
+"Dan zegt die weer: hocus, pocus pas, 'k wou, dat ik weer een
+kappelletje was, en dan wordt het een kapel. Is dat niet wonderlijk?"
+
+"Dat zal ik Jaap vertellen," zei Bob.
+
+"Kijk Foxje eens," zei Dolf, "of hij ook moe is. Pas maar op je tong,
+zoo meteen springt er een kikker op, net als op die van Pluto. Ik zou,
+als ik jou was, mijn rood lapje maar gauw naar binnen halen. Hier, dit
+is beter dan zoo'n springertje," en hij gaf Fox een stuk van zijn koek.
+
+"Ik weet een mooi spelletje," zei Leni, "zullen we bloemencorso
+spelen?"
+
+"Bloemencorso?"
+
+"Goed," zei Door en sprong op, "er zijn hier zulke beeldige bloemen."
+
+"Vader en moeder zijn 't publiek," stelde Dolf voor.
+
+"Ja," zei Nel, "u moogt niet kijken, wij zullen wel waarschuwen,
+als alles klaar is."
+
+"Dan zullen we ons maar in dezen greppel omdraaien; want om op zoo'n
+mooien dag met je oogen dicht te zitten, is wel wat veel gevergd."
+
+Door stelde voor de sportkar te versieren. Dolf sneed heide,
+terwijl de meisjes bloemen gingen plukken, 't Was niet zoo'n heel
+gemakkelijk werkje. Door en Nel geleken, toen alles klaar was, wel
+een paar pioenen.
+
+"Nu den optocht opstellen," zei Nel, terwijl zij nog bezig was aan
+een krans voor Leni.
+
+"Eerst de sportkar met Bob er in. Leni, jij moogt hem rijden. Wat
+zeg je wel van dit kransje?"
+
+"Door, laten wij van onze armen een stoeltje maken, dan kan Dolf Hansje
+Pansje daar opzetten. Hij zelf kan Fritsje op zijn schouders nemen. Nu
+eerst dat kleine heuveltje op," commandeerde Nel verder. "Ziezoo,
+Leni, sta even stil, nu zal ik het publiek verzoeken te kijken. Vader,
+moeder, het bloemencorso is gereed, u moogt kijken. Leni, vooruit nu."
+
+'t Was een aardig gezicht, dat vroolijk versierde troepje van den
+heuvel te zien komen.
+
+"Beeldig, beeldig," riep Ma.
+
+"Prachtig," vond vader ook.
+
+Foxje was nu eens heraut, dan vormde hij weer de achterhoede, en
+steeds wapperde zijn vlag. Toen de optocht tweemaal het publiek was
+gepasseerd, vonden allen, dat het lang genoeg geduurd had.
+
+"'t Is mooi geweest, 't is mooi geweest, 't is drommels mooi geweest,"
+begon vader te zingen en allen vielen mee in.
+
+"En nu stel ik voor," zei ma, "dat we bij vrouw Pruim ons glaasje
+melk gaan halen. Oef, wat is het warm!"
+
+"Ik weet den weg wel, vader," zei Leni.
+
+"Uitstekend, ga jij met Hansje maar vooruit."
+
+Dat vond Leni wat gewichtig, en parmantig stapte ze voort.
+
+"St!" zei mijnheer Van Brakel even later, "ik hoor geritsel."
+
+"Een eekhoorntje," fluisterde Dolf.
+
+Ja waarlijk, daar zat op korten afstand een allerliefst eekhoorntje
+te smullen aan een paddenstoel. Hij liet de plant in zijn pootjes
+ronddraaien en knabbelde er zoo stukjes af. Zoo iets hadden de kinderen
+nog nooit gezien. Ademloos stonden ze te kijken, toen hoe jammer,
+Fox kwam aanrennen en binnen drie tellen zat het eekhoorntje boven
+in een boom angstig naar beneden te kijken, of hij ook vervolgd werd.
+
+"Fox, hier!" commandeerde mijnheer Van Brakel, die den angst van den
+eekhoorn zag.
+
+"Die stoute Fox," zei Bob boos. "Ik vind dat eekhoornhondje veel
+aardiger."
+
+"Zoo, vind jij dat eekhoornhondje veel aardiger dan onzen lieven
+Fox. Zullen we Fox dan in dien boom laten klimmen en het eekhoorntje
+meenemen?"
+
+Even bedacht Bob zich. "Blijft Fox dan vannacht hier in 't bosch en
+slaapt het eekhoornhondje dan in zijn nest?"
+
+"Ja zeker."
+
+"Och, laten we Foxje dan maar liever houden," zei hij. Maar nog eens
+even keek hij door de takken, waar toch wel het mooie "eekhoornhondje,"
+zooals hij het noemde, gebleven was.
+
+"Leni en Hansje zullen al wel bij vrouw Pruim zijn," zei pa na een
+half uurtje. "Wij hebben, geloof ik, een omweg gemaakt. Zij zullen
+wel ongeduldig worden en niet begrijpen, waar wij blijven."
+
+Maar toen allen bij vrouw Pruim kwamen, zagen ze Leni en Hansje
+nergens.
+
+"Leni zal in den stal zijn om haar zieke geit op te zoeken," zei vader
+lachend. "Ga haar en Hans maar eens vertellen, dat wij er al zijn,
+dan zal ik ondertusschen voor jullie een glas melk bestellen."
+
+"Ze zijn nergens," zei Nel, terugkomende.
+
+"Nergens? Nu nog mooier. Den eenen dag verdwalen de loge's op het
+dak en een paar dagen later verdwaalt Leni op de hei."
+
+"Ze konden toch al lang hier zijn," zei moeder.
+
+"Hoe is 't mogelijk, die Leni, die altijd zoo goed den weg weet."
+
+"Ze zal wel weer achter een vlinder of hagedis zijn gaan loopen,"
+zei Nel.
+
+"Ik wou toch, dat ze er maar vast waren," zei moeder. "Ik ben er niet
+zoo heel gerust op."
+
+"Ja," zei Dolf lachend, "als ze achter een hagedis aanloopt, moeder,
+dan zal u ze wel niet zoo gauw terugzien. Maar daar komen ze, daar
+komen ze. Ik zie ze heel in de verte."
+
+Ja, werkelijk, heel in de verte zag men twee kinderen langzaam
+naderkomen.
+
+"Waarom loopen ze toch niet vlugger, ze zien ons toch wel zitten. Als
+'t niet zoo "onmogelijk" warm was, liep ik ze te gemoet," zei Door.
+
+"Dat dient nergens toe, kindje. Ja, 't is verbazend warm. De lucht
+ziet er werkelijk uit, of we onweer zullen krijgen, 't Is te hopen,
+dat de bui nog maar wat uitblijft," zei mijnheer Van Brakel.
+
+"Ik zal maar vast de boterhammen ronddeelen, want er zullen wel leege
+magen zijn en die twee laatkomers zullen ook wel trek hebben."
+
+"Hier zijn de schuldigen," zei Nel, die Leni en Hans toch te gemoet
+geloopen was en nu met beiden voor mevrouw Van Brakel stond.
+
+"Maar kinderen, wat hebben jelui uitgevoerd!" riep mevrouw Van Brakel
+verschrikt, de natte kleeren van Hans ziende.
+
+Allen zetten groote oogen op.
+
+"Wat is er gebeurd?" riepen Dolf en Door.
+
+"Dit jongetje," zei Nel, op den snikkenden Hans wijzende, "was op eens
+heelemaal vergeten, dat hij een jongen was en dacht, dat de kikker
+daar ginds in den plas zijn broertje Bob was. En toen hij zag, dat
+zijn kikkerbroertje alle moeite deed om een mug te vangen, dacht hij:
+stumpertje, ik zal jou wel even helpen, en flap, daar lag hij voorover
+in den plas en toen begreep hij wel wat laat, dat hij geen kikker,
+maar Hansje Pansje was."
+
+"Klein, dom Hansje, dacht je, dat je een kikker geworden was," lachte
+mijnheer Van Brakel.
+
+Hans schudde heftig zijn hoofd.
+
+"Dacht jij, dat ik in een kikker omgetooverd was?" vroeg Bob lachend.
+
+Nog heviger ging Hansjes bolletje.
+
+"Hansje dacht," zei mevrouw Van Brakel, "dat een bad op zoo'n warmen
+dag wel frisch zou zijn, maar hij vergat zijn kleeren uit te trekken."
+
+"Ik kon het heusch niet helpen," zei Leni, half schreiende, "maar ik
+zag een klein vogeltje, dat o zoo akelig deed. Ieder oogenblik dacht
+ik, dat het dood neer zou vallen, en juist toen ik het wilde grijpen,
+vloog het, roef! naar boven in een boom. En toen ik omkeek, zag ik
+Hans in den plas liggen. Ik heb hem toen dadelijk aan zijn arm er
+uit getrokken."
+
+"Dat vogeltje was een kleine grappenmaker," zei vader. "Dat heeft jou
+leelijk gefopt, meisje; want het was zoo gezond als een visch. Maar zal
+ik je eens wat vertellen? Het was bang, dat jij zijn nestje zoudt zien,
+waarin zijn kindertjes zaten daar in de buurt, en toen dacht het: als
+dat meisje naar mij ziet en met mij meeloopt, kan ze mijn kleintjes
+niet vinden. En toen jij ver genoeg van zijn nest verwijderd was,
+vloog hij op en lachte je in zijn vuistje uit. Droog nu maar gauw je
+tranen, kleine meid. Zoo'n bad zal Hans geen kwaad gedaan hebben. Nel
+kan nu wel eens hooren, of vrouw Pruim ons misschien ook droge kleeren
+kan leenen van een van haar jongens. Gerrit of Piet zullen wel iets
+hebben, dat Hansje past."
+
+"Een jasje en een paar klompjes van onzen Dirk kan dat jongetje best
+aanhebben. Kom jij maar mee, hoor," zei vrouw Pruim tot Hans, "dan
+zal ik je die spulletjes gauw aantrekken." Maar Hans had hierin in
+'t geheel geen lust, tot eindelijk mevrouw Van Brakel meeging.
+
+Een hartelijk gelach weerklonk, toen Hans na een tien minuten als
+boertje met lange broek en klompen aan weer in den tuin verscheen.
+
+"O, "onmogelijk" leuk, onmogelijk," gilde Door. Hans kreeg nu ook
+pret in 't geval, stak zijn beide handen in de zakken, zoodat ze
+wijd uitstonden, draaide zich om en om en liet zich van alle kanten
+bekijken.
+
+"Nu, wat zegt ge nu?" lachte vrouw Pruim, "heb ik niet een aardig
+Pruimpje van je gemaakt?"
+
+"Och, zoo'n aardig Pruimpje," schaterde Dolf.
+
+"Maar nu zijn we geen tweelingen meer," riep Bob met een grappig
+ongelukkig gezicht. "Hoe moet dat nu, tante?"
+
+"Dat is niets, ventje," zei mevrouw Van Brakel, "vanavond zijn jullie
+weer tweelingen in je hanssopjes."
+
+Foxje was door al die luidruchtigheid ook heelemaal van streek en
+holde van den een naar den ander.
+
+Na een half uur werd de terugtocht ondernomen en toen Hansje moe
+werd van 't ongewone loopen op de klompjes, werd hij bij Frits in
+de sportkar gezet, 't Was nog een heele wandeling en bij de greppel
+gekomen, werd er halt gehouden. Door beweerde, dat ze "onmogelijk"
+verder kon en allen hadden behoefte eens heerlijk uit te rusten met
+die warmte. Dolf ging languit op de hei liggen en Fox hield trouw de
+wacht bij zijn vriendje.
+
+"Nu maar weer opgemarcheerd," zei mijnheer Van Brakel na een
+kwartiertje. "Ik ben anders bang, dat we niet voor de bui thuis
+zullen zijn!"
+
+'t Was duidelijk, dat Julia blij was, toen haar vrindjes en
+vriendinnetjes weer thuis waren. Ze deed niets dan langs de deurposten
+strijken en zacht miauwen en duwde haar aardig kopje dan tegen dezen,
+dan tegen dien aan.
+
+"Stil nu, stil nu," zei Door troostend. "Wat wil je toch, Julia? Wacht,
+ik geloof dat er nog een kaakje in den zak is overgebleven. Dat krijg
+je tot "welkom thuis" en morgen zullen we spelletjes doen; maar als
+je te veel naar de vogeltjes kijkt in plaats van op te letten dan
+neem ik mijn boek en ga in een hoek onder den treurboom lezen, hoor!"
+
+"Ziezoo, het klokje van gehoorzaamheid voor allen, groot en klein. Een,
+twee, drie naar bed. 't Is een vermoeiende dag geweest."
+
+"Ik kruip alleen onder 't laken," zei Leni.
+
+"En ik," riepen Dolf en Nel.
+
+"Och, moezekepoes, wat is 't warm!"
+
+"Door en Nel, jullie zorgt wel voor onze loge's, niet waar?"
+
+"Ja zeker, moeder; ik zeg dan: hocus, pocus pas, 'k wou, dat
+ons.boertje weer Hansje was, en dan ..." lachte Nel.
+
+"Trekt Hans gauw zijn hanssopje aan," zei Bob. "Dan zijn we weer
+tweelingen."
+
+"Nacht vader, nacht moeder!"
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+TWEE KNAPPE HUISHOUDSTERS.
+
+
+"Kinderen, moeder is vanmorgen met hoofdpijn in bed blijven liggen,"
+zei mijnheer Van Brakel eenige dagen later. "Jullie moet Kee nu
+maar een beetje helpen en vooral niet te veel leven maken, 't Is wel
+vacantie, maar..."
+
+"Dat treft juist heel goed," zei Door geruststellend. "Ik zal-wel
+voor de boterhammen zorgen en thee schenken. Nel kan dan--ja, Nel,
+wat zul jij doen?"
+
+"'k Zal het Kee eens vragen," zei Nel. "Deze boontjes moeten afgehaald
+worden, dat vind ik wel een leuk werkje. Leni kan mij wel wat helpen,"
+en vol ijver wilde Nel dadelijk al beginnen.
+
+"Och, Nel, help jij Fritsje even met zijn boterham. Laat die boontjes
+maar staan tot na 't ontbijt."
+
+"Zou ik ze dan nog wel klaar krijgen? Kee zei: ""asjeblieft een portie
+voor een kazerne."" Nu, dat kan nogal, dunkt me."
+
+"Zoo? Zei ze dat? Maar je moet mij nu toch even helpen. Het botermesje
+ben ik kwijt," en Door tilde alle bordjes op, keek onder het theeblad,
+op den stoel. "O, daar is 't gelukkig al. Waar zijn de tweelingen en
+Leni? Wil je even kijken?"
+
+"Fritsje een glaasje melk, Door," vleide de kleine jongen.
+
+"Ja, ja, kleine snoes, dadelijk, 'k heb 't zoo druk.
+
+Och, Nel! Nel! Ne-el! He, waar is ze nu weer?" zei Door in zich
+zelf. "Waarom loopt ze nu juist weg? Ze kan toch wel begrijpen...."
+
+"Ze waren in den tuin," zei Nel, met de tweelingen terugkomende.
+
+"Wie waren in den tuin?"
+
+Nel proestte het uit. "Wie anders dan Bob en Hans. Je zei immers:
+ik zou ze zoeken."
+
+"Dat is waar ook; maar geef jij Frits even zijn kroes met melk, ik kom
+niet klaar. Wacht, even tellen: Vader, Dolf, Nel, Leni, de tweelingen,
+dat is--dat is zes. Hoeveel sneetjes zou ik snijden? Hoeveel eet jij?"
+
+"Ik heb trek," zei Nel.
+
+"Nu ja, daar heb ik niets aan. Hoeveel sneetjes eet je dan, als je
+trek hebt?"
+
+"Twee."
+
+"En Dolf, denk je?"
+
+"Wel drie."
+
+"En vader?"
+
+"Ook wel zooveel."
+
+"Acht," telde Door. "En Leni?"
+
+"Ja, dat weet ik niet."
+
+"Leni, Leni!" riep Door, met in de eene hand het mes en de andere
+het brood.
+
+"Natuurlijk, Leni is weer bij het kippenhok. Hoeveel?" riep Door,
+'t brood in de hoogte houdende.
+
+"Vier," riep Leni terug.
+
+"Vier, hoe is 't mogelijk," zei Door, "dat is dus twaalf."
+
+"Och," zei Nel, "waarom vraag je dat toch alles; dat doet ma nooit."
+
+"Ma weet, hoeveel ieder zoowat eet, maar ik niet. Zou jij ooit gedacht
+hebben, dat Leni vier sneetjes at?"
+
+"En dan zegt ze nog wel, dat ze in de vacantie nooit trek heeft,"
+lachte Nel.
+
+"Bob en Hans ieder eentje, dat is veertien," telde Door. "Nu Kee
+nog. Ik hoop maar niet, dat ze al te grooten honger heeft," zei ze
+met een kleur van inspanning, "want 't mes is zoo akelig stomp. Help
+jij vast smeren."
+
+"Kee!" riep ze, nu haar hoofd in de gang stekende. "Hoeveel?"
+
+"Hoeveel?" riep Kee verwonderd terug. "Gewoonlijk driehonderd, maar
+nu nog vijftig meer." Door proestte het uit.
+
+"O, neen, maar Nel, hoe vind je die Kee?" verder kwam Door niet.
+
+"Wat zegt Kee?" vroeg Nel, lachend om Door.
+
+"Toe, zeg het nu," zei Nel ongeduldig, omdat Door maar bleef lachen.
+
+"Verbeeld je, Kee zegt ""gewoonlijk--,"" weer proestte Door 't uit.
+
+"He toe, wees nu niet zoo flauw," zei Nel half boos, half lachend.
+
+"Kee zegt," zei Door nu, haar best doende zich verstaanbaar te maken:
+"gewoonlijk driehonderd en nu nog vijftig meer," weer gierde Door. "O,
+nee, maar Nel, wat zou ze meenen? Gewoonlijk driehonderd en nu nog
+vijftig meer; zeker, omdat ik een stomp mes heb!"
+
+Nel, die juist Frits hielp, gutste door het lachen de helft van de
+melk over het kroesje. "Ik begrijp het," schaterde ze. "Ze bedoelt
+de slaboonen."
+
+"'t Is prachtig! Eenig! Stel je voor: driehonderd vijftig sneetjes
+met een stomp mes."
+
+"Hoeveel _boterhammen_?" riep Door gierend terug.
+
+"Wie kan dat nou ook denken," zei Kee goedig; "drie, maar als ik
+haast heb twee. En ik heb nu haast."
+
+"Dat is--hoeveel had ik ook weer?"
+
+"Veertien," hielp Nel.
+
+"Dat is dus zestien en ik zelf. Ja, 'k heb honger, maar ook haast,
+net als Kee, dus ook maar twee. Kom, nu zal ik de rest smeren. Wat is
+zoo'n huishouding toch "onmogelijk" druk," zei ze, Fritsjes boterham
+in smalle reepjes snijdende. "Je komt gewoon niet klaar."
+
+"Ziezoo, daar ben ik weer," zei mijnheer Van Brakel. "Ik zie wel,
+dat je goed voor allen gezorgd hebt."
+
+"Leni, kom nu toch, we zijn allen klaar," riep Nel; "je boterhammen
+zijn gesmeerd."
+
+"Ja, ik kom dadelijk, ik moet even de eieren naar de keuken
+brengen. Zijn al die boterhammen voor mij?" vroeg ze, verbaasd naar
+haar bordje kijkende.
+
+"Ja, natuurlijk," zei Door. "Ik heb je immers gevraagd, hoeveel je
+hebben wou? Je eet nu maar op, wat op je bordje ligt."
+
+"Maar ik _heb_ niet gezegd, dat ik er vier wou hebben," zei Leni,
+wanhopig naar den berg boterhammen kijkende. "Zoo veel eet ik nooit."
+
+"Wat is er toch, kinderen?" vroeg mijnheer Van Brakel.
+
+"Och, vader, ik was aan het brood snijden, en omdat ik niet graag meer
+wilde snijden dan noodig was, vroeg ik Leni, die natuurlijk weer bij
+de kippen was: "hoeveel?"
+
+"En toen?"
+
+"Toen riep ze van vier, dus...."
+
+"En vier kon _on_mogelijk iets anders zijn in Doors oogen dan sneetjes
+brood; zoo'n huishoudstertje," lachte vader.
+
+"Nu begrijp ik het," zei Door, "vier kon bij Leni _on_mogelijk iets
+anders zijn dan eieren."
+
+"Of kippen," zei Nel.
+
+"Dus kippeneieren," lachte Dolf. "Wat wil jij, Julia, kleine
+vleister! Bob, zij wil, geloof ik, dolgraag een stukje van jouw
+boterham hebben."
+
+"Nu zou ik toch eigenlijk wel graag een kopje thee willen hebben,"
+zei vader.
+
+"O wee, ik vergeet heelemaal in te schenken. Ma heeft misschien ook
+wel trek in een kopje. Leni, wil jij eens even vragen?"
+
+"Wat is dat?" riep Door verschrikt uit. "Er komt water uit de tuit,
+alleen water. En ik weet toch zeker, dat ik thee in den pot heb
+gedaan."
+
+"Misschien gebeurt zoo iets in de vacantie wel meer," zei vader.
+
+"O, neen, paatje," zei Door, die wel begreep dat mijnheer Van Brakel
+haar plaagde, "'t Is toch heusch waar. Ik heb het theebusje in de
+hand gehad, ik weet het zeker."
+
+"Ja, je hebt met thee zetten gedaan als met de vraag aan Leni over
+de boterhammen. Je vroeg hoeveel, en het voornaamste vergat je."
+
+"Ja, maar het theebusje," begon Door verdrietig, "waar is dat dan
+toch gebleven. Ik zie het hier niet staan en toch...."
+
+"Ik heb het, ik heb het!"
+
+"Waar?" vroeg Door.
+
+"Hier, onder het deksel van het botervlootje," zei Nel.
+
+"Ik ben blij voor jou, dat het busje er weer is. Ik zal nu voor dezen
+morgen maar een glas melk nemen; want het wordt mijn tijd."
+
+"Nu, paatje," zei Door, die het heel onpleizierig vond, dat haar
+theeschenken zoo treurig afliep, "dan schenk ik u vanmiddag een extra
+lekker kopje."
+
+"Water of thee?" lachte vader.
+
+"Wat is u toch een plaaggeest!"
+
+"Ik op 't lage stoeltje!" riep Nel een kwartier later en rende naar
+het prieel zoo vlug ze kon, met de teil met prinsessenboonen voor
+zich uit. "Jullie moet mij allen helpen. Dolf, haal jij even een
+paar couranten voor de draden en een grooten bak voor de afgehaalde
+boonen. Leni kan die boonen mooi doormidden breken. De tweelingen en
+Fritsje kunnen met hun drietjes in den tuin spelen, wij hebben daarvoor
+nu geen tijd. Er kan hun geen ongeluk overkomen. Fox, hier oude jongen,
+breng dit boek eens naar binnen, dat heeft zeker iemand hier gisteren
+weer laten liggen, je weet wel, wie ik bedoel. Fox sprong en blafte,
+dat Bob de vingers in zijn ooren stak. "Fox, apporte, bedaar nu,
+apporte," gebood Nel en toen nam de dartele, vroolijke Fox heel gedwee
+het boek in zijn bek en ging er mee naar binnen.
+
+"Allo, marsch," riep Kee en toen stoof Fox de trap op naar Doors kamer.
+
+Bob, Hans en Frits hadden het al even druk met hun drietjes als de
+kleine huishoudsters.
+
+"Dat is Asschepoes," legde Hans aan Bob en Frits uit, terwijl hij
+bij het kippenhok stond, "en dat Snoetie. Kijk die kuikentjes toch
+eens. Ik wou wel zoo'n kuikentje in de hand hebben."
+
+"Ik ook wel," zei Bob. "Misschien zouden ze 't wel prettig vinden,
+als ze ook eens door den tuin mochten wandelen," opperde hij.
+
+"Ja," zei Hans, "en die arme Asschepoes zeker ook. 't Is toch ook
+niet prettig, altijd in zoo'n hok te zitten."
+
+"Mag Frits ook een kuikentje hebben, zoo'n lief kuikentje?" en hij
+trappelde al van ongeduld.
+
+"Is er ook een deurtje om in 't hok te komen?" onderzocht Hans.
+
+"Hier is een deurtje," zei Frits, die Leni dit dikwijls had zien
+openen.
+
+"Wat een kleintje," lachte Bob.
+
+"Ja, dit is eigenlijk 't kippenhuis. Laten we spelen, dat wij kip
+zijn," stelde Bob voor, "en Frits een kuikentje."
+
+"Neen," zei Hans, "ik ben Slokop en jij Asschepoes en dan vecht ik
+met jou."
+
+"Fritsje vindt het toch niet zoo heel prettig in dit huisje," zei
+Frits, angstig naar den haan kijkende.
+
+"Dat hoort ook zoo," zei Bob. "Kuikentjes vinden 't ook niet prettig
+in een hok. Kijk eens, daar loopen warempel al twee op 't gras. Kijk
+Asschepoes eens en de haan. En Snoetie en Toetie!"
+
+Voorzichtig stapte hij 't hok binnen, wel een klein beetje bang,
+toen eenige kippen begonnen te fladderen. Maar dat wilde hij voor
+Hans en Fritsje niet weten en liep daarom moedig verder.
+
+"Ze vinden het, geloof ik, niet goed, dat wij in hun huis komen,"
+en eigenlijk had Hans wel grooten trek om dadelijk weer terug te
+keeren, maar toen hij Bob zoo dapper voort zag stappen, wilde hij
+niet minder zijn.
+
+"Nu is er geen meer in 't hok! Hoe leuk," riep Hans, "nu doen we
+het deurtje dicht!" Maar juist had Hansje dit gezegd, toen er een
+doordringende gil van Leni te gelijk met een nog doordringender van
+Door weerklonk; want de kippen, krielkipjes en kuikentjes genoten zoo
+buitengewoon van hun vrijheid, dat ze uit puur pleizier steeds verder
+waren getrippeld tot aan 't prieel, waarin allen zoo ijverig bezig
+waren, dat ze Bob en Hans geheel hadden vergeten. Tot op eens Toetie
+met haar kleine kraaloogjes om 't hoekje kwam kijken en de haan zijn
+blijdschap over de heerlijke vrijheid niet beter wist uit te drukken,
+dan door een krachtig kukeleku vlak bij Leni's oor te laten hooren.
+
+"De haan! de kippen! de kuikens!" klonk het van alle kanten. Door viel
+bijna over den bak met slaboonen. "Wie is bij 't kippenhok geweest?"
+
+Leni sprong op en Nel zat als versteend.
+
+Fox, die rustig had liggen slapen, was op eens klaar wakker en pas
+zag hij de niets vermoedende kuikentjes, of hij wilde er op af,
+als Dolf hem niet met geweld bij den halsband vastgehouden en in
+huis gezet had. Nu werd het een jagen van alle kanten. Tot driemaal
+toe vloog Asschepoes angstig kakelend over het bed met viooltjes en
+de kleine kuikentjes trippelen nu voor, dan achteruit, in 't geheel
+niet begrijpend, wat er van hen verlangd werd.
+
+"Niet zoo wild, niet zoo wild," riep Door, "dan kunnen we ze onmogelijk
+krijgen. O wee, daar heb je Julia. Nel, jaag haar weg." Julia was
+blijkbaar over dezen daad van Nel zoo diep beleedigd, dat ze, zonder
+Nel ook maar met een blik te verwaardigen, rechtsomkeert maakte om
+boven op de schutting haar toilet, waarmee ze te voren zoo ernstig
+bezig was geweest, te voltooien.
+
+"Ssst, voorzichtig, daar zit een krielkipje onder die struik. Dolf,
+ga jij hier staan, dan jagen we het er voorzichtig onder uit."
+
+"Och, kijk toch die kuikentjes, ze vallen bijna over hun eigen
+pootjes," zei Leni.
+
+Op eens schaterde Dolf het uit. "O neen maar, kijk toch eens, kijk
+eens. Bob, Hans en Fritsje in het kippenhok!"
+
+Allen waren, al jagende, nu ook het kippenhok genaderd en
+niettegenstaande de groote verwarring door de "kippenoverstrooming",
+zooals Dolf zei, ging er toch een uitbundig gelach op, toen ze de
+drie kereltjes in het kippenhok zagen met hun neusjes stijf tegen
+'t gaas gedrukt, vol belangstelling voor de kippenjacht.
+
+"Nu nog mooier," zei Nel. "Willen jullie wel eens een, twee, drie,
+uit het hok komen? Zoolang jullie nog Bob en Hans bent, hooren jullie
+niet in een kippenhok."
+
+"We dachten, dat de kippen het heel prettig zouden vinden in den tuin,"
+zei Bob.
+
+"Misschien vinden ze dat ook wel, maar kuikentjes en kippen zijn nog
+maar domme dieren en weten niet, dat ze niet aan de bloemen mogen
+pikken; daarom vinden wij het in het geheel niet prettig, dat ze in
+den tuin zijn. Ze zouden onzen mooien tuin heel gauw leelijk maken
+en dat willen jullie toch zeker ook niet. Ziezoo, blijf hier nu maar
+even stil staan, dan zullen wij ze voorzichtig in het hok jagen."
+
+Bob en Hans stonden wel wat bedrukt te kijken.
+
+"Fritsje vond het niets prettig om kuikentje te spelen," zei Frits,
+blij, dat hij uit het hok was.
+
+"Neen, ventje, dat is ook niet prettig, tenminste voor jongens niet."
+
+Eindelijk waren alle kippen weer in 't hok. Zelfs de haan, hoewel de
+laatste van de geheele familie stapte deftig de voordeur van zijn
+huis binnen en begon dadelijk te pikken van enkele graankorrels,
+die op den grond lagen, met een gezicht en een deftigheid, alsof hij
+niet even te voren zoo ondeugend zijn huis ontvlucht was.
+
+"Goeden middag!" hoorden de kinderen zeggen.
+
+"O, moesje, is u weer beter?"
+
+"Wie zou nu lang in bed kunnen blijven met zulk prachtig weer,"
+lachte mevrouw Van Brakel.
+
+"O, moes, 't is eigenlijk jammer, dat u nu pas komt. Als u even eerder
+gekomen was...."
+
+"'k Heb alles van het balcon gezien," zei moeder, "en ik geloof,
+dat ik het restje hoofdpijn weggelachen heb."
+
+"'t Was eigenlijk "onmogelijk" leuk," zei Door.
+
+"De slaboonen zijn klaar, maatje."
+
+"Jullie bent maar een paar knappe huishoudsters. En daar ben ik wat
+trotsch op, hoor!"
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+EEN AVONTUUR.
+
+
+"Hier heb ik de kleeren, die we voor Hans geleend hebben; die konden
+jullie zoo meteen wel eens naar vrouw Pruim terugbrengen, 't Is er
+juist zoo'n heerlijke dag voor," zei mevrouw Van Brakel. "Fritsje
+blijft bij mij thuis, dan behoeft de sportkar niet mee, want Hans zal
+nu toch voor de tweede maal wel niet in een plas vallen en naar huis
+gereden moeten worden," lachte ze. "Kijk eens, Nel, koop hiervoor
+wat chocolade voor de drie jongens van vrouw Pruim en hiervoor mag
+je voor jullie zelf eene traktatie koopen, omdat het vacantie is."
+
+"Dat treft goed," riep Door opspringende, terwijl ze het boek, waarin
+ze zat te lezen, neergooide, "ik dacht juist: wat zal ik nu eens doen
+en daar komt u met zoo'n heerlijk plannetje."
+
+"Weet jullie wat," zei Nel, "ik ga vast vooruit met Hans en Bob om
+iets te koopen, jullie komt ons dan wel na."
+
+"Wat gaan we koopen?" vroeg Hans.
+
+"Ja, dat weet ik niet, dat mogen jullie nu eens bedenken," zei Nel,
+die het wat gewichtig vond, dat haar de inkoopen waren opgedragen. "We
+moeten iets hebben voor Dirk, Piet en Gerrit."
+
+"Ik weet wel iets: een chocolade-sigaar," zei Hans.
+
+"Een chocolade-tol is veel mooier," vond Bob.
+
+"Dat vind ik allebei heel aardige dingen; als ik nu maar wist, wat
+de jongens 't mooist vinden. Ziezoo, hier moet we zijn," zei Nel en
+stapte met de beide jongens een winkel binnen.
+
+
+ Voeten vegen, wat verdriet,
+ Zien jelui die mat daar niet?
+
+
+werd er op eens geroepen. Nel kreeg een kleur als vuur, gluurde overal
+rond, maar zag niemand. Bob en Hans wisten ook niet, wat ze er van
+denken moesten, maar alle drie deden gewillig wat hun bevolen werd.
+
+
+ Doe de deur toch dadelijk toe,
+ Hoor, hoe 'k hoest, aehoe! aehoe!
+
+
+"De deur is dicht," zei Nel, niets op haar gemak. Maar tegenover Hans
+en Bob wilde zij zich groot houden.
+
+"Wie zou dat toch zeggen?" fluisterde Hans. "Ik zie niemand." En
+hij ging op zijn teenen staan om zoo ver mogelijk om zich heen te
+kunnen kijken.
+
+
+ Houd op, houd op, ik lach mij ziek,
+ 'k Heb in mijn poot zoo'n rheumathiek
+
+
+werd er toen geroepen en daarop klonk een schaterend lachen, zoo
+vroolijk, dat Nel, Hans en Bob het mee uitproestten. Toen ging op
+eens achter de toonbank een deur open en een dame met een vriendelijke
+stem zei: "Neem me niet kwalijk, jongejuffrouw, dat ik u zoo lang liet
+wachten, maar ik werd juist even opgehouden. Waarmee kan ik u dienen?"
+
+"Ik, ik".... Nel schaterde het weer uit. "Hebt u--ook."--Weer een
+lachbui. "O, juffrouw, neen, ik kan 't niet zeggen."
+
+Bob en Hansje keken dan naar Nel, dan naar de juffrouw en deden ook
+niets dan lachen.
+
+"Ik begrijp niet"--zei de juffrouw, nu ook lachende, "werkelijk
+niet"....
+
+"Ik wou graag," begon Nel, die alle moeite deed zich goed te houden,
+"ik wou graag"....
+
+"Ha, ha, nu begrijp ik, wat er gebeurd is," zei de juffrouw. "Toddy,
+de raaf, is zeker aan 't woord geweest."
+
+"Was het geen mensch, was het een raaf?" vroeg Nel hoogst
+verwonderd. "Hoe is 't mogelijk? Och toe, mogen wij hem eens zien?"
+
+"Kom dan maar mee," was het lachend antwoord.
+
+"Kijk, hier is hij."
+
+Nel en de tweelingen raakten niet uitgekeken.
+
+"Kan hij nog meer praten?" vroeg Nel opgetogen.
+
+"O zeker," zei de juffrouw, "maar hij wil niet altijd. O, 't is
+zoo'n deugniet."
+
+"Niet waar, niet waar!" riep de vogel terug.
+
+"Jammer, dat de anderen hier niet zijn," zei Nel; "mag ik eens
+even kijken, of ze komen, juffrouw? Leni zou de raaf zoo dolgraag
+eens zien."
+
+"Zeker hoor, als je denkt, dat ze het aardig vinden."
+
+Nel stoof den winkel uit en kwam niet lang daarna met Door, Leni en
+Dolf terug. Nel had onderweg het geheele verhaal al gedaan.
+
+"Klontje," zei Toddy en klopte met zijn snavel tegen de kooi.
+
+"Dat kun je begrijpen," zei de juffrouw lachend.
+
+"Och toe, juffrouw, mogen we hem iets geven?" vroeg Leni.
+
+"Dan moet hij er eerst om bedelen." Toen Toddy 't woord "bedelen"
+hoorde, begon hij uit alle macht tegen de tralies te tikken, nam
+een smeekende houding aan, door zijn kop schuin te houden, en riep:
+"Och toe, och toe," wat zoo grappig klonk, dat allen het uitgierden.
+
+"Nu mag jullie hem een stukje borstplaat geven," zei de juffrouw.
+
+Hans durfde niet en Bob was wel bang, dat de raaf hem in de hand zou
+pikken, maar toch gaf hij het hem.
+
+"Zit hij altijd in die kooi?" vroeg Hans.
+
+"Wel neen, hij komt er dikwijls uit."
+
+"Nu moeten we gaan," zei Door eindelijk.
+
+Leni had grooten lust te blijven.
+
+"Ik zou warempel mijn boodschappen nog vergeten," zei Nel. "Hebt u
+ook chocolade-tollen, juffrouw?"
+
+"Kijk eens, hoe vind je deze?" vroeg de juffrouw, terwijl ze er een
+van chocolade en een van suiker liet zien.
+
+"Beeldig, geeft u beide maar en dan nog een chocolade-sigaar." En
+toen Nel ook een zakje met lekkers gekocht had, ging het geheele
+gezelschap weer op stap, nadat de juffrouw hen uitgenooodigd had eens
+spoedig terug te komen. "Toddy vindt het heerlijk, visite te krijgen
+en ikzelf ook."
+
+"Zullen we heengaan over de hei en terug over 't land Van der
+Pol?" stelde Door voor.
+
+Dat was best.
+
+"Daar zie ik het huis al," zei Leni na een poosje; "nog vijf
+minuten--en we zijn er."
+
+"Wel, komen jullie daar allen aangestapt? Dat is aardig," zei vrouw
+Pruim. "Kom maar binnen, kom maar binnen."
+
+"Neen, vrouw Pruim, wij willen hier buiten liever een beetje
+uitrusten. We komen je 't pakje van Dirk terugbrengen en moeder
+bedankt je vriendelijk."
+
+"Ja ja, 't is goed, 't is goed," zei vrouw Pruim.
+
+"Waar zijn Dirk, Piet en Gerrit? We hebben wat voor hen meegebracht,"
+zei Nel.
+
+"Dat had je toch niet moeten doen. Daar komen ze juist aan," zei
+vrouw Pruim en wenkte hen uit alle macht.
+
+"Kijk eens," riep Nel en hield drie pakjes in de hoogte, "in ieder
+pakje zit iets lekkers voor jullie, dat lijkt je zeker goed toe."
+
+De jongens bleven verlegen staan.
+
+"Gerrit, raad eens, wat ik hier heb?" zei Nel, een pakje in de hoogte
+houdende.
+
+"'k Weet niet," zei Gerrit verlegen.
+
+"Je moet raden," zei vrouw Pruim, lachend.
+
+Gerrit haalde de schouders op, durfde niets zeggen.
+
+"Ik zal je een handje helpen," zei Dolf.
+
+
+ "Ik sta met een poot op den grond
+ En draai daar vroolijk op in 't rond.
+ Hoe meer men mij sla,
+ Hoe vlugger ik ga."
+
+
+"Wat "onmogelijk" leuk," riep Door. "Dolf, hoe heb je dat zoo goed
+bedacht?"
+
+"Stil, laat Gerrit raden."
+
+"Ik, ik weet het niet," zei Gerrit.
+
+"Een tol," raadde Piet met een hoogroode kleur.
+
+"Bravo!" riep Nel, "die is voor jou, je hebt hem eerlijk verdiend. En
+nu heb ik hier nog iets. Dirk en Gerrit, nu ben jullie aan de
+beurt. Toe, Dolf, jij bent in het raadseltjes opgeven zoo knap. Bedenk
+nog eens wat."
+
+"Als jullie een oogenblikje geduld hebt," zei Dolf; "want opeens
+zoo'n versje te maken, is zoo gemakkelijk niet. Wacht, ik weet al iets:
+
+
+ "Ik ben bruin en rond,
+ 'k Hoor in den mond.
+ Maar blijf ik daar een langen tijd,
+ 't Is zeker, dat ik steeds meer slijt,
+ 'k Ben bruin en rond en dik,
+ Nu raad eens, wie ben ik?"
+
+
+"Leuk, leuk!" juichte Door weer. "Nu, Gerrit, bedenk jullie je goed."
+
+"Een sigaar," zei Gerrit na een poosje.
+
+"Knap geraden, als je blieft. Je weet nu," zei Nel lachend, "'k hoor
+in den mond, maar blijf ik daar een langen tijd, 't is zeker, dat ik
+steeds meer slijt."
+
+"En nu nog voor onzen Dirk, die zullen we maar niet laten raden,
+want dat heeft Piet al voor hem gedaan. Voor Dirk ook een tol."
+
+'t Was aardig, de gelukkige gezichten te zien.
+
+"En als jullie nu niet te moe meer bent, moet je toch eens even
+in de schuur komen kijken, daar is iets aardigs te zien," zei
+vrouw Pruim. Dat werd aan geen doovemansooren gezegd. Leni holde
+vooruit. "Nu heel stil zijn," vermaande vrouw Pruim, "wacht, ik zal
+maar eerst gaan. Kijk eens," zei ze, toen ze eerst een paar kippen,
+die daar liepen, had weggejaagd, en wees naar een groote ronde mand,
+waarin Mollie, de poes, lag met vijf aardige, gele kuikentjes, die
+gedeeltelijk van onder haar zachte vacht zichtbaar waren.
+
+"Wat is dat? Mollie met...!" Leni kon geen woorden vinden om hare
+verwondering uit te drukken. Door en de anderen waren ook verstomd
+over hetgeen zij zagen.
+
+"Maar--maar doet Mollie ze geen kwaad?" vroeg Nel angstig.
+
+"Wij vonden de kloek op een morgen dood in den tuin liggen," zei
+vrouw Pruim, "en Mol lag op 't grasveld in de zon te slapen; toen
+zijn de kuikentjes onder haar gekropen; ze keek eerst wel vreemd,
+maar liet ze toch begaan. 't Was, of ze voelde, dat ze bij haar
+bescherming zochten en sedert dien tijd koestert zij ze zooveel
+mogelijk. Is het niet aardig? Stil maar Mol," zei ze tegen de poes,
+die naar het scheen onrustig werd, omdat allen om haar heen stonden,
+"blijf maar kalm liggen, we gaan dadelijk weg."
+
+"Wat vind ik dat toch een lieve poes," zei Hans. "O, Bobbie, als Jaap
+hier eens was."
+
+"Neen, zoo iets heb ik nog nooit gezien," fluisterde Door.
+
+"'t Is snoezig," zei Leni verrukt, "snoezig."
+
+"'k Zie Julia al zoo met onze kuikentjes," zei Nel.
+
+"Mollie was ook zoo'n trouwe moeder voor haar eigen poesjes. Weet
+je nog wel," zei Door, "hoe ze de kleine zwarte likte, die door Trim
+gebeten was?"
+
+"Kom, kinderen," zei vrouw Pruim, "je moet nu allen maar in den tuin
+gaan, ik ben anders bang, dat Mollie van de kuikentjes wegloopt."
+
+"'t Wordt ook onze tijd," zei Door, "je zoudt er anders wel zoo'n
+heelen dag naar kunnen blijven kijken."
+
+"Zoo lief moest Julia zijn," vond Dolf.
+
+"Zeg niets van Julia," zei Leni, "al koestert ze geen kuikentjes,
+'t is toch een lieve poes."
+
+"Dat vind ik ook," zei Door.
+
+Na vrouw Pruim en de jongens goeden dag gezegd te hebben, vertrok
+het vroolijke troepje.
+
+Een kwartier later hield Nel den zak met lekkers in de hoogte en riep:
+"Eerst een hartversterking."
+
+"Ja heerlijk, presenteer maar weer eens," zei Dolf.
+
+"Neen, neen, zoo gemakkelijk gaat het niet, jullie moet maar zien,
+dat je iets krijgt," zei ze lachend. Door vloog op Nel af, maar toen
+Nel dit zag, rende ze vooruit en allen achter haar aan.
+
+"Jongens, houdt Nel vast!" riep Dolf.
+
+"Dat kun je begrijpen, zoo gauw laat ik mij niet vangen," hijgde
+Nel. Tot tweemaal toe ontglipte ze Dolf, die haar bij de mouw trachtte
+te grijpen, maar eindelijk moest ze 't wel opgeven en plofte in
+'t gras neer. "Ik kan niet meer, ik kan niet meer," zei ze. "Jullie
+hebt je stukje eerlijk verdiend, kies maar uit."
+
+"Er zit wat in mijn schoen," zei Hans met een ongelukkig gezicht.
+
+"Er zit ook wat in mijn schoen," zei Leni.
+
+"Nu nog mooier!" riep Dolf.
+
+"Ja heusch," zei ze.
+
+"Trek hem dan eens uit," zei Door.
+
+"Neen, want dan is 't er niet meer in," lachte Leni.
+
+"Ze bedoelt haar voet! 'k Wist niet, dat mijn zusje zoo grappig was,"
+zei Nel, haar een kus gevende. "Maar Hans heeft er zeker nog meer in
+zitten dan een voet, die kijkt zoo ongelukkig; kom ventje, trek je
+schoen dan maar gauw uit. Met een hinkelepinkje kunnen we onmogelijk
+de wandeling naar huis ondernemen. Daar hebben we 't al," zei ze,
+een klein steentje weggooiende, "nu maar gauw voortgemaakt." "Toe,
+Nel, presenteer nog eens," zei Leni na een poos, "we hebben al zoo'n
+eind geloopen, we kunnen dan meteen eens zitten."
+
+"Mij goed, kinderen, kom maar hier, "moeder" zal voor jullie allen
+iets heerlijks uitzoeken," zei Nel lachend.
+
+"Dat kan je begrijpen," zei Dolf, "neen hoor, ieder mag zelf kiezen."
+
+"Natuurlijk, natuurlijk," viel Door bij.
+
+"Dan zal ik van mijn zak een hoorn des overvloeds maken," zei Nel en
+schudde het lekkers zoo ver mogelijk naar voren, terwijl ze haar hand
+er als een presenteerblaadje onder hield. "Eerst mogen onze gasten
+kiezen. Die nemen natuurlijk beiden hetzelfde. Tweelingen kunnen
+"onmogelijk" anders."
+
+"Neen," zei Bob, "dat hoeft toch niet. Hans vindt chocoladeboontjes
+met likeur het lekkerst en ik met fondant. We zijn alleen van buiten
+tweelingen."
+
+"Kies jij maar gerust, hoor," zei Nel. "Door weet er niets van. Zij
+zegt altijd zulke "onmogelijk" gekke dingen."
+
+"Nu maar weer voorwaarts marsch," commandeerde Dolf, nadat er een
+tijdje gerust was. "Anders komen we veel te laat thuis."
+
+"Daar is het land al, dat we over moeten."
+
+"Doen die koeien niets?" vroeg Hans, niet erg op zijn gemak bij
+'t vooruitzicht, die te moeten voorbij gaan.
+
+"We zijn al zoo dikwijls hier langs gekomen. Kijk, dat smalle paadje
+gaan we over; als kippetjes loopen we dan achter elkaar aan. Dolf,
+jij moet de haan maar zijn en ons voorgaan."
+
+"Wat een grappig wegje is dit," zei Bob, toen allen op het smalle
+landpaadje liepen.
+
+Een paar koeien keken even met droomerige oogen op, toen ze de kinderen
+zagen, maar graasden toen dadelijk rustig door.
+
+"Fox, hier blijven," beval Dolf, toen de hond vooruit wilde hollen.
+
+"Ik was toch liever niet door 't land gegaan, nu we Fox bij ons
+hebben," fluisterde Door Nel een poosje later in 't oor, "maar zeg
+hiervan niets aan de kleintjes."
+
+Juist had Door dit gezegd of een zwart gevlekte koe, die nog even
+te voren rustig had staan kauwen, deed een paar passen in hun
+richting. Nel stiet een klein gilletje uit. Fox, die zeker voelde,
+dat er iets niet in den haak was, begon te blaffen. Eerst bleef de
+koe staan, alsof zij verbaasd was over het geluid, dat zoo'n klein
+beestje maakte. Maar toen begon zij al vlugger te loopen, naar Fox toe.
+
+"Zij komt op ons af!" gilde Door. "Fox, hier, hier!" En meteen nam ze
+Hans bij de hand en zette het op een loopen. Nel met Bob er achteraan!
+Dolf en Leni, die al een eind vooruit waren, keken bij het hooren
+van het gegil achterom en renden angstig voort.
+
+"O, o!" jammerde Door en wanhopig sleurde ze Hans mee. "Hoe
+vreeselijk!"
+
+"Als we maar eerst bij het hek waren," hijgde Nel. "Ik-ik kan
+bijna--niet meer." Maar voort holde ze, den schreienden Bob
+meetrekkende. Steeds dichter en dichter naderde de koe. Nel hoorde
+het dier vlak achter zich. Ze bestierf het bijna van angst. Op
+eens struikelde ze en sloeg voorover, terwijl ze Bob in haar vaart
+meetrok. Op datzelfde oogenblik hoorde ze roepen: "Hector, pak aan!" En
+even daarna stond een oud, krom boertje over haar heen gebogen.
+
+"Wel, wel, ben je zoo geschrokken?" hoorde ze hem vriendelijk zeggen
+en meteen werd ze voorzichtig opgelicht. "Kom maar mee, hoor, en dat
+kleine ventje ook," zeide hij, den hevig schreeuwenden Bob bij de hand
+nemend. "Hector heeft die leelijke koe, die jullie zoo verschrikt
+gemaakt heeft, bij het touw: Je behoeft niet meer bang te zijn, dat
+ze je zal stooten. Kom maar gauw mee naar mijn huis. Je drinkt een
+frisch glas water en je bent weer heelemaal beter."
+
+"Heb jullie je pijn gedaan?" vroeg Door bezorgd, die met de anderen
+om Nel heen stond.
+
+"Mijn voet doet zoo'n pijn," zei Nel nog schreiend, gedeeltelijk van
+den schrik en gedeeltelijk van de pijn.
+
+"Als je hem maar niet verstuikt hebt," zei Door. "En Bob, waar heb
+jij je bezeerd?"
+
+"Mijn knie," zei Bob, "o, mijn knie doet zoo'n pijn."
+
+"Wel lieve tijd, zijn heele knie geschaafd," zei Door. "Stumperd. Hoe
+komen we met twee zulke invaliden thuis!"
+
+"Moet je nog ver?" vroeg het boertje.
+
+"Nog een half uurtje," zei Dolf.
+
+"Zoo, zoo, dat is geen kleinigheid, dat is geen kleinigheid," herhaalde
+hij hoofdschuddend. "Wil ik je eens wat zeggen? We zullen eerst een
+glas water gaan drinken voor den schrik en dan span ik mijn Bruin voor
+den wagen en breng jullie allen thuis. Nu, wat zeg je daarvan? 't Is
+wel geen statiekoets, maar je behoeft dan toch niet te loopen."
+
+"Dat vind ik "onmogelijk" aardig," zei Door.
+
+Mijnheer en mevrouw Van Brakel wisten niet, wat ze zagen, toen daar
+het heele vroolijke troepje op een hooiwagen den weg afkwam. Dolf en
+Leni wuifden al uit de verte met hun zakdoeken. In kleuren en geuren
+werd het geheele geval aan vader en moeder verteld. Natuurlijk moest
+het oude boertje binnen komen en een glaasje bier drinken. En nadat
+Leni hem vol trots haar kippenfamilie had getoond, ging hij, na nog
+eens en nog eens vriendelijk bedankt te zijn, met Bruin weer naar
+zijn eigen huis terug.
+
+Nels voet deed nog den heelen avond pijn. Maar moeder wist als altijd
+raad, zoodat beide invaliden den val al gauw vergeten waren.
+
+"Maar toch," zei Nel, "door een land met koeien ga ik van mijn leven
+niet weer, daar heb ik genoeg van."
+
+"Als Fox er maar niet bij geweest was," zei Dolf "dan was er niets
+gebeurd."
+
+"Ja, Foxje," zei Leni, "was jij nu maar zoo knap en zoo sterk als
+Hector, dan had je ons natuurlijk wel geholpen, maar je bent eigenlijk
+een klein, dom, eigenwijs hondje."
+
+Het duurde niet heel lang, of Door was in diepe rust, maar Nel was
+blijkbaar nog onder den indruk van den schrik.
+
+Toch kreeg na lang woelen eindelijk de slaap de overhand; maar toen
+werd de arme Nel geplaagd door de akeligste droomen. Ze zag zich zelf
+alleen op een groot stuk land, waar van alle kanten koeien op haar
+afkwamen, die haar met booze oogen aankeken. Ze vluchtte naar een
+hek, maar toen ze daar dicht bij kwam, was 't hek verdwenen en lag
+op die plaats een groote roodbonte koe kalm te grazen op een groot
+veld papavers. En telkens als het dier een papaver in den bek stak,
+veranderde de bloem in een draaiende tol. Toen liep Nel terug en
+zag opeens Leni voorbijhollen, gezeten op een zwarte koe. Leni leek
+veel grooter dan anders en telkens als ze langs Nel reed, strekte
+ze haar lange armen naar haar uit. Maar als Nel haar wilde grijpen,
+was zij verdwenen en zag Nel haar heel in de verte voortgaloppeeren,
+steeds haar wenkende, terwijl het haar als een mantel om haar heen
+golfde. Plotseling stond Nel voor een sloot en kon ze niet verder
+en voor en achter zich zag ze niets dan koeien, toen op hetzelfde
+oogenblik een wagen kwam aanrijden met een grappig klein paardje er
+voor. De kop van het paard ging steeds op en neer. Op den wagen zaten
+wel honderd kinderen, hij was zoo vol, dat onder 't rijden er gedurig
+enkelen afvielen, maar als aapjes kropen ze er weer bij op. De voerman
+pakte Nel op en zette haar er tusschen, maar toen zat Nel zoo nauw,
+dat zij zich letterlijk niet kon bewegen, want van alle kanten drongen
+ze tegen haar aan en een jongen hield haar knie zoo stijf vast en
+trok zulke vreemde gezichten, dat ze met een gil wakker werd.
+
+"Wat heb je, wat is er?" riep Door verschrikt en zat rechtop in bed.
+
+"Ik weet het niet," kreunde Nel, "o, wat had ik een akelige droom,
+je weet het niet--van koeien en--o vreeselijk."
+
+"Wacht, ik zal gauw licht opsteken " zei Door en wipte het bed
+uit. "Een buitenkansje, de lucifers liggen op den kandelaar," zei ze,
+de kaars aanstekend. "Wil je eens drinken?"
+
+"O, graag," zei Nel klappertandend. "Ik droomde--"
+
+"Neen, hoor, die droom zal ik morgen vroeg wel hooren, laten we nu
+liever over iets anders praten, anders doorleven we straks beiden
+vervolg en slot van deze minder opwekkende droomgeschiedenis," zei ze,
+weer in bed stappend.
+
+"Weet je, wat ik wou," zocht Door Nel af te leiden, "dat ik zoo'n
+raaf had als die juffrouw--"
+
+"Welke juffrouw?"
+
+"Je weet wel, die dame, bij wie we vandaag die tollen en de sigaar
+kochten."
+
+"O ja, dat zou leuk zijn," zei Nel, nog niet geheel bekomen.
+
+"Ik zou hem allerlei versjes leeren; te beginnen met: "'t Is vacantie,
+'t blijft vacantie" enz."
+
+"Meen maar niet, dat dat zoo gemakkelijk zou gaan. Als hij hier op
+de slaapkamer stond, dan zou hij al gauw roepen: "Nel, waar is mijn
+haarlintje, waar mijn armband, waar mijn themaboek?"
+
+"Om te gieren," vond Door. "Zou zoo'n vogel duur zijn?"
+
+"Ik weet het niet," zei Nel geeuwend.
+
+"'t Is jammer, dat het er met mijn spaarpot altijd zoo treurig
+uitziet."
+
+"En met de mijne."
+
+"Zeg eens, Nel, Ne-el."
+
+"Ja"--kwam er flauw uit het andere ledikant.
+
+"Je moet je oogen eens half toe doen en dan naar de kaars kijken,
+dan zie je zulke prachtige stralen."
+
+"Hm," zei Nel, "'k doe ze liever heelemaal toe, 'k ben slaperig."
+
+"Ja, ik ook. Toch leuk, die stralen van die kaars, ik zal ze toch
+zoo meteen uitblazen--"
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+EEN DAG VOL GEHEIMEN.
+
+
+
+ "Er stond een juffrouw aan de deur
+ Met een witte boezelaar veur
+ Hoe langer ze ston
+ Hoe meer ze vergong"
+
+
+zei Door den volgenden morgen lachend en wees uit haar bed naar
+den kandelaar.
+
+"Och, lieve tijd, je hebt de kaars laten branden," zei Nel en 't was
+nog wel een nieuwe.
+
+"Ja, dat zal je altijd zien. Met stompjes zal mij zooiets niet
+overkomen. Maar eigenlijk ben jij hier de schuldige."
+
+"Nu nog mooier!"
+
+"Ja, want om jou van een wissen ondergang te redden, ontstak ik het
+licht," zei Door plechtig.
+
+"Ja, 't was een nare droom," zei Nel, nog rillend bij de herinnering.
+
+"Vertel hem nu maar; zoo onder het vastmaken van mijn knooplaarzen
+bestaat er niet veel kans, dat ik hem verder droomen zal."
+
+"Ja," zei Nel, zich bezinnend, "ik droomde van koeien, die op mij af
+kwamen--en--en--verder weet ik werkelijk niet meer."
+
+"Dat dacht ik wel. Een droom is als een Fransche les, als je hem
+vertellen wilt, dan weet je er hoogstens een regel van. Maar dat je
+van koeien gedroomd hebt, verwondert mij niet na ons avontuur van
+gisteren. Mij dunkt, al de jonge leden van den huize Van Brakel hebben
+het vannacht wel met een of meer koeien aan den stok gehad. Ik ken
+mijzelf niet, dat ik er zoo heelhuids ben afgekomen, afschoon _jouw_
+koeien mij mijn halve nachtrust gekost hebben," lachte ze.
+
+De lucht zat vol geheimen!
+
+Geen wonder, Leni was den volgenden dag jarig en dat is op zichzelf
+al een feest, maar jarig zijn in de vacantie, met nog twee aardige
+logetjes, dat is wel een reden om er een echten feestdag van te
+maken. Er werd dan ook heel wat afgefluisterd, zelfs Kee werd er in
+betrokken, en wat meer zegt: Kee had nu eens geen haast, maar luisterde
+belangstellend naar Nel of Door. Leni's hartje popelde van verlangen.
+
+"Is ons cadeautje al bezorgd?" fluisterde Door moeder in 't oor.
+
+"Nog niet, juffertje Ongeduld, maar dat zal wel komen."
+
+"Het zou jammer zijn, als het niet op tijd kwam. Weet u wat, ik ga
+eens even naar den winkel."
+
+"Dat zou ik maar doen, zoo'n wandeling is gezond," zei mevrouw
+Van Brakel.
+
+"Hoe vervelend! Nu kan ik mijn handschoenen weer niet vinden; maar kom,
+dan maar zonder," overlegde Door bij zich zelf. "'t Is ook zoo warm."
+
+Zoo alleen boodschappen doen was juist een kolfje naar Doors hand;
+ze hield dol van winkels kijken en nu kon ze net zoolang voor een
+raam staan, als ze zelf verkoos. Nel had gewoonlijk zoo'n haast. Toen
+ze eindelijk al haar aandacht gaf aan een winkel, waar mooie platen
+voor de ramen hingen, bemerkte ze, dat een meisje naast haar stond,
+dat gedurig naar haar keek en dat, telkens als Door haar aankeek,
+lachend haar hoofd afwendde. Door wist niet, wat ze er van denken
+moest en liep verder. Bij een volgenden winkel dacht ze: "Wat zien ze
+toch aan mij?" toen ze bemerkte, dat ook een dame, die eerst achter
+haar had geloopen, haar in 't voorbijgaan aankeek en lachend doorliep.
+
+"'t Is, alsof iedereen weet, dat we morgen een feestje hebben," dacht
+ze bij zichzelf en liep wat vlugger om gauwer thuis te zijn. Maar
+voor ze den winkel in ging om te vragen, of het cadeautje, dat zij
+en Nel aan Leni wilden geven, klaar was, keek ze nog eens voor de
+ramen naar allerlei beeldige dingetjes. Nauwelijks stond ze daar,
+of een slagersjongen zei lachend: "Zeg eens, jongejuffrouw, is dat
+de laatste mode, op _die_ manier je handschoenen te dragen?"
+
+Nu werd het Door toch te erg en met een kleur als vuur draaide ze
+den winkel in.
+
+"Juffrouw," begon ze stotterend, "is..." maar Door kon bijna niet
+verder spreken, toen ze het lachende gezicht van de juffrouw zag. "Is
+de," hakkelde ze. Maar op eens schaterde de juffrouw het uit: "Hebt
+u zoo door de stad geloopen?"
+
+"Ja," knikte Door verlegen. "Ja."
+
+Door bekeek zich van alle kanten, draaide zich om en om.
+
+"Hebt u niet naar uw handschoentjes gezocht?" Door knikte; begreep
+er niets van. "Voelt u dan eens op uw hoed." Nu schaterde Door het
+uit. "O, daar zijn ze, nu begrijp ik alles."
+
+"Ja, maar er zit nog iets, ik geloof een zakdoek. Voel maar eens
+achter de lus."
+
+"Ja warempel," lachte Door. "Als ze dat thuis hooren! Ik ben maar wat
+blij, dat u 't mij gezegd hebt, dank u wel. Maar nu zou ik bijna mijn
+boodschap vergeten. Ik kwam eens hooren, of de mand klaar was. Morgen
+is mijn zusje jarig."
+
+De juffrouw beloofde het cadeautje op tijd te bezorgen en lachend
+nam Door afscheid.
+
+"Net iets voor jou, net iets voor jou," riep Nel, toen Door het heele
+verhaal thuis deed.
+
+"Prachtig," zei vader, "prachtig. Jullie zult eens zien, dit meisje
+wordt nog een professor."
+
+"Je verschijnt nog eens op een morgen met de handschoenen aan je
+voeten en de schoenen aan je handen," plaagde Dolf.
+
+"Dat denk ik niet," zei Door; "want gewoonlijk mis ik een van beide."
+
+En terwijl Door beneden het verhaal deed van haar ongelukkigen tocht,
+liepen Hans en Bob met Fritsje tusschen zich in ongemerkt zacht de
+trap op. "Pas op, dat Leni ons niet hoort," zei Hans.
+
+"Leni morgen jarig," zei Fritsje.
+
+"Ja, Leni krijgt iets heel moois," zei Hans gewichtig.
+
+"Ja," zei Bob, "Leni krijgt een echt kuikentje, omdat ze zooveel van
+kuikentjes houdt."
+
+"Waar is het?" vroeg Frits belangstellend.
+
+"Kom maar mee, het ligt in dezen koffer," zei Hans, terwijl hij den
+koffer open deed. Nieuwsgierig keek Frits er in.
+
+"Ik zie geen kuikentje," zei hij teleurgesteld.
+
+"Zie je dat ei daar liggen?" vroeg Hans, nadat hij eerst allerlei
+kleedingstukken van hem en Bob uit den koffer had genomen.
+
+Frits knikte.
+
+"Dat ei wordt een kuikentje," legde Bob uit.
+
+"Ja," zei Hans, Bobs woorden herhalend, "dat ei wordt een kuikentje."
+
+"Een echt?" vroeg Frits ongeloovig.
+
+"Ja. Maar eieren moeten een geheelen tijd heel warm liggen, voor er
+kuikentjes uit kunnen komen," onderwees Bob weer. "Ik zal het daarom
+maar weer gauw toedekken."
+
+"Als wij hier een kip hadden," bepeinsde Hans, "dan konden wij die
+er op zetten."
+
+"Ja," zei Bob, wien dit ook wel toelachte, "dan kroop er misschien
+morgen wel een kuikentje uit het ei, dat zou heerlijk zijn."
+
+"Durf jij een kip uit den tuin halen?" vroeg Hans.
+
+Bob schudde heftig zijn hoofd. "Een doode misschien wel," kwam er
+flauwtjes uit.
+
+"Ja, maar die is er niet," zei Hans, met een bedenkelijk gezicht
+naar de plaats kijkende, waar het ei lag, bedolven onder blousjes
+en broeken.
+
+"Zal Fritsje kipje zijn?" stelde Frits moedig voor.
+
+Hans en Bob keken elkaar aan.
+
+"Kun je stil zitten?" vroeg Bob.
+
+Frits knikte.
+
+"Kippen zitten altijd doodstil op de eieren," zei Hans, die zich
+verplicht gevoelde Frits het moeilijke van zijn taak goed onder het
+oog te brengen.
+
+"Ik kan wel voor kipje spelen," zei Frits, die bij zijn voorstel bleef.
+
+"Dan zal ik de kleeren weer uit den koffer krijgen."
+
+"Kun je er alleen in stappen?" vroeg Bob.
+
+Neen, dat kon hij niet. Hans en Bob moesten hem helpen.
+
+"Daar is Julia ook," zei Bob, "die mag hier niet in deze kamer,
+dan wil ze misschien ook in den koffer."
+
+"Als 't kuikentje piept, moet je er dadelijk uitkomen," waarschuwde
+Hans.
+
+Frits knikte.
+
+"Als Frits op het kuiken zit, dan kan het wel dood gaan," zei Bob
+angstig.
+
+Dat was een moeilijk geval, daar hadden Bob en Hans nog in 't geheel
+niet aan gedacht.
+
+"Laten we dan maar liever de kleeren weer op 't ei leggen," stelde
+Bob voor, die in zijn verbeelding het doode kuikentje al zag. En juist
+zou Frits maar weer kip af zijn, toen vreeslijk gegil van beneden tot
+hen doordrong. Bob en Hans holden naar het raam aan den voorkant en
+zagen nog juist, dat Julia door Leni van de straat opgeraapt werd.
+
+"Hoe vreeselijk, Julia is uit het raam gevallen!" Bob en Hans vergaten
+Frits en liepen, zoo vlug ze konden, naar beneden.
+
+"Och, lieve poes, lieve Julia," riep Leni schreiende. "Zie ze eens
+beven. Als ze maar niet dood gaat." Zacht streelde ze poes; allen
+stonden om haar heen.
+
+"Ze heeft gelukkig niets gebroken," zei mijnheer Van Brakel, de
+pootjes onderzoekend. "Zet haar op dezen stoel, Leni; ik denk, dat
+ze wel gauw weer de oude zal zijn. Zij is natuurlijk erg geschrokken."
+
+"Zie ze toch eens beven," zei Leni.
+
+"Maar hoe kwam poes toch boven? De deur van de voorkamer moet
+opengestaan hebben."
+
+"Poes wou in den koffer," versprak Hans zich, "maar dat mocht niet,
+want Fritsje...."
+
+"Fritsje? Is Frits dan boven?" vroeg mevrouw Van Brakel verbaasd. "Ik
+dacht, dat jullie met hem in den tuin speelden."
+
+"Fritsje zit in den koffer," lichtte Bob toe.
+
+"In den koffer?" Allen keken verbaasd naar de tweelingen, toen Hans,
+die opeens aan de verrassing van Leni dacht, zei: "Ja, 't is een
+geheimpje, he Bobbie?"
+
+De verwondering steeg ten top. Door holde naar boven, waar ze Fritsje
+snikkend in den koffer vond zitten.
+
+"Och, kleine vent, wat scheelt er aan?" Maar niettegenstaande het
+diep ongelukkige gezichtje van Frits kon Door toch haar lachen niet
+bedwingen, toen Frits tusschen het schreien door riep: "Ik--ik--wil
+geen kippetje zijn, Dora, ik wil geen kippetje zijn."
+
+Toen Door met het snikkende Fritsje beneden kwam en met vragen bestormd
+werd, zei ze lachend:
+
+"Wij vertellen niets, dat is nu _ons_ geheimpje, wat zeg jij, kleine
+man?" Fritsjes verdriet, nu hij uit den koffer en weer bij moesje was,
+was spoedig geleden.
+
+Gelukkig was Julia gauw weer beter en toen Leni even de kamer
+uit was, stelde vader voor, eerst de tweelingen en daarna Julia te
+photografeeren. Kee werd in het geheim genomen. Die kwam daarom even
+later Leni vragen, haar wat te helpen.
+
+"Ik kom anders nooit klaar en jij kunt zoo mooi helpen, je doet
+mij zooveel pleizier," beweerde ze. "Je werkt nog beter dan ik
+zelf." En ze liet Leni koffie malen uit den treuren, totdat ze wel
+voor een week genoeg had. En nadat de heer Van Brakel Bob en Hans
+had gephotografeerd, beiden zittende in de sportkar, was hij met een
+onuitputtelijk geduld bezig Julia te "nemen." Juist op 't moment,
+dat het gaan zou, zag Julia, onbewust van 't gewichtige oogenblik,
+een vlieg, waardoor haar rustige houding van even te voren geheel
+veranderde en zij vol belangstelling het diertje met haar poot
+trachtte te grijpen. Maar eindelijk, na herhaalde pogingen, stond
+Julia er "prachtig" op. Fox, die eigenlijk ook op een kiekje moest,
+was op dat oogenblik nergens te vinden en dus bleef het bij poes en
+de tweelingen. Dolf stelde voor Toetie en Snoetie te fotografeeren,
+maar deze twee waren vader veel te beweeglijk, zoodat er veel kans
+zou zijn, dat Snoetie met twee koppen en Toet er misschien met twee
+staarten opkwam en vader wist zeker, dat Leni op zoo'n portret van
+haar lievelingskippen niet gesteld was.
+
+"Jammer, dat Foxje er niet is," zei Dolf, "ik wil nog eens kijken,
+misschien is hij wel in de buurt." En juist zou Dolf de kamer uitgaan,
+toen Nel hem lachend tegen hield.
+
+"Weer een brief van oom Karel," zei ze, "dien moet je eerst hooren, ik
+zal hem voorlezen. Jongens, een brief van vader, kom eens gauw," riep
+ze den tuin in. "Waar is Leni, die moet ook bij de voorlezing wezen."
+
+"Hoera, hier zijn we al," juichte het drietal.
+
+"Toe, Nel, begin nu gauw," zei Door.
+
+Nel las:
+
+"Mijn lieve kaboutertjes! Het briefje, dat ik hierbij insluit, is
+van Miekie. Ik vond het op den lessenaar. Miekie had natuurlijk geen
+postzegel, daarom heb ik het briefje maar in het couvert gedaan en
+aan jullie verzonden. Dat zij gisteren iets in haar schild voerde,
+was duidelijk. Zij bleef voortdurend bij mij zitten, terwijl ik zat
+te schrijven. Na eerst op mijn schouder en toen op een paar boeken
+gezeten te hebben, ging ze op een blaadje postpapier zitten. Als ik
+haar zei: "maar, Miekie, postpapier is er toch niet om op te zitten,"
+dan knipte ze een paar keer met haar groene oogjes en keek het raam
+uit, alsof ze 't onschuldigste poesje van de wereld was."
+
+"Precies zooals Julia doen kan," zei Door. "En toen ik klaar was," las
+Nel verder, "en het papier wilde meenemen, was ze zoowaar ingedommeld,
+zoo hield zij zich tenminste, zoodat ik het blaadje wel moest laten
+liggen. Toen ik later den brief zag, begreep ik, waarom zij dit grapje
+uitgehaald had.
+
+Nu wil ik nog even vertellen, dat ik morgen bij jullie kom. Ik
+weet, dat er dan een klein meisje jarig is, dat ik graag zou willen
+feliciteeren en 't is dan mijn plan, de kaboutertjes den volgenden
+dag mee naar hier te nemen. We verlangen allen erg naar hen en dan
+... sedert gisteren heeft hier in huis een groote verandering plaats
+gehad, maar ik _schrijf_ niet wat. Ik zal het mijn kaboutertjes
+zelf _vertellen_. Wat zullen ze opkijken! Honderd kusjes van vader
+en moeder."
+
+"Komt Paatje morgen hier?" riepen Bob en Hans opgetogen.
+
+"Ja, hoe vindt jullie dat?"
+
+"Heerlijk!" zei Bob, "juist op Leni's verjaardag."
+
+"En gaan we dan gauw naar huis?"
+
+"Zeker, dan nog een nacht hier slapen," zei Nel, lachend om de
+opgewonden gezichtjes.
+
+"Dan gaan we weer naar Maatje," zei Hans blij.
+
+"Ja en als jullie dan heerlijk bij je Maatje zit en bij Miekie, Bruun
+en Jaap, dan zitten wij helaas weer op school," zei Dolf zuchtend.
+
+"Maar nu kunnen we nog zingen," zei Door en met een potlood de maat
+slaande, begon ze:
+
+
+ "'t Is vacantie, nog vacantie.
+ Hoera vacantie boven."
+
+
+En allen vielen mee in:
+
+
+ "En ieder, die 't niet zingen wil,
+ Die moet er aan gelooven."
+
+
+Dolfs stem hoorde men boven allen uit.
+
+"Stil, nu zal ik Miekies brief voorlezen, kijk toch eens die groote
+letters," zei Nel, den brief in de hoogte houdende.
+
+"Leuk," riep Leni, "begin nu maar."
+
+"Lieve baasjes," las Nel en keek daarbij Bob en Hans aan, wier
+gezichtjes straalden van genot. "Ik verlang zoo naar jullie en
+Bruun ook. Jaap, geloof ik, ook wel, maar dat kan mij niet schelen;
+want op Jaap ben ik boos. Dat is zoo gekomen. Ik was gisteren op de
+muizenjacht. Uren en uren had ik voor een gaatje gezeten, waaruit een
+muis moest komen. Ik kreeg op 't laatst erg veel verlangen naar mijn
+schoteltje met melk, maar toch bleef ik zitten, omdat ik bang was,
+dat mij 't muisje ontsnappen zou. Bruno kwam ook een paar keeren bij
+mij, hij wou met mij spelen, maar ik bleef zitten, ik wou het muisje
+hebben. Eindelijk, jawel, daar stak het zijn puntsnuitje uit het
+gaatje. Ik verroerde mij niet. Voorzichtig kwam het er verder uit,
+zag overal rond, tot het opeens heelemaal te voorschijn kwam. Toen
+sprong ik er op af, maar toch ontkwam het mij en schoot achter een
+kist. Ik zal jou wel krijgen, dacht ik, en bleef dicht bij de kist
+zitten. Op eens kwam Jaap binnen. Hij begreep blijkbaar dadelijk,
+waarom ik zoo stil zat. "Jij boosdoenster," zei hij. "'t Is jou zeker
+weer om een muis te doen." En toen eindelijk de muis van achter de
+kist te voorschijn kwam, zette hij de deur wijd open; zoo ontsnapte
+mij het heerlijke kluifje. Toen ik het achtervolgen wilde, smeet hij
+de deur toe en zei: "Dat kun je begrijpen! Jij er weer achter aan
+zoodat je het op 't laatst toch zou krijgen? Neen, daar komt niets van
+in." Zoo was dus al mijn loeren voor niets geweest. Ik was zoo boos,
+dat ik mij direct omkeerde en wegliep. Later kwam Jaap nog weer bij
+mij met allerlei mooie praatjes, maar ik deed, alsof ik sliep en toen
+ging hij gauw weer weg.
+
+"O, die oom Karel," lachte Dolf, "wat kan die toch aardige...."
+
+"Nu, wat kan oom Karel?" vroeg vader plagend.
+
+"Neen, neen," zei Dolf. "Ik bedoel, wat kan Miekie toch aardige
+brieven schrijven."
+
+"Alsof Julia 't niet zoo kan," lachte Ma.
+
+"Ja, natuurlijk, Julia is dan ook een bijzonder knappe poes," zei Door.
+
+"Laat mij nu verder lezen," zei Nel, "de brief is nog lang niet uit."
+
+"Ik wilde toen mijn troost bij Bruno zoeken, maar die was als
+gewoonlijk buiten en speelde op 't grasveld met andere honden. Aan
+den kant van het grasveld staan boomen, zooals jullie weet, en nu had
+iemand zijn hond, een mooien zwarten poedel, met een touw aan een van
+die boomen vastgebonden, zeker, omdat hij hem niet goed mee naar binnen
+kon nemen. Natuurlijk was dit alles behalve prettig voor dien hond,
+vooral, omdat hij al die andere zoo vroolijk zag ronddraven. Bruno was
+al eenige malen naar den armen gevangene toegeloopen om een praatje
+met hem te maken, maar dan kreeg hij weer zoo'n lust om te stoeien,
+dat hij wel driemaal 't bloemperk omrende, tot hij op eens op de
+gedachte kwam den poedel te helpen. Hij begon in het touw te bijten,
+te bijten--nu, je weet, Bruun heeft scherpe tanden. De vastgebonden
+hond begon te kwispelstaarten en te blaffen, Bruun rustte even, begon
+weer met vernieuwde krachten te rukken en te bijten. Tot hij het
+touw doorgebeten had. Als een pijl uit den boog rende de poedel niet
+eenmaal, maar wel zesmaal 't grasveld rond. Wat was hij blij! Bruun
+achter hem aan. Het werd een dolle jacht.
+
+Toen de poedel geheel buiten adem met de tong uit den bek even stil
+stond, kwam zijn baas er aan. Als jullie zijn gezicht gezien hadt! Hij
+keek van den boom naar den poedel en van den poedel naar den boom en
+dan naar de andere honden. Eenige menschen, die alles gezien hadden,
+wezen naar Bruno. De baas lachte nu ook, floot een paar malen en
+jawel, daar kwam de poedel, nog met een stuk touw achter zich aan,
+schoorvoetend naar hem toe. Hij was, geloof ik, bang, dat de baas
+boos zou zijn, maar die klopte zijn hond op den rug, streek hem over
+den kop, zoodat de poedel vroolijk kwispelstaartte en met hem meeliep."
+
+"Zou Foxje ook zoo iets kunnen doen, vader?" vroeg Dolf.
+
+"Misschien wel, maar Bruun is een groote, sterke hond en heeft
+natuurlijk een sterk gebit."
+
+"Kom maar terug naar je zoo zeer verlangende Miekie," las Nel.
+
+"Prachtig, moes, wat zou die verandering toch kunnen zijn?" vroegen
+Nel en Leni.
+
+"Dat zul je morgen wel hooren," lachte ma.
+
+"Misschien heeft vader kuikentjes gekocht," zei Hans, die aan zijn ei
+in den koffer dacht. "Of heeft Bruun een nieuwen halsband gekregen,"
+raadde Bob.
+
+"Of, of," zei Leni, "heeft Miekie jonge poesjes gekregen."
+
+"Ik wou, dat 't al morgen was," zuchtte Hans.
+
+"Ik kan bijna zoolang niet wachten," zei Bobbie.
+
+"Nu kan ik door twee dingen bijna niet in slaap komen vanavond. Ten
+eerste, omdat ik morgen jarig ben en ten tweede, omdat ik zoo
+verlangend ben naar hetgeen oom Karel heeft te vertellen."
+
+"Moes, u weet het," zei Door, mevrouw Van Brakel met den vinger
+dreigend. "Toe, vertelt u het ons eens."
+
+"Dat kun je begrijpen," lachte moeder.
+
+En toen Door Nel later iets in het oor fluisterde en Dolf vroeg,
+of er ook een verfkwastje was, zei mijnheer Van Brakel lachend:
+"'t Is hier wel een tijd van geheimpjes, dat moet ik zeggen."
+
+"Nu, kinderen, 't is tijd om naar bed te gaan. De tweelingen en Leni
+slapen zeker al lang."
+
+"Ja, kom Nel, wij moeten morgen vroeg op," zei Door, "want"....
+
+"St., niets vertellen," zei Nel, den vinger op den mond houdende.
+
+"Och, lieve tijd," zuchtte Door, "ik vind het toch zoo "onmogelijk"
+lastig, geheimen te bewaren."
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+LENI'S VERJAARDAG.
+
+
+"'t Is zes uur, sta op," fluisterde Nel.
+
+"Wat zeg je?" vroeg Door slaperig.
+
+"'t Is zes uur. We zouden immers bloemen voor Leni plukken. Kom
+er uit."
+
+"Nu al?"
+
+"Ja zeker, anders komen we niet klaar."
+
+"Ik ben zoo "onmogelijk" slaperig."
+
+"Dat ben je om zeven uur ook nog," was 't kalme antwoord.
+
+"Je hebt ook nooit medelijden met mij," kwam er grappig klagend uit.
+
+"Als ik klaar ben, ga ik en wacht niet op je." zei Nel. "Stil, Leen
+draait zich om; als ze wakker wordt, is alle aardigheid er af."
+
+"Ik kom al," zuchtte Door, haar kousen aantrekkend.
+
+Zacht fluisterend en op de teenen loopend kleedden Nel en Door,
+zich aan.
+
+"Begin nu alsjeblieft niet met je sproeiwoede," zei Nel, toen Door
+haar waschkom vol schonk, ''dan wordt Leni stellig wakker."
+
+"'k Vang dan anders twee vliegen in een klap," zei Door lachend.
+
+"Hoe zoo?"
+
+"Wel, ik krijg de volle laag en jij bent wel tevreden met de
+druppeltjes, die mij voorbij vliegen; op die manier zijn we gauw
+klaar."
+
+"Als jij dat druppeltjes verkiest te noemen," zei Nel, "'t is
+gewoonlijk een volslagen fontein. Stil, Leni beweegt zich weer,
+sta nu toch doodstil."
+
+Wel drie minuten stonden beide meisjes onbeweeglijk, angstig kijkend
+naar de kleine jarige.
+
+"Voor standbeeld ben ik niet in de wieg gelegd," zei Door, toen zij
+zich weer durfde bewegen, "dat merk ik wel."
+
+"En ik niet," zei Nel.
+
+Plof! Wat was dat? Doors kam gleed uit haar handen. Beide meisjes
+stonden als palen; want nu volgde een onrustbarend geschuifel in
+het ledikant.
+
+"Ga op den grond liggen," commandeerde Nel en zeeg zelf ook behoedzaam
+neer. Het geschuifel hield aan. Door en Nel stikten bijna van 't
+lachen. Door lag voorover met haar hoofd onder de tafel, de noodlottige
+kam recht voor zich uit houdende. Nel in haar onderlijfje met de beenen
+onder haar eigen ledikant. Toen werd de deur zacht opengeduwd en Hans
+stond met verbaasde oogen naar het eigenaardige tooneeltje te kijken.
+
+Door wist geen raad van het lachen bij het zien van Hansjes
+verwondering. Hij dacht zeker niet anders, of de beide meisjes waren
+door een aardschok neergesmeten. Door wenkte met de kam, dat hij weg
+moest gaan. Hans scheen haar niet te begrijpen en bleef onbeweeglijk
+staan.
+
+"W-e-g," spelde Door met de lippen en wees naar Leni's ledikant.
+
+"Het-ei-is," fluisterde Hans en wilde blijkbaar nog meer zeggen,
+maar Door zwaaide zoo wanhopig met de kam, dat Hans ten slotte
+bedrukt wegging.
+
+"Ik geloof, dat Leni weer in slaap gevallen is. Houd toch op met je
+gelach, je zult alles nog bederven," waarschuwde Nel boos.
+
+"Zag je Hansjes gezicht?" fluisterde Door, zich nu ook oprichtend. Nel
+knikte. Tot overmaat van ramp kwam Foxje ook nog in de kamer, maar
+Door zette hem er voorzichtig uit en zoo kwamen de beide meisjes toch
+eindelijk klaar. Moeder was al beneden en werd in het geheim genomen;
+ze beloofde Leni, als ze beneden kwam, naar Kee te sturen, tot alles
+voor de jarige klaar was.
+
+"Kom nu maar gauw mee," zei Nel tot Door; "want er zijn heel wat
+vaasjes te vullen."
+
+"Gelukkig! Ons cadeau is bezorgd," zei Door, op de nieuwe mand voor
+Julia wijzend. "Stopt u die maar goed weg, moes, anders ziet Leni
+die nog, voor we thuis zijn."
+
+"Daar zal ik wel voor zorgen, kind! Ja, meisjes, jullie moet
+voortmaken. Een verjaardag zonder bloemen en dat nog wel in den zomer,
+dat gaat toch niet. 't Is heerlijk, dat jullie een veldbouquet gaat
+plukken; want het zou jammer zijn den tuin te plunderen, als het
+niet noodig is; alles staat nu zoo mooi en we hebben er zoo lang
+pleizier van."
+
+"Ja, moes, we komen gauw terug," zei Door, die den botaniseertrommel
+van Dolf nam. Na een half uur hadden de meisjes een prachtigen
+ruiker geplukt.
+
+"Ik pluk ook nog wat papavers," zei Nel, "die staan zoo beeldig."
+
+"Ja, dat doen ze, maar ze zijn zoo gauw verlept," vond Door.
+
+"Ziezoo, we hebben genoeg, laten we maar vlug opstappen, want het
+valt niet mee, alles te moeten rangschikken."
+
+"Is Leni al beneden?" was 't eerste wat Nel vroeg, toen ze thuis
+kwamen.
+
+"Neen, ze schijnt nogal te kunnen slapen, niettegenstaande ze gisteren
+het tegendeel beweerde," zei mevrouw Van Brakel. "He, kinderen,
+kinderen, wat een schat van bloemen brengen jullie mee."
+
+Alle vaasjes en glazen werden voor den dag gehaald en met bloemen
+gevuld, wat aan de kamer een echt feestelijk aanzien gaf.
+
+"Foxje, kom eens hier, oude jonge, je vrouw jarig en jij geen strik
+om? Dat is ongehoord." En Nel bond Fox een blauw lint om den hals
+en maakte aan een kant een flinken strik. Zoo heel pleizierig vond
+Foxje dit nu niet, maar voor een jarige moet je wat over hebben,
+had hij dikwijls gehoord en dus droeg hij zijn lot gelaten, zooals
+een gehoorzaam en liefhebbend hondje past. En terwijl Nel bezig was
+met Fox, bond Door Julia een rood lint om. Blauw was meer haar kleur,
+vond Door, maar met het oog op de rood gevoerde mand was het beter
+de halsversiering ook in die kleur te nemen.
+
+"Daar komt Leni aan!" riep Nel. "Waar is Dolf en waar zijn de
+tweelingen en vader? We moeten toch allen in de kamer zijn, voor
+Leni binnenkomt."
+
+"Dolf is achter in den tuin, met Bob, Hans en Fritsje."
+
+"Jongens, op 't appel!" riep Door.
+
+"'t Is vandaag feest, zooals 't nooit is geweest," zong vader en kwam
+met Leni binnen. Leni wist van verlegenheid niet, hoe ze kijken zou,
+toen allen haar in de kamer opwachtten.
+
+Verrukt keek ze naar de bloemen.
+
+"Ja, ja, daarvoor hebben Nel en Door gezorgd. Wat zeg je daar wel
+van?" zei moeder.
+
+"Beeldig," vond Leni.
+
+"Een spel voor den tuin," zei moeder en zette een groote kist op
+de tafel.
+
+"Een croquetspel," juichte Leni, "heerlijk!" En ze vloog op moeder
+en vader toe om beiden te bedanken.
+
+"Wat je Julia geeft, geef je Leni, hebben wij gedacht," zei Door.
+
+"Een ledikant voor je Snoes," voegde Nel er bij en zette ter
+verduidelijking de poes in de nieuwe mand.
+
+"Hoe leuk!" riep Leni. "Och, zie haar eigenwijs gezicht eens."
+
+"Julia onderzoekt, of ze een springveeren of een paardeharen matrasje
+heeft," zei Dolf, toen de poes de mand van alle kanten besnuffelde.
+
+"Maar hoe staan onze loge's zoo stil te kijken?" vroeg mijnheer
+Van Brakel.
+
+"Er is geen kuikentje uitgekomen," zei Bob.
+
+"Geen kuikentje uitgekomen, ventje?" vroeg moeder verwonderd.
+
+Door proestte het uit.
+
+"Neen," zei Hansje, die dit gelukkig niet zag. "Het heeft al dien
+tijd in den koffer gelegen onder onze blousjes. En Fritsje durfden
+wij er niet opzetten, omdat we bang waren, dat het kuikentje dan dood
+zou gaan."
+
+"Ik begrijp toch niet recht, wat je bedoelt," zei vader, die moeite
+deed ernstig te kijken; "vertel mij eens, wat lag in den koffer,
+kereltje?"
+
+"Dit ei," zei Hans. Maar nu kon mijnheer Van Brakel zich niet langer
+bedwingen. Hij schaterde het uit en allen in de kamer schoten in een
+hartelijk gelach.
+
+"'t Is een kalkei; o jongens, jongens, jullie bent eenig, eenig!"
+
+Toen allen zoo vroolijk waren en het zich zoo in 't geheel niet
+aantrokken, dat er geen kuiken uit het ei gekomen was, zelfs Leni niet,
+toen moesten Hans en Bob toch wel meelachen.
+
+"Kijk eens, dit mag jullie Leni geven," zei moeder en gaf Bob een
+doos met flikjes. "Daar kan ze dan eens uit presenteeren vanmiddag,
+als paatje er is."
+
+Dat was goed.
+
+"Fisjeleer," zei Fritsje, terwijl hij Leni een fleschje met eau de
+cologne vereerde. Natuurlijk moest ieder even van de eau de cologne
+ruiken en daar Fritsjes zakdoek nergens te vinden was, kreeg hij een
+beetje op de punt van zijn schort.
+
+"Nu heb ik hier ook nog een paar oude kennisjes," zei vader, de
+portretten van de tweelingen en Julia gevende.
+
+"Och, paatje, hoe aardig," zei Leni verrukt. "Wanneer hebt u dat
+gedaan? Bob en Hans hebben me er niets van verteld."
+
+"Ja, dat _die_ geheimen kunnen bewaren, hebben we gemerkt," zei vader,
+"maar Julia doet voor hen niet onder."
+
+"Mag ik nu de jarige in den tuin verzoeken?" zei Dolf.
+
+"In den tuin?" vroeg Nel.
+
+"Ja, komt allen maar mee, achter in den tuin."
+
+"Kijk toch eens, Dolf heeft warempel het kippenhok geverfd," riep
+Leni opgetogen.
+
+"Hoe leuk!"
+
+"Dat noem ik nog eens een verrassing," zei vader. "Ik wist werkelijk
+niet, dat ik zoo'n knappen zoon had."
+
+"Wanneer heb je dat gedaan?" vroeg Door.
+
+"Gisterenavond en vanmorgen. Ik was om zes uur al in den tuin," zei
+Dolf, blij, dat allen het zoo aardig vonden. "Maar nu moet je er ook
+eens even in gaan," zei hij tot Leni; "ik heb de kippenfamilie zoo
+met elkaar zien fluisteren, het zou mij niet verwonderen, als zij
+ook een verrassing voor je hadden."
+
+Lachend ging Leni in het hok. "Kom eens hier," riep ze en stond te
+dansen voor de nesten van Toetie en Snoetie. "Komt toch eens allen
+hier!"
+
+"Maar kindje, dat is toch wel wat veel gevergd," zei vader; "het
+heele gezelschap in het kippenhok! Laat ons liever eens zien,
+welke verrassing je kippenfamilie jou bereid heeft: wij branden
+van verlangen."
+
+"Toe, Leen, kom er uit," zei Door, "je maakt ons zoo "onmogelijk"
+nieuwsgierig."
+
+"Kijk eens," zei Leni, "dit rose suiker ei heeft Toet gelegd. Het
+staat er op, leest u maar."
+
+"Van Toetie op uw verjaardag."
+
+"Wel verbazend, dat is kranig," zei vader.
+
+"En dit witte van Snoetie."
+
+"Zulke kippen moesten we meer hebben."
+
+"En dit," zei Leni, en liet een chocolade-ei zien, "van...?"
+
+"Asschepoes," raadde Nel gierend.
+
+"Van den haan. Zijn visitekaartje heeft hij er bij gelegd. Kijk,
+Haantje-Kukelekaantje staat er op en aan den anderen kant:
+
+
+ "Lief jarig pleegmoedertje,
+ In 't kraaien ben ik wel een baas,
+ In 't eier leggen niet, helaas!
+ Maar op het feest van pleegmama
+ Legde ik toch een ei van chocola
+ Uit dankbaarheid, omdat zij elken morgen
+ Zoo trouw voor mij en mijn kippen komt zorgen."
+
+
+"Dolf, Dolf, hoe onmogelijk leuk."
+
+Ieder moest het hanenei natuurlijk bekijken, 't Was dan ook wel een
+groote bijzonderheid; zelfs vader, die al zoo oud was, beweerde,
+er nog nooit een gezien te hebben.
+
+"Jij krijgt straks het kapje, hoor Snoet," zei Leni tegen Fritsje. Dat
+leek Frits wel goed toe en Hans en Bob werd het kapje van de
+suikereieren beloofd.
+
+"Waar is Kee? Die moet ze ook zien," riep Leni.
+
+"Daar komt ze juist aan."
+
+"Asjeblieft," zei Kee, nog voor Leni iets kon zeggen, "omdat jij
+mij gisteren zoo geholpen hebt," en meteen duwde ze Leni een klein,
+beeldig poppenkoffiemolentje in de hand.
+
+"Och moes, maatje, zie eens, van Kee!"
+
+"Kindje! Maar 't is al te erg vandaag, je wordt veel te veel verwend."
+
+Toen Leni de eieren aan Kee liet zien van Snoet, Toet en
+Haantje-Kukelekaantje, sloeg Kee de armen van verbazing in de
+hoogte. "Heb ik van mijn leven, heb ik van mijn leven! Nu begrijp
+ik, waarom hij vanmorgen zoo aanhoudend kraaide, 't Is dan ook
+geen kleinigheid, een chocolade-ei. Dat doen de kippen hem niet na,
+ofschoon Snoet en Toet ook bijzonder knap zijn. Maar, liefje, ik moet
+nu weer naar mijn boontjes," zei Kee en holde weg.
+
+"Hoor Fox eens, met wien heeft die het toch zoo aan den stok?" zei
+mijnheer Van Brakel. "Hij keft ons de ooren doof. Daar zit toch soms
+geen vreemde poes onder die struik?"
+
+"O wee!" riep Door, "ik begrijp het al. Als Fox hem maar geen kwaad
+doet. Leni, kom eens gauw hier. Kijk eens onder die struik."
+
+Leni bukte zich. "Een egel?" vroeg ze verwonderd, "voor mij?"
+
+"Een extraatje van Door en mij," zei Nel lachend.
+
+"Ik had het diertje maar stil willen laten liggen, maar Door dacht,
+dat jij hem wel "snoezig" zou vinden, omdat je nu eenmaal alles
+snoezig vindt, wat dier is. We hebben hem aan den weg gevonden."
+
+"Laat eens kijken," zei Dolf, "hoe grappig, ik heb nog nooit een egel
+zoo dichtbij gezien."
+
+Hans en Bob vonden het in 't geheel geen aardig beestje, beweerden ze,
+en Frits bleef op een eerbiedigen afstand.
+
+"Als Fox hem maar geen kwaad doet," zei Door.
+
+"Wel neen, 't blijft bij blaffen," zei vader, "daar behoef jullie
+niet bang voor te zijn. We zullen hem wat melk brengen, daar houden
+ze in den regel van."
+
+Leni liep naar huis en kwam na een oogenblikje met een schoteltje
+met melk terug. 't Was eerst, of de egel 't niet zag, maar al gauw
+begon hij te drinken tot groote vreugde van allen.
+
+"Je zult eens zien, hoe gauw hij tam is," zei moeder.
+
+"Maar nu gaan we eerst ontbijten, anders zijn we niet klaar, als oom
+Karel komt," zei moeder.
+
+"Ik verlang ook naar paatje," zei Bob.
+
+"Ja, en wat zou paatje wel te vertellen hebben?" vroeg Hans.
+
+"Nog maar een beetje geduld," lachte moeder.
+
+"Morgen gaan we naar huis, he tante?"
+
+"Goeden dag, goeden dag, feestvierende menschen!" hoorde men oom
+Karel dien middag plotseling zeggen. "Daar ben ik al. Waar zijn mijn
+kaboutertjes en waar is de jarige dame?"
+
+"Hier paatje," en Bob en Hans vlogen hun vader om den hals.
+
+"Ja, ja, kereltjes, hoe is 't met jullie? Druk aan 't feestvieren zie
+ik. Wel, wel Leni, is dat croquetspel een cadeau? En Fox en Julia in
+feestgewaad! 't Is geen kleinigheid, 'k Ben wat blij, dat ik gekomen
+ben. Kijk eens, dat is nu _mijn_ cadeautje. Ik hoop, dat je 't mooi
+vindt, meisje. Ik kan maar niet vergeten, hoe bedroefd je was over 't
+verlies van sneeuwwitje en daarom heb ik je nu een ander sneeuwwitje
+meegebracht."
+
+"Een pop!" riep Lena opgetogen. "Oompje, hoe heerlijk!"
+
+"En als sneeuwwitje gekleed," zei Door, "hoe beeldig! Kijk toch eens,
+moeder!"
+
+"Prachtig, prachtig! Die oom Karel verwent je maar," zei moeder
+lachend.
+
+"Dat heb ik wel begrepen," zei Nel, "dat jarig zijn in de vacantie
+lang niet voor de poes is."
+
+"En nu 't geheimpje, oom," zei Dolf. "Wij branden allen van verlangen."
+
+"Dat is goed, kinderen. Bob en Hans, komen jullie eens bij mij zitten,
+ieder op een knie. Het is iets heel moois en prettigs, dat ik te
+vertellen heb."
+
+Allen keken oom vol verwachting aan.
+
+"Zoo'n aardig popje, als Leni gekregen heeft om mee te spelen,"
+begon oom, "is er bij ons in huis gekomen."
+
+"Ook een sneeuwwitje?" vroeg Bob verbaasd.
+
+"Maar, paatje, jongens spelen toch niet met poppen," zei Hans
+teleurgesteld.
+
+Oom Karel glimlachte. "Er is bij ons in huis een levend popje--een
+kindje gekomen."
+
+"Een echt?" Hans schoot van de knie af.
+
+"Ja, een echt."
+
+"O, oom, hoe leuk, hoe aardig!"
+
+Even was er doodsche stilte.
+
+"Maar, maar,--wat doet ze, kan ze al praten?" zei Bob, die 't eerst
+van zijn verbazing bekomen was.
+
+"Eet ze al?" vroeg Hans.
+
+"Hoe groot is ze?--Heeft ze al haar? Slaapt ze?--Kan ze al lachen? Toe,
+paatje, toe vertel eens alles."
+
+"Kleine, lieve kaboutertjes, hoe kan ik zoo gauw op alle vragen
+antwoorden? Neen, praten kan ze nog niet, dat moeten wij haar nog
+leeren. Ze kan nu eigenlijk nog maar alleen slapen, drinken en
+schreien."
+
+"Schreien is praten, he paatje?"
+
+"Vindt moesje 't prettig, dat het zusje er is?"
+
+"En Jaap?"
+
+"Jaap ook. En Griet, die anders zoo'n leven kan maken in de keuken,
+doet nu alles even zacht."
+
+"En-enne-paatje, luister eens. Hoe groot is zus?" vroeg Bob opgewonden.
+
+"Niet grooter dan Leni's pop."
+
+"Wijs eens, hoe groot haar handjes zijn."
+
+"Zoowat zoo groot als jou wijsvinger. Twee aardige, roode knuistjes
+heeft ze."
+
+"Nu hebt u nog in 't geheel niet gezegd, hoe ze heet, oom," zei Leni.
+
+"Ze heet Else, ons kleine meisje."
+
+Allen vonden dit een prachtigen naam. "Zou ze 't prettig vinden,
+dat we morgen terugkomen?"
+
+"Welk zusje zou niet blij zijn met zulke lieve broertjes," zei oom
+Karel, Bob in de wang knijpende.
+
+"O paatje, ik verlang zoo," zei Hans met een diepen zucht.
+
+"Wat kunnen we later heerlijk paardje spelen, Bobbie. Zus komt dan
+in de sportkar te zitten, jij wordt paard en ik koetsier."
+
+"Neen, dan wil ik koetsier zijn," zei Bob.
+
+"Neen," pruilde Hans, "ik heb het 't eerst gezegd."
+
+"Weet jullie wat," zei mevrouw Van Brakel, die bang was, dat er
+gekibbel kwam. "Zusje mag dan kiezen, die is de dame, die gereden
+wordt."
+
+"Ja, dat vind ik best," zei oom. "En zal ik jullie nu eens vertellen,
+waarom zusje _nu_ gekomen is?"
+
+Ja, dat wist niemand.
+
+"Omdat ze het later zoo prettig zou vinden in de vacantie jarig
+te zijn."
+
+"Of ze gelijk heeft," riepen Nel en Door tegelijk.
+
+"Maar nu moet ik toch werkelijk eens kijken, wat Leni gekregen
+heeft. Morgen in den trein kunnen we den geheelen tijd over zusje
+praten. Mij dunkt, Door en Nel zijn hier aan 't versieren geweest. Wat
+een heerlijke massa bloemen! Met je nieuw croquetspel wil ik vandaag
+vast een spelletje doen.'
+
+"Ja, ja, dat moet ingewijd worden," zei Dolf.
+
+"En nu moet u nog eens iets zien," zei Nel.
+
+"Extraatje van Door en mij," stelde ze voor, op den egel wijzend.
+
+"Neen, oompje, alleen van mij, Nel durfde hem niet opnemen."
+
+"Een egel? Daar moet je nu Door voor wezen om zoo'n aantrekkelijk
+diertje mee te nemen," lachte oom. "Wat zei zusje wel van zoo'n
+cadeau? Maar dat behoef ik eigenlijk niet te vragen. Bij Leni is
+immers elk dier welkom."
+
+"Dat zei ik ook, oompje."
+
+"Hoe jammer," zei Leni, "dat de egel zich nu heelemaal ingerold heeft."
+
+"Dat is niets, die onbeleefdheid en dat nog wel op jouw verjaardag,
+zal ik hem wel gauw afleeren," zei oom. "Dolf, haal mij eens een
+kopje water, dan zullen we "extraatje," eens een bad geven."
+
+Nauwelijks had de egel het water gevoeld, of hij begon zich te
+ontrollen.
+
+"O, kijk hem eens, kijk hem eens," riepen Dolf en Nel.
+
+"Zie hem eens boos kijken," lachte Door. "Foei, oude jongen, niet zoo
+ernstig en dat nog wel op zoo'n grooten feestdag als vandaag. Ziezoo,
+zoo mag ik je liever, nu ben je ons tevreden "extraatje" weer."
+
+"Stil, wij worden geroepen! Wie het eerst thuis is," zei oom en nam
+Fritsje op zijn schouder en 't heele jolige troepje holde achter
+hem aan.
+
+"Fritsje gewonnen! Moesje! Fritsje gewonnen!"
+
+"Ja, ja," lachte moeder, "jij lijkt het winterkoninkje wel, die bij
+een wedstrijd onder de vogels, wie 't hoogste vliegen kon, onder de
+vleugels van den adelaar kroop en zoo den strijd won, maar de andere
+vogels leelijk fopte."
+
+Daar begreep Fritsje niets van, maar wel, dat, wat op tafel stond,
+heerlijk was.
+
+"Bob en Hans, kom gauw. Hier staan beschuiten met muisjes op tafel,"
+riep Dolf, die de tweede overwinnaar was. "Ter eere van 't zusje,"
+zei mevrouw Van Brakel.
+
+'s Middags werd er croquet gespeeld, tot groot pleizier van de groote
+en kleine menschen, maar niet het minst van Fox en Julia, die elken
+bal naholden. Tot slot van het feest onthaalde moeder nog op een
+heerlijke roomtaart, waarop ze voor de grap een vlaggetje gestoken
+had en waarop stond: "Wie in Augustus geboren is, hoezee!"
+
+Allen begonnen dadelijk te zingen, zoodat het een oorverdoovend leven
+was. Toen werden er nog allerlei spelletjes verzonnen en moest Leni
+"Toetie" raden uit: begraven steden en Door "vacantie."
+
+Eindelijk werd het tijd voor de kleintjes om naar bed te gaan. Leni
+mocht een uurtje langer opblijven. Toen eindelijk ook Door, Nel en
+Dolf goeden nacht hadden gezegd, zongen ze nog als op den eersten dag
+van de vacantie met een kleine verandering, door Door in het schoone
+lied gebracht:
+
+
+ "'t Is vacantie, nog vacantie,
+ Hoera vacantie boven!
+ En ieder, die 't niet zingen wil,
+ Die moet er aan gelooven."
+
+
+Den volgenden morgen voor schooltijd zag men weer, als op den eersten
+dag van de vacantie, twee vlaggetjes uit een portier van den trein
+wapperen. Maar nu wuifde oom Karel met zijn kaboutertjes den wachtenden
+bij den trein met even vroolijke gezichten een afscheid toe.
+
+"Toe, kinderen, voor 't laatst nog eens," zei oom Karel plagend:
+"'t Is vacantie!"
+
+"Neen, oompje," zei Door, lachend op haar boeken wijzende, "dat zal
+niet gaan!"
+
+En de anderen gaven Door volkomen gelijk.
+
+"Onmogelijk, meisje?"
+
+"Onmogelijk, oompje," bevestigde Door. "Maar met de Kerstvacantie is
+'t weer: "'t Is vacantie,"--zou Door juist beginnen te zingen, toen de
+trein zich in beweging zette. Nog een laatste wuiven van de vlaggetjes
+en van oom Karels witten zakdoek en 't vroolijke troepje groette van
+'t perron terug.
+
+Om twaalf uur kwamen allen opgewekt uit school.
+
+"'t Was toch zoo leuk in de nieuwe klasse," vonden Door en Nel. Dolf
+en Leni hadden allerlei prettige verhalen.
+
+"Dat mag ik zien," zei moeder. "Vroolijk op school en vroolijk thuis."
+
+"Ja, ja, we zijn wat trotsch op ons jolig troepje," zei vader lachend.
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Een Jolig Troepje, by Marie Leopold
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN JOLIG TROEPJE ***
+
+***** This file should be named 12070.txt or 12070.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/2/0/7/12070/
+
+Produced by Jeroen Hellingman en the Distributed Proofreaders Team
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+Each eBook is in a subdirectory of the same number as the eBook's
+eBook number, often in several formats including plain vanilla ASCII,
+compressed (zipped), HTML and others.
+
+Corrected EDITIONS of our eBooks replace the old file and take over
+the old filename and etext number. The replaced older file is renamed.
+VERSIONS based on separate sources are treated as new eBooks receiving
+new filenames and etext numbers.
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+EBooks posted prior to November 2003, with eBook numbers BELOW #10000,
+are filed in directories based on their release date. If you want to
+download any of these eBooks directly, rather than using the regular
+search system you may utilize the following addresses and just
+download by the etext year.
+
+ https://www.gutenberg.org/etext06
+
+ (Or /etext 05, 04, 03, 02, 01, 00, 99,
+ 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90)
+
+EBooks posted since November 2003, with etext numbers OVER #10000, are
+filed in a different way. The year of a release date is no longer part
+of the directory path. The path is based on the etext number (which is
+identical to the filename). The path to the file is made up of single
+digits corresponding to all but the last digit in the filename. For
+example an eBook of filename 10234 would be found at:
+
+ https://www.gutenberg.org/1/0/2/3/10234
+
+or filename 24689 would be found at:
+ https://www.gutenberg.org/2/4/6/8/24689
+
+An alternative method of locating eBooks:
+ https://www.gutenberg.org/GUTINDEX.ALL
+
+
diff --git a/old/12070.zip b/old/12070.zip
new file mode 100644
index 0000000..7ba3700
--- /dev/null
+++ b/old/12070.zip
Binary files differ
diff --git a/old/old-2024-12-07/12070-0.txt b/old/old-2024-12-07/12070-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..d3850a3
--- /dev/null
+++ b/old/old-2024-12-07/12070-0.txt
@@ -0,0 +1,4272 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 12070 ***
+
+Een Jolig Troepje
+
+Door
+
+Marie Leopold
+
+
+
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+DE EERSTE VACANTIEDAG.
+
+
+ "'t Is vacantie! 't blijft vacantie!
+ Hoera, vacantie boven!
+ En als je dat niet zingen wilt,
+ Dan moet je er aan gelooven!"
+
+
+zong Nel in haar nachtjapon, terwijl ze met een natte spons in de
+hand voor Dora's bed stond.
+
+
+ "Hoera! vacantie boven!
+ En als je dat niet zingen wilt,
+ Dan moet je er aan gelooven!"
+
+
+Pats, de natte spons viel op Dora's gezicht.
+
+"Wat is dat, br.... Nel, wat scheelt je? Br....!" riep Door, die
+op eens rechtop in haar bed zat met een druipnat gezicht. "Dat is
+verraderlijk. Ik sliep zoo lekker. Kijk dat laken eens: kletsnat. Brr,
+geef me gauw mijn handdoek."
+
+"Zul je dan zingen?"
+
+"Ja, ja, alles wat je wilt, maar geef eerst mijn handdoek. Gauw,
+'t loopt met een straaltje achter in mijn nek."
+
+"Nu, zing dan," dreigde Nel, de spons voor Door in de hoogte houdende.
+
+
+ "'t Is vacantie, 't blijft vacantie,
+ Hoera, vacantie boven!"
+
+
+viel Door in.
+
+
+ "En ieder, die 't niet zingen wil,
+ Die moet er aan gelooven!"
+
+
+Hup, vloog ze 't bed uit, greep Nel de spons uit de handen, doopte die
+één, twéé, drie in de lampetkan. En vóór Nel nog iets had kunnen doen,
+daar droop haar geheele gezicht. Toen begon een wilde jacht om de
+tafel, over bedden en stoelen, dat hooren en zien je verging. Midden
+in die dolle jacht zat rechtop in haar bed kleine Leni in de handen
+te klappen en mee te zingen.
+
+Zacht ging de deur open, wat Nel en Door in 't vuur van haar spel niet
+hoorden. Nel was onder de tafel gekropen en sloeg met den handdoek
+naar Door, die met een natte spons klaar stond om op haar vijandin
+in te stormen.
+
+
+ "'t Is vacantie, 't is vacantie ..."
+
+
+"Maar kinderen, kinderen, dat belooft wat voor de vacantie," lachte
+moeder.
+
+"O moeder, we hebben zoo'n pret," juichte Leni met een hoogroode kleur.
+
+"Maar kijk eens, een beekje is er uit de spons geloopen van de
+lampetkan naar den stoel."
+
+"Ja, dáár," zei Door plechtig, "kreeg ik den vijand in handen."
+
+"Wat is dat?" riep moeder verschrikt, toen Leni haar met een sprongetje
+op den rug zat.
+
+"Ook een vijand, maar een droge, dat zijn natte," zei Leen, terwijl
+ze naar Nel en Door wees. "O, moesje, zing nu gauw, anders komt Door
+met haar natte spons," en toen begonnen allen weer te zingen:
+
+
+ "'t Is vacantie, 't blijft vacantie,
+ Hoera, vacantie boven!
+ En als je dat niet zingen wilt,
+ Dan moet je er aan gelooven!"
+
+
+En voor ze 't uit hadden, kwam in zijn hanssopje kleine broer, die
+zóó verbaasd was over dit vroolijke tooneeltje in den vroegen morgen,
+dat hij stil bleef staan, maar toch telkens de laatste woorden van
+iederen regel trachtte mee te zingen.
+
+"Nu een, twee, drie voortgemaakt, kinderen. Zie eens, wat is 't al
+laat. Kom, kleine broekeman, ga jij maar met mij mee, dan kunnen de
+dames zich kalm aankleeden."
+
+"Jouw gezicht is in tijden niet zoo flink nat geweest, Nel,"
+plaagde Door.
+
+"En jij bent in tijden niet zoo vroeg uit je bed gesprongen," plaagde
+Nel terug.
+
+"Ja, 't is zonde, dat ik er al uit ben," en met een verlangenden blik
+keek ze naar haar bed.
+
+"Ik kroop er nog weer in, als ik jou was."
+
+"Nee, dank je, dan zijn jij en Leni al klaar, als ik mij nog aan
+moet kleeden." Maar toch verplaatste Door zich er een oogenblik in,
+hoe lekker het zou wezen nog eens eventjes er in te kruipen. Zoo'n
+vacantie was juist zoo heerlijk, vond ze, omdat je dan niet zoo
+"onmogelijk" vroeg op behoefde te staan. Half acht vond ze nu eenmaal
+"onmogelijk" vroeg. Ze vond alles trouwens gauw "onmogelijk", vooral
+als ze er geen lust in had.
+
+"Zeg eens, Door, zou ik mijn nieuwe gele schoentjes aan mogen
+doen?" vroeg Leni.
+
+"Ik weet 't niet, schattepoes."
+
+"Trek jij je gele schoentjes maar aan, hoor," zei Nel. "'t Is vandaag
+feest, omdat de vacantie begonnen is, en die schoentjes heb je gekregen
+voor Zon- en Feestdagen."
+
+"Zou moesje 't goed vinden?" weifelde Leni.
+
+"Natuurlijk vindt ma het goed," pleitte Nel weer. "Zie je, den rechter
+schoen doe je aan, omdat het de eerste vacantiedag is en dus een
+feestdag, en den linker, ja den linker..."
+
+"Ik weet het: den linker doe ik aan, omdat Bob en Hansje komen."
+
+"O ja, hoe leuk. Wacht, ik zal je even helpen ter eere van Bob
+en Hansje."
+
+"En ik voor den eersten vacantiedag: Ga maar op den rand van je
+ledikant zitten. Beenen stijf houden, hoor."
+
+"O, jullie gooit mij haast om," zei Leni met een wanhopig gezicht.
+
+"Dat is niets, hou je maar flink vast, je valt niet in 't water. Wacht,
+nog een duwtje. Wat is dat?"
+
+Daar lag Leni achterover in bed met de beenen in de lucht te
+spartelen. Nel en Door lachten, dat de tranen haar over de wangen
+liepen en met de kam begon Nel de maat te slaan:
+
+
+ "'t Is vacantie, 't blijft vacantie,
+ Twee gele schoentjes boven!
+ Wie dat niet met ons zingen wil,
+ Die moet er aan gelooven!"
+
+
+En met de beenen in de lucht hoorde men Leni meezingen.
+
+"Laten we ons nu gauw klaar maken. Lieve deugd, kijk eens op de klok."
+
+"Ja, maar mijn schoenen zitten nog niet goed," klaagde Leen, die met
+veel moeite uit het bed geklauterd was.
+
+"Stamp maar op den grond, dan zul je er wel in schieten," zei
+Door. "Toe, Nel, jij bent al verder dan ik, help jij haar even met
+'t haar. Ik moet mij nog wasschen. Maar waar is mijn handdoek? Wie
+heeft mijn handdoek toch gezien?"
+
+"Pak den mijnen maar, die hangt op den stoel. Wat doe je?" vroeg Nel,
+toen Door den handdoek recht voor zich uit hield en dien aandachtig
+bekeek.
+
+"Ik zoek overal je natte puntje," zei ze plagend.
+
+"Denk je, dat ik mij na dat waterbad van jou nog ben gaan
+wasschen? Dank je wel, hoor. Ik heb mij lekkertjes met den handdoek
+afgedroogd. Wees maar blij, je kunt hem nu heerlijk gebruiken. Hoe
+jij zoo'n ding ook altijd zoo nat krijgt, is mij een raadsel. Je kunt
+toch wel schoon worden zonder zoo te plassen? Bah! Dat koude water,
+daar moet ik niets van hebben."
+
+"En ik vind dat koude water nu juist zoo "onmogelijk" lekker. Zoo
+met je geheele gezicht in de kom," zei Door, terwijl ze voorover ging
+staan en haar gezicht nat gooide. "Lekker!"
+
+"Je schreeuwde toch maar moord en brand, toen ik met de natte spons
+voor je bed stond," lachte Nel.
+
+"Nu ja, die aanval was ook verraderlijk."
+
+"Maar Door! Pas toch op, het wordt hier nog een overstrooming. Je
+sputtert de geheele waschtafel onder en zie den spiegel eens."
+
+"Dat zijn dauwdroppels," lachte Door.
+
+"Andere dauwdroppels zul jij ook wel nooit te zien krijgen," plaagde
+Nel terug.
+
+"Ziezoo, schattepoes, zeg nu eens of ik je niet een mooie kuif heb
+gemaakt: wacht, ik zal je even optillen voor den spiegel. Die Door
+ook met haar geplas, hé? Je kunt bijna niet in den spiegel zien,
+zoo heeft zij hem besputterd."
+
+"Kijk toch eens. Zie je waar dat op lijkt?" zei Door, met een druipnat
+gezicht naar een plas op de waschtafel wijzende.
+
+Leen en Nel keken en keken.
+
+"Een molshoop," zei Nel eindelijk.
+
+"Wel nee, kijk eens goed."
+
+"Een hoed met een veer," raadde Leni.
+
+"Och nee, ook niet."
+
+"Zeg het maar," vleide Leni.
+
+"Neen, neen, niet dadelijk zeggen: een meertje," zei Nel.
+
+"Dat is flauw, o, als ik zóó sta, kom eens even op mijn plaats, dan is
+'t sprekend, 't Lijkt op een dier," helderde ze op.
+
+"Een kameel," zei Nel weer.
+
+"Och neen, je zegt maar wat. Een dier, dat wij allen goed kennen."
+
+"Nu zie ik het," riep Leni. "Julia! Kijk, ze zit recht-op. Dat is
+haar kop. Zie je haar oortjes?"
+
+"Nu zie ik het ook," riep Nel opgetogen.
+
+"Waar is haar staart, haar mooie dikke staart?"
+
+"Die houdt ze vast, ze staat er met haar voorpootjes op."
+
+"Och, kijk die oortjes toch, hoe sprekend. Dag, oude, lekkere, natte
+poesekop," zei Leni.
+
+"O, waar is de snor? De snor, waar Julia zoo trotsch op is," vroeg Nel.
+
+"Neen, een snor heeft ze niet, dat is jammer," zei Leni.
+
+"Dat is niets, ga maar een eindje van de waschtafel af, dan sputter
+ik die er even bij." Brr! brr! naar alle kanten vloog het water.
+
+"Och, hoe jammer, nu heb je haar heelemaal bedorven. Die aardige
+oortjes lijken wel olifants-ooren."
+
+"En arme Julia heeft zich een dikken neus gestooten," lachte Nel. "Zie
+dat propje eens. Maar kom, Dorus, maak nu toch voort, je komt zoo
+nooit klaar."
+
+"Wij gaan vast naar beneden."
+
+"Wie 't eerst de trap af is," zei Leni.
+
+"Even wachten," riep Door. "Ik ben dadelijk klaar."
+
+"Nu, eventjes dan."
+
+"Zeg eens, Nel, waar is mijn haarlintje? Ik weet zeker, dat ik het
+gisteravond hier op de tafel gelegd heb," zei ze, terwijl ze met
+de linkerhand het toefje haar vasthield en met de rechter allerlei
+dingen optilde en verlegde. "Wat is 't hier ook een "onmogelijke"
+rommel op tafel. Zoo kun je ook niets vinden," mopperde ze.
+
+"Dat haarlintje van jou is ook een veel te net lintje om tusschen zoo'n
+"onmogelijken" rommel te willen liggen. Kijk, hier heb ik het al."
+
+"Waar was het?"
+
+"Op je kussen lag het, eenzaam en verlaten."
+
+"O, ja, ik kon gisteravond nergens een bandje vinden en moest het
+lintje wel gebruiken. Ziezoo, klaar," zei ze even later. "Wie 't
+eerst beneden is. Ik zal tellen. Eén, twee, drie."
+
+Vóór Nel of Door het zagen, had Leni haar eene been over de leuning
+gegooid en gleed naar beneden. "Gewonnen!" riep ze en stormde door
+naar de achterkamer, waar mevrouw Van Brakel bezig was voor 't ontbijt
+te zorgen.
+
+"Dag, moesje."
+
+"Kindje, kindje, ik was werkelijk bang, dat je nooit klaar zou komen."
+
+"Ik heb het gewonnen, moesje. We deden wie 't eerst beneden was. Door
+telde en flap! gooide ik mijn beenen over de leuning, nou--en toen
+was ik 't eerst beneden. Door moest nog wel vijf treden doen. Jammer,
+dat u zulke lange rokken hebt, dan is het natuurlijk erg moeilijk,
+'t Gaat anders zoo heerlijk vlug. Je wint het zoo--altijd."
+
+"Ik zal er toch maar afloopen," lachte moeder.
+
+"Dan win ik het altijd van u, echt waar."
+
+Even later kwamen Nel en Door in de kamer.
+
+"Dag, maatje, dag, vader."
+
+"Treuzeltjes! Zijn jullie al op?" zei vader plagend.
+
+"Maar, vadertje, u weet ook niet hoe moeilijk 't is in de vacantie
+vlug voort te maken."
+
+"Of 't moeilijk is!"
+
+"Kijk eens, ma," zei Leni, terwijl ze triomfantelijk haar gele
+schoentjes liet zien.
+
+"Maar, Leni, kind, 't is toch geen Zondag. Hoe kom je daarbij, je
+nieuwe schoenen ..."
+
+"Moeder, 't is een feestdag," zei Nel plechtig, "en deze schoentjes
+zijn voor Zon- en Feestdagen."
+
+"Een feestdag?"
+
+"Bedenkt u zich maar eens goed."
+
+"Ik geloof, dat ik het begrijp," lachte vader.
+
+"Een feestdag? Jullie houdt mij voor den mal, ik begrijp er niets van."
+
+Toen begonnen alle drie de meisjes te zingen:
+
+
+ "'t Is vacantie, 't blijft vacantie,
+ Hoera, vacantie boven!
+ Wie dat niet met ons zingen wil,
+ Die moet er aan gelooven!"
+
+
+"Ja, ja, jullie hebt gelijk, òf het een feestdag is."
+
+"'t Is eigenlijk een ketting van feestdagen," vond Leni.
+
+"En, moes, we zijn nog heel bescheiden geweest ook, want voor de
+ketting van feestdagen hebben we Leni alléén maar den rechter schoen
+aangedaan."
+
+"Alleen maar den rechter? Nu wordt het nog mooier. En waarvoor kreeg
+ze dan wel den linker aan?"
+
+"Ook voor een feestdag."
+
+"O, 't is onmogelijk, u raadt het nooit, nooit, zeg ik."
+
+"'t Is ook wel wat "onmogelijk" vroeg voor al die raadseltjes,"
+zei vader.
+
+"'t Begint met ..." wilde Leni helpen.
+
+"Begin alsjeblief niet met: 't begint met," zei Nel, "dat is zulk
+flauw raden."
+
+"'t Begint met Hans en Bob," raadde moeder.
+
+"Hoera voor onze knappe moes! Waar blijft Dolf toch?"
+
+"Hier ben ik: Dag vader, moeder, allemaal."
+
+"Zoo, studiosus!"
+
+"Hè, Dolf, hoe kom je zoo laat?"
+
+"Och ja, jullie met je vervelend lawaai. Ik kon gewoon niet slapen."
+
+"Stumperd!"
+
+"Wees nu maar niet zoo flauw, Nel. Moeder, mag 'k een boterham?"
+
+"Ze staat er al lang en je kopje thee ter eere van de vacantie is,
+vrees ik, al koud geworden."
+
+"Vacantie bofe, mammi?" zei kleine Frits met een lief vraagstemmetje.
+
+"Ja, kleine grappenmaker."
+
+"Heb je ons hooren zingen, Dolf?" vroeg Nel.
+
+"Hooren zingen? Ik dacht, dat de zolder minstens naar beneden zou
+komen."
+
+"Dat zou voor een eersten vacantiedag indrukwekkend geweest zijn,"
+vond Nel.
+
+"En "onmogelijk" gezellig voor jou, als we met ons drietjes zoo
+plotseling voor je neus stonden."
+
+"Onmogelijk, onmogelijk," praatte Frits Door na.
+
+Allen proestten het uit.
+
+"Geef mij daar eens gauw een kus voor, lekkere vent. Nee, zoo
+gemakkelijk kom je er niet van af. Ook een op deze wang en nog een:
+het deftigste aller kusjes, één op mijn voorhoofd." En toen greep
+Nel Fritsjes handjes en begonnen ze samen te zingen:
+
+
+ "'t Is vacantie, 't blijft vacantie,
+ Hoera, vacantie boven!
+ Wie dat niet met ons zingen wil,
+ Die moet er aan gelooven."
+
+
+"Vacantie bofe blijfe? Vacantie nog in bedje? Vacantie stout geweest,
+mammi?" vroeg Fritsje, die meende dat "vacantie" een ondeugend jongetje
+was en voor straf boven moest blijven.
+
+"Jij bent een grappenmaker en mammi's kereltje, hoor."
+
+"Wie onze logés wil halen, zorge over een kwartier klaar te zijn,"
+kwam vaders stem om den hoek van de deur.
+
+Toen was 't een gevlieg en geloop naar alle kanten.
+
+"Mijn hoed, mijn hoed, wie heeft hem gezien?" riep Door wanhopig.
+
+"Misschien op je kussen bij je haarlintje," plaagde Nel.
+
+"Wees nu niet zoo flauw," bromde Door. "Jij hebt gemakkelijk praten,
+jij behoeft nooit naar je dingen te zoeken. Maar als ik mijn hoed of
+mijn mantel ergens neerleg, kan ik ze later nooit terugvinden."
+
+"Ik leg ze ook niet "ergens" neer."
+
+"Zoo? Wat doe jij dan?"
+
+"Ik hang ze op den stander natuurlijk."
+
+"Ik durf wedden, als ik mijn hoed dáár hang, dat hij toch weg is,
+als ik hem hebben moet."
+
+"Probeer 't eens," lachte Nel. "Drie dagen kun je 't misschien wel
+volhouden," en weg holde ze.
+
+"Moesje, weet u hem ook?"
+
+"Neen, werkelijk niet."
+
+"'t Is zoo'n "onmogelijk" zoeken, als je in 't geheel niet kunt
+bedenken, waar zoo'n ding zit," zuchtte Door wanhopig.
+
+"Mag Foxje mee, vader?"
+
+"Neen, jongen, geen honden aan den trein."
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+DE LOGÉTJES.
+
+
+Vijf minuten later was 't heele gezelschap op weg naar het station,
+behalve moeder, die met Fritsje liever thuis bleef, en Door, die als
+een wanhopige kamer in, kamer uit rende om haar hoed te zoeken. Met
+donderend geraas kwam de trein binnenstuiven.
+
+"Zag je de coupé met de vlaggetjes?" riep Nel opgewonden. "Ik durf
+wedden, dat ze daarin zitten. Dat is net iets voor oom Karel."
+
+Nel en Dolf renden er naar toe. Vader en Leni konden zoo
+vlug niet. Maar voor ze bij de coupé kwamen, was mijnheer Van
+Lichtenvoorde met zijn beide jongetjes al uitgestapt. 't Was een
+vroolijke begroeting.
+
+"Zagen jullie onze vlaggetjes wel?" vroeg Hans.
+
+"Nou, òf we," zei Dolf. "Nel zei dadelijk, dat jullie zeker in
+die coupé zat. Pas op, houd ze vooral voorzichtig vast. 't Is hier
+zoo druk."
+
+"Hoera, daar heb je Door. Zie ze eens loopen," zei Nel.
+
+"Dag oom, dag jongens!"
+
+"Dag Dorus," zei oom Karel, "meisje, meisje, wat heb je geloopen."
+
+"Maar Door, wat heb je nu op?" vroeg Nel.
+
+"Mijn ouden tuinhoed. Ik kon mijn schoolhoed nergens vinden. Ja,
+waar dat ding nog eens vandaan mag komen, _ik_ weet het niet," zei
+ze met een grappig wanhopig gezicht.
+
+"Kinderen, ga jullie nu vooruit," zei mijnheer Van Brakel, "oom en
+ik komen dan langzaam achteraan."
+
+"Zullen we een wedloop houden, wie 't eerst bij de brug is?"
+
+"Uitstekend," vond Nel. "Ik neem Hans; Door, neem jij Bob en Dolf
+Leni. Eén, twee, drie; neen Dolf, allen te gelijk beginnen, een beetje
+achteruit. Ziezoo, nu staan we allen goed: een, twee, drie!" Daar
+gingen ze.
+
+"Gewonnen!" riep Door, nog hijgende en blazende. "Bob, jongen, steek
+je vlag op."
+
+"Als die dikke mijnheer ons niet in den weg geloopen had, waren wij
+jullie vóór geweest," zei Nel, die met Hansje nummer twee was.
+
+"Dikke heer, of niet, wij hebben het gewonnen. Maar kijk Dolf eens:
+die schiet warempel niet hard op. O, ik zie het al, Leni zwoegt onder
+haar nieuwe schoenen."
+
+"Als je van zwoegen onder iets wil praten, dan zou ik zeggen, dat
+jij zwoegt onder je kostelijk mooie tuinhoedje," lachte Nel. "Je ziet
+tenminste zoo rood als een kreeft."
+
+"Eindelijk," zei Leni met een ongelukkig gezichtje, "die nare
+schoenen."
+
+"Dat was een treurige wedloop, hè Leen? Jij moet je linker en rechter
+feestdag maar zoo gauw mogelijk uittrekken, als je thuis komt, dan
+vier je opnieuw feest. Maar kom, we moeten voortmaken. Pa en oom
+Karel zullen ons nog inhalen. Geef mij maar een arm, hinkelepinkje."
+
+"Doortje, is de koffer al gekomen?" vroeg Hansje.
+
+"De koffer? Nee, hoor, ten minste ik weet er niets van."
+
+"'t Is een heele groote, wel van dit paaltje tot dat."
+
+"Hij is nog véél grooter," zei Bob gewichtig, "wel zóó." Hij liep
+vooruit om aan te toonen, hoe groot wel.
+
+Hans hield zich stil, hij vond, dat Bob den koffer nu wel wat héél
+groot maakte. Maar hij vond het toch jammer dit te zeggen.
+
+"Dan ben ik toch werkelijk bang," zei Nel, die best begreep, dat Bob
+overdreef, "dat die reuzenkoffer niet bij ons de voordeur in kan en
+dus in 't geheel niet in jullie slaapkamertje kan staan. Ma zal hem
+dan zeker wel in het schuurtje laten zetten."
+
+"In het schuurtje?" Een paar verschrikte oogen keken Nel aan. "Onze
+mooie koffer?"
+
+"Ja, waar de cokes en de turf geborgen wordt."
+
+"Misschien is hij toch wel een beetje kleiner. Zou hij niet een beetje
+kleiner zijn, Bobbie?"
+
+Bob knikte. "Maar 't is toch een groote."
+
+"Moesje, daar zijn we. Oom en Vader komen achteraan."
+
+"Dag, jongens; wèl, wèl, wat hebben jullie mooie vlaggetjes."
+
+"Spritsje, vlagje, Mammi?" vleide kleine Fritsje.
+
+"Mag Fritsje je vlagje even hebben, Bob?"
+
+"Hoera, ma vergist zich. Dit is Hans en dat is Bob. Nu zal ik jullie
+eens even door elkaar rommelen. Niet kijken, ma." Dolf draaide Hans
+en Bob als twee tolletjes om elkaar heen. "Doet u nu de oogen maar
+weer open. Nu ...?"
+
+"Ja, jongens, dat is niet gemakkelijk. Ik geloof ... ik geloof ...,
+dat ik hier Hansje Pansje bij 't oor heb," lachte mevrouw Van Brakel.
+
+"Geraden."
+
+"Dat Hansje Pansje, Mammi?" kwam Frits met zijn lief stemmetje er
+tusschen.
+
+"Ja, kleine vent. Hansje Pansje. Nu zullen we maar eerst een boterham
+gaan eten. Jullie buikjes zijn zeker leeg en hol."
+
+Hans en Bob knikten, dat hunne bolletjes er bijna afrolden en
+natuurlijk deed Fritsjes bolletje op de maat mee.
+
+"Daar komen vader en oom Karel al aan. Door, zet gauw den grooten
+stoel met het kussen voor oom klaar."
+
+"Och, kijk eens, Bobbie, wat een aardige poes," riep Hansje. "Effentjes
+haar een kusje geven, tante?"
+
+"Zeker, geef jij Julia maar een kusje."
+
+Maar Julia had op dat oogenblik in 't geheel geen lust in een kusje
+en stapte statig den tuin in, zonder ook maar naar de jongens om
+te zien. 't Was duidelijk, dat zij zich eerst wat wilde opknappen,
+voor ze aan Hans en Bob zou worden voorgesteld. Met één sprongetje
+zat ze op de schutting en ging toen kalm haar toilet maken.
+
+Ja, Julia was een ijdel poesje.
+
+"Is ze bang, dat wij haar in den staart willen knijpen, of bij een
+achterpoot in de hoogte tillen, zooals Jaap altijd doet, tante?"
+
+"Jaap, wie is Jaap?"
+
+"Jaap harkt onzen tuin op. En als hij kikkers vindt, doet hij ze
+in een doosje. Een kikkertje spant hij er voor, dat is het paard,
+zegt hij. Bobbie en ik vinden uit rijden gaan prettig, maar niet
+als we kikkers waren. En dan met zoon kikkerpaard, dan zouden we
+zeker zeeziek worden. Want dat doosje wipt zóó, hup, hup, net als de
+kikker. Bobbie en ik hebben eens het doosje opengemaakt, toen Jaap in
+'t gras een koetsiertje zocht."
+
+"En was Jaap ook boos, toen hij het zag?"
+
+"Hij lachte. Jaap wordt nooit boos. Hij zei.... wat zei hij ook weer,
+Bobbie?"
+
+"Hij maakte het kikkerpaard los en zei: "ga maar gauw naar je
+vrindjes."
+
+"Toch aardig van Jaap," lachte Nel.
+
+"Jaap maakt ook altijd wagentjes van wortels en kransjes van
+bloemen. Dan doet hij poes en Bruno er een om. Maar die vinden dat
+niet prettig, hoor. Jaap zegt dan altijd, dat ze jarig zijn. Maar zoo
+vaak kun je niet jarig zijn. Maatje zegt, maar eenmaal in 't jaar en
+een jaar duurt heel lang, hè tante?"
+
+"Zeker, heel lang, maar eet nu eerst jullie boterhammen. Vader heeft
+niet zooveel tijd."
+
+"Gaat u al zoo gauw weg, oom?"
+
+"Ja zeker, Door. Ik heb even mijn kaboutertjes hier gebracht, maar
+veel tijd heb ik niet. Maar Dorus, kind, ik begrijp niet, hoe het
+komt, maar ik kan niet zeggen, dat ik gemakkelijk op dezen stoel
+zit. Het schijnt aan het kussen te liggen. Ik zal het dingetje er
+maar even uitnemen. Wat is dat?" zei Oom, en hield Doors hoed geheel
+platgedrukt in de hoogte, "die stumperd kon zijn pleizier ook wel op
+onder het kussen."
+
+"O moeder!" Door werd zoo rood als vuur.
+
+"O, kijk eens, kijk eens, je hoed lijkt wel een vogelnestje,"
+riep Dolf.
+
+"Door, Door, zul je dan ook nooit eens een beetje netter worden,"
+zei mevrouw Van Brakel hoofdschuddend. "Reken er maar op, dat je den
+geheelen zomer met je vogelnestje moet blijven loopen. Zulke slordige
+meisjes zijn geen nieuwe hoeden waard. Waar blijft Leni toch? Dolf,
+ga jij haar eens roepen, zij is zeker weer bij het kippenhok. O,
+daar komt ze juist aan. Leni, kind, waar blijf je toch?"
+
+"O, moesje, sneeuwwitje deed zoo raar," zei Leni schreiende. "En nu
+is ze dood, ze ligt geheel stijf en de dwergjes loopen om haar heen
+en begrijpen er niets van."
+
+Hans, die juist zijn glaasje melk in de hand hield, liet het van
+schrik uit zijn handen vallen, zoodat alle melk van de tafel op zijn
+broek en vervolgens op den grond stroomde.
+
+"O, paatje, hier, hier--is een sneeuwwitje."
+
+"En--enne, ook--dwergjes," zei Bob met een hoogroode kleur.
+
+Leni, die in het geheel niet verwacht had, dat dit bericht zoo'n
+uitwerking op de tweelingen zou hebben, bleef als versteend in de
+deur staan. Moeder, vader, oom, Dolf en de meisjes barstten in een
+onbedaarlijk lachen uit. Fritsjes hoog stemmetje hoorde men gedurig
+boven alles uit.
+
+"O, mammi, Hansje Pansje glaasje melk omgesmijt. Stout Hansje Pansje,
+hè mammi?"
+
+"O, houd op, ik kan niet meer," gilde Nel. "Jongens, kijk me als je
+blieft niet zoo verbaasd aan. Ik houd het niet uit. 't Is tè mooi."
+
+Door rende de kamer uit om een vaatdoek.
+
+Hans en Bob keken met verwonderde gezichtjes het geheele gezelschap
+aan. 't Had er veel van, of allen een uitvoering ten beste gaven en
+Hans en Bob het publiek uitmaakten.
+
+Toen het gelach even bedaard was, zei Hans, als om zich te
+verontschuldigen, half schreiend: "maar, paatje, Leni _zei_ het toch."
+
+"Ja, ja, Leni _zei_ het ook, ventje," en weer proestte oom Karel
+het uit.
+
+"'t Is maar een kip, een witte kip," brulde Dolf.
+
+"Is er,--is er dan geen sneeuwwitje?" vroeg Hans.
+
+"En waar zijn dan de dwergjes, zijn er óók geen dwergjes?" vroeg
+Bob. Duidelijk klonk er teleur-stelling in hun stemmetjes.
+
+"Och neen, kleine vent," zei Nel, die nu toch medelijden met hen
+kreeg. "Wij noemen de krielkipjes dwergjes, omdat ze zooveel kleiner
+zijn dan de andere. Of beter gezegd, Leni geeft de kippenfamilie
+zulke mooie namen. Wij zullen jullie straks aan het heele troepje
+voorstellen. Als Leni morgen plotseling bericht, dat "Slokop dood
+in haar hok ligt" of dat "Asschepoes een ei heeft gelegd," dan gooit
+Hansje Pansje misschien van schrik een heele kan met melk om."
+
+Het koffiedrinken liep verder zonder stoornis af.
+
+"Nu, kinderen," zei oom Karel een tijdje later, "ik moet weer weg,
+hoor. Ik heb in tijden niet zoo heerlijk gelachen. Waar zijn mijn
+kaboutertjes?"
+
+"Hier, paatje," kwam er een stem uit het grasveld. "Ik zit in de
+zon voor mijn natte broekspijp en Bobbie maakt een krans voor ons
+sneeuwwitje."
+
+"Wel verbazend, jullie hebt het maar druk. Maar de tijd voor een kusje
+kan er toch zeker wel af." Toen vlogen twee aardige jongens naar hun
+paatje toe. "Dag, paatje, dit kusje aan ma brengen en dit aan Bruno,
+en dit...."
+
+"Dank je wel, als ik ze alle weggeef, blijft er voor mij zelf niets
+over."
+
+"U hebt ze toch zelf eerst een poosje mogen houden," zei Bob.
+
+"Dat is waar ook," lachte vader, "en als poes toevallig op de
+muizenjacht is en Bruno maakt een wandeling met vriend Turk, dan houd
+ik ze stil zelf, hoor."
+
+"O, oompje, dan is het goed, dat het geen appelbollen zijn, dan kreeg
+u vast een overladen maag," lachte Door.
+
+"Vind jij appelbollen misschien "onmogelijk" lekker?"
+
+"Onmogelijk, oompje," zei Door met overtuiging.
+
+"Hier, meisje, heb je dan wat van mij, dan kun je het geheele
+gezelschap op appelbollen trakteeren."
+
+"Dank u wel, hoera! Kinderen, vanavond zal een regiment appelbollen
+zijn intrede in den huize Van Brakel doen."
+
+"Met het oog op onze logétjes vind ik beter de appelbollenpartij tot
+morgen uit te stellen," zei moeder. "De kleuters moeten vanavond niet
+te laat naar bed."
+
+"Dus morgen, heerlijk," zei Nel.
+
+"Maar Bob, wat doe je toch?" vroeg Door.
+
+Bobbie, voorover in het gras liggend, zat Julia aandachtig te
+bestudeeren. Al een paar keer had hij moeite gedaan haar oogleden
+op te lichten, zoodat poes, wie deze handtastelijkheden blijkbaar
+danig begonnen te vervelen, bedaard Bob den rug toekeerde, langzaam,
+met deftige passen, om het perk met viooltjes heen stapte en toen op
+eenigen afstand van haar kleinen plaaggeest ging zitten. Ze kneep
+haar beide oogjes toe tot op een kiertje, vleide haar staartje met
+het grappige zwarte puntje keurig langs haar voorpootjes en bleef
+zóó in diep nadenken verzonken.
+
+"Effentjes kijken, hoe laat het is," antwoordde Bob.
+
+"Hoe laat het is. Denk je dan soms, dat onze Julia een horloge draagt?"
+
+"Jaap zegt," zei Bob, "dat de oogen van een poes net klokjes zijn;
+je kunt er op zien, hoe laat het is."
+
+"Ja," zei Hans, "Jaap zegt: als 't pilletje in zijn oogen als een
+recht streepje omhoog staat, is het twaalf uur."
+
+"Het pilletje? O, de pupil," gierde Door.
+
+"Nel, Dolf en Leni, hoort eens, wat onze logétjes vertellen. O,
+"onmogelijk" leuk!"
+
+"'t Is maar jammer," zei Dolf lachend, "dat de poesjes zelf zoo weinig
+pleizier van hun horloge hebben."
+
+"Maar 't is nu zeker al veel later," zei hij, naar Julia kijkend,
+die nu het heele troepje met haar ernstige oogen zat op te nemen.
+
+"Het pilletje lijkt in 't geheel niet op een recht wijzertje. Kijk,
+'t is een klein, zwart balletje."
+
+"Ja," zei Hans, "hoe laat zou het nu wel zijn? Misschien wel tien
+uur. Kijk eens, Bobbie."
+
+Bobbie knikte, hij wist het niet precies. Hij vond het een moeilijk
+geval.
+
+"Tien uur is het gelukkig nog niet," zei Nel.
+
+"We kunnen nog best een spelletje doen. Zullen we verstoppertje doen
+met verlos?"
+
+"Ja, best! Wie doet er mee?"
+
+"Ik, ik," klonk het van alle kanten.
+
+"Eerst er om raden, wie zoeken mag," stelde Door voor. "Ik zal wat
+uit mijn zak nemen. Wie het aantal raadt, mag zoeken."
+
+"Mag?" lachte Dolf. "Zoeken is toch geen pretje?"
+
+"Nu _moet_ dan," verbeterde Door. "En als niemand het raadt, ben ik
+de ongelukkige. Nu?" zei ze, nadat ze iets uit haar zak had genomen
+en Nel haar hand voorhield. "Hoeveel raad je? één, twee, drie, vier,
+vijf of zes?"
+
+"Drie."
+
+"En Leni?"
+
+"Twee," zei Leni, na zich een tijdje bedacht te hebben.
+
+"En onze logé's?"
+
+"Moeten we beiden hetzelfde raden?" vroeg Hans, die nooit zoo'n
+spelletje had mee gedaan.
+
+"Neen, ieder mag op zijn beurt raden, maar als Hans het raadt,
+helpt Bob zoeken en als Bob zoo knap is, Hans. Want zoeken is lang
+niet gemakkelijk."
+
+Gelukkig voor Hans en Bob waren ze geen van beiden zoo knap.
+
+"Dolf, nu staat het tusschen ons beiden," zei Door. "Natuurlijk raad
+jij het, dat moet je voor je zusje over hebben."
+
+Dolf lachte. "Neen hoor, zoo lief ben ik niet. Vier."
+
+"Mag ik je deze vier dingetjes laten zien als bewijs, dat je getoond
+hebt toch wèl zoo'n lief broertje te zijn?" zei Door, Dolf vier
+knikkers voorhoudende.
+
+"Maar Door, wat doe jij met knikkers in je zak?" lachte Nel.
+
+"Je weet," zei Door, "dat mijn zaakjes nu eenmaal veel van stuivertje
+wisselen houden. Mijn mesje en mijn beurs ben ik al drie dagen kwijt en
+daarvoor in de plaats loop ik al meer dan een week met deze knikkers in
+mijn zak. Hoe ik er aan kom, weet ik werkelijk niet," zei ze lachend.
+
+"Ik begrijp het best," zei Nel. "Jij hebt die knikkers zeker ergens
+zien liggen en omdat je er nu eenmaal niet van houdt, dat zulke
+dingen rondslingeren, heb je ze in je zak gestoken, erg netjes,
+dat moet ik zeggen."
+
+"En ik ben het slachtoffer van Doors opruimmanie," zei Dolf. "Nu,
+ik ga tellen. Als ik vijftig roep, moet jullie verstopt zijn. Jullie
+moogt je alleen in den tuin verstoppen, niet in huis."
+
+"Een, twee," telde Dolf.
+
+Ieder vloog een kant uit. Hans en Bob stonden wel wat verlegen. "Kom
+maar met mij mee," zei Door tot Bob. "Ik kruip achter dezen struik,
+ga jij achter dien staan."
+
+"O, Door," riep Bob verschrikt.
+
+"Wat is er?" fluisterde Door, omkijkende. "O, maar Bobbie, hoe is 't
+mogelijk! Ben jij in Dolfs rooverhol gezakt? Je hadt warempel je beenen
+wel kunnen breken. St, houd je maar stil en kruip er zoo diep mogelijk
+in. 't Is het mooiste verstopplaatsje uit den geheelen tuin. Als Dolf
+dezen kant uit komt, moet je je goed bukken, dan vindt hij je nooit,
+eenig. Hoor Fox eens opgewonden zijn, zeker, omdat hij ons zoo hard
+heeft zien loopen, daar kan Fox nu eenmaal niet tegen. Als hij ons
+nu maar niet verraadt. Stil, Dolf komt dadelijk zoeken. Je zit daar
+wèl leuk, hoor."
+
+"Vijftig!" riep Dolf, "Ik ga zoeken."
+
+Geen antwoord, ieder had zeker een plaatsje gevonden.
+
+"Stil toch, Fox en loop niet zoo om mijn beenen, bedaar toch wat."
+
+Maar Fox had hierin in het geheel geen lust. Als een dolleman vloog hij
+den tuin door, toen eenige malen langs het kippenhok, zoodat de arme
+dieren het bijna bestierven van angst. Daarna zou hij met een vaart
+in huis, maar werd bijtijds door Kee, met een "hallo marsch, je niet
+hier verstoppen," den tuin weer ingejaagd, zoodat hij ten laatste,
+moe van het gedraaf, een middagdutje in het grasveld ging doen.
+
+Dolf zocht en zocht, maar durfde zich bijna niet van den boom begeven,
+bang, dat de een of ander uit zijn schuilhoekje te voorschijn springen
+en naar de verlosplaats loopen zou, om het hem af te winnen.
+
+"Leni, jij staat achter het kippenhok, een, twee, drie, verlos,"
+riep hij.
+
+"Nel, neen Door, dáár bij het priëel! kom maar voor den dag. Ik ken
+je aan je hoed."
+
+"Hoera, voor 't vogelnestje," juichte Nel en kwam met Doors ingedeukten
+hoed achter het priëel vandaan. "Gefopt."
+
+"Dat is flauw," zei Dolf teleurgesteld. "Wie kan dat nu ook denken."
+
+"Ja, zoo'n slim zusje heb je nu," lachte Nel, "wees maar blij."
+
+"Nu Door en de tweelingen nog."
+
+"Een, twee, drie verlos!" riep Door, toen Dolf juist den anderen kant
+was opgeloopen.
+
+"Dat heb ik je lekker afgewonnen. Wat heb je dat mooi bedacht," zei ze
+lachend tot Nel. "Waar mijn vogelnestje toch al niet dienstig voor is."
+
+"Kom, Dolf, nu de tweelingen nog," zei Nel.
+
+"Hé," zei Dolf lachend tot Kee, die gedurende de verstoppartij geheel
+tegen haar gewoonte in al dien tijd op de waranda was blijven staan
+kijken. "Mij dunkt, je hebt eenige rokken extra aangetrokken van
+morgen. Je schort staat heelemaal uit."
+
+"Ja," zei Kee lachend, "één rok heb ik aangetrokken, omdat het de
+eerste vacantiedag is en één, omdat Bob en Hansje gekomen zijn."
+
+"Die Kee, die Kee," proestten Nel en Door. "Of je gelijk hadt? Zoo'n
+dubbele feestdag mag wel met een paar extra rokken gevierd worden."
+
+"Maar ik moet nu eigenlijk weer aan het werk. En dan is mijn
+feestgewaad mij wel wat lastig."
+
+"Ja, dat wil ik wel gelooven," zei Dolf. "Wiens neus voel ik door Kee's
+schort heen? Mij dunkt," zei hij, de schort wat op zij schuivende,
+"mij dunkt, die van Hansje Pansje."
+
+Hansje schaterde het uit. "Was het geen mooi plaatsje? Je kon mij
+toch bijna niet vinden, hè?"
+
+"Neen, hoor. Wie heeft dat wel zoo mooi bedacht?"
+
+"Kee," zei Hans.
+
+"Ik moet nu gauw naar het eten gaan kijken. 't Is maar goed, dat
+hier niet elken dag zoo'n verstoppartij is," zei Kee en liep haastig
+naar binnen.
+
+"Maar waar zou Bob nu zijn?" zei Dolf. "Die heeft zich een bijzonder
+mooi plaatsje uitgezocht, dunkt me."
+
+"Ja," zei Door, "je moet maar goed zoeken."
+
+Dolf keek achter elken struik, bij het kippenhok, in het priëel,
+tot hij op eens, achter in den tuin gekomen in lachen uitbarstte.
+
+"Komen jullie toch eens hier," riep hij. "O Bob, blijf zoo stil zitten,
+ze moeten je allemaal zoo eens zien."
+
+Nel en Leni proestten het uit, toen ze Bob in den grooten kuil
+zagen zitten met alleen zijn bovenlijf er uit. Hansje klapte in de
+handen. "O, Bobbie, wat een mooi plaatsje."
+
+"Kom er maar gauw uit, kleine vent," zei Dolf en gaf Bob een hand.
+
+"Ik stapte op de takjes en zakte op eens naar beneden," legde Bob
+triomfantelijk uit.
+
+"Je mag wel gauw je kuil dicht maken," zei Nel, "voor er ongelukken
+gebeuren."
+
+"Ja," zei Dolf, die zich wel wat schuldig voelde. "Ik was dien
+overdekten kuil heelemaal vergeten."
+
+"Ziezoo," zei Door, "nu weer een nieuw spelletje. Dolf, jongen,
+je moet weer zoeken."
+
+Wat hadden allen een pret!
+
+"Och, kijk toch eens Bobbie, wat dikke kanaries," riep Hansje verbaasd,
+toen hij voorbij het kippenhok liep en juist zou hij aan Door vragen,
+of hij eens eventjes een in de hand zou mogen hebben, toen ze geroepen
+werden, om te komen eten. Vroolijk holde het troepje naar binnen.
+
+"O, wat een bestorming, als je blieft eerst voeten vegen," zei Moeder.
+
+"Hansje Pansje glaasje melk omgesmijt, hè Mammi?" begon Fritsje weer,
+toen hij Hansje zag.
+
+"Ja, ja," lachte Ma.
+
+"Mogen we na het eten de kanaries eens zien?" vroeg Bob, zoodra hij
+aan tafel zat.
+
+"O ja, de kanaries," riep Hansje opgetogen.
+
+"De kanaries?" vroeg moeder verwonderd.
+
+"O, zulke dikke, tante. In het kippenhok zijn ze, hè Bob?" zei Hans
+vol vuur.
+
+Moeder lachte. "O, nu begrijp ik het."
+
+"Na het eten gaan onze logétjes één, twee, drie naar bed," zei
+vader. "Die kleine kanaries moeten nu ook slapen, anders kunnen het
+nooit groote worden. Maar morgen vroeg, als haantje kukelekaantje
+jullie wakker heeft geroepen, dan maar gauw je kleertjes aan en den
+tuin in."
+
+*****
+
+"Een, twee, drie, instappen," zei Nel, toen ze een uurtje later Hansje
+had uitgekleed en in bed tilde.
+
+"Wacht, eerst even bellen," zei Bob en greep een tafelbel, waarmee hij,
+voor Door dit verhinderen kon, luid ging bellen.
+
+Kee kwam verschrikt naar boven vliegen.
+
+"Och, lieve tijd, wat is hier te doen?" riep ze. "Toch geen ongeluk
+gebeurd?"
+
+"Gauw instappen, de trein gaat dadelijk weg," zei Bob tot Keetje,
+niet begrijpende, dat hij haar zoo had doen schrikken.
+
+Kee, die eerst van plan was boos te worden, omdat hij haar voor niets
+naar boven had laten komen, kon toch haar lachen niet bedwingen bij
+het gezicht van die twee grappige broekemannetjes. "Tuut," riep ze
+en zette den kleinen Bob in bed. "Goeie reis, hoor, goeie reis,"
+en met haar zakdoek wuivende verdween ze.
+
+Nel en Door gierden het uit.
+
+"Dumderdedumderdedum," en vier kleine voetjes trappelden, dat het
+geheele bed schudde.
+
+ * * * * *
+
+"Het zal mij benieuwen, of die dreumesjes gauw den slaap zullen
+vatten," zei Nel, toen ze beneden in de huiskamer kwam.
+
+"'k Zal eens kijken, of ze slapen," zei Door een kwartiertje
+later.--"Als roosjes, hoor!" kwam ze terug.
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+ARME HANS EN BOBBIE.
+
+
+"Zullen wij den haan maar gaan roepen?" vroeg Hansje den volgenden
+morgen. Hij stond met Bob voor Dora's bed.
+
+"Wat zeg je?" vroeg Door slaperig.
+
+"'t Haantje heeft ons niet geroepen, het is misschien ziek,"
+zei Bobbie.
+
+Nel lag te schudden in bed. Op eens begon ze te zingen: "Op, gij
+meisjes en gij knapen, kukeleku! 't is uit met slapen," en sprong
+het bed uit.
+
+"O, ik wou dat er geen hanen en geen Hansjes en Bobbies waren,"
+zei Door, half brommig, half lachend.
+
+"Op, gij meisjes en gij knapen, kukeleku! 't is uit met slapen,"
+zong Nel weer en wilde Door uit het bed trekken. "Toe, jongens,
+jullie aan den anderen kant; wacht, daar komt Leni ook aan. Heisa,
+hopsa!" Door stond buiten het bed.
+
+"Ik weet wel," zei Door, "dat ik vanavond niet naar bed ga, dan behoef
+ik er morgen vroeg ook niet uit te komen."
+
+"Of je gelijk hebt. Dat is, geloof ik, nog het allerbeste voor
+jou. Jongens, loop hier nu maar een beetje in je hanssopje rond. Zoodra
+we klaar zijn, zullen we je helpen. Of ben jullie misschien zoo knap,
+dat je je alleen kunt aankleeden?"
+
+"De kousen kunnen we wel aantrekken en de schoenen ook, maar ze dicht
+maken, dat doet Maatje altijd."
+
+"Mooi zoo, haal jullie je kleeren en begin maar vast."
+
+Bob en Hansje togen ijverig aan het werk.
+
+"Och, kijk eens, dat kousje doet zoo raar," zuchtte Bob met een
+vuurroode kleur van inspanning, nadat hij al een heelen tijd bezig
+was geweest.
+
+"O, de hiel!" schaterde Leni. "Kijk, die zit boven op den voet. 't
+Lijkt wel een leeg geldzakje. Wacht, ik zal je wel helpen."
+
+Door, Nel en Leni hadden het druk met de logétjes. 't Werd een
+wedstrijd, wie 't eerst klaar zou zijn.
+
+"'k Zou juist zeggen, mijn schortje is zeker weer op de wandeling,"
+zei Door, die overal naar dit kleedingstuk had gezocht, "maar neen,
+hoor, 't ligt kalm onder mijn handdoek. Toch grappig, dat al mijn
+spulletjes altijd zoo'n lust hebben om van 't eene plaatsje naar
+'t andere te verhuizen."
+
+"En dat ze jou nooit vooraf vertellen, waarheen ze gaan," plaagde Nel.
+
+Eindelijk waren allen aangekleed en ging ieder met een keurige
+"vacantie-kuif", zooals Leni 't noemde, naar beneden.
+
+"Goeden morgen, goeden morgen!" klonk het vroolijk, toen 't vijftal
+de huiskamer binnen kwam stormen.
+
+"Wel verbazend, kinderen, wat ben jullie vroeg," zei vader, "zoo mag
+ik het zien."
+
+"Zullen we nu eerst even 't haantje roepen?" vroeg Hans.
+
+"'t Haantje roepen?"
+
+"Zou het ziek zijn, oom?" vroeg Bob.
+
+"Waarom ziek, kleine man?"
+
+"'t Haantje heeft ons niet geroepen."
+
+"En hoe komen jullie dan zoo vroeg?"
+
+"Bobbie en Hansje hebben voor haantje gespeeld. Ze hebben Dora wakker
+gemaakt," zei Nel.
+
+"Ik was nog zoo "onmogelijk" slaperig."
+
+"Als jullie je boterham op hebt, moet je maar eens kijken, of het
+haantje wakker is," vond moeder.
+
+"Kijk toch zoo'n bedelaarstertje eens," zei Nel, toen Julia zacht
+miauwend achter op haar stoel sprong en voortdurend met haar kopje
+tegen Nels arm duwde.
+
+"Zij wil verven, zij wil verven," riep Bob; "kijk, ze gaat met haar
+staart over mijn gezicht."
+
+"Goed, dat er geen verf aan zit."
+
+"Ja, voor den staart en voor Bobbies neusje."
+
+"Jaap zegt, dat zijn poesje geverfd is, dat is heelemaal bruin, behalve
+zijn borst en zijn pooten. Bobbie en ik hebben het eens met een spons
+gewasschen, maar er kwam heelemaal geen verf aan de spons en toen heb
+ik mijn vinger nat gemaakt en over zijn kopje gestreken en afgelikt,
+maar het proefde in 't geheel niet naar verf en de schutting wel,
+toen Jaap die geverfd had. Bobbie en ik hebben daar eventjes aan
+gelikt, niets lekker, hoor!"
+
+"Brr," zei Hansje en trok bij de gedachte nog een vies gezicht.
+
+Allen schaterden het uit.
+
+"Vader zei, dat het niet geverfd, maar zoo geboren was."
+
+"Of vader gelijk had!"
+
+"Julia houdt in 't geheel niet van zoo'n waschpartij. Was dat poesje
+niet boos, krabde ze niet?"
+
+"Wel een beetje, maar Bobbie en ik hebben haar toen stijf
+vastgehouden."
+
+"Arm poesje. Lieve Hansje en Bobbie," ging Door grappig ernstig voort,
+"zie je onze Julia?"
+
+Bob en Hans knikten.
+
+"Zie je dat keurige witte overhemdje, dat zwarte snuitje, dat grappige
+staarte-puntje?"
+
+Weer knikten Hans en Bobbie.
+
+"Toen onze deftige Julia nog een heel klein Juliaatje was, had
+ze al datzelfde grappige staarte-puntje, datzelfde zwarte snuitje,
+datzelfde witte overhemdje. Onze Julia is zoo geboren. Begrijp jullie
+mij goed? Onze Julia is zoo geboren," herhaalde ze. "Onze Julia is
+dus niet geverfd. Ik zeg jullie dit alles, dat jullie haar morgen
+of overmorgen ook niet in een badkuip zult stoppen, of met je lieve
+vingers zult gaan belikken."
+
+Een schaterend gelach ging op en Dolf, die juist binnen kwam, riep:
+"leve onze Dorus, leve onze Julia!"
+
+En Fritsjes lief stemmetje klonk hier tusschen door. "Julia een lief
+poesje, hè, mammi?"
+
+Julia, die blijkbaar verlegen werd onder zooveel lof, haar door Dora
+toegezwaaid, liet zich zacht van Nels schouder glijden en zocht een
+plaatsje op den hoek van den schoorsteenmantel.
+
+"Mogen we nu de kanaries eens zien?" vroeg Bob, toen 't ontbijt
+was afgeloopen.
+
+"Wel zeker, wel zeker, kom maar mee," zei Nel.
+
+"Neen, Foxje, jij kunt niet mee, je zoudt de geheele kippenfamilie
+angstig maken. Kijk, Leni is alweer bezig haar kippetjes te
+trakteeren."
+
+"Hij is toch wel wakker?" zei Bob verwonderd en wees naar den haan.
+
+"Ja, ja, ik geloof ook wel, dat hij jullie geroepen heeft; maar toen
+lag jullie nog op één oor en heb je hem niet kunnen hooren."
+
+"Dan zal ik morgen eens op geen oor gaan liggen," dacht Bob bij
+zich zelf.
+
+"Zie Slokop weer eens begeerig zijn," zei Nel, "vooruit, jou
+deugniet." Met een stok duwde ze de zwarte kip weg. "Zal ik nu eens
+zeggen, hoe deze kanaries heeten? Kuikentjes. Het zijn kindertjes van
+die groote zwarte kip, die lekkere kruimeltjes voor haar kuikentjes
+bewaart. De gele dààr heet Asschepoes, de andere hanen en kippen
+zijn niet aardig voor haar. Kijk die ondeugende Schoorsteenveger en
+Wafelbakster eens, die trekken haar aan den staart," en Nel deed alle
+moeite, Asschepoes van een witte kip en een zwarten haan te bevrijden.
+
+Bob en Hans hadden pret voor tien om al die mooie namen.
+
+"En hier heb je de dwergjes," zei Leni. "Vind jullie het geen dotjes?"
+
+"Leggen die kuikentjes ook eitjes?" vroeg Hans, die zijn oogen niet
+van de diertjes af had.
+
+"Mag ik zoo'n kuikeneitje?"
+
+"Neen, de kuikentjes leggen nog geen eieren; als ze groot zijn wel
+en dan komen soms uit die eitjes weer heele kleine kuikentjes, o zoo
+beeldig. Wafelbakster en Asschepoes zijn ook zulke aardige kuikentjes
+geweest en kijk het nu eens groote kippen zijn."
+
+"Hier heb je ook nog een kuikentje," lachte moeder en zette Frits op
+Nels hoofd. Frits kraaide het uit.
+
+"Hij is geen kuikentje, maar een kraaiend haantje," lachte Nel. "Kom
+hier, Haantje kukelekaantje," en zij nam Frits op den arm. "Nu weet
+ik een mooi spelletje," zei ze. "We zetten Fritsje in den ouden
+kinderwagen, Dolf wordt zijn paard en Leni koetsier. Bob en Hans
+komen in de sportkar. Dora is hun paard en ik word koetsier."
+
+Het geheel leek wel een optocht. Als de stoet bij vader en moeder,
+die op de waranda zaten, voorbijkwam, wuifden zoowel passagiers
+als publiek.
+
+"Niet zoo wild rijden, niet zoo wild!" had vader juist geroepen,
+toen op eens, doordat Dora de bocht te kort nam, de sportkar omsloeg
+en Bob en Hansje er uit en in 't gras vielen! Groote ontsteltenis!
+Vader, moeder en Keetje kwamen dadelijk aanhollen, want beide logétjes
+hieven een erbarmelijk geschrei aan. Bobbie bloedde vreeselijk uit zijn
+neus en had zijn voorhoofd bezeerd en Hansje Pansje riep maar steeds:
+"O, mijn voetje doet zoo'n pijn."
+
+Ma droeg hem en vader Bobbie naar binnen. Hans werd op de canapé
+gelegd, waarna moeder hem den schoen uit trok. Bob kreeg koude
+compressen op zijn neus. Door, die zoo wit als een doek zag, wilde
+dadelijk om den dokter gaan, maar vader vond beter nog een poosje te
+wachten. Gelukkig bedaarde het bloeden. Hansjes voet was blijkbaar een
+beetje verstuikt. 't Was wel een ongelukkig gezicht, de twee vroolijke
+kaboutertjes daar zoo te zien zitten met dikke tranen op de wangen:
+Bob met een compres op den neus en Hans met zijn voet op de canapé.
+
+"Dat is een treurig begin van zoo'n vroolijken dag," zei vader.
+
+"Stil maar, jongens," troostte Door, "vanavond krijgen jullie heerlijke
+appelbollen."
+
+"Jullie weet niet, hoe goed die voor bloedende neuzen en verstuikte
+voeten zijn," zei Dolf.
+
+"En voor alle menschen, die geschrokken zijn. Och, lieve tijd, ik
+beef er nog van in mijn beenen," klaagde Nel.
+
+"Kijk eens," en Leni kwam met in iedere hand een grappig klein eitje,
+"is dat nu niet lief van mijn krielkipjes Snoetie en Toetie? Ze
+zijn dadelijk aan het leggen gegaan, toen ze hoorden, dat jullie zoo
+gevallen waart."
+
+Bob en Hans lachten door hun tranen heen.
+
+"Als ik wist, dat Toetie of Moetie"....
+
+"Snoetie, paatje."
+
+"Och, jij ook met je namen altijd. Nu, als ik wist, dat Snoetie voor
+mij ook zoo'n lekker eitje wilde leggen, dan zou ik ook wel zoo'n
+buiteling uit de sportkar willen maken."
+
+"Oompje in de sportkar," lachte Hans.
+
+Daar kwam Kee de kamer in stormen. Kee stormt altijd, langzaam loopen
+kan ze niet, want Kee heeft altijd haast. "Kijk eens," zei ze en bracht
+Hans en Bob ieder een schoteltje roode bessen. "Hoe vinden jullie
+dat? Als je die op hebt, ben je, dat durf ik wedden, weer geheel
+beter. Heb ik ze niet keurig gerist? Ik moest eigenlijk mijn kachel
+poetsen, maar nee, dacht ik, eerst zal ik die wurmen een verfrisschend
+hapje brengen. Door of Nel moeten er maar wat suiker op strooien. Kom,
+die leelijke tranen neem ik mee naar de keuken," zei ze en veegde,
+wel een beetje hardhandig, Bob en Hansje de tranen af. En vóór de
+beide jongetjes nog iets hadden kunnen zeggen, was Kee verdwenen.
+
+"Heeft jij jouw been gebreekt? Kun je niet meer loopen?" Onderzoekend
+keek de kleine Frits naar Hansjes been.
+
+"Beweeg het eens." Hans deed het heel voorzichtig.
+
+"Doet het pijn, als jij jouw voetje beweegt?"
+
+Hans knikte: "een beetje."
+
+"Ik is niet gevallen," zei hij toen met voldoening. "Mag ik eens zien,
+of er nog bloed uit jouw neusje komt?" vroeg hij, vol belangstelling
+naar Bobbie kijkende.
+
+Bobbie deed even den zakdoek voor den neus weg.
+
+"O, mammie!" Fritsje week verschrikt een paar passen achteruit. "O,
+mammi, allemaal rood op Bobbies zakdoek!"
+
+"Kom maar gauw hier, mijn kereltje", zei ma. "Hans en Bob zullen wel
+gauw weer beter zijn."
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+DE APPELBOLLENPARTIJ.
+
+
+"Een brief, een brief!" Met deze woorden kwam Door eenige uren later
+de kamer binnenstormen.
+
+"Voor wie?" klonk het als uit één mond en Nel strekte haar hand al
+verlangend uit.
+
+"Mis, juffertje. Hij is voor Bobbie en Hansje."
+
+"Een brief, o Bobbie, zeker van maatje."
+
+"Of van vader, want paatje heeft ons er eentje beloofd."
+
+Door moest den brief laten kijken.
+
+"Ook een postzegel er op?"
+
+"Ja, 't is geen kleinigheid," lachte Nel, de verrukte gezichtjes
+ziende.
+
+"Zal ik hem voorlezen?" vroeg Door.
+
+"Begin maar gauw," riep Hans.
+
+"Ook wat er buiten opstaat," vond Bob.
+
+"Aan Hans en Bob, gelogeerd bij hun oom, mijnheer Van Brakel te
+Westerkerke.
+
+"Lieve kaboutertjes. De kusjes heb ik gegeven."
+
+"Van Paatje," zei Bob.
+
+"Ma," las Door, "op elken wang een. Bruno's snuit heb ik in mijn hand
+genomen en Miekies zacht pootje even gedrukt. Jelui weet niet, hoe
+stil ma, Bruno, Miekie en ik het vinden, nu onze kaboutertjes er niet
+zijn. Bruno zat gisterenmorgen voor jullie slaapkamertje geduldig te
+wachten. Ma en ik lieten hem stil begaan. Wij wilden eens zien, wat
+hij zou doen. Na een tijd rustig gewacht te hebben, begon hij zacht
+te janken. O, het klonk zoo bedroefd en steeds keek hij naar de kruk
+van de deur. Daarop begon hij te blaffen en zoowaar aan de deur te
+krabben. Toen riep ik hem. "Die ondeugende kaboutertjes! Willen ze de
+deur niet open doen?" zei ik. Bruun kwispelstaartte uit alle macht,
+liep van de slaapkamer naar mij en van mij naar de slaapkamer, en
+keek mij met zijn trouwe, bruine oogen zóó smeekend aan, alsof hij
+zeggen wilde: doe nu toch die nare deur open, ik kan toch niet door
+'t sleutelgat. "Kom dan maar," zei ik, en toen was Bruun niet te
+houden, hij sprong tegen mij op, likte mijn handen en blafte, dat
+hooren en zien je verging. Met een vaart rende hij de slaapkamer in,
+maar bleef op eens verbaasd staan, toen hij die leeg vond. Alles werd
+besnuffeld, hij begreep er niets van. Zijn mooie pluimstaart, die even
+te voren nog zoo vroolijk wapperde, hing nu sluik neer. "Arme hond,
+zijn ze weg?" zei ik. Nog eens liep hij de kamer rond, snuffelde onder
+'t bed en liep toen langzaam naar de huiskamer.
+
+Ma troostte hem met een stukje hondekaak en een hompje kaas. Na
+'t ontbijt zijn ma en ik een flinke wandeling met Bruno gaan doen.
+
+Ma wilde Miekie, geloof ik, ook wel mee hebben, omdat ze het zoo
+stil vond zonder haar ventjes, maar dat ging natuurlijk niet. Toen we
+den hoek van de straat omsloegen, kwamen we Pollo tegen. Dat was een
+vroolijke ontmoeting tusschen Bruun en hem. 't Was, alsof ze elkaar
+in jaren niet gezien hadden. Daarna liepen ze een tijdje rustig naast
+elkaar. Het scheen wel, dat Bruno vertelde, dat jullie weg waart en
+ik denk, dat Pollo hem zoo goed mogelijk getroost heeft, tenminste
+even later renden ze uitgelaten over 't weiland. De schapen, die daar
+liepen, wisten zich van angst niet te bergen. Een klein lammetje
+drukte zich stijf tegen zijn moedertje aan en blaatte zoo innig
+bedroefd. Daar vloog Pollo over een sloot, Bruun hem achterna. En toen,
+o mijn kaboutertjes, als jullie dat gezien hadt! Pol stond aan den
+kant van de sloot juist eventjes uit te blazen, met de tong uit zijn
+bek, want geloof maar, dat hij moe was, toen een dikke kikker, zeker
+door Bruno opgejaagd, boven op Pollo's tong sprong. Ma en ik wisten
+werkelijk niet, wat er gebeurde, zoo'n spektakel maakte Pollo op eens.
+
+Hij rolde zich om en om op 't gras, de vier pooten in de hoogte,
+en het had niet veel gescheeld, of hij was in de sloot gevallen. Nu,
+zoo'n bad was misschien wel goed geweest voor den schrik."
+
+"O, die kikker," schaterde Dolf. "Hij zag Pollo's tong voor een
+rozeblaadje aan."
+
+"Ja, of voor een vischje," lachte Nel.
+
+"O, eenig, eenig!" proestte Door. "Maar stil, laat mij nu verder
+lezen."
+
+"Na dit kikker-avontuur waren onze wandelgenootjes kalm en gehoorzaam.
+
+En hoe Miekie het maakt? Ik geloof, dat ze vast van plan is jullie
+een briefje te schrijven en ze mij de kunst nu wil afzien. Viermaal
+heb ik haar al van dit velletje postpapier afgezet, maar telkens komt
+zij weer terug, zoodat ik haar nu maar laat zitten. 't Is een klein,
+nieuwsgierig poesje en jullie weet, als Mieke eenmaal een plannetje
+heeft, dan laat zij dit niet varen.
+
+Op dit oogenblik loert ze op mijn penhouder. Steeds gaat haar kopje
+van links naar rechts. O wee! een letter met drie krullen, dat is
+Miekies schuld: die wilde met haar pootje den penhouder grijpen. 't
+Is maar goed, dat mijn praatje uit is. Het zal mij eens benieuwen,
+wanneer zij jullie gaat schrijven, maar dan ga ik er ook bij zitten,
+dat weet ik wel, die deugniet!"
+
+"Dan gaat oom zeker ook op het postpapier zitten," lachte Dolf.
+
+"Heel veel kusjes van moes, van Bruno een poot, van Mieke een hoogen
+rug en duizend kusjes van paatje.
+
+Hoe hebben de appelbollen gesmaakt? En vraag aan Leni, of de
+dwergjes nog bedroefd zijn. Vooral de groeten aan oom, tante en
+alle kindertjes."
+
+"Is hij nu uit?" vroeg Bob.
+
+"Ja, is het geen onmogelijk lange brief?"
+
+Door moest den brief nòg eens en nòg eens voorlezen, vonden Leni,
+Bob en Hansje. Op 't laatst kenden ze hem bijna van buiten.
+
+"Boven aan het blaadje staat het verhaal van den kikker, hè
+Door?" vroeg Hans.
+
+"En dáár onder-aan dat van Mieke?"
+
+"Mammi, waar is de kikker nu?" vroeg Fritsje.
+
+"Ik denk, dat hij nu weer vroolijk door het water springt of over
+'t land. Och, och, wat zal dat arme kikkertje geschrikt zijn, toen
+het zag, dat het verdwaald was."
+
+"En hoe verdwaald!" lachte Dolf.
+
+"'t Was maar goed, dat Pol geen ooievaar was, want die had het
+kikkertje stellig opgepeuzeld."
+
+"Brr!" Fritsje schudde zijn krullebol. "Ik vind kikkers niet lekker,
+Mammi wèl?"
+
+"Neen hoor, ik eet liever appelbollen."
+
+"En ik, en ik," riepen Leni en de anderen.
+
+"Hoera! Vanavond appelbollenpartij!"
+
+"En hoe is 't nu met de patiëntjes? Zouden jullie vanavond wel trek
+hebben in een appelbol?" vroeg mevrouw Van Brakel.
+
+"Mijn voetje doet bijna niet meer zeer, heusch niet."
+
+"En mijn neus, kijk, er komt geen droppel meer uit."
+
+"Dat dacht ik wel," zei Door. "Brieven zijn zoo goed voor verstuikte
+voeten en bloedende neuzen."
+
+"Ja, en vooral zulke lange," lachte Nel.
+
+"Ramplamplan, daar komen wij an. We hebben geen schoenen of kousen
+meer an," kwam Dolf dien avond de kamer instappen, een groot bord
+met appelbollen op zijn hoofd balanceerende.
+
+"O, jongen, denk om het porseleinen bord," riep mevrouw Van Brakel.
+
+"En om onze heerlijke appelbollen," lachte pa. "Als ze over den grond
+rollen, wil niemand ze meer hebben."
+
+"Ik wel, ik wel," riepen Leni, Hans en Bob.
+
+"Dan zal ik ze maar gauw neerzetten," zei Dolf, "want als jelui in
+dat geval alle appelbollen samen op ging peuzelen, dan hadden we
+morgen drie zieke kinderen, en dat zou wel zonde en jammer zijn van
+de heerlijke vacantie."
+
+"Hoera voor de vacantie!" riep Nel en stak een oogenblik later een
+appelbol op haar vork in de hoogte.
+
+"Hoera voor oom Karel!" juichte Door en deed hetzelfde.
+
+"'t Lijkt wel, dat er wijn in de appelbollen zit, zoo opgewonden
+worden jullie," zei vader. "Ma, geef me nog maar eentje: die dingetjes
+smaken uitstekend."
+
+"Ja, ze zijn onmogelijk lekker," beaamde Dora. Hans, Bob en Leni
+hadden het veel te druk met hun bol om iets te zeggen.
+
+"Komt, kinderen, het klokje van gehoorzaamheid heeft geslagen,"
+zei moeder, en een half uur later: "Fritsje ligt al lang in bed."
+
+"Fritsje is ook nog zoo klein," zei Hans. Hij vond het zeker wel wat
+kinderachtig, bij Fritsje vergeleken te worden.
+
+"Ja zeker," lachte ma, "maar ik geloof tòch, dat het zandmannetje al
+even bij Hansje Pansje op bezoek is geweest."
+
+Een oogenblik later werden Leni en de tweelingen door Nel en Door
+naar bed gebracht.
+
+"Kijk eens even, of het kussen ook tegen mijn ooren aankomt," zei
+Bobbie tot Door, die hem had uitgekleed.
+
+"Tegen je ooren?" vroeg Door verwonderd.
+
+"Ja, kun je ze goed zien?"
+
+"Niet zoo heel goed," lachte ze, "ze spelen zoo'n beetje verstoppertje,
+dunkt me."
+
+"Zou ik den haan zoo dan niet kunnen hooren?"
+
+Toen barstte Door in lachen uit. "O, wacht maar eens," en ze drukte
+het kussen flink plat, zoodat heel Bobs bolletje als een kaatsbal
+boven op het kussen kwam te liggen. "Nu maar goed luisteren morgen
+vroeg. Wel te rusten, kindertjes."
+
+"Toe, Nel, ben je nu nog niet klaar?" bromde ze. "Je bent een echte
+treuzel."
+
+"Ik moet nog even Hansjes pakje opvouwen."
+
+"Wat valt er nu aan zoo'n jongenspak op te vouwen? Ik heb Bobbies
+kleeren...."
+
+"Ja, hoe jij Bobbies kleeren opbergt, daar weet ik alles van: Hij
+heeft gisteren den geheelen dag met één kouseband geloopen. Waar die
+andere nu weer is, begrijp ik niet."
+
+"O, ja, éénig," gierde Dora. "Verbeeld je, Bob had er twee aan zijn
+rechterbeen. Of ik zijn spulletjes ook goed opberg, hè?"
+
+Nu moest Nel toch ook lachen en gearmd gingen beiden naar beneden
+naar de huiskamer.
+
+"Alweer een dagje om, ma," zei Nel, toen ze dien avond met Door naar
+bed ging.
+
+"Ja, ja, vrouwtje, maar er komen er nog veel, moet je maar denken."
+
+"En als dan het zonnetje van binnen en van buiten schijnt, dan zingen
+we," zei vader lachend: "'t Is vacantie, 't blijft vacantie...."
+
+"Hoera, vacantie boven!" vielen Door en Nel in.
+
+"Nacht vader, nacht moes!" En zingende gingen, ze naar boven.
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+DE VERDWAALDE DWERGJES.
+
+
+"Er zijn dieven," fluisterde Nel aan Doors oor, want hard praten
+durfde ze niet.
+
+Door, nu op eens wakker, zat kaarsrecht in bed.
+
+"Hoor je 't?" fluisterde Nel.
+
+Door knikte. De angst benam haar bijna den adem.
+
+"Zullen we vader en moeder roepen?" fluisterde Nel weer.
+
+"'k Durf niet," kwam bijna onhoorbaar uit Doors mond.
+
+"Ik ook niet," klonk het wanhopig naast haar.
+
+"Luister eens. 't Is precies, of ze met sleutels rammelen," zei ze
+en kneep Door van angst in den arm.
+
+"Ik durf onmogelijk opstaan," kermde Door. "Mijn mooien armband heb
+ik gisteren op tafel laten liggen; dien nemen ze natuurlijk mee en
+Fritsjes zilveren kroesje en de lepels en vorken! O, 't is vreeselijk,"
+zuchtte ze. "En mijn ringetje ligt, geloof ik, op den inktpot. Sst, wat
+zijn ze nu stil. Misschien steken ze het wel aan een van hun vingers."
+
+"Het zal hun toch wel niet passen," zei Nel geruststellend.
+
+"Om de pink wel," snikte Door.
+
+"'t Is precies, of ze hierheen komen," fluisterde Nel en kroop stijf
+tegen Door aan.
+
+"Maak toch zoo'n leven niet."
+
+"Konden we maar dood liggen, zooals Foxje."
+
+Weer was 't even stil in de voorkamer.
+
+"Ik probeer 't," zei Nel kordaat.
+
+"Wat?"
+
+"Ik houd het hier niet langer uit."
+
+"Nel, hoe durf je! Ik laat je niet alleen gaan," zei Door, toch alles
+behalve moedig.
+
+Heel voorzichtig, met ingehouden adem, liet Nel zich uit 't bed
+glijden. Door volgde klappertandend....
+
+"De deur staat op een kiertje," fluisterde Door.
+
+Als twee angstige vogeltjes tegen elkaar aangedrukt, stonden Nel en
+Door in de gang en trachtten door de deuropening te kijken.
+
+"Zie je iemand?" fluisterde Door tot Nel, die vooraan stond.
+
+"Niemand."
+
+"Ze zullen onder de canapé gekropen zijn."
+
+"Ik ga eens kijken," zei Nel moedig.
+
+"Ik zie niemand," zei ze, op haar buik liggende.
+
+"Kijk eens op 't inktstel naar mijn ringetje."
+
+"'t Ligt er nog" zei Nel, steeds moediger de kamer rondkijkende.
+
+"Ligt het er nòg?" Door was een en al verbazing. "Hoe is 't mogelijk;
+dieven zijn anders dol op goud."
+
+"Misschien zijn ze boven op de kast gekropen," begon Door weer,
+nu half in de kamer staande.
+
+"Op de kast?" vroeg Nel ongeloovig, terwijl ze voorzichtig het
+tafelkleed oplichtte.
+
+"Ja zeker, op de kast. Als iets weg is, kan het overal zijn, zegt
+ma altijd."
+
+"Je denkt zeker aan je haarlintje of je handschoenen, die ook altijd
+zoek zijn. St.--hoor je dat?" Nel stond stijf van schrik.
+
+Door keek haar met groote oogen aan en durfde geen voet verzetten.
+
+"Daar hoor ik 't weer," zei Nel, nog steeds op dezelfde plaats
+staande. "Maar--maar--ik geloof--dat--ja nu hoor--ik--het--duidelijk,"
+riep ze opgewonden....
+
+"'t Is ... een vogel!"
+
+"Een vogel?" Door wist niet, wat ze hoorde. "Een vogel?" herhaalde ze
+hoogst verwonderd en stond eensklaps midden in de kamer, naar alle
+kanten kijkende en luisterende. "Ja, je hebt gelijk, nu hoor ik het
+ook en heel duidelijk zelfs."
+
+"Hij zit stellig in den schoorsteen."
+
+"Neen, dat geloof ik niet, hij zit in de kachel. Die stumper kan zijn
+pret ook wel op."
+
+"Ja, werkelijk, arm dier," zei Nel.
+
+"Wat wil je doen?" voeg Door, toen Nel naar het raam liep.
+
+"Het raam open schuiven; dan kan hij dadelijk naar buiten vliegen. Het
+zal wel een verdwaalde kraai of spreeuw zijn."
+
+"Uitstekend," vond Door. "Nu zal ik het kacheldeurtje open zetten,
+let op, een, twee, drie--rustverstoorder."
+
+Werkelijk vloog een jonge spreeuw er uit, keek even met zijn aardige
+glinsteroogjes verbaasd rond, zag het open raam--en was verdwenen.
+
+"Kom eens gauw kijken, daar zit hij, daar zit hij," riep Nel
+opgetogen. "Zie hij 't eens druk hebben en de veertjes glad strijken,
+zoo'n ijdeltuitje.--Dag plaaggeest!"
+
+"Wat een geluk, dat het zomer is en er geen vuile stukken cokes en
+asch in de kachel liggen. Wat draait hij met zijn kopje; het heeft
+er veel van, dat hij zijn avontuur in geuren en kleuren aan die twee
+dikke spreeuwen naast hem zit te vertellen."
+
+"Dan zullen die twee ouwetjes wel hun kopjes schudden, als ze hooren,
+hoe hij ons heeft beet gehad," lachte Door.
+
+"En jouw netheid zal nog van de daken der huizen verkondigd worden,"
+zei Nel.
+
+"Maar kom, ons diefje heeft zijn vrijheid terug; ik kruip nu nog
+lekker een paar uurtjes in bed."
+
+"En ik," zei Nel geeuwend. "Brr, wat een nacht."
+
+Na een kwartiertje waren beide heldinnetjes in zoete rust.
+
+Aan het ontbijt vertelden Door en Nel met veel ophef, wat ze vroeg
+in den morgen hadden ondervonden en werden braaf uitgelachen. Leni en
+de tweelingen zaten met open mond te luisteren en moesten natuurlijk
+de kachel van alle kanten bekijken, alsof daar heel wat bijzonders
+aan te zien was. En Nel en Door moesten den boom wijzen, waarin de
+spreeuw gezeten had. Het drietal raakte niet uitgevraagd.
+
+"St, zacht loopen," zei Leni dien middag, terwijl ze met de tweelingen
+naar den zolder ging. "Kijk, in den koffer zijn de kleeren, geloof
+ik. Jullie moet mij eventjes helpen met de doozen, ze zijn zoo
+zwaar." Met veel moeite gelukte het hun, met hun drietjes de doos op
+te lichten.
+
+"O, Bob," juichte Hans, toen Leni het deksel van den koffer had
+opgetild. "Kijk eens, een rood mutsje en een grijs. En wat is
+dat?" vroeg hij, een met zilverpapier beplakte kroon in de hand
+houdende.
+
+"Dat is de kroon, die Nel op gehad heeft, toen ze voor Asschepoes
+heeft gespeeld," legde Leni uit. "Maar voorzichtig, jelui moet er nu
+niet alles uit halen. Ik zal eerst eens kijken, waar de pakjes van
+de dwergjes zijn."
+
+"O, Leni, worden wij dwergjes?" Hans klapte in de handen van pleizier.
+
+"Daar heb ik al een pakje; hoe vinden jullie dat?"
+
+"Is dat voor mij?"
+
+"Ja, trek je schoenen maar uit, of neen, het pijpje is nogal wijd. Ga
+maar op deze kist zitten, dan zal ik je wel even helpen."
+
+"Zou het niet te groot zijn?" vroeg Hans.
+
+"Een beetje misschien wel, maar dat is niets. Zulke pakjes zitten
+altijd nogal ruim," voegde zij er vertroostend aan toe.
+
+"Wat mag ik aan hebben?" vroeg Bob, die, met de zilveren kroon van
+Asschepoes op zijn aardigen krullebol en een papieren sabel om,
+verlangend in den koffer keek.
+
+"Jij krijgt dat grijze pakje aan; tweelingen moeten toch gelijk
+gekleed zijn."
+
+"O ja dan zal ik mijn sabel zeker maar afdoen."
+
+"Ja," zei Leni, druk bezig Hansje een rood puntmutsje op te
+zetten. "Klaar! Nu, wat zeg je er van? Is 't niet leuk?" Hans knikte
+lachend. "Wacht, je moet nog den leeren riem om hebben, die zal ook
+wel in den koffer zijn. Hoera, daar is hij al! Jammer, dat hier geen
+spiegel is, dan kon je je zelf eens bekijken."
+
+"Hebben dwergjes dan spiegels?"
+
+"O, neen, 't is eigenlijk veel beter, dat er hier geen is, want
+dwergjes bezitten die niet."
+
+"Stil, wat is dat? Daar is iemand aan de deur, geloof ik," zei Leni
+verschrikt. "Gauw, Hans, kruip achter dezen koffer. Bob, verstop je
+gauw." Voorzichtig deed Leni de deur open en verrast bleef ze staan,
+toen Julia zacht miauwend met hoogen rug langs haar streek en in twee
+sprongen op een koffer stond.
+
+"O, jou klein, nieuwsgierig poesekopje, om mij zoo verschrikt te
+maken! Kom maar weer uit je schuilhoekje, jongens. 't Is Julia en
+die verklapt ons niet."
+
+"Help je mij even? Ik kan niet in de tweede pijp komen."
+
+"Een, twee, drie, hopsa," zei Leni. "Past het niet mooi? Wacht, hier
+is het een beetje te wijd, maar dat is niets, daar komt de ceintuur
+over heen. Nu je puntmuts nog. Prachtig!" riep ze opgetogen. "Wat
+zullen allen kijken, als jullie beneden komt. Ga beiden nu maar op
+deze kist zitten, dan zal ik mij ook verkleeden. Oef, wat is 't hier
+warm. Ik zal het raam open zetten."
+
+"Word jij ook een dwergje?" vroeg Bob.
+
+"Drie dwergjes," lachte Hans.
+
+"Maar dat kan toch niet, want dan ben jij een groote dwerg en dwergjes
+zijn altijd klein."
+
+"Zijn er geen groote dwergen?" vroeg Hans.
+
+"Zijn er nooit pa-dwergjes?"
+
+"Jawel," zei Leni; "want dwergen dragen immers baarden. O ja, dat is
+waar ook, jullie moet ook nog de baarden om hebben."
+
+En half uitgekleed, zocht ze weer in den koffer. "Ik kan ze nergens
+vinden, dat is jammer, maar zoo zijn jullie toch ook mooi."
+
+Dat vonden Hans en Bob ook.
+
+"Ik wordt sneeuwwitje," zei ze.
+
+"Als deze koffer van glas was," zei Hans, "dan moest jij daarin gaan
+liggen en konden wij je dragen."
+
+Leni lachte.
+
+"St! daar roept ma mij, geloof ik. Hoe jammer!" Haastig trok ze haar
+jurk weer aan.
+
+"Stil blijven zitten, hoor! Ik kom gauw terug."
+
+'t Was een grappig gezicht, die twee aardige ventjes met hunne roode
+puntmutsjes op de kist te zien zitten tusschen allerlei koffers,
+doozen, manden enz.
+
+"O wee, kijk Julia eens," zei Hans even later. "Zij wil, geloof ik,
+op het dak gaan en dat mag niet. Juul, Juul, Juul!" riep hij, zoo
+hard hij kon.
+
+"Misschien is zij bang voor ons, omdat we nu op dwergjes lijken."
+
+"Als ze op het dak komt, gaat ze vogeltjes vangen," zei Hans wanhopig.
+
+Weer riepen beide kinderen zoo hard ze konden, maar poes stoorde zich
+er in 't geheel niet aan en stapte kalm het raam uit.
+
+Bob en Hans vergaten heelemaal wat Leni gezegd had. Beiden liepen
+naar het raam om te kijken, waar poes gebleven was.
+
+"Zie je haar?" vroeg Bob aan Hans, die 't meest vooraan stond.
+
+"Ja, ze loopt in de goot."
+
+"Och, die arme vogeltjes. Als poes ze ziet, eet zij ze op."
+
+"Wat zou ze doen, ze zit zoo stil als een muisje."
+
+"O Bobbie, misschien ziet ze al een vogeltje. Ik ga haar in den staart
+knijpen. Jaap heeft mij verteld, dat, als je een poes, die loert,
+in den staart knijpt, ze het vogeltje of muisje niet kan krijgen."
+
+"Laten we dan dadelijk gaan. Ze zit nog steeds op hetzelfde plaatsje."
+
+Beiden stapten toen voorzichtig in de goot. Bob vooraan, voetje voor
+voetje, gingen ze op poes af.
+
+Julia bemerkte eerst niets, maar toen Hans en Bob op ongeveer vier
+passen genaderd waren, scheen ze onraad te bespeuren, tenminste ze
+verliet haar plaatsje en liep verder.
+
+"O, Hans, als wij haar nu maar kunnen krijgen," zei Bob half
+schreiend. "Stil, daar zit ze weer, misschien heeft ze ons nog niet
+gezien. Niet praten," zei hij, toen Bob weer iets wilde zeggen.
+
+Ondertusschen was Leni weer op den zolder terug gekomen. Ze keek
+vreemd op, toen ze de tweelingen niet op de kist zag zitten.
+
+"Jullie deugnieten, heb je je verstopt?" zei ze lachend. "Ik zal je
+wel vinden." Vroolijk zingend ging ze zoeken. "Hans, Bob!" riep ze
+eenige keeren, toen zij ze niet vond.
+
+"Misschien zijn ze in slaap gevallen," dacht ze toen. "Maar dan moeten
+ze hier toch zijn. Wat is dat? Julia ook weg? O wee, het raam! Zou
+Julia op het dak zijn gegaan?" Op eens kreeg ze een vreeselijken
+schrik. "Als-als-de tweelingen...."
+
+Leni holde naar beneden. "Ma--vader--Bob en Hansje zijn nergens te
+vinden en Julia is op het dak."
+
+"Kom, kom, kleine meid," zei pa, "Julia zal wel gauw terugkomen;
+ze vond het zeker frisscher op het dak dan op den zolder. Ze zal zoo
+gauw geen ongeluk krijgen."
+
+"Och ja, maar ... paatje, Hans en Bob zijn er ook niet."
+
+"Hans en Bob zijn toch geen poesjes, die zijn toch niet op het dak
+geklauterd? Kom, kom, vrouwtje, maak je toch zoo angstig niet. De
+bengels zullen zich zeker verstopt hebben."
+
+"Ik heb ze overal gezocht," zei Leni, nu wel een beetje gerustgesteld.
+
+Ze gingen zoeken boven. Maar toen niemand ze vond, maakte een
+vreeselijke angst zich van hen meester. Er was geen twijfel
+meer aan. Bob en Hans waren op het dak geklommen en naar beneden
+gevallen. Allen zagen lijkwit. Plotseling werd er hevig gebeld
+en stonden ze stijf van schrik. Ieder verwachtte nu te hooren,
+wat ze zoo zeer vreesden. Kee kwam naar boven hollen en vloog
+vader bijna omver, die juist naar beneden wilde. "Ze--ze--"
+stotterde ze,--"ze--zitten--dáár," en Kee wees met den vinger,--"dáár
+gunder--op het--dak.--De slagersjongen kwam--het mij--zeggen"--hijgde
+ze,--"och, die wurmen, die wurmen! Het--staat--daar vol menschen, de
+politie--is er ook, och hemeltje--och, och! Enne, die kan--niet bij
+ze--komen, omdat de menschen--die--daar wonen--uit--de stad zijn. Die
+stakkers! Wat ze--aan hebben, weet ik niet, maar--ze zien er heel
+gek--uit--zegt de slager."
+
+Allen holden naar beneden. Mevrouw Van Brakel kon van schrik bijna
+geen voet verzetten.
+
+Ja waarlijk, een huis of zes verder zaten boven op het dak, als twee
+parkietjes, Hans en Bobbie.
+
+Intusschen had de politie van de buren den sleutel gehaald en was
+een agent naar boven geklommen. Een algemeene kreet van blijdschap
+ging op uit de volksmenigte, toen ze den agent op het dak zagen. En
+een oorverdoovend hoera brak los, toen hij met Hans, en mijnheer
+Van Brakel, die den agent gevolgd was, met Bob weer uit het huis
+kwamen. Mevrouw Van Brakel schreide en lachte te gelijk en geen van
+hen wist van blijdschap wat te doen.
+
+"Kindertjes, kindertjes," zei mevrouw Van Brakel, toen men een beetje
+van den schrik bekomen was, "hoe kwamen jullie er toch toe?"
+
+"Heeft ze een vogeltje gepakt, tante?" vroeg Hans.
+
+"Een vogeltje gepakt? Wie wilde een vogeltje pakken?"
+
+"Julia," zei Bob, en toen vertelde hij alles. "lederen keer, als ik
+haar staart wilde grijpen, liep zij verder en op 't laatst zagen wij
+Julia nergens meer."
+
+"En waarom liepen jullie toen niet terug?" vroeg Nel.
+
+"Wij durfden ons niet omdraaien. Wij wisten ook heelemaal niet, hoe
+ver we geloopen waren." En op eens barstte Hans in een zenuwachtig
+schreien uit.
+
+"O, we waren toch zoo bang."
+
+"Jullie kleine, domme kereltjes," zei mijnheer Van Brakel
+troostend. "Wisten jullie nu nog niet, dat dwergjes op den grond
+hooren en niet op het dak?"
+
+"O, daar heb je de schuldige," zei Door, toen poes de kamer binnen
+kwam. "Poesje, poesje, je hebt wat op je geweten. Wat heb jij ons
+een onmogelijken angst bezorgd."
+
+"Ja, gelukkig, dat dit alles nu weer voorbij is," zei mevrouw Van
+Brakel.
+
+"Ter eere van den goeden afloop mag Fritsje een balletje aan onze
+dwergjes presenteeren en de andere kinderen mogen mee snoepen."
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+EEN DAGJE BUITEN.
+
+
+"Kinderen," zei mijnheer Van Brakel eenige dagen later, "nu heb ik
+een mooi plan. 't Is zulk prachtig weer, wat denken jullie er van,
+als we eens een groote wandeling gingen maken?"
+
+"Heerlijk, leuk!" klonk het van alle kanten.
+
+"Nu, over een uurtje verwacht ik, dat alles klaar zal zijn, hoor."
+
+"Meisjes, jullie moet mij dan maar flink helpen. Want er moeten heel
+wat boterhammen gesmeerd worden," zei moeder. "Dolf, jongen, maak jij
+de sportkar eens keurig schoon, want voor Fritsje moeten wij die wel
+meenemen en Bob en Hans zullen ook wel eens willen rijden."
+
+Ma en Door gingen de boterhammen smeren. Leni bracht papier aan, de
+tweelingen zorgden voor de touwtjes, Nel pakte alles in en Fritsje
+bracht ze naar de sportkar.
+
+"Hoe staat het er mee?" vroeg vader, op zijn horloge ziende. "Het
+wordt tijd."
+
+"We zijn klaar, vader," zei Nel.
+
+"Mooi zoo, dan maar opgemarcheerd, marsch."
+
+"Mag Foxje mee?"
+
+"Zeker."
+
+Toen Fox zijn naam hoorde noemen, was hij uitgelaten van
+blijdschap. Als een pijl uit den boog vloog hij vooruit, rende weer
+terug, sprong dan tegen dezen, dan tegen dien op en was zoo dol, dat
+het niet veel gescheeld had, of hij had Fritsje in zijn blijdschap
+omgegooid.
+
+"Koest, Fox, koest, we weten wel, dat je blij bent," zei Dolf,
+"maar als je zoo begint te rennen, hou je het nooit uit."
+
+"Wat is het toch heerlijk buiten," zei moeder.
+
+"Mij dunkt, we gaan de hei over en dan straks bij vrouw Pruim een
+glaasje melk drinken."
+
+"O, ja," zei Leni, "misschien heeft ze wel weer een ziek geitje,
+zooals den vorigen keer."
+
+Vader begon hartelijk te lachen.
+
+"Je wenscht vrouw Pruim ook niet veel goeds toe, kleine meid."
+
+Leni lachte verlegen. "Och ja, vader, maar u wéét ook niet, hoe goed
+vrouw Pruim haar ziek geitje oppaste."
+
+"Dan moeten wij eens gauw gaan kijken, maar als jelui mij vraagt,
+dan zie ik liever een gezond dan een ziek geitje."
+
+"Leni vindt zieke dieren altijd veel aardiger," zei Nel plagend,
+"omdat ze die dan flink verwennen en vertroetelen kan. Was ik nu
+maar een zieke kikvorsch of een half doode spreeuw," zei ze grappig
+wanhopig, "wat zou mijn zusje mij dan allerlei lekkere hapjes brengen."
+
+"Ja, ja, je bent me een stumperd," lachte Dolf, "en zoolang je
+nog zoo'n verbazende massa boterhammen verslindt, vrees ik, dat er
+vooreerst van jou geen sprake zal zijn."
+
+"En tot kikker zul je 't zeker wel nooit brengen," zei Door, "want
+in plaats van in het water te springen, bleef jij 't liefst aan den
+kant staan."
+
+"En jij niet tot spreeuw," plaagde Nel terug, "want aan vroeg opstaan
+heb jij een broertje dood."
+
+"Daar zal ik ook altijd voor oppassen, als ik al eens spreeuw mocht
+worden; want vogeltjes, die te vroeg zingen, zijn immers voor de poes?"
+
+"En nu stel ik voor," zei vader, "dat wij hier eens een poosje aan
+den kant van den weg gaan zitten. We hebben al een heele wandeling
+achter den rug en 't wordt warm vandaag."
+
+"Hè ja," vond Door, "eventjes uitblazen."
+
+"Hoe is 't met mijn kleine broekemannetje?"
+
+"Is het broertje ziek geweest en is dat broertje toen doodgegaan,
+Mammi?" vroeg Fritsje met een bedroefd stemmetje.
+
+"Welk broertje toch, kleine man?"
+
+Allen keken naar Fritsje, want 't was duidelijk, dat het schreien
+hem nader stond dan 't lachen.
+
+"O, ik begrijp het, ik begrijp het," gierde Door. "Hij heeft gehoord,
+dat Nel tegen mij zei, dat ik aan vroeg opstaan een broertje dood had."
+
+Ze schaterden het uit.
+
+"Jou kleine, kleine krullebol," zei Ma, en trok haar kereltje
+liefkoozend op den schoot.
+
+"Nel weet er niets van, hoor, er is geen broertje ziek geworden en
+ook geen dood gegaan. Dolf, kom eens hier met de sportkar, de bron
+van alle goeds, en laten we dan allen een eierkoek gaan eten op het
+heerlijke feit, dat Nel geen kikvorsch en Door geen spreeuw is, en
+op het broertje, dat niet ziek geworden is. Wat zit het hier toch
+heerlijk, 'k was werkelijk al een beetje moe," zei mevrouw Van Brakel.
+
+"Maar waar is Leni nu weer?" vervolgde ze. "Daar loopt ze warempel
+met Bob en Hans ons al een heel eind vooruit. Dolf, roep die drie
+voortvluchtigen eens terug. Ze moeten wat rusten, anders worden ze
+veel te moe."
+
+"O, daar komen ze al."
+
+"O, paatje, u weet niet, wat beeldige kapelletjes wij gezien
+hebben!" zei Leni. "Hansje had er bijna eentje gevangen."
+
+"Jaap zegt, dat kapelletjes tooveren kunnen," zei Bob.
+
+"Zoo, heeft Jaap dat verteld?"
+
+"Ja oom. 't Kapelletje zegt: hocus, pocus pas, 'k wou dat ik een
+rups was."
+
+"En wat zegt de rups?" lachte ma.
+
+"De rups? Hansje, zegt die ook wat?" vroeg Bob. Hans wist het niet.
+
+"Dan zegt die weer: hocus, pocus pas, 'k wou, dat ik weer een
+kappelletje was, en dan wordt het een kapel. Is dat niet wonderlijk?"
+
+"Dat zal ik Jaap vertellen," zei Bob.
+
+"Kijk Foxje eens," zei Dolf, "òf hij ook moe is. Pas maar op je tong,
+zoo meteen springt er een kikker op, net als op die van Pluto. Ik zou,
+als ik jou was, mijn rood lapje maar gauw naar binnen halen. Hier, dit
+is beter dan zoo'n springertje," en hij gaf Fox een stuk van zijn koek.
+
+"Ik weet een mooi spelletje," zei Leni, "zullen we bloemencorso
+spelen?"
+
+"Bloemencorso?"
+
+"Goed," zei Door en sprong op, "er zijn hier zulke beeldige bloemen."
+
+"Vader en moeder zijn 't publiek," stelde Dolf voor.
+
+"Ja," zei Nel, "u moogt niet kijken, wij zullen wel waarschuwen,
+als alles klaar is."
+
+"Dan zullen we ons maar in dezen greppel omdraaien; want om op zoo'n
+mooien dag met je oogen dicht te zitten, is wel wat veel gevergd."
+
+Door stelde voor de sportkar te versieren. Dolf sneed heide,
+terwijl de meisjes bloemen gingen plukken, 't Was niet zoo'n heel
+gemakkelijk werkje. Door en Nel geleken, toen alles klaar was, wel
+een paar pioenen.
+
+"Nu den optocht opstellen," zei Nel, terwijl zij nog bezig was aan
+een krans voor Leni.
+
+"Eerst de sportkar met Bob er in. Leni, jij moogt hem rijden. Wat
+zeg je wel van dit kransje?"
+
+"Door, laten wij van onze armen een stoeltje maken, dan kan Dolf Hansje
+Pansje daar opzetten. Hij zelf kan Fritsje op zijn schouders nemen. Nu
+eerst dat kleine heuveltje op," commandeerde Nel verder. "Ziezoo,
+Leni, sta even stil, nu zal ik het publiek verzoeken te kijken. Vader,
+moeder, het bloemencorso is gereed, u moogt kijken. Leni, vooruit nu."
+
+'t Was een aardig gezicht, dat vroolijk versierde troepje van den
+heuvel te zien komen.
+
+"Beeldig, beeldig," riep Ma.
+
+"Prachtig," vond vader ook.
+
+Foxje was nu eens heraut, dan vormde hij weer de achterhoede, en
+steeds wapperde zijn vlag. Toen de optocht tweemaal het publiek was
+gepasseerd, vonden allen, dat het lang genoeg geduurd had.
+
+"'t Is mooi geweest, 't is mooi geweest, 't is drommels mooi geweest,"
+begon vader te zingen en allen vielen mee in.
+
+"En nu stel ik voor," zei ma, "dat we bij vrouw Pruim ons glaasje
+melk gaan halen. Oef, wat is het warm!"
+
+"Ik weet den weg wel, vader," zei Leni.
+
+"Uitstekend, ga jij met Hansje maar vooruit."
+
+Dat vond Leni wàt gewichtig, en parmantig stapte ze voort.
+
+"St!" zei mijnheer Van Brakel even later, "ik hoor geritsel."
+
+"Een eekhoorntje," fluisterde Dolf.
+
+Ja waarlijk, daar zat op korten afstand een allerliefst eekhoorntje
+te smullen aan een paddenstoel. Hij liet de plant in zijn pootjes
+ronddraaien en knabbelde er zoo stukjes af. Zoo iets hadden de kinderen
+nog nooit gezien. Ademloos stonden ze te kijken, toen hoe jammer,
+Fox kwam aanrennen en binnen drie tellen zat het eekhoorntje boven
+in een boom angstig naar beneden te kijken, of hij ook vervolgd werd.
+
+"Fox, hier!" commandeerde mijnheer Van Brakel, die den angst van den
+eekhoorn zag.
+
+"Die stoute Fox," zei Bob boos. "Ik vind dat eekhoornhondje veel
+aardiger."
+
+"Zoo, vind jij dat eekhoornhondje veel aardiger dan onzen lieven
+Fox. Zullen we Fox dan in dien boom laten klimmen en het eekhoorntje
+meenemen?"
+
+Even bedacht Bob zich. "Blijft Fox dan vannacht hier in 't bosch en
+slaapt het eekhoornhondje dan in zijn nest?"
+
+"Ja zeker."
+
+"Och, laten we Foxje dan maar liever houden," zei hij. Maar nog eens
+even keek hij door de takken, waar toch wel het mooie "eekhoornhondje,"
+zooals hij het noemde, gebleven was.
+
+"Leni en Hansje zullen al wel bij vrouw Pruim zijn," zei pa na een
+half uurtje. "Wij hebben, geloof ik, een omweg gemaakt. Zij zullen
+wel ongeduldig worden en niet begrijpen, waar wij blijven."
+
+Maar toen allen bij vrouw Pruim kwamen, zagen ze Leni en Hansje
+nergens.
+
+"Leni zal in den stal zijn om haar zieke geit op te zoeken," zei vader
+lachend. "Ga haar en Hans maar eens vertellen, dat wij er al zijn,
+dan zal ik ondertusschen voor jullie een glas melk bestellen."
+
+"Ze zijn nergens," zei Nel, terugkomende.
+
+"Nergens? Nu nog mooier. Den eenen dag verdwalen de logé's op het
+dak en een paar dagen later verdwaalt Leni op de hei."
+
+"Ze konden toch al lang hier zijn," zei moeder.
+
+"Hoe is 't mogelijk, die Leni, die altijd zoo goed den weg weet."
+
+"Ze zal wel weer achter een vlinder of hagedis zijn gaan loopen,"
+zei Nel.
+
+"Ik wou toch, dat ze er maar vast waren," zei moeder. "Ik ben er niet
+zoo heel gerust op."
+
+"Ja," zei Dolf lachend, "als ze achter een hagedis aanloopt, moeder,
+dan zal u ze wel niet zoo gauw terugzien. Maar daar komen ze, daar
+komen ze. Ik zie ze heel in de verte."
+
+Ja, werkelijk, heel in de verte zag men twee kinderen langzaam
+naderkomen.
+
+"Waarom loopen ze toch niet vlugger, ze zien ons toch wel zitten. Als
+'t niet zoo "onmogelijk" warm was, liep ik ze te gemoet," zei Door.
+
+"Dat dient nergens toe, kindje. Ja, 't is verbazend warm. De lucht
+ziet er werkelijk uit, of we onweer zullen krijgen, 't Is te hopen,
+dat de bui nog maar wat uitblijft," zei mijnheer Van Brakel.
+
+"Ik zal maar vast de boterhammen ronddeelen, want er zullen wel leege
+magen zijn en die twee laatkomers zullen ook wel trek hebben."
+
+"Hier zijn de schuldigen," zei Nel, die Leni en Hans toch te gemoet
+geloopen was en nu met beiden voor mevrouw Van Brakel stond.
+
+"Maar kinderen, wat hebben jelui uitgevoerd!" riep mevrouw Van Brakel
+verschrikt, de natte kleeren van Hans ziende.
+
+Allen zetten groote oogen op.
+
+"Wat is er gebeurd?" riepen Dolf en Door.
+
+"Dit jongetje," zei Nel, op den snikkenden Hans wijzende, "was op eens
+heelemaal vergeten, dat hij een jongen was en dacht, dat de kikker
+daar ginds in den plas zijn broertje Bob was. En toen hij zag, dat
+zijn kikkerbroertje alle moeite deed om een mug te vangen, dacht hij:
+stumpertje, ik zal jou wel even helpen, en flap, daar lag hij voorover
+in den plas en toen begreep hij wel wat laat, dat hij geen kikker,
+maar Hansje Pansje was."
+
+"Klein, dom Hansje, dacht je, dat je een kikker geworden was," lachte
+mijnheer Van Brakel.
+
+Hans schudde heftig zijn hoofd.
+
+"Dacht jij, dat ik in een kikker omgetooverd was?" vroeg Bob lachend.
+
+Nog heviger ging Hansjes bolletje.
+
+"Hansje dacht," zei mevrouw Van Brakel, "dat een bad op zoo'n warmen
+dag wel frisch zou zijn, maar hij vergat zijn kleeren uit te trekken."
+
+"Ik kon het heusch niet helpen," zei Leni, half schreiende, "maar ik
+zag een klein vogeltje, dat o zoo akelig deed. Ieder oogenblik dacht
+ik, dat het dood neer zou vallen, en juist toen ik het wilde grijpen,
+vloog het, roef! naar boven in een boom. En toen ik omkeek, zag ik
+Hans in den plas liggen. Ik heb hem toen dadelijk aan zijn arm er
+uit getrokken."
+
+"Dat vogeltje was een kleine grappenmaker," zei vader. "Dat heeft jou
+leelijk gefopt, meisje; want het was zoo gezond als een visch. Maar zal
+ik je eens wat vertellen? Het was bang, dat jij zijn nestje zoudt zien,
+waarin zijn kindertjes zaten daar in de buurt, en toen dacht het: als
+dat meisje naar mij ziet en met mij meeloopt, kan ze mijn kleintjes
+niet vinden. En toen jij ver genoeg van zijn nest verwijderd was,
+vloog hij op en lachte je in zijn vuistje uit. Droog nu maar gauw je
+tranen, kleine meid. Zoo'n bad zal Hans geen kwaad gedaan hebben. Nel
+kan nu wel eens hooren, of vrouw Pruim ons misschien ook droge kleeren
+kan leenen van een van haar jongens. Gerrit of Piet zullen wel iets
+hebben, dat Hansje past."
+
+"Een jasje en een paar klompjes van onzen Dirk kan dat jongetje best
+aanhebben. Kom jij maar mee, hoor," zei vrouw Pruim tot Hans, "dan
+zal ik je die spulletjes gauw aantrekken." Maar Hans had hierin in
+'t geheel geen lust, tot eindelijk mevrouw Van Brakel meeging.
+
+Een hartelijk gelach weerklonk, toen Hans na een tien minuten als
+boertje met lange broek en klompen aan weer in den tuin verscheen.
+
+"O, "onmogelijk" leuk, onmogelijk," gilde Door. Hans kreeg nu ook
+pret in 't geval, stak zijn beide handen in de zakken, zoodat ze
+wijd uitstonden, draaide zich om en om en liet zich van alle kanten
+bekijken.
+
+"Nu, wat zegt ge nu?" lachte vrouw Pruim, "heb ik niet een aardig
+Pruimpje van je gemaakt?"
+
+"Och, zoo'n aardig Pruimpje," schaterde Dolf.
+
+"Maar nu zijn we geen tweelingen meer," riep Bob met een grappig
+ongelukkig gezicht. "Hoe moet dat nu, tante?"
+
+"Dat is niets, ventje," zei mevrouw Van Brakel, "vanavond zijn jullie
+weer tweelingen in je hanssopjes."
+
+Foxje was door al die luidruchtigheid ook heelemaal van streek en
+holde van den een naar den ander.
+
+Na een half uur werd de terugtocht ondernomen en toen Hansje moe
+werd van 't ongewone loopen op de klompjes, werd hij bij Frits in
+de sportkar gezet, 't Was nog een heele wandeling en bij de greppel
+gekomen, werd er halt gehouden. Door beweerde, dat ze "onmogelijk"
+verder kon en allen hadden behoefte eens heerlijk uit te rusten met
+die warmte. Dolf ging languit op de hei liggen en Fox hield trouw de
+wacht bij zijn vriendje.
+
+"Nu maar weer opgemarcheerd," zei mijnheer Van Brakel na een
+kwartiertje. "Ik ben anders bang, dat we niet voor de bui thuis
+zullen zijn!"
+
+'t Was duidelijk, dat Julia blij was, toen haar vrindjes en
+vriendinnetjes weer thuis waren. Ze deed niets dan langs de deurposten
+strijken en zacht miauwen en duwde haar aardig kopje dan tegen dezen,
+dan tegen dien aan.
+
+"Stil nu, stil nu," zei Door troostend. "Wat wil je toch, Julia? Wacht,
+ik geloof dat er nog een kaakje in den zak is overgebleven. Dat krijg
+je tot "welkom thuis" en morgen zullen we spelletjes doen; maar als
+je te veel naar de vogeltjes kijkt in plaats van op te letten dan
+neem ik mijn boek en ga in een hoek onder den treurboom lezen, hoor!"
+
+"Ziezoo, het klokje van gehoorzaamheid voor allen, groot en klein. Een,
+twee, drie naar bed. 't Is een vermoeiende dag geweest."
+
+"Ik kruip alléén onder 't laken," zei Leni.
+
+"En ik," riepen Dolf en Nel.
+
+"Och, moezekepoes, wat is 't warm!"
+
+"Door en Nel, jullie zorgt wel voor onze logé's, niet waar?"
+
+"Ja zeker, moeder; ik zeg dan: hocus, pocus pas, 'k wou, dat
+ons.boertje weer Hansje was, en dan ..." lachte Nel.
+
+"Trekt Hans gauw zijn hanssopje aan," zei Bob. "Dan zijn we weer
+tweelingen."
+
+"Nacht vader, nacht moeder!"
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+TWEE KNAPPE HUISHOUDSTERS.
+
+
+"Kinderen, moeder is vanmorgen met hoofdpijn in bed blijven liggen,"
+zei mijnheer Van Brakel eenige dagen later. "Jullie moet Kee nu
+maar een beetje helpen en vooral niet te veel leven maken, 't Is wel
+vacantie, maar..."
+
+"Dat treft juist heel goed," zei Door geruststellend. "Ik zal-wel
+voor de boterhammen zorgen en thee schenken. Nel kan dan--ja, Nel,
+wat zul jij doen?"
+
+"'k Zal het Kee eens vragen," zei Nel. "Deze boontjes moeten afgehaald
+worden, dat vind ik wel een leuk werkje. Leni kan mij wel wat helpen,"
+en vol ijver wilde Nel dadelijk al beginnen.
+
+"Och, Nel, help jij Fritsje even met zijn boterham. Laat die boontjes
+maar staan tot na 't ontbijt."
+
+"Zou ik ze dan nog wel klaar krijgen? Kee zei: ""asjeblieft een portie
+voor een kazerne."" Nu, dat kan nogal, dunkt me."
+
+"Zoo? Zei ze dat? Maar je moet mij nu toch even helpen. Het botermesje
+ben ik kwijt," en Door tilde alle bordjes op, keek onder het theeblad,
+op den stoel. "O, daar is 't gelukkig al. Waar zijn de tweelingen en
+Leni? Wil je even kijken?"
+
+"Fritsje een glaasje melk, Door," vleide de kleine jongen.
+
+"Ja, ja, kleine snoes, dadelijk, 'k heb 't zoo druk.
+
+Och, Nel! Nel! Nè-èl! Hè, waar is ze nu weer?" zei Door in zich
+zelf. "Waarom loopt ze nu juist weg? Ze kan toch wel begrijpen...."
+
+"Ze waren in den tuin," zei Nel, met de tweelingen terugkomende.
+
+"Wie waren in den tuin?"
+
+Nel proestte het uit. "Wie anders dan Bob en Hans. Je zei immers:
+ik zou ze zoeken."
+
+"Dat is waar ook; maar geef jij Frits even zijn kroes met melk, ik kom
+niet klaar. Wacht, even tellen: Vader, Dolf, Nel, Leni, de tweelingen,
+dat is--dat is zes. Hoeveel sneetjes zou ik snijden? Hoeveel eet jij?"
+
+"Ik heb trek," zei Nel.
+
+"Nu ja, daar heb ik niets aan. Hoeveel sneetjes eet je dan, àls je
+trek hebt?"
+
+"Twee."
+
+"En Dolf, denk je?"
+
+"Wel drie."
+
+"En vader?"
+
+"Ook wel zooveel."
+
+"Acht," telde Door. "En Leni?"
+
+"Ja, dat weet ik niet."
+
+"Leni, Leni!" riep Door, met in de eene hand het mes en de andere
+het brood.
+
+"Natuurlijk, Leni is weer bij het kippenhok. Hoeveel?" riep Door,
+'t brood in de hoogte houdende.
+
+"Vier," riep Leni terug.
+
+"Vier, hoe is 't mogelijk," zei Door, "dat is dus twaalf."
+
+"Och," zei Nel, "waarom vraag je dat toch alles; dat doet ma nooit."
+
+"Ma wéét, hoeveel ieder zoowat eet, maar ik niet. Zou jij ooit gedacht
+hebben, dat Leni vier sneetjes at?"
+
+"En dan zegt ze nog wel, dat ze in de vacantie nooit trek heeft,"
+lachte Nel.
+
+"Bob en Hans ieder eentje, dat is veertien," telde Door. "Nu Kee
+nog. Ik hoop maar niet, dat ze al te grooten honger heeft," zei ze
+met een kleur van inspanning, "want 't mes is zoo akelig stomp. Help
+jij vast smeren."
+
+"Kee!" riep ze, nu haar hoofd in de gang stekende. "Hoeveel?"
+
+"Hoeveel?" riep Kee verwonderd terug. "Gewoonlijk driehonderd, maar
+nu nog vijftig meer." Door proestte het uit.
+
+"O, neen, maar Nel, hoe vind je die Kee?" verder kwam Door niet.
+
+"Wat zegt Kee?" vroeg Nel, lachend om Door.
+
+"Toe, zeg het nu," zei Nel ongeduldig, omdat Door maar blééf lachen.
+
+"Verbeeld je, Kee zegt ""gewoonlijk--,"" weer proestte Door 't uit.
+
+"Hè toe, wees nu niet zoo flauw," zei Nel half boos, half lachend.
+
+"Kee zegt," zei Door nu, haar best doende zich verstaanbaar te maken:
+"gewoonlijk driehonderd en nu nog vijftig meer," wéér gierde Door. "O,
+nee, maar Nel, wat zou ze meenen? Gewoonlijk driehonderd en nu nog
+vijftig meer; zeker, omdat ik een stomp mes heb!"
+
+Nel, die juist Frits hielp, gutste door het lachen de helft van de
+melk over het kroesje. "Ik begrijp het," schaterde ze. "Ze bedoelt
+de slaboonen."
+
+"'t Is prachtig! Eenig! Stel je voor: driehonderd vijftig sneetjes
+met een stomp mes."
+
+"Hoeveel _boterhammen_?" riep Door gierend terug.
+
+"Wie kan dat nou ook denken," zei Kee goedig; "drie, maar als ik
+haast heb twee. En ik heb nu haast."
+
+"Dat is--hoeveel had ik ook weer?"
+
+"Veertien," hielp Nel.
+
+"Dat is dus zestien en ik zelf. Ja, 'k hèb honger, maar ook haast,
+net als Kee, dus ook maar twee. Kom, nu zal ik de rest smeren. Wat is
+zoo'n huishouding toch "onmogelijk" druk," zei ze, Fritsjes boterham
+in smalle reepjes snijdende. "Je komt gewoon niet klaar."
+
+"Ziezoo, daar ben ik weer," zei mijnheer Van Brakel. "Ik zie wel,
+dat je goed voor allen gezorgd hebt."
+
+"Leni, kom nu toch, we zijn allen klaar," riep Nel; "je boterhammen
+zijn gesmeerd."
+
+"Ja, ik kom dadelijk, ik moet even de eieren naar de keuken
+brengen. Zijn al die boterhammen voor mij?" vroeg ze, verbaasd naar
+haar bordje kijkende.
+
+"Ja, natuurlijk," zei Door. "Ik heb je immers gevraagd, hoeveel je
+hebben wou? Je eet nu maar op, wat op je bordje ligt."
+
+"Maar ik _heb_ niet gezegd, dat ik er vier wou hebben," zei Leni,
+wanhopig naar den berg boterhammen kijkende. "Zoo veel eet ik nooit."
+
+"Wat is er toch, kinderen?" vroeg mijnheer Van Brakel.
+
+"Och, vader, ik was aan het brood snijden, en omdat ik niet graag meer
+wilde snijden dan noodig was, vroeg ik Leni, die natuurlijk weer bij
+de kippen was: "hoeveel?"
+
+"En toen?"
+
+"Toen riep ze van vier, dus...."
+
+"En vier kon _on_mogelijk iets anders zijn in Doors oogen dan sneetjes
+brood; zoo'n huishoudstertje," lachte vader.
+
+"Nu begrijp ik het," zei Door, "vier kon bij Leni _on_mogelijk iets
+anders zijn dan eieren."
+
+"Of kippen," zei Nel.
+
+"Dus kippeneieren," lachte Dolf. "Wat wil jij, Julia, kleine
+vleister! Bob, zij wil, geloof ik, dolgraag een stukje van jouw
+boterham hebben."
+
+"Nu zou ik toch eigenlijk wel graag een kopje thee willen hebben,"
+zei vader.
+
+"O wee, ik vergeet heelemaal in te schenken. Ma heeft misschien ook
+wel trek in een kopje. Leni, wil jij eens even vragen?"
+
+"Wat is dat?" riep Door verschrikt uit. "Er komt water uit de tuit,
+alléén water. En ik weet toch zeker, dat ik thee in den pot heb
+gedaan."
+
+"Misschien gebeurt zoo iets in de vacantie wel meer," zei vader.
+
+"O, neen, paatje," zei Door, die wel begreep dat mijnheer Van Brakel
+haar plaagde, "'t Is toch heusch waar. Ik heb het theebusje in de
+hand gehad, ik weet het zeker."
+
+"Ja, je hebt met thee zetten gedaan als met de vraag aan Leni over
+de boterhammen. Je vroeg hoeveel, en het voornaamste vergat je."
+
+"Ja, maar het theebusje," begon Door verdrietig, "waar is dat dan
+toch gebleven. Ik zie het hier niet staan en toch...."
+
+"Ik heb het, ik heb het!"
+
+"Waar?" vroeg Door.
+
+"Hier, onder het deksel van het botervlootje," zei Nel.
+
+"Ik ben blij voor jou, dat het busje er weer is. Ik zal nu voor dezen
+morgen maar een glas melk nemen; want het wordt mijn tijd."
+
+"Nu, paatje," zei Door, die het heel onpleizierig vond, dat haar
+theeschenken zoo treurig afliep, "dan schenk ik u vanmiddag een extra
+lekker kopje."
+
+"Water of thee?" lachte vader.
+
+"Wat is u toch een plaaggeest!"
+
+"Ik op 't lage stoeltje!" riep Nel een kwartier later en rende naar
+het priëel zoo vlug ze kon, met de teil met prinsessenboonen voor
+zich uit. "Jullie moet mij allen helpen. Dolf, haal jij even een
+paar couranten voor de draden en een grooten bak voor de afgehaalde
+boonen. Leni kan die boonen mooi doormidden breken. De tweelingen en
+Fritsje kunnen met hun drietjes in den tuin spelen, wij hebben daarvoor
+nu geen tijd. Er kan hun geen ongeluk overkomen. Fox, hier oude jongen,
+breng dit boek eens naar binnen, dat heeft zeker iemand hier gisteren
+weer laten liggen, je weet wel, wie ik bedoel. Fox sprong en blafte,
+dat Bob de vingers in zijn ooren stak. "Fox, apporte, bedaar nu,
+apporte," gebood Nel en toen nam de dartele, vroolijke Fox heel gedwee
+het boek in zijn bek en ging er mee naar binnen.
+
+"Allo, marsch," riep Kee en toen stoof Fox de trap op naar Doors kamer.
+
+Bob, Hans en Frits hadden het al even druk met hun drietjes als de
+kleine huishoudsters.
+
+"Dat is Asschepoes," legde Hans aan Bob en Frits uit, terwijl hij
+bij het kippenhok stond, "en dat Snoetie. Kijk die kuikentjes toch
+eens. Ik wou wel zoo'n kuikentje in de hand hebben."
+
+"Ik ook wel," zei Bob. "Misschien zouden ze 't wel prettig vinden,
+als ze ook eens door den tuin mochten wandelen," opperde hij.
+
+"Ja," zei Hans, "en die arme Asschepoes zeker ook. 't Is toch ook
+niet prettig, altijd in zoo'n hok te zitten."
+
+"Mag Frits ook een kuikentje hebben, zoo'n lief kuikentje?" en hij
+trappelde al van ongeduld.
+
+"Is er ook een deurtje om in 't hok te komen?" onderzocht Hans.
+
+"Hier is een deurtje," zei Frits, die Leni dit dikwijls had zien
+openen.
+
+"Wat een kleintje," lachte Bob.
+
+"Ja, dit is eigenlijk 't kippenhuis. Laten we spelen, dat wij kip
+zijn," stelde Bob voor, "en Frits een kuikentje."
+
+"Neen," zei Hans, "ik ben Slokop en jij Asschepoes en dan vecht ik
+met jou."
+
+"Fritsje vindt het toch niet zoo heel prettig in dit huisje," zei
+Frits, angstig naar den haan kijkende.
+
+"Dat hoort ook zoo," zei Bob. "Kuikentjes vinden 't ook niet prettig
+in een hok. Kijk eens, daar loopen warempel al twee op 't gras. Kijk
+Asschepoes eens en de haan. En Snoetie en Toetie!"
+
+Voorzichtig stapte hij 't hok binnen, wel een klein beetje bang,
+toen eenige kippen begonnen te fladderen. Maar dat wilde hij voor
+Hans en Fritsje niet weten en liep daarom moedig verder.
+
+"Ze vinden het, geloof ik, niet goed, dat wij in hun huis komen,"
+en eigenlijk had Hans wel grooten trek om dadelijk weer terug te
+keeren, maar toen hij Bob zoo dapper voort zag stappen, wilde hij
+niet minder zijn.
+
+"Nu is er geen meer in 't hok! Hoe leuk," riep Hans, "nu doen we
+het deurtje dicht!" Maar juist had Hansje dit gezegd, toen er een
+doordringende gil van Leni te gelijk met een nog doordringender van
+Door weerklonk; want de kippen, krielkipjes en kuikentjes genoten zoo
+buitengewoon van hun vrijheid, dat ze uit puur pleizier steeds verder
+waren getrippeld tot aan 't priëel, waarin allen zoo ijverig bezig
+waren, dat ze Bob en Hans geheel hadden vergeten. Tot op eens Toetie
+met haar kleine kraaloogjes om 't hoekje kwam kijken en de haan zijn
+blijdschap over de heerlijke vrijheid niet beter wist uit te drukken,
+dan door een krachtig kukeleku vlak bij Leni's oor te laten hooren.
+
+"De haan! de kippen! de kuikens!" klonk het van alle kanten. Door viel
+bijna over den bak met slaboonen. "Wie is bij 't kippenhok geweest?"
+
+Leni sprong op en Nel zat als versteend.
+
+Fox, die rustig had liggen slapen, was op eens klaar wakker en pas
+zag hij de niets vermoedende kuikentjes, of hij wilde er op af,
+als Dolf hem niet met geweld bij den halsband vastgehouden en in
+huis gezet had. Nu werd het een jagen van alle kanten. Tot driemaal
+toe vloog Asschepoes angstig kakelend over het bed met viooltjes en
+de kleine kuikentjes trippelen nù voor, dàn achteruit, in 't geheel
+niet begrijpend, wat er van hen verlangd werd.
+
+"Niet zoo wild, niet zoo wild," riep Door, "dan kunnen we ze onmogelijk
+krijgen. O wee, daar heb je Julia. Nel, jaag haar weg." Julia was
+blijkbaar over dezen daad van Nel zóó diep beleedigd, dat ze, zonder
+Nel ook maar met één blik te verwaardigen, rechtsomkeert maakte om
+boven op de schutting haar toilet, waarmee ze te voren zoo ernstig
+bezig was geweest, te voltooien.
+
+"Ssst, voorzichtig, daar zit een krielkipje onder die struik. Dolf,
+ga jij hier staan, dan jagen we het er voorzichtig onder uit."
+
+"Och, kijk toch die kuikentjes, ze vallen bijna over hun eigen
+pootjes," zei Leni.
+
+Op eens schaterde Dolf het uit. "O neen maar, kijk toch eens, kijk
+eens. Bob, Hans en Fritsje in het kippenhok!"
+
+Allen waren, al jagende, nu ook het kippenhok genaderd en
+niettegenstaande de groote verwarring door de "kippenoverstrooming",
+zooals Dolf zei, ging er toch een uitbundig gelach op, toen ze de
+drie kereltjes in het kippenhok zagen met hun neusjes stijf tegen
+'t gaas gedrukt, vol belangstelling voor de kippenjacht.
+
+"Nu nog mooier," zei Nel. "Willen jullie wel eens één, twee, drie,
+uit het hok komen? Zoolang jullie nog Bob en Hans bent, hooren jullie
+niet in een kippenhok."
+
+"We dachten, dat de kippen het heel prettig zouden vinden in den tuin,"
+zei Bob.
+
+"Misschien vinden ze dat ook wel, maar kuikentjes en kippen zijn nog
+maar domme dieren en weten niet, dat ze niet aan de bloemen mogen
+pikken; daarom vinden wij het in het geheel niet prettig, dat ze in
+den tuin zijn. Ze zouden onzen mooien tuin heel gauw leelijk maken
+en dat willen jullie toch zeker ook niet. Ziezoo, blijf hier nu maar
+even stil staan, dan zullen wij ze voorzichtig in het hok jagen."
+
+Bob en Hans stonden wel wat bedrukt te kijken.
+
+"Fritsje vond het niets prettig om kuikentje te spelen," zei Frits,
+blij, dat hij uit het hok was.
+
+"Neen, ventje, dat is ook niet prettig, tenminste voor jongens niet."
+
+Eindelijk waren alle kippen weer in 't hok. Zelfs de haan, hoewel de
+laatste van de geheele familie stapte deftig de voordeur van zijn
+huis binnen en begon dadelijk te pikken van enkele graankorrels,
+die op den grond lagen, met een gezicht en een deftigheid, alsof hij
+niet even te voren zoo ondeugend zijn huis ontvlucht was.
+
+"Goeden middag!" hoorden de kinderen zeggen.
+
+"O, moesje, is u weer beter?"
+
+"Wie zou nu lang in bed kunnen blijven met zulk prachtig weer,"
+lachte mevrouw Van Brakel.
+
+"O, moes, 't is eigenlijk jammer, dat u nu pas komt. Als u even eerder
+gekomen was...."
+
+"'k Heb alles van het balcon gezien," zei moeder, "en ik geloof,
+dat ik het restje hoofdpijn weggelachen heb."
+
+"'t Was eigenlijk "onmogelijk" leuk," zei Door.
+
+"De slaboonen zijn klaar, maatje."
+
+"Jullie bent maar een paar knappe huishoudsters. En daar ben ik wat
+trotsch op, hoor!"
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+EEN AVONTUUR.
+
+
+"Hier heb ik de kleeren, die we voor Hans geleend hebben; die konden
+jullie zoo meteen wel eens naar vrouw Pruim terugbrengen, 't Is er
+juist zoo'n heerlijke dag voor," zei mevrouw Van Brakel. "Fritsje
+blijft bij mij thuis, dan behoeft de sportkar niet mee, want Hans zal
+nu toch voor de tweede maal wel niet in een plas vallen en naar huis
+gereden moeten worden," lachte ze. "Kijk eens, Nel, koop hiervoor
+wat chocolade voor de drie jongens van vrouw Pruim en hiervoor mag
+je voor jullie zelf eene traktatie koopen, omdat het vacantie is."
+
+"Dat treft goed," riep Door opspringende, terwijl ze het boek, waarin
+ze zat te lezen, neergooide, "ik dacht juist: wat zal ik nu eens doen
+en daar komt u met zoo'n heerlijk plannetje."
+
+"Weet jullie wat," zei Nel, "ik ga vast vooruit met Hans en Bob om
+iets te koopen, jullie komt ons dan wel na."
+
+"Wat gaan we koopen?" vroeg Hans.
+
+"Ja, dat weet ik niet, dat mogen jullie nu eens bedenken," zei Nel,
+die het wat gewichtig vond, dat haar de inkoopen waren opgedragen. "We
+moeten iets hebben voor Dirk, Piet en Gerrit."
+
+"Ik weet wel iets: een chocolade-sigaar," zei Hans.
+
+"Een chocolade-tol is veel mooier," vond Bob.
+
+"Dat vind ik allebei heel aardige dingen; als ik nu maar wist, wat
+de jongens 't mooist vinden. Ziezoo, hier moet we zijn," zei Nel en
+stapte met de beide jongens een winkel binnen.
+
+
+ Voeten vegen, wat verdriet,
+ Zien jelui die mat daar niet?
+
+
+werd er op eens geroepen. Nel kreeg een kleur als vuur, gluurde overal
+rond, maar zag niemand. Bob en Hans wisten ook niet, wat ze er van
+denken moesten, maar alle drie deden gewillig wat hun bevolen werd.
+
+
+ Doe de deur toch dadelijk toe,
+ Hoor, hoe 'k hoest, aehoe! aehoe!
+
+
+"De deur is dicht," zei Nel, niets op haar gemak. Maar tegenover Hans
+en Bob wilde zij zich groot houden.
+
+"Wie zou dat toch zeggen?" fluisterde Hans. "Ik zie niemand." En
+hij ging op zijn teenen staan om zoo ver mogelijk om zich heen te
+kunnen kijken.
+
+
+ Houd op, houd op, ik lach mij ziek,
+ 'k Heb in mijn poot zoo'n rheumathiek
+
+
+werd er toen geroepen en daarop klonk een schaterend lachen, zóó
+vroolijk, dat Nel, Hans en Bob het mee uitproestten. Toen ging op
+eens achter de toonbank een deur open en een dame met een vriendelijke
+stem zei: "Neem me niet kwalijk, jongejuffrouw, dat ik u zoo lang liet
+wachten, maar ik werd juist even opgehouden. Waarmee kan ik u dienen?"
+
+"Ik, ik".... Nel schaterde het weer uit. "Hebt u--ook."--Weer een
+lachbui. "O, juffrouw, neen, ik kan 't niet zeggen."
+
+Bob en Hansje keken dàn naar Nel, dàn naar de juffrouw en deden ook
+niets dan lachen.
+
+"Ik begrijp niet"--zei de juffrouw, nu ook lachende, "werkelijk
+niet"....
+
+"Ik wou graag," begon Nel, die alle moeite deed zich goed te houden,
+"ik wou graag"....
+
+"Ha, ha, nu begrijp ik, wat er gebeurd is," zei de juffrouw. "Toddy,
+de raaf, is zeker aan 't woord geweest."
+
+"Was het geen mensch, was het een raaf?" vroeg Nel hoogst
+verwonderd. "Hoe is 't mogelijk? Och toe, mogen wij hem eens zien?"
+
+"Kom dan maar mee," was het lachend antwoord.
+
+"Kijk, hier is hij."
+
+Nel en de tweelingen raakten niet uitgekeken.
+
+"Kan hij nog meer praten?" vroeg Nel opgetogen.
+
+"O zeker," zei de juffrouw, "maar hij wil niet altijd. O, 't is
+zoo'n deugniet."
+
+"Niet waar, niet waar!" riep de vogel terug.
+
+"Jammer, dat de anderen hier niet zijn," zei Nel; "mag ik eens
+even kijken, of ze komen, juffrouw? Leni zou de raaf zoo dolgraag
+eens zien."
+
+"Zeker hoor, als je denkt, dat ze het aardig vinden."
+
+Nel stoof den winkel uit en kwam niet lang daarna met Door, Leni en
+Dolf terug. Nel had onderweg het geheele verhaal al gedaan.
+
+"Klontje," zei Toddy en klopte met zijn snavel tegen de kooi.
+
+"Dat kun je begrijpen," zei de juffrouw lachend.
+
+"Och toe, juffrouw, mogen we hem iets geven?" vroeg Leni.
+
+"Dan moet hij er eerst om bedelen." Toen Toddy 't woord "bedelen"
+hoorde, begon hij uit alle macht tegen de tralies te tikken, nam
+een smeekende houding aan, door zijn kop schuin te houden, en riep:
+"Och toe, och toe," wat zóó grappig klonk, dat allen het uitgierden.
+
+"Nu mag jullie hem een stukje borstplaat geven," zei de juffrouw.
+
+Hans durfde niet en Bob was wel bang, dat de raaf hem in de hand zou
+pikken, maar toch gaf hij het hem.
+
+"Zit hij altijd in die kooi?" vroeg Hans.
+
+"Wel neen, hij komt er dikwijls uit."
+
+"Nu moeten we gaan," zei Door eindelijk.
+
+Leni had grooten lust te blijven.
+
+"Ik zou warempel mijn boodschappen nog vergeten," zei Nel. "Hebt u
+ook chocolade-tollen, juffrouw?"
+
+"Kijk eens, hoe vind je deze?" vroeg de juffrouw, terwijl ze er één
+van chocolade en één van suiker liet zien.
+
+"Beeldig, geeft u beide maar en dan nog een chocolade-sigaar." En
+toen Nel ook een zakje met lekkers gekocht had, ging het geheele
+gezelschap weer op stap, nadat de juffrouw hen uitgenooodigd had eens
+spoedig terug te komen. "Toddy vindt het heerlijk, visite te krijgen
+en ikzelf ook."
+
+"Zullen we heengaan over de hei en terug over 't land Van der
+Pol?" stelde Door voor.
+
+Dat was best.
+
+"Daar zie ik het huis al," zei Leni na een poosje; "nog vijf
+minuten--en we zijn er."
+
+"Wel, komen jullie daar allen aangestapt? Dat is aardig," zei vrouw
+Pruim. "Kom maar binnen, kom maar binnen."
+
+"Neen, vrouw Pruim, wij willen hier buiten liever een beetje
+uitrusten. We komen je 't pakje van Dirk terugbrengen en moeder
+bedankt je vriendelijk."
+
+"Ja ja, 't is goed, 't is goed," zei vrouw Pruim.
+
+"Waar zijn Dirk, Piet en Gerrit? We hebben wat voor hen meegebracht,"
+zei Nel.
+
+"Dat had je toch niet moeten doen. Daar komen ze juist aan," zei
+vrouw Pruim en wenkte hen uit alle macht.
+
+"Kijk eens," riep Nel en hield drie pakjes in de hoogte, "in ieder
+pakje zit iets lekkers voor jullie, dat lijkt je zeker goed toe."
+
+De jongens bleven verlegen staan.
+
+"Gerrit, raad eens, wat ik hier heb?" zei Nel, een pakje in de hoogte
+houdende.
+
+"'k Weet niet," zei Gerrit verlegen.
+
+"Je moet raden," zei vrouw Pruim, lachend.
+
+Gerrit haalde de schouders op, durfde niets zeggen.
+
+"Ik zal je een handje helpen," zei Dolf.
+
+
+ "Ik sta met één poot op den grond
+ En draai daar vroolijk op in 't rond.
+ Hoe meer men mij sla,
+ Hoe vlugger ik ga."
+
+
+"Wat "onmogelijk" leuk," riep Door. "Dolf, hoe heb je dat zoo goed
+bedacht?"
+
+"Stil, laat Gerrit raden."
+
+"Ik, ik weet het niet," zei Gerrit.
+
+"Een tol," raadde Piet met een hoogroode kleur.
+
+"Bravo!" riep Nel, "die is voor jou, je hebt hem eerlijk verdiend. En
+nu heb ik hier nog iets. Dirk en Gerrit, nu ben jullie aan de
+beurt. Toe, Dolf, jij bent in het raadseltjes opgeven zoo knap. Bedenk
+nog eens wat."
+
+"Als jullie een oogenblikje geduld hebt," zei Dolf; "want opeens
+zoo'n versje te maken, is zoo gemakkelijk niet. Wacht, ik weet al iets:
+
+
+ "Ik ben bruin en rond,
+ 'k Hoor in den mond.
+ Maar blijf ik daar een langen tijd,
+ 't Is zeker, dat ik steeds meer slijt,
+ 'k Ben bruin en rond en dik,
+ Nu raad eens, wie ben ik?"
+
+
+"Leuk, leuk!" juichte Door weer. "Nu, Gerrit, bedenk jullie je goed."
+
+"Een sigaar," zei Gerrit na een poosje.
+
+"Knap geraden, als je blieft. Je weet nu," zei Nel lachend, "'k hoor
+in den mond, maar blijf ik daar een langen tijd, 't is zeker, dat ik
+steeds meer slijt."
+
+"En nu nog voor onzen Dirk, die zullen we maar niet laten raden,
+want dat heeft Piet al voor hem gedaan. Voor Dirk ook een tol."
+
+'t Was aardig, de gelukkige gezichten te zien.
+
+"En als jullie nu niet te moe meer bent, moet je toch eens even
+in de schuur komen kijken, daar is iets aardigs te zien," zei
+vrouw Pruim. Dat werd aan geen doovemansooren gezegd. Leni holde
+vooruit. "Nu héél stil zijn," vermaande vrouw Pruim, "wacht, ik zal
+maar eerst gaan. Kijk eens," zei ze, toen ze eerst een paar kippen,
+die daar liepen, had weggejaagd, en wees naar een groote ronde mand,
+waarin Mollie, de poes, lag met vijf aardige, gele kuikentjes, die
+gedeeltelijk van onder haar zachte vacht zichtbaar waren.
+
+"Wat is dat? Mollie met...!" Leni kon geen woorden vinden om hare
+verwondering uit te drukken. Door en de anderen waren ook verstomd
+over hetgeen zij zagen.
+
+"Maar--maar doet Mollie ze geen kwaad?" vroeg Nel angstig.
+
+"Wij vonden de kloek op een morgen dood in den tuin liggen," zei
+vrouw Pruim, "en Mol lag op 't grasveld in de zon te slapen; toen
+zijn de kuikentjes onder haar gekropen; ze keek eerst wel vreemd,
+maar liet ze toch begaan. 't Was, of ze voelde, dat ze bij haar
+bescherming zochten en sedert dien tijd koestert zij ze zooveel
+mogelijk. Is het niet aardig? Stil maar Mol," zei ze tegen de poes,
+die naar het scheen onrustig werd, omdat allen om haar heen stonden,
+"blijf maar kalm liggen, we gaan dadelijk weg."
+
+"Wat vind ik dat toch een lieve poes," zei Hans. "O, Bobbie, als Jaap
+hier eens was."
+
+"Neen, zoo iets heb ik nog nooit gezien," fluisterde Door.
+
+"'t Is snoezig," zei Leni verrukt, "snoezig."
+
+"'k Zie Julia al zoo met onze kuikentjes," zei Nel.
+
+"Mollie was ook zoo'n trouwe moeder voor haar eigen poesjes. Weet
+je nog wel," zei Door, "hoe ze de kleine zwarte likte, die door Trim
+gebeten was?"
+
+"Kom, kinderen," zei vrouw Pruim, "je moet nu allen maar in den tuin
+gaan, ik ben anders bang, dat Mollie van de kuikentjes wegloopt."
+
+"'t Wordt ook onze tijd," zei Door, "je zoudt er anders wel zoo'n
+heelen dag naar kunnen blijven kijken."
+
+"Zoo lief moest Julia zijn," vond Dolf.
+
+"Zeg niets van Julia," zei Leni, "al koestert ze geen kuikentjes,
+'t is toch een lieve poes."
+
+"Dat vind ik ook," zei Door.
+
+Na vrouw Pruim en de jongens goeden dag gezegd te hebben, vertrok
+het vroolijke troepje.
+
+Een kwartier later hield Nel den zak met lekkers in de hoogte en riep:
+"Eerst een hartversterking."
+
+"Ja heerlijk, presenteer maar weer eens," zei Dolf.
+
+"Neen, neen, zoo gemakkelijk gaat het niet, jullie moet maar zien,
+dat je iets krijgt," zei ze lachend. Door vloog op Nel af, maar toen
+Nel dit zag, rende ze vooruit en allen achter haar aan.
+
+"Jongens, houdt Nel vast!" riep Dolf.
+
+"Dat kun je begrijpen, zoo gauw laat ik mij niet vangen," hijgde
+Nel. Tot tweemaal toe ontglipte ze Dolf, die haar bij de mouw trachtte
+te grijpen, maar eindelijk moest ze 't wel opgeven en plofte in
+'t gras neer. "Ik kan niet meer, ik kan niet meer," zei ze. "Jullie
+hebt je stukje eerlijk verdiend, kies maar uit."
+
+"Er zit wat in mijn schoen," zei Hans met een ongelukkig gezicht.
+
+"Er zit ook wat in mijn schoen," zei Leni.
+
+"Nu nog mooier!" riep Dolf.
+
+"Ja heusch," zei ze.
+
+"Trek hem dan eens uit," zei Door.
+
+"Neen, want dan is 't er niet meer in," lachte Leni.
+
+"Ze bedoelt haar voet! 'k Wist niet, dat mijn zusje zoo grappig was,"
+zei Nel, haar een kus gevende. "Maar Hans heeft er zeker nog meer in
+zitten dan een voet, die kijkt zoo ongelukkig; kom ventje, trek je
+schoen dan maar gauw uit. Met een hinkelepinkje kunnen we onmogelijk
+de wandeling naar huis ondernemen. Daar hebben we 't al," zei ze,
+een klein steentje weggooiende, "nu maar gauw voortgemaakt." "Toe,
+Nel, presenteer nog eens," zei Leni na een poos, "we hebben al zoo'n
+eind geloopen, we kunnen dan meteen eens zitten."
+
+"Mij goed, kinderen, kom maar hier, "moeder" zal voor jullie allen
+iets heerlijks uitzoeken," zei Nel lachend.
+
+"Dat kan je begrijpen," zei Dolf, "neen hoor, ieder mag zelf kiezen."
+
+"Natuurlijk, natuurlijk," viel Door bij.
+
+"Dan zal ik van mijn zak een hoorn des overvloeds maken," zei Nel en
+schudde het lekkers zoo ver mogelijk naar voren, terwijl ze haar hand
+er als een presenteerblaadje onder hield. "Eerst mogen onze gasten
+kiezen. Die nemen natuurlijk beiden hetzelfde. Tweelingen kunnen
+"onmogelijk" anders."
+
+"Neen," zei Bob, "dat hoeft toch niet. Hans vindt chocoladeboontjes
+met likeur het lekkerst en ik met fondant. We zijn alleen van buiten
+tweelingen."
+
+"Kies jij maar gerust, hoor," zei Nel. "Door weet er niets van. Zij
+zegt altijd zulke "onmogelijk" gekke dingen."
+
+"Nu maar weer voorwaarts marsch," commandeerde Dolf, nadat er een
+tijdje gerust was. "Anders komen we veel te laat thuis."
+
+"Daar is het land al, dat we over moeten."
+
+"Doen die koeien niets?" vroeg Hans, niet erg op zijn gemak bij
+'t vooruitzicht, die te moeten voorbij gaan.
+
+"We zijn al zoo dikwijls hier langs gekomen. Kijk, dat smalle paadje
+gaan we over; als kippetjes loopen we dan achter elkaar aan. Dolf,
+jij moet de haan maar zijn en ons voorgaan."
+
+"Wat een grappig wegje is dit," zei Bob, toen allen op het smalle
+landpaadje liepen.
+
+Een paar koeien keken even met droomerige oogen op, toen ze de kinderen
+zagen, maar graasden toen dadelijk rustig door.
+
+"Fox, hier blijven," beval Dolf, toen de hond vooruit wilde hollen.
+
+"Ik was toch liever niet door 't land gegaan, nu we Fox bij ons
+hebben," fluisterde Door Nel een poosje later in 't oor, "maar zeg
+hiervan niets aan de kleintjes."
+
+Juist had Door dit gezegd of een zwart gevlekte koe, die nog even
+te voren rustig had staan kauwen, deed een paar passen in hun
+richting. Nel stiet een klein gilletje uit. Fox, die zeker voelde,
+dat er iets niet in den haak was, begon te blaffen. Eerst bleef de
+koe staan, alsof zij verbaasd was over het geluid, dat zoo'n klein
+beestje maakte. Maar toen begon zij al vlugger te loopen, naar Fox toe.
+
+"Zij komt op ons af!" gilde Door. "Fox, hier, hier!" En meteen nam ze
+Hans bij de hand en zette het op een loopen. Nel met Bob er achteraan!
+Dolf en Leni, die al een eind vooruit waren, keken bij het hooren
+van het gegil achterom en renden angstig voort.
+
+"O, o!" jammerde Door en wanhopig sleurde ze Hans mee. "Hoe
+vreeselijk!"
+
+"Als we maar eerst bij het hek waren," hijgde Nel. "Ik-ik kan
+bijna--niet meer." Maar voort holde ze, den schreienden Bob
+meetrekkende. Steeds dichter en dichter naderde de koe. Nel hoorde
+het dier vlak achter zich. Ze bestierf het bijna van angst. Op
+eens struikelde ze en sloeg voorover, terwijl ze Bob in haar vaart
+meetrok. Op datzelfde oogenblik hoorde ze roepen: "Hector, pak aan!" En
+even daarna stond een oud, krom boertje over haar heen gebogen.
+
+"Wel, wel, ben je zoo geschrokken?" hoorde ze hem vriendelijk zeggen
+en meteen werd ze voorzichtig opgelicht. "Kom maar mee, hoor, en dat
+kleine ventje ook," zeide hij, den hevig schreeuwenden Bob bij de hand
+nemend. "Hector heeft die leelijke koe, die jullie zoo verschrikt
+gemaakt heeft, bij het touw: Je behoeft niet meer bang te zijn, dat
+ze je zal stooten. Kom maar gauw mee naar mijn huis. Je drinkt een
+frisch glas water en je bent weer heelemaal beter."
+
+"Heb jullie je pijn gedaan?" vroeg Door bezorgd, die met de anderen
+om Nel heen stond.
+
+"Mijn voet doet zoo'n pijn," zei Nel nog schreiend, gedeeltelijk van
+den schrik en gedeeltelijk van de pijn.
+
+"Als je hem maar niet verstuikt hebt," zei Door. "En Bob, waar heb
+jij je bezeerd?"
+
+"Mijn knie," zei Bob, "o, mijn knie doet zoo'n pijn."
+
+"Wel lieve tijd, zijn heele knie geschaafd," zei Door. "Stumperd. Hoe
+komen we met twee zulke invaliden thuis!"
+
+"Moet je nog ver?" vroeg het boertje.
+
+"Nog een half uurtje," zei Dolf.
+
+"Zoo, zoo, dat is geen kleinigheid, dat is geen kleinigheid," herhaalde
+hij hoofdschuddend. "Wil ik je eens wat zeggen? We zullen eerst een
+glas water gaan drinken voor den schrik en dan span ik mijn Bruin voor
+den wagen en breng jullie allen thuis. Nu, wat zeg je daarvan? 't Is
+wel geen statiekoets, maar je behoeft dan toch niet te loopen."
+
+"Dat vind ik "onmogelijk" aardig," zei Door.
+
+Mijnheer en mevrouw Van Brakel wisten niet, wat ze zagen, toen daar
+het heele vroolijke troepje op een hooiwagen den weg afkwam. Dolf en
+Leni wuifden al uit de verte met hun zakdoeken. In kleuren en geuren
+werd het geheele geval aan vader en moeder verteld. Natuurlijk moest
+het oude boertje binnen komen en een glaasje bier drinken. En nadat
+Leni hem vol trots haar kippenfamilie had getoond, ging hij, na nog
+eens en nog eens vriendelijk bedankt te zijn, met Bruin weer naar
+zijn eigen huis terug.
+
+Nels voet deed nog den heelen avond pijn. Maar moeder wist als altijd
+raad, zoodat beide invaliden den val al gauw vergeten waren.
+
+"Maar tòch," zei Nel, "door een land met koeien ga ik van mijn leven
+niet weer, daar heb ik genoeg van."
+
+"Als Fox er maar niet bij geweest was," zei Dolf "dan was er niets
+gebeurd."
+
+"Ja, Foxje," zei Leni, "was jij nu maar zoo knap en zoo sterk als
+Hector, dan had je ons natuurlijk wel geholpen, maar je bent eigenlijk
+een klein, dom, eigenwijs hondje."
+
+Het duurde niet heel lang, of Door was in diepe rust, maar Nel was
+blijkbaar nog onder den indruk van den schrik.
+
+Toch kreeg na lang woelen eindelijk de slaap de overhand; maar toen
+werd de arme Nel geplaagd door de akeligste droomen. Ze zag zich zelf
+alleen op een groot stuk land, waar van alle kanten koeien op haar
+afkwamen, die haar met booze oogen aankeken. Ze vluchtte naar een
+hek, maar toen ze daar dicht bij kwam, was 't hek verdwenen en lag
+op die plaats een groote roodbonte koe kalm te grazen op een groot
+veld papavers. En telkens als het dier een papaver in den bek stak,
+veranderde de bloem in een draaiende tol. Toen liep Nel terug en
+zag opeens Leni voorbijhollen, gezeten op een zwarte koe. Leni leek
+veel grooter dan anders en telkens als ze langs Nel reed, strekte
+ze haar lange armen naar haar uit. Maar als Nel haar wilde grijpen,
+was zij verdwenen en zag Nel haar héél in de verte voortgaloppeeren,
+steeds haar wenkende, terwijl het haar als een mantel om haar heen
+golfde. Plotseling stond Nel voor een sloot en kon ze niet verder
+en voor en achter zich zag ze niets dan koeien, toen op hetzelfde
+oogenblik een wagen kwam aanrijden met een grappig klein paardje er
+voor. De kop van het paard ging steeds op en neer. Op den wagen zaten
+wel honderd kinderen, hij was zóó vol, dat onder 't rijden er gedurig
+enkelen afvielen, maar als aapjes kropen ze er weer bij op. De voerman
+pakte Nel op en zette haar er tusschen, maar toen zat Nel zóó nauw,
+dat zij zich letterlijk niet kon bewegen, want van alle kanten drongen
+ze tegen haar aan en een jongen hield haar knie zóó stijf vast en
+trok zulke vreemde gezichten, dat ze met een gil wakker werd.
+
+"Wat heb je, wat is er?" riep Door verschrikt en zat rechtop in bed.
+
+"Ik weet het niet," kreunde Nel, "o, wat had ik een akelige droom,
+je weet het niet--van koeien en--o vreeselijk."
+
+"Wacht, ik zal gauw licht opsteken " zei Door en wipte het bed
+uit. "Een buitenkansje, de lucifers liggen op den kandelaar," zei ze,
+de kaars aanstekend. "Wil je eens drinken?"
+
+"O, graag," zei Nel klappertandend. "Ik droomde--"
+
+"Neen, hoor, die droom zal ik morgen vroeg wel hooren, laten we nu
+liever over iets anders praten, anders doorleven we straks beiden
+vervolg en slot van deze minder opwekkende droomgeschiedenis," zei ze,
+weer in bed stappend.
+
+"Weet je, wat ik wou," zocht Door Nel af te leiden, "dat ik zoo'n
+raaf had als die juffrouw--"
+
+"Welke juffrouw?"
+
+"Je weet wel, die dame, bij wie we vandaag die tollen en de sigaar
+kochten."
+
+"O ja, dat zou leuk zijn," zei Nel, nog niet geheel bekomen.
+
+"Ik zou hem allerlei versjes leeren; te beginnen met: "'t Is vacantie,
+'t blijft vacantie" enz."
+
+"Meen maar niet, dat dat zoo gemakkelijk zou gaan. Als hij hier op
+de slaapkamer stond, dan zou hij al gauw roepen: "Nel, waar is mijn
+haarlintje, waar mijn armband, waar mijn themaboek?"
+
+"Om te gieren," vond Door. "Zou zoo'n vogel duur zijn?"
+
+"Ik weet het niet," zei Nel geeuwend.
+
+"'t Is jammer, dat het er met mijn spaarpot altijd zoo treurig
+uitziet."
+
+"En met de mijne."
+
+"Zeg eens, Nel, Ne-èl."
+
+"Ja"--kwam er flauw uit het andere ledikant.
+
+"Je moet je oogen eens half toe doen en dan naar de kaars kijken,
+dan zie je zulke prachtige stralen."
+
+"Hm," zei Nel, "'k doe ze liever heelemaal toe, 'k ben slaperig."
+
+"Ja, ik ook. Toch leuk, die stralen van die kaars, ik zal ze toch
+zoo meteen uitblazen--"
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+EEN DAG VOL GEHEIMEN.
+
+
+
+ "Er stond een juffrouw aan de deur
+ Met een witte boezelaar veur
+ Hoe langer ze ston
+ Hoe meer ze vergong"
+
+
+zei Door den volgenden morgen lachend en wees uit haar bed naar
+den kandelaar.
+
+"Och, lieve tijd, je hebt de kaars laten branden," zei Nel en 't was
+nog wel een nieuwe.
+
+"Ja, dat zal je altijd zien. Met stompjes zal mij zooiets niet
+overkomen. Maar eigenlijk ben jij hier de schuldige."
+
+"Nu nog mooier!"
+
+"Ja, want om jou van een wissen ondergang te redden, ontstak ik het
+licht," zei Door plechtig.
+
+"Ja, 't was een nare droom," zei Nel, nog rillend bij de herinnering.
+
+"Vertel hem nu maar; zoo onder het vastmaken van mijn knooplaarzen
+bestaat er niet veel kans, dat ik hem verder droomen zal."
+
+"Ja," zei Nel, zich bezinnend, "ik droomde van koeien, die op mij af
+kwamen--en--en--verder weet ik werkelijk niet meer."
+
+"Dat dacht ik wel. Een droom is als een Fransche les, als je hem
+vertellen wilt, dan weet je er hoogstens één regel van. Maar dat je
+van koeien gedroomd hebt, verwondert mij niet na ons avontuur van
+gisteren. Mij dunkt, al de jonge leden van den huize Van Brakel hebben
+het vannacht wel met een of meer koeien aan den stok gehad. Ik ken
+mijzelf niet, dat ik er zoo heelhuids ben afgekomen, afschoon _jouw_
+koeien mij mijn halve nachtrust gekost hebben," lachte ze.
+
+De lucht zat vol geheimen!
+
+Geen wonder, Leni was den volgenden dag jarig en dat is op zichzelf
+al een feest, maar jarig zijn in de vacantie, met nog twee aardige
+logétjes, dat is wel een reden om er een echten feestdag van te
+maken. Er werd dan ook heel wat afgefluisterd, zelfs Kee werd er in
+betrokken, en wat meer zegt: Kee had nu eens geen haast, maar luisterde
+belangstellend naar Nel of Door. Leni's hartje popelde van verlangen.
+
+"Is ons cadeautje al bezorgd?" fluisterde Door moeder in 't oor.
+
+"Nog niet, juffertje Ongeduld, maar dat zal wel komen."
+
+"Het zou jammer zijn, als het niet op tijd kwam. Weet u wat, ik ga
+eens even naar den winkel."
+
+"Dat zou ik maar doen, zoo'n wandeling is gezond," zei mevrouw
+Van Brakel.
+
+"Hoe vervelend! Nu kan ik mijn handschoenen weer niet vinden; maar kom,
+dan maar zonder," overlegde Door bij zich zelf. "'t Is ook zoo warm."
+
+Zoo alleen boodschappen doen was juist een kolfje naar Doors hand;
+ze hield dol van winkels kijken en nu kon ze net zoolang voor een
+raam staan, als ze zelf verkoos. Nel had gewoonlijk zoo'n haast. Toen
+ze eindelijk al haar aandacht gaf aan een winkel, waar mooie platen
+voor de ramen hingen, bemerkte ze, dat een meisje naast haar stond,
+dat gedurig naar haar keek en dat, telkens als Door haar aankeek,
+lachend haar hoofd afwendde. Door wist niet, wat ze er van denken
+moest en liep verder. Bij een volgenden winkel dacht ze: "Wat zien ze
+toch aan mij?" toen ze bemerkte, dat ook een dame, die eerst achter
+haar had geloopen, haar in 't voorbijgaan aankeek en lachend doorliep.
+
+"'t Is, alsof iedereen weet, dat we morgen een feestje hebben," dacht
+ze bij zichzelf en liep wat vlugger om gauwer thuis te zijn. Maar
+voor ze den winkel in ging om te vragen, of het cadeautje, dat zij
+en Nel aan Leni wilden geven, klaar was, keek ze nog eens voor de
+ramen naar allerlei beeldige dingetjes. Nauwelijks stond ze daar,
+of een slagersjongen zei lachend: "Zeg eens, jongejuffrouw, is dat
+de laatste mode, op _die_ manier je handschoenen te dragen?"
+
+Nu werd het Door toch te erg en met een kleur als vuur draaide ze
+den winkel in.
+
+"Juffrouw," begon ze stotterend, "is..." maar Door kon bijna niet
+verder spreken, toen ze het lachende gezicht van de juffrouw zag. "Is
+de," hakkelde ze. Maar op eens schaterde de juffrouw het uit: "Hebt
+u zoo door de stad geloopen?"
+
+"Ja," knikte Door verlegen. "Ja."
+
+Door bekeek zich van alle kanten, draaide zich om en om.
+
+"Hebt u niet naar uw handschoentjes gezocht?" Door knikte; begreep
+er niets van. "Voelt u dan eens op uw hoed." Nu schaterde Door het
+uit. "O, daar zijn ze, nu begrijp ik alles."
+
+"Ja, maar er zit nog iets, ik geloof een zakdoek. Voel maar eens
+achter de lus."
+
+"Ja warempel," lachte Door. "Als ze dat thuis hooren! Ik ben maar wat
+blij, dat u 't mij gezegd hebt, dank u wel. Maar nu zou ik bijna mijn
+boodschap vergeten. Ik kwam eens hooren, of de mand klaar was. Morgen
+is mijn zusje jarig."
+
+De juffrouw beloofde het cadeautje op tijd te bezorgen en lachend
+nam Door afscheid.
+
+"Net iets voor jou, net iets voor jou," riep Nel, toen Door het heele
+verhaal thuis deed.
+
+"Prachtig," zei vader, "prachtig. Jullie zult eens zien, dit meisje
+wordt nog een professor."
+
+"Je verschijnt nog eens op een morgen met de handschoenen aan je
+voeten en de schoenen aan je handen," plaagde Dolf.
+
+"Dat denk ik niet," zei Door; "want gewoonlijk mis ik een van beide."
+
+En terwijl Door beneden het verhaal deed van haar ongelukkigen tocht,
+liepen Hans en Bob met Fritsje tusschen zich in ongemerkt zacht de
+trap op. "Pas op, dat Leni ons niet hoort," zei Hans.
+
+"Leni morgen jarig," zei Fritsje.
+
+"Ja, Leni krijgt iets heel moois," zei Hans gewichtig.
+
+"Ja," zei Bob, "Leni krijgt een echt kuikentje, omdat ze zooveel van
+kuikentjes houdt."
+
+"Waar is het?" vroeg Frits belangstellend.
+
+"Kom maar mee, het ligt in dezen koffer," zei Hans, terwijl hij den
+koffer open deed. Nieuwsgierig keek Frits er in.
+
+"Ik zie geen kuikentje," zei hij teleurgesteld.
+
+"Zie je dat ei daar liggen?" vroeg Hans, nadat hij eerst allerlei
+kleedingstukken van hem en Bob uit den koffer had genomen.
+
+Frits knikte.
+
+"Dat ei wordt een kuikentje," legde Bob uit.
+
+"Ja," zei Hans, Bobs woorden herhalend, "dat ei wordt een kuikentje."
+
+"Een echt?" vroeg Frits ongeloovig.
+
+"Ja. Maar eieren moeten een geheelen tijd héél warm liggen, voor er
+kuikentjes uit kunnen komen," onderwees Bob weer. "Ik zal het daarom
+maar weer gauw toedekken."
+
+"Als wij hier een kip hadden," bepeinsde Hans, "dan konden wij die
+er op zetten."
+
+"Ja," zei Bob, wien dit ook wel toelachte, "dan kroop er misschien
+morgen wel een kuikentje uit het ei, dat zou heerlijk zijn."
+
+"Durf jij een kip uit den tuin halen?" vroeg Hans.
+
+Bob schudde heftig zijn hoofd. "Een doode misschien wel," kwam er
+flauwtjes uit.
+
+"Ja, maar die is er niet," zei Hans, met een bedenkelijk gezicht
+naar de plaats kijkende, waar het ei lag, bedolven onder blousjes
+en broeken.
+
+"Zal Fritsje kipje zijn?" stelde Frits moedig voor.
+
+Hans en Bob keken elkaar aan.
+
+"Kun je stil zitten?" vroeg Bob.
+
+Frits knikte.
+
+"Kippen zitten altijd doodstil op de eieren," zei Hans, die zich
+verplicht gevoelde Frits het moeilijke van zijn taak goed onder het
+oog te brengen.
+
+"Ik kan wel voor kipje spelen," zei Frits, die bij zijn voorstel bleef.
+
+"Dan zal ik de kleeren weer uit den koffer krijgen."
+
+"Kun je er alleen in stappen?" vroeg Bob.
+
+Neen, dat kon hij niet. Hans en Bob moesten hem helpen.
+
+"Daar is Julia ook," zei Bob, "die mag hier niet in deze kamer,
+dan wil ze misschien ook in den koffer."
+
+"Als 't kuikentje piept, moet je er dadelijk uitkomen," waarschuwde
+Hans.
+
+Frits knikte.
+
+"Als Frits op het kuiken zit, dan kan het wel dood gaan," zei Bob
+angstig.
+
+Dat was een moeilijk geval, daar hadden Bob en Hans nog in 't geheel
+niet aan gedacht.
+
+"Laten we dan maar liever de kleeren weer op 't ei leggen," stelde
+Bob voor, die in zijn verbeelding het doode kuikentje al zag. En juist
+zou Frits maar weer kip af zijn, toen vreeslijk gegil van beneden tot
+hen doordrong. Bob en Hans holden naar het raam aan den voorkant en
+zagen nog juist, dat Julia door Leni van de straat opgeraapt werd.
+
+"Hoe vreeselijk, Julia is uit het raam gevallen!" Bob en Hans vergaten
+Frits en liepen, zoo vlug ze konden, naar beneden.
+
+"Och, lieve poes, lieve Julia," riep Leni schreiende. "Zie ze eens
+beven. Als ze maar niet dood gaat." Zacht streelde ze poes; allen
+stonden om haar heen.
+
+"Ze heeft gelukkig niets gebroken," zei mijnheer Van Brakel, de
+pootjes onderzoekend. "Zet haar op dezen stoel, Leni; ik denk, dat
+ze wel gauw weer de oude zal zijn. Zij is natuurlijk erg geschrokken."
+
+"Zie ze toch eens beven," zei Leni.
+
+"Maar hoe kwam poes toch boven? De deur van de voorkamer moet
+opengestaan hebben."
+
+"Poes wou in den koffer," versprak Hans zich, "maar dat mocht niet,
+want Fritsje...."
+
+"Fritsje? Is Frits dan boven?" vroeg mevrouw Van Brakel verbaasd. "Ik
+dacht, dat jullie met hem in den tuin speelden."
+
+"Fritsje zit in den koffer," lichtte Bob toe.
+
+"In den koffer?" Allen keken verbaasd naar de tweelingen, toen Hans,
+die opeens aan de verrassing van Leni dacht, zei: "Ja, 't is een
+geheimpje, hé Bobbie?"
+
+De verwondering steeg ten top. Door holde naar boven, waar ze Fritsje
+snikkend in den koffer vond zitten.
+
+"Och, kleine vent, wat scheelt er aan?" Maar niettegenstaande het
+diep ongelukkige gezichtje van Frits kon Door toch haar lachen niet
+bedwingen, toen Frits tusschen het schreien door riep: "Ik--ik--wil
+geen kippetje zijn, Dora, ik wil geen kippetje zijn."
+
+Toen Door met het snikkende Fritsje beneden kwam en met vragen bestormd
+werd, zei ze lachend:
+
+"Wij vertellen niets, dat is nu _ons_ geheimpje, wat zeg jij, kleine
+man?" Fritsjes verdriet, nu hij uit den koffer en weer bij moesje was,
+was spoedig geleden.
+
+Gelukkig was Julia gauw weer beter en toen Leni even de kamer
+uit was, stelde vader voor, eerst de tweelingen en daarna Julia te
+photografeeren. Kee werd in het geheim genomen. Die kwam daarom even
+later Leni vragen, haar wat te helpen.
+
+"Ik kom anders nooit klaar en jij kunt zoo mooi helpen, je doet
+mij zooveel pleizier," beweerde ze. "Je werkt nog beter dan ik
+zelf." En ze liet Leni koffie malen uit den treuren, totdat ze wel
+voor een week genoeg had. En nadat de heer Van Brakel Bob en Hans
+had gephotografeerd, beiden zittende in de sportkar, was hij met een
+onuitputtelijk geduld bezig Julia te "nemen." Juist op 't moment,
+dat het gaan zou, zag Julia, onbewust van 't gewichtige oogenblik,
+een vlieg, waardoor haar rustige houding van even te voren geheel
+veranderde en zij vol belangstelling het diertje met haar poot
+trachtte te grijpen. Maar eindelijk, na herhaalde pogingen, stond
+Julia er "prachtig" op. Fox, die eigenlijk ook op een kiekje moest,
+was op dat oogenblik nergens te vinden en dus bleef het bij poes en
+de tweelingen. Dolf stelde voor Toetie en Snoetie te fotografeeren,
+maar deze twee waren vader veel te beweeglijk, zoodat er veel kans
+zou zijn, dat Snoetie met twee koppen en Toet er misschien met twee
+staarten opkwam en vader wist zeker, dat Leni op zoo'n portret van
+haar lievelingskippen niet gesteld was.
+
+"Jammer, dat Foxje er niet is," zei Dolf, "ik wil nog eens kijken,
+misschien is hij wel in de buurt." En juist zou Dolf de kamer uitgaan,
+toen Nel hem lachend tegen hield.
+
+"Weer een brief van oom Karel," zei ze, "dien moet je eerst hooren, ik
+zal hem voorlezen. Jongens, een brief van vader, kom eens gauw," riep
+ze den tuin in. "Waar is Leni, die moet ook bij de voorlezing wezen."
+
+"Hoera, hier zijn we al," juichte het drietal.
+
+"Toe, Nel, begin nu gauw," zei Door.
+
+Nel las:
+
+"Mijn lieve kaboutertjes! Het briefje, dat ik hierbij insluit, is
+van Miekie. Ik vond het op den lessenaar. Miekie had natuurlijk geen
+postzegel, daarom heb ik het briefje maar in het couvert gedaan en
+aan jullie verzonden. Dat zij gisteren iets in haar schild voerde,
+was duidelijk. Zij bleef voortdurend bij mij zitten, terwijl ik zat
+te schrijven. Na eerst op mijn schouder en toen op een paar boeken
+gezeten te hebben, ging ze op een blaadje postpapier zitten. Als ik
+haar zei: "maar, Miekie, postpapier is er toch niet om op te zitten,"
+dan knipte ze een paar keer met haar groene oogjes en keek het raam
+uit, alsof ze 't onschuldigste poesje van de wereld was."
+
+"Precies zooals Julia doen kan," zei Door. "En toen ik klaar was," las
+Nel verder, "en het papier wilde meenemen, was ze zoowaar ingedommeld,
+zoo hield zij zich tenminste, zoodat ik het blaadje wel moest laten
+liggen. Toen ik later den brief zag, begreep ik, waarom zij dit grapje
+uitgehaald had.
+
+Nu wil ik nog even vertellen, dat ik morgen bij jullie kom. Ik
+weet, dat er dan een klein meisje jarig is, dat ik graag zou willen
+feliciteeren en 't is dan mijn plan, de kaboutertjes den volgenden
+dag mee naar hier te nemen. We verlangen allen erg naar hen en dan
+... sedert gisteren heeft hier in huis een groote verandering plaats
+gehad, maar ik _schrijf_ niet wat. Ik zal het mijn kaboutertjes
+zelf _vertellen_. Wat zullen ze opkijken! Honderd kusjes van vader
+en moeder."
+
+"Komt Paatje morgen hier?" riepen Bob en Hans opgetogen.
+
+"Ja, hoe vindt jullie dat?"
+
+"Heerlijk!" zei Bob, "juist op Leni's verjaardag."
+
+"En gaan we dan gauw naar huis?"
+
+"Zeker, dan nog één nacht hier slapen," zei Nel, lachend om de
+opgewonden gezichtjes.
+
+"Dan gaan we weer naar Maatje," zei Hans blij.
+
+"Ja en als jullie dan heerlijk bij je Maatje zit en bij Miekie, Bruun
+en Jaap, dan zitten wij helaas weer op school," zei Dolf zuchtend.
+
+"Maar nu kunnen we nog zingen," zei Door en met een potlood de maat
+slaande, begon ze:
+
+
+ "'t Is vacantie, nog vacantie.
+ Hoera vacantie boven."
+
+
+En allen vielen mee in:
+
+
+ "En ieder, die 't niet zingen wil,
+ Die moet er aan gelooven."
+
+
+Dolfs stem hoorde men boven allen uit.
+
+"Stil, nu zal ik Miekies brief voorlezen, kijk toch eens die groote
+letters," zei Nel, den brief in de hoogte houdende.
+
+"Leuk," riep Leni, "begin nu maar."
+
+"Lieve baasjes," las Nel en keek daarbij Bob en Hans aan, wier
+gezichtjes straalden van genot. "Ik verlang zoo naar jullie en
+Bruun ook. Jaap, geloof ik, ook wel, maar dat kan mij niet schelen;
+want op Jaap ben ik boos. Dat is zóó gekomen. Ik was gisteren op de
+muizenjacht. Uren en uren had ik voor een gaatje gezeten, waaruit een
+muis moest komen. Ik kreeg op 't laatst erg veel verlangen naar mijn
+schoteltje met melk, maar toch bleef ik zitten, omdat ik bang was,
+dat mij 't muisje ontsnappen zou. Bruno kwam ook een paar keeren bij
+mij, hij wou met mij spelen, maar ik bleef zitten, ik wou het muisje
+hebben. Eindelijk, jawel, daar stak het zijn puntsnuitje uit het
+gaatje. Ik verroerde mij niet. Voorzichtig kwam het er verder uit,
+zag overal rond, tot het opeens heelemaal te voorschijn kwam. Toen
+sprong ik er op af, maar toch ontkwam het mij en schoot achter een
+kist. Ik zal jou wel krijgen, dacht ik, en bleef dicht bij de kist
+zitten. Op eens kwam Jaap binnen. Hij begreep blijkbaar dadelijk,
+waarom ik zoo stil zat. "Jij boosdoenster," zei hij. "'t Is jou zeker
+weer om een muis te doen." En toen eindelijk de muis van achter de
+kist te voorschijn kwam, zette hij de deur wijd open; zoo ontsnapte
+mij het heerlijke kluifje. Toen ik het achtervolgen wilde, smeet hij
+de deur toe en zei: "Dat kun je begrijpen! Jij er weer achter aan
+zoodat je het op 't laatst tòch zou krijgen? Neen, daar komt niets van
+in." Zoo was dus al mijn loeren voor niets geweest. Ik was zóó boos,
+dat ik mij direct omkeerde en wegliep. Later kwam Jaap nog weer bij
+mij met allerlei mooie praatjes, maar ik deed, alsof ik sliep en toen
+ging hij gauw weer weg.
+
+"O, die oom Karel," lachte Dolf, "wat kan die toch aardige...."
+
+"Nu, wat kan oom Karel?" vroeg vader plagend.
+
+"Neen, neen," zei Dolf. "Ik bedoel, wat kan Miekie toch aardige
+brieven schrijven."
+
+"Alsof Julia 't niet zoo kan," lachte Ma.
+
+"Ja, natuurlijk, Julia is dan ook een bijzonder knappe poes," zei Door.
+
+"Laat mij nu verder lezen," zei Nel, "de brief is nog lang niet uit."
+
+"Ik wilde toen mijn troost bij Bruno zoeken, maar die was als
+gewoonlijk buiten en speelde op 't grasveld met andere honden. Aan
+den kant van het grasveld staan boomen, zooals jullie weet, en nu had
+iemand zijn hond, een mooien zwarten poedel, met een touw aan een van
+die boomen vastgebonden, zeker, omdat hij hem niet goed mee naar binnen
+kon nemen. Natuurlijk was dit alles behalve prettig voor dien hond,
+vooral, omdat hij al die andere zoo vroolijk zag ronddraven. Bruno was
+al eenige malen naar den armen gevangene toegeloopen om een praatje
+met hem te maken, maar dan kreeg hij weer zoo'n lust om te stoeien,
+dat hij wel driemaal 't bloemperk omrende, tot hij op eens op de
+gedachte kwam den poedel te helpen. Hij begon in het touw te bijten,
+te bijten--nu, je weet, Bruun heeft scherpe tanden. De vastgebonden
+hond begon te kwispelstaarten en te blaffen, Bruun rustte even, begon
+weer met vernieuwde krachten te rukken en te bijten. Tot hij het
+touw doorgebeten had. Als een pijl uit den boog rende de poedel niet
+eenmaal, maar wel zesmaal 't grasveld rond. Wat was hij blij! Bruun
+achter hem aan. Het werd een dolle jacht.
+
+Toen de poedel geheel buiten adem met de tong uit den bek even stil
+stond, kwam zijn baas er aan. Als jullie zijn gezicht gezien hadt! Hij
+keek van den boom naar den poedel en van den poedel naar den boom en
+dan naar de andere honden. Eenige menschen, die alles gezien hadden,
+wezen naar Bruno. De baas lachte nu ook, floot een paar malen en
+jawel, daar kwam de poedel, nog met een stuk touw achter zich aan,
+schoorvoetend naar hem toe. Hij was, geloof ik, bang, dat de baas
+boos zou zijn, maar die klopte zijn hond op den rug, streek hem over
+den kop, zoodat de poedel vroolijk kwispelstaartte en met hem meeliep."
+
+"Zou Foxje ook zoo iets kunnen doen, vader?" vroeg Dolf.
+
+"Misschien wel, maar Bruun is een groote, sterke hond en heeft
+natuurlijk een sterk gebit."
+
+"Kom maar terug naar je zoo zéér verlangende Miekie," las Nel.
+
+"Prachtig, moes, wat zou die verandering toch kunnen zijn?" vroegen
+Nel en Leni.
+
+"Dat zul je morgen wel hooren," lachte ma.
+
+"Misschien heeft vader kuikentjes gekocht," zei Hans, die aan zijn ei
+in den koffer dacht. "Of heeft Bruun een nieuwen halsband gekregen,"
+raadde Bob.
+
+"Of, of," zei Leni, "heeft Miekie jonge poesjes gekregen."
+
+"Ik wou, dat 't al morgen was," zuchtte Hans.
+
+"Ik kan bijna zoolang niet wachten," zei Bobbie.
+
+"Nu kan ik door twee dingen bijna niet in slaap komen vanavond. Ten
+eerste, omdat ik morgen jarig ben en ten tweede, omdat ik zoo
+verlangend ben naar hetgeen oom Karel heeft te vertellen."
+
+"Moes, u weet het," zei Door, mevrouw Van Brakel met den vinger
+dreigend. "Toe, vertelt u het ons eens."
+
+"Dat kun je begrijpen," lachte moeder.
+
+En toen Door Nel later iets in het oor fluisterde en Dolf vroeg,
+of er ook een verfkwastje was, zei mijnheer Van Brakel lachend:
+"'t Is hier wel een tijd van geheimpjes, dat moet ik zeggen."
+
+"Nu, kinderen, 't is tijd om naar bed te gaan. De tweelingen en Leni
+slapen zeker al lang."
+
+"Ja, kom Nel, wij moeten morgen vroeg op," zei Door, "want"....
+
+"St., niets vertellen," zei Nel, den vinger op den mond houdende.
+
+"Och, lieve tijd," zuchtte Door, "ik vind het toch zoo "onmogelijk"
+lastig, geheimen te bewaren."
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+LENI'S VERJAARDAG.
+
+
+"'t Is zes uur, sta op," fluisterde Nel.
+
+"Wat zeg je?" vroeg Door slaperig.
+
+"'t Is zes uur. We zouden immers bloemen voor Leni plukken. Kom
+er uit."
+
+"Nu al?"
+
+"Ja zeker, anders komen we niet klaar."
+
+"Ik ben zoo "onmogelijk" slaperig."
+
+"Dat ben je om zeven uur ook nog," was 't kalme antwoord.
+
+"Je hebt ook nooit medelijden met mij," kwam er grappig klagend uit.
+
+"Als ik klaar ben, ga ik en wacht niet op je." zei Nel. "Stil, Leen
+draait zich om; als ze wakker wordt, is alle aardigheid er af."
+
+"Ik kom al," zuchtte Door, haar kousen aantrekkend.
+
+Zacht fluisterend en op de teenen loopend kleedden Nel en Door,
+zich aan.
+
+"Begin nu alsjeblieft niet met je sproeiwoede," zei Nel, toen Door
+haar waschkom vol schonk, ''dan wordt Leni stellig wakker."
+
+"'k Vang dan anders twee vliegen in één klap," zei Door lachend.
+
+"Hoe zoo?"
+
+"Wel, ik krijg de volle laag en jij bent wel tevreden met de
+druppeltjes, die mij voorbij vliegen; op die manier zijn we gauw
+klaar."
+
+"Als jij dat druppeltjes verkiest te noemen," zei Nel, "'t is
+gewoonlijk een volslagen fontein. Stil, Leni beweegt zich weer,
+sta nu toch doodstil."
+
+Wel drie minuten stonden beide meisjes onbeweeglijk, angstig kijkend
+naar de kleine jarige.
+
+"Voor standbeeld ben ik niet in de wieg gelegd," zei Door, toen zij
+zich weer durfde bewegen, "dat merk ik wel."
+
+"En ik niet," zei Nel.
+
+Plof! Wat was dat? Doors kam gleed uit haar handen. Beide meisjes
+stonden als palen; want nu volgde een onrustbarend geschuifel in
+het ledikant.
+
+"Ga op den grond liggen," commandeerde Nel en zeeg zelf ook behoedzaam
+neer. Het geschuifel hield aan. Door en Nel stikten bijna van 't
+lachen. Door lag voorover met haar hoofd onder de tafel, de noodlottige
+kam recht voor zich uit houdende. Nel in haar onderlijfje met de beenen
+onder haar eigen ledikant. Toen werd de deur zacht opengeduwd en Hans
+stond met verbaasde oogen naar het eigenaardige tooneeltje te kijken.
+
+Door wist geen raad van het lachen bij het zien van Hansjes
+verwondering. Hij dacht zeker niet anders, of de beide meisjes waren
+door een aardschok neergesmeten. Door wenkte met de kam, dat hij weg
+moest gaan. Hans scheen haar niet te begrijpen en bleef onbeweeglijk
+staan.
+
+"W-e-g," spelde Door met de lippen en wees naar Leni's ledikant.
+
+"Het-ei-is," fluisterde Hans en wilde blijkbaar nog meer zeggen,
+maar Door zwaaide zóó wanhopig met de kam, dat Hans ten slotte
+bedrukt wegging.
+
+"Ik geloof, dat Leni weer in slaap gevallen is. Houd toch op met je
+gelach, je zult alles nog bederven," waarschuwde Nel boos.
+
+"Zag je Hansjes gezicht?" fluisterde Door, zich nu ook oprichtend. Nel
+knikte. Tot overmaat van ramp kwam Foxje ook nog in de kamer, maar
+Door zette hem er voorzichtig uit en zoo kwamen de beide meisjes toch
+eindelijk klaar. Moeder was al beneden en werd in het geheim genomen;
+ze beloofde Leni, als ze beneden kwam, naar Kee te sturen, tot alles
+voor de jarige klaar was.
+
+"Kom nu maar gauw mee," zei Nel tot Door; "want er zijn heel wat
+vaasjes te vullen."
+
+"Gelukkig! Ons cadeau is bezorgd," zei Door, op de nieuwe mand voor
+Julia wijzend. "Stopt u die maar goed weg, moes, anders ziet Leni
+die nog, voor we thuis zijn."
+
+"Daar zal ik wel voor zorgen, kind! Ja, meisjes, jullie moet
+voortmaken. Een verjaardag zonder bloemen en dat nog wel in den zomer,
+dat gaat toch niet. 't Is heerlijk, dat jullie een veldbouquet gaat
+plukken; want het zou jammer zijn den tuin te plunderen, als het
+niet noodig is; alles staat nu zoo mooi en we hebben er zoo lang
+pleizier van."
+
+"Ja, moes, we komen gauw terug," zei Door, die den botaniseertrommel
+van Dolf nam. Na een half uur hadden de meisjes een prachtigen
+ruiker geplukt.
+
+"Ik pluk ook nog wat papavers," zei Nel, "die staan zoo beeldig."
+
+"Ja, dat doen ze, maar ze zijn zoo gauw verlept," vond Door.
+
+"Ziezoo, we hebben genoeg, laten we maar vlug opstappen, want het
+valt niet mee, alles te moeten rangschikken."
+
+"Is Leni al beneden?" was 't eerste wat Nel vroeg, toen ze thuis
+kwamen.
+
+"Neen, ze schijnt nogal te kunnen slapen, niettegenstaande ze gisteren
+het tegendeel beweerde," zei mevrouw Van Brakel. "Hè, kinderen,
+kinderen, wat een schat van bloemen brengen jullie mee."
+
+Alle vaasjes en glazen werden voor den dag gehaald en met bloemen
+gevuld, wat aan de kamer een echt feestelijk aanzien gaf.
+
+"Foxje, kom eens hier, oude jonge, je vrouw jarig en jij geen strik
+om? Dat is ongehoord." En Nel bond Fox een blauw lint om den hals
+en maakte aan een kant een flinken strik. Zoo heel pleizierig vond
+Foxje dit nu niet, maar voor een jarige moet je wat over hebben,
+had hij dikwijls gehoord en dus droeg hij zijn lot gelaten, zooals
+een gehoorzaam en liefhebbend hondje past. En terwijl Nel bezig was
+met Fox, bond Door Julia een rood lint om. Blauw was meer haar kleur,
+vond Door, maar met het oog op de rood gevoerde mand was het beter
+de halsversiering ook in die kleur te nemen.
+
+"Daar komt Leni aan!" riep Nel. "Waar is Dolf en waar zijn de
+tweelingen en vader? We moeten toch allen in de kamer zijn, voor
+Leni binnenkomt."
+
+"Dolf is achter in den tuin, met Bob, Hans en Fritsje."
+
+"Jongens, op 't appèl!" riep Door.
+
+"'t Is vandaag feest, zooals 't nooit is geweest," zong vader en kwam
+met Leni binnen. Leni wist van verlegenheid niet, hoe ze kijken zou,
+toen allen haar in de kamer opwachtten.
+
+Verrukt keek ze naar de bloemen.
+
+"Ja, ja, daarvoor hebben Nel en Door gezorgd. Wat zeg je daar wel
+van?" zei moeder.
+
+"Beeldig," vond Leni.
+
+"Een spel voor den tuin," zei moeder en zette een groote kist op
+de tafel.
+
+"Een croquetspel," juichte Leni, "heerlijk!" En ze vloog op moeder
+en vader toe om beiden te bedanken.
+
+"Wat je Julia geeft, geef je Leni, hebben wij gedacht," zei Door.
+
+"Een ledikant voor je Snoes," voegde Nel er bij en zette ter
+verduidelijking de poes in de nieuwe mand.
+
+"Hoe leuk!" riep Leni. "Och, zie haar eigenwijs gezicht eens."
+
+"Julia onderzoekt, of ze een springveeren of een paardeharen matrasje
+heeft," zei Dolf, toen de poes de mand van alle kanten besnuffelde.
+
+"Maar hoe staan onze logé's zoo stil te kijken?" vroeg mijnheer
+Van Brakel.
+
+"Er is geen kuikentje uitgekomen," zei Bob.
+
+"Geen kuikentje uitgekomen, ventje?" vroeg moeder verwonderd.
+
+Door proestte het uit.
+
+"Neen," zei Hansje, die dit gelukkig niet zag. "Het heeft al dien
+tijd in den koffer gelegen onder onze blousjes. En Fritsje durfden
+wij er niet opzetten, omdat we bang waren, dat het kuikentje dan dood
+zou gaan."
+
+"Ik begrijp toch niet recht, wat je bedoelt," zei vader, die moeite
+deed ernstig te kijken; "vertel mij eens, wàt lag in den koffer,
+kereltje?"
+
+"Dit ei," zei Hans. Maar nu kon mijnheer Van Brakel zich niet langer
+bedwingen. Hij schaterde het uit en allen in de kamer schoten in een
+hartelijk gelach.
+
+"'t Is een kalkei; o jongens, jongens, jullie bent eenig, eenig!"
+
+Toen allen zoo vroolijk waren en het zich zoo in 't geheel niet
+aantrokken, dat er geen kuiken uit het ei gekomen was, zelfs Leni niet,
+toen moesten Hans en Bob toch wel meelachen.
+
+"Kijk eens, dit màg jullie Leni geven," zei moeder en gaf Bob een
+doos met flikjes. "Daar kan ze dan eens uit presenteeren vanmiddag,
+als paatje er is."
+
+Dat was goed.
+
+"Fisjeleer," zei Fritsje, terwijl hij Leni een fleschje met eau de
+cologne vereerde. Natuurlijk moest ieder even van de eau de cologne
+ruiken en daar Fritsjes zakdoek nergens te vinden was, kreeg hij een
+beetje op de punt van zijn schort.
+
+"Nu heb ik hier ook nog een paar oude kennisjes," zei vader, de
+portretten van de tweelingen en Julia gevende.
+
+"Och, paatje, hoe aardig," zei Leni verrukt. "Wanneer hebt u dat
+gedaan? Bob en Hans hebben me er niets van verteld."
+
+"Ja, dat _die_ geheimen kunnen bewaren, hebben we gemerkt," zei vader,
+"maar Julia doet voor hen niet onder."
+
+"Mag ik nu de jarige in den tuin verzoeken?" zei Dolf.
+
+"In den tuin?" vroeg Nel.
+
+"Ja, komt allen maar mee, achter in den tuin."
+
+"Kijk toch eens, Dolf heeft warempel het kippenhok geverfd," riep
+Leni opgetogen.
+
+"Hoe leuk!"
+
+"Dat noem ik nog eens een verrassing," zei vader. "Ik wist werkelijk
+niet, dat ik zoo'n knappen zoon had."
+
+"Wanneer heb je dat gedaan?" vroeg Door.
+
+"Gisterenavond en vanmorgen. Ik was om zes uur al in den tuin," zei
+Dolf, blij, dat allen het zoo aardig vonden. "Maar nu moet je er ook
+eens even in gaan," zei hij tot Leni; "ik heb de kippenfamilie zoo
+met elkaar zien fluisteren, het zou mij niet verwonderen, als zij
+ook een verrassing voor je hadden."
+
+Lachend ging Leni in het hok. "Kom eens hier," riep ze en stond te
+dansen voor de nesten van Toetie en Snoetie. "Komt toch eens allen
+hier!"
+
+"Maar kindje, dat is toch wel wat veel gevergd," zei vader; "het
+heele gezelschap in het kippenhok! Laat ons liever eens zien,
+welke verrassing je kippenfamilie jou bereid heeft: wij branden
+van verlangen."
+
+"Toe, Leen, kom er uit," zei Door, "je maakt ons zoo "onmogelijk"
+nieuwsgierig."
+
+"Kijk eens," zei Leni, "dit rose suiker ei heeft Toet gelegd. Het
+staat er op, leest u maar."
+
+"Van Toetie op uw verjaardag."
+
+"Wel verbazend, dat is kranig," zei vader.
+
+"En dit witte van Snoetie."
+
+"Zulke kippen moesten we meer hebben."
+
+"En dit," zei Leni, en liet een chocolade-ei zien, "van...?"
+
+"Asschepoes," raadde Nel gierend.
+
+"Van den haan. Zijn visitekaartje heeft hij er bij gelegd. Kijk,
+Haantje-Kukelekaantje staat er op en aan den anderen kant:
+
+
+ "Lief jarig pleegmoedertje,
+ In 't kraaien ben ik wel een baas,
+ In 't eier leggen niet, helaas!
+ Maar op het feest van pleegmama
+ Legde ik toch een ei van chocola
+ Uit dankbaarheid, omdat zij elken morgen
+ Zoo trouw voor mij en mijn kippen komt zorgen."
+
+
+"Dolf, Dolf, hoe onmogelijk leuk."
+
+Ieder moest het hanenei natuurlijk bekijken, 't Was dan ook wel een
+groote bijzonderheid; zelfs vader, die al zoo oud was, beweerde,
+er nog nooit een gezien te hebben.
+
+"Jij krijgt straks het kapje, hoor Snoet," zei Leni tegen Fritsje. Dat
+leek Frits wel goed toe en Hans en Bob werd het kapje van de
+suikereieren beloofd.
+
+"Waar is Kee? Die moet ze ook zien," riep Leni.
+
+"Daar komt ze juist aan."
+
+"Asjeblieft," zei Kee, nog voor Leni iets kon zeggen, "omdat jij
+mij gisteren zoo geholpen hebt," en meteen duwde ze Leni een klein,
+beeldig poppenkoffiemolentje in de hand.
+
+"Och moes, maatje, zie eens, van Kee!"
+
+"Kindje! Maar 't is al te erg vandaag, je wordt veel te veel verwend."
+
+Toen Leni de eieren aan Kee liet zien van Snoet, Toet en
+Haantje-Kukelekaantje, sloeg Kee de armen van verbazing in de
+hoogte. "Heb ik van mijn leven, heb ik van mijn leven! Nu begrijp
+ik, waarom hij vanmorgen zoo aanhoudend kraaide, 't Is dan ook
+geen kleinigheid, een chocolade-ei. Dat doen de kippen hem niet na,
+ofschoon Snoet en Toet ook bijzonder knap zijn. Maar, liefje, ik moet
+nu weer naar mijn boontjes," zei Kee en holde weg.
+
+"Hoor Fox eens, met wien heeft die het toch zoo aan den stok?" zei
+mijnheer Van Brakel. "Hij keft ons de ooren doof. Daar zit toch soms
+geen vreemde poes onder die struik?"
+
+"O wee!" riep Door, "ik begrijp het al. Als Fox hem maar geen kwaad
+doet. Leni, kom eens gauw hier. Kijk eens onder die struik."
+
+Leni bukte zich. "Een egel?" vroeg ze verwonderd, "voor mij?"
+
+"Een extraatje van Door en mij," zei Nel lachend.
+
+"Ik had het diertje maar stil willen laten liggen, maar Door dacht,
+dat jij hem wel "snoezig" zou vinden, omdat je nu eenmaal alles
+snoezig vindt, wat dier is. We hebben hem aan den weg gevonden."
+
+"Laat eens kijken," zei Dolf, "hoe grappig, ik heb nog nooit een egel
+zoo dichtbij gezien."
+
+Hans en Bob vonden het in 't geheel geen aardig beestje, beweerden ze,
+en Frits bleef op een eerbiedigen afstand.
+
+"Als Fox hem maar geen kwaad doet," zei Door.
+
+"Wel neen, 't blijft bij blaffen," zei vader, "daar behoef jullie
+niet bang voor te zijn. We zullen hem wat melk brengen, daar houden
+ze in den regel van."
+
+Leni liep naar huis en kwam na een oogenblikje met een schoteltje
+met melk terug. 't Was eerst, of de egel 't niet zag, maar al gauw
+begon hij te drinken tot groote vreugde van allen.
+
+"Je zult eens zien, hoe gauw hij tam is," zei moeder.
+
+"Maar nu gaan we eerst ontbijten, anders zijn we niet klaar, als oom
+Karel komt," zei moeder.
+
+"Ik verlang ook naar paatje," zei Bob.
+
+"Ja, en wat zou paatje wel te vertellen hebben?" vroeg Hans.
+
+"Nog maar een beetje geduld," lachte moeder.
+
+"Morgen gaan we naar huis, hè tante?"
+
+"Goeden dag, goeden dag, feestvierende menschen!" hoorde men oom
+Karel dien middag plotseling zeggen. "Daar ben ik al. Waar zijn mijn
+kaboutertjes en waar is de jarige dame?"
+
+"Hier paatje," en Bob en Hans vlogen hun vader om den hals.
+
+"Ja, ja, kereltjes, hoe is 't met jullie? Druk aan 't feestvieren zie
+ik. Wel, wel Leni, is dat croquetspel een cadeau? En Fox en Julia in
+feestgewaad! 't Is geen kleinigheid, 'k Ben wat blij, dat ik gekomen
+ben. Kijk eens, dat is nu _mijn_ cadeautje. Ik hoop, dat je 't mooi
+vindt, meisje. Ik kan maar niet vergeten, hoe bedroefd je was over 't
+verlies van sneeuwwitje en daarom heb ik je nu een ander sneeuwwitje
+meegebracht."
+
+"Een pop!" riep Lena opgetogen. "Oompje, hoe heerlijk!"
+
+"En als sneeuwwitje gekleed," zei Door, "hoe beeldig! Kijk toch eens,
+moeder!"
+
+"Prachtig, prachtig! Die oom Karel verwent je maar," zei moeder
+lachend.
+
+"Dat heb ik wel begrepen," zei Nel, "dat jarig zijn in de vacantie
+lang niet voor de poes is."
+
+"En nu 't geheimpje, oom," zei Dolf. "Wij branden allen van verlangen."
+
+"Dat is goed, kinderen. Bob en Hans, komen jullie eens bij mij zitten,
+ieder op een knie. Het is iets heel moois en prettigs, dat ik te
+vertellen heb."
+
+Allen keken oom vol verwachting aan.
+
+"Zoo'n aardig popje, als Leni gekregen heeft om mee te spelen,"
+begon oom, "is er bij ons in huis gekomen."
+
+"Ook een sneeuwwitje?" vroeg Bob verbaasd.
+
+"Maar, paatje, jongens spelen toch niet met poppen," zei Hans
+teleurgesteld.
+
+Oom Karel glimlachte. "Er is bij ons in huis een levend popje--een
+kindje gekomen."
+
+"Een echt?" Hans schoot van de knie af.
+
+"Ja, een echt."
+
+"O, oom, hoe leuk, hoe aardig!"
+
+Even was er doodsche stilte.
+
+"Maar, maar,--wat doet ze, kan ze al praten?" zei Bob, die 't eerst
+van zijn verbazing bekomen was.
+
+"Eet ze al?" vroeg Hans.
+
+"Hoe groot is ze?--Heeft ze al haar? Slaapt ze?--Kan ze al lachen? Toe,
+paatje, toe vertel eens alles."
+
+"Kleine, lieve kaboutertjes, hoe kan ik zoo gauw op alle vragen
+antwoorden? Neen, praten kan ze nog niet, dat moeten wij haar nog
+leeren. Ze kan nu eigenlijk nog maar alleen slapen, drinken en
+schreien."
+
+"Schreien is praten, hè paatje?"
+
+"Vindt moesje 't prettig, dat het zusje er is?"
+
+"En Jaap?"
+
+"Jaap ook. En Griet, die anders zoo'n leven kan maken in de keuken,
+doet nu alles even zacht."
+
+"En-enne-paatje, luister eens. Hoe groot is zus?" vroeg Bob opgewonden.
+
+"Niet grooter dan Leni's pop."
+
+"Wijs eens, hoe groot haar handjes zijn."
+
+"Zoowat zoo groot als jou wijsvinger. Twee aardige, roode knuistjes
+heeft ze."
+
+"Nu hebt u nog in 't geheel niet gezegd, hoe ze heet, oom," zei Leni.
+
+"Ze heet Else, ons kleine meisje."
+
+Allen vonden dit een prachtigen naam. "Zou ze 't prettig vinden,
+dat we morgen terugkomen?"
+
+"Welk zusje zou niet blij zijn met zulke lieve broertjes," zei oom
+Karel, Bob in de wang knijpende.
+
+"O paatje, ik verlang zoo," zei Hans met een diepen zucht.
+
+"Wat kunnen we later heerlijk paardje spelen, Bobbie. Zus komt dan
+in de sportkar te zitten, jij wordt paard en ik koetsier."
+
+"Neen, dan wil ik koetsier zijn," zei Bob.
+
+"Neen," pruilde Hans, "ik heb het 't eerst gezegd."
+
+"Weet jullie wat," zei mevrouw Van Brakel, die bang was, dat er
+gekibbel kwam. "Zusje mag dan kiezen, die is de dame, die gereden
+wordt."
+
+"Ja, dat vind ik best," zei oom. "En zal ik jullie nu eens vertellen,
+waarom zusje _nu_ gekomen is?"
+
+Ja, dat wist niemand.
+
+"Omdat ze het later zoo prettig zou vinden in de vacantie jarig
+te zijn."
+
+"Òf ze gelijk heeft," riepen Nel en Door tegelijk.
+
+"Maar nu moet ik toch werkelijk eens kijken, wat Leni gekregen
+heeft. Morgen in den trein kunnen we den geheelen tijd over zusje
+praten. Mij dunkt, Door en Nel zijn hier aan 't versieren geweest. Wat
+een heerlijke massa bloemen! Met je nieuw croquetspel wil ik vandaag
+vast een spelletje doen.'
+
+"Ja, ja, dat moet ingewijd worden," zei Dolf.
+
+"En nu moet u nog eens iets zien," zei Nel.
+
+"Extraatje van Door en mij," stelde ze voor, op den egel wijzend.
+
+"Neen, oompje, alleen van mij, Nel durfde hem niet opnemen."
+
+"Een egel? Daar moet je nu Door voor wezen om zoo'n aantrekkelijk
+diertje mee te nemen," lachte oom. "Wat zei zusje wel van zoo'n
+cadeau? Maar dat behoef ik eigenlijk niet te vragen. Bij Leni is
+immers elk dier welkom."
+
+"Dat zei ik ook, oompje."
+
+"Hoe jammer," zei Leni, "dat de egel zich nu heelemaal ingerold heeft."
+
+"Dat is niets, die onbeleefdheid en dat nog wel op jouw verjaardag,
+zal ik hem wel gauw afleeren," zei oom. "Dolf, haal mij eens een
+kopje water, dan zullen we "extraatje," eens een bad geven."
+
+Nauwelijks had de egel het water gevoeld, of hij begon zich te
+ontrollen.
+
+"O, kijk hem eens, kijk hem eens," riepen Dolf en Nel.
+
+"Zie hem eens boos kijken," lachte Door. "Foei, oude jongen, niet zoo
+ernstig en dat nog wel op zoo'n grooten feestdag als vandaag. Ziezoo,
+zoo mag ik je liever, nu ben je ons tevreden "extraatje" weer."
+
+"Stil, wij worden geroepen! Wie het eerst thuis is," zei oom en nam
+Fritsje op zijn schouder en 't heele jolige troepje holde achter
+hem aan.
+
+"Fritsje gewonnen! Moesje! Fritsje gewonnen!"
+
+"Ja, ja," lachte moeder, "jij lijkt het winterkoninkje wel, die bij
+een wedstrijd onder de vogels, wie 't hoogste vliegen kon, onder de
+vleugels van den adelaar kroop en zoo den strijd won, maar de andere
+vogels leelijk fopte."
+
+Daar begreep Fritsje niets van, maar wel, dat, wat op tafel stond,
+heerlijk was.
+
+"Bob en Hans, kom gauw. Hier staan beschuiten met muisjes op tafel,"
+riep Dolf, die de tweede overwinnaar was. "Ter eere van 't zusje,"
+zei mevrouw Van Brakel.
+
+'s Middags werd er croquet gespeeld, tot groot pleizier van de groote
+en kleine menschen, maar niet het minst van Fox en Julia, die elken
+bal naholden. Tot slot van het feest onthaalde moeder nog op een
+heerlijke roomtaart, waarop ze voor de grap een vlaggetje gestoken
+had en waarop stond: "Wie in Augustus geboren is, hoezee!"
+
+Allen begonnen dadelijk te zingen, zoodat het een oorverdoovend leven
+was. Toen werden er nog allerlei spelletjes verzonnen en moest Leni
+"Toetie" raden uit: begraven steden en Door "vacantie."
+
+Eindelijk werd het tijd voor de kleintjes om naar bed te gaan. Leni
+mocht een uurtje langer opblijven. Toen eindelijk ook Door, Nel en
+Dolf goeden nacht hadden gezegd, zongen ze nog als op den eersten dag
+van de vacantie met een kleine verandering, door Door in het schoone
+lied gebracht:
+
+
+ "'t Is vacantie, nog vacantie,
+ Hoera vacantie boven!
+ En ieder, die 't niet zingen wil,
+ Die moet er aan gelooven."
+
+
+Den volgenden morgen voor schooltijd zag men weer, als op den eersten
+dag van de vacantie, twee vlaggetjes uit een portier van den trein
+wapperen. Maar nu wuifde oom Karel met zijn kaboutertjes den wachtenden
+bij den trein met even vroolijke gezichten een afscheid toe.
+
+"Toe, kinderen, voor 't laatst nog eens," zei oom Karel plagend:
+"'t Is vacantie!"
+
+"Neen, oompje," zei Door, lachend op haar boeken wijzende, "dat zal
+niet gaan!"
+
+En de anderen gaven Door volkomen gelijk.
+
+"Onmogelijk, meisje?"
+
+"Onmogelijk, oompje," bevestigde Door. "Maar met de Kerstvacantie is
+'t weer: "'t Is vacantie,"--zou Door juist beginnen te zingen, toen de
+trein zich in beweging zette. Nog een laatste wuiven van de vlaggetjes
+en van oom Karels witten zakdoek en 't vroolijke troepje groette van
+'t perron terug.
+
+Om twaalf uur kwamen allen opgewekt uit school.
+
+"'t Was toch zoo leuk in de nieuwe klasse," vonden Door en Nel. Dolf
+en Leni hadden allerlei prettige verhalen.
+
+"Dat mag ik zien," zei moeder. "Vroolijk op school en vroolijk thuis."
+
+"Ja, ja, we zijn wat trotsch op ons jolig troepje," zei vader lachend.
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Een Jolig Troepje, by Marie Leopold
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 12070 ***