summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--10820-0.txt11671
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/10820-8.txt12089
-rw-r--r--old/10820-8.zipbin0 -> 267947 bytes
-rw-r--r--old/10820.txt12089
-rw-r--r--old/10820.zipbin0 -> 266484 bytes
8 files changed, 35865 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/10820-0.txt b/10820-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..493c3f6
--- /dev/null
+++ b/10820-0.txt
@@ -0,0 +1,11671 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 10820 ***
+
+EEN LIEFDE
+
+door
+
+LODEWIJK VAN DEYSSEL
+
+
+
+VOORBERICHT
+
+
+De tweede uitgave van den roman EEN LIEFDE verschijnt zonder de
+zogenaamd onvoegzame of onzedelijke uitdrukkingen, die in de eerste
+uitgave voorkwamen.
+
+De belangstellende leidde daaruit niet af dat de meening van den
+schrijver veranderd zoû zijn met betrekking tot de mate van vrijheid en
+van onafhankelijkheid van algemeen geldende zienswijzen, die een
+eigenschap der letterkunde moeten zijn.
+
+De reden, die tot wijziging deed besluiten, is deze, dat geene
+gelegenheid werd gevonden eene nieuwe uitgave behoorlijk bezorgd te
+zien, tenzij met wijzigingen.
+
+De vraag deed zich nu voor in hoeverre de verandering verantwoord kon
+worden tegenover de kunstleer, waarvan de oorspronkelijke vrije text de
+toepassing was.
+
+Ten eerste nu, kwamen, bij latere objektieve beoordeeling, sommige
+onvoegzame of onzedelijke uitdrukkingen tevens voor fouten van
+letterkundigen aard te zijn. Deze behielden voor den schrijver wel hunne
+bekoring als bewijzen van felle leer-stelligheid, maar deden feitelijk
+het wezen der roman-gedeelten, waar zij zich bevonden, geweld aan.
+
+Ten tweede echter, kwamen de letterkundig deugdelijke deelen te berde,
+die toch wegens onvoegzaamheid of onzedelijkheid moesten verwijderd
+worden. Dit was eene verdrietelijke scheiding.
+
+Een roman als deze is evenwel niet een Geheel van dien aard, dat hij,
+--gelijk een beeld of een muziekstuk wel--bedorven zoude worden door
+de uitneming van enkel kleine stukken.
+
+Aangenomen dat deze roman goed werk zij en gegeven de noodzakelijkheid
+eener keuze als de zoo even aangeduidde,--zoo moest die zich wel
+vestigen op het behoud van zoveel mogelijk van het werk, dat anders
+geheel verdonkeremaand ware gebleven.
+
+
+Zomer 1899. L. VAN DEYSSEL.
+
+
+
+
+EEN LIEFDE
+
+
+
+
+I.
+
+
+--Doe nou de deur maar dicht, kind, anders vat-je kou.
+
+Mathilde deed 't. Eerst draaide zij de onderste helft toe, daarna de
+bovenste, sloot die af met een dikken sleutel en hing den sleutel aan
+een haak, midden aan de bovenste helft der deur, waar Jans, de meid, hem
+vinden zoû.
+
+Met éen sprongetje was Mathilde weêr bij haar vader, die, meer achter in
+den gang, wachtte; zij stak haar arm door den zijnen en de twee wandelden
+terug naar het zaaltje. Zij hadden met hun tweeën de menschen, die dien
+avond bij hen geweest waren, uitgelaten. Terwijl de heer de Stuwen
+opmerkingen maakte over kleine voorvalletjes van den avond, stapte zijn
+dochter op hakken naast hem, en keek zij, het hoofd gebogen, naar de
+punten harer schoenen. Zij zeî niet veel.
+
+--Toen 't zoo geanimeerd werd, dacht ik niet, dat ze zoo vroeg heen
+zouden gaan.
+
+--Nee, antwoordde Mathilde, dat was wel vreemd. In-eens herinnerde de
+vader zich iets, iets dat hem getroffen had. Hij glimlachte, de oogen
+neêr, schalksch:
+
+--Heb-je wel gemerkt, hoe verlegen of mevrouw van Borselen werd en dat
+z'n 'n eindje met haar stoel van Louis Berlage vandaan schoof, toen ie
+die anekdote vertelde van die jonge weduwe, die zoo graag weêr trouwen
+woû?
+
+--Nee, daar heb ik niet op gelet ...
+
+--Van Wilden was weêr op zijn beau dire van-avond.
+
+--Ja.
+
+Mathilde moest nu den arm loslaten, want de ingang van het zaaltje was
+niet breed genoeg voor beiden te gelijk. Zij liet haar vader binnengaan,
+met gedachteloze blikken over zijn rug.
+
+Het zaaltje, in de war, bepoeteld, kleverig, vol klamme glansen in het
+dik-gele lamplicht, luwde een volle warmte over hun gezichten,
+doorsiepeld van glacéhandschoenen-en punchgeurtjes. Door het éene
+groote venster, dat op de binnenplaats uitkwam, frischte, als uit een
+mond van den nacht, de buitenlucht er tegen in. De stoelen stonden,
+links en rechts, in een onvriendelijke wanorde. Voete-kussens lagen over
+den vloer, wild weggeschoven.
+
+Mathilde ging naar de piano, krabde een droppel vet, die, van de kaarsen
+gedropen, op een zwarten toets was gestolten, aan poeyer, spreidde de
+groenwollen lap over de toetsen, sloot de klep dicht en borg de bladen
+muziek in het kastje daarnaast.
+
+--Ja, zeì haar vader, die, langzaam met zijn laag kaal hoofdje, aan de
+tafel was gaan zitten om nog een half uurtje de krant te lezen en haar
+bezig zag, je heb wezenlijk uitstekend gespeeld, die sonate, oneindig
+beter als laatst.
+
+--Och, zeî ze, en blies meteen de kaarsen uit.
+
+Met een soort van drift liep zij nu door het vertrek en zette de stoelen
+en het speeltafeltje op hun plaats. Zij schelde; daarna slofte de meid
+binnen.
+
+--Jans, breng de glazen en die twee flesschen nog even naar de keuken.
+En ook de kopjes, die op het buffet staan, dan is dát weêr in orde.
+
+Mathilde zette den bruinen tonvormigen tabakspot met het meerschuimen
+pijpje bij haar vader en zeî hem in een zoen in zijn voorhoofdrimpels
+goeye-nacht.
+
+--Maar, kindlief, 't is pas kwart voor elleve, ga je nou al na boven?
+vroeg de oude heer, goedig opziend haar omhelzingsgebaren.
+
+--Ja, vader, ik heb een beetje hoofdpijn, en ik woû morgen vroeg opstaan
+om wat te teekenen.
+
+--Nou, slaap wel dan.
+
+--Insgelijks, papaatje. Jans zal je goed sluiten, ook raam hier, en ga
+jij dan ook maar naar bed, hoor!
+
+--Jawel, jufvrouw, weest u maar heel gerust. Nacht, jufvrouw.
+
+Geregeld elken avond werd deze aanbeveling gegeven en zoo beantwoord, nu
+al vier jaar lang, sinds Mathilde van kostschool terug was.
+
+Mathilde holde naar boven, alsof er brand was. Daar bedacht zij iets,
+en, van het eerste portaal, riep zij luid:
+
+--Vader!
+
+--Wat is 't? riep hij door de zaaldeur.
+
+--Blijft u nu ook niet al te lang op! Denk aan uw rheumatiek!
+
+--Nee, kind, ik kom over een kwartiertje. Wel te ruste!
+
+--De jufvrouw is zeker weêr een beetje bang, zeide Jans.
+
+--Misschien wel, antwoordde de Stuwen, en stopte zijn pijpje.
+
+Mathilde sliep op de tweede verdieping, boven haar vader, in een kamer
+aan de straat, twee ramen breed. Zij had in de gauwigheid vergeten een
+licht meê te nemen en bewoog zenuwachtig rond in de donkerte. Wat een
+akelige, nare kamer ook! Waar waren nu de lucifers? zij behandtastte met
+zoekende vingers de kastjes en tafels. Eindelijk vond zij ze en stak
+gauw het gas aan. Hoe heerlijk toch dat gas, dacht zij. Gelukkig, dat
+mijn kamer ook met gas is, want als ik een lamp had, zoo als op het
+zaaltje, dan kwam ik daar zeker nooit meê klaar. Toen het gas óp was,
+ging zij tegenover de tafel zitten, in-ééns, met een schok van haar
+lichaam, op een der vier stoelen aan den wand. Zij staarde voor zich
+uit, en liet haar oogen langs de planten-figuren van het tafelkleed
+gaan; haar armen hingen loom langs de heupen neêr. Daar omtrilde haar de
+koele nukkende nachtstilte. Waarom maakte zij zoo'n haast? ze wist het
+niet. Zij keek naar rechts en zag dat de venstergordijnen nog niet
+neêrgelaten waren. De blauwzwarte lucht boven de boomen langs den
+wallenkant, onder de franje der gordijnen, scheen een door de punten der
+franje getande donkere lap goed, van gouden vonken doorstikt. Mathilde
+maakte het touw los en roef! roef! klapten de gordijnen neêr. Toen begon
+zij zich uit te kleeden, zij nam den kam uit het haar, die haar toch al
+gedurende den avond had gehinderd, en liet het dikke zwarte haar over
+den rug heen en weêr zwieren. Zij was opgewonden, voelde zich koortsig.
+Haar borst daalde en steeg onder het ritselend korset. Ring! met éen
+ruk knoopte zij haar groenzijden lijf los, trok het korset af en gooide
+het op zij. Ja, zoo kon zij toch niet naar bed gaan! Ze zoû nooit
+slapen! Met haastige groote stappen de handen op den rug als een jongen,
+begon ze te loopen, van de ramen naar de deur en weêr te-rug. Haar
+schedel en handenpalmen zweetten van opgewondenheid. Haar bovenhoofd
+werd warmer. Telkens wanneer zij de tafel en het licht achter zich had.
+zag zij haar schaduw op de gordijnen en op de muur verschijnen, een
+wilde, warrige, wemelende schaduw: een hoofd met haren in grilligen
+kroes, rechtopsprietend en in kronkelende lijnen, als een ruiker
+grashalmen zonder kunst op het veld samengebonden zich vermengend, en
+een openhangend jak, met vagen schouder en taillevorm, als een breede
+bewegende japansche vaas daaronder. Als zij naderde werd de schaduw
+grooter en verloor hoe langer hoe meer haar eersten vorm. Zij kon niet
+ophouden met er naar te kijken, zij vond dat aardig, veel aardiger dan
+gisteren en eergisteren, toen ook de schaduw op het gordijn had
+bewogen.. Zij had er nooit zoo erg op gelet. Zij kreeg de gedachte den
+ruiker en de vaas van vorm te doen veranderen. Zij stak haar hand in het
+haar en streek het nog hooger naar boven, zij strengelde den langen bos,
+die over haar rug hing, om den hals of wierp alles naar boven en liet
+het terug vallen op haar schouders en over haar gezicht. Zij had er veel
+plezier in, zij lachte hardop. Zij nam haar jak bij de tippen en sloeg
+zóo naar twee kanten uit, zij gaf het den schijn van vleugels en maakte
+er de beweging van vliegen mede, met zoo een geweld, dat het garneersel
+kraakte aan de schouders. Zij sprong in de hoogte en danste door het
+vertrek. Zij kwam er toe een balletdanseres na te doen, bracht de armen
+samen boven het hoofd en strekte ze dan weêr horizontaal uit. Zij nam
+haar rokken op in de breedte en walste zoo rondom de tafel, en zij ging
+maar voort en wist niet welke gebaren maar te verzinnen om voor zichzelf
+de Chineesche-schim te vertoonen. Haar bewegingen werden grilliger en
+ongerijmder: zij zwaaide met de vingers, deed haar kanten zakdoekje
+wapperen, draaide op éen voet rond als een tol en was op het punt naar
+haar korset te grijpen om voor tamboerijn te dienen bij haar dansen,
+toen haar blik tegen den spiegel aankwam, aan den wand. Zij vond op-éens
+dat zij dwaas deed, kwam tot bedaren, in een akelig-leêg gevoel, leî
+haar handen naast elkaâr even over de borst en zakte hijgend op den
+stoel van zoo-even neêr. Zij voelde zich weêr een jong kind zijn in haar
+dolle vreugde. Onwetend wat te doen, stak zij, uitrustende, de haren
+tusschen haar tanden, en onttrok ze weêr met geweld aan haar eigen
+beten. En hijgend neuriede zij melodiën uit de _Juive_, die zij den
+vorigen Dinsdagavond had gehoord. Zij bond de haren in stevige knoopen
+aan elkaâr. Zij trappelde met de voeten op den vloer, al maar niet
+wetend wat te doen van blijdschap.
+
+--Ja, ik ben twee en twintig jaar! joedelde zij, sprekend en zingend, en
+dat vind ik heerlijk, verrukkelijk, hemelsch, en hij houdt van me, want
+hij heeft t' van avond zelf gezeid, en wij zullen samen trouwen, zoo
+gauw mogelijk, en dat vind ik zalig! ...
+
+Achter de kamer knapten de trappetreden onder Jans, die beneden alles
+nog opgeredderd had, en nu ook naar bed ging. Mathilde waakte even op
+uit haar mijmeren, met luisterende oogen. Een beetje bedremmeld en
+aarzel-lachend keek zij in de rondte. De stappen van Jans stierven uit
+op de verdieping daarboven. Mathilde hoorde, als heel uit de verte, Jans
+haar kamertje dichtdoen en het knipje voor de deur schuiven. Daarna was
+alles stil in huis. Mathilde pakte haar gloeyende wangen tusschen de
+handen. Langzaam peuterde zij de knoopen uit de haren los en gooide ze
+allemaal naar achteren. Zij hoorde niets meer dan het gezuis van de
+gasvlam vóór haar. Zij dacht er aan dat haar vader ook al naar bed moest
+zijn gegaan. Zij keek naar de zoldering en zag de zware schaduw van haar
+ledikant. Zij vond, dat van-avond de dingen op haar kamer zoo vreemd en
+koud waren als anders nooit. De tafel bewoog niet, de kasten zeiden
+niets en de stoelen waren leêg. Er daalde een benauwde warmte van het
+plafon neêr. Alles in de rondte, wat niet in den gas-schijn was, stond
+in een rare donkerte. Mathilde zag onbekende zwarte hoekjes, en een
+vreemd soort ruischende stilte wasemde daaruit op, naar haar toe.
+
+Zij kreeg 't warm, zij streek met haar zakdoek over het vochtige
+voorhoofd en den klammen hals. Zij deed haar jak uit. Zij had pijn aan
+haar linkervoet. Zij duwde haar schoen uit. Zij had lichtgroene kousen
+aan, en kreeg onder het ledikant haar zwart-zijden pantoffels. Toen
+sidderde het dunne bedgordijn. Mathilde had een kleine huivering. Ze
+draaide het gas hooger. Langzaam ging ze naar de waschtafel. Haar wangen
+waren purperrood, haar hoofd boog naar den linker schouder, de zware
+zwarte haren bosten in glimmende kronkelingen over den half blooten rug.
+In het hoofd klopte de wildheid van zoo-even na. Zij deed een beetje
+Floridawater op den handdoek en bette haar gezicht ...
+
+O God, hij hield van haar! ... Zij was bang duizelig te worden, als ze er
+erg aan dacht. Haar handen leunden op de kanten van de waschtafel, haar
+blikken zweefden langzaam over de kom met water. Zuchtend zij er weêr
+van daan en zag besluiteloos rond. Het gaslicht brandde flikkerend hoog.
+Zij had 't erg warm. Zij haakte haar groenen rok, die met een haakje en
+oogje op den rug vast zat, los, en liet hem over haar voeten uit
+glijden, en hing hem op in een muurkast, waaruit zij meteen haar langen
+licht-grijzen peignoir, met zwart-fluweelen kraag en mouwopslagen te
+voorschijn kreeg. Zij leî dien op de tafel en bleef daarvóor staan in
+haar korte witte rokken, waaronder de groene gladde kousen in de
+vloerdonkerte op-stonden. Het haar, ver naar voren aan weêrszijde,
+verborg haar oogomkastingen in een schaduw, waar de oogen als zwarte
+seinlichtjes in uitschenen en klapten open en dicht. In elken blik zag
+zij het geheel van haar kamer, met dezelfde kleuren en vormen als elken
+avond. En toch scheen alles zoo vreemd. Er was als een bizonder en
+ongekend leven in de meubels, die haar geen kwartier geleden nog zoo oud
+en levenloos hadden omgeven. Een geheimzinnig suizen, iets, als
+schemerde daar een onzichtbaar waas van de zoldering naar beneden om
+langzaam weêr op te trekken en als zweefde er een zwartige wolkige massa
+van de wanden uit naar voren, om, door de ruimte van het vertrek heen,
+over het huisraad te dwalen en zich daarmeê te vermengen of op eens in
+zich zelf te verdwijnen. Het scheen, dat er straks een gedaante zoû
+opkomen, die iets te fluisteren had aan Mathildes oor en dat er een
+vreemde wind langs het behangsel woei, die zijn naderen voorspelde. Dan
+was 't, als of onbekende menschen of vreemde wezens langs onzichtbare
+telegraafdraden, boven door de kamer, stilletjes elkaâr allerlei dingen
+zeiden. Keek zij vóor zich, dan bewoog daar iets links achter haar, maar
+stil en zacht, zonder vijandige bedoeling, en keek ze naar den hoek,
+waaruit de beweging scheen te komen, dan bewoog er weêr iets vóor haar
+heen en wilde zij zich overtuigen, dan was alles stil en stom als toen
+ze pas binnenkwam. Zij dacht, dat zij niet wél was en deed haar hand
+tegen haar voorhoofd, de haren wechstrijkend, zoo dat het volle licht
+haar in de oogen schoot en zij alles in de rondte van een grijzige mist
+zag omwasemd. En weêr dwarrelden er klanken van de zoldering omlaag.
+Jozef, ... suist het, Jozef, ... Zij deed haar oogen toe en zag in haar
+verbeelding dien naam, en altijd, altijd dien naam, in drukletters voor
+haar. En wech was weêr de naam, en Jozef van Wilden zelf stond te voeten
+uit vlak voor haar, hij naderde nog meer en drukte zich tegen haar aan,
+zijn gezicht vastgedrukt aan haar gezicht, en zijn oogen blonken in haar
+oogen, zoo dicht bij, dat zij de lichtblauwe tint van het wit dier oogen
+onderscheidde en de klare groen-blauwe balletjes der appels haar oogen
+schenen te raken. Daarna weken zij te-rug en leunde het mooye, blanke,
+aan de slapen afgeronde voorhoofd aan het hare. Mathilde schudde de
+verschijning van haar gezicht af. Zij opende haar oogleden en voelde
+zich een beetje bang. Zij durfde niet goed meer rondzien. Weêr bewoog er
+iets links en rechts. Wat kreunde daar achter het kastje? En zij zag een
+nevel weêr door de kamer dansen. Zij keerde haar hoofd rechts af en
+wrong de handen samen, in een beweging van beklemdheid voor het lijf
+uitgestrekt. Het was, als tintelde een gevoel door het vertrek en deelde
+zich aan al de omgeving mede, één enkel gevoel van opperste bevreemding,
+éen voorspelling van een onuitsprekelijk groot en nieuw geluk. Daar zag
+zij weêr in den spiegel en keek er zich zelf in aan. Zij deed er een
+stapje op toe en zag zich als een witte pop in de kamer staan. Eerst
+bekeek zij nu aandachtig de kamer, en was verwonderd haar in den spiegel
+zoo heel anders te zien. Alles had hier het oude, gewone voorkomen, dat
+van gisteren, dat van altijd. De wanden en het huisraad deden zich hier
+bedaard en juist voor, wezenloos en zonder geluid. Dat was zonderling,
+wat een rare spiegel! Haar gezicht was ook hetzelfde als altoos, alleen
+maar bizonder, erg, al te erg verhit. Wat stond zij daar gek, waarom zag
+ze er zoo verwilderd uit, waarom gloeide haar hoofd zoo, waarom stond ze
+zoo naakt, in haar ondergoed? Waarom was ze niet naar bed gegaan? Waarom
+had ze anders haar peignoir niet aangedaan? Waar was die? ... Op de
+tafel. Langzaam stak ze haar armen door de slappe mouwen, de dunne stof
+streek haar over de leden. De zwart fluweelen rand scheerde langs haar
+warmen hals. 't Is verschrikkelijk warm! zeide ze in zich zelf. Het
+kookte haar door de aderen. Met haar zakdoek wuifde zij koelte haar
+wangen. Haar hart klopte gauw achter mekaâr. Nu gooide zij nog eens
+gedachteloos een blik in den spiegel en zij zag het bibberig glansende
+vernis, dat de borst van haar moeders portret aan den wand, links
+tegenover het gaslicht, bedekte. Maar boven die schitterende plek
+bemerkte Mathilde de droevig-ernstige gelaatstrekken. En zij dacht even
+aan haar moeder. Zij had haar zoo weinig gekend! Zij was nog zóo jong,
+toen haar moeder dood was gegaan! Suffend draaide Mathilde naar het
+portret toe. Haar oogen bedroomden het vol onbewuste gedachten. Zij werd
+bang voor die geschilderde droefheid, zij ging naar het venster en trok
+het gordijn op. Haar koortsigheid was heviger. Tevergeefs probeerde ze
+op haar eigen gemoed in te denken. Haar blik schuimde over haar
+werktafeltje af, vóor het venster heen. Midden-tusschen uitgeknepen
+waterverffleschjes en lange penceelen, een glas vuil geel water, waarin
+roode wolkjes dwarrelden, een blikken doos, met lankwerpige en
+afgesleten stukjes verf, een paar licht-bruine potlooden, een stuk
+kleverig gommelastiek en smoezelige papieren, lag er een aquarel, die
+nog afgemaakt moest worden. Plotseling bedacht Mathilde, dat zij dat
+van-avond had willen doen. In een drift over haar vergeeterigheid, nam
+ze de teekening en de penceelen op, om ze over de groote ronde tafel te
+spreiden onder het snerpende gaslicht. Haastig ging zij zitten, maar hoe
+ze er zich ook over bukte, hoe ze zich in de werkstemming trachtte te
+brengen, het landschap, dat voor haar oogen lag, warrelde alsof er een
+wemelend vlies over gespannen was. Zij kon maar niet tot rede komen. Zij
+liet het teekenen weêr in den steek en nam een duitsch boek van het
+boekerekje, om wat te lezen. Maar dit lukte ook niet. Zij liet het
+boekje liggen. Het bonsde aan haar slapen. Haar hoofd was vol van de
+dolste gedachten. Eindelijk nam ze een besluit. Ze zoû naar bed gaan,
+beproeven in slaap te komen. Ze zoû de vensters, of ten minste éen,
+openzetten, want het was een zoele Julinacht. Zij deed het raam open
+door de kruk in 't midden éens rond te schuiven; zonder leven gingen de
+twee glazen deurtjes open. Het werktafeltje werd naar achteren geduwd en
+Mathilde ging op de vensterbank zitten, haar beenen over elkaâr, den arm
+geleund op het zwart ijzeren hekje. En zij wendde het hoofd naar buiten
+in de lauwe zomerlucht.
+
+Het was een stille, hooge nacht. In korte spelingen woei zoetjes de wind
+door de trillende blaâren der boomen, vlak bij Mathilde aan den
+wallenkant en deed de haarsprietjes dansen tegen haar voorhoofd, en
+vlaagde de angst wech uit de kamer, voorbij het onrustig vlammende gas.
+Een groote kalmte daalde in Mathildes gemoed. Onder de wijde verte van
+den vonkel-krielenden hemel en boven den dorren klank der
+vér-geruchtende stads-nachtgeluiden, voelde zij het vreemde geluk in
+haar hersenen en hart, maar zonder angstige drift, zachtjes, zachtjes,
+als een dauw van zaligheid. Mathilde zag rond: een glimlach zweefde
+overal. De straatkeyen, in het lantaarnlicht, wiebelden teeder-grijs
+heen, smetteloos samenoogend, blaârenschaduwen plasvlekten in doezelige
+warrelingen over de bruingele klinkers. Als hooge kerkkaarsen stonden de
+slanke lantaarnpalen met hun van boven rossig gekartelde lichtjes, met
+geelwasemingen in de boomfestoenen. Het donker-groene water stroopte
+golfloos zachtjes voorbij. Boven de boomen uit zag Mathilde de bovenste
+ramen en de daken aan d'overkant. Aan éen venster was nog licht, een
+onbewegelijk dof licht, achter het vuil-gele gordijn. Maar hooger
+klommen Mathildes blikken, hoog boven de blauwige en bleekroode daken,
+boven de driehoekige en ovale geveltoppen uit, wijd-uit-turend, als
+zoekend, in de goud-doorstikt lichtende lucht.
+
+Heerlijk, dacht zij, het hoofd op de hand, heerlijk zoo in den nacht te
+zitten kijken! Zij had de verhitting van haar slapen voelen wijken en
+een groote blijdschap, rose, wit, licht-geel, was over haar
+neêrgevallen. Ik blijf hier op mijn gemak nog een beetje denken, dacht
+zij, het duurt nog lang eer het morgen is. Zij leî haar handen in den
+schoot en boog het hoofd voren. Lange vlassige streepen zwart haar
+vielen aan weêrszijde, onder haar ooren, langs haar hals tusschen haar
+borst. Haar oogen waren neêr, om zich te herinneren wat er gebeurd was.
+Mathildes rijtjes van lange oogharen, als kleine ragfijne waayers,
+verwarmden tint der onderoogleden met hun schaduw; twee gestolten tranen
+glinsterden haar oogen er tusschen. Zij had een bloederige roodheid aan
+de oogranden en fel-roode lippen. Haar neusvleugels trilden, als zij
+iets sterk verlangde. Zóo was zij, zoo had Jozef van Wilden haar dien
+avond gezien, toen hij haar zijn liefdesverklaring maar had meenen te
+moeten doen. Daar zat zij nu over te denken, hier aan 't venster. Zij
+wilde zich volstrekt alles te binnen brengen, elken trek van zijn
+gezicht, elken toon van zijn stem, toen hij haar die woorden had gezegd;
+zij wilde voor de tweede maal, nu in gedachten, die zaligheid door
+maken. En met veel zekerheid rees de herinnering in haar op. Het was
+in het zaaltje, achter, waar ze altijd zaten, als ze menschen kregen,
+haar vader en zij; het zal zoo wat tien uur zijn geweest. Jans was juist
+voor de tweede maal met wijn rond geweest. Mevrouw van Borselen had al
+iets gezongen, Ster en Jozef hadden al wat voorgedragen, toen zij
+begreep, dat nu de beurt aan háar zoû komen. Wezenlijk had haar vader
+haar op zijn gewone goedaardige manier aangezien en gezeid: Mathilde,
+laat jij je nu niet eens hooren? en allemaal hadden ze er op
+aangedrongen. Zij had zich een beetje zenuwachtig gevoeld, want Jozef
+gaf taal noch teeken. Zoû hij er wat tegen hebben, dat ik speel, had zij
+toen gedacht, dan zal ik juist vreeselijk mijn best doen. Wat zal 't
+zijn? vroeg haar vader. Zonder een sekonde te aarzelen had zij erg
+bedaard en erg moedig geandwoord: de _Sonate pathétique_, als u 't
+permiteert. De woorden waren er uit; nu moest ze 't ook doen. Sints een
+paar weken had zij de sonate wel alledag geoefend en de laatste drie
+dagen zelfs vlug gespeeld, maar nog nooit had ze zoo'n moeyelijk stuk
+ondernomen in gezelschap. Maar zij hield verschrikkelijk veel van de
+sonate en dacht, dat zij 'm met gevoel speelde. Zoo had zij dan, terwijl
+de kaarsen spattend knapten onder het wachtend zwijgen van de menschen,
+zich naar het muziekkastje gebukt, er het dikke kajee uitgenomen en was,
+heelemaal klaar voor den strijd, aan de piano gaan zitten. Inéens hoorde
+zij nu eene beweging achter haar en zag zij Jozef van Wilden, die
+stilletjes dichterbij kwam, zijn oogen, waarin het kaarslicht
+terugflikkerde, op haar muziek gericht, zijn snor tusschen de tanden.
+Mag ik de bladen omslaan? had hij gevraagd, met een rare stem. Heel
+graag, had zij, bizonder koel, geandwoord. Er sijpelde iets kouds door
+haar handen; zonder dat zij het wilde tikte een van d'r vingers neêr op
+een zwarten toets en flauwtjes weêrklonk een angstig hooge toon. Maar
+zij haalde krachtig adem en was zich meester. Zij was toen zonder
+aarzelen maar begonnen. Naarmate zij vorderde, ging het beter. Zij
+voelde zich gloeyen onder het spelen. Zuiver, zonder éen fout, had zij
+het stuk voleind, zij was vuurrood geworden en transpireerde er van. En
+onophoudelijk had zij Jozefs warme adem langs haar oor voelen gaan. Zij
+had gemerkt, dat die al sneller en sneller werd, naar mate zij
+gelukkiger speelde. Zij zag de bladen bibberen in zijn hand bij het
+keeren; eindelijk had ze hem tranen hooren slikken, ja, zij had het
+duidelijk gehoord, hij had gehoest om niet te laten merken dat ie
+huilde. Het laatste blad had zij zelf moeten omslaan, want hij vergat 't
+en zij wist toen niet eens meer of hij nog achter haar stond. Maar toen
+ze de slotakkoorden had neêrgestoten in volle vuur, en ze, met een
+zekere koude door de leden, opstond en zich met een "dankje wel" naar
+Jozef keerde, toen had ze hem bleek en aangedaan zóo vlak achter haar
+vinden staan, dat haar haren langs zijn wang scheerden, en, onder het
+handgeklap en de bravo's van de menschen, had hij heel zachtjes tegen
+haar gezeid, dat hij zooveel van haar hield.
+
+En als een geur, die haar verder den geheelen avond bijbleef, had zij
+die klanken meêgedragen in heur haar. Het had haar geschenen, als hoorde
+zij die stem voortdurend met eindelooze teederheid aan haar oor, als was
+er iemant die telkens zeî: mag ik je iets zeggen, Thilde, ik houd
+zooveel van je, onbegrijpelijk veel, en altijd, altijd inniger en
+doordringender. Toen de avond afgelopen was en de menschen kort na
+mekaâr afscheid namen en ook Jozef vader en haar goeyendag zeî, had ze
+hem niet aan durven zien en flauw zijn hand gedrukt. Maar zijn woorden
+zongen in haar ooren. Bij haar naar bovengaan dreunden zij haar na op de
+trap, omklonken haar van alle kanten en bonsden in haar hoofd ...
+
+Eindelijk dan, eindelijk had hij het gezegd. Wèl had zij lang gewacht,
+wel had ze hem honderdmaal, als hij bij haar vader een visite maakte en
+zoo kalm zat te praten, schijnbaar onverschillig aangezien, met de vraag
+in de keel, die zij hem toe had willen roepen: Waarom hoû-je niet van
+mij, die zooveel houd van jou, en, wil je mij en mij alleen, zooals ik
+jou en jou alleen wil, waarom zeg je 't dan niet, waarom laat je dan
+niets merken? Wèl had zij 's nachts, als ze maar niet slapen kôn, aldoor
+maar met verschrikkelijk veel verdriet aan hem liggen denken. Wèl was
+ze, onder het zingen ineens gaan huilen en had zij zoo bleek gezien, dat
+vader zich bezorgd had gemaakt aan het eten 's middags. Ja, wél lang had
+zij gewacht ...
+
+En, terwijl de stad vóor haar voortnachtte en de uren duurden ruischend
+om haar hoofd, herdacht Mathilde, met zich zelf heelemaal alleen, het
+begin van haar liefde voor Jozef, het aangroeyen van die liefde, het tot
+hartstocht worden, de dagen van hoop en de wanhoopsvlagen door die
+stille liefde over haar gebracht.
+
+Buiten stemde de wind de boomen al zachter en zachter, het water in den
+val beneden haar scheen bijna bewegingloos en in de verre hoogte waren
+de sterren gestadig.
+
+Toen zij nog heel klein was, speelde Jozef wel met haar, als hij met
+zijn vader en moeder bij hun aan huis kwam. Hij was al een groote jongen
+met een jas aan, zoo als een heer. In 't begin had zij erg tegen hem
+opgezien. Hij sprak altijd meê met de groote menschen, en eens, toen
+zij, op haar twaalfde jaar, ook iets heel ernstigs in 't midden had
+willen brengen, was háar gezegd zich stil te houden. Naar Jozef
+daarentegen werd altijd geluisterd. Dit had haar een zekeren eerbied
+voor hem gegeven, maar die toch al gauw minder werd door zijn
+vriendelijke en alles vergevende gemeenzaamheid. Als zij samen aan den
+gang waren, aan 't spreken en lachen of spelen, gedroeg hij zich als
+haar gelijke en behandelde haar als een goede kameraad. Eens op een
+buitenpartijtje, toen zij in den tuin van een uitspanning aan 't
+schommelen waren en hij haar, hoe of ze ook tegenstribbelde, veel te
+hoog opzette, was ze heelemaal duizelig geworden. Ze was gaan huilen, en
+toen Jozef eindelijk den schommel tot stilstand bracht, had zij hem, in
+haar drift, pardoes een klap in zijn gezicht gegeven. Een kwartier
+later, toen zij bedaard was en inwendig al spijt had van haar handeling,
+was hij naar haar toe gekomen om haar te vragen of zij nog boos was. Zij
+had bedeesd van neen geknikt. Hierop hadden zij elkaâr afgezoend en was
+er over niets meer gesproken. Dit voorval maakte, dat zij veel van Jozef
+begon te houden. Ze vond 't zoo lief van hem, dat hij haar niet af had
+geranseld, want hij was toch zooveel sterker dan zij. Uren lang kon hij
+zich dan ook met haar bezighouden, naar haar poppespelen kijken, haar
+goeden raad geven voor haar borduurwerk en pianospel, en nooit was hij
+boos, wanneer ze hem met een slecht humeur antwoordde. Zoo als hij haar
+van haar derde tot haar zesde jaar op zijn schoot nam, haar liefkoosde
+en sprookjes vertelde, zoo als hij toen eens heur haren had gekamd op de
+manier zoo als hij zeî dat de mooiste jonge jufvrouwtjes in de groote
+stad Parijs hun kapsel droegen, zoo als hij haar prenteboeken meêbracht,
+met veel prachtiger plaatjes, dan die zij van vader kreeg, en eens zelfs
+een echt gouden halskettinkje, zóo, met denzelfden goedigen glimlach,
+met hetzelfde gemak en geduld, met hetzelfde onverstoorbare goede
+humeur, had hij ook belang gesteld in haar vermaken van toen zij wat
+ouder werd, en zich naar haar veranderde pleizieren met dezelfde
+welwillendheid geschikt. Van haar tiende tot haar dertiende bijna
+veertiende jaar, had hij haar allerlei gezelschapsspelen geleerd, die
+haar te pas konden komen, wanneer ze met vriendinnetjes was of met
+groote menschen meêspeelde: kien, het ganzebord, het dominospel, van
+alles maakte hij haar de fijnheden duidelijk en onderwees haar in die
+handgrepen, die hij zelf had weten te ontdekken om zonder moeite te
+winnen. Hij had uren achtereen met haar zitten schaken en dammen, want
+zij hield van zulke spelen, en klapte in haar handen, wanneer hij haar
+liet winnen, zoo als dikwijls gebeurde, dan omhelsde ze hem en had hem
+nog liever dan vroeger. Zij herinnerde zich nog als den dag van
+gisteren, hoe eens, toen Jozef op een avond zoo aandachtig naar haar
+onbeteekenende eerste pianostudies had geluisterd en hij wel een uur en
+drie kwartier vlak naast haar was blijven zitten en haar een middeltje
+had geleerd om gemakkelijk de handen wijd uit te spreiden, waarna zij,
+toen al een groote meid van twalef jaar, op zijn knie was gesprongen om
+hem te bedanken,--het schoot haar te binnen, hoe toen haar vader haar
+had verweten, dat zij meer hield van Jozef van Wilden dan van hemzelf,
+haar eigen vader, en hoe zij misschien veel liever Jozef tot papa zoû
+hebben gehad. Dit was wel, neen volstrekt niet, in 't geheel niet waar.
+Zij had er zelfs nooit of nimmer aan gedacht, maar om dat Jozef zich
+zooveel met haar bemoeide en altijd haar liefhebberijen raadde, en
+altijd graâg deed wat zij ook grâag deed, om dat Jozefs leeftijd in alle
+geval met de hare zooveel meer gelijk stond dan die van haar vader, om
+dat Jozef nooit knorde, ja haar zelfs nooit ernstig onderhield, kende
+zij Jozef eigenlijk beter dan zij en haar vader elkaâr kenden, waren zij
+ten minste vanzelf schijnbaar vertrouwelijker met mekaâr. Vader las
+koeranten, waar zij niets van begreep, rookte pijpen, waarvan de
+tabaksrook haar naar maakte, vader sprak zelden met haar, of 't moest
+zijn om haar kleine godsdienstige vermaningen te geven, die nog minder
+indruk op haar maakten, om dat hij ze zelf alleen als opvoedingsmiddel
+gebruikte en zij niet uit zijn hart kwamen, dat had zij later wel
+begrepen; vader vond haar gebonk op de piano vervelend en vluchtte naar
+boven als zij begon. Er kwamen wel eens heeren vader spreken en dan zeî
+hij aan Mathilde van wech te gaan; dit vernederde haar altijd erg, en
+zoo meer. Jozef daarentegen had ook b.v. belang gesteld in haar eerste
+zelfgekozen toiletjes, de eerste uitingen van haar aanstaande
+jonge-meisjes-ijdelheid had hij met ontzaglijk veel plezier begroet en
+ze aangemoedigd. Hij was verrukt geweest te zien, hoe zij langzamerhand
+groote-dames-neigingen begon te vertoonen en hoe, met het voller
+uitkomen van haar lichaamsvormen, waar zij zelve zich toen nog ongerust
+over maakte, zij ook een beetje nuffiger en eleganter werd. Hij had
+verteld van zijn reizen, van de groote zalen vol prachtig gekleede
+dames, die hij had gezien, van de wereld daar buiten, van bals en
+konserten en komedies. Hij had haar bizonder mooye kostumen van
+hoogaanzienlijke vrouwen beschreven, die hij in hun heele volledigheid
+op had genomen. En elken dag waren zij betere vrienden.
+
+Maar toen Mathilde volwassen werd wijzigde zich langzamerhand hun
+verhouding heelemaal. Mathilde vroeg zich te vergeefs af waar 't 'm aan
+lag, zij wist geen oplossing te geven. Maar dagelijks verkoelde de
+vurige vriendschap tusschen haar en Jozef. Hij werd stiller, lachte
+minder, en er werd in 't geheel niet meer gestoeid. Ook tegenover hem
+voelde zij zich verlegen worden, dit scheen nog het meest raadselachtige
+van alles. Zonder er bij te denken was zij hem nog eenmaal, toen zij
+samen over borduren hadden gesproken en hij een haar nieuw patroon aan
+de hand had gedaan, met plotselinge aandrift zooals vroeger, op de
+knieën gesprongen en had haar arm om zijn hals geslagen. Hij was daar
+zoo verwonderd over geweest, dat hij niet geweten had wat te doen, en
+zij, met een verschrikkelijke verlegenheid onder een voorwendsel uit de
+kamer was gegaan en een wandelingetje was gaan doen. Uit instinkt
+maakten zij, toen hij een paar dagen later 's avonds bij hun was
+geweest, geen van tweeën een beweging om elkaâr een zoen te geven bij
+het afscheid, zoo als anders. Daar had zij den halven nacht toen over
+liggen denken. Twee maanden na deze gebeurtenissen, kondigde haar vader
+haar aan, dat hij haar op een kostschool in België zoû doen. Zij ging,
+en, zoo ver van hem wech, dacht zij nog maar weinig aan Jozef. Eens had
+hij haar een lieven brief geschreven, dien zij kort had beantwoord en
+met de onderteekening "uw dienstwillige vriendin en dienares". Daarop
+had hij niets meer van zich laten hooren. Haar medeleerlingen op de
+kostschool verhaalden Mathilde veel van heeren die hun 't hof maakten.
+Ja, daar had ze in Amsterdam ook wel van geweten. Als ze uit school kwam
+liepen haar altijd jongens achterna en zoenden haar en de andere
+meisjes, maar nu begon zij dat heel anders in te zien. En plotseling was
+'t haar in de gedachte komen, dat Jozefs doel misschien was geweest
+later met haar te trouwen. Dit stuitte haar tegen de borst en gaf haar
+een soort van afkeer tegen hem, zoo als hij leefde in haar herinnering.
+In de vakanties maakte haar vader reisjes met haar; éens maar was zij in
+Amsterdam geweest, en toen was juist Jozef op reis. Zoo was zij vier en
+een half jaar wech gebleven. En bij haar terugkomst voorgoed, had zij
+Jozef weêr dadelijk gezien, die haar vriendelijk groette en haar
+jufvrouw noemde. Na haar terugkomst kwam Jozef weêr hoe langer hoe meer
+bij hun aan huis en uit de gewoonte van elkaâr twee, toen drie, toen
+viermaal in de week geregeld te ontmoeten, was er langzamerhand weêr een
+vriendschap ontstaan. Zij had hem teruggezien bijna net zoo als zij hem
+vroeger had gekend. Alleen was zijn snor dikker en mooyer geworden en
+waren er lichte kringen onder zijn oogen gekomen, die alleen merkbaar
+werden, als hij van vermoeyenis sprak.
+
+Het was nu in deze jaren dat zij er zich hoofdzakelijk op toelegde het
+huis voor haar vader zoo aangenaam en gezellig mogelijk te maken. Wat
+haar bij haar vader vroeger tegen had gestaan, nam haar nu in. Zij
+verzorgde hem, trachtte zich in te wijden in zijn liefhebberijen en
+gewoonten, las de koeranten, en sprak over politiek. Zijn rooken vond
+zij pleizierig, zij lette op alles en vervroolijkte zijn leven, door
+haar pianospel en andere dingen. Zij had groote vorderingen gemaakt en
+hij luisterde er graâg naar. Zij had geen vriendinnen, zooals dat veelal
+gaat met meisjes die naar 't buitenland op kostschool zijn geweest. Die
+van haar scholen in de stad vroeger, kende zij niet meer, met de
+Belgische van de kostschool kon ze alleen korrespondentie onderhouden.
+Alleen bij mevrouw Berlage, een oude vriendin van haar vader, maakte zij
+wel eens een visitie, maar aan Emilie Hartse, een wees, het kennisje,
+dat ook wel bij de Stuwen aan huis kwam, had Mathilde een hekel, om
+Emilies geaffecteerd karakter. Dus was de persoon, waarmeê zij omging
+naast haar vader, Jozef van Wilden alleen. Een heelen tijd bleef zij
+"mijnheer" en hij "jufvrouw" zeggen, totdat haar vader zelf daaraan een
+eind had gemaakt, omdat hij 't gek vond onder jongelieden die mekaâr zoo
+dikwijls zagen.
+
+Onmerkbaar had Mathilde zich weêr tot den innemenden, beminnelijk
+zachten en toch mannelijken, goed belezen met veel smaak en oordeel
+pratenden man, dien zij Jozef noemde, aangetrokken gevoeld. Na een jaar
+werd zij zich bewust, dat ze hem liefhad. Zij dacht dikwijls aan hem,
+als ze alleen was, ze was blij als hij binnenkwam, vooral als bij haar
+hartstochtelijk pianospel, en dit gebeurde dikwijls, zijn oogen geen
+sekonde van haar afgingen. Het begon een genot voor haar te worden,
+wanneer haar hand de zijne aanraakte, bij het goeyendag zeggen of het
+aangeven van een kopje thee, of wanneer zij samen muziek doorbladerden.
+Zij begon het een pleizierige gewaarwording te vinden als haar japon
+over zijn voeten gleed, bij 't passeeren, als de weêrspannige haartjes
+van zijn hoofd langs haar schouders wiebelden, wanneer zij samen over
+een boek of teekening stonden gebukt. Want zij was druk aan 't teekenen
+gegaan, ook door hem daartoe aangezet. Zij had 't in België goed geleerd
+en zij scheen er wel talent voor te hebben, meende hij.
+
+Toen er nog een jaar was verloopen, begon ze in ernst over haar toekomst
+na te denken, en bracht in haar gedachte hem daar altijd bij te pas. Zij
+begon bepaald op hem te wachten, en als tweede helft van haar geheel
+naar hem uit te zien, naar de woorden van liefde die hij eens moest
+uitspreken, zij wist 't, en die ze hem wel van de lippen had willen
+drukken. Zij kreeg aanvallen van jaloezie. Zij begon er over te denken
+of hij ook misschien van een andere vrouw zoû houden. Zij was ongerust
+en probeerde om aan zijn oogen te zien of er iets van waar was.
+
+Zoo waren de zaken geloopen tot zoowat een maand geleden. Toen was
+Mathilde opéens heel ongelukkig geworden. Jozef had, zonder dat er ooit
+te voren sprake van was geweest gezegd, dat hij van plan was een groote
+reis te doen, voor zaken. En werkelijk, twee dagen later was hij naar
+Frankrijk gegaan. Hij had niet kunnen zeggen, wanneer hij waarschijnlijk
+terug zoû zijn. Mathilde huiverde in haar eenzaamheid. Zij drong zich
+zelf op, dat 't niet zoo erg was, dat hij na een week of zes hoogstens
+uit het buitenland terug zoû komen, en de zaken dan nog 't zelfde zouden
+staan als nu. Wat had die reis te beteekenen? Even goed dan als nu kon
+hij haar immers zijn liefdesverklaring doen, al had hij er tot nu toe
+nog nooit op gezinspeeld? Dacht hij er niet aan haar te vragen om zijn
+vrouw te worden, dan moest zijn afwezigheid haar eindelijk heel
+onverschillig wezen, hield hij wél van haar zoo als zij het zoo zeker
+hoopte, dan zoû die liefde in zoo'n korten tijd ook niet wechgaan, en
+had zij nog alles te verwachten. Maar, wat haar verstand ook te berde
+bracht en hoe ongerijmd zij het zelf vond, zij huilde in haar
+verlatenheid en zij voelde zich verschrikkelijk alleen, nu ze hem niet
+meer zien en hooren kon. Zij dacht, dat hij nu eeuwig wech zoû blijven,
+en vooral het idee dat hij van een vrouw of meisje in het buitenland zoû
+gaan houden en hij haar ontrouw zoû worden, maakte haar doodelijk
+ongerust. Maar, hij was nog geen drie weken op reis, of zij, ja zij,
+kreeg, buiten alle verwachting, een brief van hem, waarin hij haar
+vertelde dat hij in Brussel en Parijs was geweest en wat hij daar had
+gedaan. En hierbij maakte hij toespelingen op de reisverhalen, die hij
+haar zo lang geleden als kind had gedaan. Hij sprak ook heel beleefd van
+zijne eenzaamheid, en verklaarde, dat hij 't onmogelijk lang zoû kunnen
+uithouden, ver van de lieve woning der familie de Stuwen, waar hij zulke
+heerlijke uren had doorgebracht, vooral in 't gezelschap van zijn
+allerliefste vriendin. De brief was erg beleefd, maar Mathilde wist er
+zoo een verborgen liefde in te ontdekken, dat hij haar bizonder goed
+deed en zij hem niet aan haar vader liet zien. Zij antwoordde een paar
+dagen later, en tot haar zalige verbazing stond Jozef weêr twee dagen na
+de afzending van het antwoord, in levenden lijve vóor haar, met zijn
+fraayen knevel en lieve handen. Er was niets ongewoons aan hem te zien.
+
+Dit was eergisteren geweest. En nu, van-avond, kwam het tot eene
+verklaring. Al die dingen uit haar jeugd en van de laatste jaren,
+herinnerde Mathilde zich levendig. Wat een goddelijke gewaarwording was
+'t nu, terwijl alles zoo zacht en stil was om haar heen, in dezen
+zomernacht, aan de angsten en narigheden van vroeger te denken. Al die
+treurige donkere uren, waarin zij zonder hoop was, al die
+teleurstellingen en niet uitkomende verwachtingen, al die zuchten en
+tranen, gingen nu óp in één juichende vreugde vol glorie en licht. Weêr
+droomde Mathilde zich wech in wat van avond aan de piano was gebeurd.
+Weêr en nog eens weêr liet zij het Jozef zeggen, dat hij zooveel, zóo
+véel van haar hield, weêr voelde zij zijn adem langs hals gaan; zij
+merkte dat haar hart zoo vol was, als het maar zijn kon, dat het
+overliep, dat het geluk haar overstroomde. Zij had een behoefte om iets
+te zeggen. Er drukte haar iets daar van binnen, dat zij niet omvatten
+kon. Het klom haar tot hoog in de keel, het zwierde als een kramp door
+haar vingers, het moest er uit, zij wilde het roepen tegen iedereen, zij
+wilde het uitzingen aan de ooren van alle menschen die er in Amsterdam
+leefden en die begrepen, wat geluk was.
+
+Zij stond op voor het open venster, en, over het ijzeren hekje leunend,
+keek zij naar de straat beneden. Over de brug, die zij rechts in de
+schuinte zag, stapte haastig een man voort, een heer, den kraag van zijn
+overjas opgeslagen, want hij scheen het koud te hebben in Juli. Mathilde
+kwam op de gedachte, dat het Jozef wel kon zijn, die nog eens voorbij
+haar wilde gaan, om te zien of zij sliep of óp was. Zij bukte zich
+gevaarlijk ver over het hekje om te kunnen onverscheiden. Maar zonder
+dat ook maar het open venster een oogenblik zijn aandacht trok, liep de
+meneer snel voort en verdween in de straat. Mathilde keek nu langs de
+gevels en stoepen der huizen onder haar en aan d' overkant. Misschien
+was Jozef wel ergens verscholen om dichtbij haar te zijn. Zij zag iets
+zwarts, daar, links bij een kelderdeur. Maar neen, het waren stukken
+hout, die daar opgestapeld lagen. Ze keek voor niets, alles was stil en
+zonder menschen. Zij keek in de boomen, en elke opening, en elk
+bladerenvak nam zijn gestalte aan. Overal lachte de schaduw van haar
+mooyen Jozef haar tegen. Zoo duidelijk gonsde zijn stem om haar heen en
+zoo dringend wenkten zijn armen uit de takken, dat zij er bang voor
+werd. Langzamerhand was er een frischheid gekomen in de roerloosheid van
+den nacht. En heel even schemerde er een vage, dof-witte glans tusschen
+een spleet der daken, in het oosten, voor haar uit, midden boven de
+zwartheid der huizen in de Hoogstraat. Maar Mathilde zag het niet. Zij
+liet haar blikken weder langs de lantaarns gaan en telde de lichtjes.
+Zij kon maar niet tot een eind komen. Zij zag de vlammetjes na de
+vlammetjes komen en weêr anderen, en weêr anderen in de verte, zij zag
+er meer en altijd meer. Zij brandden groen, kallem op, als bloemen van
+vuur. Mathilde zag tot aan de uiterste lantaarn zij zag dóor tot aan den
+horizont en, achter den laatsten gasvlam, een beetje hooger, gloeiden de
+sterren aan den dalenden hemel. Mathilde telde de sterren, een voor een,
+en haar oogen sponnen stralen van de eene groep overzwervend in de
+andere, en altijd voort, over de heele luchtvlakte. Al die blauwzilveren
+en roodgouden stralende sterren van de donkerblauwe lucht dalend op haar
+hoofd, waren éen kleur en éen geflonker met haar ziel. In blinkende
+kringen, in warrelingen van zilverend blauw en goudend rood en lichtend
+groen dansten zij den rijdans van haar liefde. Maar Mathildes droomen
+kwijnden in een duizeling. Zij zag niets als goud en zilver. Een
+wemelende regen van helle vonken draaide er dooreen. Daalde haar blik
+tot de boomen, dan zag zij de sterren nog onder de takken, door de
+takken, overal in de rondte. En het gaslicht vlamde hoog daar tusschen
+door. En al heviger werd het vuur. Alles kwam samen en tintelde wech in
+elkaâr. Er was een val van diamanten in een geel en roode vlammenzee.
+Toen, zich wechdenkend in dat visioen, tegenover dien hemel van goud,
+die daar brandde, rees het woord op uit de diepste diepte van haar
+gemoed, toen zeide zij aan de vlammende ruimte vóor haar, haar geheim,
+en, de handen naar voren om te danken, zeî zij hardop: O God, o God, wat
+ben ik gelukkig!
+
+Een grijs licht steeg in de rondte, de huizen schemerden droevig.
+Mathilde, door de koelte verrast, deed haar ramen dicht. Zij kleedde
+zich gauw verder uit en sliep kalm in op haar witte kussen. De brief van
+Jozef, dien zij op haar borst droeg, stak hoog uit haar nachthemd op.
+
+En boven de huizen rees buiten een mooye dag, zonder wolken en zonder
+wind.
+
+
+
+
+II.
+
+
+Een week later, in een zon-doorsijpelden ochtend om half tien, stond
+Mathilde in de voorkamer, haar rug naar de straat, voor de kleine ronde
+tafel met een half-vuil servetje, waaraan ze ontbeten hadden, de
+blauw-gebloemde kopjes om te wasschen, terwijl haar vader, als naar
+gewoonte, zijn morgenwandeling was gaan doen. Zij had een grijs
+japonnetje aan, tot op den grond, zonder sleep, met smal zwart fluweel
+lint afgezet, en dat in een eenvoudig plooisel haar hals omsloot, nog
+een oude jurk van haar laatste kostschooljaar; die zij nu verder
+versleet, als ze stil alleen thuis was. Haar zwarte haar, met een
+scheiding in 't midden, hing in twee gordijntjes over haar voorhoofd,
+boven de ooren heen van achteren opgehouden in een knoetje. Aan
+weêrszijde sluikten vóor de ooren korte vlosjes vlassig naar beneden,
+die de breedte der wangen braken. Maar een onrust drukte haar lippen
+tegen elkaâr en schaduwde aan de mondhoeken. De wenkbrauwen waren een
+beetje naar het midden boven den neus getrokken en haar oogen gingen met
+een ongewonen ernst en aandacht van het eene kopje naar het andere.
+
+Zij had verschillende redenen om niet op haar gemak te zijn. Zij had
+veel nagedacht na dien laatsten avond vol geluk. Er waren wijze maar
+nare bedenkingen bij haar opgekomen ... Maar vooral kon zij zich niet
+begrijpen, dat Jozef niets meer van zich had laten hooren. Hij had zich
+in 't geheel niet meer vertoond, dit maakte haar bijna angstig. Waarom
+zoû dat zijn? Hij kwam anders altijd ten minste tweemaal in de week eens
+aan. Dit was dermate regel geworden, dat haar vader zich óok over zijn
+wechblijven had verwonderd. Toen zij den eersten morgen na zijn
+liefdesverklaring was wakker geworden, had zij gedacht, dat alles nu van
+zelf goed zoû gaan. Zij had volstrekt aan de moeyelijkheden niet
+gedacht. De behoefte aan de verwezenlijking van wat zij hoopte gaf haar
+een vaag gevoel, een onberedeneerde zekerheid, dat de zaken verder
+uitnemend moesten loopen. En daar gaf Jozef nu taal noch teeken.
+Allerlei ideeën had zij nu daarover. Eerst vroeg zij zich af, of het
+niet aan háar was den tweeden stap te doen, of hij niet wachtte op een
+andwoord, rekenende zijn vraag te hebben gesteld, op een geschreven
+bericht. Zoo-wat een uur lang was zij er zeker van, dat dit zoo het
+gebruik was, en zij wilde haar map al krijgen om te schrijven. Maar in
+éens viel 't haar in, dat 't heel goed mogelijk kon zijn, dat zij zich
+totaal vergiste, dat Jozef in 't geheel nog niet gedacht had haar ten
+huwelijk te vragen of zoo iets, dat zijn gevoel hem alleen was ontsnapt,
+en hij misschien zich juist niet meer durfde te laten zien, om dat hij
+verlegen was met zijn voorbarigheid en met den onberaden stap, dien hij
+had gedaan. Ja, misschien was 't volstrekt zijn plan niet haar te
+trouwen, en wilde hij een rijker meisje hebben.
+
+Het vraagstuk van het geld bleef haar nu voortdurend bezighouden. Al
+meer dan éens in de laatste dagen, had zij haar vader naar een staat van
+haar bruidschat willen vragen. Maar telkens had zij niet goed gedurfd;
+zij kon zich over haar liefde tegen haar vader nog maar niet uitlaten.
+Het vraagstuk van het geld werd ook weêr van minder belang door een
+ander idee; Jozef's liefde stond namelijk natuurlijk te hoog om zich met
+dergelijke beuzelarijen in te laten. Liefde voor iemant anders kon 't
+toch ook eigenlijk niet wezen, die maakte dat Jozef nu zoo op zich liet
+wachten, dáarvoor waren zijn woorden te gemeend geweest, dát had zij wel
+gemerkt. Maar toch, juist omdat zij hem zoo een schitterende
+persoonlijkheid vond, die ook voor zijn uiterlijk niet weinig zorgde en
+heelemaal wel een beetje een wereldsch voorkomen had, kon 't best zijn,
+dat er nog iets tusschen Jozef en andere vrouwen bestond. Mathilde had
+daar een heel duistere voorstelling van. Zij was nooit ingewijd geweest
+in de verboden praatjes van haar medeleerlingen op de kostschool. Zij
+was altijd onder de oppassende kinderen geweest, en hier in de stad had
+zij in het stille vaderlijk huis, met zoo weinig omgang en waar zoo
+weinig vreemden kwamen, ook al niets gehoord. Haar hoofd schuin voorover
+gebogen, een oude houding van haar, waardoor haar hals zich onder de kin
+plooide, terwijl zij met de lange slanke vingers de blauw gebloemde
+theekopjes in het lauwe water liet drijven en dansen en ze met een klank
+als van dorpsklokgelui in de verte, tegen de wanden der porseleinen
+omwaschkom aanschommelden, voelde zij zich van een groote langzaamheid
+en lauwheid doordringen. Zij vond het plezierig te kijken zonder te
+zien; de theedoek, met een bleekrood randje afgezet, hing slapjes over
+haar arm. En in nevelige beelden zag zij inwendig vreemdsoortige
+vrouwenfiguren opdoemen, de eene met een eeuwigen gouden glimlach om den
+mond, de andere met een onverwelkbaren vreeselijk grooten bloemruiker
+aan den boezem, weêr anderen van een ongekende zwier en statie, met
+roode haren van vuur die tot ver over de purper-satijnen sleepen van hun
+kleed vielen, met oogen van diamanten. Allen waren om Jozef heen en
+wilden hem met zich meênemen. Zij waren allen op hem verliefd. En hij
+stond te midden van hen, aarzelende. Dat waren de "slechte vrouwen" van
+de wereld, die Mathilde in haar droom van den laatsten nacht had gezien.
+Dit was de eenige manier waarop haar vage jaloezie voor den dag kwam.
+Mathilde had iets duivelachtigs in den reuzenlach dier vrouwen gezien en
+zij wilde dat Jozef naar háar kijken zoû en zij probeerde te glimlachen
+met een liefde zoo groot, dat zij triomfeerde en Jozef naar haar toe kwam.
+
+En zij glimlachte werkelijk, want zij zag hem weêr vlak voor haar, en
+zij kwam tot bezinning. Haar nare gedachten gingen wech. Haar liefde
+verontschuldigde hem dadelijk en opperde alleen veronderstellingen, die
+in haar voordeel waren. Hij bleef misschien wech, om dat hij van
+aandoening over wat hij gezegd had ongesteld was geworden, misschien ook
+had hij weêr ineens op reis gemoeten, of, wat ook mogelijk was, er
+ontbrak misschien 't een of ander aan zijn uiterlijk, dat wilde laten
+herstellen vóor hij Mathilde andwoord kwam vragen, in de gedachte dat
+zij dan liever zoû wezen. Om dat zij in zijn plaats daar precies zoo meê
+gehandeld zoû hebben, kwam deze gedachte van koketterie haar het
+waarschijnlijkst voor en bleef zij er aan vasthouden. Zij ging nu na, of
+alles niet heelemaal in orde was geweest aan zijn gezicht, handen en
+kleêren, den laatsten avond. En zij bleef lang hieraan denken, daar zij,
+zonder het zich zelve toe te geven, op deze manier de gelegenheid had,
+om zijn uiterlijk, daar zij zooveel van hield, tot in kleinigheden na te
+gaan. Zoû hij wachten tot zijn haar weêr wat langer was, wetende, dat
+dit hem beter stond, of moesten zijn knevels weêr zoo lang worden, als
+toen hij pas van de reis te-rug was? Zijn wangen, zijn voorhoofd en
+oogen, waar maar geen schrampje, dat eerst zoû moeten herstellen, aan te
+bekennen viel, werden onderzocht. Mathilde dacht zelfs over de nagels
+van zijn vingers, en kwam toen plotseling op het idee, dat hij een nieuw
+pak wachtte, waarover zij samen hadden gesproken een paar dagen geleden
+en dat hij van die donkergroene stof zoû laten maken, die Mathilde vond
+dat hem zoo goed stond.
+
+Maar op die manier kwam Mathilde niets vooruit. Jans slofte binnen, en
+samen borgen zij het ontbijtgoed wech, door den gang, in een muurkast en
+in een laag buffetje in de achterkamer. Jans zeî, dat 't vandaag mooi
+weêr was, maar erg warm op straat. Verder beklaagde zij zich over den
+bakker, die het fransche broodje voor meneer van-morgen weêr had vergeten,
+zoo dat Jans zelf het in de buurt had moeten halen.
+
+U is te lichtzinnig in uw oordeel, had een jaar of drie geleden de oude
+heer Berlage eens tegen Jozef gezegd, toen ze een heel ernstig gesprek
+over staatszaken hadden en de diskussie een beetje hoog was geloopen.
+Dit woord had Mathilde toen in haar oor geknoopt, onwillekeurig was 't
+haar bijgebleven. Ook nu schoot 't haar, zonder de minste aanleiding,
+weêr te binnen. En zij dacht in éens, dat Jozef wel een heel
+onstandvastig en luchtig karakter kon hebben. En als ze dan eens met hem
+trouwde, en eens heel ongelukkig werd? o, ongelukkig, ongelukkig met
+hem? Nee, dat was volstrekt onmogelijk! Maar 't was toch een heel iets,
+zoo voor je heele leven. Juist heerlijk, dat 't zoo lang duurde, daar 't
+toch met hém was! Maar waarom bleef hij dan nu ook zoo lang wech? ... Er
+kwam nog iets bij. Het was een groote kwestie of vader dit alles maar
+zoo goed zoû vinden. Wanneer zij samen alleen zaten, had hij wel eens
+over haar huwelijk gesproken, en hij had er altijd op gedrukt, dat 't
+zoo plezierig voor hen allebêi was nog een heden tijd met mekaâr te
+kunnen leven, want, zeî hij, als hij over een jaar of tien stierf, was
+zij nog altijd jong genoeg om een goeye partij te doen ... En nu woû zij
+zoo ontzettend graâg zoo dadelijk mogelijk met Jozef trouwen. O, zij
+verlangde zoo naar hem.
+
+Zij ging voor het venster zitten met een borduurwerk, tegen de dagorde
+in, want boven stond nog een heele bak met schoon linnengoed, dat
+geborgen moest worden. Maar zij verwachtte Jozef iedere minuut. Telkens,
+wanneer er iemant voorbijliep, keek ze op. Zij wilde niet gaan uit
+zitten kijken in de richting, waar hij vandaan moest komen. Dit had zij
+eergisteren bijna gedaan, maar ze was er gauw meê uitgescheiden, want
+dit zoû al te vleyend voor hem zijn. Maar in de schuinte, terwijl haar
+handen aan het borduurwerk bleven bewegen, liet zij haar blikken, half
+wech schuilend achter de oogharen, over de straat gaan. Hoe of zij het
+ook hoopte, toch was zij zenuwachtig beangst, dat hij komen zoû.
+Tusschenbeide stond zij op en liep haastig het vertrek op en neêr, en
+leî de handen voor zich uit tegen het behangsel, als om aan den wand te
+vragen wat hij zeggen zoû en wat zij andwoorden. En ging dan plotseling
+weêr zitten, zich dwingende om kalm te werken.
+
+Daar werd gehoest op straat vlak bij het venster. Schichtig keek
+Mathilde op. 't Was Jozef, doodeenvoudig. Hij stond met een hoogen
+glimmenden, prachtig glad gestreken hoed op, voor de deur en schelde.
+Zijn zakdoek, met een rood randje, wapperde in den wind vóor zijn
+gezicht. Hij stond met zijn rug naar het huis toe. Hij had Mathilde
+stellig zien zitten en durfde uit verlegenheid niet naar binnen kijken.
+Jans kwam aansloffen uit de keuken. Mathilde was met woede gaan
+borduren. Alsof zij in den sneltrein zat en een andere sneltrein reed
+dien voorbij, zóo snel en zoo ratelend gleed haar plotseling het idee
+door de hersens om "niet thuis" te geven. En met een wreede blijdschap,
+die geen sekonde duurde, dacht zij, hoe zij in dit oogenblik hem
+misschien voor altijd van haar zoû kunnen vervreemden, door Jans "niet
+thuis" te laten zeggen, nu hij haar al moest hebben gezien. Jans deed in
+dien tijd de voordeur open. Mathilde had in een bibberende kalmte haar
+werk in de vensterbank gelegd en was opgestaan, niet wetende wat te
+doen. Zij werd rood en bleek en verschrikkelijk zenuwachtig, zij voelde
+haar mond droog worden. Er steeg een kramp op uit haar maag tot boven in
+de keel. Zij liep tot vlak bij de deur, die op een kier stond, om te
+luisteren. Zij hoorde alles wat er gesproken werd, en toch scheen 't
+haar, als hoorde zij niets; als een dof gebrom uit de verte klonken de
+woorden, die Jozef en Jans zeiden. De adertjes aan haar slapen zwollen
+tot fijne dofblauwe slangetjes; met een open mond, en haar handen in een
+zenuwachtige beweging uitgestrekt naar achteren, het hoofd naar voren
+gebogen, luisterde zij, terwijl haar oogen rood werden. Daarna werd zij
+heel erg bleek en begon geducht over haar heele lichaam te beven, want
+Jozef klopte op de deur. Heel zachtjes, heel zachtjes zeide zij
+"binnen!" Met een driftigen stoot deed Jozef de deur open en weêr
+dadelijk achter zich toe. Hij had geen handschoenen aan. Hij was óok
+bleek en zijn oogleden sidderden. Hij zag Mathilde strak aan, zonder een
+woord te zeggen. Zij had haar oogen neêrgedaan. Maar langzaam, met een
+instinkmatige beweging, strekte zij haar armen half uit in de richting,
+waar hij stond. Hij, dat ziende, zette haastig zijn hoed op de tafel,
+die er afviel en over den vloer rolde, hij nam haar twee kouwige handen,
+en trok haar zoo naar zich toe. Zij kwam zachtjes dichterbij. Toen hun
+hoofden vlak bij elkaâr waren, keek Mathilde hem aan. Hun blikken gingen
+in elkaâr. Zoo gaf Mathilde zich. In onbewuste beweging, kwam zij met
+haar mond naar voren. Hij boog zich een beetje en zij zoenden elkaâr
+lang, voor het eerst. Verwonderd over zich zelf, beschaamd, en hevig
+aangedaan, huilde Mathilde nu, haar gezicht tegen zijn jas. Zij hadden
+nog altijd niets gezegd. Jozef kreeg zijn batisten zakdoekje uit zijn
+borstzak en droogde er zoowat haar tranen meê wech. Maar zij keerde zich
+af, zij snikte stilletjes en bij langere tusschenpoozen; zij ging achter
+in de kamer zitten, haar zakdoek voor de oogen. Jozef veegde zijn
+gezicht af, keek naar zijn hoed om, raapte hem op, zette hem op een
+stoel en schikte zijn zakdoekje in zijn borstzak. Toen wist hij
+volstrekt niet meer wat te doen. Hij ging dus voor den spiegel staan en
+peuterde aan zijn gekleurde das. Mathilde was weêr opgestaan, bleek,
+maar tot bedaren gekomen. En zij vroeg, als dorst ze over hun liefde nog
+niet te spreken, terwijl ze hem met nog natte oogen aanzag:
+
+--Weê-je ook iets drinken, Jozef?
+
+Hij, verwonderd over die vraag, andwoordde:
+
+--Nee, dank-je, het is nog zoo vroeg.
+
+Hij draaide zich naar haar toe, greep haar van achteren bij de armen zoo
+dat zij met haar schouder tegen zijn borst kwam te staan. Hij behandelde
+haar weêr als een klein meisje. Vroeger, vóor zij naar het kostsschool
+was gegaan, hadden zij honderderd maal zoo gestaan. Hij boog zijn hoofd
+tot naast het hare. Haar haren gingen langs zijn kin.
+
+--Je bent toch niet boos? vroeg hij, ik kon het niet langer inhouden.
+
+--Wat bedoel je? fluisterde zij.
+
+Wat ik verleden week bij de piano heb gezeid. Zij keek hem aan met
+lachen en huilen om haar mond heen. Toen keek zij weêr voor zich en zeî:
+Nee, ik ben niet boos.
+
+Hij zoende haar voorhoofd en liet haar los.
+
+--Mag ik nou nog wel hier blijven, nou je vader d'r niet is? Vroeg hij
+weêr.
+
+--Vader mag er niets van weten.
+
+--Waarom niet?
+
+--Zij waren naast elkaâr op twee stoelen aan den wand gaan zitten, om te
+praten. Het was bizonder licht en levendig in de kamer: een heldere dag.
+Mathilde leì aan Jozef uit, hoe ze vooreerst niets van aan haar vader
+zoû durven zeggen, want dat 't hem treffen zoû als een onverwachte slag.
+Zij, zijn dochter, was zijn eenig gezelschap, zijn eenige steun, het
+eenige, wat hij nog in zijn leven had. En nu begreep zij zelf heel goed,
+dat hij niets graâg van haar scheiden zoû. Jozef moest dat ook inzien.
+Zij zouden 't best doen met vooreerst te wachten, tot er zich van zelf
+een gelegenheid zoû voordoen, om van hun plannen te spreken. Jozef had
+haar handen in de zijnen genomen. Toen zij uitgesproken had, zeide hij
+alleen: Thilde, wij zijn voor mekaâr gemaakt. Als om met haar volle
+verstand er bij te zijn, zag zij nu klaar in zijn oogen, en antwoordde
+bedaard: Ik hoû zôoveel van je, zôoveel, dat ik zonder jou nooit zoû
+kunnen leven. Hij glimlachte en zoende haar handen.
+
+--Kom nog een beetje dichter bij me zitten, zeî hij, zijn arm om haar
+hals leggend. Zij deed 't, haar hoofd gleed langs zijn schouder tot half
+onder zijn kin. Zij zag naar hem op, en zij spraken verder, haar twee
+handen steunden op zijn mooye linkerhand. Hij merkte, dat zij zich
+heelemaal aan hem gegeven had en keek voortdurend op haar neêr, met een
+vriendelijk gemak, zich nu al zeer thuis voelend in de nieuwe verhouding.
+Mathilde verwonderde zich, dat wat daarzoo gebeurd was zoo eenvoudig in
+zijn werk was gegaan. Zij voelde zich nu heerlijk rustig.
+
+--Zou 't dus nog lang moeten duren? vroeg hij, wij zijn al zóolang voor
+mekaâr bestemd. Zij meende van ja, zij wist volstrekt geen middelen om
+haar vader aan de gedachte van een scheiding te wennen.
+
+--Al duurt 't nu ook nog een tijdje, we zullen toch erg gelukkig zijn,
+en we, ten minste ik, ik ben het nu al, zeî ze zachtjes. Zij maakte
+meteen een knoop van zijn vest dicht, die los was gegaan, en schrok
+daarbij van wat ze deed.
+
+--Ja, maar ik niet, andwoordde hij, of liever, ik zoû nog veel
+gelukkiger worden dán ... Mathilde hield hem niet zoo vast meer. Het
+maakte een naargeestige nieuwsgierigheid in haar gaande als er zoo over
+het huwelijk gesproken werd. Zij wist wel dat 't iets heel groots moest
+zijn, iets van lichaam en ziel vereenigd maar verder niet. Het maakte
+haar ook erg verlegen:
+
+Jozef voelde iets als een koude verwijdering. Onder het voorwendsel aan
+het raam iemant te willen zien, die op straat voorbijging aan d' overkant,
+had Mathilde Jozefs armen van zich losgemaakt en was zij voor 't venster
+gaan staan, den rug naar Jozef gekeerd, die bleef zitten, zonder te weten
+waar zijn handen te laten. Met een linksche beweging stond ook hij op en
+kwam naast haar staan. Zij keek naar buiten.
+
+--Wat blijft de modder op dat nieuwe soort zand lang liggen, zeî ze, als
+in gedachte, zonder hem aan te zien, de oogen naar de Hoogstraat.
+
+--Ja, andwoordde hij, zonder haar weêr te durven aanraken, ze hadden
+daar nooit meê moeten beginnen.
+
+Toen zeiden ze geen van beiden een woord meer. Mathilde keerde zich om
+en drentelde door de kamer haar zakdoek met de handen vervouwende. Een
+onverdrijfbare bevreemding vervulde haar over de zoo in-eens ontstane
+nieuwe verhouding, waarin zij tot dien Jozef van Wilden was. Zij bekeek
+zich zelf en hem en zag verwonderd door het vertrek, naar de
+staalgravuren langs den wand en de bronzen pendule op den schoorsteen,
+die stomme getuigen waren van dit zonderling voorval. Er was een strakke
+stilte. Het scheen haar, als was Jozef een vreemdeling. Zij had dien man
+jarenlang gekend, zij was altijd zijn vriendin en hij haar Vriend
+geweest tot voor een week geleden nog, en nu waren zij plotseling
+geëngageerden. Voor de verrassende gewaarwording der werkelijkheid van
+het oogenblik, verdween de geheele geschiedenis van haar stille liefde,
+het groote gevoel van bevrediging en geluk, dat zij dien avond toen hij
+het gezegd had, had gehad. Hij stond in levenden lijve voor haar en ze
+dorst niet meer naar hem omzien en begreep zich maar niet, wat haar
+bewogen had om die man zoo-even te omhelzen en zich aan zijn borst te
+houden. Vroeger zoû zij zoo iets nooit gedaan hebben. Zij zag de punten
+van zijn knevel aan weêrszijde van zijn hoofd uitsteken. Hij beet juist
+op zijn lippen. Zijn vond zijn onderlip nu leelijk dik. Zij zag dat hij
+een scheiding op zijn achterhoofd droeg; dit was trouwens al jaren zijn
+gewoonte, maar nooit had ze 't zoo opgemerkt als nu. Ze vond het
+fatterig, maar zij zoû 't hem ook wel afleeren als zij maar eens
+getrouwd waren. Zij vond zijn achterhoofd en de manier, waarop de
+onderste haartjes over den rand van zijn staande witten boord heen en
+weêr wipten, als hij zijn hoofd meer naar voren of naar achteren hield,
+niets gracieus. Zij zag zijn mooye jas, en zij kon zich maar niet
+voorstellen wat vijf minuten geleden gemaakt had dat zij haar wang op
+die jas leî. Dat was bepaald onfatsoenlijk van haar geweest. Een
+licht-rimpelende wreveltint kwam over haar gezicht. Zij ging de pendule
+opwinden. Nu herinnerde zij zich duidelijk, dat zij gerooken had, toen
+ze zoo dicht bij hem was, dat hij parfum op zijn jaslapel had met een
+vage lucht van oude tabak. Zij kreeg haast een afkeer van dien man. Zij
+was vroeger, toen ze nog goede kameraden waren, nog nooit zoo boos op
+hem geweest als nu.
+
+Jozef draaide zich naar haar toe. Het viel haar op, dat hij er een
+beetje plomp uitzag.
+
+--Ik geloof, dat ik er iets op weet, zeî hij; een heel eenvoudig middel.
+
+--Waarop? vroeg ze.
+
+--Om gauw te kunnen trouwen en toch vader geen verdriet te doen.
+
+--Wat dan? vroeg Mathilde. Dat "vader", zonder "jou" er voor, maakte
+haar nog balooriger.
+
+Hij leî haar nu uit, dat niets gemakkelijker was, dan dat zij, na hun
+huwelijkreis, met haar vader samen gingen wonen, en hij dus altijd in
+hun gezelschap zoû zijn, en Mathildes zorg niet hoefde te verliezen,
+integendeel, op die manier een gezelligen en vroolijken ouwen dag
+zoû hebben.
+
+Maar zij was uit haar humeur: Wat spreek je al over al die dingen, over
+huwelijksreizen, als of dat zoo maar morgen gebeuren kon, zeî ze, ik
+dacht, dat daar altijd pas na maanden over gesproken werd.
+
+Nu was Jozef op zijn beurt ten hoogste verwonderd. Hij had integendeel
+gedacht, dat 't haar heel aangenaam zoû zijn zoo gauw mogelijk met alles
+klaar te komen en alles lang vooruit te bespreken en te bepalen. Hij had
+haar nog nooit op zoo'n vreemden toon hooren spreken.
+
+--Maar, Mathilde, hoe kan je nu zoo wezen! Als ik je pas een paar
+maanden kende of zoo, als ik je een het hof had gemaakt en ik woû je
+daarna op manier ten huwelijk komen vragen, dan zoude wij misschien ...
+of nee, dan zoû toch nog mijn eerste gedachte zijn, natuurlijk, over ons
+huwelijk, de huwelijksreis en al die dingen, ... dat spreekt immers
+vanzelf ... en hoeveel te eerder nú, wij kennen mekaâr al zoo lang, we
+zijn als 't ware voor mekaâr geschapen en wat nu gebeurt is een
+natuurlijk gevolg onzen heelen omgang van vroeger, ... nu is 't des te
+natuurlijker, dat wij dadelijk over die zaken spreken.
+
+Maar zij liet zich niet overreden. En om nu over de zaak zelf te
+spreken, zij had óok verstand van het leven. Wanneer ze dan eenmaal
+gevestigd zouden zijn, zoû vader nooit bij hun in komen wonen;
+schoonmoeders of schoonvaders in huis brachten nooit geluk. Vader zoû
+zijn kleine gewoontes geëerbiedigd willen zien, die met hun levenswijze
+niet stroken zoû. Vader was gewend aan stilte, aan rust, aan
+eenzaamheid, aan zijn minste verlangens dadelijk te voldoen. En zij met
+hun tweeën, ze begreep heel goed, dat ze veel uit zouden gaan, menschen
+zien, partijtjes geven misschien en allerlei drukte hebben, waar vader
+niet van hield. Mathilde telde een massa bezwaren op, het eene kwam
+voort uit het andere, zij vond er een zeker pleizier in, in een hoop
+woorden zich de toekomst zoo naar mogelijk voor te stellen. En in-éens
+midden in al dat gepraat, kwam haar toekomstig moederschap voor den dag.
+Zij zeide, en werd dadelijk vuurrood: En als er een kindje komt, wat
+dan? Ze had Jans, de meid, dit wel eens hooren zeggen. En zij redeneerde
+voort over het kindje. Als er een kindje kwam, wat dan? Dan zoû 't voor
+vader niet meer om uit te houden zijn. Ten eerste het voortdurend
+geschreeuw van het kindje, later zijn vermoedelijke wilde speelschheid,
+ten tweede de onmogelijkheid voor haar, om zich verder veel met haar
+vader bezig te houden. Dit zoû dan heelemaal onmogelijk worden. Neen, 't
+kon niet, onmogelijk; zij moesten nooit een oogenblik denken, dat vader
+bij hen in zoû komen wonen.
+
+Dood-bedaard had Jozef naar haar geluisterd. Hij vond haar allerliefst
+in haar kriegligheid, die hij zich niet begreep. Het driftig bewegen van
+haar lippen deed hem plezierig aan. Toen zij van 't kindje sprak, had
+hij 't lastig gevonden haar aan te blijven kijken en was met snel
+knippende luisterende oogen weêr uit het raam gaan kijken. Heel ernstig
+vroeg hij:
+
+--Hoû-je van me, 'Thilde, is 't wezenlijk waar, zooals je het gezeid
+heb?
+
+Haar goede gemoed kwam boven: Ja, wezenlijk heel veel.
+
+--Nou, laten we er dan maar niet meer over spreken. Als wij van mekaâr
+houden, zal alles verder zich van zelf wel schikken. Ik zal over alles,
+wat je gezeid heb, eens op mijn gemak nadenken. Jozef had de Stuwen, met
+zijn zwak in-éengedoken gangetje, op straat aan zien komen en woû dus
+een einde aan de diskussie maken.
+
+--Geef me dan nog een zoen, daar is je vader, zeî hij. De zoen werd
+gegeven heel gauw, maar Mathilde hield haar mond op-zij en er bleef
+eventjes een klein vochtig schaduwkringetje op haar wang. Toen haar
+vader de stoep opkwam en Jozef hem groette met zijn hand, veegde haar
+zakdoek 't stilletjes wech.
+
+'t Was half-twaalf geworden. De heer de Stuwen morrelde even met zijn
+huissleutel in het slot, veegde zijn voeten af op de vloermat, en hing
+zijn jas en hoed aan den kleinen standaard, zette zijn stok in den bak
+en kwam binnen, met een groote witte linnen zakdoek zijn neus snuitende.
+De twee heeren gaven mekaâr een hand. Hè, hè, 't is heerlijk weêr, zeî
+de Stuwen. Van Wilden, waar kom jij van-daan? ik dacht dat je gestorven
+was ... Zeker weêr op reis geweest ... Hè, hè, ik ben lang wechgebleven ...
+Gaan we nog geen koffiedrinken, kind? Mathilde keek op haar horloge,
+dat, met een dik zwart koordje in een knoopsgat van haar lijf vast zat.
+Zij schrok, om dat 't al zoo laat was en ging gauw de kamer uit. Zij
+kwam nog even te-rug.
+
+--Mag ik voor jou ook dekken, Jozef?
+
+--Nee, dank-je, ik zoû 't heel graâg doen, maar ik heb afgesproken om in
+de club te komen.
+
+Wech was zij. Zij hoorden haar in de achterkamer bij het buffetje bezig.
+Jozef kreeg donkergrijze handschoenen te voorschijn uit de pandzakken
+van zijn jas en trok den linker aan. Hij streek zijn hoed glad met zijn
+voorarm waarover hij met de hand het laken van zijn mouw strak gespannen
+hield, en maakte een praatje met de Stuwen. Hij vroeg hem, of hij ook
+gezien had, hoe of het stond op den Dam met het opbreken van de
+gaspijpen vóor Hajenius, dat al zoo lang de passage had belemmerd. Zoo
+spraken zij nog over eenige andere zaakjes.. Jozef nam daarna afscheid.
+Nee, blijft u binnen, zeî hij, toen de heer de Stuwen hem wilde
+uitlaten, ik zal er alleen wel uitkomen. De heer de Stuwen liet zich
+gezeggen; hij was nog moe van de wandeling. Toen Jozef den knop van de
+voordeur omdraaide, om het huis uit te gaan, kwam Mathilde gauw achter
+uit den gang naar hem toe. Zij sprak gejaagd, terwijl zij hem met hevige
+oogen aanzag: Ik heb zoo'n berouw over mijn stuurschheid van daar-zóo;
+ben je d'er nog boos om?
+
+--Dat weet-je wel beter, zeî hij, en het was ook eigenlijk mijn schuld.
+Maar hij moest het nog eens zeggen:
+
+--Wat zeg-je?
+
+--Dat ik volstrekt niet boos ben en dat ik nooit boos op jou zoû kunnen
+zijn.
+
+--Zeg in allen geval nog niets aan vader, laat hem niets merken. Ik moet
+het hem langzamerhand vertellen. En kom van avond te-rug, toe, zal je 't
+doen, ja, toe, of uiterlijk morgenvroeg, dan ben ik weêr alleen, vóor de
+koffie.
+
+--Goed, zeî hij en wilde haar voorhoofd zoenen. Maar zij ging achteruit.
+
+--Pas op voor Jans, zeî ze, die mag ook nog niets zien.
+
+Toen Mathilde weêr binnenkwam met het dekkertje en den witten broodzak,
+zat haar vader uit te rusten in den leuningstoel, die in den hoek bij
+het venster stond.
+
+--Als 't zulk mooi weêr is, zeî hij, hebben die ruiten een glans,
+precies als van blinkend staal ... Ik had volstrekt niet gezien, dat van
+Wilden hier was ... Was hij er al lang? ...
+
+--Nee, op zijn hoogst een kwartier, antwoordde Mathilde, wat ie eigenlijk
+doen kwam, weet ik niet.
+
+--Och, hij kwam zeker maar een morgenpraatje maken vóor ie naar de club
+ging.
+
+Mathilde zette klaar: den broodbak in het midden van de tafel met een
+lankwerpig versch brood, niet aan den eenen kant een laag wit paperig
+kruim, dat in een koker van korst was geborgen. Het hellende dak der
+korst, van boven, was donker zwart bruin en ging, bij het zijwaards
+afdalen van de korst, in een melkchocolade-kleurig bruin over, van daar
+in lichter bruin, geel bruin, en de onderkant was grijzig geel, zwart
+doorschemerend. Aan den éenen uithoek was ook weêr het kruim zichtbaar,
+de andere was een geel bruinig rontetje, als de kin van een Indische
+vrouw. Aan weêrszijde van de tafel werd een bord van glimmend wit
+aardewerk gezet, een stalen tafelmesje met hard zwart-houten heft er
+naast. Aan den linkerkant van Mathildes bordje schoof zij het chineesch
+verlakte blaadje, waarop een flesch bessensap en twee bierglazen
+stonden, een witte suikerpot en een ingeleid lepeldoosje. Vier witte
+mekaar flankeerende schaaltjes, als vreeselijk groote verstijfde
+rozebladen, om den broodbak heen. Op het eene was grijs onmachinaal
+roggebrood, een stapeltje van zes dunne sneêtjes, want vader was er dol
+op; op het tweede en stuk oranje-bruine stroopkoek, met een weeke zwarte
+korst, van regelmatige ribben oversneden. Op het derde lag een log stuk
+zoete-melksche kaas; op het vierde lagen zeven plakjes vettig blad-dun,
+bleekrood, van gespikkeld goud beglansd gekookt rookvleesch.
+
+De heer de Stuwen voelde zich heerlijk thuis te midden van die kleine
+burgerlijke spijzen. Hij zeî: Kom-an, laten we nu maar aan den gang
+gaan. En hij ging op een door Mathilde klaar gezetten gewonen stoel
+zitten, vóor het bordje. Hij was een erge liefhebber van brood en vond
+het ook een aangenaam gevoel brooden te hanteeren. Hij nam het brood,
+dat nu vóor hem lag dan ook uit den bak en sneed er het uit-einde af, na
+er eerst met de punt van het mes een kruisje opgemaakt te hebben. Dit
+was een gewoonte, die zijn vrouw hem geleerd had en die hij, ofschoon
+hij niet aan de godsdienst deed, toch aan had gehouden. Hij dacht altijd
+aan zijn vrouw, die streng katholiek was, als hij dit kruisje maakte.
+Mathilde schonk de bessensap in. Zij wist van alles de maat voor haar
+vader: zooveel suiker, zooveel bessensap en zooveel water. Door te
+roeren loste zij de suiker op en gaf haar vader het glas aan. Deze vond
+'t lekker koel en stelde voor een raam open te zetten, hetgeen Mathilde
+deed. Een verward gegons, doormengd met een paar schrille schreeuwen van
+koopvrouwen, woei naar binnen. Er rolden rijtuigen over de brug met
+ratelend geraas en den matten paardenhoefslag. Muschgetjilp suizelde in
+den zomerwind uit de boomen. De heer de Stuwen duwde een sneetje
+roggebrood op zijn boterham, hield dezen vast met de linkerhand en sneed
+hem aan vier gelijke reepjes, die hij, éen voor éen, met een tevredenheid
+over het voldoen van deze zoo geoorloofde en gemoedelijke en bedaarde
+lust, aan zijn mond hief. Daarna dronk hij zijn glas weekroode bessensap
+tot aan den bodem leêg en vroeg om nog een glas aan Mathilde, die al met
+haar hand zat uitgestrekt; terwijl een klein koeltje door het open venster
+haar lichtste haren liet wuiven over haar voorhoofd, en haar bleek gezicht
+beter liet zien.
+
+--Kind, wat zie-je bleek.
+
+--Ik weet niet, vader; dat is zeker om dat ik van morgen een beetje
+hoofdpijn heb gehad.
+
+Eigenlijk was 't van geluk. Zij was wel een beetje boos op zich zelf,
+over de onaangenaamheden, die zij, zij zelf kon zich nu niet begrijpen
+hoe en waarom dat was gebeurd, aan Jozef gezegd had, maar dat hij
+gekomen was, eindelijk na dat eeuwige wachten van die lange, lange week,
+dat maakte haar erg blij. Zij wist weêr niet wat zij doen zoû van
+plezier. Ze kwam op het idee, dat haar vader verbaasde, om hem, ter
+gelegenheid van dit hun gewone koffidrinken, op iets extraas te
+trakteeren van haar eigen geld. Zij zeî het hem; zij sprak van een
+blikje sardines, een leverworst, een ommelet, een biefstukje, dat Jans
+even kon halen bij den slager op den hoek van den steeg, enfin, wat hij
+maar woû. De vader begreep er niets van. Hoe kwam 't in haar op?
+Waarvoor die bizondere traktatie van-daag? Had ze een lotje uit de
+loterij getrokken, of was 't maar een nieuw grilletje? In allen geval
+bedankte hij, en zeide, dat als ze wilde, ter eere van het mooye weêr of
+wat dan ook, zij voor het eten maar iets lekkers moest laten klaarmaken,
+dan zouden zij samen weêr eens smullen. Nu vroeg Mathilde of de koffie
+gedaan was. Zij had haast om alleen te zijn, stil boven op haar kamer.
+
+--Ik ga van middag naar _Artis_, Thilde, zorg dat je over een
+kwartiertje klaar bent;
+
+--Ik woû liever thuisblijven, vader; ik heb boven nog zooveel te doen.
+De heer de Stuwen was verwonderd. Het was voor het eerst van zijn leven,
+dat hem zoû iets overkwam. Hé! ging ze niet meê! Maar waarom dan niet,
+wat scheelde haar dan toch? Wat had zij dan nog te doen, wát? Den heele
+bak met linnen te bergen, die er nog stond! Een mooye grap, kon dat dan
+later niet gebeuren in plaats van vader alleen naar _Artis_ te laten
+gaan, waar hij zich zeker vervelen zoû. Maar er was niets aan te doen.
+Mathilde noemde nog tien andere zaken op, die volstrekt gebeuren
+moesten. Vader ging alleen naar Artis.
+
+Mathilde was een te goede huisvrouw, om niet eerst het schoone goed, dat
+al zoo lang in de stof stond, te bergen, vóor zij ging zitten teekenen
+en denken op haar kamer. Terwijl ze éen voor éen de stapels lakens,
+sloope en nachthemden, die nog een beetje vochtig áanvoelden en zwaar op
+elkaâr lagen, in de ouderwetsche bruine kast, met een wit papier op
+eiken plank, schikte, en daarna vaders overhemden een plank hooger
+appart leî en zijn kousen nazag, of die ook gestopt moesten worden
+misschien, dacht ze er aan, dat deze huishoudelijke drukte nog niets was
+bij wat haar later te wachten stond als ze eens eenmaal getrouwd zoû
+wezen. Ze woû dezelfde orde volgen, waaraan ze nu eenmaal gewoon was en
+die op den duur het best beviel. Zij ging voort met na te denken over al
+de groote pleizieren van het hebben en het bestieren van een eigen
+huishouding. Zij deed 't nû ook wel bijna, maar 't was toch dát niet;
+ten eerste moest alles gebeuren precies zoû als vader het woû, en al
+dacht zij tusschenbeide heel anders als hij over allerlei dingen, zij
+sprak er nooit van, maar deed, wat hij wilde; ten tweede was Jans er,
+die haar had zien geboren worden en aan wie nooit in te prenten zoû
+zijn, dat Thilde, die ze zoû dikwijls schoone luyers had aangedaan, en
+die ze daarna zooveel jaren had zien spelen en springen door het huis,
+dat Thilde nu heelemaal behandeld moest worden zoo als men het anders
+een mevrouw deed; ja, Jans dorst op een heel wat hooger toon te spreken
+tusschenbeide, dan Mathilde het de meiden, die zij later zoû nemen, zoû
+laten doen. Zij wist wel, dat er nog in lang niet van komen zoû, maar
+het zoû er toch éens van komen en ze vond 't hoogst prettig zich dat
+alles nu al zoû levendig voor te stellen. Ze zouden bepaald twee meiden
+houden, want Jozef zijn geld plus het hare, maakte dat zij best op zoo'n
+voet zouden kunnen leven. Op deze manier zoû zij zelve ook meer tijd
+krijgen voor piano-en teekenstudiën, dit hoofdzakelijk voor hem, om hem
+het leven aangenaam te maken. Zij vond het zóo verschrikkelijk heerlijk
+te denken aan hem, aan het leven met hem alleen, dat zij deze gedachte
+voor een soort van opperst onthaal voor haar hart en hersenen bewaarde.
+Zij ging namelijk door met zich in haar heele toekomstige leven in te
+denken, maar zich alleen met al het bijkomende bezighoudende, met de
+gracht, waar-zij een huis zouden kiezen, met de meubeleering van de
+kamers, met de wasch, met de meiden, met de partijtjes, die zij geven
+zouden, met den zolder, met den gootsteen, met de toiletten, waarin zij
+gekleed zoû gaan en zoo meer. Een enkele keer liet zij even de gedachte
+doorschemeren, die haar het meeste geluk gaf: het samenzijn en het
+alleen-samenzijn met hem; zij bespaarde die stof, met glinsterende oogen
+en zuchtende borst, en leî voorzichtig de overhemden van haar vader in
+de linnenkast, evenals een kind eerst het bladderdeeg om een taartje
+heen, opeet, om voor de laatste hap het genot van de konfituren te
+bewaren. Eindelijk dan ook, toen alles geborgen was en netjes op zijn
+plaats gelegd, toen Mathilde over alles had nagedacht, tot over Jozefs
+garderobe en over de nieuwe soort heerenborstrokken, die mevrouw Berlage
+zoo geprezen had en die Mathilde, als eenmaal de intimiteit groot genoeg
+geworden zoû zijn, aan Jozef te dragen zoû geven, toen zij over de
+mogelijkheid had gedacht om 's zomers naar buiten te gaan, om een hond
+te houden, en ook over de brievenbus, die ze in haar voordeur zoû laten
+maken, toen liet ze plotseling dat alles wech gaan, gooide al die
+wezenloze dingen ver uit haar geest, dacht aan niets meer van de
+omgeving, aan geen enkele bijzaak meer, maar aan hem, aan hem alleen,
+aan de uren van onbeschrijfelijk geluk, die zij ver van de waereld, ver
+van iedereen, tot ver van haar vader toe, in een achterkamer of zoo,
+ergends, waar het ten minste schemerdonker was, waar geen geluid hen zoû
+bereiken en ook de zon hen niet zoû kunnen verlichten, heelemaal alleen
+samen zouden zijn. Zij voelde den stroom van het denken aan hem alleen,
+die zij zoo lang mogelijk had tegengegaan, om hem de meeste kracht te
+geven, met alle geweld langs alle kanten doorbreken en haar hart
+overgolven. Zij wilde nu denken áan en door de kracht van haar gedachte
+het nu al in den geest beleven, dat geluk van het alleen-samenzijn.
+Daarbij kwam, dat er een onopgelost iets, een vraagstuk vol duisterheid,
+iets, dat zij zich ten innigste bewust voelde zonder het te begrijpen,
+verbonden was aan de bepeinzing van dit heerlijke onderwerp. Zij dacht
+aan al wat ze hem zeggen zoû, als ze eens heel en al, zonder
+te-rughouding, in volle oprechtheid, wat in haar hart omging voor hem
+bloot zoû kunnen leggen en zich zonder voorbehoud van hem afhankelijk
+stellen. Zij zinde er op, wat ze zoû doen, hoe ze zich zoû kunnen
+gedragen, hoe zij haar eigen wezen zoû kunnen veranderen, zich
+vervormen, zich liever en beter maken of wat of hoe ook ze in Godsnaam
+zoû kunnen handelen, om een ongehoord bewijs, een heilige en
+onbetwijfelbare bekentenis te geven van haar liefde. Wat moest ze
+getuigen, wat had ze te openbaren, op dat die getuigenis en die
+openbaring hem onweêrstaanbaar overtuigden, dat haar liefde zoo waar
+was, dat zij het wel met haar bloed tegen een witte muur zoû willen
+schrijven. Want zij had een angst. Zij twijfelde niet, geen minuut, aan
+zijn liefde voor haar; die liefde moest bestaan, dit had zij al zoo lang
+geweten vóor hij het zelf zeî; maar zij was er niet zeker van of hij wel
+zeker was van haar liefde voor hem. Zoû haar stuurschheid van
+van-ochtend niet gemaakt hebben, dat hij een beetje aan haar liefde was
+gaan twijfelen? En tôch, al was dàt niet zoo, zoû ze het hem duidelijk
+genoeg hebben te verstaan gegeven? Wie weet hoe of hij twijfelde, wie
+weet wat een angst en verdriet of hij had. Zij vond ook zelf dat zij het
+niet krachtig en duidelijk genoeg gezegd had, dat andwoord, dat hij was
+komen vragen. En daarom zocht ze in haar verbeelding naar een middel om
+haar liefde te zeggen, naar een daad van opoffering, die zij zoû kunnen
+doen. Zij bekeek zich-zelf van top tot teen; daarna betastte zij zich.
+Er moest een handeling zijn, een akte, een daad, waarin het heele
+lichaam en de heele ziel zich ten innigste vereenigde om van liefde te
+spreken, waarin het heele ik in al zijn onderdeelen onverdeeld zich
+uitte en zeide: ik hoû van je, hier ben ik, ik hoor van jouw, heelemaal
+en altijd. Zij kwam eindelijk tot het besluit, dat zij haar vader zoû
+vragen, wat het huwelijk eigenlijk was. Maar dit durfde zij in 't geheel
+niet zoo maar.
+
+Mathilde was op haar kamer gaan zitten, vóor de tafel, de handen aan
+haar hoofd. Zij vroeg zich af, waarom ze zoo raar deed gedurende de
+laatste week, waarom ze eigenlijk van Jozef van Wilden hield. Op haar
+gemak zette zij hem in haar verbeelding en overwoog: wat er nu eigenlijk
+áan hem was. Eén voor éen ontleedde zij de gedeelten van zijn gezicht en
+van zijn lichaam en maakte de gevolgtrekking, dat zij niet wist wat het
+was, maar dat zij alles even allerliefst vond. Hij droeg zijn haar heel
+kort, met een scheiding aan den linker kant. Waar het de scheiding
+bezoomde, had het een grijs-bruine kleur, die al donkerder werd,
+naarmate het haar het midden van den schedel naderde. Midden boven het
+hoofd was het heel donker, bijna zwart en glanzend, maar dun. Precies
+zóo was 't aan den anderen kant van de scheiding. Boven zijn ooren was
+het haar aan weêrszijden naar voren gekamd en rulde daar even, maar heel
+even, het liet de slapen heelemaal open en leek niets op een saai
+oude-vrijers-kapsel. De haargroei, vóor het oor, op die plek, waar de
+blonde sprietjes bijna deden twijfelen, of zij bij het hoofdhaar
+hoorden, of bij de bakkebaard, scheen daar zóo vlossig, dat het, als hij
+op straat liep bij winderig wêer, leek op een uitgestrooiden zomerhalm,
+zoo als men ze aan de korenvelden 's zomers op en neêr ziet gaan in den
+wind. Er was een glans door het dunne haar tot over het gladde, blanke,
+van twee lange, fijne, bijna onzichtbare rimpels horizontaal doorsneden
+voorhoofd, en aan de slapen waren lichte schaduwen. Zijn bruin-blonde
+wenkbrauwen, bewegelijk en dun, regel-matig gebogen, waren mooi over
+zijn groen-blauwe oogen, waar hij Mathilde met zooveel liefde meê kon
+aanzien. Zijn wangen dachten Mathilde bizonder mannelijk gekleurd met
+hun somber-blanke tint, en het lichte rood onder de oogen. Zijn neus was
+van voren even merkbaar in tweeën gesplitst, hij had groote
+neusvleugels, tot aan de punt van den neus, die hevig bewogen toen hij
+zich eens driftig had gemaakt op een avond, dat zijn geheugen hem in den
+steek liet bij het voordragen van een gedicht, en ook nog eens, als zij
+zich ten minste wél herinnerde, op een anderen avond, dat zij plotseling
+merkte, hoe hij zonder verwikken of verwegen naar haar zat te turen.
+Zijn snor was heel, heel mooi, door vergedreven verzorging schijnbaar
+onverzorgd. Het was een dikke snor, die zijn heele bovenlip besloeg,
+schuin naar beneden gestreken, den vorm der lip volgend en aan
+weêrszijde in een groote krul naar boven gedraaid. Onder de snor was
+alleen een dunne roode lijn van de onderlip te zien. Zijn mond had den
+vorm van een breed naar weêrszijde uitgedrukt hart en was meestal een
+beetje vochtig. Zijn kin was heel rond, al te rond, niet spits genoeg,
+altijd helder geschoren. Jozef gebruikte lage liggende boorden, altijd
+stijf gestreken en spierwit als postpapier. Zijn hals kwam daar fier en
+flink uit naar boven, vanvoren blank, met den sterk uitkomenden
+strottenbol, die Mathilde een teeken van groote mannelijkheid scheen,
+half in de kinne-schaduw verborgen. Meer naar achteren werd het vel van
+zijn hals rooder, tegen den drukkenden boord aan, die daar eigenlijk te
+nauw was, om dat Jozef zijn hoofd altijd zoo mooi recht droeg. Hij had
+nog-al breede schouders, waar zijn jas altijd heel glad en zonder éen
+kreukel om heen zat, meestal zwart en donker-groen in den winter, grijs,
+nu en dan lichtgrijs 's zomers. Hij droeg dassen van allerlei kleuren
+maar nooit kakelbont, altijd goed en met smaak gekozen, altijd in
+over-een-stemming met de kleur van zijn pak. Hij droeg heele wijde
+manchetten, nooit bespat of besmet of hoe ook vies, zoo als de ingenieur
+Ster ze bijv. wel eens áan had. De manchetten hingen tot laag over zijn
+polsen, meestal met twee zilveren bolletjes aan een kettinkje vast. Maar
+zijn handen, o, zijn handen, die had zij lief! Wat een zachte schok ging
+er door haar leden, toen die handen, tintelend van liefde en
+bescherming, haar schouders aanraakten of, langs haar armen strijkend,
+haar polsen beetpakten, om die te omknellen, zoo als het van-ochtend was
+gebeurd. Mathilde bekeek haar polsen; ze had haar braceletten nog niet
+aan. Er was niets meer te bespeuren van Jozefs innigen druk. Zij had zoo
+graâg gehad, dat er nog moeten te zien waren geweest. Jozef droeg
+dikwijls naar voren openhangende fantasie-jasjes van uitstekenden snit.
+Over zijn vest hing dan een gouden horlogekettinkje. Er was éen van zijn
+vesten, waaraan zij een hooge voorkeur gaf, een vest van geel-grijs
+piké, met roode, blauwe en gele spikkeltjes, met doffe paarlemoeren
+knoopen. Dat vest pastte hem prachtig en stond hem zoo mooi en met maar
+enkele plooyen heel van onderen. Van-morgen, toen ze bij mekaâr waren,
+had Mathilde zich erg verleid gevoeld om haar arm over dat vest heen te
+slaan, onder zijn jasje, en zoo zich beter aan hem te kunnen warmen en
+zijn hart voor haar te hooren kloppen, maar zij had niet gedurfd. En dat
+was ook beter, want zij moest zich een beetje koud toonen, meende zij.
+Jozefs broekspijpen hingen wijd-uit tot dicht bij de punten van zijn
+effen schoenen. Vooral de licht-grijze broek met het biesje op zij,
+stond hem verschrikkelijk goed. Hij had een soort van kalm en waardig
+gemak om zijn armen en beenen te bewegen. Mathilde voelde het, zij was
+verliefd op zijn gang, op zijn tred, op zijn schreden; hij liep met een
+losse regelmatigheid, die haar bekoorde, hij liep edeler dan haar vader,
+edeler dan Ster, edeler dan alle andere heeren op straat. En dan de
+manier waarop hij zijn armen bewoog! Met een eenvoudige en natuurlijke
+gematigheid kon hij een deur sluiten, of een kaart op tafel gooyen, als
+hij met haar vader ekarteerde! zijn stem klonk als een orgel, lief en
+forsch tegelijk. Vroeger had zij over al die dingen nooit zoo gedacht,
+dat was vreemd! Uit alles sprak een edel en teêrgevoel, en ook een
+levensondervinding, die zeker was van zichzelf. Hij vond blijkbaar goed,
+al wat hij deed, of liever, hij deed alleen dat, wat hij eerst had
+goedgevonden te doen ... En hoe had hij altijd van haar gehouden ... nooit
+was zij zoo ingenomen geweest met de manier, zoo als hij vroeger
+tegenover haar gedaan had, toen hij uren-lang bij haar bleef, ofschoon
+zij toch nog maar een kind was, en hem onmogelijk belang kon inboezemen,
+wat haar inviel te zeggen. Mathilde overdreef den duur der uren die zij
+samen hadden doorgebracht, zonder het te weten. Het kwam haar nu voor
+als was Jozef bijna voortdurend bij haar geweest, haar kostschooltijd
+uitgenomen. Hoe had hij haar geholpen met raad en daad, wat had hij een
+kennis en een gave om die duidelijk in háar verstand over te planten.
+Hij begreep de piano, het teekenen en het borduren; hij sprák niet
+alleen over muziek, zoo als zooveel menschen, maar hij begréep ook de
+muziek, hij wist haar meê te deelen, wat, van romans, de moeite waard
+was voor haar om te lezen. Hij hield van dichters, zoo als zij, maar
+meer van romans, zoo als zij. Zij hadden samen Walter Scott, Dickens en
+een werk van Daudet doorgemaakt, en als hij voorlas, hoe hoorde zij dan
+in de melodie van zijn stem, wat men bij den schrijver in den vorm van
+zijn schrift zoû hebben ontdekt, had men zijn manuskript onder de oogen
+gehad! Zij herinnerde zich, hoe ze op haar dertiende jaar al de groote
+witte halve maan, die door het wechdrukken van het vel onderaan zijn
+nagel zichtbaar werd, en de punt van dien nagel zoo blank als een stuk
+ganzeveder, had bewonderd. Wat kon Jozef verder belangrijk praten, wat
+had hij goede inzichten in de staatkunde van den dag! Ook droeg hij een
+mooi gouden potloodje in zijn rechter vestzak, dat open en dicht werd
+gehaald op een wijze, zoo als Mathilde het nog nooit had gezien. Zij had
+haar vader Jozef zóo dikwijls hooren prijzen, en telkens deed haar dat
+zoo'n goed! Vader vond hem een man van bekwaamheid in zijn vak, de
+effekten, een ontwikkelden kop, en die later wat worden kon in de
+maatschappij, die carriêre zoû maken. Vader noemde Jozefs kleeding wel
+wat overdreven netjes, maar dat kwam alleen, om dat hij zelf nooit veel
+smaak voor die zaken had gehad. Jozef had veel hart en veel verstand,
+hij wist dat allebei goed te gebruiken wat kon men meer vragen van een
+man, met wien men een gelukkig huwelijk aan wilde gaan?
+
+Zoo ging Jozef in Mathildes denken en verbeelden voorbij, en toen zij
+hem weêr zoo duidelijk en innig bij zich had, hem naast zich voelde, hem
+vóor zich zag, toen ze een kleur kreeg, om dat zoo wezenlijk zijn adem
+over haar lippen ging, schrok ze op en ging met haast aan het teekenen,
+waarvoor zij hier eigenlijk zat. Zij maakte gauw de stukjes verf áan met
+water uit het altijd halfvuile glas en met een drift, die niet lang
+duren kon, ging zij aan den gang met haar potlood en haar penceel. Zij
+plooide haar lippen samen en stak er het uitgewasschen penceel tusschen,
+om de gedweeë haartjes in een punt uit te doen loopen, om zoo fijne
+plekjes kleur op het papier aan te kunnen brengen. Maar het schoot haar
+te binnen en verraste haar onaangenaam. Jozef had haar dat likken aan
+het penceel dikwijls afgeraden. Hij zeide, dat er nooit heel zeker géen
+vergif onder de verf was gemengd en men dus niet kon weten. In een
+begeerte, om in 't vervolg alleen te doen, wat hij graâg had, ook dan,
+wanneer hij er niet bij was, nam zij het penceel tusschen haar lippen
+uit, veegde die af met haar zakdoek en probeerde om tusschen haar
+vingers het penceel te punten. Dit maakte haar heel tevreden over haar
+zelf, en, een beetje bedaarder, kleurde zij voort. Maar zij had haar
+uren verdroomd. Het sloeg half vijf op den toren in de Zandstraat en het
+Paleis op den Dam begon juist te spelen. Door de zoele zomerlucht klonk
+het klokkespel uit de verte haar pleizieriger tegen dan gewoonlijk.
+Kling, klang, kling, klang, klang, klang, de zachttriomfantelijke wijs
+van "De Koning leev', de Koning leev", speelde het klokkespel, hoog
+boven de huizen. Mathildes hart klopte, want ze moest gauw gaan dekken
+beneden voor het eten, en het was net of er in haar binnenste, in haar
+hart, ook zoo een lief en luid klokkelied werd gespeeld.
+
+In de trapkast was alles doodstil. Heelemaal beneden gekomen, hoorde
+Mathilde Jans rommelen met stoelen en borden. Zij slofte juist te
+voorschijn.
+
+--Ik was maar gaan dekken, jufvrouw, zeî ze, ik dacht, dat u 't zeker te
+druk had boven.
+
+--O, dank-je, laten we 't nou maar samen verder doen.
+
+Het siste in de keuken; een geur van gebraden ossevleesch zweefde door
+den gang. Vader zat in de voorkamer In een boek te lezen.
+
+--Wil u van-middag ook maar weêr híer eten, vader? vroeg Mathilde, het
+is hier veel lichter als achter.
+
+--Heel goed, kind, zoo als je wilt.
+
+En zij zaten samen in stillen vrede en genoegelijken kout, zoo als
+altijd. Mathilde had het extra schoteltje vergeten. Buiten was het volle
+dag, zoo licht, als om twee uur 's middags, maar de zonnehitte was
+getemperd en zachte zomerkoeltjes dartelden met het tafellaken. De heer
+de Stuwen vertelde van allerlei dingen, die hij in _Artis_ gezien had;
+Mathilde was bizonder lief voor haar vader. Toen de heer de Stuwen naar
+bed ging, om elf uur, dacht hij wat heb ik toch een aangenaam en
+vreedzaam leven. Wat passen wij goed bij mekaâr, Mathilde en ik!
+
+Toen Jozef van Wilden van Mathilde van-daan-ging, was hij door de oude
+Doelenstraat en de Damstraat naar de Club gegaan. Hij keek, onder den
+naar vorengebogen rand van zijn zwart zijden glimmenden cylinder-hoed
+door, recht voor zich uit, over de voorbijgangers heen. Tusschenbeide,
+als hem een mooi gekleed meisje voorbijging, beblikte hij haar in de
+schuinte en liep verder, met zijn kalmen, regelmatigen pas, de voeten
+naar buiten buigend bij iederen stap. Het witte voorportaal van het
+sociëteitsgebouw doorgaand en de trappen op, zonder gedruisch, voelde
+hij duidelijk, dat hij veel van Mathilde hield.
+
+Hij was in der tijd, als jonge man van drie-en twintig jaar, bij den
+dood van zijn vader, die hem het effektenkantoor had nagelaten, de
+Stuwen, waar zijn vader hem al voor jaren meê in kennis had gebracht,
+blijven bezoeken. Mevrouw de Stuwen leefde toen nog, en er werden nog al
+eens gezelschapsavondjes gegeven. Hij was ook altijd aangetrokken
+geweest door dat aardige kind, die Mathilde, die hem zoo graâg haar
+vriend noemde en niet van hem af was te slaan, had hij eenmaal den
+drempel van het huis op den Oudezijds Achterburgwal overschreden. Hij
+hield van kinderen, tot van dertien-en veertienjarige jongens en
+meisjes toe, maar ouder niet. Hij was een goede jongen, volstrekt geen
+kwaad of menschenhatend charakter. Hij had zich laten overhalen tot een
+"vasten en eeuwig durenden" vriendschapsband met Thildetje, die weinig
+vriendinnen had. De de Stuwens waren zoo-wat de eenige familie, waar hij
+aan huis kwam. Hij verkeerde niet in aanzienlijke kringen. Zijn
+grootvader had al in effekten gedaan te Utrecht, zijn vader had het
+kantoor van daar naar Amsterdam verplaatst, waar hij geen verwanten en
+weinig kennissen had, maar beter kans zag om zijn zaak uit te breiden.
+Dit was hoofdzakelijk gebeurd op aandringen van Jozefs moeder, die
+stierf een week vóor zij voor goed naar Amsterdam zouden gaan. Het
+verplaatsen van de zaak had niet veel gegeven, want de oude heer van
+Wilden was een man zonder veel initiatief; deze eigenschap liet hij ook
+zijn zoon erven, die de zaak, met den ouden vertrouwden boek-en
+kashouder aan 't hoofd, op zijn gemak en op denzelfden voet bleef
+drijven. Jozef had eenige vrienden onder de koffiehuis-jongelui gevonden,
+was eindelijk lid geworden van de club. Nu ging hij meestal in den morgen
+een groot uur naar het kantoor, griffelde daar het een en ander met zijn
+gouden potloodje, bracht van kwart voor tweeën tot kwart voor drieën zijn
+tijd op de beurs door, na op zijn bovenhuis of in de club gedejeuneerd te
+hebben, bitterde dan, dineerde ergends en ging 's avonds naar de komedie,
+naar een koncert, of biljarten, of bij een van zijn vrienden zitten praten.
+Hij hield er een mentineetje op na, zoo om de twee jaar éen, heel kalm,
+heel matig. Op 't oogenblik was hij met zijn huishoudster, een dertigjarige
+gewone blondine, zonder uitstekende voortreffelijkheden. Eerst éens, toen
+tweemaal in de week, ging hij de Stuwen 's avonds gezelschap houden, 't
+werd namelijk tweemaal na den dood van mevrouw de Stuwen, toen de Stuwen-
+zelf 't ook erg eenzaam had. De familie van Riet, kennissen van de Stuwen,
+waar Emilie Hartsen, een wees, bij aan huis woonde, had hem ook gevraagd,
+maar hij bedankte, hij had aan de Stuwen en Mathilde genoeg. Dat hij zoo
+betrekkelijk dikwijls de Stuwens gezelschap opzocht kwam van de verveling,
+die hij door-elkâar tweemaal in de week ondervond door het uitsluitend
+omgaan met de clubleden. Van zijn vader had hij een hoeveelheid goedaardige
+degelijkheid georven, die nu en dan bovenkwam. Hij ging dan praten met
+de Stuwen die wel liberaal-katholiek was, zoo als hij zelf ook, maar
+toch over allerhande zaken veel burgerlijker en ook veel zedelijker en
+gematigder denkbeelden had dan de jongelui. Jozef praatte ook graâg eens
+rustig en had hij een inlichting in zaken noodig, dan was Mathildes
+vader de ware man, om zich toe te richten; eens zelfs had hij Jozef, die
+een verkeerden slag geslagen had en daardoor lichtelijk in geldnood was,
+bijgesprongen. Jozef sprak met de Stuwen alleen over heele zedige
+uitgangetjes en andere pleizieren en wist zich met zijn bedaarde
+gepozeerdheid bizonder degelijk voor te doen. Jozef was zich ook, in een
+goede aandrift van zijn hart, hoe langer hoe meer met het moederloze
+dochtertje van de Stuwen gaan bezighouden. Hij bezocht haar, ja dikwijls
+uitsluitend háar, nu ook wel 's middags, en hielp haar voort met al haar
+liefhebberijen en dingetjes. Jozef had een goeye opvoeding gehad. Ook
+wist hij nog al wat van boeken en had hij een natuurlijke gave om het
+een of andere idee, dat een jong meisje moest behagen, langs den meest
+beminnelijken weg voor te stellen en ingang te doen vinden, meende hij.
+Het waren geen diepzinnige vraagstukken van levensbeschouwing of
+wijsbegeerte zoo zeer, die hij in zijn gesprekken met Mathilde te pas
+bracht, toen zij wat ouder werd en vooral na haar te-rugkeer van de
+kostschool, het waren veel meer allerlei zaken van gevoel en verbeelding,
+hij wist de muziek uit te leggen, dat is te zeggen: aan te duiden welke
+hartstochten of welke gedachten die en die melodie uitdrukten, hij wist
+op de schoonheid der lijnen en kleuren van teekeningen en op de
+bevalligheid van borduurpatronen te wijzen. Het waren ook allerlei dingen,
+die zij om hen heen opgemerkt hadden, die zij elkaâr toevertrouwden; zij
+nam alles altijd dadelijk aan, wat hij zeide, en zij lachten samen
+dikwijls erg hardop. Zij hadden in het dagelijks leven, bij een wandeling
+op straat of in de houding van huisgenoten of kennissen, dit of dat voor
+het eerst gezien; zij dachten zus of zoo over het leven, over de liefde,
+de angst, de droefheid, het vergaan of het eeuwig voortbestaan van dit
+leven, enz. Zij lazen samen Allard Pierson, J.J.L. ten Kate, en zoo meer.
+Het hechtte Jozef zelf aan ernstige bezigheden, ook buiten de zaak om,
+dat verkeer met Mathilde. Hij merkte het wel. Buitendien, van een
+anderen kant beschouwd, hield niemant zooveel als hij van luidruchtige
+frissche jeugd en opbruisend leven; van toen zij nog heelemaal een kind
+was af, was hij aan Mathilde gewoon geraakt en 't was een behoefte voor
+hem geworden haar dikwijls te zien. Hij had haar ontwikkeling van 't
+begin tot het einde bijgewoond. Toen ze als een jong-meisje van de
+kostschool te-ruggekomen was, had hij wel zeer verbaasd staan te
+kijken en was hun verhouding wel zeer verkoeld geweest, ook om dat ze
+hem zoo weinig had geschreven, maar langzamerhand had de oude gewoonte
+van gemeenzaam verkeer weêr ingang gevonden en de overhand gekregen Zij
+waren gauw weêr de beste vrienden, ofschoon ze ook mekaâr in 't begin
+halsstarrig "mijnheer" en "jufvrouw" bleven noemen. Er hadden nu ook bij
+de Stuwen aan huis weêr de oude muzikale avondjes plaats, die bij het
+overlijden van mevrouw de Stuwen òp hadden gehouden. Mathilde behaalde
+bij dezen gelegenheden triomf op triomf door haar buitengewoon
+ontwikkeld pianotalent.
+
+Jozef was eens op een goeyen morgen voor den spiegel gaan staan, was
+gaan denken, dat hij in de dertig was, dat hij gisteravond toevallig een
+betrekking had afgebroken, die hem toch al lang verveelde, en nu maar
+volstrekt woû gaan trouwen. Hij wilde een rustig leven hebben en een
+vriendelijke goede wettige vrouw. Hij wilde wel trouwen en getrouwd zijn
+en een goeye huisvader worden, maar zijn vrouw moest een persoonlijkheid
+wezen, die hem ruimschoots vergoedde, wat hij verloor. Het was een van
+zijn lievelingsdenkbeelden een vrouw aan zijn zijde te zien van hooge
+gestalte, niet te klein, die zich elegant kleedde, altijd gezond en
+vroolijk was, geen bekrompen gedachten had over godsdienst, en het leven
+in 't algemeen eenigszins breed opvatte; Buitendien moest ze een mooi
+lichaam hebben, niet te mager, en veel zindelijkheid en al de
+hoedanigheden van een aangename gastvrouw voor als ze eens een partijtje
+gaven. Zij moest ook graâg uitgaan en graâg veel van het leven genieten,
+zij moest iets Parijsachtigs over zich hebben en zich in alle opzichten
+uitstekend weten te gedragen. Verder mocht liefhebberij voor muziek, wat
+lectuur, enz., haar niet ontbreken.
+
+--Meermalen had Jozef voor zijn vrienden op die manier de vrouw
+beschreven, van wie hij zeker wist een goede trouwe echtgenoot te zullen
+zijn en met wie hij stellig een gelukkig leven zoû hebben.
+
+Het lag zoo verbazend voor de hand, dat Mathilde de Stuwen, daar hij
+zooveel meê omging, het aan al deze eischen beandwoordende meisje was,
+dat het hem nog nooit in was gevallen aan háar te denken.
+
+Maar langzamerhand was het hem uit alles, uit den toestand, waarin hij
+en zij verkeerden zelf, duidelijk geworden, dat niemant anders dan
+Mathilde toch zijn vrouw zoû kunnen worden. Toen hij daar het eerst aan
+dacht, had hij een lichte kleur gekregen van pleizier over deze
+gelukkige ontdekking. 't Was óok in de club geweest, hij zat ook juist,
+zoo als op 't oogenblik, in de in dit vroege uur nog leêge groote
+benedenzaal een halven biefstuk met gebakken aardappelen te eten, die
+hem toen ook gebracht was door Henri, denzelfden knecht van nu.
+
+Toen Jozef eenmaal besloten had Mathilde het hof te maken, was hij zich
+af gaan vragen, of hij van haar al niet vroeger-al gehouden had. Hij
+dacht nu van ja: zonder 't zelf te weten, had hij haar liefgehad. Hij
+nam zich dan voor die liefde zooveel mogelijk aan te wakkeren in zijn
+eigen binnenste, en daarna aan de Stuwen Mathildes hand te vragen. Maar
+toen hij er zoo over peinsde, of die liefde voor haar al vóor dien dag
+bestaan had in zijn hart en van-já dacht om dat hij zich herinnerde,
+hoe-of hij zich altijd tot dat huis van de de Stuwens aangetrokken had
+gevoeld, trof het hem op-éens als iets heel zonderlings, dat hij nooit
+in Mathildes gezelschap, al zat of stond hij vlak bij haar al raakte
+zijn schouder haar schouder, zijn been haar japon, zijn arm haar rug,
+zijn hand haar hand, dat hij nooit, al zaten ze uren lang met mekaâr aan
+de een of andere bezigheid bij de kachel 's winters of 's zomers voor
+het open raam, als buiten de zon gloeide, dat hij zich nooit erg naar
+haar had voelen verlangen. Hij had zelfs nooit uitvoerig de
+hoedanigheden van Mathildes lichaam overwogen, nooit in haar
+gewaardeerd, wat hij en zijn vrienden, als ze over vrouwen spraken,
+altijd in de eerste plaats bedoelden. Hij vond dit erg vreemd, maar was
+overtuigd, dat het verlangen na zijn voornemen van hofmakerij, nu ook
+wel komen zoû. En hij deed zich geweld aan. Hij probeerde haar op alle
+manieren lief te krijgen en hij begon te merken, dat zij van hem
+misschien al-lang hield, zonder er ooit iets van te laten merken. Als
+hij nu bij haar was, probeerde hij door háar net zulke indrukken bij hem
+te weeg te doen brengen, als de andere vrouwen deden. Wanneer zij, op
+een avondpartijtje bij haar vader of soms 's zomers als het snik heet
+was, een lager uitgesneden japon droeg, bleef hij naar haar hals kijken;
+hij oefende er zich in haar kin en haar keel zóo te bekijken, dat hij
+den wensch kreeg ze te betasten; hij wilde het zoover brengen, dat hij
+al koud werd als hij haar hand in de zijne had. Hij leî er zich op toe
+om door haar geheel ingepakt te worden. Hij bestudeerde haar, om uit te
+vorschen, waar wel in haar wezen de begeerte-magneet zoû te vinden zijn,
+hij zocht die als een verborgen kleinood in de boekjes van haar kleed,
+tusschen de donkere plekjes van haar haar. Hij wilde dat als haar rok
+over zijn schoenen ging er een tinteling door zijn dijen zoû gaan, dat,
+als haar mouw over de zijne streek, er een vuur door zijn arm zoû
+gloeyen. Maar, wat hij ook in 't werk stelde, het kwam niet. Maar juist
+toen, dit had hij later wel ingezien, had zij haar invloed op hem
+gekregen. Wanneer hij gedachteloos over den weg keek, was zij toch maar
+in zijn verbeelding. En kon hij 's nachts niet slapen, dan scheen het
+alsof zij in de kamer rondwandelde. En met klimmende zekerheid kwam er
+begeerte naar haar in hem op, een begeerte, die weinig gemeen had met
+zijn gewone wellusten. Hij begon een onweêrstaanbaar verlangen te
+voelen, haar te omarmen, haar te bezitten zonder toch dat er een lager
+gevoel bij hem aanwezig was. Hij wenschte iets als een gezonden en
+innigen band, een hoogere en meer edele wellust. Hij werd zich bewust,
+dat hij bij haar, ook haar ziel, haar hart zoû binnendringen. Dit deed
+hem naar haar zuchten als naar een heilige bezitting. Zoo stelde hij
+zichzelf de zaken voor.
+
+Hij vond haar ook zoo gezond en zoo levenslustig, dat hij zich een
+uiterst aangenaam huwelijk met haar voorspelde, dat met-een een
+gelukkigen ommekeer in zijn wel wat eentonig wordend jonge-heeren-leven
+te weeg zoû brengen.
+
+Zoo was alles gegaan, zoo had hij haar onverhoeds, dien avond midden in
+het gezelschap, zijn liefde verklaard. Van-morgen nu werd zijn vraag zoo
+voldoende beandwoord, dat hij in een bizonder prettige stemming
+tengevolge verkeerde. Hij dronk een extra half-fleschje wijn, bordoo.
+Hij vond het mooi van haar en het verhoogde zijn genoegen, dat zij bij
+al haar goede eigenschappen ook fierheid bleek te hebben, want het kwam
+nu uit, anders had ze hem niet zóo aangedaan ontvangen, dat zij al-lang
+van hem hield, en nooit had zij daar iets van laten merken. Dit was fier
+gehandeld. En, zich verzadigend aan de overweging van den mooyen slag
+door hem geslagen, zag hij door de spiegelruiten de onverschillige
+menigte door de Kalverstraat op en neêr loopen. De zaal om hem heen was,
+achter het waas van zijn gedachten heen, langzamerhand voller geworden,
+levend van zachte praatgeruchten en stilgebarende lichamen. Jozef had
+het beursuur laten voorbijgaan zonder te denken dat het al zoo laat was.
+
+
+
+
+III.
+
+Stilletjes zomerden de dagen voort in het huis van de Stuwen. Jozef
+bleef zijn gewoonte houden om twee-maal 's weeks daar een avondje door
+te brengen. De gevoerde gesprekken waren dan schijnbaar hetzelfde
+gebleven en betroffen dezelfde onderwerpen als vroeger; de heer de
+Stuwen en Jozef voelden zich altijd even goede vrienden. Mathilde zat,
+als zoo altijd, meestal zwijgend, nu en dan een enkel woord meêsprekend
+bij de heeren, met haar borduurwerk of romans, thee zettend en wijn
+schenkend. Er werden ook nog avondjes met meer menschen gegeven, maar
+minder dan eerst; uit zich-zelf kwam de heer van Stuwen nooit op zulke
+dingen en, en het bleek, dat Mathilde lang zoo erg niet meer op zulke
+extraatjes was gesteld als vroeger. Zij wilde in den eersten tijd van
+hun liefde Jozef zooveel mogelijk voor zich alléen houden. Wat een
+ingrijpende en heerlijke verandering dan ook in de verhouding tusschen
+Jozef en haar, heerlijk, juist om dat hun betrekking onveranderd in
+denzelfden vorm scheen te blijven voortduren zoo als zij vroeger was.
+Daar Mathilde nog volstrekt maar niet besluiten kon haar vader in 't
+geheim te nemen en juist door het onophoudelijk denken over dezen
+moeyelijken stap, dagelijks meer besefte, hoe innig haar vader en zij
+aan-een-gesloten waren, had Jozef in geenerlei opzicht de gelegenheid
+zich te gedragen zoo als een fatsoenlijk heer, die verliefd is en wiens
+liefde door wederliefde beandwoord, pleegt te doen. Hij kon uiterst
+zelden met zijn aan-staande alleen zijn, mocht haar nooit een cadeautje
+maken en weken gingen voorbij, zonder dat hij zijn liefde anders kon
+laten merken, dan in den langeren handdruk en in de ontmoeting van hun
+oogen, die plotseling warm werden en vreemd en verlegen mekaâr aankeken
+in oogenblikken, dat de heer de Stuwen even wech was gegaan of de
+koerant las. Jozef beviel deze onthouding ondertusschen volstrekt niet,
+zijn ongeduld vermeerderde met den dag. Hij begreep ook niet hoe deze
+toestand een einde zoû nemen. Maar Mathilde was het nog in 't geheel
+niet met zich-zelf eens geworden, wat haar te doen stond, om een
+oplossing te verkrijgen. Als haar oogen, terwijl haar vader met Jozef
+druk aan 't spreken was en over politiek of andere dingen van den dag
+redeneerde, Jozefs oogen en voorhoofd kusten, dan wilde zij zich-zelf
+dwingen in-éens een besluit te nemen, den knoop door te hakken, haren
+vader alles te zeggen, en verder van de omstandigheden af laten hangen,
+hoe de toekomst wezen zoû. Of vader met hun samen zoû komen wonen, dan
+wel of zij ieder afzonderlijk zouden gaan wonen, dat kon zij nog niet
+beslissen. Wie weet, dacht zij, wat er op gevonden zal worden. Wie weet,
+welke uitnemende schikking er mogelijk zal blijken. En de woorden
+dringen op haar tong naar voren en branden door haar lippen. Maar
+plotseling bedacht zij zich weêr. Nee, het kon nog niet, onmogelijk. Zij
+moest vooreerst wachten. Het sámenwonen mocht zij zich nu al als zeer
+goed denkbaar voorstellen, zij wist wel, dat bij nadere nagedachte, toch
+altijd de onhoudbaarheid er van bleek, om de redenen, die zij zich-zelf
+al zoo dikwijls herhaald had, en toch weêr telkens wech wilde cijferen.
+En dat vader alleen zoû wonen, daar kon zij zelfs geen oogenblik aan.
+denken. Gedurende de laatste weken nog had hij geklaagd over een
+pijnlijke stijfheid in zijn linkerarm en bijna door zijn heele linker
+zij. Moest zij hem dan niet helpen, hem verzorgen op alle mogelijke
+manieren, alles voor hem in orde maken en klaar zetten? Had hij niet
+menigmaal gezegd, dat zij alleen er was als het zonnetje, om den avond
+van zijn leven te vervroolijken? Neen, duizend maal, zij kon hem niet
+aan zijn lot overlaten, het mocht niet, het ging niet, het zoû niet
+zijn, hoe Jozef ook aandrong, wat hij ook zeî om haar te overtuigen.
+Mathildes besluiteloosheid kwelde haar-zelf het meest. Was zij overdag
+eens in haar eentje thuis, dan kon zij soms plotseling met een stofdoek
+of borduurnaald in de hand vijf minuten lang in 't midden van de kamer
+stil blijven staren, de oogen droomerig naar den wand, of wel bleven op
+eens haar handen uitgebreid boven de toetsen liggen, midden in een
+melodie, die zij speelde en dansten de muziekbalken voor haar gezicht.
+Telkens deden in den zelfden vorm de zelfde vragen zich voor aan haar
+verstand en telkens werden zij onopgelost weêr wechgezucht. Het maakte
+haar moei, het maakte haar verdrietig, die eentonige hinderpaal voor
+haar geluk. Was Jozef een enkele maal met háar alléen in aanraking, liet
+zij hem in, als Jans de deur uit was, ontmoetten zij mekaâr onder aan de
+trap of bij de deur van het zaaltje, dan vroeg zijn eerste blik altijd;
+zijn wij nu nog geen stap verder gekomen? dan fluisterde hij haar
+smeekend toe, dat zij moest bedenken, hoe zijn lot in haar handen was,
+hoe ze hem niet langer zoo treurig en ongelukkig mocht laten. Andwoordde
+zij hem dat er nog niets gebeurd was, dat zij niet wist wat te doen, dat
+zij nadenken, dat zij zien zoû, dan drukte hij haar hand, leî zich
+zachtzinnig bij haar voortdurend aarzelen neêr, maar zag haar aan met
+een vaste hoop in den blik, dat zag zij duidelijk. En juist het
+denkbeeld, dat ze hem de volgende maal weêr te leur te stellen zoû
+hebben, dat hij er zoo onder leed en er toch zoo gelaten bij bleef en
+zich nooit boos maakte, dit verergerde haar inwendigen strijd met den
+dag en versterkte haar liefde. Zij stond onophoudelijk tusschen twee
+vuren. Nog nooit had zij zoo'n hevigen inwendigen strijd gehad. 's Middags
+had zij er wel eens hoofdpijn van. De gehechtheid aan haar vader
+was meer een ingegroeid en onuitroeibaar plichtbewustzijn, dat zich niet
+openbaarde door allerlei nieuwe en vurige gewaarwordingen, maar, als een
+oud gedeelte van haar innigste natuur, onverstoorbaar zijn altijd even
+zekeren invloed deed gelden, terwijl daarentegen haar hartstocht voor
+Jozef als een heel nieuwe zijde van haar leven, aantrekkelijk en
+machtig, zich vertoonde, overal door haar gemoed en haar verbeelding
+heen. Alles wat zij voelde, dat er in het leven bevallig, lichtkleurig
+en rijk was, ridderlijk, edel, schoon en zwierig, verpersoonlijkte zich
+in Jozef. Sedert zijn liefdesverklaring was hij in haar heelemaal nieuw,
+groot en heerlijk. Zij zag in hem de kracht en het vernuft, in hem dat
+veelvoudig aanlokkelijk wezen, wien het haar als opperste roeping en
+opperst genot zoû gegeven zijn haar leven ten offer te brengen. Het
+denkbeeld van tot hem op te gaan, van tot hem in te gaan, van haar wezen
+in zijn wezen te verliezen en haar zelf, door het zich vereenzelvigen
+met hem vervormd, als een gedeelte van zijn individu, te-rug te vinden,
+klampte zich vast aan haar hart, kankerde zich in een hoekje van haar
+hersens en vermengde zich met haar bloed. Het verrukte haar, dat,
+wanneer ze 't bedaard naging, hij geen enkele uitstekende eigenschap
+had, hij niets buitengewoons gedaan had in de wereld, hij door geen
+heldendaden bekend stond, geen epopeeën had gedicht, door geen
+uitvinding zich naam had gemaakt, niemant hem voor een eersten denker
+hield, geen sterveling hem een heilige zoû noemen, en dat zij toch zoo
+oneindig en boven alles en allen van hem hield, en dat het háar toch
+scheen, als was hij de grootste mensch, die ooit had bestaan en de
+eerste van zijn tijdgenooten. Want, want hij had meer gedaan dan al de
+helden en grooten, die zij had hooren prijzen, hij had háar liefgekregen,
+zij was door hem gekozen tot zijn vrouw, en zij, dat was zij-zelf. Háar
+had hij ontdekt, dat was zijn uitvinding, háar had hij veroverd, dat was
+zijn heldenstuk, toen hij zeî: "ik heb je lief", en eergisteren: "wat
+ben je mooi", maakte hij zijn groot gedicht.
+
+Haar verbeelding was altijd met hem bezig. Zooals zij over-dag over hem
+nadacht, zoo droomde zij 's nacht van allerlei rare gevallen, waarbij
+hij te pas kwam. Zij dacht altijd aan hem, zij voelde zich hoe langer
+hoe meer door hem in bezit nemen. Wanneer zij tusschenbeide niet in
+slaap kon komen, gingen er door haar lichaam vreemde huiveringen. Er
+ging b.v. als een aangenaam vergift, dat heer bekroop, een koud gevoel
+van haar voeten, door haar beenen, onderlijf en borst, tot in haar keel.
+Soms, wanneer zij in haar droom in een teêre en zwaar-drukkende
+omhelzing met hem was geweest, schrikte zij wakker, met een ongekend en
+angstig hijgen; haar onderlijf kromde zich naar boven, tegen het
+wezenloze dek. In andere uren weêr vulde hij haar denken als iets
+ideaals, dat niemant aan kon raken, dat niet van stof was, een lichtend
+waas, met een hoofd alleen van menschen-stof, een muziekvlaag, die doffe
+en weelderige geluiden rondblies, een vreemdeling, die zij nog nooit had
+gezien, maar haar plotseling als een ouden bekende voorkwam.
+
+Toen er altijd meer dagen voorbijgingen, altijd de zelfde, maakte Jozefs
+wezen, dat altijd bij haar bleef, haar wezenlijk ongerust en beangst.
+Als ze hem ontmoette, bij zijn regelmatige bezoeken, en zij hem alleen
+sprak of in zijn oogen kon zien, was hij altijd even zacht en kalm,
+altijd dezelfde vriendelijke blik, het zelfde geduld. Maar dat hij bij
+haar was zonder dat zij arm in arm zaten, scheen haar toch ongehoord. En
+om dat zij zelve zoo onder het onophoudelijke uitstel leed, verbeeldde
+zij zich, dat hij 't was, wiens gezicht kenteekenen van stilzwijgend
+ondergaan verdriet vertoonde. Zij dacht opkomende bronskleurige kringen
+onder de oogleden te zien; hij was valer van kleur dan anders, dacht
+zij. Maar toch, als hij bij haar was, stelde zij zich gerust, maar in
+zijn afwezigheid, vooral als zij met zich-zelf alleen was, was zij bang,
+bang voor hem. Liep zij in de donkerte de trap op, dan hoorde zij
+plotseling zijn stem, die iets onverstaanbaars zeî. Zij zag om, en hij
+was er niet. Kwam ze op haar kamer, dan hoorde zij zijn stap, zijn
+lieven, welbekenden stap achter haar, zij zag om, en er was niemant. Zij
+zag hem in haar slaap haar vermanen, haar de eene keer ernstig en
+nederig, de andere keer driftig en met geweld, en dan weêr eens koortsig
+en in razernij verzoeken, gebieden en dwingen hem gehoor te geven en
+niet langer te dralen. Hij deed nu en dan zoo woest en wild tegen haar,
+en maakte zoo een misbaar, als hem in werkelijkheid nooit gebeuren kon.
+Soms naderde hij haar met opgeheven vinger en met een gezicht zoo akelig
+wit en dreigend, dat zij te-rugschrok en op 't punt was hem alles toe te
+geven. Een andere keer lag hij weêr op zijn knieën vóor haar, en keek
+haar zoo teeder en zoo trouwhartig aan, dat zij niet langer aarzelen
+kon. Wanneer zij hem dan weêr in levende lijve ontmoette, den dag
+dikwijls, die volgde op zulk een akeligen nacht, of het uur volgende op
+zoo een geheimzinnig uur, en hij kalm met haar vader zat te praten en
+haar met zijn gewone eerbiedige liefde bejegende, dan verwonderde zij
+zich, dan verzette zij zich met wrevel de overdrevenheid van haar hare
+droomen. Dan nam zij weêr het besluit voorloopig haar lieven bejaarden
+vader trouw te blijven. Daar zat hij met het goedaardige grijzende
+hoofd, met de dunne fijne, licht-roode lippen, met zijn eenigszins laag
+voorhoofd en bleeke blauwe oogen, met zijn magere, 's winters van
+tallooze aârtjes doortrokken handen, niet zijn greinen huisjasje of
+grijswollen sjamberloek, zijn hals een beetje naar voren gebogen, een
+beetje beverig in zijn vingers bij de minste ontroering, zijn beenen
+meestal over mekaâr, en met zijn groote witte linnen zakdoek, waarvan
+een puntje uit een van de zakken van zijn pandjasje piepte. Hij had een
+ouderwetsche gouden ketting over 't zwart-lakensche of donker-grijs
+kamgaren vest hangen, een dunne gouden ring, zijn trouwring, aan zijn
+rechter wijsvinger. Daar hij veel van zindelijk hield, deed hij elken
+dag een schoonen boord en een paar schoone manchetten aan, van oud
+model; onder den boord een frissche zwarte das; Mathilde kocht er om de
+twee maanden een nieuwe voor haar vader. De heer de Stuwen had heele
+mooye gave witte regelmatige tanden, maar die bijna nooit te zien
+kwamen. Er was iets schalks in zijn rond neusje en in zijn wenkbrauwen.
+Ook maakte hij een enkele keer een grapje: de een of andere opmerking
+over personen of voorwerpen, die hij een beetje bespottelijk vond. Hij
+was nu vier-en-zestig jaar, maar, om dat hij vroeg oud was geweest, had
+Mathilde hem altijd gekend, zooals hij er nu uitzag, waaruit zij met
+blijdschap opgemaakt had, dat haar vader maar niet verouderde. De heer
+de Stuwen had, zoolang het haar heugde, iets hulpbehoevends over zich
+gehad, hij was nooit graâg alleen, hij had een alles beheerschende
+behoefte aan gezelschap, aan weinig, stil, hem toegedaan gezelschap. Hij
+had ook iets vreesachtigs in zijn natuur; voor een kleine ongesteldheid
+was hij bang als-of 'r een zware ziekte was. En zwierf Mathilde niet
+onophoudelijk om hem heen, om hem van al te voorzien, dan klaagde hij
+steen en been. Was hij gezond, dan kon hij meer aan zich zelf
+overgelaten worden en ging hij uren alleen wandelen. Maar van zijn vader
+had hij een soort verhardingszucht overgenomen, bij het schuchtere
+gestel, dat hij van zijn moeder had, hem verkoudheden en rheumatiek deed
+oploopen. Dan ging hij uit, tusschenbeide in 't midden van den winter,
+met een demi-saison alleen aan, of heel in het begin van de lente, of
+als de herfst al gevorderd was, zóo maar, in zijn gewoon huispakje.
+Mathilde had dan al mooi knorren, hij gaf haar een zoen, maar beterde
+zich niet. Hij was overigens in alles, een redelijk en punktueel man.
+Hij was wel wat zuinig, maar nooit in 't belachelijke. Hij zorgde goed
+voor zijn geld, ging met veel nauwkeurigheid den loop der effecten na en
+knipte geregeld zijn koeponnetjes af. Hij las in zijn leêge uren Duitsche
+klassieken en allerhande werken over natuurkunde. Hij was geabonneerd op
+een matig-liberale koerant en op verscheiden geïllustreerde tijdschriften.
+Ook kocht hij wel eens een prachtband, of teekende in op een uitgave, die
+langzaam bij afleveringen verscheen en een kostbaar geheel zoû worden.
+Van Mathilde hield hij verschrikkelijk veel. Zij was voor hem de levende
+herinnering aan zijn vrouw, waarop Mathilde in-en uitwendig veel leek.
+De dartele vroolijkheid, de luidruchtigheid, die Mathilde soms aan den
+dag leî, haar zorgzaamheid en goede hart bracht hem altijd zijn vrouw in
+herinnering. Hij dacht altijd zonder de levensvreugde en steun, die
+Mathilde hem gaf, niet te kunnen leven, en hij hoopte maar te sterven,
+vóor zij van mekaâr zouden scheiden. Deze gedachte vervulde hem vroeger
+meer dan nu, toen Mathilde pas van kostschool kwam, met eenige wereldsche
+ideeën, en gedurende de eerste zes weken van niets anders sprak dan van
+trouwen met een mooyen en rijken meneer. Want Mathilde was, naast deze
+trouwlust, toch dadelijk begonnen met zich aan hem te wijden. Maar na zes
+maanden was zijn angst wech. En nu, sedert een jaar, kwam de gedachte aan
+een mogelijk huwelijk van haar, uiterst zelden bij hem op; hij had zich
+zoo aan haar gewoon gemaakt, dat het denkbeeld "scheiden" was verdwenen.
+
+Mathilde-zelf wist heel goed hoe of het met haar vader was op dit punt.
+Zij wist alles en begreep alles. Zij zag dat oude leven aan haar jonge
+leven aangeweven en in haar bestaan vastgevlochten. Zij besefte ten
+innigste hoe weinig hij haar bijzijn missen kon. Als hij haar met zijn
+zwakke oogen aankeek, dan zag zij daarin een verzoek om hem niet alleen
+te laten, en flikkerden die zwakke oogen op van pleizier, als ze hem een
+zoen gaf, dan zag zij daarin een dank, omdat zij nog niet was heengegaan.
+Bovendien voelde Mathilde hoe haar heele verleden, haar heele jeugd haar
+aan haar vader verbond. Jozef had zij ook wel altijd gekend, zelfs
+wanneer zij aan de schitterendste uren dacht, die zij had doorgebracht,
+was hij alléen daarbij te vinden; maar zij had toch nooit met hem in éen
+huis gewoond. Dit gaf toch nog altijd iets vreemds, iets als niet van
+dezelfde familie zijnde, tusschen hen beiden. Maar van haar vader hield
+zij, om dat zij van zijn bloed was, om dat hij altijd en altijd daar had
+gezeten in die achterkamer, als een dierbaar levend stuk huisraad. Zij
+was zóo gewoon hem het eerste te zien 's ochtends en het laatste 's
+avonds als zij naar bed ging, zij zoû voor geen geld van de wereld
+hem geen morgen-en nachtzoen gegeven hebben! Daarbij kwam het
+hulpbehoevende karakter van haar vader haar zucht om óp te passen en
+zorg te besteden te gemoet. Jozef, zoo krachtig en zelfstandig, was een
+heel ander man, Bij hem geen sprake van pantoffels warmen, sjamberloek
+klaar leggen, bizondere spijsjes bereiden, denken of het niet te laat
+werd of te druk om hem heen, tabak vochtig houden, peluw opschudden of
+warm scheerwater naar boven sturen, bezigheden, die haar allen om 't
+zeerst lief waren. Neen, zij zoû geen afscheid van haar vader kunnen
+nemen, dat groote kind, dat haar heele moeder-natuur innam.
+
+Zoo verliep zachtjes de tijd en waren de eerste dagen van September
+gekomen. Mathilde liep droomerig door het huis en met zuchten ging zij
+de kamer uit en in. Zij zong weinig meer in haar eigen en haar
+pianostudies waren nog maar werktuigelijk.
+
+Jozef was in den laatsten tijd vol attenties. Hij stuurde Mathilde
+bloemen, ofschoon de bloementijd bijna gedaan was.
+
+Het was een van de laatste mooye herfstdagen. Behalve de bloemen had
+Jozef tegenwoordig nog allerlei ideeën om Mathilde en haar vader
+pleiziertjes aan te doen. Zoo kwam hij ook nu 's morgens om elf uur
+aanschellen, en deed het voorstel om 's middags een rijtoer in een open
+rijtuig te maken. Men moest nu van de laatste mooye dagen profiteeren.
+Het zoû gauw slecht weêr worden en de zomertijd gedaan zijn. Hij wilde
+'s middags om een uur of éen, half-twee, met een flinken landauer
+vóorkomen, en dan langs den Amstel, over Onderkerk en Duyvendrecht, of
+wel aan den anderen kant, door de Meer en tot Weesp een rit maken. Dit
+zoû den ouden heer en Mathilde stellig veel goed doen. En zoo gebeurde
+het ook: het voorstel werd aangenomen.
+
+Met kleine stapjes kwam de heer de Stuwen op de stoep. Hij had een dunne
+overjas aan, zwart met een enkel grijs stipje er door heen; een lichte
+foelaar van grijze zij had Mathilde om zijn hals gelegd en van voren in
+zijn jas gestopt, boven de bovenste knoop. Een dikken bruinen wandelstok
+met dikken ivoren knop, waarop een hertejacht gebeeldhouwd was, had hij
+in zijn hand, even onder de knop. Hij had gerimpelde lubberige zwarte
+glacé-handschoenen aan. Hij had een engen cylinder-hoed op, waar van
+achteren zijn dunne grijzige haren als magere buigende waterstraaltjes
+uit te voorschijn vielen. Een versch ontstoken dofbruine cigaar, met
+twee gele rontetjes vlak bij de asch, was tusschen zijn lippen gedrukt,
+die daardoor een beetje naar binnen bogen, om dat hij de cigaar stevig
+vastklemmen wilde. Daar de wind van den anderen kant woei, warrelde vele
+rookkrulletjes, lang en fijn, langs zijn wangen en onder zijn neus; zijn
+lakensche dikke zwarte broek klepte over zijn te vierkante glimmend
+gepoetste bobbelige schoenen. Hij bleef staan en zonder zich om te
+keeren keek hij schuin naar binnen, of de jongelui nog niet kwamen.
+Mathilde was nog even naar boven gegaan, om haar parasol te halen. Jozef
+deed donker-groene handschoenen aan, bij den kleerenstandaard in den
+gang. Hij droeg een kleinen rozeknop in zijn lapel-knoopsgat en hij kwam
+naar de Stuwen toe. Hij bleef een trapje hooger in de post van de deur
+staan en bekeek, heel bedaard, met tevredenheid over zijn keuze en
+kennerschap, het rijtuig en de paarden, bijna zoo mooi als een
+eigen-rijtuig, en hij keek of de koetsier, die hij met liverei had
+gehuurd, wel de ware houding aannam, en de zweep recht op zijn knieën in
+de hoogte hield.
+
+--'t Zal u toch niet te koud zijn? vroeg Jozef.
+
+--O, nee, 't is heerlijk weêr.
+
+Na een oogenblik drentelen, vroeg Jozef weêr:
+
+--Wil u er dan maar niet vast ingaan?
+
+--Ja, dat is goed.
+
+Jozef ondersteunde den heer de Stuwen hij het opstappen van de twee
+treden, die onder het portier van 't rijtuig waren geslagen, door de
+Stuwens rechter elleboog op den palm van zijn linkerhand te leggen,
+terwijl de koetsier en het rechtsche paard even omkeken, daar hun
+aandacht door het lichte kreunen van de kast bij het instijgen werde
+gaande gemaakt. De heer de Stuwen liet zich in den linker hoek van de
+achterbank neêrzijgen, en bleef over de ledige plaats naast den koetsier
+op den bok heen voor zich uit staren. Juist kwam Mathilde aangeloopen.
+Zij was blij van uit rijden te gaan. Zij zat in den laatsten tijd al te
+veel thuis. Dit tochtje zoû haar verfrisschen. Met een rukje van haar
+duim en wijsvinger maakte zij het onderste knoopje van haar handschoen
+dicht, leî daarna gauw haar blauwe doekje over den linker arm, waar zij
+ook de roomkleurige parasol meê droeg en wipte de stoep af. Jozef bracht
+zijn arm naar voren om haar te helpen. Zij ging op de achterbank zitten
+naast haar vader. Jozef, die heelemaal optrad als de eigenlijke heer van
+het gezelschap, de leider van den pleiziertocht besprak nu met den
+koetsier den weg, dien zij nemen zouden in verband met het uur, waarop
+zij te-rug zouden moeten zijn. Zijn oogen en mond namen hierbij een
+ernstige uitdrukking aan van gezag en plaatselijke kennis. Daarna klom
+hij langzaam in het rijtuig, en schoof neêr op het vaal-gele kussen
+tegenover Mathilde. Hij ging dadelijk een beetje naar haar toe gebogen
+zitten, in een houding van gesprekvoering, want hij vond dat 't niet
+goed stond, als zwijgende poppen door de straten te rijden en rond te
+kijken. Dit was niet zoo als 't hoort. Zijn voeten stootten tegen
+Mathildes voeten. Men moest zich wat schikken, anders was de ruimte
+tusschen de twee banken te nauw. Mathilde duwde zich een beetje naar
+voren, haar voeten tusschen de zijnen, haar knieën door zijn beenen
+omsloten. De koetsier maakte gebaren met zijn armen en rug. Hij zeî:
+alla, jongens! en siste met de tong; de paarden trappelden wat, met een
+schokje ging men vooruit al ratelend over de steenen; door het hobbelen
+bibberden de aangezichtsvellen, vooral het losse dunne van den ouden
+heer, en Jozef kreeg jeuk in de hoekjes, waar zijn neusvleugels aan de
+wang eindigden. Maar hij verdroeg dien, want onder Mathildes oogen wilde
+hij zich niet krabben. Het denkbeeld dat zijn jeuk erger kon worden
+maakte hem verlegen. Hij spitste dus zijn neusvleugels, als om de zwoele
+lucht op te snuiven en wilde door deze spanning de jeuk verdrijven. De
+rook van de Stuwens cigaar, die dikker werd, daar hij groote trekken
+deed, woei tegen Mathildes gezicht aan. Dit hinderde Jozef, hij dacht,
+dat 't haar onaangenaam moest zijn, maar hij kon er niets van zeggen,
+ook wilde hij dat niet, om dat ie dacht, dat nu zijn gewoonte om nooit
+in haar bijzijn te rooken meer nog gewaardeerd zoû worden door haar.
+Plotseling deed nu Mathilde haar parasol neêr en werd het donkerder in
+het rijtuig. Men reed de Hoogstraat in en zag niets dan zwarte en
+donkerpaarse huisgevels aan beide zijden, verbonden door een reep
+hel-blauwe lucht daarboven, terwijl de zon achterbleef op den
+Kloveniersburgwal. Men was al lang begonnen te spreken. Jozef was midden
+in een zin over het vieze en onwelriekende van het jodenkwartier, daar
+zij straks doorheen zouden rijden; zijn woorden kwamen als
+onverstaanbare schreeuwtjes uit de verte tot Mathilde, die uit goedheid
+ja knikte. Daarna werd er niet meer gesproken. Een enkelen keer alleen
+riepen ze mekaâr iets toe over wat ze op straat zagen, en vroeg Mathilde
+luid aan haar vaders oor, of hij 't nu wezenlijk niet te koud had. De
+heer de Stuwen, die volstrekt niet, zoo als Jozef, er over dacht, hoe
+men zich in een rijtuig te houden had, keek met de meeste aandacht naar
+het dooreen-griezelen van de joden in de rondte, daar al dat loopen en
+babbelen in de voortdurende opgewondenheid zijn belangstelling van
+Amsterdamsch burgerheer gaande maakte. Hij zag vuile kleine meisjes, die
+op de hoeken van de zijstraten van de St. Antoniebreêstraat onoogelijke
+waren ventten, koude of rookende, en hij-zelf rookte een beetje meer om
+den stank niet in zijn neus te krijgen. Daar Mathilde ook om zich heen
+keek en die arme jodenjongens met goedhartigheid beklaagde, met hun
+bleeke ongewasschen gezichten en vieze zwarte, roode handen, en die op
+allerlei nootjes of zij wist niet wát kauwden, en de meisjes toch wel
+bizonder vond met hun breede lippen en chineesche wenkbrauwen, moest
+Jozef er ook wel naar kijken. Hij deed 't maar heel even, zonder
+hoofd, met zijn oogen alleen. Achter het geploeter gegil en gekrijt,
+reden ze nu door de kalme Muyderstraat.
+
+De heer de Stuwen kuchte tusschenbeide stilletjes en zat, weifelend en
+schuchter, met zijn handen op zijn knieën over zijn jas gegleden. Hij
+zeî niets. In de Plantage werd alles weêr breeder, vroolijker en een
+wijde hemel. Aan het einde van de laan was de Muyder Poort met zijn
+koepelig torentje en wijzerplaat, waarop de cijfers van de uren blonken.
+Het rijtuig ratelde hier erger over den weg, die hier en daar glooide
+tusschen de rijtjes magere nietige boomen, die gele blaâren afstrooiden,
+wuivend naar den dikken buik van de Poort, voor de groen door hen
+bepoetelde huizen heen, en de oude heer danste met zijn heele lichaam.
+Jozef zat Mathilde aan te kijken. Zij beglimlachten mekaâr eventjes
+tusschenbeide. Mathilde had haar parasol weêr opgestoken en haar door de
+warmte, het genoegen en de lucht, die er indrong, verlevendigd gezicht
+had tinten van zoetrood, rose, wit en warm blank, schaduwplekjes en
+glinsteringen, en kleine bewegingen van de wangen; haar oogharen klepten
+vóor haar vloeyend zilver schijnende oogen op en neêr, als sprekende.
+Haar gezicht kreeg zoo een bizonder waas, een geur van weemoed en
+verlangen in het onder den parasol verzachte licht, in het door de
+schijnende voering licht groen geverfde half-donker, dat Jozef haar met
+verlangen zat te bekijken. Hij dacht over Mathilde en vergeleek haar met
+haar vader, en prees in zijn eigen haar opoffering, die haar bij hem
+deed blijven en haar wat een onrust bezorgde, terwijl het bejaarde
+mannetje daar naast haar zat, zonder ook maar in 't minst te vermoeden,
+waar die twee andere hoofden, vlak bij hem, aan dachten.
+
+Zij waren nu over de reels van den Rhijnspoorweg geschokt, en, met holle
+galmen, door de Muyder Poort geholderdebolderd. Toen ze het gebouw van
+Artis voorbij kwamen, had Jozef iets over den stijl daarvan gezegd,
+waardoor hij weêr een goeyen indruk op de Stuwen maakte. Zonnige
+stofwolken stegen achter de huizen van de nieuw aangelegde straten op,
+waar het zand pas versch was aangedragen. Een wemeling van goudpoeyer
+zweefde door de lucht, omhulde de daken van de huizen en stoof dan neêr
+langs den straatweg in de Meer. Op de zachte, met laagjes hard zand
+bedekte klinkers klonk de hoefslag van de paarden dof af, en van
+tusschen de wriemelende boomenblaâren schoten zonnestralen over het
+rijtuig, die dan weêr wechwoeyen voor de schaduwen van de deinende
+takken. Rechts van den weg zag men, tusschen het heestergroen door, de
+wit-blauwe grafzerken van de Ooster-begraafplaats blanker en nieuwer
+schijnen in de zon. De heer de Stuwen was nu aan 't genieten. Hij werd
+een beetje dronken van de warme najaarslucht; een loome en zoete
+verdooving deed zijn boven-oogleden halverwege neêrstrijken; zijn
+gezicht zette zich uit, een lammig waas wolkte om zijn persoon, een
+begeerte om zijn eigen wezen, zijn kracht te verliezen en éen te worden
+met die sterke lucht en die pittige atmosfeer, maakte zich van hem
+meester. Hij had weinig gesproken en zweeg hoe langer hoe meer. Hij trok
+traag en droomerig aan zijn cigaar. Jozef en Mathilde voelden ook de
+buitenlucht door hun longen dringen, een gevoel van vrijheid en
+natuurliefde overviel hen buiten de stad. Het weilandengroen en het
+scherpe luchtblauw, waarin langzaam aan den horizont witte
+wolkengroepjes naar boven klommen, kaatsten in teêre tinten op hun
+gezichten af en stemden hen verweekelijkt en uitboezemens-gezind. Jozef
+had zoetjes-aan zijn voeten tegen Mathilde de hare geschoven en nu
+wreven zij er zachtjes tegen-aan. Nu kwamen zijn knieën ook altijd
+dichter en dichter bij de hare. Telkens wanneer het rijtuig schokte door
+de hobbeligheden van den weg en Jozefs knieën heen en weêr bewogen,
+hield hij ze expres een beetje langer tegen de hare aan. Er vloden
+aandoeningen van genoegen door zijn maag en vingers bij elke aanraking.
+Men vorderde verder in de Meer en juist zette de koetsier de paarden aan
+met de zweep om een oranje heerenwagentje voorbij te komen, toen men aan
+het ouderwetsche landgoed Rozenburg rechts van den weg kwam, met zijn
+oude boomen, verwaarloosde grasperken en stoffigen gevel. Uit het
+schuimige slotenkroos, dat de straatweg van de buitenplaats afscheidde,
+staken een wit mannen-en vrouwenbeeld omhoog, hun beenen in het eeuwig
+stilstaand water. Zij stelden lang vergeten goden en godinnen voor. Zij
+steunden het steenen bruggetje, dat de sloot overboogde met hun nu
+verouderde en van spinnewebben omwemelde lichamen. De knieën van Jozef
+en Mathilde sloten zich dichter aan-éen en drukten zich vaster samen,
+terwijl de oude heer, in een dommel-roes, zijn kin over zijn foelaar
+gebogen, en heerlijk genietend van de waayende warmte, zachtjes
+verdoofde in de sterke lucht.
+
+Jozef begon in een soort van kinderlijke stemming te verkeeren. Hij was
+blij te moede. Zijn zware cylinder hoed scheen hem van-daag bizonder
+zwaar. Ook had hij, met een onoverdacht gebaar, zijn hoed een beetje
+achterover gezet, o maar, zoo weinig, dat niet eens de lichtelijk in
+zijn vel geperste streep zichtbaar werd, die, om dat zijn hoed altijd
+juist op dezelfde hoogte zat, daar, vooral als het warm was, ontstond,
+zoodra hij zijn hoed op zette. Jozefs oogen waren vriendelijk. Hij
+voelde zich gelukkig en verlangend naar nog meer. Hij en zij leunden nu
+allebei achterover tegen de ruggen van hun plaatsen. Zij hield
+voortdurend, maar een beetje lager, een beetje gemakkelijker dan eerst,
+haar parasol in de hoogte. Er leî zooveel gloed over haar gezicht, Jozef
+zag, dat zij zoo niets liever verlangde dan op deze manier tegenover hem
+te zitten en dan naar hem, dan naar de lucht en de boomen te kijken, dat
+hij, in de onbestemde blijdschapsdriften, die naar zijn hersenen stegen,
+haar pardoes, als een schooljongen, op allebei haar wangen had willen
+zoenen, met haar schouders in zijn handen. Er was nu zoo'n heerlijke
+geheime verstandhouding tusschen hen. Het was zoo pleizierig dat zij met
+elkaâr zulk een dierbaar geheim hadden, waar vader nog niets van mocht
+weten. Het hinderde wel de onmiddellijke verwezenlijking van hun
+plannen, maar de blikken, waarmeê zij elkaâr nu konden aankijken en die
+zij alléen begrepen, de fluisteringen, als zij alleen waren, de minste
+handdrukken en aanrakingen, die beteekenissen kregen, dat alles gaf als
+een zoete geur van verboden vrucht aan hun verhouding, ofschoon er niets
+verbodens bestond. En deed het uitstellen om tot een oplossing te komen
+minder zwaar vallen in de ruischende najaarslucht.
+
+Zij reden voort over Diemerbrug tot Weesp. Hier dronken zij iets en
+kregen de paarden water en rogge-brood. Na ruim een half uur rusten,
+reden ze te-rug. De koetsier kreeg order om tot Diemerbrug denzelfden
+weg te nemen, en daar langs de vaart tot de Weesperzijde en daarlangs
+weêr tot Amsterdam te gaan.
+
+Toen ze de Amstel te-rugreden, den Schollebrug op en af, over den hoogen
+straatweg, in loggen draf door de paarden voortgesjord, was het al óver
+half-zes geworden; Jans zoû wel boos zijn, nu ze zooveel te laat zouden
+komen voor het eten. De oude heer had dit opgemerkt; hij was weêr
+helderder van hoofd geworden in de verkoelende lucht. Hij keek met
+welgevallen over de Amstel heen naar den overkant, waar wagentjes reden
+en menschen liepen, of naar den hemel, waar de zon langzaam in 't
+westen daalde.
+
+De heele hemel was wazig, wittig blauw, langzaam verduisterd. Voor hen
+uit stond de koepeltoren van Paleis voor Volksvlijt omhoog met zijn
+glazig grijzende kleuren, de magere spitse zwarte torens van de kerken
+waren meer vanachteren en de nieuwe daken van de hooge huizen in de
+Sarphatistraat staken zich op in een doffe dampenmassa, die zich boven
+Amsterdam samenpakte. Zachtjes dreven uit het oosten nog licht-zwarte
+wolkenbeetjes aan, heel in de laagte. Maar links van de huizendrommen,
+in het westen, tusschen de tengere boomenstammen aan de
+Utrechtsche-zijde, zonk de zon in de blauw-grijze verte, en spleten
+goudroode kwispelende strepen de sombere wolken. Een helle vuurbol spoot
+stralen er tusschen door. Een purperrood licht weêrkaatste in de
+bovenste huizenruiten en éen rose teêrheid betintelde ruimte. In het
+rijtuig werd de stilte stiller. Ieder zat voor zich-zelf te denken.
+Mathilde voelde zich zonderling blij. Een smartelijke vreugde om zich
+een onbestemde voorstelling te maken van wat toch niet wezen zoû, was in
+haar. Overgegeven aan de veêren van den landauer om haar te wiegen, bij
+kleine schokjes, en aan de warmte van de kussens, waarop zij nu al uren
+had gerust, om haar rug en beenen te doordringen, en haar borst en
+schoot koel in den avondwind, had zij haar hoofd naar achteren op-zij
+laten glijven. Haar oogen waren bijna geheel dicht, zij betuurde door
+een waas, tusschen haar lange ooghaartjes door, Jozef tegenover haar.
+Maar zij zag hem als verkleind, in de verte, met een nauwkeurige
+onderscheiding van zijn minste trekken. En door al de lucht, die
+tusschen hen was en die zij voelde, heen, nam ze hem zoo op in haar
+droomen. Zij liet zich gaan en hield zich geheel roerloos; nog altijd
+omsloten zijn beenen warm de hare. Zij had haar parasol met twee handen
+vast op haar schoot. Als door een onbekende heesche stem werd de
+waarheid in haar oor gefluisterd, dat haar liefde altijd grooter werd en
+nu gauw tot een voldoening moest komen. Al zóo lang was zij aan 't
+wachten. En zoetjes, heel zoet en liefelijk, als een balsem die haar
+huid en haar binnenste doordrong, liet zij zich door het denkbeeld
+kussen, dat zij nu oogenblikkelijk de heerlijkheid, die zij wachtte,
+tegemoet ging. In langzaamen dans, op de maat van den paardenhoefslag,
+zuisden de hoopschijnsels door haar mijmeren. Zij droomde van een
+vereeniging met hem, een eeuwig en alleen samenzijn. De geluiden van de
+straat kwamen als verwarde en onverstaanbare kreten van onder den grond,
+waarboven zij zweefde, op. Zij zag de hemeloneindigheid verduisterd om
+haar heen, maar een onverdoofbare vlammende gelukzee in haar hart. Zij
+wilde zich inbeelden, dat zij, terstond, nu dadelijk na het thuis komen,
+van-avond in dezen laatsten zomeravond, dat verwachtte geluk zouden
+hebben. En zij dacht dat 't anders nóoit gebeuren zoû, dat er na dezen
+geen zomer meer te-rug kwam, en dat de lucht voor het laatst purpur was
+geworden. Haar lippen werden nat. Zij wilde nu dadelijk drinken aan den
+beker. Zij haakte naar die dronkenschap, dien roes van haar liefde. De
+parasol viel uit haar handen, die half van haar japon wechvielen; zij
+zwijmelde heen in hare verwachting. Het werd éen zachte rozengloed en
+éen zaligheid voor haar oogen. Zij stak haar lippen vooruit, om Jozef,
+wiens kus zij nu kende, voor goed te ontvangen. Toen dommelde zij wech
+in een half slapende sluimering, na dat zij nog even een blauwen vonk,
+de eerste ster, voor zich uit had gezien, dicht-bij, boven Jozefs
+zwarten hoed.
+
+Diep uit haar doezel, schokte Mathilde wakker. En een stem, die haar
+vreemd scheen, zij lachend luide:
+
+--Mathilde, wij zijn er ... Was-je in slaap gevallen? Zij kwam tot
+zich-zelve, ernstig en kriegelig. Het was Jozef, die tegen haar sprak;
+hij had zijn hand op haar knie gelegd, om haar wakker te maken. Zij keek
+op; zij vond t' akelig donker, het was koud, het woei. Zij begreep niet,
+wat er eigenlijk met haar gebeurd was. Zij drukte Jozefs hand te-rug,
+die hij zelf niet gauw genoeg te-rug nam. Haar vader stond op om uit te
+stappen; Jans hield, met een brommerig gezicht, de deur al open. De oude
+heer hoestte erg.
+
+--O God, vader, u heeft stellig vreeselijk koû gevat. Wij hadden het ook
+nooit moeten doen, nee nooit!, zeî Mathilde, die uit haar humeur was.
+Zij sprong op den grond, vlak achter haar vader, voorbij Jozefs hand,
+die haar steunen wilde. Zij drong zich naast haar vader in den gang, vol
+onstuimig bezorgde vragen. Mankeerde hij nóg niet iets? Was hij niet
+stijf, had hij nergens pijn? Ze hadden dien ongelukkigen toer nooit
+moeten doen, 't was ook een vreemd idee geweest van Jozef nu de herfst
+al in 't land kwam. Zij stootte haar vader zachtjes door de deur van de
+achterkamer. Jans had ten minste voor wat vuur gezorgd; dat was goed.
+Zij nam den oude heer zijn hoed en overjas en boeffante af en zette hem
+in zijn leuningstoel hij de kachel. Daarna, nog met haar hoed op, rende
+zij naar boven, kwam te-rug met zijn pantoffels en sjamberloek, trok
+zelve zijn schoenen uit, hielp hem verder op zijn gemak. Toen dacht ze
+er pas aan haar handschoenen en hoed af te doen en naar Jozef te kijken,
+die stil in de kamer was komen staan, zijn hoed in zijn eene hand, de
+andere in zijn broekzak frommelend, waar zijn beurs, waaruit hij den
+koetsier een fooi had gegeven, maar niet plat wilde liggen.
+
+--Als vader zich maar geen ziekte op zijn hals heeft gehaald, zeî ze tot
+Jozef, nu weêr wat kalmer.
+
+--Wel nee, andwoordde hij, geen kwestie van, zóo koud was 't niet. En
+Jozef nam afscheid om in de club te gaan dineeren. De heer de Stuwen
+bedankte hem hartelijk voor het ritje. Hij had veel genoten van de
+buitenlucht. Maar men moest Mathilde haar gang maar laten gaan, dat
+goede kind!
+
+Dien avond was Mathilde vol bizondere teederheid voor haar vader.
+Ofschoon hij verzekerde niets te mankeeren, verzorgde zij hem op alle
+mogelijke manieren. Zij liet hem warme grokjes drinken, liet hem vroeg
+naar bed gaan, ging nog tweemaal voelen of zijn kruikje heet genoeg was,
+en kwam nog eens kijken of hij zich wel wél voelde, een half uur na dat
+hij naar boven was gegaan.
+
+Hij was nog niet heelemaal in slaap en ging rechtop zitten, toen zij
+binnenkwam. Zij kwam hem nog eens een nachtzoen geven, zeide zij.
+
+Haar armen om zijn mager lichaam, vroeg zij, in een opbruising van
+teederheid:
+
+--Zal u gezond blijven, zal u nooit, ten minste in de eerste twintig
+jaar niet, sterven? O, vader, u is het eenige wat ik heb, als u sterft,
+zoû ik zoo verlaten zijn en niemant hebben op de wereld. En zij zoende
+hem nog eens hartstochtelijk en drukte haar hart tegen het magere
+nachthemd van den ouden man en warmde hem aan haar jonge lijf. Daarna,
+toen zij haar in het rijtuig opgekomen begeerte om liefde te besteden
+had voldaan, sliep zij in.
+
+Den volgenden middag tegen vier uur begon de heer de Stuwen te bidderen,
+hij kreeg het koud door al zijn leden, hij was ongesteld, om vijf uur
+ging hij in zijn bed liggen. Mathilde, die doodelijk ongerust werd,
+hielp hem; om zes uur kwam de dokter, dien Jans was gaan halen, dokter
+Hansen, een klein rood-bruin-mager altijd veertigjarig mannetje achter
+een gouden bril. Den volgenden morgen was de Stuwen stijf door zijn
+heele linkerzij. Om éen uur kwam de dokter weêr en verklaarde, dat
+Mathildes vader zware rheumatische koortsen onder de leden had, en dat
+de ziekte, die lang en kort duren kon, zich nog al niet gemakkelijk liet
+aanzien. Mathilde merkte dat er een heel nieuw soort leven voor haar
+misschien zoû beginnen; tusschenbeide ten minste kwam deze gedachte als
+een heel vreemd iets door haar hersens. Maar zij was veel te bezig den
+heden dag, dan dat een oogenblik van gedachte door iets anders ingenomen
+werd dan door vaders ziekte en de mogelijke uitkomsten. Zachtjes, voetje
+voor voetje, liep zij de trappen op en neêr van den morgen tot den
+avond. Op verzachten toon werden Jans allerlei dingen gezeid en allerlei
+zaken opgedragen, die zij grommend over de drukte, opvolgde en
+uitvoerde. Er was den god-ganschelijken dag een gefluister en glippen
+van japontippen over de trap en een doodelijk stille bedrijvigheid door
+het huis. Zachtjes klepten de deuren toe; Mathilde had een katoenen
+lapje om de huisschel gewikkeld, wat de dokter zelf een overdreven
+voorzorg noemde. Nu was de heer de Stuwen gelukkig een zwijgende,
+geduldige zieke; een enkelen keer maar, vooral 's nachts, dreunde er een
+dof gekreun door het huis, wat Jans aan spoken denken deed. Het uiten
+van zijn pijn bestond bij den ouden heer in het kronkelen en wringen van
+zijn stramme leden en het zwaar zuchten, hijgen, sidderen en kuchen.
+Werd de pijn al te bar, dan sparde hij zijn oogen wijd open, zoodat het
+wit over de randen scheen te zullen loopen.
+
+Gedurende de eerste zeven dagen van de ziekte was Mathilde niet uit haar
+vaders slaapkamer te slaan. Den heelen dag had zij iets te doen, dan
+hier, dan daar in de kamer. Zij had den tweeden dag al haar borduur-en
+teekenwerk van boven gehaald en in een klein hoekje bij het venster
+gelegd. Alleen om de atmosfeer niet te benauwen, ging zij beneden in de
+achterkamer, driemaal per dag, even heel gauw eten. Den derden dag, toen
+de ziekte met schrikbarende snelheid heviger werd, had zij, een eindje
+voór haar vaders ledikant, een kermis bed met Jans opgericht, en daar
+bracht zij nu de nachten door. Verder hielp zij haar vader met alles,
+met een zenuwachtige en overdreven bezorgdheid. Zij alleen wilde
+volstrekt alles doen en in orde maken. Sprak dokter Hansen van een
+ziekenoppasser nemen, drong hij aan, noemde hij dat een noodzakelijken
+maatregel, daar op den duur toch Mathildes krachten niet toereikend
+zouden blijken, dan wilde zij van niets hooren, zij weigerde
+halsstarrig. In haar gesprekken met den dokter maakte zij haar armen
+bloot en wrikte haar schouders op en neêr, om te toonen hoe krachtig en
+lenig zij was. Met Jozef had zij ook een hevige woordenwisseling. Als
+zij hem, bij zijn dagelijksche bezoeken om naar den ouden heer te
+vragen, uitliet, en hem, beneden in der haast fluisterend in den gang te
+woord stond, verzekerde zij hem, dat zij 's nachts uitnemend rustte en
+zelfs zwaar sliep, en dat dit ruimschoots opwoog tegen de gejaagdheid,
+de angst en het werk van overdag. Hij kwam op het denkbeeld om van haar
+liefde voor de piano gebruik te maken, om haar wat afleiding te doen
+nemen. Op een middag wist hij haar naar het zaaltje te dringen, en haar
+aandrift werd daar wezenlijk zoo sterk, dat zij samen weêr heelemaal een
+ouderwetsch uurtje doorbrachten, zij op het krukje voor de piano haar
+geliefde themaas aan 't spelen en hij er naast op een stoel, vlak bij
+haar, kleine bedenkingen opperend, goedkeurend en toejuichend, den aard
+van de melodiën met haar besprekend, over het gevoel, de bizondere
+nuance, die in deze of gene noot te leggen was uitweidend. Toen was Jans
+binnen komen sloffen, en kwam vragen, kompliment van mijnheer en of de
+jufvrouw geen stukjes kon kiezen, die wat minder hard klonken, want dat
+mijnheer het aan zijn hoofd niet goed kon verdragen. Mathilde stond op
+met een bedaarde woede, die Jozef verwonderde, sloot de piano met
+vastberadenheid en borg de muziekboeken wech. Zonder een woord te
+spreken stapte zij naar boven. Haar vader, die eigenlijk erg lette op
+nommero éen: verschrikkelijk bang om dood te gaan, had zich-zelf uit
+zijn bed weten te werken en stond al bidderend bij de tafel zijn
+terpentijn-drankje klaar te maken, om dat het uur van innemen al voorbij
+was. Mathilde begon hierover te huilen, dat hij er meê uitscheê en 't
+haar liet doen. Jozef had zich beneden uit de voeten gemaakt. Aan éen
+stuk bleef Mathilde nu twintig uren boven bijna zonder te eten, zonder
+te slapen. Toen zij eindelijk weêr in de achterkamer kwam, om bouillon
+te eten, sloop zij op haar teenen naar het zaaltje, zocht naar het heele
+kleine sleuteltje, waarmeê de pianoklep afgesloten worden, in het laadje
+van 't paars-bruin muziekkastje er naast, vond het, sloot de piano dicht
+met een ernstig gezicht, ging toen naar de voorkamer, maakte het venster
+open en gooide onder een koortsigen glimlach het sleuteltje over de
+gracht in de wal.
+
+De ziekte van den ouden heer was nu op zijn ergst geworden. Het begin,
+de eerste hevige stooten waren voorbij, nu was zijn lichaam met kalme,
+zware aanhoudende pijnen. Mathilde verzorgde hem voortdurend hetzelfde
+en zonder ongeduld. Zij dacht veel aan Jozef, ook vooral als hij er niet
+was, maar de telkens in denzelfden vorm opkomende gedachte, die telkens
+weêr te-rugkwam als ze haar driftig had wech gestooten, zoo als de
+altijd weêr verschijnende telegraafpalen, die men te niet zoû willen
+kijken door het raampje van den sneltrein, maar die met een ruk weêr
+aankomen, die gedachte bleef haar als een zoete kwaal met een onbestemde
+heerlijke hoop vullen. Gelukte het haar 's avonds in te slapen, dan
+voelde zij in den doezeltoestand, waarmeê haar slaap begon, in die
+oogenblikken dat zij zelve niet wist of zij wakker was of sliep, en als
+hij zich weêr heelemaal van haar denken had meester gemaakt, haar
+vleesch koud, maar de hoop, zonder begeerte-voorstellingen, bleef
+bestaan en regende door de vale duisternis van de ziekenkamer haar
+zinnen binnen. Over-dag wilde zij niet aan hem denken, zij vond dien
+hartstocht nu akelig wereldsch vergeleken bij den heiligen plicht, dien
+zij vervulde. Dit was nu het leven, dit was nu de ware hooge roeping van
+een vrouw, en het andere was wereldsch, was slecht, was uit den booze en
+niets dan ijdelheid.
+
+Na vier weken was Mathilde half-ziek van afgematheid. Zij kon, zij kôn
+doodeenvoudig niet meer. Wanneer zij niet oppaste zoû zij-zelf ziek
+worden, en wat dan, dan kon zij toch zeker haar vader heelemaal geen
+goed meer doen. Zij had zich-zélf zoo gemaakt, zij had het werk, dat zij
+zich had opgelegd, overdreven. Zij had er een genoegen in gevonden zich
+af te sloven, dát te doen, wat zij wist dat overbodig was. Zij had een
+vaag verlangen gevoeld om zich zelf te vernietigen; zij wilde Jozef
+vergeten, zij wilde zich dood sloven om haar vaders leven te behouden.
+Het was de onbevredigde liefde voor Jozef, het onuitroeibaar onvoldaan
+verlangen, de stormende en stijgende zucht om haar leven aan zijn doel
+te geven, die zich in dezen hartstocht van verplegen een doorweg baande.
+En voor een gedeelte was zij geslaagd, zij had zich-zelf zoo weten te
+verzwakken, dat de dokter en Jans haar op een morgen met geweld aan de
+ziekenkamer onttrokken en naar bed brachten. Toen sliep zij achttien uur
+achter mekaâr. En zij voelde zich zoo krachteloos, dat zij zich wel
+moest laten aanleunen, het verschijnen van een liefdezuster, beneden,
+die men zich gehaast had te laten komen. Maar twee dagen later sukkelde
+zij in haar grijzen peignoir, door Jans ondersteund, weêr de trap af;
+zij wilde haar vader zien. Hij was nog hetzelfde; hij had zoo'n rillende
+en huilende pijn, door al zijn leden, vooral door zijn linker zij, dat
+men biezen hoepels om zijn matras had gespannen, om zijn dek op te
+houden, daar hij zelfs de druk van de dunne lakens en van éen katoenen
+deken over zijn beenen en borst niet velen kon. Hij jankte tusschenbeide
+als een hond.
+
+Een week later bleef de pijn bij lange tusschenpoozen wech. Na nog een
+week beterde hij merkbaar. Mathilde, die weêr aansterkte, zat in de
+voorkamer beneden te teekenen en te borduren; elke tien minuten liep zij
+de trap op om naar haar vader te kijken.
+
+Jozef kwam elken dag áan. Hij stuurde nu geregeld verfrisschinkjes voor
+den ouden heer; en voor Mathilde de laatste bloemen van het jaar.
+Mathilde vond 't heel mooi van hem, dat hij nooit vergat te komen. Zij
+zag hem op de vaste uren, altijd netjes aangekleed, altijd even lief en
+hartelijk, met zijn trouwe, nu beproefde, dacht zij, onveranderlijke
+liefde. Hij bleef nu dikwijls een half uur alleen met haar in de
+voorkamer, na boven den vader te hebben bezocht. Iederen ochtend zag zij
+weêr met meer verlangen naar zijn komst uit. Zij begon bij zich-zelf te
+redeneeren, dat vader waarschijnlijk, zoo hij al beterde, toch ziekelijk
+blijven zoû, en heel hulpbehoevend zijn volgend leven. Zij zoû zich niet
+van hem kunnen scheiden en hem moeten blijven verzorgen tot aan zijn
+dood. En langzamerhand ofschoon zij eerst voor haar eigen weinige
+zelfstandigheid te-rugdeinsde, werd zij gewaar, hoe zij zich neêrleî bij
+het denkbeeld om Jozef te trouwen en vader in huis te nemen, met hun
+drieën verder samen éen leven te leiden. Haar bezwaren van vroeger
+kwamen nog zwakjes op, maar verbleekten en schenen vernietigd te zullen
+worden. Weêr dacht zij aan de kinderen. Men moest verstandig zijn, men
+moest, wilde men zoo een gewichtigen stap doen in het leven, niets over
+het hoofd zien, alles wikken en wegen, alle bezwaren indachtig wezen.
+Zij dacht dan, dat de kinderen misschien vooreerst niet zouden komen,
+dat, al werden zij hun werkelijk gezonden, alles toch nog misschien
+geschikt zoû kunnen worden. Alles wat vroeger een onoverkomelijke
+hinderpaal scheen, werd nu makkelijk uit den weg te ruimen. In alle
+gevallen bleek gemakkelijk te kunnen worden voorzien. Zij zouden dan
+maar, zoo lang vader nog leefde, niet veel menschen zien en probeeren
+het huis stil te houden.
+
+Eens op een Donderdag-middag waren de heer en mevr. Berlage een kaartje
+komen poesseeren, de ingenieur Ster was er ook al verscheidene keeren
+geweest, om deelneming in de ziekte van den huisheer te betuigen, maar
+Mathilde ontving niemant, voorgevende zelf ook nog ongesteld te zijn.
+Zij wilde alleen zijn met al haar gedachten. Die nacht, van Donderdag op
+Vrijdag, deed zij bijna geen oog toe en lag zij aldoor aan Jozef te
+denken. Vrijdagochtend tegen elf uur, den tijd, dat hij komen moest, was
+zij zoo ontzettend verlangend naar hem, dat ze het venster van de
+voorkamer open schoof en in de Oktober-koelte haar haren liet zwieren om
+naar hem uit te zien. Zij reikte zoo ver mogelijk naar voren, dat haar
+borst er zeer van deed.
+
+Toen hij kwam, maakte zij open:
+
+--Ben-je daar? Zij gaf hem stil een arm. Samen gingen zij naar boven.
+
+Na dat Mathilde Jozef zich had laten overtuigen, hoe-of vader beterde
+met den dag, hoe opgewekt hij er weêr begon uit te zien en met hoeveel
+pleizier hij zijn krantje las, en hoe lekker hij weêr brood at, stonden
+zij op het portaaltje buiten de deur van de ziekekamer een oogenblik stil.
+
+--Ik ben boven aan een aquarel bezig, die nog al goedgaat, zeî Mathilde.
+Ik zal hem eens even halen, dan kan-je zien. Zij ging twee treden van de
+trap op en keerde zich toen om. In een wangenwarmte en een verlegen
+lachje, zeide zij: Ja, hij zit eigenlijk strak gespannen, vast gestoken
+op een houten bord ... Ik heb ook nog een heeleboel op mijn tafel liggen,
+om je te laten zien. Wil-je niet even meêgaan?
+
+Het denkbeeld om Jozef haar kamer binnen te brengen en hem alles daar te
+laten kijken bekoorde haar erg. Dat Jans iets zoû denken, viel niet in
+haar; Jozef was een oude huisvriend. Toch een beetje aarzelend ging zij
+hem vóor, en ze werd in-éens heel rood, toen zij zijn stap achter haar
+hoorde, zoo hoog in het huis, de trap op. Maar de kleur bleekte zachtjes
+op, toen zij haar deur openduwde. Het was buiten geen bizonder klare
+dag, integendeel, het kon op regen uitdrayen. Zij wist niet waarom, maar
+toch trok zij de gordijnen niet op. Hij trad op haar toe en nam haar bij
+haar arm. Sints dien eenen zoen, op dien grooten morgen, hadden zij
+mekaâr niet meer gezoend. Want een schijn van verkoeling had er
+wezenlijk bestaan. Hij zoende haar dan even, zachtjes op haar wang. Zij
+kleurde zijn gezicht met de liefde van haar oogen, maar zoende niet
+te-rug. Zij vond den toestand toch wel een beetje vreemd, zoo, hier op
+haar kamer. Op-éens merkte zij haar nachtjak, dat voor het bed op een
+stoel lag. Zij gooide het jak gauw op haar bed en deed de gordijnen
+zorgvuldig over mekaâr en de stoel er tegen aan, zoo dat er geen opening
+meer zichtbaar bleef.
+
+--Ga nou maar even voor de tafel zitten, zeî ze, dan kom ik naast je
+zitten.
+
+En samen bogen zij zich over de teekeningen en bezagen alles. Zij
+vermeed zijn blikken en leì hem haar moeite en haar werk uit, haar oogen
+naar de tafel. Plotseling zeiden zij geen van beiden een woord meer. In
+de stilte keken zij allebei voor zich uit. Toen nam hij een besluit en
+maakte een gauwe beweging. Hij deed zijn arm om haar middel en trok haar
+naar zich toe, zijn hand aan haar borst. Een hitte steeg in haar op. Zij
+ging achter over, haar hoofd op zijn schouder. Haar lichaam hijgde naar
+boven in zijn armen.
+
+--O, fluisterde zij, zonder te weten wat zij bedoelde, ik kán nu niet
+langer wachten ... Laten wij toch trouwen.
+
+En zij wrong zich naar hem toe, op zijn schoot, tegen hem aan. Hij viel
+haast òm met stoel en al. Zij maakte zich tot een klein kind aan zijn
+borst. Zij dook in-één in de houding, als toen zij, zoo lang geleden,
+als klein kind speelde op zijn schoot en hem aaide. Zij nam zijn hoofd
+tusschen haar handen; zijn haren sidderden onder haar vingers.
+
+--Wij zullen trouwen, nietwaar, gauw, zoû gauw mogelijk?
+
+En zij zoende zijn gezicht wit en hijgde heet over zijn wangen. En zij
+streelde alles aan hem, zijn hoofd, zijn gezicht, zijn schouders, zijn
+hals, zijn borst. Zij zoende zijn wenkbrauwen, zijn oogen, zijn lippen,
+zijn voorhoofd, zijn das, alles wat van hém was. Jozef andwoordde zonder
+te spreken, met te-rug te zoenen. Toen zonk zij met dichte oogen, haar
+hoofd op zijn houder, haar handen achter zijn hals samengeklemd, tegen
+hem neêr. En ze zeiden allebeî niets, hun hoofden waren heet in de
+vreemd-warme kamer, Daarna gingen zij zachtjes samen weêr naar beneden.
+
+
+
+
+IV.
+
+Jozef en Mathilde spraken af dat hij, zoodra de oude heer weêr heel
+hersteld zoû zijn en beneden in huis weêr in zijn oude leventje, een
+formeel huwelijksaanvraag doen zoû. Mathilde-zelf durfde er niet het
+eerst over spreken. Zij doorwachtten nu het langzaam beteren van den
+heer de Stuwen. Over een groote veertien dagen, had dokter Hansen
+gezeid, zoû de vader zich weêr gemakkelijk bewegen kunnen en de trappen
+op-en afloopen. Tot zoolang moest men geduld hebben, want Mathilde
+bracht Jozef aan 't verstand, dat zij volstrekt niet gissen kon, wat
+vader van de tijding denken zoû. Als hij weêr op zijn gemak den gewonen
+levensloop volgde, moest men hem alles meêdeelen.
+
+Met dendag draaide nu de oude heer bij. Hij begon eerst wat beter te
+eten, toen bleef hij even ópzitten met zijn koeranten, toen stopte hij
+zijn pijpjes, toen begon hij pleizier in keuvelen te krijgen, en
+eindelijk stapte hij de duffe ziekenkamer uit. Dit zal nu een dag of
+tien geleden geweest zijn.
+
+De maand Oktober eindigde stil. Het was een heldere koele avond buiten.
+Er passeerden weinig menschen op de gracht. De heer de Stuwen zat voor
+de tafel in de binnenkamer. Het kolomkacheltje brandde flauwtjes. De
+gasbekken waren boven het grijze hoofd ontstoken en hij las de krant
+onder 't soppen van een tafelbeschuitje in een juist weêr volgeschonken
+nagemaakt blauw Saksiesch theekopje. Tegenover zijn plaats aan tafel
+stond een groot ouderwetsch bruin blad met opstaanden rand in koperen
+beslag. Het vlammetje onder het oud-zilveren theepotje bewoog: zóo hoog
+stond het ouderwetsch toestel, met de ketel met kokend water, dat de
+stoom tegen het lichtje áankwam. De overgeblevene helft van een
+manille-cigaar lag op het met asch en gestortte suiker bedekte
+schoteltje, naast de linkerhand van den heer de Stuwen, waarmeê hij de
+krant vasthield.
+
+Mathilde was juist wechgegaan om klarigheid te maken om met haar vader
+naar de komedie te gaan.
+
+Daar werd hard aan de voordeur gescheld. Toen Jans bijna bij de voordeur
+moest zijn, gingen de Stuwens blikken even luisterend links langs het
+bedrukte blad, zijn mond ging op een kiertje staan: Wie, dacht hij, kan
+daar zijn?
+
+Jozef was aan de deur. De Stuwen herkende zijn stem toen hij Jans
+goeyen-avond zeî, en vond 't vervelend, dat hij juist nû kwam.
+
+--Zoo, van Wilden, ik had niet gehoopt je van-avond nog te zien.
+
+--Hoe maakt u 't, meneer de Stuwen? ... Ja, ik zal u zeggen ... ik woû u
+graag eens spreken ... over ernstige zaken ...
+
+--Nou, kom binnen, kom binnen ... Jans, neem meneer z'n jas eens aan.
+
+--Nee, dank u, die zal ik maar aanhouwen ... Ik zal u niet lang
+ophouden ... ik heb maar weinig tijd.
+
+--Ga zitten ... zoo, en wat heb je nu voor gewichtigs?
+
+De Stuwen was ook weêr gaan zitten.
+
+Jozef zat op de kleine kanapee, die tegen den wand stond. Zijn
+cylinder-hoed stond naast hem op het karpet met de lichtrood zijden
+voering naar boven. Zijn overjas hing open; zijn ellebogen stonden op
+zijn knieën; zijn donkerbruine glacé-handschoenen kraakten sisten tegen
+mekaâr; zoo krachtig poogde hij zijn handen te vouwen. Zijn hoofd hield
+hij gebogen, zijn oogen neêr. Een enkelen keer dwong hij ze echter den
+heer de Stuwen sterk aan te zien. Hij sprak boekachtig.
+
+--De stap die ik doe is wel een beetje onvoorbereid, meneer, ... maar wij
+zijn toch al oude vrienden en daarom ben ik er des te gereeder toe
+overgegaan ... Meneer, ik kom de hand van Mathilde vragen ...
+
+Jozef hoeste en keek den ouden heer lang, heel lang met zenuwachtig
+trillende oogen aan.
+
+--Houdt zij van u?
+
+--Ja, meneer, dat weet ik ... Wij hebben samen al over ons hartsgeheim
+gesproken ... Zij heeft mij wel lief en ik, ik haar onuitsprekelijk ...
+
+--Ik moet je ronduit bekennen, dat je me erg verrast. Ik had nooit aan
+zoo iets tusschen jullie gedacht. Je scheelt, als ik wel heb, dertien
+jaar met mijn dochter. Je karakter ken ik genoeg ... Maar wat praat ik?
+Wat moet ik beginnen, als jij met mijn eenig kind gaat strijken? ... De
+Stuwen huilde nu. Van Wilden, ik houd zooveel van dat kind, zij is 't
+eenige, wat ik nog over heb ... Mag ik wel vragen, oprecht en vrij,
+hoeveel inkomen je wel hebt, van Wilden, en hoe je je huishouden denkt
+in te richten? ... Wezenlijk, je komt me zoo met je aanbod uit de lucht
+vallen, dat ik er heelemaal door in de war ben ... Laat me d'r eens wat
+over denken, hè? ... Kom dan over een week of zoo maar mijn antwoord
+hooren ... Gut, jongen, van Wilden, geloof me, ik had zoo iets nooit
+vermoed ... Ik houd van je, dat weet je, en 't geluk van Mathilde gaat
+mij erg ter harte ...
+
+Jozef was opgestaan, beverig, klammerig. Boven in huis zong Mathilde het
+liedje uit Faust van den koning van Thule; zij kwam de trap af. Toen zij
+aan de onderste drie treden was, had ze juist haar handschoenen dicht
+geknoopt en kwam nu met een sprongetje de achterkamer binnen: Vader,
+is u klaar?
+
+Jozef had nog juist kunnen zeggen:
+
+--Mag ik u dan per schrift nog 't een en ander over mijn zaken
+melden? ... Ik hoor Mathilde, bedenk u nu rustig ... ik wil ook niet dat
+er in deze kwestie iets te overhaast of tegen uw goeddunken gebeuren
+zal, ... maar ... vóor alles, ... houd in 't oog dat niemand haar ... in
+staat is haar ... gelukkiger te maken, ik ... daar is ze, ... dat ik
+oneindig veel van haar houd ... Tot ziens dan!
+
+Hij kwam Mathilde aan de deur tegen. Hij dorst niet tegen haar te
+glimlachen. Zij zag ontsteltenis in zijn oogen. Zwijgend drukte hij haar
+hand. Zijn hand beefde. Zij zag haar vader ook opgewonden. Zij begreep
+dat Jozef alles had gezegd. Eén oogenblik had zij de gedachte haar vader
+te omhelzen en hem zoo smeekend aan te zien, dat hij dadelijk zijn
+permissie zoû geven ... éen oogenblik maar, want zij hield zich in en
+ging stil in de kamer staan. De heer de Stuwen liet Jozef uit. De
+buitenlucht koelde de gezichten van Jozef en de Stuwen af. Jozef nam
+zijn hoed af en verdween in de schemering van 't lantaarnlicht aan den
+wallenkant.
+
+Vijf minuten later ging de oude heer met Mathilde naar de komedie. Jans
+liet ze uit en bleef verder in haar eenzaame keuken te-rug om naast de
+poes in te dommelen zonder te merken dat de lamp knersend uitging.
+
+De Stuwen en Mathilde zeiden dien avond weinig tegen mekaâr.
+
+ * * * * *
+
+Dien avond, een paar uur na dat hij bij de Stuwen geweest was, ging
+Jozef naar de club. 't Was al over tienen. Het gas in de winkels vlamde,
+de gordijnen voor de clubventers waren neêr. Jozef draaide den hoek om
+en richtte zich naar de deur in gezelschap van twee andere elegant
+gekleedde heeren. Beneden, van de keldervensters van het clubgebouw,
+steeg een warme damp van gekruid eten op in de neuzen.
+
+De straathoek hier was vol loopende menschen. De lucht stond bewolkt en
+de gezichten blonken geel in het gaslicht. De oogen blonken, als lichten
+van diep uit de hoofden schijnend. Soms ging het geraas van rijtuig en
+paard plotseling van de straatsteenen over in het doffe geklok van den
+hoefslag op het asfalt. Schorre fruitventers-kreten, heesche
+jodenschreeuwen een schel hondgejank riepen op onder de schuifelende
+gebarende en gesprekken houdende menigte, donkere lijven in een ver
+gebrom en een morrend gesuis tot de lucht.
+
+In hun baarden lachend wandelden Jozef en zijn kennissen langzaam. Boven
+de fluweelen kragen van hun overjassen schemerden, in helder witte
+boorden geklonken, hun roode door de pret vettige halzen. Er kwam een
+donkere jufvrouw onder een breedgeranden rubenshoed achter hen aan. Zij
+kuchte. Jozef keek om. Van weêrszijde werd toen giechelend gelachen.
+
+De groote zaal van de club was in lichte kleuren beschilderd: licht-rood,
+lila en blauw; ovale vakken met bloem-en fonteinafbeeldingen, gescheiden
+door half uit den muur gebouwde hoekige pilaren, die van boven en van
+onderen zich in een opeenhoping van gouden krullen verloren. De
+bloemvakken werden afgewisseld door geslepen spiegels. Midden in den
+zaal stonden drie bieljarten, waar heeren met lekker-ruikende-baarden in
+hun overhemdsmouwen om heen liepen; de lampekappen stortten het licht
+over de bieljarten neêr, dat de spelden in de kleurige dassen deed
+blinken, maar de gezichten in de schaduw liet; de heeren droegen de
+keuën geweêrsgewijze over den schouder, de pomeranz, met krijt
+besmerend. Achter in de zaal stond de lankwerpige groene leestafel, waar
+meer bejaarde heeren kranten lazen; aan de vensters waren de zwart
+ebbenhouten tafeltjes; kletsende, rookende heeren zaten er om heen
+grokjes te drinken.
+
+Jozef kwam binnen met zijn vrienden. Een knecht vol blauwe liverei met
+zilveren knoopen nam de over-jassen en de hoeden aan. Aan een tafeltje,
+dicht-bij de deur, waar al drie jongeluî aan zaten, gingen zij ook.
+
+--Bonsoir, Hasman ... Dag, Piet, hoe maak jij 'et? D'Ablaincourt! ...
+Zitten jullie hier al lang?
+
+--Nee, even maar, we hebben koffie gedronken in Suisse.
+
+--Was 't er vol?
+
+--Nee, och God, niemant.
+
+--Jawel, en Dobber van Rotterdam dan? Zeî Hasman.
+
+--O, was die d'r ook? Die heb ik t'r gisteren gezien, zeî Jozef.
+Verbeel-je, hij proponeerde me om een spelletje ekartee te spelen, maar
+dat kon ik niet doen, dat begrijp je, nee, zeg ik, dat gaat hier in
+Amsterdam volstrekt niet, als de menschen mij hier na den eten ekartee
+zagen spelen, zoû ik morgen aan de Beurs niets te doen hebben.
+
+--Nou, zoo erg geloof ik nou niet, dat het is, zeî Piet.
+
+--Asjeblieft, zeî Jozef, de menschen zijn hier nog verschrikkelijk
+kleinstädtisch. Ik durf in geen publiek koffiehuis kaart te spelen. Dat
+kunnen alleen renteniers doen en in geen geval jonge menschen, die in
+effekten doen.
+
+D'Ablaincourt was met den knecht aan 't overleggen wat hij drinken zoû.
+
+--Mag ik je iets offreeren, van Wilden?
+
+--Ja, groc américain, heel graâg!
+
+--Jongens, ik heb vandaag zoo'n mooye meid gezien, zeî Hasman.
+
+--Ja? Waar?
+
+--Op de Heiligeweg. Ik ben d'r nog een tijdje nageloopen door de
+Leidsche straat, maar 't duurde me te lang.
+
+--Ja, à propos, van Wilden, hoe staat 't met jouw Lucie?
+
+--Dank-je, heel goed; jammer, dat 't uit is tusschen ons ... maar van den
+anderen kant toch niet jammer, want ik geloof dat 't heel goed is, dat
+ik nu eindelijk eens ga trouwen.
+
+--Ja, maar, beste vrind, wat heb je aan een ongefortuneerde vrouw?
+
+--O, dat hangt er heelemaal van áf ... as je een meisje trouwt, mooi, en
+die op je verliefd is, en als je dan de overtuiging hebt, dat je een
+uitstekende getrouwde man zal zijn ... Ik zal veel van d'r houën en we
+zullen 't heel goed met mekaâr kunnen vinden.
+
+--Jongen, jongen, wat ben jij toch 'n degelijk mensch ... en dan na een
+jaar of zes zoo vijf kleine springertjes om je heen ... heel plezierig
+nie-waar? Je bent tóch altijd zoo'n liefhebber van kinderen!
+
+--O, waarom niet, andwoordde Jozef, al sjouw je wat voor dat je trouwt,
+daarom kan je later toch wel een goeye huisvader zijn.
+
+--Ja, en je leeft op 't oogenblik ook heel bedaard, dat is waar.
+
+--Wel zeker, heel bedaard, maar, beste jongen, dat heb ik altijd
+gedaan ... ik leef altijd bedaard ... ik ga nu van-avond bijvoorbeeld
+waarschijnlijk weêr eens dood bedaard naar Josephine uit den Haag.
+
+De knecht kwam nu met een platina blaadje, waarop drie grocs américain
+stonden, die de heeren met een lucifer aanstaken, zoo als ze het in
+Parijs hadden zien doen.
+
+--Op je aanstaande, Jozef! zeî een van de andere heeren, zijn glas in de
+hoogte.
+
+--Blaas eerst de vlam uit, je zal je branden, riep een ander er
+tusschendoor, om een aardigheid te zeggen.
+
+--Nou, en ik drink op Josephine! zeî Hasman.
+
+--Nee, profaneer niet, zeî Jozef, je moet geen dingen met mekaâr in
+verband brengen, die niets met mekaâr te make hebbe.
+
+--Nee, dat moeten jullie ook niet doen, zeì de heer Blas, die tot nu toe
+gezwegen had en voor een heel verstandig mensch doorging, maar, van
+Wilden, ik zoû je toch wél eens iets willen vragen ... hoe of jij toch
+eigenlijk de meisjes op je verliefd maakt, bijvoorbeeld, zonder
+indieskreet te willen zijn, je aanstaan nu, die houdt nou toch bepaald
+van je, nietwaar?
+
+--Ja wel, ik hoop het ten minste wel.
+
+--Hoe komt dat dan nou? Je bent altijd op de Beurs, op je kantoor, hier
+in de club, en je neemt het leven verder nog al luchtig op, je bent
+zelfs een beetje fatterig, hoe kan jij een meisje uit een stille
+burgerlijke ingetogen familie zoo gecharmeerd op je maken?
+
+--Dat is nog al eenvoudig, andwoordde Jozef, ten eerste, omdat haar
+vader en zij met weinig menschen omgaan en ik zoo wat de eenige jonge
+man ben, dien zij kent, ten tweede om dat ík veel van haar hoû.
+
+De heeren zaten met hun ellebogen op de tafel, met de eene handen de
+hoofden steunend of aan de glazen, de andere in de broekzakken en op
+tafel trommelend, te luisteren; om hen heen leefde de zaal in het rollen
+en klotsen van de bieljartballen, het applaudiseeren voor een mooyen
+stoot met een licht geklop van de keuën op den vloer en het stemgegons
+van de babbelende tafeltjes met een enkelen luiden schater; de rooknevel
+van geurende cigaren steeg langzaam naar de zoldering.
+
+Na een uurtje begonnen Jozef en zijn vrienden zich te vervelen. Aan
+andere tafeltjes spraken zij nog een paar vrienden aan, en groetten een
+paar kennissen en gingen nog een beetje de straat op.
+
+Twee dagen later ontving de heer de Stuwen een dik zorgvuldig toegemaakt
+koevert, dat hij ook op een avond, ook in zijn achterkamer, bij het nog
+flauwer brandend kolomkacheltje, openmaakte.
+
+Jozef legde er zijn maatschappelijken toestand in bloot. Hij was
+eigenaar en bestuurder van een effektenzaak, die jaarlijks een acht-à
+tienduizend gulden afwierp. De omstandigheid, dat hij aan een bekwaam en
+ijverig kashouder de leiding van het kantoor had toevertrouwd, stelde
+hem in de gelegenheid zijn tijd, die niet aan het maatschappelijk
+verkeer was gewijd, met lezen en studeeren door te brengen. Dikwijls was
+hij maar een half uur per dag op zijn kantoor en zijn overigen tijd
+thuis, of, zelden, in de club. Maar 't sprak dat hij voortaan al zijn
+lidmaatschappen van sociëteiten en verdere celibatairs-genootschappen op
+zoû zeggen, om met zijn vrouwtje, alleen voor en in zijn eigen huis te
+leven. Hij wilde zich ook ernstiger nog als nu op de studie toeleggen,
+een bezigheid, die, wilde zij vruchten dragen, op zich zelf al veel van
+zijn vorderen zoû.
+
+Terwijl de Stuwen den brief weêr bij de andere papieren in den omslag
+leî, dacht hij na over het besluit dat hij zoû nemen. Hij glimlachte.
+Mathilde had sinds die paar dagen nauwelijks van Jozef durven spreken.
+Alleen gisteren-avond, toen hij haar een beetje plechtig had afgevraagd,
+of zij wezenlijk, in het volle besef van wat de toekomst zoû brengen,
+van Wildens vrouw woû worden, had zij hem doen blijken, hoeveel zij van
+Jozef hield. Zij verzekerde alles overwogen, over alles nagedacht te
+hebben en tot het besluit te zijn gekomen, dat haar toekomst was aan de
+zijde van dien man te leven en te sterven.
+
+Er was dus, dacht de Stuwen, niets tegen het huwelijk ... Hij had immers
+zelf, hij, die Jozef misschien 't best van allen kende, toch nog de
+laatste dagen hier daar in de stad naar de reputatie van zijn aanstaande
+schoonzoon geïnformeerd en overal waren hem de beste berichten gegeven.
+Vroeger had Jozef wel een beetje "gesjouwd", schreef een van de heeren,
+dien hij inlichtingen had gevraagd, maar hij was toch altijd, vooral in
+den laatsten tijd, een bedaarde jongen geweest. Hij zoû van Wilden dus
+maar andwoorden en Mathilde, als zij thuis kwam,--zij was van-avond bij
+mevrouw Berlage--gelukkig maken.
+
+Ja, Mathilde was uit. Hij zat hier alleen en kon dus dat zaakje nu juist
+goed ten einde brengen. Plotseling dacht hij aan zich-zelf, hoe alleen
+hij zich op 't oogenblik voelde; de kachel was aan 't uitgaan, zijn thee
+werd koud. Mathilde was er ook niet om voor dat alles te zorgen. En in
+éens voelde hij geheel de verlatenheid, waarin hij in 't vervolg zoû
+zijn. Hoe was 't mogelijk! Nu pas dacht hij aan wien hem toch het naaste
+was! Wat moest hij nu worden? Alleen zijn ouden dag tegemoet gaan, dat
+was geen pleizierig idee. En was dat het lot van alle vaders in zijn
+omstandigheden, in zijn noodzakelijke omstandigheden, dit besefte hij
+wel. Zijn glimlach verdween en hij huilde. Hij voelde zich koud, hij
+keek rond. Wat was het eenzaam hier in huis! 't Gebeurde wel meer, dat
+Mathilde eens uit was 's avonds, maar nooit had de kamer hem zoo kil en
+leeg geschenen als nu, ofschoon hij zeker wist, dat Mathilde op haar
+gewonen tijd thuis zoû zijn om hem goeye nacht te zeggen, naar zijn warm
+kruikje te zien en zijn kussen te schudden, en dat, al ging het huwelijk
+ook door, zij toch minstens nog een maand of zes bij hem zoû zijn.
+
+Hierna vermande zich de heer de Stuwen. Hij stond op, sloot zachtjes de
+deur en kreeg uit de zwaar mahoniehouten sekretaire, rechts van het
+raam, dat op het binnenplaatsje uitzag, zijn schrijfgereedschap. Hij
+schreef, met een beetje schuin uitloopende regels, aan Jozef, dat hij,
+na lang over den stap nagedacht te hebben, besloten had zijne dochter te
+permitteeren hem te trouwen, dat hij verder Jozef verzocht een dezer
+dagen eens nader over deze aangelegenheden te komen spreken. De brief
+was min of meer koel ingericht. De Stuwen voelde voor Jozef niet meer de
+vriendschap van vroeger. Maar hij kon nu eenmaal niet anders, ofschoon
+hij 't zelf onredelijk vond.
+
+Gedurende den tijd, die aan het huwelijk voorafging, veranderde de
+Stuwen zichtbaar in de oogen van Mathilde. Meestal was Jozef 's avonds
+bij hen, maar éen of twee maal in de week, als de Stuwen alleen zat met
+Mathilde in den schemerschijn van 't lichtje onder de theepot, dan was
+'t of hij niet meer op zijn woorden kon komen, zoo als vroeger, dan
+gebeurde 't wel, dat er een uur verliep, terwijl de Stuwen zich in zijn
+koerant verdiepte en Mathilde over haar borduurwerk gebogen zat, in
+geheele stilzwijgendheid. En was Mathilde verwonderd over haar vader,
+vroeg ze hem, of hem iets scheelde, of er soms iets aan zijn gezondheid
+haperde, dan verbaasde hij zich over die vragen, dan zeî hij volstrekt
+zelf niet te weten, haar anders, met minder hartelijkheid en
+vertrouwelijkheid, te behandelen dan vroeger. Zij ging nu trouwen, dat
+was heel, heel goed, dat was de weg, dien iedereen ging op haar jaren en
+hij zoû wát trotsch zijn eenmaal in zijn dochter een mooye flinke
+getrouwde vrouw te zien. Wat hem dan zoo stil maakte en afgetrokken, hij
+wist 't zelf heusch niet, hij vertrouwde van Wilden geheel, hij was over
+'t toekomstig lot van Thilde niet ongerust. Maar onbewust vulde hem het
+voorgevoel van de verlatenheid, die hemzelf te wachten stond. Hij had
+nooit veel vrienden gehad en sinds den dood van zijn vrouw, na zijn
+langen rouw, had hij er in 't geheel niet aan gedacht zijn oude
+kennissen weêr op te zoeken, nog minder nieuwe aan te knoopen. Hij was
+altijd een huiselijk man geweest, die een stillen kleinen kring, rustig
+'s morgens aan 't ontbijt, rustig 's avonds in het schemeruur, de
+voorkeur gaf boven menschen-zien en vertooning-maken. Daar Mathildes
+aard hierin nogal met den zijne over-een-stemde, hadden zij zich met hun
+tweeën, hoe langer hoe meer buiten het algemeene, gedruismakende
+maatschappelijke leven gesloten. Nu, nu het oogenblik van scheiding en
+verandering in die huiselijke orde naderde, zag hij in gedachten eens
+uit naar de jaren, die komen zouden. Zijn dochter ging wech, natuurlijk!
+Ja, zij zoû wel altijd veel van hem blijven houden, veel van zijn uren
+zoû hij nog in haar stil en aangenaam gezelschap kunnen slijten. Maar
+hij wist heel goed, hij herinnerde zich nog wel deugdelijk uit de eerste
+jaren van zijn eigen huwelijk, met wat een scheele oogen jonggetrouwden
+aanzien, dat een derde zich in hun intieme leven mengt en dat hij een
+tijdperk van ondragelijke eenzaamheid tegemoet ging, daar twijfelde hij
+geen oogenblik aan, en deze gedachte maakte hem stil. Want even afkeerig
+als hij was van veel en druk gezelschap, een even groote behoefte had
+hij aan enkelen in zijn nabijheid, om zijn vertrouwelingen te wezen en
+zijn gemoedsleven te deelen. Mathilde kwam er niet op te vermoeden, wat
+de eigenlijke reden was voor de verandering in haar vaders manier van
+zijn. Zij had al van alles verzonnen, maar wat haar in was gevallen, om
+de onhoudbaarheid dadelijk weêr verworpen. Vroeg zij 't hem, dan bleef
+hij maar andwoorden, dat hij daar zelf niets van merkte. Zij ook dacht
+voortdurend alleen aan de toekomst. Maar 't kwam haar zoo natuurlijk en
+zeker voor, dat vader bij hun in zoû komen wonen! Zij twijfelde daar zoo
+weinig aan, dat niets haar meer verstomd zoû hebben als te hooren, dat
+de onmogelijkheid van wat zij voor natuurlijk hield de eenige oorzaak
+was van haar vaders droefgeestigheid.
+
+Eens op een avond, toen haar vader bizonder treurig voor zich uit zat te
+turen, kwam zij weêr op iets:
+
+--Vader, is u zoo verdrietig, om dat ik trouwen ga?
+
+--Och, nee, dat is het niet.
+
+--Maar wat is er dan toch, wat dan in 's hemels naam, er moet toch iets
+bizonders aan de hand zijn. Waaraan dacht u nu op 't oogenblik? Zegt u
+dat nu eens oprecht. Het zal toch niet eenvoudig aan uw gestel liggen.
+Ik heb ten minste nooit gehoord van een lichamelijke kwaal, die op zoo'n
+manier aan den dag zoû komen.
+
+--Kind-lief, ik weet het zelf niet.
+
+--Maar het kan toch niet zijn om dat ik trouwen ga, want, lieve hemel,
+dat doen alle meisjes op mijn leeftijd en het is nog nooit gezien, dat
+een vader zich dat zoo erg aantrok. U houdt wel veel van me, dat weet ik
+wel, maar ik kan toch niet gelooven, dat u zooveel van mij zoû houden,
+dat u ziek wordt bij de gedachte, dat we een beetje van mekaâr moeten
+gaan, dat zoû toch al te erg zijn. Dat zoû ziekelijk zijn en eenig in
+zijn soort, en nee, en dat kan niet, dat is onmogelijk. Ik kan het mij
+niet verbeelden ... Och toe, vader, doet u nu niet zoo raar ... Kan u er
+zelf niets, niets aan doen? ... Vader, wil ik dan maar liever niet
+gaan trouwen?
+
+--Nee, kind, ik verzeker je, dat is het niet, het moet iets lichamelijks
+zijn. Ik zal er den dokter eens over spreken ... Denk je nog wel dikwijls
+aan je moeder? vroeg de Stuwen plotseling.
+
+--Tusschenbeide. Ik kan eigenlijk niet goed aan d'r denken. Hoe wil ik
+me iemant voorstellen, die ik mij nog maar zoo weinig herinner.
+
+--Je moeder was net zoo als jij, lieve kind, je bent haar sprekend
+evenbeeld. Ze was net zoo opgewonden als jij wel zijn kan, en ook haar
+uiterlijk had héel veel van het jouwe ... En weet je, waar ik nu eigenlek
+bedrukt over ben? ... Als 't eens met jou ging, zoo als 't met haar is
+gegaan ... Kind, je hebt zóoveel van d'r!
+
+--Maar, vader, hoe bedoelt u? Ik begrijp u niet; dat ik ook vroeg
+sterven zoû?
+
+--Ja, kind, je kon niet weten. Laten we eens iets veronderstellen ... Als
+jij ook een kindje kreeg en je stierf dan, zoû je dat niet
+verschrikkelijk vinden?
+
+--Och, vader, ik weet niet, ik kan me daar volstrekt geen voorstelling
+van maken.
+
+De heer de Stuwen was ongerust. Den volgenden dag, toen hij weêr een
+uurtje alleen zat, kreeg hij hoofdpijn van het denken aan zijn vrouw en
+aan Mathilde. Hij dacht aan Mathildes zwarte haar, aan haar donkere
+oogen, die zij, zonder verandering bijna, van haar moeder had. En dan
+haar levendigheid, haar vuur; dat hem vroeger juist zoo op zijn vrouw,
+die maar zoo kort geleefd had, verliefd had gemaakt. Mathildes
+levenslustigheid sloeg nu en dan in wildheid over. Dat maakte hem ook
+bang. Nu, in den laatsten tijd met het huwelijk in 't vooruitzicht, was
+dat wel beter geworden, maar vroeger, wat kon zij aangaan! Het was wel
+gebeurd, dat zij stil alleen samen zaten en lazen, hij de koerant, zij
+een roman. Dan was zij dikwijls niet van het boek af te krijgen geweest,
+haar slapen gloeiden vlak boven de bladzijden, tot zij in-éens ontsteld
+op-sprong, gejaagd de kamer rondliep en eindelijk tegen de muur ging
+staan leunen, haar voorhoofd op den rand van een schilderij. Een
+oogenblik duurde dat maar, dan keek ze om en proestte het uit van het
+lachen over haar eigen kinderachtigheid. Met tranen nog in haar oogen,
+liep zij dan naar haar vader, die verwonderd naar haar had zitten
+kijken, en drukte hem bijna te pletter in een omhelzing. Wat kon zij
+woest zijn! Wat kon zij op de piano dreunen en urenlang zitten spelen,
+zonder ooit op te houden, zonder om te zien. Zij was bepaald een
+vreemdsoortig meisje; haar moeder had ook wel zoo iets. Maar zij veel
+meer. Wat kon ze met een hartstocht teekenen, uren lang, boven alleen op
+haar kamer, zonder ooit voor 't venster te kijken naar de menschen
+beneden langs de straat. En dan, die vlagen van godsdienstigheid
+tusschenbeide! Daar begreep de Stuwen nog 't minst van. Hij was ook wel
+naar de kerk gegaan in zijn jeugd en had veel preêken gehoord van een
+vromen pastoor, maar met de jaren kwam de onverschilligheid en het vage,
+geheimzinnige geloof van zijn vrouw, had hém juist nog meer doen
+verflauwen. Hij was bepaald van de liberale partij geworden, hij las het
+Handelsblad en was 't vrij wel eens met dominee Hugenholtz. Maar
+Mathilde niet. Zij kende God, had zij dikwijls beweerd, en als ze iets
+goeds deed, voelde ze duidelijk de zegening van God in haar binnenste.
+Of pastoor Sluyter, die vroeger wel eens aan huis kwam, haar dat had
+geleerd, dat wist de Stuwen niet. Maar hij merkte elken dag, hoe
+gelukkig of haar geloof Mathilde maakte. Daarom sprak hij er zoo weinig
+mogelijk met haar over.
+
+Ja, het geloof alleen maakte Mathilde vroeger gelukkig, zij wist het
+zelf heel goed.
+
+Tot haar vijftiende jaar toe, had zij alleen den God van haar moeder en
+van pastoor Sluyter gekend. Zij stelde zich hem voor als den oppersten
+rechtvaardigen rechter, een bejaard eerbiedwaardig mannelijk wezen, met
+langen sneeuwwitten baard, die haar zag en zijn wenkbrauwen fronste, als
+ze kwaad deed of dacht, als ze ongehoorzaam was aan vader, lui was onder
+'t werk of met een vriendinnetje lachte in de kerk of de japonnen van de
+dames haar daar meer bezighielden dan Hij en Zijn Majesteit; die
+welwillend op haar neêr zag en haar zegende, als zij braaf was, goed
+werkte, en gedwee tegenover haar meerderen.
+
+Maar toen zij volwassen werd, het een en het ander gelezen had en haar
+ziel groot voelde worden, toen had het gevoel over dien God
+noodzakelijker en levendiger dan vroeger aan haar voorgedaan. Als ze 's
+zomers 's morgens opstond en de zon goudgloed was in haar kamer, als ze,
+even voor het venster staande, de blaadrenmassaas van de iepenboomen zag
+waayen en ruischen en de lucht zoo blauw was boven de glinsterende
+daken, vooral ook als ze eens buiten kon zijn en rondwandelen in de
+vrije natuur, of als ze muziek hoorde of een prachtigen roman las, dan
+rees er een onnoemlijke behoefte aan uitstorting en aan dank in haar
+gemoed, dan richtte zij zich tot dien hoogen Persoon, uit Wien al dat
+vreemde geluk moest voort komen. Dan dankte zij Hem voor de gave van
+haar leven, voor haar genieting en voor de hoop op nog grooter geluk,
+die zij in zich droeg. Zij wenschte ook zoo zeer geleid te zijn, een
+raadgever te hebben. Nu besefte zij het: Hij zoû haar leider wezen! Zij
+bad van Hem veel goeds te mogen doen in haar leven, zij dankte Hem, als
+ze iets goeds had gedaan. Zij droomde ook van liefde. Daarom óok bad zij
+aan den God van alle liefde. Het gebeurde wel, dat zij woorden vond om
+Hem toe te spreken en Hem haar vereering te betuigen, net zoo als zij
+tegen haar stoffelijken minnaar zoû zeggen, als die mocht komen.
+
+Toen ze van Jozef begon te houden, had zij gehuild van dankbaarheid in
+haar gebed aan God.
+
+ * * * * *
+
+Intusschen verliep de winter, een zachte winter. In 't voorjaar zouden
+Jozef en Mathilde trouwen. Het engagement was publiek. Mathilde had zich
+al gewend aan de pleizieren en aan de eentonigheid van zoo geengageerd
+te zijn. Jozef hield nu zijn arm om haar middel geslagen en zoende haar
+in het bijzijn van den ouden heer. Het kwam Mathilde voor, dat haar
+liefde op dezelfde hoogte bleef staan. Dan zaten zij met hun drieën bij
+mekaâr en bespraken plannen voor de toekomst. In weêrwil van zijn
+afwijzingen was 't nu vast bepaald, dat de oude heer bij het jonge paar
+in zoû komen wonen. Eens maar werd er nog een avondje met meer
+menschen gegeven.
+
+Toen de tijd van het huwelijk kort op handen was, werd Mathilde
+zenuwachtig. Haar stil genoegen van dagelijks met Jozef te zijn werd
+vermengd met zekere nog nieuwe gewaarwordingen van gejaagdheid en angst.
+Als ze soms op de kanapee in de binnenkamer naast mekaâr zaten en
+praatten, terwijl de oude heer, op een stoel voor de tafel, goedig en
+stil er opmerkingen tusschenvoegde, voelde Mathilde in-éenen met een
+soort van bevreemding, van verwondering, dat zij daar nu zoo zat, in
+dezen toestand en pratend over de inrichting voor haar volgend leven,
+die zoo bizonder verschillend van de tegenwoordige wezen zoû en waarvan
+zij nog zoo weinig wist. Als Jozef, op den heel gemeenzamen toon, waarop
+hij deze onderwerpen behandelde, over de wenschelijkheid gesproken had
+met zijn vrouwtje een huis op de Heerengracht te huren en haar vroeg,
+wat zij dacht van de Heerengracht bij de Gasthuismolensteeg, om dat hij
+zijn kantoor hield op het Cingel daar dicht in de buurt, dan kon zij hem
+plotseling aanzien, alsof zij geschrokken was van wat hij zeide. Zij
+keek ernstig en hield zich stil. Men hoorde het lichtje onder de theepot
+branden. En dan sprak hij weêr voort, zonder iets te merken. Het
+gebeurde wel, dat de oude heer indommelde midden-in de gesprekken
+overdag of 's avonds. Als Mathilde dan Jozefs stem alleen voort hoorde
+gaan, kwam het voor dat zij hem niet vertrouwelijk aan dorst zien, maar
+een groote droefheid over zich voelde komen en haar blikken maar niet
+van den slapenden vader afhouden kon. Zij zag de kamer rond en, 's
+avonds of overdag, in de voor-of in de achterkamer, het was zóo donker,
+dat zij kippenvel kreeg. Zij keek naar de wanden, een voor een, en
+begreep maar niet, waarom zij die al-gauw voor andere, lichtere en
+vroolijkere waarschijnlijk, verruilen zoû. Er kwam haar een weemoedige
+vriendelijkheid van de vormen van de meubels, die tegen het behangsel
+stonden, tegemoet. Het buffetje herinnerde aan de heerlijke oude dagen,
+die voorbij waren voor altijd, de lijsten van de schilderijen
+herinnerden, dat haar vader, na een schoonmaakdag, die altijd recht
+hing, om dat de schoonmaakster ze schuin aan het driehoekig koord weêr
+opgehangen had; zij dacht er over, dat haar vaders haren vroeger veel
+minder grijs waren, en Jozefs stem klonk dan als heel uit de verte, als
+het gelui van een stalen klok. 's Avonds naar haar slaapkamer gaande en
+daar zijnde, onder het uitkleeden, had zij een gevoel van vagen angst
+voor Jozef. Het was zoo donker overal. Hij kwam haar toch niet na op de
+trap! Hij stond toch niet aan haar deur te tikken, na dat zij hem
+afgesloten had? Hij had zich toch niet in de een of andere kast
+verborgen, om haar te verschrikken of te verrassen? Hij zoû toch niet
+van onder de tafel of het bed vandaan kruipen, om bij haar te zijn, al
+te dicht bij haar, om haar aan te raken, vriendelijk, hartelijk, stevig,
+om haar te omhelzen al te vurig, haar zeer te doen, om haar pijn te
+doen, haar te knijpen, iets van haar te stelen, iets voor altijd van
+haar wech te nemen, wat haar dierbaar was, iets innig van haar eigen?
+Hij drong zich toch niet tegen haar aan, eischend dat zij iets af zoû
+geven, wat zij niet missen kon? En in een groote haast ging zij naar
+bed. Dáar verdwenen de onrustige gedachten en ging zij teeder aan hem
+liggen denken, schikte zich gemakkelijk op de matras en de kussens, om
+niets te voelen en zich niets te verbeelden dan hem en hem alleen, om in
+haar éentje gemakkelijk en ongestoord van hem te houden. Zij had voor
+dek een laken, een deken en een sprei. Zij sloeg die tusschenbeide
+heelemaal uit over haar hoofd om zóo, in de pikke duisternis, Jozef
+alleen te zien. Of wel, wanneer het haar te benauwd werd, vouwde zij het
+dek om en trok het, zoo eens zoo dik, zoo hoog mogelijk onder haar kin
+en dan, met dichte oogen, wreef zij zachtjes haar kin over dat dikke dek
+heen en wêer; dan stond hij, in al de bizonderheden van zijn persoon,
+zóo levendig voor haar geest, alsof hij wezenlijk in haar kamer was.
+Maar zij hield er van haar eigen denken over hem na te pluizen. Hoe kwam
+het, dat zij hem nu zoo erg zag? Gesteld eens, dat hij op dit oogenblik
+wezenlijk was op de plek, waar zij zich nu verbeeldde hem te zien, in
+welke houding zoû hij dan zijn? Stónd hij, gewoon rechtop? Neen, dan
+moest hij op haar bed staan, zoû zich dus ten eerste niet stijf staande
+kunnen houden op het weeke beddegoed, ten tweede zoû zijn hoofd tegen
+den hemel stooten om dat hij zoo lang was, ten derde zag zij hem zoo van
+dichttebij, dat zij te-gelijk zijn voeten en zijn haren zoû kunnen
+aanraken, iets wat dán niet mogelijk zoû wezen. Lag hij dan naast haar
+of op haar, stond hij buiten het ledikant? Neen. Stond zijn beeltenis
+dan afgeschilderd ergends midden in haar hoofd? Dat moest zijn. Zij zag
+hem uitkomen op een donkeren kleurlozen of naar het grijs-rood aardenden
+achtergrond. Die beeltenis moest dan wel heel klein wezen, om daar
+binnen geborgen te kunnen zijn. En toch zag zij hem levensgroot. Hij was
+er en hij was er niet. Dat maakte haar weêr bang. Dan kwam daar nog bij
+waarom sloop die vreemde gestalte zoo bij haar binnen en overmeesterde
+al haar denken? Wat had die man een overdreven punten aan zijn snor, die
+zij langs haar wang voelde scheren; een heele lichte, nauwelijks
+merkbare onaangename geur kwam er rechts uit zijn boord op. De even
+zichtbare kringvormige indruksels onder zijn oogen vond zij leelijk ...
+En dan was hij haar weêr heelemaal vreemd. Wat kwam hij doen, wat wilde
+hij toch van haar? Zij en hij waren toch twee verschillende menschen.
+Hoe kon zij dan niet aan haar zelf denken zonder hem te zien? Waaróm
+drong hij zich dan zoo aan haar op en ademde zij met hem samen? Hij
+vervolgde haar; wat zoû hij haar doen? ...
+
+Dikwijls keek Mathilde in deze dagen weêr naar het portret van haar
+moeder, droever en bleeker elken dag. De straffe rimpels van de
+neusvleugels tot de mondhoeken prentten zich dieper in het gezicht van
+de vroeg gestorvene.
+
+De laatste veertien dagen vóor het trouwen zorgde Mathilde met haar
+modemaakster voor haar japonnen en met boodschapjes in de stad, die al
+haar middagen vulden, voor haar verderen uitzet. Zij was ongeduldig. De
+tijd moet nu maar gauw verloopen, nu alles toch eenmaal besloten was.
+Maar heviger dan vroeger had zij aanvallen van berouw over hetgeen zij
+ging beginnen. Zij zoû haar goeden, ouden, armen vader alleenlaten? Want
+hij kon de huwelijksreis toch niet meêmaken, dat ging niet. Hoe had zij
+daartoe kunnen besluiten? Maar hij kwam immers later bij hen inwonen?
+Ja, ja, maar ondertusschen! Hij werd hoe langer hoe stiller en meer
+in-één-gedoken. Wat zoû er van hem te-recht komen?
+
+Door allerlei zulke bespiegelingen heen, brak de huwelijksdag aan. Toen
+Jozef haar dien avond, dien oppersten avond, meênam naar het station,
+was alle gevoel in een verdooving ondergegaan. Het afscheid van haar
+vader ging flauwtjes te werk. Zij had den heelen dag bijna niets gegeten
+en alleen maar een paar glazen water gedronken. In den trein had zij de
+koorts. Geen woord werd er gezegd. De bezorgdheden van Jozef, die haar
+alles zoo gemakkelijk mogelijk maakte, merkte zij niet eens. Zij zat
+daar, lijkwit. Een onbestemde nieuwsgierigheid drong huiverig door haar
+verdooving heen. Zij dacht aan niets eigenlijk. Haar keel was droog. Het
+was haar te moede, als stond zij in een dikken grijzen damp met een
+ondoordringbaar verschiet in de rondte. In een nevel van onuitgedrukte
+aandoeningen ging zij haar nieuwe leven in.
+
+
+
+
+V.
+
+
+Jozef en Mathilde waren voor den burgemeester getrouwd en voor den
+pastoor. Dit laatste om dat de Stuwen het, voor de menschen, om niet af
+te wijken van het gebruik, gewild had en zonder op Mathilde indruk te
+maken. Zij was te erg wech geweest door al het andere. Haar vaag gevoel
+als het 's zomers 's morgens heel mooi weêr was of boven een roman, dat
+zij zich als haar geloof dacht, werd wel even een beetje opgewekt, maar
+zij voelde zich eigenlijk geen echte, katholieke vrouw, zoo als haar
+moeder geweest was. Maar toch, toen zij een week getrouwd was, begon zij
+te denken meer dan zij vroeger had gedaan, dat 't van Jozef vreemd was
+zoo aan niets bovennatuurlijks te gelooven. Buitendien had zij haar
+liefde van verleden jaar nog niet voelen te-rugkomen. Zij was nog altijd
+een beetje bang voor Jozef, hoofdzakelijk 's avonds en 's morgens vroeg.
+Zij had geen verwondering in zich zelve gemerkt over wat er met haar
+gebeurd was, maar zij had er Jozef niet liever om gekregen. Alles kwam
+haar natuurlijk en toch vreemd voor. In vreemde omgevingen, onder
+allerlei vreemde gewaarwordingen, leefde zij als een heel nieuw en
+versch leven. Vele herinneringen van haar eerste halve jaar op het
+kostschool vulden haar brein. Toen had zij ook zooveel ongekends beleefd
+en had haar bestaan zich nieuw aan haar voorgedaan. Maar krachtiger dan
+toen mengde zich nu de gedachte aan haar vader onder de andere. Hoe zoû
+'t met hem gaan? Hoe zoû hij zijn dagen wel slijten? Zij schreef hem
+alle dag en kreeg driemaal in de week antwoord.
+
+De huwelijksreis was door Jozef en den ouden heer na rijp beraad zoo
+vastgesteld: Zij zouden den avond van hun vertrek gaan tot Arnhem,
+verder naar Parijs: dan zouden zij langs de Middellandsche Zee naar Rome
+gaan en de terugreis over Duitschland doen. Jozef voorspelde ontzaglijk
+veel genot van zoo een groote reis. Hij was tóch een liefhebber en had
+er in een helen tijd niet aan gedaan maar ook voor Mathildes
+wereldkennis was de uitgestrektheid van de roete uitstekend. In
+Valkenburg een dorp bij Maastricht, zouden zij een eerste halte maken
+langer dan een dag, van een week waarschijnlijk.
+
+Daar waren zij aangekomen den vorigen avond en hadden er, met open
+ramen, een rustigen nacht gehad. Het was nu zeven uur in den ochtend, de
+tweede helft van Mei.
+
+Het hotel aan den landweg, waar een andere weg, die bergopwaarts ging,
+daarin eindigde, blaakte zijne éene verdieping en aschgele gevels in de
+zon. Van boven de onderste ramen van den voorgevel tot aan het
+lila-kleurige hek, dat het stuk grond vol banken, stoelen en
+donkergroene tafeltjes vóor de deur, omheinde, waren vale doeken
+gespannen, om het er koel te houden. Maar gouden hittestralen spoten
+door reten en beschilderden hel-geel den muur. Geen windje woei, maar
+door de vroegte was het nog niet snikheet. Mathilde zat, zachtjes naar
+achteren geleund, op een van de zwart-groene banken vlak aan het huis,
+met hun geribde ruggen tegen de vensterbanken, rechts van de deur. Zij
+was in een luchtig blauwen peignoir, met goedkoope, breede witte kant
+afgezet. Zij hield haar handen op haar schoot, haar ééne duim tusschen
+de bladen van een rood reisboek; en klein wondje, nog frisch, bloedde
+aan haar wijsvinger, waarmeê zij een roos had geplukt, om die
+zoo-met-een in Jozefs knoopsgat te steken. Zij las niet. Zij zat
+roerloos, haar voeten in blauwe kousen en opengewerkte schoentjes, op
+een versleten voetenbankje. De nauwheid van het witte plooisel maakte
+haar hals een beetje rood. Zij sufte, haar blikken voor haar uit in de
+heesters of opklimmend rechts langs den bergwand, met zijn zwarte,
+paarse, bruine, donkerroode en gele aarde, beneden als zand-steen
+uitgegraven en hooger-op met kleine boomengroepen. Boven in de lucht
+verdreven wazige witheden in het belle hemelblauw. Mathilde droomde zich
+heel wech, in een loomheid afgezonken. Haar oogvlakjes stonden
+mat-mijmerend, drinkend de pleizierige kleuren voor haar uit. Een
+weekelijkheid was door heel haar lichaam gedrongen. D'r haar was nog
+maar half opgemaakt. Lange slappe vlokken, dof-zijig zwart, hingen naast
+haar ooren neêr. Haar huid scheen haar als door een dunne laag was,
+gevoelloos en zacht-prettig, bedekt. In de vensterbank, volgend op die,
+waar zij vlak voor zat, had de logementhouder vier bloempotten laten
+zetten, met roode en witte rozen, wier reuk zwaarzachtjes om Mathildes
+hoofd kwam hangen. Een logge zandwagen knerste voorbij, rechts over den
+weg, het zweepgeknal klitste, de wagen trok af en grommelde voort in de
+verte. Vroege vliegjes wirrelden boven haar handen; twee heele kleine
+bleven mekaâr halsstarrig op haar rechter wijsvinger vervolgen. Het
+ochtendgepraat van een paar gezinnen, een eind verder onder het
+zonnescherm aan het ontbijt, links van Mathilde, hoorde zij bijna niet.
+Een stijve kellner kwam uit de deur loopen om de families te bedienen,
+versleten zwarte blaadjes met gemeen wit aardewerk op de handen, borden
+met groote ronde brooden aandragend. Soezelig fladderde een gedachte
+door Mathildes hoofd: wat zoû vader graâg eens zulk brood proeven. En
+zij overdacht haar vaders voorliefde voor brood. Twee blonde kinderen
+huppelden nu naar buiten en bekeken Mathilde even met klare oogen. Maar
+er waren zooveel gele tinten in de groene heesters, de zon smeet breed
+lila over den bergwand rechts en er sprankten zooveel glansjes door de
+sparreboompjes, dat Mathilde langzaam opstond, en terwijl haar korte
+sleep, waar ook een wit strookje uit te voorschijn kwam, bevend over het
+zand krulde, naar voren wandelde, het hek door, en op den weg staan
+bleef om naar beneden, links in het dal, te kijken. De zon was schuin
+achter haar; haar blikken dwarrelden door de wijde zilverblauwe lucht.
+Voor haar uit streepte de weg neêr, breed, poeyerig, wit, altijd nauwer
+wordend tusschen de ruigbestruikte lage bergglooying, in een hoog
+kroeserig boschje verdwijnend. In de diepte zag zij een roerloos
+watertje, sneeuwwitte huizen, kaal land, waarop poppetjes, dat menschen
+waren, gebaren maakten en liepen. Maar effen lichtend blauw daalde de
+hemel nauwelijks, heel beneden, blankend. Nog nooit had Mathilde zoo
+weinig grijze nevel aan een horizont gezien. Hooger-op in de lucht stond
+de heele ruimte in een laayend sidderen witblauw, goud-flonkerend. En
+alles blankte schitterend. Een plekje gras en mos door-een-gegroeid,
+vlak bij Mathilde, glansde van niet wechgedroogde dauw met kleuren van
+paarlemoer. Er zongen vogels en Mathilde voelde van muziek die uit de
+lichtzee van den hemel neêrruischte. De lucht was sterk. Mathilde
+voelde, bij dit ontwaken vol wemelende stralen, haar oogen door een
+donzig waas overtrokken. Sprakelooze onuitbare vreugde steeg er op van
+haar hart. Zij zag golven van wit vuur uit de hoogte tot haar afkomen.
+Haar oogen glommen dronken tegen het tintelend verschiet. Haar eene
+been, waarop zij steunde, wankelde. Weêr langzaam ging zij te-rug naar
+de bank, om op Jozef te wachten. Het roode reisboek was op den
+grond gevallen.
+
+De families, links, waren druk aan 't kakelen geraakt. Een oude vrijster
+schonk, met ernstig voorhoofd, koffie, en men knabbelde op beschuiten,
+onder het getemperde licht van het spandoek. Juist kwam Jozef voor den
+dag in een grijs dun pak. Mathildes blik verwarmde zich. Met een zachten
+glimlach leî ze haar arm in de zijne en stak, voor hem heen buigend, het
+rozeknopje in zijn knoopsgat. Zonder zich te bedenken, als sprak 't
+van-zelf, wandelden zij dadelijk den weg op tot zij alleen waren en
+niemant hen zien kon. Zwijgend gingen zij een heel eind voort, daalden
+de bergglooying af, liepen hoe langer hoe langzamer tot zij aan een
+boschje van pijnboomen kwamen. Zij gingen er in en bleven stilstaan.
+Hier was schaduw en koelte. Zij gingen naast mêkaar liggen op den grond.
+Jozef trok halmen stuk en beet ze klein. Hij vond den dag zoo mooi,
+en zeî het.
+
+--'t Is heerlijk, zeî Mathilde, heerlijk!
+
+Jozef lag tegen den heuvel aan op zijn rug. Hij keek naar de bladen in
+de hoogte. Mathilde zat naast hem en steunde zich met haar elleboog. Zij
+keek naar het mos en zeide: Wat zullen wij gelukkig zijn samen.
+
+--Wij zíjn 't al, andwoordde hij. Zonder naar haar te kijken, liet hij
+zijn voorarm over zijn elleboog heenbuigen en opende zijn mooye hand.
+Zij leî er de hare in en zoo bleven zij een tijdje liggen. Het was
+Mathilde wél te moede. Zij zagen geen van beiden om. Door de boomstammen
+heen zagen zij alleen schemering van hel-witte lucht in de verte en hoog
+boven hen sprankte een enkele maal het goud tusschen de groene massa.
+Mathilde vond, dat het lichte grijze pak Jozef uitstekend stond, om dat
+hij zoo'n geanimeerde kleur had op zijn wangen.
+
+--Wat zoû vader nu wel doen op 't oogenblik? vroeg zij.
+
+--Lieve kind, het is pas hallef nege. Je vader ...
+
+--Nu moet je zeggen "Vader", want nu is ie ook de jouwe.
+
+--Goed. Vader zal zoo wat juist opstaan.
+
+--En weêr lagen zij bewegingloos. Jozef gaapte nog eens even en rekte
+zijn beenen uit. Met gemakkelijke gebaren aaide hij Mathildes wangen of
+drukte zachtjes haar hals tusschen zijn wijsvinger en duim. Kwamen zijn
+handen hij haar lippen, dan zoende zij ze even, zonder precies te
+letten waar.
+
+Mathilde voelde zich langzamerhand weêr heelemaal zich-zelve worden. De
+droomende stemming ging zoetjes voorbij. Zij ontwaakte onweêrstaanbaar
+in het heerlijk ontwaken van haar liefde. Uit de doffigheid van haar
+alleen-zijn openbaarde zich nu het bewustzijn van haar geluk. Zoo ging
+dat bijna iederen morgen. Dit zalig-vreemde gevoel in deze vreemde
+omgeving was zoo vol verrassingen, dat zij telkens dacht nu zoû het wel
+op zijn heerlijkst zijn geweest. Iederen nacht sliep zij in met de
+gedachte van-daag zooveel te hebben liefgehad, dat zij den volgenden
+morgen zoû ondervinden, dat er een verkoeling in haar liefde was
+gekomen. Maar bij het begin van den nieuwen dag, dan dacht zij nog meer
+van Jozef te houden dan gisteren. Alleen dat haar vader zoo ver wech was
+vond zij verschrikkelijk naar. Zij voelde zoo zich niet heelemaal aan
+haar geluk te kunnen geven. Zij had dien goeden vader daar alleen thuis
+achter gelaten. Als zij terugkwam in Amsterdam, zoû zij weêr erg voor
+hem te zorgen hebben waarschijnlijk, en toch verlangde zij er naar.
+'t Was nu maar te hopen, dat vader niet ziek werd gedurende haar
+afwezigheid. Mathilde dacht nu na, over hetgeen Jozef in oogenblikken
+als deze wel voelde.
+
+--Hoû-je van me? vroeg zij. Dit had zij al zoo dikwijls gevraagd.
+
+--Dat weet-je wel, heel veel.
+
+--Wezenlijk, heel veel?
+
+--Wezenlijk, zeî Jozef, maar hij lag te lekker den zomermorgen te
+genieten, zoo op zijn rug, om haar voor dit gezegde in zijn armen te
+nemen en te zoenen, zoo als zij het had gehoopt.
+
+--Ben-je dan niet blij, dat we nu zoo heel alleen samen zijn, dat ik nu
+heelemaal voor jou ben, dat je met mij doen kunt, wat je wilt? Hij
+andwoordde iets dat haar veel pleizier moest doen. En zij sprak weêr
+voort: O, ik ook, ik begrijp mijn geluk nog niet heel goed, maar ik
+voel, dat het er is. Ik ben zoo gelukkig, dat ik bang ben, dat het niet
+lang meer duren zal.
+
+--O, waarom niet?
+
+--Ja, dat weet ik niet, maar het is zoo. Ik weet niet, maar alles is nog
+zoo vreemd; ik ben er nog zoo weinig aan gewend, En ik ben zoo bang dat
+vader iets zal overkomen.
+
+Hij stelde haar gerust. Waarom bang te zijn? Het weldadige seizoen zoû
+ook vader goed doen.
+
+--Ik weet niet, zeî ze weêr, maar 't is net, of ik nog altijd een beetje
+bang voor jou ook ben.
+
+--Ben-je bang voor me?, vroeg hij, hoe dan?
+
+En zij leî het hem uit. Hun verhouding, zoo als die nu al acht dagen
+bestond, was zóo vreemd, zóo vreemd voor haar. Het hinderde haar, dat
+hij zich zoo met het meeste gemak kon schikken in al die dingen, waaraan
+zij zich nog gewoon moest maken. Hij behandelde haar op een manier,
+zooals hij het vroeger nooit had gedaan. Hij was heel lief, maar op zoo
+een innige manier, dat 't haar wel aangenaam was, maar dat zij er zich
+toch iederen keer weêr over verbaasde. Het ging hem al te goed af, zij
+waren hem al te eigen, die woorden en aanrakingen, die haar in 't eerst
+tegen hadden gestaan, maar waarin zij langzamerhand een genot was
+begonnen te vinden zich aan te onderwerpen. Maar toch, hij deed zooveel,
+hij wist zooveel, en zij deed nog niets, zij wist nog niets. Waren alle
+mannen nu zoo, of hij alleen? Zij voelde dat zij aan hem wech ging. Hij
+was 't, die een vrouw van haar zoû maken. Wel voelde zij zich groeyen in
+de innige samenleving met hem, maar zij voelde zich voor zich-zelve
+verloren gaan in die liefde. Waar bleven haar eigen denkbeelden, die
+kleine bespiegelingen over allerhande dingen in de wereld, waar zij
+alleen voor zich-zelf pleizier in had. Waar bleven de indrukken, die zij
+kreeg en die zij voor haar eigen gemoed alleen verwerkte en onthield?
+Alles bleef wech. Zij gaf hém alles. Zonder het te zeggen of te
+waarschuwen, maakte hij zich van alles meester. Zij kon aan niets anders
+denken. Hem zag zij alleen in het leven, op hem kwam alles neêr. En zij
+verweet hem deze waarheden zóo lief, dat hij op zijn knieën naast haar
+ging zitten, haar bij haar schouders achter-over neêrdrukte, en haar
+heele gezicht rood en warm zoende, elken keer met zijn hoofd
+achteruitgaande om haar, een beetje verder af, goed te kunnen bekijken.
+Hij vond alleen dit te zeggen jij bent mijn eenige en grootste schat.
+Zij had zich hulpeloos prijs gegeven. Nu en dan bracht zij zwakjes haar
+armen, die aan haar zijden waren neêrgevallen, naar boven om hem een
+beetje af te weren. Maar zij liet hem begaan, en zoende te-rug, als zijn
+gezicht niet te gauw wech was. Er kwam geen sterveling over den weg
+achter hen en de heele omtrek bleef doodstil. Aan mekaâr geklemd, bleven
+zij liggen. Keek Mathilde naar boven, dan daalde heel de hemel neêr, de
+blaâren verwijdden zich boven hun hoofd, stralen van vuur schoten neêr;
+het groen verdween en wolken van vuur en licht daalden altijd nader over
+hen af. Begon het niet te waayen? Als de boomstammen met al de blaâren
+ter zijde bogen, zouden zij bedolven worden door het regenend vuur, dat
+boven hen ronddreef. Het bosch werd hoe langer hoe kleiner. Vlammende
+winden woeyen wijd en zijd. Hijgende luchtstroomen zweefden tusschen de
+stammen door altijd dichter en dichter bij.
+
+--Vader, waar is vader? zuchtte Mathilde, maar alles was gloed om haar
+heen. In de bedwelmende lucht leefde zij voor het eerst vol haar liefde,
+met opzwenkende leden en duizelende oogen. Zij zag Jozefs naakt gelaat
+en zijn koortsige oogen. Was dat nu het leven? Was dat nu het getrouwd
+zijn? De boomen ruischten haar huiveringen tegen. Haar oogleden trilden;
+zij kreeg het koud aan de slapen. Zij viel te-rug op het mos, leî zich
+met het gezicht naar beneden en, zonder iets te voelen of iets te zijn,
+verborg zij haar oogen tegen den grond.
+
+Zij bleven nog een half uur liggen, zonder te spreken, zonder zich te
+verroeren. Mathilde stond het eerst op. Ongearmd gingen zij naar het
+hotel te-rug. Na een tijdje fluisterde Mathilde: Dat kan nooit duren, ik
+zal gek worden, ik ben ál te gelukkig, of er zal iets anders gebeuren,
+ik weet niet wat. Een lusteloosheid hing verder over Mathilde dien
+heelen dag. In plaats van te gaan rijden, zoo als eerst het plan was
+geweest, zat zij den heden dag op haar kamer of onder het spandoek.
+Jozef, die begonnen was met te probeeren haar gezelschap te houden, toen
+het hem niet gelukken mocht haar tot het ritje over te halen, moest
+eindigen met in zijn eentje te gaan wandelen. Wat zij deed was zoo raar,
+zij deed precies als vóor hun huwelijk wel. Zij durfde hem niet lang
+achter mekaâr aankijken. Zij sprak maar over haar vader. Tegen den avond
+schreef zij een brief naar Amsterdam, vol van de innigste teederheid,
+vol van hartstochtelijke gehechtheidsbetuigingen. Zij schreef haar
+vader, dat Jozef het heel goed maakte, dat zij zich wel gelukkig
+voelden, maar dat zij toch o zoo verlangend was hem te-rug te zien. Zij
+was nu pas een groote week op reis, schreef zij, maar toch telde zij nu
+al de dagen, die moesten verloopen vóor hun te-rugkomst. De zekerheid,
+dat vader zich goed verzorgde, zoû haar echter de afwezigheid
+dragelijker maken. Hij moest haar dus daarover nog vele zaken, erg in
+onderdeelen en breed onderschrapt, meêdeelen. Had hij geen pijn meer aan
+den linkerkant? Niet de minste aandoening daarvan? Hoe was Jans? Bromde
+zij niet, voorzag zij hem goed van alles, wat hij woû? Deed hij zonder
+over te slaan, dagelijks geregeld zijn loopje? Hij moest dat toch vooral
+nooit vergeten; de dokter had er zóo op gedrukt. Dus niet denken: de
+lucht is van-daag wat betrokken, ik zal van-daag maar thuis blijven en
+morgen een beetje langer wandelen, vooral niet, want van dat langer kwam
+morgen toch niets. Regende het den heelen dag, dan moest hij een uurtje
+afwachten dat de droppels minder zwaar vielen en dán gaan. Hij moest 's
+avonds ook maar weêr eens menschen vragen en zich-zelf zoo wat afleiding
+geven. Het woord "avond" en "afleiding" deed Mathilde aan haar piano
+denken. Zij lachte in haar eigen, terwijl zij schreef: hoe maakt het de
+piano? Die komt nu zeker nooit meer open? Zoo ging zij nu voort. Na haar
+vader in al zijn kleine gewoonten en geliefde bezigheidjes herdacht te
+hebben, was zij op de piano gekomen en zoo verder op nog andere stukken
+huisraad. Zoo het theeblad en de broodmand, de leuningstoel in de
+achterkamer, de mooye lampen van het zaaltje. Zij voelde zich wel een
+eeuw al gescheiden van al die zaken, die zij een week te voren nog had
+gezien. Toen zij de brief af had, kwam Jozef juist binnen, die haar een
+boeketje veldbloemen gaf. Zij dankte hem zóo maar, zonder zoenen. Hij
+vroeg haar, wat zij nu wilde gaan doen. Zij antwoordde: pianospelen.
+Stellig zoû hier ook wel een piano wezen, voor het gebruik van de
+logees. En Jozef liet haar weêr alleen. Zij wilde liever, dat hij niet
+bleef luisteren, zeî ze. Nu begon hij zich bepaald te vervelen, hij
+wandelde op en neêr voor en door het huis, hij zocht praatjes te maken
+met het andere gezelschap, hij speelde met die lieve kleine meisjes, die
+hier ook logeerden. Hij bladerde in zijn reisboek, hij rookte cigaren,
+beneden bij de rozepotten, hij stond op en ging weêr zitten. Hij dronk
+alleen thee, toen pons, toen wijn. Hij ondervroeg de kellners naar de
+omstreek. Hij zat, met de ellebogen op de knieën en draaide zijn twee
+duimen rond over elkaâr. De versleten pianotoon van Mathildes muziek
+trilde boven door het venster voort in de avondlucht. Jozef kreeg zijn
+wandelstok en ging kuiltjes wroeten in het zand. Daar hield Mathilde op
+met spelen. Fluisterend vroeg zij hem uit het venster, of hij niet boven
+woû komen. Hij ging naar boven. Zij stelde hem voor nog een beetje over
+hun reisplannen te spreken, samen iets verfrisschends te drinken en dan
+vroeg naar bed te gaan, want zij was moe, en dan zouden zij morgen vroeg
+een lange wandeling kunnen maken, in een andere richting dan die van
+eergisteren, om verder de mooye omstreken te leeren kennen. Zij deden
+zoo als Mathilde het verlangde, maar zij bleef toch den heelen avond
+stil en te-ruggetrokken.
+
+Den volgenden dag maakten zij de afgesproken lange wandeling. Zij gingen
+tot heel ver, Jozef weêr in zijn licht-grijze pak en een groote strooyen
+hoed op zijn hoofd, Mathilde in haar ruwe blauwe jurk. Zij liepen over
+een weg vol zon en stof, wel anderhalf uur van Valkenburg af. Bij elken
+stap dwarrelden vaalwitte wolkjes om hun voeten. Zij stapten langzaam
+voort en lieten den rijweg tusschen hen in, terwijl zij ieder op het
+smalle voetpaadje, dat voor hen uitreepte, aan weêrszijde liepen. Zij
+hadden al wel een kwartier gezwegen, toen Mathilde over het geloof begon
+te spreken.
+
+--Hè, zeî ze, de vrije natuur stemt me altijd geloovig ... Voel-jij nu
+ook niet zoo iets in je binnenste? Hij andwoordde van ja, hij voelde wel
+iets, maar kon zich toch volstrekt niets voorstellen. Zij vroeg, of hij
+niet aan een schepper begon te denken, wanneer hij zoo'n prachtige
+schepping om zich heen gewaar werd, een idee, dat zij zich van een preek
+van pastoor Sluyter herinnerde. Neen, andwoordde Jozef, dat in 't geheel
+niet. Hij was blij alles zoo mooi te zien, maar juist aan een persoon te
+denken, die de natuur zoo vervaardigd zoû hebben, daaraan had hij geen
+behoefte. Hij kwam op een dichterlijke gedachte. Alleen als hij háar
+aanzag, verzekerde hij halflachend, kwam er een geloof aan een eeuwig
+voortbestaan in hem op. Maar zij vond, dat hij haar, nu zij eenmaal
+getrouwd waren, geen overdreven komplimenten behoefde te maken. Hij
+verzette zich, hij meende het wel deugdelijk. Hij hield zóoveel van
+haar, dat hij ijsde als hij dacht aan een eenmaal noodzakelijke eeuwige
+scheiding. En was zij koud en onverschillig tegen hem, dan voelde hij
+zich vreeselijk ongelukkig. Waarom was zij toch zoo? Hij sprak er nu
+over, omdat zij-zelve het gesprek er op gebracht had. Maar zij
+verklaarde in 't geheel niet koel tegen hem te zijn geweest. Zij was
+misschien een beetje stiller; hoe dit kwam, kon zij niet uitleggen.
+Eigenlijk, ja, eigenlijk vervreemde haar wel een beetje van hem, altijd
+natuurlijk maar een heel klein beetje, zijn kalm ongeloof. Jozef vroeg
+hierop, of hun liefde haar dan niet genoeg was, neen, dan hield zij ook
+niet genoeg van hem. En buitendien, wát geloofde zij dan, hoe kon zij
+haar geloof omschrijven, was zij katholiek? Neen, van die godsdienst
+wist zij weinig meer en had zij nooit veel begrepen, maar zij voelde
+iets in haar, dat haar zeî te aanbidden en te danken. En zoo voorts, zeî
+Jozef. Maar zij sprak door. Zij wilde haar God aanbidden, daar buiten,
+het gezicht naar de zon gekeerd en de voeten tusschen de bloemen. Zij
+kon zich, evenmin als hij, goed vereenigen met het denkbeeld van een
+God, die in schemerlicht of bij kaarsvlammen te vereeren zoû zijn. Maar
+iets was er toch, zij drukte op dat woord "iets", iets moest er wezen.
+Er moest iets zijn buiten de zichtbare wereld, oneindig grooter en beter
+dan al het zichtbare. Maar hij hield niet van redeneeren met haar. Hij
+had haar lief, dit wist zij en dat was genoeg voor haar en voor hem. Hij
+liet haar de vrijheid, om te bidden en te denken zooveel zij woû. Daarin
+moesten zij ieder maar hun eigen gang gaan. Maar zij was van een heel
+andere meening. Het hinderde haar, dat hij zoo cyniesch was, waar het
+bovennatuurlijke zaken gold. Vader geloofde toch ook aan een Opperwezen.
+En het scheen haar, als ging er weêr een gedeelte van haar liefde van
+Jozef op haar vader over, die zoo eenzaam in Amsterdam was achtergebleven.
+Mathilde zweeg weêr stil en begon na te denken, en terwijl hij, altijd
+met denzelfden langzamen tred, op denzelfden afstand van haar, naast haar
+voortwandelde, onderzocht zij zich zelve nog eens, om te weten, hoe het
+mogelijk was, dat zij voor altijd haar bestaan aan dien Jozef Wilden had
+verbonden. En in wat voor een oogenblik van krankzinnigheid, van
+bedwelmenden hartstocht, had zij, had zij gisteren in het bosch dat
+gedaan, waarover zij zelf nog verlegen was. Hield zij dan wezenlijk
+zóoveel van hem? Was toen haar ware aard boven gekomen? Of was dat
+opwinding geweest, een gevolg van het heele nieuwe leven, dat zij sinds
+acht dagen leefde, een opwinding zóo hevig als zij nooit te-rugkomen kon?
+Waar bleef haar eerbied voor de majesteit van God in de natuur, toen zij
+zoo had gedaan onder Zijn oog? Zij voelde een lichte koû in haar hart
+dalen. Zouden haar droomen van toewijding aan Jozef nooit verwezenlijkt
+worden? Zoû altijd God, de onbestemde persoonlijke heerlijke
+aanbiddenswaarde natuurkracht, het opperste wezen, die alle schoonheid
+aan de aarde gaf, tusschen hen beiden staan? Zoû ze van hem, Jozef nooit
+naast en in dien God kunnen houden? Zoû hij nooit haar mede-aanbidder zijn
+en zoû ze hem nooit ook óm zijn gebed liefhebben? Neen, nooit! Hij zoû
+nooit bidden. Daarvoor was hij te veel een mooye man, een man van de
+wereld, daarvoor was zijn haar te verzorgd en was zijn vest te nieuw.
+Daarvoor stond hij ook te goed met zich-zelf. Hij liep zoo gerust en
+ijdel, zoo zonder verdriet en met zooveel gemak rond op de wereld, dat
+hij, om dat hem niets ontbrak, niet meer vroeg wie hem dat alles had
+gegeven.
+
+Zoo dacht Mathilde voort. Alle godsdienstaandoeningen, die zij ooit in
+haar leven had ondervonden herleefden in haar ziel. Zoû hij haar wel
+ooit genoeg zijn, hij Jozef? Zoû zij werkelijk ooit alles, haar God en
+heel haar zelf kunnen verlaten vóor hem alleen? Zou hij ooit het eenige
+kunnen worden, waaraan zij zich hechtte? Zou hij zoo bezit van haar
+nemen, dat al het andere haar niet meer aanging? Zij had dat wel gedacht
+en gehoopt, verleden jaar, ja, maar sinds dien tijd? En nu, nu ze ver
+met hem wech was gereisd en hém alléen zag en haar vader in 't geheel
+niet meer, voelde zij zich nu wezenlijk minder alleen dan ooit, zooals
+zij het zich altijd had gedacht? Zij keek hem even aan, onder haar
+parasol. Hij wandelde altijd maar voort. Zijn gezicht was rood geworden
+van de warmte. Een paar droppels zweet biggelden van zijn slapen. Zijn
+grijze pak zat vol stof en zijn schoenen waren als met asch bedekt Zijn
+hoed hield hij over zijn voorhoofd gedrukt, zijn armen bengelden
+vermoeid aan zijn zijden. Zijn handschoenen waren met vlekken. Hij zag
+naar den horizont, naar de wolken die stegen als schuimende
+rotsgevaarten, hij kon den omtrek wel een uur ver waarnemen, en zijn
+mooye voorhoofd dacht niet aan God, en in zijn mooye oogen was geen
+geloof. De koude vermeerderde in Mathildes hart. Neen, neen, zij kon
+zich aan hem niet heelemaal geven. Zij schrikte te-rug voor zijn kalmte
+en zijn langzamen gang, terwijl er bij háar zooveel omging.
+
+Mathilde stelde voor óm te keeren, om dat het weêr slecht zoû worden.
+Zonder ergens uit te rusten, zonder veel te spreken, terwijl de zon
+verdween achter grijs zwarte wolkenpakken, wandelden zij naar het hotel
+te-rug. Mathilde werd bepaald zenuwachtig. Waaróm had zij dien mooyen
+man getrouwd? Wáarom had zij willekeurig afstand gedaan van haar
+vrijheid, om hém te volgen? Waarom was zij niet bij haar ouden vader
+alleen gebleven en met hem bij haar eenzame eigene gedachten, die haar
+zoo dierbaar waren? Haar eigen-liefde was gekrenkt. Het griefde haar,
+dat Jozef in stilte minachtte wat zij voor heilig hield. Er begonnen
+zware droppels te vallen, toen zij weêr op hun kamer waren Jozef ging
+zitten op een stoel, om uit te rusten.
+
+Eenige dagen later reisden zij verder; een waas van balorigheid lag over
+Mathildes gezicht. Haar stemming veranderde bijna gedurende de geheele
+reis niet meer. Zij wilde, om Jozef niet onaangenaam te zijn, er niet op
+aandringen de reis te bekorten, maar zij verlangde eigenlijk
+onophoudelijk naar huis.
+
+Het scheen haar, dat zij Jozef niet meer zoo lief had als vroeger. Er
+was als een verwijdering tusschen hen gekomen. Vooral des nachts, als
+zij zoo zeer alleen met hem was, voelde zij een wrevel omstijgen in haar
+gemoed tegen zich-zelve, dat zij een onberaden stap had gedaan. Maar
+andere keeren lachten zij er over, dat zij haar huwelijk zoo noemde. En
+was zij een paar dagen achter elkaâr niet al te lief voor Jozef geweest,
+dan had zij oogenblikken van berouw, als een kind, dan zoende zij zijn
+hoofd en vroeg om vergeving. Maar de algemeene staat van haar liefde
+bleef flauw.
+
+De verrassingen en ongewendheden, die al de bezochte vreemde streken op
+haar afschudden, vermengden zich met de nieuwheid, waarin Jozef voor
+haar was. Zij begon dat alles voor éen te houden: hun ruwerig leven van
+dezen tijd, met al zijn rare bewegingen en gezichten, met, tot getuigen
+van de manier waarop Jozefs lichaam haar behandelde, onvertrouwde
+luchten, bosschen en bergen, niets dan ernstige en onverschillige
+spoorwegwagens, hotelkamers, en museums niets dan onbekende en haar niet
+kennende straten en pleinen. Nergends gemeenzaamheid, nergends rust.
+Naar geen enkel kastje kon zij kijken van haar geluk, wech was haar
+piano om tegen te droomen van heerlijk, wech het teekengerij om meê te
+suffen van zaligheid. En zoo kwam zij er toe zich angstig af te vragen
+of er wel geluk en heerlijk en zaligheid was. Jozef amuzeerde zich
+bizonder, en zij begreep hem daarom niet meer. Hij beklaagde zich wel
+bij haar over haar weinige levendigheid en opgeruimdheid, maar al het
+wereldsche, al het schitterende en woelige, dat zij door-leefden, vond
+hij even pleizierig als het háar mishaagde. Ook was hij onophoudelijk
+vol allerliefste oplettendheden voor haar, hij zocht op alle mogelijke
+manieren haar ook plezier te doen hebben. Zij ging wel overal met hem
+meê, maar het bleef in het geheel dát niet.
+
+Mathilde droomde een paar maal van haar vader, telkens akelig. Zij
+droomde eens, dat hij uitging om een wandeling te doen, dat er een zware
+mist op kwam zetten, die hoe langer hoe dichter werd, dat vader niets
+meer zien kon op 't laatst en in de gracht viel, zij droomde een anderen
+keer, dat er een dief in huis was gekomen en zich onder het bed van den
+ouden heer had verstopt. Haar vader stapte in bed, zij wilde hem
+waarschuwen en stak haar hand uit; zij werd wakker met een schrik en had
+Jozef in haar slaap aangestooten, die haar verwonderd vroeg, waar zij
+zoo ongerust van droomde.
+
+ * * * * *
+
+Toen zij al heel lang op reis waren en de reis gauw gedaan zoû zijn,
+werd Mathildes neêrslachtigheid afgewisseld door hevige aanvallen van
+liefde voor Jozef. Maar tot haar droefheid merkte zij juist dan, als zij
+er over nadacht, dat zij eigenlijk lang zooveel niet meer van Jozef
+hield als vroeger, en dat die verliefde buyen alleen korte te-ruglevingen
+waren van haar hartstocht van vóor dat zij getrouwd waren.
+
+ * * * * *
+
+Het was nu nog tien dagen vóor zij weêr thuis zouden zijn. Zij reisden
+met een nachttrein door midden-Duitschland, zij zaten alléen samen in
+den wagon. Om dat er over-dag niets dan vervelende boemel-treinen in den
+spoorweggids stonden, hadden zij dezen trein genomen. Bevend-schemerend
+daalde de schijn van het zolderinglampje, waarom de gele gordijntjes
+waren toegehaald, over het donkerrood trijp van het rijtuig. Jozef en
+Mathilde hadden afgesproken te slapen. Daar zij gezegd had liever in een
+hoekje te blijven zitten dan op een bank te gaan liggen, deed hij uit
+beleefdheid ook zoo. Zoo reden zij beiden vóoruit, éen armstoel was er
+tusschen hen opengebleven. Mathildes grijs-gele stofjas hing open over
+haar licht-grijze japon. Een boekètje lag op haar schoot van uit haar
+opene handen met geel zemeleeren handschoenen. Haar hoofd, onder een
+lichtkleurig kapot-hoedje, leunde tegen het donkerroode kussen. De
+wiebelende schaduwen van de vooruitstekende boven in de netten geborgen
+valiezen en reistaschjes bewogen over haar heen in de maat van het
+dreunen van het rijtuig. Een zijige donker-blauwe voile hing juist tot
+over haar bovenlip. Haar oogen vonkelden als zwarte stukjes glas. Zonder
+te zien, keek zij voor zich uit. Zij hield haar hoofd een beetje op zij
+met van ernst groezelige wangen. Roerloos-suffend zat zij na te denken
+in de kreunende en bonzende stilte. Hoe het kwam, wist zij niet, maar
+zij had zich nog nooit zoo alleen gevoeld met Jozef als in deze uren.
+Was zij dan nog niet aan hem gewend? Zij wist het niet. Hield zij dan
+niet van hem en was ze gelukkig alleen met haar geliefde te zijn, dus
+alleen met haar eenigen, met haar alles? Zij wist het niet. Onrustig
+dreven haar gedachten om. Zij stoomden den trein vooruit, ver, ver
+vooruit en weêr naar haar vader, die alleen in Amsterdam zat. En dan
+weêr te-rug naar Jozef, die daar te dommelen zat en naar wien zij haar
+hand maar had uit te strekken om hem te raken. Het scheen haar dat zij
+nu altijd duizend mijlen van haar vader gescheiden zoû blijven, dat zij
+voor eeuwig opgesloten was in deze enge ruimte met Jozef, en, zoo
+verschrikkelijk gauw, een oneindige ruimte met hem werd ingedreven naar
+een altijd wijkenden horizont. Voor het eerste voelde zij, dat zij haar
+vrijheid van vroeger niet meer had. Zij voelde, dat zij zich
+overgeleverd had en haar lot nu was beslist. Vooruit nu in het leven,
+vooruit en altijd met hem, altijd bij hem, altijd naast hem, hij altijd
+haar nagaande met zijn eischenstellende liefde.
+
+En zij bestudeerde hem, bezag hem in zijn licht-grijze reispak, de
+beenen uitgestrekt op de fauteuil vóor hem, met zijn lage schoenen en
+elegante wit en rood gestreepte sokken. Zijn armen kruizelings over de
+borst, dommelde hij, en zijn hoofd, onder een grijze reispet, zonk, bij
+lichte knikjes, naar voren; zijn mond was even open gevallen. Wat had
+hij toch een mooye snor en recht mannelijk profiel! Weêr gleden een
+reeks van doezelige droevige voorgevoelens door haar brein. Zij hechtte
+een blik op hem, die vroeg, wat er nu van haar worden zoû, van haar
+toekomst, van haar heele leven, dat nu in zijn macht was, wat hij
+daarvan zoû maken. Zal-je mij wezenlijk gelukkig maken, vroeg zij,
+zul-je me weten te begrijpen? Zal-je van me blijven houden, zoo als je
+zegt het nu te doen, zal-je van me houden, zooals ik het van jou doe en
+toch eigenlijk wel voel het altijd te zullen blijven doen? Of ben-je
+wispelturig en heb ik mij vergist, vreeselijk, vreeselijk? Plotseling
+dacht zij dit hevig en zag hem strakker aan. Zij wilde een andwoord
+weten. Zij wilde uit zijn persoon, uit zijn wezen, uit zijn houding, uit
+zijn gezicht, een andwoord lezen. Maar zij ontdekte niets. Met kleine
+schokjes volgde Jozefs lichaam de bewegingen van den trein en zijn
+slapend hoofd schudde ja en neen, op alles ja, op alles neen.
+
+Zij bekeek hem voortdurend: hij zat daar als een kind en machteloos, en
+niets dan tevredenheid en genoegen-neming met het leven sliep er in hem;
+zij was met hem en waakte en allerlei zorgen en rustige overwegingen
+gingen er door haar hersenen; en toen begon het haar te schijnen alsof
+hij toch wel goed, wel goedig was, en het altijd zoû zijn. Zijn slapen
+scheen haar iets klagends, iets hulpvragends tot haar te richten, scheen
+een vertrouwen in haar te stellen, dat haar verteederde. Hij rekende op
+haar; nu, hij kon gerust slapen: zij hield van hem! Een aandoening van
+grenzelooze teederheid doorstroomde haar. Ja, hij kon vertrouwen, zij
+had hem lief, zij zoû over hem waken Hij hoefde niet meer voortdurend
+wakker te zijn om op de minste van haar bewegingen, de geringste van
+haar wenschen te letten, vol attenties, vol bewijzen van eerbied, om
+haar hart te veroveren. Want de verovering was geschied, de buit was hém
+en zeker kon hij zichzelf vergeten en slapen bij zijn trouwe vrouw.
+
+Daar gilde de stoomfluit en woei het geluid, bij herhaalde kreten, langs
+de wagens. Jozef deed zijn hoofd in de hoogte, smakte met zijn lippen,
+kromde zijn éene been naar boven, om dat het moe was van de langdurige
+uitstrekking, bleef een oogenblik weêr roerloos zitten, scheen zich toen
+te bedenken, zuchtte en wreef met het blauwe gordijntje den wasem van de
+ruit, die 't dichtst bij zijn gezicht was, en keek naar buiten in de
+zwarte duisternis. Daarna wendde hij zijn hoofd om en keek even, heel
+vluchtig, met bevende oogen naar Mathilde. Hij dacht blijkbaar, dat ook
+zij sliep. Zij keken mekaâr aan. Zij glimlachte.
+
+--Ben-je wat uitgerust? vroeg zij.
+
+--Ja kind, andwoordde hij in den ernst van het ontwaken. De slaap zat
+hem nog in zijn oogen en mond. Hij deed zijn oogen weêr toe, schoof zich
+in de gemakkelijkste houding en bleef onbewegelijk. Alleen bewoog zich
+tusschenbeide langzaam zijn arm en streek zijn hand over zijn kin of aan
+zijn oor, terwijl hij inwendig geeuwde. Eindelijk hield alle beweging op
+en bleef hij, alleen met aandachtig snel knippende oogleden, zitten
+suffen. Mathilde was ook weêr in haar vórig gepeins wech. Zoo levendig,
+als ware zij in zijn tegenwoordigheid geweest, kwam haar vader voor haar
+geest: lieve, lieve vader. Wat had hij haar zegenend gezoend toen zij
+heenging! Wat zoû zij probeeren hem nog verder gelukkig te maken, als
+zij te-rug waren thuis!
+
+Maar Jozef was niet zoo rustig meer als eerst. Hij schoof zijn beenen op
+en neêr, rekte zich uit en zag herhaaldelijk naar Mathilde, als had hij
+een plan met haar. De wervelwind van de zucht naar het avontuurlijke,
+naar het gewaagde, en een onweêrstaanbare begeerte deed het bloed achter
+zijn ooren stijgen en gaf hem een lichte prikkeling onder de oogen. Hij
+stond op, ging in de fauteuil naast Mathilde zitten, klepte den rood-
+trijpen arm, die nog tusschen hen neêr was, naar de hoogte en nam haar
+hand, die hij op zijn been liet liggen.
+
+--Wat zijn we in lang niet samen alleen geweest, zeî hij.
+
+--Hoe bedoel-je dat? vroeg zij; zij liet zich tegen zijn schouder
+glijden. Van-daag den heden dag toch, en gisteren en van-nacht, zeî ze
+heel eenvoudig. Hè, ik heb zoo aan vader zitten denken, daarzoo ...
+
+--Nou ja, maar over-dag zijn we eigenlijk nooit alleen geweest, altijd
+met andere menschen, die ons zagen, we hebben bijna nooit intiem
+kunnen zijn ...
+
+Hij drukte zijn lippen op haar lippen. Haar tanden deden pijn want de
+zoen was een beetje hard. Zij ging weêr recht zitten, zij trok zich
+te-rug, een beetje zenuwachtig. Zij was niets lief. Ernstig en
+bedremmeld keek zij voor zich uit. Hij begreep haar niet.
+
+--Wat is 't nou?
+
+--Och, niets, andwoordde zij langzaam. Na een oogenblik zeî hij weêr:
+
+--Hoû-je niet van me?
+
+--Ja wel.
+
+Nu viel hij naar haar toe, hij kon zich niet inhouden, hij sloeg zijn
+armen om haar middel en wilde haar aan zijn borst trekken. Maar zij
+verzette zich.
+
+--Nee, zeî ze, nu niet ... wat wil-je toch?
+
+--Wat niet? Waarom niet? Waarom nu niet? vroeg hij en hij bezoende haar
+heele gezicht. Zij verzette zich zachtjes.
+
+--Toe, Jozef, wat mankeert je nou toch? Laten we wat gaan slapen ...
+
+--Maar, waaróm niet? Zijn wij niet alleen? Wil ik het licht lager doen?
+
+--Nee, nee, och nee!
+
+--Maar, waaróm niet?
+
+--Dáarom niet, zeî ze koud en ernstig.
+
+Hij ging tegenover haar zitten, erg teleurgesteld. Eerst zweeg hij, keek
+haar bij tusschenpoozen ongeduldig aan en dan weêr den anderen kant uit,
+zijn armen kruiselings over de borst. Zij trok haar stofjas weêr in 't
+fatsoen en raapte het boekètje op, dat gevallen was; zij hield haar oogen
+neêr over haar heete bleeke wangen.
+
+Langzamerhand begon Jozef, bij korte stooten, te zeggen:
+
+--Wat beteekent dat nu? 't Is absurd! Vraag ik je niet iets heel gewoons,
+ben ik je man niet, ik heb immers recht om je te vragen, wat ik vraag!
+
+Hij was heelemaal uit zijn humeur geraakt.
+
+--Zoo iets heb 'k nog nooit gehoord! Moet er dan volstrekt een
+slaapkamer bij te pas komen, en een egyptische duisternis en zware
+gordijnen en een dubbel gesloten deur ... Er zal hier geen kondukteur
+meer in komen, de kaartjes zijn geknipt ... Vóor we aan het eerste
+station komen, is 't nog wel twee uur.
+
+Zoo gromde hij voort, en naarmate hij zag, dat ze onder zijn berisping
+bukte, werd hij heviger en trommelden zijn vingers op zijn knieën.
+
+--Wat is t'er ân? zeî hij verder. Ik ben geen minnaar, ik ben je man.
+Ben ik je man niet?
+
+Na een paar minuten zwijgens en nagedachte, kwam weêr het
+onbegrijpelijke van de weigering bij hem boven. Zacht zeî hij:
+
+--Zeg nou 'es, Thilde, wáarom wil-je niet?
+
+--Och, ik weet 't niet, ik weet 't niet, snikte zij en begon wrevelig te
+huilen als een kind, zoo dat tranen kleine donkere vlekjes maakten op
+haar gele stofjas.
+
+Nog erg boos, ging hij nu weêr op zijn oude plaats zitten. Maar hij kon
+niet meer slapen. Hij nam zijn Baedeker en begon knorrig te studeeren op
+het plattegrondje van een stad, die zij al lang achter den rug hadden,
+zonder te weten wat hij las.
+
+De blauwe gordijntjes hingen slap langs de raampjes neêr en de vaal-gele
+schijn van het duistere lampje aan de zoldering trilde hevig door den
+jagenden en schokkenden wagon. Het begon er benauwd-warm te worden.
+
+Mathilde beefde in haar hoekje; een onbegrijpelijke angst had zich van
+haar meester gemaakt. Zij begreep niet goed, waarom ze zoo bang was
+geworden voor Jozef. Maar ze had een schrik van hem gekregen. Neen, aan
+dien man had zij zich zelf niet heelemaal gegeven. Dat was maar schijn
+geweest. Een ijzig gevoel van vervreemding huiverde door haar hersenen.
+Zij was bang voor nu en voor later. Nu was hij te-rug-gegaan toen zij
+weigerde, maar zoû dat altijd zoo zijn, zoû hij later nog wel niet eens
+verder kunnen willen gaan, tegen haar tranen, tegen haar smeken in? Zoû
+hij haar niet eens te lijf willen gaan, om haar kwaad te doen, haar pijn
+te doen? Zij vreesde, ja, zij vreesde alles, maar wat dan, wat alles? Er
+bestond geen reden voor haar angst. Mocht hij dan niet doen, wat hij
+gewild had? Immers ja. Wat bezielde haar dan toch om op-eens zoo'n
+afschrik te hebben? 't Was heel natuurlijk en gepermitteerd, wat hij
+woû. Dat was het huwelijk, dat was de liefde. Alle mannen handelden zoo
+tegenover hun vrouwen. En zij-zelf, wat had zij-zelf niet gedaan dien
+morgen in het bosch? Wat scheelde er dan toch aan, wat maakte haar zoo
+kriegelig, wat gaf haar dien onweêrstaanbaren weêrzin? Neen, zij begreep
+zich-zelve niet meer. Zij was moe, zij was zenuwachtig. Het dansen van
+den wagon om haar heen matte haar af. O, was 't maar gedaan! Waar was 'r
+einde van de reis, van de lange, al te lange reis? Zij zuchtte en deed
+haar handen voor zich uit in een wensch om verlossing, als om iets van
+zich wech te duwen.
+
+De trein ging langzamer. Zij waren dicht bij een station. Zij zouden
+even iets gaan eten. Jozef stond op, knoopte zijn jas dicht en zocht
+zijn hoed. Toen hij voorbij Mathilde boog om het portierraampje open te
+maken, hoorde hij haar snikken: "vader, vader!"
+
+
+
+
+VI.
+
+
+De table-d'hôte was juist begonnen in het hotel Belle Vue te Deutz,
+over Keulen, aan den anderen Rhijnkant. Door de acht hooge vensters
+helderlachte een zomer-zon binnen, straalde in de glazen vóor elk bord
+geschaard, bevonkelde den wijn, deed het goud van de spiegellijsten en
+de schoorsteenpendule blinken, verhelderde het witte tafellaken en de
+sloofjes van de kellners, schemerde schijnsels van frischheid over de
+fletse wanden, poeyerde stofgoud door de kroezige haren van de vrouwen.
+
+De pastijtjes werden binnengedragen. Een uitwaseming was over de tafel,
+als bij felle koû 's winters in een dicht rijtuig, dat vol is. Een
+soeplucht steeg naar de zoldering. De heeren veegden hun snorren en
+kinnen schoon, zwaayend en duwend met de servetten. Heeren krabden zich
+achter hun ooren, legden beide handen half toegeknepen, de zegelring
+goed zichtbaar, aan weêrszijde op de tafel naast hun bord, keken rond,
+schuin-smakkend met de lippen van voldoening over de gegeten soep,
+schuin langs hun buurvrouwen naspeurend of er gevoeglijk een gesprek te
+beginnen zoû zijn. Andere heeren snoten hun neuzen; eenige deden het met
+hun rug naar de tafel en snoten half achter de ruggen van die naast hen
+zaten; twee dames schrokken even. De jonge meisjes staarden vóor zich en
+hielden de handen op elkaâr gedrukt achter het leêge soep-bord, andere
+bekeken de bewegingen van het licht tegen de muren en namen den schijn
+aan hun armbanden in orde te doen. De oudere dames kruimden een stukje
+brood en groetten glimlachend, met lichten hoofdknik, de menschen die te
+laat kwamen. Een oude vrijster kon haar grijze oogen maar niet van den
+jongsten kellner afhouden, een blonden baardeloozen krullekop met dikke
+korte lippen, die handig de pasteitjes tusschen de gasten in kon houden,
+zonder ze ooit aan te raken of hen te noodzaken een beetje op zij te
+buigen. De schuivende stappen van de kellners klonken droog en krakend
+af op het zeil over de vloer. Dit geluid vermengde zich met den doffen
+klank van de schoone borden, die den gasten voorgeschoven werden, op het
+tafellaken, met het gekletter van stapels borden, die in een hoek van de
+zaal werden neêrgezet, met het zilveren getik van de vorken en messen,
+die sommige heeren naast hun bord tegen elkaâr lieten glijden of onder
+het eten samentikten.
+
+Onder de soep had niemant een woord gesproken.
+
+Zachtjes werden er nu koele gesprekken begonnen. Beginnende glimlachjes
+waren om enkele monden. Zij spraken, schor, en fluisterend, over het
+mooye weêr, over de aangename ligging van het hotel, over het
+muziekfeest gisteren-avond in Keulen, over hun reizen. Een jongen van
+twintig jaar sprak tegen een meneer, die tegenover hem zat. Daarom klonk
+zijn stem boven de anderen en keken de menschen, die dicht-bij hem
+zaten, naar hem op. Een reuteligheid in zijn keel en het knippen van
+zijn oogen was zijn verlegenheid. Links, aan het uiterste einde van de
+tafel, zaten twee roode, vette Westfalers, hun servetten van-boven in
+hun wijde boorden onder de ruig-roode onderkinnen, die over vette
+varkensvleeschbereidingen gingen praten. Drie fatterige Berlijnsche
+heeren naast hen bogen hun drie hoofden over hun borden bij elkaâr,
+bespotten de Westfalers en spraken daarna heel zachtjes over een
+zangeres, die deel had genomen aan het muziekfeest van gisteravond en
+die om een andere reden nog-al erg over den tong ging.
+
+Na de pasteitjes, bij het rundvleesch, de wit-groene met kaneel bruin
+bespikkelde bloemkool, en de rookende aardappelen, vermeerderde het
+suizend stemmengegons aan tafel. Heeren bedienden de dames naast hen.
+Een fijn blond tenger kantoorbediendetje uit Keulen, die wist, dat de
+zwaarlijvige Hollandsche jongejufvrouw aan zijn linker kant altijd heel
+weinig van alles gebruikte, lispte, in vlijmerig hollandsch: Jufvrouw,
+mag ik u eens mikroskopiesch bedienen? De jufvrouw lachte met breede
+lippen en zware witte tanden. Een lange magere heer voerde het woord
+over politiek en meer bizonder over Bismarck.
+
+Jozef en Mathilde zaten bedaard en stil naast elkaâr te kijken. Zij
+waren moe van de eerste huwelijksweken en van de reis, zij dachten er nu
+maar aan zoo gauw mogelijk thuis te zijn. Zij zagen allebei een beetje
+bleek. Mathildes gang en haar hand-en armgebaren waren flets van
+gemakzucht, een gevolg van de uitputting. Jozef was ook stiller dan
+gewoonlijk. Zij zaten zij aan zij, hij voortdurend in het licht-grijze
+pak, zij in een licht-bruine japon, zonder veel garneering of kant, en
+zij keken een beetje beteuterd om zich heen en konden den rechten
+konversatietoon maar niet vatten. Tusschenbeide zeiden zij zachtjes een
+eenzaam woord tegen elkaâr.
+
+--Zijn er van-morgen geen brieven gekomen? vroeg Jozef.
+
+--Nee, dat heb ik ook al vreemd gevonden. Ik had mevrouw Berlage toch
+zóo gevraagd me te schrijven of alles thuis goed in orde was en ik heb
+haar toch duidelijk gevraagd om me hier-na-toe te schrijven, om dat dit
+het laatste adres op onze reis was.
+
+--Nou, misschien komt er van-avond nog wat.
+
+En hij gaf haar de sla aan, die, met den ròsen en glibberigen zalm het
+volgend gerecht uitmaakte.
+
+--Zal u er ook wat peper bij nemen, mevrouw? vroeg een hollandsche stem
+aan Mathildes linker kant.
+
+In de rondte was het gesprek aan tafel nu algemeen geworden. Allerlei
+stemmen, doortruffeld van het vorkgepik op de borden en het geluid van
+slikken, klonken door-een. Hier en daar begon men geanimeerd te worden.
+Een roodachtig heer hoestte in zijn servet, een slok wijn was zijn
+verkeerde keelgat ingegaan. Een oude dame, met witte muts en paarsen
+linten er aan op het hoofd, draaide zich naar hem toe, wilde hem helpen.
+Maar hij stelde haar gerust met zijne korte kleine hand. Hij nam een
+slok water. Een paar plaatsen verder sloten nieuwe bekenden vriendschap.
+Links had een diskussie plaats over politiek. Het begon warm te worden
+in de zaal. De dame die zoo lang naar den jongen kellner had gestaard,
+wenkte hem en verzocht hem minzaam de middendeur open te laten staan.
+Door de vestibule heen zag men nu in het wuivende groen van den tuin,
+die aan den anderen kant van het hotel was. Men beproefde ook door een
+venster versche lucht te krijgen. Een oogenblik hoorde men den Rhijn in
+zacht golfgeklots voorbij spoelen. Maar 't tochtte en op algemeen
+verlangen werd het venster weêr gesloten.
+
+--Hè, ik woû, dat we al thuis waren zeî Mathilde.
+
+Het eten duurde voort. Twee oude jonge heeren veegden hun voorhoofden
+af. Zij hadden zich bizonder te goed gedaan. Een bejaarde dame zuchtte
+van benauwdheid. De kellners zagen oplettend na wie nog te bedienen was.
+De zonneschijn was langzamerhand gedaald van de muren en van de stapels
+borden op de dientafels, die er tegen aanstonden, was ook niet meer op
+de gezichten van de eters, maar brandde nog alleen op de halzen en
+ruggen van hen, die aan den vensterkant zaten.
+
+Zij gingen aan het dessert. Eerst kwam de moskovische taart. Een paar
+heeren, die haast hadden, rolden hun servetten slordig op, keken vóor
+zich, stonden op met stoelgekraak en een lichte beweging van de dames
+aan hun zijden, bogen even, terwijl ze met iets zenuwachtigs in hun
+oogen een blik over het gezelschap lieten gaan, dat hen een oogenblik
+te-rugbekeek en waarvan heel ouden en heele jongen groetten gingen gauw
+heen door de vestibule, namen daar hun gele strooye hoeden van den
+breeden erg beladen kleerenstandaard, hun dunne wandelstokken uit den
+bak er onder, en liepen schielijk de deur en den tuin uit.
+
+Door een andere deur, van op-zij, kwam nu de portier van het hotel
+binnen, nam zijn breedbollige pet af en ging op zijn teenen naar Jozef.
+
+--Een telegram! zeî Mathilde.
+
+Uit beleefdheid deden de andere alsof er niets gaande was en spraken
+voort. Jozef zeî niets maar zag bevreemd zijn naam aan en opende den
+telegram met zijn dessertmesje.
+
+--Van huis? vroeg zij.
+
+Na twee sekonden vouwde Jozef het papier toe, frommelde het koevert,
+waarin de telegram geweest was, in mekaâr, gooide de prop op den vloer
+en zeî: 't Is niets, terwijl zijn gezicht heel effen stond. De anderen
+kraakten nu noten in de rondte en zogen uit donzig vette druiven. De
+jongelui waren goed aan 't drinken. Men bestelde nog een flesch wijn. De
+dames hapten hun laatst hoopje vanielje-ijs op, dronken nog een slokje
+spuitwater en maakten zich éen voor éen klaar om wech te gaan. Eenige
+menschen kregen koffie. Een oude heer kreeg een cigaar uit zijn koker,
+sneed er het puntje af en leî de cigaar op tafel, naar lucifers
+rondziende. Twee andere heeren, met groote overhemdsborsten en breede
+zwarte dassen, waren gemoedelijk familie-herinneringen aan 't op halen,
+die hen nader tot elkaar brachten en slikten wat zij haast te veel
+gezegd hadden wech in een langzaam bij kleine scheutjes koffie-slurpen,
+terwijl er een met zijn lepeltje op zijn schoteltje tikte, als de andere
+aan het woord was.
+
+--Wat is 't? fluisterde Mathilde.
+
+--Niets, herhaalde hij.
+
+Maar zij drong aan:
+
+--Toe, zeg 't nu maar.
+
+--Willen wij eens naar boven gaan? zeî Jozef een beetje harder.
+
+Zij stond gauw op, groette nauwelijks twee nog aanwezige dames en
+wachtte Jozef in de vestibule bij de breede wenteltrap met zijn blinkend
+gepolitoerde lage treden. Hij kwam ook aanloopen, kuchte luchtig en
+zocht in zijn vestjeszak naar een tandestoker; de andere hand hield hij
+in zijn broekzak.
+
+--Nu wat is 't? vroeg zij, hem aarzelend aanziende.
+
+--Ik zal 't je boven laten lezen. En zwijgend gingen zij de trap op.
+Mathilde wist niet wat te denken, zij beet op haar onderlip en klapte
+in haar handen om haar ongeduld te temperen. Boven in hun grijzige
+logeerkamer, sprak Jozef nog geen woord: hij scheen in gedachten.
+Zwijgend gaf hij haar den telegram over. Mathilde las 'm.
+
+--O, God, zeî ze, wat zullen we nu doen?
+
+--Niets, andwoordde hij, precies hetzelfde wat we anders gedaan zouden
+hebben.
+
+--Laten we maar liever zoo gauw mogelijk afreizen.
+
+--En niet meer in Arnhem stil blijven?
+
+--Nee, natuurlijk niet, dadelijk naar huis gaan. Vader is erg ziek.
+
+--Zoo erg zal 't niet zijn. Hij heeft een sterk gestel. Laten we maar
+eerste den brief afwachten. Dan kunnen we altijd nog zien.
+
+Mathilde wandelde de kamer op en af en dacht na. Jozef stond aan 't
+venster geleund en trommelde tegen de ruiten. Hij kreeg een cigaret
+uit zijn zak.
+
+--Ik ga maar vast pakken, zeî Mathilde.
+
+--Dat kun-je altijd doen, zeî hij, of nee, láat 't liever doen. Lieve
+kind, je bent zoo moe.
+
+--Wat zoû vader schelen? zeî Mathilde, over den koffer gebukt.
+
+--Ja, dat weet ik niet. 't Kan natuurlijk van alles zijn, maar de brief
+zal wel gauw komen, dan weten we 't. Jozef was bezig vóor den spiegel
+zijn das recht te keeren en zijn snor op te krullen. Al zijn oude
+vriendschap voor de Stuwen kwam boven; hij was ongerust. Ik ga nog even
+in den tuin, zeî hij, win-je nou maar niet op, lieve kind, en laat me
+waarschuwen als er nog iets komt.
+
+Beneden was de table d'hôte gedaan.
+
+Voortdurend klepte de buitendeur open en dicht, de luide en lachende
+stemmen van de heengaanden klonken op, om wech te suizen in de open
+lucht, zoodra de deur weêr dicht was geslagen, en gevolgd te worden door
+andere, meer gemoedelijke stemmen, die langzaam opkwamen en uitstierven
+en van slofferige voetstappen waren vergezeld, of door stemmen, die
+klonken als kristallen glazen en door het geruisch van japonnen werden
+omsisd.
+
+Jozef zoû juist de kamer uitgaan, toen een kellner de trap opkwam, een
+telegram in zijn hand. Jozef duwde den man te-rug, om Mathilde niets te
+laten merken en gaf hem een order over het ontbijt van morgenochtend,
+als had hij hem daarvoor ontboden. Terwijl hij den nieuwen telegram
+openmaakte, ging Jozef achter den kellner de trap af.
+
+De Stuwen was gestorven. Men wist niet waaraan. "Oorzaak onbekend" stond
+er. Jozef werd verzocht zoo spoedig mogelijk te-rug te komen. Jozef vond
+dit alles heel natuurlijk. Hij was niet gewoon licht te schrikken, hij
+draaide in de vestibule even op éen hiel rond en ging toen weêr langzaam
+naar boven, den telegram voor zich uit houdende.
+
+Mathilde was niet voortgegaan met pakken maar was gaan zitten op een
+stoel bij het ledikant, om eens na te denken. Dat vader zoo gauw zoû
+kunnen sterven! Wie had dat gedacht! Arme vader! Hoe teeder en met
+hoeveel droefheid had hij haar omhelsd, toen zij wech ging, ver van hem
+wech, op haar huwelijksreis! Wat had hij haar een aanbeveling gegeven
+voor de toekomst, alsof hij haar nooit terug zoû zien! Wat had hij veel
+gesproken van de eenzaamheid, die hij tegemoet ging! Och, och, hoe had
+ze hem ook kunnen verlaten! Hij had 't zelf gewild, ja, maar ze had 't
+toch niet moeten doen ze had het nooit moeten doen! Waarom was ze ook
+getrouwd, waarôm was ze wech-gegaan uit zijn beschermende armen, die zij
+verwarmde, die haar alléen nog konden omhelzen en zonder haar leêg en
+slap neêrhingen. En nu dood, zuchte zij ... Maar ... dood? nee, hij was
+niet dood, hij kon niet dood zijn! Hij was maar ongesteld; hij moest
+toch wel erg ongesteld zijn, dat ze zoo telegrafeerden van huis! Of
+misschien ook niet, misschien hadden ze den indruk willen verzwaren, om
+te maken dat Jozef en zij gauw overkwamen, om geen last met den ouden
+heer te hebben en te zorgen, dat hij in geen geval alleen stierf, dàt
+dáar geen mogelijkheid voor zoû zijn. Ja, zoo moest het wezen. En zij
+stond gauw op om verder door te pakken, met het vaste besluit dadelijk
+naar huis te sporen. Jozef zoû wel toestemmen, hij vond alles goed, wat
+zij woû. Daar stond Jozef weêr in-eens vóor haar.
+
+--Je vader is van-middag overleden, zeî hij bedaard en hoogst ernstig,
+en hij hield haar den telegram voor.
+
+Zij nam dien niet aan, andwoordde niet, ging weêr op den stoel, waar ze
+daar-zóo over alles had nagedacht zitten. Met wijd open oogen keek ze
+Jozef strak in zijn gezicht. Twee dikke tranen vielen op haar licht
+bruine japon. Zij huilde een oogenblik stil en hevig. Toen stond ze op
+in een overgegeven houding, heel week:
+
+--Nou ben ik wél heelemaal voor jou en voor niemant anders op de wereld,
+zeî ze. Zij legde haar armen om zijn hals. Hij sloeg zijn handen om haar
+schouders. Hij kreeg ook tranen in zijn oogen en zag er haar zwarte haren
+in golven aan zijn borst. En zij zagen mekaâr aan, beiden opgewonden door
+den heftigen toestand.
+
+Toen Mathilde met de koffers klaar was gekomen, waschte zij haar oogen
+en ging Jozef opzoeken in den tuin. Zij kwam in de vestibule en keek
+naar de eetzaal. De zon daalde bedaard wech achter de huizen van Keulen,
+zij bereikte de tafel niet meer. Een paar kellners liepen haastig af en
+aan. De tafel was bijna heelemaal opgeredderd. Over het wijn-en
+vetvlekkig tafellaken vlogen vliegen in korte kringen om de vergeten
+broodkruimels heen. Een zware gemengde etensreuk benauwde de zaal. Op
+de vloer was een stukje rotte appel en een druivenschil gevallen. De
+stoelen stonden door elkaâr, een eind naar achteren geschoven de
+servetten hingen er lusteloos en verkreukeld over heen. Er kwamen twee
+meiden de glazen uitwasschen in een hoek van de zaal. Een kellner gooide
+de eene met een perenschil. In platduitsch schold zij hem daarover uit,
+terwijl de rook van haar warm water in de rondte dwarrelde.
+
+Mathilde stiet de voordeur open en ging naar Jozef, die, een cigaret in
+zijn mond, voortdrentelde tusschen het groen in.
+
+
+
+
+VII.
+
+
+Den volgenden avond waren zij te-rug in Amsterdam. Zij reden gauw door
+den regen naar huis. Jans deed al open voor er nog gescheld was, met een
+doodsch gezicht. De tranen daalden over Mathildes wangen, toen zij den
+gang doorging naar het zaaltje, tranen om het leven, dat wech gestorven
+was uit het huis, het stille, bedaarde, goedaardige leven, met zijn
+kalmen gang, zijn zacht neurieën, al zijn kleine gewoonten en al zijn
+stille dingetjes. De stilte was nu zoo stil, dat het niet was om te
+zeggen. De stilte van den dood ademde door het huis, een grijsheid
+zweefde langs de muren en over de trappen, een warrelende schimmige
+nevel waarde in de hoeken en stofte van de zoldering. Mathilde had Jans
+bij het binnenkomen de hand gedrukt, zoo als het altijd in de familie
+gebruikelijk was geweest aan de meiden te doen bij allergewichtigste
+omstandigheden en treurige of aandoenlijke gelegenheden. Jans was nu de
+jonge mevrouw, die zij in de onnadenkendheid der ontsteltenis telkens
+nog jufvrouw noemde, naar het zaaltje gevolgd en hielp haar daar haar
+reisgoed afdoen.
+
+--Hoe is 't nou gegaan, zoo in eens? vroeg Mathilde zachtjes; de tranen
+drupten langzaam, zonder zenuwachtigheid, van haar wangen.
+
+--Ja, u zal wel erg geschrokken zijn? zeî Jans.
+
+--'t Is treurig, erg treurig voor me, 't is een heele steun die me
+ontvalt.
+
+En 't is zoo gauw gegaan, toch zóo gauw, onbegrijpelijk, Meneer was dan,
+zooals u weet, een beetje rhematiek-achtig nog altijd, maar och gut,
+anders zoo gezond als 't maar kan. Hij at goed, zeker ... flink ... ten
+minste behoorlijk, zooals altijd. Een dag of vier geleden begon hij een
+beetje pijn te voelen hier, bij zijn maag, op zijn rug en in zijn hoofd.
+Ik zeg: meneer gaat u na bed, zeg ik, dan zal 't morgen wel over zijn.
+Den volgenden ochtend nog 't zelfde. Nou, toen zeg ik tegen meneer,
+blijft u nou maar legge. Wil ik ook iets schrijven of zoo aan de
+jufvrouw? Nee, zeit meneer, doe dat maar niet, ze komen toch over een
+paar dagen thuis. Nou, toen deê ik 't dan niet, maar 's middags werd
+meneer erger, hij had zoo'n pijn, dat ie 't niet uit kon houden. Och
+God, en hij huilde zoo! Ik ben naar den dokter gegaan, die is dadelijk
+gekomen, hij zeî, dat 't weêr de rhematiek was, dat meneer maar veel
+rust moest hoûen. 's Avonds woû ik meneer wrijven, maar dat kon ie
+onmogelijk velen en hij gilde het uit van de pijn. Nou, toen dacht ik,
+dat 't geen rhematiek kon zijn. Ik zeê tegen meneer, of ie niet een
+andere dokter gehaald woû hebben, of misschien een professor of zoo.
+Maar meneer zeê, dat 't wel over zoû gaan, hij woû maar, dat ik hem met
+rust zoû laten. Zoo duurde het vooreergisteren en eergisteren en vooral
+gisteren-morgen werd meneer toch zoo naar, ja gisteren morgen was 't, ik
+werd er wakker van, zoo als ie aan 't kermen was. Ik naar beneden, ik
+vroeg meneer of ik ook een pap voor hem klaar woû maken, of hij ook iets
+hebben woû, nee, ja, hij woû den dokter hebben. De dokter kwam en bleef
+een uur bij meneer en ging heen zonder me iets te zeggen. Toen werd
+meneer hoe langer hoe erger. Nou, toen ben ik naar meneer Berlage gegaan
+en die heeft getelegrafeerd. Ik ben gisteren bijna aldoor bij meneer
+gebleven, ik kon 't niet anzien, zoo als de man toch leê. Dan schudde ik
+zijn kussens en leê zijn dek goed. Leê ie dan weêr een oogenblik rustig,
+dan woû ie weêr in-éens opstaan, en, had ie even op een stoel gezeten,
+dan verlangde 'n ie weêr na bed. Zoo ging het tot een uur of vier, toen
+werd meneer inééns zoo akelig benauwd en blauw in z'n gezicht, dat ik
+dacht, dat ie zóo dood bleef. Ik schrok er zoo van, dat ik niet wist wat
+ik doen zoû. Ik bette meneer z'n gezicht met water want ik dacht, dat
+zijn aren zouden bersten. Na een kwartier kwam ie weêr bij. Ik had
+al-door geen oog van hem afgehad. Toen zeê ie zachies, o toch zoo
+zachies: Jans, kom eens hier. Ik geloof, dat ik nu dood ga zeg et an de
+jufvrouw, zeg et an de jufvrouw. Dit zeê ie precies zoo tweemaal achter
+mekaâr. Toen ging ie weêr leggen, achterover op zijn kussen. En toen was
+alles gedaan.
+
+Jans had het verhaal gedaan, op den ernstigen welvoegelijken toon van
+een meid, die meegaat in de ongelukken van het huishouden. Mathilde had
+naar haar staan te luisteren, haar hoed nog in een hand en éen
+handschoen aan, bewegingloos en ontroerd. Jozef had den koetsier
+betaald, na dat deze de koffers in den gang had gedragen. Daarna was hij
+naast zijne vrouw komen staan, met veel belangstelling in zijn gezicht,
+de armen slap langs het lichaam.
+
+--En heeft meneer anders niets gezeid? vroeg hij.
+
+--Nee, meneer.
+
+--In 't geheel niet, vroeg Mathilde, ook die paar dagen te voren niets?
+
+--Nee, jufvrouw, nies bizonders, andwoordde Jans nadenkend.
+
+--Is er al iemant geweest? vroeg Jozef.
+
+--Ja, de dokter is er van-daag nog geweest en meneer Berlage kwam vragen
+of u al te-rug was. Anders nies.
+
+Dof-zwijgend ging Mathilde de trappen op, naar boven, Jozef stapte
+achter haar aan. Toen zij tien treden gegaan was, kwam Mathilde in een
+luid snikken los: och, mijn arme vader, mijn arme vader, huilde zij.
+Had ik het niet gedacht? Heb ik het niet voorgevoeld? Hè, hè, 't is
+verschrikkelijk! Wij hadden nooit op reis moeten gaan en hem alleen
+laten!
+
+In een uiterst verdriet ging zij haar vaders slaapkamer binnen, haar
+zakdoek voor haar gezicht. De gordijnen waren wechgeslagen voor het
+ledikant van-daan. Twee kaarsen brandden er voor naast een zilveren
+kruisbeeld. Daar had Jans voor gezorgd. Stijf en wit en doodelijk
+verouderd lag de Stuwen onder zijn wit lijklaken gestrekt, zijn oogen
+toe, zijn mond open. De bovenste rand van zijn onderste rij tanden was
+zichtbaar. Het laken dekte hem tot onder zijn kin. Zijn korte grijze
+haren waren glad gestreken. Een blauwige tint lag om zijn oogen en
+voorhoofd en wangen, en schemerde loodkleurig door het vel. En hij was
+zoo mager, zóo mager en hij had zulke diepe rimpels in zijn voorhoofd.
+De gordijnen voor de straatvensters waren neêrgelaten en de kaarsen
+schenen vaal met het verdoofde daglicht samen.
+
+Het lijk schrikte Mathilde af. Een beetje rillerig knielde zij neêr voor
+het bed. Zij bad, en zag het lijk heftig aan. Zij huilde hard-op. Toen
+kon zij zich de bewegingloosheid van haar vader maar niet begrijpen. Zij
+schoof het laken zachtjes wech en tastte naar de hand van den doode. Die
+hand lag recht-uit, grijzig-wit, het bloed was van onder de nagels wech
+en Mathilde probeerde de hand goed beet te pakken. Het vleesch van het
+lijk gaf niet meê. Die hand kon haar niet meer aayen en zoo innig de
+hare drukken als vroeger, dacht zij. Vader, vader! riep Mathilde, o.
+vader is u nu voor altijd van me wech? En, haar kin naar voren, haar
+oogleden neêr, schudde zij haar hoofd, en zag wanhopend naar het lijk.
+Daarna leî zij haar handen over zijn schouders en zoende het harde koude
+voorhoofd. Maar zij kon niet wech gaan, zij kon hem niet alleen laten.
+En weêr knielde zij en deed haar gezicht tegen het doodelaken, dat in
+breede plooien van het bed afhing.
+
+Jozef wachtte, staande. Maar toen er geen eind aan kwam besloot hij bij
+de tafel te gaan zitten en eenige niet te vergeten zaken die gedaan en
+maatregelen die genomen moesten worden, te noteeren. Hij was ook iets
+geroerd, door het groote verdriet van Mathilde en den dood van zijn
+ouden vrind, maar hij moest zijn hoofd bij mekaâr houden om de drukte,
+die nu natuurlijk volgen zoû.
+
+Toen hij daar een minuut of tien bezig was geweest en bij het ledikant
+niets meer hoorde, zag hij om. Mathilde knielde rechtop daar naast en
+bekeek het lijk. Daarna stond zij op en zoende Jozef lang met een
+betraand gezicht en drukte zijn handen. Toen droogde zij haar tranen
+wech, maar huilde dadelijk toch weêr met haar bleeke gezicht en liep
+stilletjes naar beneden. De nacht was neêrgekomen en alles was zoo koud
+op de trap en in de kamers, dat zij griezelde bij elke schaduw en bij
+elken hoek. Jans vroeg of zij ook eten zouden.
+
+--Vraag 't maar aan meneer, of hij iets gebruiken wil. Meneer zit boven.
+Ik heb geen trek.
+
+En zij drentelde troosteloos van de eene kamer in andere en bekeek alles
+met haar treurende oogen: de piano in het zaaltje en de tafel en vaders
+tabakspot en de kranten, die daar nog lagen, vier-vijf op mekaâr,
+ongebruikt in denzelfden vorm waarin zij gekomen waren. Jans had zelfs
+het licht in den gang vergeten op te steken. Nergends brandde een lamp.
+Mathilde nam haar hoed en stofjas en liep naar boven, naar haar eigen
+kamer. Toen zij voorbij de doodekamer kwam, waarvan de deur op een kier
+stond en den zachten kaarsenglans door liet schijnen, hoorde zij
+gauw-achter-mekaâr dof snikken en Jozef die heen en weêr liep. Zij ging
+weêr binnen en zag Jozef, die voor het lijk was blijven staan, en te
+vergeefs, ongeduldig over zijn eigen gevoeligheid, probeerde om niet te
+huilen. Dit deed Mathilde ontzaglijk veel goed. Zij voelde zich-zelf er
+een beetje door verlicht en zij omhelsde en zoende hem uit dankbaarheid.
+
+Boven op haar kamer was alles nog akeliger en duisterder dan
+overal-anders. Maar zij was toch blij dat ze er was, in deze kamer, die
+haar met al zijn oude kleuren zoo vriendelijk omwandde. Zij ging op haar
+bed zitten, en een zachte, troostende warmte steeg door haar lichaam,
+vol innigheid, vol herinnering, vol van het verleden, dat plotseling
+hevig voortleefde om haar heen. Hoe vreemd en droevig-heerlijk, dit
+te-rugzien van haar kamertje na haar huwelijksreis! Wat was zij
+veranderd sints zij hier voor 't laatst was geweest!
+
+En zij sloot zich op, zoo als vroeger. Zij deed haar stoffige kleêren
+uit en ging zoo voor de tafel zitten, en droomde. Daarna stak-zij het
+gaslicht aan, ging buiten de deur en riep met gedoofde stem, als om den
+doode niet te hinderen, dat Jans uit haar koffer haar peignoir moest
+brengen. Meneer had de sleutel. Zij was zoo moe. Jans kwam boven met de
+peignoir, Mathildes reismand, een een beetje eten: een stukje biefstuk,
+wat princesseboonen en aardappelen. Meneer had gezegd, dat zij 't maar
+aan mevrouw brengen moest, die 't wel eten zoû na de reis.
+
+--Zeg aan meneer, dat ik maar naar bed zal gaan, ik ben dood-, dood-moe.
+
+Zij probeerde om iets te eten, maar het woû bijna niet door haar keel.
+Half ziek van het huilen en van al de aandoeningen, met een nevel van
+vermoeyenis voor haar oogen en een razend gesuis in haar ooren, ging zij
+naar bed, maar toch troostte haar de gedachte, dat zij niet heelemaal
+alleen over was gebleven op de wereld, maar dat er beneden iemant was,
+die haar steun en haar alles zoû zijn, bij wien zij haar toevlucht kon
+zoeken, zoo als vroeger bij haar vader en waar zij nu toch eigenlijk
+inniger bij hoorde.
+
+De volgende dagen met hun koortsige bezigheden, hun vermoeyenis, hun
+droefheid, liepen Mathilde snel voorbij. De visites van vrienden, die
+kwamen kondoleeren, het ceelen-maken, de zorgen voor de begrafenis en
+voor de uitvaart, de verzorging van het lijk--zij was bij alles
+tegenwoordig, deed alles meê, bemoeide zich met alles, stond met haar
+treurigen ernst en een bedrijvigheid die gelatenheid insloot, Jozef in
+alles ter zijde, spoorde hem aan, gaf hem raad, zeî haar meening. Zij
+begreep wel, dat zij haar verlies later, als alle drukte voorbij zoû
+zijn, pas volledig zoû voelen. Voorloopig maar niet te veel aan de
+ledigheid gedacht, die zoû achterblijven, want er was van alles te doen:
+brieven schrijven, meiden ontvangen, voor rouwgoed zorgen en zooveel
+meer, en betraande oogen en bevende handen kunnen geen redelijk werk
+verrichten. Jozef liet zich ook voor alles vinden, hij dacht letterlijk
+om alles. Telkens zeî hij tegen Mathilde van rust nemen, zeggende, dat
+hij 't alléen wel afkon.
+
+Van den morgen tot den avond klonk de huisbel door den gang. Dan was 't
+mevrouw Berlage, de heer Ster, die kwamen kondoleeren, dan was 't de
+mode-maakster, de koster van de kerk, een bediende van den circulaire-
+drukker, de timmerman, of wel brieven van rouwbeklag, die aankwamen.
+
+Toen eindelijk de dag van de begrafenis voorbij was en Mathilde de stoet
+uit had zien trekken en de deur van het oude huis voor goed achter haar
+vader had zien sluiten, en zij 's avonds met Jozef boven alleen was op
+haar kamer en Jans naar bed, zagen zij elkaâr aan, zij waren in deze
+droefheid weêr nader tot mekaâr gekomen. Toen zij in bed naast mekaâr
+lagen, huilden zij allebei nog. Maar Mathilde schikte zich heelemaal
+tegen Jozef aan en sloeg zijn arm om haar hoofd. Hij zoû voortaan haar
+eenige beschermer wezen.
+
+Er werd besloten, dat zij voorloopig het oude huis zouden blijven
+bewonen, tot hun rouwtijd om was, had Jozef gedacht, en dan naar een
+beter huis verhuizen. Uit de papieren bleek, dat Mathildes vader,
+behalve dit en nog twee dergelijke huizen op den Oude Zijds
+Achterburgwal, die samen twee-en-twintig honderd gulden huur opbrachten,
+honderd dertig duizend gulden in effekten had nagelaten. Jozefs zaak
+ging ook vooruit en leverde een acht duizend gulden in het jaar, zoo dat
+zij te zamen een inkomen van zestien duizend zeven honderd gulden
+hadden, waar vooreerst, zoo lang er geen kinderen waren, ruim van
+geleefd kon worden in hun stand. Het bedrag van de Stuwens nalatenschap
+had Jozef bizonder verrast. Hij had dan wel erg zuinig geleefd in zijn
+klein huis en met zijn burger pot! Maar Jozef vond 't mooi van hem, daar
+hij 't waarschijnlijk gedaan had om zijn dochter meer na te kunnen laten.
+
+Jozef richtte nu voorloopig zóo zijn dag in: Na het ontbijt ging hij om
+half tien naar 't kantoor, kwam om éen uur thuis koffie drinken, ging
+daarna naar de Beurs en kwam daarna thuis iets lezen. Dan schonk
+Mathilde hem een glas port-wijn. Om half zes dineerden zij. En 's avonds
+bleven zij weêr bij mekaâr zitten tot aan den nacht. Naar de club ging
+Jozef vooreerst niet. Hij woû daar liever niet komen met den rouwband om
+zijn hoed. En dan, had hij thuis niet zijn lieve vrouw zitten? Haar
+gezelschap trok hem meer en meer aan. Uren lang zaten zij 's avonds bij
+elkaar met de thee en praatten over de Stuwen en het verledene. Over de
+toekomst spraken zij weinig.
+
+Gedurende de eerste dagen, die op de begrafenis volgden, had Mathilde
+niet naar haar vaders kamer gewild en alles precies zoo laten liggen als
+het was bij zijn sterven. Zij had eigenlijk de eerste week, die op de
+drukte volgde, niets uitgevoerd den heelen dag dan de kopjes omwasschen
+na het ontbijt en na de koffie en de glazen na het eten. Verder zat zij
+maar, met haar handen over mekaâr, in de binnenkamer, waar zij zooveel
+uren en uren met haar goeden ouden vader had gezeten. Dan tuurde zij in
+de rondte, naar haar vaders leêgen leuningstoel, naar het buffet-kastje,
+naar zijn tabakspot en pijpen, naar het boekenrekje aan den wand, waar
+een paar boeken over natuurkunde op zwierven, die hij doorgestudeerd
+had, en waar de koeranten lagen, die hij 't laatst had gelezen. Zij nam
+ze van het plankje en las ze over en wilde uitmaken voor zich-zelve,
+waar haar vader het aandachtigst gelezen zoû hebben. Zij zocht naar
+vingerdrukken, naar een potloodstreepje aan den kant, en had zij iets
+gevonden, dan toonde zij 't Jozef bij zijn thuiskomst: Kijk, zeî ze, dat
+heeft vader nog met belangstelling gelezen. Dan bracht zij zich te
+binnen, hoe hij, wat hem betrof bij het lezen van de koerant, vroeger
+altijd voorlas en er zijn meening over zeî en de hare hooren wilde.
+
+Jozef en zij hadden besloten, dat Jans de keukenmeid waarover zij geen
+klagen hadden, voorloopig in hun dienst zoû blijven. Mathilde liet Jans
+dan 's ochtends, als zij zoo alleen zat, bij zich komen en haar
+nauwkeurig al de laatste levensdagen van haar vader verhalen hoe hij dít
+gedaan had, hoe hij dát gedaan had, wat hij gegeten had, of hij op zijn
+gewone tijd naar bed was gegaan, of hij thee had gedronken zoo als
+altijd, en zoo voords. Dan begon zij aan Jans te klagen over haar
+verlies en liet haar met zich meê klagen. Mevrouw Berlage kwam ook haar
+wel een paar keer bezoeken, maar, na haar trouwen, kon zij met deze
+vrouw, die toch, toen zij nog een jong meisje was, haar beste vriendin
+was geweest, lang zoo goed niet meer over-weg. Misschien wel, om dat
+mevrouw Berlage haar nog altijd te veel als een jong-meisje behandelde
+en het Mathilde hinderde, dat zij niet sprak als van getrouwde vrouw tot
+getrouwde vrouw.
+
+In den namiddag, als Jozef thuis was, zaten zij meestal in het zaaltje
+achter. Daar was het ruimer en een beetje lichter. Jozef had al licht
+iets te schrijven of zoo, waar hij wat plaats voor noodig had. Maar
+Mathilde deed niets. Zij kon haar oude handwerkjes niet hervatten, want
+dat maakte haar onbeschrijfelijk melankoliek. De piano had zij met het
+sleuteltje gesloten en zij wilde er niet eens naar kijken. Zij had zoo'n
+trek eigenlijk om te spelen, droevige, zachte, sombere melodiën, maar
+zij deed 't toch maar niet, om Jans en de buren niet te ergeren, en ook
+om dat zij 't in zich zelf ongepast vond. Zij zat maar te droomen van
+vroeger en naar haar vaders portret te kijken, dat aan den wand hing.
+Dan dacht zij na,--en zij moest er bitter om lachen--wat 't haar een
+strijd en een moeite had gekost om Jozef zijn huwelijksaanzoek niet te
+weigeren, om dat het haar zoo hard was voorgekomen zich van haar vader
+te scheiden, om dat zij zich niet had kunnen denken in een toekomst,
+waarin zij niet altijd aan zijn zijde zoû zijn om hem te verzorgen en
+hem nooit alleen te laten, om dat zij zich met afschrik had
+voorgehouden, hoe, als zij trouwde, zij daar het zwakkelijke, goede,
+oude mannetje alleen in zijn huisje zoû moeten achterlaten misschien.
+Zij dacht er over na, dat zij in Jozefs vraag alleen had toegestemd op
+uitdrukkelijke voorwaarde, dat haar vader bij hun in zoû komen wonen,
+zij hem altijd zoû kunnen verzorgen en in zijn behoeften zoû kunnen
+voorzien, altijd bij hem zoû kunnen zijn. En nu? Zij had zich wezenlijk
+toen niet zoo bekommerd hoeven te maken! Nu bracht zij zich te binnen
+wat zij zich al niet voorgenomen had te doen om in 't vervolg haar vader
+het leven altijd aangenamer en aangenamer te maken. Zij herdacht den
+zachten nieuwen leuningstoel, dien zij in de Kalverstraat voor een
+winkelraam had zien staan en dien zij voor hem zoû hebben willen koopen,
+en een bonten voetwarmer, dien zij aan had willen schaffen, een mooye
+zware Duitsche pijp van dertig gulden, en het mutsje voor zijn lieve
+oude hoofd, dat zij voor zijn verjaardag had willen borduuren en de
+dikke wollen handschoenen, tegen den aanstaanden winter. Hoe had zij ook
+door willen voeren, dat hij elken dag aan tafel een paar glazen zeer
+ouden wijn zoû drinken en vóor de koffie, om twaalf uur, een flinke
+eetlepel met flikjes zoû nemen. Hij hield zooveel van chocola! En wat
+een plannen had zij gemaakt voor als zij met hun drieën samen zouden
+wonen in een grooter huis, vader, Jozef en zij! Wat had zij er nog met
+vader over gesproken dat zij de avondjes voort zoû zetten, die hij
+begonnen was, dan natuurlijk hij háar aan huis, en hij, vader, op de
+eereplaats! Zij zoû hem een ruime kamer gegeven hebben met alle denkbare
+gemakken, en een schel onder zijn bereik, hoog van verdieping en op de
+zon gelegen, waar hij zich zoo graag in koesterde.
+
+'s Avonds, als Mathilde met Jozef aan de thee zat, herinnerde zij zich
+vooral de teederheden van haar vader voor haar. Terwijl de schemering
+dwarrelde door de kamer en Jozef, aan den anderen kant van de tafel,
+rookte en wechdook in de duisternis, schoot het vlammetje onder den
+theepot stralen naar haar oog en tuurde zij er zoo lang met groote oogen
+in, tot de stralen heen en weêr wipten en dansten en braken en de
+thee-pot verdween in een warreling van gouden pijltjes en er stille
+tranen spatten op haar japon. Al de herinneringen uit haar vroegste
+jeugd en van later kwamen op in haar verbeelding, zachtjes na mekaâr.
+Die goede vader, die zoo innig goed was, zoo iets wereldsch, zoo
+plicht-getrouw, die zoo bedaard en eenvoudig het leven doorging en haar
+zoo erg, met zoo een trouw, zoo oprecht en zonder bijbedoeling, had
+liefgehad. Daar waren nooit plechtige oogenblikken tusschen haar en haar
+vader geweest, er waren nooit hartstochtelijke dingen tusschen hen
+gebeurd, er waren nooit van die uren geweest, waarin hij haar een
+nadrukkelijk en opperst bewijs van een overgroote liefde zoû hebben
+gegeven. Hij was altijd stil voor zich heen geweest, en kalm, hij
+verdroeg zijn verdriet en genoot zijn pleizier zonder veel ophef. Toen
+haar moeder gestorven was, had hij haar eenvoudig gezoend en hadden zijn
+tranen over haar wangen gevloeid, toen zij naar 't kostschool ging en
+zij dus voor een heden tijd scheidden, was precies hetzelfde gebeurd.
+Dit waren de eenige oogenblikken, waarvan zij zich herinnerde, dat hij
+een beetje ongewoon was geweest. Nooit had hij haar het leven gered,
+nooit zelfs had hij haar in vervoering tegen zich aangedrukt. Maar toch,
+wat voelde zij vreeselijk, dat hij er niet meer was, hij, de eenige
+liefde van haar heele jeugd! Zij kon zich maar niet denken, dat hij
+dood was. Zij kon zich in dit huis maar niet thuis voelen zonder hem.
+Dan kwam zij een kamer binnen, wat, was vader er niet? Dan ging zij naar
+boven, naar bed,--wat, had zij vergeten vader goeye-nacht te zeggen?
+Waarom kwam zij hem, met zijn stille goedige gangetje, nooit meer tegen
+op het portaal? Waarom bleef zijn plaats toch open aan het ontbijt en 's
+middags aan tafel, wat was er toch iets vreemds, iets verlatens aan de
+stoelen en tafels, aan de vloer en vooral aan den leuningstoel van de
+binnenkamer! En al de meubels werden haar dierbaarder dan vroeger, om
+dat hij ze had gebruikt, om dat zij, zonder te zien en te spreken, zijn
+leven hadden bijgewoond en hem hadden helpen leven. Zij kon met een
+aandacht kijken naar de kale plekjes op het tapijt en het een beetje
+afgesletene van de stoelen hier en daar, om dat iemant ze door ze
+herhaaldelijk te betreden kaal had gemaakt en iemant ze moest hebben
+versleten.
+
+Zoo zat zij 's avonds te droomen in haar zwarte japon zonder garneersel.
+Als de avond óm was ging zij met Jozef naar boven. Zij gaf hem zijn
+nacht-zoen in het portaaltje, waarop hun kamers uitkwamen, want Jozef
+sliep nu op het logeerkamertje, om dat zij zoo moe en zoo zwak en zoo
+verdrietig was en beter kon liggen en rusten alléen in het éen-persoons
+bed. Jozef had wel eerst de logeerkamer willen nemen, die boven het
+zaaltje was, maar Mathilde had hem graâg dicht bij haar 's nachts en
+buitendien, dat was alles van-zelf toevallig zoo gegaan. Zij hadden er
+niet eens over gedacht of het wel redelijk was. Zij schenen in het leed
+van den dood hun hartstocht in te sussen. Zij zoenden mekaâr goeden
+morgen en goeden avond als twee vijf-en-twintig jaar getrouwden. Soms
+leî Jozef zijn hand op haar schouder of streek haar over 't haar, maar
+dan andwoordde zij met geen enkelen blik, met geen een beweging. Hij had
+medelijden met haar droefheid; hij begon zich wel al te vervelen, maar
+hij wilde zich in deze omstandigheid schikken. Hij las maar koeranten en
+had ook zijn oude boeken over staathuishoudkunde weêr eens doorgebladerd.
+Allerlei boeken waren hem door de handen gegaan, toen hij de nalatenschap
+en beschikkingen van den ouden heer geregeld had. Zoo was hij daartoe
+gekomen.
+
+Tot nu toe had Mathilde, na de begrafenis, nog niet in de slaapkamer van
+haar vader durven gaan. Jans had alles daar een beetje opgeredderd en
+schoongemaakt, maar verder was de deur gesloten gebleven. De sleutel
+stak er wel op, maar niemant had sints een dag of veertien de licht-
+bruine kruk bewogen. Maar Mathildes verdriet begon zich zoo te hechten
+aan al de voorwerpen in huis, die haar vader het dikwijlst had aangeraakt,
+dat zij eindigde met den wensch te hebben al de overblijfselen van zijn
+meest innig en eigen bestaan weêr te zien, en, voor zoover zij ze nog niet
+kende, te ontdekken en te betasten. Een droevige nieuwsgierigheid mengde
+zich in haar doffe verdriet. Zij wilde nu die slaapkamer ingaan, en
+zachtjes over den vloer loopen, die lucht inademen, die kleuren zien,
+waarin hij had geleefd als hij alleen was. Zij wilde aan die ruimte,
+waarin aan die zoldering waaronder hij zoo gauw was gestorven, vragen of
+hij erg geleden had, of hij nog veel om haar had gedacht. Er mengde zich
+nog angst voor de kamer in haar nieuwsgierigheid: zoû zij misschien de
+doffe echo van zijn stem hooren, zoû niet zijn stap nog ergends treden,
+achter het bed, bij de tafel?
+
+Een ochtend, dat Jozef naar 't kantoor was over tienen, liep zij
+langzaam de trap op naar boven. Haar zwarte haar hing verdrietig over
+haar vale voorhoofd, en haar zwarte kleed schoof zonder geluid over de
+treden. Zij kwam binnen en sloot de deur achter zich. Een frischheid
+kwam haar te gemoet, de buitenlucht waarin zich het geluid van de straat
+oploste, drong om haar ooren en haar gezicht. Jans was waarschijnlijk
+van-morgen nog hier geweest, want achter de neêrgelaten gele jaloeziën,
+stond een van de twee vensters open. Het gegons en gebrom van de straat
+woei naar binnen. Mathilde haastte zich het venster te sluiten. Zij trok
+de jaloeziën allebei op. Toen keek zij rond. Wat een stilte, wat een
+eenzaamheid! Den rug naar het venster gekeerd, rechtop, het bovenlijf en
+het hoofd een beetje naar achteren gestrekt, de handen gevouwen naar
+beneden gedrukt en naar onderen geopend bekeek zij lang alles wat er in
+de rondte stond. De glans van het daglicht, die het zwart van haar japon
+vergrijsde, had zich over haar rug gespreid in een glimmend ovaal, viel
+in plooyen tot haar voeten en glimperde door de kroesige bosjes haar
+rondom haar hoofd. Zij liep naar het ledikant en schoof gauw de witte
+gordijnen op-zij. Zij keek er in. Er was niets. De kussens en peluw en
+de dekens en sprei lagen in twee hoopjes op de matras gestapeld als in
+een bed, dat niet meer gebruikt wordt, wachtende op een nieuwen
+gebruiker. Zij schoof de gordijnen weêr dicht. Daar naast was de kleine
+kast van haar vader in den muur. Verder was er een schrijfbureau, een
+klein kastje, dat altijd het "apotheekje" genoemd werd, waarin allerlei
+huishoudelijke medikamenten werden bewaard en geëtiketteerde fleschjes
+en doosjes; voords nog een kast in den muur, die alleen door het
+smoeselige bruin van het behangsel rondom het sleutelgat kenbaar was,
+waar het linnengoed en de kousen van den doode in werden geborgen.
+Eindelijk stond er een sjiefonjeire; hierin bewaarde de oude heer
+allerlei voorwerpen en snuisterijen, herinneringen aan zijn vrouw,
+eenige teekeningen van hem zelf uit zijn jeugd, papieren, ringen,
+kadootjes, een kostbaren wandelstok, een heele kollektie van zijn eigen
+oude zakportefeuilles, en zoo meer.
+
+Mathilde had aan het ontbijt de sleutels van Jozef gevraagd en begon met
+de bovenste laâ van deze kast open te trekken. Met den arm, waarom de
+enge zwarte japon rond gespannen zat, leunde zij op den kant van de laâ
+en keek er in neêr. Al die voorwerpen, waarvan zij vele nooit had
+gezien, en die met een soort van eerbied en achterhoudendheid door haar
+vader buiten elks bereik werden gehouden, die hij alleen kende, waarvoor
+hij alleen zorgde, waarom hij bepaald veel gaf, het gezicht daarvan deed
+Mathilde bizonder aan. Met wat een genoegen moest vader dikwijls 's
+avonds in zijn eentje die dingen hebben te voorschijn gekregen, ze
+gehanteerd en bevoeld hebben! Zijn goedige, bedaarde, nederige,
+huiselijke geest gaf haar nu een zeer sterken indruk. Vooreerst lagen
+daar twee kerkboeken, een, zoo hoog en zoo breed als een mannen hand,
+met zwart geworden zilveren sloten, stoffig en vergrijsd goud op sneê,
+met gele spikkeltjes op het witte papier van-binnen: het was een kadoo
+van de Stuwen-zelf aan zijn vrouw geweest. "Aan mijn dierbare vrouw, de
+echte christin", stond als toewijding voor tegen het schut-blad
+geschreven. Het andere kerkboek, een fransch, veel kleiner, was van de
+Stuwen-zelf geweest, maar in jaren niet gebruikt. Daarnaast zag Mathilde
+een zilveren horlogeketting. Maar zij besloot, met het pijnlijk
+welbehagen, dat zij in deze bezigheid had, de laden eerst alle te openen
+en in te zien, om daarna de dingen éen voor éen te betasten en te
+bezichtigen. Knersend en haperend stommelden een paar laden open, als
+verborgen zij zaken, die niet gaarne hadden; dat het daglicht tot hen
+doordrong, andere gleden weêr gewillig meê en waren als met was
+bestreken. Alle waren gevuld. Een schat van prullen, voor Mathilde van
+de hoogste waarde, had zij nu onder haar oog, en zij bleef er op staren
+en droomen. Zij vergat zich-zelf in den aanblik van al die doode
+voorwerpen, die vroeger geleefd hadden in haar vaders handen zij snoof
+de geur van verleden dagen op met graagte. Maar zij had zoo'n rijkdom,
+dat ze niet wist waar te beginnen en zij had de tijd zoo vergeten, dat
+Jans kwam zeggen: de koffie stond klaar en meneer zat beneden te wachten.
+
+Mathilde ging naar beneden. Zij had nu een bepaald onderwerp, waarmeê
+haar geest zich bezig hield 't was of de droefheid een beetje, een klein
+beetje maar toch iets, minder erg was. Zij deed aan Jozef verslag, van
+hetgeen zij had gevonden en daarbij gevoeld. Zij was er heelemaal van
+vervuld, zij sprak over niets anders. Zij zat met de ellebogen op tafel
+en vertelde alles. Zij was verwonderd over dit, over dat. Die oude
+beurs, die zij gezien had, die haar moeder nog voor haar vader gehaakt
+moest hebben, met die gouden franje, herinnerde zij zich wel heel lang
+geleden eens in de ouderlijke slaapkamer te hebben gezien, maar zij wist
+volstrekt niet, dat haar vader die nog had. En dan die kerkboeken weêr,
+och, hoe aardig! 't Was wel akelig al die reliquiën van vaders leven zoo
+vóor zich te hebben, maar er was toch ook iets aangenaams in, zooveel
+dingen te vinden, die zij nu natuurlijk in hun huishouden zouden
+bewaren, en die hun onophoudelijk aan vader zouden herinneren. Jozef
+vond het ook, die kleine onwillekeurige soeveniers hadden veel
+aantrekkelijks. Zij zouden heilig opgeborgen en verzorgd blijven.
+Mathilde sprak er weêr over voort of zweeg tusschenbeide en liet haar
+zwarte armen rechtuit op het witte tafellaken liggen, terwijl haar oogen
+er over heen droomden. Het kwam zelfs niet in Jozef op dan haar hand aan
+te raken, die in de zijne te nemen of te aayen. Zij vertelde hem alles
+en zag hem daarbij aan als een vriend, een vertrouweling, een broeder.
+In geen tien dagen hadden zij van hun liefde gesproken. Het leek wel
+alsof zij al tien jaar getrouwd waren.
+
+Zoo doorleefden zij de dagen. Telkens na het ontbijt en telkens na de
+koffie ging Mathilde zachtjes naar boven. Zonder leven te maken was zij
+al boven gekomen zonder dat Jozef of Jans het merkten. De tijd van de
+kondolatievisites en van de visitekaartjes was voorbij. Het waren
+rustige, doodelijk stille dagen, die gauw achter mekaâr kwamen. En
+Mathilde maakte de uren, die zij met Jozef moest samen zijn, altijd nog
+korter. Zij sprak op 't laatst weinig meer van haar dagelijksche
+vondsten en gedachten. Het laatste had zij verteld van de intieme
+brieven van haar vader, die zij allemaal, naar tijdsorde gerangschikt,
+in het bureautje op de slaapkamer had vinden liggen. Jozef was eens met
+haar meègegaan, hij had haar tegenwoordig leven willen deden, zich
+aansluiten bij haar bezigheden. Maar na dat zij eenmaal samen waren
+bovengekomen, was zij aan het bureau gaan zitten, zóo in 't midden dat
+er geen plaats meer voor hem overbleef, en had al wat er onder haar
+handen lag in beslag genomen. Hij, werkeloos, lusteloos en verlegen,
+bleef er naast staan, niet wetende hoe zich te houden; hij had gebaren
+gemaakt om iets aan te vatten of in te zien, die gebroken werden door
+dat zij toevallig haar arm tusschen hem en het ding heen bewoog; hij had
+met belangstelling iets gevraagd, waarop zij geen andwoord gaf,
+heelemaal verdiept in haar studie. Hij was dus maar te-ruggeslopen naar
+het zaaltje, waar hij gemakkelijk ging zitten, zijn beenen uitgestrekt,
+en kranten las, en zich verveelde.
+
+Mathilde maakte ook haar nachten langer. Zij ging 's avonds vroeg naar
+bed en stond laat op. Zij zeide zoo'n moeite te hebben om in slaap te
+komen, door haar vermoeidheid en haar verdriet. Zij had zelfs ook na den
+eten, gedurende den avond, haar napluizingen willen voortzetten en Jans
+om een lamp gevraagd, maar daartegen had Jozef zich ten stelligste
+verzet, zeggende, dat dat haar nog meer afmatten zoû en haar slaap nog
+meer bemoeilijken.
+
+Vóor het oude bureautje gezeten, leefde dan Mathilde het leven der
+herinneringen voort. Zij deed het met een altijd vermeerderende liefde,
+met een inspanning, een drift en een volharding, die tot halsstarrigheid
+werden en uit een onwrikbaar genomen besluit schenen voort te komen. Dit
+besluit bestond dan ook. Het had zich langzaam, voetje voor voetje, in
+haar ziel gedrongen en zich daar vastgehecht, zonder dat zij 't zich
+zelf goed bewust was. Zij had besloten tóch zooveel voor haar vader te
+doen als zij zich vóor haar huwelijk had ingeprent. Zij had zich
+eenmaal, eer zij met Jozef op reis ging, voorgenomen, dat, bij hun
+te-rugkomst, de innige verstandhouding tusschen haar vader en haar zoû
+voort duren, ja nog inniger worden zoû. En zij wilde haar plan getrouw
+blijven. Gedurende haar afwezigheid had zich zooveel teederheid en zorg
+in haar hart opgestapeld, dat zij zich van dien voorraad, van die
+kracht, niet inéens kon ontdoen of haar geheel in tranen kon laten
+wechvloeyen. Zij had zich-zelf eenmaal beloofd dat, als zij eens
+wezenlijk getrouwd, wezenlijk vrouw zoû zijn, zij beter dan ooit en nu
+voor-goed aan haar vader vergelden zoû, wat zij voor het geluk van haar
+heele jeugd aan hem te danken had. En nu gebeurde dat, buiten haar eigen
+weten om. De eenzame ruimte van deze verlaten kamer trok haar meer en
+meer aan. Hier ademde zij de gedachten en gemoedsbewegingen in, die uit
+het oude verleden hier waren blijven hangen. Haar liefde sliep, zij
+vergat zich zelve, zij vergat Jozef die beneden alleen zat. Als zij de
+brieven van haar vader las en al die kleine zaakjes, die hij achter
+gelaten had, hanteerde met een innige teederheid en behoedzaamheid, dan
+was 't alsof zij zijn lotgevallen van vroeger deelde en als dochter hem
+vereerde in deze geheime en bizondere kenteekenen van zijn goedhartig en
+haar zoo dierbaar bestaan, dat nu op gehouden had voor altijd. Haar
+jeugd verdoofde. Zij dacht niet meer aan het tegen woordige. Koud, als
+een beeld, ging ze op en neêr door het huis, terwijl het warm was in
+haar hoofd en de figuur van haar vader onophoudelijk door haar
+verbeelding dwaalde. Uit al de woeligheid, de koortsige opvolging van
+indrukken en gezichten, den rijkdom van de voortdurend wisselende
+omgeving en den aandoeningenstorm van de huwelijksreis plotseling in de
+grijze stilte, in de sombere kilheid en eentonigheid van het huis, waar
+de doodslucht door heen had gewaaid, verplaatst, scheen ze zich er in te
+zullen ziek-suffen en de diepe ontsteltenis, door het kontrast
+veroorzaakt, niet te boven te kunnen komen. Het was te gauw gegaan, het
+was te hevig geweest. Zij voelde nog voortdurend den eersten schrik.
+Alle begoocheling was wech, wech de vrolijkheid, wech het brandende
+leven. Terwijl de scherpte van het leed langzaam week, bleef ze
+ongevoelig voor elke nieuwe levensprikkeling ook.
+
+Zoo kropen onder Jozefs voeten heen de dagen voorbij. In zijn altijd
+sierlijk, nu donker-blauw pak, stapte hij 's morgens met een verveeld
+gezicht de deur uit, en, daar hij nu anders niets te doen, aan niets
+anders te denken had, leî hij zich met de borst op de kantoorzaken toe,
+zich dieper naar zijn lessenaar buigende, werd ijverig, zocht zijn
+inkomsten te vermeerderen. Hij droeg nu voortdurend, in plaats van zijn
+gekleurde een eenvoudige, breede zwarte strikdas en een hoogen rouwband
+om zijn hoed. Hij was er toe gekomen eenige studieboeken van vroeger,
+die op zijn kantoor in de stof lagen en daar vergeten werden, naar zijn
+huis te laten brengen. Hij had daar vroeger een tijd lang nog al
+pleizier in gehad en, daar hij zich onmogelijk bij publieke
+vermakelijkheden kon vertoonen en anders niets had om zijn ledige uren
+meê door te brengen, kwam het genoegen te-rug en zette hij zich 's
+middags en 's avonds aan de studie. Toch deed hij niet veel meer dan
+lezen, met belangstelling. Hij maakte geen aanteekeningen. Het waren
+werken van Quack, Heemskerk, de Pinto, staathuishoudkundige en
+populair-rechtsgeleerde boeken. Nu ging hij ook nieuwe uitgaven over
+dezelfde onderwerpen koopen, waar hij zich nu eenmaal meê bezig hield.
+Verder las hij het Handelsblad, den Figaro en de Fransche romans van
+George Sand en Feuillet. Dit alles in afwachting, dat Mathildes
+droefheid en ziekelijke afgetrokkenheid zoû verdwijnen. Ook kreeg hij
+'s middags wel eens bezoek van een club-vriend, D'Ablaincourt of Hasman,
+die een uurtje bleef praten en een glaasje port met hem drinken. Een
+enkele maal verscheen er een kantoorklerk, die iets te vragen had.
+Overigens kwam er niemant.
+
+Er waren weêr twee weken voorbij. Het was op een zonnigen Donderdag,
+vier uur, een uur voór het eten. De deur van het zaaltje stond open.
+Jozef zat voor de met een rood en zwart tafelkleed overdekte tafel in 't
+midden van het zaaltje, zijn hoofd over een boek gebogen, gesteund door
+zijn blanke smalle hand, met een kleinen zegelring aan den pink. Een
+half-uitgedronken glaasje portwijn stond voor hem. Verder lag er een
+hoopje papieren. Er was een aangename dagheldere tint. In den gang was
+alles kalm. Alleen het gekuch van Jans, het sissen van boter of het
+geklater van borden, die op of van mekaâr geschoven, en het geklitter
+van zilveren lepels en vorken, die bewogen werden, klonken in den gang.
+Op-éens spande zich met een gepiep de ijzerdraad van de voordeurschel en
+de klepel klepte, met een gebibber van de ijzerdraad en; de schel klonk
+luid langs de witte muren met twee, telkens zachtere herhalingen. Jozef
+zag niet op; alleen knipte hij even snel met zijn oogen. Men kon hem, in
+de diepte van het zaaltje, van de straat af zien zitten, toen Jans de
+deur open had gemaakt voor een juffrouw die zij niet kende.
+
+--Is mevrouw thuis? vroeg een hoog stemmetje.
+
+--Jawel, jufvrouw.
+
+--Zoû 'k mevrouw ook even kunnen zien?
+
+De oude Jans keerde zich om, en, terwijl zij haar hand om de kruk van de
+voorkamerdeur schoof, andwoordde zij.
+
+--Och, wil u hier maar even binnenkomen, asjeblieft?
+
+Haar oogen op-zij, om Jozef niet te zien in de verte, stapte de ranke
+elegante jufvrouw, op haar hooge bottines met verlakte puntjes, in de
+voorkamer, waar Jans haar volgde.
+
+--Kan ik ook zeggen, wie der is?
+
+De jufvrouw reikte in de roestige hand van de keukenmeid, die deze zoo
+juist aan haar boezelaar had afgeveegd, een klein dof-geel
+visitekaartje: Emilie Hartse.
+
+Na een blik tegen de jufvrouw, als had zij dien naam meer gehoord, ging
+Jans wech. Toen zij voorbij het zaaltje kwam, om Mathilde boven te
+waarschuwen, riep Jozef haar binnen.
+
+--Laat eens zien, zeî hij, en daarna herkennend: o! Hij gaf Jans het
+kaartje te-rug, waarna zij de trap opslofte. Jozef ging voort met lezen.
+Na een paar minuten, draalde Jans te-rug, de trap af.
+
+--Zou mevrouw komen?
+
+Ja, meneer.
+
+Maar het duurde vijf minuten; Mathilde kwam niet. Jozef keek eens rond
+en gaf er zich rekenschap van. Nog gingen er vijf minuten voorbij en
+Jozef hoorde niets komen. Toen stond hij op en ging zelf naar de
+voorkamer.
+
+Hij kwam binnen en groette beleefd.
+
+--Jufvrouw ik woû u niet langer laten wachten.
+
+--Dag, meneer van Wilden, hoe maakt u 'et? ... En hoe gaat 'et uw vrouw?
+
+Zij stak hem haar arm toe, die tot aan den elleboog in een zwart
+glacé-en handschoen was.
+
+--Dank u, zij zal zoo wel komen ... En wat heeft men u in lang niet
+gezien ... Dat zal wel een jaar of vier, vijf zijn!
+
+--Ja, ik ben verleden week pas te-ruggekomen in het land ... Er is heel
+wat gebeurd in dien tijd, zeî zij, plotseling ernstig, bijna meêwarig.
+
+--Ja, ja, andwoordde Jozef, het is een groot verlies voor ons geweest.
+Wij hielden zoo veel van hem!
+
+--Hoe houdt uw vrouw er zich onder? ... Och, ik begrijp heel goed, dat 't
+haar een groot verdriet moet doen, maar daartegen is 't al weêr gelukkig,
+dat zij nu zoo'n grooten steun heeft in ... in u. 't Zoû wat anders geweest
+zijn om dat alleen te dragen.
+
+--Ja, zeî Jozef.
+
+Zij spraken er nog eenigen tijd over door. Toen vroeg hij na een kleine
+pauze.
+
+--En is u al dien tijd in Parijs geweest?
+
+Bij deze vraag nam hij haar eens goed op. Zij was een lange vrouw, een
+half hoofd grooter dan Mathilde. Zij droeg haar blond-rossig haar in een
+doffe warrelend-krullende boeket van onder den hoed, die naar voren open
+stond, tot even boven haar fijne als geel-gepenceelde wenkbrauwbogen.
+Zij had erg klare scheIblauwe oogen in ruime kasten. Zij had een dunnen
+vogelen-neus. Haar vel was erg blank, met een doorschijnend rood plekje
+onder elk oog.
+
+--Altijd in Parijs, andwoordde zij, ja!
+
+En zij ging voort met over Parijs uit te weiden. Zij was er eerst op 't
+pensionaat geweest, toen even te-ruggekeerd in Holland en daarna weêr
+voor eenige jaren bij de familie van Riet, den holllandschen konsul in
+Parijs, een broêr van den heer van Riet van Amsterdam. Een wees, zoo als
+zij, vloog als een vogeltje dat geen eigen nest heeft, van den hak op
+den tak, zeide zij.
+
+--En denkt u nu voorloopig in Amsterdam te blijven? vroeg Jozef.
+
+--Ja, zeî ze, tante wordt oud, ik kan haar nu goed gezelschap houden, en
+buitendien, men verlangt toch altijd naar zijn eigen vaderland te-rug.
+
+Zoo zette zich het gesprek voort, maar Mathilde kwam maar niet.
+
+Eindelijk zeî Jozef:
+
+--Mathilde komt maar niet. Ik zal eens gaan hooren wat het is.
+
+--Och, doet u 'et niet, mevrouw kan misschien niet van haar bezigheden
+af.
+
+--Ik begrijp 't wel half, andwoordde Jozef, waarom zij niet komt. U moet
+het haar niet kwalijk nemen. Zij heeft zich het verlies van haar vader
+vreeselijk aangetrokken, ál te erg, vind ik. Zij is in een soort van
+doffen geestes-toestand geraakt, die ik mij niet goed begrijpen kan. Zij
+zit den heelen-dag maar boven, op zijn kamer, om haar vader te treuren.
+Ik laat haar maar stil haar gang gaan. De tijd zal het verdriet van-zelf
+slijten. U zal haar dus exkuzeeren. En Jozef ging Mathilde maar niet
+halen. Hij dacht dat zij misschien roodgehuilde oogen had en liever geen
+vreemde menschen wilde ontmoeten.
+
+Emilie Hartse bleef uit beleefdheid, om niet dadelijk heen te gaan, nog
+even. Haar betrekking tot Jozef bestond eigenlijk hierin, dat zij, die
+een kennisje van Mathilde op de Amsterdamsche school was geweest en
+daarna éen jaar op de zelfde kostschool met haar was geweest, later, bij
+de Stuwen aan huis, waar die kennis voortgezet werd, Jozef nu en dan
+had ontmoet.
+
+Toen Jozef haar nu, na wederzijdsche beleefdheids-betuigingen,
+uitgelaten had, was hij verwonderd in den gang Jans te ontmoeten, die,
+beladen met tafelborden en zilver, bezig was voor het eten te dekken.
+
+--Is het al zóo laat? vroeg zij.
+
+--Ja, meneer, zeî Jans, verwonderd over die vraag, kwart voor vijven.
+
+Toen Mathilde met haar bleeke droevig-droomende gezicht en strakke
+wangen, aan tafel kwam, verweet Jozef haar zachtjes haar
+menschenschuwheid.
+
+--Waarom ben-je niet even gekomen, lieve kind? Emilie Hartse was er. Ze
+was erg verlangend je eens wéêr te zien na zoo'n langen tijd.
+
+--Och, ik ben haar al haast vergeten, en ik was boven zoo druk bezig. Ik
+was niet gestemd. Ik zoû niet weten wat ik met haar zoû hebben moeten
+spreken ... Blijft ze lang?
+
+--Ja, ik heb een heel tijdje met haar zitten praten. Ze is al door in
+Parijs geweest, maar blijft nu voor goed hier.
+
+--Zoo! zeî Mathilde flauwtjes. En zij spraken nog enkele woorden over
+andere onderwerpen.
+
+Na het eten ging Mathilde in het zaaltje zitten vóor het op de
+binnenplaats uitziend raam, aan het lezen van een oud dik met vette
+lettertjes volgekrabd schrijfboek. Het was het dagboek, door haar vader
+in zijn jeugd gehouden, waarin hij al zijn zorgen en zijn vreugden op
+nogal droge manier had neêrgeschreven, door Mathilde in een hoekje van
+het bureau boven ontdekt, en dat ze nu geregeld 's avonds met warme
+tranen beschreide.
+
+Zes dagen later werd er, zoo-wat op hetzelfde uur, op dezelfde manier
+gescheld als dien dag. Het was Emilie Hartse, die vroeg of mevrouw nu
+toch misschien te spreken was. Maar Jozef had Mathilde in zoo een
+droefheid en dofheid na de koffie zien wech gaan, dat hij Jans zeide
+Mathilde maar niet eens te gaan waarschuwen, en zelf weér een half
+uurtje met jufvrouw Hartse ging praten. Deze verzekerde dat 't haar nu
+verbazend speet, dat zij Mathilde zoo graâg had gezien om te probeeren
+haar een beetje te troosten. Daarbij zeî ze ook, dat 't zoo'n groot
+geluk voor haar zijn zoû de kennis met Mathilde, de vriendschap liever,
+te vernieuwen. De menschen waren haar hier zoo vreemd geworden na haar
+verblijf in het buitenland! Zij hield met bijna niemant omgang. En
+Mathilde en zij hadden elkaâr vroeger toch zóo goed gekend! Hierna kwam
+het gesprek op de familie van Riet, waar Emilie aan huis woonde. Jozef
+vertelde, dat de heer en mevrouw van Riet, ongeveer een maand vóor
+Mathilde en hij op reis waren gegaan, nog een avondje bij de Stuwen
+hadden doorgebracht. Toen kwam van-zelf de muziek en de literatuur ter
+sprake. Emilie kende veel fransche romans, van Feuillet, van George
+Sand, enz. Maar Jozef verzekerde, dat er ook mooye nieuwe Duitsche
+romans bestonden en Engelsche. Hier wist Emilie bijna niets van en zij
+liet zich door hem een paar van die boeken leenen, om ze te lezen.
+
+'s Middags aan tafel vertelde Jozef, dat Emilie Hartse er weêr was
+geweest, dat hij haar een boek geleend had.
+
+--Zoo! zeî Mathilde, glimlachte heel even, goedig, flauwtjes, en sprak
+weêr over iets anders.
+
+De zomer verstreek. Tien dagen na haar vorige visite, kwam Emilie zelf
+de boeken terugbrengen. Ze had nog wel nu en dan een woord in de
+dictionnaire op moeten zoeken, maar overigens hadden de romans haar wel
+bevallen. Nû bleef zij wel een uur praten. Jozef leende haar weêr andere
+boeken en nog eens en nog eens, die zij telkens te-rug kwam brengen, dan
+na een veertien dagen, dan na een week. Iedere keer werd er eerst veel
+over boeken gesproken, daarna had Emilie heel wat te vertellen over de
+familie van Riet, van de hoofdpijn en het water in de beenen, waaraan
+mevrouw sukkelde en van de gezelligheid en de gemoedelijkheid van
+mijnheer, maar die wel eens tot vervelendheid oversloeg in den omgang
+zonder einde van het dagelijksche leven. Voorts deelde zij aan Jozef
+haar indrukken over Amsterdam en de Amsterdamsche wereld mede, vergeleek
+die bij de wereld van Parijs, sprak eindelijk over Jozef-zelf, over
+Mathilde en over hun plannen. Jozef vond haar wel een aardig ... ja, hij
+wist niet goed hoe hij haar voor zich-zelf noemen zoû. Emilie was een
+jaar of vier-en-twintig en nog ongetrouwd, dus een meisje. Maar zij was
+ontwikkeld en op de hoogte als een vrouw. Het waren Jozefs aangenaamste
+uren, en die zijn onverdragelijke eenzaamheid het genoegelijkst
+afwisselden, die hij met haar doorbracht. Oh 't laatst vergat hij wel
+eens aan Mathilde verslag te doen, wanneer Emilie hem weêr een visite
+had gemaakt. Te midden van de beleefde troostwoorden die hij dagelijks
+nog tegen haar zeî, kon hij niet goed van zijn vroolijker gesprekken met
+Emilie vertellen.
+
+Eens op een avond, dat zij het theegoed binnendroeg zeî Jans:
+
+--Der staat 'n parasol in den gang, menheer, die heeft zeker jufvrouw
+Hartse vergeten?
+
+Nu trof het Mathilde voor het eerst. Toen Jans wech was, zeide zij
+
+--Is die er van-middag al weêr geweest?
+
+Zij zeide dit wel op haar gewonen toon van tegenwoordig, waar zoo weinig
+belangstelling in was, maar ze zeide het toch.
+
+--Ja, andwoordde Jozef, zij kwam een boek te-rug-brengen.
+
+--Wat komt ze dikwijls! zeî Mathilde, nog onverschillig.
+
+--Och, ze leest graâg, en ze heeft weinig konversatie in de stad ...
+
+Dien avond zat Mathilde weêr te droomen achter het ouderwetsche theeblad,
+terwijl het zaaltje zich in duisternis dompelde en Jozef op de kanapee
+een cigaar rookte, Maar nu en dan, terwijl zij zich onbewegelijk hield,
+richtte Mathilde de oogen naar den kant, waar hij zat, naar de gloeyende
+punt van de cigaar. Zij scheen dan over iets na te denken, dat buiten haar
+droefheid was. Jozef zag het wel, maar hij gaf er zich geen rekenschap van.
+
+--Hoe lang is vader nu al dood? vroeg Mathilde eens, als wist zij dat zelf
+niet het beste.
+
+--Vier, vijf weken, kind, vijf en een halve week.
+
+'s Avonds, bij het goeye-nacht-zeggen, zeî Jozef.
+
+--Willen wij morgen nu niet eens een wandelingetje gaan maken, Thilde,
+het zoû zoo goed voor je zijn ...
+
+--Och nee, nog niet, ik blijf maar liever thuis, ik ben bang voor de
+straat ...
+
+--Kom! zeî hij, maar er was niets aan te doen.
+
+Eenige dagen later kwam Mathilde eens om drie uûr 's middags beneden en,
+voorbij het zaaltje gaande, hoorde zij daar spreken.
+
+Stilletjes ging zij naar de keuken.
+
+--Wie is er bij meneer Jans? vroeg zij.
+
+--Jufvrouw Hartse, mevrouw.
+
+Zij vond 't onaangenaam. Haar doffe, wanhopige rust in de eenzaamheid
+van haar vaders slaapkamer was verstoord. Zij kon vooreerst nog niet
+scheiden van die kamer, maar zij was niet meer zoo onophoudelijk
+verdiept in het denken aan haar vader. Zij zat als naar gewoonte voor
+het bureau, maar betrapte er zich op somwijlen, dat haar blik van het
+voor haar liggend brievenblad was wechgeweken en langs den rand van den
+bovenkant van het bureau dwaalde en dat zij dacht aan Jozef en aan
+Emilie, die misschien beneden samen zaten te praten. Maar dan, als ware
+zij van haar plicht afgeweken ging zij weêr door met lezen met dubbelen
+ijver.
+
+Een week later,--de deur van de dooden-kamer stond open--hoorde
+Mathilde de huisdeurschel gaan. Zij herkende de bizondere trilling van
+het geluid. Als was zij dat al lang van plan geweest, stond zij op en
+ging, haar zakdoek in haar hand naar beneden. Jans deed juist open.
+'t Was Emilie. Mathilde ging op haar toe en, met een eersten glimlach na
+zes weken.
+
+--Wel jufvrouw, het doet me toch plezier u eindelijk eens te ontmoeten.
+
+Emilie zeî te gelijker tijd, met een meêwarig lachje, iets, dat niet
+gehoord werd onder de woorden van Mathilde heen.
+
+--Ja, mevrouw, mag ik u nog wel kondoleeren ...
+
+--Dank u, u begrijpt ...
+
+Zij gingen de zijkamer binnen.
+
+--Ja, mevrouw, dat hoor ik ...
+
+Zij spraken voort. Mathilde verontschuldigde zich, dat zij zoo dikwijls
+op zich had laten wachten. Zij sprak van haar groote droefheid, sprak
+voords over het leenen van de boeken van Jozef, dat zij zeide heel
+aardig te vinden, om toch vooral niet den schijn te hebben daar niets
+van te weten. Toen kwam ook Jozef binnen. Het verraste hem Mathilde daar
+te vinden. Het deed hem pleizier.
+
+Dien avond zaten Jozef en Mathilde onder de thee als gewoonlijk zwijgend
+bij-mekaâr. Zij hadden heel weinig gesproken sinds Emilies vertrek, een
+half uur voór den eten. Jozef dacht juist aan niets anders dan aan de
+geur van zijn cigaar en aan het ongelijk dat hij gehad had met een vrouw
+als Mathilde, die zoo lang bedroefd bleef, te trouwen, toen hij een snik
+hoorde en het lichtje onder de theepot hevig zag waggelen en deinen.
+Mathilde stond op, ging naar hem toe en zeî met een bevenden mond:
+
+--Och toe, ontvang d'r niet meer alleen, die Emilie. wees niet meer met
+haar alleen!
+
+Zij drukte haar gezicht tegen het zijne, terwijl zij haar armen om zijn
+schouders hield en zij morste een traan van haar wang op zijn snor. Maar
+eer hij tijd had van zijn verwondering te bekomen en te-rug te zoenen,
+was zij al van hem van-daan. Zij vluchtte de kamer uit, de trap op, als
+riep een onweêrstaanbare stem haar naar boven, en sloot zich op in haar
+vaders kamer. Daar bleef zij in donker boven het bureau huilen.
+
+Jozef wist niet wat te doen. Eerst wilde hij haar nagaan, maar hij
+bedacht zich, hij bleef zitten, en ging weêr alleen naar bed.
+
+De dagen daarna leefde Mathilde in een veelkleurig peinzen en in een
+wonderlijken tweestrijd. Langzaam, met groote macht, daalde de liefde
+voor het leven, voor het jonge genietende leven in haar hart. Zij was
+verschrikkelijk zenuwachtig. Het eene oogenblik zat zij voor het oude
+bureautje, en wilde er niet van-daan gaan. Maar het volgende oogenblik
+kon zij 't zoo niet langer houden. Zij stond op, liep naar de deur, maar
+bedacht zich weêr, en viel af in lange droomerijen. En terwijl de tijd
+verliep en de eene dag den anderen volgde, doemden daar voor haar geest,
+midden-in de treurige verlatenheid om haar heen, al de indrukken te-rug
+van haar liefdesgeschiedenis met Jozef, droomde zij dat leven over, van
+den eersten avond van zijn verklaring en valt nog lang vóor dien tijd af
+tot aan den laatsten avond van hun huwelijksreis. De tijd van haar
+treuren kwam als vreeselijk lang voor haar. Was dat dan zoo lang
+geweest, dat zij haar man, beneden vergeten had. Hoeveel gedachteloze
+zoenen hadden zij mekaâr in dien tijd gegeven, wat een tijd was het
+geleden, sinds zij mekaâr zoenden den heelen dag! Al de gezichten van
+haar huwelijksreis kwamen op in haar verbeelding, en het kwam uit dat
+zij maar gewaand had zich ongelukkig te voelen toen. Het was was niet
+waar geweest, de bedwelming van dat schokkende nieuwe leven was er geen
+verdoovende geweest, zoo als zij het zich toen gedacht had. Mathilde
+kreeg een kleur van aandoening en begeerte, zij sloot het bureau dicht,
+al de laden een voor een. Zij liep door de kamer heen en weêr, een glans
+over haar voorhoofd. Dat was liet geluk geweest, die huwelijksreis, dat
+de jeugd, dat het genot. Zij streek haar handen over haar wangen en over
+haar zwarte japon, om zich alles goed te herinneren. Er ging een
+prikkeling door haar leden. Een levensgloed schemerde door de doode-kamer.
+Een rijkdom van kleuren, een vloed van onbegrepen genietingen dwarrelden
+er door Mathildes hersens. Haar hoofd bonsde, een drift naar nieuw genot,
+naar meerdere vreugde nog, vulde haar. O, vader, prevelde zij, o, Jozef,
+Jozef, Jozef!
+
+Dien middag aan tafel merkte Jozef nog niets van de verandering in
+Mathilde. Wel zag zij hem voortdurend aan en trachtte nu en dan zijn
+blik op te vangen, om zich er eens rekenschap van te geven of zijn oog
+nog 't zelfde stond als vroeger, als hij naar haar keek, wel waren haar
+gebaren minder loom, maar hij zag 't niet. 's Avonds ook nog niet, maar
+den volgenden morgen, na hun ontbijt van negen uur, waaraan Mathilde hem
+verteld had, dat zij zoo heerlijk had geslapen, als in geen tijden,
+vroeg zij:
+
+--Als je van-middag na de beurs thuis komt, gaan we dan een wandelingetje
+doen?
+
+--Meen je 't wezenlijk?
+
+--Ik verlang er na, zeî ze, ik ben in zoo lang niet uitgeweest!
+
+Jozef bracht er, werkelijk waar, een heden blijden ochtend om door op
+het kantoor. Hij was er gelukkig meê.
+
+Om drie uur gingen ze uit. Voor 't eerst had Mathilde haar rouwhoed op
+met de lange kaper. Toen zij buiten kwam in het groote licht, in de
+levende straat, duizelde haar hoofd. Maar zij nam Jozefs arm, die zoo
+heerlijk steunde. Stil gingen zij voort. Mathilde keek naar haar voeten,
+haar zwart-stoffen laarsjes, om te zien of zij wel precies gelijken pas
+met Jozef hield. Maar het ging niet. Hij maakte te groote stappen. Zij
+wandelden de Hoogstraat door, daarna langs den Kloveniersburgwal tot aan
+den Amstel, tot aan de Hooge Sluis. Hier voelde Mathilde zich moe worden.
+Zij wandelden denzelfden weg te-rug, nog langzamer.
+
+--Hè, zeî Mathilde, die goeye vader, wat hield hij ook van zoo'n loopje!
+
+Maar er klonk alleen nog maar melankolie in haar stem, de hartstochtelijke
+droefheid was overgegaan in het smartelijk-plezierige van de herinnering.
+Toen zij bij hun stoep te-ruggekeerd waren, drukte zij Jozefs arm innig
+met den haren. En zij brachten een avond door zoo als vroeger. Hun levens
+naderden elkaâr weêr zeer.
+
+Nu begonnen er dagen voor Mathilde, zoo gelukkig als zij ze nog niet had
+gekend. Langzamerhand begon ze er vrede meê te krijgen haar vader niet
+meer in haar nabijheid te zien. Zij verbeeldde zich, dat hij nu in een
+hemel, in een soort bovenaardsche sfeer verkeerde en hij van omhoog op
+haar neder glimlachte, als hij zag, dat zij niet zoo mistroostig meer
+was. Haar gevoel dat altijd behoefte aan iets geheimzinnigs bovenaardsch
+had, gaf haar volzinnen in over het nog bestaan en de zaligheid van haar
+vader, die zij zich zelve herhaalde als de gedachte daaraan haar hinderde,
+en die haar te vrede stelden zonder dat zij verder behoefte had er meer
+over na te denken en er zich onophoudelijk meê bezig te houden.
+
+De anderhalf jaar van hun rouwtijd gingen Jozef en Mathilde kalm, zonder
+gebeurtenissen, in altijd weêr vermeerderende liefde, voorbij. In den
+eersten tijd, als Jozef van de Beurs thuis kwam en Mathilde zag hem dan
+zijn boeken opzoeken en gaan zitten lezen en studeeren als een werkzaam
+man, dan deed haar dat een onuitsprekelijk genoegen en had ze hem er nog
+liever om. Zij kwam dan wel naast hem staan, leî haar hand op zijn
+schouder en boog zich over hem heen om ook in het boek te kijken. Zij
+las een paar zinnen met hem meê en vroeg dan, om zijnentwille, wat of
+dit of dat beteekende. Wanneer hij 't haar verklaarde, begon zij tegen
+hem aan te leunen en vroeg meer uitleggingen. Eindelijk zat zij op zijn
+schoot, en het gebeurde dikwijls, dat zij zijn zinnen afbrak, door hem,
+midden in hun ernstig gesprek, zoo te zoenen, dat hij niet verder spreken
+kon. En dan vroeg zij zoenen te-rug, dan bleven zij zoo'n heelen middag
+zitten vrijen als waren zij heel pas getrouwd.
+
+Jozef begon te voelen, dat hij dol veel hield van zijn vrouw, Als zij
+niet bij hem was, was hij zoo gehoorzaam, dat hij 't niet harden kon.
+Kwam zij een oogenblik te laat beneden aan 't ontbijt, een vijf minuten,
+dan was hij ongerust, dan ging hij kijken. Had zij hoofdpijn, dan werd
+hij bezorgd, dacht over middeltjes na, ging zelf naar den apteker. Hij
+was gelukkig in deze afzondering met Mathilde, die zooveel van hem
+hield. Hij verveelde zich niet meer. Hij dacht er den heelen dag aan om
+zijn vrouwtje allerlei kleine pleizieren te doen. Hij had een prachtige
+eikenhouten kist laten maken, met veel beeldhouwwerk er aan, em haar die
+kadoo gemaakt, om er in de volgorde, die zij zelf zoû willen, den inhoud
+van de latafel en van het bureau haars vaders in te verzamelen en te
+schikken. Wat een stille blijdschap voor Mathilde, toen zij op een
+morgen de kist vond staan in het zaaltje, en Jozef haar zeî wat er meê
+gebeuren moest en haar vroeg, waar zij hem gezet wilde hebben, boven op
+de slaapkamer of hier in het zaaltje. Zij verkoos het zaaltje. En, samen
+met Jozef, besteedde zij er nu een paar dagen aan om de zaakjes over te
+pakken, samen met Jozef besprak zij de volgorde, waarin zij de
+voorwerpjes en papieren nu zouden bergen. Hij hielp haar nu met alles.
+Al het egoïsme, de te-ruggetrokkenheid van haar droefheid was verdwenen.
+Zij liet Jozef meêdoen in al de droevige vreugde, die zij van deze
+nieuwe schikking had; telkens vertelde zij zachtjes van de gedachten,
+die er door haar geest gingen onder deze bezigheden. Des ochtends ráakte
+zij zelfs niet aan de kist of aan de reliquiën; zij vond er een zoet
+genoegen in, hem te laten merken, dat zij op hem gewacht had, om samen
+alles te doen, en hem over alles raad te vragen. De kist werd het
+dierbaarste meubelstuk van het zaaltje en van het huis. In de morgenuren
+deed Mathilde het huishouden, wat gedurende haar afzondering heelemaal
+aan Jans was overgelaten geweest. Dan breide en borduurde zij ook. Zij
+maakte een beurs voor Jozef, zij zag het linnengoed na en bemoeide zich
+met zijn kleêren. Hierin vooral begon zij een bizondere liefhebberij te
+krijgen: zich langzamerhand en hoe langer hoe inniger in de
+bizonderheden en uitwendige eigenaardigheden van zijn persoon in te
+wijden; zich er erkenschap van te geven, wat hij al zoo aan zijn lijf
+had, den vorm van zijn boven-en van zijn onderkleêren na te gaan, zijn
+kleine gewoonten te bespieden, uit te vorschen wat hij liever had dan
+wat anders, wat hij verkoos voor hemdsknoopjes, voor halsboorden en
+manchetten, hoe hij zijn jassen droeg, hoe zijn broek en zijn schoenen
+waren ingericht en werden gebruikt.
+
+Zijn persoon werd het voorwerp van haar beoefening. Hem zoo volledig
+mogelijk en in alle onderdeelen te kennen, werd haar doel. Zij wilde
+zijn goede trouwe vrouw zijn en blijven, zij wilde alleen denken om zijn
+geluk en hem gelukkig maken. Zijn mooye lichaam kende zij nu heelemaal;
+zij had al die vormen en de manier, waarop zij zich bewogen, in haar
+verstand opgenomen. Zij wist hoe zijn haar was, waar er rimpels waren op
+zijn gezicht, wanneer hij naar zijn zin geschoren was en wanneer niet.
+Zij wist wanneer en waar zijn wangen rood werden; al de schakeeringen
+van schaduw en licht, van rood en wit en blauwig en grijzig, het geaderde,
+het gladde van zijn gezicht had zij nagegaan, onwillekeurig en toch om
+dat zij het wilde. Hoe kende zij zijn lach en het fronsen van zijn
+voorhoofd; zij kende zijn tanden, groot en wit, zij kende de verschillende
+glansen van zijn oogen, en hun kinderlijke goedige uitdrukking als hij
+blij was, en hun doffen gloed als hij nadacht. Zij kende de aardige
+manier, waarop hij zijn eene wenkbrauw optrok, als er een besluit genomen
+moest worden. Zij kende zijn weinig behaarde armen, zijn zachte borst,
+zijn middel, dat zij altijd met het hare vergeleek, zijn beenen, veel
+langer dan de hare, zijn voeten met hun hooge wreef. En zij had dat alles
+zoo lief, zij vermeide er zich in het als haar heilig eigendom te
+beschouwen. Zijn flanellen verstelde zij zelf met een uiterste zorg. Hij
+raadpleegde haar als er een vest versteld moest worden of een nieuwe das
+gekocht, en over het strijken van zijn overhemden.
+
+Zij snuffelde in zijn kleerenkast. Hij had op hun reis bijna alleen zijn
+grijze reispak gedragen en was na hun te-rugkomst natuurlijk altijd in
+'t zwart en donker-blauw gekleed geweest. Zijn vele andere kleêren kende
+zij alleen, om dat zij ze hem aan had zien hebben vóor hun huwelijk.
+Maar ze nu zoo van-dichter-bij te kunnen beschouwen, ze te betasten, al
+die kleedingstukken en die toiletzaken, die hij als ongetrouwd heer had
+gebruikt en die nu allemaal in haar oude huis waren overgebracht dat
+deed haar een groot pleizier.
+
+Maar zij wilde hem-zelf, zijn binnenste, nog beter kennen. Wanneer zij
+zijn handen half dicht gehouden, vóor haar, op het kantje van de tafel
+zag liggen, met den zegelring aan zijn pink, dan wilde zij weten, wat
+die handen al deden en aanraakten buiten haar tegenwoordigheid, en wat,
+toen zij haar nog niet mochten omhelzen en streden. Wanneer hij 's
+avonds, wat hij dikwijls deed, in het zaaltje op en neêr liep, zijn
+handen op zijn rug, en hij zijn hoofd zoo recht-op droeg, en hij, van de
+hoogte van zijn oogen tot haar nederzag, terwijl zij achter 't theeblad
+zat of aan de tafel te lezen, en dat gezicht hem ernstig en vol liefde
+over haar na scheen te doen denken, dan wilde zij weten naar wat of naar
+wien die blikken zoo gingen en die gedachten zich richtten in haar
+afwezigheid, vóor en tijdens hun huwelijk, toen hij niets aan haar had
+gehad. Zoo kwam zij hem over alles te ondervragen. Zij stelde belang in
+zijn kantoorzaken, in de Beurs. Hij moest van-alles vertellen, om haar
+te vrede te stellen: hoe zijn bedienden er uitzagen, hoe de boeken
+werden gehouden, of hij pleizier had in de zaken, of het personeel hem
+eerbiedig behandelde, of hij in zijn appart kabinet zat en van daaruit
+de zaken bestuurde of hij een mooyen lessenaar bezat, of hij veel
+visites kreeg op het kantoor, of er wel eens vrouwen kwamen. O, stellig,
+als hun rouwtijd om was, zoû zij hem stellig daar komen opzoeken en zijn
+omgeving eens goed bekijken. Emilie Hartse kwam er toch nooit, nietwaar,
+nooit? Wel neen, andwoordde hij, hoe kon ze er aan denken, er kwam nooit
+een vrouw Ik heb zoo'n groot vertrouwen in je, verzekerde ze hem wel, ik
+weet niet hoe het komt, maar ik heb zoo'n groot vertrouwen in je, dat ik
+eigenlijk maar weinig jaloersch ben. Hierna ondervroeg zij hem, met een
+ontzachlijke nieuwsgierigheid, naar zijn levens-inrichting van vóor hun
+huwelijk. Ja, zij wist er wel veel van, want, daar zij zooveel omgang
+met elkaâr hadden gehad, altijd, had hij natuurlijk veel verhaald, maar
+was alles wel waar geweest, wat hij vertelde? wat had hij verzwegen?
+Och, hij kon nu gerust alles zeggen, nu waren zij toch getrouwd! En hij
+zoende haar en deed de verlangde verhalen, tot in de minste onderdeden,
+en telkens vroeg zij meer, telkens nadere bizonderheden tot dat zij het
+zich volledig kon voorstellen.
+
+ * * * * *
+
+Emilie Hartse kwam af en toe visites maken bij Jozef en Mathilde, en
+Mathilde doorleefde een aangenaam kwartiertje, toen Emilie eens een heer
+meêbracht, Louis Berlage met wien zij geëngageerd was. Mathilde was toen
+bizonder hartelijk tegen Emilie en zij schenen groote vriendinnen.
+
+Maar het gelukkigste voelde zich Mathilde als zij en Jozef alleen waren.
+En dat duurde maar voort, dag in dag uit. Mathilde was dronken van
+geluk. Zij voelde het stijgen van haar hart tot in haar keel en zij kon
+'t niet uitspreken, zóo overstelpte het haar. Al de warme liefde van hun
+engagementstijd en al het onbeschrijfelijk genot van de huwelijksreis
+schenen zich te vermengen en haar in een tweede natuur om te scheppen.
+Zij had hem eindeloos lief! Zoo zoû 't altijd blijven bij haar, dat
+voelde zij wel en zij schrok te-rug voor de macht van haar eigen gevoel.
+Alleen maar als hij naderde, schoot er als een vlam naar haar hoofd, en
+nam hij haar in zijn armen, dan leunde haar hoofd achterover tegen zijn
+schouder en weende van zaligheid. Ze zoû altijd bij hem hebben willen
+zijn, zij wilde altijd weten wat er in hem omging. Soms vroeg ze hem
+in-éens, half bedroefd: waar denk-je aan?, als ze een tijdje zwijgend
+bij elkaâr waren geweest. Dan deed 't haar verdriet van-zelf niet te
+weten wat hij dacht. En 's nachts, als zij te slapen lag tegen zijn
+borst, hief ze haar hoofd naar hem heen en fluisterde zoo zacht, zoo
+zacht als de gedachte: hoû-je van me? Hij moest het vijf maal, zes maal
+zeggen, dan vroeg ze hem om een zoen en sliep gerust in. En 's morgens,
+als zij was opgestaan en hij nog doorsliep, en ze ging even voor het
+venster kijken in de eerste frischheid van het ontwaken, dan, met de
+herinnering van den vorigen avond en het vooruitzicht van een daggelijk
+aan dien van gisteren, dan werd het haar te benauwd in haar gelukkig
+hart, dan moest het venster open al was het koud, dan moest ze ruim
+kunnen ademhalen, en de liefdevreugde, die blonk uit haar oogen, doen
+uitstralen in de open lucht.
+
+Was zij vol kleine oplettendheden, zocht hij op allerlei manieren haar
+pleizieren te doen, haar liefde was vindingrijker. Zij dacht over alles,
+zij wist alles te raden en zijn wenschen te voorkomen. Zij ging 's
+middags nu dikwijls wandelingetjes doen, door de Damstraat en den
+Nieuwendijk en bracht iets voor hem meê, dat hij dan onder zijn servet
+vond liggen, aan het eten. Zoo had hij allang verlangd naar een
+horlogeketting. Zijn gouden had hij voor de rouw afgelegd. Nu had hij er
+nog wel een van platina, maar die besloeg, en beviel hem niet. Hij
+vergat maar altijd er zelf een te koopen of wel hij zag er alleen, die
+niet van zijn smaak waren. Na lang rondkijken had zij er eindelijk een
+uitgestald gezien en die gekocht: een breed zwart geribt lint, met
+enkele dofzilveren versierselen. Thuisgekomen, bevestigde zij het met
+haar slanke handjes aan zijn vest, en hij was er erg gelukkig meê.
+
+--Telkens als je nu op je horloge kijkt, zeide Mathilde, moet-je nog
+eens speciaal aan mij denken, ... natuurlijk moet je altijd om mij
+denken, om dat ik zooveel, zooveel van je hoû, maar dan nog eens
+bizonder. Hij beloofde het.
+
+Mathilde had ook een uitgebreide studie gemaakt van zijn gelief-koosde
+spijzen en dranken. Hij had niet graag, dat zij zelf veel in de keuken
+kwam. Van zulke duitsche zeden hield hij niet, beweerde hij, die zaken
+moesten aan de keukenmeid overgelaten blijven. Maar zij deed 't toch 's
+morgens, als zij wist, dat hij niet thuis komen zoû, en onder beurstijd.
+Hoorde zij dan maar even zijn huissleutel ritselen aan de voordeur, dan
+haastte zij zich de keuken uit en liet Jans verder begaan. Er waren twee
+soorten van pudding en éen manier om met kruiden ossevleesch te braden,
+daar hij erg op gesteld was; dit had zij gemerkt, om dat hij dat op reis
+zoo dikwijls had besteld. Telkens als deze spijzen nu op tafel kwamen,
+zag zij duidelijk aan Jozef, dat hij haar verdacht van weêr in de keuken
+te zijn geweest, maar zij ontkende ten stelligste, en na den eten kreeg
+zij er toch een zoen voor.
+
+Zoo leefden zij, bijna onophoudelijk met hun tweeën alleen, het najaar
+en den winter en daarna weêr den zomer door. Intieme kennissen hadden
+zij niet; alleen van den ouden heer Berlage, den ingenieur Ster, mevrouw
+van Borselen en Emilie Hartse kregen zij een paar visites. Maar Jozef,
+die Mathilde zoo mooi vond en zoo dikwijls tegen haar zeî: wat ben
+je toch mooi!, Jozef, die ijdel was en van vertoon hield, begon
+langzamerhand naar meer menschen-zien te verlangen, om benijd te kunnen
+zijn.
+
+Al dikwijls hadden Jozef en Mathilde over het nieuwe huis gesproken, dat
+zij in een niet al te verwijderde toekomst zouden betrekken, over dat
+huis, dat eigenlijk pas wezenlijk hun huis zoû zijn, heelemaal naar hun
+idee ingericht en gemeubeld. Telkens werd er weêr over gesproken en
+weêr. Mathilde volgde in alles Jozefs meening en Jozefs smaak, of wel
+zij had een nieuwe opmerking, die hij met geestdrift aannam. Maar er was
+nog niets besloten. Vooreerst werd de vraag behandeld, of men in de
+Vondelstraat-buurten een huis zoude zoeken of aan een van de mooye
+grachten, Heeren-of Keizersgracht. Mathilde, die verliefd was op alles
+wat "buiten" en "vrije" natuur heette, was wel eerst voor de nabijheid
+van het Vondelpark, maar, om dat Jozef van die meening was, vond ook zij
+ten laatste de hoofdgrachten nog deftiger, stiller, rijker, aangenamer.
+
+Zij waren in de laatste zes weken van hun rouwtijd, in de lichte rouw,
+toen er op een goeden dag besloten werd, dat Jans een rijtuig zoû
+bestellen, waarmede Jozef en Mathilde huizen zouden gaan zien. Mathilde
+had dagelijks uit de koerant opgeteekend waar er huizen te huur of te
+koop stonden in de buurt, die zij hadden verkozen. Zij had dit lijstje
+in haar zak gestoken. Vier, vijf dagen achter-mekaâr werd er gereden en
+drentelden zij zich moê door vertrekken en portalen, trap op trap af in
+die ontmeubelde en verlaten woningen, met hun kale trappen en kale
+vensters en hier en daar vlekken op de vloer, die zoo een weemoedig
+aanzien hadden en aan het leven deden denken, wat er voor altijd uit
+wech was. Het gaf een heele beroering in hun stille samenleven. Mathilde
+dacht meer dan gewoonlijk aan haar vader gedurende dezen tijd.
+
+Eindelijk was er een uitmundend huis gevonden op de Heerengracht bij de
+Spiegelstraat. Jozef huurde het voor acht-en twintig honderd gulden. Van
+toen af aan werd week aan week de drukte grooter. Dat waren maar van den
+eenen dag op den anderen dag bezoeken van den makelaar, van den
+timmerman, van den schilder, van den stucadoor, van den loodgieter. Dan
+moest Mathilde, op Jozefs verlangen, zich plotseling gauw aankleeden om
+meê te gaan overleggen over de veranderingen, die gemaakt zouden worden,
+of over nieuwigheden in den gang, of in de verdeeling der kamers, in de
+plafonds. Dán troonde hij haar weêr meê naar den behanger, naar den
+meubelmaker, waar zij vooral haar oordeel moest zeggen en zij alleen
+besluiten te nemen had. Dan weêr wandelden zij naar den winkel van
+schoorsteen-ornamenten, naar het magazijn van keukengerei. Mathilde had
+maar te bevelen en zij kóos en koos. Vroeg zij thuis aan Jozef
+eenigszins bedeesd, of ze niet te duur gekozen had, dan legde hij haar
+het zwijgen op. Over geldzaken zouden zij spreken, als ze eens goed en
+wel een paar gepozeerde getrouwde menschen waren geworden en in hún huis
+hun gezin hadden gevormd.
+
+Met kleine bevingen van hoop zag Mathilde, wanneer zij dagelijks dien
+kant uitwandelde, de nieuwe woning zich in-en uitwendig voltooyen tot
+een mooi huis, tot een gebouw, dat in alles, in de minste bizonderheden,
+het huis van Jozef en haar zoû zijn, het huis van hun geluk. Zoo stelde
+zij het zich voor. En als zij opmerkte hoe de versche kleuren blonken en
+de spiegelruiten schitterden in de zon, dan zag zij er tegen op met een
+onuitsprekelijk verlangen. Zij telde de dagen, die haar nog van het
+nieuwe huis scheidden. Het was haar of zij Jozef nog niet genoeg liefhad,
+of het heerlijkste nog komen moest. Haar hoop en haar verlangen
+vermeerderden met den dag.
+
+Zoo ging weêr de tijd voorbij. Zij waren al een paar maanden uit de
+rouw, toen eindelijk, eindelijk! het nieuwe huis werd betrokken.
+
+
+
+
+VIII.
+
+
+Een flink huis. Dat was me een drukte geweest, dat metselen en timmeren
+en schilderen en behangen en meubelen! Jozef vond, dat alles er recht
+goed in orde was, Mathilde vond het ook. Achter de hooge, zij 't ook
+niet dubbele stoep, kwam men binnen in den breeden marmeren gang, waar
+een gaslantaarn van matglas en koper nu een getemperd licht verspreidde.
+Daar vond men terstond aan zijn linker hand, de deur van den salon,
+Mathilde zeî "voorkamer", die op de straat uitzag.
+
+Deze kamer, met de fijn geschilderde wandvlakken en de gedekoreerde
+zoldering, in lichte kleuren, met geelgouden randen, was vol frischheid
+en jeugdig leven. De schoorsteen, juist tegenover de deur, was hoog van
+dooraderd zwart marmer, met een rijkomlijste, uitstekend geslepen
+spiegel, vast aan den muur, er boven. Op den mantel stonden twee dunne
+pompadoer-vaasjes; in 't midden was er een half naakt herdertje in roode
+klei, wiens fraai gebogen rug en zware lange lokken door den spiegel
+werden weêrkaatst. Dunne lichtelijk versierde koperen gasarmen, die door
+porseleinen kaarsen vlammetjes uitwierpen, en een zwierige rankgetakte,
+aan een blauw satijnen strop hangende gaskroon van uit het hart der
+zoldering dalend, gaf dezen avond lachende glansen door de kamer. Poeffen,
+kleine divans en lage heelemaal gekapitonneerde leuningstoeltjes waren
+in een behagelijke wanorde over het rozig-blauwe tapijt gezet. Er waren
+stoelenzittingen van grijs-blauw satijn, met teedergetintte ruikertjes.
+Een zwart ebbenhouten tafeltje was op glazen rolletjes tot nog al dicht
+bij de ramen geschoven. Een koperen bloemvaasje dat zich delikaat en
+statig naar de hoogte ontplooide met een theerozen-ruiker er in, stond
+op die tafel. Breede dunne witte kanten strooken waren langs de ruiten
+ontrold. Hier achter drapeerden zich kanten overgordijnen, op de helft
+wechgeheven door zachtgouden banden en kwasten. Men zag op straat door
+een netwerk van vreemde figuren heen.
+
+Een geur van feestelijke blijdschap en jonge hoop zwierde er door de
+kamer, een vreugde straalde van al het huisraad. 't Was 16 April, Jozefs
+verjaardag. Voor 't eerst dat Mathilde een partijtje gaf. Daar stond zij
+nu, haar eene hand aan de tafel geleund; haar rechtervoet durfde zij
+niet vast neêrzetten op de vloer, scheen 't, als knelde het schoentje
+haar, ten minste zij wiebelde er zoo wat meê heen en weêr. Daar stond
+zij nu, van licht-blauw satijn en witte kant omwikkeld, in het kostuum,
+dat overeenkwam met de kleuren van de kamer, meesteresse in haar eigen
+buis. Zoo als het satijn om haar lijf was gegleden waren er glansplekjes
+op als schenen de zoenen er door die Jozef, met zijn minnaarsliefde, op
+haar lichaam had gedrukt, en plooyen vol schaduw, die donker-blauw, haar
+hals-en armen-kleur mooyer maakten.
+
+Jozef drentelde achter in de kamer, waar de piano stond, heen en weêr op
+zijn hielen, langzaam het hoofd naar voren buigend, zijn tong tusschen
+de lippen van pleizier. Hij was in zijn zwarten rok en witte das,
+uitstekend in orde. Hij had aan zijn snor gelikt en zeî:
+
+--Nee, Thilde, als je zoo'n pijn hebt, dan dansen we maar niet.
+
+--Maar, man, zie je dan niet, dat ik hier expres blijf staan en niet ga
+zitten, om je te laten zien dat mijn pijn heelemaal over is ...
+
+--Hoû-je van me, Thilde? laten we dan niet dansen, want je voet zoû er
+stellig erger door worden ...
+
+--Gut, ik voel niets meer ... wezenlijk niet ... je moet bepaald
+proponeeren om te dansen ... zal je 't nu doen?
+
+Neen, knikte Jozef. Toen moest Mathilde iets verzinnen. Zij leunde
+plotseling niet meer op de tafel, en liep recht als een kaars, zonder
+verwikken of verwegen, naar Jozef toe. Vlak vóor hem, bleef zij staan:
+
+--Ah, zoo! zie je 't?
+
+--Lieve kind, zonder jouw wil ik niet dansen, en zelf dansen kun-jij
+toch niet, al loop je nu ook even door de kamer, met nog zooveel
+schijnbaar gemak.
+
+Jozef hield ontzaglijk veel van dansen, dit wist zij. De laatste woorden
+waren hem nog niet uit den mond, of ze was om hem heen aan 't springen
+en huppelen over 't tapijt, zoo vlug als ze maar kon. Haar pijnlijke
+voet raakte geweldig de vloer en dan rilde het heele been en ruischte de
+satijn met een smartelijk gesis om haar leden. Hij bleef weigeren; maar
+zij, hijgend nog van de beweging, leî ze haar handen op zijn borst, en
+terwijl een wolkje van den boschviolen-geur, dien zij op haar zakdoek
+had, tegen zijn gezicht zweefde, en van haar oogen uit scheen te waayen,
+die als donkere violen waren, zweeg zij glimlachend.
+
+--Kindlief, wat ben ik trotsch op je, zeî Jozef! we zullen dansen als
+razenden, want jij wilt 't om mij, en van-avond, als de menschen wech
+zijn, zal ik je voeten zoenen, tot je niets geen pijn meer voelt.
+
+--Je bent goed ... ik hoû van je, ik hoû van je, andwoordde ze, en
+dadelijk hierna: daar zijn ze eindelijk! Zij hoorde de gasten aankomen.
+
+In den gang wandelde een gehuurde knecht. Hij had een baard om zijn kin
+en een gewoon burgermans-geen knechtenkapsel. Hij droeg katoenen witte
+handschoenen, waarvan de knoopjes los hingen, om zijn boodschaphanden.
+Zijn schoenen waren niet puntig, meer breed, van voren. Dientje, de
+knappe werkmeid, was druk in de weêr. In de zaal, achter, stonden groote
+blauwe schotels met zilveren handvatsels, waarin kleine gebakjes in
+witte papiertjes met uitgeschulpte randjes, op de tafel zonder kleed.
+Hiernaast blauwe schotels met zilveren handvatsels, waarop stapeltjes
+boterhammetjes deels met galantine, deels met pâté de foie gras belegd;
+een vijf-en-twintigtal laage, wijde champagneglazen, een 40-tal gewone,
+mooi geslepen roode-wijn-en een 30-tal groene, antieke Rhijnwijn-glazen.
+Verder flesschen, lange en korte, met zilveren papieren om den hals en
+goud beletterde etiketten. Dientje met een helder voorschoot, in een
+katoentje, en een paars feestmutsje op, liet zich door Frits den knecht,
+terwijl hij in zijn te lange en lubbige vingertoppen kneep, verschillende
+ongepaste aardigheden zeggen, wanneer ze van de keukentrap naar de zaal
+ging en omgekeerd. Dan zorgde hij, dat hij bij de trap was, en als ze in
+de zaal verdween, bleef hij haar, zijn hoofd naar den linker schouder
+gebogen, met zijn kleine oogen glimlachend nastaren. Hij plukte dan eens
+aan zijn baard en kuyerde naar zijn standplaats te-rug om het "volk" af
+te wachten.
+
+Drie rijtuigen hielden bijna te-gelijk voor de deur stil. De menschen
+verschenen met heele hoopjes bij mekaâr, als hadden zij 't afgesproken.
+Met giegelend-gefluisterde groeten en beleefdheidsbetuigingen schoven de
+dames, in sneeuwige mantels over de koude schouders en met hunne
+versierde hoofden naar de achterkamer om hun mantels af te doen. Frits
+wees den weg, na dat hij met zijn hoofd buiten de deur den koetsiers
+"twee uur" als tijd om te-rug te komen had toegeroepen. De heeren wipten
+achter hun dames snel de stoep op; hun glimmende schoenen kletsten en
+kraakten piepend over de steenen treden.
+
+De heele achterkamer was in-éens vol beweging. Een gezwaai en geslinger
+van schoudermanteltjes, wollen doeken en halsdasjes voor 't koû vatten
+en een gegolf van sleepen, een bloeyen van ronde schouders en een
+geflikker van goud en juweelen en een somber samenzinken van overjassen,
+omwalmd door den reuk van versche, sterke haar-en zakdoekwatertjes, die
+Frits en Dientje naar 't hoofd steeg. De dames bekeken elkaârs japonnen,
+ze verheven zich, de eene achter de andere, voor den spiegel om hun haar
+goed te doen of een roode bloem aan hun borst te verschikken. De heeren
+klopten langs hun mouwen, spatten met den vinger een pluisje van hun
+breede roklapellen. Een trok er zijn broek meer onder zijn vest. Frits
+keek maar al naar Dientje, greep haar éens bij den schouder,
+voorwendende achter haar heen te dringen zonder haar te hinderen, om
+daar een heer te helpen, die zijn overjas niet uit kon krijgen.
+
+Weêr door den gang, brachten nu de heeren hunne dames naar voren. Een
+warme pasteilucht kwam onbescheiden door de reet van een deur beneden,
+want de oude Jans was nieuwsgierig naar de toiletten en keek om een
+hoekje.
+
+Mathilde stond bij den ingang van de voorkamer. Het eerst kwam binnen:
+de heer en mevrouw Berlage. Na hen Louis Berlage, hun zoon, die aan zijn
+arm had mevrouw de weduwe van Borselen. Dan volgden de heer Ster, met
+mejufvrouw Emilie Hartse. Hier achter kwamen glimlachend een viertal
+jeugdige heeren, waarbij Hasman en d'Ablaincourt van de club ...
+
+--O, mevrouw, dank u, ik ben zoo gelukkig van uw invitatie gebruik te
+kunnen maken.
+
+--'t Doet me heel veel pleizier, mevrouw meneer ...
+
+--Mevrouw van Wilden ...
+
+--Mevrouw ...
+
+--Meneer ...
+
+--Dag, van Wilden, gefeliciteerd niet je verjaardag.
+
+--Hoe gaat 't meneer Ster?
+
+--Jozef, nog vele jaren hoor.
+
+De heer Berlage was lang en mager en bleek: een spitse, stekelige kin en
+neus, kleine flikkerende groene oogen en een doffe, logge wrat boven het
+linker oog. Hij was rijk en aanzienlijk geworden door zijn huwelijk met
+mejufvrouw van Wilvliet, nu een vijftigjarige vrouw, vriendelijk
+uiterlijk, met hagelwitte tanden die voortdurend zichtbaar bleven, en
+een ter neêr gebogen neusje. Ze droeg haar haar nog in fladderende
+bochten afhangende op het voorhoofd tot maar heel even boven de oogen:
+donkerbruin haar. Zij ging naast Mathilde zitten en gebruikte al
+dadelijk haar groenen waayer.
+
+--Wel mevrouwtje, wat is u hier allerliefst geinstalleerd ...
+
+--Ja, mevrouw, zeî Mathilde, het huis bevalt mij wel. 't Was een heel
+gelukje voor ons dat het juist te koop was en zoo heelemaal naar onzen
+smaak. Mijn man heeft ook erg zijn best gedaan om alles netjes te
+krijgen, en nu is 't zoo geworden, ziet u ... maar u, mevrouw, dat is
+waar ook, hoe gaat 't u toch sinds uw laatste ongesteldheid ... daar men
+'t eerst aan denken moest, ... maar hoe gaat 't u? En ze glimlachte.
+
+--Och, 't gaat nog al, dank u, langzaam maar zeker vooruit, zegt het
+spreekwoord, en zoo hoop ik nu maar dat het met mijn persoontje ook
+gaan zal.
+
+--En, zoo als ik zie, maakt meneer Louis het ook nog heel goed.
+
+--Ja, mevrouwtje, dat zoû ik u niet durven toegeven, de goeye jongen
+heeft het zóo druk, zóo druk, u kunt er u geen idee van maken ... En dat
+werkt wel een beetje op zijn gestel. Nu is hij weêr zijn zaak aan 't
+uitbreiden door Parijsche relaties. 's Morgens voor dag en voor dauw
+opstaan en dan nog in de dikke donkerte soms naar 't kantoor, welk weêr
+het ook is ...
+
+--Maar als men de verwezenlijking van zijn illuziën in 't vooruitzicht
+heeft ...
+
+--Ja, ja, u heeft wel gelijk, het aanstaande huwelijksbootje doet al
+heel wat over 't hoofd zien, niet waar, Emilie? vroeg ze aan
+jufvrouw Hartse.
+
+Mevrouw van Borselen was een beetje van de andere dames af in een
+fauteuil gaan zitten. Meneer Ster kwam bij haar staan, om een praatje te
+maken; hij hield zijn gibus op zijn rug en klepte er meê heen en weêr.
+
+Intusschen hoorde men weêr het geratel van rijtuigen over de
+straatsteenen, dat op eens koud en hard werd als zij de Spiegelstraat
+uitdraaiden en dan voor van Wildens deur staakte, terwijl de koetsier
+ho! riep, als de wielen nog even langzaam voortgingen, en, zijn neus
+ophalend, klak! van de bok sprong om zachtjes het portier te openen. De
+andere menschen kwamen aan en de kamer was al gauw gevuld: een makelaar
+met zijn vrouw en twee officieren, kennissen van Mathildes vader
+zaliger, leden van de club met hun vrouwen, beurskollegaas van Jozef,
+waarbij een, die zijn dochters, twee roode meisjes, meêbracht, en zo
+verder. Toch waren alle menschen er nog niet.
+
+Jozef verontschuldigde zich bij de heeren, die een druk brommend gesprek
+hadden aangegaan, en ging naar Mathilde bij de dames.
+
+--Ik begrijp niet, zeî hij, dat Karel Rietwijk en de dames Huf er nog
+niet zijn. Als zij het maar begrepen hebben.
+
+--Misschien heeft uw bediende de andere invitaties vergeten te ... te ...
+te doen, zeî meneer Ster, die juist naast mevrouw van Borselen stond,
+verlegen, daar zij geen van beiden een woord spraken.
+
+--Maar, meneer Ster, andwoordde Mathilde, u schijnt geen groote gedachte
+van ons dienstpersoneel te hebben. Frits heeft de briefjes rond gebracht
+nietwaar Jô?
+
+--Ja, Frits, ik zal 'm toch 's even gaan vragen ...
+
+Na eenige minuten kwam Jozef weêr binnen:
+
+--Frits heeft doodeenvoudig de andere invitaties nog in zijn zak. Op den
+laten avond zegt hij, heeft hij er wat van afgedaan, den volgenden
+morgen werd hij voor een rijpartij (hij is koetsier en van alles) vroeg
+opgescheld den heelen dag met studenten uit geweest, den volgenden dag
+een begrafenis ... enfin, hij had de andere briefjes glad vergeten ... Nu
+kunnen we, dunkt me, niet beter doen dan de vrinden wel ons exkuus te
+maken, voor de te-leurstelling, en ons, zoo als we nu zijn, toch zoo
+goed mogelijk te amuseeren ... wat dunkt u?
+
+Gemompel, lachjes, kwinkslagen, verschuiven van stoelen, opstaan, een
+geruisch en geschommel.
+
+Toen alles weêr een beetje tot rust was gekomen en Dientje ten tweeden
+male met de japansche theekopjes was rondgegaan, terwijl ze bloosde en
+verbleekte, glimlachte en heel ernstig keek, ging Emilie Hartse in-éens
+naar Jozef, die toevallig alleen stond. Zij was groot en rond.
+
+--Doet u nog aan de muziek, meneer van Wilden?
+
+--Nee, jufvrouw, dat is er met het huwelijksleven wel een beetje bij
+ingeschoten ... Wat zal ik u zeggen ... Maar wat u daar vraagt brengt me
+op een uitstekend denkbeeld. Zoû u ons niet eens op een lied willen
+onthalen? ... ja, ja, dat moest u doen ...
+
+--O, meneer! ...
+
+--Jozef, zullen misschien de heeren daar (ze doelde op de oude heeren)
+nu ook een partijtje willen gaan maken in de achterkamer, Whist of
+Quadrille? vroeg Mathilde luid.
+
+--Ja, of zullen we eerst een beetje muziek maken en onze piano inwijden?
+Ik proponeerde daar juist aan jufvrouw Emilie ...
+
+--Heel graâg, heel graâg, wat dunk u, mevrouw, en u, en u ...?
+
+Dit werd algemeen goedgekeurd, en zóo hevig, dat Louis Berlage
+bedremmeld werd over het suukses dat Emilie hebben zoû, en om dit te
+verbergen, met de grootste kalmte zijn kopje van den schoorsteenmantel
+nam om eens te drinken en de helft van de thee over zijn overhemd, broek
+en vest liet vallen. Mathilde en Jozef kwamen naar hem toe om hem te
+helpen. Emilie begon hard te lachen en de anderen praatten luider, met
+schuine blikken naar Louis.
+
+Emilie ging gauw naar de piano en juist was zij in een trillenden hoogen
+toon een lied van Schubert begonnen te zingen, toen Louis van de keuken
+te-rug-kwam, met een groote bruine vlek op zijn overhemd en verslagen
+gezicht. Hij zag haar daar hel verlicht bij de piano. Wat is ze toch
+lief! dacht hij. Wat is hij toch ordinair! dacht zij. Jozef
+akkompaniëerde en zij bekeek tusschenbeide zijn profiel en zij dacht dat
+haar stem om dat profiel zoo goed was van-avond, en ze dacht al na, en
+o! wat een verschil tusschen die mannen, Jozef en Louis! En toch was
+Louis zoo kwaad niet. Een jongensneus en in 't algemeen iets kinderlijks
+kenmerkte hem, hoe knap hij ook zijn mocht in zijn vak. Maar dit was 't
+juist, waarom zijn moeder hem zoo mocht lijden. Zoo onschuldig en zoo
+knap!
+
+Het lied was uit en de menschen klapten een beetje in hun handen. Emilie
+was gaan zitten naast Jozef. Toevallig zat Louis aan haar anderen kant.
+Haar gezicht bleef naar Jozef gekeerd, die haar ook wel aardig vond, en
+waagde Louis het even tegen haar te spreken, dan andwoordde zij kort en
+stuursch, en dat vond hij heel lief van haar. Waarom, dat wist hij niet.
+
+De menschen waren nu weêr aan 't praten. Hasman en D'Ablaincourt hadden
+een kennis aan mevrouw van Borselen voorgesteld, en deze drie vormden nu
+een kringetje om haar heen. Eenige anderen hadden zich bij den
+schoorsteen geschaard. Twee leunden met hun ellebogen op den mantel en
+hadden hun handschoenen uitgetrokken. Een zeer jong een bedeesde
+menheer, de jongste bediende van Jozefs kantoor, dien hij poesseeren
+wilde maar nu zelfs nog had vergeten te groeten, had zich, bijna zonder
+dat iemant het merkte, bij het gezelschap gevoegd. Hij was zonder rok,
+maar droeg een gekleedde jas en zwarte das. Hij stond midden in de kamer
+met een soort van droefheid vóor zich uit te staren en wreef zijn roode
+heete handen op zijn rug zachtjes tegen mekaâr. Mathilde had hem al lang
+in het oog en woû hem een beetje uit de verlegenheid helpen. Zij stond
+op en ging, midden door de gasten, naar hem toe. Met glansjes van
+welwillendheid in haar gezicht sprak ze hem aan. Hij nam een hand van
+zijn rug en begon die aan zijn kin te houden, er kwam iets roods in zijn
+oogen. Hij had blond haar, voor deze gelegenheid met bizondere zorg naar
+de hoogte en achteren gestreken.
+
+De menschen spraken nu zachter in allerlei afzonderlijke gesprekken;
+verscheiden heeren keken naar Mathilde in haar lange satijnen japon,
+blinkend midden in de kamer, hel onder het gele licht. Jozef kwam ook
+bij zijn vrouw en den bediende staan:
+
+--Hee, Marinus, ik had je nog niet eens opgemerkt, je bent ook zoo stil,
+jongen.
+
+--Och, meneer!
+
+Mevrouw Berlage fluisterde tot mevrouw van Borselen achter haar waayer:
+Wie toch Mathildes naaister is?
+
+Juist kwam Frits binnen, een groot blad vol glazen wijn en punch op zijn
+handen, waar hij, ernstig en zorgzaam, meé rond ging. Mevrouw van
+Borselen nam een glaasje rooden wijn.
+
+--Zullen we u nu niet eens genieten, mevrouw, vroeg Jozef hoffelijk.
+
+--Meneer, u weet niet, hoe 't me spijt, maar ik ben te verkouden.
+
+--Kom, kom, het zal toch wel gaan, probeert u maar eens.
+
+--Nee, wezenlijk! ... O, ik vind het zelf onaangenamer dan u denken
+zoudt.
+
+--Kom, mevrouw, zeî mevrouw Berlage, doet u 't maar! en er kwamen van
+achteren verscheiden heeren en dames die de blonde weduwe van Borselen
+met smeekingen om toch iets te zingen overlaadden.
+
+--Dat mooie lied van Heine door Schubert gekomponeerd, dat u zoo
+heerlijk voordraagt!
+
+--Toe mevrouwtje, laat u niet zoo bidden.
+
+Mevrouw van Borselen bleef weigeren. Zij kuchtte in haar neteldoekschen
+zakdoek, bewoog haar waayer zenuwachtig.
+
+Een jonge dame, een bleek mager meisje, heel in 't zwart gekleed, zoû nu
+iets doen. Deze maakte geen enkel exkuus, maar, na een paar heeren
+verzocht te hebben een eindje op-zij te gaan staan, om dat ze dan vrijer
+was in haar gebaren, begon ze met een hel stemmetje een burgerlijk deuntje:
+
+    Wat is de liefde?
+    Ik weet 't niet, mijn kind.
+    Wat zegt de liefde?
+    Zij spreekt niet, zij bemint!
+
+Zonder de minste hapering bracht zij 't er af. Iedereen vond 'et bepaald
+leelijk. Toen het laatste koeplet gedaan was zeî niemant een woord. De
+dames, die in Jetjes, zoo heette het meisje, nabijheid zaten, prezen
+haar zeer: O, jufvrouw, wat was dat allerliefst! Hasman, die als een
+grappenmaker bekend stond, sprak zeer luid, een traan in zijn stem, van
+den anderen kant van de kamer, waar hij op een kanapee zat: Jongen, ja,
+jufvrouw, 't was heerlijk! U heeft me daar diep geroerd! Hasman was een
+eenigszins dikke heer, met een rooden snor. De blonde jongeling snapte
+zijn grap en wierp hem in al zijn verlegenheid een woedenden blik toe.
+Jetje was de zuster van den blonden jongeling. Terwijl men hier en daar
+een slokje wijn of limonade dronk en dan het glaasje weêr voorzichtig op
+de tafel, den schoorsteen of op de piano neêrzette, droegen nu twee
+officieren een samenspraak voor uit een fransch treurspel. Na hen kwam
+Hasman aan het woord, die, met behulp van twee stoelen, vertoonde hoe
+het in de Sint Anthonie-breêstraat toeging, wanneer een joodsche familie
+uit rijden ging en ze met zen achten in éen vigelant gingen.
+
+--Die Hasman is onverbeterlijk, zeî Jozef en hij ging naar Hasman toe om
+hem als bedankje de hand te drukken, toen 't was afgeloopen.
+
+Mathilde was weêr bij de dames Berlage en van Borselen gaan zitten. Zij
+leunde achterover in haar fauteuil en tuurde rond, zij was nog niet
+heelemaal te vrede. Zij was half en half bang, dat niet alle menschen
+erg veel pleizier hadden. Ook waren er wel al aardige dingen gezongen en
+gedeklameerd, maar er ontbrak blijkbaar nog iets, iets schitterends. Er
+werd in de groeyende hitte, scheen 't haar, algemeen gewacht op het
+glanspunt van de soiree. Het mooiste scheen zoo nog te moeten komen.
+Datgene, waarvan de vermelding naderhand als men er over sprak, tot
+herinneringsmiddel aan dezen avond zoû moeten dienen, was er nog niet
+geweest.
+
+Jozef keek al-door naar Mathilde. Hij verveelde zich niet, hij had zich
+van den beginne af aan pleizierig bezig gehouden, want hij dacht, naar
+haar gezicht te oordeelen, dat Mathilde zich amuseerde. Hij merkte dat
+hij dezen avond bizonder veel van zijn vrouw hield. Hij had haar in
+langen tijd ook niet zóo mooi gezien, en zoo in 't oogloopend door een
+elk, door al zijn vrienden bewonderd.
+
+Hij staarde haar aan, en daar kreeg hij de gedachte, dat zij volstrekt
+ook iets moest doen, dat aan haar nu de beurt was. Hij wilde het zeggen,
+maar hij begreep, gelukkig bij tijds, vond hij, dat het gepast was, als
+iemant van de andere menschen, en niet hij zelf, zijn vrouw verzocht
+iets van haar talent ten beste te geven. En plotseling nam hij het al
+die heeren kwalijk, dat zij dat nog niet hadden gedaan. Als ze 't eens
+vergaten! Neen, dat niet! Ze zoû, ze moest iets doen. Nu, hij zoû 't dan
+toch zelf maar zeggen. Hij vond, dat het er wel door kon.
+
+--Mathilde, zeî hij, wil jij nu niet eens wat spelen?
+
+--Wel zeker, heel graâg.
+
+--O, ja! dat is heerlijk! riep Emilie, van uit het hoekje, waar Louis
+haar nu voor zich alleen hield.
+
+--Zeker iets van Beethoven, mevrouw, vroeg mevrouw van Borselen, de
+sonnate Pathétique, b.v.?
+
+--Dat heb ik zoo lang niet gespeeld, zeî Mathilde, wel in geen twee
+jaar. Mijn vader leefde nog ...
+
+--Och toe, mevrouw, toe, het zal wel gaan ...
+
+En midden door de welopgevoede stilte, ging Mathilde naar de piano.
+
+Jozef ging vlak tegenover de piano aan de muur staan, bij de deur, zijn
+rug tegen het geschilderde behangsel. Jozef gedroeg zich als moest hij
+Mathilde nog het hof maken om haar te kunnen trouwen. Voortdurend keek
+hij naar dat lieve zwarte hoofd. Mathilde bladerde een beetje
+zenuwachtig door het muziekboek en zij keek waar 't begon, terwijl ze
+het papier vlak bij de kaarsevlam hield. Daar had zij 't gevonden en
+even keek zij Jozef aan.
+
+Mathilde hield haar vingers al uitgestrekt over de toetsen. De menschen
+zaten in de rondte. Daar begon zij. Het was haar lievelingsstuk. Zij
+speelde het graâg en goed. Andante was de eerste maat. Langzaam en
+statig galmden de klanken aan. Klaar en helder tikte elke toets zijn
+deun, die uit de diepte en van de hoogte samenrolden tot een plechtig
+akkoord. Het scheen iets als een loflied, als een kerkgezang, als de
+verheerlijking van iets edels en groots, van iets bovennatuurlijks, iets
+als een hymne aan de eeuwige kuischheid en eenzaamheid. Mathilde zat
+kalm en stil. Haar vingers bewogen regelmatig over de toetsen. De muziek
+werd plotseling breeder, vol majesteit. Mathilde zag bleek en speelde
+hard. Zij kwam er heelemaal in. In een hoek van de kamer werd nog
+stilletjes door een paar heeren gefluisterd, en Jozef stond naar de
+punten van zijn schoenen te staren. De andere menschen waren aandachtig
+uit beleefdheid. Frits en Dientje waren aan de deur komen staan
+luisteren.
+
+Toen was er in-éens in het muziekstuk, midden onder het zwaar-ernstig
+orgelen van de piano, een jeugdige en zoete toon, als een teeder
+fluitspel. Joedelend danste het een paar toonen ver en herhaalde zich
+dan en neuriede onder de breedere harmoniën door, als een leeuwerik die
+bij het einde van den nachtdienst, boven de donkere monnikken-hoofden
+naar het kerkgewelf zoû opvliegen. En het zwakke geluid verdubbelde en
+vermenigvuldigde zich en werd een geluid van groote teederheid en als in
+de verte verdwenen de laatste zware toonen. Toen overkwam Mathilde iets
+vreemds in haar hersens. Toen zij nog een kind was verbeeldde zij zich
+wel van paleizen en prachtige zalen en trappen, waarin allerlei
+wondermooye menschen in vreemd-rijke kleéren gingen. En als zij muziek
+speelde en zij was er goed in, zag zij weêr altijd zulke zaken. Nu was
+'t iets, dat als heel uit de verte tot haar naderde, gedragen door de
+melodiën. Zij voelde iets in zich van te moeten huilen en zij wist niet
+waarom. En het kwam nader en nader, stijgend in haar gedachte. Het was
+iets, dat uit de diepte van haar herinnering aankwam, zonder toch een
+gezicht uit de voorbijzijnde werkelijkheid te wezen. Het kwam in haar
+verbeelding in den vorm van een mensch, omsluyerd, omwolkt, onherkenbaar.
+Het was een poppetje, dat grooter en grooter werd, eindelijk zoo groot
+als een mensch, met prachtige, schitterende kleêren aan. Waar had zij zoo
+iets ooit gezien, in de komedie, gelezen in een boek, zij wist het niet.
+Het was een ridder, een koning, in oud kostuum, zoo als zij zich als kind
+altijd een koning had gedacht. Zij zag eerst zijden kousen en een broek
+van blauw fluweel, toen een degen met diamanten van-boven, toen de borst
+met gouden knoopen. En de purperen mantel zwaaide nog altijd voor het
+gezicht. Haar benevelde oogen keken over de muziek heen en in den goud-
+wasem van de kaarsen zag zij Jozefs gezicht alleen en zijn oogen, die haar
+liefkoosden. Zij werd bang, vreeselijk bang; het was of haar hersens
+braken. Zij speelde werktuigelijk voort, zij kende het stuk van buiten.
+Jozef was de koning, dien zij zag; zij had het al zooveel gehoopt. En een
+vreemde lach was over zijn gezicht, en over zijn hoofd, daar waren witte
+veêren. Zacht en licht zuisten de wijsjes door de kamer. Maar zij werden
+luider en feller in het allegro forte, en Mathilde hoorde de muziek als
+had zij niet zelf gespeeld. Het was als stroomde jubelend een vloed van
+zilveren golfjes uit de hoogte op haar neêr. De melodie was juichend en
+sterk als het hoornblazen van groene jagers, zij ging hooger en forscher
+als het trompetgeschal van de soldaten. Daar was hij dan, haar koning,
+haar geliefde, en al de dagen van geluk had zij dan vroeger nooit gevoeld
+en nu voelden zij ze allen samen. En voort, voort, werd het als uit een
+diamanten prisma op haar neêrgegoten. Zij wist niet meer, zij voelde
+zich niet zitten.
+
+De menschen zaten zwijgend in de rondte. Zij hadden niet gedacht, dat
+het zoo mooi zoû zijn. De gashitte zweefde om hen heen. Zij zagen
+MathiIde en dan weêr beurtelings elkaâr aan. De heeren knikten
+goedkeurend. Hasman zeî zachtjes, dat Mathilde te opgewonden speelde.
+De oude heer Berlage kreeg het te kwaad van de warmte en keek naar de
+gaslichten, die aan zijn ooren sisten en in wier blauw middenpunt hij
+onophoudelijk nieuwe lichtspatjes zag blikkeren. Louis keek voor zich
+uit als een wezenloze. Drie heeren stonden als een zwarte versteende
+groep vóor mevrouw Berlage, hun rug naar haar toe gekeerd.
+
+Er was een koorts in Mathilde gekomen, haar hoofd gloeide, haar oogen
+waren heet. Geen herinneringen waren het meer in haar. Zij voelde het
+tegenwoordige. Er waren geen vreemde verbeeldingen meer, het geluk was
+tegenwoordig. Zij zag voor zich uit: hij stond er nog hij was er meer
+dan ooit en zij staroogden naar elkaar. Haar spel werd sneller, luider,
+woester, een onbesuisde wind vol liefdewoorden scheen haar om haar heen
+te waayen. De maat werd impetuoso. Mathilde drukte de zware pedaal neêr;
+de heele pianokast scheen te trillen. Wat was 't toch, wat gebeurde er
+toch, hier van-avond, in de nieuwe blauwe kamer? Het was een storm
+van-binnen en een vuur dat haar verbrandde. Zij zag Jozef vlak voor haar
+staan in een wolk van lichtend blauw. Het was haar als gaf haar geest
+hem schroeyende kussen van verre. O, haar liefde, o haar liefde, wat
+deed het geluk een zeer! Maar al de menschen die daar waren, hadden haar
+gehoord! Had zij niet gezegd, daar zoo-even, hard-op, tegen hen allen,
+dat zij zooveel van Jozef hield? Ja, zij had het gezegd; zij had het
+zich hooren zeggen! Maar, was zij dan gek geworden! Haar vingers
+speelden de melodieën voort, zonder dat zij er bij dacht. Zij hadden de
+oude geliefde sonnate niet vergeten De melodiën trilden voort hoog door
+den walm der gaslichten, langs de vroolijk beschilderde wanden, en
+weefden zich in al het lichte blauwe satijn van de kamer. Plotseling
+hoorde Mathilde niets meer; zij zag haar vingers zonder beweging het
+stuk was uit.
+
+Jozef vond dat Mathilde uitstekend had gespeeld en klapte in zijn
+handen, met de anderen meê. Mathilde stond op, de pianokruk viel om, en
+Jozef niet-eens ziende, wankelde ze hem voorbij en ging heel bleek op
+haar oude plaats zitten naast de oude mevrouw Berlage. De dames spraken
+erge komplimenten.
+
+ * * * * *
+
+Van het kaartspelen van de heeren was niets gekomen. De oude heer
+Berlage had zich verveeld en drentelde op en neêr, door niemant
+aangesproken. De jonge blonde bediende, Marinus de Beer heette hij,
+voelde zich heelemaal overbluft, en zat met als opengespalkte oogen naar
+de piano te turen, als was daar iets heel bizonders meê gebeurd.
+
+Nu begon liet gezelschap te kuchen en zachtjes-aan weêr te praten. Het
+was nu bepaald heet geworden. Er werd ijs gepresenteerd: wit
+vanielje-ijs, als natte sneeuwballen in de ronde kelken gedrukt, rood
+framboze-ijs, wat meer koekiger en zoetiger. In de zomerige stilte,
+tusschen de kwijnende konversatie door, hoorde men het bescheiden happen
+van de monden. Hasman kneep zijn oogen dicht om dat het ijs zoo koud
+was. Links en rechts werden kleine zinnen gezegd over het ijs en over
+het muziekstuk, als het eerste en schuchtere getjilp van musschen door
+de boomen na storm en regen.
+
+ * * * * *
+
+Mathilde werd zich zelve weêr. Zij keek naar Jozef, die nog bij de muur
+stond, en glimlachte, en veegde met haar zakdoek haar mond af. Zij keek
+daarna om zich heen naar al die vreemde menschen, die verwonderd naar
+haar zagen om dat zij zoo bleek was.
+
+De avond verstreek, eenige heeren waren in de gang gaan staan om de
+warmte en lachten daar, terwijl er een iets vertelde met luidruchtige
+gestikulatie. Dientje schoof voorbij en werd opgemerkt. De deur van de
+kamer bleef voortdurend open en de luidruchtigheid uit de gang ging
+langzamerhand ook naar de kamer over.
+
+De dames dreven hun waayers, die ritselden en hijgden, voorbij hun
+verhitte gezichten. Algemeen kwam de muziek ter sprake. Men misprees
+Mathildes overdreven bescheidenheid, die de komplimenten afwees. Men
+verhaalde kwinkslagen uit de loopbaan van virtuosen en allerhande
+kunstenaars. Zoo kwam men weêr op de deklamatie. Het heele gezelschap
+nam aan het gesprek deel. De meesten waren gaan zitten en vormden een
+ovalen kring, Jozef was daar stilletjes tusschen gaan zitten.
+
+--Apropos, Marinus, vroeg hij aan den blonden bediende, heb je niets
+meêgebracht?
+
+--Och, kom, er zal wel iets in uw overjas steken, zeî Mathilde van
+d'overkant. Mag ik de knecht niet eens laten kijken?
+
+Marinus werd zenuwachtig. Hij keek naar Jetje, om te weten, wat zij er
+van dacht. Deze, die nog verrukt was over de uitnemende ontvangst van
+haar bijdrage, knikte goedkeurend en aanmoedigend.
+
+--Dan zal ik het zelf wel eventjes halen, meneer, zeî hij.
+
+Hij bleef even wech. Zoo'n goede jongen, mompelde men, maar hij is een
+beetje bedeesd. Men maakte, dat Jetje het niet hoorde.
+
+Marinus trad binnen en, dadelijk, maakte een buiging na aan 't einde van
+den kring te zijn gaan staan, en las iets voor. Hij hield een folio
+regelmatig beschreven stuk papier in zijn hand, en veegde het zweet van
+zijn voorhoofd. Het was een vers van hem zelf, dat hij voorlas. Het
+onderwerp was de huwelijksmin van zijn patroon en dat het pad met rozen
+bestrooid, hetwelk hij thans met mevrouw bewandelde, nimmer in een dorre
+woestenij mocht veranderen, maar steeds bloeyender en geuriger mocht
+worden tot aan het einde huns levens.
+
+De heeren leden van de club, met hun gepommadeerde snorren, kwamen
+luisteren van uit de gang, en posteerden zich in zwierig-achteloze
+houding bij elkaar aan de deur. Zij glimlachten tegen mekaâr over de
+onbedreven onnoozelheid van den dichter.
+
+Zoo eindigde Mathildes partijtje. Een kwartiertje na Marinus' voordracht
+kwamen de rijtuigen voor, en nog een kwartiertje later gingen de menschen,
+eentonig-vriendelijk afscheid-nemend, wech.
+
+Frits en Dientje kregen samen 17.75 aan fooyen. Marinus en zijn zuster
+hadden samen vijftien stuivers gegeven.
+
+
+
+
+IX.
+
+
+Vier dagen na het soireetje, zat Jozef om half negen 's ochtends in hun
+ruime binnenkamer aan de ontbijttafel het Handelsblad te lezen. Het was
+er hoog van verdieping en een reine, onbenauwde warmte werd door de
+donker-porceleinen kachel verspreid. Jozef had uitstekend geslapen, was
+heerlijk zacht geschoren, had een lauw bad genomen, zijn mond gespoeld
+met Eau Botot, en was, in zijn gestreepte sjamberloek, op zijn dofblauwe
+stijf-leeren, van korte hakken voorziene huis-schoenen naar beneden
+gegaan, waar hij op Mathilde wachtte. Hij had zijn snor voor den spiegel
+nog even zwierig opgedraaid en was nu aandachtig de koerant aan 't
+lezen, zijn éene hand op het krakend-witte dekkertje, de andere voor
+zich uit over de leuning van zijn stoel, waar hij een beetje schuin op
+zat. Nu en dan dwaalde zijn blik ter zijde van de politieke artikelen of
+van de telegrammen af, om met te-vredenheid de toppen van zijn duim en
+wijsvinger te bekijken, met hun gladde licht-roode puntig-blank
+versneden nagels. Hij was opgeruimd. Hij voelde zich doordrongen van een
+aangename levenswarmte. Versche broodjes, kaas, melk stonden dicht-bij
+hem klaar. De thee was gezet, een bleek-blauw doorzichtig dun kolommetje
+stoom rees naar boven uit de tuit van de theepot en werd een
+mistslangetje of wolkte wech in de kamer, als Jozef zijn koerant bewoog
+of diep ademhaalde. In een hoek neuriede het theewater. Alles om hem
+heen was nieuw, frisch, jeugdig en vol komfort: de gelakte kolen-en
+turfbakken, de donker-bruine dubbele deur, waardoor men in de voorkamer
+kwam, met haar gevlamde paneelen, de schrijftafel van Jozef, in den hoek
+bij 't venster, een kadoo op zijn verjaardag van Mathilde, de glazen
+boekenkast, die er naast stond, de zwarte pendule op den schoorsteen,
+met een bronzen ruitertje er op. Jozef keek naar de kachel, leî de krant
+even op de tafel over het brood en het theeservies heen, stond op; de
+kwasten van zijn sjamberloek bengelden langs zijn beenen, en hij stookte
+het vuur aan. Vier nog heelemaal heele koolen, van achteren zwarterig,
+vormden het vuur in de kom van de kachel en wat korsterige stukjes
+verbrokkelde kool lagen er om heen. Er knapperden vonken naar boven, in
+den rossen gloed hoorde hij een blakerend getik. Jozef bleef, even,
+aangenaam in het vuur kijken. Daarna stootte hij met den pook de
+knersende koolen tot gruis en gooide een vollen schep vettige inktige
+steenkolen er op neêr, die knetterend een dichten zwarten rook door de
+kachel verspreidden. Daarna ging Jozef weêr zitten. Hij had er een gloed
+van op zijn gezicht gekregen, die stil wechkoelde. Achter hem schenen
+koude winterzonnestralen over de muren van de binnenplaats. Beneden,
+door een venster dat daar uitkwam, zag hij Dientje bezig in de keuken
+met het glimmend kopergoed. Er kwam geen enkel geluid van buiten. Er
+reed op dit uur geen enkel rijtuig over dit gedeelte van de
+Heerengracht.
+
+Daar bewoog de kruk van de deur, die zich met een licht gekraak opende.
+Mathilde kwam binnen in haar licht-grijze huisjapon, met de breede
+zwart-fluweelen hals-en handboorden.
+
+--Hè, hier is 't heerlijk, zeî ze en wreef haar handen tegen mekaâr,
+waaraan toen de ringen schitterden, die zij van Jozef had gekregen.
+
+--Ja, vin-je niet? andwoordde hij, Mathilde zoende Jozefs voorhoofd,
+terwijl hij zijn hand naar boven stak om de hare te vatten. Mathilde
+bleef even staan achter het theeblad, om te zien of alles voor het
+ontbijt in orde was. Zij schikte de kopjes op de schoteltjes en begon
+er, het hoofd naar voren gebogen, suiker in te scheppen. Maar er waren
+onrustige trekjes om haar mond en haar oogleden knipten ongewoon. Zij
+had iets te zeggen, maar het kon er nog niet goed uit. Zij schonk voor
+Jozef een van de witte kopjes met hun smal vergulden randjes vol thee,
+daarna een wolkje melk er door heen, en gaf het hem aan. Maar, toen hij
+het aannam en voor zijn bord neêrzette, deed zij schielijk een stap naar
+hem toe. Zij ging naast hem staan en leî haar handen op zijn schouders.
+Zij boog tot aan zijn oor en fluisterde:
+
+--Ik moet je nog altijd iets zeggen.
+
+--Zoo, wat dan, vroeg hij vriendelijk en belangstellend, en stuurde
+aandachtig zijn oogen schuin langs haar heen naar den wand, om goed op
+te letten.
+
+Haar haren, die nog niet heelemaal opgemaakt waren, maar slapjes over
+haar voorhoofd hingen, raakten zijn wang.
+
+--Ja, maar ik durf niet goed ... zal je niet boos worden?
+
+--Wel nee, lieve kind, zeg 't maar gerust, heel hard-op!
+
+--Nou, zeî ze met een verlegen lachje, als om zich zelve te
+verontschuldigen, en zij aarzelde nog, ... eindelijk, nog zachter: ik
+geloof, dat we niet meer alleen met ons tweeën zullen blijven in 't
+leven ... Zij keek hem aan, haar oogen dicht bij de zijnen, om te zien
+of hij 't begreep, daarna sloeg zij ze neêr, dicht over haar hand die
+op zijn schouder lag, als wilde zij haar vel nauwkeurig bekijken.
+
+--Wat bedoel-je? vroeg hij, maar, zich plotseling herinnerende: zoû 't
+wezenlijk waar zijn?
+
+Hij stond op om haar eens goed te bekijken. Zij klapte in haar handen,
+zich verlicht voelende, dat die tijding er uit was. Zij lachte.
+
+--Je weet wel, een jaar geleden hebben we d'r al over gesproken!
+Heerlijk! Heerlijk!
+
+Zij danste haast van blijdschap.
+
+--O, heerlijk! zeî ze nog eens.
+
+Zij zag hem sterk aan, met van vreugde vochtige oogen:
+
+--We krijgen een kindje, wat zullen we gelukkig zijn, hè?
+
+Hij beaamde goedig wat zij zeide en zoende haar wangen met roode en
+witte verdwijnende vlekjes.
+
+Dat was een pleizierige dag voor Mathilde! Zij bleef van den ochtend tot
+het eten in de achterkamer lezen over opvoeding. Nu was 't dubbel
+jammer, dat vader niet meer leefde! En wat haar zelf aanging, zij wist
+het eigenlijk al lang, ten minste het vermoeden was zoo goed als weten
+geweest, maar nu voelde zij zich pas heel gelukkig, nu Jozef het ook wist.
+
+ * * * * *
+
+Intusschen scheen het gedurende den tijd van haar zwangerschap, dat haar
+liefde voor Jozef groeide, groeide, groeide, samen met het kind onder
+haar hart. Had zij Jozef niet lief, meer dan alles wat zij hoorde en zag
+en ondervond, meer dan haar leven-zelf? Maar zij voelde zoo iets, als
+was zij nu pas bezig het groote bewijs van haar liefde te geven, als zoû
+dat wezentje, dat, zonder haar wil, zonder haar toestemming maar toch
+door haar werd gemaakt, de levende getuigenis er van zijn, dat zij zich
+voor altijd aan hem had wech gegeven. Ook beijverde zij zich om hem uren
+achtereen sterk aan te zien en altijd zijn uiterlijk voor haar
+verbeelding te hebben, als hij er niet was over-dag of 's nachts als het
+donker was. Want zij wilde, dat het kind, het mocht dan een jongen of
+een meisje worden, zoo veel mogelijk op hem lijken zoû. Als zij mekaâr
+aan 't liefkozen waren, schoof Mathilde zich wel zachtjes op Jozefs
+schoot, drukte haar voorhoofd tegen het zijne en liet zijn blikken
+langen tijd in haar oogen rusten. Zij dacht, dat zij, zoo, veel van
+zijn leven in zich op zoû nemen. Jozef trachtte hun leven in deze
+omstandigheden zoo in te richten, dat Mathilde nooit het minste
+verdriet, of zorg of inspanning, had. Toen zij in de vierde maand van
+haar zwangerschap was, en de vijfde, en de zesde, zonderden zij zich met
+hun tweeën heelemaal af. Jozefs bekommering werd overdreven; het begon
+met dat hij volstrekt niet wilde, dat zij menschen bij hun vroegen;
+later veroorloofde hij haar nog alleen kleine wandelingetjes te doen,
+eindelijk verlangde hij, dat zij absolute rust nam. Tusschenbeide 's
+avonds maakten zij nog een klein loopje samen, maar eindelijk dat ook
+niet eens meer. Hij dreef het tot in het kinderachtige door. Als er iets
+te krijgen was buiten de kamer waar zij zaten, dan deed hij het. Woû zij
+iets hebben waar zij niet bij kon met haar handen, dan stond hij op, om
+'t haar aan te geven. Om een haverklap werd de meid gescheld, en de
+stal-houder had gedurende wel een negen weken een bizonder goeden klant
+aan de Van Wildens.
+
+De aanstaande geboorte van zijn kind maakte Jozef niet blij. Hij gaf
+daar weinig om, 't deed hem alleen een beetje pleizier, om dat hij zag,
+hoe gelukkig het Mathilde maakte. Ondertusschen, al bekende hij 't zich
+zelf nauwelijks, vond hij heel naar, dat er zoo'n verandering in zijn
+huishouden zoû komen. Hij keurde het af, hij vond het vreemd, maar 't
+wás waar, dat hij, voor hij wist niet hoeveel niet, gedurende dezen tijd
+een van zijn vrienden in het gezelschap van Mathilde zoû gebracht
+hebben. Als hij met haar samen was, in een van die oogenblikken, dat zij
+in zijn arm stond met haar hoofd achterover, haar mond half open en hij
+haar kuste eenmaal, tweemaal, tienmaal, vijftigmaal, en zij, half
+bedwelmd, zich dan tegen hem aan liet vallen, dan schrikte hij, dan was
+'t of plotseling zijn liefde hem ontzonk, of hij maar gezoend had om te
+spelen. En dan kon hij haar nog alleen maar met een gemaakte zachtheid
+van zich wechduwen en zelf de kamer uitgaan om ergens in een andere
+kamer, boos, te gaan zitten en zich af te vragen, wat hem toch scheelde,
+dat Mathilde toch lief en mooi was altijd, dat hij haar juist dankbaar
+moest zijn, heel dankbaar, voor zoo veel goedheid, zoo veel toewijding,
+zoo veel liefde, en voor de pijn, die zij waarschijnlijk nog te lijden
+zoû hebben. Soms wist hij zich te overwinnen, dan gaf hij zich moeite om
+al de liefde, die hij voor haar voelde, zijn denken te doen vullen en
+dat andere gevoel te doen verdringen. Dan zag hij alleen haar oogen,
+haar mond, hield van haar als altijd. Ook merkte zij niets van die
+weêrzinbewegingen in zijn gemoed. Voor haar bleef hij dezelfde, dag in
+dag uit, Vol voorkomendheid, vol zorg, vol teederheid.
+
+Mathilde hield in zich zelf eindelooze beschouwingen over de
+waarschijnlijkheid van dat haar kind, naar liet uiterlijk of het
+innerlijk, zus of zóo zoû wezen. Ook sprak zij er met Jozef over. Dan
+waren dat gesprekken, die een, twee uren achter elkaâr duurden, vervuld
+van illuzies, van lachende droomen, van rozige gedachten, van
+hemelsblauwe veronderstellingen en schitterende voorspellingen. Zij
+wilde bepaald een jongen hebben, een zoon, die heelemaal een kleine
+Jozef zoû wezen, die haar van twee Jozeffen omgeven zoû doen zijn; de
+eene groot, forsch, breed, in den bloei en de kracht van zijn leven, de
+andere klein, teêr, tenger, met den bloesem van de jeugd op zijn
+gezichtje, en die beiden toch maar éen Jozef zouden zijn, daar de éene
+den anderen had gemaakt alleen in liefde voor haar. Hij zeide meer naar
+een meisje te verlangen, nu al pleizier te hebben hij het idee van éens
+te zullen kunnen zeggen: "mijn dochter doet dit, mijn dochter doet dat,
+mag ik u mijn dochter voorstellen?" Maar hij verlangde lang zoo vurig
+niet naar dat kind als zij; ook was zij, bij zulke gesprekken, bijna
+voortdurend alleen aan 't woord, haar mond stond niet stil, en Jozef
+werd eindelijk alleen verzocht telkens toe te stemmen, als zij hem iets
+vroeg: niet waar?, hè?, vin-je ook niet? Hij knikte maar glimlachend ja
+en gaf haar het grootste gelijk van de wereld. Hij vond het niet
+vervelend haar zoo aan te hooren en verder niets te doen, maar om het
+onderwerp van haar gesprek gaf hij minder dan om haar zelve. Hij nam met
+genoegen waar, hoe vol zij was van hèt leven, hoe gezond en zacht
+gelkeurd haar wangen er uitzagen, hoe zeer hij en zijn kindje, dat zoû
+geboren worden, de eenige dingen waren, waarmeê haar lieve hoofd zich
+bezighield, en hij dacht telkens: jongen, wat heb ik het toch goed
+getroffen ik heb een allerliefste vrouw! Ondertusschen praatte zij
+voort: de jongen zoû dus groote blauwe oogen hebben en bruin haar,
+misschien een krullebol. Hij zoû stellig den mooyen neus en ooren
+krijgen van zijn vader, maar vooreerst zoû daar nog wel weinig van te
+bespeuren zijn. Hier kwam nu het gesprek op den toestand van een
+pasgeboren kind. Mathilde had zoo iets nog nooit gezien; nu beduidde
+Jozef haar, dat zij zich daarvan geen illuzies moest maken. Hij vertelde
+haar hoe zoo'n wezentje was, met zijn rood rimpelig vel, zijn vreemde
+oogjes, meestal gesloten, zijn hoofd zonder haar, zijn mondje zonder
+tanden, bibberend en schreeuwend in de wereld komende. Maar zij wilde
+hier eerst liever niet van hooren. Maar later verzekerde ze, dat, hoe
+het kindje er ook uit mocht zien, zij er toch dadelijk vreeselijk veel
+van zoû houden. Eéns voelde zij den schrik voor het viezige, het
+wezenloze, het dierlijke van zoo'n pasgeboren kindje, maar zij was al
+gauw weêr vol vertrouwen; als zij Jozef onophoudelijk en met zóo-veel
+liefde aankeek en zijn uiterlijk voortdurend op nieuw in zich opnam, dan
+zoû, dan moest het kindje mooi wezen van het eerste uur van zijn geboorte
+af. Wat een heerlijke jaren zouden er nu voor haar komen! Door het leven
+te gaan tusschen haar man en haar kind! Aan den eenen kant een knappe,
+lieve man, die haar in alles steunde en beschermde, en raad gaf, aan den
+anderen een blond jongetje, dat om haar heen dartelde en haar zijn lieve
+moeder noemde. Wat zoû het goed staan tegenover de menschen, zoo'n familie
+te zijn Eerst zoû het kindje, natuurlijk in de lange witte kleêren worden
+gekleed. Zij was al bezig daarvoor te zorgen. Heele middagen zat zij er
+aan te werken, en telkens klonk de vermanende stem van Jozef er door heen,
+dat zij het zich niet te druk mocht maken. Terwijl zij, een zilveren
+vingerhoedje om den middel-vinger van haar rechter hand, de slanke
+glimmende naald tusschen haar wijsvinger en duim gedrukt hield, naaide
+zij met regelmatige steken, op en neêr met haar hand, op en neêr. Wanneer
+zij het linnen en batist, de wol en de kanten op die wijze hanteerde en
+fatsoeneerde, stelde zij zich voor hoe, in een niet ver verschiet, die
+dingen om de poezele blanke leedjes van haar kindje heen zouden gewikkeld
+zijn, en zat zij met een heelen stapel wit goed op haar schoot, dat, door
+elkaâr, in een berg van plooyen, tot aan haar kin kwam, dan verbeeldde zij
+zich, daar al een rond ventje onder te hebben liggen, een huidje te voelen,
+met een jonge, reine warmte. Jozef was er eerst tegen geweest, dat zij-
+zelf al die kleêrtjes maken zoû, maar als hij haar nu, na dat zij het toch
+doorgedreven had, aan den gang zag, en haar lieve gezicht boven al die
+zuivere witheid uit zag komen, vond hij 't toch wel aardig.
+
+Later zoû het jongetje, want, neen, nu zonder gek-heid, het moest een
+zoon wezen, zij was er zeker van, later dan zoû hij vooral het liefste
+zijn--en over dezen tijd sprak zij het graâgst met Jozef--als hij zoû
+kunnen spreken en zij, de ouders, zijn verstand langzamerhand voor den
+dag zouden zien komen. Dan zoû Jozef hem, och heer, met allerlei
+nietsjes, maar die een heele wereld in zich sluiten voor kinderooren,
+inwijden in het begrip van de dingen van het dagelijksch leven, van zijn
+omgeving. Zij zag hem al van hier aan Jozefs knieën staan, met groote
+oogen aandachtig luisterend. Zij zoû hoofdzakelijk zorgen voor dat hij
+braaf werd en gezond. Vóor alles zoû zij hem de liefde leeren voor zijn
+vader. Zij zoû hem zeggen, hoe goed en lief Jozef is, hoe haar, zijn
+moeder, niemant dierbaarder was, hoe hij alles aan zijn vader te danken
+had, wat pleizierig voor hem was. Zij zoû vooral van haar zoon een
+tweeden mensch vol liefde voor Jozef maken.
+
+De vraagstukken van opvoeding kwamen op in Jozef en Mathildes
+gesprekken. Mathilde was bepaald en onveranderlijk voor een strenge
+opvoeding. Zij was daar tegenwoordig 's avonds druk over aan 't lezen.
+Op haar verlangen kocht Jozef, die daarmeê lachte, een paar nieuwe
+boekwerken over opvoeding. Jozef was voor de zachte, toegeeflijke
+methode. Hij vond, dat pakken slaag te geven en in een hoek te zetten
+een kind niet beter maakte. Maar hij woû zich wel onderwerpen, zeî hij,
+hij liet háar de beslissing over. "Zachte chirurgijns maken stinkende
+wonden", zeî Mathilde iederen keer, waarop Jozef dan altijd begon met te
+andwoorden, dat een gewonde en een chirurgijn in een heel andere
+verhouding tot mekaâr staan als een ouder tot zijn kindje, dat alleen
+het zooveel mogelijk vrijheid laten en het door redeneering fouten onder
+het oog brengen een kind tot een waren man maakte, maar daartegen had
+zij bizonder veel dingen te zeggen: dat een kind voor geen redeneering
+vatbaar was, dat men zijn kind niet liefhad, zoo men het niet strafte,
+dat alleen hij, die eens zelf door kastijding had leeren gehoorzamen,
+later in staat was goed op te voeden, dat men anders onmogelijk een kind
+braaf kon maken, onmogelijk, dat men, strafte men niet, de liefde en
+eerbied voor de ouders zelf uit het gemoed van liet kind bande, dat men
+op die manier zijn gezach verloor, en nog duizend redenen meer, zoo dat
+hij ten laatste haar maar een zoen gaf, om er een einde aan te maken.
+Maar zij hield niet op vóor hij zeî: je hebt gelijk. En dan was zij
+eigenlijk nog niet te vrede, dan moest hij haar beloven, bepaald
+plechtig beloven, dat hij streng zoû wezen. Hij begon te lachen, maar
+zij bleef hoogst ernstig; ten slotte beloofde hij alles.
+
+Van God de Heer was weinig sprake als Mathilde dacht en sprak over haar
+kind. Het was zonderling, maar alleen bij de gedachte aan haar vader
+kwam er een God, haar God, te pas. Met haar laatste groote droefheid,
+verflauwde ook haar godsdienstzin. Wanneer zij gelukkig was scheen zij
+geen andere behoefte te hebben, dan die door het haar omgevende aardsche
+werden vervuld.
+
+De laatste maand voor haar bevalling was Mathilde in een hijgende,
+zenuwachtige afwachting. Haar kind, haar eerste kind zoû geboren worden.
+O, wat ging die tijd langzaam!
+
+Jozef vond, dat het nu waarachtig langzamerhand lang genoeg begon te
+duren. Hij woû maar, dat Mathilde gauw weêr elegant en slank zoû zijn,
+dat hij zich weêr in 't publiek met haar zoû kunnen vertoonen, in de
+komedie en op koncerten, en dat iedereen dan weêr zoû zeggen: wie is
+toch die man, die heer daar, met die prachtige vrouw aan zijn arm. Hij
+vond, stil voor zich, den toestand toch eigenlijk zoo lammelendig.
+Intusschen hield hij haar trouw gezelschap tot het einde toe. Hij was
+altijd op kantoor en thuis. Hij kocht een wieg voor haar. 's Avonds las
+hij haar voor; zij gingen vroeg naar bed.
+
+
+
+
+X.
+
+
+'t Was in 't midden van een nacht, dat de bevalling gebeurde. De dokter
+had Jozef, die zenuwachtig was, uit de slaapkamer laten gaan. Hij zoû
+den vader wel komen waarschuwen, als het zoo ver was, had hij gezegd.
+Jozef was, in zijn sjamberloek, beneden naar de zaal gegaan. Waarom
+juist daar-na toe, dat wist hij zelf niet. Hij had een gaspit opgestoken
+en drentelde in het zwakke licht heen en weêr over het dikke tapijt. Nu
+eigenlijk scheen hij pas goed over hetgeen er boven ging gebeuren na te
+denken. Hij vroeg zich af, wat er het gevolg van zoû wezen. Zijn blikken
+gingen langs de lambrizeeringen, langs de zoldering en den vloer, over
+de schilderijen, alsof dat nieuwigheden waren. Eigenlijk keek hij naar
+niets, maar luisterde naar de geruchten die van boven kwamen. Die lieve,
+goede Mathilde, wat stond zij misschien nu een pijn uit. Maar hij kon
+haar niet helpen, men moest afwachten de dingen, die komen zouden. 't
+Was een elllendig iets, dat kinderen krijgen! Hoe jammer, dat het niet
+gemakkelijker kon en zonder zooveel schade! Hij hoopte nu maar in
+Godsnaam, dat Mathildes lichaam er niet te veel onder lijden zoû. De
+tijd ruîschte in de nacht-stilte om hem heen voorbij. Daar dacht hij aan
+de namen, die hij met Mathilde afgesproken had, dat het kind zoû
+krijgen. Was het een meisje, dan zoû zij Agnes heeten, naar zijn moeder,
+die nu al vijftien jaar dood was. Werd er een jongen geboren, dan zoû 't
+Bernard zijn, met nog een paar onverschillige namen er achter, naar háar
+vader. Maar weêr schudde hij voor zelf neen! Hij had er zich niet meê
+kunnen vereenigen. Bernard was veel te burgerlijk. Hij wilde zijn zoon
+een voornamer, een buitengewonen naam geven. Iets van Felix of zoo.
+Felix, dat was mooi, dat klonk. Kreeg de jongen later zijn eigen
+visite-kaartjes, dan zoû daarop gegraveerd staan: Felix van Wilden, of
+in 't fransch, nog beter: Mr. Félix, met den klemtoon op ix, Mr. Félix
+van Wilden! Jozef zag zijn zoon al voor zich, in een elegant jasje, een
+jonge man van twintig jaar, naast hem, ook nog jong, ook in een elegant
+pak, misschien met enkele grijze haren, samen op straat, samen op
+reis ... En hij vergat Mathilde voor een oogenblik.
+
+De dokter stapte door den gang, maakte de deur van de zaal open; op zijn
+eenen voet vooroverbuigend, zijn hoofd door de opening, riep hij luid
+naar binnen, opgewonden: Vadertje, geluk met je zoon, hoor! Hij sloot de
+deur en ging gauw naar boven terug; Jozef hem na.
+
+De slaapkamer was langwerpig, met twee ramen naar de binnenplaats,
+tegenover de deur. Het was er donker-groen: de venster-en bedgordijnen,
+het tafelkleed en de stoelbekleeding waren donker-groen, ook de
+ondergrond van het tapijt. Er stonden twee groote en twee kleinere
+antieke kasten tegen de wanden. Een olielamp brandde nu op de tafel in
+'t midden; voor het bed grilde de schaduw van den ovalen kapspiegel op
+de tafel. Twee kaarsen tongevlamden op de latafel tegenover het
+ledikant, voor het apotheek-kastje. Toen Jozef binnenkwam, was de baker
+voor de tafel geknield. Zij hield het kind er boven in haar linkerhand
+en wond hem met haar andere in witte en gele doekjes. Met haar zeer
+klein hoofd, als geklonken in haar stijve kornet, leunde zij met haar
+eene hand op de tafel, boven het kind gebogen, wiens hoofdje nu nog
+alleen zichtbaar bleef. De baker stak haar vinger in den mond van het
+kind, en, zeer op de hoogte met haar kleine grijze oogen, zeide zij, dat
+er al een tand in het mondje zat en het kind dus met een tand was
+geboren. Dit scheen den dokter, die, tegenover de vrouwen aan de tafel,
+aan 't uitzoeken van het linnen-goed was, dat Mathilde nu eenigen tijd
+moest dragen, niet te verwonderen.
+
+Na het kind even bekeken en bevoeld en zijn wangentjes gezoend te hebben,
+ging Jozef zachtjes naar het bed, en draaide zich in de dichtgeschoven
+gordijnen. Mathilde lag in de groene duisternis, stijf in de schoone
+witte lakens. Zij hijgde zachtjes, haar haren, als een kronkelende zwarte
+plas, veel en verward over het kussen. Zij zag erg wit.
+
+--Mathilde, ik dank je wel, fluisterde hij en hij kuste haar.
+
+Maar haar lippen beefden en waren koud, en hij dacht in-éens, hij wist
+niet waarom, dat ze er wel eens van dood zoû kunnen gaan. Hij leî zijn
+hand in haar haar op het kussen en vroeg:
+
+--Hoe voel-je je?
+
+--Uitgeput, erg uitgeput ...
+
+Zij bleef roerloos liggen en zeî daarna, hartelijk, angstig, langzaam,
+de zeurige woorden, die pas bevallen vrouwen spreken:
+
+--Jos, ik weet niet hoe 't af zal loopen, maar mocht ik dood gaan, zorg
+dan goed voor ons kind! Als ik kon, dan zoû ik het je knielend vragen.
+Maar beloof 't me, Jozef, maak, dat hij godsdienst heeft ... Be-loof
+'t me ...
+
+--Hoe kan je nu zoo spreken?, vroeg hij, ons leven begint nu pas goed en
+je denkt om te sterven!
+
+--Ik voel dat ik heel goed van-nacht kan sterven, andwoordde zij.
+
+Toen werd ook hij vreeselijk zenuwachtig, beiden in de kinderlijke
+aandoening van den hevigen toestand: nee, nee, dat kan niet! zeî hij
+hard, en hij zoende fel haar gezicht, haar aan haar schouders vattende.
+De dokter en de baker kwamen er bij. De dokter had het gordijn
+wechgeschoven, hij trok Jozef bij zijn arm bedaard van het bed te-rug.
+Maar Jozef rukte zich los en riep, huilend:
+
+--Maar, ze sterft! waarom heeft u me dat niet gezeid? O, God, o, God,
+wat moet ik doen? Ze is koud, dokter, zoo koud als ijs, zeg ik u, en
+kijkt u d'r oogen eens!
+
+--Maar, 't is niets, hoegenaamd niets, zeî de dokter, dat hebben
+bevallen vrouwen altijd!
+
+--O, ja, zeî de baker, dat wil de natuur zoo.
+
+Zij stond op en hield het kind voor zich uit.
+
+--Hier, moedertje, kijk maar eens naar je jongen.
+
+Zij tilde het kind in bed, voor Mathildes gezicht. Maar Mathilde scheen
+er niets van te merken.
+
+--Is het wezenlijk zoo? vroeg Jozef, zal ze beter worden? U moet me niet
+foppen, meneer!
+
+--Absolute rust en kalmte om haar heen is noodzakelijk, zeî de dokter,
+dan zal zij gauw weêr heelemaal in orde zijn.
+
+Jozef ging naar de baker, nam het kind op zijn handen en bekeek het
+nauwkeurig. Mijn gezicht! zeî hij zachtjes, ofschoon daar nog volstrekt
+niets van te zien was. Hij zoende het kind, en gaf het aan de baker
+te-rug. Daarna ging hij naar de logeerkamer, waar hij nu de eerste
+nachten zoû slapen. Hij was erg moei, maar hij kon toch niet in slaap
+komen. Na een uur van onrust, toen zijn zenuwen een beetje tot bedaren
+kwamen, ging hij nog toch eens op zijn kousen kijken, of Mathilde sliep.
+
+De lamp en een van de kaarsen waren uit in de kraamkamer en de andere
+kaars stond op tafel, vanwaar zij een vaal licht door de kamer
+verspreidde. Naast het ledikant stond het wiegje, waarin het kind sliep.
+De vroedvrouw, die eigenlijk bij de verlossing niet geholpen had, en die
+Jozef, ongewend aan bevallingsmaatregelen, er maar voor alle sekuriteit
+bij genomen had, en ook om dat zij zoo goed waken kon met-een, zat in
+een hoekje met strak open oogen, roer-loos-wakker. Jozef kwam aan het
+bed, en, stil de gordijnen een beetje wechschuivende, boog hij zich over
+de wieg heen en bespiedde Mathildes gezicht. Zij lag nog altijd
+onbewegelijk in dezelfde houding, met dichte oogen; zij sliep. Hij
+luisterde óplettend ... Haar ademhaling ging zachtjes en regelmatig. Noch
+even bleef hij staan en bezag haar, teeder.
+
+Toen hij weêr in bed lag, gaf hij zich pas rekenschap van zijn
+aandoeningen. Hij had Mathilde dan toch wèl lief. Hij bracht een nacht
+vol angsten door. Neen, maar wat ging er nu gebeuren! Daar had hij
+allerminst op gerekend, een zieke vrouw in huis! Hij sliep eindelijk
+vermoeid in, om weêr met hoofdpijn wakker te worden, laat in den
+volgenden morgen.
+
+ * * * * *
+
+Gedurende den kraamtijd en nog weken daarna verveelde Jozef zich
+gruwelijk in zijn huis. Mathilde was eenvoudig ziek en herstelde maar
+niet. Dokter Hansen had om een konsult met professoren gevraagd, dat
+gebeurd was. De uitslag was: Mathilde had een hart-ziekte opgedaan,
+misschien voor altijd. Zij moest die al onder haar leden hebben gehad
+en misschien van een van haar ouders of grootouders hebben overgeërfd.
+Daarbij hadden hevige koortsen haar vreeselijk verzwakt. Zij had
+kongesties naar haar hoofd, en duizelingen. Tweemaal daags werden er
+ijskompressen boven op haar schedel gedrukt, om de gloeyingen te
+bekoelen. Zij was zóo uitgeput, dat zij alleen heel zachtjes praten kon
+en dadelijk weêr moest zwijgen na dat men begrepen had, wat zij
+verlangde. In de ziekenkamer was een volte en een drukte. In de eerste
+week had Mathilde volstrekt geweigerd het wiegje uit haar kamer te laten
+wechnemen. Zij wilde haar kind onophoudelijk bij zich hebben. Het moest
+liggen onder het bereik van haar blikken. Het kind schreeuwde nu
+dikwijls lang achter mekaâr, als het niet sliep. Dan kwam Marie, het
+boeren-meisje, dat als min aangenomen was, hief het kind op in haar
+armen, drukte het aan haar borsten, suste en zoogde het. En telkens zeî
+Mathilde, in de halsstarrigheid van haar koortsige gedachten, dat men
+haar Felix, zoo was het kind toch genoemd, zoû geven, dat hij dan wel
+dadelijk stil zoû zijn. Maar in de duisternis van het ledikant huilde
+het kind zóo erg, dat Mathilde het aan haar ooren niet uit kon houden en
+het dadelijk aan Marie te-ruggaf. Tweemaal per dag kwam de dokter, die
+altijd heel veel leven maakte, allerlei raad gaf en stadsnieuwtjes
+zonder einde te vertellen had. Jozef ging 's ochtends voor een paar uur
+naar 't kantoor, maar was overigens zijn meeste uren in de ziekenkamer,
+tusschen de wieg en het ledikant zittend, angstige blikken over Mathilde
+gooyend, ongeduldig en mis-moedig, haar zóo dikwijls vragende of zij nog
+geen beterschap voelde, dat het scheen, als wilde hij dáar-door de
+ziekte doen wijken. Hij had zelf Mathilde met de medicijnen willen
+helpen, inschenkend en aangevend. Elk half uur hoorde men hem het
+fleschje en den lepel bewegen. Hoeveel druppels ook weêr, mompelde hij,
+en noemde dan het aantal. Na dat zij den medicijn had ingenomen, staarde
+hij Mathilde aan soms, over het bed gebogen, als moest er een
+onmiddellijk uitwerking zichtbaar worden.
+
+Maar al gauw werd het Jozef te bar uren achtereen in de duffe atmosfeer
+van de ziekenkamer onbewegelijk, stilzwijgend, hoorend allerlei vieze
+geluiden, met die doffe drukte om hem heen, te wezen. En hij ging
+wandelingetjes doen buiten, over de grachten, in de frissche lucht. Eens
+kwam hij Hasman tegen, die hem toch al een visite had gemaakt. Hasman
+wist hem meê te krijgen naar de club. Maar Jozef was de oude niet meer.
+Hij kon niet meer zoo lachen, niet meer van die geestigheden zeggen, zoo
+als vroeger. Eindelijk hield hij zich heelemaal stil aan het tafeltje,
+waarom zij zaten, en wilde heen. Hij moest naar zijn vrouw, hij moest
+naar de ziekenkamer. Wie weet wat er gebeurd kon, zijn, juist nu hij
+wech was. Jozef had geen rust, als hij niet bij 't ledikant zat, en,
+daar eenmaal zijnde, verveelde hij zich onbegrijpelijk erg. In een
+middag, dat hij weêr zijn gapen moest onderdrukken, slenterde hij de
+trap af naar beneden en ging zitten lezen. De glazen kast stond daar,
+vol boeken, en zijn glansende schrijftafel, nog bijna ongebruikt. Eens
+hield hij het zoo een vol uur uit. Toen kwam Marie:
+
+--Meneer, mevrouw heeft zoo'n pijn. Zij laat vragen, of u even boven wil
+komen.
+
+In een zucht sloeg hij het boek dicht.
+
+--Och ... Jozef ... Jozef ... kom hier ... zeî Mathilde.
+
+--Maar wat is 'et dan? vroeg hij.
+
+--Zoo'n pijn, zoo'n pijn! hier ...
+
+--Waar? in je rug?
+
+--Nee hier,.... overal ... onder mijn borst ... en dan zoo'n akelig gevoel
+in mijn hoofd ... Net of er allemaal geronnen bloed in mijn achterhoofd
+zit ... En dan zoo'n pijn in mijn beenen. Mijn beenen zwellen op ... Ik
+weet 't niet, wat 't is. Mijn heele lichaam is ziek. Kom eens hier, buig
+je nog eens naar me toe.
+
+--Wat dan? Wat woû je dan?
+
+--Ik woû je een zoen geven. Och toe, och toe, blijf bij me zitten.
+
+Voor een halfuur was Jozef er weêr aan vast. Eindelijk besloot hij dáar
+een boek meê te brengen en de kranten.
+
+Jozef wende er zich weêr aan, van éen uur 's middags af, voortdurend
+thuis te zijn. Hij deed zijn schoenen uit en schoof door het huis op
+pantoffels, als een ziekenoppasser.
+
+Een paar weken later, mocht Mathilde uit haar bed komen en in de
+slaapkamer opzitten.
+
+Voor een van de kleinere kastjes, dat naar de logeer kamer was gebracht,
+was een boeken-en teekenkast voor Mathilde, in de plaats gekomen. Een
+van de dingen van haar ziekte was een lammerigheid van haar beenen,
+waardoor zij niet kon loopen. Een uur per dag maar ging zij uit haar
+kamer, dan werd die gelucht. Het sombere licht dat door de binnenplaats
+hier binnen-stootte was het eenige waar haar oogen nog tegen konden. Uur
+aan uur zat zij daar dan te lezen of wel te teekenen. Voor de groene
+tafel in een donker-grijzen, met donker-rood afgezetten peignoir, heur
+haren tot een zware vlecht samengebonden onder een donker-grijs, met
+donker-rood afgezet mutsje, haar slanke linkerhand waarvan alleen de
+duimtop door het porceleinen palet zichtbaar was op de tafel, met drie
+penseelen er dwars uitstekend. In haar rechterhand had zij een penceel
+of potlood en ze teekende en kleurde. Haar gezicht was erg vermagerd en
+als de grove hand van de goedige Marie niet een zilveren lepel vol
+licht-geel vocht, van het, nu overvolle, apotheekkastje naar haar
+toekwam en ze haar hoofd in de hoogte deed, dan zag men hoe haar oogen
+waren ingevallen, hoe de eerste eigenlijke rimpels op haar jong gezicht
+waren, hoe in-mekaâr gezakt ze zat. Ze ging meestal om acht uur naar
+bed, en stond om elf uur 's morgens op. Vooral 's nachts had zij veel
+pijn en benauwdheden, zoo dat zij niet kon blijven liggen en de kussens
+hoog achter haar werden opgestapeld.
+
+Toen Jozef haar voor 't eerst weêr eens vlak bij het venster, onder vel
+daglicht zag, schrok hij. Zij merkte 't aan zijn oogen.
+
+--Ben ik zóo veranderd? vroeg zij.
+
+Hij vatte haar teeder bij haar schouders en zoende haar bleeke wangen.
+Maar dien zoen voelde hij als op doode wangen. Onmerkbaar trilde er iets
+in zijn oogen; er ging een koû door hem heen.
+
+--Je zult bepaald heel gauw weêr beter zijn, zeî hij.
+
+Zij gingen samen even zitten voor het venster, op twee stoelen vlak bij
+elkaâr. Mathilde was nog in haar witte nachtgoed; haar gezicht was nog
+witter. Er was een verlegen stilte. Jozef zat, een beetje naar haar toe
+voorovergebogen, zijn eene elleboog op zijn been geleund, de handen
+loshangend tusschen zijn beenen. Hij keek haar medelijdend en lief aan.
+Haar blikken, vanachter een doffen glans van uitputting, zwierven door
+de ruiten heen, over de zonnige plekken op de binnen-plaats, zonder
+gedachten, in afwachting van wat hij zeggen zoû. Hij had iets:
+
+--Wil-je nu wezenlijk niet liever op de logeerkamer gaan en mij hier
+laten slapen? vroeg hij, dan heb je ten minste nog een beetje afleiding
+door het leven en alles wat er te zien is op straat.
+
+--Och nee, zeî ze, daar ben ik te zwak voor. Ik wil liever maar niets
+zien ... het bevalt me hier 't best.
+
+Zij kuchtte stilletjes. Na een poosje, bewoog zij langzaam haar rechter
+hand, streek er zachtjes meê over Jozets groote blanke hand, heen en
+weêr, met haar dunne vingertopjes over het zachte vel, nauwelijks er aan
+rakende. Toen zeî zij, met een bedaarde, klagendzachte stem, waar een
+te-vredenheid in klonk, dat zij zoo met hem alleen was in haar ziekte:
+
+--Wat heb jij toch mooye handen! Eigenlijk veel te mooi voor een man.
+
+Daarna dacht ze weêr een tijdje.
+
+--Zie-je, zeî ze toen, als zeî zij het besluit van een lange inwendige
+redeneering, het is onmogelijk, dat ik altijd zoo zoû blijven als ik nu
+ben ... Een geluk, dat zoo groot is, kan niet in-éens uit zijn ... Ik zal
+stellig weèr beter worden, heel zeker, ik weet 'et natuurlijk niet, maar
+zie-je, ik voel 'et zoo, ik voel 'et. En je begrijpt wel, dat ik nu nog
+vreeselijk veel meer van je hoû als vroeger, om ... hem, om Felix.
+
+Ze had dit gezegd, zonder Jozet aan te kijken, haar blikken mijmerig
+voor zich uit; nu knipte zij haar oogen even snel dicht en deed ze naar
+zijn kant weêr open, hem zóo vragend, hoe hij wel vond, wat ze daar
+gezegd had.
+
+--Ja, andwoordde hij, stellig! Ik geloof 'et ook, bepaald. En, als had
+hij zich nog niet krachtig genoeg uitgesproken: Daar is zelfs geen
+sprake van, dat je niet beter zoû worden. Ik twijfel er geen oogenblik
+aan.
+
+Mathilde zat achter in haar stoel, haar oogen neêr. Zij wreef met haar
+rechter duim over haar linkerhand.
+
+--En Emilie Hartse is met Berlage getrouwd hè? vroeg zij, de woorden als
+uit haar mond slepend.
+
+--Ja, ze zijn d'r gisteren geweest; ik heb hun kaartje beneden: meneer
+en mevrouw Berlage-Hartse.
+
+--Hè, 't is een kokette, akelige vrouw, die Emilie, ik hou niets van
+d'r!
+
+--Och! zeî Jozef verontschuldigend.
+
+Toen Mathilde dien avond om negen uur al lang in bed lag en alles rust
+was in de kamer, terwijl het buiten onhoorbaar sneeuwde en de wind over
+de binnenplaats aan de ruiten ritselde, zat Jozef daar nog altijd, voor
+de tafel. De koeranten van den avond, een paar tijdschrift-afleveringen,
+een boek, lagen voor hem. Hij las het Buitenlandsch Nieuws. Die Emilie
+Hartse, mevrouw Berlage, was wel een aardig vrouwtje! Hij leî het blad
+plat op tafel en streek de kreukels er uit om beter te kunnen lezen. Zij
+was zoo vroolijk, zij was ook mooi, hij mocht haar wel. Hij las van de
+onaangenaam-heden, die tusschen De Duitsche en Fransche regeeringen
+aanhangig waren. Zij zouden nu in lang wel geen partijtjes kunnen geven,
+waarop mevrouw Berlage zoû komen. Bismarck en Gambetta konfereerden door
+bemiddeling van de ambassadeurs over de belangen van Europa. Hoe was het
+mogelijk, dat zij dien dommen Berlage genomen had! In Rusland werd
+dagelijks de vrees grooter voor uitbarstingen tusschen de joden en de
+boeren. Zij had mooie rooye lippen, die Emilie. Het jonge Italië, dat ...
+
+--Ben je daar nog, Jos? kreunde fluisterend uit het bed.
+
+Jozef stond op.
+
+--Ja, wat woû-je, kind?
+
+--Mag ik een glas water asjeblieft!
+
+Hij gaf het en zoende haar klamme voorhoofd.
+
+--Probeer nou weêr te slapen, zeî hij, dat zal je goed doen. Ik ga nu
+maar naar beneden nog wat lezen, dan heb je 't rustiger, en dan ga ik
+ook naar bed. Wel te ruste! Tot morgen, misschien ben-je morgen wel
+veel beter.
+
+--Ja, misschien; laat Marie met Felix nog eens hier komen, wil-je?
+
+Driemaal per dag kwam Marie, met het kind op haar arm, bij Mathilde;
+Jozef ontmoette haar nu op de trap. Hij hield haar staande nam het kind
+even van haar over, zoende het en ging verder. Alles was doodstil in
+huis; alleen hoorde Jozef, toen hij in den gang kwam, eentonig de
+keukenklok tikken. Hij veegde met zijn zakdoek zijn lippen af. Hij
+zoende niet graâg zulke jonge kinderen. Die Marie is eigenlijk volstrekt
+niet kwaad, dacht Jozef, een aardige meid!
+
+Toen Jozef het licht had opgestoken in de achter-kamer, en een boek, een
+roman in een kalfslederen band gebonden, uit de kast wilde nemen, steeg
+er plotseling een woede, de uitbarsting van een lang onderdrukt
+ongeduld, in hem op. Hij maakte groote stappen door de kamer.
+
+--Dat duurt nu al maanden, zeî hij luid, het gaat niet meer, ik weet
+niet, wat ik doen zal.
+
+Hij stak een zwaren cigaar op en bleef beweging-loos en dommelend den
+heelen avond zitten. Een verzet was in zijn hart ontstaan. Hij verveelde
+zich onhoudbaar. Het ging toch ook werkelijk niet op den duur!
+
+Gedurende de volgende dagen, dacht Jozef, koud, met zijn rede en zijn
+gevoel van wereldsch mensch, na over zijn vrouw en zijn kind. Zij ging
+erg achteruit. Wat moest er in Gods naam van komen? 't Was wel aardig
+geweest, even na de geboorte, het denkbeeld van zijn eigen kind te
+hebben, een voortbrengsel van zijn liefde, maar nu, een klein leelijk
+rood, onooglijk, schreeuwend wicht, neen! 't was alles behalve
+pleizierig.
+
+ * * * * *
+
+Langzaam verstreken maanden. Mathilde bleef 't zelfde. In dezen tijd,
+kon zij eens 's avonds niet in slaap komen. Zij had dien middag
+onwillekeurig een paar uur gedommeld, en lag daarom nu wakker. Zij dacht
+dat zij een beetje de koorts had. Haar oogen, wijd open, staarden naar
+boven, naar den groenen hemel van het ledikant, zwartgroen in de zwakke
+schemering van het nachtlicht, en die in stijve plooyen zich in een
+middenpunt, een rozet, samentrok, waaruit een beddekwast nederdaalde,
+roerloos als de slinger van een stilstaande klok. Het felle wit van het
+dek, dat zich als harde sneeuw, over en om haar heen spreidde,
+schreeuwde tegen de duisternis, scheen naar boven te dringen en stapelde
+zich op, als een koude massa, midden in de zwarte tinten. Mathilde
+dacht ... en bewoog haar lippen of streek er met haar tong tusschendoor,
+van pleizier van zoo te liggen denken. Het suisde door haar hoofd; er
+was een ijlheid in haar hersens. Haar zieke gestel gaf haar gedachten
+een bizondere scherpte en levendigheid. Terwijl een nattigheid door haar
+oogen sprankte lispte zij, en er ging iets droogs, iets kramperigs door
+haar verhemelte ... O Jozef! ... o Jozef! ... Zij bewoog haar eene voet
+even en schikte haar armen in een gemakkelijker rust op het bed, om nog
+inniger en uitsluitender aan dat ééne onderwerp te kunnen denken. Zij
+dacht er over, wat zij allemaal zouden doen, als zij weêr beter was.
+Heerlijk! Heerlijke jaren zouden er komen! Wat een gelukkig en benijd
+drietal zouden zij zijn! Zij had dat al zoo dikwijls gedacht, maar nooit
+zoo hevig als nu. Zoolang zij alleen jonggetrouwden waren geweest, had
+zij nog altijd iets gevoeld, zij wist niet precies hoe, maar als of zij
+nog half en half niet getrouwd was, als of die man wel elk oogenblik
+heen kon gaan, niet dat dat gebeuren zoû, maar dat 't ten minste
+mógelijk was. En ook zoo voor de menschen. Als zij en Jozef menschen
+ontmoetten, bij hun aan huis of op straat of bij anderen, dan was er in
+'t "dag, meneer, dag, mevrouw" of in het "dag, Jozef, dag, Mathilde"
+iets als of de menschen op dat oogenblik den indruk kregen van twee
+alleenstaande wezens te ontmoeten, twee op zich zelf staande menschen,
+die wel innig aan mekaâr verbonden waren, maar toch maar met hun tweeën
+waren en elk oogenblik ieder een anderen weg konden gaan. Maar nu niets
+van dat alles meer. Nu was zij niet alleen heelemaal vrouw, een jonge en
+gepozeerde vrouw tegelijk, maar nu waren ze, zoo dacht zij, nog meer éen
+samen, zij hoorde nog veel meer dan vroeger, ook voor de menschen,
+onafscheidelijk bij mekaâr. Zij waren niet meer jonggetrouwden, neen,
+hij was de vader, zij was de moeder. En wat een vreeselijke
+heerlijkheid, op straat en overal in 't openbaar met elkaâr te zijn en
+dan de menschen te zien of te hooren zeggen: "dat is de jonge mijnheer
+en mevrouw van Wilden, ze zijn drie jaar getrouwd zoo wat, zij hebben
+éen kindje, een allerliefste jongen". Maar, dat alles daargelaten, wat
+zouden zij een stil en heimelijk geluk met hun drieên hebben in huis!
+Hij daar, zij hier, en Felix in 't midden! Neen, maar 't was waar ook,
+zij had volstrekt, na de geboorte niet al die ellende, over dit groote
+geluk nog niet in onderdeelen nagedacht. En, terwijl de koude, als een
+vale nevel, door de kamer, door het ledikant en over haar heen zweefde
+en haar gezicht doortrok, bleef dat gezicht maar liggen staren naar
+boven, en voelde Mathilde een warmte in haar oogen en in haar mond als
+stroomde het geluk over en wilde naar buiten, dat, als een eindeloos
+zacht zilveren vocht, door haar heele lichaam vloeide. Een enkele maal
+wreef zij, onder het dek, haar handen tegen mekaâr van de eenzame
+zaligheid, die haar zoo vervulde. Heerlijk! zij zag zich al weêr,
+genezen en gezond, beneden in de huiskamer zitten, Jozef tegenover haar,
+Felix op een hoogen kinderstoel, een rood puntje aan zijn neusje, twee
+heele groote oogen, lachend, juichend, met zijn handjes bewegingen van
+vreugde makend, tusschen hen in. Jozef aaide de wangetjes van het kind,
+sneed het voor hem bestemde sneêtje brood zonder korst aan kleine
+stukjes, gemakkelijk om in de melk te soppen. En Jozef keek dan
+glimlachend naar haar, om te vragen, of ze het zoo niet goed vond, en om
+dan samen van liefde te lachen, samen begeesterd door het jongetje, die
+nog niet spreken kon. Liet Felixje iets op den grond vallen of morstte
+hij, dan stond zij op om hem te helpen, en stopte hem met haar vinger
+een stukje geweekt brood in zijn mond. Daarna zoû ze bij voorbeeld aan
+Jozef vragen, of hij nog een kopje thee woû hebben. Hij zoû haar zijn
+kopje overreiken en hun vingers zouden elkaâr aanraken boven de tafel,
+voor het kind heen. Die kleine aanraking, hoe onuitsprekelijk gelukkig
+zoû dat zijn! Zij die hem zoo goed kende, zij, die alle dag in de
+innigste aanrakingen met hem geleefd had, verheugde zich nu al als op
+iets buitengewoons, in het vooruitzicht van die aanraking van hun handen
+boven de ontbijttafel. Ja, want dat zoû daar dan haar familie, haar
+familie zijn. In háar huis, met háar man, met háar kind, zoû zij daar
+zitten, aan haar levensdoel, tot het leven gekomen voor altijd.
+
+Er kraakte iets in de kamer. Het woei buiten. Een huivering ging door
+het behangsel, het nachtlichtje bewoog, spatte even, langzaam verroerden
+zich de zwarte schaduwen; een ritseling ruischte over de vloer laag
+langs de kasten en stoelen.
+
+Was er iets? neen, er was niets. Mathilde kuchte van gerustheid. Zij
+kuchte nog eens, langzaam, in haperende schorre tikjes. En het was of
+zegenend de duisternis, in een dikken vlokken-mantel en de koude, als
+oneindig veel scherpe sprietjes, haar naderde, om haar heen viel, haar
+aaide en met haar geluk samen was. Toen dacht Mathilde aan dien eenen,
+dien eersten grooten nacht, waarin zij, voor haar open venster in het
+oude huis, over Jozef had gedacht, na dat hij 's avonds van zijn liefde
+had gesproken. In de verte, als een bevende, bleeke herinnering, zag zij
+nu inwendig haar vader voorbij gaan, voorbij ... voorbij. Zij merkte dat
+zij hem vergeten was.
+
+De koorts werd erger, en Mathilde sliep in, met droge lippen, dronken
+van het denken.
+
+Den volgenden Zondagmorgen, heel in de vroegte, was de min met Felix in
+de kinderkamer, boven de logeerkamer, voor het venster gaan zitten en
+liet het kind naar den dag kijken. Zij hield hem vlak voor de ruiten.
+Langzamerhand was het acht uur, half negen geworden, en Marie keek met
+een groote belangstelling op de stille gracht, waar na enkele
+melkboeren, die er met hun witblaauwe emmers aan de versch geschuurde
+koperen haken langs de huizen waren gegaan, om hard aan te schellen en
+de meiden, in hun nachtjakken en met halfdichte oogen, te helpen, de
+haastige en ingetogen kerkgangers liepen. Het waren burger-mannen met
+bloote handen, dik en grof, met schoenen glimmende in de morgenzon op
+de droge straat, met glimmende heele hooge hoeden op het glimmende van
+achteren heel dikke en kort in den hals afgesneden haar als geplakt;
+met borstelige nekken; met lange, zwarte jassen waaraan éen dikke en
+bengelende achterzak en de andere dof gevuld; met wijde broeken van
+effen zwart laken of heele dikke met bruine strepen. Dan meiden met
+leelijke gezichten, helder gewasschen. Enkele met kornetten onder hun
+hoeden, die de meesten met bruine of zwarte banden onder hun kinnen
+hadden gestrikt. Andere hadden verouderde dameshoeden op, met veren en
+pluimen en linten in donkere kleuren.
+
+Maar vooral had Marie schik in de oogen van het kind op haar schoot. Zoo
+groot, zoo bruin, zoo zuiver vond zij ze, en zoo verstandig al. Zijn
+wenkbrauwtjes kwamen al aan, donkere streepen boven de oogen. Wat zag
+hij er mooi uit in zijn zondagspakje, met rokjes met kantjes, met die
+fijne kousjes met dat lieve blauw en witte doekje waar zijn bovenlijfje
+in gewikkeld was!
+
+Juist hield Marie het kind weêr voor de ruiten en liet het dansen op
+haar knie, een zacht liedje neuriënd toen de deur openging, en Jozefs
+lichaam, hoog in den klaren ochtend, binnenstapte. Marie bewonderde hem,
+met zijn lichtbruin haar, altijd zoo mooi geschoren, zoo mooi gekleed,
+en zoo vriendelijk.
+
+--Goeye morgen, Marie ...
+
+Zij andwoorde hem niet rechtstreeks. Zij vond hem haar weldoener, om dat
+hij haar, als ongetrouwde min, wel had willen nemen, toen zij juist niet
+wist wat er van haar worden zoû. Zij was erg verlegen tegenover hem.
+
+--Fik, Fik, daar is vader en ze liet Fik, zoo als zij hem het eerst had
+genoemd, dansen op haar schoot; maar zij zag Jozef niet aan. Het kind
+lachte tegen vader en kraaide 't uit van de pret en bewoog zijn heele
+lichaampje zoo als kleine honden tegen hun meester doen.
+
+--Zoo jonge heer! en hoe maakt onze jonge heer 'et? vroeg Jozef. Hij
+boog zich over het kind heen en gaf hem met zijn mooyen wijsvinger op de
+bolle wangetjes een tikje. Marie, die nu rood werd, keek maar al naar
+het kind en lachte tegen hem en schikte zijn mutsje en zijn kleertjes
+eens goed met haar rechterhand:
+
+--O, heel goed, vader ... niet waar, Fik? ... Heel goed!, en ze zoende
+het kind gauw en zachtjes en hield haar oogen maar neêr. Jozef nam een
+fauteuil en ging vlak bij hen zitten.
+
+--Hebben jullie al ontbeten? zeî hij en keek in Maries oogen.
+
+--O ja, meneer, ... vóor zevenen al ... en ze knipte met haar oogen, keek
+hem even aan en toen weér gauw uit 't venster en trommelde met twee
+vingers op de voetjes van het kind.
+
+--Kom, geef hem nou eens hier ... Nu moet vader em eens hebben ...
+
+Nu wist Marie met haar armen en met haar heele houding geen weg. Zij
+vouwde haar handen samen en drukte ze tusschen haar knieën; dan weêr leî
+ze op iedere knie een hand; maar toen zij haar bruine bij Jozefs blanke
+handen zag, deed zij ze onder haar boezelaar. Nu keek zij Jozef wat meer
+aan, die heelemaal met het kind bezig scheen. Maar als hij haar dan weêr
+aankeek, gingen haar blikken langs de staalgravures aan den wand en van
+de staalgravures op de stoelen en van de stoelen op het tapijt en van
+het tapijt op haar schoot en van haar schoot door 't venster op de
+gracht. Ze wist niet hoe 't kwam, maar nu stond in-eens het huilen haar
+nader dan het lachen.
+
+--En hoe bevalt je nu op den duur je nieuwe baantje, Marie?
+
+--Ik dank u d'r nog altijd wèl voor, meneer ...; 't bevalt me heel best,
+meneer ...
+
+--Nou, nou, je hoeft er niet om te huilen ... hoor eens Marie ... Hij had
+haar het kind te-ruggegeven, was opgestaan en had zijn linkerhand in
+zijn broekzak gestoken, met de rechter gestikuleerende ... zal je nu goed
+voor mijn jongen zorgen? ... zal je? ... Kijk me eens goed aan ... beloof
+je 't me? ...
+
+--Ja, meneer, zeker, zeker, ... ik beloof 'et u ...
+
+Toen ging Jozef langzaam wech.
+
+'t Was negen uur geworden.
+
+Nu kwam Dientje de werkmeid binnen met een dampende kop koffie voor
+Marie. Dientje had een breeden mond, dikke lippen en alles verder in
+haar gezicht was dik en klein; zij was leelijk maar goedig.
+
+--Hier, Mietje, zeî ze, koffie, ze is sterk, hoor, ... Pas op, bran je
+niet.
+
+Het kind lag in Maries rechter arm en met den linker slurpte ze de heete
+koffie.
+
+--Doet je dat nou geen goed, mensch? Ja, koffie, dat is altijd een
+heerlijke drank ...
+
+--Hoe laat drinken we koffie? vroeg Marie, terwijl ze den leegen kop aan
+Dientje te-ruggaf.
+
+--Om twalef uur; ... je moet tegen 'n uur of ellef maar 'es met Fik naar
+mevrouw gaan ... 't arme mensch.
+
+--Ja, wat is ze toch ongelukkig, hé?
+
+--Ze het wat uit te staan, hoor mensch, 'n ongeneesselijke kwaal, het de
+dokter gezeid ... Nou, nou, 't is voor meneer ook een slag geweest hoor!
+
+Dientje was met haar handen haar boezelaar aan 't verfrommelen. Zij had
+een groen japonnetje aan en een geur van schoon linnen bij zich.
+
+--Ja, zeî Marie, dat kan j'em dan ook nog wel aanzien ...
+
+--Och, hij houdt zooveel van mevrouw ... 't kon zoo'n best huwelijk
+geweest hebben! Maar wat zal je d'r an doen, de mensch wikt, maar God
+beschikt, zoo as ze zeggen ...
+
+--Ik zal nóu maar eens naar mevrouw toe gaan, zeî Marie.
+
+Mathilde zat op een leuningstoel aan de tafel, bij het raam. Haar
+teekengerei stond vóor haar. Zij steunde haar hoofd op haar hand
+en tuurde.
+
+--Binnen!, zeî ze, ... zoo, Mietje, ...
+
+--Hier is Fik, mevrouw ... Hij is al-door heel zoet geweest.
+
+--Geef 'em maar 'es hier, ik hoop dat ik 'm zal kunnen houden. Mathilde
+schoof zich met éen voet wat van de tafel en met een inspanning zette
+zij het kind op haar schoot en gaf hem flauwe zoenen. Zij hield hem lang
+tegen zich aan gedrukt, in een stilte, en had hem lief, met groote
+starre oogen. Zij had juist nu het gevoel van den dood, zoo als zij het
+dikwijls had tegenwoordig. Haar gezicht, in een ernst die het
+verouderde, dacht aan de toekomst. Zij had smartelijke gedachten, die
+zij aangenaam vond als mooye liedjes. Zoo zag zij altijd tegenwoordig op
+de binnenplaats vogels, die hun jongen verzorgden en voedden in den
+winter, in muurgaten, en zij vond pijnlijk dat zij dat haar kind niet
+ook kon doen. Zij dacht, of Jozef Felix wel goed zoû opvoeden en er een
+braaf en flink man van maken na haar dood. Toen werd ze moe, leunde meer
+in haar stoel, gaf het kind aan Marie te-rug.
+
+--Zie zoo, dag mevrouw ...
+
+--Kom je dan om een uur of vier van middag nog eens te-rug, Marie?
+
+--Ja zeker mevrouw, zeker.
+
+Mathilde hield er niet van in haar tegenwoordigheid door de menschen
+beklaagd en achter haar rug bepraat te worden. Daarom wilde zij geen
+visites hebben. Altijd werden de kennissen wechgestuurd met de
+boodschap, dat mevrouw belet had, dat mevrouw te ziek was. Mathilde
+wilde alleen zijn met haar ziekte. Later, als ze weêr gezond en flink
+zoû zijn, zouden de menschen haar wel weêr zien. De kennissen deden dan
+vergeefsche pogingen en bleven ten laatste van zelf wech. Alleen Marius,
+de kantoorbediende van Jozef, die anderhalf jaar geleden toen ook op hun
+feestje was geweest en dat gedicht op het huwelijk had voorgedragen,
+liet zich niet ontmoedigen, maar drong er onophoudelijk bij Jozef op aan
+toch éens het voorrecht te mogen hebben mevrouw in haar ongesteldheid te
+bezoeken. Jozef sprak er Mathilde een paar maal over. Eerst woû zij
+niet. Waarom die jongen eerder dan een ander? Jozef verhaalde dan, dat
+Marius gezegd had, dat hij hoopte mevrouw, die zich wel erg moest
+vervelen, misschien wat afleiding te kunnen bezorgen. Hij meende gemerkt
+te hebben, dat het in der tijd door hem voorgedragen gedicht mevrouw wel
+een beetje bevallen had; nu kon hij haar misschien nog iets voorlezen,
+of zoo. Mathilde lachte hij dat idee. Waarom hield die Marius toch zoo
+aan? Wat had hij toch? Had hij dan zoo'n medelijden met haar?
+Goeye jongen!
+
+Een dinsdag-middag na de Beurs werd Marius toegelaten. Onhoorbaar, als
+met een vinger van was, werd er op de deur van de ziekenkamer geklopt.
+Binnen! De kruk van de deur bewoog aarzelend en opende zich zoetjes met
+het geluid van een haastig, herhaald voeten-vegen. Zijn blonde hoofd een
+beetje gebogen, in zijn daagsch jasje, een breede versleten zwarten das
+onder een schoonen aan den hals rafelenden boord, kwam Marius met een
+linkschen stap binnen.
+
+Mevr ... hij kuchte, ... mevrouw, ik ben zoo vrij, om ...
+
+--Ik dank u wel voor uw belangstelling, meneer Marius, gaat u even
+zitten.
+
+--O, ... mevrouw ...
+
+Uit verlegenheid ging hij, langzaam neêrzijgend op een stoel, zich
+schamend en rood wordend over een gaatje in zijn schoenen, vlak bij
+Mathilde zitten.
+
+--Ja, mevrouw, ik woû eens komen vragen, hoe het met u gaat ... u is
+altijd zoo lief en goed voor ons geweest, mijn zuster zoû ook wel komen,
+als zij mocht ...
+
+--Ja, meneer, u begrijpt, ik heb veel rust noodig, en ...
+
+Hij viel haar in de rede:
+
+--O, mevrouw, maar ik zal heel zacht spreken, ziet u, ik begrijp heel
+goed, dat u het anders ... als men ziek is, niet waar, dan hindert de
+minste kleinigheid.
+
+De zin was er uit. Hij werd gloeyend rood om dat hij dat alles zoo juist
+achter elkaâr had gezegd. Hij wist niet wat hem overkwam om zoo
+plotseling met haar alleen te zijn. Hij trok zijn, van versletenheid aan
+de randen scherpe, manchetten over zijn handen tot aan den ondersten
+duimknokkel, dat hem pijn deed, om dat zijn handen daar ruw-rood waren
+van den winter. Met zijn groote, wijde, licht-blauwe oogen, met in 't
+midden van de appels een goud rontetje, iets als een verren vonk, bekeek
+hij haar verwonderd, terwijl de verlegenheid van zijn voorhoofd tot
+onder zijn haar steeg. Zij zag hem rustig aan en keek dan weêr naar het
+handwerkje, waarmeê zij bezig was.
+
+--U is erg vermagerd, u moet veel hebben uitgestaan, zeî hij snel en
+lachte bedeesd.
+
+--Ja, meneer, maar ik hoop, dat het nu gauw beter zal gaan.
+
+Hij keek om zich heen door de kamer, zonder iets te zien, als om zich te
+bedenken. Daarna zeî hij luid:
+
+--Kan ik niets voor u doen?
+
+--Ik dank u wel, meneer, u is wél goed, maar nee, ik dank u ... ik heb
+eigenlijk weinig noodig.
+
+Zij hielden zich allebeî stil. Mathilde begreep, dat zij nog iets zeggen
+moest. Zij liet haar werkje even op haar schoot liggen en zeî, met een
+welwillenden trek in haar gezicht:
+
+--Mijn man is erg te vrede over de bezigheden op het kantoor, ... ook erg
+over u ...
+
+--O, mevrouw, andwoordde Marinus verontschuldigend.
+
+--Ja, zeker, hij zegt, dat u het beste werkt van allemaal.
+
+--U zit hier zoo zonder veel zon en 't is zoo stil op de
+binnenplaats, ... mevrouw.
+
+--Ja, meneer, maar dat is juist het eenige, waarbij ik het kan
+uithouden. Veel licht en veel leven hindert me.
+
+--Kan ik niets voor u doen? vroeg Marinus weêr, iets voorlezen,
+bijvoorbeeld?
+
+--Ik wil zelf heel graâg iets lezen, als u mij iets leenen wil;
+voorlezen zoû mij wezenlijk wat te veel vermoeyen.
+
+--Mag ik u dan nog eens iets komen brengen?
+
+--Heel graâg ... maar, wil u ook iets drinken, een glaasje port of zoo,
+het is hier wel een treurig verblijf, waar als u wil ...
+
+Marinus stond op en, denkend te doen zoo als het hoort, bracht hij zijn
+stoel een eindje verder tegen den wand, waar die nooit stond.
+
+--Nee, mevrouw, ik dank u wel, zeî hij, maar ik moet weêr wech, ... u
+heeft ook rust noodig.
+
+--Nou, meneer, dan hoû ik me aanbevolen voor als u eens te-rug wil
+komen. Troost en medelijden doen altijd goed.
+
+Zij stak haar hand naar hem uit. Hij nam die half, daar hij er niet te
+ver in durfde gaan. Hierop boog hij tweemaal telkens op grooter afstand
+van Mathilde. Hij schopte in zijn verwarring tegen de deur, waar een
+klein butsje in kwam, en zeide: O, neem mij niet kwalijk, vaar wel,
+beterschap, mevrouw, beterschap ... dag, ... mevrouw.
+
+En zijn blonde, hoog stijgende haar verdween plotseling uit de kamer.
+
+
+
+
+XI.
+
+
+De dokter en de twee professoren hadden gezegd, dat zij niet goed
+wisten, wat eigenlijk de ziekte van Mathilde was. De geluiden, het
+suizen in haar ooren, de opvloeyingen van het bloed naar het achterhoofd
+en de hartkloppingen, waaraan zij leed, bewezen, dat zij iets aan het
+hart had, waarschijnlijk een vergrooting, waarmede zij geboren was, maar
+die na de bevalling zich pas ernstig openbaarde. Maar zij scheen ook een
+kwaal in het ruggemerg te hebben; zij had hevige pijn in den rug en
+zakte dan in-een, zonder recht te kunnen zitten. Er deed zich nog een
+derde verschijnsel voor: soms, tegen het einde van haar korte daagjes,
+als het weinige opzitten haar al zoo vermoeid had, vertoonden er zich
+zwellingen in haar beenen, tusschen de knie en de enkels. Dit was
+het water.
+
+--Waar zijn uw ouders aan gestorven? had de dokter eens, brutaal-wech,
+gevraagd.
+
+--Mijn moeder had iets aan haar hart, heeft mijn vader mij altijd
+verteld; waar hij-zelf aan gestorven is, weet ik niet precies.
+
+Mathilde werd zoo zwak, dat zij dikwijls weder dagen achter-een in bed
+bleef, zonder kracht, zonder lust om op te staan. Zij steunde zich met
+een appart hard kussentje in den rug, als zij overeind kwam om een
+beetje te eten. De dokter had gezegd, dat zij den aanstaanden zomer maar
+naar Scheveningen moest gaan; daarna had hij weêr van een hooge, een
+fijne lucht, het Gooi, gesproken. Jozef hield niet veel van buiten.
+Tegen den zomer, had hij gezegd, zouden ze er nog wel eens over spreken.
+
+Maar de kongesties naar het hoofd werden erger; zij veroorzaakten een
+bedwelming, met allerlei schemeringen, Nauwe en groene en gele kringen
+en vlekken voor Mathildes oogen. Als middel daartegen werden onder
+anderen eerst kompressen met karbol, later met ijs gevulde blazen, die
+verkoelden, gebruikt. Als het akelige stijgen van het bloed haar al te
+veel overweldigde, greep Mathilde zelf een brok druipend ijs uit het
+koperen emmertje, dat bij het ledikant stond, en drukte het stuk op haar
+haren, dat haar vingertoppen rood en blauw werden van koude tinteling en
+het water tappelings haar hoofd af in haar hals sijpelde. Maar Jozef was
+hier een ware hulp in den nood. Heel handig wist hij haar te helpen. Met
+zijn slanke, mooye vingers, kon hij de kompressen hanteeren, of haar met
+zijn ééne hand recht-overeind houden en met de andere het ijs op het
+hoofd drukken. Hij wist heel precies hoe hij haar moest behandelen, waar
+hij haar moest aanraken, om haar geen pijn te doen.
+
+Eens op een ochtend kwam hij binnen. Mathilde lag nog in bed. Hij hield
+een kleinen al opengemaakten brief in zijn hand.
+
+--Thilde, ben-je wakker?
+
+--Ja, wat is 'et?
+
+--Groot nieuws.
+
+--Wat dan?
+
+--Berlage is gister-avond gestorven.
+
+--De ouwe heer?
+
+--Nee, nee, Louis.
+
+-Och, heer, hoe is 't mogelijk! ... Hoe is dat zoo gekomen ... Nu is
+Emilie ook gauw weduwe.
+
+--Ja, hij moet een ongeluk hebben gehad. Ik heb hier een briefje van
+Emilie; waaraan hij gestorven is, zegt zij niet.
+
+--Ga dan maar dadelijk een visite maken ...
+
+--Ja, vin-je ook niet? Dat had ik ook gedacht.
+
+--Doe mijn komplimenten, hoor! Zeg, dat ik erg medelijden met d'r heb.
+
+--Ja. Wil ik je nog eerst even helpen?
+
+En hij verzorgde haar nog even vóor hij wechging, schikte de kussens
+goed, gaf haar in, deed alles met ijver.
+
+Mathilde was dien ochtend als lam wakker geworden. Zij had een
+onbegrijpelijk moe gevoel door haar hele lichaam. Toen Jozef te-rug was,
+zeide hij:
+
+--Ze is nog al niet erg gedrukt onder haar verlies. Er is hem op straat
+iets overkomen, een beroerte. Na den eten was ie gaan wandelen in het
+Vondelpark ... en ze hebben zijn lijk thuis gebracht.
+
+--Hè, God, dat is verschrikkelijk! ... En ze is niet éens erg bedroefd?
+Hè, ik ijs er van als ik er aan denk.. 't Is toch een vreeselijke vrouw,
+die Emilie ... Ik geloof, dat ze niets geen hart heeft.
+
+--Ja, maar hij, denk eens aan hem. Hij is er 't minst pleizierig an toe.
+Zoo jong te sterven. 't Is wel erg.
+
+--Ja, maar je weet niet hoe of me dat hindert, dat je zeit dat ze nog al
+gelaten is ... Ik vin 'et onmenschelijk! Hè, ik ril er van ... Kom eens
+even hier.
+
+Zij sloeg haar zwakke armen om zijn hals:
+
+--Jij zoû heel anders zijn als ik stierf, hè?
+
+--Wat een vraag ... En wat een gedachte!
+
+Gedurende eenige minuten omhelsden zij mekaâr.
+
+ * * * * *
+
+Drie dagen later zat Jozef, nadat hij alleen op het zaaltje gegeten had,
+in de binnenkamer, waar de groote glazen boekenkast stond, te rooken.
+Hij leefde nu al maanden akelig en naar. Dat kon niet langer. De trek
+naar al zijn jongeheeren-pleizieren van vroeger kwam dagelijks weêr meer
+in hem op. Wat had hij er in 's hemelsnaam aan gehad om te trouwen! Ja,
+hij had een geregelder en maatschappelijker leven willen gaan leiden.
+Zijn te lang durende jeugd had hem verveeld, hij was verliefd geweest,
+ja, en toen was hij getrouwd. En nu, daar zat hij nu, verlaten als een
+kluizenaar in een woestijn in zijn huis! Wat had hij nu? Een
+waarschijnlijk voor-goed zieke vrouw, van wier zuchtende en machteloze
+liefde hij nu al meer dan genoeg had, een klein schreeuwerig wicht, dat
+hem niet eens nog kende, met niets dan last en geen-een genoegen. Zijn
+hersens dorstten naar het rumoer van de straat, naar hel verlichte
+zalen, naar onverschillig eeuwig-grijns-lachende vrienden-gezichten. Hij
+had een gevoel alsof het tegenwoordige leven hem langzamerhand heel
+uitpompte en verdoofde. Hij maakte er zich driftig over. Hij was toch
+waarachtig niet van plan als een oud stil heertje nu verder door te
+leven tot alles gedaan zoû zijn! Hij keek denkend, zich bezinnend, in de
+rondte, en zag alles leêg en levenloos in de kamer. Het gas wilde niet
+eens branden. Dat was ook een ellende met die gasfabriek tegenwoordig!
+Hij zoû morgen weêr reklameeren.
+
+Wat zoû hij nu doen? Hij nam in Gods naam maar een boek: een
+geïllustreerd werk over China. Het verveelde hem. Hij sloot het dicht.
+
+Een week later, toen hij in de ziekenkamer de koerant zat te lezen,
+zeide hij:
+
+--Zoû je 't naar vinden, als ik weêr eens uitging?
+
+--Wat bedoel-je?
+
+--Zoo 's avonds naar de opera of zo.... een enkele keer ... zie-je.
+
+--Welnee, Jos, ik heb 't je immers zelf wel 'es gevraagd, dat te doen,
+ga gerust, dan heb je een beetje afleiding.
+
+Hij ging. Gedurende zijn afwezigheid was Mathilde bedroefd en bang, om
+dat zij zoo alleen in huis was. Maar zij wilde er zich met kracht en
+geweld tegen verzetten. Wel was 't haar goed, terwijl zij daar
+machteloos en ziek lag, te weten dat hij dáar was, dáar haar
+liefhebbende, hem daar onophoudelijk en vlak bij haar te voelen, altijd.
+Maar zóo kon 't niet altijd blijven, zij wist 'et wel. En daarom was 't
+maar goed, dat hij gegaan was, heel goed. Hij had wezenlijk niet aan
+haar verdiend, dat ze hem zich nu zoo liet dood kniezen in den duffen
+dampkring van haar slaapkamer. Een bewustzijn sloop nu haastig bij haar
+binnen, dat zij schuld had aan haar ziekte. Zij verweet zich-zelve hun
+beider ellendig bestaan van nu. Waarom was ze ook ziek geworden? Waarom
+was zij ook in bed gaan liggen? Kom, het was misschien maar gekheid,
+maar inbeelding. Wanneer zij zich er toe dwong, zoû ze misschien op
+kunnen staan en in eenige dagen weêr gezond zijn, door dat sterk te
+willen. Hij zoû dan niet alleen uit hoeven te gaan. Zij zoû altijd en
+overal hij hem zijn, hem altijd, altijd vergezellen, zoo als het hoorde.
+Zij wilde het dadelijk probeeren. Kom, het ging al. En, aan haar dwazen
+inval toegevend, richtte zij zich met geweld op, door den steun van haar
+armen. Krachteloos viel zij weêr neêr en lag van zwakte half te slapen
+toen Jozef thuis kwam om twaalf uur.
+
+De kongesties, die naar Mathildes hoofd stegen, hielden nu zoo aan, dat
+er soms een half uur achter mekaâr telkens nieuwe ijskompressen op
+gebonden werden. Den eersten avond dat 'et gebeurde, deed de heftige
+reaktie Mathilde zoo'n pijn en had zij zoo'n duizeling, dat zij met haar
+handen de kompres naar beneden rukte, die Jozef voorzichtig op haar
+hoofd had gelegd. In 't vervolg lieten zij nu Marie er ook bij komen, om
+te helpen.
+
+Het was zeven uur in den avond. Jozef had, om zich van zijn groeyende
+verveling te verstrooyen, aan tafel twee halve fleschjes fijnen, zwaren
+wijn gedronken in plaats van éen. Mathilde zat op in bed, in een hevigen
+aanval van hartklopping en koortsige bloedstijging. Haar gezicht was
+lichtelijk rood gekleurd, haar oogen gloeiden, zij beefde sterk. Marie
+stond rechts van het breede ledikant, aan den deurkant, Jozef stond
+links, in het doorgangetje, tusschen het ledikant en het behangsel. Zij
+hielpen Mathilde, schikten het beddegoed, deden haar nachtjapon goed,
+werkten met de kompressen. Het lamplicht schoot telkens over Marie heen,
+als zij weêr recht op ging staan en haar armen naar zich toenam, na over
+het bed heengebogen te hebben, bewegingen makende, tastende om mevrouw
+bij te staan. Jozef keek naar Marie, zoo als zij dan telkens in
+blank-gele en licht-roode tinten door de lamp beschenen werd en zich dan
+weder in de groenige duisternis van het ledikant bewoog. Een vreemde
+lust beving hem. Hij voelde een komende stormwind opruischen door zijn
+leden. Hij opende breed zijn oogen en staarde, werktuigelijk doorgaand
+met het strikken van de doek, waaronder de kompres boven Mathildes hoofd
+vastgemaakt werd. Marie hield met haar twee handen het hoofd stil en de
+kompres er op. Jozef maakte den strik. Dan raakten zijn vingers Maries
+pols. Een sekonde bezat hij zich zelf niet meer. De strik viel los. Hij
+had met zijn hand Marie aangevat. Hij drukte zijn vingertoppen tegen
+Maries arm. Marie schrok hijgend, verrast, wilde haar hand te-rugtrekken.
+
+--O, God, ik kan niet meer! zuchtte Mathilde, die in haar kussen
+te-rugzonk.
+
+Oogenblikkelijk was Jozef weêr bij zijn zinnen.
+
+--Wat doe je nu toch, Marie? zeî hij, je houdt de kompres niet goed
+vast.
+
+Marie liet niets merken en de kompres werd vastgestrikt. Marie had niets
+begrepen; zij had zich zeker vergist, dacht zij.
+
+Mathilde had alles begrepen. Toen zij alleen was, bekende zij het
+zichzelf. Haar gemoed was verbrijzeld. Zij begon met wezenloos rond te
+zien en met haar handen haar hoofd te betasten. Hierop moest zij zich
+langzaam, zoetjes aan, rekenschap probeeren te geven van wat er gebeurd
+was ... Jozef stond dáar, Marie dáar, er was iets tusschen hen gebeurd.
+Hij had haar aangeraakt. Hij was haar, Mathilde, ontrouw geweest.
+Ontrouw? Ontrouw? Ja, dat was het woord, waarmede zij dikwijls in boeken
+de handeling had genoemd gevonden, die Jozef nu daar-zóo tegen haar had
+gepleegd. Neen, hoe was het ook weêr gegaan? Die man, wat toch "die
+man"? Het was toch Jozef geweest! ... Jozef! ... Jozef! ... Een man had
+daar gestaan, was met zijn hand over haar heen gegaan ... Een man ... O,
+God, o, God, waar ben ik? wat is er! ... Ik word gek!... Wat was dat toch?
+Een vreemde wind uit de hel, die voorbij is gegaan ... Er is iets wech,
+er is iets van me wechgegaan! O, God, waar is 'et, waar is 't gebleven?
+Er is iets leêg geworden, hier, van binnen in me, in-eens, heelemaal,
+'t is wech, wech, mijn leven is wech ... voor altijd wech ...
+
+Als een krankzinnige sprak Mathilde luid in de eenzaamheid. Zij was
+zonder het te weten uit haar bed opgestaan, en rilde over de vloer,
+op haar bloote voeten. Zij wandelde door de kamer en bevoelde de
+voorwerpen, om te weten of zij bestond. Zij ging zitten op een stoel,
+als om bedaard over de een of andere zaak na te denken, die haar
+bezig-hield. Zij stond weêr op en deed allerlei onverschillige dingen,
+alles vergeten hebbende, als of zij plotseling, in een minuut, in een
+andere vrouw was overgegaan, een gewone vrouw, die niets deerde, en die
+de zaken van haar huis in orde schikte. Haar angst was volkomen; daarom
+leî ze haar peignoir goed, die van den rug van een stoel was afgevallen,
+bekeek de kleine dingetjes, die zij, als zij naar bed ging, altijd uit
+de zakken van haar japon nam en op de tafel leî: een notitieboekje, een
+goud potloodje, een speldekussen, bekeek ze een voor een, alsof het
+geheimzinnige onbekende zaken waren, voorwerpen uit een andere wereld,
+bekeek ze met een koel-opmerkzaam gezicht. Hierna ging zij bij de tafel
+zitten, haar eene hand in haar haar, de andere onbewegelijk op haar
+schoot. Als een van mensch tot beeld bevroren wezen, bleef zij roerloos.
+Haar oogen knipten snel heen en weêr. Zij herkende de plaats niet, waar
+zij was. Het scheen haar, als was ze daar plotseling in een kamer
+neêrgegooid van een pas nieuw getimmerd huis, dat nog wrak stond, waarin
+de wind vrij speling had, dat elk oogenblik in kon storten. Zij was
+alleen, heel alleen. Zij sprak een taal, die niemant verstond. Zij
+huilde tranen, en niemant wist waarom. Iedereen was haar vreemd; zij was
+vreemd aan iedereen. Daar waren een massa menschen in de rondte, ver
+beneden haar, die lachten en praatten, maar niemant, die haar zag. Die
+man, die éene man, ging ook voorbij ... zij zag zijn achterhoofd ... hij
+keek niet naar haar om.
+
+Nu begon Mathilde zachtjes te hijgen. Haar oogen draaiden dan naar
+rechts, dan naar links over de tafel. Zij luisterde. Alles was stil.
+Niet het minste gerucht steeg op over de trappen, naar boven. Allen
+waren dus wechgeloopen en hadden haar alleen gelaten. Zij zag in haar
+verbeelding Jozef de trap afgaan, hij keek niet, hij daalde altijd lager
+de trap af, hij keek niet om; daar waren andere, onbekende trappen, die,
+naar de laagte, voortdurend elkaâr opvolgden. Jozef daalde altijd
+dieper, het werd klein, eng om hem heen; die trappen schenen in een
+eindelozen koker in het diepste van de aarde uit te komen. De muren, die
+om de trappen heen waren, werden grijs; een mist hing om Jozef heen. Hij
+daalde voortdurend met denzelfden kalmen tred, zonder éens naar haar om
+te zien, hij daalde, daalde altijd, Hij verdween in een ver-vreemd oord,
+voor altijd van haar wech. Mathilde zag 't zóo duidelijk; daar, vlak
+vóor zich, in haar onmiddellijke nabijheid. Zij had haar hand uit haar
+haar genomen, en hield, met de elleboog op tafel steunend, haar hand, de
+vingers wijd van-een, op eenigen afstand van haar over de figuren van
+het tafelkleed brandende oogen, om haar verdriet te genieten; zoo als
+een prentenliefhebber, die nauwkeurig een zeldzame plaat bekijkt. Daarna
+stond zij op, ging bedaard weêr naar bed en sliep vast tien uur lang,
+zonder éens wakker te worden.
+
+Mathilde zeî aan Jozef geen woord van haar ontdekking. Dat zij zoo
+verbazend stilzwijgend werd, dacht hij dat van haar ziekte kwam.
+
+Mathilde beterde nu hoe langer hoe meer. De kwaal bleef, maar zij mocht
+opzitten den heden dag, en kwam ten laatste zelfs beneden; maar den
+eersten keer deed zij er vijf minuten over, om van de slaapkamer naar de
+binnenkamer te komen.
+
+ * * * * *
+
+In het begin van Maart was op verzoek van Jozef Emilie Berlage-Hartse op
+de koffie gevraagd. Emilie voelde zich tegenwoordig zóo verlaten! In
+haar rouwtijd kon zij niet uitgaan, zij, die zooveel hield van zich
+overal in het publiek te vertoonen. Nu moest men haar zoo'n klein
+pleiziertje aandoen, trachten haar een beetje te verstrooyen. Zooveel
+práatte zij ook niet. Haar tegenwoordigheid zoû Mathilde niet vermoeyen.
+
+Jozef was weêr een tijd trouw thuis gebleven. Geregeld, als een
+liefdezuster, stond hij Mathilde ter zijde. Hij had zich-zelf verwenscht
+om dien éenen keer, dat hij Marie zoo had aangeraakt. Hij wilde het
+boeten, en deed het. En vooral in deze dagen voelde Mathilde hoe vol
+haar hart van hem was en wát zij leed. Het was twaalf uur. Tegen half
+éen werd Emilie Berlage verwacht. Over de tafel lag een damasten servet
+met franje. Twee karaffen, de eene met rooden wijn, de andere met blauw
+en bleek water, stonden op zwarte flesschenbakjes met randen van
+nagemaakt zilver, op de tafel. Een verlakte broodbak, met dof-gouden
+ingedrukte bloemen en bladen, uit liet huis-houden van Mathildes vader
+afkomstig, stond in 't midden. Verder zouden door Dientje twee warme
+schotels op komforen worden binnengebracht; er stonden ook nog twee
+schoteltjes met koud vleesch, éen met beschuitjes en éen met kaas. De
+burgerlijkheid van de familie de Stuwen loste zich zoo op in de meerdere
+voornaamheid, die door Jozef in het huishouden was gebracht. Mathilde
+zat in haar ochtendjapon, haar haar zoo'n beetje opgemaakt, vóor de
+tafel, botrammetjes te smeren. Jozef zoû zoo met-een van 't kantoor
+komen. Dientje, met een ernstig opmerkzaam gezicht, kwam binnen om nog
+'t een en ander in orde te brengen, te schikken: een vork, die zij naast
+een bordje vergeten had, een vingerdoekje, dat scheef lag. Ook trok zij
+herhaaldelijk, met een krachtige getemperde beweging van haar vingers,
+aan den rand van de tafel, het servet naar zich naar zich toe, om de
+rimpels er uit te krijgen.
+
+--Heeft u nou alles, mevrouw? vroeg zij.
+
+--Ja ... dan breng je het vleesch binnen, als wij beginnen, hè?
+
+--Jawel, mevrouw.
+
+Eer Jozef nog thuis was, kwam Emilie. Zij had wat borduursel beneden aan
+den rok van haar effen zwarte japon. Zij was erg druk en erg lief. Al de
+woorden, die zij gedurende de dagen van haar eenzaamheid niet had kunnen
+spreken, daar zij niemant had ontmoet, stroomden nu uit haar mond. Hoe
+aardig, hoe recht vriendelijk was 't van Mathilde, er aan gedacht te
+hebben haar in haar droefheid een afleiding te bezorgen! En Mathilde-zelf,
+hoe maakte zij het toch? Emilie had zooveel onrustbarende tijdingen over
+haar gehoord, dat 't haar bepaald goed deed Mathilde eens in eigen persoon
+te kunnen ontmoeten. Ging zij wezenlijk beter? Zoo, zoo! dat deed haar
+ontzachlijk veel pleizier. Ja, de dood van den goeden Louis, Emilies man,
+was als een plotselinge donderslag op haar neêr gekomen. Zij had zooveel
+geschreid, dat zij geen tranen meer over had. 't Was iets verschrikkelijks
+in den waren zin van het woord, zoo vroeg weduwe te worden Zij was bepaald
+overstelpt geweest. Die goede Louis. och, die goede Louis! Wat bleef haar
+nu over? Niets. Zij was alleen op de wereld. Dat was ook de titel van een
+roman: "Alleen op de wereld!" had Mathilde dien wel eens gelezen? Zoo,
+nooit? het was toch werkelijk een mooi boek. Wel de moeite waard. Och,
+maar, aan zulke zaken dacht zij nu waarlijk in 't geheel niet. Zij
+herinnerde zich het werk alleen van vroeger. Maar Jozef zoû het wel kennen.
+Die beste meneer Jozef! Waar was hij? Zeker op 't kantoor? Ja, zoo'n
+ijverig man. Altijd was hij in de weêr, van alles op de hoogte, voor alles
+te vinden. Altijd tot dienst bereid. Iedereen hield veel van hem. Zij had
+ook zeer geappreciëerd, dat hij haar zoo dadelijk na haar verlies een
+visite was komen maken. Wat een mooi tafellaken had Mathilde hier! Zeker
+nog uit den boedel van den ouden heer. Hoe aardig, van 't zelfde patroon
+als de vingerdoekjes! Zij bleef voorloopig maar wonen in het tot nu toe
+door haar man en haar bewoonde huis. Och, waarom ook niet? Het was wel wat
+groot voor haar alleen, maar op die manier kon zij het meest en het best
+in gedachte nog met den dierbaren afgestorvene verkeeren.
+
+Mathilde hoorde Emilie aan, zonder er iets tusschen te mengen, met
+bleeke glimlachjes van bevestiging en deelneming, de ringen van haar
+vingers op en neêr schuivend om Emilie niet bewegingloos aan te kijken.
+Deze eerste rollende woordenroffel aan haar oor, na al de maanden van
+stilte en afzondering, deden een hinderlijk gesuis in haar hoofd
+ontstaan. Tusschenbeide voelde zij aan haar slapen iets kloppen, met
+lichte tikjes.
+
+Toen Mathilde geen andwoord vond, wilde Emilie doorgaan. Zij had nog
+duizenderlei dingen op haar hart, die zij behoefte had uit te storten,
+maar juist kwam Dientje binnen, met het vleesch.
+
+Er was even onaangename stilte tusschen de dames, terwijl Emilie Dientje
+bekeek. Mathilde zeide:
+
+--Je had 'et nog niet binnen moeten brengen, niet vóor meneer er was,
+meende ik.
+
+Toen Dientje de deur open deed om weêr wech te gaan, hoorden de vrouwen
+het sleuteltje van Jozef in het voordeur-slot bewegen. Met een slag en
+een dreun, een lichte rilling van het voordeurglas en een kuch van
+Jozef, trad hij door den gang. Zij hoorden nog het gemoffel van zijn
+overjas, dien hij aan den kleerenstandaard hing, den stamp van zijn
+paraplui dien hij daaronder zette.
+
+Emilies bovenlip en de gedeelten van haar gezicht om haar neus heen,
+trilden onmerkbaar, zij keek, afwachtend, naar de kachel, die begon te
+gloeyen, terwijl haar handen met haar zakdoek speelden. Een hoog
+zongeschitter schoot van de binnenplaats af door het vertrek. Een
+verfrissching huiverde door de kamer; langzaam, kalm, koel,
+verscheen Jozef.
+
+--Kom ik te laat?
+
+--Juist bij tijds, zeide Mathilde.
+
+Jozef had nu een lichten lach. "Mevrouw!" zeî hij tegen Emilie en boog
+even met zijn hoofd, met een voorwending van ernst om de droefheid van
+Emilie. Daarna ging hij tot vlak bij Emilie, terwijl zijn voet stootte
+tegen den poot van een stoel en Emilie half opstond om zijn hand te
+drukken, warm van de pas uitgetrokken handschoen. Hij ging naar Mathilde
+en zoende flauwtjes haar voorhoofd.
+
+--Hoe gaat 'et? vroeg hij met een lieve erg gemeenzame-stem.
+
+Nu dejeuneerden ze. Mathilde at bijna niets. Emilie vertelde wat een
+last zij had van een kleinen hond, die Louis maar niet vergeten kon en
+overal zijn meester zocht. Mathilde leî snel haar vork, met de tanden
+naar beneden, op haar bord boven het plasje vettig-bruine saus,
+waaromheen zich een dun rondje geel vet kringde, en te midden waarvan
+een stukje hoog gezwollen roode biefstuk zich verhief. Zij stond op, zij
+was onwel. Zij was nog te zwak, zeide zij. Emilie moet het niet kwalijk
+nemen. Zij wilde naar haar slaapkamer te-rug.
+
+Jozef stond op, zijn handen aan de tafel, met zijn vingers zijn
+vingerdoekje tot een knoest drukkend, aarzelend zonder besluit.
+
+--Drink 'es, zeî hij eindelijk.
+
+--Nee, dat is 'et niet. Ik heb alleen maar rust noodig.
+
+--Nee, mevrouw, maar, blijft u ... ik moest toch vroeg naar huis, zeide
+Emilie.
+
+--Nee, nee, ik verzoek u te blijven, houd u mijn man nog een beetje
+gezelschap.
+
+Mathilde was bleek van opkomende benauwdheid. Haar blikken dwaalden,
+alsof zij ergens zocht, wat er nu met haar gebeuren zoû.
+
+Jozef bedacht zich, hij keek Emilie aan als om haar te vragen, wat zij
+dacht, dat hij nu moest doen. Daarop wilde hij, dat Mathilde zijn arm
+zoû nemen.
+
+--Steun op me, dan zal ik je naar boven brengen.
+
+Vijf minuten later was Jozef te-rug. Emilie gaf haar ontsteltenis te
+kennen. Het was dan zoo erg! Dat had zij nooit kunnen denken. En zij
+verhaalde, haar oogen op den biefstuk op haar bord, van een van haar
+ooms, die twintig jaar lang heelemaal in afzondering had moeten leven,
+om dat het minste geluid, het kalmste gesprek hem benauwde. Telkens had
+zij een zweem van een onderdrukt lachje om haar mond, als zij haar oogen
+opdeed en Jozefs blik ontmoette, die uit beleefdheid roerloos luisterde,
+om hem met een gebaar iets duidelijk te maken in haar verhaal.
+
+Mathildes stoel stond scheef, een eindje van de tafel, geschoven, haar
+vingerdoekje lag er verkreukeld op. Haar glas water en wijn stond half
+vol voor haar bord; zachtjes lekten kringetjes vocht in het glas van den
+rand naar onderen, omdat zij pas gedronken had. Er was een leegte
+tusschen Mathildes plaats en de deur, alsof zij maar even was
+heengegaan, om terstond te-rug te komen. De hitte van de kachel werd
+erger. Er beefde een onvolledigheid door de kamer, die maakte, dat Jozef
+en Emilie zich niet op hun gemak voelden. Als Jozef haar nog van de
+spijzen aanbood en zij aannam of bedankte, als hij haar een schotel
+overreikte of haar nog inschonk, was er iets kils, een haperende
+zachtheid in hunne stemmen. Eens vatte zij een schotel niet handig
+genoeg aan, waardoor er bijna iets gevallen was. Dit veroorzaakte een
+verlegenheid tusschen hen beiden. Haar rouwkleed vervreemde hem
+eenigszins van haar. Hij zag niet graâg dat zwarte achter zijn glansend
+witte tafellaken.
+
+Toen zij eindelijk, in de wasemende stilte van het gedane déjeuner, met
+een gekraak van haar stoel over de vloer, opstond om heen te gaan, zeide
+hij zijn eerste beleefdheid:
+
+--Zou ik u nog eens mogen komen opzoeken?
+
+--O, dat zoû ik zoo graâg zien, andwoordde zij gemaakt luchtig, ik ben
+zóo alleen.
+
+Haar rijtuig wachte al voor de stoep. Zij hield er niet van met dien
+langen kaper te voet over straat te gaan. Zij reed ratelend wech. Jozef
+stak zijn hoofd even in de kamer, waar zij zoo even gedéjeuneerd hadden,
+als om te zien of zij niets vergeten had. Er was een geur van zwarte
+glacé handschoenen en een doffe zakdoekreuk gebleven. Daarna ging hij
+langzaam de trappen, op naar Mathilde. Hij dacht er over, dat Emilie
+volstrekt niet naar Felix had gevraagd.
+
+
+
+
+XII.
+
+
+Jozefs verveling vermeerderde met den dag. Zij steeg tot in zijn keel.
+Zijn eetlust zelfs verloor hij bijna. Dat was een geslenter en geslof
+over de trappen, een even stilstaan in de gang en weêr in de binnenkamer
+en er weêr uit, dat niet langer duren kon. Hij kreeg een zekere matheid
+door zijn leden. Hij dacht aan zijn mijmerijen over huwelijksgeluk, die
+zich een voor een hadden opgelost in de eentonigheid der witte muren van
+den gang en in de donkerte van de ziekekamer. Een groote spijt over zijn
+verloren vrijheid drong zoetjes bij hem binnen. Wat had hij toch
+begonnen? Zoû zijn leven nu zóo voortgaan tot aan het einde? Zijn armen
+hingen loom langs zijn lijf. Hij pruilde in eenzaamheid. 's Avonds voor
+dat hij naar bed ging en 's nachts in zijn slaap spookte Marie door zijn
+geest. Langzamerhand won de grijze verveling al de kleine dingen, waarin
+hij, behalve in Mathilde, tot nu toe belang had gesteld. De
+geïllustreerde tijdschriften, waarop hij zich geabonneerd had, bleven
+onopengesneden liggen. Hij wilde zich dwingen met aandacht boeken over
+natuurkunde, werken van dichters en romans te lezen, maar het ging niet.
+Een ijlheid, een walging voer door zijn leden. Op die manier was het
+leven onmogelijk. Alleen verdiepte hij zich nog in de aan zijn toilet
+besteedde zorgen. Aan zich zelf overgelaten, groeide zijn ijdelheid. Hij
+bestelde nieuwe pakken hij den kleermaker, stond zich voor zijn spiegel
+te verstrooyen met het aanpassen van overhemden en boorden, bracht een
+half uur door met de kleur van een das te overwegen. Eens kwam hij 's
+middags op Mathildes kamer, en vond haar geknield liggen bidden. Toen
+zij ophield om hem aan te kunnen hooren, zeide hij:
+
+--Ik dacht, dat je God vergeten was.
+
+--Zeg dat niet, Jozef, ik bid voor Felix.
+
+Hij was gaan zitten en keek, of de velletjes onderaan zijn nagels wel
+genoeg naar beneden gedrukt waren. Toen sprak hij zijn voorhoofd
+fronsend en zijn kin achteruit drukkend, half uit gekheid:
+
+--Ben-je nu van plan altijd ziek te blijven, lieve kind?
+
+--Dat weet ik immers niet, andwoordde zij, laten we het beste hopen.
+
+Naarmate Mathilde zich wendde aan haar ziekte, verlevendigde de gedachte
+aan God zich in haar. Zij voelde zich langzaam, meer en meer zacht-vroom
+gestemd worden. Zij voelde in haar wezen, terwijl zij haar pijnen
+doorstond, dat God er was om haar te troosten. Hij was daar, achter
+haar, boven haar hoofd, in de gordijnen en in den hemel van het
+ledikant. Maar het was geen wezen, geen omlijnde persoonlijkheid meer
+zoo als de God van haar jeugd. Het was iets onzichtbaars, iets als een
+wolk, een trilling van eindeloze goedheid en opperste troost, die
+zachtjes, bij kleine vermeerderingen, tot haar nederdaalde. Wanneer, met
+een heftigen sprong, het denkbeeld in haar hersenen stootte om terstond
+order te geven, dat Marie heen zoû gaan, was die God daar voor een
+beletsel, onoverkomelijk. Marie moest blijven, Marie was goed voor
+Felix, Jozef zoû geen kwaad meer doen. Wanneer zij in haar verbeelding
+Jozef en Marie samen zag elkaâr liefkozend, en zij bij die samenkomst
+heel vergeten werd, en zij zag hem haar aanpakken, haar zoenen, dan
+straalde van dien God een ontkenning uit, voor de gestalten van Jozef en
+Marie heen. Hoorde zij 's nachts in haar verbeelding iets als zachte
+mannenstappen naar boven gaan over de trap, dan moest zij zich
+vergissen. Jozef was alleen, Marie was alleen. Een troost, die van links
+en rechts zachtjes aanwoei maakte haar kalm. Dan sprak zij die
+wezenlooze beschermende macht aan met de woorden, die haar van vroeger
+waren bij gebleven: O God, o Heer, o Jezus, ik dank u.
+
+Mathilde besloot het verdriet, dat zich door geen nieuwe vermoedens
+verlevendigde en dat zich verkleinde, te verdragen. Zij zoû wachten tot
+zij beter werd, om weêr op nieuw gelukkig te zijn.
+
+Het zoû langzamerhand lente worden. Dokter Hansen hield nu lange
+gesprekken met Jozef over het naar buiten gaan van Mathilde. Na dat de
+dokter, met zijn kort hondenneusje en rimpelig in-een-geduwde handjes,
+allerlei raadgevende en verklarende bewegingen had gemaakt, was er
+besloten, dat de zieke in Hilversum zoû gaan herstellen. Het dorp lag
+hoog, de lucht was er fijn. In den omtrek waren wel geschikte huizen,
+ook villaas, te koop of te huur. Dokter Hansen schreef aan den dokter in
+Hilversum om naar een geschikte woning voor Jozef uit te zien.
+
+Mathilde woû eerst niet. Zij zoû 't nooit doen, nooit, of Jozef moest
+zijn zaken aan kant doen en ook voorgoed daar komen wonen. Want, zich
+van Jozef scheiden nooit! Jozef, die zich er altijd iets op voor liet
+staan uitmuntend met vrouwen over weg te kunnen, had een heel krijgsplan
+gevormd, om Mathilde over te halen. Hij begon met alles toe te geven,
+wat zij woû. Neen, zij zouden samen voor goed daar gaan wonen, winter en
+zomer. Hij sprak zelfs, al schertsend, van op die manier heelemaal een
+landedelman te worden. Maar tegelijk, terwijl de tijd vorderde, kwam hij
+minder geregeld thuis om één uur 's middags: de zaken breidden zich zóo
+uit; hij moest noodzakelijk langer op het kantoor blijven zeide hij. In
+Mathilde was gedurende haar ziekte een oude herinnering, een van haar
+vader overgenomen belangstelling in geld, in aangelegenheden waarbij
+rekenen te pas kwam, opgeleefd, en zij stelde meer dan vroeger belang in
+de zaken van haar man. Zij vroeg wel: hoe gaat 'et op 't kantoor? Zijn
+er vandaag weêr nieuwe kommissies gekomen? Toen het nog veertien dagen
+was vóor zij naar buiten zoû gaan, stemde zij er in toe, dat Jozef zijn
+zaak aanhield. Zij zoû dan probeeren éen zomer alleen in Hilversum door
+te brengen, Jozef zoû elken dag met den Rhijnspoor-trein van drie uur
+naar Vreeland komen, zoo dat hij vóor vijven in Hilversum kon zijn en
+zoû elken ochtend om half acht met de diligence, die direct van
+Hilversum op Amsterdam reed in een groote twee uur, weêr te-ruggaan.
+Heel goed, uitstekend! ja, zoo zoû het gaan.
+
+In dien tijd maakte Jozef, met een netjes ingepakt boek in den binnenzak
+van zijn overjas, een visite hij Emilie Berlage. Hij gaf haar het boek
+te leen: een fraayen roman, waarvan de handeling in Egypte voorviel. Zij
+moest in lektuur wat afleiding zoeken. Emilie was, terwijl zij hem zoo
+in haar huis ontving, veel meer op haar gemak dan gedurende het
+dejeuner. Zij las een brief voor, dien zij van den ouden heer van Riet,
+haar voormaligen voogd, die na haar huwelijk met zijn vrouw in een
+duitsche badplaats was gaan wonen, had gekregen en door de beide oude
+lui van Riet onderteekend was. Jozef maakte de opmerking, dat 't wel
+jammer was, dat zij hén nu ook miste, die haar in de gegeven
+omstandigheden anders van zooveel troost had kunnen zijn. Emilie liet
+aan Jozef haar hondje zien: een prachtig zij-harig wit en rose beest,
+dat dadelijk Jozefs handen likte. Terwijl dit gebeurde kwam er een
+warmte tusschen Jozef en Emilie. Zij zagen beiden naar den hond met
+verliefde blikken.
+
+--Een aardig dier! zeî Emilie, en hij kan Louis maar niet vergeten. Zij
+riep "Kastor" en aaide zijn rug, met een mooye buiging van haar hand.
+
+Dezer dagen kwam de tijding, dat door den dokter van Hilversum, een
+buitentje voor Jozef gekocht was, heel aardig, gelegen aan den
+'s-Gravelandschen weg, voor veertien duizend gulden. Jozef reisde nu
+verscheiden malen heen en weêr, tot dat alles daar buiten in orde was,
+altijd met de spoor naar het station Loenen-Vreeland, waar hem dan een
+wagentje uit Hilversum kwam afhalen. Daar dokter Hansen altijd
+nadrukkelijker verzekerde, dat Mathilde in de fijne hooge lucht van het
+Gooi gauw herstellen zoû, bepaald spoedig, begon zij met een koortsige
+drift naar dat buiten-zijn te verlangen. Vóor ze ging, kwam Emilie
+Berlage haar een afscheidsvisite maken. De dag van het vertrek was een
+van de eerste wezenlijke lentedagen.
+
+Om dat Mathilde te zwak was om de vermoeyenis van het gejaagde en het
+schokken van de spoor te verdragen, was er besloten, dat zij de heele
+reis van Amsterdam naar Hilversum per rijtuig zoû doen. Alleen Marie en
+Felix gingen met haar meê. Jozef zoû wel denzelfden dag ook komen, maar
+zij wilde volstrekt niet dat hij dien vervelenden langen tocht in het
+rammelende rijtuig meê zoû maken.
+
+Om elf uur in den ochtend kwam het rijtuig voor. Het was een oude
+barouchet, een van de weinige, die er nog in Amsterdam waren, maar
+volgens den stalhouder was dit het zachtst rijdende van al zijn
+rijtuigen. Mathilde, die in zóo lang niet in de frissche lucht was
+geweest, kreeg op de stoep bijna een duizeling. Zij zag de heele
+omgeving, de huizen aan d'overkant, het zwart-groene water van de
+gracht, de boomen langs den wallekant met hun groote verwarring van pas
+uitbottende aarzelend groene sprietjes, en het rijtuig met de twee
+schonkige paarden, dat een leelijken donkeren prop scheen te midden van
+de wasemende wit-en blauwheid van de lucht, zij zag alles in breede
+lijnen golven, zoo als men over een erg warme kachel heen het de
+voorwerpen in de kamer ziet doen. Het geruisch van de straat hier en het
+doffe geraas van de drukke buurt uit de verte scheen door alle poriën
+van haar huid te dringen, alsof het uit een emmer over haar heen
+werd gestort.
+
+De mengeling van geluiden, die, hij het opengaan van de voordeur, haar
+in-eens bedwelmde, verdoofde haar éene oor, zoo dat zij een inwendig
+aanhoudend schel gefluit hoorde, als of; wél in haar hoofd, maar toch in
+de verte, een lokomotief floot. Daarbij scheen 't als kwam er een
+zegening uit de hooge lucht over haar, als ging zij een nieuw leven
+tegemoet, als wuifde, in onzichtbare luchtdelen van den grond een
+gelukstoestand naar haar op, onder haar rokken in haar lichaam dringend,
+en uitwendig haar bekruipend tot aan haar hals, tot over haar gezicht.
+Maar de lucht was sterk en zij moest haar oogen neêrdoen, waaronder nu
+het bleeke blauw van de stoepsteenen, met zijn vele krijtige witte
+vlekjes, scheen te dalen en te rijzen. Marie was vlak achter haar en
+maakte, de armen vooruitstekende, bijna volvoerde gebaren, om haar te
+steunen. Terwijl Mathilde haar dof-stoffen schoen zonder hakje op het
+treetje van het rijtuig zette, vroeg de koetsier, die het portier
+vasthield, met zijn groven, aan den toestand vreemden, toon, Mathilde
+met zijn hand onder haar elleboog helpend, of de tollen nú of op zijn
+te-rugrit betaald moesten worden Dientje had een kanapeekussen tegen den
+rug van het rijtuig gelegd, op de achterbank. Hiertegen zeeg Mathilde
+neêr, haar oogen dicht, om even te bekomen. Daarna tilde Dientje Felix
+op de voorbank, waar Marie naast hem ging zitten. De witte schoenen van
+het kind staken vooruit op de bank. Dientje zeide:
+
+--Nou, mevrouw, goeye reis, hoor, goeye reis!
+
+Zij bleef met haar stijf glimmend witte boezelaar, onbewegelijk
+glimlachend, als een pop tegen de bruin-groene deur staan, tot dat de
+barouchet wechreed. Hobbelend en kletterend ging het rijtuig voort. De
+venstertjes in de portieren dansten in de schommeling van de rijtuigkast
+op en neêr. De voordeuren, onderste vensters en reepen muur van de
+huizen schoven in voortdurende opvolging voorbij als een reeks
+aaneengevoegde tooneel-achtergronddoeken, van boven afgebroken door de
+zoldering van het rijtuig. Op den hoek van het Koningsplein zag Mathilde
+de versleten hoog-ronde hoed van Marinus de Beer, die erg keek en diep
+groette; in de speling van het glas weekten de vormen van zijn haar
+ineen, alsof het vloeibaar was. Toen deed Mathilde haar oogen weêr dicht
+in de krachteloosheid, die haar beving en, mijmerend over Jozef, die
+van-avond komen moest, sluimerde zij half.
+
+Buiten de Muiderpoort, over den weg naar Diemerbrug, hoste het rijtuig
+vreeselijk. De boomstammen sprongen telkens te voren, aan weêrszijde.
+Marie poogde Felix, op haar schoot, zoet en rustig te houden. De oogen
+van het kind stonden wijd open, als begrepen zij de zaken, waarop Marie,
+met een ter eere van de gelegenheid, heel helder, bijna feestelijk
+geplooid gezicht, zijn aandacht vestigde. Zoo duurde het twee uur, tot
+men door Weesp en door 's Gravenland gereden was, tot in de Leeuwelaan.
+Om dat Mathilde geen koû zoû vatten, waren de raampjes toegelaten, maar
+door de reten suizelde de lente binnen, éen wordend met de lauwe, doffe
+lucht in het rijtuig. Mathilde, die het onbekende gras, de vijvers en de
+bijna groenloze doorzichtige tuinen van de buitens van Six bekeek, links
+en rechts, en, voor haar uit, naast het zakachtig lichaam van den
+koetsier, een stuk hooge, tintelend-witte, over de samenbuigende
+groengeknopte karkassen der groote boomen-opvolging als de zilverige
+zoldering van een tooverpaleis zich uitstrekkenden hemel bestaarde,
+voelde bij iedere reeks schokken van het rijtuig, zich ver van haar
+verleden leven wechvoeren. Zij had in zóo lang zoo'n nieuwen, zich over
+alles heenspreidenden zonnedag niet gezien. Door de vermoeyenis heen,
+waarin zij ieder oogenblik, haar kin naar haar borst gedrukt, tegen den
+rug van het rijtuig schokte, vulde haar een zucht om Jozef te vergeven
+en een weder ontstaand vertrouwen. Maar tegelijk was 't haar, of zij
+voor altijd van hem henen reed, naar een ver, vreemd land. De onbekende
+stukken natuur, die van weêrszijden en van voren, door de vierkante
+glazen vakken van het rijtuig, in haar oogen drongen, telkens
+verdwijnend, zich telkens vernieuwend, met grijzig-blauwe, lila en
+goud-witte tinten, waartegen de lage en hooge boomen en struiken, met
+hun magere, kale, draayend-kronkelende armen en talloze akelig-spichtige
+vingers, telkens dichter samengestoken, als de overgebleven geraamten
+van een daar plotseling verkoold soldatenleger, zich roerloosdreigend
+verhieven, schenen haar in een gelukloze toekomst te voeren, op den
+maatgang van de trappelende paarden.
+
+Dan weêr sprongen de groene knopjes overal op, schoten overal te voren,
+als jonge stemmen van een koor, dat hoop verkondigde, tusschen het
+onverschillig hobbelen van het rijtuig en de vaalheid, het grijs-bruine
+van het bosch. Een scheut zon geelde over het bloeyende hout heen en
+kleurde de groene propjes teeder en verzilver-blauwde de stammen en
+takken. Dan weêr verduisterde de zon, wolken schoven aan en weken. In
+snelle overgangen werd alles grijs en alles weder glansend. Ten laatste
+bleef alleen de glans over. Het was een voorjaars-middag.
+
+Het lage witte hek van een buiten, in de verte als een recht-opstaande
+streep bevroren sneeuw, kroop nader. Eindelijk stootte het voorbij,
+langzaam, met rukken, door het portierraampje, terwijl het grasveld en
+het hooge zware gelig-witte heerenhuis, met duidelijk omlijnde
+groezelige zonneplekken er achter bleven liggen voor altijd daar
+bevestigd.
+
+Toen het rijtuig een eind voorbij den tol, den dalenden weg afreed, van
+den molen tot aan haar nieuwe woning, zag Mathilde voor zich uit als in
+een groot vreeselijk diep prieel. Door de vermoeyenis van het lange
+rijden was zij in een uitputtende koortsige stemming geraakt en voelde
+zij zich als of er ieder oogenblik iets in haar breken zoû. Zij kon niet
+goed meer denken of zich rekenschap geven van de omgeving. Zij liet zich
+gaan in de sussende beweging van het rollende rijtuig, terwijl door deze
+gewaarwording de herinnering aan dien rijtoer van eenige jaren her,
+langs den Amstel, toen haar vader nog leefde, werd opgewekt. En
+plotseling zag zij, in de altijd wijdgeopende oogen van Felix op den
+schoot van Marie tegenover haar, Jozef weêr, zoo als zij hem dien
+vorigen avond in zich had opgenomen. De herinnering aan het verdriet
+week, week al in een ver verschiet en daalde door haar achterhoofd naar
+beneden. Zij zag Jozef in Felix en om hem heen schemerden met
+schitteringen de boomen en huizen en alles in de rondte haar tegen.
+
+De weg had zich, bij den molen, plotseling verbreed.
+
+De straatweg vloeide nu, laag, in het midden vooruit, zoetjes naar
+beneden; aan weêrszijden waren de breede hellende voetpaden van hard
+donkergrijs zand. Verder nog er naast waren de strepen wintergras, als
+de kortgeknipte schedel van een onderaardsche reus, afwisselend van éen
+tot tien meter breed, waarbinnen de dikke stammen van de overgroote
+iepen zich als knoestige zuilen in wijde rijen paalden. Achter de boomen
+stonden, schraal, de ijzeren en houten hekken van de zes, zeven buitens
+aan elken kant, tot aan het eigenlijke dorp. Rechts was eerst een
+vergezicht opengegaan, hel wit over leêge akkers, te-ruggestooten door
+de verheffingen van nieuw lichtgekleurde huizen, met platte en schuine
+daken en van vaalroode huisjes in aanbouw, die ophardden tegen het wit
+en blauw van den rondenden hemel.
+
+Maar het vergezicht werd dadelijk gesloten door tot aan den weg tredende
+buitens aan beide zijden, met hun samengrenzende nog winterende tuinen,
+dofglinsterend in hun door de nevel heen licht van boven vergoudde
+grijsheid. Maar, dichter bij liet rijtuig, hoog boven de aarzelend
+ontbottende beplanting van de tuinen, boogden de tegen den glooyend-
+blauwen hemel opwassende iepen hun machtige groen herlevende twijgen
+samen als de bedaking van den weg. Door hun uitgebreide, bladerloze,
+ledige, buigende lichamen wemelde en tintelde het witte goud van de
+lucht over de duizende in verwarring uitspruitende zacht-groene knopjes.
+In den zwakken wind rilden en negen de twijgjes, en nog koele zonnevonken
+dansten af in helle spartelingen.
+
+Mathilde was met moeite een beetje recht-op gaan zitten. Zij wilde den
+omtrek goed zien.
+
+Er was bijna niemant over den weg te bekennen.
+
+De vensters van de villaas waren gesloten; de menschen waren nog niet
+aangekomen. Hier en daar in de verte gingen de flodderige, plompe
+gestalten van een man, van een vrouw. Voor Mathilde alleen was de eerste
+lentedag van het Gooi. Een welkom suizelde haar nu tegen, toewemelend
+uit alle lichten, links en rechts en overal. Zij kwam hier om weêr haar
+geluk te-rug te krijgen. Jozef kwam van-avond. Zij vestigden zich hier
+met hun tweeën. Al moest hij ook alle dagen voor de zaken naar de stad,
+Hilversum werd zijn ware woonplaats. Zoo dacht zij voort.
+
+Mathilde was zóo uitgeput van de reis, dat zij achterover tegen het
+kussen samenzakte, toen het rijtuig het als een dubbele deur geopende
+hek binnenreed, waardoor men in de smalle achter het huis omliggende
+oprijlaan kwam. Met een laatsten flauwen blik had zij het nieuwe huis
+gezien. Bij het indraayen van de laan kraakten de wielen van het rijtuig
+scherp, een van de wielen sjorde even kritterend over het uiteinde van
+een met kiezelsteenen bevloerd pad, dat van voren langs het huis heen
+liep, heuvelopwaards. Daarna reden ze langzaam, met een kort gekraak van
+de kast en lange klachten van de wielen, tot midden achter het huis,
+voor een oude stoep met door den regen versleten treden.
+
+Van den straatweg afgezien, stond Bagatelle, zoo heette het buitentje,
+daar, van binnen en van buiten schoongemaakt en hersteld, dof wit,
+blauwig-blank, met zijn vier spiegelende raamdeuren, zijn acht
+opengestooten smalle lange jaloeziën, van zijn schuin-opgaand grasveld
+gescheiden door het kiezelsteenenpad langs den voorgevel, met zijn dicht
+blauw-bruin rieten dak tot even boven de raamdeuren neêrhangend, door
+twee ronde in vooruitstekend omkastingen gesloten dakvensters gebroken,
+en van boven vastgehouden door een schoorsteen aan elk der twee
+uiteinden, gelukkig en kalm, te vrede in den zwakken zonneglans.
+
+Aan elke zijde hing aan het lijf van het huis een in zwart-groen
+houtwerk getimmerde warande. Maar uit de verte zag men ze niet, bijna
+niets van het heele huis; want een groep boomen, waarachter het
+kiezelpad opslingerde, schaarde zich links en rechts, alleen het
+grasveld, van ovale bloemperken doorstoken, tusschen hen in openlatend.
+Uit de verte was alleen het lage hek zichtbaar: drie smalle strooken
+loodkleurig hout, bij iedere meter lengte door paaltjes opgehouden, en
+in drie afdeelingen gesplitst door de hoogere glimmend-groene, puntige
+hekdeuren, die ieder tusschen twee lila hoekige palen, met ronde witte
+bollen er op, zich door ijzeren schrenieren bewogen en zich konden
+openen voor de oprijlaan.
+
+Het buitentje was niet weelderig. Marcheerden de zaken, zoo dacht Jozef,
+dan kon men later zien iets meer chics te krijgen; maar, met zijn
+uiterlijk van half Zwitschers landhuis, was het toch niet onaardig.
+
+Toen het rijtuig stilhield, was Jans, die met de vrouw uit het dorp,
+waarmede zij de boel in orde had gemaakt, mevrouw wachtte, het stoepje
+afgegaan en had het portier open gemaakt. Bij het te-rugzien van
+Mathilde, ontstelde zij. Haar weeke wangen bibberden, een beetje bleek.
+
+--Is u daar, mevrouw? vroeg zij bezorgd, haar ruwe bloote voorarmen
+uitstekend om Mathilde behulpzaam te zijn.
+
+Mathilde knikte, met een flauwe vriendelijkheid. Nauwelijks liet Jans
+haar grijze blikken heel even over Felix rollen, maar, terwijl zij
+Mathilde stutte, toen deze op het treêtje zonk met haar éen voet,
+waardoor haar japon in het rijtuig haperde en een plek witte rok bloot
+kwam, en Marie zich bukte om met haar hand de japon goed te doen, keek
+Jans wrevelig naar Marie. Zij hielden niet van mekaâr.
+
+Mathilde zeî tot Jans, met een afwezige stem, alleen dit:
+
+--Meneer komt ook nog vandaag. Heb-je daarop gerekend?
+
+Mathilde werd dadelijk naar bed geholpen. De door Jans gedekte tafel in
+de groote kamer bleef alleen staan, met zijn hard wit servet, stijf
+geplooid, verlaten, afwachtend in de nieuwige en naar politoer riekende
+frischheid van de pas schoongemaakte kamer.
+
+Tegen den avond kwam Jozef aan en at, eenzaam, midden in de
+onverschilligheid van de vreemde kamer, als in een hotel, het half koude
+eten, na dat door de vrouw uit het dorp de lamp opgestoken was en de
+jaloeziën dicht gemaakt waren met een geluid als van valsche lage toonen
+van een harmonika.
+
+Mathilde sliep voortdurend. Na zijn eten keek Jozef, aan iets denkend,
+in de lampe-vlam en over de schaduwen en witte plekken van het
+tafellaken. Op de vlakte van donker-wit lagen de tegen den draad in door
+het linnen heen gestikte glimmend witte figuren. Hun helheid schitterde
+zoo naar boven, dat al de overige deden van het laken er donker-grijs
+bij werden. Het waren vierkante blokjes, met vier kleine vierkante gaten
+in 't midden, als korte breede kruisbalkjes samengevoegd. Jozef, zijn
+armen op zijn knieën, zijn borst tegen den tafelrand, staarde zonder te
+zien over de figuren, terwijl door zijn neus regelmatig hijgend zijn
+adem over het wit blies, als van iemant die wakend slaapt.
+
+Het was dood-stil in het huis. Jozef voelde een leêgheid door zijn
+leden, om zijn armen, die er met koude kracht over heenzonk. Hij keek
+eerst, een stukje melodie uit een operette van vier jaar geleden, die
+hij zich nauwelijks herinnerde, tusschen zijn lippen blazend, bijna
+fluitend, naar de zoldering, vanwaar, in de alles overvlekkende schaduw
+der lampekap, het wit aarzelend nederschemerde. Hij hoorde daarboven
+loopen, met schoffelende stappen, en stoelen verzetten met dreuningen,
+waarvan het geluid ruw door de rustige schaduwen heendaalde. Hij stond
+op om alles eens te bekijken, zoo als het nu geschikt was en voor het
+hier te leiden leven pasklaar gemaakt. Hij zag het lichte nauwelijks met
+groene en gele ruikertje bestrooide behangselpatroon, de oude uit een
+dorpsboedel gekochte piano, verder de twee groene kanapeetjes van glad
+leder, de stoelen aan de tafel en langs de wanden, rieten en leêren, het
+buffetkastje, de drie deuren, waarvan die op den achtergrond in den
+korten gang, de twee aan weêrszijden in kleinere aangrenzende vertrekjes
+uitkwamen. Dunne, doorschijnende neteldoeksche gordijnen stonden, in een
+zwevende houding gestolten, stijf van het strijken, van boven tot
+beneden voor de vensterdeuren, hun onderste helft door magere witte
+koordjes met kwastjes opgehouden. De donkere lattenopklimmingen der
+jaloeziën hingen met wrevel tegen de ruiten aangedrukt.
+
+Jozef trad in het kamertje links, een kubus met een raam van voren een
+in de warande. De vorige eigenaar noemde dit vertrek "het rieten
+kabinetje". De tafels en stoelen waren van bruin-geel riet. Op het
+tafelplat liep het riet uit een, de biezen uitstralend uit het
+middenpunt als een ingelegde ster. De leuningen der stoelen waren ovaal,
+peervormig, rijen omgebogen biezen samengebonden door touw-dunne soepele
+rieten lintjes. Het kabinetje was vooral nuttig om een kast, diep als
+een kamertje, in de muur, en die tot den kelder toegang gaf. Door het
+donkere kamertje stapte Jozef, twee treêtjes op, een deur door, in een
+hokkerig gedeelte van het huis links de luttele houten trap met een
+dunnen looper belegd naar boven, rechts voor hem uit een kamertje met
+een alkoof, links voor hem uit de keuken, onder hem het gesloten
+kelderluik, met een ijzeren ring om het luik op te heffen, plat getrapt
+in een zwartige voor. Alles was hier donker; een vage lucht van timmer-
+en metselwerk en van werklui die daar geweest waren geurde van rechts.
+De reet van de keukendeur werd bezet door een smalle lijn rossig licht.
+Bij tusschenpoozen suizelden deelen reuk van gebraden eten en van
+gekookt hebbend aardappelenwater er door heen, vervuld met stukken van
+kalme volzinnen van een oude meid, die, met een na het eten smeujige
+stem, babbelt.
+
+Jozef ging in het kamertje rechts. Hij had het voor logeerkamer laten
+inrichten, maar een logeerkamer minder in rang dan de twee op de
+zolderverdieping, wier vensters door het rieten dak heen op den breeden
+weg uitzagen. Hij voelde naar lucifers in zijn zakken, toen, met een ruk
+en een gewaai van vrouwenkleêren, de keukendeur openging, het portaaltje
+plotseling donkerrossig verlichtende, en weêr dicht ging. Het was Marie,
+die de trap opliep, om boven te zien of Felix wel sliep. Jozef had haar
+gezien, zoo als haar lichaam zich donker afbeeldde op den achtergrond
+van rossig keukenlicht, en in de duistere rondheid van haar hoofd had
+hij haar lippen, donkerrood, de warm-blanke plekken van haar wangen en
+kin, het glad-glansend-blauw van haar oogen zien schemeren. Zij had hem
+niet gemerkt; maar nog, nadat het stappen van haar voeten al lang boven
+was wechgebleekt, zag hij, in de duisternis kijkende, daar lichtende
+vlekken dansen, waarin mollige stukken van Marie spookten, haar
+schouders, haar hoofd, en enkele door het lamplicht verbruin-goude
+halshaartjes. Jozef stond daar, de lucifers vergeten, die hij, met zijn
+eene hand half in zijn broekzak, aan 't zoeken was, de duisternis
+vergeten, zijn oogen bewegingloos, met een krampig gevoel er in, zonder
+gedachte.
+
+Even later was hij weêr bij zijn zinnen. Hij vond in-éens dat hij in een
+verschrikkelijk verlaten duisternis stond. Het was toch nog koud al was
+het voorjaar! De gedachte viel over hem, dat hij weêr een kleurloos
+leven ging beginnen, vernietigend, onmogelijk. Mathilde lag daar ginds,
+voor hem verloren. Het was of hij haar van hier hoorde slapen, in een
+vasten slaap, waaruit zij voor hem nooit weêr zoû ontwaken.
+
+Een paar uren later gleed hij, zijn lot verwenschend, onder zijn
+eenzame, kille, bijna vochtige lakens.
+
+De volgende weken was het dag in dag uit hetzelfde eentonige leven.
+Mathilde bleef hetzelfde, koortsen verzwakten haar onophoudelijk; een
+paar uur per dag maar zat zij op.
+
+ * * * * *
+
+Den eersten tijd, dat hij alleen in Amsterdam was, gedurende de
+kantooruren, merkte Jozef weinig van de verandering in zijn toestand.
+Hij mocht nu met zijn ziel onder zijn arm in het stille huis buiten
+rondwandelen in plaats van in Amsterdam, dat was het heele verschil.
+Maar langzamerhand, daar hij toch vastgesteld had nooit 's avonds vóor
+zeven uur buiten te zullen komen omdat hij 's middags nog wel eens iets
+op het kantoor te doen had, begon hij gedurende zijn vrijen tijd visites
+bij Emilie Berlage te maken, altijd geregelder.
+
+De lente ging voort. Jozef zeide tot zich zelf dat het jaargetijde dezen
+keer een buitengewoon merkbaren invloed op hem oefende. Zette hij zijn
+raam open op het kantoor of buiten, over-dag of 's nachts, en de
+lentelucht drong in zijn neus en in zijn ooren, dan voelde hij de
+herinneringen aan zijn vroegere, zijn ongetrouwde leven met een zoetheid
+in zich opleven, die hij vroeger van de werkelijkheid nooit had
+ondervonden. Hij kon wel, zijn blik in de verre lucht, aan den tijd van
+vóor zijn trouwen met weemoed te-rugdenken, als een droomer, zich niet
+heugende hoe diezelfde tijd hem toen gewalgd had.
+
+In een zachten overgang, zonder den minsten strijd, zonder dat hij er
+een besluit voor hoefde te nemen, maakte hij een middag het voornemen,
+dien avond niet naar buiten, maar naar de club en daarna naar de opera
+of zoo te gaan. De gelegenheid was nu beter dan ooit. Mathilde was er
+niet om hem, door haar zwijgen of door een aanmoediging, die hij meende
+averechtsch te moeten opvatten, te-rug te houden. Hij telegrafeerde om
+vier uur twintig aan zijn vrouw: "Ben verhinderd, kom morgen". Daarna
+ging hij bitteren in de club, waarvan hij nog altijd lid was gebleven,
+en dineerde met drie vrienden, Hasman, d'Ablaincourt en een officier,
+die hij, zoo als altijd, ook nu weêr in de club gevonden had, in het
+blauwe bovenzaaltje van café Suisse.
+
+Een gevoel van verlatenheid, bevreemding, van afwijking van gewoonte,
+loste zich over zijn schouders op in een blijde te-rugkeerende vrijheid.
+Hij dronk zooveel wijn tot hij in een vroolijke stemming was; hij lachte
+met zijn groote tanden, terwijl zijn breede snor dan telkens naar boven
+sprong. Gewaarwordingen als van vier jaar her vulden hem. De
+huwelijksjaren krompen samen, verdwenen. Hij was de oude. Hij had weêr
+pleizier. De kellners schenen met de gewone eerbiediggemeenzame oogen
+toe te zien, maar verrast en met kleine herkennings-glimlachjes
+onderling. Tegen het dessert dronk hij veel achter mekaâr, om zich op te
+winden, want het hanteeren van het hem vreemd geworden leelijke nare
+restauratie-tafelzilver, de oppervlakkige koude feestelijkheid van de
+witte gladheden der borden, de glazen, het gas, de gebaarde
+heerengezichten, in dit alles scheen even een verwijt te trillen, 't
+gezin, dat naar hem wenkte, ziek en jong, uit de verte. Hij voelde het
+verwijt onder zijn haar opstijgen. Hij deed even zijn hand aan zijn
+hoofd om het te verdrijven, in een verdoovenden glimlach, rondziende of
+iemant ook iets over hem dacht. En hij, die gedacht had een gelukkig
+echtgenoot te zijn en van het regelmatige en bedaarde genot van den
+huiselijken haard! Hij voelde, dat hij veeleer op déze manier gelukkig
+was. Hier was zijn plaats. Hij kon niet anders verlangen. Het andere was
+onmogelijk voor hem gebleken. Hij merkte, dat hij weêr met het oude
+gemak het stugge, weêrspannige, veel te stijf gestreken restaurant-servet
+behandelde. Hij voelde zich achter tegen den rug van zijn stoel zitten,
+zijn leden meer in mekaâr, terwijl zijn vleesch en geest zich heelemaal
+overgaf in een neêrbuigen van zijn kin over zijn hals, terwijl van onder
+zijn gladde voorhoofd, flikkerende in den gas-schijn, zijn oogen lachten
+met de grappen van de vrienden.
+
+Toen Jozef, na het diner, weêr op den trottoir stond, ruischte het
+verwijt weêr tegen hem aan uit de onverschillige grommeling van de
+straat. En Mathilde? ... Mathilde? ... Zij moest den telegram al lang
+gekregen hebben, Jozef zag naar den grijzen trottoir, waarover de
+gasvloed uit de winkelkasten spoelde; zijn breede, wijde manchetten
+vielen over zijn handen, de wijde pijpen van zijn lila-broek stonden,
+als olifantspooten, tot bij de punten van de schoenen. Hij dacht aan
+Mathilde en aan buiten, een angst klom in zijn keel en hij voelde zijn
+hoed zijn hoofd als een klemmende ring omvatten. Daarna keek hij op,
+zijn vrienden wachtend, die hij met stappen, kletsend in den gang van
+Suisse, hoorde aankomen. De menschen, donker bewegende beelden, hoog en
+laag, liepen schoffelend voorbij door het praatgesuis heen. De zwarte
+lucht walmde neêr over de huizen. Eén minuut was 't Jozef als of al die
+menschen in hun ruischend gebrom, met hun bewegende monden achter hun
+haarden, allen over hetzelfde onderwerp spraken, een belangrijk,
+aangrijpend onderwerp, dat allen bezighield. Allen waren ernstig,
+afgemeten, hij ving schuinsche blikken op, in zijne richting gestuurd.
+Zij spraken van hem, zij spraken van Mathilde, hoe ongelukkig zij was.
+
+Nu begreep hij plotseling, dat zij naar hem moest verlangen, dat zij aan
+de waarheid van zijn telegram twijfelen zoû. Hij zag haar van hier voor
+op haar ziekestoel zittend, onrustig, zonder te leunen, haar blikken zoo
+vreemd, naar voren, zooals zij kijken kon in uren, dat zij een verdriet
+voorzag en wel zeide dat te voelen naderen als een aankomende
+krankzinnigheid. Zoo als hij haar gezien had na den dood van den ouden
+de Stuwen, zóo moest zij nu dezen avond zijn, daar ver van hem
+verwijderd, alleen in het ontbottende Gooi.
+
+Maar Jozef vermande zich. Gekheid! Hij zoû haar nooit ongelukkig maken.
+Hoe kwam hij aan die gedachte? En hij beloofde aan zich zelf, dat, zoo
+hij het vervelende eenzame leven al niet langer verdragen kon, zoo hij
+zijn vrijheid in 't vervolg weêr wat minder opgesloten zoû houden hij
+toch vooral zorgen zoû, dat Mathilde er niets van merkte en zij er in
+'t minst niet onder leed.
+
+De heeren gingen nu naar de fransche opera in den Stadsschouwburg. In de
+pauze zeî een van hen, bij die gedachte gebracht door het hooren van de
+muziek, dat die muzikale avondjes nu wel gedaan zouden zijn bij Jozef.
+
+--Ja, andwoordde hij, zoolang als Mathilde niet beter is, dat begrijp-je.
+
+Er werd verder weêr over Mathilde gesproken; een lichte ironie trilde in
+de rooyige gezichten.
+
+Toen Jozef om halt drie dien nacht met zijn kalmen regelmatigen tred
+naar huis stapte, dacht hij voortdurend aan Mathilde. Een spijt sarde
+hem, telkens opkomende, hij vlagen. Het scheen hem, dat hij haar een
+groot leed had gedaan. Hij verzon nu, wat hij haar opgeven zoû als de
+reden, waarom hij niet buiten was gekomen. De zaken natuurlijk. Dat was
+het eeuwige voorwendsel, onweêrsprekelijk, Met de zaken bemoeide zij
+zich zoo weinig, van de zaken wist zij eigenlijk niets af.
+
+En, den volgenden dag buiten, zittend vlak bij Mathilde, zijn knieën aan
+haar knieën, de telegram open op tafel met het koude blauwe schrift van
+den telegrafist, vertelde hij haar een heele geschiedenis. Hij had weêr
+veel meer pleizier in de zaken gekregen dan vroeger, hij begon een
+nieuwe onderneming, waar hij veel aan dacht en waarvoor hij veel werken
+moest. En zij, met haar vage zieke oogen, geloofde hem als een kind, nu
+zijn hand zoo vertrouwelijk lag op haar knie, bijna bloot onder de dunne
+witte nachtjapon.
+
+Nu gleed Jozef zoetjes-aan heelemaal tot zijn vorige leven te-rug. Hij
+vond het erg aangenaam met zijn gepozeerdheid van jong elegant getrouwd
+man in zonnige middagen over den Dam, door de Kalverstraat, door de
+Reguliersbreêstraat te wandelen, terwijl zijn vrouw op hun villa, buiten
+was. Een anderen keer ging hij weêr eens over het Koningsplein, door de
+Leidsche straten, naar het Vondelspark. Hij vond de oude manieren weêr
+te-rug om zijn lichaam te bewegen en voor zich uit te zien, zoo dat de
+dames hem bekeken met belanghebbende blikken. Zijn oude koketterie
+steunde nu op een zekere hoogheid en te-ruggetrokkenheid, nu hij zich
+als getrouwde door de nieuwsgierige oogen beschouwd voelde van de
+juffertjes en de zusters van zijn kennissen. Hij deed weêr minder in
+Emilie Berlage. Hij had een paar maal de ouders van den overleden
+echtgenoot bij haar ontmoet, die hem op onaangenaam aandringende manier
+naar Mathilde vroegen. Een buitendien maakte Emilie hem driftig, om dat
+hij dacht, dat zij hem alleen maar zoo'n beetje voor den gek hield.
+
+Er openbaarde zich in hem een heftige reaktie tegen de jaren van
+ingetogen huwelijkstrouw. Als iemant, die een vroeger geliefd huis, waar
+hij in lang niet kwam, de trap opgaat, ging hij weêr heelemaal op in het
+pleizier van matig uitgaan. De heele stad was nogmaals zijn terrein. De
+beminnende onrustige vrouw was er niet meer als een spaak in het wiel.
+Het was wel een aardige roman geweest, die enkele jaren van geheele
+kalmte en maatschappelijke geregeldheid, met altijd dat zelfde lichaam
+en die wijde donkere oogen, die zoo weinig wisten, om meê te zijn. En
+nu, met de ziekte, zoo opgescheept als hij eerst met die nutteloze,
+onbruikbare vrouw was geweest in de stad, zooveel genoegen, deed 't hem
+nu te kunnen zeggen, dat hij zijn vrouw naar een villa in het Gooi had
+gebracht, om van een bedroevende kwaal te herstellen. Hij had het nu
+voortdurend over "zijn optrekje" en "ons optrekje". Hij sprak over
+"Bagatelle" in een toon van: "Je weet wel, mijn buitentje, waar mijn
+zieke vrouw woont".
+
+Jozef bleef nu herhaaldelijk 's nachts in Amsterdam. De maanden April en
+Mei ontrolden zich met onafgebroken mooi weêr. Jozef die tegenwoordig
+bijna geregeld naar de Beurs ging, betrapte zich, bij het uitgaan
+dagelijks op wankelingen in zijn besluit om dien dag toch naar buiten te
+gaan. Als hij 's morgens in het te breede ledikant in Amsterdam wakker
+werd, het gemakkelijke huwelijksbed, dat hij, na Mathildes vertrek, met
+schoone lakens weêr in gebruik had genomen, en hij hoorde en zag de
+stille leêgheid, die alle verdiepingen, alle kamers en vooral hier hun
+slaapkamer, vervulde, dan kwam er altijd een golf van teederheid over
+hem. Hij stond op en in de frischheid van het aankleeden, in de bleeke
+zonneschemering door de neêrgelaten gordijnen, op zijn kousen met dolle
+stappen door de kamer loopend, zich bukkend om uit de lâ zijn boord en
+zijn das te krijgen, alleen zijn eigen bewegingen hoorende, het geruisch
+van zijn overhemd, het smakken van zijn ontwakenden mond, zijn kriegelig
+gapen, zijn eerste stijvere stappen met de aangetrokken schoenen over de
+vloer,--dan miste hij Mathilde. De nasmaak van de pleizieren van den
+vorigen avond was bitter, was hij dan weêr een groen losbolletje
+geworden? Gedurende het wasschen nam hij zich onherroepelijk voor in 't
+vervolg geregeld naar buiten te gaan. Gedurende het afdroogen, achter de
+klammerige sijpeligheid van zijn gezicht in den nieuwen dag, herinnerde
+hij zich, hoe ze gister-avond gelachen hadden, en hij lachte, bij het
+herdenken van de kleine overwinningen zijner ijdelheid, nog eens
+stilletjes over, tegen den spiegel ziend om zijn haar, dun en zijig, te
+kappen. Daarna tikte de barbier aan de deur. Hij maakte een praatje over
+het weêr en Jozef dacht met genoegen aan de straat, waarop hij zich zoo
+meteen weêr vertoonen zoû. Als hij geschoren en gekleed was, krulde hij
+voor 't laatst zijn snor voor den spiegel, beschouwde zich met een
+kalm-tevreden blik, en zijn voornemen om naar buiten te gaan werd minder.
+
+Als hij beneden ontbeet, had de dikke Dientje altijd een reden om in de
+kamer te zijn. Dan vroeg zij of zij van-avond weêr op hem rekenen moest
+met de deur, waar dan de ketting niet werd op gedaan. Hij andwoordde
+onzeker. Dientje verzocht wel de komplimenten aan mevrouw. Daar had zij
+altijd den mond vol van. Zij kon, dik en medelijdend, met een welgedaan,
+gezond hart, onder de strakke paarse jurk, niet hebben, dat mijnheer
+niet elken avond naar buiten ging. Telkens als hij van buiten
+te-rug-kwam, en zij hem vóór kantoortijd even te spreken kreeg, vroeg
+zij met drijvende oogappels en een deelnemende trek om den mond, hoe 't
+ging met mevrouw.
+
+De kantoortijd was gauw voorbij. De bedaarde zaak ging haar geregeld
+gangetje, zoo als zij het nu al veertig jaar lang had gedaan. Jozef zat
+daar, krabbelde met zijn gouden potloodje over het korrekte koele
+papier, kontroleerde eenige geschriften, dronk koffie en ging naar de
+Beurs of dejeuneerde ergens anders en ging daar vandaan naar de Beurs.
+Bij kleine buyen was te midden zijner verveling een lust door hem heen
+getrokken, om zaakjes, kleine ondernemingen, te doen. Hij deed 't, maar
+'t bleef bij het onbeduidende, eenige honderden gewonnen, eenige
+honderden verloren, verder bleef de zaak op de oude klandizie drijven.
+
+Na de Beurs, als het in de jonge zon oplevend witte kleinen steenen veld
+van den Dam zich om hem heen uitstrekte, terwijl zijn zintuigen links en
+rechts door de glinsteringen en het gedruisch van de omgeving werden
+aangedaan, gebeurde zijn groote aarzeling. Hij had een eigenlijk zwak
+karakter. Hij wilde en bepaalde nooit vooruit wat hij zoû doen, zonder
+dat hij op 't oogenblik van handelen er nog eens over dacht liever het
+tegenovergestelde te doen. Dikwijls tusschen half drie en kwart voor
+drieën op den Dam, werd hij dan woedend-driftig en werd zijn hals rood.
+Nog eens was dus zijn levensinrichting vernietigd! Hoe had hij gehoopt
+en gemeend nu het kalme fatsoenlijke genot-volle leven te hebben, tot
+aan zijn dood. En daar stond hij op den Dam, als vijf, zes jaar geleden,
+met zijn leêge handen, zonder hoûvast. De gevangen vogel was door zijn
+vingers wechgevlogen. Hij was weêr alleen. Zijn rustige vriend de Stuwen
+bestond zelfs niet meer, met wien hij over gewone levenszaken zoo graâg
+op burgerlijke manier zat te praten. En de Stuwens dochter was daar
+buiten, ook alleen, half dood eigenlijk voor haar man. Rechts voor hem,
+vóor van Gend & Loos, vertrok de omnibus naar de Rhijnspoor. De klok
+boven aan het Paleis wees aan, dat hij zich zoû moeten haasten. Maar hij
+wilde niet, hij wilde zich niet haasten. Hij haastte zich nooit. Een
+groot gedeelte van het gentlemanlike in zijn persoon, in zijn houding,
+in alles was hij deed en naliet, bestond uit dat zich altijd meester
+schijnen, uit dat voortdurend leven met ingehouden kracht, uit dat zich
+nooit haasten.
+
+Wanneer de omnibus, het Rokin over, eenmaal uit 't gezicht was met zijn
+op-en neêrgaanden kondukteur in het kader van de opening naar binnen,
+viel er een drukkende lust uit Jozefs leden en scheen over de vierkante
+gladde keyen wech te wolken, onwaarneembaar. Hij had dan niet langer te
+wikken en te wegen en de langzame gewaarwording van het zich aan zijn
+luiheid in de zelfregeering overgeven, verdrong zoetjes de
+geestesspanning van zoo straks. Hij deed een paar stappen over den
+harden stadsgrond, waar men ten minste over gaan kon zonder zijn
+schoenen en broekspijpen te bestoffen zoo als in het zand, buiten. De
+flauwe laatste openbaringen van zijn inwendigen twee-strijd waren de
+gedachten aan de volgende treinen, waarmêe hij nog zoû kunnen
+vertrekken, aan de rijtuigen, die dicht bij hem klaar stonden, waarmeê
+hij dezen trein nog kon halen, die even door zijn hersenen glipten, maar
+die verdampten in de onberedeneerde valsche zekerheid van dat dat
+onmogelijk was. Hij liet zich gaan, drong zich gemakkelijk de overtuiging
+op, dat het laatste middel om vandaag buiten te komen, niet meer bestond.
+En hij had weêr een dag en een avond om zijn genietingen van vroeger te
+herleven.
+
+Hij vond, zacht en weldoend in hun verbleektheid van herinnering, de
+vroegere sensaties te-rug. Het bitteren in de club, de banale eeuwige
+jeugd der vrienden, het eenigszins fijn dineeren, de altijd kittelende
+herhalingen der zelfde gesprekken over rijke meisjes die onvermoede
+huwelijken deden, over bankiersfaljieten, over wijnmerken, over spijzen,
+over paard-rijden, over bals van den verloopen winter en bad-reisjes
+voor den aanstaanden, zomer, vooral over de aanstaande van die en de
+weduwe van die, over de allergewoonste zangeressen en over de eigenaars
+van café-chantants, hij maakte ze weêr en weêr door, de oude verveling
+was geweken, hij hoorde ze aan en sprak meê met zijn mooi bloeyend
+gezicht, en lachende onder zijn prachtige snor. Hij ondervond, tot
+overmaat van pleizierige bevreemding, weêr het genot van zoo gemeenzaam,
+met het wijsheids-gemak, en de goedige onverschilligheid van den
+ondervindingrijken man, die zijn wereldje kent, al die zaken te
+behandelen.
+
+Vóor het diner maakte hij een enkele maal een toertje te paard, maar
+zelden, héel veel hield hij er níet van. Na het dinee was het weêr een
+komedie, een koncert in het Volkspaleis, een avondje doorgebracht bij
+een oude vriendin. Maar kalm, alles bedaard, alles met de bedaardheid
+van vroeger, vermeerderd en versterkt door zijn telkens meerdere
+rijpheid.
+
+Den volgenden dag reisde hij trouw naar buiten. Hij vond Mathilde altijd
+dezelfde, zwijgend, met haar zieke stem hem naar de zaken vragend, met
+de eindeloze hoop op herstel. "Begrijp je, als ik weêr beter ben,
+dan, ... begrijp je, als ik weêr beter ben" Altijd had zij andere
+plannetjes voor de toekomst, allerlei kleine gelukjes, die zij samen
+zouden hebben. Als hij twee, drie dagen achter-mekaâr buiten kwam, vond
+hij haar vroolijker dan gewoonlijk. Maar als hij daarentegen eens
+wechgebleven was, scheen ze dat toch niet zoo erg naar te vinden. En dit
+stelde hem veel te vrede. Eene berustende, lijdende, gelijkmatige kalmte
+was over haar gekomen. Eén ding was wel eens op hem gevallen. Was hij in
+haar bijzijn, dan stonden haar blikken in zijn oogen, volgden zijn
+minste bewegingen, drongen over zijn lichaam, met een vreemde volharding.
+Dan vroeg hij haar bijvoorbeeld iets en andwoordde zij niet, zij scheen
+hem niet te hooren, hem drinkende in haar starende, groeyende, zwijgende
+oogen. Eens had hij gezegd, een beetje gedwongen: "Wat kijk je me raar
+aan ...", zij zeide: "ik? ... ik? ... wat bedoel je? ... Wel neen, dat
+verbeel-je je maar".
+
+Een andere keer als hij weêr, na de Beurs, op den Dam stond, van-zelf
+naar de dommelende paarden van den omnibus kijkend, en hij was gisteren
+pas buiten geweest, was het de last en het hinderlijke van de reis, die
+hem deed besluiten in de stad te blijven. Onophoudelijk dat heen en weêr
+trekken, in de stofterigheid of de smerigheid van de spoor en zoo, het
+vervelende eentonige hossen, een paar uur lang, in zijn eentje, om als
+belooning van zijn moeite in denzelfden afmattenden vreugdelozen
+doodschen dampkring, buiten aan te komen, dat was heel onaangenaam. Als
+hij den omnibus maar zag, voelde hij zich al hobbelen tusschen allerlei
+burgermenschen in, met een door het dansen veroorzaakte tergende jeuk,
+die hem noodzaakte aan zijn neus te wrijven elke vijf minuten, hij liep
+al in de gedrongen haasterigheid van het stationsperron, hij voelde zich
+het onbeduidende grijze landschap doorstoomen, verder de eenzame rit van
+Vreeland, Kortenhoef en 's Gravenland in het gemeene tentwagentje, met
+den viezen koetsiersjongen voor hem en den ouden hit, en dat alles om
+zijn naren dag door een nog naarder avond te laten volgen, zonder zelfs
+altijd bij Mathilde te kunnen zitten, korte woorden over het weêr en de
+huishouding met de meiden wisselend,--neen, het was te akelig. Zijn
+eenig genoegen was dan Marie te zien, zwaar en warmblank. Maar haar
+verschijning prikkelde hem minder dan eerst, haar onnoozele
+landelijkheid drong op den achtergrond zijner verbeelding, nu hij zijn
+steedsche pleizieren juist weêr herleefde.
+
+Als Jozef naar buiten ging, zoo in een paar uur, uit het midden van
+Amsterdam overgeplaats naar Hilyersum, steeg hij als uit een lauw bad
+van geurend water in de koude ijzige lucht. Uit al de kleuren van
+huizen, van winkelkasten met hun spiegelende ruiten, van de roepende
+advertentieborden aan de muren, van de door gevellijsten afgelijnde
+luchtvakken, waartegen het gerij, en gestap en geschreeuw opsteeg, van
+het grommelend en witschitterende leven, waar hij met een stille genot
+der gewoonte door heen wandelde, was hij ineens midden in de wezenloze
+stilheid van het buitentje, waarvan de grijsheid en droefheid niet
+opbloeiden in de lentezon, die het met vonken besprenkelde.
+
+Maar zijn grootste plaag was de rit 's morgens vroeg van Hilversum naar
+Amsterdam met de dilligence. Daar hij volstrekt op het vaste uur--half
+tien uiterlijk--op het kantoor wilde zijn, reden die treinen tusschen
+Utrecht en Amsterdam, die te Vreeland stopten, allemaal te vroeg of te
+laat. Ellendig! Dat was éerst een haastig aankleeden in het kleine
+kamertje, hij sliep daar in een alkoof, waarvan het achterschot in twee
+deuren geopend kon worden en dan uitkwam in de kamer van Mathilde. Hij
+had daar willen slapen om vlak bij haar te zijn altijd. Er kon 's nachts
+iets met haar gebeuren, had hij in het begin tegen den dokter gezegd,
+nog niet wetende, dat hij niet alle nachten buiten zoû zijn. Nauwelijks
+aangekleed, uit zijn humeur, moest hij ontbijten in de frissche vroegte
+van de groote kamer. Marie was dan nog boven bij Felix; Jans had alles
+maar half goed in orde gebracht, met slaperige oogen. Hij had zijn
+koffie en zijn ei nog niet op, of uit de verte klonk het waarschuwend
+getoeter van den diligence-kondukteur, snerpend en rauw langs de
+vensters. Dan moest hij ijlings zijn overjas aantrekken, even, met een
+gedruisch, in de klamme kalmte van Mathildes kamer dringen haar een
+afscheidszoen geven op haar vermoeid gekleurde wangen na een pijnlijken
+nacht, beloven dien middag te-rug te zijn voor het eten en--de oude
+gele kast wachtte al in 't midden van den breeden grijs-gelen weg
+in-éen-zakkend binnen zijn grove wielen. Binnen-in had hij 't niet uit
+kunnen houden en maakte dus nu de tochten achter het vooruitspringende
+bankje van den voerman, in de van voren uitgehouwen nis zittend,
+waarover de met pakken en kisten beladen houten kap een eind heen stak,
+tegen den regen. Er waren drie plaatsen op zijn bank, waarvan er twee
+meestal door een groenteboer of paardenkoopman werden ingenomen En dan
+begon de schommeling van twee en een half uur, terwijl de eene buurman
+pruimde, kwijlde en spoog, de andere met den koetsier samen zijn gemeene
+tabak rookte. Er waren geen gezichten van naderende lente ter wereld,
+geen stille, bescheiden zonnestralen die zachtjes over zijn knieën
+kwamen glansen, die hem vrede met zijn lot konden doen hebben. Meestal
+trachtte hij te slapen, terwijl de ochtendwind zijn snorhaartjes
+spartelen deed. Hij verachtte de gesprekken zijner buurlieden, trachtte
+er niet op te letten. Hij vloekte in zich zelf om dat hij geen eigen
+rijtuig had, dat hem, met twee onvermoeibare paarden, in de helft van
+den tijd heen en weêr gebracht zoû hebben. En onbestemde oude lusten om
+zich rijk te maken, om zaken te doen en zich binnen weinige jaren alle
+weelde te kunnen veroorloven woei de lentewind door zijn hersenen bij
+het aankomen in Amsterdam en met kletterend geraas en rollend gehobbel
+door de Muiderpoort rijden. Hij zoû dadelijk beginnen, iets nieuws
+verzinnen, speculeeren, een jonge onderneming, een maatschappij, een
+premieleening op touw zetten. Maar op zijn kantoor, achter den kostbaren
+lessenaar, die zich eeuwig verjeugdigde, eerst onder de ellebogen en
+mouwen van zijn vader, nu onder de zijne, wolkten de plannen wech. Hij
+was lui. Hij was bepaald geen man van zaken. Hij stelde zich weêr te
+vrede met het betrekkelijke gemak, het tamelijke welzijn, dat hij nu al
+genoot. Men mocht niet wagen, houden wat men had, dat was de hoofdzaak.
+De voorzichtigheids-overtuigingen zijns vaders leefden in hem voort. Hij
+voelde, in zijn kalme genoegdoening van mooyen man, met welbehagen de
+beperktheid der cirkels van zijn begeerte en gedachten.
+
+Hetgeen Jozef weêr van-zelf zijn versmaad en vergeten leven van vroeger
+deed beginnen, was de leegheid die van Mathildes kant vermeerderde. Hij
+voelde Mathildes wezen uit zijn hart en uit zijn zinnen vervreemden, als
+een stroom van 't een of ander, die daar langzaam uit zoû zijn
+wechgevloeid. In Amsterdam, in huis, was zij niet. Hij liep langs de
+bloementafel in den gang, langs de meubelen in de kamers, die daar op
+haar verlangen zoo waren geplaatst. Er was niets, neen niets, noch de
+looper op de trap, noch dat soort stoven in de binnenkamer, noch het
+tapijt in de zaal, noch de pendule "voor", of zij hadden er samen over
+gesproken, het samen uitgekozen. Aan alles was iets van haar en dat hem
+haar voortdurend herinnerde, hij zag haar gaan, over hun woning te
+vrede, met glimlachjes hem verzekerende, dat nu alles goed was. Hij kon
+geen deur voorbijgaan, of hij zag het uiteinde van haar sleep daar
+verdwijnen, terwijl zij zelve al binnen moest zijn om haar huishoudentje
+te doen, een visite te ontvangen, hem op te wachten, haar huis, in een
+woord, te bewonen. En nu! Wech was ze. Zij had het huis alleen gelaten.
+Het verloor zijn bestemming. Hij herkende zachtjes-aan noch de
+zolderingen, noch de wanden, noch de vloeren meer. Ja, het was toch wel
+hetzelfde huis, maar het geen het vroeger maakte tot wat het was, was 'r
+uit verdwenen. Was alles, al het omringend, de ruimten van den gang, van
+de trapkast, van de kamers, vroeger dan beschilderd geweest met
+tooverige voorstellingen, met verrukkelijke kleuren, was overal een
+donzig en geurig behangsel wechgevallen? Neen, alleen een warme,
+dof-roode tint moest alles omzweefd hebben en was nu wechgevaagd. Hij
+scheen nu alle lijnen en hoeken, de afmetingen van den inwendigen bouw
+van het huis, de grenzen der voorwerpen, beter, duidelijker te
+onderscheiden. Een koude had de kleuren verminderd om de lijnen en
+streepen duidelijker te maken. Hij zag alles naar voren komen, zich
+afteekenen tegen den achtergrond, waarmede het vroeger meer éen scheen
+te zijn. De ziel van het huis, de adem, was er uitgegaan. En hij zocht
+in de stad het leven, dat hier weigerde zich aan hem voor te doen.
+
+Tusschenbeide, na dat hij weêr erg met vrienden in de stad samen was
+geweest, joeg een dwaze begeerte hem met zekere snelheid naar buiten.
+Een gejaagdheid sloop dan door zijn leden, die hun kalmte bijna
+verloren. Zijn hand trilde bijna, als hij zijn kaartje nam aan 't
+station. Hier stond hij met zijn leêge armen, met zijn verlaten borst,
+voort! daar ginds was zij, die hem weêr dwingen zoû zijn armen om haar
+schouders te slaan, zijn handen samen te vouwen over haar rug, haar
+handen vlak uit tegen zijn borst en zich tegen hem aan drukkend.
+
+Als hij dan buiten kwam, week de waan geheel. Onveranderlijk zat zij
+daar, eerst voortdurend in haar slaapkamer, later voortdurend in de
+groote kamer, te zwak om hem bij zijn binnenkomst te gemoet te gaan, met
+armen lam van uitputting, met beverige lippen, die hem nauwelijks
+zoenden, hem altijd dezelfde vragen doende over hoe het ging in de stad,
+over de zaken hem verhalende wat de dokter had gezegd, over het eten
+sprekende: een geliefkoosde spijs, die gisteren voor hem was klaar
+gemaakt, waarom hij toch niet gekomen was?, hetzelfde verschiet van hoop
+in de toekomst openende, maar vager, met te-rugwijkingen van de stem, in
+'t midden een volzin haar spreken stakende, en hem dan kalm, zonder
+ontroering, zoo wonderlijk aanziende, dat hij, denkende met een
+ziekte-verschijnsel te doen te hebben, het venster uitkeek en na een
+poosje een opmerking maakte over het aangroeyende groen.
+
+Vóor den eten kwam Marie geregeld, als het mooi weêr was, met Felix van
+een wandelingetje te-rug; als het slecht weêr was, van boven, om het
+kind aan zijn vader en moeder te laten zien. Jozef vermeed Marie aan te
+zien; Felix werd met gedwongen liefkozingen behandeld, terwijl er, met
+dat kind tusschen hen beiden in, zijn blauwe oogen vragende wat de aarde
+was, beurtelings naar hem en naar haar gericht, een wind van droefheid
+snel, sidderend, tusschen hen uit heen woei, de glazige ruiten door, ver
+over den weg naar buiten, en Mathilde wit werd, roerloos. Eens regende
+het in een voorjaars-storm, vóor de komst van den zomer; in sabelende
+scheuten kletsten de droppelen-massaas tegen het glas. Huiveringen
+zwiepten langs den grond van kiezelsteenen, over het dunne opschietende
+gras tot aan het hek. Het woud van kleine blaadjes in iederen machtigen
+iepenboom, aan den grijzen weg, kromp ineen, fladderde als millioenen
+vogelenvleugels, samen, buigend en wenkend, warrelend in angst. Het kind
+kreet 't toen plotseling uit, in lange frissche geluiden uit de jonge
+keel, zijn gezichtje wrong zich samen, verschrikt voor het naderende
+leven. Daarna stond 't weêr effen, zonder een rimpel in het gladde vel.
+Als Felix schreeuwde, droeg Marie hem wech, hem sussend, hem dansend in
+haar armen. Jozef en Mathilde bekeken de lucht, ieder door een andere
+ruit ziende, zwijgend, met lichte kuchjes en ademhalingen.
+
+Het gebeurde wel eens, dat de dokter zijn bezoek kwam brengen na Jozefs
+aankomst, ofschoon hij meestal, in zijn tweewielig overkapt
+dokterswagentje, 's ochtend vóor twaalven de ronde deed aan deze zijde
+van het dorp. De dokter was een dik rooderig mannetje, bestaande uit
+lagen vleesch en huid die op elkaâr zwabberden, een boerenzoon, die
+gestudeerd had, het examen onder de oude wet had gedaan, en nu niet
+zijn helle oogjes en mopsneusje zijn bewegelijkheid en bekrompen
+levenswijsheid in een ruwheidsvoorwending uitstalde. Hij had een paar
+brieven met zijn Amsterdamschen kollega over Mathilde gewisseld en
+behandelde haar nu met zijn tergende flinkheid, zich onophoudelijk in
+zijn verwachtingen bedriegende, onuitkomende voorspellingen doende, deze
+koppige kwaal niet begrijpende. Wanneer het maar eerst zoo warm werd,
+dat Mathilde bijna den heden dag in den tuin zoû kunnen doorbrengen en
+wandelingetjes in den omtrek doen, dan zoû 't wel gaan. Jozef vond den
+dokter een onaangenaam kereltje. Tegenover de wereldschheid van Jozefs
+uiterlijk en manieren verborg hij zijn ergernis van boerenzoon onder
+wantrouwende oog-opslagen en een soort van stugheid in de stem. Hij vond
+zich belemmerd in zijn korte vette gebaren en in zijn driftig
+plattelandsgeneesheers-gezach door de zwierig-bedaarde bewegingen en
+kalme woorden van Jozef, die een hoofd grooter was dan hij.
+
+Terwijl de dokter dikwijls lang bleef zitten, Mathilde's onderworpenheid,
+die zijn raadgevingen en gezegden aanvaardde, exploiteerende, stond Jozef,
+die eerst meê gesproken had, in een hoekje aan den anderen kant van de
+kamer, bladerend in een prachtwerk, ongeduldig onder zijn kalmte.
+
+Nu Mathilde haar dagen in de groote kamer leefde, dineerden zij daar
+samen om vijf uur, als Jozef gekomen was. Om negen uur, half tien, ging
+Mathilde naar bed, Jozef nam afscheid op haar slaapkamer, schoof
+langzaam door het gangetje naar de groote kamer te-rug, na dat hij, door
+de reet van de keukendeur, de warm rood blanke Marie gezien had, haar
+roode vochtige lippen onder den lampeschijn, in den damp der kommetjes
+koffie, tegenover Jans.
+
+Jozef ging ook vroeg naar bed, niet wetende wat te beginnen. Dan lag hij
+dikwijls uren wakker en hoorde de stille ziekelijke woelingen van
+Mathilde achter het schot. Hij hoorde haar hijgen, zacht opstaan,
+drinken, en heen en weêr gaan met schuivende stappen, weêr gaan liggen,
+zonder slaap, alles met de afgematte bewegingen van een eindigend
+lichaam. Een woede steeg in hem op en maakte zijn hoofd heet, Wie,
+verdomd, of wat, noodzaakte hem zich hier te liggen vervelen, in dezen
+ellendigen uithoek van het Gooi! Welk leven had hij zich bereid, vier
+jaren geleden! Allerlei denkbeelden en verwenschingen stegen op uit de
+verste hoeken zijner hersens. Er was geen enkel in zijn jeugd wel eens
+overwogen levensplan of het schoot hem nu weêr te binnen. Waarom niet
+dit gedaan, waarom niet dat gedaan, in plaats van dat huwelijk! Waarom
+was hij niet in Parijs gaan wonen of ergends in het buitenland, zoo als
+hij zoo dikwijls had willen doen! Daar lag hij nu, zonder pleizier,
+zonder iets! In wrevel spalkte hij nu zijn neusvleugels en hoorde het
+heele losse huis kraken en inslapen om hem heen.
+
+Meestal in deze nachten, lag hij te luisteren naar de geruchten van de
+eenige verdieping, boven zijn hoofd. Eerst hoorde hij de trap kreunen,
+als Jans en Marie naar boven gingen. Jans sliep in een alkoof, van den
+kleinen zolder uitgespaard, door een dun schot er van gescheiden, boven
+Mathilde; Marie sliep op het tweede der logeerkamertjes, aan de
+voorzijde van liet huis, juist boven Jozefs hoofd. Het huis was zoo
+dun-netjes gebouwd, dat Jozef elke stap van de pantoffels der meiden
+hoorde. Jans stapte licht, met haar magere oude beenen, Marie met zware
+voeten, meer klotsend. Hij hoorde haar stilstaan, met een gespatter der
+zolen, vóor Felix ledikantje. Daarna verder gaan, het getikker van haar
+zaakjes, die zij op tafel leî, daarna een dof gemorrel, zij moest zich
+uitkleeden, daarna: "nacht Jans, wel te ruste" en het bromde te-rug, van
+achteren, veel verder af, als van iemant, die buikspreekt: "nacht, kind,
+slaap wel"; hierop hoorde hij het zware liggen-gaan van Marie in bed.
+Hierna was alles stil. Alleen een muis kraste achter het behangsel, en
+sarde Jozef uit den slaap, tot hij herhaaldelijk was opgestaan, om hevig
+te kloppen.
+
+Eens bleef hij vier dagen achter-mekaâr in Amsterdam, elken dag
+telegrafeerende, dat hij te veel op het kantoor te doen had, om te
+komen. Mathilde scheen niet verwonderd bij zijn te-rugkomst. Zij zoende
+hem alleen flauwer, meende hij, en zag hem nog langer, nog wondelijker
+aan, met haar wijde oogen, waar een vreemd iets in sprankte. Zij ging
+een beetje beter, zeide zij. De heele beterschap zoû zoetjes naderen.
+
+Eens op een anderen nacht, tegen den ochtend, werd Jozef wakker. Hij
+wist eerst niet wat hem wakker deed worden, wilde weêr inslapen, zijn
+gezicht tegen den wand. Toen hoorde hij iets als blazen, ademen, iets
+dat leefde vlak bij zijn hoofd, een wezen, een dier misschien. Hij
+sprong op tot een zittende houding, draaide zijn hoofd boven zijn
+schouders rechtsom, keek in de wemelende donkerte, luisterend,
+onderzoekend. Het moest van achter het schot komen, uit Mathildes kamer.
+Hij hield zijn oor tegen het-hout. Nu hoorde hij hijgen, iets als een
+onhoorbaar schreyen, iets als een regelmatig kloppen van ver af, als op
+een aanbeeld van uren afstands onder den grond.
+
+--Mathilde, riep hij, wat is dat? Is er iets in je kamer? Ben je wakker?
+
+Het geluid hield op. Hij kreeg geen andwoord. Hij hoorde zachte voeten,
+wijkend, met het geruisch van een kleed er over heen.
+
+--Mathilde, ben je wakker?
+
+Nu sprak uit haar ledekant haar stem, zacht, gejaagd:
+
+--Ja, is er ies?
+
+--Hoor je niets in je kamer?
+
+--Ik? ...nee, nies ...
+
+--Is je licht aan?
+
+--Ja ... ik was zelf op, zoo met-een, om te drinken.
+
+--Zie je dan nies?
+
+--Ik? nee, nies ...
+
+--O, dan heb ik 't me zeker verbeeld, wel te ruste.
+
+Jozef sliep weêr in, zonder denken, niet begrijpend. De muis ratelde
+voort achter het behangsel.
+
+Toen er anderhalve maand om was en Mathilde zich heelemaal aan het leven
+buiten gewend had, bleef Jozef herhaaldelijk vijf, zes dagen achter-
+mekaâr, eindelijk een week wech, eindelijk kwam hij drie keer na mekaâr
+maar eens in de week over.
+
+Hij leefde weêr in het gemakkelijk leven van dadelijk genot. Mathilde
+werd een voorwerp, waarmeê hij gedwongen was zich nu en dan bezig te
+houden; een dame, die het lot nu eenmaal tot zijn verwante had gemaakt
+en die hij genoodzaakt was tusschenbeide met beleefdheid, met
+hartelijkheid te gaan bejegenen gedurende eenige uren.
+
+Jozef dacht er ook met ingenomenheid aan, dat men bezig was een
+spoorbaan tusschen Amsterdam en Utrecht en Amsterdam-Amersfoort te
+leggen, via Hilversum. Dat zoû de overtocht veel vergemakkelijken,
+Intusschen dacht hij: als 't maar niet te laat is, dan! maar dit idee
+verschrok hem niet veel: een levend of een dood lijk, daar was weinig
+onderscheid tusschen.
+
+
+
+
+XIII.
+
+
+Twee maanden gingen voorbij. Het was het begin van Juni. Bagatelle
+scheen, van den straatweg af gezien, hooger te zijn gestegen en rustte
+nu, glansend bruin en wit in het zonnelicht, op zijn hellend voetstuk
+van donker-groen zijig gras, dat de bloemperken, licht en zwaar roode,
+omlijstte; de groote iepen langs den weg hadden van boom tot boom aan
+weêrszijde hun bladeren saâmgevlochten, die in groote verwarde trossen
+laag neêrhingen, vóor het huis. Alles bloeide, leefde, kwam tot
+rijpheid. Zachte, goud-trillende windjes streelden de bladen, ruischten
+rond met den zang van een vogel, heenstervend boven de schuinte van het
+dak. De zon was overal. Bij de groep boomen, links van het huis, stond
+een purper-bruine beuk, waarvan de bladen zich tintten als donker
+paarlemoer, door den wind in de zon op en neêr wuivend. De sparren, in
+boschjes, in de achterhelft van den tuin, aan weêrszijde, doften, morden
+samen, zwart van groenheid. Vlak achter het huis, waar kastanjes, langs
+de oprijlaan, hun pluimen van gedweëe, over elkaâr neêrvallende veêren
+verhieven, mengde zich een strook droger, lichter groen tusschen de
+donkere sparren. De vloer van den tuin was van streepen gras en kleine
+grasvlakten tusschen de zwarte zandpaden en de witte kiezelsteenen. En
+alom, over den grond en van de ruimten uit, hoog en laag, zag Mathilde
+zich door een leven van groen omgeven, van goudgestraal doorschroeid of
+uitgelegen in den zacht-gelenden glans.
+
+In dien tijd waren er in de meeste villaas in de rondte ook menschen
+gekomen. Aan de eene zijde had Mathilde nu een oude dame, die daar een
+leelijk vierkant geel huis, als een kast, bewoonde met een nicht; zij
+waren streng protestant; zij hielden rijtuig. Als Mathilde 's nachts
+niet slapen kon, hoorde zij het paard trappen op de steenen van mevrouw
+Arlewijns stal, die door een gemeente-voetpad, van éen meter van
+Bagatelles tuin gescheiden was. Aan de andere zijde dook tusschen het
+gebladerte van zijn tuin, een nog lager huis wech, half
+herbergiers-woning en oud, half societeit en nieuw. Achter Mathilde, van
+haar tuin gescheiden door den nauwen, vies-klam-hobbeligen. Vaarderweg,
+van vale aarde en stukjes steen, die altijd stil was, stumperde een
+buitentje uit den grond, hokkerig, heelemaal van hout, ook met een
+kleinen stal, op den hoek van den Vaarderweg en het melkpad met zijn
+wijde akkers en verren gezichteinder, dat achterom, naar het dorp
+streepte. Schuin tegenover Mathilde, aan de andere zijde van den breeden
+straatweg, ijselijk wit, het andwoord gevend op de lachjes van
+Bagatelles gevel, was de woning van mevrouw Rim, oude dame met groote
+grijze krullen als klosjes garen aan haar slapen, met twee kleine
+kinderen, en daarnaast, vlak tegenover Mathilde, bromden, vaal-grijs en
+blauw, de hooge naakte muren tegen de lucht, van zweetend vlekkerige
+steen gebouwd, van het eenige huis van twee verdiepingen in de
+onmiddellijke nabijheid, vijf stokstijve vensters breed, de kostschool
+der dames Streelink, die met hun vader, kreupel gepensionneerd officier,
+daar hun brood verdienden. En verder volgden de villaas elkaâr op,
+tusschen hun nu vol groen gewassen tuinen door, hun lichtgekleurde
+voorgevels naar de zoo hoog groen bedaakte ruimten van den breeden weg
+duwend. En niets dan boomen, planten en bloemen in de rondte.
+
+Als Mathilde voor het raam zat, in de groote kamer, reden er
+eigen-rijtuigen, met opdampende stofwolken, den weg af naar het dorp en
+omgekeerd; jonge meisjes in blauwe, witte en rose toiletjes, met
+parasols, gingen voorbij. Oude dames, in het zwart, wandelden. Het was
+een beweging en een stuk stadsleven door den zomer hier overgeplant.
+
+Mathilde had dien zomer langzaam zoo zien komen zoo zien worden om haar
+heen, Als zij 's morgens opstond en de gordijnen voor de vensters
+ophaalde, bloeiden er een lage lindeboom, links, dof, bleekgroen, en de
+kastanjes voor haar uit. Links op den achtergrond, onder een groote plek
+open hemel, schuilde een oud-Flora-borstbeeld, op een blauwsteenen
+voetstuk, in een uitgebreide nis van bloemende boompjes, seringen,
+jasmijnen, een gouden regen, wech. Twee seringenboompjes trosten hun
+takken violette, licht-paarse ruikertjes over het Flora-beeld, met zijn
+leege oogen, heen, en te midden van de groene heesters bloeiden aan
+weêrszijde de gouden regen, met zijn uitstorting van innig-gele
+bloemetjes, en de lage jasmijnen, met groenige warm-witte klokjes.
+Daarboven, tusschen het netwerk der hoogste takjes en sprietjes uit,
+daakte, heel ver en heel hoog, de tintelende blauwheid van den hemel.
+Het was bijna aldoor mooi weêr; bijna elken ochtend had Mathilde dat
+gezicht. Gedurende haar lange dagen, in de groote kamer, woonde zij de
+wording van haar tuin verder bij, het gras, dat zich verdonsde en naar
+boven schoof, de magere foksia-en geraniumplantjes, in de diep in het
+zwarte zand gezonken vuiligroode potjes der bloembedden, eerst nog
+bibberend van naaktheid in de voorjaarsbuyen, maar die later ontloken,
+de geraniums met rood-stijf-fluweele blaadjes, als een regenscherm op
+groene steeltjes uitgestoken, de foksiaas met gladde knoppen, scherp
+gepunt als vogelsnavels. Voords de boomengroepen, waaraan aan beide
+kanten het grasveld grensde, sparren en beuken met éen berk, waarvan de
+krijtwitte stam als een lange gewrongen paal stond, en, als een magere
+witte gedaante, Felix 's avonds bang maakte. En verder had Mathilde de
+machtige iepen van den weg, en heel de overige natuur zien groeyen, de
+bladen zich uitbreidend, zich aanéen-sluitend tot een dichte, wilde
+grenzeloze massa, vol warmte en levensrommelende beweging, in ongelijke
+samenhoopingen en bochten, met plotselinge openingen hier, dichte
+samenknoopingen daar, onbeheerd, overal uitspattend en zich verdringend,
+een onbeperkte warreling van groen.
+
+Mathildes uiterlijk eentonige leven van in de stad sloop hier verder
+voort. Aan haar verminderende pijnen raakte zij eenigszins gewoon, zoo
+dat die ook daardoor nog lichter schenen, zij voelde zich sterker
+worden. Zij voelde de krampen in haar lendenen bij het oprichten zich
+lenigen, maar de toestand van herstelling, waarvan de eerste teekenen
+zich schenen te vertoonen, bracht met zich mede, verdovingen van haar
+heele wezen, die uren duurden. Dan kende zij zich zelf niet en was als
+schijndood, zoo als ze daar in bed lag of achterover in de luye stoel
+geleund. Zij voelde niet, zij dacht niet. En anders, gedurende den tijd,
+dat ze wél leefde, had zij maar éen bezigheid, die haar hersens en haar
+hart deed werken: te denken aan Jozef, hem altijd, altijd, bij haar te
+begeeren, hem altijd ver af te weten.
+
+Zij stond tegenwoordig om negen uur, half tien, op, in 't begin elken
+morgen, in de nevelende ontwaking harer oogen, wéder verwonderd over de
+felle frischheid der witte schemering van haar slaapkamer, vreemd en
+akelig verschillend van de zachte donkerte, waaraan haar blikken in
+Amsterdam gewoon waren. Eerst werd geregeld haar kacheltje aangelegd,
+vóor zij opstond, met de harde tikkende en grommelende ijzergeluiden,
+maar later, toen de zomer vorderde, gleed zij in de stilte der luwe
+atmosfeer uit het ledikant, schelde Marie, deed haar peignoir aan, en
+ging, een beetje moe, voor haar toilettafel zitten. Dan, met haar
+nuchtere maag, overviel haar 't meest haar alleenheid, als zij zich te
+binnen bracht, dat Jozef gisteren niet gekomen was. Een griezeling, een
+klamheid streek, onder de kleêren, over haar huid tot aan haar voeten.
+Marie kwam binnen en hielp haar wasschen, kappen en aankleeden. Mathilde
+was toch nog zoo zwak, dat, als zij, haar hoofd naar voren buigend, haar
+armen in de hoogte deed, driehoekig gebogen, de ellebogen naar buiten
+gestrekt, om zelf een haarspeld te bevestigen of een propje te glijerig
+binnen den vorm der chignon te dringen, er een tintelende vuurstroom van
+lamheid door haar armen tot aan haar handen, tot door haar vingers klom,
+en haar armen machteloos neêrzonken, in de witte kreukels van haar
+schoot. Marie, wier armen bij het kappen links en rechts in de hoeken
+van Mathildes half gesloten oogen stukken van verschrikkende gebaren
+schenen te maken en wier stem met een hard-smartelijke klaarheid tegen
+Mathildes schedel woei, vertelde altijd eerst van Felix, hoe hij
+geslapen had, wat hij had gezegd, hoe hij hardop had gedroomd van de
+heks uit het sprookje, dat zij hem den vorigen avond had verteld. Daarna
+van Jans; Jans was wel zindelijk en verzorgde de keuken wel goed, maar
+ze was een beetje ongeduldig van aard, zij knorde dadelijk als Marie
+maar een paar minuten te laat beneden kwam, voor het eten of zoo. Verder
+van een onaangenaamheid tusschen Jans en den slager; Jans beschuldigde
+hem van niet het volle gewicht van het ossenvleesch gegeven te hebben.
+Ja Mathilde had ook, nog half in slaap, dien morgen al luide stemmen
+gehoord aan de deur. Dat was dát zeker geweest. Marie zeide daarna, dat
+de melkvrouw altijd zoo vroeg kwam, en dat Jans hierom altijd zoo boos
+was. De groenteboer was een beste man. Om nadruk op iets te leggen,
+sprak Marie ook vlak in Mathildes gezicht, met de pas gedronken koffie
+in haar stem. Mathilde nam in dien tijd, af en toe, met haar
+ziek-bleeke, stilletjes bevende hand, het glas melk, dat voor haar
+stond, het langzaam op en neêr bewegend, met kleine teugjes, die zij in
+haar maag voelde killen, drinkend. Hoe was 't mogelijk, niet waar, nu
+was men hier toch "buiten" en toch was de melk veel waterachtiger als in
+de stad, zeî Marie.
+
+Aangekleed, ging Mathilde op een ochtend, zoo als gewoonlijk, bleek,
+haar knieën bij elken stap de dunne wol van de peignoir in dadelijk weêr
+verdwijnende sporen bol uitdrukkend, door het gangetje naar de groote
+kamer. Als zij de deur van de slaapkamer open deed, om in den gang te
+gaan, warrelden, van door de voordeur, die dikwijls openstond, of door
+de keuken, waar de vensters hoog opgeschoven waren, wemelingen
+zomerlucht over haar schouders, om haar hoofd, om haar handen, met
+lichte streelingen, als zacht getinte geuren, en, als of zij haar borst
+tegen een onzichtbaren balk stootte, die daar zoû zweven midden-in den
+gang, dreunde een schok door haar lichaam, het plotselinge bewustzijn
+van haar alleenheid, dat zich door alle zintuigen aan haar opdrong. Het
+wrong zich door haar neusgaten, door haar ooren, door haar mond naar
+binnen, naar haar keel, naar haar maag, het suizelde met de deeltjes
+zomerlucht door de poriën van haar huid. Elken morgen schrok zij er van
+en werd er nog moeyer van. De gesloten deur van de groote kamer, met het
+éene glad-gele gevlamde stugge paneel, gaf haar daarop een
+gewaarwording, die haar bijbleef tot zij de deur met de stroef-gillende
+kruk had opengedraaid: Jozef was daar, achter die deur, achter dat
+stugge gele houten vlak, dat den toegang versperde, nietwaar? Het was
+donker, hij moest daar zijn. Hij zat daar als gewoonlijk in de groote
+kamer, hij wachtte haar om haar mond aan den zijnen te drukken, zij zoû
+nu dadelijk weêr een oogenblik staan met haar heele lichaam tegen hem
+aangedrukt, haar beenen tegen zijn beenen, haar borst tegen zijn borst.
+Hij was gekomen, gister-avond, van morgen, hij was gekomen om haar te
+verrassen. Er was geen twijfel aan. Dat heele denkbeeld van zijn
+wechblijven, van zijn verkoeling, was maar een akelige, benauwende droom
+geweest, een pijn, die zij bij het wakker worden had kunnen afschudden.
+En zij zag de omlijning van de deurpost, de hoeken, de duidelijke
+afmeting van de gang-zoldering daar boven die neêrdeinde en opklom, met
+zwaar-blanke trillingen. Hoorde zij hem daar niet hoesten? Hoorde zij
+niet het kalm gefrommel van zijn koerant, het regelmatig gekraak van
+zijn schoenen op de vloer? ... Van den gang, die van gedempter licht was
+om het dikke hooge groen van den tuin er achter, kwam Mathilde, met
+koele huivering over haar voorhoofd, de groote kamer binnen. Stroomen
+helle blankheid, een algemeene siddering van glimmend, blakend wit; het
+behangsel danste, de groote ruiten van de raamdeuren spiegelden, het
+witgekalkte plafond steeg hooger, een witte zwakke luchtige jeugd was in
+de rondte, eerst begrensd door de donkere kanten van de half opene deur,
+daarna, toen Mathilde heelemaal binnengekomen was en de deur achter zich
+dicht had gemaakt, alom, van, alle kanten, haar als ontvangend in een
+bad van witheid.
+
+Mathilde liet zich op het effen glad groene kanapeetje zijgen, bevangen
+door de helheid van de ochtendige kamer. Buiten, door de blauwig
+spiegelende ruiten, bloeiden de roode bloemen van het groene grasveld in
+haar oogen als heftig-roode stekende punten. En, daar achter, onder de
+iepen door, strekte de breede geel-stoffige streep van den straatweg
+zich voorbij, waarover gaauw, met een licht geraas, rijtuigen regelmatig
+heen en weêr raderden in zwarte groepen bewegingen, bij langdurige
+tusschenpoozen. Zóo bleef Mathilde langen tijd zonder gedachte staren.
+
+Zoodra zij zich sterk genoeg had gevoeld, had zij zelf 's morgens weêr
+het huishoudentje willen doen, zoo als vóor haar ziekte in de stad. Dit
+gebeurde om half elf, elf uur. Jans hield twee boekjes, dat van den
+slager en het keukenboekje, dat zij nu binnenbracht met een mopperig
+goeye morgen, knorrig in de drukte der eerste morgenuren. Jans ging
+dadelijk weêr wech en Mathilde bleef alleen, over haar schrijfmap
+gebogen, de witte schijn van haar gezicht met aarzelende rooderige
+wolkjes er onder, bedolven onder het pak zwart vlossig haar. De peignoir
+plooide zich op haar borst door het vooroverbukken. De velletjes papier
+schoven tusschen haar kouwige vingers door, met zacht gefriemel en
+schenen haar onvoelbaar dun. Zij las het keukenboekje. Over en door de
+blauwe lijntjes van het papier stond geschreven in het doezelige
+waggelende potloodschrift van de keukenmeid: brood zestien cent,
+aardappelen dertig cent, arme vrouw twee cent, sleeper voor mijnheer een
+gulden vijftig ... Nu sprongen er in eens tranen uit Mathildes oogen op
+het schrift en bleven er in biggelende druppels op liggen, zóo
+doorschijnend, dat de letters van Jans er doorheen nog herkenbaar waren:
+brood, zooveel, aardappelen zooveel, arme vrouw ... En plotseling
+scheeuwde alles in de rondte aan Mathilde de nutteloosheid van haar
+leven tegen. Daar deed zij nu haar huishouden. En voor wie? Voor wie
+zorgde zij eigenlijk zoo? Waar bleven de droomen van vroeger, de
+heerlijke genoegdoening van alles zoo in orde te houden als bijdrage tot
+zijn geluk! Een ontzetbaar verdriet, als een nog ongekende kracht van
+haar binnenste, als een opperste bedreiging, die zich voltrok, rees op,
+steeg naar Mathildes hoofd, daalde weêr neêr, vervulde haar, hing zwaar
+over haar oogen, deed haar gezicht zwellen. Zij leunde tegen den rug van
+haar stoel, wilde de smart doen wijken, en langzaam zien wechdrijven aan
+den binnenwand van haar oogleden. Maar heete snikken bruisten op door
+haar keel, een gloed van lijden vervulde haar wezen. Zij slikte nu
+herhaaldelijk het water van haar mond in, om langzaam de smart te kunnen
+genieten. Zij wilde zich herinneren, die heele geschiedenis van Jozefs
+onverschilligheid nog eens in gedachten doorléven. En zij woonde weêr
+alles bij, van het oogenblik af, toen hij Marie boven haar hoofd had
+aangeraakt en zij hem had zien dalen, dalen langs den eindeloos
+grijzigen trap. Zijn liefde was geweken in het verloop van den tijd,
+telkens minder, telkens minder. En nu, nu was de liefde wech. Hij had de
+blikken verloren, waarmeê hij haar kon aanzien, die zekere kracht en
+buiging zijner armen, waarmeê hij haar kon omvatten.
+
+Maar neen, het kon, het kon niet zijn! Als zij weêr heelemaal beter zoû
+zijn en hem weêr lief zoû kunnen hebben, volledig, zooals zij het zoo
+graâg woû, dan zoû ook zijn liefde weêr opleven, die niet dood was, maar
+alleen sliep. En toch, neen, wél was zijn liefde dood! Daar kwam een
+huivering van uit de verte over Mathilde, door de ruiten, door het
+behangsel. Zij hoorde Jozefs stem als heel ver wech praten, maar in een
+anderen, onbekenden, een ijselijk vreemden toon. Het was zijn stem niet
+meer. Zij zag hem gebaren maken, zijn mooye gestalte in een licht
+zomerpak, zijn armen, zijn beenen bewogen; zij zag zijn groote
+regelmatige tanden bij het bewegen der lippen onder den dikken knevel te
+voorschijn komen; zijn fijne rijtjes oogharen bewogen op en neêr, hij
+keek, als sprak hij ook met zijn oogen. Maar hij was het niet meer. Het
+was een vreemdeling, die zijn gedaante had aangenomen. En toch wat was
+alles om haar heen vol van hem, vol van zijn liefde. Was 't niet zijn
+adem, waarin zij leefde? Had hij om haar lichaam en om haar geest niet
+een sfeer geblazen, waarin alleen zij leven kon?
+
+Hoe wit was de kamer hier, hoe bloeide alles buiten in de zon! Maar in
+wat voor een vreemde omgeving zat zij hier! Neen, zij kende deze kamer
+niet, dit huis, zoo luchtig, zoo licht, dat men als een doos over haar
+heen scheen te hebben gezet. Wat waren dat voor bloemen, zoo hoog, daar
+buiten de ruiten? Waar was zij toch hier, wie had haar hier neêrgegooid,
+zoo vreemd, zoo ver, hier "buiten"? Mathilde keek rond met groote oogen:
+daarop streek zij met haar hand langs haar borst, om zich van haar eigen
+bestaan te overtuigen. Zij wreef haar eene hand over de andere, drukte
+de knieën samen. Daarop hief zij zich, nauwelijks, in zittende houding,
+boven haar stoel, de borst en rug recht. Daarop leî zij kruiselings,
+over de papieren van het huishouden heen, haar armen op elkaâr, kromde
+zich, zonk inéen, drukte haar gezicht in haar armen en snikte, eerst
+zachtjes, toen sneller, hijgende met een verdoofd kreunen, en eindelijk
+met lange ademhalingen, uitgeput. Een vreeselijke leegte werd haar heele
+wezen. Zij voelde alles wechgaan, alles haar verlaten. Zij schreide haar
+ziel leêg. Nu eens huilde zij niet meer, zij scheen tot bedaren gekomen.
+Maar dan, in haar dorst naar tranen, wekte zij weêr een herinnering op,
+deed haar gedachte tot het bewustzijn van haar alleenheid terugkeeren en
+borst op nieuw in snikken los. Zij zag haar heele bestaan vruchteloos,
+al haar geloof, al haar hoop verbrijzeld. Zij was alleen, alleen; zij
+deed haar handen aan beide kanten van haar hoofd, boven de ooren, om er
+het begrip van haar alleenheid in te wringen, want haar hersenen wilden
+niet begrijpen. Daarna stond zij op, bekoeld, rillerig, ging voor het
+venster staan, haar voorhoofd tegen een ruit gedrukt boven haar moede
+kwijnende oogen. De smalle strepen van haar tranen, die over haar wangen
+afdropen, droogden in de van buiten komende warmte. Haar borst steeg en
+daalde, terwijl zij een paar maal hevig zuchtte. Daarna keerde zij zich
+om en ging, met haar oogen iets zoekende tusschen de papieren op tafel,
+te-rug naar haar plaats. Zij nam een schrijfboekje op: het dagboek, dat
+zij hield van Jozefs komen en wechblijven, En zij keek na: gisteren
+"niet geweest", eergisteren "niet geweest", en verder "niet geweest",
+"niet geweest". Toen dacht zij weêr na. Zes dagen! Waren het maar zes
+dagen geweest? En al die tijd, dat zij alleen was geweest, ochtenden,
+middagen, avonden, nachten, een eeuwigheid van bange gedachten, een
+eindeloze angst, al die tijd, dat zij gestaan, gezeten, gelegen,
+geknield had, haar blikken dwalende over de voorwerpen in de rondte, een
+kastje, dat zij niet herkende, een hoek van de kamer die zoo
+onbegrijpelijk leêg scheen! En vóor zijn laatste overkomst was Jozef
+toch ook nog wel eens zes dagen wechgebleven. Kón zij er dan niet aan
+wennen? Het was toch wel natuurlijk eigenlijk!
+
+ * * * * *
+
+En het huishouden ging zijn gang met den onverschilligen tred van het
+dagelijksch leven, als een vreemde koele man, die zonder te zien haar
+gemoedsleven voorbijliep. Het was nu de tijd van koffiedrinken. Marie
+kwam binnen, met haar blozende gezondheid en haar hoofd als een groote
+appel, met Felix op haar arm.
+
+--Zeg dan: morgen, lieve moeder, goeye morgen!
+
+Het kind spande zijn oogjes, zonder wit, geheel door de blauwe bollen
+gevuld, wijd open, hief zijn stukje arm, met de tengere vurig-roode
+vingertjes naar boven, lachte schalks zoo als oude lieden kunnen lachen,
+zonder wenkbrauwen, en herhaalde, terwijl de woorden zich oplosten in
+het weeken van het ongevormd mondje:
+
+--Môye, liefe moede, goeye mô ...
+
+Mathilde, zwijgend, met een stijvigen glimlach, strekte de armen, nam
+het kind op haar schoot. Marie, met het opengeschuif van laâtjes en een
+gerinkink van zilver en glazen, zette klaar voor de koffie. Mathilde
+zoende Felix op zijn dunne korte doorschijnende haar, zacht en glad als
+hazewindenvel. Maar zij vond geen liefkozingen, die hem bezighielden;
+hij draaide zijn groot bol hoofdje naar het venster, in geluidloze
+verwondering over zijn moeder.
+
+Toen Marie even wech was gegaan om de kleine koffiekan uit de keuken te
+halen, werd Mathilde weêr aangegrepen door het gevoel van daar alleen
+koffie te gaan drinken, zoo dat het eten zeker in haar keel zoû blijven
+steken. Haar alleenheid sloeg haar nu in den geest met de regelmatige
+slagen der grijze scherpe eentonigheid. Het witte servet spreidde zijn
+koude tergend voor haar uit, wierp zijn snijdende vierkantheid tegen
+haar aan. Weêr begon zij te huilen. Haar armen hadden zich verlamd, zij
+vergat Felix, die eensklaps zachtjes van haar schoot op de vloer gleed.
+
+Marie zette Felix' kleine tafeltje voor een venster. Uit een spanen
+doosje werd een heel leger van kleine tinnen soldaatjes geschud. Felix
+ging nu "opzetten" en in de stilte dronk Mathilde koffie. Zij at veel
+brood, meer dan zij honger had, hopende haar leed er telkens bij in te
+slikken; zij hield in die dagen meer dan vroeger van brood. Zijn
+kruimerige droogheid en zijn brosse korst raakten haar gehemelte sober
+en zedig, en brachten haar, met de herinnering aan haar vader, een
+lichte zweem van zachte troost.
+
+Na de koffie deed Mathilde een wandelingetje in den tuin. In den gang
+maakte ze een praatje met Jans over het weêr, heel even, en stapte
+daarna met de zwakke treden van haar stoffen pantoffels op het straatje
+en in de laan. Het was pas kort geleden dat de dokter permissie had
+gegeven voor zulke tochtjes. Toen het heelemaal zomer werd, was zij
+eerst gegaan een klein eindje, gesteund door Marie, toen weêr een eindje
+verder, met haar wandelstokje bij zich, om uit te rusten. Zij ging nu
+altijd naar de "hut", een prieël, een soort van wijdopenstaande rieten
+kast, met een bank in de rondte tegen den wand en een vlekkerige
+afgeschaafde groengele zwarterige ronde tafel in 't midden. In de hut
+bleef Mathilde uren zitten breyen of lezen, tot aan het eten. Als zij
+daar zat, zonder gedachte over de bladen van haar boek heen te turen,
+moê van het droomen en treuren van al haar dagen en nachten, werd zij
+onbewust het ruischen en leven van den tuin om haar heen gewaar en
+vloeide de zomer door al haar zinnen binnen. Langs haar voeten, langs
+haar schenen, haar knieën, haar dijen woelde de zomerlucht door haar
+onderkleeren en zuchtte allerwege haar huid in. Zij voelde koude plekjes
+aan haar beenen, als afgerond en zich plotseling op haar vel
+neerdrukkend om haar uit haar mijmering te doen ontwaken. Zachte wind
+wasemde met stille huiveringen door haar witte rokken, ritselde op langs
+het kiezelpad van den bodem, deed den zoom van haar kleed op en neêr
+gaan. Om haar heen had zij nu het grijsbruine licht, de ledige kleur der
+rieten omkasting. Een rust ademde uit die beschermende kleur, van
+achteren en van links en rechts, in de rondte. Boven haar hoofd had zij
+de ernstige rieten kap, donkerder bruin, zwijgend en vooruitstekend, het
+hemelblauw den weg afsnijdend om tot in haar oogen neêr te kaatsen. Maar
+door de opening van de hut, die eindeloos scheen, voor haar uit,
+zweefden alle kleuren en geuren, al het bloeyen en wasemen van den
+heelen tuin met boomen, bloemen, lucht en aarde, met zijn geschitter en
+geglans, zijn doffe en blinkende gedeelten, zijn jubelen, zijn beweging,
+zijn warmte, zijn sidderingen, zijn liederen, op haar toe en omwemelde
+haar gezicht. En zij werden krachtiger, de kleuren; zij wiegelden, zij
+druischten, zij snelden, zij stormden op Mathilde aan, een koor van
+kleuren, een wijd veld levende mozaiek, zij zongen harde, felle klanken
+in haar oor. Toen, om de kleuren te verzachten, sloot zij half haar
+oogen, de appels verflauwden zich achter den nevel der oogharen, haar
+bleekroode lippen zegen zachtjes open, zoo dronk zij, haar hoofd even
+naar achteren gebogen, den lauwigen zomer in met oogen en mond. De
+zwakkere kleuren weken nu wech; alleen het donkere paars van een perk
+rhododendrons, en het gelige en het sombere groen van het lichtelijk
+golvende gras en van de zoetjes wuivende bladerenmassaas, de blankheid
+van het huis, en de kleine plekjes van twee diep-purpere stamrozen,
+bleven, vergoud door de tusschen het huis en de hut neêrvallende zon. En
+het goud, het vloeyende goud, bleef de groote kleur, en wazig golfde het
+heen naar Mathilde, haar oogen binnen. De teedere lauwe lucht drong in
+haar keel, verdroogde haar mond, de geur van jasmijnen, in een
+heesterboschje rechts van de hut, walmde op in haar neusgaten. Zoetjes
+wiemelden pakjes lucht over haar voorhoofd, haar wangen en door haar
+hals, neerhangende haarvlokjes in haar hals beefden stil heen en weêr.
+En zij hoorde niets meer dan het kleine geruisch van de warmte. Zij gaf
+zich over, zeeg naar achteren, haar hoofd over haar borst, haar handen
+aan weêrszijde, tintelend en gevoelloos, van de bank afhangend; haar
+vingers alleen maakten aarzelende, stervende bewegingen van uitrekken.
+Een zalige wezenloosheid suizelde door haar hersenen. Hijgend nam zij
+den zomer in zich op; windjes schenen van haar voorhoofd het bewustzijn
+van het lijden wech te streelen. Maar dan begon zij eensklaps te hooren.
+Een lijster sloeg klaterend klaar zijn geluid uit links, schuin boven
+haar hoofd in het dennenboschje. En het schaterde door haar oor naar
+binnen. Zij deed haar oogen in eens wijd open, richtte zich half op. Als
+een slag van metaal vielen nu de zomerkleuren tegen haar aan, hel,
+flikkerend, koud. Het purper, het groen, het wit, het goud, namen als
+vierkante en driehoekige vormen aan. De kleuren werden lijnen, schenen
+tastbaar. Dan week de slag en een loome droom als een onzichtbare
+sluyer, suizelde van Mathildes hoofd en leden naar beneden.
+
+Tot aan het eten bleef zij in den tuin, tusschenbeide zachtjes aan een
+beetje wandelende, telkens te-rugkeerende in de hut om uit te rusten.
+Een enkele maal zag zij, naast een boschje groen of boven een bloem-perk
+uit, Marie en Felix drentelen. Eens ontmoette zij hen in een nauw
+voetpad. Marie en zij glimlachten vreemd en flauw tegen mekaâr, er was
+als een onbewuste vijandelijkheid tusschen die twee monden, de eene
+breed, grof, rood, vochtig, met zijn groote tanden, de andere flets en
+verdund, waarvan de tanden niet kwamen te zien. Felix trapte in
+speelschheid op Mathildes sleep, en lette verder niet op haar.
+
+Mathilde at eventjes over vijven, om dat Jans altijd een beetje te laat
+klaar was, met Marie en Felix, in de groote kamer. Marie moest Felix
+helpen, bond zijn servetje om zijn hals, sneed het vleesch op zijn bord
+aan heele kleine stukjes, maakte de aardappelen fijn. Het servetje werd
+onder zijn bord op tafel gelegd en Marie knorde op hem als er een lange
+bruine of gele vlek op het servetje kwam, van zijn lepel of van zijn
+mondje. Felix was tusschenbeide erreg wild en gooide de tinnen kroes,
+waaruit hij water dronk op den grond. Dan zeî Marie: "ondeugende
+jongen!" en kreeg Felix voor straf geen of heel weinig kersen aan het
+dessert, Marie had verder aan Mathilde heel veel te zeggen; zij zat
+altijd recht op haar stoel en leunde nooit terwijl zij aan tafel zaten,
+om dat zij wel wist wat fatsoenlijk was. Zij schoof dan tusschenbeide
+het eten naar een kant van haar mond en praatte met den anderen over de
+buren en hun kinderen. Zij had gehoord, dat in het houten huis, achter,
+aan den Vaarderweg, een dame kwam wonen, een weduwe met twee zoontjes,
+die mevrouw van Borselen heette. Of dat diezelfde mevrouw van Borselen
+zoû wezen, die Mathilde wel kende van vroeger uit de stad? Vrouw Steyer,
+de huisbewaarster van de societeit, daarnaast, had het haar verteld, dat
+zij gehoord had, dat 't een heele nette dame moest zijn, en de zoontjes
+nog heel jong waren. Nu had Marie gedacht, dat dat dan misschien goede
+kameraadjes voor Felix zouden worden. Want al lang keek zij eens rond of
+er geen fatsoenlijke kinderen waren, jongetjes van zijn leeftijd, waar
+Felix meê om kon gaan. Marie hield al sprekende, om het waarschijnlijk
+te maken, dat wat zij zeide zeer goed bedacht was, haar vork rechtop
+stijf op tafel gedrukt, terwijl Mathilde alles beaamde en alleen een
+enkele maal flauw gesproken vraagjes over Felix deed, of hij goed had
+opgepast, of hij flink had gespeeld. Daarna glimlachte zij goedkeurend
+naar Felix bolle blauwe oogen met haar verdoofden lach of vermaande hem
+gemaakt-onverschillig zoetjes, met een zwakke opheffing van haar
+wijsvinger en een donkere ernst in haar oog. Felix lette weinig op de
+gesprekken, maar keek voortdurend naar den straatweg, kraaide luid als
+er iets voorbijkwam, dat hij herkende, en stak daarna uit verlegenheid
+zijn vingers in zijn mond.
+
+Maar van-daag mijmerde Mathilde voortdurend zwijgend aan tafel voort,
+nog onder den schrik harer gewaarwordingen van in den tuin. Zij voelde,
+dat zij haar eigen verdriet dien middag in de kleuren had gezien, er was
+iets gebroken in haar gemoed, de schelp van een inwendig oog was stuk
+gebarsten. Nu kon zij beter dan vroeger waarnemen en rondwoelen in haar
+eindeloos groot verdriet. Zij had al veel geklaagd en veel geweend, maar
+zonder er op in te denken, en nu, nu zag zij zich zelve, maar zij
+herkende zich zelve niet meer. Toen zij opstond van tafel, stond zij
+verwonderd. Zij kon niet meer denken zoo als zij gewoonlijk dacht; het
+bewustzijn van haar verdriet, het gewone, dat zij herkende, elken morgen
+als het bij haar wakker worden in haar opkwam, en dat zij elken avond op
+dezelfde manier in haar slaap zag verdwijnen, was wech; een ander, een
+vreemd, een angstig benauwend, een hoog, een dreigend, was er voor in de
+plaats gekomen. En zij was bang en verbleekte uit angst voor zich zelve.
+Zij was bang en zag op tegen het hooge zwarte gevaarte, het gebouw der
+gedachten en droomen, dat haar leed buiten haar om scheen te hebben
+opgericht en dat straks op haar neêr zoû storten, zich verbrijzelend
+over haar hoofd en haar hart in een eindelozen val van hooge donkere
+brokken na elkaâr.
+
+Een half uur later zat Mathilde, terwijl Felix, eer hij naar bed
+gebracht werd, zijn laatste wandelingetje liet doen, voor het eene raam
+der groote kamer, haar handen gevouwen op den schoot, te wachten op den
+naderenden avond. Het was nog helder dag, maar de zon, die 's middags
+die klaarheid warm had gekleurd stond laag in de lucht, schuin achter de
+iepen van den straatweg, en de klaarheid van den dag werd koeler,
+onverschillig. Achter de dichtst bebladerde hoogten der boomen
+verborgen, bescheen de zon den tuin niet meer, maar sprongen alleen
+rood-gouden stralen van boven, tusschen de dichte takken door, als
+snelle blikken van vuur, waarmeê die hooge boomen Mathilde bezagen zoo
+als zij daar roerloos in stilte zat aan het venster. En de kleuren van
+den tuin waren nu droger, duidelijker, niet meer verkracht en tot
+brekens toe aangezet door de felle middagzon. De lucht was stil; alleen
+in de hooge boomtoppen knikten klapperende blaadjes tegen het doffe
+blauw van den hemel. In hun kalme waarheid hieven de kleuren van den
+tuin zich opwaarts. Het groene gras was mat, overstroomd met de
+wegduikende bleekgele boterbloempjes, bespat met de witte stippen der
+madeliefjes, een stilstaande stroom, waarop de roode bloemenrondtes
+neêrgespreid lagen. Het rood der geraniums was dof en dik, als gedroogde
+bloedvlekken, de stamrozen schoten hoog te voren glansend zijig purper,
+somber van schoonheid, de theerozen waren licht-gelig wit,
+licht-groenerig wit, van een warme zuiverheid, de maandrozen slingerden
+zich laag en verwilderd dooreen, met hun speelsch even blozende
+blaadjes, dun en licht en uitgevallen als stukjes verscheurd geverfd
+papier. De groepen boomen, aan weêrszijde van het grasveld, de sparren,
+de beuken, duister groen, ernstig bruin, stonden nauw saâmgedrongen, als
+zwijgende reuzenwezens, wachtend. De breede, stofferig-blanke weg van
+voren, met enkele gele zonnevlekken, rustte, vlak, wijd, geruchtloos. De
+boomen, de struiken, de huisblokken der omgeving waren dicht
+samengeschoven, vast aan de aarde gedrukt, waar en koel. De schaduwen
+waren bijna weg; alles scheen platter, zonder achtergrond, zonder
+in-éen-smelting der kleuren, glad, effen, ijl, roerloos. Alles om
+Mathilde heen stond als kunstmatig daar zoo pas in-éen-gezet, in de
+bedaarde onbewegelijkheid van liggende en opstaande-legkaarten.
+
+Door de waterklare wit-blauwige vierkanten der ruiten, als een dunne
+wand van gestolten licht zoo nabij Mathilde zich oprichtend, dat hun
+stijve koelheid tegen haar bleeke hoofd scheen te stooten, bescheen de
+kalmte der door de zon gebroken achtergelaten kleuren haar voorhoofd,
+haar wangen, haar hals, weêrkaatste op haar gezicht, glipte bij
+tusschenpoozen eerst onder haar half neêrgeslagen, zwaar hangende
+oogleden door, trok die daarna op en vervulde dan telkens even haar
+oogen geheel, helder en droog als een ontzachlijke plaat mat zilver met
+regelmatig opkomen en verdwijnen aan haar voorbijgaande. Telkens als
+haar oogleden open en dicht waayerden, vloden, als met langzame
+wiekslagen, de wit-glimmende blankheid van daar buiten en de doffe
+grijsheid der gesloten oogen van binnen na elkaâr voort; en wanneer haar
+oogen zich sloten, hadden zij de vorm en de tint van wat zij gezien
+hadden zich ingespiegeld en drukte deze zich weêr vaag af tegen den
+geelbruinen achtergrond der oogleden. Zoo zweefde de witte breede wreede
+kalmte in haar binnen en weefde zich in haar gemoed, zich samenspinnend
+met al de draden harer verbeelding.
+
+Zij bedacht den geleefden dag. Zij zag hem in onbestemden indruk voor
+zich als een geheel, vaag-vlottend-lankwerpig-omlijnd als het venster
+binnen welks randen zij nu zijn vaal-blank einde waarnam, met het
+hellere licht der hoogste ruiten van-boven. Maar hij was niet een vlak,
+hij was een reeks vlakken na elkaâr, een koker van kleuren, de gang met
+vreemde, onbekende, armigschuchter witte wanden in 't begin, rijk,
+drukkend overstelpend goud, purper en groen in 't midden, en weêr kalm,
+wijd, klaar blank aan het einde, de gang van tinten, waardoor zij zich
+zag gaan, zachtjes levend den dag. En de zoldering, de zijwanden, de
+vloer van den gang verkleinden zich, trokken samen. De zoldering daalde
+tot op haar hoofd en schouders, de vloer was niet breeder dan haar
+voeten, de zijwanden raakten haar armen en beenen. De dag verloor zijn
+rechte lijnen, werd meer en meer de vorm van haar gestalte, de kleuren
+golfden om haar leden, drongen zich over haar huid heen, het goud, het
+groen, het rood, het purper hechtten zich aan haar vast van het hoofd
+tot de voeten. De dag verloor zijn lengte, de witte uiteinden krompen
+tot elkaâr, sloegen samen, een blanke gloed vermengde zich met de
+donkere kleuren. De dag stolte zich om haar leden heen als een gloeyende
+alles bedekkende tooi. Zij ging in een kleed van zomerkleuren. Van haar
+schouders tot haar voeten was het goud en groen en purper, en om haar
+hoofd hing een glinsterend witte sluyer en om haar voeten lag sneeuwige
+satijn. Maar het kleed werd benauwend, het wrong zich aan haar op, het
+huiverde haar huid binnen. En het kleurenkleed werd haar huid, werd haar
+zelf. De dag werd éen met haar. En zij was gelukkig de dag te zijn. Zij
+voelde zich niet meer; zij was van lucht zij was van licht. En altijd
+zoû zij zijn, want de dag zoû nooit vergaan. Zij was in
+eenzalig-roerlooze rust, in de onbewegelijke klaarheid der
+omgeving opgegaan.
+
+En Mathilde droomde, zittend aan het venster; de ruiten, vaal-groenend
+van naderende duisternis, lachten met een hollen glazigen lach.
+
+De zon was lager gevallen. Uit zijn donker-oranje-gloeyende rondheid,
+hoog schuin, ver weg, zwierven nog rooyerig-gele stralen, als stukjes
+regen van scherpe lijnen, door de heesters aan d'overkant van den weg
+neêr, alsof zij gebroken in dat groen bleven hangen. Wijdweg, aan het
+einde der platte velden achter de tuinen der buitens, was een laaye
+gloed van blakend koper uit een zee van donkerder gloeyend goud
+opgewasemd in de lucht, een brandende uitwolking van alle geeltinten,
+van beneden af uit het warme bruinende vlammen-geel rijzend door het
+vette okergeel, het scherpe citroengeel, het sombere hooigeel, het
+dik-blanke roomgeel, het groenige geel van najaarsbladen, het droge
+stroogeel, het bleeke duinzand-geel, tot een lichting van hel
+zilverig-wemelend wit, vlottend omrand en doorsijpeld van gazig week
+groen, blauwig-teêr violet, zachtglad bruin. Die gloed stuwde toe over
+de platte velden, zich brekend tegen de beplantingen waarboven het
+zilverwit vergrijsblauwde hoog in de lucht, tot Mathildes tuin luwend in
+matte kwijnende klaarheid, achter de ruiten verzwakt tot een flauwen
+schijn van wit-grijs, achter in de kamer stervend tot doffe schaduwen.
+
+Van den duister blauw-grijzen hemel daalde breed een donkere bleekheid,
+de open ruimten vullend, de hooge ovaalheden der boomen, scherper
+omlijnd, van elkaâr afzonderend, om de stammen heenstarend in wijde
+open-grijze plekken, de bloemenkleuren verfletsend, het gras met zachte
+deiningen van donker-groen versomberend, op den straatweg, over de
+kiezel-steenen, tegen den gevel van Bagatelle, zich in onzichtbaar-ronde,
+snel verdwijnende afdruksels verwittend. In een stillen, doodelijk-stillen
+weemoed vergingen de dagkleuren. Een enkele maal vloden, als bewegingloze
+windvlagen van verflensende herinneringen, strepen lichtschijn verwaterde
+zonnestralen door de ademlooze droeve bleekheid. Een heele lichte wind,
+als een kinderadem zoetjes rondwispelend, deed de bladeren der neernijgende
+stamrozen even trillen; in de hooge boomen zusten de lichtste takjes en
+blaadjes stilletjes heen en weêr, met een gerucht van verre snikjes.
+
+In de kamer wademden fijne, dunne zwarterige mist-tinten binnen. Boven
+de piano, achter de stoelen, bezijden het kastje, onder de tafel,
+strekten zich zware schaduwen. Zij streken doezelige randen om de
+deur-posten en de lijsten der schilderijen, zij schuifelden in
+driehoeken en schuine vierkanten tegen het plafond op, zij maakten de
+wanden tot glansloze spiegels, waartegen de vaasjes, de beeldjes, de
+hoeken van het kastje de leuningen en pooten der stoelen zich schetsten,
+als kleine schimmetjes, vreemde figuurtjes, dof-grijze vlekken; zij
+spreidden den donkeren schijn der stoelen-zittingen en van het
+tafelkleed in lange stroken en flodderende plooyen over de vloer. Zij
+ritselenden onhoorbaar voort, hun vormen steeds uitrekkende,
+verbreedende, verdonkerende, als aanhoudende zware zuchten. Zij waren
+als lange lage sombere fluisteringen van leed, die van de kamer uit naar
+alle kanten door de wanden heendrongen. Zij werden weêr donkerder en
+grooter, liepen als zwarte waterstralen langs het behangsel, vloeiden in
+glansloze plassen over het tapijt, drongen als donkere wolkjes van boven
+door het plafond. Dan verroerden zij weêr niet, bleven vast overal in
+denzelfden vorm, als langdurige zachte echoos van den stillen
+weemoedsklank van den avond.
+
+De dingen van de kamer waren hard-donker, zij drongen hun vormen uit,
+scherper afgehoekt, van een inniger vastheid, als blokken en stukken
+hard, ondoordringbaar hout en metaal. Aan den achterwand van de kamer
+vergrootten twee kleine sofaas zich in een vermenging met hun schaduwen,
+andere meubelen kregen bulten, warrige uitwassen, boller wordend, zich
+uitzettend. De dingen leefden hun geheime leven, gewekt uit den kouden
+dagslaap. Verbruind, vergrijsd en verzwart, schenen zij onmerkbaar te
+bewegen in snel weêr rustende bevingen. Zij schenen sámen te leven,
+zacht, met holle smartelijke uitingen in de diepe toonen hunner
+schaduwen.
+
+Mathilde zat voor het venster, ingekrompen, als een klein wezen onder
+den mateloozen avond, in-een-geslonken, samengestijfd tot een voorwerp,
+een stuk van de kamer. Zij zat daar als een dof pak grijze stof, zij zat
+daar als had zij zich tot steen verdroomd. De grijze plooyen van haar
+kleed bleven in hun bochten, rondingen en gleuven onveranderd, als voor
+altijd zoo gehouwen. De witte tegenkant van haar kleed tandde zich in de
+schaduw in een lange gekartelde rand vergroot af en van den
+wollig-zwarten schijn uit, die haar rokken op den grond maakten, sloop
+de schaduw tegen haar gestalte omhoog, over de vlakke plekken van haar
+kleed strijkend, binnen de voren van haar kleed glippend, haar gelaat
+aan de eene zijde als tot dat van een schim vernevelend, haar bevangend
+in een grijs-zwarte kleurenwade. Klagend zwart hing de kap van haar
+loome haar over haar hoofd, waaronder alleen de bleeke plek der door de
+ruiten vaal verlichte zijde van haar gelaat mat-wit uitscheen. Haar
+leden waren lam uit-een-gezonken, haar oogen glommen zonder straal over
+de zielloze handen op haar schoot.
+
+Buiten viel de zon wech aan den horizont. De gele gloed was lager
+geweken, maar heel beneden over de aarde vloeide een stroom rijke roode
+kleuren, opgolvend uit klompen rood-zwart, rood-bruin, rood-grijs, als
+een heuvelrij aan elkaâr vast. Het bloedrood steeg door het
+karmozijnrood, het rood van gloeyende kolen, het aardbeziën-rood, het
+perziken-rood, tot een verteedering van roze, vol liefelijke kwijnende
+lachjes, vol kusjes en kleine zoete vluchtige mijmeringen. Maar het roze
+wemelde stilletjes wech, het was een zachte afscheidsgroet, de blik van
+heengaande oogen, het laatste wuiven van een zakdoek bij het keeren van
+den weg. En hooger in de lucht, tegen het verzwartende blauw-grijs, hoog
+boven de boomen en den tuin, sloeg het rood van den gezichtseinder tegen
+den hemel, het verpurperend tot een kerktint, tot een plechtige welving
+van sombere kleur.
+
+Als een sneeuw van donker purper wemelde de schemering hoog in de lucht,
+daalde, zich verpaarsend-tegen het boomengroen, in grijs-violette tinten
+over de aarde neêrkleurend. Door de iepen langs den straat-weg voer de
+wind, zij bogen hun toppen, en hieven ze weder en bogen nog eens met een
+naar boven ruischend en zich daar los-kreunend geklitter der
+gebladerten, als heenfladderend in de donkerte. Het grasveld stroomde
+langzaam voort, donkerder, terwijl de bloemen-kleuren in zijn hooger
+grommelende groene zwartheid verloren gingen. Het witte kiezelsteenen
+pad, vlak voor de ruiten, vlood heen, giegelde ijlings weg onder de
+zwarterige warreling die er bij scheutjes op neêr rookte en weêr
+opwiemelde, kringend en krullend als stof om dansende voeten. De breede
+weg gleed vooruit als in de verdroogde staalblauwe glansen van een
+ijsbaan. Het purper verblauw-zwartte hoog in de lucht, het paars en het
+violet werd bruin-zwart, groen-zwart, grijs-zwart.
+
+Langzaam, onmerkbaar langzaam en stil van alle kanten aanwolkend, dauwde
+de schemering neér, Mathilde sluitend in een duisteren damp. Korte
+schokken schoten, dadelijk weêr verstommend, onder haar kleed, als een
+zwak hortend gestommel harer leden. Haar knieën naderden elkaâr en weken
+weêr te-rug. Haar armen kromden zich nauwelijks uit naar ter zijde,
+vielen weêr neêr. Haar saâmgevouwen handen ontbonden zich, de vingers
+strekten zich in een bibbering even uit-éen; toen klamden haar handen
+naast elkaâr neêr om de knieën. Toen raakte de koele duisternis haar
+aan, het holle vaal grijs-bruin streek over haar slapen, haar wangen,
+haar ooren, haar hals. En haar befloerste oogen rezen op, starend nog
+zonder te zien, angstig omwimperd onder de samentrekkende zwarte
+wenkbrauwenranden. En zij begreep nog niet. Haar keel trok zich samen,
+een beklemming drukte haar verhemelte. Een gevoel van zich zelve niet te
+zijn, de verwondering van een ziel, die niet weet hoe dat vreemde
+lichaam om haar heen is gekomen, die niet weet, waarom die handen, daar
+vooruit, de hare zijn, waarom zij de koude voelt van die voeten, zoo ver
+beneden, ruischte op door haar hoofd, zette op in haar hersenen als een
+wervelwind van naderende angsten. Het beeld van den dag wankelde in haar
+hersens. Het verflauwde in iets dat er achter was, iets onbestemds
+kleurloos, vol, diep, onpeilbaar. Was de dag dan niet meer? Verdween de
+dag? De dag was toch zoo schoon geweest! En zij wilde niet, zij wilde
+hem behouden. Zij wilde blijven zijn zoo als zij was geweest. Maar de
+grijze wolk, waarin zij zich gehuld zag, wemelde uiteen. En de dag werd
+haar onttrokken, sloop heen in de droeve vijandige duisternis. De
+laatste stralen harer mijmering droomden als wazige donkere strepen uit
+haar oogen wech.
+
+Zij bleef met ongebroken blikken staren op dezelfde plek aan den wand
+voor haar uit, als was de dag daarin opgegaan, als wilde zij hem weêr
+te-rugwenken naar zich toe of hem volgen in zijn vlucht door de
+onmetelijke duisternis. Maar zij voelde haar blik omstooten door de
+tinten der donkerte. Haar blik werd verslonden door de duisternis, die
+zich tot in haar oogen stuwde, met harde slagen. En haar hoofd bewoog
+zich voor het eerst, hief langzaam zich op, zwaar van het lange gepeins,
+zich schuw voorzichtig draayende, als uit vrees van zich te bezeeren.
+Zij onderzocht met schuinsche blikken de hoeken der kamer. Daarna zag
+zij snel naar buiten in den tuin. Een schrik deed haar duizelen. En zij
+richtte zich hoog op, en zij zat recht, het hoofd geheven, en zij zag
+klaar in de duisternis, die onverbiddelijk om haar heen was gedaald, en
+zij voelde zich als schokkend tegen den grond vallen, voelde plotseling
+haar kleeren, haar stoel, de vloer met geweld haar raken. Zij voelde de
+leuningen van haar stoel, die haar als koude armen schenen te omvatten,
+den rug van de stoel met zijn twee dwarsplankjes en de openingen
+daartusschen, die diepe leegten schenen. Toen zag zij de duisternis
+grimmend, onbewegelijk. De schaduwen waren samengekweekt, bijna
+verdwenen. De duisternis had zich tot dof-zwarte kristallen in de hoeken
+samengedrukt, had de vormen der meubels aan den wand samen vermengd en
+ze tot een groep vaag begrensde, donkere brokken en klompen gemaakt, die
+als doode beesten met logge ruggen en stompe voorhoofden daar
+neêrgezegen schenen. En onder liet plafond had de duisternis zich als
+een tweede donkere zoldering vastgeklemd en over de vloer had zij zich
+als een rouw-tapijt gespreid; zij beschimmelde het behangsel; de
+schilderijen en platen aan den wand hingen als onder hoezen en als een
+breede lage katafalk stond de lankwerpige tafel met haar afhangend kleed
+in 't midden.
+
+Mathildes donkere oogen glansden door de kamer. Zij vroegen aan de
+voorwerpen, waarom het zoo duister was geworden. Haar blikken dwaalde
+over de vlakten der dobberende schemering naar buiten, zonder een
+enkelen lichttint te zien. En zij voelde de afwezigheid van het geluk,
+dat verloren was gegaan, verdronken, wech in de duisternis. Het zoû niet
+weêrkeeren. Haar leven der laatste maanden schemerde als een eentonige
+op-een-volging van donkergrijze smarten door haar geest. Zij zag zich
+leven haar lichaam bewegen al die dagen. Haar voeten waren gegaan als in
+een eindelooze leêgte zonder doel; haar armen hadden zich uitgestoken
+zich geheven, zich gekromd, maar zonder ooit iets aan te raken, als in
+de gebaren van een gek. Haar oogen hadden gezien, haar ooren hadden
+gehoord, maar slechts ledige kleurloze ruimten en geluiden zonder klank.
+En zij wilde het niet gelooven. Het kon, het kon niet zijn. Het was al
+knakte er iets in haar hersens. Als een golf van vuur vloeide naar haar
+hoofd. Zij zag op; en het kwam van buiten, van verre, als een gerucht
+een voortdurend groeyend gedruisch, tot haar. Het bobbelde en wiebelde
+en sprankte uiteen in de duizende grijze en zwarte belletjes en
+balletjes van de ruischende duisternis. Zij huiverde te-rug en dompelde
+haar blik weêr in de donkerder donkerte van de kamer.
+
+Zij zag dat zachtjes-aan de zwarte tinten begonnen te bewegen. Zij
+maakten zich los uit de hoeken in wolkige kronkelende pakjes,
+schuifelden langs de wanden en de zoldering, zweefden sidderend midden
+door de kamer, weken weêr te-rug in de wanden en meubels, kwamen weêr te
+voorschijn, sloten zich tot een wolk samen en losten zich op in een
+ragfijne zwarte stofpoeyering. Zij waren als stillen droeve door
+gebroken stemmen geneuriede melodieën, eerst zachtjes uitgebeefd, daarna
+angstig verstommend, daarna samenklinkend in een doodelijk dof koor en
+weêr vergaande in de sombere stilte. En zij kwamen van alle kanten te
+voren! als slangetjes offerrook opwalmend van den grond, uit de wanden
+schietend, onmiddellijk naast elkaâr, in verwarde rijen, van de
+zoldering dalend al dikker en dikker, in de rondte wiebelend, dansend,
+warrelend, voortvliegend als vogelenschaduwen, samenvloeyend tot een
+regenlucht, zich uitstortend in zwarte druppelen. De melodiën werden
+luider, zij klaagden hijgend, zij jammerden heesch. Zij waren de
+herinneringen, die van alle zijden kwamen weenen om Mathildes hoofd.
+Mathilde zag geen herinneringen, maar zij wist dat zij daar waren,
+achter haar, voor haar, die schreiden, dat alles voorbij was gegaan Zij
+zag ze komen van buiten, hoog uit de lucht, Zij hoorde ze naderen van
+onder de boomen en uit de muren van het huis. Alle bloemen in den tuin
+waren zwart geworden en in de wemelenden ruimten zag zij afgeronde
+figuurtjes tuimelend dalen, zwevend stijgen, en roer-loos blijven, als
+een uitstrooying van zwarte bloemen, die zich aan de voorwerpen
+hechtten. In de kamer pakte zich de duisternis dichter samen. Tot een
+zware donderwolk rolde zij onder het plafond ineen, bouwde zich langs de
+wanden tot breede nevelzuilen op. De zwarte massaas daalden op haar
+neêr, schoven naar haar heen, beklemden haar met hun grommelende donkerte.
+
+Zij stond op van haar stoel, met haar koude handen en haar zweetend
+hoofd en het ruischende en razende bloed in haar ooren. Met haar kouden
+voet struikelde zij tegen het voetenbankje. Zij bukte zich om haar voet
+te betasten. Een wilde koude wriemeling ging door heur haren over haar
+heete hoofd, een stroom van zwarte vlekken kwam voor haar oogen. Zij
+stond weêr recht op, en zij was bang. Zij deed haar oogen dicht om niet
+te zien, zij deed haar handen in de plooyen van haar kleed, om niet
+aangeraakt te worden. En huiverend proefde zij de duisternis, terwijl
+angstvlagen haar keel als met gloeyende koperen punten prikten, zich
+rillend samenpersend in haar hersenen, haar wil verlammend. En zij bleef
+alleen, schoorvoetend op en neêrgaande in de donkerte. De donkerte hing
+in rechte strooken van de zoldering, bolderde tot zwarte rollen, die
+tegen elkaar botsten en in elkaâr overrolden. Mathilde voelde de
+afrondingen van haar lichaam als een tastbare levende vorm tegen de
+duisternis ingerezen. Zij voelde den bol van haar gloeyend hoofd, zij
+voelde de buigende vlakken harer koude schouders. De duisternis viel als
+gesmolten lood, op haar hoofd heur haar verzwarend. Achter haar, dan
+links, dan rechts, hoorde zij wijdgapende zwarte lachen, daarna een
+giegeling van kleine hollende klaterende lachjes achter elkaâr. Daarna
+het klotsend getik als van een tong, die in een mond op en neêr slaat.
+Zij zag om zich heen en roerloos grijnsde de duisternis, maar, altijd
+aan de andere zijde, draaide de donkerte haar woesten rondedans en
+snikten de vreemde geluiden. En zij ging rond; zij wist immers wel, dat
+zij niet alleen was! Er moest iemant zijn. Langzaam vorschte zij door de
+kamer, schichtig voorover-buigend in de hoeken en boven de meubels,
+meenende er een menschengedaante uit te zullen zien opdoemen. Maar er
+was niemant. Zij betastte de stoelen en de tafel, maar de stoelen en de
+tafel drongen pijnlijk hun harde levenloosheid in haar vingers. Maar er
+moest toch iemant zijn, er was iemant in haar leven, die altijd bij haar
+was. De armen naar voren en naar achteren uitslaande, met
+uit-een-gestrekte vingers, liep zij rond over de vloer, van den eenen
+wand naar den anderen, telkens door de zwarte eenzaamheid van den eenen
+wand naar den anderen te-ruggeworpen, zich stootend aan de meubels,
+stilstaand met gespannen oor, om naar de stem te hooren, die daar sprak,
+heel ver weg, sneller voortloopend, met een wind om het hoofd, tienmaal
+na elkaâr om de tafel heen, tien-maal langs de stoelen aan den
+achterwand, in drift haar hand opheffend met een samenklemming der
+tanden, stampend op den grond, hijgend door de neus-gaten, met
+verglaasde oogen rondturend, eindelijk tegen den muur vallend, haar
+armen boven haar hoofd, haar open mond in het behangsel gedrukt. Zij
+keerde zich weêr om tot de duisternis en zij breidde haar armen uit als
+om hulp te vragen. Maar de duisternis plofte neêr op haar schouders,
+stroomde ruischend langs haar zijden naar beneden. Zij voelde den grond
+niet meer onder haar voeten. En zij zag de vloer zinken en stijgen, in
+breede schuine vlakken plotseling wijkend, zich weêr samenvoegend en in
+vierkante blokken zich opstapelend om haar heen. De wanden trilden,
+bewogen, schoven te-rug en naderden weêr met langzame wreedheid om haar
+tegen hun groote platte vlakken te verpletteren.
+
+Mathilde strompelde naar de vensters, waar, als door groote gaten, de
+grijze nacht van buiten vaal viel tegen de dichte kamerzwarte. En haar
+oogen flikkerden en vlamden tegen den nacht, die van buiten op haar
+toegolfde als een klimmende dampende gloed. Het grasveld vlak voor de
+ruiten scheen hoog heen te stroomen, kwatelend en kabbelend in den wind,
+die er van uit de schuddende hooge boomgevaarten wolken zwartheid op
+nederwoei, met de golfkammen der nog als groen uitkomende hoogste
+grassprietjes en de schuimvlokken der witte rozen. De zwarte vloed kwam
+van verre, van allen kant, door de wuivende en buigende, zich in groepen
+samenwringende en weêr losrijtende beplantingen om de huizen aan
+d'overkant, van links en recht over den straatweg en door Mathildes tuin
+aanspoelend met klotsend geweld, zich vermengend met de zware regens en
+stortvloeden van zwartheid, die over Bagatelle's dak, en langs beide
+zijden van de warandes, en van overal uit de lucht zich er in neêrgoten,
+opzwalpend in vreemde druipende zwarte figuren en met een windvlaag
+neêrzwierend in het hooge water. De breede donkergele streep van den
+straatweg golfde onder den stroom door, zich in bochten opkronkelend,
+zijn breede rug hoog opkrommend en weêr neerstrijkend, of zijn gele
+effenheid verliezend, doorboord met wemelende puntjes en gaatjes als een
+schelpenbodem onder den vloed. De iepen stuwden hun breede donkere
+lijven tegen de zwarte lucht, zich als een bergketen samen-sluitend,
+tusschen wiens toppen watervallen klaterende zwartheid naar beneden
+gudsten, in een storm van droefheidsgebaren hun lange armen sidderend
+losrukkend en er in een kramp van jammeren meê wijzend tegen den
+donkeren hemel. De witte en grijsblauwe huizen aan d'overkant, met hun
+kale muren, groeiden op uit den grond, hoog en naakt, als gesteenten van
+geweldige droefheid, de donkerte der boomen en heester met hun breedte
+vervullend, vooroverbuigend, zich splijtend en zich weêr samenvoegend,
+zwaar en recht. Zij dreigden en voorspelden, zij waren ontzachlijke
+steenen graven, stom en meêdoogenloos, langzaam waggelend op dezelfde
+plaats in de zee van grauwheid. En zij naderden in hobbelende
+zwenkingen, als met een heesch krijschen en een knersend gillen hunner
+fondamenten, hun vervaarlijke blokken naar Mathilde heenbewegend in de
+stormende zwartheid. Maar de geweldige stammen der hooge boomen aan den
+weg schenen lichtelijk te verschuiven van hun standplaats, en zij
+wankelden en zij rezen hooger en zij schreden tot elkaâr. Er barstten er
+van-één, van hun wortels hagelde een warreling van zwarte vonken Op,
+maar zij sloten weêr samen en als een troep ijzeren gedaanten drongen
+zij naar voren. De bladeren en takken verstijfden en klonken zich samen,
+schoten op in een vaart tot zwarte torens en zij bogen zich schuins, om
+neêr te storten op Mathilde en op het huis. Maar de grauwe zee raasde
+voort, hooger klimmend, woester stroomend. De boomen vielen er in wech,
+verdronken, en steigerden als reuzige zwarte golven, hemelhoog er
+weêr uit op.
+
+Mathilde zag naar boven, zag op zij. Zij zag zich ondergaan. Met de
+groote blikloze star staande oogen, als van iemand die eindelijk
+plotseling zijn leven ontdekt, stond zij voor het venster. En haar oogen
+dronken de woedende macht met bevende begeerte. De zwarte vloed sloeg
+tegen de muren van het huis, dat er straks in wech zoû zinken. De muren
+dreunden, schudden in een aarzeling. In den storm bolden de muren zich
+uit, vielen weér plat, heen en weêr zwiepend als linnen
+tooneeldekoraties. Als een dorre, verstikkende kreet steende langs het
+gewelf van Mathildes hart naar haar hoofd. En de muren van het huis
+scheurden en de grond spleet open, En, zinneloos, voelde zij zich
+wringen en in een afgrond sleuren, steeds vallend in steeds dieper
+zwartheid, de leden geprangd in nauwe klemmen, het hoofd bonzend tegen
+de vooruitstekende punten der in-een-stortende omgeving. Een wind van
+ijs en een zwarte watervloed voeren over haar heen. Mathilde viel neêr
+voor het venster.
+
+Maar zij deed haar oogen open; zij zag dat alles stiller was geworden.
+Er was niets dan éen groote wijde grauwheid om haar heen, waarin de
+muren der onbeweeglijk staande huizen aan d'overkant afbrokkelden, en de
+steenen in klompen en brokken geluidloos wechvielen. Als na een hevigen
+brand bleven stukken muur hoog opstaan in de ledige ruimte. Van de hooge
+boomen vielen de takken en bladeren bij vakken wech; de stammen
+vermolmden met wijde gaten. In de kamer braken de zwarte meubelen wech
+zonder gerucht, samenvallend tot ongelijke hoopjes. Alles viel langzaam
+neêr in een afbraak der heele omgeving. En zij voelde als brak ook haar
+eigen wezen zachtjes van elkaâr, ontbonden door de grauwheid, zonder
+smart. Het was zoo duister, dat zij haar lichaam niet meer in zijn
+geheel kon onderscheiden, het was als lagen haar leden gebroken, van
+elkaar wechgespreid. En haar verbeelding, opgebouwd van herinneringen
+aan het verledene en droomen voor de toekomst, stortte in één, vallend
+in een grauwe gedachteloze leegte. Er was niets meer, niets. Zij voelde
+alles geëindigd, haar gemoed uitgedoofd, haar ziel gestorven. Zoo bleef
+zij liggen, het hoofd tegen den rand van het venster.
+
+Mathilde werd opgeschrikt door stemmen en een geklepper van deuren, dat
+van het rieten kabinetje kwam. Als een koude wind, die om haar hoofd
+sloeg, in haar schedel klinkend met den langen naklank van een
+stemsleutel, raakte het geluid van het onverschillige leven haar aan.
+Het was Marie, die met de lamp in haar eene hand en Felix aan haar
+andere hand binnenkwam. Felix moest goeye nacht zeggen. De kap van de
+lamp, waardoor de wanden en de zoldering der kamer plotseling met een
+blanke schaduw werden bedekt, de meubels en de vloer geel verlicht
+werden, daalde tot even boven Maries mond, zoodat het onderste helft van
+haar hoofd warm beschenen werd Marie zeî "Wel mevrouw, ik wist gerust
+niet, dat u hier in donker zat, ik dacht, dat Jans u de lamp al lang
+gebracht had". En zij glimlachte. Als het hart van een opengesneden
+vrucht blonk het vochtige wit van haar tanden midden in het glinsterend
+sap van haar tandvleesch en lippen. De huidplekjes onder de uithoeken
+van haar mond waren van blankgeel perziken-fluweel. De lampenschijn
+wierp plooyen van koud en warm blank in haar hals en verguldde er de
+onderste verwarde haartjes. Maries mond scheen te lachen om de
+duisternis in de kamer.
+
+Felix was naar Mathilde geloopen en riep:
+
+--Nacht, moeder, wel te ruste.
+
+Mathilde, die naar Marie had gekeken, boog zich tot Felix. Maar toen zij
+boog, zag ze hem aan en ze zag hem zoo als ze hem nog nooit had gezien.
+Want hij stond met zijn hoofd een beetje naar den rechterschouder
+neigend en steunend op zijn rechter been, met een zekeren lieven blik in
+zijn oogen, heelemaal als de verkinderlijking van de houding en den blik
+waarmeê ze Jozef zoo graâg zag. Felix leek zóo erg op zijn vader. Er
+ging een trilling onder Mathildes gezicht, haar neus-vleugels beefden,
+haar oogen bibberden half toe. Zij knielde bij Felix neêr. Zij drukte
+zijn hoofd tusschen haar koude handen. Zij kust hem, dat haar tanden er
+pijn van deden, op zijn voorhoofd, op zijn haar. Zij streelde zijn
+oortjes, zijn wangen, wild en hard. Zij fluisterde hem toe op een
+heeschen toon; "goeye nacht!"
+
+Marie stond glimlachend-wachtend te kijken, hoe mevrouw Felix zoo
+hartelijk goeye-nacht kuste.
+
+Toen Mathilde weêr alleen was, deed zij het eene venster open. Zij ging
+in den tuin en liep haastig voort, als moest zij iemant aantreffen.
+Achter in den tuin, dicht bij het Flora-beeld, bleef zij staan. Zij was
+hier-heen gesneld om zoo gauw mogelijk ongezien de eenzame wellust te
+kunnen genieten van het besluiten tot een gesprek met Jozef, waarover
+zij mijmerde. Haar oogen knipten, om niet afgeleid te worden bij het
+bekijken van haar gedachten, en zij slikte murmelend, om met aandacht
+het genot van haar besluit te proeven; er kwam, in een warmte om haar
+voorhoofd en wangen, het besef, dat zij slagen zoû in wat zij wilde, en
+het liep als een zoete prikkeling over haar hoofd. Het was zoo
+gemakkelijk, wat zij had bedacht. Zij zoû van haar benauwdheid uit tot
+Jozef gaan, hem al haar verdriet zeggen en hem vragen of hij weêr van
+haar woû gaan houden. Vroeger had zij wel gedacht, dat als Jozefs liefde
+wech was, die door geen woorden ter wereld weêr op te wekken zoû zijn en
+het dus maar beter was te zwijgen, maar nu voelde zij haar wangen
+gloeyen van een koorts van woorden, die zij tot hem spreken zoû.
+
+Zij wandelde zachtjes heen en weêr, haar hoofd gebogen onder den
+nachtwind, haar gloeyende oogen over het zwarte pad. Waarom zij tot nu
+toe niet had gesproken, wist zij niet. Zij had niet gedurfd, zij had
+niet gekund. Hij zoû geandwoord hebben, dat hij daar niets van wist, dat
+hij van haar hield, zoo als vroeger. Maar als hij haar dit nu
+andwoordde, zoû ze hem zeggen, dat hij loog, maar dat zij hem wel weêr
+van haar zoû doen houden, dat zij zich zoo gezond en weêr zoo mooi zoû
+maken, dat zij zóolang alles beproeven zoû, tot hij weêr veel, veel van
+haar hield. Zij was heet van verlangen naar de tijd, dat zij hem spreken
+en overwinnen zoû.
+
+Door de lucht, die een plaat van donkerblauw metaal scheen boven den
+tuin, gloeiden de groene, blauwe zilveren en gouden punten der sterren,
+met een veraf blakerend gezuis. In de blauwe duisternis schaarden de
+boomen hun donkere pyramidale lichamen om Mathilde heen en deinden heen
+en weêr, ruischend in den kleinen nachtwind. Als een vrouw, die, met
+genietende oogen, haar hoofd opheft tot haar man, om bezien en gekust en
+gestreeld te worden, hief Mathilde haar hoofd naar den nacht. En de
+nachtwind drukte zich tegen haar borst, gleed langs haar hals en haar
+wangen, kuste haar mond. De sterrenhemel, zacht en goud, daalde neêr,
+bescheen haar witte gezicht met stille glansen. Maar plotseling vielen
+sterren in haar oogen langs schichtige stralen. En heur haren woeyen op,
+als zwarte vlammen om haar hoofd.
+
+En de hoop, de laatste hoop leefde in Mathilde, schoot in haar wezen als
+een hooge plant, die, zich wortelend in haar hart, het bewegen en
+kloppen deed onder haar kleed, die zijn takken in de vreemde
+kronkelingen van droomerijen en gedachten over een gelukkige toekomst
+door haar hersenen slingerde, die eerst glansend bloesemde in de blikken
+vol licht, die haar oogen door het huis wierpen, die daarna teedere
+bloemen voortbracht in het schuchtere rood, dat een enkele maal door
+haar wangen kwam. Zij begreep niet, wat haar zoo gauw had doen
+veranderen. Zij ging door het huis, met een lichten, vluggen tred van
+iemant, die onbezorgd is. Zij deed haar huishoudentje met een
+opmerkzaam, nauwkeurig gezicht en met armgebaren vol blijde haast, als
+een pasgetrouwde vrouw verheugd over het haar toevertrouwd beheer. Als
+zij alleen was lachte haar bleeke mond plotseling. Zij keerde dan haar
+gezicht bijna geheel naar het plafond. De lachjes kruiden op uit haar
+keel, lachjes, waarin de ha-klank rolde door haar mond, eerst in diepe
+toonen, later in hoogere toonen over haar lippen dansend, opkrinkelend
+tegen het plafond, waarop Mathilde heerlijke toekomst-beelden scheen
+afgeschilderd te zien. En daarna lachte zij weêr in zich zelve met
+gesloten mond, met denkende oogen over de vloer, terwijl de lach met
+rukken uit haar schuddende borst opsteeg, met een gekreun door haar
+keel, als een wind uit haar neusgaten wech woei.
+
+Zij kon zich nog niet van Zich zelf losmaken en op een afstand haar
+eigen ik en haar toestand beschouwen. Zij was nog geheel in zich zelve.
+Zij voelde, dat zij, om te bestaan, Jozefs liefde noodig had, en daarom
+wist zij, dat die te-rug moest komen, dat de toekomst goed zoû zijn.
+
+Zij bleef in Felix Jozef zien, een tweeden Jozef, een kleinen Jozef heel
+klein, heel vreemd. Zij merkte, als Felix lachte, trekken om zijn mond
+als die van Jozef, zij zag sommige rose plekken aan zijn ooren, juist
+zoo als Jozef er had. Zij omgaf zich van Felix. Zij voelde niets
+moederlijks voor hem, zij voelde zich bijna als zijn vrouw, met een
+wondere angstige, koortsige, voor haar zelf onbegrijpelijke hartstocht.
+Als zij 's middags door den tuin wandelde, liet ze hem naast haar loopen
+aan haar hand, en ze liet hem niet los, maar klemde zijn handjes in de
+hare; haar oogen straalden met wijde ongebroken blikken over zijn hoofd
+en zijn lichaampje heen. Zij drukte zijn handje vaster, opdat hij naar
+haar op zoû zien. Haar oogen goten heete stralen over hem uit. Wanneer
+ze in de hut zat stoeide ze met hem, liet hem op haar schoot zitten, leî
+hem rechtuit over haar knieën, gleed met haar oogen van zijn voetjes tot
+zijn hoofd, hechtte haar blikken aan zijn leden, drukte haar blikken
+over zijn gezichtje, verdronk hem in haar oogenspiegeling, zelve dronken
+van hem te zien. Zij betastte zijn lichaampje met teêre neêrzijgingen
+harer vingers om zijn armen, om zijn beentjes heen. Zij streelde zijn
+hoofdje met bevende liefde-handen. Zij leî, hem zacht omvattend, haar
+handen over zijn schoudertjes en drukte hem tegen haar aan, zijn hoofdje
+onder haar hoofd. Zij wilde, dat hij spreken zoû, omdat zij Jozefs stem
+wilde hooren. Zij vroeg hem, of hij van haar hield, of hij van zijn
+vader hield, of hij zijn vader wel kende, of hij zoo groot zoû worden
+als zijn vader. Als het kind niet andwoordde, bracht zij haar oor aan
+zijn mond, opdat hij daarin ademen zoû en zij uit zijn adem klanken op
+zoû vangen. Zij bracht haar mond aan zijn mond om zijn adem in te
+ademen; zij hield haar oogen voor zijn mond, opdat hij ze bewasemen zoû.
+En als Felix tegenspartelde en bang was en wech wilde, dan schudde zij
+hem, tikte hem op zijn handjes, zag hem boos aan. Als het kind dan
+huilde en zijn roode armpjes voor zijn oogen bracht, zette ze hem op den
+grond, boog zich naast hem neêr, hem in de ronding van haar arm nemend,
+en, haar hoofd naast het zijne, tegen het zijne aan, huilde zij meê. Zij
+huilden met hun tweeên in den stillen zomer. Hun tranen drupten op de
+kiezelsteenen van de hut.
+
+'s Avonds, vóor Felix naar bed ging, moest hij bij Mathildes stoel
+staan. Dan zoende ze hem zachtjes zonder ophouden op zijn voorhoofd, op
+zijn haar, op zijn handjes. Als het oogenblik van goeye-nachtzeggen was
+gekomen, hief ze hem hoog op, tot vlak boven haar hoofd, bracht daarna
+zijn gezichtje vlak voor het hare, staarde in zijn oogen tot die
+dichtvielen en deed vreemde vragen: "Waarom ben je vader niet? Ben-jij
+Felix, ben-jij niet Jozef?" Als hij weêr op de vloer stond, kuste zij
+hem op zijn wangen goede nacht, langen tijd, haar mond aan zijn gezicht,
+Het gebeurde, dat zij, later in den avond, nog niet was voldaan, dat zij
+niet slapen kón. Dan sloop zij naar boven door den stijgen-den nacht der
+trappetreden. Zij stond voor Felix bedje, als Marie al sliep. Zij bleef
+een half uur staan staren over het witte dek en het gladde hoofdje, met
+de roode rondte van zijn open mondje, dat er boven uit lag.
+
+Jozef was er nu in negen dagen niet geweest. Den Zondag, den dag, dat
+hij toch altijd kwam, had hij nu ook overgeslagen. Dinsdag 's morgens,
+tien minuten over half elf, toen Mathilde aan haar huishouden Zat,
+bracht Jans een brief van Jozef binnen. Het was een vierkante enveloppe,
+van gelig oud-Hollandsch papier, dat mooye papier, waar Jozef altijd op
+schreef. Jans leî den brief op tafel en draaide, drukkend, er haar
+wijsvinger half op om, als wilde zij den brief beletten wech te vliegen,
+en, zich omkeerende om heen te gaan, zag zij, van onder den strengen
+boog van haar kornet, nog met twee zorgzaam-ernstige blikken naar den
+brief, zeggende:
+
+--Die brief is gekomme, mefrouw.
+
+Voortschrijvende aan haar huishoudenboek, nam Mathilde, met een korte
+koude verplaatsing harer blikken onontroerd, als een gewoon en verwacht
+ding, het gelige vierkant van den brief in haar oogen op. De brief lag
+daar, alleen, hoog op het stijve tafelzeiltje. Hij lag daar, als een
+vreemd licht voorwerp, door zijn pasaangekomenheid als een vierkantje
+nieuwe frischheid opwittend uit het zwaardere, in zijn gewoonheid oudere
+kleurenwezen der kamer. Terwijl Mathilde voortschreef en naar haar
+schrift keek, bleef de brief, links in de schuinte, als een scherp
+omlijnd wit vlakje van de tafel, in haar oog liggen, als een klein
+vormpje door zijn ongeknotte gladheid en verscheid in een hoogen witten
+klank roepende, dat hij zoo even hier nog niet was.
+
+Mathilde nam den brief op, waardoor hij haar oog naderde en heel
+lichtelijk grooter en zwaarder werd. Jozef verontschuldigde zich, zoo
+als altijd, dat hij verleden Zondag niet gekomen was en dat hij vóor
+aanstaanden Zondag ook niet zoû komen. Het opengevouwen bladje strekte
+zich dun-stug tusschen Mathildes bleeke vingers met het gerekte geritsel
+als van verflauwde gewrichtsverbuiging en zij had heel even het
+grijs-bleeke gevoel der kille leegte die van het papieren vlaktetje over
+haar wangen steeg, dat zij altijd na het lezen van zijn briefjes had,
+maar nu heel vluchtig, zich terstond oplossend in de lichtblauwe
+breedheden van hoop, waarin haar denken waadde.
+
+Jozef zoû dus Zondag komen. Dat de dag nu bepaald was, waarop het
+gewichtige gesprek, zoû plaats hebben, verergde Mathildes
+zenuwachtigheid, en maakte haar vertrouwen op de uitkomst
+nadrukkelijker. Zij voelde zich verjeugdigen in de gejaagdheid, waarmeê
+zij den dag tegemoet zag. De soort prikkelingen, die van haar voeten tot
+haar hoofd als regens van speldeprikken liepen, die van haar hart uit
+door haar keel stegen, als een inwendige kreet van begroeting en een
+roepen om nader te komen, herinnerde zij zich alleen van lang geleden,
+toen zij nog niet getrouwd was en zij Jozef wachtte, die andwoord moest
+komen vragen op zijn gedaan verzoek. Maar snel, als raakte de vleugel
+van een voorbijvliegenden ouden grijzen verlepten vogel haar achterhoofd
+aan, wipte het gezicht van de kamer op den Oudezijds-Voorburgwal, en
+Jozef, die de stoep opkwam, en hun eerste kus, door haar gedachten, en
+wech was het weêr, vernietigd onder het beeld van den aanstaanden dag,
+dat haar gelijk de prijsuitdeeling den scholier, als een vaag, groot,
+zwaar donker lichaam, als een in haar verbeelding gewrongen balk, onder
+zich neêrdrukte. Daarna werd zij den dag weêr gewaar als een donker
+blok, maar er om heen waren stukjes planten-en bloemengroei en gele
+randen zonneschijn, omdat zij den dag zag in den tuin, waar ze hem met
+Jozef leven zoû.
+
+En zij liep door het ledige huis, En het zilveren licht van haar
+verlangende oogen straalde tot de wanden en zolderingen en bleef er
+hangen in zilverschijnende plekken. En het huis wachtte met haar samen
+op den geluksdag, die nu eens langzaam aan scheen te komen waren uit de
+verte, in breede rollen van wit en blauw en goud met hoog geboogde
+luchten en wijde bloemende grondvlakten, die dan weder in de verte
+achter een hoogen poort vol ruischende glansen op haar scheen te
+wachten, tot de tijd haar tot hem heen zoû hebben gevoerd. Jozef zoû
+Zondag komen. Stroomden door alle vensters niet licht en kleuren naar
+binnen; openden zich de ramen en deuren niet tot aan den grond om hem
+binnen te laten? En de stilte van het ledige huis vulde zich immers met
+ruikers van zonnekleuren, omdat hij komen zoû? En zij liep door het
+huis. Haar voeten wiegelden vluchtig over de blijde vloeren. De vloeren
+gleden voort onder haar voeten, niet de matte kleuren der tapijten als
+open gebroken door de wit-gouden rondtes van zonnelicht, waarin enkele
+bladerenschaduwen stilletjes wenkten.
+
+Zij zag zich treden door de deurposten in de ruimten der kamers, en de
+wit-omlijste beperking der deur-posten sprong te-rug om haar heen, om
+dat die tastbaar was, maar de ontastbare ruimten vol waren van goud-en
+wit-wemelende hoop, die Mathilde omvloeide. Zij zag zich gaan langs de
+wanden, en de wanden schoven haar voorbij, stil wit-lachend vlak en
+recht. Het was haar of zij altijd verder zoû gaan, het hoofd naar voren,
+den dag zoekende, die in de verte stond. Als zij een stuk wand zag, was
+het alweêr achter haar. Kwam zij aan een hoek waar twee wanden elkaâr
+raakten, dan kon zij niet verder gaan. De eene wand leidde haar naar den
+anderen, maar allen waren zij met lichte kleuren, en zij zag hen aan, en
+zij spreidden zich uit, blank en breed; glimlachjes speelden in de
+figuren van het behangsel. Mathilde zag door het huis en zij zag, dat
+het mooi was. Maar als zij in den tuin keek, was overal weêr de
+gezichteinder, de grens van haar blik, die zij zich niet begrijpen kon.
+Zij wilde dieper zien, was er nergens een verre, verre opening? maar de
+kleurvakken van den tuin naderden, hechtten zich als schilderijen in de
+lijsten der ruiten. En snelheden van zacht-gele tevredenheid suisten
+over Mathildes borst door haar gemoed.
+
+Mathilde wandelde door het huis, deur in, deur uit, en ook naar boven.
+Zij zag de omkastingen der vertrekken en portalen, met hun ongebogen
+steeds elkaâr voortzettende lijnen, haar overhuiven, naast haar opstaan,
+over haar heen vlakken, haar beschutten in hun onverstoorde effenheid.
+Het huis was het weldoende verblijf, waar zij Jozef zoû ontvangen. Zij
+voelde, haar hand wijd uitgespreid als een halve ster tegen de muren
+leggend, hun liefdadige hardheid. Want zij beschermden haar tegen den
+tuin. De tuin was zoo vol van een kleurenoverstelping, de geestdriften
+en verrukkingen van het diepe zomergoud zonken met zulk een bevende
+vaart neder over de juichende tuinkleuren, dat Mathilde bang was voor
+den tuin. Maar de vloeren droegen haar hoog heen, en de branding van
+buiten kon haar nog niet bereiken. De meubels omstonden haar met de rust
+en tevredenstelling hunner bruin-kalme onbewegelijkheid. Zij waren goed,
+zij waren fraai, zij waren trouw. En als om hen te streelen, zoo als een
+bruid op den arm des geliefden leunt om een derde iets te vragen, zoo
+leunden Mathildes handen op de randen der meubels, wanneer Zij zich naar
+voren boog om gedachteloos de namen der makers te lezen onder de platen
+aan de muur. Want zij had van die plotselinge nieuwsgierigheden voor de
+kleinste kleinigheden, die drentelende afwachtingen van heugelijke
+gebeurtenissen in menschenoogen doen ontstaan, en die Mathilde eensklaps
+de nog ongeziene krul van een behangsel-figuur deden ontleden, of haar
+een klein barstje in de lambrizeering lieten ontdekken en nagaan.
+
+Zoo ging de Dinsdag en Woensdag voorbij. Mathilde dacht aan het gesprek
+met Jozef als aan iets, dat buiten haar om zoo bepaald was, als aan een
+gelegenheid, die zich nu voordeed om haar geluk te herstellen. Zij
+bedacht niet, dat de heele zaak van haar was uitgegaan en nog wel
+toevallig nu pas, dat zij hem even goed twee maanden geleden hetzelfde
+had kunnen zeggen. Zij dacht er ook niet aan, dat Jozef op 't oogenblik
+voelen moest als altijd, dat hij nog van niets wist. Neen, zij had een
+gevoel als bereidde hij van zijn kant zich in Amsterdam op den strijd
+voor, die zoû plaats hebben, terwijl zij 't zich hier deed. En zij
+maakte haar plannen, nauwkeurig, in onderdeelen. Zij zoû beginnen met
+het feit te zeggen zoo als het was: zijn liefde voor haar was niet zoo
+groot meer als vroeger. Dan zoû hij zeggen--ze kende hem er goed genoeg
+voor om dat zeker te weten--: 't was volstrekt niet waar, hij hield nog
+altijd even veel van haar. Maar dan zoû zij hem bewijzen, dat 't niet
+zoo was. Want, zoû zij vragen, hoe handel jij in den laatsten tijd
+tegenover mij en hoe doet een man die wezenlijk veel van zijn vrouw
+houdt? Zij zoû het onderscheid laten voelen. Dan zoû hij misschien
+toegeven ... En dan, en dan ... Mathilde lachte en trad voort, zij voelde
+haar plan worden in de huppelende blijdschap van haar lachjes. De
+woorden verzamelden zich langzaam in haar heerlijk zeker. Als bijna
+lijnen, die elkaâr naderden en zich samenvoegden, waarden de gedachten
+om haar heen door de huisruimten. Haar lachjes zweefden op,
+verzilverkrulden de lijnen: zilverwitte onzichtbaarheden luwden in
+lichte wolkjes om haar heen, wierookten tot haar voorhoofd en deinden
+weêr terug, beglipten haar hals, suisten weêr op door heur haren,
+glanspuntend, paerlend, sterrelend boven haar been. En zij liep voort;
+haar gedachten, in gele, rose en blauwe draden, weefden aan het plan. En
+in de zachte bewegingen dier ongeziene gelukskleuren, begon zij te
+neuriën, maar zachtjes, voor haar zelf onhoorbaar zachtjes. Kwam er een
+bedenking, vlotte het plan niet geregeld, dan haperde de stille
+neuriënde gedachtenstem, heel even, maar als het bezwaar bijna
+overwonnen was, begon zij weder, nog zachter, altijd zachter.
+
+Zoo ging zij door haar slaapkamer om te zien, of alles goed opgeredderd
+was, maakte de kleerenkast open, hing haar japonnen op hun plaats en
+keek of haar lijven, tegen de stof, wel met de voeringen naar buiten
+hingen; zij zette het speldekussen recht voor het toiletje, sloeg de
+gordijnen voor het bed over elkaâr, en nam nog hier en daar de stof af,
+want Marie deed alles niet precies genoeg. En alles moest toch heel goed
+in orde zijn voor als Jozef kwam. Zoo ging zij door de keuken, liet Jans
+haar toonen wat gebroken was, onderzocht of de tinnen zaken en de
+koperen glazewaschpomp, de raspen, de zeeften en de beschuittrommel wel
+op hun plaats aan de muur hingen, of het fornuis wel goed schoon was.
+Als Marie en Felix uit waren, ging zij zien of er op de planken der
+kasten boven wel overal schoon papier lag, of Felix kleeren netjes
+opgevouwen waren. In het rieten kabinetje streek zij een verkeerde plooi
+uit een venstergordijn en schikte de stoelen in de stipste orde om de
+tafel. In de groote kamer liet zij de vuile voeten van Felix wegvegen,
+die daar van gister-avond nog stonden, en beknorde Jans, dat zij zoo
+slordig geschuyerd had. Zij trok een kreukel uit het tafelkleed, leî de
+muziek op de piano tot een regelmatig hoopje. Maar, door het rustelooze
+op-en neêrgaan, verflauwde de innigheid harer gedachten, eindelijk
+dacht zij er niet meer aan dat zij aan 't denken was, en, ontevreden,
+bleef zij staan om kalmer haar plan verder te maken.
+
+Zij stond, rustende op haar rechter been, de teêr-grijze wol strak
+gespannen over de ronding der uit-gezette heup. Haar linkerhand morrelde
+aan de knoopen van den peignoir. Aan de rechter, boven den tegen haar
+borst gedrukten arm, wreef zij haar kin heen en weêr; haar blikloze
+oogen lijnden, van haar langzaam ja-knikkend hoofd uit, strak op
+hetzelfde punt van den vloer neêr. Of zij streek haar handen van haar
+voorhoofd tegen haar wangen neder, die dan tot rose kussentjes onder
+haar oogen zwollen; en zoo, haar hoofd in de handen gevat, terwijl een
+aarzeling van klamheid over haar schedel trok en de aderslangetjes aan
+haar slapen zich even verdonkerblauwden, liet zij haar oogen den
+aanstaanden dag tegenglinsteren, met kleine dartelende blauw-zilveren
+vonkjes.
+
+Als hij dan toegegeven had, dat hij niet meer zooveel van haar hield als
+vroeger, zoû ze hem zeggen, dat hij zeker zelf niet wist hoe dat kwam,
+maar dat zij 't hem kon uitleggen: zij was ziek geworden, had daardoor
+van-zelf niet zoo lief meer voor hem kunnen zijn als vroeger, en hij was
+nu eenmaal iemant, die er behoefte aan had, dat een ander onophoudelijk
+de grootste liefde voor hem toonde. Maar het zoû weêr te-rugkomen, als
+hij maar zeî, dat hij nog een heel, heel klein beetje van haar hield,
+och maar zoó weinig, zóo weinig, als een stofje tusschen vinger en
+duim ... Als zij dit gezegd had, zoû ze naar hem kijken, hij zoû zeker
+een beetje zenuwachtig geworden zijn en hij zoû zeggen ja!, dat hij nog
+werkelijk van haar hield, dan zoû zij hem omhelzen, en dan; ... O, 't zoû
+heerlijk zijn! ... zij zag zich al met hem loopen in de zon, haar arm in
+den zijnen als toen zij pâs getrouwd waren ...
+
+Mathilde stond dicht bij het venster. Achter het neteldoeksche gordijn
+speelden zes vliegen tegen de ruit, als zwarte stipjes op en neêr
+wippend, met lichte tikjes tegen de ruit rakend, tegen elkaâr
+aangiggelend, op elkaârs ruggen klimmend, zich badend in een paar dunne
+zonnestraaltjes, twee aan twee in kringetjes rondwirrelend, stilblijvend
+tegen het neteldoek. Eens vloeg er een op Mathildes voorhoofd, liep snel
+rond tot bij de wenkbrauwen, sprong toen op haar hand, liep op en neêr,
+sleep zijn voorste pootjes tegen elkaar en liep weêr op en neêr.
+Mathildes oogen, moe van het turen, knipten wakker. Zij had zóo innig
+aan hem gedacht, dat een lichte koû over haar heenging, onder haar kin
+tegen haar hoofd op. Het was als had zijn gestalte, warmend, vlak voor
+haar gestaan, als had zij tegen zijn borst gestaard, tusschen haar en
+den wand, als was hij nu met onhoorbaren tred wechgegaan. Zij zag om,
+met angst glimlachend. Hij was er niet, neen, zij zag hem niet gaan.
+Toen door 't venster ziende, was 't haar, of hij elk oogenblik om den
+hoek zoû verschijnen, en van de heete tuinkleuren uit, tot haar heen
+treden, met zijn armen, met zijn schouders, zijn voeten nog in de zon.
+
+Maar haar mijmering stierf uit en zij dacht: als hij werkelijk eens vóor
+Zondag kwam. Dat was wél heel onwaarschijnlijk. Maar zij haastte zich
+toch met haar kleine voorzorgen, omdat hij elk oogenblik komen kôn. De
+deuren van het rieten kabinetje en van Jozefs slaapkamertje stonden
+open. Door de vijf ramen geelden, zich naar onderen verbreedend, zware
+kokers stofwemelend zonnelicht naar binnen. Schreed Mathilde voorbij de
+ramen, dan brandde plotseling een plekje van heur haar, haar oog werd
+blind geschitterd, zag zij haar kleed goud-grijs en weêr donker worden,
+was haar hand op eens schel verlicht. Het klaterende goud-groen van den
+tuin brandde door de tintelende ruiten. Hetzelfde eentonige deuntje
+neuriënd, nu en dan eensklaps luider, als wilde zij er iets meê dwingen,
+deed Mathilde verder haar zaakjes. De stilte, die als een warm blanke
+doorzichtigheid over Mathilde hing, werd alleen verscheurd, een enkele
+maal, door de keukengeluiden van een steenen pan, door Jans op de
+marmeren rechtbank gezet of het bingebangerend ijzergerommel van het
+fornuis-opstoken, die door den wand heenbraken.
+
+Later op den dag,--het was al Donderdag,--werkten Mathildes hersens
+voort aan haar plan. Zij zat in de groote kamer, de ellebogen op de
+tafel geleund, met de kouwige half in het haar wechgedoken handen de
+huid aan de slapen zóo naar boven strijkend, dat haar oogen werden als
+die van een chineesche vrouw. Bij de hoeken der neusgaten trilden de
+zenuwen van haar gezicht. Haar huid scheen te schokken van de
+geluksgedachten, waar zij vol van was; haar oogen verdoften om alleen
+naar binnen te zien. Met een rukje zonk nu en dan even haar hoofd lager.
+De hiel van haar linker voet klopte snel zachtjes op de vloer.
+
+Zoû zij wezenlijk durven? Als hij daar heel gewoon en met zijn kalmte
+naast haar stond en ze over onverschillige dingen spraken, zoû zij dan
+in eens de soort van spanning die er nu al sinds maanden tusschen hen
+bestond, durven verbreken? O ja, zij zoû durven, wat er ook gebeuren
+mocht, zij zoû spreken. En dadelijk zoû zij er over beginnen, als hij
+aangekomen was ... Na dat zij elkaâr dan omhelsd zouden hebben, zoû ze
+hem al haar verdriet vertellen ... O maar, wat een heerlijk idee, de
+stilte tusschen hen zoû verdwenen zijn; zij zouden weêr samen praten
+uren achtereen, zonder ooit uitgepraat te zijn. Het zoû net zijn, of
+Jozef van een lange reis was teruggekeerd, als of zij mekaâr weêrvonden
+na een lange scheiding ... Al wat zij uitgestaan had, zoû zij hem in
+onderdeelen haarfijn zeggen ... Allemaal natuurlijk om te maken, dat hij
+weêr meer van haar hield. Of was 't beter zich niet zoo bloot te geven,
+zoû hij daar misschien te trotsch van worden? ... O Heer! daar wist zij
+in eens iets veel beters. Zij zoû hem niet omhelzen, zij zoû volstrekt
+zoo lief niet tegen hem zijn. Neen, zelf trotsch en koel zijn, hem
+rekenschap vragen van zijn gedrag, dát was het middel ... En neen, ... en
+ja ... Ja, ja, zij zoû voorwenden boos op hem te zijn ... Dan zoû hij om
+dat weêr goed te maken ... en dan ... hoe 't ook gaan mocht, zij zouden in
+elk geval tot een verklaring komen, die niet anders dan gelukkig
+kon wezen.
+
+Mathildes verbeelding zag zijn ontroering al, en haar ontroering. Hij
+zoû vlak bij haar wezen wanneer zij hem dit alles zeggen zoû, en
+hij--geheel, zijn hoofd en zijn handen en zijn voeten, en zijn oogen, al
+zijn leden, die zij liefhad, al zijn blikken, waarnaar zij verlangde.
+Zij zoû hem zien, zij zoû hem hooren, zij zoû hem betasten kunnen. Zij
+zoû zijn gezicht wel weêr van liefde doen branden; en als hij zijn hoofd
+dan boog, en als hun monden dan tot mekaâr kwamen ... Zij zag de zon al
+gaan over zijne kleéren, ... en zij zoû hem brengen naar het huis, waar
+ze hem behouden wilde, zoo als vroeger ...
+
+Mathildes hoofd was lager gedaald, tot even boven de tafel. Haar armen
+lagen er voor te rusten. Zij was wech in haar gedachten. Nu deed zij
+haar hoofd een beetje naar de hoogte, met wijde, als verbaasde oogen,
+die zich daarna tot aandacht samentrokken. Een waas van vervreemding was
+om haar heen; een schrik prikte in haar achterhoofd. En zij meende in de
+ronding van haar linker arm, waaronder, diep, de vloer warrelde, zijn
+arm te hebben zien steken. Zij had het gevoeld. Zij had zijn hand, zijn
+blanke hand, op haar voorarm voelen liggen, de vingers allen naast
+elkaâr, teeder drukkend. Zie, daar was de hand weêr, bezijde de tafel
+plotseling opkomend, warend door de kamer, dalend, verdwijnend. In de
+hoeken, aan de muren, zag zij onzichtbare zijden van zijn lichaam, de
+rechterzijde zonder het hoofd, zijn been, dat bewoog. Toen, door de
+ronding van haar onbewegelijken arm weêr naar de vloer kijkend, zag zij,
+in vlottenden trechtervorm, lapjes nevel, donkere stipjes, zwarte
+vlakjes, waarin Jozef klein en groot, daalde en opkwam, als een pop, die
+zich uitzette. Maar zij overwon het gezicht; haar verschrikking
+verteederde weder tot de lachende aandoening van het plannen maken.
+
+...Als zij zich boos toonde, zoû hij haar misschien vergeving vragen ...
+maar dát zoû zij in geen geval willen ... maar wanneer hij nu eens niet
+deemoedig was bij haar trots ... 't Was waar ook, het was ook eigenlijk
+maar beter niet trotsch te zijn. Als zij zich als de minste voordeed,
+als zij smeekte en bad, dán bereikte zij stellig haar doel, zij zoû dus
+eerst dit zeggen, dan dat, dan zoû hij ... en dan zij ... en dan zoû zij
+nauwkeurig bepalen, wat zij graâg had, dat hij deed: elken dag
+overkomen, enz....
+
+Jans was de jaloeziën dicht komen maken. Mathilde zat in de
+zwaar-breed-goud-blank-doffe zomermiddagschaduw, waarin de kamer stond.
+In de gleuven der jaloezieën was de rijke warmte der tuinkleuren
+neêrgedrukt door de schuine latten. Van boven door de jaloeziën snelden
+alleen nog enkele zonnestralen in de kamer neêr, die op de meubels
+lichtend vlekten. De stilte was van een vergulde bleekheid, als van door
+matglas verdoofd gloeiend goud, waar in aarzelingen van teeder blauwe,
+geel-rose, blank-grijze tinten zwierven. Fijne, schuchtere dartelingen
+van stervend zilver en kwijnend rood lispelden. Een luchteile wade van
+verwelkende glansjes lauwde. In de broeyerig-kleverige roerloosheid van
+de kamer gleden en streepten Mathildes gedachten uit haar heele wezen
+over de donzige kleuren. Uit haar oogen ruischte haar denken. In hel
+gouden pijltjes naast mekaâr, die opsprongen en neêrkletterden, met
+zilveren pijltjes schuin er boven en er door heen, schitterde haar
+driftige mijmering ... Als hij zeide, dat 't met de zaken onmogelijk was
+om zoo dikwijls over te komen ... als hij sprak van de verveling van de
+reis, en dat zij toch weinig aan hem hebben zoû ..., o, zij zoû hem niet
+uit laten spreken, zij zoû hem Felix voorhouden, maar vooral altijd
+zich zelve ...
+
+Haar plannen vorderden; zij voelde zeker te zijn van haar zaak. Haar
+betoog sloot samen; er kon niets tusschen. De gedachteplannen zetten
+zich om in vormen voor haar uit, op de vloer: in rechte lijnen en
+vierkanten, bevend, rillend, maar steeds elkaâr naderende, met een dak
+van schuine lijnen er boven, als een geheel.
+
+Zij leunde nu tegen haar stoel en keek rond, in de lichte bedaring van
+haar gedachtekoorts. Zij voelde met welbehagen het ongerimpelde lachen
+van haar gezicht. Uitstekend! dat hij nog niet gekomen was. Alle stoelen
+stonden leêg om haar heen. Hij was niet in de kamer. Zij kon heerlijk
+alleen eerst op haar gemak alles wikken en wegen en samenstellen, voór
+hij kwam ...
+
+Zij stond op en bracht, kalmer dan eerst, een flesch Florida-water op
+zijn kamertje. Zij sleep het scheermes, dat in de waschtafellâ lag, iets
+wat zij nog nooit had gedaan; zij schikte de sprei glad over zijn bed.
+Zij was moe. Haar denken verflauwde steeds.
+
+Zoo ging de dag voorbij.
+
+Na den eten rustte Mathilde op het eene kanapeetje. Nu zoo goed als
+klaar met haar voornemens, lag zij zalig moe voor zich uit te turen.
+Haar eene hand steunde haar kalm liggende hoofd, de andere lag
+onbewegelijk over haar schoot. Zij was stil droef blij. De oude
+gedachten van den dag, de vondsten, die zij al lief had gekregen,
+zweefden zachtjes door haar brein. Reeksen gedachten, groote stukken der
+plannen kwamen in lange, licht zwart-fluweele langzaamheden over haar
+lichaam aanwaren naar haar oogen; enkele kleine donkerwitte
+bizonderheden, een trek, die Jozefs gezicht zoû hebben, zeker uitstekend
+woord, dat zij zeggen zoû, kwamen van ter zijde haar hoofd springen en
+er weêr uit glippen, door de groote gedachten-drommen heen.
+
+En zij voelde zich tot alles in staat, geheel aan haar liefde
+overgegeven, zonder trots. Als hij niet toegaf, zoû zij zich vernederen,
+zich zoo lang en zoo diep vernederen, tot hij overwonnen was. Zij zoû
+weenen, weenen zooveel, dat hij haar om haar tranen weêr lief zoû moeten
+hebben. Zij zal hem beloven en hem influisteren, dat zij alles zal doen,
+wat hij wil.
+
+Onder het langzaam vallen van dezen blijden dag voelde zij zich
+verzwakken tot alle offers, zij voelde zich wiegen door de rust van de
+kamer in een weldoende vergetelheid van zich zelve. Zij wist nu wel
+waarom zij vroeger niet gesproken had tot Jozef en altijd maar gewacht;
+het was door haar trots geweest; zij had niet gewild. Maar nu was zij
+nederig; zij zoû kruipen aan zijn voeten. Zij hoorde zich zachtjes
+ademen tot de vriendschap der stille kamer, heel zachtjes. In haar oor
+suisde heel licht de vermoeyenis. Zij zoû hem beloven zich opzichtiger
+te kleeden; zij zal hem beloven meer met hem uit te gaan. Zij zal nacht
+en dag klaar staan om zijn wensch te doen. Zij wil nu wel veel reizen
+later. Felix zal ponniehaar dragen en op een kostschool gedaan worden.
+
+Zij hoefde nu niet meer te denken. Zij kon rustig slapen van-nacht. De
+zwijgende wanden, met hun hooge, ernstige voorhoofden, hadden haar plan
+in zich af laten drukken. Zij zoû het in hen morgen weêrvinden; zij kon
+het nu veilig vergeten en aan niets meer denken ...
+
+Mathilde richtte zich plotseling op, te midden der strakstaande wanden.
+Zij voelde als een bodem van zekerheid uit haar bewustzijn wechzinken.
+Als zij zich morgen eens niet herinnerde wat zij Jozef zeggen zoû, als
+zij de woorden eens verloren had, voor altijd verloren! Als haar plan
+eens wech was, en als ze het zelf eens niet meer wilde, en als ze niet
+meer zoû weten wat te doen ... Maar deze schrik, die heenvlood uit haar
+wezen en rende door de kamer en opratelde tegen de ruiten en schuurde
+langs het behangsel en weêr te-rugkronkelde in haar wezen, verbreede
+zich tot een gevoel, donker, hopeloos bruin, dat lang bleef hangen op
+dezelfde plaats: als Jozef eens koel bleef, als, na alles wat zij
+bedacht en gezegd zoû hebben, hij eens dezelfde bleef der laatste
+maanden, dezelfde, blank koud dezelfde, als hij haar eens niet begreep,
+en met een zwijgenden glimlach vroeg wat zij bedoelde ...
+
+Maar, in de laagte, met hun grond en één opstaanden wand, schoven
+stukken tuin en stukken kamer voor haar verbeelding, met Felix er in. En
+zij zag hem, een afgerond levend wezen, zich bewegend, geluid gevend,
+met licht in zijn oogen en een rooden mond. Dat was Felix. Dat was haar
+kind, hun kind. Als Jozef achter hem stond, dan reikte hij tot Jozefs
+middel. En zij keken met hun oogen op dezelfde manier. Felix was als uit
+Jozef gekomen. Uit Jozefs wezen neêrgestooten op de aarde. Felix was,
+dus moest Jozef zijn.
+
+En wat was dat "Jozef"? Dat was een hooge gevormdheid, het was datgene,
+wat alleen zij zien woû, wat alleen zij hooren woû, wat alleen zij wilde
+aanraken, een man, nietwaar, haar man, dat was die man, die haar lief
+had gehad, die haar liefhad ... O maar, met zijn oogen, nietwaar, en met
+zijn voorhoofd en met zijn mond en met zijn handen, wás hij ... O, o,
+wat zoû die toekomst gelukkig zijn!
+
+Mathilde stond weêr, rechtop in de kamer. Zij wreef in haar handen, om
+dat haar zaken zoo goed stonden. Met den zegevierenden blik van iemant
+die, het hoofd omhoog, naar aanstaande blijde tijden uitkijkt, zag zij,
+door het venster, de komende schemering tegemoet. Zij lachte verheugd,
+zij lachte zooveel; in een wordend lachje bleef haar gezicht eensklaps
+stil, om verwonderd te zijn over het dwaze verdriet, dat zij zoo lang
+had gehad. De behoefte om te loopen bewoog haar weêr door het huis. Zij
+ging, met een licht deinen van haar schouders, haar hoofd bewoog heel
+langzaam op de maat van haar gang; haar borst ademde op en neêr, haar
+heupen ovaalden grijs uit onder het kleed; de wrong harer voeten steeg
+en daalde regelmatig over de bevloering. Haar armen weken van haar
+zijden en vielen er zachtjes weêr tegen aan. Zij drentelde, afgemat en
+rusteloos. Het lichte kraken van haar schoenen, het gekreuk en geschuif
+van de kleedstof om haar armen en beenen, het geluid van haar stappen en
+van haar ademen ritselden glijend door het huis.
+
+Zij voelde zich loopen en in de muziek van haar gang alle denken te loor
+gaan. Zij voelde het tintelen van haar teenen en hielen, het gewrichten
+van haar knieên, haar trillende dijen, waarlangs het kleed bij elken
+stap neêrwoei. Zij voelde strakheden van haar broek en haar onderlijfje
+tusschen haar beenen en onder haar armen; haar ondergoed, dat de halve
+bollen van haar borst raakte, de kraag van het kleed, die tegen haar
+hals duwde. Zij voelde haar moeye hals en de hitte van haar achterhoofd,
+de zwaarte harer armen, die de schouders lager trokken, haar klamme
+handen, haar lippen, die, vóór de ongesloten tanden, bevend
+samendrukten.
+
+Zij waadde door de schemering, die het huisomsluyerde en een slaap
+bracht in de kamers. Door de zwartigheid, wist zij nog vaag haar lichte
+droomen in de verte, voor den volgenden morgen. Haar donkere gedaante
+bewoog steeds rechtop door de verflauwende huisvormen. In de
+blauw-zwarte spiegels zag zij haar witte hoofd alleen nog naderen,
+waarover een stervende glimlach stond. Zij ging, bewusteloos, weêr ook
+de trap op en af, zonder meer iets aan te raken. De gedachten van den
+dag leefden zonder haar in haar voort, nog even stilletjes aanspoelend,
+zachtjes-aan wechdoovend. En toen begon zij weêr van zelf het wijsje van
+dien morgen te zingen.
+
+Marie en Felix kwamen thuis van hun wandelingetje. Het wachtende huis
+stond witterig en zwart-schuin tusschen de boomen. De vensters keken
+lankwerpig wemelend grijs en zwart. Van onder de warande, waar een
+venster openstond, hoorde Marie en Felix het gezang van het huis, luid
+en zacht vlak-bij in de donkerte. Dan ging het verder in het huis,
+verzwakte, verzwakte en beefde wech. Dan naderde het weêr onder de
+opstaande huisvormen. Het was nu neuriën geworden, maar in eens klonk
+het heel uit de verte, als achter een dikke muur; toen hoorden zij het
+weêr duidelijker, zachter, boven onder het dak, voortgaan, zachter
+worden, en te-rugkeeren, luider. En ophouden in de doorzichtig-zwart-
+grijze stilte. Toen druppelde een fijne regen eensklaps stilruischend
+in den avond op het huis en op de bladeren neêr.
+
+Den nacht van Donderdag op Vrijdag sliep Mathilde vast, maar om zeven
+uur was zij al op. Den vorigen avond had zij, vóor haar bed staande om
+er in te gaan, haar bloote voeten gezien. Zij was er naar blijven
+kijken, haar hoofd gebogen onder een nieuwe gedachte, die door haar
+hersens druischte. Zij had haar nachtjapon tot aan de knieën
+opgetrokken, mijmerende, dat die lichaamsbouw, met die blanke huid,
+onder haar witte goed nu zoo doorging in de hoogte, tot haar middel, tot
+haar borst, tot haar hoofd en daar eindigde en dat zij dat nu was, zij.
+Zij had even met haar eene voet een tikje tegen het andere been gegeven.
+
+Zij was verwonderd èn aan den voet èn aan het been te voelen. Zij was in
+bed gaan liggen, op haar rug, haar armen aan weêrszijde langs zich
+uitgestrekt. Zij leî haar handen op haar dijen en er weêr af, verbaasd
+over haar tastbaarheid. Zoolang ze wakker was, had ze liggen denken aan
+haar lichaam. Haar huiverende beenen samendrukkend, had zij toen
+bedacht, dat Jozef haar lichaam liefhad, want zij was haar lichaam. Nu
+liep zij, in het helder vroolijke ochtendgeel, dat door de warme ruiten
+en ophaalgordijnen zwierf, blootsvoets door de lengte van de kamer, door
+de opengerukte bovenste knoopen van de nachtjapon, door de gleuf van het
+hemd en van het flanelletje heen, haar hals te bevoelen, er griezelige
+koude plekjes makende met haar saamgesloten vingertoppen, diep in
+gedachte. Toen trok zij haar nachtjapon uit en ging weêr in bed, met
+haar beide handen voelde zij over het lichaam, van de knieën tot de
+hals, als wilde zij er verborgenheden in opsporen.
+
+Om kwart voor achten kwam Marie. Mathilde sloeg gauw het dek om zich
+heen en lag onbewegelijk. Zij zeî Marie de kachel aan te leggen.
+
+Om kwart over achten was het heel warm in de kamer. Mathilde gleed uit
+het bed en ging zitten voor haar toiletje. Zij had nu haar hoofd en haar
+schouders vóor zich in het spiegeltje. Aan de bovenlip en aan de eene
+wang, zwol haar gezicht er in op, door oneffenheden van het glas. Zij
+nam de spelden uit haar haar en liet het over haar rug vallen. Langzaam
+streek zij er de schildpadden kam door, boven het rechter oor beginnend
+en telkens tot op de helft der lengte van het bosje haar doorgaand, het
+daar met de linkerhand aanvattend om verder de aan het eind verwarde
+haren uit te kammen, zonder zich zeer te doen. Het blauw zwarte haar
+golfde hoog over haar hoofd heen, met sprietjes glans er tusschen door.
+Het streek door de kammetanden heen, scheerde onder de kam door, telkens
+glijend en weêr rustend. Als een in zijn golving verstijfde zwarte vloed
+bleef het eindelijk stil, boven het achterhoofd, in een dikken krul zich
+hoog oprichtend, met zijn vlassige diepten achter de ooren, droog en mat
+neerhangend over Mathildes middel. Er was éen puntig pijltje haren, vlak
+bij het voorhoofd dat op en neêr wiebelde bij de minste beweging van het
+hoofd. De haren leefden en wachtten. Als Mathilde rechts of links keek
+of ging verzitten, streelden zij haar hals in een zijige buiging,
+trosten gazig over haar ooren, dansten vlinderend over haar voorhoofd.
+Zij waren het stuk innige staal zwarte kleur in de zonnebeprekenkelde
+kamer. Mathilde drupte eau végétae over het haar en wreef het er door en
+kamde ze weêr gelijk. Een blos van glans ging over de haren, die
+voortkrinkelden donker-zilver-blauw-zwart. Als zij voorbij de reten der
+gordijnen ging, lachten de haren met met een zonnestraaltje even hun
+glimmend-gouden lach.
+
+Daarna nam zij een spons met enkelt Florida water en waschte haar
+gezicht en keek in den spiegel, of het er nu niet mooyer uit zag, en
+waschte weêr en keek weêr en nog eens en nog eens. Toen trok de
+zomer-ochtend Mathilde naar buiten. In zóolang was zij niet in den
+tuin geweest.
+
+Het was half elf. Mathilde kwam op het straatje. Zware witte wolken
+hingen in de lucht, laag boven de kastanjeboomen, waarvan de
+hooguitstekende bladeren zich in het dikke wollige stoomwit schenen te
+doopen. Zij reiden hun in 't midden en aan de randen water-zwart-
+schemerende ovaalheden samen en voeren heel langzaam voort, naar den
+kant van het dorp. Plekken roerlooze hemel rondden tusschen hen door,
+door de verblauwmarmerende overrastering der witte wolkspiertjes.
+Aan de open hemelruimte boven het Florabeeld was de laatste wolk eener
+rij, wit-goud en glinsterend rose berand, door een wijde plek eerst
+zilverblauw, wit-blauw, grijzig-blauw, dan stil dof donker-blauw, van de
+volgende wolken gescheiden, die aanzweefden in wit en grijs gepropte
+samenkoppelingen, als scharen witte omkrulde hoofdvormen, met opduwende
+schouderblankingen, zich zachtjes samenvleyend, langzaam in elkaâr
+overbollend, altijd breeder oplangzamend, in statige vluchten, bij
+rondvervleugelde groepen uit het neêrwelvende oosten opkalmend, altijd
+doorblikt van wit-bedraadde of effen turende blauwingen. Zij teederden
+voort geluidloos hun warrige uitwassige sneeuwvachten zuchtend-zachtjes
+over de stil-groene boomen verder schuivend.
+
+Mathilde ging de stoep af, daalde onder de donkerder groene zwaarte van
+de overbladeringen der oprijlaan. Zij zag in de breede beheestering
+tusschen de oprijlaan en den Vaarderweg. De te dichte samenplantingen
+stonden grijs-bruin en zwart-groen, glansloos, verslond. Toen zij zich
+omdraaide, hingen uit een keukenraam twee vaatdoeken te droogen. In het
+groote bemodderdspatte regenwatervat, links van dat keukenraam, drupte
+de nachtregen uit de goot nog af en toe neêr. Aan de lichtblauw-grijze
+muur van den achtergevel waren dunne vlekken, de deur van het
+tuinloodsje stond open en er lag morsigheid over de vloer tot op het
+straatje. Aan de sparre-en palmboompjes, op de helling tusschen de
+oprijlaan en het straatje, zag zij voor altijd verdorde grijsbruine
+takjes Voor haar uit, in de wijde opening, waarover van de wolkendikten
+grijze lichting neêrdroefde, was het stoffige Florabeeld, met zijn
+ongewasschen gezicht, met zwarterigheid in de oogen en aan de borsten.
+Al uitgebloeide seringetakjes waren er boven. De gouden regen en de
+jasmijnen geelden en witten in-één geslapt van den regen. Alleen de
+krans van aardbeziënplantjes over den grond puntte frisscher rood onder
+de dekkende blaadjes.
+
+Mathilde ging vooruit over den natterig zwarteren grond, waar kastanjes,
+dorre bladen van verleden jaar en dennennaalden aan de kanten vuilden.
+
+Plotseling aarzelde de zon bleek neêr, schuchtere glansen breedden over
+de bladen, wijd uit; daarna geelde zij, geler, en geler, geel-lachend
+over de treurige boomen, toen glimmend, warmend, goud-bruin strijkend
+langs de stammen, goud-zwart over den grond. En alle bladeren
+glinsterden een oogenblik.
+
+Mathilde trad voort, bezijden het huis naar voren. Maar nauwelijks had
+zij op de kiezelsteenen, op het grasveld en tegen den gevel der dames
+Streelink de gele uitspreidsels gezien, of de zon werd opgeslorpt door
+de treuring van een voorbijtrekkende wolk, bleekte heen, met schokjes
+telkens eiler wordend, als de vreugde die wechkrimpt van een gelaat. De
+donkere tint zeeg weêr neêr uit de onrustige lucht.
+
+De paden en het gras strekten zich onder Mathildes voeten met hun na den
+regen hard zwart en hard groen; scherpe, luide tinten prikten en riepen
+in de bloemen en bladeren. De breede straatweg was donker-grijs, plat,
+zonder opstuivend zand. De lauwe weeke geur der natterigheid schonk de
+wind in haar neus en mond. En de tuin verrastte haar smartelijk. Er had
+zich, zonder haar verbeelding, gedurende de dagen, dat zij in huis was
+gebleven, en zij den zomer had zien groepen en gloeyen door de ruiten,
+een vage gedachte van den tuin in haar gevormd, die geslagen en gedood
+werd door het koude zwart en groen. De kleuren, die anders haar oogen
+kusten, waren er niet meer; de tuin was veranderd, vreemd geworden, haar
+onbekend. Het booze zwart en groen sloeg de teleurstelling over haar
+gezicht, door haar achterhoofd, om haar schouders. De lucht was vol
+rare, vijandige ritselingen en geluiden. De hut stond rechts, donker en
+leêg, viezerig. De bloemen waren gewoon en er schenen er veel te weinig
+te zijn. Een lichte vaalheid hing van uit de boomenblaren naar beneden.
+En Mathilde zag plotseling de tuin klein en leelijk. Met half gesloten
+oogen, haar gezicht te-ruggedoken in het zwart kanten doekje om haar
+hoofd, ging zij naar de hut. Marie en Felix kwamen juist uit het
+dennenboschje. Felix had een groote gekleurde bal, die hij tegen den
+grond wierp, dan op liet springen een heel eind boven zijn hoofd, om hem
+daarna weêr te vangen. Hij gooide de bal ook tegen Maries rokken, die
+eerst omkeek en lachte, maar boos werd, toen hij 't nog eens deed. Marie
+drentelde te breyen.
+
+--Hè, mefrouw, wat 'n naar weêr, vindt u niet?
+
+--Ja, der is niet veel zon vandaag.
+
+--Maar ik denk toch, dat 'et nog wel weêr op zal klare ... tegen twalef
+uur of zoo. Regenen zal 't niet meer doen.
+
+Toen Mathilde in de hut zat, kwam Marie weêr even praten, snel
+voortbreyende, haar oogen over haar werk, haar ellebogen op de heupen,
+bij de belangrijkste punten van haar spreken een breinaald tegen haar
+borst vooruitduwend door de steken, haar neus afvegend met den rug van
+haar rechterhand.
+
+--Der zijn van-morgen-vroeg al groote wagens gekomen uit Amsterdam voor
+hier achter, voor mefrouw van Borsele, die daar komt te wone, u weet
+wel ... ze heeft der goed vooruit gestuurd ... Der zijn prachtige meubels
+bij ... Vrouw Steyer vertelde 't ook ... kanepees met rood fluweel en ik
+weet al niet, wat ze gezien had ...
+
+--Zoo, zoo, dat zal aardig zijn, als die mevrouw hier toch komt wone ...
+
+Marie vertelde verder, haalde tusschenbeide haar neus op, kromde haar
+bovenlip om haar tanden heen en krabde zich er dan eventjes met een
+breinaald.
+
+Telkens na een poosje waterde de zon neêr en trok weêr op. Eens bleef
+hij langer, waardoor de vrouwen er bijna aan gewend raakten. Felix
+speelde met zijn bal achter in den tuin. Hij liet hem nu van den grond
+tot de hoogte van zijn hand opspringen en gaf hem dan telkens een losse
+klap, waardoor hij met een doffen dsjieng klank als van ver-af-metaal
+tegen de aarde klakte en weêr opsprong. Om het spelletje af te wisselen
+gooide hij hem ook eenvoudig maar voor zich uit zoo hoog als ie kon in
+de lucht en ging hem dan oprapen, tusschen het hut en het huis. Eens
+gooide hij de bal juist op, toen de zon doorschoot; daardoor kon hij de
+bal niet nakijken, die met een bons te-rugviel op zijn schouder. Bij
+elken worp sprong zijn heele lichaampje op en met een open mond
+kreun-zuchtte hij van inspanning, terwijl zijn armpjes, beide opgeheven,
+beide te-rugvielen naast het rompje. Hij wilde de bal wel tegen de
+wolken gooyen, maar de bal ging niet hooger dan twee meter.
+
+--Ik voel toch, dat ik veel beter ga, zeî Mathilde.
+
+--Zoo, mefrouw? Ja, och, as 't maar weêr eerst heelemaal zomer is.
+
+Boven den tuin bewoog de hemel voort. De kleine wolkenbrokken waren tot
+effener, grooter, zwaarwittingen samengeplompt, die hun
+damp-krul-omrande rompen wentelden onder de wijd-blauwe verheid. Zij
+waren nu weiniger, breeder, en bakten zich aan elkaâr en reten van één,
+en vielen verder en draaiden rond, zich verdikkend en weêr
+opensplijtend, zonder vaart, in witte kalming langs de breed-ziende
+velden van het diepe blauw, schulpten zich uit, om de blauwlieden te
+vergrooten en kudden weêr samen om de blauwing te dooden, en zwierven
+verder hun randen verdwazend in pluisjes. De zon glansgoudde door hun
+buiken en woei naar beneden, roosterde het dak van het huis en
+schitterschimde door den somberen tuin, sprankelend over de bloemen,
+glijend over den rug van Marie, schrijnend naar Mathildes oogen, die
+groot open stonden, die wachtten in zwartbrandende begeerten.
+
+Er kwam een korte windbui; de zon bleekte wech; de wind scheen
+somberheid uit over de paden en het gras, suizel-wapperde door het
+dennenboschje links, ril-dartele door de hooge iepen rechts, omkoelde de
+kuiten der vrouwen, schokschouderde door Mathilde en behuiverde haar
+hersens met binnenshuis-verlangens. Maar de zon zoog weêr neêr door den
+wind, lichtte vaaltjes over den grond en smeet de breede lichte schaduw
+van Maries zware bouwsel in de hut, over Mathildes schoot en handen.
+
+Marie stond in haar eene muiltje, de hiel van haar andere voet stond
+omhoog, opgekarteld uit bedeesdheid door haar spreken met mevrouw. Zij
+voelde de hiel warmen.
+
+--Nu wordt 't toch mooi weêr, zeî ze, en zij draaide haar hoofd schuin
+op, tegen de sterke lucht in, die er prikkelend in afsloeg.
+
+Mathilde voelde zich verblijden in den zonnewind, die haar omleefde. Zij
+had een boek voor zich op tafel liggen, mejonkvrouw de Mauléon, roman
+van Bosboom-Toussaint. Terwijl zij las, verglansde de zon de bovenste
+helft der bladzijde, de wind snerpte stil een blaadje op. De wind soesde
+om haar neus, over haar wangen, in zachte koeling, streek frischheid
+over haar oogledenranden, die naar de zon mondden, bebeefde haar heete
+hoofd met kil-prikkelingen, onder de haren door. De zachte wind kwam
+door haar mouwen, onder haar onderbroek en door de spleten van haar
+ochtendjapon van voren tusschen de knoopen, naar haar huid en plekte
+stil-frisch.
+
+Marie was wechgewandeld, om te zien, wat Felix uitvoerde achter in den
+tuin. De wolken verdunden en gingen hooger, verder, in golvend bezoomde
+scharen zwalkend langs de zon. De lucht in het westen en heel-hoog
+boven, blauwde vrij. Donker-geel en zwarte stukjes, in wespen en
+paardevliegen, puntten voorbij, op een afstand. Mathilde bleef, zonder
+menschen, wier vormen en geluiden haar voelen braken, en vrije
+alleenheid, en het zuivere geloof, eenzaam en geheel, leefde in haar op;
+het kwam zachtjes over het bezonde geel-zwarte pad tot haar, het lachte
+in de zonne-wind-tintelingen in de rondte, het vloeide op over het
+getimmer aan d'overkant van den weg, over het klakkend gerommel van een
+rijtuig, over een ver hondgeblaf, het wolkte in het windgelach tot haar
+hoofd, het sneeuwde, sneeuwde in stille lichtdruppels van de deinende
+bladeren. Haar lichaam voelde zij als een vale warmte onder een koele
+bedekking. Zij deed haar armen een beetje in de hoogte, om de wind tegen
+haar oksels te hebben. Er was geen-een herinnering. Er waren haar
+wachtende wangen in den zomer, leêg en effen; er waren haar oogen, die
+zij niet voelde, waar al de zomer zwijmelend tegen verzotte; er waren
+haar voeten, die zich over elkaâr legden, om het geluk in haar wezen
+dicht samen te drukken. Er was een helle leêgte, achter in haar
+verbeelding, de angst-afwezigheid.
+
+Marie kwam weêr naar de hut, met Felix aan haar rechter hand, die met
+zijn beentjes naar achteren sloeg en zijn hoofdje achterover hield.
+
+--Drinkt u hier koffie, mefrouw?
+
+--Ja, dat wil ik wel. 't Is nu heerlijk weêr geworden.
+
+Felix bleef in de hut, hij lachte aldoór. Zijn lijfje werkte zich op de
+bank naast Mathilde hij zat op zijn éene been, hij leî zijn vuile
+handtje tegen Mathildes wang:
+
+--Lieve moeder ... moeder-lief ...
+
+--Dag jongetje, dag, ventje, heb-je goed gespeeld?
+
+Felix' hoofdje ging heen en weêr, zijn oogen blonken, zijn hangend
+beentje slingerde op en neêr, de armpjes bewogen vóor de strakstaande
+rieten muur van de hut, het haar ripte bij vlokjes naar hoven, de
+gezichtshuid verroerde en opende zich aan zijn mond; uit het hoofdtje
+naast haar borst geluidden de klanken in Mathildes hoofd. Zij zag het
+bewegende leven vóor het zwart van de bank, het vaal van den grond, het
+licht-bruin van de muur, die wasemden heel even, en tóen wist zij
+gedurende de heele mènschloze stilte der kleuren vóor haar uit, dat
+Jozefs leven naast haar leefde in den zomer. Zij dacht niet, zij
+verbeeldde zich. Het zwart, het groen, het glansende geel van voren
+bewogen als dof glimmend gespannen elastiek voor haar zien, om dat haar
+vage geluksverbeelding over haar oogen gloeide, ze heerlijk vervalschend
+in den waanzin van het geloof. Het was boven haar verhemelte, waar de
+neus in de keel overgaat, het steeg in een onstoffelijken damp door haar
+hersens naar boven. Zij voelde een drukking en een ijlheid.
+
+Marie kwam klaar zetten. Zij liep door Mathildes blik, door al de
+zomerkleuren, die ruischend achter haar aangloeiden, vlak voor de tafel
+ze wechplompend met haar dikke lijf tegen hen slaande met de
+drie-hoekige gebaren harer klaarzettende armen. Maar Mathilde bleef ze
+zien, boven het ritselend uit-duwen van de servet-vlakte, boven het
+rinkelend gestoot der uit Maries handen dalende en bewegenloos blijvende
+schotels, naast Maries rokken, tusschen haar armen en haar bovenlijf, om
+haar hoofd heen.
+
+Marie ging weêr wech, haar hoofd en rug in gloei-geel, haar rokken
+krul-wapperend om de bruine kuiten, een korte, als vertikaal in den
+grond het onderste boven tegen haar voeten aanloopende schaduw onder
+haar hielden.
+
+Felix verzette de schaaltjes, trok aan een lapje rookvleesch.
+
+--Niet ankomme; niet an de schaaltjes komme! zeî Mathilde, je moest nu
+nog eerst even naar Marie gaan en vragen of ze je handen wil wasschen,
+vóor we gaan koffie drinken.
+
+Felix bewoog wech onder de stille zonneschittering; met een geslinger en
+gedriehoek zijner jong-jubelende armen en beenen, een floddering van
+zijn gestreepte kiel. Mathilde was alleen. De wind verminderde; de
+wachtende kleurenpracht verroerloosde. Met de witte zuiverheids-tinteling
+harer kalmte over het gelaat, behandelde zij de bordjes, een mes, het
+brood, de boter, die haar vreemd-gewoon de vingers raakten. Wat was er
+dan toch; zij wist het niet. In eens zag zij in de hoogte van haar over
+de tafel geslagen blik, twee naderende heeren-broekspijpen. Een
+schrikvlaag berimpelde haar voorhoofd, haar handen bleven bewusteloos
+staan op de tafel. Zij hief het hoofd, zij zag, met een rilling door het
+achterhoofd, in de pijnlijke gaping der verbaasde oogen, den ingenieur
+Ster, dik, blond, zweterig, in een verslonsd grijs pak, die naderde. Zij
+had even gemeend, dat het Jozef kon zijn. Hij groette haar met zijn hoed
+en kwam dichterbij. Voor de hut staande, nam hij nog eens zijn hoed af,
+maakte met zijn bovenlijf een dikke-mansbuiginkje, zeide "mevrouw, ik
+kom u eens opzoeken" en zette zijn hoed weêr op. Hij gaf Mathilde, die
+was opgestaan, een dikke, harderige, natterige hand. Mathilde besproeide
+hem met blinkende verbaasd-bedeesde blikken, zwarte vonken uit het
+midden van haar gloeyende oogenwit, blinkend in de blondwiegelende
+schaduw van de hut. Mathilde bevoelde haar zakdoek, beide handen tegen
+zich aan. De hut was plotseling geheel vol met Ster; zij zag zich zelve
+niet meer.
+
+--Gaat u zitte ... Komt u óok Hilversum us bezoeke?
+
+Ja, zeî Ster, hij zoû in 't vervolg herhaaldelijk hier moeten komen,
+want hij was voor een gedeelte belast met de inspectie van de werken van
+de nieuw opgerichte Ooster-spoorwegmaatschappij, die te Hilversum een
+hoofd-station zoû hebben. Het werk vorderde goed; de rails lagen al tot
+voorbij Bussum. Ja, hij was hier ook gekomen vandaag juist, om mevrouw
+van Borselen, die als vrouw alleen was, een handje te helpen met het in
+orde maken van haar buitentje. Zij was vandaag ook gekomen, ja.
+
+--Hoe gaat het u? vroeg hij.
+
+--Zoo, zoo, de buitenlucht doet mij natuurlijk veel goed.
+
+--U woont hier wezenlijk allerliefst. Ik kom nu juist van mevrouw van
+Borselen. Zij hoopt u ook gauw een visite te komen maken ... Ik ben
+heelemaal de hoek daar omgeloopen, ... maar de meid zeî, dat ik ook
+achter in den tuin had kunnen komen ... toen heeft ze me den weg
+gewezen naar de "hut" ... 't is hier heel aardig ... en een prachtige
+tuin ... u heeft mooye bloemen ...
+
+Op de tafel leunende met haar voorarmen, het hoofd even schuin gebogen,
+zat zij naar hem te luisteren, met een nauwelijks geopenden mond, hem
+voortdurend aanziend, terwijl hij in de rondte keek of op zijn knieën,
+alleen haar blikken te-ruggooyend op de tafel, wanneer hij, bij een
+vraag en bij het eind van een volzin, háar aanzag. Het scheen haar, dat
+hij een ouden zeer innigen vriend van haar was, die kwam van een lang
+geleden en voor altijd door haar verlaten wereld. Hij kwam van de stad,
+die zoo vreeselijk ver was; hingen er nog niet weêrkaatsingen van die
+grachten en straten, waar haar gedachte leefde, in het fletse grijs van
+zijn jasje? En haar oogen trokken de woorden tusschen zijn lippen uit;
+zijn groenige tanden, die zijn grove stemklanken naar haar heen beten,
+schenen lief, gezellig, goedig, vol van herlevende herinnering, vol van
+haar weêrkeerend geluk.
+
+--Ik dacht van-ochtend niet, dat 't nog zulk mooi weêr zoû worden, zeî
+hij.
+
+Toen spraken ze over Jozef.
+
+--Ik heb meneer gisteren nog gesproken ...
+
+--Zoo? ... Ja, ik verwacht hem over-morgen weêr ... Hij komt meestal eens
+in de week over ... och, u begrijpt, met zijn zaken, is 't al heel lastig
+om meer te komen, maar als de spoor er zijn zal, zal dat wel
+beter gaan ...
+
+O, hij sprak over Jozef! Lachjes over haar wangen glans-groetten, haar
+oogen begloeiden de tafel. Zij slikte, zij voelde zich weêr vreemd in
+haar hoofd, haar handen vervochtigden, zij streek de blaârtjes zweet
+wech van de haarzoom op het voorhoofd. Het was net, of er iets bewoog
+boven haar oogleden, in de tuinmassa van voren, bij rukken van kleur en
+licht, van links naar rechts. Ster zeî niet meer en keek in de rondte,
+Mathildes oogen bleven neêrgedompeld als in een diep donker water, waar
+zij vreemde gelukschatten konden grijpen. Plotseling beefden haar
+oogleden op, de tuinkleuren schemerden en schitterden, vervaalden in
+vlekken en joelden op in vonken en bleven, hevig vooruitglansend, in de
+verte sidderend en dwingend, de warmte warrelde over haar schouders; zij
+zag Ster zitten, vlak hij haar, met een groote wasemende leêgte van
+zwart en van groen achter hem. Zij zag hem zitten in de heerlijk-intieme
+grofheid zijner overvoedde onder het grijze kamgaren opbolderende
+vormen, in de rood-vetterige slaperigheid van zijn haar onvermoedende
+gezicht. Zij zag hem in een dikke kleurennis, tegen een opstaand bed van
+levendige donzige glansen, van goudscherpte en zwart-groen-dofheid. De
+woorden scheurden stotterend uit haar mond:
+
+--Is hij nog wél? vroeg zij.
+
+--Hoe bedoelt u? Uw man? ... Ja, heel wél, geloof ik. Was hij ongesteld,
+toen ie 't laatst hier was?
+
+Mathilde wist niet goed meer wat zij zeî.
+
+--Ja,..., ja, hij had hoofdpijn ... en hij heeft er verder niets meer over
+geschreven, loog zij.
+
+Felix' lijfje en Maries lichaam kwamen-aan, met bewegingen van buiten en
+versche standen, die het wezen der groep vernieuwden.
+
+--Mag ik u ook iets aanbieden? Wilt u niet met ons blijven
+koffiedrinken? vroeg Mathilde.
+
+Ster bedankte. Hij nam Felix tusschen zijn beenen en vroeg:--Zoo, zoo,
+jongeneer, zijn we zoo groot geworden? maar Felix was bang van zijn met
+felle kleuren volgeploeterd gezicht. Ster deed net of het beedeesde kind
+hem wél pleizierig vond, hij nam Felix' zachte gezichtje op zijn hand:
+je kent me niet, hè, baasje? We hebben mekaâr ook nog pas eens gezien,
+en toen was je ook al te jong. Toen Ster hem weêr los had gelaten, begon
+Felix te eten, zijn gezichtje naar het bord melksoep gedrukt. Iedere
+keer, als de lepel in zijn mond schoof, beklommen zijn blikken het hoofd
+van Ster, om te zien, of die hem niet aankeek.
+
+Ster nam afscheid, met een bad van Mathildes hand in de zijne, met een
+zware legging van zijn hand op Felix hoofd.
+
+Mathilde had hem niet leelijk gezien. Zij zag zijn dikke lichaam blonken
+in de kleuren, het mannen-lichaam, dat altijd verder van haar afging
+door den tuin, verder, verder, eindelijk geheel opgeslorpt door de hoek
+van de laan. Het weêr was mooyer nog geworden om hem heen. Enkele
+gebeitelde groepjes wolkenkrullen waren dooorschijnend-vlokkerig ver in
+het zuiden, enkele lange tot bleek-witte krampen verstijfde
+wolken-zenuwen lagen over de lucht gestrekt. Een strakke zon
+begoud-feestte den tuin.
+
+Mathilde at bijna niet; de boel was al weêr wechgenomen, toen zij nog
+aan Ster zat te denken, hoe hij daar geweest was, sprekend van Jozef uit
+zijn dikke gezicht, hoe er nu een vragende leêgte was boven de stoel,
+waar zijn romp op gestaan had, en hoe hij zich bewogen had, wech, wech,
+in de kleuren.
+
+Zij keek om zich heen in de heete middagstilte, en het geloof steeg
+hooger, over haar lichaam, tusschen haar vallende handen op; zij had een
+gevoel in zich als een kreet, die zij moest uitschreeuwen; in haar
+tintelende hoofd zetten de zieleduizelingen op, die geen voorstellingen
+vormden in haar verbeelding, die niet dachten in haar verstand, maar die
+haar dronken maakten als een donker druppelende drank in haar
+achterhoofd gegoten. Zij zag naar de somber-staande hutwanden, of zij
+niet spraken, wat zij waren, wat zij wilden tegen haar bewustzijn, wat
+zij meenden met het vreemde gevoel, dat zij haar inspraken. Toen kwam er
+inéens een vink, die, vóor haar onbewegelijkheid heen, wipte en tripte,
+wit, bruin, grijs, over den zonnigen grond, met zijn glad gestreken
+kopje haar bekijkend en in éens wegvliegend in een hoogen boom aan den
+weg. Mathilde ging slenteren door den tuin; de warme wind nam haar
+haren, en speelde ze wech uit haar gezicht, de zon walmde neêr op haar
+hoofd; de kleuren lachten vlak uit om haar heen.
+
+In de om haar hoofd vlagende heete wemelingen bewoog Mathildes teedere
+vleesch boven den grond, in de weeke rijzing der onder het grijs
+deinende leden. Hoog naast haar donker-glansde het dennenboschje;
+merelklanken zilverkrulden in de zware hittelagen, die zwalkten in
+groen-geel smeulende zwenkingen door de ruimten. Zij voelde zich loopen
+hoog op het licht-zwarte pad, haar oogen doorvoelden, tusschen den hard
+vlakken grond en haar zieke droomenhoofd, den afstand, vol van zwart en
+glans-gele stukjes krulrinkeling, wasem-warrelend op en neêr, rillend
+van haar eindeloos verlangen. De kleine dennen stonden hoog in de lucht
+boven haar uit en verritselden hun bladering, proppelend, stippelend
+tegen de lucht, wuifbuigend naar Mathilde; het grasveld, rechts, groende
+zit vlakte uit, stijf-zijig, met de donkere ondersten en de lichtere
+uitpuntingen der sprietjes, het ging verder en verder, met de gegleden
+gebogenheidjes en de ranke opzwiepingen der grasjes, een vooruitgang van
+dribbelende, schubbige lachjes, breeder en meer, groen, donker groen,
+geel-groen, goud-groen, lang en ver, wijkend, zoo dat haar armen het
+niet konden overreiken, en het strekte heen, oneindig klein en oneindig
+veel, éen goud-groene lach, die opsloeg en zijn ligging wechschaterde
+tegen de wijdwijkende blauwte: Jozef! Jozef!
+
+Mathilde voerde het uit haar oogen wazemde in haar goud-warm verbeelden
+heenbruisende verlangen langs het hek bij den breeden straatweg. Zij zag
+de groote iepen haar langzaam voorbijgaan. Zij knikte een boerenmeisje
+goeyen dag, dat daar liep met haar koe. Zij zag het kind loopen boven
+den grond, maar hóog hielden de iepen hun bladerenzwaarte op de lange
+breede nekken der stammen geheven, en stootten hun groene
+ontzachlijkheden naar den hemel en wierpen hun jubelende groeningen tot
+de blauwe effenheid en smeten hun takken uit naar alle kanten, in
+krampen van bloeying, in een rumoerig warrellied van stijgend en
+woest-willend verlangen: Jozef! Jozef!
+
+Mathilde ging te-rug, de statig zijgende sparren-groep, bij de waranda,
+met zijn verspitsende betorening van neêrgeschuinde stekeltakjes, met
+zijn stil-blinkende groentinteling en zijn innige binnen-duisternis,
+naderde, naar haar heenschuivend met den warm-gevenden grond, en de
+glans-armpjes suizelden heete fluisteringen en trilden op in de rondte,
+bijna allen, heel even, en toen weêr, en toen weêr, boven holen van
+zwartheid; als glimwormen glommen takjes en sprankten in de zon uit als
+stukjes glas en van de schuinende neêrveêring rolden en ruischten
+parelende klankjes voor Mathildes voeten: Jozef! Jozef!
+
+Onder haar voeten licht-zwartte de pad-breedte voort. Haar blikken
+vlotte neêr, maar de grond trok ze vooruit, breed-zwart vooruit,
+glans-zwart vooruit, heen-zwartend tusschen het stijgende gras-groen,
+voort-atstandend tot achter in den tuin. Zij was bang voor de ruimte
+tusschen haar en den afstand; liep zij, dan voelde zij den grond weêr
+achter haar, ver, wech, wech onder haar voeten, en de ruischende ruimte
+van licht-lucht en de zwaar-roerloosheden der opstanden. Maar het pad
+trok haar geloovende oogen verder, over een kabbeling van gelig-zwart
+voort, tot zij stuitten tegen den opsteigerenden gezichteinder; daar
+dwarrelden de verre hooge heesters omhoog, en joegen door-een, en dansen
+van groen, licht-groen op springend en borend hun spelende wildheid door
+het lage neerdruischende blauw: Jozef! Jozef!
+
+Mathilde keek langzaam in de rondte, met verfletsende oogen. Alle
+boomen stonden luid in de hoogte, in heftend opstamping gestooten naar
+de lucht. Alle heesters krioelden hun groene zenuwnetten in dikke
+dof-verstijfde groenvlammen tusschen de boomen door, schuin tegen elkaâr
+in stijgend, op-schreeuwend tegen den blauwen middag, maar hoog van de
+boomentoppen wemelde in hitte-zilveringen, een kokende goud-geel-waseming
+tot de gloeyende blauwbekapping, waarin de laatste wolkendradingen
+wechsluyerden En over de buigende boomen gleden en beefden de
+goudblauwingen tot Mathilde. En achter haar, van de verre geelstoffing
+van den weg, waarin, door de gaten der hooge groenmassaas pakken
+hittelicht neêrsidderden en doodreutelden op het platgebrande wit van
+den grond, kwamen, omstuwd door de breede kreten van het woestdartelende
+heestergroen om de blank-glansen de stukken huizengevels, de hooge iepen
+op haar aan, klein in de verte, maar grooter, grooter wordend, man aan
+man met hun dikke, warme stammen, grooter breede, hooger, en eindelijk
+opstaand achter haar, bij haar, aan haar, in éen geweld van geluidbos
+leven, éen staan van groene krachten, éen gestolten klimming van wil en
+van daad. En de hoogheden der boomen en de heete begeerten, die
+aanrolden kletterend geel over den weg, drongen Mathilde, vóor de
+sparrengoep heen, op het groote grasveld vóor het huis.
+
+O, het was een feest van lichten. De witte muur van het huis, éen
+staande vlakte van hellicht, samengedrukt door de daling van het
+goud-bruine daklicht, perste zich in-een en smeet het hevige
+zonne-weêrlicht uit de ruiten met de klaterkaatsingen der witte
+muurvlakken neêr tegen den groenen grond, tegen de iepenstammen, door de
+openheden tusschen de stammen, verder over den weg. Mathildes oogen
+bedroomden het huis, zoo als het opstond in zijn lichting, in zijn
+heerlijkheid van wit, tot vastheid opgerezen hittelicht, zij geloofde in
+het huis, zoo als het glansde hooge en breed. En het grasveld helde op
+naar het huis, een spreidsel van zacht groen licht, doorstikt met de
+teeder fonkelende steenen der roode bloemen, maar dat steeg in zijn
+breedheid, sidderend gespannen, schemeringen van lichter groen in de
+hoogte ademend. Op hun zuilen van bruin licht waren de miljoenen groene
+vlammetjes der iepenblâren ontstoken, en in de bevende licht-zee boven
+het grasveld, waadde Mathilde, met drooge dwaas-verglansde oogen.
+
+Maar zij keek naar boven, en het viel op haar als een tintelende sneeuw
+van verukking. Al het wit was ingeslurpt door het blakende, daverende
+hemel blauw, dat gloeyend glinsterde in neêrwarrelingen van
+zwartgoud-poeyering en als een ziedende zee met donkere blauwbulten en
+lichtere blauwheffingen, daalde en steeg, daalde, daalde, zijn
+zonnevlakten neêrbreedend om den hettenden vuurkolom van de stortende
+zon, die een regen van bliksems los stookte over de schroeyend vermoorde
+uitstrekking der zich openwentelende en heen-spreidende tuinvlakten.
+Breede slangen laayend blauw wimpelden af van de lucht, in een foltering
+van blauw tusschen het schuin wegkrimpend boomengroen zijgend,
+goud-blauw over de buitenste bladeren brandend, een doffe
+krijt-goud-gloed over de midden-bladeren drukkend, in gouden grillen
+windtrillend, vonkend, spuitend, uitspruitend, neêrsprietend,
+heensprankend om de hijgende takjes, bosjes gouden naalden schietend in
+de diep-groene boomenharten. Zware afblauwsels goudden neêr over het
+dak, over de boomen en heesterhoogten in de verte, van alle zijden
+naderend en zich rond neêrdrukkend in éen vlammende vuurschittering.
+Golvenwolken van witte hitte zwalkten door de ruimten, tusschen de
+openingen glijend en voort stoom-dwarrelend in de verheid. En het werd
+gedragen door alle lagen der ruimte, in éen begeestering van heete
+kleuren, éen vervlamming van het heete leven, en Mathilde voelde zich
+juichend onder haar kleeren beven, en in haar gouden weten, dat zij
+gelukkig zoû zijn, werd zij getrokken naar de groensombering
+der warande.
+
+Verbijsterd in haar snikkende bedwelming, vroeg wat het was. Wat was die
+gouden lichtruimte voor haar uit? En al de takken, die naar haar heen
+reikten? En al die verdere plannen van bleekere lichtstrekking en
+kleurenstand voor haar uit? De kleine gezicht-einders waren
+samengebakken en smolten zich vast aan den hemel. Zij was in een groote
+zaal vol vreemd leven, vol rare vervoerende dingen. Er waren geen
+menschen bij haar, achter haar. Niets was achter haar, geen stemmen,
+geen gerucht. Zij wist van geen verleden, van geen vroegere gedachte;
+haar leven was dit oogenblik. Zij wist van geen afstand en ruimte; de
+eenige wereld was hier bij haar. Langzaam, terwijl alle kleuren vonkten
+en naderden naar haar oogen, loste haar bewustzijn zich op in de
+lichtkrachten die kleursidderden over haar heen. Haar leden zonken
+samen, achter tegen haar stoel. Zij zag wel, door de verblinding, die
+over haar gezicht was neêrgeschitterd heen, dat de blauwe lucht was
+losgebarsten en er kokende stroomen gloeyend goud gudsten over de
+vlakte, klotsend op haar toe. En verder, in de rondte, hagelslingerden
+gouden vonkenvlagen neêr over de wechbleekende groenheden, botsgolvend
+tot elkaâr, opzwiepend om haar hoofd, neêrzijpelend door haar lichaam,
+haar beenen. Hoog stormden de iepen hun vrachten vlas-groene
+dronkenschap op tegen de neêrbruisende gouding, de bruingouden stammen,
+los en week, gloeiden op en neêr, als zuilen van vloeyend goud hun
+lijven hoog en laag kristallend door de ruimte. De bloemen kleurden door
+het vuur, vliegend, schietend, hoog in de lucht, laag op den grond.
+
+Mathilde voelde zich heffen en zich wechgaan, heen-gedragen door de
+kleurenverbijstering. Haar oogen doofden uit. Eén even onstaken zij
+weêr. Toen zag zij alles met wit-krullende wit-blauwe gazen en vlekken
+glans blauw beneveld. Haar oogen snikten hun heete tranen uit, die als
+zoute druppels in de hoeken van haar mond vloeiden.
+
+En langzaam sliep zij in met openhangende mond. De zomerhitte verdroogde
+haar verhemelte en tintelde over haar bovenhoofd.
+
+Mathilde sliep twee uur lang; toen Felix haar kwam wekken, even voor het
+eten, voelde zij zich als na een koortsnacht, loom, dof, zwak; Marie
+zeî, dat zij erg bleek zag.
+
+Na den eten zat Mathilde op de kanapee en sliep weêr. De dag wentelde
+zijn zware kleurenvlakten voort. De middagkleuren koelden op, teederden
+uit in de rooye groeyingen, van de stervende zon. Zij dronk laat thee.
+Felix was al naar bed, toen zij weêr alleen zat in de groote kamer. Zij
+had gezegd, dat de lamp niet hoefde, om dat zij liever woû schemeren. In
+haar afgematheid, speelde het lichtje onder de theepot met haar oogen,
+lange stralen schietend heen en weêr door de vredige zacht-zwart staande
+duisternis van de kamer, Mathilde voelde het ruischen van den tijd zij
+voelde zich heengeduwd naar den wachtenden dag op de regelmatige
+tik-tak-begeleiding van de duistere pendule, die als de stille radeling
+was der kracht van haar leven, haar voortuitvoerende naar het geluk. Het
+eene venster stond wijd open voor den stillen mooyen avond van buiten.
+Mathilde dronk haar lauwe thee met weeken slurpenden mond, en,
+daarboven, samentrekkende proevende oogen.
+
+Zij was zoo wech in haar stille afwachtings-stemming dat het geschuif
+van haar stoel over de vloer haar een vreemd hard geluid klonk toen zij
+opstond, om vlak voor het venster te gaan zitten met haar kopje. In de
+teêr-grijze duisternis was het groen in een zware donkerte tot rust
+samengevallen. Maar hoog en ver, in een oneindige wijdheid, was de
+sterrenhemel opgeslagen over den tuin. Alles was zeer stil. Mathildes
+verslapte blikken klommen over de zwarte bladerenmassaas naar de
+sterren, die verward boven de bladeren lagen en er door en er over
+neêrhingen in een fonkelende bepuntering. Zij keek, en een sussende
+weemoed zweefde stil door haar moede gemoed. En zwerm lijnloze droomen
+steeg langzaam in haar gedachte. Al wat zij haar leven-lang mooi had
+gevonden en gehoord had, dat mooi was, in de sterren, waarde als een
+vaag gevoel door haar bewustheid. Het waren oude melodiën van toen zij
+nog niet getrouwd waren, kleine refreintjes van de straatorgels uit haar
+jeugd, een liedje, uit zijn jeugd, dat haar vader wel eens neuriede, het
+waren alle kleine oogenblikken van kleine teêre aandoening, een
+buitengewoon innige handdruk van haar vader op een avond, het op straat
+ontmoeten van een meisje, dat zij langgeleden had gekend, het terugzien
+van dezelfde huizengevels van vroeger na een lange afwezigheid, de
+eerste boeket van Jozef, eens, toen zij jarig was, een mooye bladzijde
+uit een mooi leesboek, de oprechte hartelijkheid van Jans in zekere
+omstandigheid, die, zonder tot herinnering te worden, een dierbaren
+nevelgrond spreidden onder haar mijmering. Zij voelde haar bewustzijn
+gedragen door het leven als door een lagen wiegelenden leuningstoel. De
+kuische duisternis met haar oneindige ruimte, onder de verre sterren,
+weekte lange aandoeningen van oneindige liefheid en gedachtenzwemen van
+eeuwig geluk, zalig-zacht rein-te-vreden, in haar voelen los. Het was
+als een warme zachte hand die over haar wangen ging, over haar bleeke
+wangen, met lange zwijgende streelingen. Zij stak haar gezicht schuin
+omhoog en uit de diepste schuilhoeken van haar gemoedsleven kwamen, van
+heel, heel lang geleden, vreemde bewegingen van hoop, trillingen van
+geluk en vertrouwen, naar boven, die zij eerst niet herkende, maar die
+langzaam uit hun verflensing nauwkeuriger opleefden. Uit al de vage
+stukken van het vroeger met teêre genieting waargenomene, die nu in haar
+verbeelding kwamen schemeren, drong Jozefs figuur naar voren en bleef
+alleen, alleen in haar verbeelding, die was als een vreemde schilderij
+zonder afmeting in den roerloos ritselenden zilvergrijzen nacht, en
+stond hoog omhoog als een vast lichaam vol heerlijke zekerheid van leven
+en liefde. In hem had zij altijd geloofd, aan hem had zij zooveel
+gedacht in eenzaamheid. Zij geloofde in zijn borst, waar haar hoofd
+tegen-aan kon leggen, zij geloofde in zijn armen, die haar aan zijn
+borst konden drukken, zij geloofde in zijn beenen, die naar haar konden
+naderen, zij geloofde aan zijn hoofd, dichtbij het hare, met liefde in
+de oogen en liefde in den mond, Zij geloofde, dat zij altijd samen
+zouden zijn, altijd, altijd, zonder stoornis meer, allen dag en
+allen nacht.
+
+En de melodie van haar geloof leefde nog dien avond in haar voort, tot
+lang na dat zij naar bed was gegaan. Mathilde droomde dien nacht van
+Ster. Zij zag hem heel vreemd loopen, in de lucht, zonder iets aan te
+raken, en eindelijk in een der hooge iepen gaan zitten. Zij droomde ook
+van Felix, dat die op het uiterste kantje stond van een steile
+berghelling, terwijl Marie met een bal naar zijn hoofdje gooide.
+
+Eindelijk kwam de Zaterdagochtend, onder een donker bewolkten hemel,
+zonder zon, zonder regen, zonder wind. Mathilde had moeite om uit haar
+bed te komen. Ging haar hoofd even in de hoogte, dan trok het liggende
+lichaam het weêr neêr. Daar was dan de Zaterdag, de laatste dag, koud en
+onverbiddelijk in haar kamer geschoven. Wat waren die dagen
+verschrikkelijk gauw voorbijgegaan! In haar hoofd werkte de stemming van
+den vorigen avond nog voort, maar bekoeld en verlept, half wechgesmolten
+in de koude zuivering van de slaap. Zij voelde zich leêg. Haar
+verlangenleven der laatste dagen scheen haar gemoed te hebben
+uitgebrand. In een lauwe onverschilligheid, met een in zich opnemen van
+den dag als was die heel gewoon met een blinde botheid der zenuwen, die
+voort bleven slapen, de kamers en de meubels langs ziende zonder ze te
+zien, ging zij den ochtend door. Zij was naar, beverig, als onder den
+invloed van een naderende ziekte, van een zware koû, die zij gevat zoû
+hebben. Herhaaldelijk moest zij weêr in huis gaan. Zij vond den dag zeer
+vervelend. Hij grijnsde haar toe met de wanhopige eentonigheid zijner
+vormen en kleuren van altijd. Alles was grijs. De luchtgrijsheid kilde
+over de paden en over het gras en flenste door de boomen.
+
+Om kwart over drieën werd zij door Marie in huis geroepen met
+vertrouwlijke en te kennen gevende armgebaren. In de groote kamer vond
+zij mevrouw van Borselen zitten, in een grijs satijn japonnetje onder
+het groen dooroogde, lichtelijk doorkleurde vleesch van haar stijfjes
+bekamde hoofd, midden tusschen de warse meubelen gezakt. Hoe zij het
+maakte, hoe zij-zelve het maakte, dat zij haar in zoolang niet had mogen
+zien, lieve omstreken, Mathildes buitentje mooyer gelegen dan het hare,
+vlak aan den straatweg, gezellig leven, elkaâr veel bezoeken, Felix,
+haar zoontjes, Jozef, het rijtuig, de spoor, de heer Ster, geen madera,
+neen, nooit iets gebruiken voor den eten, nog eens Jozef, spoedig
+te-rugzien, onaangenaam weêr.
+
+De woorden sprongen naar Mathilde, vielen om haar heen op den grond. Zij
+andwoordde en sprak als met een hoofd, dat een eindje vóor haar
+eigenlijke zoû wezen. Maar het woord "meneer" tikte op haar hersens, en
+toen begonnen de woorden haar te slaan, op haar schouders, tegen haar
+hals, tegen haar wangen, als de gepolijste gemeenplaatsen van het
+onverschillige leven, dat ruw langs haar heen ging. Toen mevrouw v.
+Borselen de tweede maal van Jozef sprak, schrok Mathilde. Het was een
+tergende spaak in haar hersens, waaraan die vreemde vrouw roerde, iets
+wat zij niet wilde, maar dat moest, een akelige macht, die wreed in haar
+leven was.
+
+Mevrouw v. Borselen ging wech. Mathilde zag haar glimmend satijnen,
+oogelozen rug heengaan door den gang, tot den romp de stoep afzakken en
+voor 't laatst doezelen tusschen de boomen. Achter mevrouw v. Borselen
+heen, het glanzig grijze wezen in den hollen dofferen dag, kromp de dag
+zelf voort, zijn rondingen verdonkergrijzend en schemerneêrplattend in
+den avond, droog en geruchtloos.
+
+De Zondag was mooi, een dartele dag, met een sterken zuiden-wind, die de
+rozen deed wiebelen aan hun takjes. Marie was in een stijf gestreken
+katoentje en vroeg: Hoe laat komt meneer? en over het stijfschoone
+dekkertje op de tafel heen, zeî Mathilde: Ik denk om elf uur, zoo als
+altijd. Zij was wrevelig gestemd dwars tegen den levensloop. Onder haar
+oogen dachten stuursche wangen onverschilligheid Het ontstemde haar zich
+voor niets zoo opgewonden te hebben. Zij zoû stellig nooit verstandig
+worden. Het leven ging immers zoo eenvoudig en gewoon; nu was er weêr
+een dag, net zoo as gistere, zoo meteen kwam haar man. Wat was daar nu
+eigenlijk aan. Zij leek wel niet wijs. Zij leek wel een aktrice. Toen
+hoorde zij een rijtuig aankomen en wist-voelde te-gelijk, dat het hét
+rijtuig was. Toen was 't net of haar hersens in de war zouden gaan en er
+heet bloed voor haar oogen zoû komen. Haar heele lichaam begon te beven.
+Zij hield haar tanden op elkaâr; als zij 't vergat tikten zij op elkaâr
+in een stootend geluid van haar hoofd. Haar handen werden koud aan de
+toppen, vochtig aan den palm. Zij kon niet opstaan en zag van haar stoel
+door het venster alles nauwkeurig. De hit voor het tentwagentje stond in
+éens stil, zijn voorpooten als schuine staken naar voren op den grond.
+De koetsier sprong van den eersten bank onder den kap uit; hij was jong,
+hij had een rood gezicht en had een pet op. Het lage portiertje ging
+moeyelijk open, maar met een duw van binnen lukte het. Toen zag zij
+Jozef; die er langzaam uitstapte, in een lichtgrijs pak, zijn korte
+jasje met twee rijen knoopen van voren, en zijn broek die wijd over zijn
+lage schoenen afhing, met zijn linkerbeen op het ijzeren treêtje, toen
+zijn rechter en linker bijna te-gelijk op den grond. Zijn hand kwam
+boven de binnenhand van den koetsier, terwijl hij zijn kin een beetje
+introk. Hij had een lagen licht-geelen strooyen hoed op en, toen hij
+zich weêr had omgekeerd en den tuin inkwam, een erg lage boord, een
+koerant en een paar gele handschoenen in zijn linker hand. Maar hij ging
+achter de boomen en zij zag hem niet meer.
+
+Toen Jozef de kamer binnenkwam, hadden zij beiden in éen snelheid van
+opkomen en vergaan, dezelfde gedachtewaarwording.
+
+--Daar ben ik! Hoe maak je 't Thilde? Je hebt in 't geheel niet
+geschreve. En zijn glimlach naderde van de schuin-open deur, en slonk
+wech toen hij haar bleek zag beven, en zijn oogen voelden: wat ziet ze
+er vreeselijk vreemd uit, ze is stellig met een anderen man geweest, in
+elk geval blijf ík kalm; en zijn glimlach dacht in haar voort, in éen
+slag van uiterste angst, éen stuipende siddering van haar verstand, éen
+vreeselijke stilstand van haar hart: dit is hij niet, dat is hij niet,
+ik ben met een anderen man geweest.
+
+Zij voelde haar denken vernield, zij voelde zich wezenloos worden. Haar
+voeten werden koud en zij waggelde, met een licht doorbuigen van haar
+knieën. Maar de groote smart van haar verstand rukte haar te-rug in de
+levende werkelijkheid der angst-licht vlammende kamer. En zij wist de
+grootte van haar liefde en dat hij die liefde niet was.
+
+In het naderend uitsteken van zijn handen vroeg hij: Beê-je niet wel?
+Wat scheelt je? Wat is er? Zij zeide Och nee, 't is al weêr over, dat
+heb ik tusschenbeye tegenwoordig, ik weet niet wat het is. Zijn lippen
+zoenden, de zoen gleed wech van haar rillende wang. Felix was
+binnengekomen uit het rieten kabinetje en zijn hoofd stond over de tafel
+heen te kijken naar die twee groote menschen, strak, zonder begrip.
+Mathilde had Jozefs hand genomen, flauw tusschen de haren. Dat was een
+vreemd gevoel, die koude hand. Zij zoende hem op zijn wang, die hard
+was. Alle mannenwangen waren hard, zij wist het wel, ja, zij wist het
+wel, zij had het altijd gehoord en altijd geweten.--Hè, ik moet even
+tot bedaren komen, zeide zij, en zij ging zitten op haar stoel, een eind
+van de tafel geschoven. Jozef ging aan de tafel zitten, zijn voorarmen
+er op, de gevouwen koerant in zijn handen, zijn hoofd er over heen
+gebogen en schuin naar Mathilde gekeerd, met een streelende deelnemende
+uitdrukking. Hij zat maar stil te kijken, om te zien wat er
+gebeuren zoû.
+
+Felix kwam naar hem toe: dag, vader. Jozef zeî tot Mathilde: wil je niet
+iets drinken? ... of wil je misschien gaan leggen? Zij schudde van neen,
+haar hoofd naar den grond. Toen keerde Jozef zich naar links, nam Felix
+op zijn knie: dag, vent, hoe heb jij 't gemaakt? Niet stout geweest?
+Toen temperde hij zijn stem: moeder is niet wel, he? We moeten een
+beetje zachies spreken. Ben-je altijd lief tegen haar geweest?
+
+Mathilde voelde hen en hun spreken. Zij wist wel, dat zij buiten haar om
+spraken, dat zij de haren niet waren, iets anders dan zij. Zij was
+alleen, als een dwaasheid in het gemakkelijke gewone leven. Al haar
+voelen duizelde in haar blikken over den grond, en stootte tegen de
+tafel en stoelen, en vermartelde in het felle licht, dat de dag door de
+vensters bij breede lachbuyen naar Jozef heensmeet. Over den grond
+wipten de eile stalen licht-kwatelingen, schoten te voren uit het
+behangsel, spiraalden neêr van het plafond, en te midden van de
+huiverende kamer en den angstigen licht-dans was Jozefs stil bewegende
+lichaam, waar van elke beweging in Mathilde schokte.
+
+Zij keek naar Jozef, en dan weêr niet, en dan weêr naar zijn strooyen
+hoed, die plat op een stoel lag. Zij voelde als een plotselinge langzame
+losschroeving van haar verbeelding-en gedachte-vermogens. Zijn lichaam
+was daar toch, bij haar, vlak bij haar, tastbaar in zijn begrensde
+vormen, met een ruimte er om heen, waarin zij gaan kon, waarin zij haar
+armen kon bewegen, om ze te leggen om zijn hoofd, en haar lippen naar
+voren duwen aan zijn mond. De liefde-bewegingen van haar armen en hoofd,
+die zich onbewust onder de plannen van hetgeen zij hem zeggen zoû in
+haar denken hadden voorbereid, leefden nu op in haar verbeelding; zij
+zag vreemde armen gebaren maken, vreemde achterhoofden neigen en bukken
+en zich vlijen. En daar achter, ver in haar voorstelling, zag zij een
+donkere holte onder de sterrenlucht van Vrijdagavond, waarin wezenlooze
+eilingen voortholden en verdwenen in den nacht, de mijmeringen, die het
+denkbeeld van haar man in haar waren geweest, en die vernietigd werden
+tegen zijn zittende levende lichaam.
+
+--Hoe gaat 't nu? Een beetje beeter? vroeg Jozef, haar effen bruin
+aanziende, in ratelend tegen haar schedel slaande klanken.
+
+--Het gaat al beter, maar ik ben nog wat duizelig.
+
+--Komt de dokter vandaag nog?
+
+--Ik weet niet, hij is er de heele week niet geweest.
+
+--We moesten maar wat vroeg koffie drinken, zeî Jozef, ik heb honger.
+
+Mathilde stond op om 't zelf in de keuken te gaan zeggen. Toen zij haar
+waarnemen in haar, hem, die stil bleef, zag naderen, en toen zij zag op
+zijn hoofd, dat onder haar kwam, en zijn gezicht van boven af, begreep
+zij zijn lichaam niet en begreep niet meer hoe zij hem kende. Maar toen
+zij voorbij hem was gegaan en zijn vormen uit den hoek van haar oog
+gestooten waren, ging er een tinteling door haar hoofd en een drift door
+haar beenen, waarin haar oude voornemen te-rug gaan wilde en zich gooyen
+over Jozef om hem te beminnen. Maar hij was achter haar hersens zoo als
+ze hem gezien had en in trijterende schrikken ging zij voort en was
+alleen met de wanden zonder het te weten.
+
+Uit de keuken ging Mathilde naar haar slaapkamer, nam Floridawater en
+ging zitten voor de tafel, met den zakdoek onder haar hoofd. Op 't
+zelfde oogenblik kwam Marie in de groote kamer om te dekken. Jozefs
+oogen werden warm, Marie hoestte en keek vóor zich uit met de
+bedeesdheid der wangen.
+
+--Is ie heel zoet geweest deze keer? vroeg Jozef terwijl hij gauw hevig
+keek naar Marie en daarna Felix bij zijn kinnetje pakte en hem aanzag
+met elders denkende oogen.
+
+--O ja, meneer, andwoordde Marie, ook schuin naar Felix ziende, heel
+zoet, is 't niet, Fik?
+
+--Dat weet ik niet, zeî Felix, en douwde zijn gezichtje tegen Jozefs
+schouder.
+
+--Dan heb ik wat moois voor je bij me, zeî Jozef en met
+langzaam-voorzichtige gebaren, om Felix niet te laten vallen, haalde hij
+een dun prentenboekje in een prachtbandje, uit zijn binnenzak.
+
+--Hè, zeî Felix, met een eensklaps aangestoken vroolijkheid, hè, da's
+mooi! en hij gleed van Jozefs knie en ging, zonder verder te bedanken,
+voor het venster zijn boekje bekijken.
+
+Daarna werd er koffie gedronken. Mathilde zag Jozefs bovenlijf vóor
+haar, boven het witte tafelvlak, het op en neêrgaan zijner grijs zacht
+omkokerde armen, bij de gladwitte schoteltjes, den bal van zijn hoofd
+met de levende gaten en uitsteeksels, waarnaar zijn handen klommen met
+het eten en drinken, de schouders van zijn jasje, die zwollen en
+neerstreken bij de armbewegingen, zijn blinkende en knippende oogen,
+zijn hoofd, dat telkens even boog en rees, zijn hakkenden en trekkenden
+mond, zijn snor die van onderen nat werd en met een kruimeltje en die
+hij afveegde met zijn vingerdoekje. Zij zag zijn hals met het diepe
+kuiltje aan den boord, zijn ooren, die zoo mooi dicht aan zijn hoofd
+stonden, zijn rechte neus, het fijne rood van zijn wangen, zijn haar,
+dat even mooi zat als altijd. Zij keek, en het was haar alsof zij iets
+zocht, iets dat zij vroeger altijd van hem gezien had en dat nu voor
+altijd verdwenen was. En zij dacht, of zij dat lichaam had liefgehad, of
+het zich niet had losgescheurd van iets anders, een wezen, een waas, zij
+wist niet wat, dat alleen zij had bemind. Maar zijn lichamelijkheid
+sloeg haar denken voortdurend en zij kon maar niet inzien, dat haar
+eindelooze begeerte bij haar was. Nadat hij gegeten had en zijn zware
+vale woorden over het brood en de boter en het vleesch boven de tafel
+hadden gerold, neêrkletterend op haar rug met klamme streken, liet hij
+haar vertellen hoe zij den laatsten tijd had doorgebracht, of mevrouw
+van Borselen er al was, of de bloemen nog goed opkwamen in den tuin, of
+zij al een wandelingetje verder dan de tuin had gemaakt, en hij zeide
+herhaaldelijk dat zij erg bleek zag.
+
+Na de koffie deed hij een cigaret van voren in zijn mond en rookte. Hij
+zeî:
+
+--Willen we ook een beetje in den tuin gaan?
+
+Zij gingen. Lief en goemoedig leî hij haar rechterarm in de kromming van
+zijn linker. Zij stapten samen regelmatig voort, en hij blies zijn rook,
+blauwetjes, van zijn hoofd, den anderen kant uit. Toen ze hem nu goed
+raakte en voelde in de jubelende lucht van den waayenden tuin, leefde
+stormend in eens in haar te-rug een gevoel van lang geleden. Als een
+klaterend beeld in een spiegel waarde zij snel bij haar, de herinnering
+van toen zij hem angstig-vreemd had gezien op den ochtend van hun
+eersten zoen. Maar krachteloos viel de herinnering terug voor de eenmaal
+zoo nauwkeurig en vast in haar gevormde gedachten der laatste dagen, die
+onweêrstaanbaar opzetten naar de klanken en klanksmartten uit haar mond:
+
+--Ik zoû wel eens over iets met je willen spreken ...
+
+--Zoo waarover dan?
+
+--Ja, je zal het wel heel gek vinden, maar voor mij is het een ernstige
+zaak.
+
+Hij keek haar over zijn schouder aan. Zij keek naar den zwarten grond,
+zij was koud, zonder ontroering, zij deed niet, zij onderging de macht
+van haar besluit, dat haar deed spreken buiten haar wil om.
+
+--Wat bedoel je dan? Ik begrijp het niet.
+
+Toen zeide zij hem kalm-koud:
+
+--Je houd niet van me. Wil je niet weêr van mij gaan houden? Anders weet
+ik niet, hoe ik langer moet leven.
+
+Hun hoofden gingen voort, dicht bij elkaâr, met een stuk heestergroen er
+tusschen en er boven wijd wech de wind-spelende wit-blauwige ruimte. In
+zijn hoofd, naar voren gewend, was verwondering. Dáár begreep hij niets
+van. Wat scheelde haar nu weêr in eens? In háar hoofd was de harde
+gevoellooze koelte, maar een scherpe wrevel over de tegen haar wil in
+gesproken woorden zwart-lemmette op en tegelijk begon een gloeying,
+vreemd opkomend, van diep beneden. De wrevel hief haar arm een beetje en
+deed hem bijna niet meer liggen in den zijnen, en zij kreeg ook een
+goeddoend gevoel van gemak, van breede tevredenheid, van bedarende
+opklaring van haar gemoed. Zijn beenen bewogen gelijk op met de hare,
+zijn lang gewachte lichaam was hoog naast het hare, en zij dronk blijde
+zijn tegenwoordigheid in al het waarneembare van zijn leven. De zomer
+baadde hen bij lauwe vlaagjes, bestoeide hun opwippende haren, glom
+tegen hun niet-ziende oogen. Jozef zeî in den licht-wind: Maar, lieve
+kind, ben-je dwaas? Ik hoû nog altijd even veel van je, waar haal je dat
+vandaan, dat ik niet meer van je zoû houën?
+
+Haar arm zeeg weêr neêr op den zijnen. De gloeying vlamde op in haar,
+haar geest geheel vullend. Al de liefden, die in haar voor hem geweest
+waren, rezen aan-éen, niet te temperen, en in een brand uit haar oogen
+en over haar borst sproot uit haar splijtend gemoed een kletterende
+op-een-volging van zware, doffe, heesche fluitende klankjes, waarin zij
+hem zeide, wel te weten, dat hij dit zoû andwoorden, alles te weten, wat
+hij nog meer zoû willen zeggen; maar dat dit alles niets beduidde, dat
+hij, als hij zich maar eens goed wilde onderzoeken, wel zoû merken, dat
+zij gelijk had met te zeggen, dat hij toch eigenlijk niets meer van haar
+hield. Zij verweet hem al zijn verwaarlozingen zij vertelde hem van al
+de dingen, die haar zijn verflauwing hadden doen weten. Maar zij klaagde
+niet, zij was boos, en het voorgenomen smeeken verstijfde in een vergen
+tusschen haar verdunnende lippen. Zij had zijn arm aan haar linker borst
+gedrukt, haar hoofd dicht bij het zijne gedaan. Maar toen zij alles in
+ééns gezegd en uitgesproken had, met zacht rood aan haar slapen en haar
+voorhoofd, en hij andwoordde: maar, lieve kind, dat verbeel-je je
+allemaal maar, je hebt de koorts, je moet wat kalmeeren,--toen liet zij
+hem los en bekeek hem zoo als hij daar was met den tuin om hem heen,
+zijn blanke voorhoofd en zijn stille korte haar, zijn kalme wangen, zijn
+gewone oogen en grijze schouders. Hij tuurde voor zich uit met
+hooggestreken wenkbrauwen als om in het dennen-boschje een oplossing van
+de vreemde ziekte van zijn vrouw te vinden en hij drukte zijn bovenlip
+over zijn onderlip. Haar armen krompen tegen haar lijf, haar hals kromde
+een weinig om laag, in haar oogen kwamen roode spikkeltjes, zij zag
+hem niet aan.
+
+--Kom, Thilde, zeî hij, laten we over iets anders spreken. En zij
+spraken er over, om Ster en mevrouw v. Borselen ten eten te vragen, om
+Felix op een bewaarschool te doen. Mathildes verbeelding voelde hem nu
+niet meer, haar verstand dacht hem. Zij merkte zijn heele
+persoonlijkheid, met al zijn doen en laten, als een kleinigheid in haar
+grooten hartstocht. Zij voelde hem heelemaal te kunnen overzien. Hij was
+een gewone, verstandige en mooye man. Hij had vroeger veel bij hen aan
+huis verkeerd, daarna waren zij samen getrouwd, en hij had zich altijd
+gedragen zoo als een fatsoenlijk man zich tegenover zijn vrouw gedraagt,
+wat wilde zij toch eigenlijk nog meer? Toen zij ziek was geworden,
+hadden zij natuurlijk niet zooveel samen kunnen zijn als vroeger. Haar
+verdriet was, dat zij hem geheel waarnam, want eerst was er, behalve
+zijn neigingen en gedachten, die zij wist, iets onbekends voor haar in
+hem, een verborgen geheimzinnige kracht in zijn wezen, ondoorgrondbaar
+en heerlijk,--het was de liefde, de zij voor haar in hem veronderstelde,
+Zij zag hem nu zônder dat groote en diepe, met een hoofd leêg van haar,
+leêg van wat zij wilde, zonder begrip. Zijn wezen was gering, hij had
+niets dan zijn leden en zijn dagelijks zelfde hersens, waarin elken dag
+de indrukken en gedachten van den vorigen zich herhaalden, zonder ooit
+zoo'n vreemden droom, zonder ooit zoo'n onbegrijpelijk gevoel voor iets
+hoogers, iets meers. En zij wist niet en vroeg zich, waarom zij zoo van
+hem was gaan houden. Wat had zij eraan voortdurend aan dien man te
+denken, wat hoefde zij zich ziek en ongelukkig te maken om zijnentwil?
+Haar hersens werden hoe langer hoe kouder. Zij voelde zich een oogenblik
+staan, als gelukkig in haar leven, buiten haar liefde. Zij dacht een
+kalm, zuiver, geregeld, gezond dagelijksch bestaan, waarin zijn hoofd en
+zijn schouders naast haar niet meer trilden, waarin hij niets was dan
+haar gewone maatschappelijke echtgenoot, keurig en fatsoenlijk, zonder
+die nutteloze bombarie van dwaze grillen en opwindingen. Wat was er niet
+veel te doen in het leven, ook voor een vrouw! Wat zoû zij een mooye
+handwerken kunnen maken, en koeranten en boeken lezen om op de hoogte te
+zijn! Niet alleen zoû ze haar huishouden uiterst zorgzaam kunnen doen en
+veel meer in de perfektie dan tegenwoordig, maar ze zoû b.v. ook voor
+arme kinderen kunnen naayen, zooals andere dames deden. En dan, om het
+voornaamste niet te vergeten, wat zoû zij veel meer moeite en
+oplettendheid aan de opvoeding van Felix kunnen geven! Nu werd die voor
+het meerendeel overgelaten aan Marie, en dat was eigenlijk volstrekt
+niet zooals het hoorde. Verder, als zij dan ook weêr heelemaal gezond
+zoû zijn, had zij voor uitspanning de konversatie met mevrouw v.
+Borselen en met andere dames, waarvan zij de kennis kon maken. En, och
+Heer, er waren nog zooveel andere dingen. Waarom moest zij zich ook zoo
+afzonderen in de laatste jaren? En zij zag in eens een leven vol
+verscheidenheden en kleine gelukjes, dat zij in haar bespottelijke
+hersenkoorts geminacht had zonder nagedachte.
+
+Jozef meende daar het middel gevonden te hebben, om zijn vrouw tevreden
+te stellen.
+
+--Wil ik, nu je weêr zooveel beter bent, eens een week of drie achter
+elkaâr hier blijven? vroeg hij.
+
+Maar een onoverkomelijke warschheid klom tot aan haar mond. Zij zeide:
+
+--Ja, ik zoû 't wel heel graâg willen, want man en vrouw hooren bij
+elkaâr, maar ik geloof wezenlijk, dat 't beter voor me is, dat ik
+vooreerst nog maar alleen blijf, want als ik niet zooveel rust mogelijk
+heb, kan ik niet slapen.
+
+--Dat spijt me, zeî hij, en glimlachte, haar liefweemoedig aanziende.
+
+Maar zijn glimlach werd vernederd en wrevelde wech op de strakheid van
+haar gezicht. Zij gingen te-rug in huis en liepen wijder van elkaâr over
+het pad, met schokjes van stuursche verlegenheid in hun armen en beenen.
+Het witblauw van boven en het dartelende groen krioelde tot hun hoofden
+en tusschen hun leden.
+
+Den volgenden ochtend, toen Mathilde mat opstond, met een moeheid van
+het leven in haar beenen en in haar hoofd, zag zij haar fletse gezicht
+in den spiegel, haar flauwe oogen, de vale plekjes er onder, en de lange
+rimpels over haar voorhoofd. Zij voelde een grooten wrok tegen Jozefs
+frissche lichaam. Zij zag, dat het buiten al-weêr een lichte dag was,
+een uit dezelfde eentonige opvolging, die tot gisteren geduurd had en
+die morgen en overmorgen en altijd weêr verder zoû duren. Weêr zag zij
+den tuin door het venster, zonder iets buitengewoons, in zijn zelfde
+aanzien van steeds, zij alleen verouderde intusschen en het erge
+heerlijke van haar jeugdleven zoû verminderen en eindelijk heelemaal
+wechblijven. Zij keek naar de voorwerpen die stil stonden om haar heen.
+Wat was het nu? Ging zij naar een doel? of wat deed zij eigenlijk? Wat
+gaf het? Zij, die dacht, dat er zooveel met haar gebeurde, wat
+beteekende zij, wat gebeurde er met haar? niets. De dag van vandaag leek
+precies op den dag van vijf, zes jaar geleden. Zij had eenvoudig haar
+zenuwen, haar lichaam vermoeid en ziek gemaakt en zich voor altijd
+berimpeld door zich allerlei dingen in te beelden waarvan niets bestond
+en door het gewone leven te vergeten, dat toch eigenlijk alleen waarde
+had. Maar hij was er de schuld van, hij, die man, die zich aan haar zij
+had gedrongen. Aan hem had zij het beste, alles, gegeven wat zij had.
+Hoe was 't mogelijk, dat zij zich in 't begin zoo gelukkig had gevoeld
+door hem! Wat gaf zij nu om hem? Niets! Hij was daar met zijn
+onverschillig-beminnelijke, koele, bekrompen wezen. Zij was mooi geweest
+vroeger, zij had ten minste een lief gezicht, had iedereen gezeid. Nu
+was ze het niet meer. Haar vader was alleen gestorven uit verdriet over
+haar huwelijk. Neen, zij kon hem niet meer lijden, die man, die haar
+gebruikt had, om een tijdje pleizier met haar te hebben, die haar
+ongelukkig had gemaakt en dien zij nu verveelde. In de zweterige mufhe
+van haar eerste op-zijn liep zij met driftige zwartgalligheid door
+haar kamer.
+
+Jozef kwam haar goeyen dag zeggen. Hij moest wech met de diligence.
+
+--Nee, ik ben nog ongewasschen, zeî Mathilde, geef me maar alleen een
+hand.
+
+--Dat kan mij ook wat schelen, zeî hij, daarvoor hoû ik te veel van je.
+
+Hij zoende haar voorhoofd, maar zij deed niets te-rug.
+
+--Zeg, hoe maakt Emilie Berlage het toch, daar heb ik heelemaal vergeten
+je na te vragen.
+
+--O, ik geloof goed, maar ik heb der in lang niet gezien.
+
+--Nou, doe der me komplimenten as je der ziet ...
+
+--Nou, dag kind, aanstaanden Zondag kom ik weêr, hoor!
+
+--O, uitstekend!
+
+In een gevoellooze rust leefde Mathilde de zacht-grijze week die nu
+volgde. Zij bleef zonder gewaar-wordingen en sprak bijna niet. Zij was,
+na de vermoeying van haar te veel voelen der laatste tijden, in een
+begeerteloze vrede met de stilte van elken dag. Zij had plotseling op
+een dag oud naaiwerk voor arme kinderen uit de kast gehaald en was daar
+met een niet-opzienden ijver aan gaan werken. Maar de week was al
+voorbij en Jozef zat weêr tegenover haar aan tafel, vragende, waar zij
+daar zoo druk aan bezig was.
+
+Hij stond op en ging eens bij het venster staan en daarna weêr zitten op
+een stoel vlak bij Mathilde, met zijn ellebogen op zijn knieën en zijn
+hoofd naar haar werk toe. Het was als snuffelde hij met de
+vooruit-stekende gedeelten van zijn gezicht naar Mathilde en haar werk.
+Een oogenblik later stond hij weêr aan de piano en bladerde in de
+muziek. Hij keerde zich om, stond met zijn handen in zijn zij, keek op
+Mathildes hoofd.
+
+--Kan je velen, dat ik piano speel? vroeg hij.
+
+--O ja, woû je iets spelen? Dat heb je in lang niet gedaan.
+
+--Ja, zeî hij, zijn woorden slepend, ik woû nog eens zien of ik dat nog
+kon.
+
+--Wat?
+
+--Nies, zoo'n deuntje van Offenbach, dat ik vroeger uit mijn hoofd kon.
+
+En in eens, terwijl Jozefs lange nagels onaangenaam de toetsen tikten,
+geluidde de piano los, met een verwondering der stilte in den hoek, waar
+zij zoolang met haar gewone meubelstomheid gestaan had en een
+geklinkklank door het hol-ziende huis, vervuld met de woordelooze
+klanken van dat vreemde onbewegelijke beest uit de hoek van de groote
+kamer. Felix kwam toegeloopen uit den tuin en door het open venster,
+bleef staan in een zonnebegieting van zijn blauw pak en blonde haar. Een
+boerenjongen die juist voorbij kwam op den weg bleef ook staan, kijkend
+uit de verte. Mathilde werkte door, met gebogen hoofd, en zij begreep
+niet, welke rare aandoening haar in eens overviel. Het was haar of zij
+met haar smarten, vergeten was door het leven, waarvan zij eerst het
+middenpunt was geweest. Buiten waren de boomen in de zon en de kalme
+omtrek, hier binnen, de leêge kamer, Felix, en Jozef, die zijn luchtig
+melodietje speelde, dat een uitlachende vroolijkheid langs de ruiten
+deed gaan en dribbelen langs al de onverschillige muren. Met wibbelende
+tredjes hakkelden de pianoklanken over haar breede lijden. Zij gold niet
+meer, zij telde niet meer meê. Alles leefde buiten haar om. Haar
+verdriet was vergeten en begraven. Het groen, buiten, was vol van glans.
+Felix stond met rooye wangen van het loopen in den tuin, de kamer was
+netjes in orde, en zij was getrouwd, zij waren immers getrouwd, zij was
+immers een fatsoenlijke getrouwde vrouw, die een gelukkig en benijdbaar
+leven had. Dát was zij en anders niet, maar dat was ook genoeg. En zij
+was níet dat andere, die afgrond van lijden in haar wezen, waarin zij
+niet woû zien, maar die zij open voelde vlak onder haar oogen.
+
+Mathilde voelde toch een stil genoegen, dat Jozef in haar bijzijn was.
+Hij was voor haar een wezen, dat haar nog den vroegeren Jozef
+herinnerde, maar waaruit dát gedeelte van zijn leven, dat hem tot haar
+alles gemaakt had, voor altijd was verdwenen.
+
+Jozef was nog aan 't spelen, toen Marie binnenkwam om klaar te zetten.
+Hij speelde gauw een paar slot-akkoorden, stond op, met éen knippenden
+blik op Marie, waarin hij het laatst over haar nadacht, stak zijn handen
+in zijn broekzakken, keek op Mathildes werk die voortdurend zat te
+naayen. Hij keerde zich snel om, klapte in zijn handen vóor Felix, nam
+hem onder zijn armpjes op en hield hem in de hoogte boven zijn hoofd,
+lachende, en met zijn goedig-lichtzinnige uitdrukking, zeggende; kijk,
+nou beê-je nog grooter als ik! En met Felix op zijn schouder ging hij in
+den tuin om een roos voor zijn knoopsgat te plukken. 's Avonds dronk
+Mathilde thee onder de warande en onder het stilletjes in den avond
+wechkwijnende daglicht mijmerde zij over Jozef. Jozef was na den eten
+dadelijk uitgegaan, om in de societeit een partij billard te spelen, met
+een meneer uit het dorp, met wien hij kennis had gemaakt.
+
+Mathilde leunde in haar stoel, met een borduurwerk, dat zij roerloos op
+haar schoot hield in haar linker hand. Zij had hem heen zien gaan over
+den breeden weg, met het blauwe sigarenmistje om zijn hoofd, tusschen de
+dikke boomenstammen. Zij was allen. Zij voelde zich leven in den
+dof-blonden avond, die neêr-zachtte over de klagende slaapgebaren der
+verdonkerende boomen. Maar zij leefde tegen den dommelenden avond in,
+bóven den duisternis-spoelenden grond, met haar hoog hittende hoofd óp
+onder de drijvende wolken, met haar droomenfonkelende oogen vóort door
+de nachtende eenzaamheid.
+
+Het was wel plezierig zoo'n beetje stil te zitten 's avonds en niets te
+doen dan denken. Daar had zij altijd veel van gehouden, ook toen zij nog
+een jong-meisje was. Hê, het was drukkend warm van-avond. De warme lucht
+werd haar als uit open monden om het hoofd geblazen. Die tijd was lang
+voorbij, ja, heel lang. Waaraan dacht zij toen ter tijd ook weêr
+zooveel, gedurende al die verdroomde uren? Ja, dat wist zij niet meer,
+het waren wel mooye dingen, maar het was te lang geleden, dan dat zij 't
+zich nog kon herinneren. Zij dacht aan het geluk, dat wist ze wel, en
+zij had ook nog het vage gevoel, dat zij zich er onbegrijpelijk veel van
+had voorgesteld, toen, van dat toekomstige levensgeluk. Wat was zij een
+buitensporig en wild schepsel geweest, als kind. Dat was later al gauw
+overgegaan. Wanneer men eenmaal een groot mensch is, beweegt men vanzelf
+zijn leden minder onbesuisd en wordt het heele leven stemmiger. Waar was
+toch het geluk? Het was niet boven haar, het was niet voor haar uit, het
+was niet aan haar zij, zij kon het niet zien in de duistere warmte, die
+dreigend naderde en ijlings week en ommewaarde in zwartgestaltende
+zwenkingen. Neen, het was in haar. Als zij maar nadacht, dan kwam het
+vanzelf te voorschijn. Zij dacht na ... Het was toen haar vader al lang
+dood en begraven was, maar zij woonden toch nog in het oude huis. Zij
+voelde zich op een avond leêggehuild en moe van droefheid, onverschillig
+voor alles.
+
+Toen was Jozef bij haar gekomen en had heel lief tegen haar gedaan.
+
+Mathilde was in de zilverschemerende herinnering. Op de tafel lag een
+opengevouwen koerant, die witterig opritselde in de lauwe donkerte en in
+den wind een eindje voorschoot naar haar toe over de tafel. Haar oogen
+sloegen wakker uit de mijmering en zij zeî zachtjes; wat is er toch?,
+toen zij zich in eens te-rugvond in dezen avond. Hoog klom het tegen de
+zwarte stijlen der warande, waarôm de klimop in warrelende donkere
+rukken steeg, en vlakte met den grond onder haar voeten en drong in haar
+bewustzijn, met de zielloze gekantheid der voorwerpen, het Tegenwoordige.
+Zij wàs nú. Zij keek om zich heen: och, waar was toch de tijd, die
+voorbij was gegaan? Zij wist het verledene niet. Zij wist den avond van
+nu, en haar wachten. Maar was zij hier toch? Zij voelde zich als met een
+plomp neêrgezet op haar stoel, van de hooge dragingen harer verre
+mijmering. Hoe vreemd was het hier! Boven haar was de bekapping der
+warande, daar naast de leêge kamers van het stille huis, en verder,
+buiten, de groote ruimte, met de boomen zonder oogen, met de lage
+heesters zonder mond, onder de behuiving der stommelende wolken, die
+geen stemmen hadden. Aan d'overkant was licht achter de vensters. Daar
+waren onbekende menschen, die niet wisten, dat zij hier zat. In haar
+huis naast haar waren de meiden, vrouwen zoo als zij, die ook spreken
+konden, maar zij wisten haar niet en waren met hun zelf, en het was ook
+ver, van haar tot de keuken. Daar was veel donkere ruimte tusschen,
+ruimte, die zij niet door kon gaan. Het was te ver, veel te ver. En toch
+wilde zij het geluk weêr. Zij had het noodig. Zij kon er niet buiten,
+nu, op 't oogenblik, zonder uitstel.
+
+Zij was alleen. Zij kon kijken rechts in de tuinruimte, er was niemant,
+die naar haar toekwam, met voeten over den grond, zij kon kijken voor
+zich uit, er waren geen menschenvormen, die zich schiepen uit de
+donkerte. Niets dan haar warme leden, en haar handen, die als rare
+blanke stukken uit de vale mouwen staken, zoo ver van haar willende
+hoofd.
+
+Zij had hem zien gaan, haar man, haar geliefde, zij had hem langzaam
+zien wechgaan, vóor de duisternis nog viel, onder de hooge boomen. En
+zij zat hem te wachten, nietwaar, het was immers zoo? Zoo meteen kwam
+hij te-rug. Maar hij moest toch wel ver zijn gegaan, want zij zag hem
+niet meer, geen slipje van zijn mooye jas. En al die donkerte was
+tusschen hen, breed en zwaar, ondoordringbaar. Haar verbeelding kon hem
+wel zien, maar alleen van achteren, zijn beenen, die zij aan zijn lichte
+broek kon herkennen in den zwarten nacht, en die wechliepen, altijd
+verder, verder, verder.
+
+Zij hoorde een heel eind wech in het dorp, de kerkklok slaan, met kleine
+stalen tikjes op de rillende duisternis. Hoe laat was het al? Het moest
+al heel laat zijn. In de lucht werden de wolken dunner, maar het bleef
+broeyend. Er waren even twee sterren, een groote geel-groene, een
+kleine, verdere, donkerroode, die dadelijk weêr verdwenen. Zij ging naar
+binnen en keek op de pendule. Het was tien uur. Was hij dan nog niet
+thuis? Waar bleef hij toch? Zij ging loopen door den tuin, om hem af te
+wachten. Zij was bang voor de zware warmte, die om haar leden bleef
+hangen om haar te benauwen. Zij bleef staan bij het groote hek, aan den
+dorpskant, waar hij vandaan moest komen. Zij zoû hem hooren aankomen in
+de donkerte, dan zoû ze hem tegemoet gaan op den weg. 't Zou meteen voor
+'t eerst zijn, dat zij buiten den tuin kwam. Maar nu was zij ook hersteld,
+zeker, zij was gezond. Waar bleef hij nu toch? Wat duurde het lang.
+
+Plotseling hield haar denken op. Er gebeurde iets. Er was als een zwarte
+dunne lange lijn in den hoogen wind boven haar geweest, die achter haar
+om was geslagen in den hoek van haar oog. Er was een snelle beweging van
+vormlooze verschrikking door de nacht-ruimte. Een laatste steenen koude
+versteef Mathildes wezen, een doodslag, die in de stilte op haar liefde
+viel. Zij keek naar hun rieten dak. Aan het eene venster Felix' kamertje,
+was licht, het andere, waar Marie sliep, was donker. Zij dacht, dat
+Marie zeker nog in de keuken zoû zijn. Zij ging langzaam, met stijve
+stappen, naar binnen. Haar armen hingen als houten, zij voelde zich
+hopeloos wechsterven. Toen zij onder aan de trap was, was Jozef bij
+haar, die van boven kwam, zonder schoenen, en zijn haar aan den eenen
+kant in de war. Hij keek haar aan en zag een vreemd zwart licht in haar
+oogen, die als scheel zagen. Hij was met Marie geweest. Zij wist het.
+
+--Ik dacht, dat je nog niet thuis was, zeide zij.
+
+--Ja, ik ben even Felix goeye-nacht gaan zeggen.
+
+--Zoo? Wacht, je haar zit daar een beetje in de war ... Zij streek het in
+orde met haar aan den arm geheven hand, maar meteen viel zij tegen hem
+aan, brekend in een hijgend schreyen, met luide, lange toonen als een
+kind. Haar eene hand stak uit boven zijn schouder, haar neus en kin waren
+gedrukt tegen zijn beenen jasknoopen.
+
+Jans kwam uit de keukendeur, denkende dat Mathilde een ongeluk had
+gekregen, Jozef, die zachtjes Mathilde naar de groote kamer bracht, zeî
+tot Jans, dat zij was gevallen en erg geschrokken was.
+
+In de groote kamer, waar alles nog donker was, zeî Mathilde tot Jozef,
+die zweeg, vlak voor zijn oor met haar lippen, met een zachte stem, die
+diep uit haar binnenste scheen te komen, als had een ander wezen in
+haar gesproken:
+
+--Weet u waarom ik zoo bedroefd ben? Jozef is dood, Jozef is dood!; ...
+Dat was mijn man, weet u. En haar huilen droogde wech, in dorre
+huivering, die door haar gezicht ging.
+
+Zij rukte zich nu in eens van hem los en liep gauw naar haar kamer,
+waarvan zij de deur hevig dichtsloeg.
+
+Jozef stond alleen in de zwarte kamer, met zijn neêrhangende
+besluitelooze armen, in een elegante houding. Hij was eerst bedremmeld
+en keek naar het muurvak, waarachter Mathilde nu was. Toen ging hij naar
+zijn slaapkamertje en trok zijn schoenen weêr aan. Hij had willen
+voorwenden ze te hebben uitgedaan, om, als Felix sliep, hem niet wakker
+te maken bij het goeye nacht-zoenen.
+
+Jans bracht de lamp in de groote kamer, bleef even staan, met bezorgde
+oogkassen.
+
+--Wat is er toch met mevrouw gebeurd, meneer?
+
+--Ik weet het wezenlijk niet, zeî Jozef, ik geloof, dat zij vreeselijk
+de koorts heeft. Laat Marie nog maar even naar den dokter gaan. Ik
+begrijp ook niet, waarom die man niet méer komt. Wacht, ik zal zelf nog
+'es gaan kijken.
+
+Mevrouw heeft de deur op slot gedaan, zeî Jans. Jozef klopte tegen het
+hout van de deur, het bleef geluidbos er achter, hij woû door het
+sleutelgat zien, de sleutel zat er van binnen in, Jozef zag zwart. Hij
+ging op het straatje, zag licht aan de vensters, tikte, zonder andwoord.
+
+Toen Mathilde op haar kamer was gekomen, had zij van de wreede
+ruischelende wanden een koele kalmte over zich voelen vallen. De
+gewoonte had met haar handen bedaard de lamp opgestoken, als kwam zij
+daar om naar bed te gaan. Zij trad langzaam over het tapijt, met zijn
+verwonderde en lachende krullen, op en neêr. Het stuk leven van
+daar-zoó, met dat andere mensch, dien zij had aangeraakt, met de
+huilgeluiden van haar keel, het rillen van haar gezichtsvel, haar
+armbewegingen, haar loopen en haar openen van de deur was voorbij haar
+zintuigen geslagen als voor goed wech en achter haar, iets dat zij nooit
+meer te-rug zoû beleven. Zij vond de kamer hier een stille, afgezonderde
+plaats, als onder een kerk, een graf van rust, waar zij gekomen was, om
+voor goed uit te huilen, en dan te slapen, te slapen, daar alles voor
+haar toch voorbij was gegaan.
+
+Haar bewustzijn scheurde op. Dáar stond haar bed en de gordijnenschaduwen
+beblond-donkerden de wanden. Het bed was altijd in haar leven geweest,
+met zijn zwaar hangende gordijnen, allen stillen nacht, met hun breede
+roerloze schaduwen. Wat had zij dan toch gedaan? Zij kon toch nog wel
+denken? Die donkere man, tot wien zij gesproken had, maar dat was toch
+háar man, den man, waarmeê zij getrouwd was, getrouwd, zoo als al die
+andere vrouwen ook met hun mannen getrouwd zijn. Waarom had zij dan tot
+hem gesproken van haar man, als hij 't niet zelf was? Maar hij wás 't
+niet, dat lichaam was niet haar man. Zij werd nu als een ontbinding van
+haar wezen gewaar. Zij wist niet meer waar zij dacht. Daalde haar
+waarnemen niet onder haar hoofd? Zij voelde haar handen niet meer, als
+tot haar éenheid behoorende. Zij voelde, dat haar oogen op dezelfde
+hoogte bleven, maar wat ging het vreemd in haar hoofd, haar gedachten
+holden als vale eilheden om, zich verdeelend en oplossend, zonder
+vastheid, zonder tot geheelen te worden. Zij knoopte langzaam haar goed
+en haar korset open en ging op het bed liggen, waarvan de gordijnen weêr
+achter haar dichtvielen, eerst op haar rug, toen op haar rechter zij,
+toen voor-over, met haar voor-armen onder het kussen, haar rechter wang
+er langs aayend, op en neêr, en stil met haar heele lichaam. De
+lampe-vlam gaf een warrige mat gouden glansplek in het gordijn, naar
+haar hoofd. Daar viel een bekende gedachte als een vaal pakje door de
+warreling harer gudsende hersens, en brak open en bloeide op,
+hel-lichtend in den purperen kolk van haren waanzin. Zij zat in de
+warande en was immers aan 't denken, aan 't denken aan het geluk? Hoe
+was 'et ook weêr? In de kleine binnenkamer van het oude huis was haar
+vader, hij bewoog zich, hij sprak, hij pakte haar bij haar arm, hij
+zoende haar, och, wat zag hij bleek, hij ging dood, haar vader. Hij
+wankelde en viel van zijn stoel op den grond. Hij sprak niet meer in de
+binnenkamer, hij was dood, haar vader. Vader, vader, bent u dood? ...
+Zij was nog een heel klein meisje, dat was haar nieuwe japon, dien zij
+daar aan had ... Was hij niet mooi, haar nieuwe japon? Mooi, nietwaar?
+Zij ging er meê trouwen, Zij was een groote dame, en ging trouwen ...
+Met wien, wel met Jozef natuurlijk, met Jozef ... Hij was altijd bij
+haar geweest, nu ging zij met hem trouwen ... Zij was nu een getrouwde
+vrouw ... Zij gingen samen wandelen, heerlijk, de menschen keken om naar
+zoo'n mooi gekleede en gelukkige man en ... Dat was weêr een benauwde
+nacht, wat trokken zij toch haar lichaam uit elkaâr? moest zij dan zoo
+gemarteld worden? ... Een stuk van haar lichaam, dat er zich van
+afscheidde ... O, God, men had van haar lichaam afgescheurd, datgene,
+waarom Jozef zooveel van haar hield ... Want nu bleef hij wech, zij zag
+hem niet meer, hij bleef voor goed wech, ... Jozef, Jozef was dood ...
+Het groeide op en werd hooger naast haar, het wezen, dat uit haar was
+voortgekomen ... Jozefs gezicht was er in afgedrukt, maar altijd bleef
+het tusschen haar en Jozef ... als een onoverkomelijke scheiding ... En
+Jozef veranderde van trekken, hij leek niet meer op den vroegeren Jozef,
+het was een vreemde man, het was Jozef niet meer ... Want hij was dood,
+lang dood, wechgezonken onder den grond ... Zie, daar was zijn gezicht,
+aan de zoldering, aan den wand, op de vloer. Het was een gezicht en
+niets meer, een vage, ontastbare plek, maar de plek werd hoe langer hoe
+grooter, de oogen flauwer en de deelen van het gezicht scheidden van
+elkaâr, werden geheel onherkenbaar en verdwenen in de vloer, voor altijd.
+
+Mathilde huilde. Het lauwe water vloeide uit haar oogen en mond in het
+kussen. Maar in eens sprong zij van haar bed, liep met haar armen in de
+hoogte, in haar losse kleêren, naar den wand, en sloeg den wand, als om
+er het geluk aan te doen ontspringen, die liefde, dat onbegrijpelijke en
+eeuwig-zalige, dat zij wilde klommen in haar leêge armen, die zij wilde
+drinken met haar drooge keel. Zij schreeuwde het uit, met rukken van
+klagend krijschen, die de meiden en Jozef, met ernstige aangebogen,
+luisterende hoofden bij-éen bracht in den gang, voor de gesloten kamer,
+die Felix wakker maakten door het geklaag dat van onder den grond in
+zijn eenzame kamertje boven, om zijne kleine lichaam steeg. Hij kwam
+benauwd uit zijn slaap, en begon dadelijk ook te huilen om het onbekende
+ongeluk, dat er was in het huis. Maar hij durfde zich niet verroeren,
+doodelijk bang, dat er iets geheimzinnigs in zijn kamer mocht zijn.
+
+Mathilde ging weêr door haar kamer, van de deur naar de muur, van de
+muur naar de deur. En de deur en de muur bleven haar sprakeloos
+aanstaren. Een droef-gele drooge stilte hing van de zoldering over
+Mathildes hoofd, waarin, boven het lichaam van week vleesch, de smart
+sapte. Haar huiverende hersens zochten wat men haar altijd aangeduid had
+als "geluk". Toen zij een tijdje getrouwd was geweest, had zij wel
+gevoeld, dat dàt het was, als Jozef haar raakte, als Jozef haar aankeek,
+met haar opgemaakte hoofd en haar kleêren over-dag, en 's nachts als zij
+zich zelve niet herkende. Maar zij had wel dikwijls gedacht, dat dit nog
+pas het begin was, en er iets anders volgen moest, later, later, altijd
+later. Boven Jozefs persoonlijkheid uit had zij wel een anderen Jozef
+gedroomd, die hij was, maar toch mooyer dan hij, grooter dan hij, een
+die nog dieper in haar lichaam kon dringen, die haar heele wezen tot
+zich kon nemen en het zijn maken, zoo, dat zij haar zelf niet meer voelde.
+
+De jaren en dagen van hun eerste huwelijksdag af holden door haar
+herinnering, de lichte ochtenden in de stad, met het leven op straat en
+niets dan huizen, de donkere avonden, hier, zonder gerucht en met het
+groen, alleen, waarvan zij zooveel hield. En al die dagen waren gekomen
+en gegaan, zonder het ongekende te brengen, dat zij wachtte. Nu was
+alles gedaan. Zij zag het aan de rustige lamp en aan de platte wanden:
+de minnaar, de geliefde, de vreemde man, dien zij zich niet kon
+voorstellen, waarin haar mijmering haar gezegd had, dat Jozef eens zoû
+veranderen, hij zoû nooit komen; al de liefde, die haar wezen verbruikt
+had om hem te wenschen, was verloren gegaan, wechgegooid in den
+onverschilligen gang van het vale leven.
+
+Toch moest er iets zijn. Van haar beenen, en over haar borst, van haar
+mond en haar oogen steeg de begeerte naar bevrediging, die de
+kamerwanden om de lamp heen vernauwde en vaalgeel de verstikking der
+verlangens deed uitmisten. En uit haar eerste jeugd leefde de
+herinnering op, een rust en een genoegdoening, die zij had gevonden op
+de kostschool, als zij bedroefd was, God, het denkbeeld, dat nog een
+enkele maal in haar later leven was ontwaakt. O, zij wist het nog wel.
+Hij was de groote troost en de eeuwige vrede, voor die Hem kon
+liefhebben was de droefheid nooit doodelijk, zoo als zij haar nu scheen.
+Maar zij kende Hem niet meer. Wanneer haar vader een enkele maal van God
+sprak, viel dat woord in haar als de naam van een persoon uit de oude
+geschiedenis, die in de krant komt, als er sprake is van een dissertatie
+of een examen en waarover men heenleest. Maar de tijd, dat zij ontroerde
+bij het denken aan God was toen haar borsten uitzetten en zij aan
+duizelingen leed, in de kapel van het pensionaat. Die aandoening wilde
+zij herleven, en zocht haar, zocht haar door de dikke laag der
+veroudering. Maar God was voor zoo weinig in haar volgroeide leven
+geweest, zij vond zijn gelaat niet te-rug in haar verbeelding. Zij zag
+weêr Jozefs twee bruine oogen, twee lichtpunten, die naar haar toe
+schitterden, maar oogen van vroeger, de oogen van den doode, die niet
+óok waren in dien man hier in huis.
+
+Zij ging weêr op haar bed liggen, met haar bonzende hoofd, in haar
+koorts van wild begeeren. Zij richtte zich op en luisterde, als moest
+zij hem van ver hooren naderen. Maar alles bleef stil, totdat zij éens
+Jozef hoorde bewegen en hoesten, die achter den wand in zijn bed lag.
+Was hij dat, was hij daar? Neen, dat was het andere, het namaaksel van
+haar man. Dien moest zij niet hebben. En den heelen nacht eilde zij
+door, in een half-wakenden, half-slapenden toestand, in verschrikkingen,
+die het bed deden kantelen en de kamer instorten over haar hoofd, in
+droomen van zware blokken, die over haar lijf vielen, en van een God den
+Vader, een grijsaard met een langen baard en een kroon op het hoofd, die
+zachtjes tot haar afdaalde, maar dan onvoelbaar werd als een geest en in
+rook verwolkte om haar heen.
+
+
+
+
+XIV.
+
+
+De dokter, dien Marie niet thuis had gevonden, was den volgenden ochtend
+gekomen, en had gezegd met zijn dikken mond, dat Mathilde een hevige
+koorts had, dat zij vooral de grootst mogelijke rust moest houden.
+
+Toen Mathilde na drie weken weêr beter was, werd zij weêr opgenomen in
+den gang van het gewoonte-leven der omgeving. Zij vond alles uitstekend
+in de zwakke blijdschap van haar herstel. Alleen hinderde haar in 't
+begin bijna elk geluid. Jozef was, toen zij zoo erg was, bijna elken dag
+overgekomen; zij bleef er hem dankbaar voor; hij was een goeye man.
+
+Toen zij weêr voor 't eerst in den tuin kwam, vond zij, dat ze hier toch
+wezenlijk een allerliefst buitentje hadden, maar zij had het vroeger nog
+nooit goed gezien, ontdekte allerlei aangename en mooye plekjes, die
+haar nieuw voorkwamen.
+
+Zij was in een zonderlingen geestestoestand geweest in den laatsten
+tijd. Gelukkig, dat zij zich al die akelige gewaarwordingen niet meer
+herinnerde. De dokter zeide, dat de koorts haar meer goed dan kwaad had
+gedaan dezen keer, dat hij haar uitgebrand en gezuiverd had en dat
+geloofde zij ook.
+
+Toen zij zes weken beter was, in het begin van Augustus, kwam Emilie
+Berlage op een Zondag, dat Jozef er ook was, hen even bezoeken. Het
+hinderde Mathilde volstrekt niet, dat Jozef en zij elkaâr zoo
+vertrouwelijk aanzagen. Maar Marie hadden zij wechgedaan. Felix groeide
+op en had nu meer een kinder-jufvrouw noodig, die zij kregen op een
+advertentie in de koerant.
+
+Mathildes gezicht bolde aan tot dat van een gewone deftige dame. Zij had
+een groote vriendschap voor Jozef, maar was er niet zoo erg op gesteld
+hem altijd bij haar te zien.
+
+Toen zij einde Oktober weêr te-rug waren in Amsterdam hield zij niets
+meer over van dien raren zomer buiten dan de slappe herinnering van een
+droom. In April van het volgende jaar, beviel zij weêr, van een dochter.
+
+EINDE.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Een liefde, by Lodewijk van Deyssel
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 10820 ***
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..2ab8317
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #10820 (https://www.gutenberg.org/ebooks/10820)
diff --git a/old/10820-8.txt b/old/10820-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..6c82e98
--- /dev/null
+++ b/old/10820-8.txt
@@ -0,0 +1,12089 @@
+The Project Gutenberg EBook of Een liefde, by Lodewijk van Deyssel
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Een liefde
+
+Author: Lodewijk van Deyssel
+
+Release Date: January 24, 2004 [EBook #10820]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO Latin-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN LIEFDE ***
+
+
+
+
+Produced by Marc D'Hooghe
+
+
+
+
+EEN LIEFDE
+
+door
+
+LODEWIJK VAN DEYSSEL
+
+
+
+VOORBERICHT
+
+
+De tweede uitgave van den roman EEN LIEFDE verschijnt zonder de
+zogenaamd onvoegzame of onzedelijke uitdrukkingen, die in de eerste
+uitgave voorkwamen.
+
+De belangstellende leidde daaruit niet af dat de meening van den
+schrijver veranderd zoû zijn met betrekking tot de mate van vrijheid en
+van onafhankelijkheid van algemeen geldende zienswijzen, die een
+eigenschap der letterkunde moeten zijn.
+
+De reden, die tot wijziging deed besluiten, is deze, dat geene
+gelegenheid werd gevonden eene nieuwe uitgave behoorlijk bezorgd te
+zien, tenzij met wijzigingen.
+
+De vraag deed zich nu voor in hoeverre de verandering verantwoord kon
+worden tegenover de kunstleer, waarvan de oorspronkelijke vrije text de
+toepassing was.
+
+Ten eerste nu, kwamen, bij latere objektieve beoordeeling, sommige
+onvoegzame of onzedelijke uitdrukkingen tevens voor fouten van
+letterkundigen aard te zijn. Deze behielden voor den schrijver wel hunne
+bekoring als bewijzen van felle leer-stelligheid, maar deden feitelijk
+het wezen der roman-gedeelten, waar zij zich bevonden, geweld aan.
+
+Ten tweede echter, kwamen de letterkundig deugdelijke deelen te berde,
+die toch wegens onvoegzaamheid of onzedelijkheid moesten verwijderd
+worden. Dit was eene verdrietelijke scheiding.
+
+Een roman als deze is evenwel niet een Geheel van dien aard, dat hij,
+--gelijk een beeld of een muziekstuk wel--bedorven zoude worden door
+de uitneming van enkel kleine stukken.
+
+Aangenomen dat deze roman goed werk zij en gegeven de noodzakelijkheid
+eener keuze als de zoo even aangeduidde,--zoo moest die zich wel
+vestigen op het behoud van zoveel mogelijk van het werk, dat anders
+geheel verdonkeremaand ware gebleven.
+
+
+Zomer 1899. L. VAN DEYSSEL.
+
+
+
+
+EEN LIEFDE
+
+
+
+
+I.
+
+
+--Doe nou de deur maar dicht, kind, anders vat-je kou.
+
+Mathilde deed 't. Eerst draaide zij de onderste helft toe, daarna de
+bovenste, sloot die af met een dikken sleutel en hing den sleutel aan
+een haak, midden aan de bovenste helft der deur, waar Jans, de meid, hem
+vinden zoû.
+
+Met éen sprongetje was Mathilde weêr bij haar vader, die, meer achter in
+den gang, wachtte; zij stak haar arm door den zijnen en de twee wandelden
+terug naar het zaaltje. Zij hadden met hun tweeën de menschen, die dien
+avond bij hen geweest waren, uitgelaten. Terwijl de heer de Stuwen
+opmerkingen maakte over kleine voorvalletjes van den avond, stapte zijn
+dochter op hakken naast hem, en keek zij, het hoofd gebogen, naar de
+punten harer schoenen. Zij zeî niet veel.
+
+--Toen 't zoo geanimeerd werd, dacht ik niet, dat ze zoo vroeg heen
+zouden gaan.
+
+--Nee, antwoordde Mathilde, dat was wel vreemd. In-eens herinnerde de
+vader zich iets, iets dat hem getroffen had. Hij glimlachte, de oogen
+neêr, schalksch:
+
+--Heb-je wel gemerkt, hoe verlegen of mevrouw van Borselen werd en dat
+z'n 'n eindje met haar stoel van Louis Berlage vandaan schoof, toen ie
+die anekdote vertelde van die jonge weduwe, die zoo graag weêr trouwen
+woû?
+
+--Nee, daar heb ik niet op gelet ...
+
+--Van Wilden was weêr op zijn beau dire van-avond.
+
+--Ja.
+
+Mathilde moest nu den arm loslaten, want de ingang van het zaaltje was
+niet breed genoeg voor beiden te gelijk. Zij liet haar vader binnengaan,
+met gedachteloze blikken over zijn rug.
+
+Het zaaltje, in de war, bepoeteld, kleverig, vol klamme glansen in het
+dik-gele lamplicht, luwde een volle warmte over hun gezichten,
+doorsiepeld van glacéhandschoenen-en punchgeurtjes. Door het éene
+groote venster, dat op de binnenplaats uitkwam, frischte, als uit een
+mond van den nacht, de buitenlucht er tegen in. De stoelen stonden,
+links en rechts, in een onvriendelijke wanorde. Voete-kussens lagen over
+den vloer, wild weggeschoven.
+
+Mathilde ging naar de piano, krabde een droppel vet, die, van de kaarsen
+gedropen, op een zwarten toets was gestolten, aan poeyer, spreidde de
+groenwollen lap over de toetsen, sloot de klep dicht en borg de bladen
+muziek in het kastje daarnaast.
+
+--Ja, zeì haar vader, die, langzaam met zijn laag kaal hoofdje, aan de
+tafel was gaan zitten om nog een half uurtje de krant te lezen en haar
+bezig zag, je heb wezenlijk uitstekend gespeeld, die sonate, oneindig
+beter als laatst.
+
+--Och, zeî ze, en blies meteen de kaarsen uit.
+
+Met een soort van drift liep zij nu door het vertrek en zette de stoelen
+en het speeltafeltje op hun plaats. Zij schelde; daarna slofte de meid
+binnen.
+
+--Jans, breng de glazen en die twee flesschen nog even naar de keuken.
+En ook de kopjes, die op het buffet staan, dan is dát weêr in orde.
+
+Mathilde zette den bruinen tonvormigen tabakspot met het meerschuimen
+pijpje bij haar vader en zeî hem in een zoen in zijn voorhoofdrimpels
+goeye-nacht.
+
+--Maar, kindlief, 't is pas kwart voor elleve, ga je nou al na boven?
+vroeg de oude heer, goedig opziend haar omhelzingsgebaren.
+
+--Ja, vader, ik heb een beetje hoofdpijn, en ik woû morgen vroeg opstaan
+om wat te teekenen.
+
+--Nou, slaap wel dan.
+
+--Insgelijks, papaatje. Jans zal je goed sluiten, ook raam hier, en ga
+jij dan ook maar naar bed, hoor!
+
+--Jawel, jufvrouw, weest u maar heel gerust. Nacht, jufvrouw.
+
+Geregeld elken avond werd deze aanbeveling gegeven en zoo beantwoord, nu
+al vier jaar lang, sinds Mathilde van kostschool terug was.
+
+Mathilde holde naar boven, alsof er brand was. Daar bedacht zij iets,
+en, van het eerste portaal, riep zij luid:
+
+--Vader!
+
+--Wat is 't? riep hij door de zaaldeur.
+
+--Blijft u nu ook niet al te lang op! Denk aan uw rheumatiek!
+
+--Nee, kind, ik kom over een kwartiertje. Wel te ruste!
+
+--De jufvrouw is zeker weêr een beetje bang, zeide Jans.
+
+--Misschien wel, antwoordde de Stuwen, en stopte zijn pijpje.
+
+Mathilde sliep op de tweede verdieping, boven haar vader, in een kamer
+aan de straat, twee ramen breed. Zij had in de gauwigheid vergeten een
+licht meê te nemen en bewoog zenuwachtig rond in de donkerte. Wat een
+akelige, nare kamer ook! Waar waren nu de lucifers? zij behandtastte met
+zoekende vingers de kastjes en tafels. Eindelijk vond zij ze en stak
+gauw het gas aan. Hoe heerlijk toch dat gas, dacht zij. Gelukkig, dat
+mijn kamer ook met gas is, want als ik een lamp had, zoo als op het
+zaaltje, dan kwam ik daar zeker nooit meê klaar. Toen het gas óp was,
+ging zij tegenover de tafel zitten, in-ééns, met een schok van haar
+lichaam, op een der vier stoelen aan den wand. Zij staarde voor zich
+uit, en liet haar oogen langs de planten-figuren van het tafelkleed
+gaan; haar armen hingen loom langs de heupen neêr. Daar omtrilde haar de
+koele nukkende nachtstilte. Waarom maakte zij zoo'n haast? ze wist het
+niet. Zij keek naar rechts en zag dat de venstergordijnen nog niet
+neêrgelaten waren. De blauwzwarte lucht boven de boomen langs den
+wallenkant, onder de franje der gordijnen, scheen een door de punten der
+franje getande donkere lap goed, van gouden vonken doorstikt. Mathilde
+maakte het touw los en roef! roef! klapten de gordijnen neêr. Toen begon
+zij zich uit te kleeden, zij nam den kam uit het haar, die haar toch al
+gedurende den avond had gehinderd, en liet het dikke zwarte haar over
+den rug heen en weêr zwieren. Zij was opgewonden, voelde zich koortsig.
+Haar borst daalde en steeg onder het ritselend korset. Ring! met éen
+ruk knoopte zij haar groenzijden lijf los, trok het korset af en gooide
+het op zij. Ja, zoo kon zij toch niet naar bed gaan! Ze zoû nooit
+slapen! Met haastige groote stappen de handen op den rug als een jongen,
+begon ze te loopen, van de ramen naar de deur en weêr te-rug. Haar
+schedel en handenpalmen zweetten van opgewondenheid. Haar bovenhoofd
+werd warmer. Telkens wanneer zij de tafel en het licht achter zich had.
+zag zij haar schaduw op de gordijnen en op de muur verschijnen, een
+wilde, warrige, wemelende schaduw: een hoofd met haren in grilligen
+kroes, rechtopsprietend en in kronkelende lijnen, als een ruiker
+grashalmen zonder kunst op het veld samengebonden zich vermengend, en
+een openhangend jak, met vagen schouder en taillevorm, als een breede
+bewegende japansche vaas daaronder. Als zij naderde werd de schaduw
+grooter en verloor hoe langer hoe meer haar eersten vorm. Zij kon niet
+ophouden met er naar te kijken, zij vond dat aardig, veel aardiger dan
+gisteren en eergisteren, toen ook de schaduw op het gordijn had
+bewogen.. Zij had er nooit zoo erg op gelet. Zij kreeg de gedachte den
+ruiker en de vaas van vorm te doen veranderen. Zij stak haar hand in het
+haar en streek het nog hooger naar boven, zij strengelde den langen bos,
+die over haar rug hing, om den hals of wierp alles naar boven en liet
+het terug vallen op haar schouders en over haar gezicht. Zij had er veel
+plezier in, zij lachte hardop. Zij nam haar jak bij de tippen en sloeg
+zóo naar twee kanten uit, zij gaf het den schijn van vleugels en maakte
+er de beweging van vliegen mede, met zoo een geweld, dat het garneersel
+kraakte aan de schouders. Zij sprong in de hoogte en danste door het
+vertrek. Zij kwam er toe een balletdanseres na te doen, bracht de armen
+samen boven het hoofd en strekte ze dan weêr horizontaal uit. Zij nam
+haar rokken op in de breedte en walste zoo rondom de tafel, en zij ging
+maar voort en wist niet welke gebaren maar te verzinnen om voor zichzelf
+de Chineesche-schim te vertoonen. Haar bewegingen werden grilliger en
+ongerijmder: zij zwaaide met de vingers, deed haar kanten zakdoekje
+wapperen, draaide op éen voet rond als een tol en was op het punt naar
+haar korset te grijpen om voor tamboerijn te dienen bij haar dansen,
+toen haar blik tegen den spiegel aankwam, aan den wand. Zij vond op-éens
+dat zij dwaas deed, kwam tot bedaren, in een akelig-leêg gevoel, leî
+haar handen naast elkaâr even over de borst en zakte hijgend op den
+stoel van zoo-even neêr. Zij voelde zich weêr een jong kind zijn in haar
+dolle vreugde. Onwetend wat te doen, stak zij, uitrustende, de haren
+tusschen haar tanden, en onttrok ze weêr met geweld aan haar eigen
+beten. En hijgend neuriede zij melodiën uit de _Juive_, die zij den
+vorigen Dinsdagavond had gehoord. Zij bond de haren in stevige knoopen
+aan elkaâr. Zij trappelde met de voeten op den vloer, al maar niet
+wetend wat te doen van blijdschap.
+
+--Ja, ik ben twee en twintig jaar! joedelde zij, sprekend en zingend, en
+dat vind ik heerlijk, verrukkelijk, hemelsch, en hij houdt van me, want
+hij heeft t' van avond zelf gezeid, en wij zullen samen trouwen, zoo
+gauw mogelijk, en dat vind ik zalig! ...
+
+Achter de kamer knapten de trappetreden onder Jans, die beneden alles
+nog opgeredderd had, en nu ook naar bed ging. Mathilde waakte even op
+uit haar mijmeren, met luisterende oogen. Een beetje bedremmeld en
+aarzel-lachend keek zij in de rondte. De stappen van Jans stierven uit
+op de verdieping daarboven. Mathilde hoorde, als heel uit de verte, Jans
+haar kamertje dichtdoen en het knipje voor de deur schuiven. Daarna was
+alles stil in huis. Mathilde pakte haar gloeyende wangen tusschen de
+handen. Langzaam peuterde zij de knoopen uit de haren los en gooide ze
+allemaal naar achteren. Zij hoorde niets meer dan het gezuis van de
+gasvlam vóór haar. Zij dacht er aan dat haar vader ook al naar bed moest
+zijn gegaan. Zij keek naar de zoldering en zag de zware schaduw van haar
+ledikant. Zij vond, dat van-avond de dingen op haar kamer zoo vreemd en
+koud waren als anders nooit. De tafel bewoog niet, de kasten zeiden
+niets en de stoelen waren leêg. Er daalde een benauwde warmte van het
+plafon neêr. Alles in de rondte, wat niet in den gas-schijn was, stond
+in een rare donkerte. Mathilde zag onbekende zwarte hoekjes, en een
+vreemd soort ruischende stilte wasemde daaruit op, naar haar toe.
+
+Zij kreeg 't warm, zij streek met haar zakdoek over het vochtige
+voorhoofd en den klammen hals. Zij deed haar jak uit. Zij had pijn aan
+haar linkervoet. Zij duwde haar schoen uit. Zij had lichtgroene kousen
+aan, en kreeg onder het ledikant haar zwart-zijden pantoffels. Toen
+sidderde het dunne bedgordijn. Mathilde had een kleine huivering. Ze
+draaide het gas hooger. Langzaam ging ze naar de waschtafel. Haar wangen
+waren purperrood, haar hoofd boog naar den linker schouder, de zware
+zwarte haren bosten in glimmende kronkelingen over den half blooten rug.
+In het hoofd klopte de wildheid van zoo-even na. Zij deed een beetje
+Floridawater op den handdoek en bette haar gezicht ...
+
+O God, hij hield van haar! ... Zij was bang duizelig te worden, als ze er
+erg aan dacht. Haar handen leunden op de kanten van de waschtafel, haar
+blikken zweefden langzaam over de kom met water. Zuchtend zij er weêr
+van daan en zag besluiteloos rond. Het gaslicht brandde flikkerend hoog.
+Zij had 't erg warm. Zij haakte haar groenen rok, die met een haakje en
+oogje op den rug vast zat, los, en liet hem over haar voeten uit
+glijden, en hing hem op in een muurkast, waaruit zij meteen haar langen
+licht-grijzen peignoir, met zwart-fluweelen kraag en mouwopslagen te
+voorschijn kreeg. Zij leî dien op de tafel en bleef daarvóor staan in
+haar korte witte rokken, waaronder de groene gladde kousen in de
+vloerdonkerte op-stonden. Het haar, ver naar voren aan weêrszijde,
+verborg haar oogomkastingen in een schaduw, waar de oogen als zwarte
+seinlichtjes in uitschenen en klapten open en dicht. In elken blik zag
+zij het geheel van haar kamer, met dezelfde kleuren en vormen als elken
+avond. En toch scheen alles zoo vreemd. Er was als een bizonder en
+ongekend leven in de meubels, die haar geen kwartier geleden nog zoo oud
+en levenloos hadden omgeven. Een geheimzinnig suizen, iets, als
+schemerde daar een onzichtbaar waas van de zoldering naar beneden om
+langzaam weêr op te trekken en als zweefde er een zwartige wolkige massa
+van de wanden uit naar voren, om, door de ruimte van het vertrek heen,
+over het huisraad te dwalen en zich daarmeê te vermengen of op eens in
+zich zelf te verdwijnen. Het scheen, dat er straks een gedaante zoû
+opkomen, die iets te fluisteren had aan Mathildes oor en dat er een
+vreemde wind langs het behangsel woei, die zijn naderen voorspelde. Dan
+was 't, als of onbekende menschen of vreemde wezens langs onzichtbare
+telegraafdraden, boven door de kamer, stilletjes elkaâr allerlei dingen
+zeiden. Keek zij vóor zich, dan bewoog daar iets links achter haar, maar
+stil en zacht, zonder vijandige bedoeling, en keek ze naar den hoek,
+waaruit de beweging scheen te komen, dan bewoog er weêr iets vóor haar
+heen en wilde zij zich overtuigen, dan was alles stil en stom als toen
+ze pas binnenkwam. Zij dacht, dat zij niet wél was en deed haar hand
+tegen haar voorhoofd, de haren wechstrijkend, zoo dat het volle licht
+haar in de oogen schoot en zij alles in de rondte van een grijzige mist
+zag omwasemd. En weêr dwarrelden er klanken van de zoldering omlaag.
+Jozef, ... suist het, Jozef, ... Zij deed haar oogen toe en zag in haar
+verbeelding dien naam, en altijd, altijd dien naam, in drukletters voor
+haar. En wech was weêr de naam, en Jozef van Wilden zelf stond te voeten
+uit vlak voor haar, hij naderde nog meer en drukte zich tegen haar aan,
+zijn gezicht vastgedrukt aan haar gezicht, en zijn oogen blonken in haar
+oogen, zoo dicht bij, dat zij de lichtblauwe tint van het wit dier oogen
+onderscheidde en de klare groen-blauwe balletjes der appels haar oogen
+schenen te raken. Daarna weken zij te-rug en leunde het mooye, blanke,
+aan de slapen afgeronde voorhoofd aan het hare. Mathilde schudde de
+verschijning van haar gezicht af. Zij opende haar oogleden en voelde
+zich een beetje bang. Zij durfde niet goed meer rondzien. Weêr bewoog er
+iets links en rechts. Wat kreunde daar achter het kastje? En zij zag een
+nevel weêr door de kamer dansen. Zij keerde haar hoofd rechts af en
+wrong de handen samen, in een beweging van beklemdheid voor het lijf
+uitgestrekt. Het was, als tintelde een gevoel door het vertrek en deelde
+zich aan al de omgeving mede, één enkel gevoel van opperste bevreemding,
+éen voorspelling van een onuitsprekelijk groot en nieuw geluk. Daar zag
+zij weêr in den spiegel en keek er zich zelf in aan. Zij deed er een
+stapje op toe en zag zich als een witte pop in de kamer staan. Eerst
+bekeek zij nu aandachtig de kamer, en was verwonderd haar in den spiegel
+zoo heel anders te zien. Alles had hier het oude, gewone voorkomen, dat
+van gisteren, dat van altijd. De wanden en het huisraad deden zich hier
+bedaard en juist voor, wezenloos en zonder geluid. Dat was zonderling,
+wat een rare spiegel! Haar gezicht was ook hetzelfde als altoos, alleen
+maar bizonder, erg, al te erg verhit. Wat stond zij daar gek, waarom zag
+ze er zoo verwilderd uit, waarom gloeide haar hoofd zoo, waarom stond ze
+zoo naakt, in haar ondergoed? Waarom was ze niet naar bed gegaan? Waarom
+had ze anders haar peignoir niet aangedaan? Waar was die? ... Op de
+tafel. Langzaam stak ze haar armen door de slappe mouwen, de dunne stof
+streek haar over de leden. De zwart fluweelen rand scheerde langs haar
+warmen hals. 't Is verschrikkelijk warm! zeide ze in zich zelf. Het
+kookte haar door de aderen. Met haar zakdoek wuifde zij koelte haar
+wangen. Haar hart klopte gauw achter mekaâr. Nu gooide zij nog eens
+gedachteloos een blik in den spiegel en zij zag het bibberig glansende
+vernis, dat de borst van haar moeders portret aan den wand, links
+tegenover het gaslicht, bedekte. Maar boven die schitterende plek
+bemerkte Mathilde de droevig-ernstige gelaatstrekken. En zij dacht even
+aan haar moeder. Zij had haar zoo weinig gekend! Zij was nog zóo jong,
+toen haar moeder dood was gegaan! Suffend draaide Mathilde naar het
+portret toe. Haar oogen bedroomden het vol onbewuste gedachten. Zij werd
+bang voor die geschilderde droefheid, zij ging naar het venster en trok
+het gordijn op. Haar koortsigheid was heviger. Tevergeefs probeerde ze
+op haar eigen gemoed in te denken. Haar blik schuimde over haar
+werktafeltje af, vóor het venster heen. Midden-tusschen uitgeknepen
+waterverffleschjes en lange penceelen, een glas vuil geel water, waarin
+roode wolkjes dwarrelden, een blikken doos, met lankwerpige en
+afgesleten stukjes verf, een paar licht-bruine potlooden, een stuk
+kleverig gommelastiek en smoezelige papieren, lag er een aquarel, die
+nog afgemaakt moest worden. Plotseling bedacht Mathilde, dat zij dat
+van-avond had willen doen. In een drift over haar vergeeterigheid, nam
+ze de teekening en de penceelen op, om ze over de groote ronde tafel te
+spreiden onder het snerpende gaslicht. Haastig ging zij zitten, maar hoe
+ze er zich ook over bukte, hoe ze zich in de werkstemming trachtte te
+brengen, het landschap, dat voor haar oogen lag, warrelde alsof er een
+wemelend vlies over gespannen was. Zij kon maar niet tot rede komen. Zij
+liet het teekenen weêr in den steek en nam een duitsch boek van het
+boekerekje, om wat te lezen. Maar dit lukte ook niet. Zij liet het
+boekje liggen. Het bonsde aan haar slapen. Haar hoofd was vol van de
+dolste gedachten. Eindelijk nam ze een besluit. Ze zoû naar bed gaan,
+beproeven in slaap te komen. Ze zoû de vensters, of ten minste éen,
+openzetten, want het was een zoele Julinacht. Zij deed het raam open
+door de kruk in 't midden éens rond te schuiven; zonder leven gingen de
+twee glazen deurtjes open. Het werktafeltje werd naar achteren geduwd en
+Mathilde ging op de vensterbank zitten, haar beenen over elkaâr, den arm
+geleund op het zwart ijzeren hekje. En zij wendde het hoofd naar buiten
+in de lauwe zomerlucht.
+
+Het was een stille, hooge nacht. In korte spelingen woei zoetjes de wind
+door de trillende blaâren der boomen, vlak bij Mathilde aan den
+wallenkant en deed de haarsprietjes dansen tegen haar voorhoofd, en
+vlaagde de angst wech uit de kamer, voorbij het onrustig vlammende gas.
+Een groote kalmte daalde in Mathildes gemoed. Onder de wijde verte van
+den vonkel-krielenden hemel en boven den dorren klank der
+vér-geruchtende stads-nachtgeluiden, voelde zij het vreemde geluk in
+haar hersenen en hart, maar zonder angstige drift, zachtjes, zachtjes,
+als een dauw van zaligheid. Mathilde zag rond: een glimlach zweefde
+overal. De straatkeyen, in het lantaarnlicht, wiebelden teeder-grijs
+heen, smetteloos samenoogend, blaârenschaduwen plasvlekten in doezelige
+warrelingen over de bruingele klinkers. Als hooge kerkkaarsen stonden de
+slanke lantaarnpalen met hun van boven rossig gekartelde lichtjes, met
+geelwasemingen in de boomfestoenen. Het donker-groene water stroopte
+golfloos zachtjes voorbij. Boven de boomen uit zag Mathilde de bovenste
+ramen en de daken aan d'overkant. Aan éen venster was nog licht, een
+onbewegelijk dof licht, achter het vuil-gele gordijn. Maar hooger
+klommen Mathildes blikken, hoog boven de blauwige en bleekroode daken,
+boven de driehoekige en ovale geveltoppen uit, wijd-uit-turend, als
+zoekend, in de goud-doorstikt lichtende lucht.
+
+Heerlijk, dacht zij, het hoofd op de hand, heerlijk zoo in den nacht te
+zitten kijken! Zij had de verhitting van haar slapen voelen wijken en
+een groote blijdschap, rose, wit, licht-geel, was over haar
+neêrgevallen. Ik blijf hier op mijn gemak nog een beetje denken, dacht
+zij, het duurt nog lang eer het morgen is. Zij leî haar handen in den
+schoot en boog het hoofd voren. Lange vlassige streepen zwart haar
+vielen aan weêrszijde, onder haar ooren, langs haar hals tusschen haar
+borst. Haar oogen waren neêr, om zich te herinneren wat er gebeurd was.
+Mathildes rijtjes van lange oogharen, als kleine ragfijne waayers,
+verwarmden tint der onderoogleden met hun schaduw; twee gestolten tranen
+glinsterden haar oogen er tusschen. Zij had een bloederige roodheid aan
+de oogranden en fel-roode lippen. Haar neusvleugels trilden, als zij
+iets sterk verlangde. Zóo was zij, zoo had Jozef van Wilden haar dien
+avond gezien, toen hij haar zijn liefdesverklaring maar had meenen te
+moeten doen. Daar zat zij nu over te denken, hier aan 't venster. Zij
+wilde zich volstrekt alles te binnen brengen, elken trek van zijn
+gezicht, elken toon van zijn stem, toen hij haar die woorden had gezegd;
+zij wilde voor de tweede maal, nu in gedachten, die zaligheid door
+maken. En met veel zekerheid rees de herinnering in haar op. Het was
+in het zaaltje, achter, waar ze altijd zaten, als ze menschen kregen,
+haar vader en zij; het zal zoo wat tien uur zijn geweest. Jans was juist
+voor de tweede maal met wijn rond geweest. Mevrouw van Borselen had al
+iets gezongen, Ster en Jozef hadden al wat voorgedragen, toen zij
+begreep, dat nu de beurt aan háar zoû komen. Wezenlijk had haar vader
+haar op zijn gewone goedaardige manier aangezien en gezeid: Mathilde,
+laat jij je nu niet eens hooren? en allemaal hadden ze er op
+aangedrongen. Zij had zich een beetje zenuwachtig gevoeld, want Jozef
+gaf taal noch teeken. Zoû hij er wat tegen hebben, dat ik speel, had zij
+toen gedacht, dan zal ik juist vreeselijk mijn best doen. Wat zal 't
+zijn? vroeg haar vader. Zonder een sekonde te aarzelen had zij erg
+bedaard en erg moedig geandwoord: de _Sonate pathétique_, als u 't
+permiteert. De woorden waren er uit; nu moest ze 't ook doen. Sints een
+paar weken had zij de sonate wel alledag geoefend en de laatste drie
+dagen zelfs vlug gespeeld, maar nog nooit had ze zoo'n moeyelijk stuk
+ondernomen in gezelschap. Maar zij hield verschrikkelijk veel van de
+sonate en dacht, dat zij 'm met gevoel speelde. Zoo had zij dan, terwijl
+de kaarsen spattend knapten onder het wachtend zwijgen van de menschen,
+zich naar het muziekkastje gebukt, er het dikke kajee uitgenomen en was,
+heelemaal klaar voor den strijd, aan de piano gaan zitten. Inéens hoorde
+zij nu eene beweging achter haar en zag zij Jozef van Wilden, die
+stilletjes dichterbij kwam, zijn oogen, waarin het kaarslicht
+terugflikkerde, op haar muziek gericht, zijn snor tusschen de tanden.
+Mag ik de bladen omslaan? had hij gevraagd, met een rare stem. Heel
+graag, had zij, bizonder koel, geandwoord. Er sijpelde iets kouds door
+haar handen; zonder dat zij het wilde tikte een van d'r vingers neêr op
+een zwarten toets en flauwtjes weêrklonk een angstig hooge toon. Maar
+zij haalde krachtig adem en was zich meester. Zij was toen zonder
+aarzelen maar begonnen. Naarmate zij vorderde, ging het beter. Zij
+voelde zich gloeyen onder het spelen. Zuiver, zonder éen fout, had zij
+het stuk voleind, zij was vuurrood geworden en transpireerde er van. En
+onophoudelijk had zij Jozefs warme adem langs haar oor voelen gaan. Zij
+had gemerkt, dat die al sneller en sneller werd, naar mate zij
+gelukkiger speelde. Zij zag de bladen bibberen in zijn hand bij het
+keeren; eindelijk had ze hem tranen hooren slikken, ja, zij had het
+duidelijk gehoord, hij had gehoest om niet te laten merken dat ie
+huilde. Het laatste blad had zij zelf moeten omslaan, want hij vergat 't
+en zij wist toen niet eens meer of hij nog achter haar stond. Maar toen
+ze de slotakkoorden had neêrgestoten in volle vuur, en ze, met een
+zekere koude door de leden, opstond en zich met een "dankje wel" naar
+Jozef keerde, toen had ze hem bleek en aangedaan zóo vlak achter haar
+vinden staan, dat haar haren langs zijn wang scheerden, en, onder het
+handgeklap en de bravo's van de menschen, had hij heel zachtjes tegen
+haar gezeid, dat hij zooveel van haar hield.
+
+En als een geur, die haar verder den geheelen avond bijbleef, had zij
+die klanken meêgedragen in heur haar. Het had haar geschenen, als hoorde
+zij die stem voortdurend met eindelooze teederheid aan haar oor, als was
+er iemant die telkens zeî: mag ik je iets zeggen, Thilde, ik houd
+zooveel van je, onbegrijpelijk veel, en altijd, altijd inniger en
+doordringender. Toen de avond afgelopen was en de menschen kort na
+mekaâr afscheid namen en ook Jozef vader en haar goeyendag zeî, had ze
+hem niet aan durven zien en flauw zijn hand gedrukt. Maar zijn woorden
+zongen in haar ooren. Bij haar naar bovengaan dreunden zij haar na op de
+trap, omklonken haar van alle kanten en bonsden in haar hoofd ...
+
+Eindelijk dan, eindelijk had hij het gezegd. Wèl had zij lang gewacht,
+wel had ze hem honderdmaal, als hij bij haar vader een visite maakte en
+zoo kalm zat te praten, schijnbaar onverschillig aangezien, met de vraag
+in de keel, die zij hem toe had willen roepen: Waarom hoû-je niet van
+mij, die zooveel houd van jou, en, wil je mij en mij alleen, zooals ik
+jou en jou alleen wil, waarom zeg je 't dan niet, waarom laat je dan
+niets merken? Wèl had zij 's nachts, als ze maar niet slapen kôn, aldoor
+maar met verschrikkelijk veel verdriet aan hem liggen denken. Wèl was
+ze, onder het zingen ineens gaan huilen en had zij zoo bleek gezien, dat
+vader zich bezorgd had gemaakt aan het eten 's middags. Ja, wél lang had
+zij gewacht ...
+
+En, terwijl de stad vóor haar voortnachtte en de uren duurden ruischend
+om haar hoofd, herdacht Mathilde, met zich zelf heelemaal alleen, het
+begin van haar liefde voor Jozef, het aangroeyen van die liefde, het tot
+hartstocht worden, de dagen van hoop en de wanhoopsvlagen door die
+stille liefde over haar gebracht.
+
+Buiten stemde de wind de boomen al zachter en zachter, het water in den
+val beneden haar scheen bijna bewegingloos en in de verre hoogte waren
+de sterren gestadig.
+
+Toen zij nog heel klein was, speelde Jozef wel met haar, als hij met
+zijn vader en moeder bij hun aan huis kwam. Hij was al een groote jongen
+met een jas aan, zoo als een heer. In 't begin had zij erg tegen hem
+opgezien. Hij sprak altijd meê met de groote menschen, en eens, toen
+zij, op haar twaalfde jaar, ook iets heel ernstigs in 't midden had
+willen brengen, was háar gezegd zich stil te houden. Naar Jozef
+daarentegen werd altijd geluisterd. Dit had haar een zekeren eerbied
+voor hem gegeven, maar die toch al gauw minder werd door zijn
+vriendelijke en alles vergevende gemeenzaamheid. Als zij samen aan den
+gang waren, aan 't spreken en lachen of spelen, gedroeg hij zich als
+haar gelijke en behandelde haar als een goede kameraad. Eens op een
+buitenpartijtje, toen zij in den tuin van een uitspanning aan 't
+schommelen waren en hij haar, hoe of ze ook tegenstribbelde, veel te
+hoog opzette, was ze heelemaal duizelig geworden. Ze was gaan huilen, en
+toen Jozef eindelijk den schommel tot stilstand bracht, had zij hem, in
+haar drift, pardoes een klap in zijn gezicht gegeven. Een kwartier
+later, toen zij bedaard was en inwendig al spijt had van haar handeling,
+was hij naar haar toe gekomen om haar te vragen of zij nog boos was. Zij
+had bedeesd van neen geknikt. Hierop hadden zij elkaâr afgezoend en was
+er over niets meer gesproken. Dit voorval maakte, dat zij veel van Jozef
+begon te houden. Ze vond 't zoo lief van hem, dat hij haar niet af had
+geranseld, want hij was toch zooveel sterker dan zij. Uren lang kon hij
+zich dan ook met haar bezighouden, naar haar poppespelen kijken, haar
+goeden raad geven voor haar borduurwerk en pianospel, en nooit was hij
+boos, wanneer ze hem met een slecht humeur antwoordde. Zoo als hij haar
+van haar derde tot haar zesde jaar op zijn schoot nam, haar liefkoosde
+en sprookjes vertelde, zoo als hij toen eens heur haren had gekamd op de
+manier zoo als hij zeî dat de mooiste jonge jufvrouwtjes in de groote
+stad Parijs hun kapsel droegen, zoo als hij haar prenteboeken meêbracht,
+met veel prachtiger plaatjes, dan die zij van vader kreeg, en eens zelfs
+een echt gouden halskettinkje, zóo, met denzelfden goedigen glimlach,
+met hetzelfde gemak en geduld, met hetzelfde onverstoorbare goede
+humeur, had hij ook belang gesteld in haar vermaken van toen zij wat
+ouder werd, en zich naar haar veranderde pleizieren met dezelfde
+welwillendheid geschikt. Van haar tiende tot haar dertiende bijna
+veertiende jaar, had hij haar allerlei gezelschapsspelen geleerd, die
+haar te pas konden komen, wanneer ze met vriendinnetjes was of met
+groote menschen meêspeelde: kien, het ganzebord, het dominospel, van
+alles maakte hij haar de fijnheden duidelijk en onderwees haar in die
+handgrepen, die hij zelf had weten te ontdekken om zonder moeite te
+winnen. Hij had uren achtereen met haar zitten schaken en dammen, want
+zij hield van zulke spelen, en klapte in haar handen, wanneer hij haar
+liet winnen, zoo als dikwijls gebeurde, dan omhelsde ze hem en had hem
+nog liever dan vroeger. Zij herinnerde zich nog als den dag van
+gisteren, hoe eens, toen Jozef op een avond zoo aandachtig naar haar
+onbeteekenende eerste pianostudies had geluisterd en hij wel een uur en
+drie kwartier vlak naast haar was blijven zitten en haar een middeltje
+had geleerd om gemakkelijk de handen wijd uit te spreiden, waarna zij,
+toen al een groote meid van twalef jaar, op zijn knie was gesprongen om
+hem te bedanken,--het schoot haar te binnen, hoe toen haar vader haar
+had verweten, dat zij meer hield van Jozef van Wilden dan van hemzelf,
+haar eigen vader, en hoe zij misschien veel liever Jozef tot papa zoû
+hebben gehad. Dit was wel, neen volstrekt niet, in 't geheel niet waar.
+Zij had er zelfs nooit of nimmer aan gedacht, maar om dat Jozef zich
+zooveel met haar bemoeide en altijd haar liefhebberijen raadde, en
+altijd graâg deed wat zij ook grâag deed, om dat Jozefs leeftijd in alle
+geval met de hare zooveel meer gelijk stond dan die van haar vader, om
+dat Jozef nooit knorde, ja haar zelfs nooit ernstig onderhield, kende
+zij Jozef eigenlijk beter dan zij en haar vader elkaâr kenden, waren zij
+ten minste vanzelf schijnbaar vertrouwelijker met mekaâr. Vader las
+koeranten, waar zij niets van begreep, rookte pijpen, waarvan de
+tabaksrook haar naar maakte, vader sprak zelden met haar, of 't moest
+zijn om haar kleine godsdienstige vermaningen te geven, die nog minder
+indruk op haar maakten, om dat hij ze zelf alleen als opvoedingsmiddel
+gebruikte en zij niet uit zijn hart kwamen, dat had zij later wel
+begrepen; vader vond haar gebonk op de piano vervelend en vluchtte naar
+boven als zij begon. Er kwamen wel eens heeren vader spreken en dan zeî
+hij aan Mathilde van wech te gaan; dit vernederde haar altijd erg, en
+zoo meer. Jozef daarentegen had ook b.v. belang gesteld in haar eerste
+zelfgekozen toiletjes, de eerste uitingen van haar aanstaande
+jonge-meisjes-ijdelheid had hij met ontzaglijk veel plezier begroet en
+ze aangemoedigd. Hij was verrukt geweest te zien, hoe zij langzamerhand
+groote-dames-neigingen begon te vertoonen en hoe, met het voller
+uitkomen van haar lichaamsvormen, waar zij zelve zich toen nog ongerust
+over maakte, zij ook een beetje nuffiger en eleganter werd. Hij had
+verteld van zijn reizen, van de groote zalen vol prachtig gekleede
+dames, die hij had gezien, van de wereld daar buiten, van bals en
+konserten en komedies. Hij had haar bizonder mooye kostumen van
+hoogaanzienlijke vrouwen beschreven, die hij in hun heele volledigheid
+op had genomen. En elken dag waren zij betere vrienden.
+
+Maar toen Mathilde volwassen werd wijzigde zich langzamerhand hun
+verhouding heelemaal. Mathilde vroeg zich te vergeefs af waar 't 'm aan
+lag, zij wist geen oplossing te geven. Maar dagelijks verkoelde de
+vurige vriendschap tusschen haar en Jozef. Hij werd stiller, lachte
+minder, en er werd in 't geheel niet meer gestoeid. Ook tegenover hem
+voelde zij zich verlegen worden, dit scheen nog het meest raadselachtige
+van alles. Zonder er bij te denken was zij hem nog eenmaal, toen zij
+samen over borduren hadden gesproken en hij een haar nieuw patroon aan
+de hand had gedaan, met plotselinge aandrift zooals vroeger, op de
+knieën gesprongen en had haar arm om zijn hals geslagen. Hij was daar
+zoo verwonderd over geweest, dat hij niet geweten had wat te doen, en
+zij, met een verschrikkelijke verlegenheid onder een voorwendsel uit de
+kamer was gegaan en een wandelingetje was gaan doen. Uit instinkt
+maakten zij, toen hij een paar dagen later 's avonds bij hun was
+geweest, geen van tweeën een beweging om elkaâr een zoen te geven bij
+het afscheid, zoo als anders. Daar had zij den halven nacht toen over
+liggen denken. Twee maanden na deze gebeurtenissen, kondigde haar vader
+haar aan, dat hij haar op een kostschool in België zoû doen. Zij ging,
+en, zoo ver van hem wech, dacht zij nog maar weinig aan Jozef. Eens had
+hij haar een lieven brief geschreven, dien zij kort had beantwoord en
+met de onderteekening "uw dienstwillige vriendin en dienares". Daarop
+had hij niets meer van zich laten hooren. Haar medeleerlingen op de
+kostschool verhaalden Mathilde veel van heeren die hun 't hof maakten.
+Ja, daar had ze in Amsterdam ook wel van geweten. Als ze uit school kwam
+liepen haar altijd jongens achterna en zoenden haar en de andere
+meisjes, maar nu begon zij dat heel anders in te zien. En plotseling was
+'t haar in de gedachte komen, dat Jozefs doel misschien was geweest
+later met haar te trouwen. Dit stuitte haar tegen de borst en gaf haar
+een soort van afkeer tegen hem, zoo als hij leefde in haar herinnering.
+In de vakanties maakte haar vader reisjes met haar; éens maar was zij in
+Amsterdam geweest, en toen was juist Jozef op reis. Zoo was zij vier en
+een half jaar wech gebleven. En bij haar terugkomst voorgoed, had zij
+Jozef weêr dadelijk gezien, die haar vriendelijk groette en haar
+jufvrouw noemde. Na haar terugkomst kwam Jozef weêr hoe langer hoe meer
+bij hun aan huis en uit de gewoonte van elkaâr twee, toen drie, toen
+viermaal in de week geregeld te ontmoeten, was er langzamerhand weêr een
+vriendschap ontstaan. Zij had hem teruggezien bijna net zoo als zij hem
+vroeger had gekend. Alleen was zijn snor dikker en mooyer geworden en
+waren er lichte kringen onder zijn oogen gekomen, die alleen merkbaar
+werden, als hij van vermoeyenis sprak.
+
+Het was nu in deze jaren dat zij er zich hoofdzakelijk op toelegde het
+huis voor haar vader zoo aangenaam en gezellig mogelijk te maken. Wat
+haar bij haar vader vroeger tegen had gestaan, nam haar nu in. Zij
+verzorgde hem, trachtte zich in te wijden in zijn liefhebberijen en
+gewoonten, las de koeranten, en sprak over politiek. Zijn rooken vond
+zij pleizierig, zij lette op alles en vervroolijkte zijn leven, door
+haar pianospel en andere dingen. Zij had groote vorderingen gemaakt en
+hij luisterde er graâg naar. Zij had geen vriendinnen, zooals dat veelal
+gaat met meisjes die naar 't buitenland op kostschool zijn geweest. Die
+van haar scholen in de stad vroeger, kende zij niet meer, met de
+Belgische van de kostschool kon ze alleen korrespondentie onderhouden.
+Alleen bij mevrouw Berlage, een oude vriendin van haar vader, maakte zij
+wel eens een visitie, maar aan Emilie Hartse, een wees, het kennisje,
+dat ook wel bij de Stuwen aan huis kwam, had Mathilde een hekel, om
+Emilies geaffecteerd karakter. Dus was de persoon, waarmeê zij omging
+naast haar vader, Jozef van Wilden alleen. Een heelen tijd bleef zij
+"mijnheer" en hij "jufvrouw" zeggen, totdat haar vader zelf daaraan een
+eind had gemaakt, omdat hij 't gek vond onder jongelieden die mekaâr zoo
+dikwijls zagen.
+
+Onmerkbaar had Mathilde zich weêr tot den innemenden, beminnelijk
+zachten en toch mannelijken, goed belezen met veel smaak en oordeel
+pratenden man, dien zij Jozef noemde, aangetrokken gevoeld. Na een jaar
+werd zij zich bewust, dat ze hem liefhad. Zij dacht dikwijls aan hem,
+als ze alleen was, ze was blij als hij binnenkwam, vooral als bij haar
+hartstochtelijk pianospel, en dit gebeurde dikwijls, zijn oogen geen
+sekonde van haar afgingen. Het begon een genot voor haar te worden,
+wanneer haar hand de zijne aanraakte, bij het goeyendag zeggen of het
+aangeven van een kopje thee, of wanneer zij samen muziek doorbladerden.
+Zij begon het een pleizierige gewaarwording te vinden als haar japon
+over zijn voeten gleed, bij 't passeeren, als de weêrspannige haartjes
+van zijn hoofd langs haar schouders wiebelden, wanneer zij samen over
+een boek of teekening stonden gebukt. Want zij was druk aan 't teekenen
+gegaan, ook door hem daartoe aangezet. Zij had 't in België goed geleerd
+en zij scheen er wel talent voor te hebben, meende hij.
+
+Toen er nog een jaar was verloopen, begon ze in ernst over haar toekomst
+na te denken, en bracht in haar gedachte hem daar altijd bij te pas. Zij
+begon bepaald op hem te wachten, en als tweede helft van haar geheel
+naar hem uit te zien, naar de woorden van liefde die hij eens moest
+uitspreken, zij wist 't, en die ze hem wel van de lippen had willen
+drukken. Zij kreeg aanvallen van jaloezie. Zij begon er over te denken
+of hij ook misschien van een andere vrouw zoû houden. Zij was ongerust
+en probeerde om aan zijn oogen te zien of er iets van waar was.
+
+Zoo waren de zaken geloopen tot zoowat een maand geleden. Toen was
+Mathilde opéens heel ongelukkig geworden. Jozef had, zonder dat er ooit
+te voren sprake van was geweest gezegd, dat hij van plan was een groote
+reis te doen, voor zaken. En werkelijk, twee dagen later was hij naar
+Frankrijk gegaan. Hij had niet kunnen zeggen, wanneer hij waarschijnlijk
+terug zoû zijn. Mathilde huiverde in haar eenzaamheid. Zij drong zich
+zelf op, dat 't niet zoo erg was, dat hij na een week of zes hoogstens
+uit het buitenland terug zoû komen, en de zaken dan nog 't zelfde zouden
+staan als nu. Wat had die reis te beteekenen? Even goed dan als nu kon
+hij haar immers zijn liefdesverklaring doen, al had hij er tot nu toe
+nog nooit op gezinspeeld? Dacht hij er niet aan haar te vragen om zijn
+vrouw te worden, dan moest zijn afwezigheid haar eindelijk heel
+onverschillig wezen, hield hij wél van haar zoo als zij het zoo zeker
+hoopte, dan zoû die liefde in zoo'n korten tijd ook niet wechgaan, en
+had zij nog alles te verwachten. Maar, wat haar verstand ook te berde
+bracht en hoe ongerijmd zij het zelf vond, zij huilde in haar
+verlatenheid en zij voelde zich verschrikkelijk alleen, nu ze hem niet
+meer zien en hooren kon. Zij dacht, dat hij nu eeuwig wech zoû blijven,
+en vooral het idee dat hij van een vrouw of meisje in het buitenland zoû
+gaan houden en hij haar ontrouw zoû worden, maakte haar doodelijk
+ongerust. Maar, hij was nog geen drie weken op reis, of zij, ja zij,
+kreeg, buiten alle verwachting, een brief van hem, waarin hij haar
+vertelde dat hij in Brussel en Parijs was geweest en wat hij daar had
+gedaan. En hierbij maakte hij toespelingen op de reisverhalen, die hij
+haar zo lang geleden als kind had gedaan. Hij sprak ook heel beleefd van
+zijne eenzaamheid, en verklaarde, dat hij 't onmogelijk lang zoû kunnen
+uithouden, ver van de lieve woning der familie de Stuwen, waar hij zulke
+heerlijke uren had doorgebracht, vooral in 't gezelschap van zijn
+allerliefste vriendin. De brief was erg beleefd, maar Mathilde wist er
+zoo een verborgen liefde in te ontdekken, dat hij haar bizonder goed
+deed en zij hem niet aan haar vader liet zien. Zij antwoordde een paar
+dagen later, en tot haar zalige verbazing stond Jozef weêr twee dagen na
+de afzending van het antwoord, in levenden lijve vóor haar, met zijn
+fraayen knevel en lieve handen. Er was niets ongewoons aan hem te zien.
+
+Dit was eergisteren geweest. En nu, van-avond, kwam het tot eene
+verklaring. Al die dingen uit haar jeugd en van de laatste jaren,
+herinnerde Mathilde zich levendig. Wat een goddelijke gewaarwording was
+'t nu, terwijl alles zoo zacht en stil was om haar heen, in dezen
+zomernacht, aan de angsten en narigheden van vroeger te denken. Al die
+treurige donkere uren, waarin zij zonder hoop was, al die
+teleurstellingen en niet uitkomende verwachtingen, al die zuchten en
+tranen, gingen nu óp in één juichende vreugde vol glorie en licht. Weêr
+droomde Mathilde zich wech in wat van avond aan de piano was gebeurd.
+Weêr en nog eens weêr liet zij het Jozef zeggen, dat hij zooveel, zóo
+véel van haar hield, weêr voelde zij zijn adem langs hals gaan; zij
+merkte dat haar hart zoo vol was, als het maar zijn kon, dat het
+overliep, dat het geluk haar overstroomde. Zij had een behoefte om iets
+te zeggen. Er drukte haar iets daar van binnen, dat zij niet omvatten
+kon. Het klom haar tot hoog in de keel, het zwierde als een kramp door
+haar vingers, het moest er uit, zij wilde het roepen tegen iedereen, zij
+wilde het uitzingen aan de ooren van alle menschen die er in Amsterdam
+leefden en die begrepen, wat geluk was.
+
+Zij stond op voor het open venster, en, over het ijzeren hekje leunend,
+keek zij naar de straat beneden. Over de brug, die zij rechts in de
+schuinte zag, stapte haastig een man voort, een heer, den kraag van zijn
+overjas opgeslagen, want hij scheen het koud te hebben in Juli. Mathilde
+kwam op de gedachte, dat het Jozef wel kon zijn, die nog eens voorbij
+haar wilde gaan, om te zien of zij sliep of óp was. Zij bukte zich
+gevaarlijk ver over het hekje om te kunnen onverscheiden. Maar zonder
+dat ook maar het open venster een oogenblik zijn aandacht trok, liep de
+meneer snel voort en verdween in de straat. Mathilde keek nu langs de
+gevels en stoepen der huizen onder haar en aan d' overkant. Misschien
+was Jozef wel ergens verscholen om dichtbij haar te zijn. Zij zag iets
+zwarts, daar, links bij een kelderdeur. Maar neen, het waren stukken
+hout, die daar opgestapeld lagen. Ze keek voor niets, alles was stil en
+zonder menschen. Zij keek in de boomen, en elke opening, en elk
+bladerenvak nam zijn gestalte aan. Overal lachte de schaduw van haar
+mooyen Jozef haar tegen. Zoo duidelijk gonsde zijn stem om haar heen en
+zoo dringend wenkten zijn armen uit de takken, dat zij er bang voor
+werd. Langzamerhand was er een frischheid gekomen in de roerloosheid van
+den nacht. En heel even schemerde er een vage, dof-witte glans tusschen
+een spleet der daken, in het oosten, voor haar uit, midden boven de
+zwartheid der huizen in de Hoogstraat. Maar Mathilde zag het niet. Zij
+liet haar blikken weder langs de lantaarns gaan en telde de lichtjes.
+Zij kon maar niet tot een eind komen. Zij zag de vlammetjes na de
+vlammetjes komen en weêr anderen, en weêr anderen in de verte, zij zag
+er meer en altijd meer. Zij brandden groen, kallem op, als bloemen van
+vuur. Mathilde zag tot aan de uiterste lantaarn zij zag dóor tot aan den
+horizont en, achter den laatsten gasvlam, een beetje hooger, gloeiden de
+sterren aan den dalenden hemel. Mathilde telde de sterren, een voor een,
+en haar oogen sponnen stralen van de eene groep overzwervend in de
+andere, en altijd voort, over de heele luchtvlakte. Al die blauwzilveren
+en roodgouden stralende sterren van de donkerblauwe lucht dalend op haar
+hoofd, waren éen kleur en éen geflonker met haar ziel. In blinkende
+kringen, in warrelingen van zilverend blauw en goudend rood en lichtend
+groen dansten zij den rijdans van haar liefde. Maar Mathildes droomen
+kwijnden in een duizeling. Zij zag niets als goud en zilver. Een
+wemelende regen van helle vonken draaide er dooreen. Daalde haar blik
+tot de boomen, dan zag zij de sterren nog onder de takken, door de
+takken, overal in de rondte. En het gaslicht vlamde hoog daar tusschen
+door. En al heviger werd het vuur. Alles kwam samen en tintelde wech in
+elkaâr. Er was een val van diamanten in een geel en roode vlammenzee.
+Toen, zich wechdenkend in dat visioen, tegenover dien hemel van goud,
+die daar brandde, rees het woord op uit de diepste diepte van haar
+gemoed, toen zeide zij aan de vlammende ruimte vóor haar, haar geheim,
+en, de handen naar voren om te danken, zeî zij hardop: O God, o God, wat
+ben ik gelukkig!
+
+Een grijs licht steeg in de rondte, de huizen schemerden droevig.
+Mathilde, door de koelte verrast, deed haar ramen dicht. Zij kleedde
+zich gauw verder uit en sliep kalm in op haar witte kussen. De brief van
+Jozef, dien zij op haar borst droeg, stak hoog uit haar nachthemd op.
+
+En boven de huizen rees buiten een mooye dag, zonder wolken en zonder
+wind.
+
+
+
+
+II.
+
+
+Een week later, in een zon-doorsijpelden ochtend om half tien, stond
+Mathilde in de voorkamer, haar rug naar de straat, voor de kleine ronde
+tafel met een half-vuil servetje, waaraan ze ontbeten hadden, de
+blauw-gebloemde kopjes om te wasschen, terwijl haar vader, als naar
+gewoonte, zijn morgenwandeling was gaan doen. Zij had een grijs
+japonnetje aan, tot op den grond, zonder sleep, met smal zwart fluweel
+lint afgezet, en dat in een eenvoudig plooisel haar hals omsloot, nog
+een oude jurk van haar laatste kostschooljaar; die zij nu verder
+versleet, als ze stil alleen thuis was. Haar zwarte haar, met een
+scheiding in 't midden, hing in twee gordijntjes over haar voorhoofd,
+boven de ooren heen van achteren opgehouden in een knoetje. Aan
+weêrszijde sluikten vóor de ooren korte vlosjes vlassig naar beneden,
+die de breedte der wangen braken. Maar een onrust drukte haar lippen
+tegen elkaâr en schaduwde aan de mondhoeken. De wenkbrauwen waren een
+beetje naar het midden boven den neus getrokken en haar oogen gingen met
+een ongewonen ernst en aandacht van het eene kopje naar het andere.
+
+Zij had verschillende redenen om niet op haar gemak te zijn. Zij had
+veel nagedacht na dien laatsten avond vol geluk. Er waren wijze maar
+nare bedenkingen bij haar opgekomen ... Maar vooral kon zij zich niet
+begrijpen, dat Jozef niets meer van zich had laten hooren. Hij had zich
+in 't geheel niet meer vertoond, dit maakte haar bijna angstig. Waarom
+zoû dat zijn? Hij kwam anders altijd ten minste tweemaal in de week eens
+aan. Dit was dermate regel geworden, dat haar vader zich óok over zijn
+wechblijven had verwonderd. Toen zij den eersten morgen na zijn
+liefdesverklaring was wakker geworden, had zij gedacht, dat alles nu van
+zelf goed zoû gaan. Zij had volstrekt aan de moeyelijkheden niet
+gedacht. De behoefte aan de verwezenlijking van wat zij hoopte gaf haar
+een vaag gevoel, een onberedeneerde zekerheid, dat de zaken verder
+uitnemend moesten loopen. En daar gaf Jozef nu taal noch teeken.
+Allerlei ideeën had zij nu daarover. Eerst vroeg zij zich af, of het
+niet aan háar was den tweeden stap te doen, of hij niet wachtte op een
+andwoord, rekenende zijn vraag te hebben gesteld, op een geschreven
+bericht. Zoo-wat een uur lang was zij er zeker van, dat dit zoo het
+gebruik was, en zij wilde haar map al krijgen om te schrijven. Maar in
+éens viel 't haar in, dat 't heel goed mogelijk kon zijn, dat zij zich
+totaal vergiste, dat Jozef in 't geheel nog niet gedacht had haar ten
+huwelijk te vragen of zoo iets, dat zijn gevoel hem alleen was ontsnapt,
+en hij misschien zich juist niet meer durfde te laten zien, om dat hij
+verlegen was met zijn voorbarigheid en met den onberaden stap, dien hij
+had gedaan. Ja, misschien was 't volstrekt zijn plan niet haar te
+trouwen, en wilde hij een rijker meisje hebben.
+
+Het vraagstuk van het geld bleef haar nu voortdurend bezighouden. Al
+meer dan éens in de laatste dagen, had zij haar vader naar een staat van
+haar bruidschat willen vragen. Maar telkens had zij niet goed gedurfd;
+zij kon zich over haar liefde tegen haar vader nog maar niet uitlaten.
+Het vraagstuk van het geld werd ook weêr van minder belang door een
+ander idee; Jozef's liefde stond namelijk natuurlijk te hoog om zich met
+dergelijke beuzelarijen in te laten. Liefde voor iemant anders kon 't
+toch ook eigenlijk niet wezen, die maakte dat Jozef nu zoo op zich liet
+wachten, dáarvoor waren zijn woorden te gemeend geweest, dát had zij wel
+gemerkt. Maar toch, juist omdat zij hem zoo een schitterende
+persoonlijkheid vond, die ook voor zijn uiterlijk niet weinig zorgde en
+heelemaal wel een beetje een wereldsch voorkomen had, kon 't best zijn,
+dat er nog iets tusschen Jozef en andere vrouwen bestond. Mathilde had
+daar een heel duistere voorstelling van. Zij was nooit ingewijd geweest
+in de verboden praatjes van haar medeleerlingen op de kostschool. Zij
+was altijd onder de oppassende kinderen geweest, en hier in de stad had
+zij in het stille vaderlijk huis, met zoo weinig omgang en waar zoo
+weinig vreemden kwamen, ook al niets gehoord. Haar hoofd schuin voorover
+gebogen, een oude houding van haar, waardoor haar hals zich onder de kin
+plooide, terwijl zij met de lange slanke vingers de blauw gebloemde
+theekopjes in het lauwe water liet drijven en dansen en ze met een klank
+als van dorpsklokgelui in de verte, tegen de wanden der porseleinen
+omwaschkom aanschommelden, voelde zij zich van een groote langzaamheid
+en lauwheid doordringen. Zij vond het plezierig te kijken zonder te
+zien; de theedoek, met een bleekrood randje afgezet, hing slapjes over
+haar arm. En in nevelige beelden zag zij inwendig vreemdsoortige
+vrouwenfiguren opdoemen, de eene met een eeuwigen gouden glimlach om den
+mond, de andere met een onverwelkbaren vreeselijk grooten bloemruiker
+aan den boezem, weêr anderen van een ongekende zwier en statie, met
+roode haren van vuur die tot ver over de purper-satijnen sleepen van hun
+kleed vielen, met oogen van diamanten. Allen waren om Jozef heen en
+wilden hem met zich meênemen. Zij waren allen op hem verliefd. En hij
+stond te midden van hen, aarzelende. Dat waren de "slechte vrouwen" van
+de wereld, die Mathilde in haar droom van den laatsten nacht had gezien.
+Dit was de eenige manier waarop haar vage jaloezie voor den dag kwam.
+Mathilde had iets duivelachtigs in den reuzenlach dier vrouwen gezien en
+zij wilde dat Jozef naar háar kijken zoû en zij probeerde te glimlachen
+met een liefde zoo groot, dat zij triomfeerde en Jozef naar haar toe kwam.
+
+En zij glimlachte werkelijk, want zij zag hem weêr vlak voor haar, en
+zij kwam tot bezinning. Haar nare gedachten gingen wech. Haar liefde
+verontschuldigde hem dadelijk en opperde alleen veronderstellingen, die
+in haar voordeel waren. Hij bleef misschien wech, om dat hij van
+aandoening over wat hij gezegd had ongesteld was geworden, misschien ook
+had hij weêr ineens op reis gemoeten, of, wat ook mogelijk was, er
+ontbrak misschien 't een of ander aan zijn uiterlijk, dat wilde laten
+herstellen vóor hij Mathilde andwoord kwam vragen, in de gedachte dat
+zij dan liever zoû wezen. Om dat zij in zijn plaats daar precies zoo meê
+gehandeld zoû hebben, kwam deze gedachte van koketterie haar het
+waarschijnlijkst voor en bleef zij er aan vasthouden. Zij ging nu na, of
+alles niet heelemaal in orde was geweest aan zijn gezicht, handen en
+kleêren, den laatsten avond. En zij bleef lang hieraan denken, daar zij,
+zonder het zich zelve toe te geven, op deze manier de gelegenheid had,
+om zijn uiterlijk, daar zij zooveel van hield, tot in kleinigheden na te
+gaan. Zoû hij wachten tot zijn haar weêr wat langer was, wetende, dat
+dit hem beter stond, of moesten zijn knevels weêr zoo lang worden, als
+toen hij pas van de reis te-rug was? Zijn wangen, zijn voorhoofd en
+oogen, waar maar geen schrampje, dat eerst zoû moeten herstellen, aan te
+bekennen viel, werden onderzocht. Mathilde dacht zelfs over de nagels
+van zijn vingers, en kwam toen plotseling op het idee, dat hij een nieuw
+pak wachtte, waarover zij samen hadden gesproken een paar dagen geleden
+en dat hij van die donkergroene stof zoû laten maken, die Mathilde vond
+dat hem zoo goed stond.
+
+Maar op die manier kwam Mathilde niets vooruit. Jans slofte binnen, en
+samen borgen zij het ontbijtgoed wech, door den gang, in een muurkast en
+in een laag buffetje in de achterkamer. Jans zeî, dat 't vandaag mooi
+weêr was, maar erg warm op straat. Verder beklaagde zij zich over den
+bakker, die het fransche broodje voor meneer van-morgen weêr had vergeten,
+zoo dat Jans zelf het in de buurt had moeten halen.
+
+U is te lichtzinnig in uw oordeel, had een jaar of drie geleden de oude
+heer Berlage eens tegen Jozef gezegd, toen ze een heel ernstig gesprek
+over staatszaken hadden en de diskussie een beetje hoog was geloopen.
+Dit woord had Mathilde toen in haar oor geknoopt, onwillekeurig was 't
+haar bijgebleven. Ook nu schoot 't haar, zonder de minste aanleiding,
+weêr te binnen. En zij dacht in éens, dat Jozef wel een heel
+onstandvastig en luchtig karakter kon hebben. En als ze dan eens met hem
+trouwde, en eens heel ongelukkig werd? o, ongelukkig, ongelukkig met
+hem? Nee, dat was volstrekt onmogelijk! Maar 't was toch een heel iets,
+zoo voor je heele leven. Juist heerlijk, dat 't zoo lang duurde, daar 't
+toch met hém was! Maar waarom bleef hij dan nu ook zoo lang wech? ... Er
+kwam nog iets bij. Het was een groote kwestie of vader dit alles maar
+zoo goed zoû vinden. Wanneer zij samen alleen zaten, had hij wel eens
+over haar huwelijk gesproken, en hij had er altijd op gedrukt, dat 't
+zoo plezierig voor hen allebêi was nog een heden tijd met mekaâr te
+kunnen leven, want, zeî hij, als hij over een jaar of tien stierf, was
+zij nog altijd jong genoeg om een goeye partij te doen ... En nu woû zij
+zoo ontzettend graâg zoo dadelijk mogelijk met Jozef trouwen. O, zij
+verlangde zoo naar hem.
+
+Zij ging voor het venster zitten met een borduurwerk, tegen de dagorde
+in, want boven stond nog een heele bak met schoon linnengoed, dat
+geborgen moest worden. Maar zij verwachtte Jozef iedere minuut. Telkens,
+wanneer er iemant voorbijliep, keek ze op. Zij wilde niet gaan uit
+zitten kijken in de richting, waar hij vandaan moest komen. Dit had zij
+eergisteren bijna gedaan, maar ze was er gauw meê uitgescheiden, want
+dit zoû al te vleyend voor hem zijn. Maar in de schuinte, terwijl haar
+handen aan het borduurwerk bleven bewegen, liet zij haar blikken, half
+wech schuilend achter de oogharen, over de straat gaan. Hoe of zij het
+ook hoopte, toch was zij zenuwachtig beangst, dat hij komen zoû.
+Tusschenbeide stond zij op en liep haastig het vertrek op en neêr, en
+leî de handen voor zich uit tegen het behangsel, als om aan den wand te
+vragen wat hij zeggen zoû en wat zij andwoorden. En ging dan plotseling
+weêr zitten, zich dwingende om kalm te werken.
+
+Daar werd gehoest op straat vlak bij het venster. Schichtig keek
+Mathilde op. 't Was Jozef, doodeenvoudig. Hij stond met een hoogen
+glimmenden, prachtig glad gestreken hoed op, voor de deur en schelde.
+Zijn zakdoek, met een rood randje, wapperde in den wind vóor zijn
+gezicht. Hij stond met zijn rug naar het huis toe. Hij had Mathilde
+stellig zien zitten en durfde uit verlegenheid niet naar binnen kijken.
+Jans kwam aansloffen uit de keuken. Mathilde was met woede gaan
+borduren. Alsof zij in den sneltrein zat en een andere sneltrein reed
+dien voorbij, zóo snel en zoo ratelend gleed haar plotseling het idee
+door de hersens om "niet thuis" te geven. En met een wreede blijdschap,
+die geen sekonde duurde, dacht zij, hoe zij in dit oogenblik hem
+misschien voor altijd van haar zoû kunnen vervreemden, door Jans "niet
+thuis" te laten zeggen, nu hij haar al moest hebben gezien. Jans deed in
+dien tijd de voordeur open. Mathilde had in een bibberende kalmte haar
+werk in de vensterbank gelegd en was opgestaan, niet wetende wat te
+doen. Zij werd rood en bleek en verschrikkelijk zenuwachtig, zij voelde
+haar mond droog worden. Er steeg een kramp op uit haar maag tot boven in
+de keel. Zij liep tot vlak bij de deur, die op een kier stond, om te
+luisteren. Zij hoorde alles wat er gesproken werd, en toch scheen 't
+haar, als hoorde zij niets; als een dof gebrom uit de verte klonken de
+woorden, die Jozef en Jans zeiden. De adertjes aan haar slapen zwollen
+tot fijne dofblauwe slangetjes; met een open mond, en haar handen in een
+zenuwachtige beweging uitgestrekt naar achteren, het hoofd naar voren
+gebogen, luisterde zij, terwijl haar oogen rood werden. Daarna werd zij
+heel erg bleek en begon geducht over haar heele lichaam te beven, want
+Jozef klopte op de deur. Heel zachtjes, heel zachtjes zeide zij
+"binnen!" Met een driftigen stoot deed Jozef de deur open en weêr
+dadelijk achter zich toe. Hij had geen handschoenen aan. Hij was óok
+bleek en zijn oogleden sidderden. Hij zag Mathilde strak aan, zonder een
+woord te zeggen. Zij had haar oogen neêrgedaan. Maar langzaam, met een
+instinkmatige beweging, strekte zij haar armen half uit in de richting,
+waar hij stond. Hij, dat ziende, zette haastig zijn hoed op de tafel,
+die er afviel en over den vloer rolde, hij nam haar twee kouwige handen,
+en trok haar zoo naar zich toe. Zij kwam zachtjes dichterbij. Toen hun
+hoofden vlak bij elkaâr waren, keek Mathilde hem aan. Hun blikken gingen
+in elkaâr. Zoo gaf Mathilde zich. In onbewuste beweging, kwam zij met
+haar mond naar voren. Hij boog zich een beetje en zij zoenden elkaâr
+lang, voor het eerst. Verwonderd over zich zelf, beschaamd, en hevig
+aangedaan, huilde Mathilde nu, haar gezicht tegen zijn jas. Zij hadden
+nog altijd niets gezegd. Jozef kreeg zijn batisten zakdoekje uit zijn
+borstzak en droogde er zoowat haar tranen meê wech. Maar zij keerde zich
+af, zij snikte stilletjes en bij langere tusschenpoozen; zij ging achter
+in de kamer zitten, haar zakdoek voor de oogen. Jozef veegde zijn
+gezicht af, keek naar zijn hoed om, raapte hem op, zette hem op een
+stoel en schikte zijn zakdoekje in zijn borstzak. Toen wist hij
+volstrekt niet meer wat te doen. Hij ging dus voor den spiegel staan en
+peuterde aan zijn gekleurde das. Mathilde was weêr opgestaan, bleek,
+maar tot bedaren gekomen. En zij vroeg, als dorst ze over hun liefde nog
+niet te spreken, terwijl ze hem met nog natte oogen aanzag:
+
+--Weê-je ook iets drinken, Jozef?
+
+Hij, verwonderd over die vraag, andwoordde:
+
+--Nee, dank-je, het is nog zoo vroeg.
+
+Hij draaide zich naar haar toe, greep haar van achteren bij de armen zoo
+dat zij met haar schouder tegen zijn borst kwam te staan. Hij behandelde
+haar weêr als een klein meisje. Vroeger, vóor zij naar het kostsschool
+was gegaan, hadden zij honderderd maal zoo gestaan. Hij boog zijn hoofd
+tot naast het hare. Haar haren gingen langs zijn kin.
+
+--Je bent toch niet boos? vroeg hij, ik kon het niet langer inhouden.
+
+--Wat bedoel je? fluisterde zij.
+
+Wat ik verleden week bij de piano heb gezeid. Zij keek hem aan met
+lachen en huilen om haar mond heen. Toen keek zij weêr voor zich en zeî:
+Nee, ik ben niet boos.
+
+Hij zoende haar voorhoofd en liet haar los.
+
+--Mag ik nou nog wel hier blijven, nou je vader d'r niet is? Vroeg hij
+weêr.
+
+--Vader mag er niets van weten.
+
+--Waarom niet?
+
+--Zij waren naast elkaâr op twee stoelen aan den wand gaan zitten, om te
+praten. Het was bizonder licht en levendig in de kamer: een heldere dag.
+Mathilde leì aan Jozef uit, hoe ze vooreerst niets van aan haar vader
+zoû durven zeggen, want dat 't hem treffen zoû als een onverwachte slag.
+Zij, zijn dochter, was zijn eenig gezelschap, zijn eenige steun, het
+eenige, wat hij nog in zijn leven had. En nu begreep zij zelf heel goed,
+dat hij niets graâg van haar scheiden zoû. Jozef moest dat ook inzien.
+Zij zouden 't best doen met vooreerst te wachten, tot er zich van zelf
+een gelegenheid zoû voordoen, om van hun plannen te spreken. Jozef had
+haar handen in de zijnen genomen. Toen zij uitgesproken had, zeide hij
+alleen: Thilde, wij zijn voor mekaâr gemaakt. Als om met haar volle
+verstand er bij te zijn, zag zij nu klaar in zijn oogen, en antwoordde
+bedaard: Ik hoû zôoveel van je, zôoveel, dat ik zonder jou nooit zoû
+kunnen leven. Hij glimlachte en zoende haar handen.
+
+--Kom nog een beetje dichter bij me zitten, zeî hij, zijn arm om haar
+hals leggend. Zij deed 't, haar hoofd gleed langs zijn schouder tot half
+onder zijn kin. Zij zag naar hem op, en zij spraken verder, haar twee
+handen steunden op zijn mooye linkerhand. Hij merkte, dat zij zich
+heelemaal aan hem gegeven had en keek voortdurend op haar neêr, met een
+vriendelijk gemak, zich nu al zeer thuis voelend in de nieuwe verhouding.
+Mathilde verwonderde zich, dat wat daarzoo gebeurd was zoo eenvoudig in
+zijn werk was gegaan. Zij voelde zich nu heerlijk rustig.
+
+--Zou 't dus nog lang moeten duren? vroeg hij, wij zijn al zóolang voor
+mekaâr bestemd. Zij meende van ja, zij wist volstrekt geen middelen om
+haar vader aan de gedachte van een scheiding te wennen.
+
+--Al duurt 't nu ook nog een tijdje, we zullen toch erg gelukkig zijn,
+en we, ten minste ik, ik ben het nu al, zeî ze zachtjes. Zij maakte
+meteen een knoop van zijn vest dicht, die los was gegaan, en schrok
+daarbij van wat ze deed.
+
+--Ja, maar ik niet, andwoordde hij, of liever, ik zoû nog veel
+gelukkiger worden dán ... Mathilde hield hem niet zoo vast meer. Het
+maakte een naargeestige nieuwsgierigheid in haar gaande als er zoo over
+het huwelijk gesproken werd. Zij wist wel dat 't iets heel groots moest
+zijn, iets van lichaam en ziel vereenigd maar verder niet. Het maakte
+haar ook erg verlegen:
+
+Jozef voelde iets als een koude verwijdering. Onder het voorwendsel aan
+het raam iemant te willen zien, die op straat voorbijging aan d' overkant,
+had Mathilde Jozefs armen van zich losgemaakt en was zij voor 't venster
+gaan staan, den rug naar Jozef gekeerd, die bleef zitten, zonder te weten
+waar zijn handen te laten. Met een linksche beweging stond ook hij op en
+kwam naast haar staan. Zij keek naar buiten.
+
+--Wat blijft de modder op dat nieuwe soort zand lang liggen, zeî ze, als
+in gedachte, zonder hem aan te zien, de oogen naar de Hoogstraat.
+
+--Ja, andwoordde hij, zonder haar weêr te durven aanraken, ze hadden
+daar nooit meê moeten beginnen.
+
+Toen zeiden ze geen van beiden een woord meer. Mathilde keerde zich om
+en drentelde door de kamer haar zakdoek met de handen vervouwende. Een
+onverdrijfbare bevreemding vervulde haar over de zoo in-eens ontstane
+nieuwe verhouding, waarin zij tot dien Jozef van Wilden was. Zij bekeek
+zich zelf en hem en zag verwonderd door het vertrek, naar de
+staalgravuren langs den wand en de bronzen pendule op den schoorsteen,
+die stomme getuigen waren van dit zonderling voorval. Er was een strakke
+stilte. Het scheen haar, als was Jozef een vreemdeling. Zij had dien man
+jarenlang gekend, zij was altijd zijn vriendin en hij haar Vriend
+geweest tot voor een week geleden nog, en nu waren zij plotseling
+geëngageerden. Voor de verrassende gewaarwording der werkelijkheid van
+het oogenblik, verdween de geheele geschiedenis van haar stille liefde,
+het groote gevoel van bevrediging en geluk, dat zij dien avond toen hij
+het gezegd had, had gehad. Hij stond in levenden lijve voor haar en ze
+dorst niet meer naar hem omzien en begreep zich maar niet, wat haar
+bewogen had om die man zoo-even te omhelzen en zich aan zijn borst te
+houden. Vroeger zoû zij zoo iets nooit gedaan hebben. Zij zag de punten
+van zijn knevel aan weêrszijde van zijn hoofd uitsteken. Hij beet juist
+op zijn lippen. Zijn vond zijn onderlip nu leelijk dik. Zij zag dat hij
+een scheiding op zijn achterhoofd droeg; dit was trouwens al jaren zijn
+gewoonte, maar nooit had ze 't zoo opgemerkt als nu. Ze vond het
+fatterig, maar zij zoû 't hem ook wel afleeren als zij maar eens
+getrouwd waren. Zij vond zijn achterhoofd en de manier, waarop de
+onderste haartjes over den rand van zijn staande witten boord heen en
+weêr wipten, als hij zijn hoofd meer naar voren of naar achteren hield,
+niets gracieus. Zij zag zijn mooye jas, en zij kon zich maar niet
+voorstellen wat vijf minuten geleden gemaakt had dat zij haar wang op
+die jas leî. Dat was bepaald onfatsoenlijk van haar geweest. Een
+licht-rimpelende wreveltint kwam over haar gezicht. Zij ging de pendule
+opwinden. Nu herinnerde zij zich duidelijk, dat zij gerooken had, toen
+ze zoo dicht bij hem was, dat hij parfum op zijn jaslapel had met een
+vage lucht van oude tabak. Zij kreeg haast een afkeer van dien man. Zij
+was vroeger, toen ze nog goede kameraden waren, nog nooit zoo boos op
+hem geweest als nu.
+
+Jozef draaide zich naar haar toe. Het viel haar op, dat hij er een
+beetje plomp uitzag.
+
+--Ik geloof, dat ik er iets op weet, zeî hij; een heel eenvoudig middel.
+
+--Waarop? vroeg ze.
+
+--Om gauw te kunnen trouwen en toch vader geen verdriet te doen.
+
+--Wat dan? vroeg Mathilde. Dat "vader", zonder "jou" er voor, maakte
+haar nog balooriger.
+
+Hij leî haar nu uit, dat niets gemakkelijker was, dan dat zij, na hun
+huwelijkreis, met haar vader samen gingen wonen, en hij dus altijd in
+hun gezelschap zoû zijn, en Mathildes zorg niet hoefde te verliezen,
+integendeel, op die manier een gezelligen en vroolijken ouwen dag
+zoû hebben.
+
+Maar zij was uit haar humeur: Wat spreek je al over al die dingen, over
+huwelijksreizen, als of dat zoo maar morgen gebeuren kon, zeî ze, ik
+dacht, dat daar altijd pas na maanden over gesproken werd.
+
+Nu was Jozef op zijn beurt ten hoogste verwonderd. Hij had integendeel
+gedacht, dat 't haar heel aangenaam zoû zijn zoo gauw mogelijk met alles
+klaar te komen en alles lang vooruit te bespreken en te bepalen. Hij had
+haar nog nooit op zoo'n vreemden toon hooren spreken.
+
+--Maar, Mathilde, hoe kan je nu zoo wezen! Als ik je pas een paar
+maanden kende of zoo, als ik je een het hof had gemaakt en ik woû je
+daarna op manier ten huwelijk komen vragen, dan zoude wij misschien ...
+of nee, dan zoû toch nog mijn eerste gedachte zijn, natuurlijk, over ons
+huwelijk, de huwelijksreis en al die dingen, ... dat spreekt immers
+vanzelf ... en hoeveel te eerder nú, wij kennen mekaâr al zoo lang, we
+zijn als 't ware voor mekaâr geschapen en wat nu gebeurt is een
+natuurlijk gevolg onzen heelen omgang van vroeger, ... nu is 't des te
+natuurlijker, dat wij dadelijk over die zaken spreken.
+
+Maar zij liet zich niet overreden. En om nu over de zaak zelf te
+spreken, zij had óok verstand van het leven. Wanneer ze dan eenmaal
+gevestigd zouden zijn, zoû vader nooit bij hun in komen wonen;
+schoonmoeders of schoonvaders in huis brachten nooit geluk. Vader zoû
+zijn kleine gewoontes geëerbiedigd willen zien, die met hun levenswijze
+niet stroken zoû. Vader was gewend aan stilte, aan rust, aan
+eenzaamheid, aan zijn minste verlangens dadelijk te voldoen. En zij met
+hun tweeën, ze begreep heel goed, dat ze veel uit zouden gaan, menschen
+zien, partijtjes geven misschien en allerlei drukte hebben, waar vader
+niet van hield. Mathilde telde een massa bezwaren op, het eene kwam
+voort uit het andere, zij vond er een zeker pleizier in, in een hoop
+woorden zich de toekomst zoo naar mogelijk voor te stellen. En in-éens
+midden in al dat gepraat, kwam haar toekomstig moederschap voor den dag.
+Zij zeide, en werd dadelijk vuurrood: En als er een kindje komt, wat
+dan? Ze had Jans, de meid, dit wel eens hooren zeggen. En zij redeneerde
+voort over het kindje. Als er een kindje kwam, wat dan? Dan zoû 't voor
+vader niet meer om uit te houden zijn. Ten eerste het voortdurend
+geschreeuw van het kindje, later zijn vermoedelijke wilde speelschheid,
+ten tweede de onmogelijkheid voor haar, om zich verder veel met haar
+vader bezig te houden. Dit zoû dan heelemaal onmogelijk worden. Neen, 't
+kon niet, onmogelijk; zij moesten nooit een oogenblik denken, dat vader
+bij hen in zoû komen wonen.
+
+Dood-bedaard had Jozef naar haar geluisterd. Hij vond haar allerliefst
+in haar kriegligheid, die hij zich niet begreep. Het driftig bewegen van
+haar lippen deed hem plezierig aan. Toen zij van 't kindje sprak, had
+hij 't lastig gevonden haar aan te blijven kijken en was met snel
+knippende luisterende oogen weêr uit het raam gaan kijken. Heel ernstig
+vroeg hij:
+
+--Hoû-je van me, 'Thilde, is 't wezenlijk waar, zooals je het gezeid
+heb?
+
+Haar goede gemoed kwam boven: Ja, wezenlijk heel veel.
+
+--Nou, laten we er dan maar niet meer over spreken. Als wij van mekaâr
+houden, zal alles verder zich van zelf wel schikken. Ik zal over alles,
+wat je gezeid heb, eens op mijn gemak nadenken. Jozef had de Stuwen, met
+zijn zwak in-éengedoken gangetje, op straat aan zien komen en woû dus
+een einde aan de diskussie maken.
+
+--Geef me dan nog een zoen, daar is je vader, zeî hij. De zoen werd
+gegeven heel gauw, maar Mathilde hield haar mond op-zij en er bleef
+eventjes een klein vochtig schaduwkringetje op haar wang. Toen haar
+vader de stoep opkwam en Jozef hem groette met zijn hand, veegde haar
+zakdoek 't stilletjes wech.
+
+'t Was half-twaalf geworden. De heer de Stuwen morrelde even met zijn
+huissleutel in het slot, veegde zijn voeten af op de vloermat, en hing
+zijn jas en hoed aan den kleinen standaard, zette zijn stok in den bak
+en kwam binnen, met een groote witte linnen zakdoek zijn neus snuitende.
+De twee heeren gaven mekaâr een hand. Hè, hè, 't is heerlijk weêr, zeî
+de Stuwen. Van Wilden, waar kom jij van-daan? ik dacht dat je gestorven
+was ... Zeker weêr op reis geweest ... Hè, hè, ik ben lang wechgebleven ...
+Gaan we nog geen koffiedrinken, kind? Mathilde keek op haar horloge,
+dat, met een dik zwart koordje in een knoopsgat van haar lijf vast zat.
+Zij schrok, om dat 't al zoo laat was en ging gauw de kamer uit. Zij
+kwam nog even te-rug.
+
+--Mag ik voor jou ook dekken, Jozef?
+
+--Nee, dank-je, ik zoû 't heel graâg doen, maar ik heb afgesproken om in
+de club te komen.
+
+Wech was zij. Zij hoorden haar in de achterkamer bij het buffetje bezig.
+Jozef kreeg donkergrijze handschoenen te voorschijn uit de pandzakken
+van zijn jas en trok den linker aan. Hij streek zijn hoed glad met zijn
+voorarm waarover hij met de hand het laken van zijn mouw strak gespannen
+hield, en maakte een praatje met de Stuwen. Hij vroeg hem, of hij ook
+gezien had, hoe of het stond op den Dam met het opbreken van de
+gaspijpen vóor Hajenius, dat al zoo lang de passage had belemmerd. Zoo
+spraken zij nog over eenige andere zaakjes.. Jozef nam daarna afscheid.
+Nee, blijft u binnen, zeî hij, toen de heer de Stuwen hem wilde
+uitlaten, ik zal er alleen wel uitkomen. De heer de Stuwen liet zich
+gezeggen; hij was nog moe van de wandeling. Toen Jozef den knop van de
+voordeur omdraaide, om het huis uit te gaan, kwam Mathilde gauw achter
+uit den gang naar hem toe. Zij sprak gejaagd, terwijl zij hem met hevige
+oogen aanzag: Ik heb zoo'n berouw over mijn stuurschheid van daar-zóo;
+ben je d'er nog boos om?
+
+--Dat weet-je wel beter, zeî hij, en het was ook eigenlijk mijn schuld.
+Maar hij moest het nog eens zeggen:
+
+--Wat zeg-je?
+
+--Dat ik volstrekt niet boos ben en dat ik nooit boos op jou zoû kunnen
+zijn.
+
+--Zeg in allen geval nog niets aan vader, laat hem niets merken. Ik moet
+het hem langzamerhand vertellen. En kom van avond te-rug, toe, zal je 't
+doen, ja, toe, of uiterlijk morgenvroeg, dan ben ik weêr alleen, vóor de
+koffie.
+
+--Goed, zeî hij en wilde haar voorhoofd zoenen. Maar zij ging achteruit.
+
+--Pas op voor Jans, zeî ze, die mag ook nog niets zien.
+
+Toen Mathilde weêr binnenkwam met het dekkertje en den witten broodzak,
+zat haar vader uit te rusten in den leuningstoel, die in den hoek bij
+het venster stond.
+
+--Als 't zulk mooi weêr is, zeî hij, hebben die ruiten een glans,
+precies als van blinkend staal ... Ik had volstrekt niet gezien, dat van
+Wilden hier was ... Was hij er al lang? ...
+
+--Nee, op zijn hoogst een kwartier, antwoordde Mathilde, wat ie eigenlijk
+doen kwam, weet ik niet.
+
+--Och, hij kwam zeker maar een morgenpraatje maken vóor ie naar de club
+ging.
+
+Mathilde zette klaar: den broodbak in het midden van de tafel met een
+lankwerpig versch brood, niet aan den eenen kant een laag wit paperig
+kruim, dat in een koker van korst was geborgen. Het hellende dak der
+korst, van boven, was donker zwart bruin en ging, bij het zijwaards
+afdalen van de korst, in een melkchocolade-kleurig bruin over, van daar
+in lichter bruin, geel bruin, en de onderkant was grijzig geel, zwart
+doorschemerend. Aan den éenen uithoek was ook weêr het kruim zichtbaar,
+de andere was een geel bruinig rontetje, als de kin van een Indische
+vrouw. Aan weêrszijde van de tafel werd een bord van glimmend wit
+aardewerk gezet, een stalen tafelmesje met hard zwart-houten heft er
+naast. Aan den linkerkant van Mathildes bordje schoof zij het chineesch
+verlakte blaadje, waarop een flesch bessensap en twee bierglazen
+stonden, een witte suikerpot en een ingeleid lepeldoosje. Vier witte
+mekaar flankeerende schaaltjes, als vreeselijk groote verstijfde
+rozebladen, om den broodbak heen. Op het eene was grijs onmachinaal
+roggebrood, een stapeltje van zes dunne sneêtjes, want vader was er dol
+op; op het tweede en stuk oranje-bruine stroopkoek, met een weeke zwarte
+korst, van regelmatige ribben oversneden. Op het derde lag een log stuk
+zoete-melksche kaas; op het vierde lagen zeven plakjes vettig blad-dun,
+bleekrood, van gespikkeld goud beglansd gekookt rookvleesch.
+
+De heer de Stuwen voelde zich heerlijk thuis te midden van die kleine
+burgerlijke spijzen. Hij zeî: Kom-an, laten we nu maar aan den gang
+gaan. En hij ging op een door Mathilde klaar gezetten gewonen stoel
+zitten, vóor het bordje. Hij was een erge liefhebber van brood en vond
+het ook een aangenaam gevoel brooden te hanteeren. Hij nam het brood,
+dat nu vóor hem lag dan ook uit den bak en sneed er het uit-einde af, na
+er eerst met de punt van het mes een kruisje opgemaakt te hebben. Dit
+was een gewoonte, die zijn vrouw hem geleerd had en die hij, ofschoon
+hij niet aan de godsdienst deed, toch aan had gehouden. Hij dacht altijd
+aan zijn vrouw, die streng katholiek was, als hij dit kruisje maakte.
+Mathilde schonk de bessensap in. Zij wist van alles de maat voor haar
+vader: zooveel suiker, zooveel bessensap en zooveel water. Door te
+roeren loste zij de suiker op en gaf haar vader het glas aan. Deze vond
+'t lekker koel en stelde voor een raam open te zetten, hetgeen Mathilde
+deed. Een verward gegons, doormengd met een paar schrille schreeuwen van
+koopvrouwen, woei naar binnen. Er rolden rijtuigen over de brug met
+ratelend geraas en den matten paardenhoefslag. Muschgetjilp suizelde in
+den zomerwind uit de boomen. De heer de Stuwen duwde een sneetje
+roggebrood op zijn boterham, hield dezen vast met de linkerhand en sneed
+hem aan vier gelijke reepjes, die hij, éen voor éen, met een tevredenheid
+over het voldoen van deze zoo geoorloofde en gemoedelijke en bedaarde
+lust, aan zijn mond hief. Daarna dronk hij zijn glas weekroode bessensap
+tot aan den bodem leêg en vroeg om nog een glas aan Mathilde, die al met
+haar hand zat uitgestrekt; terwijl een klein koeltje door het open venster
+haar lichtste haren liet wuiven over haar voorhoofd, en haar bleek gezicht
+beter liet zien.
+
+--Kind, wat zie-je bleek.
+
+--Ik weet niet, vader; dat is zeker om dat ik van morgen een beetje
+hoofdpijn heb gehad.
+
+Eigenlijk was 't van geluk. Zij was wel een beetje boos op zich zelf,
+over de onaangenaamheden, die zij, zij zelf kon zich nu niet begrijpen
+hoe en waarom dat was gebeurd, aan Jozef gezegd had, maar dat hij
+gekomen was, eindelijk na dat eeuwige wachten van die lange, lange week,
+dat maakte haar erg blij. Zij wist weêr niet wat zij doen zoû van
+plezier. Ze kwam op het idee, dat haar vader verbaasde, om hem, ter
+gelegenheid van dit hun gewone koffidrinken, op iets extraas te
+trakteeren van haar eigen geld. Zij zeî het hem; zij sprak van een
+blikje sardines, een leverworst, een ommelet, een biefstukje, dat Jans
+even kon halen bij den slager op den hoek van den steeg, enfin, wat hij
+maar woû. De vader begreep er niets van. Hoe kwam 't in haar op?
+Waarvoor die bizondere traktatie van-daag? Had ze een lotje uit de
+loterij getrokken, of was 't maar een nieuw grilletje? In allen geval
+bedankte hij, en zeide, dat als ze wilde, ter eere van het mooye weêr of
+wat dan ook, zij voor het eten maar iets lekkers moest laten klaarmaken,
+dan zouden zij samen weêr eens smullen. Nu vroeg Mathilde of de koffie
+gedaan was. Zij had haast om alleen te zijn, stil boven op haar kamer.
+
+--Ik ga van middag naar _Artis_, Thilde, zorg dat je over een
+kwartiertje klaar bent;
+
+--Ik woû liever thuisblijven, vader; ik heb boven nog zooveel te doen.
+De heer de Stuwen was verwonderd. Het was voor het eerst van zijn leven,
+dat hem zoû iets overkwam. Hé! ging ze niet meê! Maar waarom dan niet,
+wat scheelde haar dan toch? Wat had zij dan nog te doen, wát? Den heele
+bak met linnen te bergen, die er nog stond! Een mooye grap, kon dat dan
+later niet gebeuren in plaats van vader alleen naar _Artis_ te laten
+gaan, waar hij zich zeker vervelen zoû. Maar er was niets aan te doen.
+Mathilde noemde nog tien andere zaken op, die volstrekt gebeuren
+moesten. Vader ging alleen naar Artis.
+
+Mathilde was een te goede huisvrouw, om niet eerst het schoone goed, dat
+al zoo lang in de stof stond, te bergen, vóor zij ging zitten teekenen
+en denken op haar kamer. Terwijl ze éen voor éen de stapels lakens,
+sloope en nachthemden, die nog een beetje vochtig áanvoelden en zwaar op
+elkaâr lagen, in de ouderwetsche bruine kast, met een wit papier op
+eiken plank, schikte, en daarna vaders overhemden een plank hooger
+appart leî en zijn kousen nazag, of die ook gestopt moesten worden
+misschien, dacht ze er aan, dat deze huishoudelijke drukte nog niets was
+bij wat haar later te wachten stond als ze eens eenmaal getrouwd zoû
+wezen. Ze woû dezelfde orde volgen, waaraan ze nu eenmaal gewoon was en
+die op den duur het best beviel. Zij ging voort met na te denken over al
+de groote pleizieren van het hebben en het bestieren van een eigen
+huishouding. Zij deed 't nû ook wel bijna, maar 't was toch dát niet;
+ten eerste moest alles gebeuren precies zoû als vader het woû, en al
+dacht zij tusschenbeide heel anders als hij over allerlei dingen, zij
+sprak er nooit van, maar deed, wat hij wilde; ten tweede was Jans er,
+die haar had zien geboren worden en aan wie nooit in te prenten zoû
+zijn, dat Thilde, die ze zoû dikwijls schoone luyers had aangedaan, en
+die ze daarna zooveel jaren had zien spelen en springen door het huis,
+dat Thilde nu heelemaal behandeld moest worden zoo als men het anders
+een mevrouw deed; ja, Jans dorst op een heel wat hooger toon te spreken
+tusschenbeide, dan Mathilde het de meiden, die zij later zoû nemen, zoû
+laten doen. Zij wist wel, dat er nog in lang niet van komen zoû, maar
+het zoû er toch éens van komen en ze vond 't hoogst prettig zich dat
+alles nu al zoû levendig voor te stellen. Ze zouden bepaald twee meiden
+houden, want Jozef zijn geld plus het hare, maakte dat zij best op zoo'n
+voet zouden kunnen leven. Op deze manier zoû zij zelve ook meer tijd
+krijgen voor piano-en teekenstudiën, dit hoofdzakelijk voor hem, om hem
+het leven aangenaam te maken. Zij vond het zóo verschrikkelijk heerlijk
+te denken aan hem, aan het leven met hem alleen, dat zij deze gedachte
+voor een soort van opperst onthaal voor haar hart en hersenen bewaarde.
+Zij ging namelijk door met zich in haar heele toekomstige leven in te
+denken, maar zich alleen met al het bijkomende bezighoudende, met de
+gracht, waar-zij een huis zouden kiezen, met de meubeleering van de
+kamers, met de wasch, met de meiden, met de partijtjes, die zij geven
+zouden, met den zolder, met den gootsteen, met de toiletten, waarin zij
+gekleed zoû gaan en zoo meer. Een enkele keer liet zij even de gedachte
+doorschemeren, die haar het meeste geluk gaf: het samenzijn en het
+alleen-samenzijn met hem; zij bespaarde die stof, met glinsterende oogen
+en zuchtende borst, en leî voorzichtig de overhemden van haar vader in
+de linnenkast, evenals een kind eerst het bladderdeeg om een taartje
+heen, opeet, om voor de laatste hap het genot van de konfituren te
+bewaren. Eindelijk dan ook, toen alles geborgen was en netjes op zijn
+plaats gelegd, toen Mathilde over alles had nagedacht, tot over Jozefs
+garderobe en over de nieuwe soort heerenborstrokken, die mevrouw Berlage
+zoo geprezen had en die Mathilde, als eenmaal de intimiteit groot genoeg
+geworden zoû zijn, aan Jozef te dragen zoû geven, toen zij over de
+mogelijkheid had gedacht om 's zomers naar buiten te gaan, om een hond
+te houden, en ook over de brievenbus, die ze in haar voordeur zoû laten
+maken, toen liet ze plotseling dat alles wech gaan, gooide al die
+wezenloze dingen ver uit haar geest, dacht aan niets meer van de
+omgeving, aan geen enkele bijzaak meer, maar aan hem, aan hem alleen,
+aan de uren van onbeschrijfelijk geluk, die zij ver van de waereld, ver
+van iedereen, tot ver van haar vader toe, in een achterkamer of zoo,
+ergends, waar het ten minste schemerdonker was, waar geen geluid hen zoû
+bereiken en ook de zon hen niet zoû kunnen verlichten, heelemaal alleen
+samen zouden zijn. Zij voelde den stroom van het denken aan hem alleen,
+die zij zoo lang mogelijk had tegengegaan, om hem de meeste kracht te
+geven, met alle geweld langs alle kanten doorbreken en haar hart
+overgolven. Zij wilde nu denken áan en door de kracht van haar gedachte
+het nu al in den geest beleven, dat geluk van het alleen-samenzijn.
+Daarbij kwam, dat er een onopgelost iets, een vraagstuk vol duisterheid,
+iets, dat zij zich ten innigste bewust voelde zonder het te begrijpen,
+verbonden was aan de bepeinzing van dit heerlijke onderwerp. Zij dacht
+aan al wat ze hem zeggen zoû, als ze eens heel en al, zonder
+te-rughouding, in volle oprechtheid, wat in haar hart omging voor hem
+bloot zoû kunnen leggen en zich zonder voorbehoud van hem afhankelijk
+stellen. Zij zinde er op, wat ze zoû doen, hoe ze zich zoû kunnen
+gedragen, hoe zij haar eigen wezen zoû kunnen veranderen, zich
+vervormen, zich liever en beter maken of wat of hoe ook ze in Godsnaam
+zoû kunnen handelen, om een ongehoord bewijs, een heilige en
+onbetwijfelbare bekentenis te geven van haar liefde. Wat moest ze
+getuigen, wat had ze te openbaren, op dat die getuigenis en die
+openbaring hem onweêrstaanbaar overtuigden, dat haar liefde zoo waar
+was, dat zij het wel met haar bloed tegen een witte muur zoû willen
+schrijven. Want zij had een angst. Zij twijfelde niet, geen minuut, aan
+zijn liefde voor haar; die liefde moest bestaan, dit had zij al zoo lang
+geweten vóor hij het zelf zeî; maar zij was er niet zeker van of hij wel
+zeker was van haar liefde voor hem. Zoû haar stuurschheid van
+van-ochtend niet gemaakt hebben, dat hij een beetje aan haar liefde was
+gaan twijfelen? En tôch, al was dàt niet zoo, zoû ze het hem duidelijk
+genoeg hebben te verstaan gegeven? Wie weet hoe of hij twijfelde, wie
+weet wat een angst en verdriet of hij had. Zij vond ook zelf dat zij het
+niet krachtig en duidelijk genoeg gezegd had, dat andwoord, dat hij was
+komen vragen. En daarom zocht ze in haar verbeelding naar een middel om
+haar liefde te zeggen, naar een daad van opoffering, die zij zoû kunnen
+doen. Zij bekeek zich-zelf van top tot teen; daarna betastte zij zich.
+Er moest een handeling zijn, een akte, een daad, waarin het heele
+lichaam en de heele ziel zich ten innigste vereenigde om van liefde te
+spreken, waarin het heele ik in al zijn onderdeelen onverdeeld zich
+uitte en zeide: ik hoû van je, hier ben ik, ik hoor van jouw, heelemaal
+en altijd. Zij kwam eindelijk tot het besluit, dat zij haar vader zoû
+vragen, wat het huwelijk eigenlijk was. Maar dit durfde zij in 't geheel
+niet zoo maar.
+
+Mathilde was op haar kamer gaan zitten, vóor de tafel, de handen aan
+haar hoofd. Zij vroeg zich af, waarom ze zoo raar deed gedurende de
+laatste week, waarom ze eigenlijk van Jozef van Wilden hield. Op haar
+gemak zette zij hem in haar verbeelding en overwoog: wat er nu eigenlijk
+áan hem was. Eén voor éen ontleedde zij de gedeelten van zijn gezicht en
+van zijn lichaam en maakte de gevolgtrekking, dat zij niet wist wat het
+was, maar dat zij alles even allerliefst vond. Hij droeg zijn haar heel
+kort, met een scheiding aan den linker kant. Waar het de scheiding
+bezoomde, had het een grijs-bruine kleur, die al donkerder werd,
+naarmate het haar het midden van den schedel naderde. Midden boven het
+hoofd was het heel donker, bijna zwart en glanzend, maar dun. Precies
+zóo was 't aan den anderen kant van de scheiding. Boven zijn ooren was
+het haar aan weêrszijden naar voren gekamd en rulde daar even, maar heel
+even, het liet de slapen heelemaal open en leek niets op een saai
+oude-vrijers-kapsel. De haargroei, vóor het oor, op die plek, waar de
+blonde sprietjes bijna deden twijfelen, of zij bij het hoofdhaar
+hoorden, of bij de bakkebaard, scheen daar zóo vlossig, dat het, als hij
+op straat liep bij winderig wêer, leek op een uitgestrooiden zomerhalm,
+zoo als men ze aan de korenvelden 's zomers op en neêr ziet gaan in den
+wind. Er was een glans door het dunne haar tot over het gladde, blanke,
+van twee lange, fijne, bijna onzichtbare rimpels horizontaal doorsneden
+voorhoofd, en aan de slapen waren lichte schaduwen. Zijn bruin-blonde
+wenkbrauwen, bewegelijk en dun, regel-matig gebogen, waren mooi over
+zijn groen-blauwe oogen, waar hij Mathilde met zooveel liefde meê kon
+aanzien. Zijn wangen dachten Mathilde bizonder mannelijk gekleurd met
+hun somber-blanke tint, en het lichte rood onder de oogen. Zijn neus was
+van voren even merkbaar in tweeën gesplitst, hij had groote
+neusvleugels, tot aan de punt van den neus, die hevig bewogen toen hij
+zich eens driftig had gemaakt op een avond, dat zijn geheugen hem in den
+steek liet bij het voordragen van een gedicht, en ook nog eens, als zij
+zich ten minste wél herinnerde, op een anderen avond, dat zij plotseling
+merkte, hoe hij zonder verwikken of verwegen naar haar zat te turen.
+Zijn snor was heel, heel mooi, door vergedreven verzorging schijnbaar
+onverzorgd. Het was een dikke snor, die zijn heele bovenlip besloeg,
+schuin naar beneden gestreken, den vorm der lip volgend en aan
+weêrszijde in een groote krul naar boven gedraaid. Onder de snor was
+alleen een dunne roode lijn van de onderlip te zien. Zijn mond had den
+vorm van een breed naar weêrszijde uitgedrukt hart en was meestal een
+beetje vochtig. Zijn kin was heel rond, al te rond, niet spits genoeg,
+altijd helder geschoren. Jozef gebruikte lage liggende boorden, altijd
+stijf gestreken en spierwit als postpapier. Zijn hals kwam daar fier en
+flink uit naar boven, vanvoren blank, met den sterk uitkomenden
+strottenbol, die Mathilde een teeken van groote mannelijkheid scheen,
+half in de kinne-schaduw verborgen. Meer naar achteren werd het vel van
+zijn hals rooder, tegen den drukkenden boord aan, die daar eigenlijk te
+nauw was, om dat Jozef zijn hoofd altijd zoo mooi recht droeg. Hij had
+nog-al breede schouders, waar zijn jas altijd heel glad en zonder éen
+kreukel om heen zat, meestal zwart en donker-groen in den winter, grijs,
+nu en dan lichtgrijs 's zomers. Hij droeg dassen van allerlei kleuren
+maar nooit kakelbont, altijd goed en met smaak gekozen, altijd in
+over-een-stemming met de kleur van zijn pak. Hij droeg heele wijde
+manchetten, nooit bespat of besmet of hoe ook vies, zoo als de ingenieur
+Ster ze bijv. wel eens áan had. De manchetten hingen tot laag over zijn
+polsen, meestal met twee zilveren bolletjes aan een kettinkje vast. Maar
+zijn handen, o, zijn handen, die had zij lief! Wat een zachte schok ging
+er door haar leden, toen die handen, tintelend van liefde en
+bescherming, haar schouders aanraakten of, langs haar armen strijkend,
+haar polsen beetpakten, om die te omknellen, zoo als het van-ochtend was
+gebeurd. Mathilde bekeek haar polsen; ze had haar braceletten nog niet
+aan. Er was niets meer te bespeuren van Jozefs innigen druk. Zij had zoo
+graâg gehad, dat er nog moeten te zien waren geweest. Jozef droeg
+dikwijls naar voren openhangende fantasie-jasjes van uitstekenden snit.
+Over zijn vest hing dan een gouden horlogekettinkje. Er was éen van zijn
+vesten, waaraan zij een hooge voorkeur gaf, een vest van geel-grijs
+piké, met roode, blauwe en gele spikkeltjes, met doffe paarlemoeren
+knoopen. Dat vest pastte hem prachtig en stond hem zoo mooi en met maar
+enkele plooyen heel van onderen. Van-morgen, toen ze bij mekaâr waren,
+had Mathilde zich erg verleid gevoeld om haar arm over dat vest heen te
+slaan, onder zijn jasje, en zoo zich beter aan hem te kunnen warmen en
+zijn hart voor haar te hooren kloppen, maar zij had niet gedurfd. En dat
+was ook beter, want zij moest zich een beetje koud toonen, meende zij.
+Jozefs broekspijpen hingen wijd-uit tot dicht bij de punten van zijn
+effen schoenen. Vooral de licht-grijze broek met het biesje op zij,
+stond hem verschrikkelijk goed. Hij had een soort van kalm en waardig
+gemak om zijn armen en beenen te bewegen. Mathilde voelde het, zij was
+verliefd op zijn gang, op zijn tred, op zijn schreden; hij liep met een
+losse regelmatigheid, die haar bekoorde, hij liep edeler dan haar vader,
+edeler dan Ster, edeler dan alle andere heeren op straat. En dan de
+manier waarop hij zijn armen bewoog! Met een eenvoudige en natuurlijke
+gematigheid kon hij een deur sluiten, of een kaart op tafel gooyen, als
+hij met haar vader ekarteerde! zijn stem klonk als een orgel, lief en
+forsch tegelijk. Vroeger had zij over al die dingen nooit zoo gedacht,
+dat was vreemd! Uit alles sprak een edel en teêrgevoel, en ook een
+levensondervinding, die zeker was van zichzelf. Hij vond blijkbaar goed,
+al wat hij deed, of liever, hij deed alleen dat, wat hij eerst had
+goedgevonden te doen ... En hoe had hij altijd van haar gehouden ... nooit
+was zij zoo ingenomen geweest met de manier, zoo als hij vroeger
+tegenover haar gedaan had, toen hij uren-lang bij haar bleef, ofschoon
+zij toch nog maar een kind was, en hem onmogelijk belang kon inboezemen,
+wat haar inviel te zeggen. Mathilde overdreef den duur der uren die zij
+samen hadden doorgebracht, zonder het te weten. Het kwam haar nu voor
+als was Jozef bijna voortdurend bij haar geweest, haar kostschooltijd
+uitgenomen. Hoe had hij haar geholpen met raad en daad, wat had hij een
+kennis en een gave om die duidelijk in háar verstand over te planten.
+Hij begreep de piano, het teekenen en het borduren; hij sprák niet
+alleen over muziek, zoo als zooveel menschen, maar hij begréep ook de
+muziek, hij wist haar meê te deelen, wat, van romans, de moeite waard
+was voor haar om te lezen. Hij hield van dichters, zoo als zij, maar
+meer van romans, zoo als zij. Zij hadden samen Walter Scott, Dickens en
+een werk van Daudet doorgemaakt, en als hij voorlas, hoe hoorde zij dan
+in de melodie van zijn stem, wat men bij den schrijver in den vorm van
+zijn schrift zoû hebben ontdekt, had men zijn manuskript onder de oogen
+gehad! Zij herinnerde zich, hoe ze op haar dertiende jaar al de groote
+witte halve maan, die door het wechdrukken van het vel onderaan zijn
+nagel zichtbaar werd, en de punt van dien nagel zoo blank als een stuk
+ganzeveder, had bewonderd. Wat kon Jozef verder belangrijk praten, wat
+had hij goede inzichten in de staatkunde van den dag! Ook droeg hij een
+mooi gouden potloodje in zijn rechter vestzak, dat open en dicht werd
+gehaald op een wijze, zoo als Mathilde het nog nooit had gezien. Zij had
+haar vader Jozef zóo dikwijls hooren prijzen, en telkens deed haar dat
+zoo'n goed! Vader vond hem een man van bekwaamheid in zijn vak, de
+effekten, een ontwikkelden kop, en die later wat worden kon in de
+maatschappij, die carriêre zoû maken. Vader noemde Jozefs kleeding wel
+wat overdreven netjes, maar dat kwam alleen, om dat hij zelf nooit veel
+smaak voor die zaken had gehad. Jozef had veel hart en veel verstand,
+hij wist dat allebei goed te gebruiken wat kon men meer vragen van een
+man, met wien men een gelukkig huwelijk aan wilde gaan?
+
+Zoo ging Jozef in Mathildes denken en verbeelden voorbij, en toen zij
+hem weêr zoo duidelijk en innig bij zich had, hem naast zich voelde, hem
+vóor zich zag, toen ze een kleur kreeg, om dat zoo wezenlijk zijn adem
+over haar lippen ging, schrok ze op en ging met haast aan het teekenen,
+waarvoor zij hier eigenlijk zat. Zij maakte gauw de stukjes verf áan met
+water uit het altijd halfvuile glas en met een drift, die niet lang
+duren kon, ging zij aan den gang met haar potlood en haar penceel. Zij
+plooide haar lippen samen en stak er het uitgewasschen penceel tusschen,
+om de gedweeë haartjes in een punt uit te doen loopen, om zoo fijne
+plekjes kleur op het papier aan te kunnen brengen. Maar het schoot haar
+te binnen en verraste haar onaangenaam. Jozef had haar dat likken aan
+het penceel dikwijls afgeraden. Hij zeide, dat er nooit heel zeker géen
+vergif onder de verf was gemengd en men dus niet kon weten. In een
+begeerte, om in 't vervolg alleen te doen, wat hij graâg had, ook dan,
+wanneer hij er niet bij was, nam zij het penceel tusschen haar lippen
+uit, veegde die af met haar zakdoek en probeerde om tusschen haar
+vingers het penceel te punten. Dit maakte haar heel tevreden over haar
+zelf, en, een beetje bedaarder, kleurde zij voort. Maar zij had haar
+uren verdroomd. Het sloeg half vijf op den toren in de Zandstraat en het
+Paleis op den Dam begon juist te spelen. Door de zoele zomerlucht klonk
+het klokkespel uit de verte haar pleizieriger tegen dan gewoonlijk.
+Kling, klang, kling, klang, klang, klang, de zachttriomfantelijke wijs
+van "De Koning leev', de Koning leev", speelde het klokkespel, hoog
+boven de huizen. Mathildes hart klopte, want ze moest gauw gaan dekken
+beneden voor het eten, en het was net of er in haar binnenste, in haar
+hart, ook zoo een lief en luid klokkelied werd gespeeld.
+
+In de trapkast was alles doodstil. Heelemaal beneden gekomen, hoorde
+Mathilde Jans rommelen met stoelen en borden. Zij slofte juist te
+voorschijn.
+
+--Ik was maar gaan dekken, jufvrouw, zeî ze, ik dacht, dat u 't zeker te
+druk had boven.
+
+--O, dank-je, laten we 't nou maar samen verder doen.
+
+Het siste in de keuken; een geur van gebraden ossevleesch zweefde door
+den gang. Vader zat in de voorkamer In een boek te lezen.
+
+--Wil u van-middag ook maar weêr híer eten, vader? vroeg Mathilde, het
+is hier veel lichter als achter.
+
+--Heel goed, kind, zoo als je wilt.
+
+En zij zaten samen in stillen vrede en genoegelijken kout, zoo als
+altijd. Mathilde had het extra schoteltje vergeten. Buiten was het volle
+dag, zoo licht, als om twee uur 's middags, maar de zonnehitte was
+getemperd en zachte zomerkoeltjes dartelden met het tafellaken. De heer
+de Stuwen vertelde van allerlei dingen, die hij in _Artis_ gezien had;
+Mathilde was bizonder lief voor haar vader. Toen de heer de Stuwen naar
+bed ging, om elf uur, dacht hij wat heb ik toch een aangenaam en
+vreedzaam leven. Wat passen wij goed bij mekaâr, Mathilde en ik!
+
+Toen Jozef van Wilden van Mathilde van-daan-ging, was hij door de oude
+Doelenstraat en de Damstraat naar de Club gegaan. Hij keek, onder den
+naar vorengebogen rand van zijn zwart zijden glimmenden cylinder-hoed
+door, recht voor zich uit, over de voorbijgangers heen. Tusschenbeide,
+als hem een mooi gekleed meisje voorbijging, beblikte hij haar in de
+schuinte en liep verder, met zijn kalmen, regelmatigen pas, de voeten
+naar buiten buigend bij iederen stap. Het witte voorportaal van het
+sociëteitsgebouw doorgaand en de trappen op, zonder gedruisch, voelde
+hij duidelijk, dat hij veel van Mathilde hield.
+
+Hij was in der tijd, als jonge man van drie-en twintig jaar, bij den
+dood van zijn vader, die hem het effektenkantoor had nagelaten, de
+Stuwen, waar zijn vader hem al voor jaren meê in kennis had gebracht,
+blijven bezoeken. Mevrouw de Stuwen leefde toen nog, en er werden nog al
+eens gezelschapsavondjes gegeven. Hij was ook altijd aangetrokken
+geweest door dat aardige kind, die Mathilde, die hem zoo graâg haar
+vriend noemde en niet van hem af was te slaan, had hij eenmaal den
+drempel van het huis op den Oudezijds Achterburgwal overschreden. Hij
+hield van kinderen, tot van dertien-en veertienjarige jongens en
+meisjes toe, maar ouder niet. Hij was een goede jongen, volstrekt geen
+kwaad of menschenhatend charakter. Hij had zich laten overhalen tot een
+"vasten en eeuwig durenden" vriendschapsband met Thildetje, die weinig
+vriendinnen had. De de Stuwens waren zoo-wat de eenige familie, waar hij
+aan huis kwam. Hij verkeerde niet in aanzienlijke kringen. Zijn
+grootvader had al in effekten gedaan te Utrecht, zijn vader had het
+kantoor van daar naar Amsterdam verplaatst, waar hij geen verwanten en
+weinig kennissen had, maar beter kans zag om zijn zaak uit te breiden.
+Dit was hoofdzakelijk gebeurd op aandringen van Jozefs moeder, die
+stierf een week vóor zij voor goed naar Amsterdam zouden gaan. Het
+verplaatsen van de zaak had niet veel gegeven, want de oude heer van
+Wilden was een man zonder veel initiatief; deze eigenschap liet hij ook
+zijn zoon erven, die de zaak, met den ouden vertrouwden boek-en
+kashouder aan 't hoofd, op zijn gemak en op denzelfden voet bleef
+drijven. Jozef had eenige vrienden onder de koffiehuis-jongelui gevonden,
+was eindelijk lid geworden van de club. Nu ging hij meestal in den morgen
+een groot uur naar het kantoor, griffelde daar het een en ander met zijn
+gouden potloodje, bracht van kwart voor tweeën tot kwart voor drieën zijn
+tijd op de beurs door, na op zijn bovenhuis of in de club gedejeuneerd te
+hebben, bitterde dan, dineerde ergends en ging 's avonds naar de komedie,
+naar een koncert, of biljarten, of bij een van zijn vrienden zitten praten.
+Hij hield er een mentineetje op na, zoo om de twee jaar éen, heel kalm,
+heel matig. Op 't oogenblik was hij met zijn huishoudster, een dertigjarige
+gewone blondine, zonder uitstekende voortreffelijkheden. Eerst éens, toen
+tweemaal in de week, ging hij de Stuwen 's avonds gezelschap houden, 't
+werd namelijk tweemaal na den dood van mevrouw de Stuwen, toen de Stuwen-
+zelf 't ook erg eenzaam had. De familie van Riet, kennissen van de Stuwen,
+waar Emilie Hartsen, een wees, bij aan huis woonde, had hem ook gevraagd,
+maar hij bedankte, hij had aan de Stuwen en Mathilde genoeg. Dat hij zoo
+betrekkelijk dikwijls de Stuwens gezelschap opzocht kwam van de verveling,
+die hij door-elkâar tweemaal in de week ondervond door het uitsluitend
+omgaan met de clubleden. Van zijn vader had hij een hoeveelheid goedaardige
+degelijkheid georven, die nu en dan bovenkwam. Hij ging dan praten met
+de Stuwen die wel liberaal-katholiek was, zoo als hij zelf ook, maar
+toch over allerhande zaken veel burgerlijker en ook veel zedelijker en
+gematigder denkbeelden had dan de jongelui. Jozef praatte ook graâg eens
+rustig en had hij een inlichting in zaken noodig, dan was Mathildes
+vader de ware man, om zich toe te richten; eens zelfs had hij Jozef, die
+een verkeerden slag geslagen had en daardoor lichtelijk in geldnood was,
+bijgesprongen. Jozef sprak met de Stuwen alleen over heele zedige
+uitgangetjes en andere pleizieren en wist zich met zijn bedaarde
+gepozeerdheid bizonder degelijk voor te doen. Jozef was zich ook, in een
+goede aandrift van zijn hart, hoe langer hoe meer met het moederloze
+dochtertje van de Stuwen gaan bezighouden. Hij bezocht haar, ja dikwijls
+uitsluitend háar, nu ook wel 's middags, en hielp haar voort met al haar
+liefhebberijen en dingetjes. Jozef had een goeye opvoeding gehad. Ook
+wist hij nog al wat van boeken en had hij een natuurlijke gave om het
+een of andere idee, dat een jong meisje moest behagen, langs den meest
+beminnelijken weg voor te stellen en ingang te doen vinden, meende hij.
+Het waren geen diepzinnige vraagstukken van levensbeschouwing of
+wijsbegeerte zoo zeer, die hij in zijn gesprekken met Mathilde te pas
+bracht, toen zij wat ouder werd en vooral na haar te-rugkeer van de
+kostschool, het waren veel meer allerlei zaken van gevoel en verbeelding,
+hij wist de muziek uit te leggen, dat is te zeggen: aan te duiden welke
+hartstochten of welke gedachten die en die melodie uitdrukten, hij wist
+op de schoonheid der lijnen en kleuren van teekeningen en op de
+bevalligheid van borduurpatronen te wijzen. Het waren ook allerlei dingen,
+die zij om hen heen opgemerkt hadden, die zij elkaâr toevertrouwden; zij
+nam alles altijd dadelijk aan, wat hij zeide, en zij lachten samen
+dikwijls erg hardop. Zij hadden in het dagelijks leven, bij een wandeling
+op straat of in de houding van huisgenoten of kennissen, dit of dat voor
+het eerst gezien; zij dachten zus of zoo over het leven, over de liefde,
+de angst, de droefheid, het vergaan of het eeuwig voortbestaan van dit
+leven, enz. Zij lazen samen Allard Pierson, J.J.L. ten Kate, en zoo meer.
+Het hechtte Jozef zelf aan ernstige bezigheden, ook buiten de zaak om,
+dat verkeer met Mathilde. Hij merkte het wel. Buitendien, van een
+anderen kant beschouwd, hield niemant zooveel als hij van luidruchtige
+frissche jeugd en opbruisend leven; van toen zij nog heelemaal een kind
+was af, was hij aan Mathilde gewoon geraakt en 't was een behoefte voor
+hem geworden haar dikwijls te zien. Hij had haar ontwikkeling van 't
+begin tot het einde bijgewoond. Toen ze als een jong-meisje van de
+kostschool te-ruggekomen was, had hij wel zeer verbaasd staan te
+kijken en was hun verhouding wel zeer verkoeld geweest, ook om dat ze
+hem zoo weinig had geschreven, maar langzamerhand had de oude gewoonte
+van gemeenzaam verkeer weêr ingang gevonden en de overhand gekregen Zij
+waren gauw weêr de beste vrienden, ofschoon ze ook mekaâr in 't begin
+halsstarrig "mijnheer" en "jufvrouw" bleven noemen. Er hadden nu ook bij
+de Stuwen aan huis weêr de oude muzikale avondjes plaats, die bij het
+overlijden van mevrouw de Stuwen òp hadden gehouden. Mathilde behaalde
+bij dezen gelegenheden triomf op triomf door haar buitengewoon
+ontwikkeld pianotalent.
+
+Jozef was eens op een goeyen morgen voor den spiegel gaan staan, was
+gaan denken, dat hij in de dertig was, dat hij gisteravond toevallig een
+betrekking had afgebroken, die hem toch al lang verveelde, en nu maar
+volstrekt woû gaan trouwen. Hij wilde een rustig leven hebben en een
+vriendelijke goede wettige vrouw. Hij wilde wel trouwen en getrouwd zijn
+en een goeye huisvader worden, maar zijn vrouw moest een persoonlijkheid
+wezen, die hem ruimschoots vergoedde, wat hij verloor. Het was een van
+zijn lievelingsdenkbeelden een vrouw aan zijn zijde te zien van hooge
+gestalte, niet te klein, die zich elegant kleedde, altijd gezond en
+vroolijk was, geen bekrompen gedachten had over godsdienst, en het leven
+in 't algemeen eenigszins breed opvatte; Buitendien moest ze een mooi
+lichaam hebben, niet te mager, en veel zindelijkheid en al de
+hoedanigheden van een aangename gastvrouw voor als ze eens een partijtje
+gaven. Zij moest ook graâg uitgaan en graâg veel van het leven genieten,
+zij moest iets Parijsachtigs over zich hebben en zich in alle opzichten
+uitstekend weten te gedragen. Verder mocht liefhebberij voor muziek, wat
+lectuur, enz., haar niet ontbreken.
+
+--Meermalen had Jozef voor zijn vrienden op die manier de vrouw
+beschreven, van wie hij zeker wist een goede trouwe echtgenoot te zullen
+zijn en met wie hij stellig een gelukkig leven zoû hebben.
+
+Het lag zoo verbazend voor de hand, dat Mathilde de Stuwen, daar hij
+zooveel meê omging, het aan al deze eischen beandwoordende meisje was,
+dat het hem nog nooit in was gevallen aan háar te denken.
+
+Maar langzamerhand was het hem uit alles, uit den toestand, waarin hij
+en zij verkeerden zelf, duidelijk geworden, dat niemant anders dan
+Mathilde toch zijn vrouw zoû kunnen worden. Toen hij daar het eerst aan
+dacht, had hij een lichte kleur gekregen van pleizier over deze
+gelukkige ontdekking. 't Was óok in de club geweest, hij zat ook juist,
+zoo als op 't oogenblik, in de in dit vroege uur nog leêge groote
+benedenzaal een halven biefstuk met gebakken aardappelen te eten, die
+hem toen ook gebracht was door Henri, denzelfden knecht van nu.
+
+Toen Jozef eenmaal besloten had Mathilde het hof te maken, was hij zich
+af gaan vragen, of hij van haar al niet vroeger-al gehouden had. Hij
+dacht nu van ja: zonder 't zelf te weten, had hij haar liefgehad. Hij
+nam zich dan voor die liefde zooveel mogelijk aan te wakkeren in zijn
+eigen binnenste, en daarna aan de Stuwen Mathildes hand te vragen. Maar
+toen hij er zoo over peinsde, of die liefde voor haar al vóor dien dag
+bestaan had in zijn hart en van-já dacht om dat hij zich herinnerde,
+hoe-of hij zich altijd tot dat huis van de de Stuwens aangetrokken had
+gevoeld, trof het hem op-éens als iets heel zonderlings, dat hij nooit
+in Mathildes gezelschap, al zat of stond hij vlak bij haar al raakte
+zijn schouder haar schouder, zijn been haar japon, zijn arm haar rug,
+zijn hand haar hand, dat hij nooit, al zaten ze uren lang met mekaâr aan
+de een of andere bezigheid bij de kachel 's winters of 's zomers voor
+het open raam, als buiten de zon gloeide, dat hij zich nooit erg naar
+haar had voelen verlangen. Hij had zelfs nooit uitvoerig de
+hoedanigheden van Mathildes lichaam overwogen, nooit in haar
+gewaardeerd, wat hij en zijn vrienden, als ze over vrouwen spraken,
+altijd in de eerste plaats bedoelden. Hij vond dit erg vreemd, maar was
+overtuigd, dat het verlangen na zijn voornemen van hofmakerij, nu ook
+wel komen zoû. En hij deed zich geweld aan. Hij probeerde haar op alle
+manieren lief te krijgen en hij begon te merken, dat zij van hem
+misschien al-lang hield, zonder er ooit iets van te laten merken. Als
+hij nu bij haar was, probeerde hij door háar net zulke indrukken bij hem
+te weeg te doen brengen, als de andere vrouwen deden. Wanneer zij, op
+een avondpartijtje bij haar vader of soms 's zomers als het snik heet
+was, een lager uitgesneden japon droeg, bleef hij naar haar hals kijken;
+hij oefende er zich in haar kin en haar keel zóo te bekijken, dat hij
+den wensch kreeg ze te betasten; hij wilde het zoover brengen, dat hij
+al koud werd als hij haar hand in de zijne had. Hij leî er zich op toe
+om door haar geheel ingepakt te worden. Hij bestudeerde haar, om uit te
+vorschen, waar wel in haar wezen de begeerte-magneet zoû te vinden zijn,
+hij zocht die als een verborgen kleinood in de boekjes van haar kleed,
+tusschen de donkere plekjes van haar haar. Hij wilde dat als haar rok
+over zijn schoenen ging er een tinteling door zijn dijen zoû gaan, dat,
+als haar mouw over de zijne streek, er een vuur door zijn arm zoû
+gloeyen. Maar, wat hij ook in 't werk stelde, het kwam niet. Maar juist
+toen, dit had hij later wel ingezien, had zij haar invloed op hem
+gekregen. Wanneer hij gedachteloos over den weg keek, was zij toch maar
+in zijn verbeelding. En kon hij 's nachts niet slapen, dan scheen het
+alsof zij in de kamer rondwandelde. En met klimmende zekerheid kwam er
+begeerte naar haar in hem op, een begeerte, die weinig gemeen had met
+zijn gewone wellusten. Hij begon een onweêrstaanbaar verlangen te
+voelen, haar te omarmen, haar te bezitten zonder toch dat er een lager
+gevoel bij hem aanwezig was. Hij wenschte iets als een gezonden en
+innigen band, een hoogere en meer edele wellust. Hij werd zich bewust,
+dat hij bij haar, ook haar ziel, haar hart zoû binnendringen. Dit deed
+hem naar haar zuchten als naar een heilige bezitting. Zoo stelde hij
+zichzelf de zaken voor.
+
+Hij vond haar ook zoo gezond en zoo levenslustig, dat hij zich een
+uiterst aangenaam huwelijk met haar voorspelde, dat met-een een
+gelukkigen ommekeer in zijn wel wat eentonig wordend jonge-heeren-leven
+te weeg zoû brengen.
+
+Zoo was alles gegaan, zoo had hij haar onverhoeds, dien avond midden in
+het gezelschap, zijn liefde verklaard. Van-morgen nu werd zijn vraag zoo
+voldoende beandwoord, dat hij in een bizonder prettige stemming
+tengevolge verkeerde. Hij dronk een extra half-fleschje wijn, bordoo.
+Hij vond het mooi van haar en het verhoogde zijn genoegen, dat zij bij
+al haar goede eigenschappen ook fierheid bleek te hebben, want het kwam
+nu uit, anders had ze hem niet zóo aangedaan ontvangen, dat zij al-lang
+van hem hield, en nooit had zij daar iets van laten merken. Dit was fier
+gehandeld. En, zich verzadigend aan de overweging van den mooyen slag
+door hem geslagen, zag hij door de spiegelruiten de onverschillige
+menigte door de Kalverstraat op en neêr loopen. De zaal om hem heen was,
+achter het waas van zijn gedachten heen, langzamerhand voller geworden,
+levend van zachte praatgeruchten en stilgebarende lichamen. Jozef had
+het beursuur laten voorbijgaan zonder te denken dat het al zoo laat was.
+
+
+
+
+III.
+
+Stilletjes zomerden de dagen voort in het huis van de Stuwen. Jozef
+bleef zijn gewoonte houden om twee-maal 's weeks daar een avondje door
+te brengen. De gevoerde gesprekken waren dan schijnbaar hetzelfde
+gebleven en betroffen dezelfde onderwerpen als vroeger; de heer de
+Stuwen en Jozef voelden zich altijd even goede vrienden. Mathilde zat,
+als zoo altijd, meestal zwijgend, nu en dan een enkel woord meêsprekend
+bij de heeren, met haar borduurwerk of romans, thee zettend en wijn
+schenkend. Er werden ook nog avondjes met meer menschen gegeven, maar
+minder dan eerst; uit zich-zelf kwam de heer van Stuwen nooit op zulke
+dingen en, en het bleek, dat Mathilde lang zoo erg niet meer op zulke
+extraatjes was gesteld als vroeger. Zij wilde in den eersten tijd van
+hun liefde Jozef zooveel mogelijk voor zich alléen houden. Wat een
+ingrijpende en heerlijke verandering dan ook in de verhouding tusschen
+Jozef en haar, heerlijk, juist om dat hun betrekking onveranderd in
+denzelfden vorm scheen te blijven voortduren zoo als zij vroeger was.
+Daar Mathilde nog volstrekt maar niet besluiten kon haar vader in 't
+geheim te nemen en juist door het onophoudelijk denken over dezen
+moeyelijken stap, dagelijks meer besefte, hoe innig haar vader en zij
+aan-een-gesloten waren, had Jozef in geenerlei opzicht de gelegenheid
+zich te gedragen zoo als een fatsoenlijk heer, die verliefd is en wiens
+liefde door wederliefde beandwoord, pleegt te doen. Hij kon uiterst
+zelden met zijn aan-staande alleen zijn, mocht haar nooit een cadeautje
+maken en weken gingen voorbij, zonder dat hij zijn liefde anders kon
+laten merken, dan in den langeren handdruk en in de ontmoeting van hun
+oogen, die plotseling warm werden en vreemd en verlegen mekaâr aankeken
+in oogenblikken, dat de heer de Stuwen even wech was gegaan of de
+koerant las. Jozef beviel deze onthouding ondertusschen volstrekt niet,
+zijn ongeduld vermeerderde met den dag. Hij begreep ook niet hoe deze
+toestand een einde zoû nemen. Maar Mathilde was het nog in 't geheel
+niet met zich-zelf eens geworden, wat haar te doen stond, om een
+oplossing te verkrijgen. Als haar oogen, terwijl haar vader met Jozef
+druk aan 't spreken was en over politiek of andere dingen van den dag
+redeneerde, Jozefs oogen en voorhoofd kusten, dan wilde zij zich-zelf
+dwingen in-éens een besluit te nemen, den knoop door te hakken, haren
+vader alles te zeggen, en verder van de omstandigheden af laten hangen,
+hoe de toekomst wezen zoû. Of vader met hun samen zoû komen wonen, dan
+wel of zij ieder afzonderlijk zouden gaan wonen, dat kon zij nog niet
+beslissen. Wie weet, dacht zij, wat er op gevonden zal worden. Wie weet,
+welke uitnemende schikking er mogelijk zal blijken. En de woorden
+dringen op haar tong naar voren en branden door haar lippen. Maar
+plotseling bedacht zij zich weêr. Nee, het kon nog niet, onmogelijk. Zij
+moest vooreerst wachten. Het sámenwonen mocht zij zich nu al als zeer
+goed denkbaar voorstellen, zij wist wel, dat bij nadere nagedachte, toch
+altijd de onhoudbaarheid er van bleek, om de redenen, die zij zich-zelf
+al zoo dikwijls herhaald had, en toch weêr telkens wech wilde cijferen.
+En dat vader alleen zoû wonen, daar kon zij zelfs geen oogenblik aan.
+denken. Gedurende de laatste weken nog had hij geklaagd over een
+pijnlijke stijfheid in zijn linkerarm en bijna door zijn heele linker
+zij. Moest zij hem dan niet helpen, hem verzorgen op alle mogelijke
+manieren, alles voor hem in orde maken en klaar zetten? Had hij niet
+menigmaal gezegd, dat zij alleen er was als het zonnetje, om den avond
+van zijn leven te vervroolijken? Neen, duizend maal, zij kon hem niet
+aan zijn lot overlaten, het mocht niet, het ging niet, het zoû niet
+zijn, hoe Jozef ook aandrong, wat hij ook zeî om haar te overtuigen.
+Mathildes besluiteloosheid kwelde haar-zelf het meest. Was zij overdag
+eens in haar eentje thuis, dan kon zij soms plotseling met een stofdoek
+of borduurnaald in de hand vijf minuten lang in 't midden van de kamer
+stil blijven staren, de oogen droomerig naar den wand, of wel bleven op
+eens haar handen uitgebreid boven de toetsen liggen, midden in een
+melodie, die zij speelde en dansten de muziekbalken voor haar gezicht.
+Telkens deden in den zelfden vorm de zelfde vragen zich voor aan haar
+verstand en telkens werden zij onopgelost weêr wechgezucht. Het maakte
+haar moei, het maakte haar verdrietig, die eentonige hinderpaal voor
+haar geluk. Was Jozef een enkele maal met háar alléen in aanraking, liet
+zij hem in, als Jans de deur uit was, ontmoetten zij mekaâr onder aan de
+trap of bij de deur van het zaaltje, dan vroeg zijn eerste blik altijd;
+zijn wij nu nog geen stap verder gekomen? dan fluisterde hij haar
+smeekend toe, dat zij moest bedenken, hoe zijn lot in haar handen was,
+hoe ze hem niet langer zoo treurig en ongelukkig mocht laten. Andwoordde
+zij hem dat er nog niets gebeurd was, dat zij niet wist wat te doen, dat
+zij nadenken, dat zij zien zoû, dan drukte hij haar hand, leî zich
+zachtzinnig bij haar voortdurend aarzelen neêr, maar zag haar aan met
+een vaste hoop in den blik, dat zag zij duidelijk. En juist het
+denkbeeld, dat ze hem de volgende maal weêr te leur te stellen zoû
+hebben, dat hij er zoo onder leed en er toch zoo gelaten bij bleef en
+zich nooit boos maakte, dit verergerde haar inwendigen strijd met den
+dag en versterkte haar liefde. Zij stond onophoudelijk tusschen twee
+vuren. Nog nooit had zij zoo'n hevigen inwendigen strijd gehad. 's Middags
+had zij er wel eens hoofdpijn van. De gehechtheid aan haar vader
+was meer een ingegroeid en onuitroeibaar plichtbewustzijn, dat zich niet
+openbaarde door allerlei nieuwe en vurige gewaarwordingen, maar, als een
+oud gedeelte van haar innigste natuur, onverstoorbaar zijn altijd even
+zekeren invloed deed gelden, terwijl daarentegen haar hartstocht voor
+Jozef als een heel nieuwe zijde van haar leven, aantrekkelijk en
+machtig, zich vertoonde, overal door haar gemoed en haar verbeelding
+heen. Alles wat zij voelde, dat er in het leven bevallig, lichtkleurig
+en rijk was, ridderlijk, edel, schoon en zwierig, verpersoonlijkte zich
+in Jozef. Sedert zijn liefdesverklaring was hij in haar heelemaal nieuw,
+groot en heerlijk. Zij zag in hem de kracht en het vernuft, in hem dat
+veelvoudig aanlokkelijk wezen, wien het haar als opperste roeping en
+opperst genot zoû gegeven zijn haar leven ten offer te brengen. Het
+denkbeeld van tot hem op te gaan, van tot hem in te gaan, van haar wezen
+in zijn wezen te verliezen en haar zelf, door het zich vereenzelvigen
+met hem vervormd, als een gedeelte van zijn individu, te-rug te vinden,
+klampte zich vast aan haar hart, kankerde zich in een hoekje van haar
+hersens en vermengde zich met haar bloed. Het verrukte haar, dat,
+wanneer ze 't bedaard naging, hij geen enkele uitstekende eigenschap
+had, hij niets buitengewoons gedaan had in de wereld, hij door geen
+heldendaden bekend stond, geen epopeeën had gedicht, door geen
+uitvinding zich naam had gemaakt, niemant hem voor een eersten denker
+hield, geen sterveling hem een heilige zoû noemen, en dat zij toch zoo
+oneindig en boven alles en allen van hem hield, en dat het háar toch
+scheen, als was hij de grootste mensch, die ooit had bestaan en de
+eerste van zijn tijdgenooten. Want, want hij had meer gedaan dan al de
+helden en grooten, die zij had hooren prijzen, hij had háar liefgekregen,
+zij was door hem gekozen tot zijn vrouw, en zij, dat was zij-zelf. Háar
+had hij ontdekt, dat was zijn uitvinding, háar had hij veroverd, dat was
+zijn heldenstuk, toen hij zeî: "ik heb je lief", en eergisteren: "wat
+ben je mooi", maakte hij zijn groot gedicht.
+
+Haar verbeelding was altijd met hem bezig. Zooals zij over-dag over hem
+nadacht, zoo droomde zij 's nacht van allerlei rare gevallen, waarbij
+hij te pas kwam. Zij dacht altijd aan hem, zij voelde zich hoe langer
+hoe meer door hem in bezit nemen. Wanneer zij tusschenbeide niet in
+slaap kon komen, gingen er door haar lichaam vreemde huiveringen. Er
+ging b.v. als een aangenaam vergift, dat heer bekroop, een koud gevoel
+van haar voeten, door haar beenen, onderlijf en borst, tot in haar keel.
+Soms, wanneer zij in haar droom in een teêre en zwaar-drukkende
+omhelzing met hem was geweest, schrikte zij wakker, met een ongekend en
+angstig hijgen; haar onderlijf kromde zich naar boven, tegen het
+wezenloze dek. In andere uren weêr vulde hij haar denken als iets
+ideaals, dat niemant aan kon raken, dat niet van stof was, een lichtend
+waas, met een hoofd alleen van menschen-stof, een muziekvlaag, die doffe
+en weelderige geluiden rondblies, een vreemdeling, die zij nog nooit had
+gezien, maar haar plotseling als een ouden bekende voorkwam.
+
+Toen er altijd meer dagen voorbijgingen, altijd de zelfde, maakte Jozefs
+wezen, dat altijd bij haar bleef, haar wezenlijk ongerust en beangst.
+Als ze hem ontmoette, bij zijn regelmatige bezoeken, en zij hem alleen
+sprak of in zijn oogen kon zien, was hij altijd even zacht en kalm,
+altijd dezelfde vriendelijke blik, het zelfde geduld. Maar dat hij bij
+haar was zonder dat zij arm in arm zaten, scheen haar toch ongehoord. En
+om dat zij zelve zoo onder het onophoudelijke uitstel leed, verbeeldde
+zij zich, dat hij 't was, wiens gezicht kenteekenen van stilzwijgend
+ondergaan verdriet vertoonde. Zij dacht opkomende bronskleurige kringen
+onder de oogleden te zien; hij was valer van kleur dan anders, dacht
+zij. Maar toch, als hij bij haar was, stelde zij zich gerust, maar in
+zijn afwezigheid, vooral als zij met zich-zelf alleen was, was zij bang,
+bang voor hem. Liep zij in de donkerte de trap op, dan hoorde zij
+plotseling zijn stem, die iets onverstaanbaars zeî. Zij zag om, en hij
+was er niet. Kwam ze op haar kamer, dan hoorde zij zijn stap, zijn
+lieven, welbekenden stap achter haar, zij zag om, en er was niemant. Zij
+zag hem in haar slaap haar vermanen, haar de eene keer ernstig en
+nederig, de andere keer driftig en met geweld, en dan weêr eens koortsig
+en in razernij verzoeken, gebieden en dwingen hem gehoor te geven en
+niet langer te dralen. Hij deed nu en dan zoo woest en wild tegen haar,
+en maakte zoo een misbaar, als hem in werkelijkheid nooit gebeuren kon.
+Soms naderde hij haar met opgeheven vinger en met een gezicht zoo akelig
+wit en dreigend, dat zij te-rugschrok en op 't punt was hem alles toe te
+geven. Een andere keer lag hij weêr op zijn knieën vóor haar, en keek
+haar zoo teeder en zoo trouwhartig aan, dat zij niet langer aarzelen
+kon. Wanneer zij hem dan weêr in levende lijve ontmoette, den dag
+dikwijls, die volgde op zulk een akeligen nacht, of het uur volgende op
+zoo een geheimzinnig uur, en hij kalm met haar vader zat te praten en
+haar met zijn gewone eerbiedige liefde bejegende, dan verwonderde zij
+zich, dan verzette zij zich met wrevel de overdrevenheid van haar hare
+droomen. Dan nam zij weêr het besluit voorloopig haar lieven bejaarden
+vader trouw te blijven. Daar zat hij met het goedaardige grijzende
+hoofd, met de dunne fijne, licht-roode lippen, met zijn eenigszins laag
+voorhoofd en bleeke blauwe oogen, met zijn magere, 's winters van
+tallooze aârtjes doortrokken handen, niet zijn greinen huisjasje of
+grijswollen sjamberloek, zijn hals een beetje naar voren gebogen, een
+beetje beverig in zijn vingers bij de minste ontroering, zijn beenen
+meestal over mekaâr, en met zijn groote witte linnen zakdoek, waarvan
+een puntje uit een van de zakken van zijn pandjasje piepte. Hij had een
+ouderwetsche gouden ketting over 't zwart-lakensche of donker-grijs
+kamgaren vest hangen, een dunne gouden ring, zijn trouwring, aan zijn
+rechter wijsvinger. Daar hij veel van zindelijk hield, deed hij elken
+dag een schoonen boord en een paar schoone manchetten aan, van oud
+model; onder den boord een frissche zwarte das; Mathilde kocht er om de
+twee maanden een nieuwe voor haar vader. De heer de Stuwen had heele
+mooye gave witte regelmatige tanden, maar die bijna nooit te zien
+kwamen. Er was iets schalks in zijn rond neusje en in zijn wenkbrauwen.
+Ook maakte hij een enkele keer een grapje: de een of andere opmerking
+over personen of voorwerpen, die hij een beetje bespottelijk vond. Hij
+was nu vier-en-zestig jaar, maar, om dat hij vroeg oud was geweest, had
+Mathilde hem altijd gekend, zooals hij er nu uitzag, waaruit zij met
+blijdschap opgemaakt had, dat haar vader maar niet verouderde. De heer
+de Stuwen had, zoolang het haar heugde, iets hulpbehoevends over zich
+gehad, hij was nooit graâg alleen, hij had een alles beheerschende
+behoefte aan gezelschap, aan weinig, stil, hem toegedaan gezelschap. Hij
+had ook iets vreesachtigs in zijn natuur; voor een kleine ongesteldheid
+was hij bang als-of 'r een zware ziekte was. En zwierf Mathilde niet
+onophoudelijk om hem heen, om hem van al te voorzien, dan klaagde hij
+steen en been. Was hij gezond, dan kon hij meer aan zich zelf
+overgelaten worden en ging hij uren alleen wandelen. Maar van zijn vader
+had hij een soort verhardingszucht overgenomen, bij het schuchtere
+gestel, dat hij van zijn moeder had, hem verkoudheden en rheumatiek deed
+oploopen. Dan ging hij uit, tusschenbeide in 't midden van den winter,
+met een demi-saison alleen aan, of heel in het begin van de lente, of
+als de herfst al gevorderd was, zóo maar, in zijn gewoon huispakje.
+Mathilde had dan al mooi knorren, hij gaf haar een zoen, maar beterde
+zich niet. Hij was overigens in alles, een redelijk en punktueel man.
+Hij was wel wat zuinig, maar nooit in 't belachelijke. Hij zorgde goed
+voor zijn geld, ging met veel nauwkeurigheid den loop der effecten na en
+knipte geregeld zijn koeponnetjes af. Hij las in zijn leêge uren Duitsche
+klassieken en allerhande werken over natuurkunde. Hij was geabonneerd op
+een matig-liberale koerant en op verscheiden geïllustreerde tijdschriften.
+Ook kocht hij wel eens een prachtband, of teekende in op een uitgave, die
+langzaam bij afleveringen verscheen en een kostbaar geheel zoû worden.
+Van Mathilde hield hij verschrikkelijk veel. Zij was voor hem de levende
+herinnering aan zijn vrouw, waarop Mathilde in-en uitwendig veel leek.
+De dartele vroolijkheid, de luidruchtigheid, die Mathilde soms aan den
+dag leî, haar zorgzaamheid en goede hart bracht hem altijd zijn vrouw in
+herinnering. Hij dacht altijd zonder de levensvreugde en steun, die
+Mathilde hem gaf, niet te kunnen leven, en hij hoopte maar te sterven,
+vóor zij van mekaâr zouden scheiden. Deze gedachte vervulde hem vroeger
+meer dan nu, toen Mathilde pas van kostschool kwam, met eenige wereldsche
+ideeën, en gedurende de eerste zes weken van niets anders sprak dan van
+trouwen met een mooyen en rijken meneer. Want Mathilde was, naast deze
+trouwlust, toch dadelijk begonnen met zich aan hem te wijden. Maar na zes
+maanden was zijn angst wech. En nu, sedert een jaar, kwam de gedachte aan
+een mogelijk huwelijk van haar, uiterst zelden bij hem op; hij had zich
+zoo aan haar gewoon gemaakt, dat het denkbeeld "scheiden" was verdwenen.
+
+Mathilde-zelf wist heel goed hoe of het met haar vader was op dit punt.
+Zij wist alles en begreep alles. Zij zag dat oude leven aan haar jonge
+leven aangeweven en in haar bestaan vastgevlochten. Zij besefte ten
+innigste hoe weinig hij haar bijzijn missen kon. Als hij haar met zijn
+zwakke oogen aankeek, dan zag zij daarin een verzoek om hem niet alleen
+te laten, en flikkerden die zwakke oogen op van pleizier, als ze hem een
+zoen gaf, dan zag zij daarin een dank, omdat zij nog niet was heengegaan.
+Bovendien voelde Mathilde hoe haar heele verleden, haar heele jeugd haar
+aan haar vader verbond. Jozef had zij ook wel altijd gekend, zelfs
+wanneer zij aan de schitterendste uren dacht, die zij had doorgebracht,
+was hij alléen daarbij te vinden; maar zij had toch nooit met hem in éen
+huis gewoond. Dit gaf toch nog altijd iets vreemds, iets als niet van
+dezelfde familie zijnde, tusschen hen beiden. Maar van haar vader hield
+zij, om dat zij van zijn bloed was, om dat hij altijd en altijd daar had
+gezeten in die achterkamer, als een dierbaar levend stuk huisraad. Zij
+was zóo gewoon hem het eerste te zien 's ochtends en het laatste 's
+avonds als zij naar bed ging, zij zoû voor geen geld van de wereld
+hem geen morgen-en nachtzoen gegeven hebben! Daarbij kwam het
+hulpbehoevende karakter van haar vader haar zucht om óp te passen en
+zorg te besteden te gemoet. Jozef, zoo krachtig en zelfstandig, was een
+heel ander man, Bij hem geen sprake van pantoffels warmen, sjamberloek
+klaar leggen, bizondere spijsjes bereiden, denken of het niet te laat
+werd of te druk om hem heen, tabak vochtig houden, peluw opschudden of
+warm scheerwater naar boven sturen, bezigheden, die haar allen om 't
+zeerst lief waren. Neen, zij zoû geen afscheid van haar vader kunnen
+nemen, dat groote kind, dat haar heele moeder-natuur innam.
+
+Zoo verliep zachtjes de tijd en waren de eerste dagen van September
+gekomen. Mathilde liep droomerig door het huis en met zuchten ging zij
+de kamer uit en in. Zij zong weinig meer in haar eigen en haar
+pianostudies waren nog maar werktuigelijk.
+
+Jozef was in den laatsten tijd vol attenties. Hij stuurde Mathilde
+bloemen, ofschoon de bloementijd bijna gedaan was.
+
+Het was een van de laatste mooye herfstdagen. Behalve de bloemen had
+Jozef tegenwoordig nog allerlei ideeën om Mathilde en haar vader
+pleiziertjes aan te doen. Zoo kwam hij ook nu 's morgens om elf uur
+aanschellen, en deed het voorstel om 's middags een rijtoer in een open
+rijtuig te maken. Men moest nu van de laatste mooye dagen profiteeren.
+Het zoû gauw slecht weêr worden en de zomertijd gedaan zijn. Hij wilde
+'s middags om een uur of éen, half-twee, met een flinken landauer
+vóorkomen, en dan langs den Amstel, over Onderkerk en Duyvendrecht, of
+wel aan den anderen kant, door de Meer en tot Weesp een rit maken. Dit
+zoû den ouden heer en Mathilde stellig veel goed doen. En zoo gebeurde
+het ook: het voorstel werd aangenomen.
+
+Met kleine stapjes kwam de heer de Stuwen op de stoep. Hij had een dunne
+overjas aan, zwart met een enkel grijs stipje er door heen; een lichte
+foelaar van grijze zij had Mathilde om zijn hals gelegd en van voren in
+zijn jas gestopt, boven de bovenste knoop. Een dikken bruinen wandelstok
+met dikken ivoren knop, waarop een hertejacht gebeeldhouwd was, had hij
+in zijn hand, even onder de knop. Hij had gerimpelde lubberige zwarte
+glacé-handschoenen aan. Hij had een engen cylinder-hoed op, waar van
+achteren zijn dunne grijzige haren als magere buigende waterstraaltjes
+uit te voorschijn vielen. Een versch ontstoken dofbruine cigaar, met
+twee gele rontetjes vlak bij de asch, was tusschen zijn lippen gedrukt,
+die daardoor een beetje naar binnen bogen, om dat hij de cigaar stevig
+vastklemmen wilde. Daar de wind van den anderen kant woei, warrelde vele
+rookkrulletjes, lang en fijn, langs zijn wangen en onder zijn neus; zijn
+lakensche dikke zwarte broek klepte over zijn te vierkante glimmend
+gepoetste bobbelige schoenen. Hij bleef staan en zonder zich om te
+keeren keek hij schuin naar binnen, of de jongelui nog niet kwamen.
+Mathilde was nog even naar boven gegaan, om haar parasol te halen. Jozef
+deed donker-groene handschoenen aan, bij den kleerenstandaard in den
+gang. Hij droeg een kleinen rozeknop in zijn lapel-knoopsgat en hij kwam
+naar de Stuwen toe. Hij bleef een trapje hooger in de post van de deur
+staan en bekeek, heel bedaard, met tevredenheid over zijn keuze en
+kennerschap, het rijtuig en de paarden, bijna zoo mooi als een
+eigen-rijtuig, en hij keek of de koetsier, die hij met liverei had
+gehuurd, wel de ware houding aannam, en de zweep recht op zijn knieën in
+de hoogte hield.
+
+--'t Zal u toch niet te koud zijn? vroeg Jozef.
+
+--O, nee, 't is heerlijk weêr.
+
+Na een oogenblik drentelen, vroeg Jozef weêr:
+
+--Wil u er dan maar niet vast ingaan?
+
+--Ja, dat is goed.
+
+Jozef ondersteunde den heer de Stuwen hij het opstappen van de twee
+treden, die onder het portier van 't rijtuig waren geslagen, door de
+Stuwens rechter elleboog op den palm van zijn linkerhand te leggen,
+terwijl de koetsier en het rechtsche paard even omkeken, daar hun
+aandacht door het lichte kreunen van de kast bij het instijgen werde
+gaande gemaakt. De heer de Stuwen liet zich in den linker hoek van de
+achterbank neêrzijgen, en bleef over de ledige plaats naast den koetsier
+op den bok heen voor zich uit staren. Juist kwam Mathilde aangeloopen.
+Zij was blij van uit rijden te gaan. Zij zat in den laatsten tijd al te
+veel thuis. Dit tochtje zoû haar verfrisschen. Met een rukje van haar
+duim en wijsvinger maakte zij het onderste knoopje van haar handschoen
+dicht, leî daarna gauw haar blauwe doekje over den linker arm, waar zij
+ook de roomkleurige parasol meê droeg en wipte de stoep af. Jozef bracht
+zijn arm naar voren om haar te helpen. Zij ging op de achterbank zitten
+naast haar vader. Jozef, die heelemaal optrad als de eigenlijke heer van
+het gezelschap, de leider van den pleiziertocht besprak nu met den
+koetsier den weg, dien zij nemen zouden in verband met het uur, waarop
+zij te-rug zouden moeten zijn. Zijn oogen en mond namen hierbij een
+ernstige uitdrukking aan van gezag en plaatselijke kennis. Daarna klom
+hij langzaam in het rijtuig, en schoof neêr op het vaal-gele kussen
+tegenover Mathilde. Hij ging dadelijk een beetje naar haar toe gebogen
+zitten, in een houding van gesprekvoering, want hij vond dat 't niet
+goed stond, als zwijgende poppen door de straten te rijden en rond te
+kijken. Dit was niet zoo als 't hoort. Zijn voeten stootten tegen
+Mathildes voeten. Men moest zich wat schikken, anders was de ruimte
+tusschen de twee banken te nauw. Mathilde duwde zich een beetje naar
+voren, haar voeten tusschen de zijnen, haar knieën door zijn beenen
+omsloten. De koetsier maakte gebaren met zijn armen en rug. Hij zeî:
+alla, jongens! en siste met de tong; de paarden trappelden wat, met een
+schokje ging men vooruit al ratelend over de steenen; door het hobbelen
+bibberden de aangezichtsvellen, vooral het losse dunne van den ouden
+heer, en Jozef kreeg jeuk in de hoekjes, waar zijn neusvleugels aan de
+wang eindigden. Maar hij verdroeg dien, want onder Mathildes oogen wilde
+hij zich niet krabben. Het denkbeeld dat zijn jeuk erger kon worden
+maakte hem verlegen. Hij spitste dus zijn neusvleugels, als om de zwoele
+lucht op te snuiven en wilde door deze spanning de jeuk verdrijven. De
+rook van de Stuwens cigaar, die dikker werd, daar hij groote trekken
+deed, woei tegen Mathildes gezicht aan. Dit hinderde Jozef, hij dacht,
+dat 't haar onaangenaam moest zijn, maar hij kon er niets van zeggen,
+ook wilde hij dat niet, om dat ie dacht, dat nu zijn gewoonte om nooit
+in haar bijzijn te rooken meer nog gewaardeerd zoû worden door haar.
+Plotseling deed nu Mathilde haar parasol neêr en werd het donkerder in
+het rijtuig. Men reed de Hoogstraat in en zag niets dan zwarte en
+donkerpaarse huisgevels aan beide zijden, verbonden door een reep
+hel-blauwe lucht daarboven, terwijl de zon achterbleef op den
+Kloveniersburgwal. Men was al lang begonnen te spreken. Jozef was midden
+in een zin over het vieze en onwelriekende van het jodenkwartier, daar
+zij straks doorheen zouden rijden; zijn woorden kwamen als
+onverstaanbare schreeuwtjes uit de verte tot Mathilde, die uit goedheid
+ja knikte. Daarna werd er niet meer gesproken. Een enkelen keer alleen
+riepen ze mekaâr iets toe over wat ze op straat zagen, en vroeg Mathilde
+luid aan haar vaders oor, of hij 't nu wezenlijk niet te koud had. De
+heer de Stuwen, die volstrekt niet, zoo als Jozef, er over dacht, hoe
+men zich in een rijtuig te houden had, keek met de meeste aandacht naar
+het dooreen-griezelen van de joden in de rondte, daar al dat loopen en
+babbelen in de voortdurende opgewondenheid zijn belangstelling van
+Amsterdamsch burgerheer gaande maakte. Hij zag vuile kleine meisjes, die
+op de hoeken van de zijstraten van de St. Antoniebreêstraat onoogelijke
+waren ventten, koude of rookende, en hij-zelf rookte een beetje meer om
+den stank niet in zijn neus te krijgen. Daar Mathilde ook om zich heen
+keek en die arme jodenjongens met goedhartigheid beklaagde, met hun
+bleeke ongewasschen gezichten en vieze zwarte, roode handen, en die op
+allerlei nootjes of zij wist niet wát kauwden, en de meisjes toch wel
+bizonder vond met hun breede lippen en chineesche wenkbrauwen, moest
+Jozef er ook wel naar kijken. Hij deed 't maar heel even, zonder
+hoofd, met zijn oogen alleen. Achter het geploeter gegil en gekrijt,
+reden ze nu door de kalme Muyderstraat.
+
+De heer de Stuwen kuchte tusschenbeide stilletjes en zat, weifelend en
+schuchter, met zijn handen op zijn knieën over zijn jas gegleden. Hij
+zeî niets. In de Plantage werd alles weêr breeder, vroolijker en een
+wijde hemel. Aan het einde van de laan was de Muyder Poort met zijn
+koepelig torentje en wijzerplaat, waarop de cijfers van de uren blonken.
+Het rijtuig ratelde hier erger over den weg, die hier en daar glooide
+tusschen de rijtjes magere nietige boomen, die gele blaâren afstrooiden,
+wuivend naar den dikken buik van de Poort, voor de groen door hen
+bepoetelde huizen heen, en de oude heer danste met zijn heele lichaam.
+Jozef zat Mathilde aan te kijken. Zij beglimlachten mekaâr eventjes
+tusschenbeide. Mathilde had haar parasol weêr opgestoken en haar door de
+warmte, het genoegen en de lucht, die er indrong, verlevendigd gezicht
+had tinten van zoetrood, rose, wit en warm blank, schaduwplekjes en
+glinsteringen, en kleine bewegingen van de wangen; haar oogharen klepten
+vóor haar vloeyend zilver schijnende oogen op en neêr, als sprekende.
+Haar gezicht kreeg zoo een bizonder waas, een geur van weemoed en
+verlangen in het onder den parasol verzachte licht, in het door de
+schijnende voering licht groen geverfde half-donker, dat Jozef haar met
+verlangen zat te bekijken. Hij dacht over Mathilde en vergeleek haar met
+haar vader, en prees in zijn eigen haar opoffering, die haar bij hem
+deed blijven en haar wat een onrust bezorgde, terwijl het bejaarde
+mannetje daar naast haar zat, zonder ook maar in 't minst te vermoeden,
+waar die twee andere hoofden, vlak bij hem, aan dachten.
+
+Zij waren nu over de reels van den Rhijnspoorweg geschokt, en, met holle
+galmen, door de Muyder Poort geholderdebolderd. Toen ze het gebouw van
+Artis voorbij kwamen, had Jozef iets over den stijl daarvan gezegd,
+waardoor hij weêr een goeyen indruk op de Stuwen maakte. Zonnige
+stofwolken stegen achter de huizen van de nieuw aangelegde straten op,
+waar het zand pas versch was aangedragen. Een wemeling van goudpoeyer
+zweefde door de lucht, omhulde de daken van de huizen en stoof dan neêr
+langs den straatweg in de Meer. Op de zachte, met laagjes hard zand
+bedekte klinkers klonk de hoefslag van de paarden dof af, en van
+tusschen de wriemelende boomenblaâren schoten zonnestralen over het
+rijtuig, die dan weêr wechwoeyen voor de schaduwen van de deinende
+takken. Rechts van den weg zag men, tusschen het heestergroen door, de
+wit-blauwe grafzerken van de Ooster-begraafplaats blanker en nieuwer
+schijnen in de zon. De heer de Stuwen was nu aan 't genieten. Hij werd
+een beetje dronken van de warme najaarslucht; een loome en zoete
+verdooving deed zijn boven-oogleden halverwege neêrstrijken; zijn
+gezicht zette zich uit, een lammig waas wolkte om zijn persoon, een
+begeerte om zijn eigen wezen, zijn kracht te verliezen en éen te worden
+met die sterke lucht en die pittige atmosfeer, maakte zich van hem
+meester. Hij had weinig gesproken en zweeg hoe langer hoe meer. Hij trok
+traag en droomerig aan zijn cigaar. Jozef en Mathilde voelden ook de
+buitenlucht door hun longen dringen, een gevoel van vrijheid en
+natuurliefde overviel hen buiten de stad. Het weilandengroen en het
+scherpe luchtblauw, waarin langzaam aan den horizont witte
+wolkengroepjes naar boven klommen, kaatsten in teêre tinten op hun
+gezichten af en stemden hen verweekelijkt en uitboezemens-gezind. Jozef
+had zoetjes-aan zijn voeten tegen Mathilde de hare geschoven en nu
+wreven zij er zachtjes tegen-aan. Nu kwamen zijn knieën ook altijd
+dichter en dichter bij de hare. Telkens wanneer het rijtuig schokte door
+de hobbeligheden van den weg en Jozefs knieën heen en weêr bewogen,
+hield hij ze expres een beetje langer tegen de hare aan. Er vloden
+aandoeningen van genoegen door zijn maag en vingers bij elke aanraking.
+Men vorderde verder in de Meer en juist zette de koetsier de paarden aan
+met de zweep om een oranje heerenwagentje voorbij te komen, toen men aan
+het ouderwetsche landgoed Rozenburg rechts van den weg kwam, met zijn
+oude boomen, verwaarloosde grasperken en stoffigen gevel. Uit het
+schuimige slotenkroos, dat de straatweg van de buitenplaats afscheidde,
+staken een wit mannen-en vrouwenbeeld omhoog, hun beenen in het eeuwig
+stilstaand water. Zij stelden lang vergeten goden en godinnen voor. Zij
+steunden het steenen bruggetje, dat de sloot overboogde met hun nu
+verouderde en van spinnewebben omwemelde lichamen. De knieën van Jozef
+en Mathilde sloten zich dichter aan-éen en drukten zich vaster samen,
+terwijl de oude heer, in een dommel-roes, zijn kin over zijn foelaar
+gebogen, en heerlijk genietend van de waayende warmte, zachtjes
+verdoofde in de sterke lucht.
+
+Jozef begon in een soort van kinderlijke stemming te verkeeren. Hij was
+blij te moede. Zijn zware cylinder hoed scheen hem van-daag bizonder
+zwaar. Ook had hij, met een onoverdacht gebaar, zijn hoed een beetje
+achterover gezet, o maar, zoo weinig, dat niet eens de lichtelijk in
+zijn vel geperste streep zichtbaar werd, die, om dat zijn hoed altijd
+juist op dezelfde hoogte zat, daar, vooral als het warm was, ontstond,
+zoodra hij zijn hoed op zette. Jozefs oogen waren vriendelijk. Hij
+voelde zich gelukkig en verlangend naar nog meer. Hij en zij leunden nu
+allebei achterover tegen de ruggen van hun plaatsen. Zij hield
+voortdurend, maar een beetje lager, een beetje gemakkelijker dan eerst,
+haar parasol in de hoogte. Er leî zooveel gloed over haar gezicht, Jozef
+zag, dat zij zoo niets liever verlangde dan op deze manier tegenover hem
+te zitten en dan naar hem, dan naar de lucht en de boomen te kijken, dat
+hij, in de onbestemde blijdschapsdriften, die naar zijn hersenen stegen,
+haar pardoes, als een schooljongen, op allebei haar wangen had willen
+zoenen, met haar schouders in zijn handen. Er was nu zoo'n heerlijke
+geheime verstandhouding tusschen hen. Het was zoo pleizierig dat zij met
+elkaâr zulk een dierbaar geheim hadden, waar vader nog niets van mocht
+weten. Het hinderde wel de onmiddellijke verwezenlijking van hun
+plannen, maar de blikken, waarmeê zij elkaâr nu konden aankijken en die
+zij alléen begrepen, de fluisteringen, als zij alleen waren, de minste
+handdrukken en aanrakingen, die beteekenissen kregen, dat alles gaf als
+een zoete geur van verboden vrucht aan hun verhouding, ofschoon er niets
+verbodens bestond. En deed het uitstellen om tot een oplossing te komen
+minder zwaar vallen in de ruischende najaarslucht.
+
+Zij reden voort over Diemerbrug tot Weesp. Hier dronken zij iets en
+kregen de paarden water en rogge-brood. Na ruim een half uur rusten,
+reden ze te-rug. De koetsier kreeg order om tot Diemerbrug denzelfden
+weg te nemen, en daar langs de vaart tot de Weesperzijde en daarlangs
+weêr tot Amsterdam te gaan.
+
+Toen ze de Amstel te-rugreden, den Schollebrug op en af, over den hoogen
+straatweg, in loggen draf door de paarden voortgesjord, was het al óver
+half-zes geworden; Jans zoû wel boos zijn, nu ze zooveel te laat zouden
+komen voor het eten. De oude heer had dit opgemerkt; hij was weêr
+helderder van hoofd geworden in de verkoelende lucht. Hij keek met
+welgevallen over de Amstel heen naar den overkant, waar wagentjes reden
+en menschen liepen, of naar den hemel, waar de zon langzaam in 't
+westen daalde.
+
+De heele hemel was wazig, wittig blauw, langzaam verduisterd. Voor hen
+uit stond de koepeltoren van Paleis voor Volksvlijt omhoog met zijn
+glazig grijzende kleuren, de magere spitse zwarte torens van de kerken
+waren meer vanachteren en de nieuwe daken van de hooge huizen in de
+Sarphatistraat staken zich op in een doffe dampenmassa, die zich boven
+Amsterdam samenpakte. Zachtjes dreven uit het oosten nog licht-zwarte
+wolkenbeetjes aan, heel in de laagte. Maar links van de huizendrommen,
+in het westen, tusschen de tengere boomenstammen aan de
+Utrechtsche-zijde, zonk de zon in de blauw-grijze verte, en spleten
+goudroode kwispelende strepen de sombere wolken. Een helle vuurbol spoot
+stralen er tusschen door. Een purperrood licht weêrkaatste in de
+bovenste huizenruiten en éen rose teêrheid betintelde ruimte. In het
+rijtuig werd de stilte stiller. Ieder zat voor zich-zelf te denken.
+Mathilde voelde zich zonderling blij. Een smartelijke vreugde om zich
+een onbestemde voorstelling te maken van wat toch niet wezen zoû, was in
+haar. Overgegeven aan de veêren van den landauer om haar te wiegen, bij
+kleine schokjes, en aan de warmte van de kussens, waarop zij nu al uren
+had gerust, om haar rug en beenen te doordringen, en haar borst en
+schoot koel in den avondwind, had zij haar hoofd naar achteren op-zij
+laten glijven. Haar oogen waren bijna geheel dicht, zij betuurde door
+een waas, tusschen haar lange ooghaartjes door, Jozef tegenover haar.
+Maar zij zag hem als verkleind, in de verte, met een nauwkeurige
+onderscheiding van zijn minste trekken. En door al de lucht, die
+tusschen hen was en die zij voelde, heen, nam ze hem zoo op in haar
+droomen. Zij liet zich gaan en hield zich geheel roerloos; nog altijd
+omsloten zijn beenen warm de hare. Zij had haar parasol met twee handen
+vast op haar schoot. Als door een onbekende heesche stem werd de
+waarheid in haar oor gefluisterd, dat haar liefde altijd grooter werd en
+nu gauw tot een voldoening moest komen. Al zóo lang was zij aan 't
+wachten. En zoetjes, heel zoet en liefelijk, als een balsem die haar
+huid en haar binnenste doordrong, liet zij zich door het denkbeeld
+kussen, dat zij nu oogenblikkelijk de heerlijkheid, die zij wachtte,
+tegemoet ging. In langzaamen dans, op de maat van den paardenhoefslag,
+zuisden de hoopschijnsels door haar mijmeren. Zij droomde van een
+vereeniging met hem, een eeuwig en alleen samenzijn. De geluiden van de
+straat kwamen als verwarde en onverstaanbare kreten van onder den grond,
+waarboven zij zweefde, op. Zij zag de hemeloneindigheid verduisterd om
+haar heen, maar een onverdoofbare vlammende gelukzee in haar hart. Zij
+wilde zich inbeelden, dat zij, terstond, nu dadelijk na het thuis komen,
+van-avond in dezen laatsten zomeravond, dat verwachtte geluk zouden
+hebben. En zij dacht dat 't anders nóoit gebeuren zoû, dat er na dezen
+geen zomer meer te-rug kwam, en dat de lucht voor het laatst purpur was
+geworden. Haar lippen werden nat. Zij wilde nu dadelijk drinken aan den
+beker. Zij haakte naar die dronkenschap, dien roes van haar liefde. De
+parasol viel uit haar handen, die half van haar japon wechvielen; zij
+zwijmelde heen in hare verwachting. Het werd éen zachte rozengloed en
+éen zaligheid voor haar oogen. Zij stak haar lippen vooruit, om Jozef,
+wiens kus zij nu kende, voor goed te ontvangen. Toen dommelde zij wech
+in een half slapende sluimering, na dat zij nog even een blauwen vonk,
+de eerste ster, voor zich uit had gezien, dicht-bij, boven Jozefs
+zwarten hoed.
+
+Diep uit haar doezel, schokte Mathilde wakker. En een stem, die haar
+vreemd scheen, zij lachend luide:
+
+--Mathilde, wij zijn er ... Was-je in slaap gevallen? Zij kwam tot
+zich-zelve, ernstig en kriegelig. Het was Jozef, die tegen haar sprak;
+hij had zijn hand op haar knie gelegd, om haar wakker te maken. Zij keek
+op; zij vond t' akelig donker, het was koud, het woei. Zij begreep niet,
+wat er eigenlijk met haar gebeurd was. Zij drukte Jozefs hand te-rug,
+die hij zelf niet gauw genoeg te-rug nam. Haar vader stond op om uit te
+stappen; Jans hield, met een brommerig gezicht, de deur al open. De oude
+heer hoestte erg.
+
+--O God, vader, u heeft stellig vreeselijk koû gevat. Wij hadden het ook
+nooit moeten doen, nee nooit!, zeî Mathilde, die uit haar humeur was.
+Zij sprong op den grond, vlak achter haar vader, voorbij Jozefs hand,
+die haar steunen wilde. Zij drong zich naast haar vader in den gang, vol
+onstuimig bezorgde vragen. Mankeerde hij nóg niet iets? Was hij niet
+stijf, had hij nergens pijn? Ze hadden dien ongelukkigen toer nooit
+moeten doen, 't was ook een vreemd idee geweest van Jozef nu de herfst
+al in 't land kwam. Zij stootte haar vader zachtjes door de deur van de
+achterkamer. Jans had ten minste voor wat vuur gezorgd; dat was goed.
+Zij nam den oude heer zijn hoed en overjas en boeffante af en zette hem
+in zijn leuningstoel hij de kachel. Daarna, nog met haar hoed op, rende
+zij naar boven, kwam te-rug met zijn pantoffels en sjamberloek, trok
+zelve zijn schoenen uit, hielp hem verder op zijn gemak. Toen dacht ze
+er pas aan haar handschoenen en hoed af te doen en naar Jozef te kijken,
+die stil in de kamer was komen staan, zijn hoed in zijn eene hand, de
+andere in zijn broekzak frommelend, waar zijn beurs, waaruit hij den
+koetsier een fooi had gegeven, maar niet plat wilde liggen.
+
+--Als vader zich maar geen ziekte op zijn hals heeft gehaald, zeî ze tot
+Jozef, nu weêr wat kalmer.
+
+--Wel nee, andwoordde hij, geen kwestie van, zóo koud was 't niet. En
+Jozef nam afscheid om in de club te gaan dineeren. De heer de Stuwen
+bedankte hem hartelijk voor het ritje. Hij had veel genoten van de
+buitenlucht. Maar men moest Mathilde haar gang maar laten gaan, dat
+goede kind!
+
+Dien avond was Mathilde vol bizondere teederheid voor haar vader.
+Ofschoon hij verzekerde niets te mankeeren, verzorgde zij hem op alle
+mogelijke manieren. Zij liet hem warme grokjes drinken, liet hem vroeg
+naar bed gaan, ging nog tweemaal voelen of zijn kruikje heet genoeg was,
+en kwam nog eens kijken of hij zich wel wél voelde, een half uur na dat
+hij naar boven was gegaan.
+
+Hij was nog niet heelemaal in slaap en ging rechtop zitten, toen zij
+binnenkwam. Zij kwam hem nog eens een nachtzoen geven, zeide zij.
+
+Haar armen om zijn mager lichaam, vroeg zij, in een opbruising van
+teederheid:
+
+--Zal u gezond blijven, zal u nooit, ten minste in de eerste twintig
+jaar niet, sterven? O, vader, u is het eenige wat ik heb, als u sterft,
+zoû ik zoo verlaten zijn en niemant hebben op de wereld. En zij zoende
+hem nog eens hartstochtelijk en drukte haar hart tegen het magere
+nachthemd van den ouden man en warmde hem aan haar jonge lijf. Daarna,
+toen zij haar in het rijtuig opgekomen begeerte om liefde te besteden
+had voldaan, sliep zij in.
+
+Den volgenden middag tegen vier uur begon de heer de Stuwen te bidderen,
+hij kreeg het koud door al zijn leden, hij was ongesteld, om vijf uur
+ging hij in zijn bed liggen. Mathilde, die doodelijk ongerust werd,
+hielp hem; om zes uur kwam de dokter, dien Jans was gaan halen, dokter
+Hansen, een klein rood-bruin-mager altijd veertigjarig mannetje achter
+een gouden bril. Den volgenden morgen was de Stuwen stijf door zijn
+heele linkerzij. Om éen uur kwam de dokter weêr en verklaarde, dat
+Mathildes vader zware rheumatische koortsen onder de leden had, en dat
+de ziekte, die lang en kort duren kon, zich nog al niet gemakkelijk liet
+aanzien. Mathilde merkte dat er een heel nieuw soort leven voor haar
+misschien zoû beginnen; tusschenbeide ten minste kwam deze gedachte als
+een heel vreemd iets door haar hersens. Maar zij was veel te bezig den
+heden dag, dan dat een oogenblik van gedachte door iets anders ingenomen
+werd dan door vaders ziekte en de mogelijke uitkomsten. Zachtjes, voetje
+voor voetje, liep zij de trappen op en neêr van den morgen tot den
+avond. Op verzachten toon werden Jans allerlei dingen gezeid en allerlei
+zaken opgedragen, die zij grommend over de drukte, opvolgde en
+uitvoerde. Er was den god-ganschelijken dag een gefluister en glippen
+van japontippen over de trap en een doodelijk stille bedrijvigheid door
+het huis. Zachtjes klepten de deuren toe; Mathilde had een katoenen
+lapje om de huisschel gewikkeld, wat de dokter zelf een overdreven
+voorzorg noemde. Nu was de heer de Stuwen gelukkig een zwijgende,
+geduldige zieke; een enkelen keer maar, vooral 's nachts, dreunde er een
+dof gekreun door het huis, wat Jans aan spoken denken deed. Het uiten
+van zijn pijn bestond bij den ouden heer in het kronkelen en wringen van
+zijn stramme leden en het zwaar zuchten, hijgen, sidderen en kuchen.
+Werd de pijn al te bar, dan sparde hij zijn oogen wijd open, zoodat het
+wit over de randen scheen te zullen loopen.
+
+Gedurende de eerste zeven dagen van de ziekte was Mathilde niet uit haar
+vaders slaapkamer te slaan. Den heelen dag had zij iets te doen, dan
+hier, dan daar in de kamer. Zij had den tweeden dag al haar borduur-en
+teekenwerk van boven gehaald en in een klein hoekje bij het venster
+gelegd. Alleen om de atmosfeer niet te benauwen, ging zij beneden in de
+achterkamer, driemaal per dag, even heel gauw eten. Den derden dag, toen
+de ziekte met schrikbarende snelheid heviger werd, had zij, een eindje
+voór haar vaders ledikant, een kermis bed met Jans opgericht, en daar
+bracht zij nu de nachten door. Verder hielp zij haar vader met alles,
+met een zenuwachtige en overdreven bezorgdheid. Zij alleen wilde
+volstrekt alles doen en in orde maken. Sprak dokter Hansen van een
+ziekenoppasser nemen, drong hij aan, noemde hij dat een noodzakelijken
+maatregel, daar op den duur toch Mathildes krachten niet toereikend
+zouden blijken, dan wilde zij van niets hooren, zij weigerde
+halsstarrig. In haar gesprekken met den dokter maakte zij haar armen
+bloot en wrikte haar schouders op en neêr, om te toonen hoe krachtig en
+lenig zij was. Met Jozef had zij ook een hevige woordenwisseling. Als
+zij hem, bij zijn dagelijksche bezoeken om naar den ouden heer te
+vragen, uitliet, en hem, beneden in der haast fluisterend in den gang te
+woord stond, verzekerde zij hem, dat zij 's nachts uitnemend rustte en
+zelfs zwaar sliep, en dat dit ruimschoots opwoog tegen de gejaagdheid,
+de angst en het werk van overdag. Hij kwam op het denkbeeld om van haar
+liefde voor de piano gebruik te maken, om haar wat afleiding te doen
+nemen. Op een middag wist hij haar naar het zaaltje te dringen, en haar
+aandrift werd daar wezenlijk zoo sterk, dat zij samen weêr heelemaal een
+ouderwetsch uurtje doorbrachten, zij op het krukje voor de piano haar
+geliefde themaas aan 't spelen en hij er naast op een stoel, vlak bij
+haar, kleine bedenkingen opperend, goedkeurend en toejuichend, den aard
+van de melodiën met haar besprekend, over het gevoel, de bizondere
+nuance, die in deze of gene noot te leggen was uitweidend. Toen was Jans
+binnen komen sloffen, en kwam vragen, kompliment van mijnheer en of de
+jufvrouw geen stukjes kon kiezen, die wat minder hard klonken, want dat
+mijnheer het aan zijn hoofd niet goed kon verdragen. Mathilde stond op
+met een bedaarde woede, die Jozef verwonderde, sloot de piano met
+vastberadenheid en borg de muziekboeken wech. Zonder een woord te
+spreken stapte zij naar boven. Haar vader, die eigenlijk erg lette op
+nommero éen: verschrikkelijk bang om dood te gaan, had zich-zelf uit
+zijn bed weten te werken en stond al bidderend bij de tafel zijn
+terpentijn-drankje klaar te maken, om dat het uur van innemen al voorbij
+was. Mathilde begon hierover te huilen, dat hij er meê uitscheê en 't
+haar liet doen. Jozef had zich beneden uit de voeten gemaakt. Aan éen
+stuk bleef Mathilde nu twintig uren boven bijna zonder te eten, zonder
+te slapen. Toen zij eindelijk weêr in de achterkamer kwam, om bouillon
+te eten, sloop zij op haar teenen naar het zaaltje, zocht naar het heele
+kleine sleuteltje, waarmeê de pianoklep afgesloten worden, in het laadje
+van 't paars-bruin muziekkastje er naast, vond het, sloot de piano dicht
+met een ernstig gezicht, ging toen naar de voorkamer, maakte het venster
+open en gooide onder een koortsigen glimlach het sleuteltje over de
+gracht in de wal.
+
+De ziekte van den ouden heer was nu op zijn ergst geworden. Het begin,
+de eerste hevige stooten waren voorbij, nu was zijn lichaam met kalme,
+zware aanhoudende pijnen. Mathilde verzorgde hem voortdurend hetzelfde
+en zonder ongeduld. Zij dacht veel aan Jozef, ook vooral als hij er niet
+was, maar de telkens in denzelfden vorm opkomende gedachte, die telkens
+weêr te-rugkwam als ze haar driftig had wech gestooten, zoo als de
+altijd weêr verschijnende telegraafpalen, die men te niet zoû willen
+kijken door het raampje van den sneltrein, maar die met een ruk weêr
+aankomen, die gedachte bleef haar als een zoete kwaal met een onbestemde
+heerlijke hoop vullen. Gelukte het haar 's avonds in te slapen, dan
+voelde zij in den doezeltoestand, waarmeê haar slaap begon, in die
+oogenblikken dat zij zelve niet wist of zij wakker was of sliep, en als
+hij zich weêr heelemaal van haar denken had meester gemaakt, haar
+vleesch koud, maar de hoop, zonder begeerte-voorstellingen, bleef
+bestaan en regende door de vale duisternis van de ziekenkamer haar
+zinnen binnen. Over-dag wilde zij niet aan hem denken, zij vond dien
+hartstocht nu akelig wereldsch vergeleken bij den heiligen plicht, dien
+zij vervulde. Dit was nu het leven, dit was nu de ware hooge roeping van
+een vrouw, en het andere was wereldsch, was slecht, was uit den booze en
+niets dan ijdelheid.
+
+Na vier weken was Mathilde half-ziek van afgematheid. Zij kon, zij kôn
+doodeenvoudig niet meer. Wanneer zij niet oppaste zoû zij-zelf ziek
+worden, en wat dan, dan kon zij toch zeker haar vader heelemaal geen
+goed meer doen. Zij had zich-zélf zoo gemaakt, zij had het werk, dat zij
+zich had opgelegd, overdreven. Zij had er een genoegen in gevonden zich
+af te sloven, dát te doen, wat zij wist dat overbodig was. Zij had een
+vaag verlangen gevoeld om zich zelf te vernietigen; zij wilde Jozef
+vergeten, zij wilde zich dood sloven om haar vaders leven te behouden.
+Het was de onbevredigde liefde voor Jozef, het onuitroeibaar onvoldaan
+verlangen, de stormende en stijgende zucht om haar leven aan zijn doel
+te geven, die zich in dezen hartstocht van verplegen een doorweg baande.
+En voor een gedeelte was zij geslaagd, zij had zich-zelf zoo weten te
+verzwakken, dat de dokter en Jans haar op een morgen met geweld aan de
+ziekenkamer onttrokken en naar bed brachten. Toen sliep zij achttien uur
+achter mekaâr. En zij voelde zich zoo krachteloos, dat zij zich wel
+moest laten aanleunen, het verschijnen van een liefdezuster, beneden,
+die men zich gehaast had te laten komen. Maar twee dagen later sukkelde
+zij in haar grijzen peignoir, door Jans ondersteund, weêr de trap af;
+zij wilde haar vader zien. Hij was nog hetzelfde; hij had zoo'n rillende
+en huilende pijn, door al zijn leden, vooral door zijn linker zij, dat
+men biezen hoepels om zijn matras had gespannen, om zijn dek op te
+houden, daar hij zelfs de druk van de dunne lakens en van éen katoenen
+deken over zijn beenen en borst niet velen kon. Hij jankte tusschenbeide
+als een hond.
+
+Een week later bleef de pijn bij lange tusschenpoozen wech. Na nog een
+week beterde hij merkbaar. Mathilde, die weêr aansterkte, zat in de
+voorkamer beneden te teekenen en te borduren; elke tien minuten liep zij
+de trap op om naar haar vader te kijken.
+
+Jozef kwam elken dag áan. Hij stuurde nu geregeld verfrisschinkjes voor
+den ouden heer; en voor Mathilde de laatste bloemen van het jaar.
+Mathilde vond 't heel mooi van hem, dat hij nooit vergat te komen. Zij
+zag hem op de vaste uren, altijd netjes aangekleed, altijd even lief en
+hartelijk, met zijn trouwe, nu beproefde, dacht zij, onveranderlijke
+liefde. Hij bleef nu dikwijls een half uur alleen met haar in de
+voorkamer, na boven den vader te hebben bezocht. Iederen ochtend zag zij
+weêr met meer verlangen naar zijn komst uit. Zij begon bij zich-zelf te
+redeneeren, dat vader waarschijnlijk, zoo hij al beterde, toch ziekelijk
+blijven zoû, en heel hulpbehoevend zijn volgend leven. Zij zoû zich niet
+van hem kunnen scheiden en hem moeten blijven verzorgen tot aan zijn
+dood. En langzamerhand ofschoon zij eerst voor haar eigen weinige
+zelfstandigheid te-rugdeinsde, werd zij gewaar, hoe zij zich neêrleî bij
+het denkbeeld om Jozef te trouwen en vader in huis te nemen, met hun
+drieën verder samen éen leven te leiden. Haar bezwaren van vroeger
+kwamen nog zwakjes op, maar verbleekten en schenen vernietigd te zullen
+worden. Weêr dacht zij aan de kinderen. Men moest verstandig zijn, men
+moest, wilde men zoo een gewichtigen stap doen in het leven, niets over
+het hoofd zien, alles wikken en wegen, alle bezwaren indachtig wezen.
+Zij dacht dan, dat de kinderen misschien vooreerst niet zouden komen,
+dat, al werden zij hun werkelijk gezonden, alles toch nog misschien
+geschikt zoû kunnen worden. Alles wat vroeger een onoverkomelijke
+hinderpaal scheen, werd nu makkelijk uit den weg te ruimen. In alle
+gevallen bleek gemakkelijk te kunnen worden voorzien. Zij zouden dan
+maar, zoo lang vader nog leefde, niet veel menschen zien en probeeren
+het huis stil te houden.
+
+Eens op een Donderdag-middag waren de heer en mevr. Berlage een kaartje
+komen poesseeren, de ingenieur Ster was er ook al verscheidene keeren
+geweest, om deelneming in de ziekte van den huisheer te betuigen, maar
+Mathilde ontving niemant, voorgevende zelf ook nog ongesteld te zijn.
+Zij wilde alleen zijn met al haar gedachten. Die nacht, van Donderdag op
+Vrijdag, deed zij bijna geen oog toe en lag zij aldoor aan Jozef te
+denken. Vrijdagochtend tegen elf uur, den tijd, dat hij komen moest, was
+zij zoo ontzettend verlangend naar hem, dat ze het venster van de
+voorkamer open schoof en in de Oktober-koelte haar haren liet zwieren om
+naar hem uit te zien. Zij reikte zoo ver mogelijk naar voren, dat haar
+borst er zeer van deed.
+
+Toen hij kwam, maakte zij open:
+
+--Ben-je daar? Zij gaf hem stil een arm. Samen gingen zij naar boven.
+
+Na dat Mathilde Jozef zich had laten overtuigen, hoe-of vader beterde
+met den dag, hoe opgewekt hij er weêr begon uit te zien en met hoeveel
+pleizier hij zijn krantje las, en hoe lekker hij weêr brood at, stonden
+zij op het portaaltje buiten de deur van de ziekekamer een oogenblik stil.
+
+--Ik ben boven aan een aquarel bezig, die nog al goedgaat, zeî Mathilde.
+Ik zal hem eens even halen, dan kan-je zien. Zij ging twee treden van de
+trap op en keerde zich toen om. In een wangenwarmte en een verlegen
+lachje, zeide zij: Ja, hij zit eigenlijk strak gespannen, vast gestoken
+op een houten bord ... Ik heb ook nog een heeleboel op mijn tafel liggen,
+om je te laten zien. Wil-je niet even meêgaan?
+
+Het denkbeeld om Jozef haar kamer binnen te brengen en hem alles daar te
+laten kijken bekoorde haar erg. Dat Jans iets zoû denken, viel niet in
+haar; Jozef was een oude huisvriend. Toch een beetje aarzelend ging zij
+hem vóor, en ze werd in-éens heel rood, toen zij zijn stap achter haar
+hoorde, zoo hoog in het huis, de trap op. Maar de kleur bleekte zachtjes
+op, toen zij haar deur openduwde. Het was buiten geen bizonder klare
+dag, integendeel, het kon op regen uitdrayen. Zij wist niet waarom, maar
+toch trok zij de gordijnen niet op. Hij trad op haar toe en nam haar bij
+haar arm. Sints dien eenen zoen, op dien grooten morgen, hadden zij
+mekaâr niet meer gezoend. Want een schijn van verkoeling had er
+wezenlijk bestaan. Hij zoende haar dan even, zachtjes op haar wang. Zij
+kleurde zijn gezicht met de liefde van haar oogen, maar zoende niet
+te-rug. Zij vond den toestand toch wel een beetje vreemd, zoo, hier op
+haar kamer. Op-éens merkte zij haar nachtjak, dat voor het bed op een
+stoel lag. Zij gooide het jak gauw op haar bed en deed de gordijnen
+zorgvuldig over mekaâr en de stoel er tegen aan, zoo dat er geen opening
+meer zichtbaar bleef.
+
+--Ga nou maar even voor de tafel zitten, zeî ze, dan kom ik naast je
+zitten.
+
+En samen bogen zij zich over de teekeningen en bezagen alles. Zij
+vermeed zijn blikken en leì hem haar moeite en haar werk uit, haar oogen
+naar de tafel. Plotseling zeiden zij geen van beiden een woord meer. In
+de stilte keken zij allebei voor zich uit. Toen nam hij een besluit en
+maakte een gauwe beweging. Hij deed zijn arm om haar middel en trok haar
+naar zich toe, zijn hand aan haar borst. Een hitte steeg in haar op. Zij
+ging achter over, haar hoofd op zijn schouder. Haar lichaam hijgde naar
+boven in zijn armen.
+
+--O, fluisterde zij, zonder te weten wat zij bedoelde, ik kán nu niet
+langer wachten ... Laten wij toch trouwen.
+
+En zij wrong zich naar hem toe, op zijn schoot, tegen hem aan. Hij viel
+haast òm met stoel en al. Zij maakte zich tot een klein kind aan zijn
+borst. Zij dook in-één in de houding, als toen zij, zoo lang geleden,
+als klein kind speelde op zijn schoot en hem aaide. Zij nam zijn hoofd
+tusschen haar handen; zijn haren sidderden onder haar vingers.
+
+--Wij zullen trouwen, nietwaar, gauw, zoû gauw mogelijk?
+
+En zij zoende zijn gezicht wit en hijgde heet over zijn wangen. En zij
+streelde alles aan hem, zijn hoofd, zijn gezicht, zijn schouders, zijn
+hals, zijn borst. Zij zoende zijn wenkbrauwen, zijn oogen, zijn lippen,
+zijn voorhoofd, zijn das, alles wat van hém was. Jozef andwoordde zonder
+te spreken, met te-rug te zoenen. Toen zonk zij met dichte oogen, haar
+hoofd op zijn houder, haar handen achter zijn hals samengeklemd, tegen
+hem neêr. En ze zeiden allebeî niets, hun hoofden waren heet in de
+vreemd-warme kamer, Daarna gingen zij zachtjes samen weêr naar beneden.
+
+
+
+
+IV.
+
+Jozef en Mathilde spraken af dat hij, zoodra de oude heer weêr heel
+hersteld zoû zijn en beneden in huis weêr in zijn oude leventje, een
+formeel huwelijksaanvraag doen zoû. Mathilde-zelf durfde er niet het
+eerst over spreken. Zij doorwachtten nu het langzaam beteren van den
+heer de Stuwen. Over een groote veertien dagen, had dokter Hansen
+gezeid, zoû de vader zich weêr gemakkelijk bewegen kunnen en de trappen
+op-en afloopen. Tot zoolang moest men geduld hebben, want Mathilde
+bracht Jozef aan 't verstand, dat zij volstrekt niet gissen kon, wat
+vader van de tijding denken zoû. Als hij weêr op zijn gemak den gewonen
+levensloop volgde, moest men hem alles meêdeelen.
+
+Met dendag draaide nu de oude heer bij. Hij begon eerst wat beter te
+eten, toen bleef hij even ópzitten met zijn koeranten, toen stopte hij
+zijn pijpjes, toen begon hij pleizier in keuvelen te krijgen, en
+eindelijk stapte hij de duffe ziekenkamer uit. Dit zal nu een dag of
+tien geleden geweest zijn.
+
+De maand Oktober eindigde stil. Het was een heldere koele avond buiten.
+Er passeerden weinig menschen op de gracht. De heer de Stuwen zat voor
+de tafel in de binnenkamer. Het kolomkacheltje brandde flauwtjes. De
+gasbekken waren boven het grijze hoofd ontstoken en hij las de krant
+onder 't soppen van een tafelbeschuitje in een juist weêr volgeschonken
+nagemaakt blauw Saksiesch theekopje. Tegenover zijn plaats aan tafel
+stond een groot ouderwetsch bruin blad met opstaanden rand in koperen
+beslag. Het vlammetje onder het oud-zilveren theepotje bewoog: zóo hoog
+stond het ouderwetsch toestel, met de ketel met kokend water, dat de
+stoom tegen het lichtje áankwam. De overgeblevene helft van een
+manille-cigaar lag op het met asch en gestortte suiker bedekte
+schoteltje, naast de linkerhand van den heer de Stuwen, waarmeê hij de
+krant vasthield.
+
+Mathilde was juist wechgegaan om klarigheid te maken om met haar vader
+naar de komedie te gaan.
+
+Daar werd hard aan de voordeur gescheld. Toen Jans bijna bij de voordeur
+moest zijn, gingen de Stuwens blikken even luisterend links langs het
+bedrukte blad, zijn mond ging op een kiertje staan: Wie, dacht hij, kan
+daar zijn?
+
+Jozef was aan de deur. De Stuwen herkende zijn stem toen hij Jans
+goeyen-avond zeî, en vond 't vervelend, dat hij juist nû kwam.
+
+--Zoo, van Wilden, ik had niet gehoopt je van-avond nog te zien.
+
+--Hoe maakt u 't, meneer de Stuwen? ... Ja, ik zal u zeggen ... ik woû u
+graag eens spreken ... over ernstige zaken ...
+
+--Nou, kom binnen, kom binnen ... Jans, neem meneer z'n jas eens aan.
+
+--Nee, dank u, die zal ik maar aanhouwen ... Ik zal u niet lang
+ophouden ... ik heb maar weinig tijd.
+
+--Ga zitten ... zoo, en wat heb je nu voor gewichtigs?
+
+De Stuwen was ook weêr gaan zitten.
+
+Jozef zat op de kleine kanapee, die tegen den wand stond. Zijn
+cylinder-hoed stond naast hem op het karpet met de lichtrood zijden
+voering naar boven. Zijn overjas hing open; zijn ellebogen stonden op
+zijn knieën; zijn donkerbruine glacé-handschoenen kraakten sisten tegen
+mekaâr; zoo krachtig poogde hij zijn handen te vouwen. Zijn hoofd hield
+hij gebogen, zijn oogen neêr. Een enkelen keer dwong hij ze echter den
+heer de Stuwen sterk aan te zien. Hij sprak boekachtig.
+
+--De stap die ik doe is wel een beetje onvoorbereid, meneer, ... maar wij
+zijn toch al oude vrienden en daarom ben ik er des te gereeder toe
+overgegaan ... Meneer, ik kom de hand van Mathilde vragen ...
+
+Jozef hoeste en keek den ouden heer lang, heel lang met zenuwachtig
+trillende oogen aan.
+
+--Houdt zij van u?
+
+--Ja, meneer, dat weet ik ... Wij hebben samen al over ons hartsgeheim
+gesproken ... Zij heeft mij wel lief en ik, ik haar onuitsprekelijk ...
+
+--Ik moet je ronduit bekennen, dat je me erg verrast. Ik had nooit aan
+zoo iets tusschen jullie gedacht. Je scheelt, als ik wel heb, dertien
+jaar met mijn dochter. Je karakter ken ik genoeg ... Maar wat praat ik?
+Wat moet ik beginnen, als jij met mijn eenig kind gaat strijken? ... De
+Stuwen huilde nu. Van Wilden, ik houd zooveel van dat kind, zij is 't
+eenige, wat ik nog over heb ... Mag ik wel vragen, oprecht en vrij,
+hoeveel inkomen je wel hebt, van Wilden, en hoe je je huishouden denkt
+in te richten? ... Wezenlijk, je komt me zoo met je aanbod uit de lucht
+vallen, dat ik er heelemaal door in de war ben ... Laat me d'r eens wat
+over denken, hè? ... Kom dan over een week of zoo maar mijn antwoord
+hooren ... Gut, jongen, van Wilden, geloof me, ik had zoo iets nooit
+vermoed ... Ik houd van je, dat weet je, en 't geluk van Mathilde gaat
+mij erg ter harte ...
+
+Jozef was opgestaan, beverig, klammerig. Boven in huis zong Mathilde het
+liedje uit Faust van den koning van Thule; zij kwam de trap af. Toen zij
+aan de onderste drie treden was, had ze juist haar handschoenen dicht
+geknoopt en kwam nu met een sprongetje de achterkamer binnen: Vader,
+is u klaar?
+
+Jozef had nog juist kunnen zeggen:
+
+--Mag ik u dan per schrift nog 't een en ander over mijn zaken
+melden? ... Ik hoor Mathilde, bedenk u nu rustig ... ik wil ook niet dat
+er in deze kwestie iets te overhaast of tegen uw goeddunken gebeuren
+zal, ... maar ... vóor alles, ... houd in 't oog dat niemand haar ... in
+staat is haar ... gelukkiger te maken, ik ... daar is ze, ... dat ik
+oneindig veel van haar houd ... Tot ziens dan!
+
+Hij kwam Mathilde aan de deur tegen. Hij dorst niet tegen haar te
+glimlachen. Zij zag ontsteltenis in zijn oogen. Zwijgend drukte hij haar
+hand. Zijn hand beefde. Zij zag haar vader ook opgewonden. Zij begreep
+dat Jozef alles had gezegd. Eén oogenblik had zij de gedachte haar vader
+te omhelzen en hem zoo smeekend aan te zien, dat hij dadelijk zijn
+permissie zoû geven ... éen oogenblik maar, want zij hield zich in en
+ging stil in de kamer staan. De heer de Stuwen liet Jozef uit. De
+buitenlucht koelde de gezichten van Jozef en de Stuwen af. Jozef nam
+zijn hoed af en verdween in de schemering van 't lantaarnlicht aan den
+wallenkant.
+
+Vijf minuten later ging de oude heer met Mathilde naar de komedie. Jans
+liet ze uit en bleef verder in haar eenzaame keuken te-rug om naast de
+poes in te dommelen zonder te merken dat de lamp knersend uitging.
+
+De Stuwen en Mathilde zeiden dien avond weinig tegen mekaâr.
+
+ * * * * *
+
+Dien avond, een paar uur na dat hij bij de Stuwen geweest was, ging
+Jozef naar de club. 't Was al over tienen. Het gas in de winkels vlamde,
+de gordijnen voor de clubventers waren neêr. Jozef draaide den hoek om
+en richtte zich naar de deur in gezelschap van twee andere elegant
+gekleedde heeren. Beneden, van de keldervensters van het clubgebouw,
+steeg een warme damp van gekruid eten op in de neuzen.
+
+De straathoek hier was vol loopende menschen. De lucht stond bewolkt en
+de gezichten blonken geel in het gaslicht. De oogen blonken, als lichten
+van diep uit de hoofden schijnend. Soms ging het geraas van rijtuig en
+paard plotseling van de straatsteenen over in het doffe geklok van den
+hoefslag op het asfalt. Schorre fruitventers-kreten, heesche
+jodenschreeuwen een schel hondgejank riepen op onder de schuifelende
+gebarende en gesprekken houdende menigte, donkere lijven in een ver
+gebrom en een morrend gesuis tot de lucht.
+
+In hun baarden lachend wandelden Jozef en zijn kennissen langzaam. Boven
+de fluweelen kragen van hun overjassen schemerden, in helder witte
+boorden geklonken, hun roode door de pret vettige halzen. Er kwam een
+donkere jufvrouw onder een breedgeranden rubenshoed achter hen aan. Zij
+kuchte. Jozef keek om. Van weêrszijde werd toen giechelend gelachen.
+
+De groote zaal van de club was in lichte kleuren beschilderd: licht-rood,
+lila en blauw; ovale vakken met bloem-en fonteinafbeeldingen, gescheiden
+door half uit den muur gebouwde hoekige pilaren, die van boven en van
+onderen zich in een opeenhoping van gouden krullen verloren. De
+bloemvakken werden afgewisseld door geslepen spiegels. Midden in den
+zaal stonden drie bieljarten, waar heeren met lekker-ruikende-baarden in
+hun overhemdsmouwen om heen liepen; de lampekappen stortten het licht
+over de bieljarten neêr, dat de spelden in de kleurige dassen deed
+blinken, maar de gezichten in de schaduw liet; de heeren droegen de
+keuën geweêrsgewijze over den schouder, de pomeranz, met krijt
+besmerend. Achter in de zaal stond de lankwerpige groene leestafel, waar
+meer bejaarde heeren kranten lazen; aan de vensters waren de zwart
+ebbenhouten tafeltjes; kletsende, rookende heeren zaten er om heen
+grokjes te drinken.
+
+Jozef kwam binnen met zijn vrienden. Een knecht vol blauwe liverei met
+zilveren knoopen nam de over-jassen en de hoeden aan. Aan een tafeltje,
+dicht-bij de deur, waar al drie jongeluî aan zaten, gingen zij ook.
+
+--Bonsoir, Hasman ... Dag, Piet, hoe maak jij 'et? D'Ablaincourt! ...
+Zitten jullie hier al lang?
+
+--Nee, even maar, we hebben koffie gedronken in Suisse.
+
+--Was 't er vol?
+
+--Nee, och God, niemant.
+
+--Jawel, en Dobber van Rotterdam dan? Zeî Hasman.
+
+--O, was die d'r ook? Die heb ik t'r gisteren gezien, zeî Jozef.
+Verbeel-je, hij proponeerde me om een spelletje ekartee te spelen, maar
+dat kon ik niet doen, dat begrijp je, nee, zeg ik, dat gaat hier in
+Amsterdam volstrekt niet, als de menschen mij hier na den eten ekartee
+zagen spelen, zoû ik morgen aan de Beurs niets te doen hebben.
+
+--Nou, zoo erg geloof ik nou niet, dat het is, zeî Piet.
+
+--Asjeblieft, zeî Jozef, de menschen zijn hier nog verschrikkelijk
+kleinstädtisch. Ik durf in geen publiek koffiehuis kaart te spelen. Dat
+kunnen alleen renteniers doen en in geen geval jonge menschen, die in
+effekten doen.
+
+D'Ablaincourt was met den knecht aan 't overleggen wat hij drinken zoû.
+
+--Mag ik je iets offreeren, van Wilden?
+
+--Ja, groc américain, heel graâg!
+
+--Jongens, ik heb vandaag zoo'n mooye meid gezien, zeî Hasman.
+
+--Ja? Waar?
+
+--Op de Heiligeweg. Ik ben d'r nog een tijdje nageloopen door de
+Leidsche straat, maar 't duurde me te lang.
+
+--Ja, à propos, van Wilden, hoe staat 't met jouw Lucie?
+
+--Dank-je, heel goed; jammer, dat 't uit is tusschen ons ... maar van den
+anderen kant toch niet jammer, want ik geloof dat 't heel goed is, dat
+ik nu eindelijk eens ga trouwen.
+
+--Ja, maar, beste vrind, wat heb je aan een ongefortuneerde vrouw?
+
+--O, dat hangt er heelemaal van áf ... as je een meisje trouwt, mooi, en
+die op je verliefd is, en als je dan de overtuiging hebt, dat je een
+uitstekende getrouwde man zal zijn ... Ik zal veel van d'r houën en we
+zullen 't heel goed met mekaâr kunnen vinden.
+
+--Jongen, jongen, wat ben jij toch 'n degelijk mensch ... en dan na een
+jaar of zes zoo vijf kleine springertjes om je heen ... heel plezierig
+nie-waar? Je bent tóch altijd zoo'n liefhebber van kinderen!
+
+--O, waarom niet, andwoordde Jozef, al sjouw je wat voor dat je trouwt,
+daarom kan je later toch wel een goeye huisvader zijn.
+
+--Ja, en je leeft op 't oogenblik ook heel bedaard, dat is waar.
+
+--Wel zeker, heel bedaard, maar, beste jongen, dat heb ik altijd
+gedaan ... ik leef altijd bedaard ... ik ga nu van-avond bijvoorbeeld
+waarschijnlijk weêr eens dood bedaard naar Josephine uit den Haag.
+
+De knecht kwam nu met een platina blaadje, waarop drie grocs américain
+stonden, die de heeren met een lucifer aanstaken, zoo als ze het in
+Parijs hadden zien doen.
+
+--Op je aanstaande, Jozef! zeî een van de andere heeren, zijn glas in de
+hoogte.
+
+--Blaas eerst de vlam uit, je zal je branden, riep een ander er
+tusschendoor, om een aardigheid te zeggen.
+
+--Nou, en ik drink op Josephine! zeî Hasman.
+
+--Nee, profaneer niet, zeî Jozef, je moet geen dingen met mekaâr in
+verband brengen, die niets met mekaâr te make hebbe.
+
+--Nee, dat moeten jullie ook niet doen, zeì de heer Blas, die tot nu toe
+gezwegen had en voor een heel verstandig mensch doorging, maar, van
+Wilden, ik zoû je toch wél eens iets willen vragen ... hoe of jij toch
+eigenlijk de meisjes op je verliefd maakt, bijvoorbeeld, zonder
+indieskreet te willen zijn, je aanstaan nu, die houdt nou toch bepaald
+van je, nietwaar?
+
+--Ja wel, ik hoop het ten minste wel.
+
+--Hoe komt dat dan nou? Je bent altijd op de Beurs, op je kantoor, hier
+in de club, en je neemt het leven verder nog al luchtig op, je bent
+zelfs een beetje fatterig, hoe kan jij een meisje uit een stille
+burgerlijke ingetogen familie zoo gecharmeerd op je maken?
+
+--Dat is nog al eenvoudig, andwoordde Jozef, ten eerste, omdat haar
+vader en zij met weinig menschen omgaan en ik zoo wat de eenige jonge
+man ben, dien zij kent, ten tweede om dat ík veel van haar hoû.
+
+De heeren zaten met hun ellebogen op de tafel, met de eene handen de
+hoofden steunend of aan de glazen, de andere in de broekzakken en op
+tafel trommelend, te luisteren; om hen heen leefde de zaal in het rollen
+en klotsen van de bieljartballen, het applaudiseeren voor een mooyen
+stoot met een licht geklop van de keuën op den vloer en het stemgegons
+van de babbelende tafeltjes met een enkelen luiden schater; de rooknevel
+van geurende cigaren steeg langzaam naar de zoldering.
+
+Na een uurtje begonnen Jozef en zijn vrienden zich te vervelen. Aan
+andere tafeltjes spraken zij nog een paar vrienden aan, en groetten een
+paar kennissen en gingen nog een beetje de straat op.
+
+Twee dagen later ontving de heer de Stuwen een dik zorgvuldig toegemaakt
+koevert, dat hij ook op een avond, ook in zijn achterkamer, bij het nog
+flauwer brandend kolomkacheltje, openmaakte.
+
+Jozef legde er zijn maatschappelijken toestand in bloot. Hij was
+eigenaar en bestuurder van een effektenzaak, die jaarlijks een acht-à
+tienduizend gulden afwierp. De omstandigheid, dat hij aan een bekwaam en
+ijverig kashouder de leiding van het kantoor had toevertrouwd, stelde
+hem in de gelegenheid zijn tijd, die niet aan het maatschappelijk
+verkeer was gewijd, met lezen en studeeren door te brengen. Dikwijls was
+hij maar een half uur per dag op zijn kantoor en zijn overigen tijd
+thuis, of, zelden, in de club. Maar 't sprak dat hij voortaan al zijn
+lidmaatschappen van sociëteiten en verdere celibatairs-genootschappen op
+zoû zeggen, om met zijn vrouwtje, alleen voor en in zijn eigen huis te
+leven. Hij wilde zich ook ernstiger nog als nu op de studie toeleggen,
+een bezigheid, die, wilde zij vruchten dragen, op zich zelf al veel van
+zijn vorderen zoû.
+
+Terwijl de Stuwen den brief weêr bij de andere papieren in den omslag
+leî, dacht hij na over het besluit dat hij zoû nemen. Hij glimlachte.
+Mathilde had sinds die paar dagen nauwelijks van Jozef durven spreken.
+Alleen gisteren-avond, toen hij haar een beetje plechtig had afgevraagd,
+of zij wezenlijk, in het volle besef van wat de toekomst zoû brengen,
+van Wildens vrouw woû worden, had zij hem doen blijken, hoeveel zij van
+Jozef hield. Zij verzekerde alles overwogen, over alles nagedacht te
+hebben en tot het besluit te zijn gekomen, dat haar toekomst was aan de
+zijde van dien man te leven en te sterven.
+
+Er was dus, dacht de Stuwen, niets tegen het huwelijk ... Hij had immers
+zelf, hij, die Jozef misschien 't best van allen kende, toch nog de
+laatste dagen hier daar in de stad naar de reputatie van zijn aanstaande
+schoonzoon geïnformeerd en overal waren hem de beste berichten gegeven.
+Vroeger had Jozef wel een beetje "gesjouwd", schreef een van de heeren,
+dien hij inlichtingen had gevraagd, maar hij was toch altijd, vooral in
+den laatsten tijd, een bedaarde jongen geweest. Hij zoû van Wilden dus
+maar andwoorden en Mathilde, als zij thuis kwam,--zij was van-avond bij
+mevrouw Berlage--gelukkig maken.
+
+Ja, Mathilde was uit. Hij zat hier alleen en kon dus dat zaakje nu juist
+goed ten einde brengen. Plotseling dacht hij aan zich-zelf, hoe alleen
+hij zich op 't oogenblik voelde; de kachel was aan 't uitgaan, zijn thee
+werd koud. Mathilde was er ook niet om voor dat alles te zorgen. En in
+éens voelde hij geheel de verlatenheid, waarin hij in 't vervolg zoû
+zijn. Hoe was 't mogelijk! Nu pas dacht hij aan wien hem toch het naaste
+was! Wat moest hij nu worden? Alleen zijn ouden dag tegemoet gaan, dat
+was geen pleizierig idee. En was dat het lot van alle vaders in zijn
+omstandigheden, in zijn noodzakelijke omstandigheden, dit besefte hij
+wel. Zijn glimlach verdween en hij huilde. Hij voelde zich koud, hij
+keek rond. Wat was het eenzaam hier in huis! 't Gebeurde wel meer, dat
+Mathilde eens uit was 's avonds, maar nooit had de kamer hem zoo kil en
+leeg geschenen als nu, ofschoon hij zeker wist, dat Mathilde op haar
+gewonen tijd thuis zoû zijn om hem goeye nacht te zeggen, naar zijn warm
+kruikje te zien en zijn kussen te schudden, en dat, al ging het huwelijk
+ook door, zij toch minstens nog een maand of zes bij hem zoû zijn.
+
+Hierna vermande zich de heer de Stuwen. Hij stond op, sloot zachtjes de
+deur en kreeg uit de zwaar mahoniehouten sekretaire, rechts van het
+raam, dat op het binnenplaatsje uitzag, zijn schrijfgereedschap. Hij
+schreef, met een beetje schuin uitloopende regels, aan Jozef, dat hij,
+na lang over den stap nagedacht te hebben, besloten had zijne dochter te
+permitteeren hem te trouwen, dat hij verder Jozef verzocht een dezer
+dagen eens nader over deze aangelegenheden te komen spreken. De brief
+was min of meer koel ingericht. De Stuwen voelde voor Jozef niet meer de
+vriendschap van vroeger. Maar hij kon nu eenmaal niet anders, ofschoon
+hij 't zelf onredelijk vond.
+
+Gedurende den tijd, die aan het huwelijk voorafging, veranderde de
+Stuwen zichtbaar in de oogen van Mathilde. Meestal was Jozef 's avonds
+bij hen, maar éen of twee maal in de week, als de Stuwen alleen zat met
+Mathilde in den schemerschijn van 't lichtje onder de theepot, dan was
+'t of hij niet meer op zijn woorden kon komen, zoo als vroeger, dan
+gebeurde 't wel, dat er een uur verliep, terwijl de Stuwen zich in zijn
+koerant verdiepte en Mathilde over haar borduurwerk gebogen zat, in
+geheele stilzwijgendheid. En was Mathilde verwonderd over haar vader,
+vroeg ze hem, of hem iets scheelde, of er soms iets aan zijn gezondheid
+haperde, dan verbaasde hij zich over die vragen, dan zeî hij volstrekt
+zelf niet te weten, haar anders, met minder hartelijkheid en
+vertrouwelijkheid, te behandelen dan vroeger. Zij ging nu trouwen, dat
+was heel, heel goed, dat was de weg, dien iedereen ging op haar jaren en
+hij zoû wát trotsch zijn eenmaal in zijn dochter een mooye flinke
+getrouwde vrouw te zien. Wat hem dan zoo stil maakte en afgetrokken, hij
+wist 't zelf heusch niet, hij vertrouwde van Wilden geheel, hij was over
+'t toekomstig lot van Thilde niet ongerust. Maar onbewust vulde hem het
+voorgevoel van de verlatenheid, die hemzelf te wachten stond. Hij had
+nooit veel vrienden gehad en sinds den dood van zijn vrouw, na zijn
+langen rouw, had hij er in 't geheel niet aan gedacht zijn oude
+kennissen weêr op te zoeken, nog minder nieuwe aan te knoopen. Hij was
+altijd een huiselijk man geweest, die een stillen kleinen kring, rustig
+'s morgens aan 't ontbijt, rustig 's avonds in het schemeruur, de
+voorkeur gaf boven menschen-zien en vertooning-maken. Daar Mathildes
+aard hierin nogal met den zijne over-een-stemde, hadden zij zich met hun
+tweeën, hoe langer hoe meer buiten het algemeene, gedruismakende
+maatschappelijke leven gesloten. Nu, nu het oogenblik van scheiding en
+verandering in die huiselijke orde naderde, zag hij in gedachten eens
+uit naar de jaren, die komen zouden. Zijn dochter ging wech, natuurlijk!
+Ja, zij zoû wel altijd veel van hem blijven houden, veel van zijn uren
+zoû hij nog in haar stil en aangenaam gezelschap kunnen slijten. Maar
+hij wist heel goed, hij herinnerde zich nog wel deugdelijk uit de eerste
+jaren van zijn eigen huwelijk, met wat een scheele oogen jonggetrouwden
+aanzien, dat een derde zich in hun intieme leven mengt en dat hij een
+tijdperk van ondragelijke eenzaamheid tegemoet ging, daar twijfelde hij
+geen oogenblik aan, en deze gedachte maakte hem stil. Want even afkeerig
+als hij was van veel en druk gezelschap, een even groote behoefte had
+hij aan enkelen in zijn nabijheid, om zijn vertrouwelingen te wezen en
+zijn gemoedsleven te deelen. Mathilde kwam er niet op te vermoeden, wat
+de eigenlijke reden was voor de verandering in haar vaders manier van
+zijn. Zij had al van alles verzonnen, maar wat haar in was gevallen, om
+de onhoudbaarheid dadelijk weêr verworpen. Vroeg zij 't hem, dan bleef
+hij maar andwoorden, dat hij daar zelf niets van merkte. Zij ook dacht
+voortdurend alleen aan de toekomst. Maar 't kwam haar zoo natuurlijk en
+zeker voor, dat vader bij hun in zoû komen wonen! Zij twijfelde daar zoo
+weinig aan, dat niets haar meer verstomd zoû hebben als te hooren, dat
+de onmogelijkheid van wat zij voor natuurlijk hield de eenige oorzaak
+was van haar vaders droefgeestigheid.
+
+Eens op een avond, toen haar vader bizonder treurig voor zich uit zat te
+turen, kwam zij weêr op iets:
+
+--Vader, is u zoo verdrietig, om dat ik trouwen ga?
+
+--Och, nee, dat is het niet.
+
+--Maar wat is er dan toch, wat dan in 's hemels naam, er moet toch iets
+bizonders aan de hand zijn. Waaraan dacht u nu op 't oogenblik? Zegt u
+dat nu eens oprecht. Het zal toch niet eenvoudig aan uw gestel liggen.
+Ik heb ten minste nooit gehoord van een lichamelijke kwaal, die op zoo'n
+manier aan den dag zoû komen.
+
+--Kind-lief, ik weet het zelf niet.
+
+--Maar het kan toch niet zijn om dat ik trouwen ga, want, lieve hemel,
+dat doen alle meisjes op mijn leeftijd en het is nog nooit gezien, dat
+een vader zich dat zoo erg aantrok. U houdt wel veel van me, dat weet ik
+wel, maar ik kan toch niet gelooven, dat u zooveel van mij zoû houden,
+dat u ziek wordt bij de gedachte, dat we een beetje van mekaâr moeten
+gaan, dat zoû toch al te erg zijn. Dat zoû ziekelijk zijn en eenig in
+zijn soort, en nee, en dat kan niet, dat is onmogelijk. Ik kan het mij
+niet verbeelden ... Och toe, vader, doet u nu niet zoo raar ... Kan u er
+zelf niets, niets aan doen? ... Vader, wil ik dan maar liever niet
+gaan trouwen?
+
+--Nee, kind, ik verzeker je, dat is het niet, het moet iets lichamelijks
+zijn. Ik zal er den dokter eens over spreken ... Denk je nog wel dikwijls
+aan je moeder? vroeg de Stuwen plotseling.
+
+--Tusschenbeide. Ik kan eigenlijk niet goed aan d'r denken. Hoe wil ik
+me iemant voorstellen, die ik mij nog maar zoo weinig herinner.
+
+--Je moeder was net zoo als jij, lieve kind, je bent haar sprekend
+evenbeeld. Ze was net zoo opgewonden als jij wel zijn kan, en ook haar
+uiterlijk had héel veel van het jouwe ... En weet je, waar ik nu eigenlek
+bedrukt over ben? ... Als 't eens met jou ging, zoo als 't met haar is
+gegaan ... Kind, je hebt zóoveel van d'r!
+
+--Maar, vader, hoe bedoelt u? Ik begrijp u niet; dat ik ook vroeg
+sterven zoû?
+
+--Ja, kind, je kon niet weten. Laten we eens iets veronderstellen ... Als
+jij ook een kindje kreeg en je stierf dan, zoû je dat niet
+verschrikkelijk vinden?
+
+--Och, vader, ik weet niet, ik kan me daar volstrekt geen voorstelling
+van maken.
+
+De heer de Stuwen was ongerust. Den volgenden dag, toen hij weêr een
+uurtje alleen zat, kreeg hij hoofdpijn van het denken aan zijn vrouw en
+aan Mathilde. Hij dacht aan Mathildes zwarte haar, aan haar donkere
+oogen, die zij, zonder verandering bijna, van haar moeder had. En dan
+haar levendigheid, haar vuur; dat hem vroeger juist zoo op zijn vrouw,
+die maar zoo kort geleefd had, verliefd had gemaakt. Mathildes
+levenslustigheid sloeg nu en dan in wildheid over. Dat maakte hem ook
+bang. Nu, in den laatsten tijd met het huwelijk in 't vooruitzicht, was
+dat wel beter geworden, maar vroeger, wat kon zij aangaan! Het was wel
+gebeurd, dat zij stil alleen samen zaten en lazen, hij de koerant, zij
+een roman. Dan was zij dikwijls niet van het boek af te krijgen geweest,
+haar slapen gloeiden vlak boven de bladzijden, tot zij in-éens ontsteld
+op-sprong, gejaagd de kamer rondliep en eindelijk tegen de muur ging
+staan leunen, haar voorhoofd op den rand van een schilderij. Een
+oogenblik duurde dat maar, dan keek ze om en proestte het uit van het
+lachen over haar eigen kinderachtigheid. Met tranen nog in haar oogen,
+liep zij dan naar haar vader, die verwonderd naar haar had zitten
+kijken, en drukte hem bijna te pletter in een omhelzing. Wat kon zij
+woest zijn! Wat kon zij op de piano dreunen en urenlang zitten spelen,
+zonder ooit op te houden, zonder om te zien. Zij was bepaald een
+vreemdsoortig meisje; haar moeder had ook wel zoo iets. Maar zij veel
+meer. Wat kon ze met een hartstocht teekenen, uren lang, boven alleen op
+haar kamer, zonder ooit voor 't venster te kijken naar de menschen
+beneden langs de straat. En dan, die vlagen van godsdienstigheid
+tusschenbeide! Daar begreep de Stuwen nog 't minst van. Hij was ook wel
+naar de kerk gegaan in zijn jeugd en had veel preêken gehoord van een
+vromen pastoor, maar met de jaren kwam de onverschilligheid en het vage,
+geheimzinnige geloof van zijn vrouw, had hém juist nog meer doen
+verflauwen. Hij was bepaald van de liberale partij geworden, hij las het
+Handelsblad en was 't vrij wel eens met dominee Hugenholtz. Maar
+Mathilde niet. Zij kende God, had zij dikwijls beweerd, en als ze iets
+goeds deed, voelde ze duidelijk de zegening van God in haar binnenste.
+Of pastoor Sluyter, die vroeger wel eens aan huis kwam, haar dat had
+geleerd, dat wist de Stuwen niet. Maar hij merkte elken dag, hoe
+gelukkig of haar geloof Mathilde maakte. Daarom sprak hij er zoo weinig
+mogelijk met haar over.
+
+Ja, het geloof alleen maakte Mathilde vroeger gelukkig, zij wist het
+zelf heel goed.
+
+Tot haar vijftiende jaar toe, had zij alleen den God van haar moeder en
+van pastoor Sluyter gekend. Zij stelde zich hem voor als den oppersten
+rechtvaardigen rechter, een bejaard eerbiedwaardig mannelijk wezen, met
+langen sneeuwwitten baard, die haar zag en zijn wenkbrauwen fronste, als
+ze kwaad deed of dacht, als ze ongehoorzaam was aan vader, lui was onder
+'t werk of met een vriendinnetje lachte in de kerk of de japonnen van de
+dames haar daar meer bezighielden dan Hij en Zijn Majesteit; die
+welwillend op haar neêr zag en haar zegende, als zij braaf was, goed
+werkte, en gedwee tegenover haar meerderen.
+
+Maar toen zij volwassen werd, het een en het ander gelezen had en haar
+ziel groot voelde worden, toen had het gevoel over dien God
+noodzakelijker en levendiger dan vroeger aan haar voorgedaan. Als ze 's
+zomers 's morgens opstond en de zon goudgloed was in haar kamer, als ze,
+even voor het venster staande, de blaadrenmassaas van de iepenboomen zag
+waayen en ruischen en de lucht zoo blauw was boven de glinsterende
+daken, vooral ook als ze eens buiten kon zijn en rondwandelen in de
+vrije natuur, of als ze muziek hoorde of een prachtigen roman las, dan
+rees er een onnoemlijke behoefte aan uitstorting en aan dank in haar
+gemoed, dan richtte zij zich tot dien hoogen Persoon, uit Wien al dat
+vreemde geluk moest voort komen. Dan dankte zij Hem voor de gave van
+haar leven, voor haar genieting en voor de hoop op nog grooter geluk,
+die zij in zich droeg. Zij wenschte ook zoo zeer geleid te zijn, een
+raadgever te hebben. Nu besefte zij het: Hij zoû haar leider wezen! Zij
+bad van Hem veel goeds te mogen doen in haar leven, zij dankte Hem, als
+ze iets goeds had gedaan. Zij droomde ook van liefde. Daarom óok bad zij
+aan den God van alle liefde. Het gebeurde wel, dat zij woorden vond om
+Hem toe te spreken en Hem haar vereering te betuigen, net zoo als zij
+tegen haar stoffelijken minnaar zoû zeggen, als die mocht komen.
+
+Toen ze van Jozef begon te houden, had zij gehuild van dankbaarheid in
+haar gebed aan God.
+
+ * * * * *
+
+Intusschen verliep de winter, een zachte winter. In 't voorjaar zouden
+Jozef en Mathilde trouwen. Het engagement was publiek. Mathilde had zich
+al gewend aan de pleizieren en aan de eentonigheid van zoo geengageerd
+te zijn. Jozef hield nu zijn arm om haar middel geslagen en zoende haar
+in het bijzijn van den ouden heer. Het kwam Mathilde voor, dat haar
+liefde op dezelfde hoogte bleef staan. Dan zaten zij met hun drieën bij
+mekaâr en bespraken plannen voor de toekomst. In weêrwil van zijn
+afwijzingen was 't nu vast bepaald, dat de oude heer bij het jonge paar
+in zoû komen wonen. Eens maar werd er nog een avondje met meer
+menschen gegeven.
+
+Toen de tijd van het huwelijk kort op handen was, werd Mathilde
+zenuwachtig. Haar stil genoegen van dagelijks met Jozef te zijn werd
+vermengd met zekere nog nieuwe gewaarwordingen van gejaagdheid en angst.
+Als ze soms op de kanapee in de binnenkamer naast mekaâr zaten en
+praatten, terwijl de oude heer, op een stoel voor de tafel, goedig en
+stil er opmerkingen tusschenvoegde, voelde Mathilde in-éenen met een
+soort van bevreemding, van verwondering, dat zij daar nu zoo zat, in
+dezen toestand en pratend over de inrichting voor haar volgend leven,
+die zoo bizonder verschillend van de tegenwoordige wezen zoû en waarvan
+zij nog zoo weinig wist. Als Jozef, op den heel gemeenzamen toon, waarop
+hij deze onderwerpen behandelde, over de wenschelijkheid gesproken had
+met zijn vrouwtje een huis op de Heerengracht te huren en haar vroeg,
+wat zij dacht van de Heerengracht bij de Gasthuismolensteeg, om dat hij
+zijn kantoor hield op het Cingel daar dicht in de buurt, dan kon zij hem
+plotseling aanzien, alsof zij geschrokken was van wat hij zeide. Zij
+keek ernstig en hield zich stil. Men hoorde het lichtje onder de theepot
+branden. En dan sprak hij weêr voort, zonder iets te merken. Het
+gebeurde wel, dat de oude heer indommelde midden-in de gesprekken
+overdag of 's avonds. Als Mathilde dan Jozefs stem alleen voort hoorde
+gaan, kwam het voor dat zij hem niet vertrouwelijk aan dorst zien, maar
+een groote droefheid over zich voelde komen en haar blikken maar niet
+van den slapenden vader afhouden kon. Zij zag de kamer rond en, 's
+avonds of overdag, in de voor-of in de achterkamer, het was zóo donker,
+dat zij kippenvel kreeg. Zij keek naar de wanden, een voor een, en
+begreep maar niet, waarom zij die al-gauw voor andere, lichtere en
+vroolijkere waarschijnlijk, verruilen zoû. Er kwam haar een weemoedige
+vriendelijkheid van de vormen van de meubels, die tegen het behangsel
+stonden, tegemoet. Het buffetje herinnerde aan de heerlijke oude dagen,
+die voorbij waren voor altijd, de lijsten van de schilderijen
+herinnerden, dat haar vader, na een schoonmaakdag, die altijd recht
+hing, om dat de schoonmaakster ze schuin aan het driehoekig koord weêr
+opgehangen had; zij dacht er over, dat haar vaders haren vroeger veel
+minder grijs waren, en Jozefs stem klonk dan als heel uit de verte, als
+het gelui van een stalen klok. 's Avonds naar haar slaapkamer gaande en
+daar zijnde, onder het uitkleeden, had zij een gevoel van vagen angst
+voor Jozef. Het was zoo donker overal. Hij kwam haar toch niet na op de
+trap! Hij stond toch niet aan haar deur te tikken, na dat zij hem
+afgesloten had? Hij had zich toch niet in de een of andere kast
+verborgen, om haar te verschrikken of te verrassen? Hij zoû toch niet
+van onder de tafel of het bed vandaan kruipen, om bij haar te zijn, al
+te dicht bij haar, om haar aan te raken, vriendelijk, hartelijk, stevig,
+om haar te omhelzen al te vurig, haar zeer te doen, om haar pijn te
+doen, haar te knijpen, iets van haar te stelen, iets voor altijd van
+haar wech te nemen, wat haar dierbaar was, iets innig van haar eigen?
+Hij drong zich toch niet tegen haar aan, eischend dat zij iets af zoû
+geven, wat zij niet missen kon? En in een groote haast ging zij naar
+bed. Dáar verdwenen de onrustige gedachten en ging zij teeder aan hem
+liggen denken, schikte zich gemakkelijk op de matras en de kussens, om
+niets te voelen en zich niets te verbeelden dan hem en hem alleen, om in
+haar éentje gemakkelijk en ongestoord van hem te houden. Zij had voor
+dek een laken, een deken en een sprei. Zij sloeg die tusschenbeide
+heelemaal uit over haar hoofd om zóo, in de pikke duisternis, Jozef
+alleen te zien. Of wel, wanneer het haar te benauwd werd, vouwde zij het
+dek om en trok het, zoo eens zoo dik, zoo hoog mogelijk onder haar kin
+en dan, met dichte oogen, wreef zij zachtjes haar kin over dat dikke dek
+heen en wêer; dan stond hij, in al de bizonderheden van zijn persoon,
+zóo levendig voor haar geest, alsof hij wezenlijk in haar kamer was.
+Maar zij hield er van haar eigen denken over hem na te pluizen. Hoe kwam
+het, dat zij hem nu zoo erg zag? Gesteld eens, dat hij op dit oogenblik
+wezenlijk was op de plek, waar zij zich nu verbeeldde hem te zien, in
+welke houding zoû hij dan zijn? Stónd hij, gewoon rechtop? Neen, dan
+moest hij op haar bed staan, zoû zich dus ten eerste niet stijf staande
+kunnen houden op het weeke beddegoed, ten tweede zoû zijn hoofd tegen
+den hemel stooten om dat hij zoo lang was, ten derde zag zij hem zoo van
+dichttebij, dat zij te-gelijk zijn voeten en zijn haren zoû kunnen
+aanraken, iets wat dán niet mogelijk zoû wezen. Lag hij dan naast haar
+of op haar, stond hij buiten het ledikant? Neen. Stond zijn beeltenis
+dan afgeschilderd ergends midden in haar hoofd? Dat moest zijn. Zij zag
+hem uitkomen op een donkeren kleurlozen of naar het grijs-rood aardenden
+achtergrond. Die beeltenis moest dan wel heel klein wezen, om daar
+binnen geborgen te kunnen zijn. En toch zag zij hem levensgroot. Hij was
+er en hij was er niet. Dat maakte haar weêr bang. Dan kwam daar nog bij
+waarom sloop die vreemde gestalte zoo bij haar binnen en overmeesterde
+al haar denken? Wat had die man een overdreven punten aan zijn snor, die
+zij langs haar wang voelde scheren; een heele lichte, nauwelijks
+merkbare onaangename geur kwam er rechts uit zijn boord op. De even
+zichtbare kringvormige indruksels onder zijn oogen vond zij leelijk ...
+En dan was hij haar weêr heelemaal vreemd. Wat kwam hij doen, wat wilde
+hij toch van haar? Zij en hij waren toch twee verschillende menschen.
+Hoe kon zij dan niet aan haar zelf denken zonder hem te zien? Waaróm
+drong hij zich dan zoo aan haar op en ademde zij met hem samen? Hij
+vervolgde haar; wat zoû hij haar doen? ...
+
+Dikwijls keek Mathilde in deze dagen weêr naar het portret van haar
+moeder, droever en bleeker elken dag. De straffe rimpels van de
+neusvleugels tot de mondhoeken prentten zich dieper in het gezicht van
+de vroeg gestorvene.
+
+De laatste veertien dagen vóor het trouwen zorgde Mathilde met haar
+modemaakster voor haar japonnen en met boodschapjes in de stad, die al
+haar middagen vulden, voor haar verderen uitzet. Zij was ongeduldig. De
+tijd moet nu maar gauw verloopen, nu alles toch eenmaal besloten was.
+Maar heviger dan vroeger had zij aanvallen van berouw over hetgeen zij
+ging beginnen. Zij zoû haar goeden, ouden, armen vader alleenlaten? Want
+hij kon de huwelijksreis toch niet meêmaken, dat ging niet. Hoe had zij
+daartoe kunnen besluiten? Maar hij kwam immers later bij hen inwonen?
+Ja, ja, maar ondertusschen! Hij werd hoe langer hoe stiller en meer
+in-één-gedoken. Wat zoû er van hem te-recht komen?
+
+Door allerlei zulke bespiegelingen heen, brak de huwelijksdag aan. Toen
+Jozef haar dien avond, dien oppersten avond, meênam naar het station,
+was alle gevoel in een verdooving ondergegaan. Het afscheid van haar
+vader ging flauwtjes te werk. Zij had den heelen dag bijna niets gegeten
+en alleen maar een paar glazen water gedronken. In den trein had zij de
+koorts. Geen woord werd er gezegd. De bezorgdheden van Jozef, die haar
+alles zoo gemakkelijk mogelijk maakte, merkte zij niet eens. Zij zat
+daar, lijkwit. Een onbestemde nieuwsgierigheid drong huiverig door haar
+verdooving heen. Zij dacht aan niets eigenlijk. Haar keel was droog. Het
+was haar te moede, als stond zij in een dikken grijzen damp met een
+ondoordringbaar verschiet in de rondte. In een nevel van onuitgedrukte
+aandoeningen ging zij haar nieuwe leven in.
+
+
+
+
+V.
+
+
+Jozef en Mathilde waren voor den burgemeester getrouwd en voor den
+pastoor. Dit laatste om dat de Stuwen het, voor de menschen, om niet af
+te wijken van het gebruik, gewild had en zonder op Mathilde indruk te
+maken. Zij was te erg wech geweest door al het andere. Haar vaag gevoel
+als het 's zomers 's morgens heel mooi weêr was of boven een roman, dat
+zij zich als haar geloof dacht, werd wel even een beetje opgewekt, maar
+zij voelde zich eigenlijk geen echte, katholieke vrouw, zoo als haar
+moeder geweest was. Maar toch, toen zij een week getrouwd was, begon zij
+te denken meer dan zij vroeger had gedaan, dat 't van Jozef vreemd was
+zoo aan niets bovennatuurlijks te gelooven. Buitendien had zij haar
+liefde van verleden jaar nog niet voelen te-rugkomen. Zij was nog altijd
+een beetje bang voor Jozef, hoofdzakelijk 's avonds en 's morgens vroeg.
+Zij had geen verwondering in zich zelve gemerkt over wat er met haar
+gebeurd was, maar zij had er Jozef niet liever om gekregen. Alles kwam
+haar natuurlijk en toch vreemd voor. In vreemde omgevingen, onder
+allerlei vreemde gewaarwordingen, leefde zij als een heel nieuw en
+versch leven. Vele herinneringen van haar eerste halve jaar op het
+kostschool vulden haar brein. Toen had zij ook zooveel ongekends beleefd
+en had haar bestaan zich nieuw aan haar voorgedaan. Maar krachtiger dan
+toen mengde zich nu de gedachte aan haar vader onder de andere. Hoe zoû
+'t met hem gaan? Hoe zoû hij zijn dagen wel slijten? Zij schreef hem
+alle dag en kreeg driemaal in de week antwoord.
+
+De huwelijksreis was door Jozef en den ouden heer na rijp beraad zoo
+vastgesteld: Zij zouden den avond van hun vertrek gaan tot Arnhem,
+verder naar Parijs: dan zouden zij langs de Middellandsche Zee naar Rome
+gaan en de terugreis over Duitschland doen. Jozef voorspelde ontzaglijk
+veel genot van zoo een groote reis. Hij was tóch een liefhebber en had
+er in een helen tijd niet aan gedaan maar ook voor Mathildes
+wereldkennis was de uitgestrektheid van de roete uitstekend. In
+Valkenburg een dorp bij Maastricht, zouden zij een eerste halte maken
+langer dan een dag, van een week waarschijnlijk.
+
+Daar waren zij aangekomen den vorigen avond en hadden er, met open
+ramen, een rustigen nacht gehad. Het was nu zeven uur in den ochtend, de
+tweede helft van Mei.
+
+Het hotel aan den landweg, waar een andere weg, die bergopwaarts ging,
+daarin eindigde, blaakte zijne éene verdieping en aschgele gevels in de
+zon. Van boven de onderste ramen van den voorgevel tot aan het
+lila-kleurige hek, dat het stuk grond vol banken, stoelen en
+donkergroene tafeltjes vóor de deur, omheinde, waren vale doeken
+gespannen, om het er koel te houden. Maar gouden hittestralen spoten
+door reten en beschilderden hel-geel den muur. Geen windje woei, maar
+door de vroegte was het nog niet snikheet. Mathilde zat, zachtjes naar
+achteren geleund, op een van de zwart-groene banken vlak aan het huis,
+met hun geribde ruggen tegen de vensterbanken, rechts van de deur. Zij
+was in een luchtig blauwen peignoir, met goedkoope, breede witte kant
+afgezet. Zij hield haar handen op haar schoot, haar ééne duim tusschen
+de bladen van een rood reisboek; en klein wondje, nog frisch, bloedde
+aan haar wijsvinger, waarmeê zij een roos had geplukt, om die
+zoo-met-een in Jozefs knoopsgat te steken. Zij las niet. Zij zat
+roerloos, haar voeten in blauwe kousen en opengewerkte schoentjes, op
+een versleten voetenbankje. De nauwheid van het witte plooisel maakte
+haar hals een beetje rood. Zij sufte, haar blikken voor haar uit in de
+heesters of opklimmend rechts langs den bergwand, met zijn zwarte,
+paarse, bruine, donkerroode en gele aarde, beneden als zand-steen
+uitgegraven en hooger-op met kleine boomengroepen. Boven in de lucht
+verdreven wazige witheden in het belle hemelblauw. Mathilde droomde zich
+heel wech, in een loomheid afgezonken. Haar oogvlakjes stonden
+mat-mijmerend, drinkend de pleizierige kleuren voor haar uit. Een
+weekelijkheid was door heel haar lichaam gedrongen. D'r haar was nog
+maar half opgemaakt. Lange slappe vlokken, dof-zijig zwart, hingen naast
+haar ooren neêr. Haar huid scheen haar als door een dunne laag was,
+gevoelloos en zacht-prettig, bedekt. In de vensterbank, volgend op die,
+waar zij vlak voor zat, had de logementhouder vier bloempotten laten
+zetten, met roode en witte rozen, wier reuk zwaarzachtjes om Mathildes
+hoofd kwam hangen. Een logge zandwagen knerste voorbij, rechts over den
+weg, het zweepgeknal klitste, de wagen trok af en grommelde voort in de
+verte. Vroege vliegjes wirrelden boven haar handen; twee heele kleine
+bleven mekaâr halsstarrig op haar rechter wijsvinger vervolgen. Het
+ochtendgepraat van een paar gezinnen, een eind verder onder het
+zonnescherm aan het ontbijt, links van Mathilde, hoorde zij bijna niet.
+Een stijve kellner kwam uit de deur loopen om de families te bedienen,
+versleten zwarte blaadjes met gemeen wit aardewerk op de handen, borden
+met groote ronde brooden aandragend. Soezelig fladderde een gedachte
+door Mathildes hoofd: wat zoû vader graâg eens zulk brood proeven. En
+zij overdacht haar vaders voorliefde voor brood. Twee blonde kinderen
+huppelden nu naar buiten en bekeken Mathilde even met klare oogen. Maar
+er waren zooveel gele tinten in de groene heesters, de zon smeet breed
+lila over den bergwand rechts en er sprankten zooveel glansjes door de
+sparreboompjes, dat Mathilde langzaam opstond, en terwijl haar korte
+sleep, waar ook een wit strookje uit te voorschijn kwam, bevend over het
+zand krulde, naar voren wandelde, het hek door, en op den weg staan
+bleef om naar beneden, links in het dal, te kijken. De zon was schuin
+achter haar; haar blikken dwarrelden door de wijde zilverblauwe lucht.
+Voor haar uit streepte de weg neêr, breed, poeyerig, wit, altijd nauwer
+wordend tusschen de ruigbestruikte lage bergglooying, in een hoog
+kroeserig boschje verdwijnend. In de diepte zag zij een roerloos
+watertje, sneeuwwitte huizen, kaal land, waarop poppetjes, dat menschen
+waren, gebaren maakten en liepen. Maar effen lichtend blauw daalde de
+hemel nauwelijks, heel beneden, blankend. Nog nooit had Mathilde zoo
+weinig grijze nevel aan een horizont gezien. Hooger-op in de lucht stond
+de heele ruimte in een laayend sidderen witblauw, goud-flonkerend. En
+alles blankte schitterend. Een plekje gras en mos door-een-gegroeid,
+vlak bij Mathilde, glansde van niet wechgedroogde dauw met kleuren van
+paarlemoer. Er zongen vogels en Mathilde voelde van muziek die uit de
+lichtzee van den hemel neêrruischte. De lucht was sterk. Mathilde
+voelde, bij dit ontwaken vol wemelende stralen, haar oogen door een
+donzig waas overtrokken. Sprakelooze onuitbare vreugde steeg er op van
+haar hart. Zij zag golven van wit vuur uit de hoogte tot haar afkomen.
+Haar oogen glommen dronken tegen het tintelend verschiet. Haar eene
+been, waarop zij steunde, wankelde. Weêr langzaam ging zij te-rug naar
+de bank, om op Jozef te wachten. Het roode reisboek was op den
+grond gevallen.
+
+De families, links, waren druk aan 't kakelen geraakt. Een oude vrijster
+schonk, met ernstig voorhoofd, koffie, en men knabbelde op beschuiten,
+onder het getemperde licht van het spandoek. Juist kwam Jozef voor den
+dag in een grijs dun pak. Mathildes blik verwarmde zich. Met een zachten
+glimlach leî ze haar arm in de zijne en stak, voor hem heen buigend, het
+rozeknopje in zijn knoopsgat. Zonder zich te bedenken, als sprak 't
+van-zelf, wandelden zij dadelijk den weg op tot zij alleen waren en
+niemant hen zien kon. Zwijgend gingen zij een heel eind voort, daalden
+de bergglooying af, liepen hoe langer hoe langzamer tot zij aan een
+boschje van pijnboomen kwamen. Zij gingen er in en bleven stilstaan.
+Hier was schaduw en koelte. Zij gingen naast mêkaar liggen op den grond.
+Jozef trok halmen stuk en beet ze klein. Hij vond den dag zoo mooi,
+en zeî het.
+
+--'t Is heerlijk, zeî Mathilde, heerlijk!
+
+Jozef lag tegen den heuvel aan op zijn rug. Hij keek naar de bladen in
+de hoogte. Mathilde zat naast hem en steunde zich met haar elleboog. Zij
+keek naar het mos en zeide: Wat zullen wij gelukkig zijn samen.
+
+--Wij zíjn 't al, andwoordde hij. Zonder naar haar te kijken, liet hij
+zijn voorarm over zijn elleboog heenbuigen en opende zijn mooye hand.
+Zij leî er de hare in en zoo bleven zij een tijdje liggen. Het was
+Mathilde wél te moede. Zij zagen geen van beiden om. Door de boomstammen
+heen zagen zij alleen schemering van hel-witte lucht in de verte en hoog
+boven hen sprankte een enkele maal het goud tusschen de groene massa.
+Mathilde vond, dat het lichte grijze pak Jozef uitstekend stond, om dat
+hij zoo'n geanimeerde kleur had op zijn wangen.
+
+--Wat zoû vader nu wel doen op 't oogenblik? vroeg zij.
+
+--Lieve kind, het is pas hallef nege. Je vader ...
+
+--Nu moet je zeggen "Vader", want nu is ie ook de jouwe.
+
+--Goed. Vader zal zoo wat juist opstaan.
+
+--En weêr lagen zij bewegingloos. Jozef gaapte nog eens even en rekte
+zijn beenen uit. Met gemakkelijke gebaren aaide hij Mathildes wangen of
+drukte zachtjes haar hals tusschen zijn wijsvinger en duim. Kwamen zijn
+handen hij haar lippen, dan zoende zij ze even, zonder precies te
+letten waar.
+
+Mathilde voelde zich langzamerhand weêr heelemaal zich-zelve worden. De
+droomende stemming ging zoetjes voorbij. Zij ontwaakte onweêrstaanbaar
+in het heerlijk ontwaken van haar liefde. Uit de doffigheid van haar
+alleen-zijn openbaarde zich nu het bewustzijn van haar geluk. Zoo ging
+dat bijna iederen morgen. Dit zalig-vreemde gevoel in deze vreemde
+omgeving was zoo vol verrassingen, dat zij telkens dacht nu zoû het wel
+op zijn heerlijkst zijn geweest. Iederen nacht sliep zij in met de
+gedachte van-daag zooveel te hebben liefgehad, dat zij den volgenden
+morgen zoû ondervinden, dat er een verkoeling in haar liefde was
+gekomen. Maar bij het begin van den nieuwen dag, dan dacht zij nog meer
+van Jozef te houden dan gisteren. Alleen dat haar vader zoo ver wech was
+vond zij verschrikkelijk naar. Zij voelde zoo zich niet heelemaal aan
+haar geluk te kunnen geven. Zij had dien goeden vader daar alleen thuis
+achter gelaten. Als zij terugkwam in Amsterdam, zoû zij weêr erg voor
+hem te zorgen hebben waarschijnlijk, en toch verlangde zij er naar.
+'t Was nu maar te hopen, dat vader niet ziek werd gedurende haar
+afwezigheid. Mathilde dacht nu na, over hetgeen Jozef in oogenblikken
+als deze wel voelde.
+
+--Hoû-je van me? vroeg zij. Dit had zij al zoo dikwijls gevraagd.
+
+--Dat weet-je wel, heel veel.
+
+--Wezenlijk, heel veel?
+
+--Wezenlijk, zeî Jozef, maar hij lag te lekker den zomermorgen te
+genieten, zoo op zijn rug, om haar voor dit gezegde in zijn armen te
+nemen en te zoenen, zoo als zij het had gehoopt.
+
+--Ben-je dan niet blij, dat we nu zoo heel alleen samen zijn, dat ik nu
+heelemaal voor jou ben, dat je met mij doen kunt, wat je wilt? Hij
+andwoordde iets dat haar veel pleizier moest doen. En zij sprak weêr
+voort: O, ik ook, ik begrijp mijn geluk nog niet heel goed, maar ik
+voel, dat het er is. Ik ben zoo gelukkig, dat ik bang ben, dat het niet
+lang meer duren zal.
+
+--O, waarom niet?
+
+--Ja, dat weet ik niet, maar het is zoo. Ik weet niet, maar alles is nog
+zoo vreemd; ik ben er nog zoo weinig aan gewend, En ik ben zoo bang dat
+vader iets zal overkomen.
+
+Hij stelde haar gerust. Waarom bang te zijn? Het weldadige seizoen zoû
+ook vader goed doen.
+
+--Ik weet niet, zeî ze weêr, maar 't is net, of ik nog altijd een beetje
+bang voor jou ook ben.
+
+--Ben-je bang voor me?, vroeg hij, hoe dan?
+
+En zij leî het hem uit. Hun verhouding, zoo als die nu al acht dagen
+bestond, was zóo vreemd, zóo vreemd voor haar. Het hinderde haar, dat
+hij zich zoo met het meeste gemak kon schikken in al die dingen, waaraan
+zij zich nog gewoon moest maken. Hij behandelde haar op een manier,
+zooals hij het vroeger nooit had gedaan. Hij was heel lief, maar op zoo
+een innige manier, dat 't haar wel aangenaam was, maar dat zij er zich
+toch iederen keer weêr over verbaasde. Het ging hem al te goed af, zij
+waren hem al te eigen, die woorden en aanrakingen, die haar in 't eerst
+tegen hadden gestaan, maar waarin zij langzamerhand een genot was
+begonnen te vinden zich aan te onderwerpen. Maar toch, hij deed zooveel,
+hij wist zooveel, en zij deed nog niets, zij wist nog niets. Waren alle
+mannen nu zoo, of hij alleen? Zij voelde dat zij aan hem wech ging. Hij
+was 't, die een vrouw van haar zoû maken. Wel voelde zij zich groeyen in
+de innige samenleving met hem, maar zij voelde zich voor zich-zelve
+verloren gaan in die liefde. Waar bleven haar eigen denkbeelden, die
+kleine bespiegelingen over allerhande dingen in de wereld, waar zij
+alleen voor zich-zelf pleizier in had. Waar bleven de indrukken, die zij
+kreeg en die zij voor haar eigen gemoed alleen verwerkte en onthield?
+Alles bleef wech. Zij gaf hém alles. Zonder het te zeggen of te
+waarschuwen, maakte hij zich van alles meester. Zij kon aan niets anders
+denken. Hem zag zij alleen in het leven, op hem kwam alles neêr. En zij
+verweet hem deze waarheden zóo lief, dat hij op zijn knieën naast haar
+ging zitten, haar bij haar schouders achter-over neêrdrukte, en haar
+heele gezicht rood en warm zoende, elken keer met zijn hoofd
+achteruitgaande om haar, een beetje verder af, goed te kunnen bekijken.
+Hij vond alleen dit te zeggen jij bent mijn eenige en grootste schat.
+Zij had zich hulpeloos prijs gegeven. Nu en dan bracht zij zwakjes haar
+armen, die aan haar zijden waren neêrgevallen, naar boven om hem een
+beetje af te weren. Maar zij liet hem begaan, en zoende te-rug, als zijn
+gezicht niet te gauw wech was. Er kwam geen sterveling over den weg
+achter hen en de heele omtrek bleef doodstil. Aan mekaâr geklemd, bleven
+zij liggen. Keek Mathilde naar boven, dan daalde heel de hemel neêr, de
+blaâren verwijdden zich boven hun hoofd, stralen van vuur schoten neêr;
+het groen verdween en wolken van vuur en licht daalden altijd nader over
+hen af. Begon het niet te waayen? Als de boomstammen met al de blaâren
+ter zijde bogen, zouden zij bedolven worden door het regenend vuur, dat
+boven hen ronddreef. Het bosch werd hoe langer hoe kleiner. Vlammende
+winden woeyen wijd en zijd. Hijgende luchtstroomen zweefden tusschen de
+stammen door altijd dichter en dichter bij.
+
+--Vader, waar is vader? zuchtte Mathilde, maar alles was gloed om haar
+heen. In de bedwelmende lucht leefde zij voor het eerst vol haar liefde,
+met opzwenkende leden en duizelende oogen. Zij zag Jozefs naakt gelaat
+en zijn koortsige oogen. Was dat nu het leven? Was dat nu het getrouwd
+zijn? De boomen ruischten haar huiveringen tegen. Haar oogleden trilden;
+zij kreeg het koud aan de slapen. Zij viel te-rug op het mos, leî zich
+met het gezicht naar beneden en, zonder iets te voelen of iets te zijn,
+verborg zij haar oogen tegen den grond.
+
+Zij bleven nog een half uur liggen, zonder te spreken, zonder zich te
+verroeren. Mathilde stond het eerst op. Ongearmd gingen zij naar het
+hotel te-rug. Na een tijdje fluisterde Mathilde: Dat kan nooit duren, ik
+zal gek worden, ik ben ál te gelukkig, of er zal iets anders gebeuren,
+ik weet niet wat. Een lusteloosheid hing verder over Mathilde dien
+heelen dag. In plaats van te gaan rijden, zoo als eerst het plan was
+geweest, zat zij den heden dag op haar kamer of onder het spandoek.
+Jozef, die begonnen was met te probeeren haar gezelschap te houden, toen
+het hem niet gelukken mocht haar tot het ritje over te halen, moest
+eindigen met in zijn eentje te gaan wandelen. Wat zij deed was zoo raar,
+zij deed precies als vóor hun huwelijk wel. Zij durfde hem niet lang
+achter mekaâr aankijken. Zij sprak maar over haar vader. Tegen den avond
+schreef zij een brief naar Amsterdam, vol van de innigste teederheid,
+vol van hartstochtelijke gehechtheidsbetuigingen. Zij schreef haar
+vader, dat Jozef het heel goed maakte, dat zij zich wel gelukkig
+voelden, maar dat zij toch o zoo verlangend was hem te-rug te zien. Zij
+was nu pas een groote week op reis, schreef zij, maar toch telde zij nu
+al de dagen, die moesten verloopen vóor hun te-rugkomst. De zekerheid,
+dat vader zich goed verzorgde, zoû haar echter de afwezigheid
+dragelijker maken. Hij moest haar dus daarover nog vele zaken, erg in
+onderdeelen en breed onderschrapt, meêdeelen. Had hij geen pijn meer aan
+den linkerkant? Niet de minste aandoening daarvan? Hoe was Jans? Bromde
+zij niet, voorzag zij hem goed van alles, wat hij woû? Deed hij zonder
+over te slaan, dagelijks geregeld zijn loopje? Hij moest dat toch vooral
+nooit vergeten; de dokter had er zóo op gedrukt. Dus niet denken: de
+lucht is van-daag wat betrokken, ik zal van-daag maar thuis blijven en
+morgen een beetje langer wandelen, vooral niet, want van dat langer kwam
+morgen toch niets. Regende het den heelen dag, dan moest hij een uurtje
+afwachten dat de droppels minder zwaar vielen en dán gaan. Hij moest 's
+avonds ook maar weêr eens menschen vragen en zich-zelf zoo wat afleiding
+geven. Het woord "avond" en "afleiding" deed Mathilde aan haar piano
+denken. Zij lachte in haar eigen, terwijl zij schreef: hoe maakt het de
+piano? Die komt nu zeker nooit meer open? Zoo ging zij nu voort. Na haar
+vader in al zijn kleine gewoonten en geliefde bezigheidjes herdacht te
+hebben, was zij op de piano gekomen en zoo verder op nog andere stukken
+huisraad. Zoo het theeblad en de broodmand, de leuningstoel in de
+achterkamer, de mooye lampen van het zaaltje. Zij voelde zich wel een
+eeuw al gescheiden van al die zaken, die zij een week te voren nog had
+gezien. Toen zij de brief af had, kwam Jozef juist binnen, die haar een
+boeketje veldbloemen gaf. Zij dankte hem zóo maar, zonder zoenen. Hij
+vroeg haar, wat zij nu wilde gaan doen. Zij antwoordde: pianospelen.
+Stellig zoû hier ook wel een piano wezen, voor het gebruik van de
+logees. En Jozef liet haar weêr alleen. Zij wilde liever, dat hij niet
+bleef luisteren, zeî ze. Nu begon hij zich bepaald te vervelen, hij
+wandelde op en neêr voor en door het huis, hij zocht praatjes te maken
+met het andere gezelschap, hij speelde met die lieve kleine meisjes, die
+hier ook logeerden. Hij bladerde in zijn reisboek, hij rookte cigaren,
+beneden bij de rozepotten, hij stond op en ging weêr zitten. Hij dronk
+alleen thee, toen pons, toen wijn. Hij ondervroeg de kellners naar de
+omstreek. Hij zat, met de ellebogen op de knieën en draaide zijn twee
+duimen rond over elkaâr. De versleten pianotoon van Mathildes muziek
+trilde boven door het venster voort in de avondlucht. Jozef kreeg zijn
+wandelstok en ging kuiltjes wroeten in het zand. Daar hield Mathilde op
+met spelen. Fluisterend vroeg zij hem uit het venster, of hij niet boven
+woû komen. Hij ging naar boven. Zij stelde hem voor nog een beetje over
+hun reisplannen te spreken, samen iets verfrisschends te drinken en dan
+vroeg naar bed te gaan, want zij was moe, en dan zouden zij morgen vroeg
+een lange wandeling kunnen maken, in een andere richting dan die van
+eergisteren, om verder de mooye omstreken te leeren kennen. Zij deden
+zoo als Mathilde het verlangde, maar zij bleef toch den heelen avond
+stil en te-ruggetrokken.
+
+Den volgenden dag maakten zij de afgesproken lange wandeling. Zij gingen
+tot heel ver, Jozef weêr in zijn licht-grijze pak en een groote strooyen
+hoed op zijn hoofd, Mathilde in haar ruwe blauwe jurk. Zij liepen over
+een weg vol zon en stof, wel anderhalf uur van Valkenburg af. Bij elken
+stap dwarrelden vaalwitte wolkjes om hun voeten. Zij stapten langzaam
+voort en lieten den rijweg tusschen hen in, terwijl zij ieder op het
+smalle voetpaadje, dat voor hen uitreepte, aan weêrszijde liepen. Zij
+hadden al wel een kwartier gezwegen, toen Mathilde over het geloof begon
+te spreken.
+
+--Hè, zeî ze, de vrije natuur stemt me altijd geloovig ... Voel-jij nu
+ook niet zoo iets in je binnenste? Hij andwoordde van ja, hij voelde wel
+iets, maar kon zich toch volstrekt niets voorstellen. Zij vroeg, of hij
+niet aan een schepper begon te denken, wanneer hij zoo'n prachtige
+schepping om zich heen gewaar werd, een idee, dat zij zich van een preek
+van pastoor Sluyter herinnerde. Neen, andwoordde Jozef, dat in 't geheel
+niet. Hij was blij alles zoo mooi te zien, maar juist aan een persoon te
+denken, die de natuur zoo vervaardigd zoû hebben, daaraan had hij geen
+behoefte. Hij kwam op een dichterlijke gedachte. Alleen als hij háar
+aanzag, verzekerde hij halflachend, kwam er een geloof aan een eeuwig
+voortbestaan in hem op. Maar zij vond, dat hij haar, nu zij eenmaal
+getrouwd waren, geen overdreven komplimenten behoefde te maken. Hij
+verzette zich, hij meende het wel deugdelijk. Hij hield zóoveel van
+haar, dat hij ijsde als hij dacht aan een eenmaal noodzakelijke eeuwige
+scheiding. En was zij koud en onverschillig tegen hem, dan voelde hij
+zich vreeselijk ongelukkig. Waarom was zij toch zoo? Hij sprak er nu
+over, omdat zij-zelve het gesprek er op gebracht had. Maar zij
+verklaarde in 't geheel niet koel tegen hem te zijn geweest. Zij was
+misschien een beetje stiller; hoe dit kwam, kon zij niet uitleggen.
+Eigenlijk, ja, eigenlijk vervreemde haar wel een beetje van hem, altijd
+natuurlijk maar een heel klein beetje, zijn kalm ongeloof. Jozef vroeg
+hierop, of hun liefde haar dan niet genoeg was, neen, dan hield zij ook
+niet genoeg van hem. En buitendien, wát geloofde zij dan, hoe kon zij
+haar geloof omschrijven, was zij katholiek? Neen, van die godsdienst
+wist zij weinig meer en had zij nooit veel begrepen, maar zij voelde
+iets in haar, dat haar zeî te aanbidden en te danken. En zoo voorts, zeî
+Jozef. Maar zij sprak door. Zij wilde haar God aanbidden, daar buiten,
+het gezicht naar de zon gekeerd en de voeten tusschen de bloemen. Zij
+kon zich, evenmin als hij, goed vereenigen met het denkbeeld van een
+God, die in schemerlicht of bij kaarsvlammen te vereeren zoû zijn. Maar
+iets was er toch, zij drukte op dat woord "iets", iets moest er wezen.
+Er moest iets zijn buiten de zichtbare wereld, oneindig grooter en beter
+dan al het zichtbare. Maar hij hield niet van redeneeren met haar. Hij
+had haar lief, dit wist zij en dat was genoeg voor haar en voor hem. Hij
+liet haar de vrijheid, om te bidden en te denken zooveel zij woû. Daarin
+moesten zij ieder maar hun eigen gang gaan. Maar zij was van een heel
+andere meening. Het hinderde haar, dat hij zoo cyniesch was, waar het
+bovennatuurlijke zaken gold. Vader geloofde toch ook aan een Opperwezen.
+En het scheen haar, als ging er weêr een gedeelte van haar liefde van
+Jozef op haar vader over, die zoo eenzaam in Amsterdam was achtergebleven.
+Mathilde zweeg weêr stil en begon na te denken, en terwijl hij, altijd
+met denzelfden langzamen tred, op denzelfden afstand van haar, naast haar
+voortwandelde, onderzocht zij zich zelve nog eens, om te weten, hoe het
+mogelijk was, dat zij voor altijd haar bestaan aan dien Jozef Wilden had
+verbonden. En in wat voor een oogenblik van krankzinnigheid, van
+bedwelmenden hartstocht, had zij, had zij gisteren in het bosch dat
+gedaan, waarover zij zelf nog verlegen was. Hield zij dan wezenlijk
+zóoveel van hem? Was toen haar ware aard boven gekomen? Of was dat
+opwinding geweest, een gevolg van het heele nieuwe leven, dat zij sinds
+acht dagen leefde, een opwinding zóo hevig als zij nooit te-rugkomen kon?
+Waar bleef haar eerbied voor de majesteit van God in de natuur, toen zij
+zoo had gedaan onder Zijn oog? Zij voelde een lichte koû in haar hart
+dalen. Zouden haar droomen van toewijding aan Jozef nooit verwezenlijkt
+worden? Zoû altijd God, de onbestemde persoonlijke heerlijke
+aanbiddenswaarde natuurkracht, het opperste wezen, die alle schoonheid
+aan de aarde gaf, tusschen hen beiden staan? Zoû ze van hem, Jozef nooit
+naast en in dien God kunnen houden? Zoû hij nooit haar mede-aanbidder zijn
+en zoû ze hem nooit ook óm zijn gebed liefhebben? Neen, nooit! Hij zoû
+nooit bidden. Daarvoor was hij te veel een mooye man, een man van de
+wereld, daarvoor was zijn haar te verzorgd en was zijn vest te nieuw.
+Daarvoor stond hij ook te goed met zich-zelf. Hij liep zoo gerust en
+ijdel, zoo zonder verdriet en met zooveel gemak rond op de wereld, dat
+hij, om dat hem niets ontbrak, niet meer vroeg wie hem dat alles had
+gegeven.
+
+Zoo dacht Mathilde voort. Alle godsdienstaandoeningen, die zij ooit in
+haar leven had ondervonden herleefden in haar ziel. Zoû hij haar wel
+ooit genoeg zijn, hij Jozef? Zoû zij werkelijk ooit alles, haar God en
+heel haar zelf kunnen verlaten vóor hem alleen? Zou hij ooit het eenige
+kunnen worden, waaraan zij zich hechtte? Zou hij zoo bezit van haar
+nemen, dat al het andere haar niet meer aanging? Zij had dat wel gedacht
+en gehoopt, verleden jaar, ja, maar sinds dien tijd? En nu, nu ze ver
+met hem wech was gereisd en hém alléen zag en haar vader in 't geheel
+niet meer, voelde zij zich nu wezenlijk minder alleen dan ooit, zooals
+zij het zich altijd had gedacht? Zij keek hem even aan, onder haar
+parasol. Hij wandelde altijd maar voort. Zijn gezicht was rood geworden
+van de warmte. Een paar droppels zweet biggelden van zijn slapen. Zijn
+grijze pak zat vol stof en zijn schoenen waren als met asch bedekt Zijn
+hoed hield hij over zijn voorhoofd gedrukt, zijn armen bengelden
+vermoeid aan zijn zijden. Zijn handschoenen waren met vlekken. Hij zag
+naar den horizont, naar de wolken die stegen als schuimende
+rotsgevaarten, hij kon den omtrek wel een uur ver waarnemen, en zijn
+mooye voorhoofd dacht niet aan God, en in zijn mooye oogen was geen
+geloof. De koude vermeerderde in Mathildes hart. Neen, neen, zij kon
+zich aan hem niet heelemaal geven. Zij schrikte te-rug voor zijn kalmte
+en zijn langzamen gang, terwijl er bij háar zooveel omging.
+
+Mathilde stelde voor óm te keeren, om dat het weêr slecht zoû worden.
+Zonder ergens uit te rusten, zonder veel te spreken, terwijl de zon
+verdween achter grijs zwarte wolkenpakken, wandelden zij naar het hotel
+te-rug. Mathilde werd bepaald zenuwachtig. Waaróm had zij dien mooyen
+man getrouwd? Wáarom had zij willekeurig afstand gedaan van haar
+vrijheid, om hém te volgen? Waarom was zij niet bij haar ouden vader
+alleen gebleven en met hem bij haar eenzame eigene gedachten, die haar
+zoo dierbaar waren? Haar eigen-liefde was gekrenkt. Het griefde haar,
+dat Jozef in stilte minachtte wat zij voor heilig hield. Er begonnen
+zware droppels te vallen, toen zij weêr op hun kamer waren Jozef ging
+zitten op een stoel, om uit te rusten.
+
+Eenige dagen later reisden zij verder; een waas van balorigheid lag over
+Mathildes gezicht. Haar stemming veranderde bijna gedurende de geheele
+reis niet meer. Zij wilde, om Jozef niet onaangenaam te zijn, er niet op
+aandringen de reis te bekorten, maar zij verlangde eigenlijk
+onophoudelijk naar huis.
+
+Het scheen haar, dat zij Jozef niet meer zoo lief had als vroeger. Er
+was als een verwijdering tusschen hen gekomen. Vooral des nachts, als
+zij zoo zeer alleen met hem was, voelde zij een wrevel omstijgen in haar
+gemoed tegen zich-zelve, dat zij een onberaden stap had gedaan. Maar
+andere keeren lachten zij er over, dat zij haar huwelijk zoo noemde. En
+was zij een paar dagen achter elkaâr niet al te lief voor Jozef geweest,
+dan had zij oogenblikken van berouw, als een kind, dan zoende zij zijn
+hoofd en vroeg om vergeving. Maar de algemeene staat van haar liefde
+bleef flauw.
+
+De verrassingen en ongewendheden, die al de bezochte vreemde streken op
+haar afschudden, vermengden zich met de nieuwheid, waarin Jozef voor
+haar was. Zij begon dat alles voor éen te houden: hun ruwerig leven van
+dezen tijd, met al zijn rare bewegingen en gezichten, met, tot getuigen
+van de manier waarop Jozefs lichaam haar behandelde, onvertrouwde
+luchten, bosschen en bergen, niets dan ernstige en onverschillige
+spoorwegwagens, hotelkamers, en museums niets dan onbekende en haar niet
+kennende straten en pleinen. Nergends gemeenzaamheid, nergends rust.
+Naar geen enkel kastje kon zij kijken van haar geluk, wech was haar
+piano om tegen te droomen van heerlijk, wech het teekengerij om meê te
+suffen van zaligheid. En zoo kwam zij er toe zich angstig af te vragen
+of er wel geluk en heerlijk en zaligheid was. Jozef amuzeerde zich
+bizonder, en zij begreep hem daarom niet meer. Hij beklaagde zich wel
+bij haar over haar weinige levendigheid en opgeruimdheid, maar al het
+wereldsche, al het schitterende en woelige, dat zij door-leefden, vond
+hij even pleizierig als het háar mishaagde. Ook was hij onophoudelijk
+vol allerliefste oplettendheden voor haar, hij zocht op alle mogelijke
+manieren haar ook plezier te doen hebben. Zij ging wel overal met hem
+meê, maar het bleef in het geheel dát niet.
+
+Mathilde droomde een paar maal van haar vader, telkens akelig. Zij
+droomde eens, dat hij uitging om een wandeling te doen, dat er een zware
+mist op kwam zetten, die hoe langer hoe dichter werd, dat vader niets
+meer zien kon op 't laatst en in de gracht viel, zij droomde een anderen
+keer, dat er een dief in huis was gekomen en zich onder het bed van den
+ouden heer had verstopt. Haar vader stapte in bed, zij wilde hem
+waarschuwen en stak haar hand uit; zij werd wakker met een schrik en had
+Jozef in haar slaap aangestooten, die haar verwonderd vroeg, waar zij
+zoo ongerust van droomde.
+
+ * * * * *
+
+Toen zij al heel lang op reis waren en de reis gauw gedaan zoû zijn,
+werd Mathildes neêrslachtigheid afgewisseld door hevige aanvallen van
+liefde voor Jozef. Maar tot haar droefheid merkte zij juist dan, als zij
+er over nadacht, dat zij eigenlijk lang zooveel niet meer van Jozef
+hield als vroeger, en dat die verliefde buyen alleen korte te-ruglevingen
+waren van haar hartstocht van vóor dat zij getrouwd waren.
+
+ * * * * *
+
+Het was nu nog tien dagen vóor zij weêr thuis zouden zijn. Zij reisden
+met een nachttrein door midden-Duitschland, zij zaten alléen samen in
+den wagon. Om dat er over-dag niets dan vervelende boemel-treinen in den
+spoorweggids stonden, hadden zij dezen trein genomen. Bevend-schemerend
+daalde de schijn van het zolderinglampje, waarom de gele gordijntjes
+waren toegehaald, over het donkerrood trijp van het rijtuig. Jozef en
+Mathilde hadden afgesproken te slapen. Daar zij gezegd had liever in een
+hoekje te blijven zitten dan op een bank te gaan liggen, deed hij uit
+beleefdheid ook zoo. Zoo reden zij beiden vóoruit, éen armstoel was er
+tusschen hen opengebleven. Mathildes grijs-gele stofjas hing open over
+haar licht-grijze japon. Een boekètje lag op haar schoot van uit haar
+opene handen met geel zemeleeren handschoenen. Haar hoofd, onder een
+lichtkleurig kapot-hoedje, leunde tegen het donkerroode kussen. De
+wiebelende schaduwen van de vooruitstekende boven in de netten geborgen
+valiezen en reistaschjes bewogen over haar heen in de maat van het
+dreunen van het rijtuig. Een zijige donker-blauwe voile hing juist tot
+over haar bovenlip. Haar oogen vonkelden als zwarte stukjes glas. Zonder
+te zien, keek zij voor zich uit. Zij hield haar hoofd een beetje op zij
+met van ernst groezelige wangen. Roerloos-suffend zat zij na te denken
+in de kreunende en bonzende stilte. Hoe het kwam, wist zij niet, maar
+zij had zich nog nooit zoo alleen gevoeld met Jozef als in deze uren.
+Was zij dan nog niet aan hem gewend? Zij wist het niet. Hield zij dan
+niet van hem en was ze gelukkig alleen met haar geliefde te zijn, dus
+alleen met haar eenigen, met haar alles? Zij wist het niet. Onrustig
+dreven haar gedachten om. Zij stoomden den trein vooruit, ver, ver
+vooruit en weêr naar haar vader, die alleen in Amsterdam zat. En dan
+weêr te-rug naar Jozef, die daar te dommelen zat en naar wien zij haar
+hand maar had uit te strekken om hem te raken. Het scheen haar dat zij
+nu altijd duizend mijlen van haar vader gescheiden zoû blijven, dat zij
+voor eeuwig opgesloten was in deze enge ruimte met Jozef, en, zoo
+verschrikkelijk gauw, een oneindige ruimte met hem werd ingedreven naar
+een altijd wijkenden horizont. Voor het eerste voelde zij, dat zij haar
+vrijheid van vroeger niet meer had. Zij voelde, dat zij zich
+overgeleverd had en haar lot nu was beslist. Vooruit nu in het leven,
+vooruit en altijd met hem, altijd bij hem, altijd naast hem, hij altijd
+haar nagaande met zijn eischenstellende liefde.
+
+En zij bestudeerde hem, bezag hem in zijn licht-grijze reispak, de
+beenen uitgestrekt op de fauteuil vóor hem, met zijn lage schoenen en
+elegante wit en rood gestreepte sokken. Zijn armen kruizelings over de
+borst, dommelde hij, en zijn hoofd, onder een grijze reispet, zonk, bij
+lichte knikjes, naar voren; zijn mond was even open gevallen. Wat had
+hij toch een mooye snor en recht mannelijk profiel! Weêr gleden een
+reeks van doezelige droevige voorgevoelens door haar brein. Zij hechtte
+een blik op hem, die vroeg, wat er nu van haar worden zoû, van haar
+toekomst, van haar heele leven, dat nu in zijn macht was, wat hij
+daarvan zoû maken. Zal-je mij wezenlijk gelukkig maken, vroeg zij,
+zul-je me weten te begrijpen? Zal-je van me blijven houden, zoo als je
+zegt het nu te doen, zal-je van me houden, zooals ik het van jou doe en
+toch eigenlijk wel voel het altijd te zullen blijven doen? Of ben-je
+wispelturig en heb ik mij vergist, vreeselijk, vreeselijk? Plotseling
+dacht zij dit hevig en zag hem strakker aan. Zij wilde een andwoord
+weten. Zij wilde uit zijn persoon, uit zijn wezen, uit zijn houding, uit
+zijn gezicht, een andwoord lezen. Maar zij ontdekte niets. Met kleine
+schokjes volgde Jozefs lichaam de bewegingen van den trein en zijn
+slapend hoofd schudde ja en neen, op alles ja, op alles neen.
+
+Zij bekeek hem voortdurend: hij zat daar als een kind en machteloos, en
+niets dan tevredenheid en genoegen-neming met het leven sliep er in hem;
+zij was met hem en waakte en allerlei zorgen en rustige overwegingen
+gingen er door haar hersenen; en toen begon het haar te schijnen alsof
+hij toch wel goed, wel goedig was, en het altijd zoû zijn. Zijn slapen
+scheen haar iets klagends, iets hulpvragends tot haar te richten, scheen
+een vertrouwen in haar te stellen, dat haar verteederde. Hij rekende op
+haar; nu, hij kon gerust slapen: zij hield van hem! Een aandoening van
+grenzelooze teederheid doorstroomde haar. Ja, hij kon vertrouwen, zij
+had hem lief, zij zoû over hem waken Hij hoefde niet meer voortdurend
+wakker te zijn om op de minste van haar bewegingen, de geringste van
+haar wenschen te letten, vol attenties, vol bewijzen van eerbied, om
+haar hart te veroveren. Want de verovering was geschied, de buit was hém
+en zeker kon hij zichzelf vergeten en slapen bij zijn trouwe vrouw.
+
+Daar gilde de stoomfluit en woei het geluid, bij herhaalde kreten, langs
+de wagens. Jozef deed zijn hoofd in de hoogte, smakte met zijn lippen,
+kromde zijn éene been naar boven, om dat het moe was van de langdurige
+uitstrekking, bleef een oogenblik weêr roerloos zitten, scheen zich toen
+te bedenken, zuchtte en wreef met het blauwe gordijntje den wasem van de
+ruit, die 't dichtst bij zijn gezicht was, en keek naar buiten in de
+zwarte duisternis. Daarna wendde hij zijn hoofd om en keek even, heel
+vluchtig, met bevende oogen naar Mathilde. Hij dacht blijkbaar, dat ook
+zij sliep. Zij keken mekaâr aan. Zij glimlachte.
+
+--Ben-je wat uitgerust? vroeg zij.
+
+--Ja kind, andwoordde hij in den ernst van het ontwaken. De slaap zat
+hem nog in zijn oogen en mond. Hij deed zijn oogen weêr toe, schoof zich
+in de gemakkelijkste houding en bleef onbewegelijk. Alleen bewoog zich
+tusschenbeide langzaam zijn arm en streek zijn hand over zijn kin of aan
+zijn oor, terwijl hij inwendig geeuwde. Eindelijk hield alle beweging op
+en bleef hij, alleen met aandachtig snel knippende oogleden, zitten
+suffen. Mathilde was ook weêr in haar vórig gepeins wech. Zoo levendig,
+als ware zij in zijn tegenwoordigheid geweest, kwam haar vader voor haar
+geest: lieve, lieve vader. Wat had hij haar zegenend gezoend toen zij
+heenging! Wat zoû zij probeeren hem nog verder gelukkig te maken, als
+zij te-rug waren thuis!
+
+Maar Jozef was niet zoo rustig meer als eerst. Hij schoof zijn beenen op
+en neêr, rekte zich uit en zag herhaaldelijk naar Mathilde, als had hij
+een plan met haar. De wervelwind van de zucht naar het avontuurlijke,
+naar het gewaagde, en een onweêrstaanbare begeerte deed het bloed achter
+zijn ooren stijgen en gaf hem een lichte prikkeling onder de oogen. Hij
+stond op, ging in de fauteuil naast Mathilde zitten, klepte den rood-
+trijpen arm, die nog tusschen hen neêr was, naar de hoogte en nam haar
+hand, die hij op zijn been liet liggen.
+
+--Wat zijn we in lang niet samen alleen geweest, zeî hij.
+
+--Hoe bedoel-je dat? vroeg zij; zij liet zich tegen zijn schouder
+glijden. Van-daag den heden dag toch, en gisteren en van-nacht, zeî ze
+heel eenvoudig. Hè, ik heb zoo aan vader zitten denken, daarzoo ...
+
+--Nou ja, maar over-dag zijn we eigenlijk nooit alleen geweest, altijd
+met andere menschen, die ons zagen, we hebben bijna nooit intiem
+kunnen zijn ...
+
+Hij drukte zijn lippen op haar lippen. Haar tanden deden pijn want de
+zoen was een beetje hard. Zij ging weêr recht zitten, zij trok zich
+te-rug, een beetje zenuwachtig. Zij was niets lief. Ernstig en
+bedremmeld keek zij voor zich uit. Hij begreep haar niet.
+
+--Wat is 't nou?
+
+--Och, niets, andwoordde zij langzaam. Na een oogenblik zeî hij weêr:
+
+--Hoû-je niet van me?
+
+--Ja wel.
+
+Nu viel hij naar haar toe, hij kon zich niet inhouden, hij sloeg zijn
+armen om haar middel en wilde haar aan zijn borst trekken. Maar zij
+verzette zich.
+
+--Nee, zeî ze, nu niet ... wat wil-je toch?
+
+--Wat niet? Waarom niet? Waarom nu niet? vroeg hij en hij bezoende haar
+heele gezicht. Zij verzette zich zachtjes.
+
+--Toe, Jozef, wat mankeert je nou toch? Laten we wat gaan slapen ...
+
+--Maar, waaróm niet? Zijn wij niet alleen? Wil ik het licht lager doen?
+
+--Nee, nee, och nee!
+
+--Maar, waaróm niet?
+
+--Dáarom niet, zeî ze koud en ernstig.
+
+Hij ging tegenover haar zitten, erg teleurgesteld. Eerst zweeg hij, keek
+haar bij tusschenpoozen ongeduldig aan en dan weêr den anderen kant uit,
+zijn armen kruiselings over de borst. Zij trok haar stofjas weêr in 't
+fatsoen en raapte het boekètje op, dat gevallen was; zij hield haar oogen
+neêr over haar heete bleeke wangen.
+
+Langzamerhand begon Jozef, bij korte stooten, te zeggen:
+
+--Wat beteekent dat nu? 't Is absurd! Vraag ik je niet iets heel gewoons,
+ben ik je man niet, ik heb immers recht om je te vragen, wat ik vraag!
+
+Hij was heelemaal uit zijn humeur geraakt.
+
+--Zoo iets heb 'k nog nooit gehoord! Moet er dan volstrekt een
+slaapkamer bij te pas komen, en een egyptische duisternis en zware
+gordijnen en een dubbel gesloten deur ... Er zal hier geen kondukteur
+meer in komen, de kaartjes zijn geknipt ... Vóor we aan het eerste
+station komen, is 't nog wel twee uur.
+
+Zoo gromde hij voort, en naarmate hij zag, dat ze onder zijn berisping
+bukte, werd hij heviger en trommelden zijn vingers op zijn knieën.
+
+--Wat is t'er ân? zeî hij verder. Ik ben geen minnaar, ik ben je man.
+Ben ik je man niet?
+
+Na een paar minuten zwijgens en nagedachte, kwam weêr het
+onbegrijpelijke van de weigering bij hem boven. Zacht zeî hij:
+
+--Zeg nou 'es, Thilde, wáarom wil-je niet?
+
+--Och, ik weet 't niet, ik weet 't niet, snikte zij en begon wrevelig te
+huilen als een kind, zoo dat tranen kleine donkere vlekjes maakten op
+haar gele stofjas.
+
+Nog erg boos, ging hij nu weêr op zijn oude plaats zitten. Maar hij kon
+niet meer slapen. Hij nam zijn Baedeker en begon knorrig te studeeren op
+het plattegrondje van een stad, die zij al lang achter den rug hadden,
+zonder te weten wat hij las.
+
+De blauwe gordijntjes hingen slap langs de raampjes neêr en de vaal-gele
+schijn van het duistere lampje aan de zoldering trilde hevig door den
+jagenden en schokkenden wagon. Het begon er benauwd-warm te worden.
+
+Mathilde beefde in haar hoekje; een onbegrijpelijke angst had zich van
+haar meester gemaakt. Zij begreep niet goed, waarom ze zoo bang was
+geworden voor Jozef. Maar ze had een schrik van hem gekregen. Neen, aan
+dien man had zij zich zelf niet heelemaal gegeven. Dat was maar schijn
+geweest. Een ijzig gevoel van vervreemding huiverde door haar hersenen.
+Zij was bang voor nu en voor later. Nu was hij te-rug-gegaan toen zij
+weigerde, maar zoû dat altijd zoo zijn, zoû hij later nog wel niet eens
+verder kunnen willen gaan, tegen haar tranen, tegen haar smeken in? Zoû
+hij haar niet eens te lijf willen gaan, om haar kwaad te doen, haar pijn
+te doen? Zij vreesde, ja, zij vreesde alles, maar wat dan, wat alles? Er
+bestond geen reden voor haar angst. Mocht hij dan niet doen, wat hij
+gewild had? Immers ja. Wat bezielde haar dan toch om op-eens zoo'n
+afschrik te hebben? 't Was heel natuurlijk en gepermitteerd, wat hij
+woû. Dat was het huwelijk, dat was de liefde. Alle mannen handelden zoo
+tegenover hun vrouwen. En zij-zelf, wat had zij-zelf niet gedaan dien
+morgen in het bosch? Wat scheelde er dan toch aan, wat maakte haar zoo
+kriegelig, wat gaf haar dien onweêrstaanbaren weêrzin? Neen, zij begreep
+zich-zelve niet meer. Zij was moe, zij was zenuwachtig. Het dansen van
+den wagon om haar heen matte haar af. O, was 't maar gedaan! Waar was 'r
+einde van de reis, van de lange, al te lange reis? Zij zuchtte en deed
+haar handen voor zich uit in een wensch om verlossing, als om iets van
+zich wech te duwen.
+
+De trein ging langzamer. Zij waren dicht bij een station. Zij zouden
+even iets gaan eten. Jozef stond op, knoopte zijn jas dicht en zocht
+zijn hoed. Toen hij voorbij Mathilde boog om het portierraampje open te
+maken, hoorde hij haar snikken: "vader, vader!"
+
+
+
+
+VI.
+
+
+De table-d'hôte was juist begonnen in het hotel Belle Vue te Deutz,
+over Keulen, aan den anderen Rhijnkant. Door de acht hooge vensters
+helderlachte een zomer-zon binnen, straalde in de glazen vóor elk bord
+geschaard, bevonkelde den wijn, deed het goud van de spiegellijsten en
+de schoorsteenpendule blinken, verhelderde het witte tafellaken en de
+sloofjes van de kellners, schemerde schijnsels van frischheid over de
+fletse wanden, poeyerde stofgoud door de kroezige haren van de vrouwen.
+
+De pastijtjes werden binnengedragen. Een uitwaseming was over de tafel,
+als bij felle koû 's winters in een dicht rijtuig, dat vol is. Een
+soeplucht steeg naar de zoldering. De heeren veegden hun snorren en
+kinnen schoon, zwaayend en duwend met de servetten. Heeren krabden zich
+achter hun ooren, legden beide handen half toegeknepen, de zegelring
+goed zichtbaar, aan weêrszijde op de tafel naast hun bord, keken rond,
+schuin-smakkend met de lippen van voldoening over de gegeten soep,
+schuin langs hun buurvrouwen naspeurend of er gevoeglijk een gesprek te
+beginnen zoû zijn. Andere heeren snoten hun neuzen; eenige deden het met
+hun rug naar de tafel en snoten half achter de ruggen van die naast hen
+zaten; twee dames schrokken even. De jonge meisjes staarden vóor zich en
+hielden de handen op elkaâr gedrukt achter het leêge soep-bord, andere
+bekeken de bewegingen van het licht tegen de muren en namen den schijn
+aan hun armbanden in orde te doen. De oudere dames kruimden een stukje
+brood en groetten glimlachend, met lichten hoofdknik, de menschen die te
+laat kwamen. Een oude vrijster kon haar grijze oogen maar niet van den
+jongsten kellner afhouden, een blonden baardeloozen krullekop met dikke
+korte lippen, die handig de pasteitjes tusschen de gasten in kon houden,
+zonder ze ooit aan te raken of hen te noodzaken een beetje op zij te
+buigen. De schuivende stappen van de kellners klonken droog en krakend
+af op het zeil over de vloer. Dit geluid vermengde zich met den doffen
+klank van de schoone borden, die den gasten voorgeschoven werden, op het
+tafellaken, met het gekletter van stapels borden, die in een hoek van de
+zaal werden neêrgezet, met het zilveren getik van de vorken en messen,
+die sommige heeren naast hun bord tegen elkaâr lieten glijden of onder
+het eten samentikten.
+
+Onder de soep had niemant een woord gesproken.
+
+Zachtjes werden er nu koele gesprekken begonnen. Beginnende glimlachjes
+waren om enkele monden. Zij spraken, schor, en fluisterend, over het
+mooye weêr, over de aangename ligging van het hotel, over het
+muziekfeest gisteren-avond in Keulen, over hun reizen. Een jongen van
+twintig jaar sprak tegen een meneer, die tegenover hem zat. Daarom klonk
+zijn stem boven de anderen en keken de menschen, die dicht-bij hem
+zaten, naar hem op. Een reuteligheid in zijn keel en het knippen van
+zijn oogen was zijn verlegenheid. Links, aan het uiterste einde van de
+tafel, zaten twee roode, vette Westfalers, hun servetten van-boven in
+hun wijde boorden onder de ruig-roode onderkinnen, die over vette
+varkensvleeschbereidingen gingen praten. Drie fatterige Berlijnsche
+heeren naast hen bogen hun drie hoofden over hun borden bij elkaâr,
+bespotten de Westfalers en spraken daarna heel zachtjes over een
+zangeres, die deel had genomen aan het muziekfeest van gisteravond en
+die om een andere reden nog-al erg over den tong ging.
+
+Na de pasteitjes, bij het rundvleesch, de wit-groene met kaneel bruin
+bespikkelde bloemkool, en de rookende aardappelen, vermeerderde het
+suizend stemmengegons aan tafel. Heeren bedienden de dames naast hen.
+Een fijn blond tenger kantoorbediendetje uit Keulen, die wist, dat de
+zwaarlijvige Hollandsche jongejufvrouw aan zijn linker kant altijd heel
+weinig van alles gebruikte, lispte, in vlijmerig hollandsch: Jufvrouw,
+mag ik u eens mikroskopiesch bedienen? De jufvrouw lachte met breede
+lippen en zware witte tanden. Een lange magere heer voerde het woord
+over politiek en meer bizonder over Bismarck.
+
+Jozef en Mathilde zaten bedaard en stil naast elkaâr te kijken. Zij
+waren moe van de eerste huwelijksweken en van de reis, zij dachten er nu
+maar aan zoo gauw mogelijk thuis te zijn. Zij zagen allebei een beetje
+bleek. Mathildes gang en haar hand-en armgebaren waren flets van
+gemakzucht, een gevolg van de uitputting. Jozef was ook stiller dan
+gewoonlijk. Zij zaten zij aan zij, hij voortdurend in het licht-grijze
+pak, zij in een licht-bruine japon, zonder veel garneering of kant, en
+zij keken een beetje beteuterd om zich heen en konden den rechten
+konversatietoon maar niet vatten. Tusschenbeide zeiden zij zachtjes een
+eenzaam woord tegen elkaâr.
+
+--Zijn er van-morgen geen brieven gekomen? vroeg Jozef.
+
+--Nee, dat heb ik ook al vreemd gevonden. Ik had mevrouw Berlage toch
+zóo gevraagd me te schrijven of alles thuis goed in orde was en ik heb
+haar toch duidelijk gevraagd om me hier-na-toe te schrijven, om dat dit
+het laatste adres op onze reis was.
+
+--Nou, misschien komt er van-avond nog wat.
+
+En hij gaf haar de sla aan, die, met den ròsen en glibberigen zalm het
+volgend gerecht uitmaakte.
+
+--Zal u er ook wat peper bij nemen, mevrouw? vroeg een hollandsche stem
+aan Mathildes linker kant.
+
+In de rondte was het gesprek aan tafel nu algemeen geworden. Allerlei
+stemmen, doortruffeld van het vorkgepik op de borden en het geluid van
+slikken, klonken door-een. Hier en daar begon men geanimeerd te worden.
+Een roodachtig heer hoestte in zijn servet, een slok wijn was zijn
+verkeerde keelgat ingegaan. Een oude dame, met witte muts en paarsen
+linten er aan op het hoofd, draaide zich naar hem toe, wilde hem helpen.
+Maar hij stelde haar gerust met zijne korte kleine hand. Hij nam een
+slok water. Een paar plaatsen verder sloten nieuwe bekenden vriendschap.
+Links had een diskussie plaats over politiek. Het begon warm te worden
+in de zaal. De dame die zoo lang naar den jongen kellner had gestaard,
+wenkte hem en verzocht hem minzaam de middendeur open te laten staan.
+Door de vestibule heen zag men nu in het wuivende groen van den tuin,
+die aan den anderen kant van het hotel was. Men beproefde ook door een
+venster versche lucht te krijgen. Een oogenblik hoorde men den Rhijn in
+zacht golfgeklots voorbij spoelen. Maar 't tochtte en op algemeen
+verlangen werd het venster weêr gesloten.
+
+--Hè, ik woû, dat we al thuis waren zeî Mathilde.
+
+Het eten duurde voort. Twee oude jonge heeren veegden hun voorhoofden
+af. Zij hadden zich bizonder te goed gedaan. Een bejaarde dame zuchtte
+van benauwdheid. De kellners zagen oplettend na wie nog te bedienen was.
+De zonneschijn was langzamerhand gedaald van de muren en van de stapels
+borden op de dientafels, die er tegen aanstonden, was ook niet meer op
+de gezichten van de eters, maar brandde nog alleen op de halzen en
+ruggen van hen, die aan den vensterkant zaten.
+
+Zij gingen aan het dessert. Eerst kwam de moskovische taart. Een paar
+heeren, die haast hadden, rolden hun servetten slordig op, keken vóor
+zich, stonden op met stoelgekraak en een lichte beweging van de dames
+aan hun zijden, bogen even, terwijl ze met iets zenuwachtigs in hun
+oogen een blik over het gezelschap lieten gaan, dat hen een oogenblik
+te-rugbekeek en waarvan heel ouden en heele jongen groetten gingen gauw
+heen door de vestibule, namen daar hun gele strooye hoeden van den
+breeden erg beladen kleerenstandaard, hun dunne wandelstokken uit den
+bak er onder, en liepen schielijk de deur en den tuin uit.
+
+Door een andere deur, van op-zij, kwam nu de portier van het hotel
+binnen, nam zijn breedbollige pet af en ging op zijn teenen naar Jozef.
+
+--Een telegram! zeî Mathilde.
+
+Uit beleefdheid deden de andere alsof er niets gaande was en spraken
+voort. Jozef zeî niets maar zag bevreemd zijn naam aan en opende den
+telegram met zijn dessertmesje.
+
+--Van huis? vroeg zij.
+
+Na twee sekonden vouwde Jozef het papier toe, frommelde het koevert,
+waarin de telegram geweest was, in mekaâr, gooide de prop op den vloer
+en zeî: 't Is niets, terwijl zijn gezicht heel effen stond. De anderen
+kraakten nu noten in de rondte en zogen uit donzig vette druiven. De
+jongelui waren goed aan 't drinken. Men bestelde nog een flesch wijn. De
+dames hapten hun laatst hoopje vanielje-ijs op, dronken nog een slokje
+spuitwater en maakten zich éen voor éen klaar om wech te gaan. Eenige
+menschen kregen koffie. Een oude heer kreeg een cigaar uit zijn koker,
+sneed er het puntje af en leî de cigaar op tafel, naar lucifers
+rondziende. Twee andere heeren, met groote overhemdsborsten en breede
+zwarte dassen, waren gemoedelijk familie-herinneringen aan 't op halen,
+die hen nader tot elkaar brachten en slikten wat zij haast te veel
+gezegd hadden wech in een langzaam bij kleine scheutjes koffie-slurpen,
+terwijl er een met zijn lepeltje op zijn schoteltje tikte, als de andere
+aan het woord was.
+
+--Wat is 't? fluisterde Mathilde.
+
+--Niets, herhaalde hij.
+
+Maar zij drong aan:
+
+--Toe, zeg 't nu maar.
+
+--Willen wij eens naar boven gaan? zeî Jozef een beetje harder.
+
+Zij stond gauw op, groette nauwelijks twee nog aanwezige dames en
+wachtte Jozef in de vestibule bij de breede wenteltrap met zijn blinkend
+gepolitoerde lage treden. Hij kwam ook aanloopen, kuchte luchtig en
+zocht in zijn vestjeszak naar een tandestoker; de andere hand hield hij
+in zijn broekzak.
+
+--Nu wat is 't? vroeg zij, hem aarzelend aanziende.
+
+--Ik zal 't je boven laten lezen. En zwijgend gingen zij de trap op.
+Mathilde wist niet wat te denken, zij beet op haar onderlip en klapte
+in haar handen om haar ongeduld te temperen. Boven in hun grijzige
+logeerkamer, sprak Jozef nog geen woord: hij scheen in gedachten.
+Zwijgend gaf hij haar den telegram over. Mathilde las 'm.
+
+--O, God, zeî ze, wat zullen we nu doen?
+
+--Niets, andwoordde hij, precies hetzelfde wat we anders gedaan zouden
+hebben.
+
+--Laten we maar liever zoo gauw mogelijk afreizen.
+
+--En niet meer in Arnhem stil blijven?
+
+--Nee, natuurlijk niet, dadelijk naar huis gaan. Vader is erg ziek.
+
+--Zoo erg zal 't niet zijn. Hij heeft een sterk gestel. Laten we maar
+eerste den brief afwachten. Dan kunnen we altijd nog zien.
+
+Mathilde wandelde de kamer op en af en dacht na. Jozef stond aan 't
+venster geleund en trommelde tegen de ruiten. Hij kreeg een cigaret
+uit zijn zak.
+
+--Ik ga maar vast pakken, zeî Mathilde.
+
+--Dat kun-je altijd doen, zeî hij, of nee, láat 't liever doen. Lieve
+kind, je bent zoo moe.
+
+--Wat zoû vader schelen? zeî Mathilde, over den koffer gebukt.
+
+--Ja, dat weet ik niet. 't Kan natuurlijk van alles zijn, maar de brief
+zal wel gauw komen, dan weten we 't. Jozef was bezig vóor den spiegel
+zijn das recht te keeren en zijn snor op te krullen. Al zijn oude
+vriendschap voor de Stuwen kwam boven; hij was ongerust. Ik ga nog even
+in den tuin, zeî hij, win-je nou maar niet op, lieve kind, en laat me
+waarschuwen als er nog iets komt.
+
+Beneden was de table d'hôte gedaan.
+
+Voortdurend klepte de buitendeur open en dicht, de luide en lachende
+stemmen van de heengaanden klonken op, om wech te suizen in de open
+lucht, zoodra de deur weêr dicht was geslagen, en gevolgd te worden door
+andere, meer gemoedelijke stemmen, die langzaam opkwamen en uitstierven
+en van slofferige voetstappen waren vergezeld, of door stemmen, die
+klonken als kristallen glazen en door het geruisch van japonnen werden
+omsisd.
+
+Jozef zoû juist de kamer uitgaan, toen een kellner de trap opkwam, een
+telegram in zijn hand. Jozef duwde den man te-rug, om Mathilde niets te
+laten merken en gaf hem een order over het ontbijt van morgenochtend,
+als had hij hem daarvoor ontboden. Terwijl hij den nieuwen telegram
+openmaakte, ging Jozef achter den kellner de trap af.
+
+De Stuwen was gestorven. Men wist niet waaraan. "Oorzaak onbekend" stond
+er. Jozef werd verzocht zoo spoedig mogelijk te-rug te komen. Jozef vond
+dit alles heel natuurlijk. Hij was niet gewoon licht te schrikken, hij
+draaide in de vestibule even op éen hiel rond en ging toen weêr langzaam
+naar boven, den telegram voor zich uit houdende.
+
+Mathilde was niet voortgegaan met pakken maar was gaan zitten op een
+stoel bij het ledikant, om eens na te denken. Dat vader zoo gauw zoû
+kunnen sterven! Wie had dat gedacht! Arme vader! Hoe teeder en met
+hoeveel droefheid had hij haar omhelsd, toen zij wech ging, ver van hem
+wech, op haar huwelijksreis! Wat had hij haar een aanbeveling gegeven
+voor de toekomst, alsof hij haar nooit terug zoû zien! Wat had hij veel
+gesproken van de eenzaamheid, die hij tegemoet ging! Och, och, hoe had
+ze hem ook kunnen verlaten! Hij had 't zelf gewild, ja, maar ze had 't
+toch niet moeten doen ze had het nooit moeten doen! Waarom was ze ook
+getrouwd, waarôm was ze wech-gegaan uit zijn beschermende armen, die zij
+verwarmde, die haar alléen nog konden omhelzen en zonder haar leêg en
+slap neêrhingen. En nu dood, zuchte zij ... Maar ... dood? nee, hij was
+niet dood, hij kon niet dood zijn! Hij was maar ongesteld; hij moest
+toch wel erg ongesteld zijn, dat ze zoo telegrafeerden van huis! Of
+misschien ook niet, misschien hadden ze den indruk willen verzwaren, om
+te maken dat Jozef en zij gauw overkwamen, om geen last met den ouden
+heer te hebben en te zorgen, dat hij in geen geval alleen stierf, dàt
+dáar geen mogelijkheid voor zoû zijn. Ja, zoo moest het wezen. En zij
+stond gauw op om verder door te pakken, met het vaste besluit dadelijk
+naar huis te sporen. Jozef zoû wel toestemmen, hij vond alles goed, wat
+zij woû. Daar stond Jozef weêr in-eens vóor haar.
+
+--Je vader is van-middag overleden, zeî hij bedaard en hoogst ernstig,
+en hij hield haar den telegram voor.
+
+Zij nam dien niet aan, andwoordde niet, ging weêr op den stoel, waar ze
+daar-zóo over alles had nagedacht zitten. Met wijd open oogen keek ze
+Jozef strak in zijn gezicht. Twee dikke tranen vielen op haar licht
+bruine japon. Zij huilde een oogenblik stil en hevig. Toen stond ze op
+in een overgegeven houding, heel week:
+
+--Nou ben ik wél heelemaal voor jou en voor niemant anders op de wereld,
+zeî ze. Zij legde haar armen om zijn hals. Hij sloeg zijn handen om haar
+schouders. Hij kreeg ook tranen in zijn oogen en zag er haar zwarte haren
+in golven aan zijn borst. En zij zagen mekaâr aan, beiden opgewonden door
+den heftigen toestand.
+
+Toen Mathilde met de koffers klaar was gekomen, waschte zij haar oogen
+en ging Jozef opzoeken in den tuin. Zij kwam in de vestibule en keek
+naar de eetzaal. De zon daalde bedaard wech achter de huizen van Keulen,
+zij bereikte de tafel niet meer. Een paar kellners liepen haastig af en
+aan. De tafel was bijna heelemaal opgeredderd. Over het wijn-en
+vetvlekkig tafellaken vlogen vliegen in korte kringen om de vergeten
+broodkruimels heen. Een zware gemengde etensreuk benauwde de zaal. Op
+de vloer was een stukje rotte appel en een druivenschil gevallen. De
+stoelen stonden door elkaâr, een eind naar achteren geschoven de
+servetten hingen er lusteloos en verkreukeld over heen. Er kwamen twee
+meiden de glazen uitwasschen in een hoek van de zaal. Een kellner gooide
+de eene met een perenschil. In platduitsch schold zij hem daarover uit,
+terwijl de rook van haar warm water in de rondte dwarrelde.
+
+Mathilde stiet de voordeur open en ging naar Jozef, die, een cigaret in
+zijn mond, voortdrentelde tusschen het groen in.
+
+
+
+
+VII.
+
+
+Den volgenden avond waren zij te-rug in Amsterdam. Zij reden gauw door
+den regen naar huis. Jans deed al open voor er nog gescheld was, met een
+doodsch gezicht. De tranen daalden over Mathildes wangen, toen zij den
+gang doorging naar het zaaltje, tranen om het leven, dat wech gestorven
+was uit het huis, het stille, bedaarde, goedaardige leven, met zijn
+kalmen gang, zijn zacht neurieën, al zijn kleine gewoonten en al zijn
+stille dingetjes. De stilte was nu zoo stil, dat het niet was om te
+zeggen. De stilte van den dood ademde door het huis, een grijsheid
+zweefde langs de muren en over de trappen, een warrelende schimmige
+nevel waarde in de hoeken en stofte van de zoldering. Mathilde had Jans
+bij het binnenkomen de hand gedrukt, zoo als het altijd in de familie
+gebruikelijk was geweest aan de meiden te doen bij allergewichtigste
+omstandigheden en treurige of aandoenlijke gelegenheden. Jans was nu de
+jonge mevrouw, die zij in de onnadenkendheid der ontsteltenis telkens
+nog jufvrouw noemde, naar het zaaltje gevolgd en hielp haar daar haar
+reisgoed afdoen.
+
+--Hoe is 't nou gegaan, zoo in eens? vroeg Mathilde zachtjes; de tranen
+drupten langzaam, zonder zenuwachtigheid, van haar wangen.
+
+--Ja, u zal wel erg geschrokken zijn? zeî Jans.
+
+--'t Is treurig, erg treurig voor me, 't is een heele steun die me
+ontvalt.
+
+En 't is zoo gauw gegaan, toch zóo gauw, onbegrijpelijk, Meneer was dan,
+zooals u weet, een beetje rhematiek-achtig nog altijd, maar och gut,
+anders zoo gezond als 't maar kan. Hij at goed, zeker ... flink ... ten
+minste behoorlijk, zooals altijd. Een dag of vier geleden begon hij een
+beetje pijn te voelen hier, bij zijn maag, op zijn rug en in zijn hoofd.
+Ik zeg: meneer gaat u na bed, zeg ik, dan zal 't morgen wel over zijn.
+Den volgenden ochtend nog 't zelfde. Nou, toen zeg ik tegen meneer,
+blijft u nou maar legge. Wil ik ook iets schrijven of zoo aan de
+jufvrouw? Nee, zeit meneer, doe dat maar niet, ze komen toch over een
+paar dagen thuis. Nou, toen deê ik 't dan niet, maar 's middags werd
+meneer erger, hij had zoo'n pijn, dat ie 't niet uit kon houden. Och
+God, en hij huilde zoo! Ik ben naar den dokter gegaan, die is dadelijk
+gekomen, hij zeî, dat 't weêr de rhematiek was, dat meneer maar veel
+rust moest hoûen. 's Avonds woû ik meneer wrijven, maar dat kon ie
+onmogelijk velen en hij gilde het uit van de pijn. Nou, toen dacht ik,
+dat 't geen rhematiek kon zijn. Ik zeê tegen meneer, of ie niet een
+andere dokter gehaald woû hebben, of misschien een professor of zoo.
+Maar meneer zeê, dat 't wel over zoû gaan, hij woû maar, dat ik hem met
+rust zoû laten. Zoo duurde het vooreergisteren en eergisteren en vooral
+gisteren-morgen werd meneer toch zoo naar, ja gisteren morgen was 't, ik
+werd er wakker van, zoo als ie aan 't kermen was. Ik naar beneden, ik
+vroeg meneer of ik ook een pap voor hem klaar woû maken, of hij ook iets
+hebben woû, nee, ja, hij woû den dokter hebben. De dokter kwam en bleef
+een uur bij meneer en ging heen zonder me iets te zeggen. Toen werd
+meneer hoe langer hoe erger. Nou, toen ben ik naar meneer Berlage gegaan
+en die heeft getelegrafeerd. Ik ben gisteren bijna aldoor bij meneer
+gebleven, ik kon 't niet anzien, zoo als de man toch leê. Dan schudde ik
+zijn kussens en leê zijn dek goed. Leê ie dan weêr een oogenblik rustig,
+dan woû ie weêr in-éens opstaan, en, had ie even op een stoel gezeten,
+dan verlangde 'n ie weêr na bed. Zoo ging het tot een uur of vier, toen
+werd meneer inééns zoo akelig benauwd en blauw in z'n gezicht, dat ik
+dacht, dat ie zóo dood bleef. Ik schrok er zoo van, dat ik niet wist wat
+ik doen zoû. Ik bette meneer z'n gezicht met water want ik dacht, dat
+zijn aren zouden bersten. Na een kwartier kwam ie weêr bij. Ik had
+al-door geen oog van hem afgehad. Toen zeê ie zachies, o toch zoo
+zachies: Jans, kom eens hier. Ik geloof, dat ik nu dood ga zeg et an de
+jufvrouw, zeg et an de jufvrouw. Dit zeê ie precies zoo tweemaal achter
+mekaâr. Toen ging ie weêr leggen, achterover op zijn kussen. En toen was
+alles gedaan.
+
+Jans had het verhaal gedaan, op den ernstigen welvoegelijken toon van
+een meid, die meegaat in de ongelukken van het huishouden. Mathilde had
+naar haar staan te luisteren, haar hoed nog in een hand en éen
+handschoen aan, bewegingloos en ontroerd. Jozef had den koetsier
+betaald, na dat deze de koffers in den gang had gedragen. Daarna was hij
+naast zijne vrouw komen staan, met veel belangstelling in zijn gezicht,
+de armen slap langs het lichaam.
+
+--En heeft meneer anders niets gezeid? vroeg hij.
+
+--Nee, meneer.
+
+--In 't geheel niet, vroeg Mathilde, ook die paar dagen te voren niets?
+
+--Nee, jufvrouw, nies bizonders, andwoordde Jans nadenkend.
+
+--Is er al iemant geweest? vroeg Jozef.
+
+--Ja, de dokter is er van-daag nog geweest en meneer Berlage kwam vragen
+of u al te-rug was. Anders nies.
+
+Dof-zwijgend ging Mathilde de trappen op, naar boven, Jozef stapte
+achter haar aan. Toen zij tien treden gegaan was, kwam Mathilde in een
+luid snikken los: och, mijn arme vader, mijn arme vader, huilde zij.
+Had ik het niet gedacht? Heb ik het niet voorgevoeld? Hè, hè, 't is
+verschrikkelijk! Wij hadden nooit op reis moeten gaan en hem alleen
+laten!
+
+In een uiterst verdriet ging zij haar vaders slaapkamer binnen, haar
+zakdoek voor haar gezicht. De gordijnen waren wechgeslagen voor het
+ledikant van-daan. Twee kaarsen brandden er voor naast een zilveren
+kruisbeeld. Daar had Jans voor gezorgd. Stijf en wit en doodelijk
+verouderd lag de Stuwen onder zijn wit lijklaken gestrekt, zijn oogen
+toe, zijn mond open. De bovenste rand van zijn onderste rij tanden was
+zichtbaar. Het laken dekte hem tot onder zijn kin. Zijn korte grijze
+haren waren glad gestreken. Een blauwige tint lag om zijn oogen en
+voorhoofd en wangen, en schemerde loodkleurig door het vel. En hij was
+zoo mager, zóo mager en hij had zulke diepe rimpels in zijn voorhoofd.
+De gordijnen voor de straatvensters waren neêrgelaten en de kaarsen
+schenen vaal met het verdoofde daglicht samen.
+
+Het lijk schrikte Mathilde af. Een beetje rillerig knielde zij neêr voor
+het bed. Zij bad, en zag het lijk heftig aan. Zij huilde hard-op. Toen
+kon zij zich de bewegingloosheid van haar vader maar niet begrijpen. Zij
+schoof het laken zachtjes wech en tastte naar de hand van den doode. Die
+hand lag recht-uit, grijzig-wit, het bloed was van onder de nagels wech
+en Mathilde probeerde de hand goed beet te pakken. Het vleesch van het
+lijk gaf niet meê. Die hand kon haar niet meer aayen en zoo innig de
+hare drukken als vroeger, dacht zij. Vader, vader! riep Mathilde, o.
+vader is u nu voor altijd van me wech? En, haar kin naar voren, haar
+oogleden neêr, schudde zij haar hoofd, en zag wanhopend naar het lijk.
+Daarna leî zij haar handen over zijn schouders en zoende het harde koude
+voorhoofd. Maar zij kon niet wech gaan, zij kon hem niet alleen laten.
+En weêr knielde zij en deed haar gezicht tegen het doodelaken, dat in
+breede plooien van het bed afhing.
+
+Jozef wachtte, staande. Maar toen er geen eind aan kwam besloot hij bij
+de tafel te gaan zitten en eenige niet te vergeten zaken die gedaan en
+maatregelen die genomen moesten worden, te noteeren. Hij was ook iets
+geroerd, door het groote verdriet van Mathilde en den dood van zijn
+ouden vrind, maar hij moest zijn hoofd bij mekaâr houden om de drukte,
+die nu natuurlijk volgen zoû.
+
+Toen hij daar een minuut of tien bezig was geweest en bij het ledikant
+niets meer hoorde, zag hij om. Mathilde knielde rechtop daar naast en
+bekeek het lijk. Daarna stond zij op en zoende Jozef lang met een
+betraand gezicht en drukte zijn handen. Toen droogde zij haar tranen
+wech, maar huilde dadelijk toch weêr met haar bleeke gezicht en liep
+stilletjes naar beneden. De nacht was neêrgekomen en alles was zoo koud
+op de trap en in de kamers, dat zij griezelde bij elke schaduw en bij
+elken hoek. Jans vroeg of zij ook eten zouden.
+
+--Vraag 't maar aan meneer, of hij iets gebruiken wil. Meneer zit boven.
+Ik heb geen trek.
+
+En zij drentelde troosteloos van de eene kamer in andere en bekeek alles
+met haar treurende oogen: de piano in het zaaltje en de tafel en vaders
+tabakspot en de kranten, die daar nog lagen, vier-vijf op mekaâr,
+ongebruikt in denzelfden vorm waarin zij gekomen waren. Jans had zelfs
+het licht in den gang vergeten op te steken. Nergends brandde een lamp.
+Mathilde nam haar hoed en stofjas en liep naar boven, naar haar eigen
+kamer. Toen zij voorbij de doodekamer kwam, waarvan de deur op een kier
+stond en den zachten kaarsenglans door liet schijnen, hoorde zij
+gauw-achter-mekaâr dof snikken en Jozef die heen en weêr liep. Zij ging
+weêr binnen en zag Jozef, die voor het lijk was blijven staan, en te
+vergeefs, ongeduldig over zijn eigen gevoeligheid, probeerde om niet te
+huilen. Dit deed Mathilde ontzaglijk veel goed. Zij voelde zich-zelf er
+een beetje door verlicht en zij omhelsde en zoende hem uit dankbaarheid.
+
+Boven op haar kamer was alles nog akeliger en duisterder dan
+overal-anders. Maar zij was toch blij dat ze er was, in deze kamer, die
+haar met al zijn oude kleuren zoo vriendelijk omwandde. Zij ging op haar
+bed zitten, en een zachte, troostende warmte steeg door haar lichaam,
+vol innigheid, vol herinnering, vol van het verleden, dat plotseling
+hevig voortleefde om haar heen. Hoe vreemd en droevig-heerlijk, dit
+te-rugzien van haar kamertje na haar huwelijksreis! Wat was zij
+veranderd sints zij hier voor 't laatst was geweest!
+
+En zij sloot zich op, zoo als vroeger. Zij deed haar stoffige kleêren
+uit en ging zoo voor de tafel zitten, en droomde. Daarna stak-zij het
+gaslicht aan, ging buiten de deur en riep met gedoofde stem, als om den
+doode niet te hinderen, dat Jans uit haar koffer haar peignoir moest
+brengen. Meneer had de sleutel. Zij was zoo moe. Jans kwam boven met de
+peignoir, Mathildes reismand, een een beetje eten: een stukje biefstuk,
+wat princesseboonen en aardappelen. Meneer had gezegd, dat zij 't maar
+aan mevrouw brengen moest, die 't wel eten zoû na de reis.
+
+--Zeg aan meneer, dat ik maar naar bed zal gaan, ik ben dood-, dood-moe.
+
+Zij probeerde om iets te eten, maar het woû bijna niet door haar keel.
+Half ziek van het huilen en van al de aandoeningen, met een nevel van
+vermoeyenis voor haar oogen en een razend gesuis in haar ooren, ging zij
+naar bed, maar toch troostte haar de gedachte, dat zij niet heelemaal
+alleen over was gebleven op de wereld, maar dat er beneden iemant was,
+die haar steun en haar alles zoû zijn, bij wien zij haar toevlucht kon
+zoeken, zoo als vroeger bij haar vader en waar zij nu toch eigenlijk
+inniger bij hoorde.
+
+De volgende dagen met hun koortsige bezigheden, hun vermoeyenis, hun
+droefheid, liepen Mathilde snel voorbij. De visites van vrienden, die
+kwamen kondoleeren, het ceelen-maken, de zorgen voor de begrafenis en
+voor de uitvaart, de verzorging van het lijk--zij was bij alles
+tegenwoordig, deed alles meê, bemoeide zich met alles, stond met haar
+treurigen ernst en een bedrijvigheid die gelatenheid insloot, Jozef in
+alles ter zijde, spoorde hem aan, gaf hem raad, zeî haar meening. Zij
+begreep wel, dat zij haar verlies later, als alle drukte voorbij zoû
+zijn, pas volledig zoû voelen. Voorloopig maar niet te veel aan de
+ledigheid gedacht, die zoû achterblijven, want er was van alles te doen:
+brieven schrijven, meiden ontvangen, voor rouwgoed zorgen en zooveel
+meer, en betraande oogen en bevende handen kunnen geen redelijk werk
+verrichten. Jozef liet zich ook voor alles vinden, hij dacht letterlijk
+om alles. Telkens zeî hij tegen Mathilde van rust nemen, zeggende, dat
+hij 't alléen wel afkon.
+
+Van den morgen tot den avond klonk de huisbel door den gang. Dan was 't
+mevrouw Berlage, de heer Ster, die kwamen kondoleeren, dan was 't de
+mode-maakster, de koster van de kerk, een bediende van den circulaire-
+drukker, de timmerman, of wel brieven van rouwbeklag, die aankwamen.
+
+Toen eindelijk de dag van de begrafenis voorbij was en Mathilde de stoet
+uit had zien trekken en de deur van het oude huis voor goed achter haar
+vader had zien sluiten, en zij 's avonds met Jozef boven alleen was op
+haar kamer en Jans naar bed, zagen zij elkaâr aan, zij waren in deze
+droefheid weêr nader tot mekaâr gekomen. Toen zij in bed naast mekaâr
+lagen, huilden zij allebei nog. Maar Mathilde schikte zich heelemaal
+tegen Jozef aan en sloeg zijn arm om haar hoofd. Hij zoû voortaan haar
+eenige beschermer wezen.
+
+Er werd besloten, dat zij voorloopig het oude huis zouden blijven
+bewonen, tot hun rouwtijd om was, had Jozef gedacht, en dan naar een
+beter huis verhuizen. Uit de papieren bleek, dat Mathildes vader,
+behalve dit en nog twee dergelijke huizen op den Oude Zijds
+Achterburgwal, die samen twee-en-twintig honderd gulden huur opbrachten,
+honderd dertig duizend gulden in effekten had nagelaten. Jozefs zaak
+ging ook vooruit en leverde een acht duizend gulden in het jaar, zoo dat
+zij te zamen een inkomen van zestien duizend zeven honderd gulden
+hadden, waar vooreerst, zoo lang er geen kinderen waren, ruim van
+geleefd kon worden in hun stand. Het bedrag van de Stuwens nalatenschap
+had Jozef bizonder verrast. Hij had dan wel erg zuinig geleefd in zijn
+klein huis en met zijn burger pot! Maar Jozef vond 't mooi van hem, daar
+hij 't waarschijnlijk gedaan had om zijn dochter meer na te kunnen laten.
+
+Jozef richtte nu voorloopig zóo zijn dag in: Na het ontbijt ging hij om
+half tien naar 't kantoor, kwam om éen uur thuis koffie drinken, ging
+daarna naar de Beurs en kwam daarna thuis iets lezen. Dan schonk
+Mathilde hem een glas port-wijn. Om half zes dineerden zij. En 's avonds
+bleven zij weêr bij mekaâr zitten tot aan den nacht. Naar de club ging
+Jozef vooreerst niet. Hij woû daar liever niet komen met den rouwband om
+zijn hoed. En dan, had hij thuis niet zijn lieve vrouw zitten? Haar
+gezelschap trok hem meer en meer aan. Uren lang zaten zij 's avonds bij
+elkaar met de thee en praatten over de Stuwen en het verledene. Over de
+toekomst spraken zij weinig.
+
+Gedurende de eerste dagen, die op de begrafenis volgden, had Mathilde
+niet naar haar vaders kamer gewild en alles precies zoo laten liggen als
+het was bij zijn sterven. Zij had eigenlijk de eerste week, die op de
+drukte volgde, niets uitgevoerd den heelen dag dan de kopjes omwasschen
+na het ontbijt en na de koffie en de glazen na het eten. Verder zat zij
+maar, met haar handen over mekaâr, in de binnenkamer, waar zij zooveel
+uren en uren met haar goeden ouden vader had gezeten. Dan tuurde zij in
+de rondte, naar haar vaders leêgen leuningstoel, naar het buffet-kastje,
+naar zijn tabakspot en pijpen, naar het boekenrekje aan den wand, waar
+een paar boeken over natuurkunde op zwierven, die hij doorgestudeerd
+had, en waar de koeranten lagen, die hij 't laatst had gelezen. Zij nam
+ze van het plankje en las ze over en wilde uitmaken voor zich-zelve,
+waar haar vader het aandachtigst gelezen zoû hebben. Zij zocht naar
+vingerdrukken, naar een potloodstreepje aan den kant, en had zij iets
+gevonden, dan toonde zij 't Jozef bij zijn thuiskomst: Kijk, zeî ze, dat
+heeft vader nog met belangstelling gelezen. Dan bracht zij zich te
+binnen, hoe hij, wat hem betrof bij het lezen van de koerant, vroeger
+altijd voorlas en er zijn meening over zeî en de hare hooren wilde.
+
+Jozef en zij hadden besloten, dat Jans de keukenmeid waarover zij geen
+klagen hadden, voorloopig in hun dienst zoû blijven. Mathilde liet Jans
+dan 's ochtends, als zij zoo alleen zat, bij zich komen en haar
+nauwkeurig al de laatste levensdagen van haar vader verhalen hoe hij dít
+gedaan had, hoe hij dát gedaan had, wat hij gegeten had, of hij op zijn
+gewone tijd naar bed was gegaan, of hij thee had gedronken zoo als
+altijd, en zoo voords. Dan begon zij aan Jans te klagen over haar
+verlies en liet haar met zich meê klagen. Mevrouw Berlage kwam ook haar
+wel een paar keer bezoeken, maar, na haar trouwen, kon zij met deze
+vrouw, die toch, toen zij nog een jong meisje was, haar beste vriendin
+was geweest, lang zoo goed niet meer over-weg. Misschien wel, om dat
+mevrouw Berlage haar nog altijd te veel als een jong-meisje behandelde
+en het Mathilde hinderde, dat zij niet sprak als van getrouwde vrouw tot
+getrouwde vrouw.
+
+In den namiddag, als Jozef thuis was, zaten zij meestal in het zaaltje
+achter. Daar was het ruimer en een beetje lichter. Jozef had al licht
+iets te schrijven of zoo, waar hij wat plaats voor noodig had. Maar
+Mathilde deed niets. Zij kon haar oude handwerkjes niet hervatten, want
+dat maakte haar onbeschrijfelijk melankoliek. De piano had zij met het
+sleuteltje gesloten en zij wilde er niet eens naar kijken. Zij had zoo'n
+trek eigenlijk om te spelen, droevige, zachte, sombere melodiën, maar
+zij deed 't toch maar niet, om Jans en de buren niet te ergeren, en ook
+om dat zij 't in zich zelf ongepast vond. Zij zat maar te droomen van
+vroeger en naar haar vaders portret te kijken, dat aan den wand hing.
+Dan dacht zij na,--en zij moest er bitter om lachen--wat 't haar een
+strijd en een moeite had gekost om Jozef zijn huwelijksaanzoek niet te
+weigeren, om dat het haar zoo hard was voorgekomen zich van haar vader
+te scheiden, om dat zij zich niet had kunnen denken in een toekomst,
+waarin zij niet altijd aan zijn zijde zoû zijn om hem te verzorgen en
+hem nooit alleen te laten, om dat zij zich met afschrik had
+voorgehouden, hoe, als zij trouwde, zij daar het zwakkelijke, goede,
+oude mannetje alleen in zijn huisje zoû moeten achterlaten misschien.
+Zij dacht er over na, dat zij in Jozefs vraag alleen had toegestemd op
+uitdrukkelijke voorwaarde, dat haar vader bij hun in zoû komen wonen,
+zij hem altijd zoû kunnen verzorgen en in zijn behoeften zoû kunnen
+voorzien, altijd bij hem zoû kunnen zijn. En nu? Zij had zich wezenlijk
+toen niet zoo bekommerd hoeven te maken! Nu bracht zij zich te binnen
+wat zij zich al niet voorgenomen had te doen om in 't vervolg haar vader
+het leven altijd aangenamer en aangenamer te maken. Zij herdacht den
+zachten nieuwen leuningstoel, dien zij in de Kalverstraat voor een
+winkelraam had zien staan en dien zij voor hem zoû hebben willen koopen,
+en een bonten voetwarmer, dien zij aan had willen schaffen, een mooye
+zware Duitsche pijp van dertig gulden, en het mutsje voor zijn lieve
+oude hoofd, dat zij voor zijn verjaardag had willen borduuren en de
+dikke wollen handschoenen, tegen den aanstaanden winter. Hoe had zij ook
+door willen voeren, dat hij elken dag aan tafel een paar glazen zeer
+ouden wijn zoû drinken en vóor de koffie, om twaalf uur, een flinke
+eetlepel met flikjes zoû nemen. Hij hield zooveel van chocola! En wat
+een plannen had zij gemaakt voor als zij met hun drieën samen zouden
+wonen in een grooter huis, vader, Jozef en zij! Wat had zij er nog met
+vader over gesproken dat zij de avondjes voort zoû zetten, die hij
+begonnen was, dan natuurlijk hij háar aan huis, en hij, vader, op de
+eereplaats! Zij zoû hem een ruime kamer gegeven hebben met alle denkbare
+gemakken, en een schel onder zijn bereik, hoog van verdieping en op de
+zon gelegen, waar hij zich zoo graag in koesterde.
+
+'s Avonds, als Mathilde met Jozef aan de thee zat, herinnerde zij zich
+vooral de teederheden van haar vader voor haar. Terwijl de schemering
+dwarrelde door de kamer en Jozef, aan den anderen kant van de tafel,
+rookte en wechdook in de duisternis, schoot het vlammetje onder den
+theepot stralen naar haar oog en tuurde zij er zoo lang met groote oogen
+in, tot de stralen heen en weêr wipten en dansten en braken en de
+thee-pot verdween in een warreling van gouden pijltjes en er stille
+tranen spatten op haar japon. Al de herinneringen uit haar vroegste
+jeugd en van later kwamen op in haar verbeelding, zachtjes na mekaâr.
+Die goede vader, die zoo innig goed was, zoo iets wereldsch, zoo
+plicht-getrouw, die zoo bedaard en eenvoudig het leven doorging en haar
+zoo erg, met zoo een trouw, zoo oprecht en zonder bijbedoeling, had
+liefgehad. Daar waren nooit plechtige oogenblikken tusschen haar en haar
+vader geweest, er waren nooit hartstochtelijke dingen tusschen hen
+gebeurd, er waren nooit van die uren geweest, waarin hij haar een
+nadrukkelijk en opperst bewijs van een overgroote liefde zoû hebben
+gegeven. Hij was altijd stil voor zich heen geweest, en kalm, hij
+verdroeg zijn verdriet en genoot zijn pleizier zonder veel ophef. Toen
+haar moeder gestorven was, had hij haar eenvoudig gezoend en hadden zijn
+tranen over haar wangen gevloeid, toen zij naar 't kostschool ging en
+zij dus voor een heden tijd scheidden, was precies hetzelfde gebeurd.
+Dit waren de eenige oogenblikken, waarvan zij zich herinnerde, dat hij
+een beetje ongewoon was geweest. Nooit had hij haar het leven gered,
+nooit zelfs had hij haar in vervoering tegen zich aangedrukt. Maar toch,
+wat voelde zij vreeselijk, dat hij er niet meer was, hij, de eenige
+liefde van haar heele jeugd! Zij kon zich maar niet denken, dat hij
+dood was. Zij kon zich in dit huis maar niet thuis voelen zonder hem.
+Dan kwam zij een kamer binnen, wat, was vader er niet? Dan ging zij naar
+boven, naar bed,--wat, had zij vergeten vader goeye-nacht te zeggen?
+Waarom kwam zij hem, met zijn stille goedige gangetje, nooit meer tegen
+op het portaal? Waarom bleef zijn plaats toch open aan het ontbijt en 's
+middags aan tafel, wat was er toch iets vreemds, iets verlatens aan de
+stoelen en tafels, aan de vloer en vooral aan den leuningstoel van de
+binnenkamer! En al de meubels werden haar dierbaarder dan vroeger, om
+dat hij ze had gebruikt, om dat zij, zonder te zien en te spreken, zijn
+leven hadden bijgewoond en hem hadden helpen leven. Zij kon met een
+aandacht kijken naar de kale plekjes op het tapijt en het een beetje
+afgesletene van de stoelen hier en daar, om dat iemant ze door ze
+herhaaldelijk te betreden kaal had gemaakt en iemant ze moest hebben
+versleten.
+
+Zoo zat zij 's avonds te droomen in haar zwarte japon zonder garneersel.
+Als de avond óm was ging zij met Jozef naar boven. Zij gaf hem zijn
+nacht-zoen in het portaaltje, waarop hun kamers uitkwamen, want Jozef
+sliep nu op het logeerkamertje, om dat zij zoo moe en zoo zwak en zoo
+verdrietig was en beter kon liggen en rusten alléen in het éen-persoons
+bed. Jozef had wel eerst de logeerkamer willen nemen, die boven het
+zaaltje was, maar Mathilde had hem graâg dicht bij haar 's nachts en
+buitendien, dat was alles van-zelf toevallig zoo gegaan. Zij hadden er
+niet eens over gedacht of het wel redelijk was. Zij schenen in het leed
+van den dood hun hartstocht in te sussen. Zij zoenden mekaâr goeden
+morgen en goeden avond als twee vijf-en-twintig jaar getrouwden. Soms
+leî Jozef zijn hand op haar schouder of streek haar over 't haar, maar
+dan andwoordde zij met geen enkelen blik, met geen een beweging. Hij had
+medelijden met haar droefheid; hij begon zich wel al te vervelen, maar
+hij wilde zich in deze omstandigheid schikken. Hij las maar koeranten en
+had ook zijn oude boeken over staathuishoudkunde weêr eens doorgebladerd.
+Allerlei boeken waren hem door de handen gegaan, toen hij de nalatenschap
+en beschikkingen van den ouden heer geregeld had. Zoo was hij daartoe
+gekomen.
+
+Tot nu toe had Mathilde, na de begrafenis, nog niet in de slaapkamer van
+haar vader durven gaan. Jans had alles daar een beetje opgeredderd en
+schoongemaakt, maar verder was de deur gesloten gebleven. De sleutel
+stak er wel op, maar niemant had sints een dag of veertien de licht-
+bruine kruk bewogen. Maar Mathildes verdriet begon zich zoo te hechten
+aan al de voorwerpen in huis, die haar vader het dikwijlst had aangeraakt,
+dat zij eindigde met den wensch te hebben al de overblijfselen van zijn
+meest innig en eigen bestaan weêr te zien, en, voor zoover zij ze nog niet
+kende, te ontdekken en te betasten. Een droevige nieuwsgierigheid mengde
+zich in haar doffe verdriet. Zij wilde nu die slaapkamer ingaan, en
+zachtjes over den vloer loopen, die lucht inademen, die kleuren zien,
+waarin hij had geleefd als hij alleen was. Zij wilde aan die ruimte,
+waarin aan die zoldering waaronder hij zoo gauw was gestorven, vragen of
+hij erg geleden had, of hij nog veel om haar had gedacht. Er mengde zich
+nog angst voor de kamer in haar nieuwsgierigheid: zoû zij misschien de
+doffe echo van zijn stem hooren, zoû niet zijn stap nog ergends treden,
+achter het bed, bij de tafel?
+
+Een ochtend, dat Jozef naar 't kantoor was over tienen, liep zij
+langzaam de trap op naar boven. Haar zwarte haar hing verdrietig over
+haar vale voorhoofd, en haar zwarte kleed schoof zonder geluid over de
+treden. Zij kwam binnen en sloot de deur achter zich. Een frischheid
+kwam haar te gemoet, de buitenlucht waarin zich het geluid van de straat
+oploste, drong om haar ooren en haar gezicht. Jans was waarschijnlijk
+van-morgen nog hier geweest, want achter de neêrgelaten gele jaloeziën,
+stond een van de twee vensters open. Het gegons en gebrom van de straat
+woei naar binnen. Mathilde haastte zich het venster te sluiten. Zij trok
+de jaloeziën allebei op. Toen keek zij rond. Wat een stilte, wat een
+eenzaamheid! Den rug naar het venster gekeerd, rechtop, het bovenlijf en
+het hoofd een beetje naar achteren gestrekt, de handen gevouwen naar
+beneden gedrukt en naar onderen geopend bekeek zij lang alles wat er in
+de rondte stond. De glans van het daglicht, die het zwart van haar japon
+vergrijsde, had zich over haar rug gespreid in een glimmend ovaal, viel
+in plooyen tot haar voeten en glimperde door de kroesige bosjes haar
+rondom haar hoofd. Zij liep naar het ledikant en schoof gauw de witte
+gordijnen op-zij. Zij keek er in. Er was niets. De kussens en peluw en
+de dekens en sprei lagen in twee hoopjes op de matras gestapeld als in
+een bed, dat niet meer gebruikt wordt, wachtende op een nieuwen
+gebruiker. Zij schoof de gordijnen weêr dicht. Daar naast was de kleine
+kast van haar vader in den muur. Verder was er een schrijfbureau, een
+klein kastje, dat altijd het "apotheekje" genoemd werd, waarin allerlei
+huishoudelijke medikamenten werden bewaard en geëtiketteerde fleschjes
+en doosjes; voords nog een kast in den muur, die alleen door het
+smoeselige bruin van het behangsel rondom het sleutelgat kenbaar was,
+waar het linnengoed en de kousen van den doode in werden geborgen.
+Eindelijk stond er een sjiefonjeire; hierin bewaarde de oude heer
+allerlei voorwerpen en snuisterijen, herinneringen aan zijn vrouw,
+eenige teekeningen van hem zelf uit zijn jeugd, papieren, ringen,
+kadootjes, een kostbaren wandelstok, een heele kollektie van zijn eigen
+oude zakportefeuilles, en zoo meer.
+
+Mathilde had aan het ontbijt de sleutels van Jozef gevraagd en begon met
+de bovenste laâ van deze kast open te trekken. Met den arm, waarom de
+enge zwarte japon rond gespannen zat, leunde zij op den kant van de laâ
+en keek er in neêr. Al die voorwerpen, waarvan zij vele nooit had
+gezien, en die met een soort van eerbied en achterhoudendheid door haar
+vader buiten elks bereik werden gehouden, die hij alleen kende, waarvoor
+hij alleen zorgde, waarom hij bepaald veel gaf, het gezicht daarvan deed
+Mathilde bizonder aan. Met wat een genoegen moest vader dikwijls 's
+avonds in zijn eentje die dingen hebben te voorschijn gekregen, ze
+gehanteerd en bevoeld hebben! Zijn goedige, bedaarde, nederige,
+huiselijke geest gaf haar nu een zeer sterken indruk. Vooreerst lagen
+daar twee kerkboeken, een, zoo hoog en zoo breed als een mannen hand,
+met zwart geworden zilveren sloten, stoffig en vergrijsd goud op sneê,
+met gele spikkeltjes op het witte papier van-binnen: het was een kadoo
+van de Stuwen-zelf aan zijn vrouw geweest. "Aan mijn dierbare vrouw, de
+echte christin", stond als toewijding voor tegen het schut-blad
+geschreven. Het andere kerkboek, een fransch, veel kleiner, was van de
+Stuwen-zelf geweest, maar in jaren niet gebruikt. Daarnaast zag Mathilde
+een zilveren horlogeketting. Maar zij besloot, met het pijnlijk
+welbehagen, dat zij in deze bezigheid had, de laden eerst alle te openen
+en in te zien, om daarna de dingen éen voor éen te betasten en te
+bezichtigen. Knersend en haperend stommelden een paar laden open, als
+verborgen zij zaken, die niet gaarne hadden; dat het daglicht tot hen
+doordrong, andere gleden weêr gewillig meê en waren als met was
+bestreken. Alle waren gevuld. Een schat van prullen, voor Mathilde van
+de hoogste waarde, had zij nu onder haar oog, en zij bleef er op staren
+en droomen. Zij vergat zich-zelf in den aanblik van al die doode
+voorwerpen, die vroeger geleefd hadden in haar vaders handen zij snoof
+de geur van verleden dagen op met graagte. Maar zij had zoo'n rijkdom,
+dat ze niet wist waar te beginnen en zij had de tijd zoo vergeten, dat
+Jans kwam zeggen: de koffie stond klaar en meneer zat beneden te wachten.
+
+Mathilde ging naar beneden. Zij had nu een bepaald onderwerp, waarmeê
+haar geest zich bezig hield 't was of de droefheid een beetje, een klein
+beetje maar toch iets, minder erg was. Zij deed aan Jozef verslag, van
+hetgeen zij had gevonden en daarbij gevoeld. Zij was er heelemaal van
+vervuld, zij sprak over niets anders. Zij zat met de ellebogen op tafel
+en vertelde alles. Zij was verwonderd over dit, over dat. Die oude
+beurs, die zij gezien had, die haar moeder nog voor haar vader gehaakt
+moest hebben, met die gouden franje, herinnerde zij zich wel heel lang
+geleden eens in de ouderlijke slaapkamer te hebben gezien, maar zij wist
+volstrekt niet, dat haar vader die nog had. En dan die kerkboeken weêr,
+och, hoe aardig! 't Was wel akelig al die reliquiën van vaders leven zoo
+vóor zich te hebben, maar er was toch ook iets aangenaams in, zooveel
+dingen te vinden, die zij nu natuurlijk in hun huishouden zouden
+bewaren, en die hun onophoudelijk aan vader zouden herinneren. Jozef
+vond het ook, die kleine onwillekeurige soeveniers hadden veel
+aantrekkelijks. Zij zouden heilig opgeborgen en verzorgd blijven.
+Mathilde sprak er weêr over voort of zweeg tusschenbeide en liet haar
+zwarte armen rechtuit op het witte tafellaken liggen, terwijl haar oogen
+er over heen droomden. Het kwam zelfs niet in Jozef op dan haar hand aan
+te raken, die in de zijne te nemen of te aayen. Zij vertelde hem alles
+en zag hem daarbij aan als een vriend, een vertrouweling, een broeder.
+In geen tien dagen hadden zij van hun liefde gesproken. Het leek wel
+alsof zij al tien jaar getrouwd waren.
+
+Zoo doorleefden zij de dagen. Telkens na het ontbijt en telkens na de
+koffie ging Mathilde zachtjes naar boven. Zonder leven te maken was zij
+al boven gekomen zonder dat Jozef of Jans het merkten. De tijd van de
+kondolatievisites en van de visitekaartjes was voorbij. Het waren
+rustige, doodelijk stille dagen, die gauw achter mekaâr kwamen. En
+Mathilde maakte de uren, die zij met Jozef moest samen zijn, altijd nog
+korter. Zij sprak op 't laatst weinig meer van haar dagelijksche
+vondsten en gedachten. Het laatste had zij verteld van de intieme
+brieven van haar vader, die zij allemaal, naar tijdsorde gerangschikt,
+in het bureautje op de slaapkamer had vinden liggen. Jozef was eens met
+haar meègegaan, hij had haar tegenwoordig leven willen deden, zich
+aansluiten bij haar bezigheden. Maar na dat zij eenmaal samen waren
+bovengekomen, was zij aan het bureau gaan zitten, zóo in 't midden dat
+er geen plaats meer voor hem overbleef, en had al wat er onder haar
+handen lag in beslag genomen. Hij, werkeloos, lusteloos en verlegen,
+bleef er naast staan, niet wetende hoe zich te houden; hij had gebaren
+gemaakt om iets aan te vatten of in te zien, die gebroken werden door
+dat zij toevallig haar arm tusschen hem en het ding heen bewoog; hij had
+met belangstelling iets gevraagd, waarop zij geen andwoord gaf,
+heelemaal verdiept in haar studie. Hij was dus maar te-ruggeslopen naar
+het zaaltje, waar hij gemakkelijk ging zitten, zijn beenen uitgestrekt,
+en kranten las, en zich verveelde.
+
+Mathilde maakte ook haar nachten langer. Zij ging 's avonds vroeg naar
+bed en stond laat op. Zij zeide zoo'n moeite te hebben om in slaap te
+komen, door haar vermoeidheid en haar verdriet. Zij had zelfs ook na den
+eten, gedurende den avond, haar napluizingen willen voortzetten en Jans
+om een lamp gevraagd, maar daartegen had Jozef zich ten stelligste
+verzet, zeggende, dat dat haar nog meer afmatten zoû en haar slaap nog
+meer bemoeilijken.
+
+Vóor het oude bureautje gezeten, leefde dan Mathilde het leven der
+herinneringen voort. Zij deed het met een altijd vermeerderende liefde,
+met een inspanning, een drift en een volharding, die tot halsstarrigheid
+werden en uit een onwrikbaar genomen besluit schenen voort te komen. Dit
+besluit bestond dan ook. Het had zich langzaam, voetje voor voetje, in
+haar ziel gedrongen en zich daar vastgehecht, zonder dat zij 't zich
+zelf goed bewust was. Zij had besloten tóch zooveel voor haar vader te
+doen als zij zich vóor haar huwelijk had ingeprent. Zij had zich
+eenmaal, eer zij met Jozef op reis ging, voorgenomen, dat, bij hun
+te-rugkomst, de innige verstandhouding tusschen haar vader en haar zoû
+voort duren, ja nog inniger worden zoû. En zij wilde haar plan getrouw
+blijven. Gedurende haar afwezigheid had zich zooveel teederheid en zorg
+in haar hart opgestapeld, dat zij zich van dien voorraad, van die
+kracht, niet inéens kon ontdoen of haar geheel in tranen kon laten
+wechvloeyen. Zij had zich-zelf eenmaal beloofd dat, als zij eens
+wezenlijk getrouwd, wezenlijk vrouw zoû zijn, zij beter dan ooit en nu
+voor-goed aan haar vader vergelden zoû, wat zij voor het geluk van haar
+heele jeugd aan hem te danken had. En nu gebeurde dat, buiten haar eigen
+weten om. De eenzame ruimte van deze verlaten kamer trok haar meer en
+meer aan. Hier ademde zij de gedachten en gemoedsbewegingen in, die uit
+het oude verleden hier waren blijven hangen. Haar liefde sliep, zij
+vergat zich zelve, zij vergat Jozef die beneden alleen zat. Als zij de
+brieven van haar vader las en al die kleine zaakjes, die hij achter
+gelaten had, hanteerde met een innige teederheid en behoedzaamheid, dan
+was 't alsof zij zijn lotgevallen van vroeger deelde en als dochter hem
+vereerde in deze geheime en bizondere kenteekenen van zijn goedhartig en
+haar zoo dierbaar bestaan, dat nu op gehouden had voor altijd. Haar
+jeugd verdoofde. Zij dacht niet meer aan het tegen woordige. Koud, als
+een beeld, ging ze op en neêr door het huis, terwijl het warm was in
+haar hoofd en de figuur van haar vader onophoudelijk door haar
+verbeelding dwaalde. Uit al de woeligheid, de koortsige opvolging van
+indrukken en gezichten, den rijkdom van de voortdurend wisselende
+omgeving en den aandoeningenstorm van de huwelijksreis plotseling in de
+grijze stilte, in de sombere kilheid en eentonigheid van het huis, waar
+de doodslucht door heen had gewaaid, verplaatst, scheen ze zich er in te
+zullen ziek-suffen en de diepe ontsteltenis, door het kontrast
+veroorzaakt, niet te boven te kunnen komen. Het was te gauw gegaan, het
+was te hevig geweest. Zij voelde nog voortdurend den eersten schrik.
+Alle begoocheling was wech, wech de vrolijkheid, wech het brandende
+leven. Terwijl de scherpte van het leed langzaam week, bleef ze
+ongevoelig voor elke nieuwe levensprikkeling ook.
+
+Zoo kropen onder Jozefs voeten heen de dagen voorbij. In zijn altijd
+sierlijk, nu donker-blauw pak, stapte hij 's morgens met een verveeld
+gezicht de deur uit, en, daar hij nu anders niets te doen, aan niets
+anders te denken had, leî hij zich met de borst op de kantoorzaken toe,
+zich dieper naar zijn lessenaar buigende, werd ijverig, zocht zijn
+inkomsten te vermeerderen. Hij droeg nu voortdurend, in plaats van zijn
+gekleurde een eenvoudige, breede zwarte strikdas en een hoogen rouwband
+om zijn hoed. Hij was er toe gekomen eenige studieboeken van vroeger,
+die op zijn kantoor in de stof lagen en daar vergeten werden, naar zijn
+huis te laten brengen. Hij had daar vroeger een tijd lang nog al
+pleizier in gehad en, daar hij zich onmogelijk bij publieke
+vermakelijkheden kon vertoonen en anders niets had om zijn ledige uren
+meê door te brengen, kwam het genoegen te-rug en zette hij zich 's
+middags en 's avonds aan de studie. Toch deed hij niet veel meer dan
+lezen, met belangstelling. Hij maakte geen aanteekeningen. Het waren
+werken van Quack, Heemskerk, de Pinto, staathuishoudkundige en
+populair-rechtsgeleerde boeken. Nu ging hij ook nieuwe uitgaven over
+dezelfde onderwerpen koopen, waar hij zich nu eenmaal meê bezig hield.
+Verder las hij het Handelsblad, den Figaro en de Fransche romans van
+George Sand en Feuillet. Dit alles in afwachting, dat Mathildes
+droefheid en ziekelijke afgetrokkenheid zoû verdwijnen. Ook kreeg hij
+'s middags wel eens bezoek van een club-vriend, D'Ablaincourt of Hasman,
+die een uurtje bleef praten en een glaasje port met hem drinken. Een
+enkele maal verscheen er een kantoorklerk, die iets te vragen had.
+Overigens kwam er niemant.
+
+Er waren weêr twee weken voorbij. Het was op een zonnigen Donderdag,
+vier uur, een uur voór het eten. De deur van het zaaltje stond open.
+Jozef zat voor de met een rood en zwart tafelkleed overdekte tafel in 't
+midden van het zaaltje, zijn hoofd over een boek gebogen, gesteund door
+zijn blanke smalle hand, met een kleinen zegelring aan den pink. Een
+half-uitgedronken glaasje portwijn stond voor hem. Verder lag er een
+hoopje papieren. Er was een aangename dagheldere tint. In den gang was
+alles kalm. Alleen het gekuch van Jans, het sissen van boter of het
+geklater van borden, die op of van mekaâr geschoven, en het geklitter
+van zilveren lepels en vorken, die bewogen werden, klonken in den gang.
+Op-éens spande zich met een gepiep de ijzerdraad van de voordeurschel en
+de klepel klepte, met een gebibber van de ijzerdraad en; de schel klonk
+luid langs de witte muren met twee, telkens zachtere herhalingen. Jozef
+zag niet op; alleen knipte hij even snel met zijn oogen. Men kon hem, in
+de diepte van het zaaltje, van de straat af zien zitten, toen Jans de
+deur open had gemaakt voor een juffrouw die zij niet kende.
+
+--Is mevrouw thuis? vroeg een hoog stemmetje.
+
+--Jawel, jufvrouw.
+
+--Zoû 'k mevrouw ook even kunnen zien?
+
+De oude Jans keerde zich om, en, terwijl zij haar hand om de kruk van de
+voorkamerdeur schoof, andwoordde zij.
+
+--Och, wil u hier maar even binnenkomen, asjeblieft?
+
+Haar oogen op-zij, om Jozef niet te zien in de verte, stapte de ranke
+elegante jufvrouw, op haar hooge bottines met verlakte puntjes, in de
+voorkamer, waar Jans haar volgde.
+
+--Kan ik ook zeggen, wie der is?
+
+De jufvrouw reikte in de roestige hand van de keukenmeid, die deze zoo
+juist aan haar boezelaar had afgeveegd, een klein dof-geel
+visitekaartje: Emilie Hartse.
+
+Na een blik tegen de jufvrouw, als had zij dien naam meer gehoord, ging
+Jans wech. Toen zij voorbij het zaaltje kwam, om Mathilde boven te
+waarschuwen, riep Jozef haar binnen.
+
+--Laat eens zien, zeî hij, en daarna herkennend: o! Hij gaf Jans het
+kaartje te-rug, waarna zij de trap opslofte. Jozef ging voort met lezen.
+Na een paar minuten, draalde Jans te-rug, de trap af.
+
+--Zou mevrouw komen?
+
+Ja, meneer.
+
+Maar het duurde vijf minuten; Mathilde kwam niet. Jozef keek eens rond
+en gaf er zich rekenschap van. Nog gingen er vijf minuten voorbij en
+Jozef hoorde niets komen. Toen stond hij op en ging zelf naar de
+voorkamer.
+
+Hij kwam binnen en groette beleefd.
+
+--Jufvrouw ik woû u niet langer laten wachten.
+
+--Dag, meneer van Wilden, hoe maakt u 'et? ... En hoe gaat 'et uw vrouw?
+
+Zij stak hem haar arm toe, die tot aan den elleboog in een zwart
+glacé-en handschoen was.
+
+--Dank u, zij zal zoo wel komen ... En wat heeft men u in lang niet
+gezien ... Dat zal wel een jaar of vier, vijf zijn!
+
+--Ja, ik ben verleden week pas te-ruggekomen in het land ... Er is heel
+wat gebeurd in dien tijd, zeî zij, plotseling ernstig, bijna meêwarig.
+
+--Ja, ja, andwoordde Jozef, het is een groot verlies voor ons geweest.
+Wij hielden zoo veel van hem!
+
+--Hoe houdt uw vrouw er zich onder? ... Och, ik begrijp heel goed, dat 't
+haar een groot verdriet moet doen, maar daartegen is 't al weêr gelukkig,
+dat zij nu zoo'n grooten steun heeft in ... in u. 't Zoû wat anders geweest
+zijn om dat alleen te dragen.
+
+--Ja, zeî Jozef.
+
+Zij spraken er nog eenigen tijd over door. Toen vroeg hij na een kleine
+pauze.
+
+--En is u al dien tijd in Parijs geweest?
+
+Bij deze vraag nam hij haar eens goed op. Zij was een lange vrouw, een
+half hoofd grooter dan Mathilde. Zij droeg haar blond-rossig haar in een
+doffe warrelend-krullende boeket van onder den hoed, die naar voren open
+stond, tot even boven haar fijne als geel-gepenceelde wenkbrauwbogen.
+Zij had erg klare scheIblauwe oogen in ruime kasten. Zij had een dunnen
+vogelen-neus. Haar vel was erg blank, met een doorschijnend rood plekje
+onder elk oog.
+
+--Altijd in Parijs, andwoordde zij, ja!
+
+En zij ging voort met over Parijs uit te weiden. Zij was er eerst op 't
+pensionaat geweest, toen even te-ruggekeerd in Holland en daarna weêr
+voor eenige jaren bij de familie van Riet, den holllandschen konsul in
+Parijs, een broêr van den heer van Riet van Amsterdam. Een wees, zoo als
+zij, vloog als een vogeltje dat geen eigen nest heeft, van den hak op
+den tak, zeide zij.
+
+--En denkt u nu voorloopig in Amsterdam te blijven? vroeg Jozef.
+
+--Ja, zeî ze, tante wordt oud, ik kan haar nu goed gezelschap houden, en
+buitendien, men verlangt toch altijd naar zijn eigen vaderland te-rug.
+
+Zoo zette zich het gesprek voort, maar Mathilde kwam maar niet.
+
+Eindelijk zeî Jozef:
+
+--Mathilde komt maar niet. Ik zal eens gaan hooren wat het is.
+
+--Och, doet u 'et niet, mevrouw kan misschien niet van haar bezigheden
+af.
+
+--Ik begrijp 't wel half, andwoordde Jozef, waarom zij niet komt. U moet
+het haar niet kwalijk nemen. Zij heeft zich het verlies van haar vader
+vreeselijk aangetrokken, ál te erg, vind ik. Zij is in een soort van
+doffen geestes-toestand geraakt, die ik mij niet goed begrijpen kan. Zij
+zit den heelen-dag maar boven, op zijn kamer, om haar vader te treuren.
+Ik laat haar maar stil haar gang gaan. De tijd zal het verdriet van-zelf
+slijten. U zal haar dus exkuzeeren. En Jozef ging Mathilde maar niet
+halen. Hij dacht dat zij misschien roodgehuilde oogen had en liever geen
+vreemde menschen wilde ontmoeten.
+
+Emilie Hartse bleef uit beleefdheid, om niet dadelijk heen te gaan, nog
+even. Haar betrekking tot Jozef bestond eigenlijk hierin, dat zij, die
+een kennisje van Mathilde op de Amsterdamsche school was geweest en
+daarna éen jaar op de zelfde kostschool met haar was geweest, later, bij
+de Stuwen aan huis, waar die kennis voortgezet werd, Jozef nu en dan
+had ontmoet.
+
+Toen Jozef haar nu, na wederzijdsche beleefdheids-betuigingen,
+uitgelaten had, was hij verwonderd in den gang Jans te ontmoeten, die,
+beladen met tafelborden en zilver, bezig was voor het eten te dekken.
+
+--Is het al zóo laat? vroeg zij.
+
+--Ja, meneer, zeî Jans, verwonderd over die vraag, kwart voor vijven.
+
+Toen Mathilde met haar bleeke droevig-droomende gezicht en strakke
+wangen, aan tafel kwam, verweet Jozef haar zachtjes haar
+menschenschuwheid.
+
+--Waarom ben-je niet even gekomen, lieve kind? Emilie Hartse was er. Ze
+was erg verlangend je eens wéêr te zien na zoo'n langen tijd.
+
+--Och, ik ben haar al haast vergeten, en ik was boven zoo druk bezig. Ik
+was niet gestemd. Ik zoû niet weten wat ik met haar zoû hebben moeten
+spreken ... Blijft ze lang?
+
+--Ja, ik heb een heel tijdje met haar zitten praten. Ze is al door in
+Parijs geweest, maar blijft nu voor goed hier.
+
+--Zoo! zeî Mathilde flauwtjes. En zij spraken nog enkele woorden over
+andere onderwerpen.
+
+Na het eten ging Mathilde in het zaaltje zitten vóor het op de
+binnenplaats uitziend raam, aan het lezen van een oud dik met vette
+lettertjes volgekrabd schrijfboek. Het was het dagboek, door haar vader
+in zijn jeugd gehouden, waarin hij al zijn zorgen en zijn vreugden op
+nogal droge manier had neêrgeschreven, door Mathilde in een hoekje van
+het bureau boven ontdekt, en dat ze nu geregeld 's avonds met warme
+tranen beschreide.
+
+Zes dagen later werd er, zoo-wat op hetzelfde uur, op dezelfde manier
+gescheld als dien dag. Het was Emilie Hartse, die vroeg of mevrouw nu
+toch misschien te spreken was. Maar Jozef had Mathilde in zoo een
+droefheid en dofheid na de koffie zien wech gaan, dat hij Jans zeide
+Mathilde maar niet eens te gaan waarschuwen, en zelf weér een half
+uurtje met jufvrouw Hartse ging praten. Deze verzekerde dat 't haar nu
+verbazend speet, dat zij Mathilde zoo graâg had gezien om te probeeren
+haar een beetje te troosten. Daarbij zeî ze ook, dat 't zoo'n groot
+geluk voor haar zijn zoû de kennis met Mathilde, de vriendschap liever,
+te vernieuwen. De menschen waren haar hier zoo vreemd geworden na haar
+verblijf in het buitenland! Zij hield met bijna niemant omgang. En
+Mathilde en zij hadden elkaâr vroeger toch zóo goed gekend! Hierna kwam
+het gesprek op de familie van Riet, waar Emilie aan huis woonde. Jozef
+vertelde, dat de heer en mevrouw van Riet, ongeveer een maand vóor
+Mathilde en hij op reis waren gegaan, nog een avondje bij de Stuwen
+hadden doorgebracht. Toen kwam van-zelf de muziek en de literatuur ter
+sprake. Emilie kende veel fransche romans, van Feuillet, van George
+Sand, enz. Maar Jozef verzekerde, dat er ook mooye nieuwe Duitsche
+romans bestonden en Engelsche. Hier wist Emilie bijna niets van en zij
+liet zich door hem een paar van die boeken leenen, om ze te lezen.
+
+'s Middags aan tafel vertelde Jozef, dat Emilie Hartse er weêr was
+geweest, dat hij haar een boek geleend had.
+
+--Zoo! zeî Mathilde, glimlachte heel even, goedig, flauwtjes, en sprak
+weêr over iets anders.
+
+De zomer verstreek. Tien dagen na haar vorige visite, kwam Emilie zelf
+de boeken terugbrengen. Ze had nog wel nu en dan een woord in de
+dictionnaire op moeten zoeken, maar overigens hadden de romans haar wel
+bevallen. Nû bleef zij wel een uur praten. Jozef leende haar weêr andere
+boeken en nog eens en nog eens, die zij telkens te-rug kwam brengen, dan
+na een veertien dagen, dan na een week. Iedere keer werd er eerst veel
+over boeken gesproken, daarna had Emilie heel wat te vertellen over de
+familie van Riet, van de hoofdpijn en het water in de beenen, waaraan
+mevrouw sukkelde en van de gezelligheid en de gemoedelijkheid van
+mijnheer, maar die wel eens tot vervelendheid oversloeg in den omgang
+zonder einde van het dagelijksche leven. Voorts deelde zij aan Jozef
+haar indrukken over Amsterdam en de Amsterdamsche wereld mede, vergeleek
+die bij de wereld van Parijs, sprak eindelijk over Jozef-zelf, over
+Mathilde en over hun plannen. Jozef vond haar wel een aardig ... ja, hij
+wist niet goed hoe hij haar voor zich-zelf noemen zoû. Emilie was een
+jaar of vier-en-twintig en nog ongetrouwd, dus een meisje. Maar zij was
+ontwikkeld en op de hoogte als een vrouw. Het waren Jozefs aangenaamste
+uren, en die zijn onverdragelijke eenzaamheid het genoegelijkst
+afwisselden, die hij met haar doorbracht. Oh 't laatst vergat hij wel
+eens aan Mathilde verslag te doen, wanneer Emilie hem weêr een visite
+had gemaakt. Te midden van de beleefde troostwoorden die hij dagelijks
+nog tegen haar zeî, kon hij niet goed van zijn vroolijker gesprekken met
+Emilie vertellen.
+
+Eens op een avond, dat zij het theegoed binnendroeg zeî Jans:
+
+--Der staat 'n parasol in den gang, menheer, die heeft zeker jufvrouw
+Hartse vergeten?
+
+Nu trof het Mathilde voor het eerst. Toen Jans wech was, zeide zij
+
+--Is die er van-middag al weêr geweest?
+
+Zij zeide dit wel op haar gewonen toon van tegenwoordig, waar zoo weinig
+belangstelling in was, maar ze zeide het toch.
+
+--Ja, andwoordde Jozef, zij kwam een boek te-rug-brengen.
+
+--Wat komt ze dikwijls! zeî Mathilde, nog onverschillig.
+
+--Och, ze leest graâg, en ze heeft weinig konversatie in de stad ...
+
+Dien avond zat Mathilde weêr te droomen achter het ouderwetsche theeblad,
+terwijl het zaaltje zich in duisternis dompelde en Jozef op de kanapee
+een cigaar rookte, Maar nu en dan, terwijl zij zich onbewegelijk hield,
+richtte Mathilde de oogen naar den kant, waar hij zat, naar de gloeyende
+punt van de cigaar. Zij scheen dan over iets na te denken, dat buiten haar
+droefheid was. Jozef zag het wel, maar hij gaf er zich geen rekenschap van.
+
+--Hoe lang is vader nu al dood? vroeg Mathilde eens, als wist zij dat zelf
+niet het beste.
+
+--Vier, vijf weken, kind, vijf en een halve week.
+
+'s Avonds, bij het goeye-nacht-zeggen, zeî Jozef.
+
+--Willen wij morgen nu niet eens een wandelingetje gaan maken, Thilde,
+het zoû zoo goed voor je zijn ...
+
+--Och nee, nog niet, ik blijf maar liever thuis, ik ben bang voor de
+straat ...
+
+--Kom! zeî hij, maar er was niets aan te doen.
+
+Eenige dagen later kwam Mathilde eens om drie uûr 's middags beneden en,
+voorbij het zaaltje gaande, hoorde zij daar spreken.
+
+Stilletjes ging zij naar de keuken.
+
+--Wie is er bij meneer Jans? vroeg zij.
+
+--Jufvrouw Hartse, mevrouw.
+
+Zij vond 't onaangenaam. Haar doffe, wanhopige rust in de eenzaamheid
+van haar vaders slaapkamer was verstoord. Zij kon vooreerst nog niet
+scheiden van die kamer, maar zij was niet meer zoo onophoudelijk
+verdiept in het denken aan haar vader. Zij zat als naar gewoonte voor
+het bureau, maar betrapte er zich op somwijlen, dat haar blik van het
+voor haar liggend brievenblad was wechgeweken en langs den rand van den
+bovenkant van het bureau dwaalde en dat zij dacht aan Jozef en aan
+Emilie, die misschien beneden samen zaten te praten. Maar dan, als ware
+zij van haar plicht afgeweken ging zij weêr door met lezen met dubbelen
+ijver.
+
+Een week later,--de deur van de dooden-kamer stond open--hoorde
+Mathilde de huisdeurschel gaan. Zij herkende de bizondere trilling van
+het geluid. Als was zij dat al lang van plan geweest, stond zij op en
+ging, haar zakdoek in haar hand naar beneden. Jans deed juist open.
+'t Was Emilie. Mathilde ging op haar toe en, met een eersten glimlach na
+zes weken.
+
+--Wel jufvrouw, het doet me toch plezier u eindelijk eens te ontmoeten.
+
+Emilie zeî te gelijker tijd, met een meêwarig lachje, iets, dat niet
+gehoord werd onder de woorden van Mathilde heen.
+
+--Ja, mevrouw, mag ik u nog wel kondoleeren ...
+
+--Dank u, u begrijpt ...
+
+Zij gingen de zijkamer binnen.
+
+--Ja, mevrouw, dat hoor ik ...
+
+Zij spraken voort. Mathilde verontschuldigde zich, dat zij zoo dikwijls
+op zich had laten wachten. Zij sprak van haar groote droefheid, sprak
+voords over het leenen van de boeken van Jozef, dat zij zeide heel
+aardig te vinden, om toch vooral niet den schijn te hebben daar niets
+van te weten. Toen kwam ook Jozef binnen. Het verraste hem Mathilde daar
+te vinden. Het deed hem pleizier.
+
+Dien avond zaten Jozef en Mathilde onder de thee als gewoonlijk zwijgend
+bij-mekaâr. Zij hadden heel weinig gesproken sinds Emilies vertrek, een
+half uur voór den eten. Jozef dacht juist aan niets anders dan aan de
+geur van zijn cigaar en aan het ongelijk dat hij gehad had met een vrouw
+als Mathilde, die zoo lang bedroefd bleef, te trouwen, toen hij een snik
+hoorde en het lichtje onder de theepot hevig zag waggelen en deinen.
+Mathilde stond op, ging naar hem toe en zeî met een bevenden mond:
+
+--Och toe, ontvang d'r niet meer alleen, die Emilie. wees niet meer met
+haar alleen!
+
+Zij drukte haar gezicht tegen het zijne, terwijl zij haar armen om zijn
+schouders hield en zij morste een traan van haar wang op zijn snor. Maar
+eer hij tijd had van zijn verwondering te bekomen en te-rug te zoenen,
+was zij al van hem van-daan. Zij vluchtte de kamer uit, de trap op, als
+riep een onweêrstaanbare stem haar naar boven, en sloot zich op in haar
+vaders kamer. Daar bleef zij in donker boven het bureau huilen.
+
+Jozef wist niet wat te doen. Eerst wilde hij haar nagaan, maar hij
+bedacht zich, hij bleef zitten, en ging weêr alleen naar bed.
+
+De dagen daarna leefde Mathilde in een veelkleurig peinzen en in een
+wonderlijken tweestrijd. Langzaam, met groote macht, daalde de liefde
+voor het leven, voor het jonge genietende leven in haar hart. Zij was
+verschrikkelijk zenuwachtig. Het eene oogenblik zat zij voor het oude
+bureautje, en wilde er niet van-daan gaan. Maar het volgende oogenblik
+kon zij 't zoo niet langer houden. Zij stond op, liep naar de deur, maar
+bedacht zich weêr, en viel af in lange droomerijen. En terwijl de tijd
+verliep en de eene dag den anderen volgde, doemden daar voor haar geest,
+midden-in de treurige verlatenheid om haar heen, al de indrukken te-rug
+van haar liefdesgeschiedenis met Jozef, droomde zij dat leven over, van
+den eersten avond van zijn verklaring en valt nog lang vóor dien tijd af
+tot aan den laatsten avond van hun huwelijksreis. De tijd van haar
+treuren kwam als vreeselijk lang voor haar. Was dat dan zoo lang
+geweest, dat zij haar man, beneden vergeten had. Hoeveel gedachteloze
+zoenen hadden zij mekaâr in dien tijd gegeven, wat een tijd was het
+geleden, sinds zij mekaâr zoenden den heelen dag! Al de gezichten van
+haar huwelijksreis kwamen op in haar verbeelding, en het kwam uit dat
+zij maar gewaand had zich ongelukkig te voelen toen. Het was was niet
+waar geweest, de bedwelming van dat schokkende nieuwe leven was er geen
+verdoovende geweest, zoo als zij het zich toen gedacht had. Mathilde
+kreeg een kleur van aandoening en begeerte, zij sloot het bureau dicht,
+al de laden een voor een. Zij liep door de kamer heen en weêr, een glans
+over haar voorhoofd. Dat was liet geluk geweest, die huwelijksreis, dat
+de jeugd, dat het genot. Zij streek haar handen over haar wangen en over
+haar zwarte japon, om zich alles goed te herinneren. Er ging een
+prikkeling door haar leden. Een levensgloed schemerde door de doode-kamer.
+Een rijkdom van kleuren, een vloed van onbegrepen genietingen dwarrelden
+er door Mathildes hersens. Haar hoofd bonsde, een drift naar nieuw genot,
+naar meerdere vreugde nog, vulde haar. O, vader, prevelde zij, o, Jozef,
+Jozef, Jozef!
+
+Dien middag aan tafel merkte Jozef nog niets van de verandering in
+Mathilde. Wel zag zij hem voortdurend aan en trachtte nu en dan zijn
+blik op te vangen, om zich er eens rekenschap van te geven of zijn oog
+nog 't zelfde stond als vroeger, als hij naar haar keek, wel waren haar
+gebaren minder loom, maar hij zag 't niet. 's Avonds ook nog niet, maar
+den volgenden morgen, na hun ontbijt van negen uur, waaraan Mathilde hem
+verteld had, dat zij zoo heerlijk had geslapen, als in geen tijden,
+vroeg zij:
+
+--Als je van-middag na de beurs thuis komt, gaan we dan een wandelingetje
+doen?
+
+--Meen je 't wezenlijk?
+
+--Ik verlang er na, zeî ze, ik ben in zoo lang niet uitgeweest!
+
+Jozef bracht er, werkelijk waar, een heden blijden ochtend om door op
+het kantoor. Hij was er gelukkig meê.
+
+Om drie uur gingen ze uit. Voor 't eerst had Mathilde haar rouwhoed op
+met de lange kaper. Toen zij buiten kwam in het groote licht, in de
+levende straat, duizelde haar hoofd. Maar zij nam Jozefs arm, die zoo
+heerlijk steunde. Stil gingen zij voort. Mathilde keek naar haar voeten,
+haar zwart-stoffen laarsjes, om te zien of zij wel precies gelijken pas
+met Jozef hield. Maar het ging niet. Hij maakte te groote stappen. Zij
+wandelden de Hoogstraat door, daarna langs den Kloveniersburgwal tot aan
+den Amstel, tot aan de Hooge Sluis. Hier voelde Mathilde zich moe worden.
+Zij wandelden denzelfden weg te-rug, nog langzamer.
+
+--Hè, zeî Mathilde, die goeye vader, wat hield hij ook van zoo'n loopje!
+
+Maar er klonk alleen nog maar melankolie in haar stem, de hartstochtelijke
+droefheid was overgegaan in het smartelijk-plezierige van de herinnering.
+Toen zij bij hun stoep te-ruggekeerd waren, drukte zij Jozefs arm innig
+met den haren. En zij brachten een avond door zoo als vroeger. Hun levens
+naderden elkaâr weêr zeer.
+
+Nu begonnen er dagen voor Mathilde, zoo gelukkig als zij ze nog niet had
+gekend. Langzamerhand begon ze er vrede meê te krijgen haar vader niet
+meer in haar nabijheid te zien. Zij verbeeldde zich, dat hij nu in een
+hemel, in een soort bovenaardsche sfeer verkeerde en hij van omhoog op
+haar neder glimlachte, als hij zag, dat zij niet zoo mistroostig meer
+was. Haar gevoel dat altijd behoefte aan iets geheimzinnigs bovenaardsch
+had, gaf haar volzinnen in over het nog bestaan en de zaligheid van haar
+vader, die zij zich zelve herhaalde als de gedachte daaraan haar hinderde,
+en die haar te vrede stelden zonder dat zij verder behoefte had er meer
+over na te denken en er zich onophoudelijk meê bezig te houden.
+
+De anderhalf jaar van hun rouwtijd gingen Jozef en Mathilde kalm, zonder
+gebeurtenissen, in altijd weêr vermeerderende liefde, voorbij. In den
+eersten tijd, als Jozef van de Beurs thuis kwam en Mathilde zag hem dan
+zijn boeken opzoeken en gaan zitten lezen en studeeren als een werkzaam
+man, dan deed haar dat een onuitsprekelijk genoegen en had ze hem er nog
+liever om. Zij kwam dan wel naast hem staan, leî haar hand op zijn
+schouder en boog zich over hem heen om ook in het boek te kijken. Zij
+las een paar zinnen met hem meê en vroeg dan, om zijnentwille, wat of
+dit of dat beteekende. Wanneer hij 't haar verklaarde, begon zij tegen
+hem aan te leunen en vroeg meer uitleggingen. Eindelijk zat zij op zijn
+schoot, en het gebeurde dikwijls, dat zij zijn zinnen afbrak, door hem,
+midden in hun ernstig gesprek, zoo te zoenen, dat hij niet verder spreken
+kon. En dan vroeg zij zoenen te-rug, dan bleven zij zoo'n heelen middag
+zitten vrijen als waren zij heel pas getrouwd.
+
+Jozef begon te voelen, dat hij dol veel hield van zijn vrouw, Als zij
+niet bij hem was, was hij zoo gehoorzaam, dat hij 't niet harden kon.
+Kwam zij een oogenblik te laat beneden aan 't ontbijt, een vijf minuten,
+dan was hij ongerust, dan ging hij kijken. Had zij hoofdpijn, dan werd
+hij bezorgd, dacht over middeltjes na, ging zelf naar den apteker. Hij
+was gelukkig in deze afzondering met Mathilde, die zooveel van hem
+hield. Hij verveelde zich niet meer. Hij dacht er den heelen dag aan om
+zijn vrouwtje allerlei kleine pleizieren te doen. Hij had een prachtige
+eikenhouten kist laten maken, met veel beeldhouwwerk er aan, em haar die
+kadoo gemaakt, om er in de volgorde, die zij zelf zoû willen, den inhoud
+van de latafel en van het bureau haars vaders in te verzamelen en te
+schikken. Wat een stille blijdschap voor Mathilde, toen zij op een
+morgen de kist vond staan in het zaaltje, en Jozef haar zeî wat er meê
+gebeuren moest en haar vroeg, waar zij hem gezet wilde hebben, boven op
+de slaapkamer of hier in het zaaltje. Zij verkoos het zaaltje. En, samen
+met Jozef, besteedde zij er nu een paar dagen aan om de zaakjes over te
+pakken, samen met Jozef besprak zij de volgorde, waarin zij de
+voorwerpjes en papieren nu zouden bergen. Hij hielp haar nu met alles.
+Al het egoïsme, de te-ruggetrokkenheid van haar droefheid was verdwenen.
+Zij liet Jozef meêdoen in al de droevige vreugde, die zij van deze
+nieuwe schikking had; telkens vertelde zij zachtjes van de gedachten,
+die er door haar geest gingen onder deze bezigheden. Des ochtends ráakte
+zij zelfs niet aan de kist of aan de reliquiën; zij vond er een zoet
+genoegen in, hem te laten merken, dat zij op hem gewacht had, om samen
+alles te doen, en hem over alles raad te vragen. De kist werd het
+dierbaarste meubelstuk van het zaaltje en van het huis. In de morgenuren
+deed Mathilde het huishouden, wat gedurende haar afzondering heelemaal
+aan Jans was overgelaten geweest. Dan breide en borduurde zij ook. Zij
+maakte een beurs voor Jozef, zij zag het linnengoed na en bemoeide zich
+met zijn kleêren. Hierin vooral begon zij een bizondere liefhebberij te
+krijgen: zich langzamerhand en hoe langer hoe inniger in de
+bizonderheden en uitwendige eigenaardigheden van zijn persoon in te
+wijden; zich er erkenschap van te geven, wat hij al zoo aan zijn lijf
+had, den vorm van zijn boven-en van zijn onderkleêren na te gaan, zijn
+kleine gewoonten te bespieden, uit te vorschen wat hij liever had dan
+wat anders, wat hij verkoos voor hemdsknoopjes, voor halsboorden en
+manchetten, hoe hij zijn jassen droeg, hoe zijn broek en zijn schoenen
+waren ingericht en werden gebruikt.
+
+Zijn persoon werd het voorwerp van haar beoefening. Hem zoo volledig
+mogelijk en in alle onderdeelen te kennen, werd haar doel. Zij wilde
+zijn goede trouwe vrouw zijn en blijven, zij wilde alleen denken om zijn
+geluk en hem gelukkig maken. Zijn mooye lichaam kende zij nu heelemaal;
+zij had al die vormen en de manier, waarop zij zich bewogen, in haar
+verstand opgenomen. Zij wist hoe zijn haar was, waar er rimpels waren op
+zijn gezicht, wanneer hij naar zijn zin geschoren was en wanneer niet.
+Zij wist wanneer en waar zijn wangen rood werden; al de schakeeringen
+van schaduw en licht, van rood en wit en blauwig en grijzig, het geaderde,
+het gladde van zijn gezicht had zij nagegaan, onwillekeurig en toch om
+dat zij het wilde. Hoe kende zij zijn lach en het fronsen van zijn
+voorhoofd; zij kende zijn tanden, groot en wit, zij kende de verschillende
+glansen van zijn oogen, en hun kinderlijke goedige uitdrukking als hij
+blij was, en hun doffen gloed als hij nadacht. Zij kende de aardige
+manier, waarop hij zijn eene wenkbrauw optrok, als er een besluit genomen
+moest worden. Zij kende zijn weinig behaarde armen, zijn zachte borst,
+zijn middel, dat zij altijd met het hare vergeleek, zijn beenen, veel
+langer dan de hare, zijn voeten met hun hooge wreef. En zij had dat alles
+zoo lief, zij vermeide er zich in het als haar heilig eigendom te
+beschouwen. Zijn flanellen verstelde zij zelf met een uiterste zorg. Hij
+raadpleegde haar als er een vest versteld moest worden of een nieuwe das
+gekocht, en over het strijken van zijn overhemden.
+
+Zij snuffelde in zijn kleerenkast. Hij had op hun reis bijna alleen zijn
+grijze reispak gedragen en was na hun te-rugkomst natuurlijk altijd in
+'t zwart en donker-blauw gekleed geweest. Zijn vele andere kleêren kende
+zij alleen, om dat zij ze hem aan had zien hebben vóor hun huwelijk.
+Maar ze nu zoo van-dichter-bij te kunnen beschouwen, ze te betasten, al
+die kleedingstukken en die toiletzaken, die hij als ongetrouwd heer had
+gebruikt en die nu allemaal in haar oude huis waren overgebracht dat
+deed haar een groot pleizier.
+
+Maar zij wilde hem-zelf, zijn binnenste, nog beter kennen. Wanneer zij
+zijn handen half dicht gehouden, vóor haar, op het kantje van de tafel
+zag liggen, met den zegelring aan zijn pink, dan wilde zij weten, wat
+die handen al deden en aanraakten buiten haar tegenwoordigheid, en wat,
+toen zij haar nog niet mochten omhelzen en streden. Wanneer hij 's
+avonds, wat hij dikwijls deed, in het zaaltje op en neêr liep, zijn
+handen op zijn rug, en hij zijn hoofd zoo recht-op droeg, en hij, van de
+hoogte van zijn oogen tot haar nederzag, terwijl zij achter 't theeblad
+zat of aan de tafel te lezen, en dat gezicht hem ernstig en vol liefde
+over haar na scheen te doen denken, dan wilde zij weten naar wat of naar
+wien die blikken zoo gingen en die gedachten zich richtten in haar
+afwezigheid, vóor en tijdens hun huwelijk, toen hij niets aan haar had
+gehad. Zoo kwam zij hem over alles te ondervragen. Zij stelde belang in
+zijn kantoorzaken, in de Beurs. Hij moest van-alles vertellen, om haar
+te vrede te stellen: hoe zijn bedienden er uitzagen, hoe de boeken
+werden gehouden, of hij pleizier had in de zaken, of het personeel hem
+eerbiedig behandelde, of hij in zijn appart kabinet zat en van daaruit
+de zaken bestuurde of hij een mooyen lessenaar bezat, of hij veel
+visites kreeg op het kantoor, of er wel eens vrouwen kwamen. O, stellig,
+als hun rouwtijd om was, zoû zij hem stellig daar komen opzoeken en zijn
+omgeving eens goed bekijken. Emilie Hartse kwam er toch nooit, nietwaar,
+nooit? Wel neen, andwoordde hij, hoe kon ze er aan denken, er kwam nooit
+een vrouw Ik heb zoo'n groot vertrouwen in je, verzekerde ze hem wel, ik
+weet niet hoe het komt, maar ik heb zoo'n groot vertrouwen in je, dat ik
+eigenlijk maar weinig jaloersch ben. Hierna ondervroeg zij hem, met een
+ontzachlijke nieuwsgierigheid, naar zijn levens-inrichting van vóor hun
+huwelijk. Ja, zij wist er wel veel van, want, daar zij zooveel omgang
+met elkaâr hadden gehad, altijd, had hij natuurlijk veel verhaald, maar
+was alles wel waar geweest, wat hij vertelde? wat had hij verzwegen?
+Och, hij kon nu gerust alles zeggen, nu waren zij toch getrouwd! En hij
+zoende haar en deed de verlangde verhalen, tot in de minste onderdeden,
+en telkens vroeg zij meer, telkens nadere bizonderheden tot dat zij het
+zich volledig kon voorstellen.
+
+ * * * * *
+
+Emilie Hartse kwam af en toe visites maken bij Jozef en Mathilde, en
+Mathilde doorleefde een aangenaam kwartiertje, toen Emilie eens een heer
+meêbracht, Louis Berlage met wien zij geëngageerd was. Mathilde was toen
+bizonder hartelijk tegen Emilie en zij schenen groote vriendinnen.
+
+Maar het gelukkigste voelde zich Mathilde als zij en Jozef alleen waren.
+En dat duurde maar voort, dag in dag uit. Mathilde was dronken van
+geluk. Zij voelde het stijgen van haar hart tot in haar keel en zij kon
+'t niet uitspreken, zóo overstelpte het haar. Al de warme liefde van hun
+engagementstijd en al het onbeschrijfelijk genot van de huwelijksreis
+schenen zich te vermengen en haar in een tweede natuur om te scheppen.
+Zij had hem eindeloos lief! Zoo zoû 't altijd blijven bij haar, dat
+voelde zij wel en zij schrok te-rug voor de macht van haar eigen gevoel.
+Alleen maar als hij naderde, schoot er als een vlam naar haar hoofd, en
+nam hij haar in zijn armen, dan leunde haar hoofd achterover tegen zijn
+schouder en weende van zaligheid. Ze zoû altijd bij hem hebben willen
+zijn, zij wilde altijd weten wat er in hem omging. Soms vroeg ze hem
+in-éens, half bedroefd: waar denk-je aan?, als ze een tijdje zwijgend
+bij elkaâr waren geweest. Dan deed 't haar verdriet van-zelf niet te
+weten wat hij dacht. En 's nachts, als zij te slapen lag tegen zijn
+borst, hief ze haar hoofd naar hem heen en fluisterde zoo zacht, zoo
+zacht als de gedachte: hoû-je van me? Hij moest het vijf maal, zes maal
+zeggen, dan vroeg ze hem om een zoen en sliep gerust in. En 's morgens,
+als zij was opgestaan en hij nog doorsliep, en ze ging even voor het
+venster kijken in de eerste frischheid van het ontwaken, dan, met de
+herinnering van den vorigen avond en het vooruitzicht van een daggelijk
+aan dien van gisteren, dan werd het haar te benauwd in haar gelukkig
+hart, dan moest het venster open al was het koud, dan moest ze ruim
+kunnen ademhalen, en de liefdevreugde, die blonk uit haar oogen, doen
+uitstralen in de open lucht.
+
+Was zij vol kleine oplettendheden, zocht hij op allerlei manieren haar
+pleizieren te doen, haar liefde was vindingrijker. Zij dacht over alles,
+zij wist alles te raden en zijn wenschen te voorkomen. Zij ging 's
+middags nu dikwijls wandelingetjes doen, door de Damstraat en den
+Nieuwendijk en bracht iets voor hem meê, dat hij dan onder zijn servet
+vond liggen, aan het eten. Zoo had hij allang verlangd naar een
+horlogeketting. Zijn gouden had hij voor de rouw afgelegd. Nu had hij er
+nog wel een van platina, maar die besloeg, en beviel hem niet. Hij
+vergat maar altijd er zelf een te koopen of wel hij zag er alleen, die
+niet van zijn smaak waren. Na lang rondkijken had zij er eindelijk een
+uitgestald gezien en die gekocht: een breed zwart geribt lint, met
+enkele dofzilveren versierselen. Thuisgekomen, bevestigde zij het met
+haar slanke handjes aan zijn vest, en hij was er erg gelukkig meê.
+
+--Telkens als je nu op je horloge kijkt, zeide Mathilde, moet-je nog
+eens speciaal aan mij denken, ... natuurlijk moet je altijd om mij
+denken, om dat ik zooveel, zooveel van je hoû, maar dan nog eens
+bizonder. Hij beloofde het.
+
+Mathilde had ook een uitgebreide studie gemaakt van zijn gelief-koosde
+spijzen en dranken. Hij had niet graag, dat zij zelf veel in de keuken
+kwam. Van zulke duitsche zeden hield hij niet, beweerde hij, die zaken
+moesten aan de keukenmeid overgelaten blijven. Maar zij deed 't toch 's
+morgens, als zij wist, dat hij niet thuis komen zoû, en onder beurstijd.
+Hoorde zij dan maar even zijn huissleutel ritselen aan de voordeur, dan
+haastte zij zich de keuken uit en liet Jans verder begaan. Er waren twee
+soorten van pudding en éen manier om met kruiden ossevleesch te braden,
+daar hij erg op gesteld was; dit had zij gemerkt, om dat hij dat op reis
+zoo dikwijls had besteld. Telkens als deze spijzen nu op tafel kwamen,
+zag zij duidelijk aan Jozef, dat hij haar verdacht van weêr in de keuken
+te zijn geweest, maar zij ontkende ten stelligste, en na den eten kreeg
+zij er toch een zoen voor.
+
+Zoo leefden zij, bijna onophoudelijk met hun tweeën alleen, het najaar
+en den winter en daarna weêr den zomer door. Intieme kennissen hadden
+zij niet; alleen van den ouden heer Berlage, den ingenieur Ster, mevrouw
+van Borselen en Emilie Hartse kregen zij een paar visites. Maar Jozef,
+die Mathilde zoo mooi vond en zoo dikwijls tegen haar zeî: wat ben
+je toch mooi!, Jozef, die ijdel was en van vertoon hield, begon
+langzamerhand naar meer menschen-zien te verlangen, om benijd te kunnen
+zijn.
+
+Al dikwijls hadden Jozef en Mathilde over het nieuwe huis gesproken, dat
+zij in een niet al te verwijderde toekomst zouden betrekken, over dat
+huis, dat eigenlijk pas wezenlijk hun huis zoû zijn, heelemaal naar hun
+idee ingericht en gemeubeld. Telkens werd er weêr over gesproken en
+weêr. Mathilde volgde in alles Jozefs meening en Jozefs smaak, of wel
+zij had een nieuwe opmerking, die hij met geestdrift aannam. Maar er was
+nog niets besloten. Vooreerst werd de vraag behandeld, of men in de
+Vondelstraat-buurten een huis zoude zoeken of aan een van de mooye
+grachten, Heeren-of Keizersgracht. Mathilde, die verliefd was op alles
+wat "buiten" en "vrije" natuur heette, was wel eerst voor de nabijheid
+van het Vondelpark, maar, om dat Jozef van die meening was, vond ook zij
+ten laatste de hoofdgrachten nog deftiger, stiller, rijker, aangenamer.
+
+Zij waren in de laatste zes weken van hun rouwtijd, in de lichte rouw,
+toen er op een goeden dag besloten werd, dat Jans een rijtuig zoû
+bestellen, waarmede Jozef en Mathilde huizen zouden gaan zien. Mathilde
+had dagelijks uit de koerant opgeteekend waar er huizen te huur of te
+koop stonden in de buurt, die zij hadden verkozen. Zij had dit lijstje
+in haar zak gestoken. Vier, vijf dagen achter-mekaâr werd er gereden en
+drentelden zij zich moê door vertrekken en portalen, trap op trap af in
+die ontmeubelde en verlaten woningen, met hun kale trappen en kale
+vensters en hier en daar vlekken op de vloer, die zoo een weemoedig
+aanzien hadden en aan het leven deden denken, wat er voor altijd uit
+wech was. Het gaf een heele beroering in hun stille samenleven. Mathilde
+dacht meer dan gewoonlijk aan haar vader gedurende dezen tijd.
+
+Eindelijk was er een uitmundend huis gevonden op de Heerengracht bij de
+Spiegelstraat. Jozef huurde het voor acht-en twintig honderd gulden. Van
+toen af aan werd week aan week de drukte grooter. Dat waren maar van den
+eenen dag op den anderen dag bezoeken van den makelaar, van den
+timmerman, van den schilder, van den stucadoor, van den loodgieter. Dan
+moest Mathilde, op Jozefs verlangen, zich plotseling gauw aankleeden om
+meê te gaan overleggen over de veranderingen, die gemaakt zouden worden,
+of over nieuwigheden in den gang, of in de verdeeling der kamers, in de
+plafonds. Dán troonde hij haar weêr meê naar den behanger, naar den
+meubelmaker, waar zij vooral haar oordeel moest zeggen en zij alleen
+besluiten te nemen had. Dan weêr wandelden zij naar den winkel van
+schoorsteen-ornamenten, naar het magazijn van keukengerei. Mathilde had
+maar te bevelen en zij kóos en koos. Vroeg zij thuis aan Jozef
+eenigszins bedeesd, of ze niet te duur gekozen had, dan legde hij haar
+het zwijgen op. Over geldzaken zouden zij spreken, als ze eens goed en
+wel een paar gepozeerde getrouwde menschen waren geworden en in hún huis
+hun gezin hadden gevormd.
+
+Met kleine bevingen van hoop zag Mathilde, wanneer zij dagelijks dien
+kant uitwandelde, de nieuwe woning zich in-en uitwendig voltooyen tot
+een mooi huis, tot een gebouw, dat in alles, in de minste bizonderheden,
+het huis van Jozef en haar zoû zijn, het huis van hun geluk. Zoo stelde
+zij het zich voor. En als zij opmerkte hoe de versche kleuren blonken en
+de spiegelruiten schitterden in de zon, dan zag zij er tegen op met een
+onuitsprekelijk verlangen. Zij telde de dagen, die haar nog van het
+nieuwe huis scheidden. Het was haar of zij Jozef nog niet genoeg liefhad,
+of het heerlijkste nog komen moest. Haar hoop en haar verlangen
+vermeerderden met den dag.
+
+Zoo ging weêr de tijd voorbij. Zij waren al een paar maanden uit de
+rouw, toen eindelijk, eindelijk! het nieuwe huis werd betrokken.
+
+
+
+
+VIII.
+
+
+Een flink huis. Dat was me een drukte geweest, dat metselen en timmeren
+en schilderen en behangen en meubelen! Jozef vond, dat alles er recht
+goed in orde was, Mathilde vond het ook. Achter de hooge, zij 't ook
+niet dubbele stoep, kwam men binnen in den breeden marmeren gang, waar
+een gaslantaarn van matglas en koper nu een getemperd licht verspreidde.
+Daar vond men terstond aan zijn linker hand, de deur van den salon,
+Mathilde zeî "voorkamer", die op de straat uitzag.
+
+Deze kamer, met de fijn geschilderde wandvlakken en de gedekoreerde
+zoldering, in lichte kleuren, met geelgouden randen, was vol frischheid
+en jeugdig leven. De schoorsteen, juist tegenover de deur, was hoog van
+dooraderd zwart marmer, met een rijkomlijste, uitstekend geslepen
+spiegel, vast aan den muur, er boven. Op den mantel stonden twee dunne
+pompadoer-vaasjes; in 't midden was er een half naakt herdertje in roode
+klei, wiens fraai gebogen rug en zware lange lokken door den spiegel
+werden weêrkaatst. Dunne lichtelijk versierde koperen gasarmen, die door
+porseleinen kaarsen vlammetjes uitwierpen, en een zwierige rankgetakte,
+aan een blauw satijnen strop hangende gaskroon van uit het hart der
+zoldering dalend, gaf dezen avond lachende glansen door de kamer. Poeffen,
+kleine divans en lage heelemaal gekapitonneerde leuningstoeltjes waren
+in een behagelijke wanorde over het rozig-blauwe tapijt gezet. Er waren
+stoelenzittingen van grijs-blauw satijn, met teedergetintte ruikertjes.
+Een zwart ebbenhouten tafeltje was op glazen rolletjes tot nog al dicht
+bij de ramen geschoven. Een koperen bloemvaasje dat zich delikaat en
+statig naar de hoogte ontplooide met een theerozen-ruiker er in, stond
+op die tafel. Breede dunne witte kanten strooken waren langs de ruiten
+ontrold. Hier achter drapeerden zich kanten overgordijnen, op de helft
+wechgeheven door zachtgouden banden en kwasten. Men zag op straat door
+een netwerk van vreemde figuren heen.
+
+Een geur van feestelijke blijdschap en jonge hoop zwierde er door de
+kamer, een vreugde straalde van al het huisraad. 't Was 16 April, Jozefs
+verjaardag. Voor 't eerst dat Mathilde een partijtje gaf. Daar stond zij
+nu, haar eene hand aan de tafel geleund; haar rechtervoet durfde zij
+niet vast neêrzetten op de vloer, scheen 't, als knelde het schoentje
+haar, ten minste zij wiebelde er zoo wat meê heen en weêr. Daar stond
+zij nu, van licht-blauw satijn en witte kant omwikkeld, in het kostuum,
+dat overeenkwam met de kleuren van de kamer, meesteresse in haar eigen
+buis. Zoo als het satijn om haar lijf was gegleden waren er glansplekjes
+op als schenen de zoenen er door die Jozef, met zijn minnaarsliefde, op
+haar lichaam had gedrukt, en plooyen vol schaduw, die donker-blauw, haar
+hals-en armen-kleur mooyer maakten.
+
+Jozef drentelde achter in de kamer, waar de piano stond, heen en weêr op
+zijn hielen, langzaam het hoofd naar voren buigend, zijn tong tusschen
+de lippen van pleizier. Hij was in zijn zwarten rok en witte das,
+uitstekend in orde. Hij had aan zijn snor gelikt en zeî:
+
+--Nee, Thilde, als je zoo'n pijn hebt, dan dansen we maar niet.
+
+--Maar, man, zie je dan niet, dat ik hier expres blijf staan en niet ga
+zitten, om je te laten zien dat mijn pijn heelemaal over is ...
+
+--Hoû-je van me, Thilde? laten we dan niet dansen, want je voet zoû er
+stellig erger door worden ...
+
+--Gut, ik voel niets meer ... wezenlijk niet ... je moet bepaald
+proponeeren om te dansen ... zal je 't nu doen?
+
+Neen, knikte Jozef. Toen moest Mathilde iets verzinnen. Zij leunde
+plotseling niet meer op de tafel, en liep recht als een kaars, zonder
+verwikken of verwegen, naar Jozef toe. Vlak vóor hem, bleef zij staan:
+
+--Ah, zoo! zie je 't?
+
+--Lieve kind, zonder jouw wil ik niet dansen, en zelf dansen kun-jij
+toch niet, al loop je nu ook even door de kamer, met nog zooveel
+schijnbaar gemak.
+
+Jozef hield ontzaglijk veel van dansen, dit wist zij. De laatste woorden
+waren hem nog niet uit den mond, of ze was om hem heen aan 't springen
+en huppelen over 't tapijt, zoo vlug als ze maar kon. Haar pijnlijke
+voet raakte geweldig de vloer en dan rilde het heele been en ruischte de
+satijn met een smartelijk gesis om haar leden. Hij bleef weigeren; maar
+zij, hijgend nog van de beweging, leî ze haar handen op zijn borst, en
+terwijl een wolkje van den boschviolen-geur, dien zij op haar zakdoek
+had, tegen zijn gezicht zweefde, en van haar oogen uit scheen te waayen,
+die als donkere violen waren, zweeg zij glimlachend.
+
+--Kindlief, wat ben ik trotsch op je, zeî Jozef! we zullen dansen als
+razenden, want jij wilt 't om mij, en van-avond, als de menschen wech
+zijn, zal ik je voeten zoenen, tot je niets geen pijn meer voelt.
+
+--Je bent goed ... ik hoû van je, ik hoû van je, andwoordde ze, en
+dadelijk hierna: daar zijn ze eindelijk! Zij hoorde de gasten aankomen.
+
+In den gang wandelde een gehuurde knecht. Hij had een baard om zijn kin
+en een gewoon burgermans-geen knechtenkapsel. Hij droeg katoenen witte
+handschoenen, waarvan de knoopjes los hingen, om zijn boodschaphanden.
+Zijn schoenen waren niet puntig, meer breed, van voren. Dientje, de
+knappe werkmeid, was druk in de weêr. In de zaal, achter, stonden groote
+blauwe schotels met zilveren handvatsels, waarin kleine gebakjes in
+witte papiertjes met uitgeschulpte randjes, op de tafel zonder kleed.
+Hiernaast blauwe schotels met zilveren handvatsels, waarop stapeltjes
+boterhammetjes deels met galantine, deels met pâté de foie gras belegd;
+een vijf-en-twintigtal laage, wijde champagneglazen, een 40-tal gewone,
+mooi geslepen roode-wijn-en een 30-tal groene, antieke Rhijnwijn-glazen.
+Verder flesschen, lange en korte, met zilveren papieren om den hals en
+goud beletterde etiketten. Dientje met een helder voorschoot, in een
+katoentje, en een paars feestmutsje op, liet zich door Frits den knecht,
+terwijl hij in zijn te lange en lubbige vingertoppen kneep, verschillende
+ongepaste aardigheden zeggen, wanneer ze van de keukentrap naar de zaal
+ging en omgekeerd. Dan zorgde hij, dat hij bij de trap was, en als ze in
+de zaal verdween, bleef hij haar, zijn hoofd naar den linker schouder
+gebogen, met zijn kleine oogen glimlachend nastaren. Hij plukte dan eens
+aan zijn baard en kuyerde naar zijn standplaats te-rug om het "volk" af
+te wachten.
+
+Drie rijtuigen hielden bijna te-gelijk voor de deur stil. De menschen
+verschenen met heele hoopjes bij mekaâr, als hadden zij 't afgesproken.
+Met giegelend-gefluisterde groeten en beleefdheidsbetuigingen schoven de
+dames, in sneeuwige mantels over de koude schouders en met hunne
+versierde hoofden naar de achterkamer om hun mantels af te doen. Frits
+wees den weg, na dat hij met zijn hoofd buiten de deur den koetsiers
+"twee uur" als tijd om te-rug te komen had toegeroepen. De heeren wipten
+achter hun dames snel de stoep op; hun glimmende schoenen kletsten en
+kraakten piepend over de steenen treden.
+
+De heele achterkamer was in-éens vol beweging. Een gezwaai en geslinger
+van schoudermanteltjes, wollen doeken en halsdasjes voor 't koû vatten
+en een gegolf van sleepen, een bloeyen van ronde schouders en een
+geflikker van goud en juweelen en een somber samenzinken van overjassen,
+omwalmd door den reuk van versche, sterke haar-en zakdoekwatertjes, die
+Frits en Dientje naar 't hoofd steeg. De dames bekeken elkaârs japonnen,
+ze verheven zich, de eene achter de andere, voor den spiegel om hun haar
+goed te doen of een roode bloem aan hun borst te verschikken. De heeren
+klopten langs hun mouwen, spatten met den vinger een pluisje van hun
+breede roklapellen. Een trok er zijn broek meer onder zijn vest. Frits
+keek maar al naar Dientje, greep haar éens bij den schouder,
+voorwendende achter haar heen te dringen zonder haar te hinderen, om
+daar een heer te helpen, die zijn overjas niet uit kon krijgen.
+
+Weêr door den gang, brachten nu de heeren hunne dames naar voren. Een
+warme pasteilucht kwam onbescheiden door de reet van een deur beneden,
+want de oude Jans was nieuwsgierig naar de toiletten en keek om een
+hoekje.
+
+Mathilde stond bij den ingang van de voorkamer. Het eerst kwam binnen:
+de heer en mevrouw Berlage. Na hen Louis Berlage, hun zoon, die aan zijn
+arm had mevrouw de weduwe van Borselen. Dan volgden de heer Ster, met
+mejufvrouw Emilie Hartse. Hier achter kwamen glimlachend een viertal
+jeugdige heeren, waarbij Hasman en d'Ablaincourt van de club ...
+
+--O, mevrouw, dank u, ik ben zoo gelukkig van uw invitatie gebruik te
+kunnen maken.
+
+--'t Doet me heel veel pleizier, mevrouw meneer ...
+
+--Mevrouw van Wilden ...
+
+--Mevrouw ...
+
+--Meneer ...
+
+--Dag, van Wilden, gefeliciteerd niet je verjaardag.
+
+--Hoe gaat 't meneer Ster?
+
+--Jozef, nog vele jaren hoor.
+
+De heer Berlage was lang en mager en bleek: een spitse, stekelige kin en
+neus, kleine flikkerende groene oogen en een doffe, logge wrat boven het
+linker oog. Hij was rijk en aanzienlijk geworden door zijn huwelijk met
+mejufvrouw van Wilvliet, nu een vijftigjarige vrouw, vriendelijk
+uiterlijk, met hagelwitte tanden die voortdurend zichtbaar bleven, en
+een ter neêr gebogen neusje. Ze droeg haar haar nog in fladderende
+bochten afhangende op het voorhoofd tot maar heel even boven de oogen:
+donkerbruin haar. Zij ging naast Mathilde zitten en gebruikte al
+dadelijk haar groenen waayer.
+
+--Wel mevrouwtje, wat is u hier allerliefst geinstalleerd ...
+
+--Ja, mevrouw, zeî Mathilde, het huis bevalt mij wel. 't Was een heel
+gelukje voor ons dat het juist te koop was en zoo heelemaal naar onzen
+smaak. Mijn man heeft ook erg zijn best gedaan om alles netjes te
+krijgen, en nu is 't zoo geworden, ziet u ... maar u, mevrouw, dat is
+waar ook, hoe gaat 't u toch sinds uw laatste ongesteldheid ... daar men
+'t eerst aan denken moest, ... maar hoe gaat 't u? En ze glimlachte.
+
+--Och, 't gaat nog al, dank u, langzaam maar zeker vooruit, zegt het
+spreekwoord, en zoo hoop ik nu maar dat het met mijn persoontje ook
+gaan zal.
+
+--En, zoo als ik zie, maakt meneer Louis het ook nog heel goed.
+
+--Ja, mevrouwtje, dat zoû ik u niet durven toegeven, de goeye jongen
+heeft het zóo druk, zóo druk, u kunt er u geen idee van maken ... En dat
+werkt wel een beetje op zijn gestel. Nu is hij weêr zijn zaak aan 't
+uitbreiden door Parijsche relaties. 's Morgens voor dag en voor dauw
+opstaan en dan nog in de dikke donkerte soms naar 't kantoor, welk weêr
+het ook is ...
+
+--Maar als men de verwezenlijking van zijn illuziën in 't vooruitzicht
+heeft ...
+
+--Ja, ja, u heeft wel gelijk, het aanstaande huwelijksbootje doet al
+heel wat over 't hoofd zien, niet waar, Emilie? vroeg ze aan
+jufvrouw Hartse.
+
+Mevrouw van Borselen was een beetje van de andere dames af in een
+fauteuil gaan zitten. Meneer Ster kwam bij haar staan, om een praatje te
+maken; hij hield zijn gibus op zijn rug en klepte er meê heen en weêr.
+
+Intusschen hoorde men weêr het geratel van rijtuigen over de
+straatsteenen, dat op eens koud en hard werd als zij de Spiegelstraat
+uitdraaiden en dan voor van Wildens deur staakte, terwijl de koetsier
+ho! riep, als de wielen nog even langzaam voortgingen, en, zijn neus
+ophalend, klak! van de bok sprong om zachtjes het portier te openen. De
+andere menschen kwamen aan en de kamer was al gauw gevuld: een makelaar
+met zijn vrouw en twee officieren, kennissen van Mathildes vader
+zaliger, leden van de club met hun vrouwen, beurskollegaas van Jozef,
+waarbij een, die zijn dochters, twee roode meisjes, meêbracht, en zo
+verder. Toch waren alle menschen er nog niet.
+
+Jozef verontschuldigde zich bij de heeren, die een druk brommend gesprek
+hadden aangegaan, en ging naar Mathilde bij de dames.
+
+--Ik begrijp niet, zeî hij, dat Karel Rietwijk en de dames Huf er nog
+niet zijn. Als zij het maar begrepen hebben.
+
+--Misschien heeft uw bediende de andere invitaties vergeten te ... te ...
+te doen, zeî meneer Ster, die juist naast mevrouw van Borselen stond,
+verlegen, daar zij geen van beiden een woord spraken.
+
+--Maar, meneer Ster, andwoordde Mathilde, u schijnt geen groote gedachte
+van ons dienstpersoneel te hebben. Frits heeft de briefjes rond gebracht
+nietwaar Jô?
+
+--Ja, Frits, ik zal 'm toch 's even gaan vragen ...
+
+Na eenige minuten kwam Jozef weêr binnen:
+
+--Frits heeft doodeenvoudig de andere invitaties nog in zijn zak. Op den
+laten avond zegt hij, heeft hij er wat van afgedaan, den volgenden
+morgen werd hij voor een rijpartij (hij is koetsier en van alles) vroeg
+opgescheld den heelen dag met studenten uit geweest, den volgenden dag
+een begrafenis ... enfin, hij had de andere briefjes glad vergeten ... Nu
+kunnen we, dunkt me, niet beter doen dan de vrinden wel ons exkuus te
+maken, voor de te-leurstelling, en ons, zoo als we nu zijn, toch zoo
+goed mogelijk te amuseeren ... wat dunkt u?
+
+Gemompel, lachjes, kwinkslagen, verschuiven van stoelen, opstaan, een
+geruisch en geschommel.
+
+Toen alles weêr een beetje tot rust was gekomen en Dientje ten tweeden
+male met de japansche theekopjes was rondgegaan, terwijl ze bloosde en
+verbleekte, glimlachte en heel ernstig keek, ging Emilie Hartse in-éens
+naar Jozef, die toevallig alleen stond. Zij was groot en rond.
+
+--Doet u nog aan de muziek, meneer van Wilden?
+
+--Nee, jufvrouw, dat is er met het huwelijksleven wel een beetje bij
+ingeschoten ... Wat zal ik u zeggen ... Maar wat u daar vraagt brengt me
+op een uitstekend denkbeeld. Zoû u ons niet eens op een lied willen
+onthalen? ... ja, ja, dat moest u doen ...
+
+--O, meneer! ...
+
+--Jozef, zullen misschien de heeren daar (ze doelde op de oude heeren)
+nu ook een partijtje willen gaan maken in de achterkamer, Whist of
+Quadrille? vroeg Mathilde luid.
+
+--Ja, of zullen we eerst een beetje muziek maken en onze piano inwijden?
+Ik proponeerde daar juist aan jufvrouw Emilie ...
+
+--Heel graâg, heel graâg, wat dunk u, mevrouw, en u, en u ...?
+
+Dit werd algemeen goedgekeurd, en zóo hevig, dat Louis Berlage
+bedremmeld werd over het suukses dat Emilie hebben zoû, en om dit te
+verbergen, met de grootste kalmte zijn kopje van den schoorsteenmantel
+nam om eens te drinken en de helft van de thee over zijn overhemd, broek
+en vest liet vallen. Mathilde en Jozef kwamen naar hem toe om hem te
+helpen. Emilie begon hard te lachen en de anderen praatten luider, met
+schuine blikken naar Louis.
+
+Emilie ging gauw naar de piano en juist was zij in een trillenden hoogen
+toon een lied van Schubert begonnen te zingen, toen Louis van de keuken
+te-rug-kwam, met een groote bruine vlek op zijn overhemd en verslagen
+gezicht. Hij zag haar daar hel verlicht bij de piano. Wat is ze toch
+lief! dacht hij. Wat is hij toch ordinair! dacht zij. Jozef
+akkompaniëerde en zij bekeek tusschenbeide zijn profiel en zij dacht dat
+haar stem om dat profiel zoo goed was van-avond, en ze dacht al na, en
+o! wat een verschil tusschen die mannen, Jozef en Louis! En toch was
+Louis zoo kwaad niet. Een jongensneus en in 't algemeen iets kinderlijks
+kenmerkte hem, hoe knap hij ook zijn mocht in zijn vak. Maar dit was 't
+juist, waarom zijn moeder hem zoo mocht lijden. Zoo onschuldig en zoo
+knap!
+
+Het lied was uit en de menschen klapten een beetje in hun handen. Emilie
+was gaan zitten naast Jozef. Toevallig zat Louis aan haar anderen kant.
+Haar gezicht bleef naar Jozef gekeerd, die haar ook wel aardig vond, en
+waagde Louis het even tegen haar te spreken, dan andwoordde zij kort en
+stuursch, en dat vond hij heel lief van haar. Waarom, dat wist hij niet.
+
+De menschen waren nu weêr aan 't praten. Hasman en D'Ablaincourt hadden
+een kennis aan mevrouw van Borselen voorgesteld, en deze drie vormden nu
+een kringetje om haar heen. Eenige anderen hadden zich bij den
+schoorsteen geschaard. Twee leunden met hun ellebogen op den mantel en
+hadden hun handschoenen uitgetrokken. Een zeer jong een bedeesde
+menheer, de jongste bediende van Jozefs kantoor, dien hij poesseeren
+wilde maar nu zelfs nog had vergeten te groeten, had zich, bijna zonder
+dat iemant het merkte, bij het gezelschap gevoegd. Hij was zonder rok,
+maar droeg een gekleedde jas en zwarte das. Hij stond midden in de kamer
+met een soort van droefheid vóor zich uit te staren en wreef zijn roode
+heete handen op zijn rug zachtjes tegen mekaâr. Mathilde had hem al lang
+in het oog en woû hem een beetje uit de verlegenheid helpen. Zij stond
+op en ging, midden door de gasten, naar hem toe. Met glansjes van
+welwillendheid in haar gezicht sprak ze hem aan. Hij nam een hand van
+zijn rug en begon die aan zijn kin te houden, er kwam iets roods in zijn
+oogen. Hij had blond haar, voor deze gelegenheid met bizondere zorg naar
+de hoogte en achteren gestreken.
+
+De menschen spraken nu zachter in allerlei afzonderlijke gesprekken;
+verscheiden heeren keken naar Mathilde in haar lange satijnen japon,
+blinkend midden in de kamer, hel onder het gele licht. Jozef kwam ook
+bij zijn vrouw en den bediende staan:
+
+--Hee, Marinus, ik had je nog niet eens opgemerkt, je bent ook zoo stil,
+jongen.
+
+--Och, meneer!
+
+Mevrouw Berlage fluisterde tot mevrouw van Borselen achter haar waayer:
+Wie toch Mathildes naaister is?
+
+Juist kwam Frits binnen, een groot blad vol glazen wijn en punch op zijn
+handen, waar hij, ernstig en zorgzaam, meé rond ging. Mevrouw van
+Borselen nam een glaasje rooden wijn.
+
+--Zullen we u nu niet eens genieten, mevrouw, vroeg Jozef hoffelijk.
+
+--Meneer, u weet niet, hoe 't me spijt, maar ik ben te verkouden.
+
+--Kom, kom, het zal toch wel gaan, probeert u maar eens.
+
+--Nee, wezenlijk! ... O, ik vind het zelf onaangenamer dan u denken
+zoudt.
+
+--Kom, mevrouw, zeî mevrouw Berlage, doet u 't maar! en er kwamen van
+achteren verscheiden heeren en dames die de blonde weduwe van Borselen
+met smeekingen om toch iets te zingen overlaadden.
+
+--Dat mooie lied van Heine door Schubert gekomponeerd, dat u zoo
+heerlijk voordraagt!
+
+--Toe mevrouwtje, laat u niet zoo bidden.
+
+Mevrouw van Borselen bleef weigeren. Zij kuchtte in haar neteldoekschen
+zakdoek, bewoog haar waayer zenuwachtig.
+
+Een jonge dame, een bleek mager meisje, heel in 't zwart gekleed, zoû nu
+iets doen. Deze maakte geen enkel exkuus, maar, na een paar heeren
+verzocht te hebben een eindje op-zij te gaan staan, om dat ze dan vrijer
+was in haar gebaren, begon ze met een hel stemmetje een burgerlijk deuntje:
+
+    Wat is de liefde?
+    Ik weet 't niet, mijn kind.
+    Wat zegt de liefde?
+    Zij spreekt niet, zij bemint!
+
+Zonder de minste hapering bracht zij 't er af. Iedereen vond 'et bepaald
+leelijk. Toen het laatste koeplet gedaan was zeî niemant een woord. De
+dames, die in Jetjes, zoo heette het meisje, nabijheid zaten, prezen
+haar zeer: O, jufvrouw, wat was dat allerliefst! Hasman, die als een
+grappenmaker bekend stond, sprak zeer luid, een traan in zijn stem, van
+den anderen kant van de kamer, waar hij op een kanapee zat: Jongen, ja,
+jufvrouw, 't was heerlijk! U heeft me daar diep geroerd! Hasman was een
+eenigszins dikke heer, met een rooden snor. De blonde jongeling snapte
+zijn grap en wierp hem in al zijn verlegenheid een woedenden blik toe.
+Jetje was de zuster van den blonden jongeling. Terwijl men hier en daar
+een slokje wijn of limonade dronk en dan het glaasje weêr voorzichtig op
+de tafel, den schoorsteen of op de piano neêrzette, droegen nu twee
+officieren een samenspraak voor uit een fransch treurspel. Na hen kwam
+Hasman aan het woord, die, met behulp van twee stoelen, vertoonde hoe
+het in de Sint Anthonie-breêstraat toeging, wanneer een joodsche familie
+uit rijden ging en ze met zen achten in éen vigelant gingen.
+
+--Die Hasman is onverbeterlijk, zeî Jozef en hij ging naar Hasman toe om
+hem als bedankje de hand te drukken, toen 't was afgeloopen.
+
+Mathilde was weêr bij de dames Berlage en van Borselen gaan zitten. Zij
+leunde achterover in haar fauteuil en tuurde rond, zij was nog niet
+heelemaal te vrede. Zij was half en half bang, dat niet alle menschen
+erg veel pleizier hadden. Ook waren er wel al aardige dingen gezongen en
+gedeklameerd, maar er ontbrak blijkbaar nog iets, iets schitterends. Er
+werd in de groeyende hitte, scheen 't haar, algemeen gewacht op het
+glanspunt van de soiree. Het mooiste scheen zoo nog te moeten komen.
+Datgene, waarvan de vermelding naderhand als men er over sprak, tot
+herinneringsmiddel aan dezen avond zoû moeten dienen, was er nog niet
+geweest.
+
+Jozef keek al-door naar Mathilde. Hij verveelde zich niet, hij had zich
+van den beginne af aan pleizierig bezig gehouden, want hij dacht, naar
+haar gezicht te oordeelen, dat Mathilde zich amuseerde. Hij merkte dat
+hij dezen avond bizonder veel van zijn vrouw hield. Hij had haar in
+langen tijd ook niet zóo mooi gezien, en zoo in 't oogloopend door een
+elk, door al zijn vrienden bewonderd.
+
+Hij staarde haar aan, en daar kreeg hij de gedachte, dat zij volstrekt
+ook iets moest doen, dat aan haar nu de beurt was. Hij wilde het zeggen,
+maar hij begreep, gelukkig bij tijds, vond hij, dat het gepast was, als
+iemant van de andere menschen, en niet hij zelf, zijn vrouw verzocht
+iets van haar talent ten beste te geven. En plotseling nam hij het al
+die heeren kwalijk, dat zij dat nog niet hadden gedaan. Als ze 't eens
+vergaten! Neen, dat niet! Ze zoû, ze moest iets doen. Nu, hij zoû 't dan
+toch zelf maar zeggen. Hij vond, dat het er wel door kon.
+
+--Mathilde, zeî hij, wil jij nu niet eens wat spelen?
+
+--Wel zeker, heel graâg.
+
+--O, ja! dat is heerlijk! riep Emilie, van uit het hoekje, waar Louis
+haar nu voor zich alleen hield.
+
+--Zeker iets van Beethoven, mevrouw, vroeg mevrouw van Borselen, de
+sonnate Pathétique, b.v.?
+
+--Dat heb ik zoo lang niet gespeeld, zeî Mathilde, wel in geen twee
+jaar. Mijn vader leefde nog ...
+
+--Och toe, mevrouw, toe, het zal wel gaan ...
+
+En midden door de welopgevoede stilte, ging Mathilde naar de piano.
+
+Jozef ging vlak tegenover de piano aan de muur staan, bij de deur, zijn
+rug tegen het geschilderde behangsel. Jozef gedroeg zich als moest hij
+Mathilde nog het hof maken om haar te kunnen trouwen. Voortdurend keek
+hij naar dat lieve zwarte hoofd. Mathilde bladerde een beetje
+zenuwachtig door het muziekboek en zij keek waar 't begon, terwijl ze
+het papier vlak bij de kaarsevlam hield. Daar had zij 't gevonden en
+even keek zij Jozef aan.
+
+Mathilde hield haar vingers al uitgestrekt over de toetsen. De menschen
+zaten in de rondte. Daar begon zij. Het was haar lievelingsstuk. Zij
+speelde het graâg en goed. Andante was de eerste maat. Langzaam en
+statig galmden de klanken aan. Klaar en helder tikte elke toets zijn
+deun, die uit de diepte en van de hoogte samenrolden tot een plechtig
+akkoord. Het scheen iets als een loflied, als een kerkgezang, als de
+verheerlijking van iets edels en groots, van iets bovennatuurlijks, iets
+als een hymne aan de eeuwige kuischheid en eenzaamheid. Mathilde zat
+kalm en stil. Haar vingers bewogen regelmatig over de toetsen. De muziek
+werd plotseling breeder, vol majesteit. Mathilde zag bleek en speelde
+hard. Zij kwam er heelemaal in. In een hoek van de kamer werd nog
+stilletjes door een paar heeren gefluisterd, en Jozef stond naar de
+punten van zijn schoenen te staren. De andere menschen waren aandachtig
+uit beleefdheid. Frits en Dientje waren aan de deur komen staan
+luisteren.
+
+Toen was er in-éens in het muziekstuk, midden onder het zwaar-ernstig
+orgelen van de piano, een jeugdige en zoete toon, als een teeder
+fluitspel. Joedelend danste het een paar toonen ver en herhaalde zich
+dan en neuriede onder de breedere harmoniën door, als een leeuwerik die
+bij het einde van den nachtdienst, boven de donkere monnikken-hoofden
+naar het kerkgewelf zoû opvliegen. En het zwakke geluid verdubbelde en
+vermenigvuldigde zich en werd een geluid van groote teederheid en als in
+de verte verdwenen de laatste zware toonen. Toen overkwam Mathilde iets
+vreemds in haar hersens. Toen zij nog een kind was verbeeldde zij zich
+wel van paleizen en prachtige zalen en trappen, waarin allerlei
+wondermooye menschen in vreemd-rijke kleéren gingen. En als zij muziek
+speelde en zij was er goed in, zag zij weêr altijd zulke zaken. Nu was
+'t iets, dat als heel uit de verte tot haar naderde, gedragen door de
+melodiën. Zij voelde iets in zich van te moeten huilen en zij wist niet
+waarom. En het kwam nader en nader, stijgend in haar gedachte. Het was
+iets, dat uit de diepte van haar herinnering aankwam, zonder toch een
+gezicht uit de voorbijzijnde werkelijkheid te wezen. Het kwam in haar
+verbeelding in den vorm van een mensch, omsluyerd, omwolkt, onherkenbaar.
+Het was een poppetje, dat grooter en grooter werd, eindelijk zoo groot
+als een mensch, met prachtige, schitterende kleêren aan. Waar had zij zoo
+iets ooit gezien, in de komedie, gelezen in een boek, zij wist het niet.
+Het was een ridder, een koning, in oud kostuum, zoo als zij zich als kind
+altijd een koning had gedacht. Zij zag eerst zijden kousen en een broek
+van blauw fluweel, toen een degen met diamanten van-boven, toen de borst
+met gouden knoopen. En de purperen mantel zwaaide nog altijd voor het
+gezicht. Haar benevelde oogen keken over de muziek heen en in den goud-
+wasem van de kaarsen zag zij Jozefs gezicht alleen en zijn oogen, die haar
+liefkoosden. Zij werd bang, vreeselijk bang; het was of haar hersens
+braken. Zij speelde werktuigelijk voort, zij kende het stuk van buiten.
+Jozef was de koning, dien zij zag; zij had het al zooveel gehoopt. En een
+vreemde lach was over zijn gezicht, en over zijn hoofd, daar waren witte
+veêren. Zacht en licht zuisten de wijsjes door de kamer. Maar zij werden
+luider en feller in het allegro forte, en Mathilde hoorde de muziek als
+had zij niet zelf gespeeld. Het was als stroomde jubelend een vloed van
+zilveren golfjes uit de hoogte op haar neêr. De melodie was juichend en
+sterk als het hoornblazen van groene jagers, zij ging hooger en forscher
+als het trompetgeschal van de soldaten. Daar was hij dan, haar koning,
+haar geliefde, en al de dagen van geluk had zij dan vroeger nooit gevoeld
+en nu voelden zij ze allen samen. En voort, voort, werd het als uit een
+diamanten prisma op haar neêrgegoten. Zij wist niet meer, zij voelde
+zich niet zitten.
+
+De menschen zaten zwijgend in de rondte. Zij hadden niet gedacht, dat
+het zoo mooi zoû zijn. De gashitte zweefde om hen heen. Zij zagen
+MathiIde en dan weêr beurtelings elkaâr aan. De heeren knikten
+goedkeurend. Hasman zeî zachtjes, dat Mathilde te opgewonden speelde.
+De oude heer Berlage kreeg het te kwaad van de warmte en keek naar de
+gaslichten, die aan zijn ooren sisten en in wier blauw middenpunt hij
+onophoudelijk nieuwe lichtspatjes zag blikkeren. Louis keek voor zich
+uit als een wezenloze. Drie heeren stonden als een zwarte versteende
+groep vóor mevrouw Berlage, hun rug naar haar toe gekeerd.
+
+Er was een koorts in Mathilde gekomen, haar hoofd gloeide, haar oogen
+waren heet. Geen herinneringen waren het meer in haar. Zij voelde het
+tegenwoordige. Er waren geen vreemde verbeeldingen meer, het geluk was
+tegenwoordig. Zij zag voor zich uit: hij stond er nog hij was er meer
+dan ooit en zij staroogden naar elkaar. Haar spel werd sneller, luider,
+woester, een onbesuisde wind vol liefdewoorden scheen haar om haar heen
+te waayen. De maat werd impetuoso. Mathilde drukte de zware pedaal neêr;
+de heele pianokast scheen te trillen. Wat was 't toch, wat gebeurde er
+toch, hier van-avond, in de nieuwe blauwe kamer? Het was een storm
+van-binnen en een vuur dat haar verbrandde. Zij zag Jozef vlak voor haar
+staan in een wolk van lichtend blauw. Het was haar als gaf haar geest
+hem schroeyende kussen van verre. O, haar liefde, o haar liefde, wat
+deed het geluk een zeer! Maar al de menschen die daar waren, hadden haar
+gehoord! Had zij niet gezegd, daar zoo-even, hard-op, tegen hen allen,
+dat zij zooveel van Jozef hield? Ja, zij had het gezegd; zij had het
+zich hooren zeggen! Maar, was zij dan gek geworden! Haar vingers
+speelden de melodieën voort, zonder dat zij er bij dacht. Zij hadden de
+oude geliefde sonnate niet vergeten De melodiën trilden voort hoog door
+den walm der gaslichten, langs de vroolijk beschilderde wanden, en
+weefden zich in al het lichte blauwe satijn van de kamer. Plotseling
+hoorde Mathilde niets meer; zij zag haar vingers zonder beweging het
+stuk was uit.
+
+Jozef vond dat Mathilde uitstekend had gespeeld en klapte in zijn
+handen, met de anderen meê. Mathilde stond op, de pianokruk viel om, en
+Jozef niet-eens ziende, wankelde ze hem voorbij en ging heel bleek op
+haar oude plaats zitten naast de oude mevrouw Berlage. De dames spraken
+erge komplimenten.
+
+ * * * * *
+
+Van het kaartspelen van de heeren was niets gekomen. De oude heer
+Berlage had zich verveeld en drentelde op en neêr, door niemant
+aangesproken. De jonge blonde bediende, Marinus de Beer heette hij,
+voelde zich heelemaal overbluft, en zat met als opengespalkte oogen naar
+de piano te turen, als was daar iets heel bizonders meê gebeurd.
+
+Nu begon liet gezelschap te kuchen en zachtjes-aan weêr te praten. Het
+was nu bepaald heet geworden. Er werd ijs gepresenteerd: wit
+vanielje-ijs, als natte sneeuwballen in de ronde kelken gedrukt, rood
+framboze-ijs, wat meer koekiger en zoetiger. In de zomerige stilte,
+tusschen de kwijnende konversatie door, hoorde men het bescheiden happen
+van de monden. Hasman kneep zijn oogen dicht om dat het ijs zoo koud
+was. Links en rechts werden kleine zinnen gezegd over het ijs en over
+het muziekstuk, als het eerste en schuchtere getjilp van musschen door
+de boomen na storm en regen.
+
+ * * * * *
+
+Mathilde werd zich zelve weêr. Zij keek naar Jozef, die nog bij de muur
+stond, en glimlachte, en veegde met haar zakdoek haar mond af. Zij keek
+daarna om zich heen naar al die vreemde menschen, die verwonderd naar
+haar zagen om dat zij zoo bleek was.
+
+De avond verstreek, eenige heeren waren in de gang gaan staan om de
+warmte en lachten daar, terwijl er een iets vertelde met luidruchtige
+gestikulatie. Dientje schoof voorbij en werd opgemerkt. De deur van de
+kamer bleef voortdurend open en de luidruchtigheid uit de gang ging
+langzamerhand ook naar de kamer over.
+
+De dames dreven hun waayers, die ritselden en hijgden, voorbij hun
+verhitte gezichten. Algemeen kwam de muziek ter sprake. Men misprees
+Mathildes overdreven bescheidenheid, die de komplimenten afwees. Men
+verhaalde kwinkslagen uit de loopbaan van virtuosen en allerhande
+kunstenaars. Zoo kwam men weêr op de deklamatie. Het heele gezelschap
+nam aan het gesprek deel. De meesten waren gaan zitten en vormden een
+ovalen kring, Jozef was daar stilletjes tusschen gaan zitten.
+
+--Apropos, Marinus, vroeg hij aan den blonden bediende, heb je niets
+meêgebracht?
+
+--Och, kom, er zal wel iets in uw overjas steken, zeî Mathilde van
+d'overkant. Mag ik de knecht niet eens laten kijken?
+
+Marinus werd zenuwachtig. Hij keek naar Jetje, om te weten, wat zij er
+van dacht. Deze, die nog verrukt was over de uitnemende ontvangst van
+haar bijdrage, knikte goedkeurend en aanmoedigend.
+
+--Dan zal ik het zelf wel eventjes halen, meneer, zeî hij.
+
+Hij bleef even wech. Zoo'n goede jongen, mompelde men, maar hij is een
+beetje bedeesd. Men maakte, dat Jetje het niet hoorde.
+
+Marinus trad binnen en, dadelijk, maakte een buiging na aan 't einde van
+den kring te zijn gaan staan, en las iets voor. Hij hield een folio
+regelmatig beschreven stuk papier in zijn hand, en veegde het zweet van
+zijn voorhoofd. Het was een vers van hem zelf, dat hij voorlas. Het
+onderwerp was de huwelijksmin van zijn patroon en dat het pad met rozen
+bestrooid, hetwelk hij thans met mevrouw bewandelde, nimmer in een dorre
+woestenij mocht veranderen, maar steeds bloeyender en geuriger mocht
+worden tot aan het einde huns levens.
+
+De heeren leden van de club, met hun gepommadeerde snorren, kwamen
+luisteren van uit de gang, en posteerden zich in zwierig-achteloze
+houding bij elkaar aan de deur. Zij glimlachten tegen mekaâr over de
+onbedreven onnoozelheid van den dichter.
+
+Zoo eindigde Mathildes partijtje. Een kwartiertje na Marinus' voordracht
+kwamen de rijtuigen voor, en nog een kwartiertje later gingen de menschen,
+eentonig-vriendelijk afscheid-nemend, wech.
+
+Frits en Dientje kregen samen 17.75 aan fooyen. Marinus en zijn zuster
+hadden samen vijftien stuivers gegeven.
+
+
+
+
+IX.
+
+
+Vier dagen na het soireetje, zat Jozef om half negen 's ochtends in hun
+ruime binnenkamer aan de ontbijttafel het Handelsblad te lezen. Het was
+er hoog van verdieping en een reine, onbenauwde warmte werd door de
+donker-porceleinen kachel verspreid. Jozef had uitstekend geslapen, was
+heerlijk zacht geschoren, had een lauw bad genomen, zijn mond gespoeld
+met Eau Botot, en was, in zijn gestreepte sjamberloek, op zijn dofblauwe
+stijf-leeren, van korte hakken voorziene huis-schoenen naar beneden
+gegaan, waar hij op Mathilde wachtte. Hij had zijn snor voor den spiegel
+nog even zwierig opgedraaid en was nu aandachtig de koerant aan 't
+lezen, zijn éene hand op het krakend-witte dekkertje, de andere voor
+zich uit over de leuning van zijn stoel, waar hij een beetje schuin op
+zat. Nu en dan dwaalde zijn blik ter zijde van de politieke artikelen of
+van de telegrammen af, om met te-vredenheid de toppen van zijn duim en
+wijsvinger te bekijken, met hun gladde licht-roode puntig-blank
+versneden nagels. Hij was opgeruimd. Hij voelde zich doordrongen van een
+aangename levenswarmte. Versche broodjes, kaas, melk stonden dicht-bij
+hem klaar. De thee was gezet, een bleek-blauw doorzichtig dun kolommetje
+stoom rees naar boven uit de tuit van de theepot en werd een
+mistslangetje of wolkte wech in de kamer, als Jozef zijn koerant bewoog
+of diep ademhaalde. In een hoek neuriede het theewater. Alles om hem
+heen was nieuw, frisch, jeugdig en vol komfort: de gelakte kolen-en
+turfbakken, de donker-bruine dubbele deur, waardoor men in de voorkamer
+kwam, met haar gevlamde paneelen, de schrijftafel van Jozef, in den hoek
+bij 't venster, een kadoo op zijn verjaardag van Mathilde, de glazen
+boekenkast, die er naast stond, de zwarte pendule op den schoorsteen,
+met een bronzen ruitertje er op. Jozef keek naar de kachel, leî de krant
+even op de tafel over het brood en het theeservies heen, stond op; de
+kwasten van zijn sjamberloek bengelden langs zijn beenen, en hij stookte
+het vuur aan. Vier nog heelemaal heele koolen, van achteren zwarterig,
+vormden het vuur in de kom van de kachel en wat korsterige stukjes
+verbrokkelde kool lagen er om heen. Er knapperden vonken naar boven, in
+den rossen gloed hoorde hij een blakerend getik. Jozef bleef, even,
+aangenaam in het vuur kijken. Daarna stootte hij met den pook de
+knersende koolen tot gruis en gooide een vollen schep vettige inktige
+steenkolen er op neêr, die knetterend een dichten zwarten rook door de
+kachel verspreidden. Daarna ging Jozef weêr zitten. Hij had er een gloed
+van op zijn gezicht gekregen, die stil wechkoelde. Achter hem schenen
+koude winterzonnestralen over de muren van de binnenplaats. Beneden,
+door een venster dat daar uitkwam, zag hij Dientje bezig in de keuken
+met het glimmend kopergoed. Er kwam geen enkel geluid van buiten. Er
+reed op dit uur geen enkel rijtuig over dit gedeelte van de
+Heerengracht.
+
+Daar bewoog de kruk van de deur, die zich met een licht gekraak opende.
+Mathilde kwam binnen in haar licht-grijze huisjapon, met de breede
+zwart-fluweelen hals-en handboorden.
+
+--Hè, hier is 't heerlijk, zeî ze en wreef haar handen tegen mekaâr,
+waaraan toen de ringen schitterden, die zij van Jozef had gekregen.
+
+--Ja, vin-je niet? andwoordde hij, Mathilde zoende Jozefs voorhoofd,
+terwijl hij zijn hand naar boven stak om de hare te vatten. Mathilde
+bleef even staan achter het theeblad, om te zien of alles voor het
+ontbijt in orde was. Zij schikte de kopjes op de schoteltjes en begon
+er, het hoofd naar voren gebogen, suiker in te scheppen. Maar er waren
+onrustige trekjes om haar mond en haar oogleden knipten ongewoon. Zij
+had iets te zeggen, maar het kon er nog niet goed uit. Zij schonk voor
+Jozef een van de witte kopjes met hun smal vergulden randjes vol thee,
+daarna een wolkje melk er door heen, en gaf het hem aan. Maar, toen hij
+het aannam en voor zijn bord neêrzette, deed zij schielijk een stap naar
+hem toe. Zij ging naast hem staan en leî haar handen op zijn schouders.
+Zij boog tot aan zijn oor en fluisterde:
+
+--Ik moet je nog altijd iets zeggen.
+
+--Zoo, wat dan, vroeg hij vriendelijk en belangstellend, en stuurde
+aandachtig zijn oogen schuin langs haar heen naar den wand, om goed op
+te letten.
+
+Haar haren, die nog niet heelemaal opgemaakt waren, maar slapjes over
+haar voorhoofd hingen, raakten zijn wang.
+
+--Ja, maar ik durf niet goed ... zal je niet boos worden?
+
+--Wel nee, lieve kind, zeg 't maar gerust, heel hard-op!
+
+--Nou, zeî ze met een verlegen lachje, als om zich zelve te
+verontschuldigen, en zij aarzelde nog, ... eindelijk, nog zachter: ik
+geloof, dat we niet meer alleen met ons tweeën zullen blijven in 't
+leven ... Zij keek hem aan, haar oogen dicht bij de zijnen, om te zien
+of hij 't begreep, daarna sloeg zij ze neêr, dicht over haar hand die
+op zijn schouder lag, als wilde zij haar vel nauwkeurig bekijken.
+
+--Wat bedoel-je? vroeg hij, maar, zich plotseling herinnerende: zoû 't
+wezenlijk waar zijn?
+
+Hij stond op om haar eens goed te bekijken. Zij klapte in haar handen,
+zich verlicht voelende, dat die tijding er uit was. Zij lachte.
+
+--Je weet wel, een jaar geleden hebben we d'r al over gesproken!
+Heerlijk! Heerlijk!
+
+Zij danste haast van blijdschap.
+
+--O, heerlijk! zeî ze nog eens.
+
+Zij zag hem sterk aan, met van vreugde vochtige oogen:
+
+--We krijgen een kindje, wat zullen we gelukkig zijn, hè?
+
+Hij beaamde goedig wat zij zeide en zoende haar wangen met roode en
+witte verdwijnende vlekjes.
+
+Dat was een pleizierige dag voor Mathilde! Zij bleef van den ochtend tot
+het eten in de achterkamer lezen over opvoeding. Nu was 't dubbel
+jammer, dat vader niet meer leefde! En wat haar zelf aanging, zij wist
+het eigenlijk al lang, ten minste het vermoeden was zoo goed als weten
+geweest, maar nu voelde zij zich pas heel gelukkig, nu Jozef het ook wist.
+
+ * * * * *
+
+Intusschen scheen het gedurende den tijd van haar zwangerschap, dat haar
+liefde voor Jozef groeide, groeide, groeide, samen met het kind onder
+haar hart. Had zij Jozef niet lief, meer dan alles wat zij hoorde en zag
+en ondervond, meer dan haar leven-zelf? Maar zij voelde zoo iets, als
+was zij nu pas bezig het groote bewijs van haar liefde te geven, als zoû
+dat wezentje, dat, zonder haar wil, zonder haar toestemming maar toch
+door haar werd gemaakt, de levende getuigenis er van zijn, dat zij zich
+voor altijd aan hem had wech gegeven. Ook beijverde zij zich om hem uren
+achtereen sterk aan te zien en altijd zijn uiterlijk voor haar
+verbeelding te hebben, als hij er niet was over-dag of 's nachts als het
+donker was. Want zij wilde, dat het kind, het mocht dan een jongen of
+een meisje worden, zoo veel mogelijk op hem lijken zoû. Als zij mekaâr
+aan 't liefkozen waren, schoof Mathilde zich wel zachtjes op Jozefs
+schoot, drukte haar voorhoofd tegen het zijne en liet zijn blikken
+langen tijd in haar oogen rusten. Zij dacht, dat zij, zoo, veel van
+zijn leven in zich op zoû nemen. Jozef trachtte hun leven in deze
+omstandigheden zoo in te richten, dat Mathilde nooit het minste
+verdriet, of zorg of inspanning, had. Toen zij in de vierde maand van
+haar zwangerschap was, en de vijfde, en de zesde, zonderden zij zich met
+hun tweeën heelemaal af. Jozefs bekommering werd overdreven; het begon
+met dat hij volstrekt niet wilde, dat zij menschen bij hun vroegen;
+later veroorloofde hij haar nog alleen kleine wandelingetjes te doen,
+eindelijk verlangde hij, dat zij absolute rust nam. Tusschenbeide 's
+avonds maakten zij nog een klein loopje samen, maar eindelijk dat ook
+niet eens meer. Hij dreef het tot in het kinderachtige door. Als er iets
+te krijgen was buiten de kamer waar zij zaten, dan deed hij het. Woû zij
+iets hebben waar zij niet bij kon met haar handen, dan stond hij op, om
+'t haar aan te geven. Om een haverklap werd de meid gescheld, en de
+stal-houder had gedurende wel een negen weken een bizonder goeden klant
+aan de Van Wildens.
+
+De aanstaande geboorte van zijn kind maakte Jozef niet blij. Hij gaf
+daar weinig om, 't deed hem alleen een beetje pleizier, om dat hij zag,
+hoe gelukkig het Mathilde maakte. Ondertusschen, al bekende hij 't zich
+zelf nauwelijks, vond hij heel naar, dat er zoo'n verandering in zijn
+huishouden zoû komen. Hij keurde het af, hij vond het vreemd, maar 't
+wás waar, dat hij, voor hij wist niet hoeveel niet, gedurende dezen tijd
+een van zijn vrienden in het gezelschap van Mathilde zoû gebracht
+hebben. Als hij met haar samen was, in een van die oogenblikken, dat zij
+in zijn arm stond met haar hoofd achterover, haar mond half open en hij
+haar kuste eenmaal, tweemaal, tienmaal, vijftigmaal, en zij, half
+bedwelmd, zich dan tegen hem aan liet vallen, dan schrikte hij, dan was
+'t of plotseling zijn liefde hem ontzonk, of hij maar gezoend had om te
+spelen. En dan kon hij haar nog alleen maar met een gemaakte zachtheid
+van zich wechduwen en zelf de kamer uitgaan om ergens in een andere
+kamer, boos, te gaan zitten en zich af te vragen, wat hem toch scheelde,
+dat Mathilde toch lief en mooi was altijd, dat hij haar juist dankbaar
+moest zijn, heel dankbaar, voor zoo veel goedheid, zoo veel toewijding,
+zoo veel liefde, en voor de pijn, die zij waarschijnlijk nog te lijden
+zoû hebben. Soms wist hij zich te overwinnen, dan gaf hij zich moeite om
+al de liefde, die hij voor haar voelde, zijn denken te doen vullen en
+dat andere gevoel te doen verdringen. Dan zag hij alleen haar oogen,
+haar mond, hield van haar als altijd. Ook merkte zij niets van die
+weêrzinbewegingen in zijn gemoed. Voor haar bleef hij dezelfde, dag in
+dag uit, Vol voorkomendheid, vol zorg, vol teederheid.
+
+Mathilde hield in zich zelf eindelooze beschouwingen over de
+waarschijnlijkheid van dat haar kind, naar liet uiterlijk of het
+innerlijk, zus of zóo zoû wezen. Ook sprak zij er met Jozef over. Dan
+waren dat gesprekken, die een, twee uren achter elkaâr duurden, vervuld
+van illuzies, van lachende droomen, van rozige gedachten, van
+hemelsblauwe veronderstellingen en schitterende voorspellingen. Zij
+wilde bepaald een jongen hebben, een zoon, die heelemaal een kleine
+Jozef zoû wezen, die haar van twee Jozeffen omgeven zoû doen zijn; de
+eene groot, forsch, breed, in den bloei en de kracht van zijn leven, de
+andere klein, teêr, tenger, met den bloesem van de jeugd op zijn
+gezichtje, en die beiden toch maar éen Jozef zouden zijn, daar de éene
+den anderen had gemaakt alleen in liefde voor haar. Hij zeide meer naar
+een meisje te verlangen, nu al pleizier te hebben hij het idee van éens
+te zullen kunnen zeggen: "mijn dochter doet dit, mijn dochter doet dat,
+mag ik u mijn dochter voorstellen?" Maar hij verlangde lang zoo vurig
+niet naar dat kind als zij; ook was zij, bij zulke gesprekken, bijna
+voortdurend alleen aan 't woord, haar mond stond niet stil, en Jozef
+werd eindelijk alleen verzocht telkens toe te stemmen, als zij hem iets
+vroeg: niet waar?, hè?, vin-je ook niet? Hij knikte maar glimlachend ja
+en gaf haar het grootste gelijk van de wereld. Hij vond het niet
+vervelend haar zoo aan te hooren en verder niets te doen, maar om het
+onderwerp van haar gesprek gaf hij minder dan om haar zelve. Hij nam met
+genoegen waar, hoe vol zij was van hèt leven, hoe gezond en zacht
+gelkeurd haar wangen er uitzagen, hoe zeer hij en zijn kindje, dat zoû
+geboren worden, de eenige dingen waren, waarmeê haar lieve hoofd zich
+bezighield, en hij dacht telkens: jongen, wat heb ik het toch goed
+getroffen ik heb een allerliefste vrouw! Ondertusschen praatte zij
+voort: de jongen zoû dus groote blauwe oogen hebben en bruin haar,
+misschien een krullebol. Hij zoû stellig den mooyen neus en ooren
+krijgen van zijn vader, maar vooreerst zoû daar nog wel weinig van te
+bespeuren zijn. Hier kwam nu het gesprek op den toestand van een
+pasgeboren kind. Mathilde had zoo iets nog nooit gezien; nu beduidde
+Jozef haar, dat zij zich daarvan geen illuzies moest maken. Hij vertelde
+haar hoe zoo'n wezentje was, met zijn rood rimpelig vel, zijn vreemde
+oogjes, meestal gesloten, zijn hoofd zonder haar, zijn mondje zonder
+tanden, bibberend en schreeuwend in de wereld komende. Maar zij wilde
+hier eerst liever niet van hooren. Maar later verzekerde ze, dat, hoe
+het kindje er ook uit mocht zien, zij er toch dadelijk vreeselijk veel
+van zoû houden. Eéns voelde zij den schrik voor het viezige, het
+wezenloze, het dierlijke van zoo'n pasgeboren kindje, maar zij was al
+gauw weêr vol vertrouwen; als zij Jozef onophoudelijk en met zóo-veel
+liefde aankeek en zijn uiterlijk voortdurend op nieuw in zich opnam, dan
+zoû, dan moest het kindje mooi wezen van het eerste uur van zijn geboorte
+af. Wat een heerlijke jaren zouden er nu voor haar komen! Door het leven
+te gaan tusschen haar man en haar kind! Aan den eenen kant een knappe,
+lieve man, die haar in alles steunde en beschermde, en raad gaf, aan den
+anderen een blond jongetje, dat om haar heen dartelde en haar zijn lieve
+moeder noemde. Wat zoû het goed staan tegenover de menschen, zoo'n familie
+te zijn Eerst zoû het kindje, natuurlijk in de lange witte kleêren worden
+gekleed. Zij was al bezig daarvoor te zorgen. Heele middagen zat zij er
+aan te werken, en telkens klonk de vermanende stem van Jozef er door heen,
+dat zij het zich niet te druk mocht maken. Terwijl zij, een zilveren
+vingerhoedje om den middel-vinger van haar rechter hand, de slanke
+glimmende naald tusschen haar wijsvinger en duim gedrukt hield, naaide
+zij met regelmatige steken, op en neêr met haar hand, op en neêr. Wanneer
+zij het linnen en batist, de wol en de kanten op die wijze hanteerde en
+fatsoeneerde, stelde zij zich voor hoe, in een niet ver verschiet, die
+dingen om de poezele blanke leedjes van haar kindje heen zouden gewikkeld
+zijn, en zat zij met een heelen stapel wit goed op haar schoot, dat, door
+elkaâr, in een berg van plooyen, tot aan haar kin kwam, dan verbeeldde zij
+zich, daar al een rond ventje onder te hebben liggen, een huidje te voelen,
+met een jonge, reine warmte. Jozef was er eerst tegen geweest, dat zij-
+zelf al die kleêrtjes maken zoû, maar als hij haar nu, na dat zij het toch
+doorgedreven had, aan den gang zag, en haar lieve gezicht boven al die
+zuivere witheid uit zag komen, vond hij 't toch wel aardig.
+
+Later zoû het jongetje, want, neen, nu zonder gek-heid, het moest een
+zoon wezen, zij was er zeker van, later dan zoû hij vooral het liefste
+zijn--en over dezen tijd sprak zij het graâgst met Jozef--als hij zoû
+kunnen spreken en zij, de ouders, zijn verstand langzamerhand voor den
+dag zouden zien komen. Dan zoû Jozef hem, och heer, met allerlei
+nietsjes, maar die een heele wereld in zich sluiten voor kinderooren,
+inwijden in het begrip van de dingen van het dagelijksch leven, van zijn
+omgeving. Zij zag hem al van hier aan Jozefs knieën staan, met groote
+oogen aandachtig luisterend. Zij zoû hoofdzakelijk zorgen voor dat hij
+braaf werd en gezond. Vóor alles zoû zij hem de liefde leeren voor zijn
+vader. Zij zoû hem zeggen, hoe goed en lief Jozef is, hoe haar, zijn
+moeder, niemant dierbaarder was, hoe hij alles aan zijn vader te danken
+had, wat pleizierig voor hem was. Zij zoû vooral van haar zoon een
+tweeden mensch vol liefde voor Jozef maken.
+
+De vraagstukken van opvoeding kwamen op in Jozef en Mathildes
+gesprekken. Mathilde was bepaald en onveranderlijk voor een strenge
+opvoeding. Zij was daar tegenwoordig 's avonds druk over aan 't lezen.
+Op haar verlangen kocht Jozef, die daarmeê lachte, een paar nieuwe
+boekwerken over opvoeding. Jozef was voor de zachte, toegeeflijke
+methode. Hij vond, dat pakken slaag te geven en in een hoek te zetten
+een kind niet beter maakte. Maar hij woû zich wel onderwerpen, zeî hij,
+hij liet háar de beslissing over. "Zachte chirurgijns maken stinkende
+wonden", zeî Mathilde iederen keer, waarop Jozef dan altijd begon met te
+andwoorden, dat een gewonde en een chirurgijn in een heel andere
+verhouding tot mekaâr staan als een ouder tot zijn kindje, dat alleen
+het zooveel mogelijk vrijheid laten en het door redeneering fouten onder
+het oog brengen een kind tot een waren man maakte, maar daartegen had
+zij bizonder veel dingen te zeggen: dat een kind voor geen redeneering
+vatbaar was, dat men zijn kind niet liefhad, zoo men het niet strafte,
+dat alleen hij, die eens zelf door kastijding had leeren gehoorzamen,
+later in staat was goed op te voeden, dat men anders onmogelijk een kind
+braaf kon maken, onmogelijk, dat men, strafte men niet, de liefde en
+eerbied voor de ouders zelf uit het gemoed van liet kind bande, dat men
+op die manier zijn gezach verloor, en nog duizend redenen meer, zoo dat
+hij ten laatste haar maar een zoen gaf, om er een einde aan te maken.
+Maar zij hield niet op vóor hij zeî: je hebt gelijk. En dan was zij
+eigenlijk nog niet te vrede, dan moest hij haar beloven, bepaald
+plechtig beloven, dat hij streng zoû wezen. Hij begon te lachen, maar
+zij bleef hoogst ernstig; ten slotte beloofde hij alles.
+
+Van God de Heer was weinig sprake als Mathilde dacht en sprak over haar
+kind. Het was zonderling, maar alleen bij de gedachte aan haar vader
+kwam er een God, haar God, te pas. Met haar laatste groote droefheid,
+verflauwde ook haar godsdienstzin. Wanneer zij gelukkig was scheen zij
+geen andere behoefte te hebben, dan die door het haar omgevende aardsche
+werden vervuld.
+
+De laatste maand voor haar bevalling was Mathilde in een hijgende,
+zenuwachtige afwachting. Haar kind, haar eerste kind zoû geboren worden.
+O, wat ging die tijd langzaam!
+
+Jozef vond, dat het nu waarachtig langzamerhand lang genoeg begon te
+duren. Hij woû maar, dat Mathilde gauw weêr elegant en slank zoû zijn,
+dat hij zich weêr in 't publiek met haar zoû kunnen vertoonen, in de
+komedie en op koncerten, en dat iedereen dan weêr zoû zeggen: wie is
+toch die man, die heer daar, met die prachtige vrouw aan zijn arm. Hij
+vond, stil voor zich, den toestand toch eigenlijk zoo lammelendig.
+Intusschen hield hij haar trouw gezelschap tot het einde toe. Hij was
+altijd op kantoor en thuis. Hij kocht een wieg voor haar. 's Avonds las
+hij haar voor; zij gingen vroeg naar bed.
+
+
+
+
+X.
+
+
+'t Was in 't midden van een nacht, dat de bevalling gebeurde. De dokter
+had Jozef, die zenuwachtig was, uit de slaapkamer laten gaan. Hij zoû
+den vader wel komen waarschuwen, als het zoo ver was, had hij gezegd.
+Jozef was, in zijn sjamberloek, beneden naar de zaal gegaan. Waarom
+juist daar-na toe, dat wist hij zelf niet. Hij had een gaspit opgestoken
+en drentelde in het zwakke licht heen en weêr over het dikke tapijt. Nu
+eigenlijk scheen hij pas goed over hetgeen er boven ging gebeuren na te
+denken. Hij vroeg zich af, wat er het gevolg van zoû wezen. Zijn blikken
+gingen langs de lambrizeeringen, langs de zoldering en den vloer, over
+de schilderijen, alsof dat nieuwigheden waren. Eigenlijk keek hij naar
+niets, maar luisterde naar de geruchten die van boven kwamen. Die lieve,
+goede Mathilde, wat stond zij misschien nu een pijn uit. Maar hij kon
+haar niet helpen, men moest afwachten de dingen, die komen zouden. 't
+Was een elllendig iets, dat kinderen krijgen! Hoe jammer, dat het niet
+gemakkelijker kon en zonder zooveel schade! Hij hoopte nu maar in
+Godsnaam, dat Mathildes lichaam er niet te veel onder lijden zoû. De
+tijd ruîschte in de nacht-stilte om hem heen voorbij. Daar dacht hij aan
+de namen, die hij met Mathilde afgesproken had, dat het kind zoû
+krijgen. Was het een meisje, dan zoû zij Agnes heeten, naar zijn moeder,
+die nu al vijftien jaar dood was. Werd er een jongen geboren, dan zoû 't
+Bernard zijn, met nog een paar onverschillige namen er achter, naar háar
+vader. Maar weêr schudde hij voor zelf neen! Hij had er zich niet meê
+kunnen vereenigen. Bernard was veel te burgerlijk. Hij wilde zijn zoon
+een voornamer, een buitengewonen naam geven. Iets van Felix of zoo.
+Felix, dat was mooi, dat klonk. Kreeg de jongen later zijn eigen
+visite-kaartjes, dan zoû daarop gegraveerd staan: Felix van Wilden, of
+in 't fransch, nog beter: Mr. Félix, met den klemtoon op ix, Mr. Félix
+van Wilden! Jozef zag zijn zoon al voor zich, in een elegant jasje, een
+jonge man van twintig jaar, naast hem, ook nog jong, ook in een elegant
+pak, misschien met enkele grijze haren, samen op straat, samen op
+reis ... En hij vergat Mathilde voor een oogenblik.
+
+De dokter stapte door den gang, maakte de deur van de zaal open; op zijn
+eenen voet vooroverbuigend, zijn hoofd door de opening, riep hij luid
+naar binnen, opgewonden: Vadertje, geluk met je zoon, hoor! Hij sloot de
+deur en ging gauw naar boven terug; Jozef hem na.
+
+De slaapkamer was langwerpig, met twee ramen naar de binnenplaats,
+tegenover de deur. Het was er donker-groen: de venster-en bedgordijnen,
+het tafelkleed en de stoelbekleeding waren donker-groen, ook de
+ondergrond van het tapijt. Er stonden twee groote en twee kleinere
+antieke kasten tegen de wanden. Een olielamp brandde nu op de tafel in
+'t midden; voor het bed grilde de schaduw van den ovalen kapspiegel op
+de tafel. Twee kaarsen tongevlamden op de latafel tegenover het
+ledikant, voor het apotheek-kastje. Toen Jozef binnenkwam, was de baker
+voor de tafel geknield. Zij hield het kind er boven in haar linkerhand
+en wond hem met haar andere in witte en gele doekjes. Met haar zeer
+klein hoofd, als geklonken in haar stijve kornet, leunde zij met haar
+eene hand op de tafel, boven het kind gebogen, wiens hoofdje nu nog
+alleen zichtbaar bleef. De baker stak haar vinger in den mond van het
+kind, en, zeer op de hoogte met haar kleine grijze oogen, zeide zij, dat
+er al een tand in het mondje zat en het kind dus met een tand was
+geboren. Dit scheen den dokter, die, tegenover de vrouwen aan de tafel,
+aan 't uitzoeken van het linnen-goed was, dat Mathilde nu eenigen tijd
+moest dragen, niet te verwonderen.
+
+Na het kind even bekeken en bevoeld en zijn wangentjes gezoend te hebben,
+ging Jozef zachtjes naar het bed, en draaide zich in de dichtgeschoven
+gordijnen. Mathilde lag in de groene duisternis, stijf in de schoone
+witte lakens. Zij hijgde zachtjes, haar haren, als een kronkelende zwarte
+plas, veel en verward over het kussen. Zij zag erg wit.
+
+--Mathilde, ik dank je wel, fluisterde hij en hij kuste haar.
+
+Maar haar lippen beefden en waren koud, en hij dacht in-éens, hij wist
+niet waarom, dat ze er wel eens van dood zoû kunnen gaan. Hij leî zijn
+hand in haar haar op het kussen en vroeg:
+
+--Hoe voel-je je?
+
+--Uitgeput, erg uitgeput ...
+
+Zij bleef roerloos liggen en zeî daarna, hartelijk, angstig, langzaam,
+de zeurige woorden, die pas bevallen vrouwen spreken:
+
+--Jos, ik weet niet hoe 't af zal loopen, maar mocht ik dood gaan, zorg
+dan goed voor ons kind! Als ik kon, dan zoû ik het je knielend vragen.
+Maar beloof 't me, Jozef, maak, dat hij godsdienst heeft ... Be-loof
+'t me ...
+
+--Hoe kan je nu zoo spreken?, vroeg hij, ons leven begint nu pas goed en
+je denkt om te sterven!
+
+--Ik voel dat ik heel goed van-nacht kan sterven, andwoordde zij.
+
+Toen werd ook hij vreeselijk zenuwachtig, beiden in de kinderlijke
+aandoening van den hevigen toestand: nee, nee, dat kan niet! zeî hij
+hard, en hij zoende fel haar gezicht, haar aan haar schouders vattende.
+De dokter en de baker kwamen er bij. De dokter had het gordijn
+wechgeschoven, hij trok Jozef bij zijn arm bedaard van het bed te-rug.
+Maar Jozef rukte zich los en riep, huilend:
+
+--Maar, ze sterft! waarom heeft u me dat niet gezeid? O, God, o, God,
+wat moet ik doen? Ze is koud, dokter, zoo koud als ijs, zeg ik u, en
+kijkt u d'r oogen eens!
+
+--Maar, 't is niets, hoegenaamd niets, zeî de dokter, dat hebben
+bevallen vrouwen altijd!
+
+--O, ja, zeî de baker, dat wil de natuur zoo.
+
+Zij stond op en hield het kind voor zich uit.
+
+--Hier, moedertje, kijk maar eens naar je jongen.
+
+Zij tilde het kind in bed, voor Mathildes gezicht. Maar Mathilde scheen
+er niets van te merken.
+
+--Is het wezenlijk zoo? vroeg Jozef, zal ze beter worden? U moet me niet
+foppen, meneer!
+
+--Absolute rust en kalmte om haar heen is noodzakelijk, zeî de dokter,
+dan zal zij gauw weêr heelemaal in orde zijn.
+
+Jozef ging naar de baker, nam het kind op zijn handen en bekeek het
+nauwkeurig. Mijn gezicht! zeî hij zachtjes, ofschoon daar nog volstrekt
+niets van te zien was. Hij zoende het kind, en gaf het aan de baker
+te-rug. Daarna ging hij naar de logeerkamer, waar hij nu de eerste
+nachten zoû slapen. Hij was erg moei, maar hij kon toch niet in slaap
+komen. Na een uur van onrust, toen zijn zenuwen een beetje tot bedaren
+kwamen, ging hij nog toch eens op zijn kousen kijken, of Mathilde sliep.
+
+De lamp en een van de kaarsen waren uit in de kraamkamer en de andere
+kaars stond op tafel, vanwaar zij een vaal licht door de kamer
+verspreidde. Naast het ledikant stond het wiegje, waarin het kind sliep.
+De vroedvrouw, die eigenlijk bij de verlossing niet geholpen had, en die
+Jozef, ongewend aan bevallingsmaatregelen, er maar voor alle sekuriteit
+bij genomen had, en ook om dat zij zoo goed waken kon met-een, zat in
+een hoekje met strak open oogen, roer-loos-wakker. Jozef kwam aan het
+bed, en, stil de gordijnen een beetje wechschuivende, boog hij zich over
+de wieg heen en bespiedde Mathildes gezicht. Zij lag nog altijd
+onbewegelijk in dezelfde houding, met dichte oogen; zij sliep. Hij
+luisterde óplettend ... Haar ademhaling ging zachtjes en regelmatig. Noch
+even bleef hij staan en bezag haar, teeder.
+
+Toen hij weêr in bed lag, gaf hij zich pas rekenschap van zijn
+aandoeningen. Hij had Mathilde dan toch wèl lief. Hij bracht een nacht
+vol angsten door. Neen, maar wat ging er nu gebeuren! Daar had hij
+allerminst op gerekend, een zieke vrouw in huis! Hij sliep eindelijk
+vermoeid in, om weêr met hoofdpijn wakker te worden, laat in den
+volgenden morgen.
+
+ * * * * *
+
+Gedurende den kraamtijd en nog weken daarna verveelde Jozef zich
+gruwelijk in zijn huis. Mathilde was eenvoudig ziek en herstelde maar
+niet. Dokter Hansen had om een konsult met professoren gevraagd, dat
+gebeurd was. De uitslag was: Mathilde had een hart-ziekte opgedaan,
+misschien voor altijd. Zij moest die al onder haar leden hebben gehad
+en misschien van een van haar ouders of grootouders hebben overgeërfd.
+Daarbij hadden hevige koortsen haar vreeselijk verzwakt. Zij had
+kongesties naar haar hoofd, en duizelingen. Tweemaal daags werden er
+ijskompressen boven op haar schedel gedrukt, om de gloeyingen te
+bekoelen. Zij was zóo uitgeput, dat zij alleen heel zachtjes praten kon
+en dadelijk weêr moest zwijgen na dat men begrepen had, wat zij
+verlangde. In de ziekenkamer was een volte en een drukte. In de eerste
+week had Mathilde volstrekt geweigerd het wiegje uit haar kamer te laten
+wechnemen. Zij wilde haar kind onophoudelijk bij zich hebben. Het moest
+liggen onder het bereik van haar blikken. Het kind schreeuwde nu
+dikwijls lang achter mekaâr, als het niet sliep. Dan kwam Marie, het
+boeren-meisje, dat als min aangenomen was, hief het kind op in haar
+armen, drukte het aan haar borsten, suste en zoogde het. En telkens zeî
+Mathilde, in de halsstarrigheid van haar koortsige gedachten, dat men
+haar Felix, zoo was het kind toch genoemd, zoû geven, dat hij dan wel
+dadelijk stil zoû zijn. Maar in de duisternis van het ledikant huilde
+het kind zóo erg, dat Mathilde het aan haar ooren niet uit kon houden en
+het dadelijk aan Marie te-ruggaf. Tweemaal per dag kwam de dokter, die
+altijd heel veel leven maakte, allerlei raad gaf en stadsnieuwtjes
+zonder einde te vertellen had. Jozef ging 's ochtends voor een paar uur
+naar 't kantoor, maar was overigens zijn meeste uren in de ziekenkamer,
+tusschen de wieg en het ledikant zittend, angstige blikken over Mathilde
+gooyend, ongeduldig en mis-moedig, haar zóo dikwijls vragende of zij nog
+geen beterschap voelde, dat het scheen, als wilde hij dáar-door de
+ziekte doen wijken. Hij had zelf Mathilde met de medicijnen willen
+helpen, inschenkend en aangevend. Elk half uur hoorde men hem het
+fleschje en den lepel bewegen. Hoeveel druppels ook weêr, mompelde hij,
+en noemde dan het aantal. Na dat zij den medicijn had ingenomen, staarde
+hij Mathilde aan soms, over het bed gebogen, als moest er een
+onmiddellijk uitwerking zichtbaar worden.
+
+Maar al gauw werd het Jozef te bar uren achtereen in de duffe atmosfeer
+van de ziekenkamer onbewegelijk, stilzwijgend, hoorend allerlei vieze
+geluiden, met die doffe drukte om hem heen, te wezen. En hij ging
+wandelingetjes doen buiten, over de grachten, in de frissche lucht. Eens
+kwam hij Hasman tegen, die hem toch al een visite had gemaakt. Hasman
+wist hem meê te krijgen naar de club. Maar Jozef was de oude niet meer.
+Hij kon niet meer zoo lachen, niet meer van die geestigheden zeggen, zoo
+als vroeger. Eindelijk hield hij zich heelemaal stil aan het tafeltje,
+waarom zij zaten, en wilde heen. Hij moest naar zijn vrouw, hij moest
+naar de ziekenkamer. Wie weet wat er gebeurd kon, zijn, juist nu hij
+wech was. Jozef had geen rust, als hij niet bij 't ledikant zat, en,
+daar eenmaal zijnde, verveelde hij zich onbegrijpelijk erg. In een
+middag, dat hij weêr zijn gapen moest onderdrukken, slenterde hij de
+trap af naar beneden en ging zitten lezen. De glazen kast stond daar,
+vol boeken, en zijn glansende schrijftafel, nog bijna ongebruikt. Eens
+hield hij het zoo een vol uur uit. Toen kwam Marie:
+
+--Meneer, mevrouw heeft zoo'n pijn. Zij laat vragen, of u even boven wil
+komen.
+
+In een zucht sloeg hij het boek dicht.
+
+--Och ... Jozef ... Jozef ... kom hier ... zeî Mathilde.
+
+--Maar wat is 'et dan? vroeg hij.
+
+--Zoo'n pijn, zoo'n pijn! hier ...
+
+--Waar? in je rug?
+
+--Nee hier,.... overal ... onder mijn borst ... en dan zoo'n akelig gevoel
+in mijn hoofd ... Net of er allemaal geronnen bloed in mijn achterhoofd
+zit ... En dan zoo'n pijn in mijn beenen. Mijn beenen zwellen op ... Ik
+weet 't niet, wat 't is. Mijn heele lichaam is ziek. Kom eens hier, buig
+je nog eens naar me toe.
+
+--Wat dan? Wat woû je dan?
+
+--Ik woû je een zoen geven. Och toe, och toe, blijf bij me zitten.
+
+Voor een halfuur was Jozef er weêr aan vast. Eindelijk besloot hij dáar
+een boek meê te brengen en de kranten.
+
+Jozef wende er zich weêr aan, van éen uur 's middags af, voortdurend
+thuis te zijn. Hij deed zijn schoenen uit en schoof door het huis op
+pantoffels, als een ziekenoppasser.
+
+Een paar weken later, mocht Mathilde uit haar bed komen en in de
+slaapkamer opzitten.
+
+Voor een van de kleinere kastjes, dat naar de logeer kamer was gebracht,
+was een boeken-en teekenkast voor Mathilde, in de plaats gekomen. Een
+van de dingen van haar ziekte was een lammerigheid van haar beenen,
+waardoor zij niet kon loopen. Een uur per dag maar ging zij uit haar
+kamer, dan werd die gelucht. Het sombere licht dat door de binnenplaats
+hier binnen-stootte was het eenige waar haar oogen nog tegen konden. Uur
+aan uur zat zij daar dan te lezen of wel te teekenen. Voor de groene
+tafel in een donker-grijzen, met donker-rood afgezetten peignoir, heur
+haren tot een zware vlecht samengebonden onder een donker-grijs, met
+donker-rood afgezet mutsje, haar slanke linkerhand waarvan alleen de
+duimtop door het porceleinen palet zichtbaar was op de tafel, met drie
+penseelen er dwars uitstekend. In haar rechterhand had zij een penceel
+of potlood en ze teekende en kleurde. Haar gezicht was erg vermagerd en
+als de grove hand van de goedige Marie niet een zilveren lepel vol
+licht-geel vocht, van het, nu overvolle, apotheekkastje naar haar
+toekwam en ze haar hoofd in de hoogte deed, dan zag men hoe haar oogen
+waren ingevallen, hoe de eerste eigenlijke rimpels op haar jong gezicht
+waren, hoe in-mekaâr gezakt ze zat. Ze ging meestal om acht uur naar
+bed, en stond om elf uur 's morgens op. Vooral 's nachts had zij veel
+pijn en benauwdheden, zoo dat zij niet kon blijven liggen en de kussens
+hoog achter haar werden opgestapeld.
+
+Toen Jozef haar voor 't eerst weêr eens vlak bij het venster, onder vel
+daglicht zag, schrok hij. Zij merkte 't aan zijn oogen.
+
+--Ben ik zóo veranderd? vroeg zij.
+
+Hij vatte haar teeder bij haar schouders en zoende haar bleeke wangen.
+Maar dien zoen voelde hij als op doode wangen. Onmerkbaar trilde er iets
+in zijn oogen; er ging een koû door hem heen.
+
+--Je zult bepaald heel gauw weêr beter zijn, zeî hij.
+
+Zij gingen samen even zitten voor het venster, op twee stoelen vlak bij
+elkaâr. Mathilde was nog in haar witte nachtgoed; haar gezicht was nog
+witter. Er was een verlegen stilte. Jozef zat, een beetje naar haar toe
+voorovergebogen, zijn eene elleboog op zijn been geleund, de handen
+loshangend tusschen zijn beenen. Hij keek haar medelijdend en lief aan.
+Haar blikken, vanachter een doffen glans van uitputting, zwierven door
+de ruiten heen, over de zonnige plekken op de binnen-plaats, zonder
+gedachten, in afwachting van wat hij zeggen zoû. Hij had iets:
+
+--Wil-je nu wezenlijk niet liever op de logeerkamer gaan en mij hier
+laten slapen? vroeg hij, dan heb je ten minste nog een beetje afleiding
+door het leven en alles wat er te zien is op straat.
+
+--Och nee, zeî ze, daar ben ik te zwak voor. Ik wil liever maar niets
+zien ... het bevalt me hier 't best.
+
+Zij kuchtte stilletjes. Na een poosje, bewoog zij langzaam haar rechter
+hand, streek er zachtjes meê over Jozets groote blanke hand, heen en
+weêr, met haar dunne vingertopjes over het zachte vel, nauwelijks er aan
+rakende. Toen zeî zij, met een bedaarde, klagendzachte stem, waar een
+te-vredenheid in klonk, dat zij zoo met hem alleen was in haar ziekte:
+
+--Wat heb jij toch mooye handen! Eigenlijk veel te mooi voor een man.
+
+Daarna dacht ze weêr een tijdje.
+
+--Zie-je, zeî ze toen, als zeî zij het besluit van een lange inwendige
+redeneering, het is onmogelijk, dat ik altijd zoo zoû blijven als ik nu
+ben ... Een geluk, dat zoo groot is, kan niet in-éens uit zijn ... Ik zal
+stellig weèr beter worden, heel zeker, ik weet 'et natuurlijk niet, maar
+zie-je, ik voel 'et zoo, ik voel 'et. En je begrijpt wel, dat ik nu nog
+vreeselijk veel meer van je hoû als vroeger, om ... hem, om Felix.
+
+Ze had dit gezegd, zonder Jozet aan te kijken, haar blikken mijmerig
+voor zich uit; nu knipte zij haar oogen even snel dicht en deed ze naar
+zijn kant weêr open, hem zóo vragend, hoe hij wel vond, wat ze daar
+gezegd had.
+
+--Ja, andwoordde hij, stellig! Ik geloof 'et ook, bepaald. En, als had
+hij zich nog niet krachtig genoeg uitgesproken: Daar is zelfs geen
+sprake van, dat je niet beter zoû worden. Ik twijfel er geen oogenblik
+aan.
+
+Mathilde zat achter in haar stoel, haar oogen neêr. Zij wreef met haar
+rechter duim over haar linkerhand.
+
+--En Emilie Hartse is met Berlage getrouwd hè? vroeg zij, de woorden als
+uit haar mond slepend.
+
+--Ja, ze zijn d'r gisteren geweest; ik heb hun kaartje beneden: meneer
+en mevrouw Berlage-Hartse.
+
+--Hè, 't is een kokette, akelige vrouw, die Emilie, ik hou niets van
+d'r!
+
+--Och! zeî Jozef verontschuldigend.
+
+Toen Mathilde dien avond om negen uur al lang in bed lag en alles rust
+was in de kamer, terwijl het buiten onhoorbaar sneeuwde en de wind over
+de binnenplaats aan de ruiten ritselde, zat Jozef daar nog altijd, voor
+de tafel. De koeranten van den avond, een paar tijdschrift-afleveringen,
+een boek, lagen voor hem. Hij las het Buitenlandsch Nieuws. Die Emilie
+Hartse, mevrouw Berlage, was wel een aardig vrouwtje! Hij leî het blad
+plat op tafel en streek de kreukels er uit om beter te kunnen lezen. Zij
+was zoo vroolijk, zij was ook mooi, hij mocht haar wel. Hij las van de
+onaangenaam-heden, die tusschen De Duitsche en Fransche regeeringen
+aanhangig waren. Zij zouden nu in lang wel geen partijtjes kunnen geven,
+waarop mevrouw Berlage zoû komen. Bismarck en Gambetta konfereerden door
+bemiddeling van de ambassadeurs over de belangen van Europa. Hoe was het
+mogelijk, dat zij dien dommen Berlage genomen had! In Rusland werd
+dagelijks de vrees grooter voor uitbarstingen tusschen de joden en de
+boeren. Zij had mooie rooye lippen, die Emilie. Het jonge Italië, dat ...
+
+--Ben je daar nog, Jos? kreunde fluisterend uit het bed.
+
+Jozef stond op.
+
+--Ja, wat woû-je, kind?
+
+--Mag ik een glas water asjeblieft!
+
+Hij gaf het en zoende haar klamme voorhoofd.
+
+--Probeer nou weêr te slapen, zeî hij, dat zal je goed doen. Ik ga nu
+maar naar beneden nog wat lezen, dan heb je 't rustiger, en dan ga ik
+ook naar bed. Wel te ruste! Tot morgen, misschien ben-je morgen wel
+veel beter.
+
+--Ja, misschien; laat Marie met Felix nog eens hier komen, wil-je?
+
+Driemaal per dag kwam Marie, met het kind op haar arm, bij Mathilde;
+Jozef ontmoette haar nu op de trap. Hij hield haar staande nam het kind
+even van haar over, zoende het en ging verder. Alles was doodstil in
+huis; alleen hoorde Jozef, toen hij in den gang kwam, eentonig de
+keukenklok tikken. Hij veegde met zijn zakdoek zijn lippen af. Hij
+zoende niet graâg zulke jonge kinderen. Die Marie is eigenlijk volstrekt
+niet kwaad, dacht Jozef, een aardige meid!
+
+Toen Jozef het licht had opgestoken in de achter-kamer, en een boek, een
+roman in een kalfslederen band gebonden, uit de kast wilde nemen, steeg
+er plotseling een woede, de uitbarsting van een lang onderdrukt
+ongeduld, in hem op. Hij maakte groote stappen door de kamer.
+
+--Dat duurt nu al maanden, zeî hij luid, het gaat niet meer, ik weet
+niet, wat ik doen zal.
+
+Hij stak een zwaren cigaar op en bleef beweging-loos en dommelend den
+heelen avond zitten. Een verzet was in zijn hart ontstaan. Hij verveelde
+zich onhoudbaar. Het ging toch ook werkelijk niet op den duur!
+
+Gedurende de volgende dagen, dacht Jozef, koud, met zijn rede en zijn
+gevoel van wereldsch mensch, na over zijn vrouw en zijn kind. Zij ging
+erg achteruit. Wat moest er in Gods naam van komen? 't Was wel aardig
+geweest, even na de geboorte, het denkbeeld van zijn eigen kind te
+hebben, een voortbrengsel van zijn liefde, maar nu, een klein leelijk
+rood, onooglijk, schreeuwend wicht, neen! 't was alles behalve
+pleizierig.
+
+ * * * * *
+
+Langzaam verstreken maanden. Mathilde bleef 't zelfde. In dezen tijd,
+kon zij eens 's avonds niet in slaap komen. Zij had dien middag
+onwillekeurig een paar uur gedommeld, en lag daarom nu wakker. Zij dacht
+dat zij een beetje de koorts had. Haar oogen, wijd open, staarden naar
+boven, naar den groenen hemel van het ledikant, zwartgroen in de zwakke
+schemering van het nachtlicht, en die in stijve plooyen zich in een
+middenpunt, een rozet, samentrok, waaruit een beddekwast nederdaalde,
+roerloos als de slinger van een stilstaande klok. Het felle wit van het
+dek, dat zich als harde sneeuw, over en om haar heen spreidde,
+schreeuwde tegen de duisternis, scheen naar boven te dringen en stapelde
+zich op, als een koude massa, midden in de zwarte tinten. Mathilde
+dacht ... en bewoog haar lippen of streek er met haar tong tusschendoor,
+van pleizier van zoo te liggen denken. Het suisde door haar hoofd; er
+was een ijlheid in haar hersens. Haar zieke gestel gaf haar gedachten
+een bizondere scherpte en levendigheid. Terwijl een nattigheid door haar
+oogen sprankte lispte zij, en er ging iets droogs, iets kramperigs door
+haar verhemelte ... O Jozef! ... o Jozef! ... Zij bewoog haar eene voet
+even en schikte haar armen in een gemakkelijker rust op het bed, om nog
+inniger en uitsluitender aan dat ééne onderwerp te kunnen denken. Zij
+dacht er over, wat zij allemaal zouden doen, als zij weêr beter was.
+Heerlijk! Heerlijke jaren zouden er komen! Wat een gelukkig en benijd
+drietal zouden zij zijn! Zij had dat al zoo dikwijls gedacht, maar nooit
+zoo hevig als nu. Zoolang zij alleen jonggetrouwden waren geweest, had
+zij nog altijd iets gevoeld, zij wist niet precies hoe, maar als of zij
+nog half en half niet getrouwd was, als of die man wel elk oogenblik
+heen kon gaan, niet dat dat gebeuren zoû, maar dat 't ten minste
+mógelijk was. En ook zoo voor de menschen. Als zij en Jozef menschen
+ontmoetten, bij hun aan huis of op straat of bij anderen, dan was er in
+'t "dag, meneer, dag, mevrouw" of in het "dag, Jozef, dag, Mathilde"
+iets als of de menschen op dat oogenblik den indruk kregen van twee
+alleenstaande wezens te ontmoeten, twee op zich zelf staande menschen,
+die wel innig aan mekaâr verbonden waren, maar toch maar met hun tweeën
+waren en elk oogenblik ieder een anderen weg konden gaan. Maar nu niets
+van dat alles meer. Nu was zij niet alleen heelemaal vrouw, een jonge en
+gepozeerde vrouw tegelijk, maar nu waren ze, zoo dacht zij, nog meer éen
+samen, zij hoorde nog veel meer dan vroeger, ook voor de menschen,
+onafscheidelijk bij mekaâr. Zij waren niet meer jonggetrouwden, neen,
+hij was de vader, zij was de moeder. En wat een vreeselijke
+heerlijkheid, op straat en overal in 't openbaar met elkaâr te zijn en
+dan de menschen te zien of te hooren zeggen: "dat is de jonge mijnheer
+en mevrouw van Wilden, ze zijn drie jaar getrouwd zoo wat, zij hebben
+éen kindje, een allerliefste jongen". Maar, dat alles daargelaten, wat
+zouden zij een stil en heimelijk geluk met hun drieên hebben in huis!
+Hij daar, zij hier, en Felix in 't midden! Neen, maar 't was waar ook,
+zij had volstrekt, na de geboorte niet al die ellende, over dit groote
+geluk nog niet in onderdeelen nagedacht. En, terwijl de koude, als een
+vale nevel, door de kamer, door het ledikant en over haar heen zweefde
+en haar gezicht doortrok, bleef dat gezicht maar liggen staren naar
+boven, en voelde Mathilde een warmte in haar oogen en in haar mond als
+stroomde het geluk over en wilde naar buiten, dat, als een eindeloos
+zacht zilveren vocht, door haar heele lichaam vloeide. Een enkele maal
+wreef zij, onder het dek, haar handen tegen mekaâr van de eenzame
+zaligheid, die haar zoo vervulde. Heerlijk! zij zag zich al weêr,
+genezen en gezond, beneden in de huiskamer zitten, Jozef tegenover haar,
+Felix op een hoogen kinderstoel, een rood puntje aan zijn neusje, twee
+heele groote oogen, lachend, juichend, met zijn handjes bewegingen van
+vreugde makend, tusschen hen in. Jozef aaide de wangetjes van het kind,
+sneed het voor hem bestemde sneêtje brood zonder korst aan kleine
+stukjes, gemakkelijk om in de melk te soppen. En Jozef keek dan
+glimlachend naar haar, om te vragen, of ze het zoo niet goed vond, en om
+dan samen van liefde te lachen, samen begeesterd door het jongetje, die
+nog niet spreken kon. Liet Felixje iets op den grond vallen of morstte
+hij, dan stond zij op om hem te helpen, en stopte hem met haar vinger
+een stukje geweekt brood in zijn mond. Daarna zoû ze bij voorbeeld aan
+Jozef vragen, of hij nog een kopje thee woû hebben. Hij zoû haar zijn
+kopje overreiken en hun vingers zouden elkaâr aanraken boven de tafel,
+voor het kind heen. Die kleine aanraking, hoe onuitsprekelijk gelukkig
+zoû dat zijn! Zij die hem zoo goed kende, zij, die alle dag in de
+innigste aanrakingen met hem geleefd had, verheugde zich nu al als op
+iets buitengewoons, in het vooruitzicht van die aanraking van hun handen
+boven de ontbijttafel. Ja, want dat zoû daar dan haar familie, haar
+familie zijn. In háar huis, met háar man, met háar kind, zoû zij daar
+zitten, aan haar levensdoel, tot het leven gekomen voor altijd.
+
+Er kraakte iets in de kamer. Het woei buiten. Een huivering ging door
+het behangsel, het nachtlichtje bewoog, spatte even, langzaam verroerden
+zich de zwarte schaduwen; een ritseling ruischte over de vloer laag
+langs de kasten en stoelen.
+
+Was er iets? neen, er was niets. Mathilde kuchte van gerustheid. Zij
+kuchte nog eens, langzaam, in haperende schorre tikjes. En het was of
+zegenend de duisternis, in een dikken vlokken-mantel en de koude, als
+oneindig veel scherpe sprietjes, haar naderde, om haar heen viel, haar
+aaide en met haar geluk samen was. Toen dacht Mathilde aan dien eenen,
+dien eersten grooten nacht, waarin zij, voor haar open venster in het
+oude huis, over Jozef had gedacht, na dat hij 's avonds van zijn liefde
+had gesproken. In de verte, als een bevende, bleeke herinnering, zag zij
+nu inwendig haar vader voorbij gaan, voorbij ... voorbij. Zij merkte dat
+zij hem vergeten was.
+
+De koorts werd erger, en Mathilde sliep in, met droge lippen, dronken
+van het denken.
+
+Den volgenden Zondagmorgen, heel in de vroegte, was de min met Felix in
+de kinderkamer, boven de logeerkamer, voor het venster gaan zitten en
+liet het kind naar den dag kijken. Zij hield hem vlak voor de ruiten.
+Langzamerhand was het acht uur, half negen geworden, en Marie keek met
+een groote belangstelling op de stille gracht, waar na enkele
+melkboeren, die er met hun witblaauwe emmers aan de versch geschuurde
+koperen haken langs de huizen waren gegaan, om hard aan te schellen en
+de meiden, in hun nachtjakken en met halfdichte oogen, te helpen, de
+haastige en ingetogen kerkgangers liepen. Het waren burger-mannen met
+bloote handen, dik en grof, met schoenen glimmende in de morgenzon op
+de droge straat, met glimmende heele hooge hoeden op het glimmende van
+achteren heel dikke en kort in den hals afgesneden haar als geplakt;
+met borstelige nekken; met lange, zwarte jassen waaraan éen dikke en
+bengelende achterzak en de andere dof gevuld; met wijde broeken van
+effen zwart laken of heele dikke met bruine strepen. Dan meiden met
+leelijke gezichten, helder gewasschen. Enkele met kornetten onder hun
+hoeden, die de meesten met bruine of zwarte banden onder hun kinnen
+hadden gestrikt. Andere hadden verouderde dameshoeden op, met veren en
+pluimen en linten in donkere kleuren.
+
+Maar vooral had Marie schik in de oogen van het kind op haar schoot. Zoo
+groot, zoo bruin, zoo zuiver vond zij ze, en zoo verstandig al. Zijn
+wenkbrauwtjes kwamen al aan, donkere streepen boven de oogen. Wat zag
+hij er mooi uit in zijn zondagspakje, met rokjes met kantjes, met die
+fijne kousjes met dat lieve blauw en witte doekje waar zijn bovenlijfje
+in gewikkeld was!
+
+Juist hield Marie het kind weêr voor de ruiten en liet het dansen op
+haar knie, een zacht liedje neuriënd toen de deur openging, en Jozefs
+lichaam, hoog in den klaren ochtend, binnenstapte. Marie bewonderde hem,
+met zijn lichtbruin haar, altijd zoo mooi geschoren, zoo mooi gekleed,
+en zoo vriendelijk.
+
+--Goeye morgen, Marie ...
+
+Zij andwoorde hem niet rechtstreeks. Zij vond hem haar weldoener, om dat
+hij haar, als ongetrouwde min, wel had willen nemen, toen zij juist niet
+wist wat er van haar worden zoû. Zij was erg verlegen tegenover hem.
+
+--Fik, Fik, daar is vader en ze liet Fik, zoo als zij hem het eerst had
+genoemd, dansen op haar schoot; maar zij zag Jozef niet aan. Het kind
+lachte tegen vader en kraaide 't uit van de pret en bewoog zijn heele
+lichaampje zoo als kleine honden tegen hun meester doen.
+
+--Zoo jonge heer! en hoe maakt onze jonge heer 'et? vroeg Jozef. Hij
+boog zich over het kind heen en gaf hem met zijn mooyen wijsvinger op de
+bolle wangetjes een tikje. Marie, die nu rood werd, keek maar al naar
+het kind en lachte tegen hem en schikte zijn mutsje en zijn kleertjes
+eens goed met haar rechterhand:
+
+--O, heel goed, vader ... niet waar, Fik? ... Heel goed!, en ze zoende
+het kind gauw en zachtjes en hield haar oogen maar neêr. Jozef nam een
+fauteuil en ging vlak bij hen zitten.
+
+--Hebben jullie al ontbeten? zeî hij en keek in Maries oogen.
+
+--O ja, meneer, ... vóor zevenen al ... en ze knipte met haar oogen, keek
+hem even aan en toen weér gauw uit 't venster en trommelde met twee
+vingers op de voetjes van het kind.
+
+--Kom, geef hem nou eens hier ... Nu moet vader em eens hebben ...
+
+Nu wist Marie met haar armen en met haar heele houding geen weg. Zij
+vouwde haar handen samen en drukte ze tusschen haar knieën; dan weêr leî
+ze op iedere knie een hand; maar toen zij haar bruine bij Jozefs blanke
+handen zag, deed zij ze onder haar boezelaar. Nu keek zij Jozef wat meer
+aan, die heelemaal met het kind bezig scheen. Maar als hij haar dan weêr
+aankeek, gingen haar blikken langs de staalgravures aan den wand en van
+de staalgravures op de stoelen en van de stoelen op het tapijt en van
+het tapijt op haar schoot en van haar schoot door 't venster op de
+gracht. Ze wist niet hoe 't kwam, maar nu stond in-eens het huilen haar
+nader dan het lachen.
+
+--En hoe bevalt je nu op den duur je nieuwe baantje, Marie?
+
+--Ik dank u d'r nog altijd wèl voor, meneer ...; 't bevalt me heel best,
+meneer ...
+
+--Nou, nou, je hoeft er niet om te huilen ... hoor eens Marie ... Hij had
+haar het kind te-ruggegeven, was opgestaan en had zijn linkerhand in
+zijn broekzak gestoken, met de rechter gestikuleerende ... zal je nu goed
+voor mijn jongen zorgen? ... zal je? ... Kijk me eens goed aan ... beloof
+je 't me? ...
+
+--Ja, meneer, zeker, zeker, ... ik beloof 'et u ...
+
+Toen ging Jozef langzaam wech.
+
+'t Was negen uur geworden.
+
+Nu kwam Dientje de werkmeid binnen met een dampende kop koffie voor
+Marie. Dientje had een breeden mond, dikke lippen en alles verder in
+haar gezicht was dik en klein; zij was leelijk maar goedig.
+
+--Hier, Mietje, zeî ze, koffie, ze is sterk, hoor, ... Pas op, bran je
+niet.
+
+Het kind lag in Maries rechter arm en met den linker slurpte ze de heete
+koffie.
+
+--Doet je dat nou geen goed, mensch? Ja, koffie, dat is altijd een
+heerlijke drank ...
+
+--Hoe laat drinken we koffie? vroeg Marie, terwijl ze den leegen kop aan
+Dientje te-ruggaf.
+
+--Om twalef uur; ... je moet tegen 'n uur of ellef maar 'es met Fik naar
+mevrouw gaan ... 't arme mensch.
+
+--Ja, wat is ze toch ongelukkig, hé?
+
+--Ze het wat uit te staan, hoor mensch, 'n ongeneesselijke kwaal, het de
+dokter gezeid ... Nou, nou, 't is voor meneer ook een slag geweest hoor!
+
+Dientje was met haar handen haar boezelaar aan 't verfrommelen. Zij had
+een groen japonnetje aan en een geur van schoon linnen bij zich.
+
+--Ja, zeî Marie, dat kan j'em dan ook nog wel aanzien ...
+
+--Och, hij houdt zooveel van mevrouw ... 't kon zoo'n best huwelijk
+geweest hebben! Maar wat zal je d'r an doen, de mensch wikt, maar God
+beschikt, zoo as ze zeggen ...
+
+--Ik zal nóu maar eens naar mevrouw toe gaan, zeî Marie.
+
+Mathilde zat op een leuningstoel aan de tafel, bij het raam. Haar
+teekengerei stond vóor haar. Zij steunde haar hoofd op haar hand
+en tuurde.
+
+--Binnen!, zeî ze, ... zoo, Mietje, ...
+
+--Hier is Fik, mevrouw ... Hij is al-door heel zoet geweest.
+
+--Geef 'em maar 'es hier, ik hoop dat ik 'm zal kunnen houden. Mathilde
+schoof zich met éen voet wat van de tafel en met een inspanning zette
+zij het kind op haar schoot en gaf hem flauwe zoenen. Zij hield hem lang
+tegen zich aan gedrukt, in een stilte, en had hem lief, met groote
+starre oogen. Zij had juist nu het gevoel van den dood, zoo als zij het
+dikwijls had tegenwoordig. Haar gezicht, in een ernst die het
+verouderde, dacht aan de toekomst. Zij had smartelijke gedachten, die
+zij aangenaam vond als mooye liedjes. Zoo zag zij altijd tegenwoordig op
+de binnenplaats vogels, die hun jongen verzorgden en voedden in den
+winter, in muurgaten, en zij vond pijnlijk dat zij dat haar kind niet
+ook kon doen. Zij dacht, of Jozef Felix wel goed zoû opvoeden en er een
+braaf en flink man van maken na haar dood. Toen werd ze moe, leunde meer
+in haar stoel, gaf het kind aan Marie te-rug.
+
+--Zie zoo, dag mevrouw ...
+
+--Kom je dan om een uur of vier van middag nog eens te-rug, Marie?
+
+--Ja zeker mevrouw, zeker.
+
+Mathilde hield er niet van in haar tegenwoordigheid door de menschen
+beklaagd en achter haar rug bepraat te worden. Daarom wilde zij geen
+visites hebben. Altijd werden de kennissen wechgestuurd met de
+boodschap, dat mevrouw belet had, dat mevrouw te ziek was. Mathilde
+wilde alleen zijn met haar ziekte. Later, als ze weêr gezond en flink
+zoû zijn, zouden de menschen haar wel weêr zien. De kennissen deden dan
+vergeefsche pogingen en bleven ten laatste van zelf wech. Alleen Marius,
+de kantoorbediende van Jozef, die anderhalf jaar geleden toen ook op hun
+feestje was geweest en dat gedicht op het huwelijk had voorgedragen,
+liet zich niet ontmoedigen, maar drong er onophoudelijk bij Jozef op aan
+toch éens het voorrecht te mogen hebben mevrouw in haar ongesteldheid te
+bezoeken. Jozef sprak er Mathilde een paar maal over. Eerst woû zij
+niet. Waarom die jongen eerder dan een ander? Jozef verhaalde dan, dat
+Marius gezegd had, dat hij hoopte mevrouw, die zich wel erg moest
+vervelen, misschien wat afleiding te kunnen bezorgen. Hij meende gemerkt
+te hebben, dat het in der tijd door hem voorgedragen gedicht mevrouw wel
+een beetje bevallen had; nu kon hij haar misschien nog iets voorlezen,
+of zoo. Mathilde lachte hij dat idee. Waarom hield die Marius toch zoo
+aan? Wat had hij toch? Had hij dan zoo'n medelijden met haar?
+Goeye jongen!
+
+Een dinsdag-middag na de Beurs werd Marius toegelaten. Onhoorbaar, als
+met een vinger van was, werd er op de deur van de ziekenkamer geklopt.
+Binnen! De kruk van de deur bewoog aarzelend en opende zich zoetjes met
+het geluid van een haastig, herhaald voeten-vegen. Zijn blonde hoofd een
+beetje gebogen, in zijn daagsch jasje, een breede versleten zwarten das
+onder een schoonen aan den hals rafelenden boord, kwam Marius met een
+linkschen stap binnen.
+
+Mevr ... hij kuchte, ... mevrouw, ik ben zoo vrij, om ...
+
+--Ik dank u wel voor uw belangstelling, meneer Marius, gaat u even
+zitten.
+
+--O, ... mevrouw ...
+
+Uit verlegenheid ging hij, langzaam neêrzijgend op een stoel, zich
+schamend en rood wordend over een gaatje in zijn schoenen, vlak bij
+Mathilde zitten.
+
+--Ja, mevrouw, ik woû eens komen vragen, hoe het met u gaat ... u is
+altijd zoo lief en goed voor ons geweest, mijn zuster zoû ook wel komen,
+als zij mocht ...
+
+--Ja, meneer, u begrijpt, ik heb veel rust noodig, en ...
+
+Hij viel haar in de rede:
+
+--O, mevrouw, maar ik zal heel zacht spreken, ziet u, ik begrijp heel
+goed, dat u het anders ... als men ziek is, niet waar, dan hindert de
+minste kleinigheid.
+
+De zin was er uit. Hij werd gloeyend rood om dat hij dat alles zoo juist
+achter elkaâr had gezegd. Hij wist niet wat hem overkwam om zoo
+plotseling met haar alleen te zijn. Hij trok zijn, van versletenheid aan
+de randen scherpe, manchetten over zijn handen tot aan den ondersten
+duimknokkel, dat hem pijn deed, om dat zijn handen daar ruw-rood waren
+van den winter. Met zijn groote, wijde, licht-blauwe oogen, met in 't
+midden van de appels een goud rontetje, iets als een verren vonk, bekeek
+hij haar verwonderd, terwijl de verlegenheid van zijn voorhoofd tot
+onder zijn haar steeg. Zij zag hem rustig aan en keek dan weêr naar het
+handwerkje, waarmeê zij bezig was.
+
+--U is erg vermagerd, u moet veel hebben uitgestaan, zeî hij snel en
+lachte bedeesd.
+
+--Ja, meneer, maar ik hoop, dat het nu gauw beter zal gaan.
+
+Hij keek om zich heen door de kamer, zonder iets te zien, als om zich te
+bedenken. Daarna zeî hij luid:
+
+--Kan ik niets voor u doen?
+
+--Ik dank u wel, meneer, u is wél goed, maar nee, ik dank u ... ik heb
+eigenlijk weinig noodig.
+
+Zij hielden zich allebeî stil. Mathilde begreep, dat zij nog iets zeggen
+moest. Zij liet haar werkje even op haar schoot liggen en zeî, met een
+welwillenden trek in haar gezicht:
+
+--Mijn man is erg te vrede over de bezigheden op het kantoor, ... ook erg
+over u ...
+
+--O, mevrouw, andwoordde Marinus verontschuldigend.
+
+--Ja, zeker, hij zegt, dat u het beste werkt van allemaal.
+
+--U zit hier zoo zonder veel zon en 't is zoo stil op de
+binnenplaats, ... mevrouw.
+
+--Ja, meneer, maar dat is juist het eenige, waarbij ik het kan
+uithouden. Veel licht en veel leven hindert me.
+
+--Kan ik niets voor u doen? vroeg Marinus weêr, iets voorlezen,
+bijvoorbeeld?
+
+--Ik wil zelf heel graâg iets lezen, als u mij iets leenen wil;
+voorlezen zoû mij wezenlijk wat te veel vermoeyen.
+
+--Mag ik u dan nog eens iets komen brengen?
+
+--Heel graâg ... maar, wil u ook iets drinken, een glaasje port of zoo,
+het is hier wel een treurig verblijf, waar als u wil ...
+
+Marinus stond op en, denkend te doen zoo als het hoort, bracht hij zijn
+stoel een eindje verder tegen den wand, waar die nooit stond.
+
+--Nee, mevrouw, ik dank u wel, zeî hij, maar ik moet weêr wech, ... u
+heeft ook rust noodig.
+
+--Nou, meneer, dan hoû ik me aanbevolen voor als u eens te-rug wil
+komen. Troost en medelijden doen altijd goed.
+
+Zij stak haar hand naar hem uit. Hij nam die half, daar hij er niet te
+ver in durfde gaan. Hierop boog hij tweemaal telkens op grooter afstand
+van Mathilde. Hij schopte in zijn verwarring tegen de deur, waar een
+klein butsje in kwam, en zeide: O, neem mij niet kwalijk, vaar wel,
+beterschap, mevrouw, beterschap ... dag, ... mevrouw.
+
+En zijn blonde, hoog stijgende haar verdween plotseling uit de kamer.
+
+
+
+
+XI.
+
+
+De dokter en de twee professoren hadden gezegd, dat zij niet goed
+wisten, wat eigenlijk de ziekte van Mathilde was. De geluiden, het
+suizen in haar ooren, de opvloeyingen van het bloed naar het achterhoofd
+en de hartkloppingen, waaraan zij leed, bewezen, dat zij iets aan het
+hart had, waarschijnlijk een vergrooting, waarmede zij geboren was, maar
+die na de bevalling zich pas ernstig openbaarde. Maar zij scheen ook een
+kwaal in het ruggemerg te hebben; zij had hevige pijn in den rug en
+zakte dan in-een, zonder recht te kunnen zitten. Er deed zich nog een
+derde verschijnsel voor: soms, tegen het einde van haar korte daagjes,
+als het weinige opzitten haar al zoo vermoeid had, vertoonden er zich
+zwellingen in haar beenen, tusschen de knie en de enkels. Dit was
+het water.
+
+--Waar zijn uw ouders aan gestorven? had de dokter eens, brutaal-wech,
+gevraagd.
+
+--Mijn moeder had iets aan haar hart, heeft mijn vader mij altijd
+verteld; waar hij-zelf aan gestorven is, weet ik niet precies.
+
+Mathilde werd zoo zwak, dat zij dikwijls weder dagen achter-een in bed
+bleef, zonder kracht, zonder lust om op te staan. Zij steunde zich met
+een appart hard kussentje in den rug, als zij overeind kwam om een
+beetje te eten. De dokter had gezegd, dat zij den aanstaanden zomer maar
+naar Scheveningen moest gaan; daarna had hij weêr van een hooge, een
+fijne lucht, het Gooi, gesproken. Jozef hield niet veel van buiten.
+Tegen den zomer, had hij gezegd, zouden ze er nog wel eens over spreken.
+
+Maar de kongesties naar het hoofd werden erger; zij veroorzaakten een
+bedwelming, met allerlei schemeringen, Nauwe en groene en gele kringen
+en vlekken voor Mathildes oogen. Als middel daartegen werden onder
+anderen eerst kompressen met karbol, later met ijs gevulde blazen, die
+verkoelden, gebruikt. Als het akelige stijgen van het bloed haar al te
+veel overweldigde, greep Mathilde zelf een brok druipend ijs uit het
+koperen emmertje, dat bij het ledikant stond, en drukte het stuk op haar
+haren, dat haar vingertoppen rood en blauw werden van koude tinteling en
+het water tappelings haar hoofd af in haar hals sijpelde. Maar Jozef was
+hier een ware hulp in den nood. Heel handig wist hij haar te helpen. Met
+zijn slanke, mooye vingers, kon hij de kompressen hanteeren, of haar met
+zijn ééne hand recht-overeind houden en met de andere het ijs op het
+hoofd drukken. Hij wist heel precies hoe hij haar moest behandelen, waar
+hij haar moest aanraken, om haar geen pijn te doen.
+
+Eens op een ochtend kwam hij binnen. Mathilde lag nog in bed. Hij hield
+een kleinen al opengemaakten brief in zijn hand.
+
+--Thilde, ben-je wakker?
+
+--Ja, wat is 'et?
+
+--Groot nieuws.
+
+--Wat dan?
+
+--Berlage is gister-avond gestorven.
+
+--De ouwe heer?
+
+--Nee, nee, Louis.
+
+-Och, heer, hoe is 't mogelijk! ... Hoe is dat zoo gekomen ... Nu is
+Emilie ook gauw weduwe.
+
+--Ja, hij moet een ongeluk hebben gehad. Ik heb hier een briefje van
+Emilie; waaraan hij gestorven is, zegt zij niet.
+
+--Ga dan maar dadelijk een visite maken ...
+
+--Ja, vin-je ook niet? Dat had ik ook gedacht.
+
+--Doe mijn komplimenten, hoor! Zeg, dat ik erg medelijden met d'r heb.
+
+--Ja. Wil ik je nog eerst even helpen?
+
+En hij verzorgde haar nog even vóor hij wechging, schikte de kussens
+goed, gaf haar in, deed alles met ijver.
+
+Mathilde was dien ochtend als lam wakker geworden. Zij had een
+onbegrijpelijk moe gevoel door haar hele lichaam. Toen Jozef te-rug was,
+zeide hij:
+
+--Ze is nog al niet erg gedrukt onder haar verlies. Er is hem op straat
+iets overkomen, een beroerte. Na den eten was ie gaan wandelen in het
+Vondelpark ... en ze hebben zijn lijk thuis gebracht.
+
+--Hè, God, dat is verschrikkelijk! ... En ze is niet éens erg bedroefd?
+Hè, ik ijs er van als ik er aan denk.. 't Is toch een vreeselijke vrouw,
+die Emilie ... Ik geloof, dat ze niets geen hart heeft.
+
+--Ja, maar hij, denk eens aan hem. Hij is er 't minst pleizierig an toe.
+Zoo jong te sterven. 't Is wel erg.
+
+--Ja, maar je weet niet hoe of me dat hindert, dat je zeit dat ze nog al
+gelaten is ... Ik vin 'et onmenschelijk! Hè, ik ril er van ... Kom eens
+even hier.
+
+Zij sloeg haar zwakke armen om zijn hals:
+
+--Jij zoû heel anders zijn als ik stierf, hè?
+
+--Wat een vraag ... En wat een gedachte!
+
+Gedurende eenige minuten omhelsden zij mekaâr.
+
+ * * * * *
+
+Drie dagen later zat Jozef, nadat hij alleen op het zaaltje gegeten had,
+in de binnenkamer, waar de groote glazen boekenkast stond, te rooken.
+Hij leefde nu al maanden akelig en naar. Dat kon niet langer. De trek
+naar al zijn jongeheeren-pleizieren van vroeger kwam dagelijks weêr meer
+in hem op. Wat had hij er in 's hemelsnaam aan gehad om te trouwen! Ja,
+hij had een geregelder en maatschappelijker leven willen gaan leiden.
+Zijn te lang durende jeugd had hem verveeld, hij was verliefd geweest,
+ja, en toen was hij getrouwd. En nu, daar zat hij nu, verlaten als een
+kluizenaar in een woestijn in zijn huis! Wat had hij nu? Een
+waarschijnlijk voor-goed zieke vrouw, van wier zuchtende en machteloze
+liefde hij nu al meer dan genoeg had, een klein schreeuwerig wicht, dat
+hem niet eens nog kende, met niets dan last en geen-een genoegen. Zijn
+hersens dorstten naar het rumoer van de straat, naar hel verlichte
+zalen, naar onverschillig eeuwig-grijns-lachende vrienden-gezichten. Hij
+had een gevoel alsof het tegenwoordige leven hem langzamerhand heel
+uitpompte en verdoofde. Hij maakte er zich driftig over. Hij was toch
+waarachtig niet van plan als een oud stil heertje nu verder door te
+leven tot alles gedaan zoû zijn! Hij keek denkend, zich bezinnend, in de
+rondte, en zag alles leêg en levenloos in de kamer. Het gas wilde niet
+eens branden. Dat was ook een ellende met die gasfabriek tegenwoordig!
+Hij zoû morgen weêr reklameeren.
+
+Wat zoû hij nu doen? Hij nam in Gods naam maar een boek: een
+geïllustreerd werk over China. Het verveelde hem. Hij sloot het dicht.
+
+Een week later, toen hij in de ziekenkamer de koerant zat te lezen,
+zeide hij:
+
+--Zoû je 't naar vinden, als ik weêr eens uitging?
+
+--Wat bedoel-je?
+
+--Zoo 's avonds naar de opera of zo.... een enkele keer ... zie-je.
+
+--Welnee, Jos, ik heb 't je immers zelf wel 'es gevraagd, dat te doen,
+ga gerust, dan heb je een beetje afleiding.
+
+Hij ging. Gedurende zijn afwezigheid was Mathilde bedroefd en bang, om
+dat zij zoo alleen in huis was. Maar zij wilde er zich met kracht en
+geweld tegen verzetten. Wel was 't haar goed, terwijl zij daar
+machteloos en ziek lag, te weten dat hij dáar was, dáar haar
+liefhebbende, hem daar onophoudelijk en vlak bij haar te voelen, altijd.
+Maar zóo kon 't niet altijd blijven, zij wist 'et wel. En daarom was 't
+maar goed, dat hij gegaan was, heel goed. Hij had wezenlijk niet aan
+haar verdiend, dat ze hem zich nu zoo liet dood kniezen in den duffen
+dampkring van haar slaapkamer. Een bewustzijn sloop nu haastig bij haar
+binnen, dat zij schuld had aan haar ziekte. Zij verweet zich-zelve hun
+beider ellendig bestaan van nu. Waarom was ze ook ziek geworden? Waarom
+was zij ook in bed gaan liggen? Kom, het was misschien maar gekheid,
+maar inbeelding. Wanneer zij zich er toe dwong, zoû ze misschien op
+kunnen staan en in eenige dagen weêr gezond zijn, door dat sterk te
+willen. Hij zoû dan niet alleen uit hoeven te gaan. Zij zoû altijd en
+overal hij hem zijn, hem altijd, altijd vergezellen, zoo als het hoorde.
+Zij wilde het dadelijk probeeren. Kom, het ging al. En, aan haar dwazen
+inval toegevend, richtte zij zich met geweld op, door den steun van haar
+armen. Krachteloos viel zij weêr neêr en lag van zwakte half te slapen
+toen Jozef thuis kwam om twaalf uur.
+
+De kongesties, die naar Mathildes hoofd stegen, hielden nu zoo aan, dat
+er soms een half uur achter mekaâr telkens nieuwe ijskompressen op
+gebonden werden. Den eersten avond dat 'et gebeurde, deed de heftige
+reaktie Mathilde zoo'n pijn en had zij zoo'n duizeling, dat zij met haar
+handen de kompres naar beneden rukte, die Jozef voorzichtig op haar
+hoofd had gelegd. In 't vervolg lieten zij nu Marie er ook bij komen, om
+te helpen.
+
+Het was zeven uur in den avond. Jozef had, om zich van zijn groeyende
+verveling te verstrooyen, aan tafel twee halve fleschjes fijnen, zwaren
+wijn gedronken in plaats van éen. Mathilde zat op in bed, in een hevigen
+aanval van hartklopping en koortsige bloedstijging. Haar gezicht was
+lichtelijk rood gekleurd, haar oogen gloeiden, zij beefde sterk. Marie
+stond rechts van het breede ledikant, aan den deurkant, Jozef stond
+links, in het doorgangetje, tusschen het ledikant en het behangsel. Zij
+hielpen Mathilde, schikten het beddegoed, deden haar nachtjapon goed,
+werkten met de kompressen. Het lamplicht schoot telkens over Marie heen,
+als zij weêr recht op ging staan en haar armen naar zich toenam, na over
+het bed heengebogen te hebben, bewegingen makende, tastende om mevrouw
+bij te staan. Jozef keek naar Marie, zoo als zij dan telkens in
+blank-gele en licht-roode tinten door de lamp beschenen werd en zich dan
+weder in de groenige duisternis van het ledikant bewoog. Een vreemde
+lust beving hem. Hij voelde een komende stormwind opruischen door zijn
+leden. Hij opende breed zijn oogen en staarde, werktuigelijk doorgaand
+met het strikken van de doek, waaronder de kompres boven Mathildes hoofd
+vastgemaakt werd. Marie hield met haar twee handen het hoofd stil en de
+kompres er op. Jozef maakte den strik. Dan raakten zijn vingers Maries
+pols. Een sekonde bezat hij zich zelf niet meer. De strik viel los. Hij
+had met zijn hand Marie aangevat. Hij drukte zijn vingertoppen tegen
+Maries arm. Marie schrok hijgend, verrast, wilde haar hand te-rugtrekken.
+
+--O, God, ik kan niet meer! zuchtte Mathilde, die in haar kussen
+te-rugzonk.
+
+Oogenblikkelijk was Jozef weêr bij zijn zinnen.
+
+--Wat doe je nu toch, Marie? zeî hij, je houdt de kompres niet goed
+vast.
+
+Marie liet niets merken en de kompres werd vastgestrikt. Marie had niets
+begrepen; zij had zich zeker vergist, dacht zij.
+
+Mathilde had alles begrepen. Toen zij alleen was, bekende zij het
+zichzelf. Haar gemoed was verbrijzeld. Zij begon met wezenloos rond te
+zien en met haar handen haar hoofd te betasten. Hierop moest zij zich
+langzaam, zoetjes aan, rekenschap probeeren te geven van wat er gebeurd
+was ... Jozef stond dáar, Marie dáar, er was iets tusschen hen gebeurd.
+Hij had haar aangeraakt. Hij was haar, Mathilde, ontrouw geweest.
+Ontrouw? Ontrouw? Ja, dat was het woord, waarmede zij dikwijls in boeken
+de handeling had genoemd gevonden, die Jozef nu daar-zóo tegen haar had
+gepleegd. Neen, hoe was het ook weêr gegaan? Die man, wat toch "die
+man"? Het was toch Jozef geweest! ... Jozef! ... Jozef! ... Een man had
+daar gestaan, was met zijn hand over haar heen gegaan ... Een man ... O,
+God, o, God, waar ben ik? wat is er! ... Ik word gek!... Wat was dat toch?
+Een vreemde wind uit de hel, die voorbij is gegaan ... Er is iets wech,
+er is iets van me wechgegaan! O, God, waar is 'et, waar is 't gebleven?
+Er is iets leêg geworden, hier, van binnen in me, in-eens, heelemaal,
+'t is wech, wech, mijn leven is wech ... voor altijd wech ...
+
+Als een krankzinnige sprak Mathilde luid in de eenzaamheid. Zij was
+zonder het te weten uit haar bed opgestaan, en rilde over de vloer,
+op haar bloote voeten. Zij wandelde door de kamer en bevoelde de
+voorwerpen, om te weten of zij bestond. Zij ging zitten op een stoel,
+als om bedaard over de een of andere zaak na te denken, die haar
+bezig-hield. Zij stond weêr op en deed allerlei onverschillige dingen,
+alles vergeten hebbende, als of zij plotseling, in een minuut, in een
+andere vrouw was overgegaan, een gewone vrouw, die niets deerde, en die
+de zaken van haar huis in orde schikte. Haar angst was volkomen; daarom
+leî ze haar peignoir goed, die van den rug van een stoel was afgevallen,
+bekeek de kleine dingetjes, die zij, als zij naar bed ging, altijd uit
+de zakken van haar japon nam en op de tafel leî: een notitieboekje, een
+goud potloodje, een speldekussen, bekeek ze een voor een, alsof het
+geheimzinnige onbekende zaken waren, voorwerpen uit een andere wereld,
+bekeek ze met een koel-opmerkzaam gezicht. Hierna ging zij bij de tafel
+zitten, haar eene hand in haar haar, de andere onbewegelijk op haar
+schoot. Als een van mensch tot beeld bevroren wezen, bleef zij roerloos.
+Haar oogen knipten snel heen en weêr. Zij herkende de plaats niet, waar
+zij was. Het scheen haar, als was ze daar plotseling in een kamer
+neêrgegooid van een pas nieuw getimmerd huis, dat nog wrak stond, waarin
+de wind vrij speling had, dat elk oogenblik in kon storten. Zij was
+alleen, heel alleen. Zij sprak een taal, die niemant verstond. Zij
+huilde tranen, en niemant wist waarom. Iedereen was haar vreemd; zij was
+vreemd aan iedereen. Daar waren een massa menschen in de rondte, ver
+beneden haar, die lachten en praatten, maar niemant, die haar zag. Die
+man, die éene man, ging ook voorbij ... zij zag zijn achterhoofd ... hij
+keek niet naar haar om.
+
+Nu begon Mathilde zachtjes te hijgen. Haar oogen draaiden dan naar
+rechts, dan naar links over de tafel. Zij luisterde. Alles was stil.
+Niet het minste gerucht steeg op over de trappen, naar boven. Allen
+waren dus wechgeloopen en hadden haar alleen gelaten. Zij zag in haar
+verbeelding Jozef de trap afgaan, hij keek niet, hij daalde altijd lager
+de trap af, hij keek niet om; daar waren andere, onbekende trappen, die,
+naar de laagte, voortdurend elkaâr opvolgden. Jozef daalde altijd
+dieper, het werd klein, eng om hem heen; die trappen schenen in een
+eindelozen koker in het diepste van de aarde uit te komen. De muren, die
+om de trappen heen waren, werden grijs; een mist hing om Jozef heen. Hij
+daalde voortdurend met denzelfden kalmen tred, zonder éens naar haar om
+te zien, hij daalde, daalde altijd, Hij verdween in een ver-vreemd oord,
+voor altijd van haar wech. Mathilde zag 't zóo duidelijk; daar, vlak
+vóor zich, in haar onmiddellijke nabijheid. Zij had haar hand uit haar
+haar genomen, en hield, met de elleboog op tafel steunend, haar hand, de
+vingers wijd van-een, op eenigen afstand van haar over de figuren van
+het tafelkleed brandende oogen, om haar verdriet te genieten; zoo als
+een prentenliefhebber, die nauwkeurig een zeldzame plaat bekijkt. Daarna
+stond zij op, ging bedaard weêr naar bed en sliep vast tien uur lang,
+zonder éens wakker te worden.
+
+Mathilde zeî aan Jozef geen woord van haar ontdekking. Dat zij zoo
+verbazend stilzwijgend werd, dacht hij dat van haar ziekte kwam.
+
+Mathilde beterde nu hoe langer hoe meer. De kwaal bleef, maar zij mocht
+opzitten den heden dag, en kwam ten laatste zelfs beneden; maar den
+eersten keer deed zij er vijf minuten over, om van de slaapkamer naar de
+binnenkamer te komen.
+
+ * * * * *
+
+In het begin van Maart was op verzoek van Jozef Emilie Berlage-Hartse op
+de koffie gevraagd. Emilie voelde zich tegenwoordig zóo verlaten! In
+haar rouwtijd kon zij niet uitgaan, zij, die zooveel hield van zich
+overal in het publiek te vertoonen. Nu moest men haar zoo'n klein
+pleiziertje aandoen, trachten haar een beetje te verstrooyen. Zooveel
+práatte zij ook niet. Haar tegenwoordigheid zoû Mathilde niet vermoeyen.
+
+Jozef was weêr een tijd trouw thuis gebleven. Geregeld, als een
+liefdezuster, stond hij Mathilde ter zijde. Hij had zich-zelf verwenscht
+om dien éenen keer, dat hij Marie zoo had aangeraakt. Hij wilde het
+boeten, en deed het. En vooral in deze dagen voelde Mathilde hoe vol
+haar hart van hem was en wát zij leed. Het was twaalf uur. Tegen half
+éen werd Emilie Berlage verwacht. Over de tafel lag een damasten servet
+met franje. Twee karaffen, de eene met rooden wijn, de andere met blauw
+en bleek water, stonden op zwarte flesschenbakjes met randen van
+nagemaakt zilver, op de tafel. Een verlakte broodbak, met dof-gouden
+ingedrukte bloemen en bladen, uit liet huis-houden van Mathildes vader
+afkomstig, stond in 't midden. Verder zouden door Dientje twee warme
+schotels op komforen worden binnengebracht; er stonden ook nog twee
+schoteltjes met koud vleesch, éen met beschuitjes en éen met kaas. De
+burgerlijkheid van de familie de Stuwen loste zich zoo op in de meerdere
+voornaamheid, die door Jozef in het huishouden was gebracht. Mathilde
+zat in haar ochtendjapon, haar haar zoo'n beetje opgemaakt, vóor de
+tafel, botrammetjes te smeren. Jozef zoû zoo met-een van 't kantoor
+komen. Dientje, met een ernstig opmerkzaam gezicht, kwam binnen om nog
+'t een en ander in orde te brengen, te schikken: een vork, die zij naast
+een bordje vergeten had, een vingerdoekje, dat scheef lag. Ook trok zij
+herhaaldelijk, met een krachtige getemperde beweging van haar vingers,
+aan den rand van de tafel, het servet naar zich naar zich toe, om de
+rimpels er uit te krijgen.
+
+--Heeft u nou alles, mevrouw? vroeg zij.
+
+--Ja ... dan breng je het vleesch binnen, als wij beginnen, hè?
+
+--Jawel, mevrouw.
+
+Eer Jozef nog thuis was, kwam Emilie. Zij had wat borduursel beneden aan
+den rok van haar effen zwarte japon. Zij was erg druk en erg lief. Al de
+woorden, die zij gedurende de dagen van haar eenzaamheid niet had kunnen
+spreken, daar zij niemant had ontmoet, stroomden nu uit haar mond. Hoe
+aardig, hoe recht vriendelijk was 't van Mathilde, er aan gedacht te
+hebben haar in haar droefheid een afleiding te bezorgen! En Mathilde-zelf,
+hoe maakte zij het toch? Emilie had zooveel onrustbarende tijdingen over
+haar gehoord, dat 't haar bepaald goed deed Mathilde eens in eigen persoon
+te kunnen ontmoeten. Ging zij wezenlijk beter? Zoo, zoo! dat deed haar
+ontzachlijk veel pleizier. Ja, de dood van den goeden Louis, Emilies man,
+was als een plotselinge donderslag op haar neêr gekomen. Zij had zooveel
+geschreid, dat zij geen tranen meer over had. 't Was iets verschrikkelijks
+in den waren zin van het woord, zoo vroeg weduwe te worden Zij was bepaald
+overstelpt geweest. Die goede Louis. och, die goede Louis! Wat bleef haar
+nu over? Niets. Zij was alleen op de wereld. Dat was ook de titel van een
+roman: "Alleen op de wereld!" had Mathilde dien wel eens gelezen? Zoo,
+nooit? het was toch werkelijk een mooi boek. Wel de moeite waard. Och,
+maar, aan zulke zaken dacht zij nu waarlijk in 't geheel niet. Zij
+herinnerde zich het werk alleen van vroeger. Maar Jozef zoû het wel kennen.
+Die beste meneer Jozef! Waar was hij? Zeker op 't kantoor? Ja, zoo'n
+ijverig man. Altijd was hij in de weêr, van alles op de hoogte, voor alles
+te vinden. Altijd tot dienst bereid. Iedereen hield veel van hem. Zij had
+ook zeer geappreciëerd, dat hij haar zoo dadelijk na haar verlies een
+visite was komen maken. Wat een mooi tafellaken had Mathilde hier! Zeker
+nog uit den boedel van den ouden heer. Hoe aardig, van 't zelfde patroon
+als de vingerdoekjes! Zij bleef voorloopig maar wonen in het tot nu toe
+door haar man en haar bewoonde huis. Och, waarom ook niet? Het was wel wat
+groot voor haar alleen, maar op die manier kon zij het meest en het best
+in gedachte nog met den dierbaren afgestorvene verkeeren.
+
+Mathilde hoorde Emilie aan, zonder er iets tusschen te mengen, met
+bleeke glimlachjes van bevestiging en deelneming, de ringen van haar
+vingers op en neêr schuivend om Emilie niet bewegingloos aan te kijken.
+Deze eerste rollende woordenroffel aan haar oor, na al de maanden van
+stilte en afzondering, deden een hinderlijk gesuis in haar hoofd
+ontstaan. Tusschenbeide voelde zij aan haar slapen iets kloppen, met
+lichte tikjes.
+
+Toen Mathilde geen andwoord vond, wilde Emilie doorgaan. Zij had nog
+duizenderlei dingen op haar hart, die zij behoefte had uit te storten,
+maar juist kwam Dientje binnen, met het vleesch.
+
+Er was even onaangename stilte tusschen de dames, terwijl Emilie Dientje
+bekeek. Mathilde zeide:
+
+--Je had 'et nog niet binnen moeten brengen, niet vóor meneer er was,
+meende ik.
+
+Toen Dientje de deur open deed om weêr wech te gaan, hoorden de vrouwen
+het sleuteltje van Jozef in het voordeur-slot bewegen. Met een slag en
+een dreun, een lichte rilling van het voordeurglas en een kuch van
+Jozef, trad hij door den gang. Zij hoorden nog het gemoffel van zijn
+overjas, dien hij aan den kleerenstandaard hing, den stamp van zijn
+paraplui dien hij daaronder zette.
+
+Emilies bovenlip en de gedeelten van haar gezicht om haar neus heen,
+trilden onmerkbaar, zij keek, afwachtend, naar de kachel, die begon te
+gloeyen, terwijl haar handen met haar zakdoek speelden. Een hoog
+zongeschitter schoot van de binnenplaats af door het vertrek. Een
+verfrissching huiverde door de kamer; langzaam, kalm, koel,
+verscheen Jozef.
+
+--Kom ik te laat?
+
+--Juist bij tijds, zeide Mathilde.
+
+Jozef had nu een lichten lach. "Mevrouw!" zeî hij tegen Emilie en boog
+even met zijn hoofd, met een voorwending van ernst om de droefheid van
+Emilie. Daarna ging hij tot vlak bij Emilie, terwijl zijn voet stootte
+tegen den poot van een stoel en Emilie half opstond om zijn hand te
+drukken, warm van de pas uitgetrokken handschoen. Hij ging naar Mathilde
+en zoende flauwtjes haar voorhoofd.
+
+--Hoe gaat 'et? vroeg hij met een lieve erg gemeenzame-stem.
+
+Nu dejeuneerden ze. Mathilde at bijna niets. Emilie vertelde wat een
+last zij had van een kleinen hond, die Louis maar niet vergeten kon en
+overal zijn meester zocht. Mathilde leî snel haar vork, met de tanden
+naar beneden, op haar bord boven het plasje vettig-bruine saus,
+waaromheen zich een dun rondje geel vet kringde, en te midden waarvan
+een stukje hoog gezwollen roode biefstuk zich verhief. Zij stond op, zij
+was onwel. Zij was nog te zwak, zeide zij. Emilie moet het niet kwalijk
+nemen. Zij wilde naar haar slaapkamer te-rug.
+
+Jozef stond op, zijn handen aan de tafel, met zijn vingers zijn
+vingerdoekje tot een knoest drukkend, aarzelend zonder besluit.
+
+--Drink 'es, zeî hij eindelijk.
+
+--Nee, dat is 'et niet. Ik heb alleen maar rust noodig.
+
+--Nee, mevrouw, maar, blijft u ... ik moest toch vroeg naar huis, zeide
+Emilie.
+
+--Nee, nee, ik verzoek u te blijven, houd u mijn man nog een beetje
+gezelschap.
+
+Mathilde was bleek van opkomende benauwdheid. Haar blikken dwaalden,
+alsof zij ergens zocht, wat er nu met haar gebeuren zoû.
+
+Jozef bedacht zich, hij keek Emilie aan als om haar te vragen, wat zij
+dacht, dat hij nu moest doen. Daarop wilde hij, dat Mathilde zijn arm
+zoû nemen.
+
+--Steun op me, dan zal ik je naar boven brengen.
+
+Vijf minuten later was Jozef te-rug. Emilie gaf haar ontsteltenis te
+kennen. Het was dan zoo erg! Dat had zij nooit kunnen denken. En zij
+verhaalde, haar oogen op den biefstuk op haar bord, van een van haar
+ooms, die twintig jaar lang heelemaal in afzondering had moeten leven,
+om dat het minste geluid, het kalmste gesprek hem benauwde. Telkens had
+zij een zweem van een onderdrukt lachje om haar mond, als zij haar oogen
+opdeed en Jozefs blik ontmoette, die uit beleefdheid roerloos luisterde,
+om hem met een gebaar iets duidelijk te maken in haar verhaal.
+
+Mathildes stoel stond scheef, een eindje van de tafel, geschoven, haar
+vingerdoekje lag er verkreukeld op. Haar glas water en wijn stond half
+vol voor haar bord; zachtjes lekten kringetjes vocht in het glas van den
+rand naar onderen, omdat zij pas gedronken had. Er was een leegte
+tusschen Mathildes plaats en de deur, alsof zij maar even was
+heengegaan, om terstond te-rug te komen. De hitte van de kachel werd
+erger. Er beefde een onvolledigheid door de kamer, die maakte, dat Jozef
+en Emilie zich niet op hun gemak voelden. Als Jozef haar nog van de
+spijzen aanbood en zij aannam of bedankte, als hij haar een schotel
+overreikte of haar nog inschonk, was er iets kils, een haperende
+zachtheid in hunne stemmen. Eens vatte zij een schotel niet handig
+genoeg aan, waardoor er bijna iets gevallen was. Dit veroorzaakte een
+verlegenheid tusschen hen beiden. Haar rouwkleed vervreemde hem
+eenigszins van haar. Hij zag niet graâg dat zwarte achter zijn glansend
+witte tafellaken.
+
+Toen zij eindelijk, in de wasemende stilte van het gedane déjeuner, met
+een gekraak van haar stoel over de vloer, opstond om heen te gaan, zeide
+hij zijn eerste beleefdheid:
+
+--Zou ik u nog eens mogen komen opzoeken?
+
+--O, dat zoû ik zoo graâg zien, andwoordde zij gemaakt luchtig, ik ben
+zóo alleen.
+
+Haar rijtuig wachte al voor de stoep. Zij hield er niet van met dien
+langen kaper te voet over straat te gaan. Zij reed ratelend wech. Jozef
+stak zijn hoofd even in de kamer, waar zij zoo even gedéjeuneerd hadden,
+als om te zien of zij niets vergeten had. Er was een geur van zwarte
+glacé handschoenen en een doffe zakdoekreuk gebleven. Daarna ging hij
+langzaam de trappen, op naar Mathilde. Hij dacht er over, dat Emilie
+volstrekt niet naar Felix had gevraagd.
+
+
+
+
+XII.
+
+
+Jozefs verveling vermeerderde met den dag. Zij steeg tot in zijn keel.
+Zijn eetlust zelfs verloor hij bijna. Dat was een geslenter en geslof
+over de trappen, een even stilstaan in de gang en weêr in de binnenkamer
+en er weêr uit, dat niet langer duren kon. Hij kreeg een zekere matheid
+door zijn leden. Hij dacht aan zijn mijmerijen over huwelijksgeluk, die
+zich een voor een hadden opgelost in de eentonigheid der witte muren van
+den gang en in de donkerte van de ziekekamer. Een groote spijt over zijn
+verloren vrijheid drong zoetjes bij hem binnen. Wat had hij toch
+begonnen? Zoû zijn leven nu zóo voortgaan tot aan het einde? Zijn armen
+hingen loom langs zijn lijf. Hij pruilde in eenzaamheid. 's Avonds voor
+dat hij naar bed ging en 's nachts in zijn slaap spookte Marie door zijn
+geest. Langzamerhand won de grijze verveling al de kleine dingen, waarin
+hij, behalve in Mathilde, tot nu toe belang had gesteld. De
+geïllustreerde tijdschriften, waarop hij zich geabonneerd had, bleven
+onopengesneden liggen. Hij wilde zich dwingen met aandacht boeken over
+natuurkunde, werken van dichters en romans te lezen, maar het ging niet.
+Een ijlheid, een walging voer door zijn leden. Op die manier was het
+leven onmogelijk. Alleen verdiepte hij zich nog in de aan zijn toilet
+besteedde zorgen. Aan zich zelf overgelaten, groeide zijn ijdelheid. Hij
+bestelde nieuwe pakken hij den kleermaker, stond zich voor zijn spiegel
+te verstrooyen met het aanpassen van overhemden en boorden, bracht een
+half uur door met de kleur van een das te overwegen. Eens kwam hij 's
+middags op Mathildes kamer, en vond haar geknield liggen bidden. Toen
+zij ophield om hem aan te kunnen hooren, zeide hij:
+
+--Ik dacht, dat je God vergeten was.
+
+--Zeg dat niet, Jozef, ik bid voor Felix.
+
+Hij was gaan zitten en keek, of de velletjes onderaan zijn nagels wel
+genoeg naar beneden gedrukt waren. Toen sprak hij zijn voorhoofd
+fronsend en zijn kin achteruit drukkend, half uit gekheid:
+
+--Ben-je nu van plan altijd ziek te blijven, lieve kind?
+
+--Dat weet ik immers niet, andwoordde zij, laten we het beste hopen.
+
+Naarmate Mathilde zich wendde aan haar ziekte, verlevendigde de gedachte
+aan God zich in haar. Zij voelde zich langzaam, meer en meer zacht-vroom
+gestemd worden. Zij voelde in haar wezen, terwijl zij haar pijnen
+doorstond, dat God er was om haar te troosten. Hij was daar, achter
+haar, boven haar hoofd, in de gordijnen en in den hemel van het
+ledikant. Maar het was geen wezen, geen omlijnde persoonlijkheid meer
+zoo als de God van haar jeugd. Het was iets onzichtbaars, iets als een
+wolk, een trilling van eindeloze goedheid en opperste troost, die
+zachtjes, bij kleine vermeerderingen, tot haar nederdaalde. Wanneer, met
+een heftigen sprong, het denkbeeld in haar hersenen stootte om terstond
+order te geven, dat Marie heen zoû gaan, was die God daar voor een
+beletsel, onoverkomelijk. Marie moest blijven, Marie was goed voor
+Felix, Jozef zoû geen kwaad meer doen. Wanneer zij in haar verbeelding
+Jozef en Marie samen zag elkaâr liefkozend, en zij bij die samenkomst
+heel vergeten werd, en zij zag hem haar aanpakken, haar zoenen, dan
+straalde van dien God een ontkenning uit, voor de gestalten van Jozef en
+Marie heen. Hoorde zij 's nachts in haar verbeelding iets als zachte
+mannenstappen naar boven gaan over de trap, dan moest zij zich
+vergissen. Jozef was alleen, Marie was alleen. Een troost, die van links
+en rechts zachtjes aanwoei maakte haar kalm. Dan sprak zij die
+wezenlooze beschermende macht aan met de woorden, die haar van vroeger
+waren bij gebleven: O God, o Heer, o Jezus, ik dank u.
+
+Mathilde besloot het verdriet, dat zich door geen nieuwe vermoedens
+verlevendigde en dat zich verkleinde, te verdragen. Zij zoû wachten tot
+zij beter werd, om weêr op nieuw gelukkig te zijn.
+
+Het zoû langzamerhand lente worden. Dokter Hansen hield nu lange
+gesprekken met Jozef over het naar buiten gaan van Mathilde. Na dat de
+dokter, met zijn kort hondenneusje en rimpelig in-een-geduwde handjes,
+allerlei raadgevende en verklarende bewegingen had gemaakt, was er
+besloten, dat de zieke in Hilversum zoû gaan herstellen. Het dorp lag
+hoog, de lucht was er fijn. In den omtrek waren wel geschikte huizen,
+ook villaas, te koop of te huur. Dokter Hansen schreef aan den dokter in
+Hilversum om naar een geschikte woning voor Jozef uit te zien.
+
+Mathilde woû eerst niet. Zij zoû 't nooit doen, nooit, of Jozef moest
+zijn zaken aan kant doen en ook voorgoed daar komen wonen. Want, zich
+van Jozef scheiden nooit! Jozef, die zich er altijd iets op voor liet
+staan uitmuntend met vrouwen over weg te kunnen, had een heel krijgsplan
+gevormd, om Mathilde over te halen. Hij begon met alles toe te geven,
+wat zij woû. Neen, zij zouden samen voor goed daar gaan wonen, winter en
+zomer. Hij sprak zelfs, al schertsend, van op die manier heelemaal een
+landedelman te worden. Maar tegelijk, terwijl de tijd vorderde, kwam hij
+minder geregeld thuis om één uur 's middags: de zaken breidden zich zóo
+uit; hij moest noodzakelijk langer op het kantoor blijven zeide hij. In
+Mathilde was gedurende haar ziekte een oude herinnering, een van haar
+vader overgenomen belangstelling in geld, in aangelegenheden waarbij
+rekenen te pas kwam, opgeleefd, en zij stelde meer dan vroeger belang in
+de zaken van haar man. Zij vroeg wel: hoe gaat 'et op 't kantoor? Zijn
+er vandaag weêr nieuwe kommissies gekomen? Toen het nog veertien dagen
+was vóor zij naar buiten zoû gaan, stemde zij er in toe, dat Jozef zijn
+zaak aanhield. Zij zoû dan probeeren éen zomer alleen in Hilversum door
+te brengen, Jozef zoû elken dag met den Rhijnspoor-trein van drie uur
+naar Vreeland komen, zoo dat hij vóor vijven in Hilversum kon zijn en
+zoû elken ochtend om half acht met de diligence, die direct van
+Hilversum op Amsterdam reed in een groote twee uur, weêr te-ruggaan.
+Heel goed, uitstekend! ja, zoo zoû het gaan.
+
+In dien tijd maakte Jozef, met een netjes ingepakt boek in den binnenzak
+van zijn overjas, een visite hij Emilie Berlage. Hij gaf haar het boek
+te leen: een fraayen roman, waarvan de handeling in Egypte voorviel. Zij
+moest in lektuur wat afleiding zoeken. Emilie was, terwijl zij hem zoo
+in haar huis ontving, veel meer op haar gemak dan gedurende het
+dejeuner. Zij las een brief voor, dien zij van den ouden heer van Riet,
+haar voormaligen voogd, die na haar huwelijk met zijn vrouw in een
+duitsche badplaats was gaan wonen, had gekregen en door de beide oude
+lui van Riet onderteekend was. Jozef maakte de opmerking, dat 't wel
+jammer was, dat zij hén nu ook miste, die haar in de gegeven
+omstandigheden anders van zooveel troost had kunnen zijn. Emilie liet
+aan Jozef haar hondje zien: een prachtig zij-harig wit en rose beest,
+dat dadelijk Jozefs handen likte. Terwijl dit gebeurde kwam er een
+warmte tusschen Jozef en Emilie. Zij zagen beiden naar den hond met
+verliefde blikken.
+
+--Een aardig dier! zeî Emilie, en hij kan Louis maar niet vergeten. Zij
+riep "Kastor" en aaide zijn rug, met een mooye buiging van haar hand.
+
+Dezer dagen kwam de tijding, dat door den dokter van Hilversum, een
+buitentje voor Jozef gekocht was, heel aardig, gelegen aan den
+'s-Gravelandschen weg, voor veertien duizend gulden. Jozef reisde nu
+verscheiden malen heen en weêr, tot dat alles daar buiten in orde was,
+altijd met de spoor naar het station Loenen-Vreeland, waar hem dan een
+wagentje uit Hilversum kwam afhalen. Daar dokter Hansen altijd
+nadrukkelijker verzekerde, dat Mathilde in de fijne hooge lucht van het
+Gooi gauw herstellen zoû, bepaald spoedig, begon zij met een koortsige
+drift naar dat buiten-zijn te verlangen. Vóor ze ging, kwam Emilie
+Berlage haar een afscheidsvisite maken. De dag van het vertrek was een
+van de eerste wezenlijke lentedagen.
+
+Om dat Mathilde te zwak was om de vermoeyenis van het gejaagde en het
+schokken van de spoor te verdragen, was er besloten, dat zij de heele
+reis van Amsterdam naar Hilversum per rijtuig zoû doen. Alleen Marie en
+Felix gingen met haar meê. Jozef zoû wel denzelfden dag ook komen, maar
+zij wilde volstrekt niet dat hij dien vervelenden langen tocht in het
+rammelende rijtuig meê zoû maken.
+
+Om elf uur in den ochtend kwam het rijtuig voor. Het was een oude
+barouchet, een van de weinige, die er nog in Amsterdam waren, maar
+volgens den stalhouder was dit het zachtst rijdende van al zijn
+rijtuigen. Mathilde, die in zóo lang niet in de frissche lucht was
+geweest, kreeg op de stoep bijna een duizeling. Zij zag de heele
+omgeving, de huizen aan d'overkant, het zwart-groene water van de
+gracht, de boomen langs den wallekant met hun groote verwarring van pas
+uitbottende aarzelend groene sprietjes, en het rijtuig met de twee
+schonkige paarden, dat een leelijken donkeren prop scheen te midden van
+de wasemende wit-en blauwheid van de lucht, zij zag alles in breede
+lijnen golven, zoo als men over een erg warme kachel heen het de
+voorwerpen in de kamer ziet doen. Het geruisch van de straat hier en het
+doffe geraas van de drukke buurt uit de verte scheen door alle poriën
+van haar huid te dringen, alsof het uit een emmer over haar heen
+werd gestort.
+
+De mengeling van geluiden, die, hij het opengaan van de voordeur, haar
+in-eens bedwelmde, verdoofde haar éene oor, zoo dat zij een inwendig
+aanhoudend schel gefluit hoorde, als of; wél in haar hoofd, maar toch in
+de verte, een lokomotief floot. Daarbij scheen 't als kwam er een
+zegening uit de hooge lucht over haar, als ging zij een nieuw leven
+tegemoet, als wuifde, in onzichtbare luchtdelen van den grond een
+gelukstoestand naar haar op, onder haar rokken in haar lichaam dringend,
+en uitwendig haar bekruipend tot aan haar hals, tot over haar gezicht.
+Maar de lucht was sterk en zij moest haar oogen neêrdoen, waaronder nu
+het bleeke blauw van de stoepsteenen, met zijn vele krijtige witte
+vlekjes, scheen te dalen en te rijzen. Marie was vlak achter haar en
+maakte, de armen vooruitstekende, bijna volvoerde gebaren, om haar te
+steunen. Terwijl Mathilde haar dof-stoffen schoen zonder hakje op het
+treetje van het rijtuig zette, vroeg de koetsier, die het portier
+vasthield, met zijn groven, aan den toestand vreemden, toon, Mathilde
+met zijn hand onder haar elleboog helpend, of de tollen nú of op zijn
+te-rugrit betaald moesten worden Dientje had een kanapeekussen tegen den
+rug van het rijtuig gelegd, op de achterbank. Hiertegen zeeg Mathilde
+neêr, haar oogen dicht, om even te bekomen. Daarna tilde Dientje Felix
+op de voorbank, waar Marie naast hem ging zitten. De witte schoenen van
+het kind staken vooruit op de bank. Dientje zeide:
+
+--Nou, mevrouw, goeye reis, hoor, goeye reis!
+
+Zij bleef met haar stijf glimmend witte boezelaar, onbewegelijk
+glimlachend, als een pop tegen de bruin-groene deur staan, tot dat de
+barouchet wechreed. Hobbelend en kletterend ging het rijtuig voort. De
+venstertjes in de portieren dansten in de schommeling van de rijtuigkast
+op en neêr. De voordeuren, onderste vensters en reepen muur van de
+huizen schoven in voortdurende opvolging voorbij als een reeks
+aaneengevoegde tooneel-achtergronddoeken, van boven afgebroken door de
+zoldering van het rijtuig. Op den hoek van het Koningsplein zag Mathilde
+de versleten hoog-ronde hoed van Marinus de Beer, die erg keek en diep
+groette; in de speling van het glas weekten de vormen van zijn haar
+ineen, alsof het vloeibaar was. Toen deed Mathilde haar oogen weêr dicht
+in de krachteloosheid, die haar beving en, mijmerend over Jozef, die
+van-avond komen moest, sluimerde zij half.
+
+Buiten de Muiderpoort, over den weg naar Diemerbrug, hoste het rijtuig
+vreeselijk. De boomstammen sprongen telkens te voren, aan weêrszijde.
+Marie poogde Felix, op haar schoot, zoet en rustig te houden. De oogen
+van het kind stonden wijd open, als begrepen zij de zaken, waarop Marie,
+met een ter eere van de gelegenheid, heel helder, bijna feestelijk
+geplooid gezicht, zijn aandacht vestigde. Zoo duurde het twee uur, tot
+men door Weesp en door 's Gravenland gereden was, tot in de Leeuwelaan.
+Om dat Mathilde geen koû zoû vatten, waren de raampjes toegelaten, maar
+door de reten suizelde de lente binnen, éen wordend met de lauwe, doffe
+lucht in het rijtuig. Mathilde, die het onbekende gras, de vijvers en de
+bijna groenloze doorzichtige tuinen van de buitens van Six bekeek, links
+en rechts, en, voor haar uit, naast het zakachtig lichaam van den
+koetsier, een stuk hooge, tintelend-witte, over de samenbuigende
+groengeknopte karkassen der groote boomen-opvolging als de zilverige
+zoldering van een tooverpaleis zich uitstrekkenden hemel bestaarde,
+voelde bij iedere reeks schokken van het rijtuig, zich ver van haar
+verleden leven wechvoeren. Zij had in zóo lang zoo'n nieuwen, zich over
+alles heenspreidenden zonnedag niet gezien. Door de vermoeyenis heen,
+waarin zij ieder oogenblik, haar kin naar haar borst gedrukt, tegen den
+rug van het rijtuig schokte, vulde haar een zucht om Jozef te vergeven
+en een weder ontstaand vertrouwen. Maar tegelijk was 't haar, of zij
+voor altijd van hem henen reed, naar een ver, vreemd land. De onbekende
+stukken natuur, die van weêrszijden en van voren, door de vierkante
+glazen vakken van het rijtuig, in haar oogen drongen, telkens
+verdwijnend, zich telkens vernieuwend, met grijzig-blauwe, lila en
+goud-witte tinten, waartegen de lage en hooge boomen en struiken, met
+hun magere, kale, draayend-kronkelende armen en talloze akelig-spichtige
+vingers, telkens dichter samengestoken, als de overgebleven geraamten
+van een daar plotseling verkoold soldatenleger, zich roerloosdreigend
+verhieven, schenen haar in een gelukloze toekomst te voeren, op den
+maatgang van de trappelende paarden.
+
+Dan weêr sprongen de groene knopjes overal op, schoten overal te voren,
+als jonge stemmen van een koor, dat hoop verkondigde, tusschen het
+onverschillig hobbelen van het rijtuig en de vaalheid, het grijs-bruine
+van het bosch. Een scheut zon geelde over het bloeyende hout heen en
+kleurde de groene propjes teeder en verzilver-blauwde de stammen en
+takken. Dan weêr verduisterde de zon, wolken schoven aan en weken. In
+snelle overgangen werd alles grijs en alles weder glansend. Ten laatste
+bleef alleen de glans over. Het was een voorjaars-middag.
+
+Het lage witte hek van een buiten, in de verte als een recht-opstaande
+streep bevroren sneeuw, kroop nader. Eindelijk stootte het voorbij,
+langzaam, met rukken, door het portierraampje, terwijl het grasveld en
+het hooge zware gelig-witte heerenhuis, met duidelijk omlijnde
+groezelige zonneplekken er achter bleven liggen voor altijd daar
+bevestigd.
+
+Toen het rijtuig een eind voorbij den tol, den dalenden weg afreed, van
+den molen tot aan haar nieuwe woning, zag Mathilde voor zich uit als in
+een groot vreeselijk diep prieel. Door de vermoeyenis van het lange
+rijden was zij in een uitputtende koortsige stemming geraakt en voelde
+zij zich als of er ieder oogenblik iets in haar breken zoû. Zij kon niet
+goed meer denken of zich rekenschap geven van de omgeving. Zij liet zich
+gaan in de sussende beweging van het rollende rijtuig, terwijl door deze
+gewaarwording de herinnering aan dien rijtoer van eenige jaren her,
+langs den Amstel, toen haar vader nog leefde, werd opgewekt. En
+plotseling zag zij, in de altijd wijdgeopende oogen van Felix op den
+schoot van Marie tegenover haar, Jozef weêr, zoo als zij hem dien
+vorigen avond in zich had opgenomen. De herinnering aan het verdriet
+week, week al in een ver verschiet en daalde door haar achterhoofd naar
+beneden. Zij zag Jozef in Felix en om hem heen schemerden met
+schitteringen de boomen en huizen en alles in de rondte haar tegen.
+
+De weg had zich, bij den molen, plotseling verbreed.
+
+De straatweg vloeide nu, laag, in het midden vooruit, zoetjes naar
+beneden; aan weêrszijden waren de breede hellende voetpaden van hard
+donkergrijs zand. Verder nog er naast waren de strepen wintergras, als
+de kortgeknipte schedel van een onderaardsche reus, afwisselend van éen
+tot tien meter breed, waarbinnen de dikke stammen van de overgroote
+iepen zich als knoestige zuilen in wijde rijen paalden. Achter de boomen
+stonden, schraal, de ijzeren en houten hekken van de zes, zeven buitens
+aan elken kant, tot aan het eigenlijke dorp. Rechts was eerst een
+vergezicht opengegaan, hel wit over leêge akkers, te-ruggestooten door
+de verheffingen van nieuw lichtgekleurde huizen, met platte en schuine
+daken en van vaalroode huisjes in aanbouw, die ophardden tegen het wit
+en blauw van den rondenden hemel.
+
+Maar het vergezicht werd dadelijk gesloten door tot aan den weg tredende
+buitens aan beide zijden, met hun samengrenzende nog winterende tuinen,
+dofglinsterend in hun door de nevel heen licht van boven vergoudde
+grijsheid. Maar, dichter bij liet rijtuig, hoog boven de aarzelend
+ontbottende beplanting van de tuinen, boogden de tegen den glooyend-
+blauwen hemel opwassende iepen hun machtige groen herlevende twijgen
+samen als de bedaking van den weg. Door hun uitgebreide, bladerloze,
+ledige, buigende lichamen wemelde en tintelde het witte goud van de
+lucht over de duizende in verwarring uitspruitende zacht-groene knopjes.
+In den zwakken wind rilden en negen de twijgjes, en nog koele zonnevonken
+dansten af in helle spartelingen.
+
+Mathilde was met moeite een beetje recht-op gaan zitten. Zij wilde den
+omtrek goed zien.
+
+Er was bijna niemant over den weg te bekennen.
+
+De vensters van de villaas waren gesloten; de menschen waren nog niet
+aangekomen. Hier en daar in de verte gingen de flodderige, plompe
+gestalten van een man, van een vrouw. Voor Mathilde alleen was de eerste
+lentedag van het Gooi. Een welkom suizelde haar nu tegen, toewemelend
+uit alle lichten, links en rechts en overal. Zij kwam hier om weêr haar
+geluk te-rug te krijgen. Jozef kwam van-avond. Zij vestigden zich hier
+met hun tweeën. Al moest hij ook alle dagen voor de zaken naar de stad,
+Hilversum werd zijn ware woonplaats. Zoo dacht zij voort.
+
+Mathilde was zóo uitgeput van de reis, dat zij achterover tegen het
+kussen samenzakte, toen het rijtuig het als een dubbele deur geopende
+hek binnenreed, waardoor men in de smalle achter het huis omliggende
+oprijlaan kwam. Met een laatsten flauwen blik had zij het nieuwe huis
+gezien. Bij het indraayen van de laan kraakten de wielen van het rijtuig
+scherp, een van de wielen sjorde even kritterend over het uiteinde van
+een met kiezelsteenen bevloerd pad, dat van voren langs het huis heen
+liep, heuvelopwaards. Daarna reden ze langzaam, met een kort gekraak van
+de kast en lange klachten van de wielen, tot midden achter het huis,
+voor een oude stoep met door den regen versleten treden.
+
+Van den straatweg afgezien, stond Bagatelle, zoo heette het buitentje,
+daar, van binnen en van buiten schoongemaakt en hersteld, dof wit,
+blauwig-blank, met zijn vier spiegelende raamdeuren, zijn acht
+opengestooten smalle lange jaloeziën, van zijn schuin-opgaand grasveld
+gescheiden door het kiezelsteenenpad langs den voorgevel, met zijn dicht
+blauw-bruin rieten dak tot even boven de raamdeuren neêrhangend, door
+twee ronde in vooruitstekend omkastingen gesloten dakvensters gebroken,
+en van boven vastgehouden door een schoorsteen aan elk der twee
+uiteinden, gelukkig en kalm, te vrede in den zwakken zonneglans.
+
+Aan elke zijde hing aan het lijf van het huis een in zwart-groen
+houtwerk getimmerde warande. Maar uit de verte zag men ze niet, bijna
+niets van het heele huis; want een groep boomen, waarachter het
+kiezelpad opslingerde, schaarde zich links en rechts, alleen het
+grasveld, van ovale bloemperken doorstoken, tusschen hen in openlatend.
+Uit de verte was alleen het lage hek zichtbaar: drie smalle strooken
+loodkleurig hout, bij iedere meter lengte door paaltjes opgehouden, en
+in drie afdeelingen gesplitst door de hoogere glimmend-groene, puntige
+hekdeuren, die ieder tusschen twee lila hoekige palen, met ronde witte
+bollen er op, zich door ijzeren schrenieren bewogen en zich konden
+openen voor de oprijlaan.
+
+Het buitentje was niet weelderig. Marcheerden de zaken, zoo dacht Jozef,
+dan kon men later zien iets meer chics te krijgen; maar, met zijn
+uiterlijk van half Zwitschers landhuis, was het toch niet onaardig.
+
+Toen het rijtuig stilhield, was Jans, die met de vrouw uit het dorp,
+waarmede zij de boel in orde had gemaakt, mevrouw wachtte, het stoepje
+afgegaan en had het portier open gemaakt. Bij het te-rugzien van
+Mathilde, ontstelde zij. Haar weeke wangen bibberden, een beetje bleek.
+
+--Is u daar, mevrouw? vroeg zij bezorgd, haar ruwe bloote voorarmen
+uitstekend om Mathilde behulpzaam te zijn.
+
+Mathilde knikte, met een flauwe vriendelijkheid. Nauwelijks liet Jans
+haar grijze blikken heel even over Felix rollen, maar, terwijl zij
+Mathilde stutte, toen deze op het treêtje zonk met haar éen voet,
+waardoor haar japon in het rijtuig haperde en een plek witte rok bloot
+kwam, en Marie zich bukte om met haar hand de japon goed te doen, keek
+Jans wrevelig naar Marie. Zij hielden niet van mekaâr.
+
+Mathilde zeî tot Jans, met een afwezige stem, alleen dit:
+
+--Meneer komt ook nog vandaag. Heb-je daarop gerekend?
+
+Mathilde werd dadelijk naar bed geholpen. De door Jans gedekte tafel in
+de groote kamer bleef alleen staan, met zijn hard wit servet, stijf
+geplooid, verlaten, afwachtend in de nieuwige en naar politoer riekende
+frischheid van de pas schoongemaakte kamer.
+
+Tegen den avond kwam Jozef aan en at, eenzaam, midden in de
+onverschilligheid van de vreemde kamer, als in een hotel, het half koude
+eten, na dat door de vrouw uit het dorp de lamp opgestoken was en de
+jaloeziën dicht gemaakt waren met een geluid als van valsche lage toonen
+van een harmonika.
+
+Mathilde sliep voortdurend. Na zijn eten keek Jozef, aan iets denkend,
+in de lampe-vlam en over de schaduwen en witte plekken van het
+tafellaken. Op de vlakte van donker-wit lagen de tegen den draad in door
+het linnen heen gestikte glimmend witte figuren. Hun helheid schitterde
+zoo naar boven, dat al de overige deden van het laken er donker-grijs
+bij werden. Het waren vierkante blokjes, met vier kleine vierkante gaten
+in 't midden, als korte breede kruisbalkjes samengevoegd. Jozef, zijn
+armen op zijn knieën, zijn borst tegen den tafelrand, staarde zonder te
+zien over de figuren, terwijl door zijn neus regelmatig hijgend zijn
+adem over het wit blies, als van iemant die wakend slaapt.
+
+Het was dood-stil in het huis. Jozef voelde een leêgheid door zijn
+leden, om zijn armen, die er met koude kracht over heenzonk. Hij keek
+eerst, een stukje melodie uit een operette van vier jaar geleden, die
+hij zich nauwelijks herinnerde, tusschen zijn lippen blazend, bijna
+fluitend, naar de zoldering, vanwaar, in de alles overvlekkende schaduw
+der lampekap, het wit aarzelend nederschemerde. Hij hoorde daarboven
+loopen, met schoffelende stappen, en stoelen verzetten met dreuningen,
+waarvan het geluid ruw door de rustige schaduwen heendaalde. Hij stond
+op om alles eens te bekijken, zoo als het nu geschikt was en voor het
+hier te leiden leven pasklaar gemaakt. Hij zag het lichte nauwelijks met
+groene en gele ruikertje bestrooide behangselpatroon, de oude uit een
+dorpsboedel gekochte piano, verder de twee groene kanapeetjes van glad
+leder, de stoelen aan de tafel en langs de wanden, rieten en leêren, het
+buffetkastje, de drie deuren, waarvan die op den achtergrond in den
+korten gang, de twee aan weêrszijden in kleinere aangrenzende vertrekjes
+uitkwamen. Dunne, doorschijnende neteldoeksche gordijnen stonden, in een
+zwevende houding gestolten, stijf van het strijken, van boven tot
+beneden voor de vensterdeuren, hun onderste helft door magere witte
+koordjes met kwastjes opgehouden. De donkere lattenopklimmingen der
+jaloeziën hingen met wrevel tegen de ruiten aangedrukt.
+
+Jozef trad in het kamertje links, een kubus met een raam van voren een
+in de warande. De vorige eigenaar noemde dit vertrek "het rieten
+kabinetje". De tafels en stoelen waren van bruin-geel riet. Op het
+tafelplat liep het riet uit een, de biezen uitstralend uit het
+middenpunt als een ingelegde ster. De leuningen der stoelen waren ovaal,
+peervormig, rijen omgebogen biezen samengebonden door touw-dunne soepele
+rieten lintjes. Het kabinetje was vooral nuttig om een kast, diep als
+een kamertje, in de muur, en die tot den kelder toegang gaf. Door het
+donkere kamertje stapte Jozef, twee treêtjes op, een deur door, in een
+hokkerig gedeelte van het huis links de luttele houten trap met een
+dunnen looper belegd naar boven, rechts voor hem uit een kamertje met
+een alkoof, links voor hem uit de keuken, onder hem het gesloten
+kelderluik, met een ijzeren ring om het luik op te heffen, plat getrapt
+in een zwartige voor. Alles was hier donker; een vage lucht van timmer-
+en metselwerk en van werklui die daar geweest waren geurde van rechts.
+De reet van de keukendeur werd bezet door een smalle lijn rossig licht.
+Bij tusschenpoozen suizelden deelen reuk van gebraden eten en van
+gekookt hebbend aardappelenwater er door heen, vervuld met stukken van
+kalme volzinnen van een oude meid, die, met een na het eten smeujige
+stem, babbelt.
+
+Jozef ging in het kamertje rechts. Hij had het voor logeerkamer laten
+inrichten, maar een logeerkamer minder in rang dan de twee op de
+zolderverdieping, wier vensters door het rieten dak heen op den breeden
+weg uitzagen. Hij voelde naar lucifers in zijn zakken, toen, met een ruk
+en een gewaai van vrouwenkleêren, de keukendeur openging, het portaaltje
+plotseling donkerrossig verlichtende, en weêr dicht ging. Het was Marie,
+die de trap opliep, om boven te zien of Felix wel sliep. Jozef had haar
+gezien, zoo als haar lichaam zich donker afbeeldde op den achtergrond
+van rossig keukenlicht, en in de duistere rondheid van haar hoofd had
+hij haar lippen, donkerrood, de warm-blanke plekken van haar wangen en
+kin, het glad-glansend-blauw van haar oogen zien schemeren. Zij had hem
+niet gemerkt; maar nog, nadat het stappen van haar voeten al lang boven
+was wechgebleekt, zag hij, in de duisternis kijkende, daar lichtende
+vlekken dansen, waarin mollige stukken van Marie spookten, haar
+schouders, haar hoofd, en enkele door het lamplicht verbruin-goude
+halshaartjes. Jozef stond daar, de lucifers vergeten, die hij, met zijn
+eene hand half in zijn broekzak, aan 't zoeken was, de duisternis
+vergeten, zijn oogen bewegingloos, met een krampig gevoel er in, zonder
+gedachte.
+
+Even later was hij weêr bij zijn zinnen. Hij vond in-éens dat hij in een
+verschrikkelijk verlaten duisternis stond. Het was toch nog koud al was
+het voorjaar! De gedachte viel over hem, dat hij weêr een kleurloos
+leven ging beginnen, vernietigend, onmogelijk. Mathilde lag daar ginds,
+voor hem verloren. Het was of hij haar van hier hoorde slapen, in een
+vasten slaap, waaruit zij voor hem nooit weêr zoû ontwaken.
+
+Een paar uren later gleed hij, zijn lot verwenschend, onder zijn
+eenzame, kille, bijna vochtige lakens.
+
+De volgende weken was het dag in dag uit hetzelfde eentonige leven.
+Mathilde bleef hetzelfde, koortsen verzwakten haar onophoudelijk; een
+paar uur per dag maar zat zij op.
+
+ * * * * *
+
+Den eersten tijd, dat hij alleen in Amsterdam was, gedurende de
+kantooruren, merkte Jozef weinig van de verandering in zijn toestand.
+Hij mocht nu met zijn ziel onder zijn arm in het stille huis buiten
+rondwandelen in plaats van in Amsterdam, dat was het heele verschil.
+Maar langzamerhand, daar hij toch vastgesteld had nooit 's avonds vóor
+zeven uur buiten te zullen komen omdat hij 's middags nog wel eens iets
+op het kantoor te doen had, begon hij gedurende zijn vrijen tijd visites
+bij Emilie Berlage te maken, altijd geregelder.
+
+De lente ging voort. Jozef zeide tot zich zelf dat het jaargetijde dezen
+keer een buitengewoon merkbaren invloed op hem oefende. Zette hij zijn
+raam open op het kantoor of buiten, over-dag of 's nachts, en de
+lentelucht drong in zijn neus en in zijn ooren, dan voelde hij de
+herinneringen aan zijn vroegere, zijn ongetrouwde leven met een zoetheid
+in zich opleven, die hij vroeger van de werkelijkheid nooit had
+ondervonden. Hij kon wel, zijn blik in de verre lucht, aan den tijd van
+vóor zijn trouwen met weemoed te-rugdenken, als een droomer, zich niet
+heugende hoe diezelfde tijd hem toen gewalgd had.
+
+In een zachten overgang, zonder den minsten strijd, zonder dat hij er
+een besluit voor hoefde te nemen, maakte hij een middag het voornemen,
+dien avond niet naar buiten, maar naar de club en daarna naar de opera
+of zoo te gaan. De gelegenheid was nu beter dan ooit. Mathilde was er
+niet om hem, door haar zwijgen of door een aanmoediging, die hij meende
+averechtsch te moeten opvatten, te-rug te houden. Hij telegrafeerde om
+vier uur twintig aan zijn vrouw: "Ben verhinderd, kom morgen". Daarna
+ging hij bitteren in de club, waarvan hij nog altijd lid was gebleven,
+en dineerde met drie vrienden, Hasman, d'Ablaincourt en een officier,
+die hij, zoo als altijd, ook nu weêr in de club gevonden had, in het
+blauwe bovenzaaltje van café Suisse.
+
+Een gevoel van verlatenheid, bevreemding, van afwijking van gewoonte,
+loste zich over zijn schouders op in een blijde te-rugkeerende vrijheid.
+Hij dronk zooveel wijn tot hij in een vroolijke stemming was; hij lachte
+met zijn groote tanden, terwijl zijn breede snor dan telkens naar boven
+sprong. Gewaarwordingen als van vier jaar her vulden hem. De
+huwelijksjaren krompen samen, verdwenen. Hij was de oude. Hij had weêr
+pleizier. De kellners schenen met de gewone eerbiediggemeenzame oogen
+toe te zien, maar verrast en met kleine herkennings-glimlachjes
+onderling. Tegen het dessert dronk hij veel achter mekaâr, om zich op te
+winden, want het hanteeren van het hem vreemd geworden leelijke nare
+restauratie-tafelzilver, de oppervlakkige koude feestelijkheid van de
+witte gladheden der borden, de glazen, het gas, de gebaarde
+heerengezichten, in dit alles scheen even een verwijt te trillen, 't
+gezin, dat naar hem wenkte, ziek en jong, uit de verte. Hij voelde het
+verwijt onder zijn haar opstijgen. Hij deed even zijn hand aan zijn
+hoofd om het te verdrijven, in een verdoovenden glimlach, rondziende of
+iemant ook iets over hem dacht. En hij, die gedacht had een gelukkig
+echtgenoot te zijn en van het regelmatige en bedaarde genot van den
+huiselijken haard! Hij voelde, dat hij veeleer op déze manier gelukkig
+was. Hier was zijn plaats. Hij kon niet anders verlangen. Het andere was
+onmogelijk voor hem gebleken. Hij merkte, dat hij weêr met het oude
+gemak het stugge, weêrspannige, veel te stijf gestreken restaurant-servet
+behandelde. Hij voelde zich achter tegen den rug van zijn stoel zitten,
+zijn leden meer in mekaâr, terwijl zijn vleesch en geest zich heelemaal
+overgaf in een neêrbuigen van zijn kin over zijn hals, terwijl van onder
+zijn gladde voorhoofd, flikkerende in den gas-schijn, zijn oogen lachten
+met de grappen van de vrienden.
+
+Toen Jozef, na het diner, weêr op den trottoir stond, ruischte het
+verwijt weêr tegen hem aan uit de onverschillige grommeling van de
+straat. En Mathilde? ... Mathilde? ... Zij moest den telegram al lang
+gekregen hebben, Jozef zag naar den grijzen trottoir, waarover de
+gasvloed uit de winkelkasten spoelde; zijn breede, wijde manchetten
+vielen over zijn handen, de wijde pijpen van zijn lila-broek stonden,
+als olifantspooten, tot bij de punten van de schoenen. Hij dacht aan
+Mathilde en aan buiten, een angst klom in zijn keel en hij voelde zijn
+hoed zijn hoofd als een klemmende ring omvatten. Daarna keek hij op,
+zijn vrienden wachtend, die hij met stappen, kletsend in den gang van
+Suisse, hoorde aankomen. De menschen, donker bewegende beelden, hoog en
+laag, liepen schoffelend voorbij door het praatgesuis heen. De zwarte
+lucht walmde neêr over de huizen. Eén minuut was 't Jozef als of al die
+menschen in hun ruischend gebrom, met hun bewegende monden achter hun
+haarden, allen over hetzelfde onderwerp spraken, een belangrijk,
+aangrijpend onderwerp, dat allen bezighield. Allen waren ernstig,
+afgemeten, hij ving schuinsche blikken op, in zijne richting gestuurd.
+Zij spraken van hem, zij spraken van Mathilde, hoe ongelukkig zij was.
+
+Nu begreep hij plotseling, dat zij naar hem moest verlangen, dat zij aan
+de waarheid van zijn telegram twijfelen zoû. Hij zag haar van hier voor
+op haar ziekestoel zittend, onrustig, zonder te leunen, haar blikken zoo
+vreemd, naar voren, zooals zij kijken kon in uren, dat zij een verdriet
+voorzag en wel zeide dat te voelen naderen als een aankomende
+krankzinnigheid. Zoo als hij haar gezien had na den dood van den ouden
+de Stuwen, zóo moest zij nu dezen avond zijn, daar ver van hem
+verwijderd, alleen in het ontbottende Gooi.
+
+Maar Jozef vermande zich. Gekheid! Hij zoû haar nooit ongelukkig maken.
+Hoe kwam hij aan die gedachte? En hij beloofde aan zich zelf, dat, zoo
+hij het vervelende eenzame leven al niet langer verdragen kon, zoo hij
+zijn vrijheid in 't vervolg weêr wat minder opgesloten zoû houden hij
+toch vooral zorgen zoû, dat Mathilde er niets van merkte en zij er in
+'t minst niet onder leed.
+
+De heeren gingen nu naar de fransche opera in den Stadsschouwburg. In de
+pauze zeî een van hen, bij die gedachte gebracht door het hooren van de
+muziek, dat die muzikale avondjes nu wel gedaan zouden zijn bij Jozef.
+
+--Ja, andwoordde hij, zoolang als Mathilde niet beter is, dat begrijp-je.
+
+Er werd verder weêr over Mathilde gesproken; een lichte ironie trilde in
+de rooyige gezichten.
+
+Toen Jozef om halt drie dien nacht met zijn kalmen regelmatigen tred
+naar huis stapte, dacht hij voortdurend aan Mathilde. Een spijt sarde
+hem, telkens opkomende, hij vlagen. Het scheen hem, dat hij haar een
+groot leed had gedaan. Hij verzon nu, wat hij haar opgeven zoû als de
+reden, waarom hij niet buiten was gekomen. De zaken natuurlijk. Dat was
+het eeuwige voorwendsel, onweêrsprekelijk, Met de zaken bemoeide zij
+zich zoo weinig, van de zaken wist zij eigenlijk niets af.
+
+En, den volgenden dag buiten, zittend vlak bij Mathilde, zijn knieën aan
+haar knieën, de telegram open op tafel met het koude blauwe schrift van
+den telegrafist, vertelde hij haar een heele geschiedenis. Hij had weêr
+veel meer pleizier in de zaken gekregen dan vroeger, hij begon een
+nieuwe onderneming, waar hij veel aan dacht en waarvoor hij veel werken
+moest. En zij, met haar vage zieke oogen, geloofde hem als een kind, nu
+zijn hand zoo vertrouwelijk lag op haar knie, bijna bloot onder de dunne
+witte nachtjapon.
+
+Nu gleed Jozef zoetjes-aan heelemaal tot zijn vorige leven te-rug. Hij
+vond het erg aangenaam met zijn gepozeerdheid van jong elegant getrouwd
+man in zonnige middagen over den Dam, door de Kalverstraat, door de
+Reguliersbreêstraat te wandelen, terwijl zijn vrouw op hun villa, buiten
+was. Een anderen keer ging hij weêr eens over het Koningsplein, door de
+Leidsche straten, naar het Vondelspark. Hij vond de oude manieren weêr
+te-rug om zijn lichaam te bewegen en voor zich uit te zien, zoo dat de
+dames hem bekeken met belanghebbende blikken. Zijn oude koketterie
+steunde nu op een zekere hoogheid en te-ruggetrokkenheid, nu hij zich
+als getrouwde door de nieuwsgierige oogen beschouwd voelde van de
+juffertjes en de zusters van zijn kennissen. Hij deed weêr minder in
+Emilie Berlage. Hij had een paar maal de ouders van den overleden
+echtgenoot bij haar ontmoet, die hem op onaangenaam aandringende manier
+naar Mathilde vroegen. Een buitendien maakte Emilie hem driftig, om dat
+hij dacht, dat zij hem alleen maar zoo'n beetje voor den gek hield.
+
+Er openbaarde zich in hem een heftige reaktie tegen de jaren van
+ingetogen huwelijkstrouw. Als iemant, die een vroeger geliefd huis, waar
+hij in lang niet kwam, de trap opgaat, ging hij weêr heelemaal op in het
+pleizier van matig uitgaan. De heele stad was nogmaals zijn terrein. De
+beminnende onrustige vrouw was er niet meer als een spaak in het wiel.
+Het was wel een aardige roman geweest, die enkele jaren van geheele
+kalmte en maatschappelijke geregeldheid, met altijd dat zelfde lichaam
+en die wijde donkere oogen, die zoo weinig wisten, om meê te zijn. En
+nu, met de ziekte, zoo opgescheept als hij eerst met die nutteloze,
+onbruikbare vrouw was geweest in de stad, zooveel genoegen, deed 't hem
+nu te kunnen zeggen, dat hij zijn vrouw naar een villa in het Gooi had
+gebracht, om van een bedroevende kwaal te herstellen. Hij had het nu
+voortdurend over "zijn optrekje" en "ons optrekje". Hij sprak over
+"Bagatelle" in een toon van: "Je weet wel, mijn buitentje, waar mijn
+zieke vrouw woont".
+
+Jozef bleef nu herhaaldelijk 's nachts in Amsterdam. De maanden April en
+Mei ontrolden zich met onafgebroken mooi weêr. Jozef die tegenwoordig
+bijna geregeld naar de Beurs ging, betrapte zich, bij het uitgaan
+dagelijks op wankelingen in zijn besluit om dien dag toch naar buiten te
+gaan. Als hij 's morgens in het te breede ledikant in Amsterdam wakker
+werd, het gemakkelijke huwelijksbed, dat hij, na Mathildes vertrek, met
+schoone lakens weêr in gebruik had genomen, en hij hoorde en zag de
+stille leêgheid, die alle verdiepingen, alle kamers en vooral hier hun
+slaapkamer, vervulde, dan kwam er altijd een golf van teederheid over
+hem. Hij stond op en in de frischheid van het aankleeden, in de bleeke
+zonneschemering door de neêrgelaten gordijnen, op zijn kousen met dolle
+stappen door de kamer loopend, zich bukkend om uit de lâ zijn boord en
+zijn das te krijgen, alleen zijn eigen bewegingen hoorende, het geruisch
+van zijn overhemd, het smakken van zijn ontwakenden mond, zijn kriegelig
+gapen, zijn eerste stijvere stappen met de aangetrokken schoenen over de
+vloer,--dan miste hij Mathilde. De nasmaak van de pleizieren van den
+vorigen avond was bitter, was hij dan weêr een groen losbolletje
+geworden? Gedurende het wasschen nam hij zich onherroepelijk voor in 't
+vervolg geregeld naar buiten te gaan. Gedurende het afdroogen, achter de
+klammerige sijpeligheid van zijn gezicht in den nieuwen dag, herinnerde
+hij zich, hoe ze gister-avond gelachen hadden, en hij lachte, bij het
+herdenken van de kleine overwinningen zijner ijdelheid, nog eens
+stilletjes over, tegen den spiegel ziend om zijn haar, dun en zijig, te
+kappen. Daarna tikte de barbier aan de deur. Hij maakte een praatje over
+het weêr en Jozef dacht met genoegen aan de straat, waarop hij zich zoo
+meteen weêr vertoonen zoû. Als hij geschoren en gekleed was, krulde hij
+voor 't laatst zijn snor voor den spiegel, beschouwde zich met een
+kalm-tevreden blik, en zijn voornemen om naar buiten te gaan werd minder.
+
+Als hij beneden ontbeet, had de dikke Dientje altijd een reden om in de
+kamer te zijn. Dan vroeg zij of zij van-avond weêr op hem rekenen moest
+met de deur, waar dan de ketting niet werd op gedaan. Hij andwoordde
+onzeker. Dientje verzocht wel de komplimenten aan mevrouw. Daar had zij
+altijd den mond vol van. Zij kon, dik en medelijdend, met een welgedaan,
+gezond hart, onder de strakke paarse jurk, niet hebben, dat mijnheer
+niet elken avond naar buiten ging. Telkens als hij van buiten
+te-rug-kwam, en zij hem vóór kantoortijd even te spreken kreeg, vroeg
+zij met drijvende oogappels en een deelnemende trek om den mond, hoe 't
+ging met mevrouw.
+
+De kantoortijd was gauw voorbij. De bedaarde zaak ging haar geregeld
+gangetje, zoo als zij het nu al veertig jaar lang had gedaan. Jozef zat
+daar, krabbelde met zijn gouden potloodje over het korrekte koele
+papier, kontroleerde eenige geschriften, dronk koffie en ging naar de
+Beurs of dejeuneerde ergens anders en ging daar vandaan naar de Beurs.
+Bij kleine buyen was te midden zijner verveling een lust door hem heen
+getrokken, om zaakjes, kleine ondernemingen, te doen. Hij deed 't, maar
+'t bleef bij het onbeduidende, eenige honderden gewonnen, eenige
+honderden verloren, verder bleef de zaak op de oude klandizie drijven.
+
+Na de Beurs, als het in de jonge zon oplevend witte kleinen steenen veld
+van den Dam zich om hem heen uitstrekte, terwijl zijn zintuigen links en
+rechts door de glinsteringen en het gedruisch van de omgeving werden
+aangedaan, gebeurde zijn groote aarzeling. Hij had een eigenlijk zwak
+karakter. Hij wilde en bepaalde nooit vooruit wat hij zoû doen, zonder
+dat hij op 't oogenblik van handelen er nog eens over dacht liever het
+tegenovergestelde te doen. Dikwijls tusschen half drie en kwart voor
+drieën op den Dam, werd hij dan woedend-driftig en werd zijn hals rood.
+Nog eens was dus zijn levensinrichting vernietigd! Hoe had hij gehoopt
+en gemeend nu het kalme fatsoenlijke genot-volle leven te hebben, tot
+aan zijn dood. En daar stond hij op den Dam, als vijf, zes jaar geleden,
+met zijn leêge handen, zonder hoûvast. De gevangen vogel was door zijn
+vingers wechgevlogen. Hij was weêr alleen. Zijn rustige vriend de Stuwen
+bestond zelfs niet meer, met wien hij over gewone levenszaken zoo graâg
+op burgerlijke manier zat te praten. En de Stuwens dochter was daar
+buiten, ook alleen, half dood eigenlijk voor haar man. Rechts voor hem,
+vóor van Gend & Loos, vertrok de omnibus naar de Rhijnspoor. De klok
+boven aan het Paleis wees aan, dat hij zich zoû moeten haasten. Maar hij
+wilde niet, hij wilde zich niet haasten. Hij haastte zich nooit. Een
+groot gedeelte van het gentlemanlike in zijn persoon, in zijn houding,
+in alles was hij deed en naliet, bestond uit dat zich altijd meester
+schijnen, uit dat voortdurend leven met ingehouden kracht, uit dat zich
+nooit haasten.
+
+Wanneer de omnibus, het Rokin over, eenmaal uit 't gezicht was met zijn
+op-en neêrgaanden kondukteur in het kader van de opening naar binnen,
+viel er een drukkende lust uit Jozefs leden en scheen over de vierkante
+gladde keyen wech te wolken, onwaarneembaar. Hij had dan niet langer te
+wikken en te wegen en de langzame gewaarwording van het zich aan zijn
+luiheid in de zelfregeering overgeven, verdrong zoetjes de
+geestesspanning van zoo straks. Hij deed een paar stappen over den
+harden stadsgrond, waar men ten minste over gaan kon zonder zijn
+schoenen en broekspijpen te bestoffen zoo als in het zand, buiten. De
+flauwe laatste openbaringen van zijn inwendigen twee-strijd waren de
+gedachten aan de volgende treinen, waarmêe hij nog zoû kunnen
+vertrekken, aan de rijtuigen, die dicht bij hem klaar stonden, waarmeê
+hij dezen trein nog kon halen, die even door zijn hersenen glipten, maar
+die verdampten in de onberedeneerde valsche zekerheid van dat dat
+onmogelijk was. Hij liet zich gaan, drong zich gemakkelijk de overtuiging
+op, dat het laatste middel om vandaag buiten te komen, niet meer bestond.
+En hij had weêr een dag en een avond om zijn genietingen van vroeger te
+herleven.
+
+Hij vond, zacht en weldoend in hun verbleektheid van herinnering, de
+vroegere sensaties te-rug. Het bitteren in de club, de banale eeuwige
+jeugd der vrienden, het eenigszins fijn dineeren, de altijd kittelende
+herhalingen der zelfde gesprekken over rijke meisjes die onvermoede
+huwelijken deden, over bankiersfaljieten, over wijnmerken, over spijzen,
+over paard-rijden, over bals van den verloopen winter en bad-reisjes
+voor den aanstaanden, zomer, vooral over de aanstaande van die en de
+weduwe van die, over de allergewoonste zangeressen en over de eigenaars
+van café-chantants, hij maakte ze weêr en weêr door, de oude verveling
+was geweken, hij hoorde ze aan en sprak meê met zijn mooi bloeyend
+gezicht, en lachende onder zijn prachtige snor. Hij ondervond, tot
+overmaat van pleizierige bevreemding, weêr het genot van zoo gemeenzaam,
+met het wijsheids-gemak, en de goedige onverschilligheid van den
+ondervindingrijken man, die zijn wereldje kent, al die zaken te
+behandelen.
+
+Vóor het diner maakte hij een enkele maal een toertje te paard, maar
+zelden, héel veel hield hij er níet van. Na het dinee was het weêr een
+komedie, een koncert in het Volkspaleis, een avondje doorgebracht bij
+een oude vriendin. Maar kalm, alles bedaard, alles met de bedaardheid
+van vroeger, vermeerderd en versterkt door zijn telkens meerdere
+rijpheid.
+
+Den volgenden dag reisde hij trouw naar buiten. Hij vond Mathilde altijd
+dezelfde, zwijgend, met haar zieke stem hem naar de zaken vragend, met
+de eindeloze hoop op herstel. "Begrijp je, als ik weêr beter ben,
+dan, ... begrijp je, als ik weêr beter ben" Altijd had zij andere
+plannetjes voor de toekomst, allerlei kleine gelukjes, die zij samen
+zouden hebben. Als hij twee, drie dagen achter-mekaâr buiten kwam, vond
+hij haar vroolijker dan gewoonlijk. Maar als hij daarentegen eens
+wechgebleven was, scheen ze dat toch niet zoo erg naar te vinden. En dit
+stelde hem veel te vrede. Eene berustende, lijdende, gelijkmatige kalmte
+was over haar gekomen. Eén ding was wel eens op hem gevallen. Was hij in
+haar bijzijn, dan stonden haar blikken in zijn oogen, volgden zijn
+minste bewegingen, drongen over zijn lichaam, met een vreemde volharding.
+Dan vroeg hij haar bijvoorbeeld iets en andwoordde zij niet, zij scheen
+hem niet te hooren, hem drinkende in haar starende, groeyende, zwijgende
+oogen. Eens had hij gezegd, een beetje gedwongen: "Wat kijk je me raar
+aan ...", zij zeide: "ik? ... ik? ... wat bedoel je? ... Wel neen, dat
+verbeel-je je maar".
+
+Een andere keer als hij weêr, na de Beurs, op den Dam stond, van-zelf
+naar de dommelende paarden van den omnibus kijkend, en hij was gisteren
+pas buiten geweest, was het de last en het hinderlijke van de reis, die
+hem deed besluiten in de stad te blijven. Onophoudelijk dat heen en weêr
+trekken, in de stofterigheid of de smerigheid van de spoor en zoo, het
+vervelende eentonige hossen, een paar uur lang, in zijn eentje, om als
+belooning van zijn moeite in denzelfden afmattenden vreugdelozen
+doodschen dampkring, buiten aan te komen, dat was heel onaangenaam. Als
+hij den omnibus maar zag, voelde hij zich al hobbelen tusschen allerlei
+burgermenschen in, met een door het dansen veroorzaakte tergende jeuk,
+die hem noodzaakte aan zijn neus te wrijven elke vijf minuten, hij liep
+al in de gedrongen haasterigheid van het stationsperron, hij voelde zich
+het onbeduidende grijze landschap doorstoomen, verder de eenzame rit van
+Vreeland, Kortenhoef en 's Gravenland in het gemeene tentwagentje, met
+den viezen koetsiersjongen voor hem en den ouden hit, en dat alles om
+zijn naren dag door een nog naarder avond te laten volgen, zonder zelfs
+altijd bij Mathilde te kunnen zitten, korte woorden over het weêr en de
+huishouding met de meiden wisselend,--neen, het was te akelig. Zijn
+eenig genoegen was dan Marie te zien, zwaar en warmblank. Maar haar
+verschijning prikkelde hem minder dan eerst, haar onnoozele
+landelijkheid drong op den achtergrond zijner verbeelding, nu hij zijn
+steedsche pleizieren juist weêr herleefde.
+
+Als Jozef naar buiten ging, zoo in een paar uur, uit het midden van
+Amsterdam overgeplaats naar Hilyersum, steeg hij als uit een lauw bad
+van geurend water in de koude ijzige lucht. Uit al de kleuren van
+huizen, van winkelkasten met hun spiegelende ruiten, van de roepende
+advertentieborden aan de muren, van de door gevellijsten afgelijnde
+luchtvakken, waartegen het gerij, en gestap en geschreeuw opsteeg, van
+het grommelend en witschitterende leven, waar hij met een stille genot
+der gewoonte door heen wandelde, was hij ineens midden in de wezenloze
+stilheid van het buitentje, waarvan de grijsheid en droefheid niet
+opbloeiden in de lentezon, die het met vonken besprenkelde.
+
+Maar zijn grootste plaag was de rit 's morgens vroeg van Hilversum naar
+Amsterdam met de dilligence. Daar hij volstrekt op het vaste uur--half
+tien uiterlijk--op het kantoor wilde zijn, reden die treinen tusschen
+Utrecht en Amsterdam, die te Vreeland stopten, allemaal te vroeg of te
+laat. Ellendig! Dat was éerst een haastig aankleeden in het kleine
+kamertje, hij sliep daar in een alkoof, waarvan het achterschot in twee
+deuren geopend kon worden en dan uitkwam in de kamer van Mathilde. Hij
+had daar willen slapen om vlak bij haar te zijn altijd. Er kon 's nachts
+iets met haar gebeuren, had hij in het begin tegen den dokter gezegd,
+nog niet wetende, dat hij niet alle nachten buiten zoû zijn. Nauwelijks
+aangekleed, uit zijn humeur, moest hij ontbijten in de frissche vroegte
+van de groote kamer. Marie was dan nog boven bij Felix; Jans had alles
+maar half goed in orde gebracht, met slaperige oogen. Hij had zijn
+koffie en zijn ei nog niet op, of uit de verte klonk het waarschuwend
+getoeter van den diligence-kondukteur, snerpend en rauw langs de
+vensters. Dan moest hij ijlings zijn overjas aantrekken, even, met een
+gedruisch, in de klamme kalmte van Mathildes kamer dringen haar een
+afscheidszoen geven op haar vermoeid gekleurde wangen na een pijnlijken
+nacht, beloven dien middag te-rug te zijn voor het eten en--de oude
+gele kast wachtte al in 't midden van den breeden grijs-gelen weg
+in-éen-zakkend binnen zijn grove wielen. Binnen-in had hij 't niet uit
+kunnen houden en maakte dus nu de tochten achter het vooruitspringende
+bankje van den voerman, in de van voren uitgehouwen nis zittend,
+waarover de met pakken en kisten beladen houten kap een eind heen stak,
+tegen den regen. Er waren drie plaatsen op zijn bank, waarvan er twee
+meestal door een groenteboer of paardenkoopman werden ingenomen En dan
+begon de schommeling van twee en een half uur, terwijl de eene buurman
+pruimde, kwijlde en spoog, de andere met den koetsier samen zijn gemeene
+tabak rookte. Er waren geen gezichten van naderende lente ter wereld,
+geen stille, bescheiden zonnestralen die zachtjes over zijn knieën
+kwamen glansen, die hem vrede met zijn lot konden doen hebben. Meestal
+trachtte hij te slapen, terwijl de ochtendwind zijn snorhaartjes
+spartelen deed. Hij verachtte de gesprekken zijner buurlieden, trachtte
+er niet op te letten. Hij vloekte in zich zelf om dat hij geen eigen
+rijtuig had, dat hem, met twee onvermoeibare paarden, in de helft van
+den tijd heen en weêr gebracht zoû hebben. En onbestemde oude lusten om
+zich rijk te maken, om zaken te doen en zich binnen weinige jaren alle
+weelde te kunnen veroorloven woei de lentewind door zijn hersenen bij
+het aankomen in Amsterdam en met kletterend geraas en rollend gehobbel
+door de Muiderpoort rijden. Hij zoû dadelijk beginnen, iets nieuws
+verzinnen, speculeeren, een jonge onderneming, een maatschappij, een
+premieleening op touw zetten. Maar op zijn kantoor, achter den kostbaren
+lessenaar, die zich eeuwig verjeugdigde, eerst onder de ellebogen en
+mouwen van zijn vader, nu onder de zijne, wolkten de plannen wech. Hij
+was lui. Hij was bepaald geen man van zaken. Hij stelde zich weêr te
+vrede met het betrekkelijke gemak, het tamelijke welzijn, dat hij nu al
+genoot. Men mocht niet wagen, houden wat men had, dat was de hoofdzaak.
+De voorzichtigheids-overtuigingen zijns vaders leefden in hem voort. Hij
+voelde, in zijn kalme genoegdoening van mooyen man, met welbehagen de
+beperktheid der cirkels van zijn begeerte en gedachten.
+
+Hetgeen Jozef weêr van-zelf zijn versmaad en vergeten leven van vroeger
+deed beginnen, was de leegheid die van Mathildes kant vermeerderde. Hij
+voelde Mathildes wezen uit zijn hart en uit zijn zinnen vervreemden, als
+een stroom van 't een of ander, die daar langzaam uit zoû zijn
+wechgevloeid. In Amsterdam, in huis, was zij niet. Hij liep langs de
+bloementafel in den gang, langs de meubelen in de kamers, die daar op
+haar verlangen zoo waren geplaatst. Er was niets, neen niets, noch de
+looper op de trap, noch dat soort stoven in de binnenkamer, noch het
+tapijt in de zaal, noch de pendule "voor", of zij hadden er samen over
+gesproken, het samen uitgekozen. Aan alles was iets van haar en dat hem
+haar voortdurend herinnerde, hij zag haar gaan, over hun woning te
+vrede, met glimlachjes hem verzekerende, dat nu alles goed was. Hij kon
+geen deur voorbijgaan, of hij zag het uiteinde van haar sleep daar
+verdwijnen, terwijl zij zelve al binnen moest zijn om haar huishoudentje
+te doen, een visite te ontvangen, hem op te wachten, haar huis, in een
+woord, te bewonen. En nu! Wech was ze. Zij had het huis alleen gelaten.
+Het verloor zijn bestemming. Hij herkende zachtjes-aan noch de
+zolderingen, noch de wanden, noch de vloeren meer. Ja, het was toch wel
+hetzelfde huis, maar het geen het vroeger maakte tot wat het was, was 'r
+uit verdwenen. Was alles, al het omringend, de ruimten van den gang, van
+de trapkast, van de kamers, vroeger dan beschilderd geweest met
+tooverige voorstellingen, met verrukkelijke kleuren, was overal een
+donzig en geurig behangsel wechgevallen? Neen, alleen een warme,
+dof-roode tint moest alles omzweefd hebben en was nu wechgevaagd. Hij
+scheen nu alle lijnen en hoeken, de afmetingen van den inwendigen bouw
+van het huis, de grenzen der voorwerpen, beter, duidelijker te
+onderscheiden. Een koude had de kleuren verminderd om de lijnen en
+streepen duidelijker te maken. Hij zag alles naar voren komen, zich
+afteekenen tegen den achtergrond, waarmede het vroeger meer éen scheen
+te zijn. De ziel van het huis, de adem, was er uitgegaan. En hij zocht
+in de stad het leven, dat hier weigerde zich aan hem voor te doen.
+
+Tusschenbeide, na dat hij weêr erg met vrienden in de stad samen was
+geweest, joeg een dwaze begeerte hem met zekere snelheid naar buiten.
+Een gejaagdheid sloop dan door zijn leden, die hun kalmte bijna
+verloren. Zijn hand trilde bijna, als hij zijn kaartje nam aan 't
+station. Hier stond hij met zijn leêge armen, met zijn verlaten borst,
+voort! daar ginds was zij, die hem weêr dwingen zoû zijn armen om haar
+schouders te slaan, zijn handen samen te vouwen over haar rug, haar
+handen vlak uit tegen zijn borst en zich tegen hem aan drukkend.
+
+Als hij dan buiten kwam, week de waan geheel. Onveranderlijk zat zij
+daar, eerst voortdurend in haar slaapkamer, later voortdurend in de
+groote kamer, te zwak om hem bij zijn binnenkomst te gemoet te gaan, met
+armen lam van uitputting, met beverige lippen, die hem nauwelijks
+zoenden, hem altijd dezelfde vragen doende over hoe het ging in de stad,
+over de zaken hem verhalende wat de dokter had gezegd, over het eten
+sprekende: een geliefkoosde spijs, die gisteren voor hem was klaar
+gemaakt, waarom hij toch niet gekomen was?, hetzelfde verschiet van hoop
+in de toekomst openende, maar vager, met te-rugwijkingen van de stem, in
+'t midden een volzin haar spreken stakende, en hem dan kalm, zonder
+ontroering, zoo wonderlijk aanziende, dat hij, denkende met een
+ziekte-verschijnsel te doen te hebben, het venster uitkeek en na een
+poosje een opmerking maakte over het aangroeyende groen.
+
+Vóor den eten kwam Marie geregeld, als het mooi weêr was, met Felix van
+een wandelingetje te-rug; als het slecht weêr was, van boven, om het
+kind aan zijn vader en moeder te laten zien. Jozef vermeed Marie aan te
+zien; Felix werd met gedwongen liefkozingen behandeld, terwijl er, met
+dat kind tusschen hen beiden in, zijn blauwe oogen vragende wat de aarde
+was, beurtelings naar hem en naar haar gericht, een wind van droefheid
+snel, sidderend, tusschen hen uit heen woei, de glazige ruiten door, ver
+over den weg naar buiten, en Mathilde wit werd, roerloos. Eens regende
+het in een voorjaars-storm, vóor de komst van den zomer; in sabelende
+scheuten kletsten de droppelen-massaas tegen het glas. Huiveringen
+zwiepten langs den grond van kiezelsteenen, over het dunne opschietende
+gras tot aan het hek. Het woud van kleine blaadjes in iederen machtigen
+iepenboom, aan den grijzen weg, kromp ineen, fladderde als millioenen
+vogelenvleugels, samen, buigend en wenkend, warrelend in angst. Het kind
+kreet 't toen plotseling uit, in lange frissche geluiden uit de jonge
+keel, zijn gezichtje wrong zich samen, verschrikt voor het naderende
+leven. Daarna stond 't weêr effen, zonder een rimpel in het gladde vel.
+Als Felix schreeuwde, droeg Marie hem wech, hem sussend, hem dansend in
+haar armen. Jozef en Mathilde bekeken de lucht, ieder door een andere
+ruit ziende, zwijgend, met lichte kuchjes en ademhalingen.
+
+Het gebeurde wel eens, dat de dokter zijn bezoek kwam brengen na Jozefs
+aankomst, ofschoon hij meestal, in zijn tweewielig overkapt
+dokterswagentje, 's ochtend vóor twaalven de ronde deed aan deze zijde
+van het dorp. De dokter was een dik rooderig mannetje, bestaande uit
+lagen vleesch en huid die op elkaâr zwabberden, een boerenzoon, die
+gestudeerd had, het examen onder de oude wet had gedaan, en nu niet
+zijn helle oogjes en mopsneusje zijn bewegelijkheid en bekrompen
+levenswijsheid in een ruwheidsvoorwending uitstalde. Hij had een paar
+brieven met zijn Amsterdamschen kollega over Mathilde gewisseld en
+behandelde haar nu met zijn tergende flinkheid, zich onophoudelijk in
+zijn verwachtingen bedriegende, onuitkomende voorspellingen doende, deze
+koppige kwaal niet begrijpende. Wanneer het maar eerst zoo warm werd,
+dat Mathilde bijna den heden dag in den tuin zoû kunnen doorbrengen en
+wandelingetjes in den omtrek doen, dan zoû 't wel gaan. Jozef vond den
+dokter een onaangenaam kereltje. Tegenover de wereldschheid van Jozefs
+uiterlijk en manieren verborg hij zijn ergernis van boerenzoon onder
+wantrouwende oog-opslagen en een soort van stugheid in de stem. Hij vond
+zich belemmerd in zijn korte vette gebaren en in zijn driftig
+plattelandsgeneesheers-gezach door de zwierig-bedaarde bewegingen en
+kalme woorden van Jozef, die een hoofd grooter was dan hij.
+
+Terwijl de dokter dikwijls lang bleef zitten, Mathilde's onderworpenheid,
+die zijn raadgevingen en gezegden aanvaardde, exploiteerende, stond Jozef,
+die eerst meê gesproken had, in een hoekje aan den anderen kant van de
+kamer, bladerend in een prachtwerk, ongeduldig onder zijn kalmte.
+
+Nu Mathilde haar dagen in de groote kamer leefde, dineerden zij daar
+samen om vijf uur, als Jozef gekomen was. Om negen uur, half tien, ging
+Mathilde naar bed, Jozef nam afscheid op haar slaapkamer, schoof
+langzaam door het gangetje naar de groote kamer te-rug, na dat hij, door
+de reet van de keukendeur, de warm rood blanke Marie gezien had, haar
+roode vochtige lippen onder den lampeschijn, in den damp der kommetjes
+koffie, tegenover Jans.
+
+Jozef ging ook vroeg naar bed, niet wetende wat te beginnen. Dan lag hij
+dikwijls uren wakker en hoorde de stille ziekelijke woelingen van
+Mathilde achter het schot. Hij hoorde haar hijgen, zacht opstaan,
+drinken, en heen en weêr gaan met schuivende stappen, weêr gaan liggen,
+zonder slaap, alles met de afgematte bewegingen van een eindigend
+lichaam. Een woede steeg in hem op en maakte zijn hoofd heet, Wie,
+verdomd, of wat, noodzaakte hem zich hier te liggen vervelen, in dezen
+ellendigen uithoek van het Gooi! Welk leven had hij zich bereid, vier
+jaren geleden! Allerlei denkbeelden en verwenschingen stegen op uit de
+verste hoeken zijner hersens. Er was geen enkel in zijn jeugd wel eens
+overwogen levensplan of het schoot hem nu weêr te binnen. Waarom niet
+dit gedaan, waarom niet dat gedaan, in plaats van dat huwelijk! Waarom
+was hij niet in Parijs gaan wonen of ergends in het buitenland, zoo als
+hij zoo dikwijls had willen doen! Daar lag hij nu, zonder pleizier,
+zonder iets! In wrevel spalkte hij nu zijn neusvleugels en hoorde het
+heele losse huis kraken en inslapen om hem heen.
+
+Meestal in deze nachten, lag hij te luisteren naar de geruchten van de
+eenige verdieping, boven zijn hoofd. Eerst hoorde hij de trap kreunen,
+als Jans en Marie naar boven gingen. Jans sliep in een alkoof, van den
+kleinen zolder uitgespaard, door een dun schot er van gescheiden, boven
+Mathilde; Marie sliep op het tweede der logeerkamertjes, aan de
+voorzijde van liet huis, juist boven Jozefs hoofd. Het huis was zoo
+dun-netjes gebouwd, dat Jozef elke stap van de pantoffels der meiden
+hoorde. Jans stapte licht, met haar magere oude beenen, Marie met zware
+voeten, meer klotsend. Hij hoorde haar stilstaan, met een gespatter der
+zolen, vóor Felix ledikantje. Daarna verder gaan, het getikker van haar
+zaakjes, die zij op tafel leî, daarna een dof gemorrel, zij moest zich
+uitkleeden, daarna: "nacht Jans, wel te ruste" en het bromde te-rug, van
+achteren, veel verder af, als van iemant, die buikspreekt: "nacht, kind,
+slaap wel"; hierop hoorde hij het zware liggen-gaan van Marie in bed.
+Hierna was alles stil. Alleen een muis kraste achter het behangsel, en
+sarde Jozef uit den slaap, tot hij herhaaldelijk was opgestaan, om hevig
+te kloppen.
+
+Eens bleef hij vier dagen achter-mekaâr in Amsterdam, elken dag
+telegrafeerende, dat hij te veel op het kantoor te doen had, om te
+komen. Mathilde scheen niet verwonderd bij zijn te-rugkomst. Zij zoende
+hem alleen flauwer, meende hij, en zag hem nog langer, nog wondelijker
+aan, met haar wijde oogen, waar een vreemd iets in sprankte. Zij ging
+een beetje beter, zeide zij. De heele beterschap zoû zoetjes naderen.
+
+Eens op een anderen nacht, tegen den ochtend, werd Jozef wakker. Hij
+wist eerst niet wat hem wakker deed worden, wilde weêr inslapen, zijn
+gezicht tegen den wand. Toen hoorde hij iets als blazen, ademen, iets
+dat leefde vlak bij zijn hoofd, een wezen, een dier misschien. Hij
+sprong op tot een zittende houding, draaide zijn hoofd boven zijn
+schouders rechtsom, keek in de wemelende donkerte, luisterend,
+onderzoekend. Het moest van achter het schot komen, uit Mathildes kamer.
+Hij hield zijn oor tegen het-hout. Nu hoorde hij hijgen, iets als een
+onhoorbaar schreyen, iets als een regelmatig kloppen van ver af, als op
+een aanbeeld van uren afstands onder den grond.
+
+--Mathilde, riep hij, wat is dat? Is er iets in je kamer? Ben je wakker?
+
+Het geluid hield op. Hij kreeg geen andwoord. Hij hoorde zachte voeten,
+wijkend, met het geruisch van een kleed er over heen.
+
+--Mathilde, ben je wakker?
+
+Nu sprak uit haar ledekant haar stem, zacht, gejaagd:
+
+--Ja, is er ies?
+
+--Hoor je niets in je kamer?
+
+--Ik? ...nee, nies ...
+
+--Is je licht aan?
+
+--Ja ... ik was zelf op, zoo met-een, om te drinken.
+
+--Zie je dan nies?
+
+--Ik? nee, nies ...
+
+--O, dan heb ik 't me zeker verbeeld, wel te ruste.
+
+Jozef sliep weêr in, zonder denken, niet begrijpend. De muis ratelde
+voort achter het behangsel.
+
+Toen er anderhalve maand om was en Mathilde zich heelemaal aan het leven
+buiten gewend had, bleef Jozef herhaaldelijk vijf, zes dagen achter-
+mekaâr, eindelijk een week wech, eindelijk kwam hij drie keer na mekaâr
+maar eens in de week over.
+
+Hij leefde weêr in het gemakkelijk leven van dadelijk genot. Mathilde
+werd een voorwerp, waarmeê hij gedwongen was zich nu en dan bezig te
+houden; een dame, die het lot nu eenmaal tot zijn verwante had gemaakt
+en die hij genoodzaakt was tusschenbeide met beleefdheid, met
+hartelijkheid te gaan bejegenen gedurende eenige uren.
+
+Jozef dacht er ook met ingenomenheid aan, dat men bezig was een
+spoorbaan tusschen Amsterdam en Utrecht en Amsterdam-Amersfoort te
+leggen, via Hilversum. Dat zoû de overtocht veel vergemakkelijken,
+Intusschen dacht hij: als 't maar niet te laat is, dan! maar dit idee
+verschrok hem niet veel: een levend of een dood lijk, daar was weinig
+onderscheid tusschen.
+
+
+
+
+XIII.
+
+
+Twee maanden gingen voorbij. Het was het begin van Juni. Bagatelle
+scheen, van den straatweg af gezien, hooger te zijn gestegen en rustte
+nu, glansend bruin en wit in het zonnelicht, op zijn hellend voetstuk
+van donker-groen zijig gras, dat de bloemperken, licht en zwaar roode,
+omlijstte; de groote iepen langs den weg hadden van boom tot boom aan
+weêrszijde hun bladeren saâmgevlochten, die in groote verwarde trossen
+laag neêrhingen, vóor het huis. Alles bloeide, leefde, kwam tot
+rijpheid. Zachte, goud-trillende windjes streelden de bladen, ruischten
+rond met den zang van een vogel, heenstervend boven de schuinte van het
+dak. De zon was overal. Bij de groep boomen, links van het huis, stond
+een purper-bruine beuk, waarvan de bladen zich tintten als donker
+paarlemoer, door den wind in de zon op en neêr wuivend. De sparren, in
+boschjes, in de achterhelft van den tuin, aan weêrszijde, doften, morden
+samen, zwart van groenheid. Vlak achter het huis, waar kastanjes, langs
+de oprijlaan, hun pluimen van gedweëe, over elkaâr neêrvallende veêren
+verhieven, mengde zich een strook droger, lichter groen tusschen de
+donkere sparren. De vloer van den tuin was van streepen gras en kleine
+grasvlakten tusschen de zwarte zandpaden en de witte kiezelsteenen. En
+alom, over den grond en van de ruimten uit, hoog en laag, zag Mathilde
+zich door een leven van groen omgeven, van goudgestraal doorschroeid of
+uitgelegen in den zacht-gelenden glans.
+
+In dien tijd waren er in de meeste villaas in de rondte ook menschen
+gekomen. Aan de eene zijde had Mathilde nu een oude dame, die daar een
+leelijk vierkant geel huis, als een kast, bewoonde met een nicht; zij
+waren streng protestant; zij hielden rijtuig. Als Mathilde 's nachts
+niet slapen kon, hoorde zij het paard trappen op de steenen van mevrouw
+Arlewijns stal, die door een gemeente-voetpad, van éen meter van
+Bagatelles tuin gescheiden was. Aan de andere zijde dook tusschen het
+gebladerte van zijn tuin, een nog lager huis wech, half
+herbergiers-woning en oud, half societeit en nieuw. Achter Mathilde, van
+haar tuin gescheiden door den nauwen, vies-klam-hobbeligen. Vaarderweg,
+van vale aarde en stukjes steen, die altijd stil was, stumperde een
+buitentje uit den grond, hokkerig, heelemaal van hout, ook met een
+kleinen stal, op den hoek van den Vaarderweg en het melkpad met zijn
+wijde akkers en verren gezichteinder, dat achterom, naar het dorp
+streepte. Schuin tegenover Mathilde, aan de andere zijde van den breeden
+straatweg, ijselijk wit, het andwoord gevend op de lachjes van
+Bagatelles gevel, was de woning van mevrouw Rim, oude dame met groote
+grijze krullen als klosjes garen aan haar slapen, met twee kleine
+kinderen, en daarnaast, vlak tegenover Mathilde, bromden, vaal-grijs en
+blauw, de hooge naakte muren tegen de lucht, van zweetend vlekkerige
+steen gebouwd, van het eenige huis van twee verdiepingen in de
+onmiddellijke nabijheid, vijf stokstijve vensters breed, de kostschool
+der dames Streelink, die met hun vader, kreupel gepensionneerd officier,
+daar hun brood verdienden. En verder volgden de villaas elkaâr op,
+tusschen hun nu vol groen gewassen tuinen door, hun lichtgekleurde
+voorgevels naar de zoo hoog groen bedaakte ruimten van den breeden weg
+duwend. En niets dan boomen, planten en bloemen in de rondte.
+
+Als Mathilde voor het raam zat, in de groote kamer, reden er
+eigen-rijtuigen, met opdampende stofwolken, den weg af naar het dorp en
+omgekeerd; jonge meisjes in blauwe, witte en rose toiletjes, met
+parasols, gingen voorbij. Oude dames, in het zwart, wandelden. Het was
+een beweging en een stuk stadsleven door den zomer hier overgeplant.
+
+Mathilde had dien zomer langzaam zoo zien komen zoo zien worden om haar
+heen, Als zij 's morgens opstond en de gordijnen voor de vensters
+ophaalde, bloeiden er een lage lindeboom, links, dof, bleekgroen, en de
+kastanjes voor haar uit. Links op den achtergrond, onder een groote plek
+open hemel, schuilde een oud-Flora-borstbeeld, op een blauwsteenen
+voetstuk, in een uitgebreide nis van bloemende boompjes, seringen,
+jasmijnen, een gouden regen, wech. Twee seringenboompjes trosten hun
+takken violette, licht-paarse ruikertjes over het Flora-beeld, met zijn
+leege oogen, heen, en te midden van de groene heesters bloeiden aan
+weêrszijde de gouden regen, met zijn uitstorting van innig-gele
+bloemetjes, en de lage jasmijnen, met groenige warm-witte klokjes.
+Daarboven, tusschen het netwerk der hoogste takjes en sprietjes uit,
+daakte, heel ver en heel hoog, de tintelende blauwheid van den hemel.
+Het was bijna aldoor mooi weêr; bijna elken ochtend had Mathilde dat
+gezicht. Gedurende haar lange dagen, in de groote kamer, woonde zij de
+wording van haar tuin verder bij, het gras, dat zich verdonsde en naar
+boven schoof, de magere foksia-en geraniumplantjes, in de diep in het
+zwarte zand gezonken vuiligroode potjes der bloembedden, eerst nog
+bibberend van naaktheid in de voorjaarsbuyen, maar die later ontloken,
+de geraniums met rood-stijf-fluweele blaadjes, als een regenscherm op
+groene steeltjes uitgestoken, de foksiaas met gladde knoppen, scherp
+gepunt als vogelsnavels. Voords de boomengroepen, waaraan aan beide
+kanten het grasveld grensde, sparren en beuken met éen berk, waarvan de
+krijtwitte stam als een lange gewrongen paal stond, en, als een magere
+witte gedaante, Felix 's avonds bang maakte. En verder had Mathilde de
+machtige iepen van den weg, en heel de overige natuur zien groeyen, de
+bladen zich uitbreidend, zich aanéen-sluitend tot een dichte, wilde
+grenzeloze massa, vol warmte en levensrommelende beweging, in ongelijke
+samenhoopingen en bochten, met plotselinge openingen hier, dichte
+samenknoopingen daar, onbeheerd, overal uitspattend en zich verdringend,
+een onbeperkte warreling van groen.
+
+Mathildes uiterlijk eentonige leven van in de stad sloop hier verder
+voort. Aan haar verminderende pijnen raakte zij eenigszins gewoon, zoo
+dat die ook daardoor nog lichter schenen, zij voelde zich sterker
+worden. Zij voelde de krampen in haar lendenen bij het oprichten zich
+lenigen, maar de toestand van herstelling, waarvan de eerste teekenen
+zich schenen te vertoonen, bracht met zich mede, verdovingen van haar
+heele wezen, die uren duurden. Dan kende zij zich zelf niet en was als
+schijndood, zoo als ze daar in bed lag of achterover in de luye stoel
+geleund. Zij voelde niet, zij dacht niet. En anders, gedurende den tijd,
+dat ze wél leefde, had zij maar éen bezigheid, die haar hersens en haar
+hart deed werken: te denken aan Jozef, hem altijd, altijd, bij haar te
+begeeren, hem altijd ver af te weten.
+
+Zij stond tegenwoordig om negen uur, half tien, op, in 't begin elken
+morgen, in de nevelende ontwaking harer oogen, wéder verwonderd over de
+felle frischheid der witte schemering van haar slaapkamer, vreemd en
+akelig verschillend van de zachte donkerte, waaraan haar blikken in
+Amsterdam gewoon waren. Eerst werd geregeld haar kacheltje aangelegd,
+vóor zij opstond, met de harde tikkende en grommelende ijzergeluiden,
+maar later, toen de zomer vorderde, gleed zij in de stilte der luwe
+atmosfeer uit het ledikant, schelde Marie, deed haar peignoir aan, en
+ging, een beetje moe, voor haar toilettafel zitten. Dan, met haar
+nuchtere maag, overviel haar 't meest haar alleenheid, als zij zich te
+binnen bracht, dat Jozef gisteren niet gekomen was. Een griezeling, een
+klamheid streek, onder de kleêren, over haar huid tot aan haar voeten.
+Marie kwam binnen en hielp haar wasschen, kappen en aankleeden. Mathilde
+was toch nog zoo zwak, dat, als zij, haar hoofd naar voren buigend, haar
+armen in de hoogte deed, driehoekig gebogen, de ellebogen naar buiten
+gestrekt, om zelf een haarspeld te bevestigen of een propje te glijerig
+binnen den vorm der chignon te dringen, er een tintelende vuurstroom van
+lamheid door haar armen tot aan haar handen, tot door haar vingers klom,
+en haar armen machteloos neêrzonken, in de witte kreukels van haar
+schoot. Marie, wier armen bij het kappen links en rechts in de hoeken
+van Mathildes half gesloten oogen stukken van verschrikkende gebaren
+schenen te maken en wier stem met een hard-smartelijke klaarheid tegen
+Mathildes schedel woei, vertelde altijd eerst van Felix, hoe hij
+geslapen had, wat hij had gezegd, hoe hij hardop had gedroomd van de
+heks uit het sprookje, dat zij hem den vorigen avond had verteld. Daarna
+van Jans; Jans was wel zindelijk en verzorgde de keuken wel goed, maar
+ze was een beetje ongeduldig van aard, zij knorde dadelijk als Marie
+maar een paar minuten te laat beneden kwam, voor het eten of zoo. Verder
+van een onaangenaamheid tusschen Jans en den slager; Jans beschuldigde
+hem van niet het volle gewicht van het ossenvleesch gegeven te hebben.
+Ja Mathilde had ook, nog half in slaap, dien morgen al luide stemmen
+gehoord aan de deur. Dat was dát zeker geweest. Marie zeide daarna, dat
+de melkvrouw altijd zoo vroeg kwam, en dat Jans hierom altijd zoo boos
+was. De groenteboer was een beste man. Om nadruk op iets te leggen,
+sprak Marie ook vlak in Mathildes gezicht, met de pas gedronken koffie
+in haar stem. Mathilde nam in dien tijd, af en toe, met haar
+ziek-bleeke, stilletjes bevende hand, het glas melk, dat voor haar
+stond, het langzaam op en neêr bewegend, met kleine teugjes, die zij in
+haar maag voelde killen, drinkend. Hoe was 't mogelijk, niet waar, nu
+was men hier toch "buiten" en toch was de melk veel waterachtiger als in
+de stad, zeî Marie.
+
+Aangekleed, ging Mathilde op een ochtend, zoo als gewoonlijk, bleek,
+haar knieën bij elken stap de dunne wol van de peignoir in dadelijk weêr
+verdwijnende sporen bol uitdrukkend, door het gangetje naar de groote
+kamer. Als zij de deur van de slaapkamer open deed, om in den gang te
+gaan, warrelden, van door de voordeur, die dikwijls openstond, of door
+de keuken, waar de vensters hoog opgeschoven waren, wemelingen
+zomerlucht over haar schouders, om haar hoofd, om haar handen, met
+lichte streelingen, als zacht getinte geuren, en, als of zij haar borst
+tegen een onzichtbaren balk stootte, die daar zoû zweven midden-in den
+gang, dreunde een schok door haar lichaam, het plotselinge bewustzijn
+van haar alleenheid, dat zich door alle zintuigen aan haar opdrong. Het
+wrong zich door haar neusgaten, door haar ooren, door haar mond naar
+binnen, naar haar keel, naar haar maag, het suizelde met de deeltjes
+zomerlucht door de poriën van haar huid. Elken morgen schrok zij er van
+en werd er nog moeyer van. De gesloten deur van de groote kamer, met het
+éene glad-gele gevlamde stugge paneel, gaf haar daarop een
+gewaarwording, die haar bijbleef tot zij de deur met de stroef-gillende
+kruk had opengedraaid: Jozef was daar, achter die deur, achter dat
+stugge gele houten vlak, dat den toegang versperde, nietwaar? Het was
+donker, hij moest daar zijn. Hij zat daar als gewoonlijk in de groote
+kamer, hij wachtte haar om haar mond aan den zijnen te drukken, zij zoû
+nu dadelijk weêr een oogenblik staan met haar heele lichaam tegen hem
+aangedrukt, haar beenen tegen zijn beenen, haar borst tegen zijn borst.
+Hij was gekomen, gister-avond, van morgen, hij was gekomen om haar te
+verrassen. Er was geen twijfel aan. Dat heele denkbeeld van zijn
+wechblijven, van zijn verkoeling, was maar een akelige, benauwende droom
+geweest, een pijn, die zij bij het wakker worden had kunnen afschudden.
+En zij zag de omlijning van de deurpost, de hoeken, de duidelijke
+afmeting van de gang-zoldering daar boven die neêrdeinde en opklom, met
+zwaar-blanke trillingen. Hoorde zij hem daar niet hoesten? Hoorde zij
+niet het kalm gefrommel van zijn koerant, het regelmatig gekraak van
+zijn schoenen op de vloer? ... Van den gang, die van gedempter licht was
+om het dikke hooge groen van den tuin er achter, kwam Mathilde, met
+koele huivering over haar voorhoofd, de groote kamer binnen. Stroomen
+helle blankheid, een algemeene siddering van glimmend, blakend wit; het
+behangsel danste, de groote ruiten van de raamdeuren spiegelden, het
+witgekalkte plafond steeg hooger, een witte zwakke luchtige jeugd was in
+de rondte, eerst begrensd door de donkere kanten van de half opene deur,
+daarna, toen Mathilde heelemaal binnengekomen was en de deur achter zich
+dicht had gemaakt, alom, van, alle kanten, haar als ontvangend in een
+bad van witheid.
+
+Mathilde liet zich op het effen glad groene kanapeetje zijgen, bevangen
+door de helheid van de ochtendige kamer. Buiten, door de blauwig
+spiegelende ruiten, bloeiden de roode bloemen van het groene grasveld in
+haar oogen als heftig-roode stekende punten. En, daar achter, onder de
+iepen door, strekte de breede geel-stoffige streep van den straatweg
+zich voorbij, waarover gaauw, met een licht geraas, rijtuigen regelmatig
+heen en weêr raderden in zwarte groepen bewegingen, bij langdurige
+tusschenpoozen. Zóo bleef Mathilde langen tijd zonder gedachte staren.
+
+Zoodra zij zich sterk genoeg had gevoeld, had zij zelf 's morgens weêr
+het huishoudentje willen doen, zoo als vóor haar ziekte in de stad. Dit
+gebeurde om half elf, elf uur. Jans hield twee boekjes, dat van den
+slager en het keukenboekje, dat zij nu binnenbracht met een mopperig
+goeye morgen, knorrig in de drukte der eerste morgenuren. Jans ging
+dadelijk weêr wech en Mathilde bleef alleen, over haar schrijfmap
+gebogen, de witte schijn van haar gezicht met aarzelende rooderige
+wolkjes er onder, bedolven onder het pak zwart vlossig haar. De peignoir
+plooide zich op haar borst door het vooroverbukken. De velletjes papier
+schoven tusschen haar kouwige vingers door, met zacht gefriemel en
+schenen haar onvoelbaar dun. Zij las het keukenboekje. Over en door de
+blauwe lijntjes van het papier stond geschreven in het doezelige
+waggelende potloodschrift van de keukenmeid: brood zestien cent,
+aardappelen dertig cent, arme vrouw twee cent, sleeper voor mijnheer een
+gulden vijftig ... Nu sprongen er in eens tranen uit Mathildes oogen op
+het schrift en bleven er in biggelende druppels op liggen, zóo
+doorschijnend, dat de letters van Jans er doorheen nog herkenbaar waren:
+brood, zooveel, aardappelen zooveel, arme vrouw ... En plotseling
+scheeuwde alles in de rondte aan Mathilde de nutteloosheid van haar
+leven tegen. Daar deed zij nu haar huishouden. En voor wie? Voor wie
+zorgde zij eigenlijk zoo? Waar bleven de droomen van vroeger, de
+heerlijke genoegdoening van alles zoo in orde te houden als bijdrage tot
+zijn geluk! Een ontzetbaar verdriet, als een nog ongekende kracht van
+haar binnenste, als een opperste bedreiging, die zich voltrok, rees op,
+steeg naar Mathildes hoofd, daalde weêr neêr, vervulde haar, hing zwaar
+over haar oogen, deed haar gezicht zwellen. Zij leunde tegen den rug van
+haar stoel, wilde de smart doen wijken, en langzaam zien wechdrijven aan
+den binnenwand van haar oogleden. Maar heete snikken bruisten op door
+haar keel, een gloed van lijden vervulde haar wezen. Zij slikte nu
+herhaaldelijk het water van haar mond in, om langzaam de smart te kunnen
+genieten. Zij wilde zich herinneren, die heele geschiedenis van Jozefs
+onverschilligheid nog eens in gedachten doorléven. En zij woonde weêr
+alles bij, van het oogenblik af, toen hij Marie boven haar hoofd had
+aangeraakt en zij hem had zien dalen, dalen langs den eindeloos
+grijzigen trap. Zijn liefde was geweken in het verloop van den tijd,
+telkens minder, telkens minder. En nu, nu was de liefde wech. Hij had de
+blikken verloren, waarmeê hij haar kon aanzien, die zekere kracht en
+buiging zijner armen, waarmeê hij haar kon omvatten.
+
+Maar neen, het kon, het kon niet zijn! Als zij weêr heelemaal beter zoû
+zijn en hem weêr lief zoû kunnen hebben, volledig, zooals zij het zoo
+graâg woû, dan zoû ook zijn liefde weêr opleven, die niet dood was, maar
+alleen sliep. En toch, neen, wél was zijn liefde dood! Daar kwam een
+huivering van uit de verte over Mathilde, door de ruiten, door het
+behangsel. Zij hoorde Jozefs stem als heel ver wech praten, maar in een
+anderen, onbekenden, een ijselijk vreemden toon. Het was zijn stem niet
+meer. Zij zag hem gebaren maken, zijn mooye gestalte in een licht
+zomerpak, zijn armen, zijn beenen bewogen; zij zag zijn groote
+regelmatige tanden bij het bewegen der lippen onder den dikken knevel te
+voorschijn komen; zijn fijne rijtjes oogharen bewogen op en neêr, hij
+keek, als sprak hij ook met zijn oogen. Maar hij was het niet meer. Het
+was een vreemdeling, die zijn gedaante had aangenomen. En toch wat was
+alles om haar heen vol van hem, vol van zijn liefde. Was 't niet zijn
+adem, waarin zij leefde? Had hij om haar lichaam en om haar geest niet
+een sfeer geblazen, waarin alleen zij leven kon?
+
+Hoe wit was de kamer hier, hoe bloeide alles buiten in de zon! Maar in
+wat voor een vreemde omgeving zat zij hier! Neen, zij kende deze kamer
+niet, dit huis, zoo luchtig, zoo licht, dat men als een doos over haar
+heen scheen te hebben gezet. Wat waren dat voor bloemen, zoo hoog, daar
+buiten de ruiten? Waar was zij toch hier, wie had haar hier neêrgegooid,
+zoo vreemd, zoo ver, hier "buiten"? Mathilde keek rond met groote oogen:
+daarop streek zij met haar hand langs haar borst, om zich van haar eigen
+bestaan te overtuigen. Zij wreef haar eene hand over de andere, drukte
+de knieën samen. Daarop hief zij zich, nauwelijks, in zittende houding,
+boven haar stoel, de borst en rug recht. Daarop leî zij kruiselings,
+over de papieren van het huishouden heen, haar armen op elkaâr, kromde
+zich, zonk inéen, drukte haar gezicht in haar armen en snikte, eerst
+zachtjes, toen sneller, hijgende met een verdoofd kreunen, en eindelijk
+met lange ademhalingen, uitgeput. Een vreeselijke leegte werd haar heele
+wezen. Zij voelde alles wechgaan, alles haar verlaten. Zij schreide haar
+ziel leêg. Nu eens huilde zij niet meer, zij scheen tot bedaren gekomen.
+Maar dan, in haar dorst naar tranen, wekte zij weêr een herinnering op,
+deed haar gedachte tot het bewustzijn van haar alleenheid terugkeeren en
+borst op nieuw in snikken los. Zij zag haar heele bestaan vruchteloos,
+al haar geloof, al haar hoop verbrijzeld. Zij was alleen, alleen; zij
+deed haar handen aan beide kanten van haar hoofd, boven de ooren, om er
+het begrip van haar alleenheid in te wringen, want haar hersenen wilden
+niet begrijpen. Daarna stond zij op, bekoeld, rillerig, ging voor het
+venster staan, haar voorhoofd tegen een ruit gedrukt boven haar moede
+kwijnende oogen. De smalle strepen van haar tranen, die over haar wangen
+afdropen, droogden in de van buiten komende warmte. Haar borst steeg en
+daalde, terwijl zij een paar maal hevig zuchtte. Daarna keerde zij zich
+om en ging, met haar oogen iets zoekende tusschen de papieren op tafel,
+te-rug naar haar plaats. Zij nam een schrijfboekje op: het dagboek, dat
+zij hield van Jozefs komen en wechblijven, En zij keek na: gisteren
+"niet geweest", eergisteren "niet geweest", en verder "niet geweest",
+"niet geweest". Toen dacht zij weêr na. Zes dagen! Waren het maar zes
+dagen geweest? En al die tijd, dat zij alleen was geweest, ochtenden,
+middagen, avonden, nachten, een eeuwigheid van bange gedachten, een
+eindeloze angst, al die tijd, dat zij gestaan, gezeten, gelegen,
+geknield had, haar blikken dwalende over de voorwerpen in de rondte, een
+kastje, dat zij niet herkende, een hoek van de kamer die zoo
+onbegrijpelijk leêg scheen! En vóor zijn laatste overkomst was Jozef
+toch ook nog wel eens zes dagen wechgebleven. Kón zij er dan niet aan
+wennen? Het was toch wel natuurlijk eigenlijk!
+
+ * * * * *
+
+En het huishouden ging zijn gang met den onverschilligen tred van het
+dagelijksch leven, als een vreemde koele man, die zonder te zien haar
+gemoedsleven voorbijliep. Het was nu de tijd van koffiedrinken. Marie
+kwam binnen, met haar blozende gezondheid en haar hoofd als een groote
+appel, met Felix op haar arm.
+
+--Zeg dan: morgen, lieve moeder, goeye morgen!
+
+Het kind spande zijn oogjes, zonder wit, geheel door de blauwe bollen
+gevuld, wijd open, hief zijn stukje arm, met de tengere vurig-roode
+vingertjes naar boven, lachte schalks zoo als oude lieden kunnen lachen,
+zonder wenkbrauwen, en herhaalde, terwijl de woorden zich oplosten in
+het weeken van het ongevormd mondje:
+
+--Môye, liefe moede, goeye mô ...
+
+Mathilde, zwijgend, met een stijvigen glimlach, strekte de armen, nam
+het kind op haar schoot. Marie, met het opengeschuif van laâtjes en een
+gerinkink van zilver en glazen, zette klaar voor de koffie. Mathilde
+zoende Felix op zijn dunne korte doorschijnende haar, zacht en glad als
+hazewindenvel. Maar zij vond geen liefkozingen, die hem bezighielden;
+hij draaide zijn groot bol hoofdje naar het venster, in geluidloze
+verwondering over zijn moeder.
+
+Toen Marie even wech was gegaan om de kleine koffiekan uit de keuken te
+halen, werd Mathilde weêr aangegrepen door het gevoel van daar alleen
+koffie te gaan drinken, zoo dat het eten zeker in haar keel zoû blijven
+steken. Haar alleenheid sloeg haar nu in den geest met de regelmatige
+slagen der grijze scherpe eentonigheid. Het witte servet spreidde zijn
+koude tergend voor haar uit, wierp zijn snijdende vierkantheid tegen
+haar aan. Weêr begon zij te huilen. Haar armen hadden zich verlamd, zij
+vergat Felix, die eensklaps zachtjes van haar schoot op de vloer gleed.
+
+Marie zette Felix' kleine tafeltje voor een venster. Uit een spanen
+doosje werd een heel leger van kleine tinnen soldaatjes geschud. Felix
+ging nu "opzetten" en in de stilte dronk Mathilde koffie. Zij at veel
+brood, meer dan zij honger had, hopende haar leed er telkens bij in te
+slikken; zij hield in die dagen meer dan vroeger van brood. Zijn
+kruimerige droogheid en zijn brosse korst raakten haar gehemelte sober
+en zedig, en brachten haar, met de herinnering aan haar vader, een
+lichte zweem van zachte troost.
+
+Na de koffie deed Mathilde een wandelingetje in den tuin. In den gang
+maakte ze een praatje met Jans over het weêr, heel even, en stapte
+daarna met de zwakke treden van haar stoffen pantoffels op het straatje
+en in de laan. Het was pas kort geleden dat de dokter permissie had
+gegeven voor zulke tochtjes. Toen het heelemaal zomer werd, was zij
+eerst gegaan een klein eindje, gesteund door Marie, toen weêr een eindje
+verder, met haar wandelstokje bij zich, om uit te rusten. Zij ging nu
+altijd naar de "hut", een prieël, een soort van wijdopenstaande rieten
+kast, met een bank in de rondte tegen den wand en een vlekkerige
+afgeschaafde groengele zwarterige ronde tafel in 't midden. In de hut
+bleef Mathilde uren zitten breyen of lezen, tot aan het eten. Als zij
+daar zat, zonder gedachte over de bladen van haar boek heen te turen,
+moê van het droomen en treuren van al haar dagen en nachten, werd zij
+onbewust het ruischen en leven van den tuin om haar heen gewaar en
+vloeide de zomer door al haar zinnen binnen. Langs haar voeten, langs
+haar schenen, haar knieën, haar dijen woelde de zomerlucht door haar
+onderkleeren en zuchtte allerwege haar huid in. Zij voelde koude plekjes
+aan haar beenen, als afgerond en zich plotseling op haar vel
+neerdrukkend om haar uit haar mijmering te doen ontwaken. Zachte wind
+wasemde met stille huiveringen door haar witte rokken, ritselde op langs
+het kiezelpad van den bodem, deed den zoom van haar kleed op en neêr
+gaan. Om haar heen had zij nu het grijsbruine licht, de ledige kleur der
+rieten omkasting. Een rust ademde uit die beschermende kleur, van
+achteren en van links en rechts, in de rondte. Boven haar hoofd had zij
+de ernstige rieten kap, donkerder bruin, zwijgend en vooruitstekend, het
+hemelblauw den weg afsnijdend om tot in haar oogen neêr te kaatsen. Maar
+door de opening van de hut, die eindeloos scheen, voor haar uit,
+zweefden alle kleuren en geuren, al het bloeyen en wasemen van den
+heelen tuin met boomen, bloemen, lucht en aarde, met zijn geschitter en
+geglans, zijn doffe en blinkende gedeelten, zijn jubelen, zijn beweging,
+zijn warmte, zijn sidderingen, zijn liederen, op haar toe en omwemelde
+haar gezicht. En zij werden krachtiger, de kleuren; zij wiegelden, zij
+druischten, zij snelden, zij stormden op Mathilde aan, een koor van
+kleuren, een wijd veld levende mozaiek, zij zongen harde, felle klanken
+in haar oor. Toen, om de kleuren te verzachten, sloot zij half haar
+oogen, de appels verflauwden zich achter den nevel der oogharen, haar
+bleekroode lippen zegen zachtjes open, zoo dronk zij, haar hoofd even
+naar achteren gebogen, den lauwigen zomer in met oogen en mond. De
+zwakkere kleuren weken nu wech; alleen het donkere paars van een perk
+rhododendrons, en het gelige en het sombere groen van het lichtelijk
+golvende gras en van de zoetjes wuivende bladerenmassaas, de blankheid
+van het huis, en de kleine plekjes van twee diep-purpere stamrozen,
+bleven, vergoud door de tusschen het huis en de hut neêrvallende zon. En
+het goud, het vloeyende goud, bleef de groote kleur, en wazig golfde het
+heen naar Mathilde, haar oogen binnen. De teedere lauwe lucht drong in
+haar keel, verdroogde haar mond, de geur van jasmijnen, in een
+heesterboschje rechts van de hut, walmde op in haar neusgaten. Zoetjes
+wiemelden pakjes lucht over haar voorhoofd, haar wangen en door haar
+hals, neerhangende haarvlokjes in haar hals beefden stil heen en weêr.
+En zij hoorde niets meer dan het kleine geruisch van de warmte. Zij gaf
+zich over, zeeg naar achteren, haar hoofd over haar borst, haar handen
+aan weêrszijde, tintelend en gevoelloos, van de bank afhangend; haar
+vingers alleen maakten aarzelende, stervende bewegingen van uitrekken.
+Een zalige wezenloosheid suizelde door haar hersenen. Hijgend nam zij
+den zomer in zich op; windjes schenen van haar voorhoofd het bewustzijn
+van het lijden wech te streelen. Maar dan begon zij eensklaps te hooren.
+Een lijster sloeg klaterend klaar zijn geluid uit links, schuin boven
+haar hoofd in het dennenboschje. En het schaterde door haar oor naar
+binnen. Zij deed haar oogen in eens wijd open, richtte zich half op. Als
+een slag van metaal vielen nu de zomerkleuren tegen haar aan, hel,
+flikkerend, koud. Het purper, het groen, het wit, het goud, namen als
+vierkante en driehoekige vormen aan. De kleuren werden lijnen, schenen
+tastbaar. Dan week de slag en een loome droom als een onzichtbare
+sluyer, suizelde van Mathildes hoofd en leden naar beneden.
+
+Tot aan het eten bleef zij in den tuin, tusschenbeide zachtjes aan een
+beetje wandelende, telkens te-rugkeerende in de hut om uit te rusten.
+Een enkele maal zag zij, naast een boschje groen of boven een bloem-perk
+uit, Marie en Felix drentelen. Eens ontmoette zij hen in een nauw
+voetpad. Marie en zij glimlachten vreemd en flauw tegen mekaâr, er was
+als een onbewuste vijandelijkheid tusschen die twee monden, de eene
+breed, grof, rood, vochtig, met zijn groote tanden, de andere flets en
+verdund, waarvan de tanden niet kwamen te zien. Felix trapte in
+speelschheid op Mathildes sleep, en lette verder niet op haar.
+
+Mathilde at eventjes over vijven, om dat Jans altijd een beetje te laat
+klaar was, met Marie en Felix, in de groote kamer. Marie moest Felix
+helpen, bond zijn servetje om zijn hals, sneed het vleesch op zijn bord
+aan heele kleine stukjes, maakte de aardappelen fijn. Het servetje werd
+onder zijn bord op tafel gelegd en Marie knorde op hem als er een lange
+bruine of gele vlek op het servetje kwam, van zijn lepel of van zijn
+mondje. Felix was tusschenbeide erreg wild en gooide de tinnen kroes,
+waaruit hij water dronk op den grond. Dan zeî Marie: "ondeugende
+jongen!" en kreeg Felix voor straf geen of heel weinig kersen aan het
+dessert, Marie had verder aan Mathilde heel veel te zeggen; zij zat
+altijd recht op haar stoel en leunde nooit terwijl zij aan tafel zaten,
+om dat zij wel wist wat fatsoenlijk was. Zij schoof dan tusschenbeide
+het eten naar een kant van haar mond en praatte met den anderen over de
+buren en hun kinderen. Zij had gehoord, dat in het houten huis, achter,
+aan den Vaarderweg, een dame kwam wonen, een weduwe met twee zoontjes,
+die mevrouw van Borselen heette. Of dat diezelfde mevrouw van Borselen
+zoû wezen, die Mathilde wel kende van vroeger uit de stad? Vrouw Steyer,
+de huisbewaarster van de societeit, daarnaast, had het haar verteld, dat
+zij gehoord had, dat 't een heele nette dame moest zijn, en de zoontjes
+nog heel jong waren. Nu had Marie gedacht, dat dat dan misschien goede
+kameraadjes voor Felix zouden worden. Want al lang keek zij eens rond of
+er geen fatsoenlijke kinderen waren, jongetjes van zijn leeftijd, waar
+Felix meê om kon gaan. Marie hield al sprekende, om het waarschijnlijk
+te maken, dat wat zij zeide zeer goed bedacht was, haar vork rechtop
+stijf op tafel gedrukt, terwijl Mathilde alles beaamde en alleen een
+enkele maal flauw gesproken vraagjes over Felix deed, of hij goed had
+opgepast, of hij flink had gespeeld. Daarna glimlachte zij goedkeurend
+naar Felix bolle blauwe oogen met haar verdoofden lach of vermaande hem
+gemaakt-onverschillig zoetjes, met een zwakke opheffing van haar
+wijsvinger en een donkere ernst in haar oog. Felix lette weinig op de
+gesprekken, maar keek voortdurend naar den straatweg, kraaide luid als
+er iets voorbijkwam, dat hij herkende, en stak daarna uit verlegenheid
+zijn vingers in zijn mond.
+
+Maar van-daag mijmerde Mathilde voortdurend zwijgend aan tafel voort,
+nog onder den schrik harer gewaarwordingen van in den tuin. Zij voelde,
+dat zij haar eigen verdriet dien middag in de kleuren had gezien, er was
+iets gebroken in haar gemoed, de schelp van een inwendig oog was stuk
+gebarsten. Nu kon zij beter dan vroeger waarnemen en rondwoelen in haar
+eindeloos groot verdriet. Zij had al veel geklaagd en veel geweend, maar
+zonder er op in te denken, en nu, nu zag zij zich zelve, maar zij
+herkende zich zelve niet meer. Toen zij opstond van tafel, stond zij
+verwonderd. Zij kon niet meer denken zoo als zij gewoonlijk dacht; het
+bewustzijn van haar verdriet, het gewone, dat zij herkende, elken morgen
+als het bij haar wakker worden in haar opkwam, en dat zij elken avond op
+dezelfde manier in haar slaap zag verdwijnen, was wech; een ander, een
+vreemd, een angstig benauwend, een hoog, een dreigend, was er voor in de
+plaats gekomen. En zij was bang en verbleekte uit angst voor zich zelve.
+Zij was bang en zag op tegen het hooge zwarte gevaarte, het gebouw der
+gedachten en droomen, dat haar leed buiten haar om scheen te hebben
+opgericht en dat straks op haar neêr zoû storten, zich verbrijzelend
+over haar hoofd en haar hart in een eindelozen val van hooge donkere
+brokken na elkaâr.
+
+Een half uur later zat Mathilde, terwijl Felix, eer hij naar bed
+gebracht werd, zijn laatste wandelingetje liet doen, voor het eene raam
+der groote kamer, haar handen gevouwen op den schoot, te wachten op den
+naderenden avond. Het was nog helder dag, maar de zon, die 's middags
+die klaarheid warm had gekleurd stond laag in de lucht, schuin achter de
+iepen van den straatweg, en de klaarheid van den dag werd koeler,
+onverschillig. Achter de dichtst bebladerde hoogten der boomen
+verborgen, bescheen de zon den tuin niet meer, maar sprongen alleen
+rood-gouden stralen van boven, tusschen de dichte takken door, als
+snelle blikken van vuur, waarmeê die hooge boomen Mathilde bezagen zoo
+als zij daar roerloos in stilte zat aan het venster. En de kleuren van
+den tuin waren nu droger, duidelijker, niet meer verkracht en tot
+brekens toe aangezet door de felle middagzon. De lucht was stil; alleen
+in de hooge boomtoppen knikten klapperende blaadjes tegen het doffe
+blauw van den hemel. In hun kalme waarheid hieven de kleuren van den
+tuin zich opwaarts. Het groene gras was mat, overstroomd met de
+wegduikende bleekgele boterbloempjes, bespat met de witte stippen der
+madeliefjes, een stilstaande stroom, waarop de roode bloemenrondtes
+neêrgespreid lagen. Het rood der geraniums was dof en dik, als gedroogde
+bloedvlekken, de stamrozen schoten hoog te voren glansend zijig purper,
+somber van schoonheid, de theerozen waren licht-gelig wit,
+licht-groenerig wit, van een warme zuiverheid, de maandrozen slingerden
+zich laag en verwilderd dooreen, met hun speelsch even blozende
+blaadjes, dun en licht en uitgevallen als stukjes verscheurd geverfd
+papier. De groepen boomen, aan weêrszijde van het grasveld, de sparren,
+de beuken, duister groen, ernstig bruin, stonden nauw saâmgedrongen, als
+zwijgende reuzenwezens, wachtend. De breede, stofferig-blanke weg van
+voren, met enkele gele zonnevlekken, rustte, vlak, wijd, geruchtloos. De
+boomen, de struiken, de huisblokken der omgeving waren dicht
+samengeschoven, vast aan de aarde gedrukt, waar en koel. De schaduwen
+waren bijna weg; alles scheen platter, zonder achtergrond, zonder
+in-éen-smelting der kleuren, glad, effen, ijl, roerloos. Alles om
+Mathilde heen stond als kunstmatig daar zoo pas in-éen-gezet, in de
+bedaarde onbewegelijkheid van liggende en opstaande-legkaarten.
+
+Door de waterklare wit-blauwige vierkanten der ruiten, als een dunne
+wand van gestolten licht zoo nabij Mathilde zich oprichtend, dat hun
+stijve koelheid tegen haar bleeke hoofd scheen te stooten, bescheen de
+kalmte der door de zon gebroken achtergelaten kleuren haar voorhoofd,
+haar wangen, haar hals, weêrkaatste op haar gezicht, glipte bij
+tusschenpoozen eerst onder haar half neêrgeslagen, zwaar hangende
+oogleden door, trok die daarna op en vervulde dan telkens even haar
+oogen geheel, helder en droog als een ontzachlijke plaat mat zilver met
+regelmatig opkomen en verdwijnen aan haar voorbijgaande. Telkens als
+haar oogleden open en dicht waayerden, vloden, als met langzame
+wiekslagen, de wit-glimmende blankheid van daar buiten en de doffe
+grijsheid der gesloten oogen van binnen na elkaâr voort; en wanneer haar
+oogen zich sloten, hadden zij de vorm en de tint van wat zij gezien
+hadden zich ingespiegeld en drukte deze zich weêr vaag af tegen den
+geelbruinen achtergrond der oogleden. Zoo zweefde de witte breede wreede
+kalmte in haar binnen en weefde zich in haar gemoed, zich samenspinnend
+met al de draden harer verbeelding.
+
+Zij bedacht den geleefden dag. Zij zag hem in onbestemden indruk voor
+zich als een geheel, vaag-vlottend-lankwerpig-omlijnd als het venster
+binnen welks randen zij nu zijn vaal-blank einde waarnam, met het
+hellere licht der hoogste ruiten van-boven. Maar hij was niet een vlak,
+hij was een reeks vlakken na elkaâr, een koker van kleuren, de gang met
+vreemde, onbekende, armigschuchter witte wanden in 't begin, rijk,
+drukkend overstelpend goud, purper en groen in 't midden, en weêr kalm,
+wijd, klaar blank aan het einde, de gang van tinten, waardoor zij zich
+zag gaan, zachtjes levend den dag. En de zoldering, de zijwanden, de
+vloer van den gang verkleinden zich, trokken samen. De zoldering daalde
+tot op haar hoofd en schouders, de vloer was niet breeder dan haar
+voeten, de zijwanden raakten haar armen en beenen. De dag verloor zijn
+rechte lijnen, werd meer en meer de vorm van haar gestalte, de kleuren
+golfden om haar leden, drongen zich over haar huid heen, het goud, het
+groen, het rood, het purper hechtten zich aan haar vast van het hoofd
+tot de voeten. De dag verloor zijn lengte, de witte uiteinden krompen
+tot elkaâr, sloegen samen, een blanke gloed vermengde zich met de
+donkere kleuren. De dag stolte zich om haar leden heen als een gloeyende
+alles bedekkende tooi. Zij ging in een kleed van zomerkleuren. Van haar
+schouders tot haar voeten was het goud en groen en purper, en om haar
+hoofd hing een glinsterend witte sluyer en om haar voeten lag sneeuwige
+satijn. Maar het kleed werd benauwend, het wrong zich aan haar op, het
+huiverde haar huid binnen. En het kleurenkleed werd haar huid, werd haar
+zelf. De dag werd éen met haar. En zij was gelukkig de dag te zijn. Zij
+voelde zich niet meer; zij was van lucht zij was van licht. En altijd
+zoû zij zijn, want de dag zoû nooit vergaan. Zij was in
+eenzalig-roerlooze rust, in de onbewegelijke klaarheid der
+omgeving opgegaan.
+
+En Mathilde droomde, zittend aan het venster; de ruiten, vaal-groenend
+van naderende duisternis, lachten met een hollen glazigen lach.
+
+De zon was lager gevallen. Uit zijn donker-oranje-gloeyende rondheid,
+hoog schuin, ver weg, zwierven nog rooyerig-gele stralen, als stukjes
+regen van scherpe lijnen, door de heesters aan d'overkant van den weg
+neêr, alsof zij gebroken in dat groen bleven hangen. Wijdweg, aan het
+einde der platte velden achter de tuinen der buitens, was een laaye
+gloed van blakend koper uit een zee van donkerder gloeyend goud
+opgewasemd in de lucht, een brandende uitwolking van alle geeltinten,
+van beneden af uit het warme bruinende vlammen-geel rijzend door het
+vette okergeel, het scherpe citroengeel, het sombere hooigeel, het
+dik-blanke roomgeel, het groenige geel van najaarsbladen, het droge
+stroogeel, het bleeke duinzand-geel, tot een lichting van hel
+zilverig-wemelend wit, vlottend omrand en doorsijpeld van gazig week
+groen, blauwig-teêr violet, zachtglad bruin. Die gloed stuwde toe over
+de platte velden, zich brekend tegen de beplantingen waarboven het
+zilverwit vergrijsblauwde hoog in de lucht, tot Mathildes tuin luwend in
+matte kwijnende klaarheid, achter de ruiten verzwakt tot een flauwen
+schijn van wit-grijs, achter in de kamer stervend tot doffe schaduwen.
+
+Van den duister blauw-grijzen hemel daalde breed een donkere bleekheid,
+de open ruimten vullend, de hooge ovaalheden der boomen, scherper
+omlijnd, van elkaâr afzonderend, om de stammen heenstarend in wijde
+open-grijze plekken, de bloemenkleuren verfletsend, het gras met zachte
+deiningen van donker-groen versomberend, op den straatweg, over de
+kiezel-steenen, tegen den gevel van Bagatelle, zich in onzichtbaar-ronde,
+snel verdwijnende afdruksels verwittend. In een stillen, doodelijk-stillen
+weemoed vergingen de dagkleuren. Een enkele maal vloden, als bewegingloze
+windvlagen van verflensende herinneringen, strepen lichtschijn verwaterde
+zonnestralen door de ademlooze droeve bleekheid. Een heele lichte wind,
+als een kinderadem zoetjes rondwispelend, deed de bladeren der neernijgende
+stamrozen even trillen; in de hooge boomen zusten de lichtste takjes en
+blaadjes stilletjes heen en weêr, met een gerucht van verre snikjes.
+
+In de kamer wademden fijne, dunne zwarterige mist-tinten binnen. Boven
+de piano, achter de stoelen, bezijden het kastje, onder de tafel,
+strekten zich zware schaduwen. Zij streken doezelige randen om de
+deur-posten en de lijsten der schilderijen, zij schuifelden in
+driehoeken en schuine vierkanten tegen het plafond op, zij maakten de
+wanden tot glansloze spiegels, waartegen de vaasjes, de beeldjes, de
+hoeken van het kastje de leuningen en pooten der stoelen zich schetsten,
+als kleine schimmetjes, vreemde figuurtjes, dof-grijze vlekken; zij
+spreidden den donkeren schijn der stoelen-zittingen en van het
+tafelkleed in lange stroken en flodderende plooyen over de vloer. Zij
+ritselenden onhoorbaar voort, hun vormen steeds uitrekkende,
+verbreedende, verdonkerende, als aanhoudende zware zuchten. Zij waren
+als lange lage sombere fluisteringen van leed, die van de kamer uit naar
+alle kanten door de wanden heendrongen. Zij werden weêr donkerder en
+grooter, liepen als zwarte waterstralen langs het behangsel, vloeiden in
+glansloze plassen over het tapijt, drongen als donkere wolkjes van boven
+door het plafond. Dan verroerden zij weêr niet, bleven vast overal in
+denzelfden vorm, als langdurige zachte echoos van den stillen
+weemoedsklank van den avond.
+
+De dingen van de kamer waren hard-donker, zij drongen hun vormen uit,
+scherper afgehoekt, van een inniger vastheid, als blokken en stukken
+hard, ondoordringbaar hout en metaal. Aan den achterwand van de kamer
+vergrootten twee kleine sofaas zich in een vermenging met hun schaduwen,
+andere meubelen kregen bulten, warrige uitwassen, boller wordend, zich
+uitzettend. De dingen leefden hun geheime leven, gewekt uit den kouden
+dagslaap. Verbruind, vergrijsd en verzwart, schenen zij onmerkbaar te
+bewegen in snel weêr rustende bevingen. Zij schenen sámen te leven,
+zacht, met holle smartelijke uitingen in de diepe toonen hunner
+schaduwen.
+
+Mathilde zat voor het venster, ingekrompen, als een klein wezen onder
+den mateloozen avond, in-een-geslonken, samengestijfd tot een voorwerp,
+een stuk van de kamer. Zij zat daar als een dof pak grijze stof, zij zat
+daar als had zij zich tot steen verdroomd. De grijze plooyen van haar
+kleed bleven in hun bochten, rondingen en gleuven onveranderd, als voor
+altijd zoo gehouwen. De witte tegenkant van haar kleed tandde zich in de
+schaduw in een lange gekartelde rand vergroot af en van den
+wollig-zwarten schijn uit, die haar rokken op den grond maakten, sloop
+de schaduw tegen haar gestalte omhoog, over de vlakke plekken van haar
+kleed strijkend, binnen de voren van haar kleed glippend, haar gelaat
+aan de eene zijde als tot dat van een schim vernevelend, haar bevangend
+in een grijs-zwarte kleurenwade. Klagend zwart hing de kap van haar
+loome haar over haar hoofd, waaronder alleen de bleeke plek der door de
+ruiten vaal verlichte zijde van haar gelaat mat-wit uitscheen. Haar
+leden waren lam uit-een-gezonken, haar oogen glommen zonder straal over
+de zielloze handen op haar schoot.
+
+Buiten viel de zon wech aan den horizont. De gele gloed was lager
+geweken, maar heel beneden over de aarde vloeide een stroom rijke roode
+kleuren, opgolvend uit klompen rood-zwart, rood-bruin, rood-grijs, als
+een heuvelrij aan elkaâr vast. Het bloedrood steeg door het
+karmozijnrood, het rood van gloeyende kolen, het aardbeziën-rood, het
+perziken-rood, tot een verteedering van roze, vol liefelijke kwijnende
+lachjes, vol kusjes en kleine zoete vluchtige mijmeringen. Maar het roze
+wemelde stilletjes wech, het was een zachte afscheidsgroet, de blik van
+heengaande oogen, het laatste wuiven van een zakdoek bij het keeren van
+den weg. En hooger in de lucht, tegen het verzwartende blauw-grijs, hoog
+boven de boomen en den tuin, sloeg het rood van den gezichtseinder tegen
+den hemel, het verpurperend tot een kerktint, tot een plechtige welving
+van sombere kleur.
+
+Als een sneeuw van donker purper wemelde de schemering hoog in de lucht,
+daalde, zich verpaarsend-tegen het boomengroen, in grijs-violette tinten
+over de aarde neêrkleurend. Door de iepen langs den straat-weg voer de
+wind, zij bogen hun toppen, en hieven ze weder en bogen nog eens met een
+naar boven ruischend en zich daar los-kreunend geklitter der
+gebladerten, als heenfladderend in de donkerte. Het grasveld stroomde
+langzaam voort, donkerder, terwijl de bloemen-kleuren in zijn hooger
+grommelende groene zwartheid verloren gingen. Het witte kiezelsteenen
+pad, vlak voor de ruiten, vlood heen, giegelde ijlings weg onder de
+zwarterige warreling die er bij scheutjes op neêr rookte en weêr
+opwiemelde, kringend en krullend als stof om dansende voeten. De breede
+weg gleed vooruit als in de verdroogde staalblauwe glansen van een
+ijsbaan. Het purper verblauw-zwartte hoog in de lucht, het paars en het
+violet werd bruin-zwart, groen-zwart, grijs-zwart.
+
+Langzaam, onmerkbaar langzaam en stil van alle kanten aanwolkend, dauwde
+de schemering neér, Mathilde sluitend in een duisteren damp. Korte
+schokken schoten, dadelijk weêr verstommend, onder haar kleed, als een
+zwak hortend gestommel harer leden. Haar knieën naderden elkaâr en weken
+weêr te-rug. Haar armen kromden zich nauwelijks uit naar ter zijde,
+vielen weêr neêr. Haar saâmgevouwen handen ontbonden zich, de vingers
+strekten zich in een bibbering even uit-éen; toen klamden haar handen
+naast elkaâr neêr om de knieën. Toen raakte de koele duisternis haar
+aan, het holle vaal grijs-bruin streek over haar slapen, haar wangen,
+haar ooren, haar hals. En haar befloerste oogen rezen op, starend nog
+zonder te zien, angstig omwimperd onder de samentrekkende zwarte
+wenkbrauwenranden. En zij begreep nog niet. Haar keel trok zich samen,
+een beklemming drukte haar verhemelte. Een gevoel van zich zelve niet te
+zijn, de verwondering van een ziel, die niet weet hoe dat vreemde
+lichaam om haar heen is gekomen, die niet weet, waarom die handen, daar
+vooruit, de hare zijn, waarom zij de koude voelt van die voeten, zoo ver
+beneden, ruischte op door haar hoofd, zette op in haar hersenen als een
+wervelwind van naderende angsten. Het beeld van den dag wankelde in haar
+hersens. Het verflauwde in iets dat er achter was, iets onbestemds
+kleurloos, vol, diep, onpeilbaar. Was de dag dan niet meer? Verdween de
+dag? De dag was toch zoo schoon geweest! En zij wilde niet, zij wilde
+hem behouden. Zij wilde blijven zijn zoo als zij was geweest. Maar de
+grijze wolk, waarin zij zich gehuld zag, wemelde uiteen. En de dag werd
+haar onttrokken, sloop heen in de droeve vijandige duisternis. De
+laatste stralen harer mijmering droomden als wazige donkere strepen uit
+haar oogen wech.
+
+Zij bleef met ongebroken blikken staren op dezelfde plek aan den wand
+voor haar uit, als was de dag daarin opgegaan, als wilde zij hem weêr
+te-rugwenken naar zich toe of hem volgen in zijn vlucht door de
+onmetelijke duisternis. Maar zij voelde haar blik omstooten door de
+tinten der donkerte. Haar blik werd verslonden door de duisternis, die
+zich tot in haar oogen stuwde, met harde slagen. En haar hoofd bewoog
+zich voor het eerst, hief langzaam zich op, zwaar van het lange gepeins,
+zich schuw voorzichtig draayende, als uit vrees van zich te bezeeren.
+Zij onderzocht met schuinsche blikken de hoeken der kamer. Daarna zag
+zij snel naar buiten in den tuin. Een schrik deed haar duizelen. En zij
+richtte zich hoog op, en zij zat recht, het hoofd geheven, en zij zag
+klaar in de duisternis, die onverbiddelijk om haar heen was gedaald, en
+zij voelde zich als schokkend tegen den grond vallen, voelde plotseling
+haar kleeren, haar stoel, de vloer met geweld haar raken. Zij voelde de
+leuningen van haar stoel, die haar als koude armen schenen te omvatten,
+den rug van de stoel met zijn twee dwarsplankjes en de openingen
+daartusschen, die diepe leegten schenen. Toen zag zij de duisternis
+grimmend, onbewegelijk. De schaduwen waren samengekweekt, bijna
+verdwenen. De duisternis had zich tot dof-zwarte kristallen in de hoeken
+samengedrukt, had de vormen der meubels aan den wand samen vermengd en
+ze tot een groep vaag begrensde, donkere brokken en klompen gemaakt, die
+als doode beesten met logge ruggen en stompe voorhoofden daar
+neêrgezegen schenen. En onder liet plafond had de duisternis zich als
+een tweede donkere zoldering vastgeklemd en over de vloer had zij zich
+als een rouw-tapijt gespreid; zij beschimmelde het behangsel; de
+schilderijen en platen aan den wand hingen als onder hoezen en als een
+breede lage katafalk stond de lankwerpige tafel met haar afhangend kleed
+in 't midden.
+
+Mathildes donkere oogen glansden door de kamer. Zij vroegen aan de
+voorwerpen, waarom het zoo duister was geworden. Haar blikken dwaalde
+over de vlakten der dobberende schemering naar buiten, zonder een
+enkelen lichttint te zien. En zij voelde de afwezigheid van het geluk,
+dat verloren was gegaan, verdronken, wech in de duisternis. Het zoû niet
+weêrkeeren. Haar leven der laatste maanden schemerde als een eentonige
+op-een-volging van donkergrijze smarten door haar geest. Zij zag zich
+leven haar lichaam bewegen al die dagen. Haar voeten waren gegaan als in
+een eindelooze leêgte zonder doel; haar armen hadden zich uitgestoken
+zich geheven, zich gekromd, maar zonder ooit iets aan te raken, als in
+de gebaren van een gek. Haar oogen hadden gezien, haar ooren hadden
+gehoord, maar slechts ledige kleurloze ruimten en geluiden zonder klank.
+En zij wilde het niet gelooven. Het kon, het kon niet zijn. Het was al
+knakte er iets in haar hersens. Als een golf van vuur vloeide naar haar
+hoofd. Zij zag op; en het kwam van buiten, van verre, als een gerucht
+een voortdurend groeyend gedruisch, tot haar. Het bobbelde en wiebelde
+en sprankte uiteen in de duizende grijze en zwarte belletjes en
+balletjes van de ruischende duisternis. Zij huiverde te-rug en dompelde
+haar blik weêr in de donkerder donkerte van de kamer.
+
+Zij zag dat zachtjes-aan de zwarte tinten begonnen te bewegen. Zij
+maakten zich los uit de hoeken in wolkige kronkelende pakjes,
+schuifelden langs de wanden en de zoldering, zweefden sidderend midden
+door de kamer, weken weêr te-rug in de wanden en meubels, kwamen weêr te
+voorschijn, sloten zich tot een wolk samen en losten zich op in een
+ragfijne zwarte stofpoeyering. Zij waren als stillen droeve door
+gebroken stemmen geneuriede melodieën, eerst zachtjes uitgebeefd, daarna
+angstig verstommend, daarna samenklinkend in een doodelijk dof koor en
+weêr vergaande in de sombere stilte. En zij kwamen van alle kanten te
+voren! als slangetjes offerrook opwalmend van den grond, uit de wanden
+schietend, onmiddellijk naast elkaâr, in verwarde rijen, van de
+zoldering dalend al dikker en dikker, in de rondte wiebelend, dansend,
+warrelend, voortvliegend als vogelenschaduwen, samenvloeyend tot een
+regenlucht, zich uitstortend in zwarte druppelen. De melodiën werden
+luider, zij klaagden hijgend, zij jammerden heesch. Zij waren de
+herinneringen, die van alle zijden kwamen weenen om Mathildes hoofd.
+Mathilde zag geen herinneringen, maar zij wist dat zij daar waren,
+achter haar, voor haar, die schreiden, dat alles voorbij was gegaan Zij
+zag ze komen van buiten, hoog uit de lucht, Zij hoorde ze naderen van
+onder de boomen en uit de muren van het huis. Alle bloemen in den tuin
+waren zwart geworden en in de wemelenden ruimten zag zij afgeronde
+figuurtjes tuimelend dalen, zwevend stijgen, en roer-loos blijven, als
+een uitstrooying van zwarte bloemen, die zich aan de voorwerpen
+hechtten. In de kamer pakte zich de duisternis dichter samen. Tot een
+zware donderwolk rolde zij onder het plafond ineen, bouwde zich langs de
+wanden tot breede nevelzuilen op. De zwarte massaas daalden op haar
+neêr, schoven naar haar heen, beklemden haar met hun grommelende donkerte.
+
+Zij stond op van haar stoel, met haar koude handen en haar zweetend
+hoofd en het ruischende en razende bloed in haar ooren. Met haar kouden
+voet struikelde zij tegen het voetenbankje. Zij bukte zich om haar voet
+te betasten. Een wilde koude wriemeling ging door heur haren over haar
+heete hoofd, een stroom van zwarte vlekken kwam voor haar oogen. Zij
+stond weêr recht op, en zij was bang. Zij deed haar oogen dicht om niet
+te zien, zij deed haar handen in de plooyen van haar kleed, om niet
+aangeraakt te worden. En huiverend proefde zij de duisternis, terwijl
+angstvlagen haar keel als met gloeyende koperen punten prikten, zich
+rillend samenpersend in haar hersenen, haar wil verlammend. En zij bleef
+alleen, schoorvoetend op en neêrgaande in de donkerte. De donkerte hing
+in rechte strooken van de zoldering, bolderde tot zwarte rollen, die
+tegen elkaar botsten en in elkaâr overrolden. Mathilde voelde de
+afrondingen van haar lichaam als een tastbare levende vorm tegen de
+duisternis ingerezen. Zij voelde den bol van haar gloeyend hoofd, zij
+voelde de buigende vlakken harer koude schouders. De duisternis viel als
+gesmolten lood, op haar hoofd heur haar verzwarend. Achter haar, dan
+links, dan rechts, hoorde zij wijdgapende zwarte lachen, daarna een
+giegeling van kleine hollende klaterende lachjes achter elkaâr. Daarna
+het klotsend getik als van een tong, die in een mond op en neêr slaat.
+Zij zag om zich heen en roerloos grijnsde de duisternis, maar, altijd
+aan de andere zijde, draaide de donkerte haar woesten rondedans en
+snikten de vreemde geluiden. En zij ging rond; zij wist immers wel, dat
+zij niet alleen was! Er moest iemant zijn. Langzaam vorschte zij door de
+kamer, schichtig voorover-buigend in de hoeken en boven de meubels,
+meenende er een menschengedaante uit te zullen zien opdoemen. Maar er
+was niemant. Zij betastte de stoelen en de tafel, maar de stoelen en de
+tafel drongen pijnlijk hun harde levenloosheid in haar vingers. Maar er
+moest toch iemant zijn, er was iemant in haar leven, die altijd bij haar
+was. De armen naar voren en naar achteren uitslaande, met
+uit-een-gestrekte vingers, liep zij rond over de vloer, van den eenen
+wand naar den anderen, telkens door de zwarte eenzaamheid van den eenen
+wand naar den anderen te-ruggeworpen, zich stootend aan de meubels,
+stilstaand met gespannen oor, om naar de stem te hooren, die daar sprak,
+heel ver weg, sneller voortloopend, met een wind om het hoofd, tienmaal
+na elkaâr om de tafel heen, tien-maal langs de stoelen aan den
+achterwand, in drift haar hand opheffend met een samenklemming der
+tanden, stampend op den grond, hijgend door de neus-gaten, met
+verglaasde oogen rondturend, eindelijk tegen den muur vallend, haar
+armen boven haar hoofd, haar open mond in het behangsel gedrukt. Zij
+keerde zich weêr om tot de duisternis en zij breidde haar armen uit als
+om hulp te vragen. Maar de duisternis plofte neêr op haar schouders,
+stroomde ruischend langs haar zijden naar beneden. Zij voelde den grond
+niet meer onder haar voeten. En zij zag de vloer zinken en stijgen, in
+breede schuine vlakken plotseling wijkend, zich weêr samenvoegend en in
+vierkante blokken zich opstapelend om haar heen. De wanden trilden,
+bewogen, schoven te-rug en naderden weêr met langzame wreedheid om haar
+tegen hun groote platte vlakken te verpletteren.
+
+Mathilde strompelde naar de vensters, waar, als door groote gaten, de
+grijze nacht van buiten vaal viel tegen de dichte kamerzwarte. En haar
+oogen flikkerden en vlamden tegen den nacht, die van buiten op haar
+toegolfde als een klimmende dampende gloed. Het grasveld vlak voor de
+ruiten scheen hoog heen te stroomen, kwatelend en kabbelend in den wind,
+die er van uit de schuddende hooge boomgevaarten wolken zwartheid op
+nederwoei, met de golfkammen der nog als groen uitkomende hoogste
+grassprietjes en de schuimvlokken der witte rozen. De zwarte vloed kwam
+van verre, van allen kant, door de wuivende en buigende, zich in groepen
+samenwringende en weêr losrijtende beplantingen om de huizen aan
+d'overkant, van links en recht over den straatweg en door Mathildes tuin
+aanspoelend met klotsend geweld, zich vermengend met de zware regens en
+stortvloeden van zwartheid, die over Bagatelle's dak, en langs beide
+zijden van de warandes, en van overal uit de lucht zich er in neêrgoten,
+opzwalpend in vreemde druipende zwarte figuren en met een windvlaag
+neêrzwierend in het hooge water. De breede donkergele streep van den
+straatweg golfde onder den stroom door, zich in bochten opkronkelend,
+zijn breede rug hoog opkrommend en weêr neerstrijkend, of zijn gele
+effenheid verliezend, doorboord met wemelende puntjes en gaatjes als een
+schelpenbodem onder den vloed. De iepen stuwden hun breede donkere
+lijven tegen de zwarte lucht, zich als een bergketen samen-sluitend,
+tusschen wiens toppen watervallen klaterende zwartheid naar beneden
+gudsten, in een storm van droefheidsgebaren hun lange armen sidderend
+losrukkend en er in een kramp van jammeren meê wijzend tegen den
+donkeren hemel. De witte en grijsblauwe huizen aan d'overkant, met hun
+kale muren, groeiden op uit den grond, hoog en naakt, als gesteenten van
+geweldige droefheid, de donkerte der boomen en heester met hun breedte
+vervullend, vooroverbuigend, zich splijtend en zich weêr samenvoegend,
+zwaar en recht. Zij dreigden en voorspelden, zij waren ontzachlijke
+steenen graven, stom en meêdoogenloos, langzaam waggelend op dezelfde
+plaats in de zee van grauwheid. En zij naderden in hobbelende
+zwenkingen, als met een heesch krijschen en een knersend gillen hunner
+fondamenten, hun vervaarlijke blokken naar Mathilde heenbewegend in de
+stormende zwartheid. Maar de geweldige stammen der hooge boomen aan den
+weg schenen lichtelijk te verschuiven van hun standplaats, en zij
+wankelden en zij rezen hooger en zij schreden tot elkaâr. Er barstten er
+van-één, van hun wortels hagelde een warreling van zwarte vonken Op,
+maar zij sloten weêr samen en als een troep ijzeren gedaanten drongen
+zij naar voren. De bladeren en takken verstijfden en klonken zich samen,
+schoten op in een vaart tot zwarte torens en zij bogen zich schuins, om
+neêr te storten op Mathilde en op het huis. Maar de grauwe zee raasde
+voort, hooger klimmend, woester stroomend. De boomen vielen er in wech,
+verdronken, en steigerden als reuzige zwarte golven, hemelhoog er
+weêr uit op.
+
+Mathilde zag naar boven, zag op zij. Zij zag zich ondergaan. Met de
+groote blikloze star staande oogen, als van iemand die eindelijk
+plotseling zijn leven ontdekt, stond zij voor het venster. En haar oogen
+dronken de woedende macht met bevende begeerte. De zwarte vloed sloeg
+tegen de muren van het huis, dat er straks in wech zoû zinken. De muren
+dreunden, schudden in een aarzeling. In den storm bolden de muren zich
+uit, vielen weér plat, heen en weêr zwiepend als linnen
+tooneeldekoraties. Als een dorre, verstikkende kreet steende langs het
+gewelf van Mathildes hart naar haar hoofd. En de muren van het huis
+scheurden en de grond spleet open, En, zinneloos, voelde zij zich
+wringen en in een afgrond sleuren, steeds vallend in steeds dieper
+zwartheid, de leden geprangd in nauwe klemmen, het hoofd bonzend tegen
+de vooruitstekende punten der in-een-stortende omgeving. Een wind van
+ijs en een zwarte watervloed voeren over haar heen. Mathilde viel neêr
+voor het venster.
+
+Maar zij deed haar oogen open; zij zag dat alles stiller was geworden.
+Er was niets dan éen groote wijde grauwheid om haar heen, waarin de
+muren der onbeweeglijk staande huizen aan d'overkant afbrokkelden, en de
+steenen in klompen en brokken geluidloos wechvielen. Als na een hevigen
+brand bleven stukken muur hoog opstaan in de ledige ruimte. Van de hooge
+boomen vielen de takken en bladeren bij vakken wech; de stammen
+vermolmden met wijde gaten. In de kamer braken de zwarte meubelen wech
+zonder gerucht, samenvallend tot ongelijke hoopjes. Alles viel langzaam
+neêr in een afbraak der heele omgeving. En zij voelde als brak ook haar
+eigen wezen zachtjes van elkaâr, ontbonden door de grauwheid, zonder
+smart. Het was zoo duister, dat zij haar lichaam niet meer in zijn
+geheel kon onderscheiden, het was als lagen haar leden gebroken, van
+elkaar wechgespreid. En haar verbeelding, opgebouwd van herinneringen
+aan het verledene en droomen voor de toekomst, stortte in één, vallend
+in een grauwe gedachteloze leegte. Er was niets meer, niets. Zij voelde
+alles geëindigd, haar gemoed uitgedoofd, haar ziel gestorven. Zoo bleef
+zij liggen, het hoofd tegen den rand van het venster.
+
+Mathilde werd opgeschrikt door stemmen en een geklepper van deuren, dat
+van het rieten kabinetje kwam. Als een koude wind, die om haar hoofd
+sloeg, in haar schedel klinkend met den langen naklank van een
+stemsleutel, raakte het geluid van het onverschillige leven haar aan.
+Het was Marie, die met de lamp in haar eene hand en Felix aan haar
+andere hand binnenkwam. Felix moest goeye nacht zeggen. De kap van de
+lamp, waardoor de wanden en de zoldering der kamer plotseling met een
+blanke schaduw werden bedekt, de meubels en de vloer geel verlicht
+werden, daalde tot even boven Maries mond, zoodat het onderste helft van
+haar hoofd warm beschenen werd Marie zeî "Wel mevrouw, ik wist gerust
+niet, dat u hier in donker zat, ik dacht, dat Jans u de lamp al lang
+gebracht had". En zij glimlachte. Als het hart van een opengesneden
+vrucht blonk het vochtige wit van haar tanden midden in het glinsterend
+sap van haar tandvleesch en lippen. De huidplekjes onder de uithoeken
+van haar mond waren van blankgeel perziken-fluweel. De lampenschijn
+wierp plooyen van koud en warm blank in haar hals en verguldde er de
+onderste verwarde haartjes. Maries mond scheen te lachen om de
+duisternis in de kamer.
+
+Felix was naar Mathilde geloopen en riep:
+
+--Nacht, moeder, wel te ruste.
+
+Mathilde, die naar Marie had gekeken, boog zich tot Felix. Maar toen zij
+boog, zag ze hem aan en ze zag hem zoo als ze hem nog nooit had gezien.
+Want hij stond met zijn hoofd een beetje naar den rechterschouder
+neigend en steunend op zijn rechter been, met een zekeren lieven blik in
+zijn oogen, heelemaal als de verkinderlijking van de houding en den blik
+waarmeê ze Jozef zoo graâg zag. Felix leek zóo erg op zijn vader. Er
+ging een trilling onder Mathildes gezicht, haar neus-vleugels beefden,
+haar oogen bibberden half toe. Zij knielde bij Felix neêr. Zij drukte
+zijn hoofd tusschen haar koude handen. Zij kust hem, dat haar tanden er
+pijn van deden, op zijn voorhoofd, op zijn haar. Zij streelde zijn
+oortjes, zijn wangen, wild en hard. Zij fluisterde hem toe op een
+heeschen toon; "goeye nacht!"
+
+Marie stond glimlachend-wachtend te kijken, hoe mevrouw Felix zoo
+hartelijk goeye-nacht kuste.
+
+Toen Mathilde weêr alleen was, deed zij het eene venster open. Zij ging
+in den tuin en liep haastig voort, als moest zij iemant aantreffen.
+Achter in den tuin, dicht bij het Flora-beeld, bleef zij staan. Zij was
+hier-heen gesneld om zoo gauw mogelijk ongezien de eenzame wellust te
+kunnen genieten van het besluiten tot een gesprek met Jozef, waarover
+zij mijmerde. Haar oogen knipten, om niet afgeleid te worden bij het
+bekijken van haar gedachten, en zij slikte murmelend, om met aandacht
+het genot van haar besluit te proeven; er kwam, in een warmte om haar
+voorhoofd en wangen, het besef, dat zij slagen zoû in wat zij wilde, en
+het liep als een zoete prikkeling over haar hoofd. Het was zoo
+gemakkelijk, wat zij had bedacht. Zij zoû van haar benauwdheid uit tot
+Jozef gaan, hem al haar verdriet zeggen en hem vragen of hij weêr van
+haar woû gaan houden. Vroeger had zij wel gedacht, dat als Jozefs liefde
+wech was, die door geen woorden ter wereld weêr op te wekken zoû zijn en
+het dus maar beter was te zwijgen, maar nu voelde zij haar wangen
+gloeyen van een koorts van woorden, die zij tot hem spreken zoû.
+
+Zij wandelde zachtjes heen en weêr, haar hoofd gebogen onder den
+nachtwind, haar gloeyende oogen over het zwarte pad. Waarom zij tot nu
+toe niet had gesproken, wist zij niet. Zij had niet gedurfd, zij had
+niet gekund. Hij zoû geandwoord hebben, dat hij daar niets van wist, dat
+hij van haar hield, zoo als vroeger. Maar als hij haar dit nu
+andwoordde, zoû ze hem zeggen, dat hij loog, maar dat zij hem wel weêr
+van haar zoû doen houden, dat zij zich zoo gezond en weêr zoo mooi zoû
+maken, dat zij zóolang alles beproeven zoû, tot hij weêr veel, veel van
+haar hield. Zij was heet van verlangen naar de tijd, dat zij hem spreken
+en overwinnen zoû.
+
+Door de lucht, die een plaat van donkerblauw metaal scheen boven den
+tuin, gloeiden de groene, blauwe zilveren en gouden punten der sterren,
+met een veraf blakerend gezuis. In de blauwe duisternis schaarden de
+boomen hun donkere pyramidale lichamen om Mathilde heen en deinden heen
+en weêr, ruischend in den kleinen nachtwind. Als een vrouw, die, met
+genietende oogen, haar hoofd opheft tot haar man, om bezien en gekust en
+gestreeld te worden, hief Mathilde haar hoofd naar den nacht. En de
+nachtwind drukte zich tegen haar borst, gleed langs haar hals en haar
+wangen, kuste haar mond. De sterrenhemel, zacht en goud, daalde neêr,
+bescheen haar witte gezicht met stille glansen. Maar plotseling vielen
+sterren in haar oogen langs schichtige stralen. En heur haren woeyen op,
+als zwarte vlammen om haar hoofd.
+
+En de hoop, de laatste hoop leefde in Mathilde, schoot in haar wezen als
+een hooge plant, die, zich wortelend in haar hart, het bewegen en
+kloppen deed onder haar kleed, die zijn takken in de vreemde
+kronkelingen van droomerijen en gedachten over een gelukkige toekomst
+door haar hersenen slingerde, die eerst glansend bloesemde in de blikken
+vol licht, die haar oogen door het huis wierpen, die daarna teedere
+bloemen voortbracht in het schuchtere rood, dat een enkele maal door
+haar wangen kwam. Zij begreep niet, wat haar zoo gauw had doen
+veranderen. Zij ging door het huis, met een lichten, vluggen tred van
+iemant, die onbezorgd is. Zij deed haar huishoudentje met een
+opmerkzaam, nauwkeurig gezicht en met armgebaren vol blijde haast, als
+een pasgetrouwde vrouw verheugd over het haar toevertrouwd beheer. Als
+zij alleen was lachte haar bleeke mond plotseling. Zij keerde dan haar
+gezicht bijna geheel naar het plafond. De lachjes kruiden op uit haar
+keel, lachjes, waarin de ha-klank rolde door haar mond, eerst in diepe
+toonen, later in hoogere toonen over haar lippen dansend, opkrinkelend
+tegen het plafond, waarop Mathilde heerlijke toekomst-beelden scheen
+afgeschilderd te zien. En daarna lachte zij weêr in zich zelve met
+gesloten mond, met denkende oogen over de vloer, terwijl de lach met
+rukken uit haar schuddende borst opsteeg, met een gekreun door haar
+keel, als een wind uit haar neusgaten wech woei.
+
+Zij kon zich nog niet van Zich zelf losmaken en op een afstand haar
+eigen ik en haar toestand beschouwen. Zij was nog geheel in zich zelve.
+Zij voelde, dat zij, om te bestaan, Jozefs liefde noodig had, en daarom
+wist zij, dat die te-rug moest komen, dat de toekomst goed zoû zijn.
+
+Zij bleef in Felix Jozef zien, een tweeden Jozef, een kleinen Jozef heel
+klein, heel vreemd. Zij merkte, als Felix lachte, trekken om zijn mond
+als die van Jozef, zij zag sommige rose plekken aan zijn ooren, juist
+zoo als Jozef er had. Zij omgaf zich van Felix. Zij voelde niets
+moederlijks voor hem, zij voelde zich bijna als zijn vrouw, met een
+wondere angstige, koortsige, voor haar zelf onbegrijpelijke hartstocht.
+Als zij 's middags door den tuin wandelde, liet ze hem naast haar loopen
+aan haar hand, en ze liet hem niet los, maar klemde zijn handjes in de
+hare; haar oogen straalden met wijde ongebroken blikken over zijn hoofd
+en zijn lichaampje heen. Zij drukte zijn handje vaster, opdat hij naar
+haar op zoû zien. Haar oogen goten heete stralen over hem uit. Wanneer
+ze in de hut zat stoeide ze met hem, liet hem op haar schoot zitten, leî
+hem rechtuit over haar knieën, gleed met haar oogen van zijn voetjes tot
+zijn hoofd, hechtte haar blikken aan zijn leden, drukte haar blikken
+over zijn gezichtje, verdronk hem in haar oogenspiegeling, zelve dronken
+van hem te zien. Zij betastte zijn lichaampje met teêre neêrzijgingen
+harer vingers om zijn armen, om zijn beentjes heen. Zij streelde zijn
+hoofdje met bevende liefde-handen. Zij leî, hem zacht omvattend, haar
+handen over zijn schoudertjes en drukte hem tegen haar aan, zijn hoofdje
+onder haar hoofd. Zij wilde, dat hij spreken zoû, omdat zij Jozefs stem
+wilde hooren. Zij vroeg hem, of hij van haar hield, of hij van zijn
+vader hield, of hij zijn vader wel kende, of hij zoo groot zoû worden
+als zijn vader. Als het kind niet andwoordde, bracht zij haar oor aan
+zijn mond, opdat hij daarin ademen zoû en zij uit zijn adem klanken op
+zoû vangen. Zij bracht haar mond aan zijn mond om zijn adem in te
+ademen; zij hield haar oogen voor zijn mond, opdat hij ze bewasemen zoû.
+En als Felix tegenspartelde en bang was en wech wilde, dan schudde zij
+hem, tikte hem op zijn handjes, zag hem boos aan. Als het kind dan
+huilde en zijn roode armpjes voor zijn oogen bracht, zette ze hem op den
+grond, boog zich naast hem neêr, hem in de ronding van haar arm nemend,
+en, haar hoofd naast het zijne, tegen het zijne aan, huilde zij meê. Zij
+huilden met hun tweeên in den stillen zomer. Hun tranen drupten op de
+kiezelsteenen van de hut.
+
+'s Avonds, vóor Felix naar bed ging, moest hij bij Mathildes stoel
+staan. Dan zoende ze hem zachtjes zonder ophouden op zijn voorhoofd, op
+zijn haar, op zijn handjes. Als het oogenblik van goeye-nachtzeggen was
+gekomen, hief ze hem hoog op, tot vlak boven haar hoofd, bracht daarna
+zijn gezichtje vlak voor het hare, staarde in zijn oogen tot die
+dichtvielen en deed vreemde vragen: "Waarom ben je vader niet? Ben-jij
+Felix, ben-jij niet Jozef?" Als hij weêr op de vloer stond, kuste zij
+hem op zijn wangen goede nacht, langen tijd, haar mond aan zijn gezicht,
+Het gebeurde, dat zij, later in den avond, nog niet was voldaan, dat zij
+niet slapen kón. Dan sloop zij naar boven door den stijgen-den nacht der
+trappetreden. Zij stond voor Felix bedje, als Marie al sliep. Zij bleef
+een half uur staan staren over het witte dek en het gladde hoofdje, met
+de roode rondte van zijn open mondje, dat er boven uit lag.
+
+Jozef was er nu in negen dagen niet geweest. Den Zondag, den dag, dat
+hij toch altijd kwam, had hij nu ook overgeslagen. Dinsdag 's morgens,
+tien minuten over half elf, toen Mathilde aan haar huishouden Zat,
+bracht Jans een brief van Jozef binnen. Het was een vierkante enveloppe,
+van gelig oud-Hollandsch papier, dat mooye papier, waar Jozef altijd op
+schreef. Jans leî den brief op tafel en draaide, drukkend, er haar
+wijsvinger half op om, als wilde zij den brief beletten wech te vliegen,
+en, zich omkeerende om heen te gaan, zag zij, van onder den strengen
+boog van haar kornet, nog met twee zorgzaam-ernstige blikken naar den
+brief, zeggende:
+
+--Die brief is gekomme, mefrouw.
+
+Voortschrijvende aan haar huishoudenboek, nam Mathilde, met een korte
+koude verplaatsing harer blikken onontroerd, als een gewoon en verwacht
+ding, het gelige vierkant van den brief in haar oogen op. De brief lag
+daar, alleen, hoog op het stijve tafelzeiltje. Hij lag daar, als een
+vreemd licht voorwerp, door zijn pasaangekomenheid als een vierkantje
+nieuwe frischheid opwittend uit het zwaardere, in zijn gewoonheid oudere
+kleurenwezen der kamer. Terwijl Mathilde voortschreef en naar haar
+schrift keek, bleef de brief, links in de schuinte, als een scherp
+omlijnd wit vlakje van de tafel, in haar oog liggen, als een klein
+vormpje door zijn ongeknotte gladheid en verscheid in een hoogen witten
+klank roepende, dat hij zoo even hier nog niet was.
+
+Mathilde nam den brief op, waardoor hij haar oog naderde en heel
+lichtelijk grooter en zwaarder werd. Jozef verontschuldigde zich, zoo
+als altijd, dat hij verleden Zondag niet gekomen was en dat hij vóor
+aanstaanden Zondag ook niet zoû komen. Het opengevouwen bladje strekte
+zich dun-stug tusschen Mathildes bleeke vingers met het gerekte geritsel
+als van verflauwde gewrichtsverbuiging en zij had heel even het
+grijs-bleeke gevoel der kille leegte die van het papieren vlaktetje over
+haar wangen steeg, dat zij altijd na het lezen van zijn briefjes had,
+maar nu heel vluchtig, zich terstond oplossend in de lichtblauwe
+breedheden van hoop, waarin haar denken waadde.
+
+Jozef zoû dus Zondag komen. Dat de dag nu bepaald was, waarop het
+gewichtige gesprek, zoû plaats hebben, verergde Mathildes
+zenuwachtigheid, en maakte haar vertrouwen op de uitkomst
+nadrukkelijker. Zij voelde zich verjeugdigen in de gejaagdheid, waarmeê
+zij den dag tegemoet zag. De soort prikkelingen, die van haar voeten tot
+haar hoofd als regens van speldeprikken liepen, die van haar hart uit
+door haar keel stegen, als een inwendige kreet van begroeting en een
+roepen om nader te komen, herinnerde zij zich alleen van lang geleden,
+toen zij nog niet getrouwd was en zij Jozef wachtte, die andwoord moest
+komen vragen op zijn gedaan verzoek. Maar snel, als raakte de vleugel
+van een voorbijvliegenden ouden grijzen verlepten vogel haar achterhoofd
+aan, wipte het gezicht van de kamer op den Oudezijds-Voorburgwal, en
+Jozef, die de stoep opkwam, en hun eerste kus, door haar gedachten, en
+wech was het weêr, vernietigd onder het beeld van den aanstaanden dag,
+dat haar gelijk de prijsuitdeeling den scholier, als een vaag, groot,
+zwaar donker lichaam, als een in haar verbeelding gewrongen balk, onder
+zich neêrdrukte. Daarna werd zij den dag weêr gewaar als een donker
+blok, maar er om heen waren stukjes planten-en bloemengroei en gele
+randen zonneschijn, omdat zij den dag zag in den tuin, waar ze hem met
+Jozef leven zoû.
+
+En zij liep door het ledige huis, En het zilveren licht van haar
+verlangende oogen straalde tot de wanden en zolderingen en bleef er
+hangen in zilverschijnende plekken. En het huis wachtte met haar samen
+op den geluksdag, die nu eens langzaam aan scheen te komen waren uit de
+verte, in breede rollen van wit en blauw en goud met hoog geboogde
+luchten en wijde bloemende grondvlakten, die dan weder in de verte
+achter een hoogen poort vol ruischende glansen op haar scheen te
+wachten, tot de tijd haar tot hem heen zoû hebben gevoerd. Jozef zoû
+Zondag komen. Stroomden door alle vensters niet licht en kleuren naar
+binnen; openden zich de ramen en deuren niet tot aan den grond om hem
+binnen te laten? En de stilte van het ledige huis vulde zich immers met
+ruikers van zonnekleuren, omdat hij komen zoû? En zij liep door het
+huis. Haar voeten wiegelden vluchtig over de blijde vloeren. De vloeren
+gleden voort onder haar voeten, niet de matte kleuren der tapijten als
+open gebroken door de wit-gouden rondtes van zonnelicht, waarin enkele
+bladerenschaduwen stilletjes wenkten.
+
+Zij zag zich treden door de deurposten in de ruimten der kamers, en de
+wit-omlijste beperking der deur-posten sprong te-rug om haar heen, om
+dat die tastbaar was, maar de ontastbare ruimten vol waren van goud-en
+wit-wemelende hoop, die Mathilde omvloeide. Zij zag zich gaan langs de
+wanden, en de wanden schoven haar voorbij, stil wit-lachend vlak en
+recht. Het was haar of zij altijd verder zoû gaan, het hoofd naar voren,
+den dag zoekende, die in de verte stond. Als zij een stuk wand zag, was
+het alweêr achter haar. Kwam zij aan een hoek waar twee wanden elkaâr
+raakten, dan kon zij niet verder gaan. De eene wand leidde haar naar den
+anderen, maar allen waren zij met lichte kleuren, en zij zag hen aan, en
+zij spreidden zich uit, blank en breed; glimlachjes speelden in de
+figuren van het behangsel. Mathilde zag door het huis en zij zag, dat
+het mooi was. Maar als zij in den tuin keek, was overal weêr de
+gezichteinder, de grens van haar blik, die zij zich niet begrijpen kon.
+Zij wilde dieper zien, was er nergens een verre, verre opening? maar de
+kleurvakken van den tuin naderden, hechtten zich als schilderijen in de
+lijsten der ruiten. En snelheden van zacht-gele tevredenheid suisten
+over Mathildes borst door haar gemoed.
+
+Mathilde wandelde door het huis, deur in, deur uit, en ook naar boven.
+Zij zag de omkastingen der vertrekken en portalen, met hun ongebogen
+steeds elkaâr voortzettende lijnen, haar overhuiven, naast haar opstaan,
+over haar heen vlakken, haar beschutten in hun onverstoorde effenheid.
+Het huis was het weldoende verblijf, waar zij Jozef zoû ontvangen. Zij
+voelde, haar hand wijd uitgespreid als een halve ster tegen de muren
+leggend, hun liefdadige hardheid. Want zij beschermden haar tegen den
+tuin. De tuin was zoo vol van een kleurenoverstelping, de geestdriften
+en verrukkingen van het diepe zomergoud zonken met zulk een bevende
+vaart neder over de juichende tuinkleuren, dat Mathilde bang was voor
+den tuin. Maar de vloeren droegen haar hoog heen, en de branding van
+buiten kon haar nog niet bereiken. De meubels omstonden haar met de rust
+en tevredenstelling hunner bruin-kalme onbewegelijkheid. Zij waren goed,
+zij waren fraai, zij waren trouw. En als om hen te streelen, zoo als een
+bruid op den arm des geliefden leunt om een derde iets te vragen, zoo
+leunden Mathildes handen op de randen der meubels, wanneer Zij zich naar
+voren boog om gedachteloos de namen der makers te lezen onder de platen
+aan de muur. Want zij had van die plotselinge nieuwsgierigheden voor de
+kleinste kleinigheden, die drentelende afwachtingen van heugelijke
+gebeurtenissen in menschenoogen doen ontstaan, en die Mathilde eensklaps
+de nog ongeziene krul van een behangsel-figuur deden ontleden, of haar
+een klein barstje in de lambrizeering lieten ontdekken en nagaan.
+
+Zoo ging de Dinsdag en Woensdag voorbij. Mathilde dacht aan het gesprek
+met Jozef als aan iets, dat buiten haar om zoo bepaald was, als aan een
+gelegenheid, die zich nu voordeed om haar geluk te herstellen. Zij
+bedacht niet, dat de heele zaak van haar was uitgegaan en nog wel
+toevallig nu pas, dat zij hem even goed twee maanden geleden hetzelfde
+had kunnen zeggen. Zij dacht er ook niet aan, dat Jozef op 't oogenblik
+voelen moest als altijd, dat hij nog van niets wist. Neen, zij had een
+gevoel als bereidde hij van zijn kant zich in Amsterdam op den strijd
+voor, die zoû plaats hebben, terwijl zij 't zich hier deed. En zij
+maakte haar plannen, nauwkeurig, in onderdeelen. Zij zoû beginnen met
+het feit te zeggen zoo als het was: zijn liefde voor haar was niet zoo
+groot meer als vroeger. Dan zoû hij zeggen--ze kende hem er goed genoeg
+voor om dat zeker te weten--: 't was volstrekt niet waar, hij hield nog
+altijd even veel van haar. Maar dan zoû zij hem bewijzen, dat 't niet
+zoo was. Want, zoû zij vragen, hoe handel jij in den laatsten tijd
+tegenover mij en hoe doet een man die wezenlijk veel van zijn vrouw
+houdt? Zij zoû het onderscheid laten voelen. Dan zoû hij misschien
+toegeven ... En dan, en dan ... Mathilde lachte en trad voort, zij voelde
+haar plan worden in de huppelende blijdschap van haar lachjes. De
+woorden verzamelden zich langzaam in haar heerlijk zeker. Als bijna
+lijnen, die elkaâr naderden en zich samenvoegden, waarden de gedachten
+om haar heen door de huisruimten. Haar lachjes zweefden op,
+verzilverkrulden de lijnen: zilverwitte onzichtbaarheden luwden in
+lichte wolkjes om haar heen, wierookten tot haar voorhoofd en deinden
+weêr terug, beglipten haar hals, suisten weêr op door heur haren,
+glanspuntend, paerlend, sterrelend boven haar been. En zij liep voort;
+haar gedachten, in gele, rose en blauwe draden, weefden aan het plan. En
+in de zachte bewegingen dier ongeziene gelukskleuren, begon zij te
+neuriën, maar zachtjes, voor haar zelf onhoorbaar zachtjes. Kwam er een
+bedenking, vlotte het plan niet geregeld, dan haperde de stille
+neuriënde gedachtenstem, heel even, maar als het bezwaar bijna
+overwonnen was, begon zij weder, nog zachter, altijd zachter.
+
+Zoo ging zij door haar slaapkamer om te zien, of alles goed opgeredderd
+was, maakte de kleerenkast open, hing haar japonnen op hun plaats en
+keek of haar lijven, tegen de stof, wel met de voeringen naar buiten
+hingen; zij zette het speldekussen recht voor het toiletje, sloeg de
+gordijnen voor het bed over elkaâr, en nam nog hier en daar de stof af,
+want Marie deed alles niet precies genoeg. En alles moest toch heel goed
+in orde zijn voor als Jozef kwam. Zoo ging zij door de keuken, liet Jans
+haar toonen wat gebroken was, onderzocht of de tinnen zaken en de
+koperen glazewaschpomp, de raspen, de zeeften en de beschuittrommel wel
+op hun plaats aan de muur hingen, of het fornuis wel goed schoon was.
+Als Marie en Felix uit waren, ging zij zien of er op de planken der
+kasten boven wel overal schoon papier lag, of Felix kleeren netjes
+opgevouwen waren. In het rieten kabinetje streek zij een verkeerde plooi
+uit een venstergordijn en schikte de stoelen in de stipste orde om de
+tafel. In de groote kamer liet zij de vuile voeten van Felix wegvegen,
+die daar van gister-avond nog stonden, en beknorde Jans, dat zij zoo
+slordig geschuyerd had. Zij trok een kreukel uit het tafelkleed, leî de
+muziek op de piano tot een regelmatig hoopje. Maar, door het rustelooze
+op-en neêrgaan, verflauwde de innigheid harer gedachten, eindelijk
+dacht zij er niet meer aan dat zij aan 't denken was, en, ontevreden,
+bleef zij staan om kalmer haar plan verder te maken.
+
+Zij stond, rustende op haar rechter been, de teêr-grijze wol strak
+gespannen over de ronding der uit-gezette heup. Haar linkerhand morrelde
+aan de knoopen van den peignoir. Aan de rechter, boven den tegen haar
+borst gedrukten arm, wreef zij haar kin heen en weêr; haar blikloze
+oogen lijnden, van haar langzaam ja-knikkend hoofd uit, strak op
+hetzelfde punt van den vloer neêr. Of zij streek haar handen van haar
+voorhoofd tegen haar wangen neder, die dan tot rose kussentjes onder
+haar oogen zwollen; en zoo, haar hoofd in de handen gevat, terwijl een
+aarzeling van klamheid over haar schedel trok en de aderslangetjes aan
+haar slapen zich even verdonkerblauwden, liet zij haar oogen den
+aanstaanden dag tegenglinsteren, met kleine dartelende blauw-zilveren
+vonkjes.
+
+Als hij dan toegegeven had, dat hij niet meer zooveel van haar hield als
+vroeger, zoû ze hem zeggen, dat hij zeker zelf niet wist hoe dat kwam,
+maar dat zij 't hem kon uitleggen: zij was ziek geworden, had daardoor
+van-zelf niet zoo lief meer voor hem kunnen zijn als vroeger, en hij was
+nu eenmaal iemant, die er behoefte aan had, dat een ander onophoudelijk
+de grootste liefde voor hem toonde. Maar het zoû weêr te-rugkomen, als
+hij maar zeî, dat hij nog een heel, heel klein beetje van haar hield,
+och maar zoó weinig, zóo weinig, als een stofje tusschen vinger en
+duim ... Als zij dit gezegd had, zoû ze naar hem kijken, hij zoû zeker
+een beetje zenuwachtig geworden zijn en hij zoû zeggen ja!, dat hij nog
+werkelijk van haar hield, dan zoû zij hem omhelzen, en dan; ... O, 't zoû
+heerlijk zijn! ... zij zag zich al met hem loopen in de zon, haar arm in
+den zijnen als toen zij pâs getrouwd waren ...
+
+Mathilde stond dicht bij het venster. Achter het neteldoeksche gordijn
+speelden zes vliegen tegen de ruit, als zwarte stipjes op en neêr
+wippend, met lichte tikjes tegen de ruit rakend, tegen elkaâr
+aangiggelend, op elkaârs ruggen klimmend, zich badend in een paar dunne
+zonnestraaltjes, twee aan twee in kringetjes rondwirrelend, stilblijvend
+tegen het neteldoek. Eens vloeg er een op Mathildes voorhoofd, liep snel
+rond tot bij de wenkbrauwen, sprong toen op haar hand, liep op en neêr,
+sleep zijn voorste pootjes tegen elkaar en liep weêr op en neêr.
+Mathildes oogen, moe van het turen, knipten wakker. Zij had zóo innig
+aan hem gedacht, dat een lichte koû over haar heenging, onder haar kin
+tegen haar hoofd op. Het was als had zijn gestalte, warmend, vlak voor
+haar gestaan, als had zij tegen zijn borst gestaard, tusschen haar en
+den wand, als was hij nu met onhoorbaren tred wechgegaan. Zij zag om,
+met angst glimlachend. Hij was er niet, neen, zij zag hem niet gaan.
+Toen door 't venster ziende, was 't haar, of hij elk oogenblik om den
+hoek zoû verschijnen, en van de heete tuinkleuren uit, tot haar heen
+treden, met zijn armen, met zijn schouders, zijn voeten nog in de zon.
+
+Maar haar mijmering stierf uit en zij dacht: als hij werkelijk eens vóor
+Zondag kwam. Dat was wél heel onwaarschijnlijk. Maar zij haastte zich
+toch met haar kleine voorzorgen, omdat hij elk oogenblik komen kôn. De
+deuren van het rieten kabinetje en van Jozefs slaapkamertje stonden
+open. Door de vijf ramen geelden, zich naar onderen verbreedend, zware
+kokers stofwemelend zonnelicht naar binnen. Schreed Mathilde voorbij de
+ramen, dan brandde plotseling een plekje van heur haar, haar oog werd
+blind geschitterd, zag zij haar kleed goud-grijs en weêr donker worden,
+was haar hand op eens schel verlicht. Het klaterende goud-groen van den
+tuin brandde door de tintelende ruiten. Hetzelfde eentonige deuntje
+neuriënd, nu en dan eensklaps luider, als wilde zij er iets meê dwingen,
+deed Mathilde verder haar zaakjes. De stilte, die als een warm blanke
+doorzichtigheid over Mathilde hing, werd alleen verscheurd, een enkele
+maal, door de keukengeluiden van een steenen pan, door Jans op de
+marmeren rechtbank gezet of het bingebangerend ijzergerommel van het
+fornuis-opstoken, die door den wand heenbraken.
+
+Later op den dag,--het was al Donderdag,--werkten Mathildes hersens
+voort aan haar plan. Zij zat in de groote kamer, de ellebogen op de
+tafel geleund, met de kouwige half in het haar wechgedoken handen de
+huid aan de slapen zóo naar boven strijkend, dat haar oogen werden als
+die van een chineesche vrouw. Bij de hoeken der neusgaten trilden de
+zenuwen van haar gezicht. Haar huid scheen te schokken van de
+geluksgedachten, waar zij vol van was; haar oogen verdoften om alleen
+naar binnen te zien. Met een rukje zonk nu en dan even haar hoofd lager.
+De hiel van haar linker voet klopte snel zachtjes op de vloer.
+
+Zoû zij wezenlijk durven? Als hij daar heel gewoon en met zijn kalmte
+naast haar stond en ze over onverschillige dingen spraken, zoû zij dan
+in eens de soort van spanning die er nu al sinds maanden tusschen hen
+bestond, durven verbreken? O ja, zij zoû durven, wat er ook gebeuren
+mocht, zij zoû spreken. En dadelijk zoû zij er over beginnen, als hij
+aangekomen was ... Na dat zij elkaâr dan omhelsd zouden hebben, zoû ze
+hem al haar verdriet vertellen ... O maar, wat een heerlijk idee, de
+stilte tusschen hen zoû verdwenen zijn; zij zouden weêr samen praten
+uren achtereen, zonder ooit uitgepraat te zijn. Het zoû net zijn, of
+Jozef van een lange reis was teruggekeerd, als of zij mekaâr weêrvonden
+na een lange scheiding ... Al wat zij uitgestaan had, zoû zij hem in
+onderdeelen haarfijn zeggen ... Allemaal natuurlijk om te maken, dat hij
+weêr meer van haar hield. Of was 't beter zich niet zoo bloot te geven,
+zoû hij daar misschien te trotsch van worden? ... O Heer! daar wist zij
+in eens iets veel beters. Zij zoû hem niet omhelzen, zij zoû volstrekt
+zoo lief niet tegen hem zijn. Neen, zelf trotsch en koel zijn, hem
+rekenschap vragen van zijn gedrag, dát was het middel ... En neen, ... en
+ja ... Ja, ja, zij zoû voorwenden boos op hem te zijn ... Dan zoû hij om
+dat weêr goed te maken ... en dan ... hoe 't ook gaan mocht, zij zouden in
+elk geval tot een verklaring komen, die niet anders dan gelukkig
+kon wezen.
+
+Mathildes verbeelding zag zijn ontroering al, en haar ontroering. Hij
+zoû vlak bij haar wezen wanneer zij hem dit alles zeggen zoû, en
+hij--geheel, zijn hoofd en zijn handen en zijn voeten, en zijn oogen, al
+zijn leden, die zij liefhad, al zijn blikken, waarnaar zij verlangde.
+Zij zoû hem zien, zij zoû hem hooren, zij zoû hem betasten kunnen. Zij
+zoû zijn gezicht wel weêr van liefde doen branden; en als hij zijn hoofd
+dan boog, en als hun monden dan tot mekaâr kwamen ... Zij zag de zon al
+gaan over zijne kleéren, ... en zij zoû hem brengen naar het huis, waar
+ze hem behouden wilde, zoo als vroeger ...
+
+Mathildes hoofd was lager gedaald, tot even boven de tafel. Haar armen
+lagen er voor te rusten. Zij was wech in haar gedachten. Nu deed zij
+haar hoofd een beetje naar de hoogte, met wijde, als verbaasde oogen,
+die zich daarna tot aandacht samentrokken. Een waas van vervreemding was
+om haar heen; een schrik prikte in haar achterhoofd. En zij meende in de
+ronding van haar linker arm, waaronder, diep, de vloer warrelde, zijn
+arm te hebben zien steken. Zij had het gevoeld. Zij had zijn hand, zijn
+blanke hand, op haar voorarm voelen liggen, de vingers allen naast
+elkaâr, teeder drukkend. Zie, daar was de hand weêr, bezijde de tafel
+plotseling opkomend, warend door de kamer, dalend, verdwijnend. In de
+hoeken, aan de muren, zag zij onzichtbare zijden van zijn lichaam, de
+rechterzijde zonder het hoofd, zijn been, dat bewoog. Toen, door de
+ronding van haar onbewegelijken arm weêr naar de vloer kijkend, zag zij,
+in vlottenden trechtervorm, lapjes nevel, donkere stipjes, zwarte
+vlakjes, waarin Jozef klein en groot, daalde en opkwam, als een pop, die
+zich uitzette. Maar zij overwon het gezicht; haar verschrikking
+verteederde weder tot de lachende aandoening van het plannen maken.
+
+...Als zij zich boos toonde, zoû hij haar misschien vergeving vragen ...
+maar dát zoû zij in geen geval willen ... maar wanneer hij nu eens niet
+deemoedig was bij haar trots ... 't Was waar ook, het was ook eigenlijk
+maar beter niet trotsch te zijn. Als zij zich als de minste voordeed,
+als zij smeekte en bad, dán bereikte zij stellig haar doel, zij zoû dus
+eerst dit zeggen, dan dat, dan zoû hij ... en dan zij ... en dan zoû zij
+nauwkeurig bepalen, wat zij graâg had, dat hij deed: elken dag
+overkomen, enz....
+
+Jans was de jaloeziën dicht komen maken. Mathilde zat in de
+zwaar-breed-goud-blank-doffe zomermiddagschaduw, waarin de kamer stond.
+In de gleuven der jaloezieën was de rijke warmte der tuinkleuren
+neêrgedrukt door de schuine latten. Van boven door de jaloeziën snelden
+alleen nog enkele zonnestralen in de kamer neêr, die op de meubels
+lichtend vlekten. De stilte was van een vergulde bleekheid, als van door
+matglas verdoofd gloeiend goud, waar in aarzelingen van teeder blauwe,
+geel-rose, blank-grijze tinten zwierven. Fijne, schuchtere dartelingen
+van stervend zilver en kwijnend rood lispelden. Een luchteile wade van
+verwelkende glansjes lauwde. In de broeyerig-kleverige roerloosheid van
+de kamer gleden en streepten Mathildes gedachten uit haar heele wezen
+over de donzige kleuren. Uit haar oogen ruischte haar denken. In hel
+gouden pijltjes naast mekaâr, die opsprongen en neêrkletterden, met
+zilveren pijltjes schuin er boven en er door heen, schitterde haar
+driftige mijmering ... Als hij zeide, dat 't met de zaken onmogelijk was
+om zoo dikwijls over te komen ... als hij sprak van de verveling van de
+reis, en dat zij toch weinig aan hem hebben zoû ..., o, zij zoû hem niet
+uit laten spreken, zij zoû hem Felix voorhouden, maar vooral altijd
+zich zelve ...
+
+Haar plannen vorderden; zij voelde zeker te zijn van haar zaak. Haar
+betoog sloot samen; er kon niets tusschen. De gedachteplannen zetten
+zich om in vormen voor haar uit, op de vloer: in rechte lijnen en
+vierkanten, bevend, rillend, maar steeds elkaâr naderende, met een dak
+van schuine lijnen er boven, als een geheel.
+
+Zij leunde nu tegen haar stoel en keek rond, in de lichte bedaring van
+haar gedachtekoorts. Zij voelde met welbehagen het ongerimpelde lachen
+van haar gezicht. Uitstekend! dat hij nog niet gekomen was. Alle stoelen
+stonden leêg om haar heen. Hij was niet in de kamer. Zij kon heerlijk
+alleen eerst op haar gemak alles wikken en wegen en samenstellen, voór
+hij kwam ...
+
+Zij stond op en bracht, kalmer dan eerst, een flesch Florida-water op
+zijn kamertje. Zij sleep het scheermes, dat in de waschtafellâ lag, iets
+wat zij nog nooit had gedaan; zij schikte de sprei glad over zijn bed.
+Zij was moe. Haar denken verflauwde steeds.
+
+Zoo ging de dag voorbij.
+
+Na den eten rustte Mathilde op het eene kanapeetje. Nu zoo goed als
+klaar met haar voornemens, lag zij zalig moe voor zich uit te turen.
+Haar eene hand steunde haar kalm liggende hoofd, de andere lag
+onbewegelijk over haar schoot. Zij was stil droef blij. De oude
+gedachten van den dag, de vondsten, die zij al lief had gekregen,
+zweefden zachtjes door haar brein. Reeksen gedachten, groote stukken der
+plannen kwamen in lange, licht zwart-fluweele langzaamheden over haar
+lichaam aanwaren naar haar oogen; enkele kleine donkerwitte
+bizonderheden, een trek, die Jozefs gezicht zoû hebben, zeker uitstekend
+woord, dat zij zeggen zoû, kwamen van ter zijde haar hoofd springen en
+er weêr uit glippen, door de groote gedachten-drommen heen.
+
+En zij voelde zich tot alles in staat, geheel aan haar liefde
+overgegeven, zonder trots. Als hij niet toegaf, zoû zij zich vernederen,
+zich zoo lang en zoo diep vernederen, tot hij overwonnen was. Zij zoû
+weenen, weenen zooveel, dat hij haar om haar tranen weêr lief zoû moeten
+hebben. Zij zal hem beloven en hem influisteren, dat zij alles zal doen,
+wat hij wil.
+
+Onder het langzaam vallen van dezen blijden dag voelde zij zich
+verzwakken tot alle offers, zij voelde zich wiegen door de rust van de
+kamer in een weldoende vergetelheid van zich zelve. Zij wist nu wel
+waarom zij vroeger niet gesproken had tot Jozef en altijd maar gewacht;
+het was door haar trots geweest; zij had niet gewild. Maar nu was zij
+nederig; zij zoû kruipen aan zijn voeten. Zij hoorde zich zachtjes
+ademen tot de vriendschap der stille kamer, heel zachtjes. In haar oor
+suisde heel licht de vermoeyenis. Zij zoû hem beloven zich opzichtiger
+te kleeden; zij zal hem beloven meer met hem uit te gaan. Zij zal nacht
+en dag klaar staan om zijn wensch te doen. Zij wil nu wel veel reizen
+later. Felix zal ponniehaar dragen en op een kostschool gedaan worden.
+
+Zij hoefde nu niet meer te denken. Zij kon rustig slapen van-nacht. De
+zwijgende wanden, met hun hooge, ernstige voorhoofden, hadden haar plan
+in zich af laten drukken. Zij zoû het in hen morgen weêrvinden; zij kon
+het nu veilig vergeten en aan niets meer denken ...
+
+Mathilde richtte zich plotseling op, te midden der strakstaande wanden.
+Zij voelde als een bodem van zekerheid uit haar bewustzijn wechzinken.
+Als zij zich morgen eens niet herinnerde wat zij Jozef zeggen zoû, als
+zij de woorden eens verloren had, voor altijd verloren! Als haar plan
+eens wech was, en als ze het zelf eens niet meer wilde, en als ze niet
+meer zoû weten wat te doen ... Maar deze schrik, die heenvlood uit haar
+wezen en rende door de kamer en opratelde tegen de ruiten en schuurde
+langs het behangsel en weêr te-rugkronkelde in haar wezen, verbreede
+zich tot een gevoel, donker, hopeloos bruin, dat lang bleef hangen op
+dezelfde plaats: als Jozef eens koel bleef, als, na alles wat zij
+bedacht en gezegd zoû hebben, hij eens dezelfde bleef der laatste
+maanden, dezelfde, blank koud dezelfde, als hij haar eens niet begreep,
+en met een zwijgenden glimlach vroeg wat zij bedoelde ...
+
+Maar, in de laagte, met hun grond en één opstaanden wand, schoven
+stukken tuin en stukken kamer voor haar verbeelding, met Felix er in. En
+zij zag hem, een afgerond levend wezen, zich bewegend, geluid gevend,
+met licht in zijn oogen en een rooden mond. Dat was Felix. Dat was haar
+kind, hun kind. Als Jozef achter hem stond, dan reikte hij tot Jozefs
+middel. En zij keken met hun oogen op dezelfde manier. Felix was als uit
+Jozef gekomen. Uit Jozefs wezen neêrgestooten op de aarde. Felix was,
+dus moest Jozef zijn.
+
+En wat was dat "Jozef"? Dat was een hooge gevormdheid, het was datgene,
+wat alleen zij zien woû, wat alleen zij hooren woû, wat alleen zij wilde
+aanraken, een man, nietwaar, haar man, dat was die man, die haar lief
+had gehad, die haar liefhad ... O maar, met zijn oogen, nietwaar, en met
+zijn voorhoofd en met zijn mond en met zijn handen, wás hij ... O, o,
+wat zoû die toekomst gelukkig zijn!
+
+Mathilde stond weêr, rechtop in de kamer. Zij wreef in haar handen, om
+dat haar zaken zoo goed stonden. Met den zegevierenden blik van iemant
+die, het hoofd omhoog, naar aanstaande blijde tijden uitkijkt, zag zij,
+door het venster, de komende schemering tegemoet. Zij lachte verheugd,
+zij lachte zooveel; in een wordend lachje bleef haar gezicht eensklaps
+stil, om verwonderd te zijn over het dwaze verdriet, dat zij zoo lang
+had gehad. De behoefte om te loopen bewoog haar weêr door het huis. Zij
+ging, met een licht deinen van haar schouders, haar hoofd bewoog heel
+langzaam op de maat van haar gang; haar borst ademde op en neêr, haar
+heupen ovaalden grijs uit onder het kleed; de wrong harer voeten steeg
+en daalde regelmatig over de bevloering. Haar armen weken van haar
+zijden en vielen er zachtjes weêr tegen aan. Zij drentelde, afgemat en
+rusteloos. Het lichte kraken van haar schoenen, het gekreuk en geschuif
+van de kleedstof om haar armen en beenen, het geluid van haar stappen en
+van haar ademen ritselden glijend door het huis.
+
+Zij voelde zich loopen en in de muziek van haar gang alle denken te loor
+gaan. Zij voelde het tintelen van haar teenen en hielen, het gewrichten
+van haar knieên, haar trillende dijen, waarlangs het kleed bij elken
+stap neêrwoei. Zij voelde strakheden van haar broek en haar onderlijfje
+tusschen haar beenen en onder haar armen; haar ondergoed, dat de halve
+bollen van haar borst raakte, de kraag van het kleed, die tegen haar
+hals duwde. Zij voelde haar moeye hals en de hitte van haar achterhoofd,
+de zwaarte harer armen, die de schouders lager trokken, haar klamme
+handen, haar lippen, die, vóór de ongesloten tanden, bevend
+samendrukten.
+
+Zij waadde door de schemering, die het huisomsluyerde en een slaap
+bracht in de kamers. Door de zwartigheid, wist zij nog vaag haar lichte
+droomen in de verte, voor den volgenden morgen. Haar donkere gedaante
+bewoog steeds rechtop door de verflauwende huisvormen. In de
+blauw-zwarte spiegels zag zij haar witte hoofd alleen nog naderen,
+waarover een stervende glimlach stond. Zij ging, bewusteloos, weêr ook
+de trap op en af, zonder meer iets aan te raken. De gedachten van den
+dag leefden zonder haar in haar voort, nog even stilletjes aanspoelend,
+zachtjes-aan wechdoovend. En toen begon zij weêr van zelf het wijsje van
+dien morgen te zingen.
+
+Marie en Felix kwamen thuis van hun wandelingetje. Het wachtende huis
+stond witterig en zwart-schuin tusschen de boomen. De vensters keken
+lankwerpig wemelend grijs en zwart. Van onder de warande, waar een
+venster openstond, hoorde Marie en Felix het gezang van het huis, luid
+en zacht vlak-bij in de donkerte. Dan ging het verder in het huis,
+verzwakte, verzwakte en beefde wech. Dan naderde het weêr onder de
+opstaande huisvormen. Het was nu neuriën geworden, maar in eens klonk
+het heel uit de verte, als achter een dikke muur; toen hoorden zij het
+weêr duidelijker, zachter, boven onder het dak, voortgaan, zachter
+worden, en te-rugkeeren, luider. En ophouden in de doorzichtig-zwart-
+grijze stilte. Toen druppelde een fijne regen eensklaps stilruischend
+in den avond op het huis en op de bladeren neêr.
+
+Den nacht van Donderdag op Vrijdag sliep Mathilde vast, maar om zeven
+uur was zij al op. Den vorigen avond had zij, vóor haar bed staande om
+er in te gaan, haar bloote voeten gezien. Zij was er naar blijven
+kijken, haar hoofd gebogen onder een nieuwe gedachte, die door haar
+hersens druischte. Zij had haar nachtjapon tot aan de knieën
+opgetrokken, mijmerende, dat die lichaamsbouw, met die blanke huid,
+onder haar witte goed nu zoo doorging in de hoogte, tot haar middel, tot
+haar borst, tot haar hoofd en daar eindigde en dat zij dat nu was, zij.
+Zij had even met haar eene voet een tikje tegen het andere been gegeven.
+
+Zij was verwonderd èn aan den voet èn aan het been te voelen. Zij was in
+bed gaan liggen, op haar rug, haar armen aan weêrszijde langs zich
+uitgestrekt. Zij leî haar handen op haar dijen en er weêr af, verbaasd
+over haar tastbaarheid. Zoolang ze wakker was, had ze liggen denken aan
+haar lichaam. Haar huiverende beenen samendrukkend, had zij toen
+bedacht, dat Jozef haar lichaam liefhad, want zij was haar lichaam. Nu
+liep zij, in het helder vroolijke ochtendgeel, dat door de warme ruiten
+en ophaalgordijnen zwierf, blootsvoets door de lengte van de kamer, door
+de opengerukte bovenste knoopen van de nachtjapon, door de gleuf van het
+hemd en van het flanelletje heen, haar hals te bevoelen, er griezelige
+koude plekjes makende met haar saamgesloten vingertoppen, diep in
+gedachte. Toen trok zij haar nachtjapon uit en ging weêr in bed, met
+haar beide handen voelde zij over het lichaam, van de knieën tot de
+hals, als wilde zij er verborgenheden in opsporen.
+
+Om kwart voor achten kwam Marie. Mathilde sloeg gauw het dek om zich
+heen en lag onbewegelijk. Zij zeî Marie de kachel aan te leggen.
+
+Om kwart over achten was het heel warm in de kamer. Mathilde gleed uit
+het bed en ging zitten voor haar toiletje. Zij had nu haar hoofd en haar
+schouders vóor zich in het spiegeltje. Aan de bovenlip en aan de eene
+wang, zwol haar gezicht er in op, door oneffenheden van het glas. Zij
+nam de spelden uit haar haar en liet het over haar rug vallen. Langzaam
+streek zij er de schildpadden kam door, boven het rechter oor beginnend
+en telkens tot op de helft der lengte van het bosje haar doorgaand, het
+daar met de linkerhand aanvattend om verder de aan het eind verwarde
+haren uit te kammen, zonder zich zeer te doen. Het blauw zwarte haar
+golfde hoog over haar hoofd heen, met sprietjes glans er tusschen door.
+Het streek door de kammetanden heen, scheerde onder de kam door, telkens
+glijend en weêr rustend. Als een in zijn golving verstijfde zwarte vloed
+bleef het eindelijk stil, boven het achterhoofd, in een dikken krul zich
+hoog oprichtend, met zijn vlassige diepten achter de ooren, droog en mat
+neerhangend over Mathildes middel. Er was éen puntig pijltje haren, vlak
+bij het voorhoofd dat op en neêr wiebelde bij de minste beweging van het
+hoofd. De haren leefden en wachtten. Als Mathilde rechts of links keek
+of ging verzitten, streelden zij haar hals in een zijige buiging,
+trosten gazig over haar ooren, dansten vlinderend over haar voorhoofd.
+Zij waren het stuk innige staal zwarte kleur in de zonnebeprekenkelde
+kamer. Mathilde drupte eau végétae over het haar en wreef het er door en
+kamde ze weêr gelijk. Een blos van glans ging over de haren, die
+voortkrinkelden donker-zilver-blauw-zwart. Als zij voorbij de reten der
+gordijnen ging, lachten de haren met met een zonnestraaltje even hun
+glimmend-gouden lach.
+
+Daarna nam zij een spons met enkelt Florida water en waschte haar
+gezicht en keek in den spiegel, of het er nu niet mooyer uit zag, en
+waschte weêr en keek weêr en nog eens en nog eens. Toen trok de
+zomer-ochtend Mathilde naar buiten. In zóolang was zij niet in den
+tuin geweest.
+
+Het was half elf. Mathilde kwam op het straatje. Zware witte wolken
+hingen in de lucht, laag boven de kastanjeboomen, waarvan de
+hooguitstekende bladeren zich in het dikke wollige stoomwit schenen te
+doopen. Zij reiden hun in 't midden en aan de randen water-zwart-
+schemerende ovaalheden samen en voeren heel langzaam voort, naar den
+kant van het dorp. Plekken roerlooze hemel rondden tusschen hen door,
+door de verblauwmarmerende overrastering der witte wolkspiertjes.
+Aan de open hemelruimte boven het Florabeeld was de laatste wolk eener
+rij, wit-goud en glinsterend rose berand, door een wijde plek eerst
+zilverblauw, wit-blauw, grijzig-blauw, dan stil dof donker-blauw, van de
+volgende wolken gescheiden, die aanzweefden in wit en grijs gepropte
+samenkoppelingen, als scharen witte omkrulde hoofdvormen, met opduwende
+schouderblankingen, zich zachtjes samenvleyend, langzaam in elkaâr
+overbollend, altijd breeder oplangzamend, in statige vluchten, bij
+rondvervleugelde groepen uit het neêrwelvende oosten opkalmend, altijd
+doorblikt van wit-bedraadde of effen turende blauwingen. Zij teederden
+voort geluidloos hun warrige uitwassige sneeuwvachten zuchtend-zachtjes
+over de stil-groene boomen verder schuivend.
+
+Mathilde ging de stoep af, daalde onder de donkerder groene zwaarte van
+de overbladeringen der oprijlaan. Zij zag in de breede beheestering
+tusschen de oprijlaan en den Vaarderweg. De te dichte samenplantingen
+stonden grijs-bruin en zwart-groen, glansloos, verslond. Toen zij zich
+omdraaide, hingen uit een keukenraam twee vaatdoeken te droogen. In het
+groote bemodderdspatte regenwatervat, links van dat keukenraam, drupte
+de nachtregen uit de goot nog af en toe neêr. Aan de lichtblauw-grijze
+muur van den achtergevel waren dunne vlekken, de deur van het
+tuinloodsje stond open en er lag morsigheid over de vloer tot op het
+straatje. Aan de sparre-en palmboompjes, op de helling tusschen de
+oprijlaan en het straatje, zag zij voor altijd verdorde grijsbruine
+takjes Voor haar uit, in de wijde opening, waarover van de wolkendikten
+grijze lichting neêrdroefde, was het stoffige Florabeeld, met zijn
+ongewasschen gezicht, met zwarterigheid in de oogen en aan de borsten.
+Al uitgebloeide seringetakjes waren er boven. De gouden regen en de
+jasmijnen geelden en witten in-één geslapt van den regen. Alleen de
+krans van aardbeziënplantjes over den grond puntte frisscher rood onder
+de dekkende blaadjes.
+
+Mathilde ging vooruit over den natterig zwarteren grond, waar kastanjes,
+dorre bladen van verleden jaar en dennennaalden aan de kanten vuilden.
+
+Plotseling aarzelde de zon bleek neêr, schuchtere glansen breedden over
+de bladen, wijd uit; daarna geelde zij, geler, en geler, geel-lachend
+over de treurige boomen, toen glimmend, warmend, goud-bruin strijkend
+langs de stammen, goud-zwart over den grond. En alle bladeren
+glinsterden een oogenblik.
+
+Mathilde trad voort, bezijden het huis naar voren. Maar nauwelijks had
+zij op de kiezelsteenen, op het grasveld en tegen den gevel der dames
+Streelink de gele uitspreidsels gezien, of de zon werd opgeslorpt door
+de treuring van een voorbijtrekkende wolk, bleekte heen, met schokjes
+telkens eiler wordend, als de vreugde die wechkrimpt van een gelaat. De
+donkere tint zeeg weêr neêr uit de onrustige lucht.
+
+De paden en het gras strekten zich onder Mathildes voeten met hun na den
+regen hard zwart en hard groen; scherpe, luide tinten prikten en riepen
+in de bloemen en bladeren. De breede straatweg was donker-grijs, plat,
+zonder opstuivend zand. De lauwe weeke geur der natterigheid schonk de
+wind in haar neus en mond. En de tuin verrastte haar smartelijk. Er had
+zich, zonder haar verbeelding, gedurende de dagen, dat zij in huis was
+gebleven, en zij den zomer had zien groepen en gloeyen door de ruiten,
+een vage gedachte van den tuin in haar gevormd, die geslagen en gedood
+werd door het koude zwart en groen. De kleuren, die anders haar oogen
+kusten, waren er niet meer; de tuin was veranderd, vreemd geworden, haar
+onbekend. Het booze zwart en groen sloeg de teleurstelling over haar
+gezicht, door haar achterhoofd, om haar schouders. De lucht was vol
+rare, vijandige ritselingen en geluiden. De hut stond rechts, donker en
+leêg, viezerig. De bloemen waren gewoon en er schenen er veel te weinig
+te zijn. Een lichte vaalheid hing van uit de boomenblaren naar beneden.
+En Mathilde zag plotseling de tuin klein en leelijk. Met half gesloten
+oogen, haar gezicht te-ruggedoken in het zwart kanten doekje om haar
+hoofd, ging zij naar de hut. Marie en Felix kwamen juist uit het
+dennenboschje. Felix had een groote gekleurde bal, die hij tegen den
+grond wierp, dan op liet springen een heel eind boven zijn hoofd, om hem
+daarna weêr te vangen. Hij gooide de bal ook tegen Maries rokken, die
+eerst omkeek en lachte, maar boos werd, toen hij 't nog eens deed. Marie
+drentelde te breyen.
+
+--Hè, mefrouw, wat 'n naar weêr, vindt u niet?
+
+--Ja, der is niet veel zon vandaag.
+
+--Maar ik denk toch, dat 'et nog wel weêr op zal klare ... tegen twalef
+uur of zoo. Regenen zal 't niet meer doen.
+
+Toen Mathilde in de hut zat, kwam Marie weêr even praten, snel
+voortbreyende, haar oogen over haar werk, haar ellebogen op de heupen,
+bij de belangrijkste punten van haar spreken een breinaald tegen haar
+borst vooruitduwend door de steken, haar neus afvegend met den rug van
+haar rechterhand.
+
+--Der zijn van-morgen-vroeg al groote wagens gekomen uit Amsterdam voor
+hier achter, voor mefrouw van Borsele, die daar komt te wone, u weet
+wel ... ze heeft der goed vooruit gestuurd ... Der zijn prachtige meubels
+bij ... Vrouw Steyer vertelde 't ook ... kanepees met rood fluweel en ik
+weet al niet, wat ze gezien had ...
+
+--Zoo, zoo, dat zal aardig zijn, als die mevrouw hier toch komt wone ...
+
+Marie vertelde verder, haalde tusschenbeide haar neus op, kromde haar
+bovenlip om haar tanden heen en krabde zich er dan eventjes met een
+breinaald.
+
+Telkens na een poosje waterde de zon neêr en trok weêr op. Eens bleef
+hij langer, waardoor de vrouwen er bijna aan gewend raakten. Felix
+speelde met zijn bal achter in den tuin. Hij liet hem nu van den grond
+tot de hoogte van zijn hand opspringen en gaf hem dan telkens een losse
+klap, waardoor hij met een doffen dsjieng klank als van ver-af-metaal
+tegen de aarde klakte en weêr opsprong. Om het spelletje af te wisselen
+gooide hij hem ook eenvoudig maar voor zich uit zoo hoog als ie kon in
+de lucht en ging hem dan oprapen, tusschen het hut en het huis. Eens
+gooide hij de bal juist op, toen de zon doorschoot; daardoor kon hij de
+bal niet nakijken, die met een bons te-rugviel op zijn schouder. Bij
+elken worp sprong zijn heele lichaampje op en met een open mond
+kreun-zuchtte hij van inspanning, terwijl zijn armpjes, beide opgeheven,
+beide te-rugvielen naast het rompje. Hij wilde de bal wel tegen de
+wolken gooyen, maar de bal ging niet hooger dan twee meter.
+
+--Ik voel toch, dat ik veel beter ga, zeî Mathilde.
+
+--Zoo, mefrouw? Ja, och, as 't maar weêr eerst heelemaal zomer is.
+
+Boven den tuin bewoog de hemel voort. De kleine wolkenbrokken waren tot
+effener, grooter, zwaarwittingen samengeplompt, die hun
+damp-krul-omrande rompen wentelden onder de wijd-blauwe verheid. Zij
+waren nu weiniger, breeder, en bakten zich aan elkaâr en reten van één,
+en vielen verder en draaiden rond, zich verdikkend en weêr
+opensplijtend, zonder vaart, in witte kalming langs de breed-ziende
+velden van het diepe blauw, schulpten zich uit, om de blauwlieden te
+vergrooten en kudden weêr samen om de blauwing te dooden, en zwierven
+verder hun randen verdwazend in pluisjes. De zon glansgoudde door hun
+buiken en woei naar beneden, roosterde het dak van het huis en
+schitterschimde door den somberen tuin, sprankelend over de bloemen,
+glijend over den rug van Marie, schrijnend naar Mathildes oogen, die
+groot open stonden, die wachtten in zwartbrandende begeerten.
+
+Er kwam een korte windbui; de zon bleekte wech; de wind scheen
+somberheid uit over de paden en het gras, suizel-wapperde door het
+dennenboschje links, ril-dartele door de hooge iepen rechts, omkoelde de
+kuiten der vrouwen, schokschouderde door Mathilde en behuiverde haar
+hersens met binnenshuis-verlangens. Maar de zon zoog weêr neêr door den
+wind, lichtte vaaltjes over den grond en smeet de breede lichte schaduw
+van Maries zware bouwsel in de hut, over Mathildes schoot en handen.
+
+Marie stond in haar eene muiltje, de hiel van haar andere voet stond
+omhoog, opgekarteld uit bedeesdheid door haar spreken met mevrouw. Zij
+voelde de hiel warmen.
+
+--Nu wordt 't toch mooi weêr, zeî ze, en zij draaide haar hoofd schuin
+op, tegen de sterke lucht in, die er prikkelend in afsloeg.
+
+Mathilde voelde zich verblijden in den zonnewind, die haar omleefde. Zij
+had een boek voor zich op tafel liggen, mejonkvrouw de Mauléon, roman
+van Bosboom-Toussaint. Terwijl zij las, verglansde de zon de bovenste
+helft der bladzijde, de wind snerpte stil een blaadje op. De wind soesde
+om haar neus, over haar wangen, in zachte koeling, streek frischheid
+over haar oogledenranden, die naar de zon mondden, bebeefde haar heete
+hoofd met kil-prikkelingen, onder de haren door. De zachte wind kwam
+door haar mouwen, onder haar onderbroek en door de spleten van haar
+ochtendjapon van voren tusschen de knoopen, naar haar huid en plekte
+stil-frisch.
+
+Marie was wechgewandeld, om te zien, wat Felix uitvoerde achter in den
+tuin. De wolken verdunden en gingen hooger, verder, in golvend bezoomde
+scharen zwalkend langs de zon. De lucht in het westen en heel-hoog
+boven, blauwde vrij. Donker-geel en zwarte stukjes, in wespen en
+paardevliegen, puntten voorbij, op een afstand. Mathilde bleef, zonder
+menschen, wier vormen en geluiden haar voelen braken, en vrije
+alleenheid, en het zuivere geloof, eenzaam en geheel, leefde in haar op;
+het kwam zachtjes over het bezonde geel-zwarte pad tot haar, het lachte
+in de zonne-wind-tintelingen in de rondte, het vloeide op over het
+getimmer aan d'overkant van den weg, over het klakkend gerommel van een
+rijtuig, over een ver hondgeblaf, het wolkte in het windgelach tot haar
+hoofd, het sneeuwde, sneeuwde in stille lichtdruppels van de deinende
+bladeren. Haar lichaam voelde zij als een vale warmte onder een koele
+bedekking. Zij deed haar armen een beetje in de hoogte, om de wind tegen
+haar oksels te hebben. Er was geen-een herinnering. Er waren haar
+wachtende wangen in den zomer, leêg en effen; er waren haar oogen, die
+zij niet voelde, waar al de zomer zwijmelend tegen verzotte; er waren
+haar voeten, die zich over elkaâr legden, om het geluk in haar wezen
+dicht samen te drukken. Er was een helle leêgte, achter in haar
+verbeelding, de angst-afwezigheid.
+
+Marie kwam weêr naar de hut, met Felix aan haar rechter hand, die met
+zijn beentjes naar achteren sloeg en zijn hoofdje achterover hield.
+
+--Drinkt u hier koffie, mefrouw?
+
+--Ja, dat wil ik wel. 't Is nu heerlijk weêr geworden.
+
+Felix bleef in de hut, hij lachte aldoór. Zijn lijfje werkte zich op de
+bank naast Mathilde hij zat op zijn éene been, hij leî zijn vuile
+handtje tegen Mathildes wang:
+
+--Lieve moeder ... moeder-lief ...
+
+--Dag jongetje, dag, ventje, heb-je goed gespeeld?
+
+Felix' hoofdje ging heen en weêr, zijn oogen blonken, zijn hangend
+beentje slingerde op en neêr, de armpjes bewogen vóor de strakstaande
+rieten muur van de hut, het haar ripte bij vlokjes naar hoven, de
+gezichtshuid verroerde en opende zich aan zijn mond; uit het hoofdtje
+naast haar borst geluidden de klanken in Mathildes hoofd. Zij zag het
+bewegende leven vóor het zwart van de bank, het vaal van den grond, het
+licht-bruin van de muur, die wasemden heel even, en tóen wist zij
+gedurende de heele mènschloze stilte der kleuren vóor haar uit, dat
+Jozefs leven naast haar leefde in den zomer. Zij dacht niet, zij
+verbeeldde zich. Het zwart, het groen, het glansende geel van voren
+bewogen als dof glimmend gespannen elastiek voor haar zien, om dat haar
+vage geluksverbeelding over haar oogen gloeide, ze heerlijk vervalschend
+in den waanzin van het geloof. Het was boven haar verhemelte, waar de
+neus in de keel overgaat, het steeg in een onstoffelijken damp door haar
+hersens naar boven. Zij voelde een drukking en een ijlheid.
+
+Marie kwam klaar zetten. Zij liep door Mathildes blik, door al de
+zomerkleuren, die ruischend achter haar aangloeiden, vlak voor de tafel
+ze wechplompend met haar dikke lijf tegen hen slaande met de
+drie-hoekige gebaren harer klaarzettende armen. Maar Mathilde bleef ze
+zien, boven het ritselend uit-duwen van de servet-vlakte, boven het
+rinkelend gestoot der uit Maries handen dalende en bewegenloos blijvende
+schotels, naast Maries rokken, tusschen haar armen en haar bovenlijf, om
+haar hoofd heen.
+
+Marie ging weêr wech, haar hoofd en rug in gloei-geel, haar rokken
+krul-wapperend om de bruine kuiten, een korte, als vertikaal in den
+grond het onderste boven tegen haar voeten aanloopende schaduw onder
+haar hielden.
+
+Felix verzette de schaaltjes, trok aan een lapje rookvleesch.
+
+--Niet ankomme; niet an de schaaltjes komme! zeî Mathilde, je moest nu
+nog eerst even naar Marie gaan en vragen of ze je handen wil wasschen,
+vóor we gaan koffie drinken.
+
+Felix bewoog wech onder de stille zonneschittering; met een geslinger en
+gedriehoek zijner jong-jubelende armen en beenen, een floddering van
+zijn gestreepte kiel. Mathilde was alleen. De wind verminderde; de
+wachtende kleurenpracht verroerloosde. Met de witte zuiverheids-tinteling
+harer kalmte over het gelaat, behandelde zij de bordjes, een mes, het
+brood, de boter, die haar vreemd-gewoon de vingers raakten. Wat was er
+dan toch; zij wist het niet. In eens zag zij in de hoogte van haar over
+de tafel geslagen blik, twee naderende heeren-broekspijpen. Een
+schrikvlaag berimpelde haar voorhoofd, haar handen bleven bewusteloos
+staan op de tafel. Zij hief het hoofd, zij zag, met een rilling door het
+achterhoofd, in de pijnlijke gaping der verbaasde oogen, den ingenieur
+Ster, dik, blond, zweterig, in een verslonsd grijs pak, die naderde. Zij
+had even gemeend, dat het Jozef kon zijn. Hij groette haar met zijn hoed
+en kwam dichterbij. Voor de hut staande, nam hij nog eens zijn hoed af,
+maakte met zijn bovenlijf een dikke-mansbuiginkje, zeide "mevrouw, ik
+kom u eens opzoeken" en zette zijn hoed weêr op. Hij gaf Mathilde, die
+was opgestaan, een dikke, harderige, natterige hand. Mathilde besproeide
+hem met blinkende verbaasd-bedeesde blikken, zwarte vonken uit het
+midden van haar gloeyende oogenwit, blinkend in de blondwiegelende
+schaduw van de hut. Mathilde bevoelde haar zakdoek, beide handen tegen
+zich aan. De hut was plotseling geheel vol met Ster; zij zag zich zelve
+niet meer.
+
+--Gaat u zitte ... Komt u óok Hilversum us bezoeke?
+
+Ja, zeî Ster, hij zoû in 't vervolg herhaaldelijk hier moeten komen,
+want hij was voor een gedeelte belast met de inspectie van de werken van
+de nieuw opgerichte Ooster-spoorwegmaatschappij, die te Hilversum een
+hoofd-station zoû hebben. Het werk vorderde goed; de rails lagen al tot
+voorbij Bussum. Ja, hij was hier ook gekomen vandaag juist, om mevrouw
+van Borselen, die als vrouw alleen was, een handje te helpen met het in
+orde maken van haar buitentje. Zij was vandaag ook gekomen, ja.
+
+--Hoe gaat het u? vroeg hij.
+
+--Zoo, zoo, de buitenlucht doet mij natuurlijk veel goed.
+
+--U woont hier wezenlijk allerliefst. Ik kom nu juist van mevrouw van
+Borselen. Zij hoopt u ook gauw een visite te komen maken ... Ik ben
+heelemaal de hoek daar omgeloopen, ... maar de meid zeî, dat ik ook
+achter in den tuin had kunnen komen ... toen heeft ze me den weg
+gewezen naar de "hut" ... 't is hier heel aardig ... en een prachtige
+tuin ... u heeft mooye bloemen ...
+
+Op de tafel leunende met haar voorarmen, het hoofd even schuin gebogen,
+zat zij naar hem te luisteren, met een nauwelijks geopenden mond, hem
+voortdurend aanziend, terwijl hij in de rondte keek of op zijn knieën,
+alleen haar blikken te-ruggooyend op de tafel, wanneer hij, bij een
+vraag en bij het eind van een volzin, háar aanzag. Het scheen haar, dat
+hij een ouden zeer innigen vriend van haar was, die kwam van een lang
+geleden en voor altijd door haar verlaten wereld. Hij kwam van de stad,
+die zoo vreeselijk ver was; hingen er nog niet weêrkaatsingen van die
+grachten en straten, waar haar gedachte leefde, in het fletse grijs van
+zijn jasje? En haar oogen trokken de woorden tusschen zijn lippen uit;
+zijn groenige tanden, die zijn grove stemklanken naar haar heen beten,
+schenen lief, gezellig, goedig, vol van herlevende herinnering, vol van
+haar weêrkeerend geluk.
+
+--Ik dacht van-ochtend niet, dat 't nog zulk mooi weêr zoû worden, zeî
+hij.
+
+Toen spraken ze over Jozef.
+
+--Ik heb meneer gisteren nog gesproken ...
+
+--Zoo? ... Ja, ik verwacht hem over-morgen weêr ... Hij komt meestal eens
+in de week over ... och, u begrijpt, met zijn zaken, is 't al heel lastig
+om meer te komen, maar als de spoor er zijn zal, zal dat wel
+beter gaan ...
+
+O, hij sprak over Jozef! Lachjes over haar wangen glans-groetten, haar
+oogen begloeiden de tafel. Zij slikte, zij voelde zich weêr vreemd in
+haar hoofd, haar handen vervochtigden, zij streek de blaârtjes zweet
+wech van de haarzoom op het voorhoofd. Het was net, of er iets bewoog
+boven haar oogleden, in de tuinmassa van voren, bij rukken van kleur en
+licht, van links naar rechts. Ster zeî niet meer en keek in de rondte,
+Mathildes oogen bleven neêrgedompeld als in een diep donker water, waar
+zij vreemde gelukschatten konden grijpen. Plotseling beefden haar
+oogleden op, de tuinkleuren schemerden en schitterden, vervaalden in
+vlekken en joelden op in vonken en bleven, hevig vooruitglansend, in de
+verte sidderend en dwingend, de warmte warrelde over haar schouders; zij
+zag Ster zitten, vlak hij haar, met een groote wasemende leêgte van
+zwart en van groen achter hem. Zij zag hem zitten in de heerlijk-intieme
+grofheid zijner overvoedde onder het grijze kamgaren opbolderende
+vormen, in de rood-vetterige slaperigheid van zijn haar onvermoedende
+gezicht. Zij zag hem in een dikke kleurennis, tegen een opstaand bed van
+levendige donzige glansen, van goudscherpte en zwart-groen-dofheid. De
+woorden scheurden stotterend uit haar mond:
+
+--Is hij nog wél? vroeg zij.
+
+--Hoe bedoelt u? Uw man? ... Ja, heel wél, geloof ik. Was hij ongesteld,
+toen ie 't laatst hier was?
+
+Mathilde wist niet goed meer wat zij zeî.
+
+--Ja,..., ja, hij had hoofdpijn ... en hij heeft er verder niets meer over
+geschreven, loog zij.
+
+Felix' lijfje en Maries lichaam kwamen-aan, met bewegingen van buiten en
+versche standen, die het wezen der groep vernieuwden.
+
+--Mag ik u ook iets aanbieden? Wilt u niet met ons blijven
+koffiedrinken? vroeg Mathilde.
+
+Ster bedankte. Hij nam Felix tusschen zijn beenen en vroeg:--Zoo, zoo,
+jongeneer, zijn we zoo groot geworden? maar Felix was bang van zijn met
+felle kleuren volgeploeterd gezicht. Ster deed net of het beedeesde kind
+hem wél pleizierig vond, hij nam Felix' zachte gezichtje op zijn hand:
+je kent me niet, hè, baasje? We hebben mekaâr ook nog pas eens gezien,
+en toen was je ook al te jong. Toen Ster hem weêr los had gelaten, begon
+Felix te eten, zijn gezichtje naar het bord melksoep gedrukt. Iedere
+keer, als de lepel in zijn mond schoof, beklommen zijn blikken het hoofd
+van Ster, om te zien, of die hem niet aankeek.
+
+Ster nam afscheid, met een bad van Mathildes hand in de zijne, met een
+zware legging van zijn hand op Felix hoofd.
+
+Mathilde had hem niet leelijk gezien. Zij zag zijn dikke lichaam blonken
+in de kleuren, het mannen-lichaam, dat altijd verder van haar afging
+door den tuin, verder, verder, eindelijk geheel opgeslorpt door de hoek
+van de laan. Het weêr was mooyer nog geworden om hem heen. Enkele
+gebeitelde groepjes wolkenkrullen waren dooorschijnend-vlokkerig ver in
+het zuiden, enkele lange tot bleek-witte krampen verstijfde
+wolken-zenuwen lagen over de lucht gestrekt. Een strakke zon
+begoud-feestte den tuin.
+
+Mathilde at bijna niet; de boel was al weêr wechgenomen, toen zij nog
+aan Ster zat te denken, hoe hij daar geweest was, sprekend van Jozef uit
+zijn dikke gezicht, hoe er nu een vragende leêgte was boven de stoel,
+waar zijn romp op gestaan had, en hoe hij zich bewogen had, wech, wech,
+in de kleuren.
+
+Zij keek om zich heen in de heete middagstilte, en het geloof steeg
+hooger, over haar lichaam, tusschen haar vallende handen op; zij had een
+gevoel in zich als een kreet, die zij moest uitschreeuwen; in haar
+tintelende hoofd zetten de zieleduizelingen op, die geen voorstellingen
+vormden in haar verbeelding, die niet dachten in haar verstand, maar die
+haar dronken maakten als een donker druppelende drank in haar
+achterhoofd gegoten. Zij zag naar de somber-staande hutwanden, of zij
+niet spraken, wat zij waren, wat zij wilden tegen haar bewustzijn, wat
+zij meenden met het vreemde gevoel, dat zij haar inspraken. Toen kwam er
+inéens een vink, die, vóor haar onbewegelijkheid heen, wipte en tripte,
+wit, bruin, grijs, over den zonnigen grond, met zijn glad gestreken
+kopje haar bekijkend en in éens wegvliegend in een hoogen boom aan den
+weg. Mathilde ging slenteren door den tuin; de warme wind nam haar
+haren, en speelde ze wech uit haar gezicht, de zon walmde neêr op haar
+hoofd; de kleuren lachten vlak uit om haar heen.
+
+In de om haar hoofd vlagende heete wemelingen bewoog Mathildes teedere
+vleesch boven den grond, in de weeke rijzing der onder het grijs
+deinende leden. Hoog naast haar donker-glansde het dennenboschje;
+merelklanken zilverkrulden in de zware hittelagen, die zwalkten in
+groen-geel smeulende zwenkingen door de ruimten. Zij voelde zich loopen
+hoog op het licht-zwarte pad, haar oogen doorvoelden, tusschen den hard
+vlakken grond en haar zieke droomenhoofd, den afstand, vol van zwart en
+glans-gele stukjes krulrinkeling, wasem-warrelend op en neêr, rillend
+van haar eindeloos verlangen. De kleine dennen stonden hoog in de lucht
+boven haar uit en verritselden hun bladering, proppelend, stippelend
+tegen de lucht, wuifbuigend naar Mathilde; het grasveld, rechts, groende
+zit vlakte uit, stijf-zijig, met de donkere ondersten en de lichtere
+uitpuntingen der sprietjes, het ging verder en verder, met de gegleden
+gebogenheidjes en de ranke opzwiepingen der grasjes, een vooruitgang van
+dribbelende, schubbige lachjes, breeder en meer, groen, donker groen,
+geel-groen, goud-groen, lang en ver, wijkend, zoo dat haar armen het
+niet konden overreiken, en het strekte heen, oneindig klein en oneindig
+veel, éen goud-groene lach, die opsloeg en zijn ligging wechschaterde
+tegen de wijdwijkende blauwte: Jozef! Jozef!
+
+Mathilde voerde het uit haar oogen wazemde in haar goud-warm verbeelden
+heenbruisende verlangen langs het hek bij den breeden straatweg. Zij zag
+de groote iepen haar langzaam voorbijgaan. Zij knikte een boerenmeisje
+goeyen dag, dat daar liep met haar koe. Zij zag het kind loopen boven
+den grond, maar hóog hielden de iepen hun bladerenzwaarte op de lange
+breede nekken der stammen geheven, en stootten hun groene
+ontzachlijkheden naar den hemel en wierpen hun jubelende groeningen tot
+de blauwe effenheid en smeten hun takken uit naar alle kanten, in
+krampen van bloeying, in een rumoerig warrellied van stijgend en
+woest-willend verlangen: Jozef! Jozef!
+
+Mathilde ging te-rug, de statig zijgende sparren-groep, bij de waranda,
+met zijn verspitsende betorening van neêrgeschuinde stekeltakjes, met
+zijn stil-blinkende groentinteling en zijn innige binnen-duisternis,
+naderde, naar haar heenschuivend met den warm-gevenden grond, en de
+glans-armpjes suizelden heete fluisteringen en trilden op in de rondte,
+bijna allen, heel even, en toen weêr, en toen weêr, boven holen van
+zwartheid; als glimwormen glommen takjes en sprankten in de zon uit als
+stukjes glas en van de schuinende neêrveêring rolden en ruischten
+parelende klankjes voor Mathildes voeten: Jozef! Jozef!
+
+Onder haar voeten licht-zwartte de pad-breedte voort. Haar blikken
+vlotte neêr, maar de grond trok ze vooruit, breed-zwart vooruit,
+glans-zwart vooruit, heen-zwartend tusschen het stijgende gras-groen,
+voort-atstandend tot achter in den tuin. Zij was bang voor de ruimte
+tusschen haar en den afstand; liep zij, dan voelde zij den grond weêr
+achter haar, ver, wech, wech onder haar voeten, en de ruischende ruimte
+van licht-lucht en de zwaar-roerloosheden der opstanden. Maar het pad
+trok haar geloovende oogen verder, over een kabbeling van gelig-zwart
+voort, tot zij stuitten tegen den opsteigerenden gezichteinder; daar
+dwarrelden de verre hooge heesters omhoog, en joegen door-een, en dansen
+van groen, licht-groen op springend en borend hun spelende wildheid door
+het lage neerdruischende blauw: Jozef! Jozef!
+
+Mathilde keek langzaam in de rondte, met verfletsende oogen. Alle
+boomen stonden luid in de hoogte, in heftend opstamping gestooten naar
+de lucht. Alle heesters krioelden hun groene zenuwnetten in dikke
+dof-verstijfde groenvlammen tusschen de boomen door, schuin tegen elkaâr
+in stijgend, op-schreeuwend tegen den blauwen middag, maar hoog van de
+boomentoppen wemelde in hitte-zilveringen, een kokende goud-geel-waseming
+tot de gloeyende blauwbekapping, waarin de laatste wolkendradingen
+wechsluyerden En over de buigende boomen gleden en beefden de
+goudblauwingen tot Mathilde. En achter haar, van de verre geelstoffing
+van den weg, waarin, door de gaten der hooge groenmassaas pakken
+hittelicht neêrsidderden en doodreutelden op het platgebrande wit van
+den grond, kwamen, omstuwd door de breede kreten van het woestdartelende
+heestergroen om de blank-glansen de stukken huizengevels, de hooge iepen
+op haar aan, klein in de verte, maar grooter, grooter wordend, man aan
+man met hun dikke, warme stammen, grooter breede, hooger, en eindelijk
+opstaand achter haar, bij haar, aan haar, in éen geweld van geluidbos
+leven, éen staan van groene krachten, éen gestolten klimming van wil en
+van daad. En de hoogheden der boomen en de heete begeerten, die
+aanrolden kletterend geel over den weg, drongen Mathilde, vóor de
+sparrengoep heen, op het groote grasveld vóor het huis.
+
+O, het was een feest van lichten. De witte muur van het huis, éen
+staande vlakte van hellicht, samengedrukt door de daling van het
+goud-bruine daklicht, perste zich in-een en smeet het hevige
+zonne-weêrlicht uit de ruiten met de klaterkaatsingen der witte
+muurvlakken neêr tegen den groenen grond, tegen de iepenstammen, door de
+openheden tusschen de stammen, verder over den weg. Mathildes oogen
+bedroomden het huis, zoo als het opstond in zijn lichting, in zijn
+heerlijkheid van wit, tot vastheid opgerezen hittelicht, zij geloofde in
+het huis, zoo als het glansde hooge en breed. En het grasveld helde op
+naar het huis, een spreidsel van zacht groen licht, doorstikt met de
+teeder fonkelende steenen der roode bloemen, maar dat steeg in zijn
+breedheid, sidderend gespannen, schemeringen van lichter groen in de
+hoogte ademend. Op hun zuilen van bruin licht waren de miljoenen groene
+vlammetjes der iepenblâren ontstoken, en in de bevende licht-zee boven
+het grasveld, waadde Mathilde, met drooge dwaas-verglansde oogen.
+
+Maar zij keek naar boven, en het viel op haar als een tintelende sneeuw
+van verukking. Al het wit was ingeslurpt door het blakende, daverende
+hemel blauw, dat gloeyend glinsterde in neêrwarrelingen van
+zwartgoud-poeyering en als een ziedende zee met donkere blauwbulten en
+lichtere blauwheffingen, daalde en steeg, daalde, daalde, zijn
+zonnevlakten neêrbreedend om den hettenden vuurkolom van de stortende
+zon, die een regen van bliksems los stookte over de schroeyend vermoorde
+uitstrekking der zich openwentelende en heen-spreidende tuinvlakten.
+Breede slangen laayend blauw wimpelden af van de lucht, in een foltering
+van blauw tusschen het schuin wegkrimpend boomengroen zijgend,
+goud-blauw over de buitenste bladeren brandend, een doffe
+krijt-goud-gloed over de midden-bladeren drukkend, in gouden grillen
+windtrillend, vonkend, spuitend, uitspruitend, neêrsprietend,
+heensprankend om de hijgende takjes, bosjes gouden naalden schietend in
+de diep-groene boomenharten. Zware afblauwsels goudden neêr over het
+dak, over de boomen en heesterhoogten in de verte, van alle zijden
+naderend en zich rond neêrdrukkend in éen vlammende vuurschittering.
+Golvenwolken van witte hitte zwalkten door de ruimten, tusschen de
+openingen glijend en voort stoom-dwarrelend in de verheid. En het werd
+gedragen door alle lagen der ruimte, in éen begeestering van heete
+kleuren, éen vervlamming van het heete leven, en Mathilde voelde zich
+juichend onder haar kleeren beven, en in haar gouden weten, dat zij
+gelukkig zoû zijn, werd zij getrokken naar de groensombering
+der warande.
+
+Verbijsterd in haar snikkende bedwelming, vroeg wat het was. Wat was die
+gouden lichtruimte voor haar uit? En al de takken, die naar haar heen
+reikten? En al die verdere plannen van bleekere lichtstrekking en
+kleurenstand voor haar uit? De kleine gezicht-einders waren
+samengebakken en smolten zich vast aan den hemel. Zij was in een groote
+zaal vol vreemd leven, vol rare vervoerende dingen. Er waren geen
+menschen bij haar, achter haar. Niets was achter haar, geen stemmen,
+geen gerucht. Zij wist van geen verleden, van geen vroegere gedachte;
+haar leven was dit oogenblik. Zij wist van geen afstand en ruimte; de
+eenige wereld was hier bij haar. Langzaam, terwijl alle kleuren vonkten
+en naderden naar haar oogen, loste haar bewustzijn zich op in de
+lichtkrachten die kleursidderden over haar heen. Haar leden zonken
+samen, achter tegen haar stoel. Zij zag wel, door de verblinding, die
+over haar gezicht was neêrgeschitterd heen, dat de blauwe lucht was
+losgebarsten en er kokende stroomen gloeyend goud gudsten over de
+vlakte, klotsend op haar toe. En verder, in de rondte, hagelslingerden
+gouden vonkenvlagen neêr over de wechbleekende groenheden, botsgolvend
+tot elkaâr, opzwiepend om haar hoofd, neêrzijpelend door haar lichaam,
+haar beenen. Hoog stormden de iepen hun vrachten vlas-groene
+dronkenschap op tegen de neêrbruisende gouding, de bruingouden stammen,
+los en week, gloeiden op en neêr, als zuilen van vloeyend goud hun
+lijven hoog en laag kristallend door de ruimte. De bloemen kleurden door
+het vuur, vliegend, schietend, hoog in de lucht, laag op den grond.
+
+Mathilde voelde zich heffen en zich wechgaan, heen-gedragen door de
+kleurenverbijstering. Haar oogen doofden uit. Eén even onstaken zij
+weêr. Toen zag zij alles met wit-krullende wit-blauwe gazen en vlekken
+glans blauw beneveld. Haar oogen snikten hun heete tranen uit, die als
+zoute druppels in de hoeken van haar mond vloeiden.
+
+En langzaam sliep zij in met openhangende mond. De zomerhitte verdroogde
+haar verhemelte en tintelde over haar bovenhoofd.
+
+Mathilde sliep twee uur lang; toen Felix haar kwam wekken, even voor het
+eten, voelde zij zich als na een koortsnacht, loom, dof, zwak; Marie
+zeî, dat zij erg bleek zag.
+
+Na den eten zat Mathilde op de kanapee en sliep weêr. De dag wentelde
+zijn zware kleurenvlakten voort. De middagkleuren koelden op, teederden
+uit in de rooye groeyingen, van de stervende zon. Zij dronk laat thee.
+Felix was al naar bed, toen zij weêr alleen zat in de groote kamer. Zij
+had gezegd, dat de lamp niet hoefde, om dat zij liever woû schemeren. In
+haar afgematheid, speelde het lichtje onder de theepot met haar oogen,
+lange stralen schietend heen en weêr door de vredige zacht-zwart staande
+duisternis van de kamer, Mathilde voelde het ruischen van den tijd zij
+voelde zich heengeduwd naar den wachtenden dag op de regelmatige
+tik-tak-begeleiding van de duistere pendule, die als de stille radeling
+was der kracht van haar leven, haar voortuitvoerende naar het geluk. Het
+eene venster stond wijd open voor den stillen mooyen avond van buiten.
+Mathilde dronk haar lauwe thee met weeken slurpenden mond, en,
+daarboven, samentrekkende proevende oogen.
+
+Zij was zoo wech in haar stille afwachtings-stemming dat het geschuif
+van haar stoel over de vloer haar een vreemd hard geluid klonk toen zij
+opstond, om vlak voor het venster te gaan zitten met haar kopje. In de
+teêr-grijze duisternis was het groen in een zware donkerte tot rust
+samengevallen. Maar hoog en ver, in een oneindige wijdheid, was de
+sterrenhemel opgeslagen over den tuin. Alles was zeer stil. Mathildes
+verslapte blikken klommen over de zwarte bladerenmassaas naar de
+sterren, die verward boven de bladeren lagen en er door en er over
+neêrhingen in een fonkelende bepuntering. Zij keek, en een sussende
+weemoed zweefde stil door haar moede gemoed. En zwerm lijnloze droomen
+steeg langzaam in haar gedachte. Al wat zij haar leven-lang mooi had
+gevonden en gehoord had, dat mooi was, in de sterren, waarde als een
+vaag gevoel door haar bewustheid. Het waren oude melodiën van toen zij
+nog niet getrouwd waren, kleine refreintjes van de straatorgels uit haar
+jeugd, een liedje, uit zijn jeugd, dat haar vader wel eens neuriede, het
+waren alle kleine oogenblikken van kleine teêre aandoening, een
+buitengewoon innige handdruk van haar vader op een avond, het op straat
+ontmoeten van een meisje, dat zij langgeleden had gekend, het terugzien
+van dezelfde huizengevels van vroeger na een lange afwezigheid, de
+eerste boeket van Jozef, eens, toen zij jarig was, een mooye bladzijde
+uit een mooi leesboek, de oprechte hartelijkheid van Jans in zekere
+omstandigheid, die, zonder tot herinnering te worden, een dierbaren
+nevelgrond spreidden onder haar mijmering. Zij voelde haar bewustzijn
+gedragen door het leven als door een lagen wiegelenden leuningstoel. De
+kuische duisternis met haar oneindige ruimte, onder de verre sterren,
+weekte lange aandoeningen van oneindige liefheid en gedachtenzwemen van
+eeuwig geluk, zalig-zacht rein-te-vreden, in haar voelen los. Het was
+als een warme zachte hand die over haar wangen ging, over haar bleeke
+wangen, met lange zwijgende streelingen. Zij stak haar gezicht schuin
+omhoog en uit de diepste schuilhoeken van haar gemoedsleven kwamen, van
+heel, heel lang geleden, vreemde bewegingen van hoop, trillingen van
+geluk en vertrouwen, naar boven, die zij eerst niet herkende, maar die
+langzaam uit hun verflensing nauwkeuriger opleefden. Uit al de vage
+stukken van het vroeger met teêre genieting waargenomene, die nu in haar
+verbeelding kwamen schemeren, drong Jozefs figuur naar voren en bleef
+alleen, alleen in haar verbeelding, die was als een vreemde schilderij
+zonder afmeting in den roerloos ritselenden zilvergrijzen nacht, en
+stond hoog omhoog als een vast lichaam vol heerlijke zekerheid van leven
+en liefde. In hem had zij altijd geloofd, aan hem had zij zooveel
+gedacht in eenzaamheid. Zij geloofde in zijn borst, waar haar hoofd
+tegen-aan kon leggen, zij geloofde in zijn armen, die haar aan zijn
+borst konden drukken, zij geloofde in zijn beenen, die naar haar konden
+naderen, zij geloofde aan zijn hoofd, dichtbij het hare, met liefde in
+de oogen en liefde in den mond, Zij geloofde, dat zij altijd samen
+zouden zijn, altijd, altijd, zonder stoornis meer, allen dag en
+allen nacht.
+
+En de melodie van haar geloof leefde nog dien avond in haar voort, tot
+lang na dat zij naar bed was gegaan. Mathilde droomde dien nacht van
+Ster. Zij zag hem heel vreemd loopen, in de lucht, zonder iets aan te
+raken, en eindelijk in een der hooge iepen gaan zitten. Zij droomde ook
+van Felix, dat die op het uiterste kantje stond van een steile
+berghelling, terwijl Marie met een bal naar zijn hoofdje gooide.
+
+Eindelijk kwam de Zaterdagochtend, onder een donker bewolkten hemel,
+zonder zon, zonder regen, zonder wind. Mathilde had moeite om uit haar
+bed te komen. Ging haar hoofd even in de hoogte, dan trok het liggende
+lichaam het weêr neêr. Daar was dan de Zaterdag, de laatste dag, koud en
+onverbiddelijk in haar kamer geschoven. Wat waren die dagen
+verschrikkelijk gauw voorbijgegaan! In haar hoofd werkte de stemming van
+den vorigen avond nog voort, maar bekoeld en verlept, half wechgesmolten
+in de koude zuivering van de slaap. Zij voelde zich leêg. Haar
+verlangenleven der laatste dagen scheen haar gemoed te hebben
+uitgebrand. In een lauwe onverschilligheid, met een in zich opnemen van
+den dag als was die heel gewoon met een blinde botheid der zenuwen, die
+voort bleven slapen, de kamers en de meubels langs ziende zonder ze te
+zien, ging zij den ochtend door. Zij was naar, beverig, als onder den
+invloed van een naderende ziekte, van een zware koû, die zij gevat zoû
+hebben. Herhaaldelijk moest zij weêr in huis gaan. Zij vond den dag zeer
+vervelend. Hij grijnsde haar toe met de wanhopige eentonigheid zijner
+vormen en kleuren van altijd. Alles was grijs. De luchtgrijsheid kilde
+over de paden en over het gras en flenste door de boomen.
+
+Om kwart over drieën werd zij door Marie in huis geroepen met
+vertrouwlijke en te kennen gevende armgebaren. In de groote kamer vond
+zij mevrouw van Borselen zitten, in een grijs satijn japonnetje onder
+het groen dooroogde, lichtelijk doorkleurde vleesch van haar stijfjes
+bekamde hoofd, midden tusschen de warse meubelen gezakt. Hoe zij het
+maakte, hoe zij-zelve het maakte, dat zij haar in zoolang niet had mogen
+zien, lieve omstreken, Mathildes buitentje mooyer gelegen dan het hare,
+vlak aan den straatweg, gezellig leven, elkaâr veel bezoeken, Felix,
+haar zoontjes, Jozef, het rijtuig, de spoor, de heer Ster, geen madera,
+neen, nooit iets gebruiken voor den eten, nog eens Jozef, spoedig
+te-rugzien, onaangenaam weêr.
+
+De woorden sprongen naar Mathilde, vielen om haar heen op den grond. Zij
+andwoordde en sprak als met een hoofd, dat een eindje vóor haar
+eigenlijke zoû wezen. Maar het woord "meneer" tikte op haar hersens, en
+toen begonnen de woorden haar te slaan, op haar schouders, tegen haar
+hals, tegen haar wangen, als de gepolijste gemeenplaatsen van het
+onverschillige leven, dat ruw langs haar heen ging. Toen mevrouw v.
+Borselen de tweede maal van Jozef sprak, schrok Mathilde. Het was een
+tergende spaak in haar hersens, waaraan die vreemde vrouw roerde, iets
+wat zij niet wilde, maar dat moest, een akelige macht, die wreed in haar
+leven was.
+
+Mevrouw v. Borselen ging wech. Mathilde zag haar glimmend satijnen,
+oogelozen rug heengaan door den gang, tot den romp de stoep afzakken en
+voor 't laatst doezelen tusschen de boomen. Achter mevrouw v. Borselen
+heen, het glanzig grijze wezen in den hollen dofferen dag, kromp de dag
+zelf voort, zijn rondingen verdonkergrijzend en schemerneêrplattend in
+den avond, droog en geruchtloos.
+
+De Zondag was mooi, een dartele dag, met een sterken zuiden-wind, die de
+rozen deed wiebelen aan hun takjes. Marie was in een stijf gestreken
+katoentje en vroeg: Hoe laat komt meneer? en over het stijfschoone
+dekkertje op de tafel heen, zeî Mathilde: Ik denk om elf uur, zoo als
+altijd. Zij was wrevelig gestemd dwars tegen den levensloop. Onder haar
+oogen dachten stuursche wangen onverschilligheid Het ontstemde haar zich
+voor niets zoo opgewonden te hebben. Zij zoû stellig nooit verstandig
+worden. Het leven ging immers zoo eenvoudig en gewoon; nu was er weêr
+een dag, net zoo as gistere, zoo meteen kwam haar man. Wat was daar nu
+eigenlijk aan. Zij leek wel niet wijs. Zij leek wel een aktrice. Toen
+hoorde zij een rijtuig aankomen en wist-voelde te-gelijk, dat het hét
+rijtuig was. Toen was 't net of haar hersens in de war zouden gaan en er
+heet bloed voor haar oogen zoû komen. Haar heele lichaam begon te beven.
+Zij hield haar tanden op elkaâr; als zij 't vergat tikten zij op elkaâr
+in een stootend geluid van haar hoofd. Haar handen werden koud aan de
+toppen, vochtig aan den palm. Zij kon niet opstaan en zag van haar stoel
+door het venster alles nauwkeurig. De hit voor het tentwagentje stond in
+éens stil, zijn voorpooten als schuine staken naar voren op den grond.
+De koetsier sprong van den eersten bank onder den kap uit; hij was jong,
+hij had een rood gezicht en had een pet op. Het lage portiertje ging
+moeyelijk open, maar met een duw van binnen lukte het. Toen zag zij
+Jozef; die er langzaam uitstapte, in een lichtgrijs pak, zijn korte
+jasje met twee rijen knoopen van voren, en zijn broek die wijd over zijn
+lage schoenen afhing, met zijn linkerbeen op het ijzeren treêtje, toen
+zijn rechter en linker bijna te-gelijk op den grond. Zijn hand kwam
+boven de binnenhand van den koetsier, terwijl hij zijn kin een beetje
+introk. Hij had een lagen licht-geelen strooyen hoed op en, toen hij
+zich weêr had omgekeerd en den tuin inkwam, een erg lage boord, een
+koerant en een paar gele handschoenen in zijn linker hand. Maar hij ging
+achter de boomen en zij zag hem niet meer.
+
+Toen Jozef de kamer binnenkwam, hadden zij beiden in éen snelheid van
+opkomen en vergaan, dezelfde gedachtewaarwording.
+
+--Daar ben ik! Hoe maak je 't Thilde? Je hebt in 't geheel niet
+geschreve. En zijn glimlach naderde van de schuin-open deur, en slonk
+wech toen hij haar bleek zag beven, en zijn oogen voelden: wat ziet ze
+er vreeselijk vreemd uit, ze is stellig met een anderen man geweest, in
+elk geval blijf ík kalm; en zijn glimlach dacht in haar voort, in éen
+slag van uiterste angst, éen stuipende siddering van haar verstand, éen
+vreeselijke stilstand van haar hart: dit is hij niet, dat is hij niet,
+ik ben met een anderen man geweest.
+
+Zij voelde haar denken vernield, zij voelde zich wezenloos worden. Haar
+voeten werden koud en zij waggelde, met een licht doorbuigen van haar
+knieën. Maar de groote smart van haar verstand rukte haar te-rug in de
+levende werkelijkheid der angst-licht vlammende kamer. En zij wist de
+grootte van haar liefde en dat hij die liefde niet was.
+
+In het naderend uitsteken van zijn handen vroeg hij: Beê-je niet wel?
+Wat scheelt je? Wat is er? Zij zeide Och nee, 't is al weêr over, dat
+heb ik tusschenbeye tegenwoordig, ik weet niet wat het is. Zijn lippen
+zoenden, de zoen gleed wech van haar rillende wang. Felix was
+binnengekomen uit het rieten kabinetje en zijn hoofd stond over de tafel
+heen te kijken naar die twee groote menschen, strak, zonder begrip.
+Mathilde had Jozefs hand genomen, flauw tusschen de haren. Dat was een
+vreemd gevoel, die koude hand. Zij zoende hem op zijn wang, die hard
+was. Alle mannenwangen waren hard, zij wist het wel, ja, zij wist het
+wel, zij had het altijd gehoord en altijd geweten.--Hè, ik moet even
+tot bedaren komen, zeide zij, en zij ging zitten op haar stoel, een eind
+van de tafel geschoven. Jozef ging aan de tafel zitten, zijn voorarmen
+er op, de gevouwen koerant in zijn handen, zijn hoofd er over heen
+gebogen en schuin naar Mathilde gekeerd, met een streelende deelnemende
+uitdrukking. Hij zat maar stil te kijken, om te zien wat er
+gebeuren zoû.
+
+Felix kwam naar hem toe: dag, vader. Jozef zeî tot Mathilde: wil je niet
+iets drinken? ... of wil je misschien gaan leggen? Zij schudde van neen,
+haar hoofd naar den grond. Toen keerde Jozef zich naar links, nam Felix
+op zijn knie: dag, vent, hoe heb jij 't gemaakt? Niet stout geweest?
+Toen temperde hij zijn stem: moeder is niet wel, he? We moeten een
+beetje zachies spreken. Ben-je altijd lief tegen haar geweest?
+
+Mathilde voelde hen en hun spreken. Zij wist wel, dat zij buiten haar om
+spraken, dat zij de haren niet waren, iets anders dan zij. Zij was
+alleen, als een dwaasheid in het gemakkelijke gewone leven. Al haar
+voelen duizelde in haar blikken over den grond, en stootte tegen de
+tafel en stoelen, en vermartelde in het felle licht, dat de dag door de
+vensters bij breede lachbuyen naar Jozef heensmeet. Over den grond
+wipten de eile stalen licht-kwatelingen, schoten te voren uit het
+behangsel, spiraalden neêr van het plafond, en te midden van de
+huiverende kamer en den angstigen licht-dans was Jozefs stil bewegende
+lichaam, waar van elke beweging in Mathilde schokte.
+
+Zij keek naar Jozef, en dan weêr niet, en dan weêr naar zijn strooyen
+hoed, die plat op een stoel lag. Zij voelde als een plotselinge langzame
+losschroeving van haar verbeelding-en gedachte-vermogens. Zijn lichaam
+was daar toch, bij haar, vlak bij haar, tastbaar in zijn begrensde
+vormen, met een ruimte er om heen, waarin zij gaan kon, waarin zij haar
+armen kon bewegen, om ze te leggen om zijn hoofd, en haar lippen naar
+voren duwen aan zijn mond. De liefde-bewegingen van haar armen en hoofd,
+die zich onbewust onder de plannen van hetgeen zij hem zeggen zoû in
+haar denken hadden voorbereid, leefden nu op in haar verbeelding; zij
+zag vreemde armen gebaren maken, vreemde achterhoofden neigen en bukken
+en zich vlijen. En daar achter, ver in haar voorstelling, zag zij een
+donkere holte onder de sterrenlucht van Vrijdagavond, waarin wezenlooze
+eilingen voortholden en verdwenen in den nacht, de mijmeringen, die het
+denkbeeld van haar man in haar waren geweest, en die vernietigd werden
+tegen zijn zittende levende lichaam.
+
+--Hoe gaat 't nu? Een beetje beeter? vroeg Jozef, haar effen bruin
+aanziende, in ratelend tegen haar schedel slaande klanken.
+
+--Het gaat al beter, maar ik ben nog wat duizelig.
+
+--Komt de dokter vandaag nog?
+
+--Ik weet niet, hij is er de heele week niet geweest.
+
+--We moesten maar wat vroeg koffie drinken, zeî Jozef, ik heb honger.
+
+Mathilde stond op om 't zelf in de keuken te gaan zeggen. Toen zij haar
+waarnemen in haar, hem, die stil bleef, zag naderen, en toen zij zag op
+zijn hoofd, dat onder haar kwam, en zijn gezicht van boven af, begreep
+zij zijn lichaam niet en begreep niet meer hoe zij hem kende. Maar toen
+zij voorbij hem was gegaan en zijn vormen uit den hoek van haar oog
+gestooten waren, ging er een tinteling door haar hoofd en een drift door
+haar beenen, waarin haar oude voornemen te-rug gaan wilde en zich gooyen
+over Jozef om hem te beminnen. Maar hij was achter haar hersens zoo als
+ze hem gezien had en in trijterende schrikken ging zij voort en was
+alleen met de wanden zonder het te weten.
+
+Uit de keuken ging Mathilde naar haar slaapkamer, nam Floridawater en
+ging zitten voor de tafel, met den zakdoek onder haar hoofd. Op 't
+zelfde oogenblik kwam Marie in de groote kamer om te dekken. Jozefs
+oogen werden warm, Marie hoestte en keek vóor zich uit met de
+bedeesdheid der wangen.
+
+--Is ie heel zoet geweest deze keer? vroeg Jozef terwijl hij gauw hevig
+keek naar Marie en daarna Felix bij zijn kinnetje pakte en hem aanzag
+met elders denkende oogen.
+
+--O ja, meneer, andwoordde Marie, ook schuin naar Felix ziende, heel
+zoet, is 't niet, Fik?
+
+--Dat weet ik niet, zeî Felix, en douwde zijn gezichtje tegen Jozefs
+schouder.
+
+--Dan heb ik wat moois voor je bij me, zeî Jozef en met
+langzaam-voorzichtige gebaren, om Felix niet te laten vallen, haalde hij
+een dun prentenboekje in een prachtbandje, uit zijn binnenzak.
+
+--Hè, zeî Felix, met een eensklaps aangestoken vroolijkheid, hè, da's
+mooi! en hij gleed van Jozefs knie en ging, zonder verder te bedanken,
+voor het venster zijn boekje bekijken.
+
+Daarna werd er koffie gedronken. Mathilde zag Jozefs bovenlijf vóor
+haar, boven het witte tafelvlak, het op en neêrgaan zijner grijs zacht
+omkokerde armen, bij de gladwitte schoteltjes, den bal van zijn hoofd
+met de levende gaten en uitsteeksels, waarnaar zijn handen klommen met
+het eten en drinken, de schouders van zijn jasje, die zwollen en
+neerstreken bij de armbewegingen, zijn blinkende en knippende oogen,
+zijn hoofd, dat telkens even boog en rees, zijn hakkenden en trekkenden
+mond, zijn snor die van onderen nat werd en met een kruimeltje en die
+hij afveegde met zijn vingerdoekje. Zij zag zijn hals met het diepe
+kuiltje aan den boord, zijn ooren, die zoo mooi dicht aan zijn hoofd
+stonden, zijn rechte neus, het fijne rood van zijn wangen, zijn haar,
+dat even mooi zat als altijd. Zij keek, en het was haar alsof zij iets
+zocht, iets dat zij vroeger altijd van hem gezien had en dat nu voor
+altijd verdwenen was. En zij dacht, of zij dat lichaam had liefgehad, of
+het zich niet had losgescheurd van iets anders, een wezen, een waas, zij
+wist niet wat, dat alleen zij had bemind. Maar zijn lichamelijkheid
+sloeg haar denken voortdurend en zij kon maar niet inzien, dat haar
+eindelooze begeerte bij haar was. Nadat hij gegeten had en zijn zware
+vale woorden over het brood en de boter en het vleesch boven de tafel
+hadden gerold, neêrkletterend op haar rug met klamme streken, liet hij
+haar vertellen hoe zij den laatsten tijd had doorgebracht, of mevrouw
+van Borselen er al was, of de bloemen nog goed opkwamen in den tuin, of
+zij al een wandelingetje verder dan de tuin had gemaakt, en hij zeide
+herhaaldelijk dat zij erg bleek zag.
+
+Na de koffie deed hij een cigaret van voren in zijn mond en rookte. Hij
+zeî:
+
+--Willen we ook een beetje in den tuin gaan?
+
+Zij gingen. Lief en goemoedig leî hij haar rechterarm in de kromming van
+zijn linker. Zij stapten samen regelmatig voort, en hij blies zijn rook,
+blauwetjes, van zijn hoofd, den anderen kant uit. Toen ze hem nu goed
+raakte en voelde in de jubelende lucht van den waayenden tuin, leefde
+stormend in eens in haar te-rug een gevoel van lang geleden. Als een
+klaterend beeld in een spiegel waarde zij snel bij haar, de herinnering
+van toen zij hem angstig-vreemd had gezien op den ochtend van hun
+eersten zoen. Maar krachteloos viel de herinnering terug voor de eenmaal
+zoo nauwkeurig en vast in haar gevormde gedachten der laatste dagen, die
+onweêrstaanbaar opzetten naar de klanken en klanksmartten uit haar mond:
+
+--Ik zoû wel eens over iets met je willen spreken ...
+
+--Zoo waarover dan?
+
+--Ja, je zal het wel heel gek vinden, maar voor mij is het een ernstige
+zaak.
+
+Hij keek haar over zijn schouder aan. Zij keek naar den zwarten grond,
+zij was koud, zonder ontroering, zij deed niet, zij onderging de macht
+van haar besluit, dat haar deed spreken buiten haar wil om.
+
+--Wat bedoel je dan? Ik begrijp het niet.
+
+Toen zeide zij hem kalm-koud:
+
+--Je houd niet van me. Wil je niet weêr van mij gaan houden? Anders weet
+ik niet, hoe ik langer moet leven.
+
+Hun hoofden gingen voort, dicht bij elkaâr, met een stuk heestergroen er
+tusschen en er boven wijd wech de wind-spelende wit-blauwige ruimte. In
+zijn hoofd, naar voren gewend, was verwondering. Dáár begreep hij niets
+van. Wat scheelde haar nu weêr in eens? In háar hoofd was de harde
+gevoellooze koelte, maar een scherpe wrevel over de tegen haar wil in
+gesproken woorden zwart-lemmette op en tegelijk begon een gloeying,
+vreemd opkomend, van diep beneden. De wrevel hief haar arm een beetje en
+deed hem bijna niet meer liggen in den zijnen, en zij kreeg ook een
+goeddoend gevoel van gemak, van breede tevredenheid, van bedarende
+opklaring van haar gemoed. Zijn beenen bewogen gelijk op met de hare,
+zijn lang gewachte lichaam was hoog naast het hare, en zij dronk blijde
+zijn tegenwoordigheid in al het waarneembare van zijn leven. De zomer
+baadde hen bij lauwe vlaagjes, bestoeide hun opwippende haren, glom
+tegen hun niet-ziende oogen. Jozef zeî in den licht-wind: Maar, lieve
+kind, ben-je dwaas? Ik hoû nog altijd even veel van je, waar haal je dat
+vandaan, dat ik niet meer van je zoû houën?
+
+Haar arm zeeg weêr neêr op den zijnen. De gloeying vlamde op in haar,
+haar geest geheel vullend. Al de liefden, die in haar voor hem geweest
+waren, rezen aan-éen, niet te temperen, en in een brand uit haar oogen
+en over haar borst sproot uit haar splijtend gemoed een kletterende
+op-een-volging van zware, doffe, heesche fluitende klankjes, waarin zij
+hem zeide, wel te weten, dat hij dit zoû andwoorden, alles te weten, wat
+hij nog meer zoû willen zeggen; maar dat dit alles niets beduidde, dat
+hij, als hij zich maar eens goed wilde onderzoeken, wel zoû merken, dat
+zij gelijk had met te zeggen, dat hij toch eigenlijk niets meer van haar
+hield. Zij verweet hem al zijn verwaarlozingen zij vertelde hem van al
+de dingen, die haar zijn verflauwing hadden doen weten. Maar zij klaagde
+niet, zij was boos, en het voorgenomen smeeken verstijfde in een vergen
+tusschen haar verdunnende lippen. Zij had zijn arm aan haar linker borst
+gedrukt, haar hoofd dicht bij het zijne gedaan. Maar toen zij alles in
+ééns gezegd en uitgesproken had, met zacht rood aan haar slapen en haar
+voorhoofd, en hij andwoordde: maar, lieve kind, dat verbeel-je je
+allemaal maar, je hebt de koorts, je moet wat kalmeeren,--toen liet zij
+hem los en bekeek hem zoo als hij daar was met den tuin om hem heen,
+zijn blanke voorhoofd en zijn stille korte haar, zijn kalme wangen, zijn
+gewone oogen en grijze schouders. Hij tuurde voor zich uit met
+hooggestreken wenkbrauwen als om in het dennen-boschje een oplossing van
+de vreemde ziekte van zijn vrouw te vinden en hij drukte zijn bovenlip
+over zijn onderlip. Haar armen krompen tegen haar lijf, haar hals kromde
+een weinig om laag, in haar oogen kwamen roode spikkeltjes, zij zag
+hem niet aan.
+
+--Kom, Thilde, zeî hij, laten we over iets anders spreken. En zij
+spraken er over, om Ster en mevrouw v. Borselen ten eten te vragen, om
+Felix op een bewaarschool te doen. Mathildes verbeelding voelde hem nu
+niet meer, haar verstand dacht hem. Zij merkte zijn heele
+persoonlijkheid, met al zijn doen en laten, als een kleinigheid in haar
+grooten hartstocht. Zij voelde hem heelemaal te kunnen overzien. Hij was
+een gewone, verstandige en mooye man. Hij had vroeger veel bij hen aan
+huis verkeerd, daarna waren zij samen getrouwd, en hij had zich altijd
+gedragen zoo als een fatsoenlijk man zich tegenover zijn vrouw gedraagt,
+wat wilde zij toch eigenlijk nog meer? Toen zij ziek was geworden,
+hadden zij natuurlijk niet zooveel samen kunnen zijn als vroeger. Haar
+verdriet was, dat zij hem geheel waarnam, want eerst was er, behalve
+zijn neigingen en gedachten, die zij wist, iets onbekends voor haar in
+hem, een verborgen geheimzinnige kracht in zijn wezen, ondoorgrondbaar
+en heerlijk,--het was de liefde, de zij voor haar in hem veronderstelde,
+Zij zag hem nu zônder dat groote en diepe, met een hoofd leêg van haar,
+leêg van wat zij wilde, zonder begrip. Zijn wezen was gering, hij had
+niets dan zijn leden en zijn dagelijks zelfde hersens, waarin elken dag
+de indrukken en gedachten van den vorigen zich herhaalden, zonder ooit
+zoo'n vreemden droom, zonder ooit zoo'n onbegrijpelijk gevoel voor iets
+hoogers, iets meers. En zij wist niet en vroeg zich, waarom zij zoo van
+hem was gaan houden. Wat had zij eraan voortdurend aan dien man te
+denken, wat hoefde zij zich ziek en ongelukkig te maken om zijnentwil?
+Haar hersens werden hoe langer hoe kouder. Zij voelde zich een oogenblik
+staan, als gelukkig in haar leven, buiten haar liefde. Zij dacht een
+kalm, zuiver, geregeld, gezond dagelijksch bestaan, waarin zijn hoofd en
+zijn schouders naast haar niet meer trilden, waarin hij niets was dan
+haar gewone maatschappelijke echtgenoot, keurig en fatsoenlijk, zonder
+die nutteloze bombarie van dwaze grillen en opwindingen. Wat was er niet
+veel te doen in het leven, ook voor een vrouw! Wat zoû zij een mooye
+handwerken kunnen maken, en koeranten en boeken lezen om op de hoogte te
+zijn! Niet alleen zoû ze haar huishouden uiterst zorgzaam kunnen doen en
+veel meer in de perfektie dan tegenwoordig, maar ze zoû b.v. ook voor
+arme kinderen kunnen naayen, zooals andere dames deden. En dan, om het
+voornaamste niet te vergeten, wat zoû zij veel meer moeite en
+oplettendheid aan de opvoeding van Felix kunnen geven! Nu werd die voor
+het meerendeel overgelaten aan Marie, en dat was eigenlijk volstrekt
+niet zooals het hoorde. Verder, als zij dan ook weêr heelemaal gezond
+zoû zijn, had zij voor uitspanning de konversatie met mevrouw v.
+Borselen en met andere dames, waarvan zij de kennis kon maken. En, och
+Heer, er waren nog zooveel andere dingen. Waarom moest zij zich ook zoo
+afzonderen in de laatste jaren? En zij zag in eens een leven vol
+verscheidenheden en kleine gelukjes, dat zij in haar bespottelijke
+hersenkoorts geminacht had zonder nagedachte.
+
+Jozef meende daar het middel gevonden te hebben, om zijn vrouw tevreden
+te stellen.
+
+--Wil ik, nu je weêr zooveel beter bent, eens een week of drie achter
+elkaâr hier blijven? vroeg hij.
+
+Maar een onoverkomelijke warschheid klom tot aan haar mond. Zij zeide:
+
+--Ja, ik zoû 't wel heel graâg willen, want man en vrouw hooren bij
+elkaâr, maar ik geloof wezenlijk, dat 't beter voor me is, dat ik
+vooreerst nog maar alleen blijf, want als ik niet zooveel rust mogelijk
+heb, kan ik niet slapen.
+
+--Dat spijt me, zeî hij, en glimlachte, haar liefweemoedig aanziende.
+
+Maar zijn glimlach werd vernederd en wrevelde wech op de strakheid van
+haar gezicht. Zij gingen te-rug in huis en liepen wijder van elkaâr over
+het pad, met schokjes van stuursche verlegenheid in hun armen en beenen.
+Het witblauw van boven en het dartelende groen krioelde tot hun hoofden
+en tusschen hun leden.
+
+Den volgenden ochtend, toen Mathilde mat opstond, met een moeheid van
+het leven in haar beenen en in haar hoofd, zag zij haar fletse gezicht
+in den spiegel, haar flauwe oogen, de vale plekjes er onder, en de lange
+rimpels over haar voorhoofd. Zij voelde een grooten wrok tegen Jozefs
+frissche lichaam. Zij zag, dat het buiten al-weêr een lichte dag was,
+een uit dezelfde eentonige opvolging, die tot gisteren geduurd had en
+die morgen en overmorgen en altijd weêr verder zoû duren. Weêr zag zij
+den tuin door het venster, zonder iets buitengewoons, in zijn zelfde
+aanzien van steeds, zij alleen verouderde intusschen en het erge
+heerlijke van haar jeugdleven zoû verminderen en eindelijk heelemaal
+wechblijven. Zij keek naar de voorwerpen die stil stonden om haar heen.
+Wat was het nu? Ging zij naar een doel? of wat deed zij eigenlijk? Wat
+gaf het? Zij, die dacht, dat er zooveel met haar gebeurde, wat
+beteekende zij, wat gebeurde er met haar? niets. De dag van vandaag leek
+precies op den dag van vijf, zes jaar geleden. Zij had eenvoudig haar
+zenuwen, haar lichaam vermoeid en ziek gemaakt en zich voor altijd
+berimpeld door zich allerlei dingen in te beelden waarvan niets bestond
+en door het gewone leven te vergeten, dat toch eigenlijk alleen waarde
+had. Maar hij was er de schuld van, hij, die man, die zich aan haar zij
+had gedrongen. Aan hem had zij het beste, alles, gegeven wat zij had.
+Hoe was 't mogelijk, dat zij zich in 't begin zoo gelukkig had gevoeld
+door hem! Wat gaf zij nu om hem? Niets! Hij was daar met zijn
+onverschillig-beminnelijke, koele, bekrompen wezen. Zij was mooi geweest
+vroeger, zij had ten minste een lief gezicht, had iedereen gezeid. Nu
+was ze het niet meer. Haar vader was alleen gestorven uit verdriet over
+haar huwelijk. Neen, zij kon hem niet meer lijden, die man, die haar
+gebruikt had, om een tijdje pleizier met haar te hebben, die haar
+ongelukkig had gemaakt en dien zij nu verveelde. In de zweterige mufhe
+van haar eerste op-zijn liep zij met driftige zwartgalligheid door
+haar kamer.
+
+Jozef kwam haar goeyen dag zeggen. Hij moest wech met de diligence.
+
+--Nee, ik ben nog ongewasschen, zeî Mathilde, geef me maar alleen een
+hand.
+
+--Dat kan mij ook wat schelen, zeî hij, daarvoor hoû ik te veel van je.
+
+Hij zoende haar voorhoofd, maar zij deed niets te-rug.
+
+--Zeg, hoe maakt Emilie Berlage het toch, daar heb ik heelemaal vergeten
+je na te vragen.
+
+--O, ik geloof goed, maar ik heb der in lang niet gezien.
+
+--Nou, doe der me komplimenten as je der ziet ...
+
+--Nou, dag kind, aanstaanden Zondag kom ik weêr, hoor!
+
+--O, uitstekend!
+
+In een gevoellooze rust leefde Mathilde de zacht-grijze week die nu
+volgde. Zij bleef zonder gewaar-wordingen en sprak bijna niet. Zij was,
+na de vermoeying van haar te veel voelen der laatste tijden, in een
+begeerteloze vrede met de stilte van elken dag. Zij had plotseling op
+een dag oud naaiwerk voor arme kinderen uit de kast gehaald en was daar
+met een niet-opzienden ijver aan gaan werken. Maar de week was al
+voorbij en Jozef zat weêr tegenover haar aan tafel, vragende, waar zij
+daar zoo druk aan bezig was.
+
+Hij stond op en ging eens bij het venster staan en daarna weêr zitten op
+een stoel vlak bij Mathilde, met zijn ellebogen op zijn knieën en zijn
+hoofd naar haar werk toe. Het was als snuffelde hij met de
+vooruit-stekende gedeelten van zijn gezicht naar Mathilde en haar werk.
+Een oogenblik later stond hij weêr aan de piano en bladerde in de
+muziek. Hij keerde zich om, stond met zijn handen in zijn zij, keek op
+Mathildes hoofd.
+
+--Kan je velen, dat ik piano speel? vroeg hij.
+
+--O ja, woû je iets spelen? Dat heb je in lang niet gedaan.
+
+--Ja, zeî hij, zijn woorden slepend, ik woû nog eens zien of ik dat nog
+kon.
+
+--Wat?
+
+--Nies, zoo'n deuntje van Offenbach, dat ik vroeger uit mijn hoofd kon.
+
+En in eens, terwijl Jozefs lange nagels onaangenaam de toetsen tikten,
+geluidde de piano los, met een verwondering der stilte in den hoek, waar
+zij zoolang met haar gewone meubelstomheid gestaan had en een
+geklinkklank door het hol-ziende huis, vervuld met de woordelooze
+klanken van dat vreemde onbewegelijke beest uit de hoek van de groote
+kamer. Felix kwam toegeloopen uit den tuin en door het open venster,
+bleef staan in een zonnebegieting van zijn blauw pak en blonde haar. Een
+boerenjongen die juist voorbij kwam op den weg bleef ook staan, kijkend
+uit de verte. Mathilde werkte door, met gebogen hoofd, en zij begreep
+niet, welke rare aandoening haar in eens overviel. Het was haar of zij
+met haar smarten, vergeten was door het leven, waarvan zij eerst het
+middenpunt was geweest. Buiten waren de boomen in de zon en de kalme
+omtrek, hier binnen, de leêge kamer, Felix, en Jozef, die zijn luchtig
+melodietje speelde, dat een uitlachende vroolijkheid langs de ruiten
+deed gaan en dribbelen langs al de onverschillige muren. Met wibbelende
+tredjes hakkelden de pianoklanken over haar breede lijden. Zij gold niet
+meer, zij telde niet meer meê. Alles leefde buiten haar om. Haar
+verdriet was vergeten en begraven. Het groen, buiten, was vol van glans.
+Felix stond met rooye wangen van het loopen in den tuin, de kamer was
+netjes in orde, en zij was getrouwd, zij waren immers getrouwd, zij was
+immers een fatsoenlijke getrouwde vrouw, die een gelukkig en benijdbaar
+leven had. Dát was zij en anders niet, maar dat was ook genoeg. En zij
+was níet dat andere, die afgrond van lijden in haar wezen, waarin zij
+niet woû zien, maar die zij open voelde vlak onder haar oogen.
+
+Mathilde voelde toch een stil genoegen, dat Jozef in haar bijzijn was.
+Hij was voor haar een wezen, dat haar nog den vroegeren Jozef
+herinnerde, maar waaruit dát gedeelte van zijn leven, dat hem tot haar
+alles gemaakt had, voor altijd was verdwenen.
+
+Jozef was nog aan 't spelen, toen Marie binnenkwam om klaar te zetten.
+Hij speelde gauw een paar slot-akkoorden, stond op, met éen knippenden
+blik op Marie, waarin hij het laatst over haar nadacht, stak zijn handen
+in zijn broekzakken, keek op Mathildes werk die voortdurend zat te
+naayen. Hij keerde zich snel om, klapte in zijn handen vóor Felix, nam
+hem onder zijn armpjes op en hield hem in de hoogte boven zijn hoofd,
+lachende, en met zijn goedig-lichtzinnige uitdrukking, zeggende; kijk,
+nou beê-je nog grooter als ik! En met Felix op zijn schouder ging hij in
+den tuin om een roos voor zijn knoopsgat te plukken. 's Avonds dronk
+Mathilde thee onder de warande en onder het stilletjes in den avond
+wechkwijnende daglicht mijmerde zij over Jozef. Jozef was na den eten
+dadelijk uitgegaan, om in de societeit een partij billard te spelen, met
+een meneer uit het dorp, met wien hij kennis had gemaakt.
+
+Mathilde leunde in haar stoel, met een borduurwerk, dat zij roerloos op
+haar schoot hield in haar linker hand. Zij had hem heen zien gaan over
+den breeden weg, met het blauwe sigarenmistje om zijn hoofd, tusschen de
+dikke boomenstammen. Zij was allen. Zij voelde zich leven in den
+dof-blonden avond, die neêr-zachtte over de klagende slaapgebaren der
+verdonkerende boomen. Maar zij leefde tegen den dommelenden avond in,
+bóven den duisternis-spoelenden grond, met haar hoog hittende hoofd óp
+onder de drijvende wolken, met haar droomenfonkelende oogen vóort door
+de nachtende eenzaamheid.
+
+Het was wel plezierig zoo'n beetje stil te zitten 's avonds en niets te
+doen dan denken. Daar had zij altijd veel van gehouden, ook toen zij nog
+een jong-meisje was. Hê, het was drukkend warm van-avond. De warme lucht
+werd haar als uit open monden om het hoofd geblazen. Die tijd was lang
+voorbij, ja, heel lang. Waaraan dacht zij toen ter tijd ook weêr
+zooveel, gedurende al die verdroomde uren? Ja, dat wist zij niet meer,
+het waren wel mooye dingen, maar het was te lang geleden, dan dat zij 't
+zich nog kon herinneren. Zij dacht aan het geluk, dat wist ze wel, en
+zij had ook nog het vage gevoel, dat zij zich er onbegrijpelijk veel van
+had voorgesteld, toen, van dat toekomstige levensgeluk. Wat was zij een
+buitensporig en wild schepsel geweest, als kind. Dat was later al gauw
+overgegaan. Wanneer men eenmaal een groot mensch is, beweegt men vanzelf
+zijn leden minder onbesuisd en wordt het heele leven stemmiger. Waar was
+toch het geluk? Het was niet boven haar, het was niet voor haar uit, het
+was niet aan haar zij, zij kon het niet zien in de duistere warmte, die
+dreigend naderde en ijlings week en ommewaarde in zwartgestaltende
+zwenkingen. Neen, het was in haar. Als zij maar nadacht, dan kwam het
+vanzelf te voorschijn. Zij dacht na ... Het was toen haar vader al lang
+dood en begraven was, maar zij woonden toch nog in het oude huis. Zij
+voelde zich op een avond leêggehuild en moe van droefheid, onverschillig
+voor alles.
+
+Toen was Jozef bij haar gekomen en had heel lief tegen haar gedaan.
+
+Mathilde was in de zilverschemerende herinnering. Op de tafel lag een
+opengevouwen koerant, die witterig opritselde in de lauwe donkerte en in
+den wind een eindje voorschoot naar haar toe over de tafel. Haar oogen
+sloegen wakker uit de mijmering en zij zeî zachtjes; wat is er toch?,
+toen zij zich in eens te-rugvond in dezen avond. Hoog klom het tegen de
+zwarte stijlen der warande, waarôm de klimop in warrelende donkere
+rukken steeg, en vlakte met den grond onder haar voeten en drong in haar
+bewustzijn, met de zielloze gekantheid der voorwerpen, het Tegenwoordige.
+Zij wàs nú. Zij keek om zich heen: och, waar was toch de tijd, die
+voorbij was gegaan? Zij wist het verledene niet. Zij wist den avond van
+nu, en haar wachten. Maar was zij hier toch? Zij voelde zich als met een
+plomp neêrgezet op haar stoel, van de hooge dragingen harer verre
+mijmering. Hoe vreemd was het hier! Boven haar was de bekapping der
+warande, daar naast de leêge kamers van het stille huis, en verder,
+buiten, de groote ruimte, met de boomen zonder oogen, met de lage
+heesters zonder mond, onder de behuiving der stommelende wolken, die
+geen stemmen hadden. Aan d'overkant was licht achter de vensters. Daar
+waren onbekende menschen, die niet wisten, dat zij hier zat. In haar
+huis naast haar waren de meiden, vrouwen zoo als zij, die ook spreken
+konden, maar zij wisten haar niet en waren met hun zelf, en het was ook
+ver, van haar tot de keuken. Daar was veel donkere ruimte tusschen,
+ruimte, die zij niet door kon gaan. Het was te ver, veel te ver. En toch
+wilde zij het geluk weêr. Zij had het noodig. Zij kon er niet buiten,
+nu, op 't oogenblik, zonder uitstel.
+
+Zij was alleen. Zij kon kijken rechts in de tuinruimte, er was niemant,
+die naar haar toekwam, met voeten over den grond, zij kon kijken voor
+zich uit, er waren geen menschenvormen, die zich schiepen uit de
+donkerte. Niets dan haar warme leden, en haar handen, die als rare
+blanke stukken uit de vale mouwen staken, zoo ver van haar willende
+hoofd.
+
+Zij had hem zien gaan, haar man, haar geliefde, zij had hem langzaam
+zien wechgaan, vóor de duisternis nog viel, onder de hooge boomen. En
+zij zat hem te wachten, nietwaar, het was immers zoo? Zoo meteen kwam
+hij te-rug. Maar hij moest toch wel ver zijn gegaan, want zij zag hem
+niet meer, geen slipje van zijn mooye jas. En al die donkerte was
+tusschen hen, breed en zwaar, ondoordringbaar. Haar verbeelding kon hem
+wel zien, maar alleen van achteren, zijn beenen, die zij aan zijn lichte
+broek kon herkennen in den zwarten nacht, en die wechliepen, altijd
+verder, verder, verder.
+
+Zij hoorde een heel eind wech in het dorp, de kerkklok slaan, met kleine
+stalen tikjes op de rillende duisternis. Hoe laat was het al? Het moest
+al heel laat zijn. In de lucht werden de wolken dunner, maar het bleef
+broeyend. Er waren even twee sterren, een groote geel-groene, een
+kleine, verdere, donkerroode, die dadelijk weêr verdwenen. Zij ging naar
+binnen en keek op de pendule. Het was tien uur. Was hij dan nog niet
+thuis? Waar bleef hij toch? Zij ging loopen door den tuin, om hem af te
+wachten. Zij was bang voor de zware warmte, die om haar leden bleef
+hangen om haar te benauwen. Zij bleef staan bij het groote hek, aan den
+dorpskant, waar hij vandaan moest komen. Zij zoû hem hooren aankomen in
+de donkerte, dan zoû ze hem tegemoet gaan op den weg. 't Zou meteen voor
+'t eerst zijn, dat zij buiten den tuin kwam. Maar nu was zij ook hersteld,
+zeker, zij was gezond. Waar bleef hij nu toch? Wat duurde het lang.
+
+Plotseling hield haar denken op. Er gebeurde iets. Er was als een zwarte
+dunne lange lijn in den hoogen wind boven haar geweest, die achter haar
+om was geslagen in den hoek van haar oog. Er was een snelle beweging van
+vormlooze verschrikking door de nacht-ruimte. Een laatste steenen koude
+versteef Mathildes wezen, een doodslag, die in de stilte op haar liefde
+viel. Zij keek naar hun rieten dak. Aan het eene venster Felix' kamertje,
+was licht, het andere, waar Marie sliep, was donker. Zij dacht, dat
+Marie zeker nog in de keuken zoû zijn. Zij ging langzaam, met stijve
+stappen, naar binnen. Haar armen hingen als houten, zij voelde zich
+hopeloos wechsterven. Toen zij onder aan de trap was, was Jozef bij
+haar, die van boven kwam, zonder schoenen, en zijn haar aan den eenen
+kant in de war. Hij keek haar aan en zag een vreemd zwart licht in haar
+oogen, die als scheel zagen. Hij was met Marie geweest. Zij wist het.
+
+--Ik dacht, dat je nog niet thuis was, zeide zij.
+
+--Ja, ik ben even Felix goeye-nacht gaan zeggen.
+
+--Zoo? Wacht, je haar zit daar een beetje in de war ... Zij streek het in
+orde met haar aan den arm geheven hand, maar meteen viel zij tegen hem
+aan, brekend in een hijgend schreyen, met luide, lange toonen als een
+kind. Haar eene hand stak uit boven zijn schouder, haar neus en kin waren
+gedrukt tegen zijn beenen jasknoopen.
+
+Jans kwam uit de keukendeur, denkende dat Mathilde een ongeluk had
+gekregen, Jozef, die zachtjes Mathilde naar de groote kamer bracht, zeî
+tot Jans, dat zij was gevallen en erg geschrokken was.
+
+In de groote kamer, waar alles nog donker was, zeî Mathilde tot Jozef,
+die zweeg, vlak voor zijn oor met haar lippen, met een zachte stem, die
+diep uit haar binnenste scheen te komen, als had een ander wezen in
+haar gesproken:
+
+--Weet u waarom ik zoo bedroefd ben? Jozef is dood, Jozef is dood!; ...
+Dat was mijn man, weet u. En haar huilen droogde wech, in dorre
+huivering, die door haar gezicht ging.
+
+Zij rukte zich nu in eens van hem los en liep gauw naar haar kamer,
+waarvan zij de deur hevig dichtsloeg.
+
+Jozef stond alleen in de zwarte kamer, met zijn neêrhangende
+besluitelooze armen, in een elegante houding. Hij was eerst bedremmeld
+en keek naar het muurvak, waarachter Mathilde nu was. Toen ging hij naar
+zijn slaapkamertje en trok zijn schoenen weêr aan. Hij had willen
+voorwenden ze te hebben uitgedaan, om, als Felix sliep, hem niet wakker
+te maken bij het goeye nacht-zoenen.
+
+Jans bracht de lamp in de groote kamer, bleef even staan, met bezorgde
+oogkassen.
+
+--Wat is er toch met mevrouw gebeurd, meneer?
+
+--Ik weet het wezenlijk niet, zeî Jozef, ik geloof, dat zij vreeselijk
+de koorts heeft. Laat Marie nog maar even naar den dokter gaan. Ik
+begrijp ook niet, waarom die man niet méer komt. Wacht, ik zal zelf nog
+'es gaan kijken.
+
+Mevrouw heeft de deur op slot gedaan, zeî Jans. Jozef klopte tegen het
+hout van de deur, het bleef geluidbos er achter, hij woû door het
+sleutelgat zien, de sleutel zat er van binnen in, Jozef zag zwart. Hij
+ging op het straatje, zag licht aan de vensters, tikte, zonder andwoord.
+
+Toen Mathilde op haar kamer was gekomen, had zij van de wreede
+ruischelende wanden een koele kalmte over zich voelen vallen. De
+gewoonte had met haar handen bedaard de lamp opgestoken, als kwam zij
+daar om naar bed te gaan. Zij trad langzaam over het tapijt, met zijn
+verwonderde en lachende krullen, op en neêr. Het stuk leven van
+daar-zoó, met dat andere mensch, dien zij had aangeraakt, met de
+huilgeluiden van haar keel, het rillen van haar gezichtsvel, haar
+armbewegingen, haar loopen en haar openen van de deur was voorbij haar
+zintuigen geslagen als voor goed wech en achter haar, iets dat zij nooit
+meer te-rug zoû beleven. Zij vond de kamer hier een stille, afgezonderde
+plaats, als onder een kerk, een graf van rust, waar zij gekomen was, om
+voor goed uit te huilen, en dan te slapen, te slapen, daar alles voor
+haar toch voorbij was gegaan.
+
+Haar bewustzijn scheurde op. Dáar stond haar bed en de gordijnenschaduwen
+beblond-donkerden de wanden. Het bed was altijd in haar leven geweest,
+met zijn zwaar hangende gordijnen, allen stillen nacht, met hun breede
+roerloze schaduwen. Wat had zij dan toch gedaan? Zij kon toch nog wel
+denken? Die donkere man, tot wien zij gesproken had, maar dat was toch
+háar man, den man, waarmeê zij getrouwd was, getrouwd, zoo als al die
+andere vrouwen ook met hun mannen getrouwd zijn. Waarom had zij dan tot
+hem gesproken van haar man, als hij 't niet zelf was? Maar hij wás 't
+niet, dat lichaam was niet haar man. Zij werd nu als een ontbinding van
+haar wezen gewaar. Zij wist niet meer waar zij dacht. Daalde haar
+waarnemen niet onder haar hoofd? Zij voelde haar handen niet meer, als
+tot haar éenheid behoorende. Zij voelde, dat haar oogen op dezelfde
+hoogte bleven, maar wat ging het vreemd in haar hoofd, haar gedachten
+holden als vale eilheden om, zich verdeelend en oplossend, zonder
+vastheid, zonder tot geheelen te worden. Zij knoopte langzaam haar goed
+en haar korset open en ging op het bed liggen, waarvan de gordijnen weêr
+achter haar dichtvielen, eerst op haar rug, toen op haar rechter zij,
+toen voor-over, met haar voor-armen onder het kussen, haar rechter wang
+er langs aayend, op en neêr, en stil met haar heele lichaam. De
+lampe-vlam gaf een warrige mat gouden glansplek in het gordijn, naar
+haar hoofd. Daar viel een bekende gedachte als een vaal pakje door de
+warreling harer gudsende hersens, en brak open en bloeide op,
+hel-lichtend in den purperen kolk van haren waanzin. Zij zat in de
+warande en was immers aan 't denken, aan 't denken aan het geluk? Hoe
+was 'et ook weêr? In de kleine binnenkamer van het oude huis was haar
+vader, hij bewoog zich, hij sprak, hij pakte haar bij haar arm, hij
+zoende haar, och, wat zag hij bleek, hij ging dood, haar vader. Hij
+wankelde en viel van zijn stoel op den grond. Hij sprak niet meer in de
+binnenkamer, hij was dood, haar vader. Vader, vader, bent u dood? ...
+Zij was nog een heel klein meisje, dat was haar nieuwe japon, dien zij
+daar aan had ... Was hij niet mooi, haar nieuwe japon? Mooi, nietwaar?
+Zij ging er meê trouwen, Zij was een groote dame, en ging trouwen ...
+Met wien, wel met Jozef natuurlijk, met Jozef ... Hij was altijd bij
+haar geweest, nu ging zij met hem trouwen ... Zij was nu een getrouwde
+vrouw ... Zij gingen samen wandelen, heerlijk, de menschen keken om naar
+zoo'n mooi gekleede en gelukkige man en ... Dat was weêr een benauwde
+nacht, wat trokken zij toch haar lichaam uit elkaâr? moest zij dan zoo
+gemarteld worden? ... Een stuk van haar lichaam, dat er zich van
+afscheidde ... O, God, men had van haar lichaam afgescheurd, datgene,
+waarom Jozef zooveel van haar hield ... Want nu bleef hij wech, zij zag
+hem niet meer, hij bleef voor goed wech, ... Jozef, Jozef was dood ...
+Het groeide op en werd hooger naast haar, het wezen, dat uit haar was
+voortgekomen ... Jozefs gezicht was er in afgedrukt, maar altijd bleef
+het tusschen haar en Jozef ... als een onoverkomelijke scheiding ... En
+Jozef veranderde van trekken, hij leek niet meer op den vroegeren Jozef,
+het was een vreemde man, het was Jozef niet meer ... Want hij was dood,
+lang dood, wechgezonken onder den grond ... Zie, daar was zijn gezicht,
+aan de zoldering, aan den wand, op de vloer. Het was een gezicht en
+niets meer, een vage, ontastbare plek, maar de plek werd hoe langer hoe
+grooter, de oogen flauwer en de deelen van het gezicht scheidden van
+elkaâr, werden geheel onherkenbaar en verdwenen in de vloer, voor altijd.
+
+Mathilde huilde. Het lauwe water vloeide uit haar oogen en mond in het
+kussen. Maar in eens sprong zij van haar bed, liep met haar armen in de
+hoogte, in haar losse kleêren, naar den wand, en sloeg den wand, als om
+er het geluk aan te doen ontspringen, die liefde, dat onbegrijpelijke en
+eeuwig-zalige, dat zij wilde klommen in haar leêge armen, die zij wilde
+drinken met haar drooge keel. Zij schreeuwde het uit, met rukken van
+klagend krijschen, die de meiden en Jozef, met ernstige aangebogen,
+luisterende hoofden bij-éen bracht in den gang, voor de gesloten kamer,
+die Felix wakker maakten door het geklaag dat van onder den grond in
+zijn eenzame kamertje boven, om zijne kleine lichaam steeg. Hij kwam
+benauwd uit zijn slaap, en begon dadelijk ook te huilen om het onbekende
+ongeluk, dat er was in het huis. Maar hij durfde zich niet verroeren,
+doodelijk bang, dat er iets geheimzinnigs in zijn kamer mocht zijn.
+
+Mathilde ging weêr door haar kamer, van de deur naar de muur, van de
+muur naar de deur. En de deur en de muur bleven haar sprakeloos
+aanstaren. Een droef-gele drooge stilte hing van de zoldering over
+Mathildes hoofd, waarin, boven het lichaam van week vleesch, de smart
+sapte. Haar huiverende hersens zochten wat men haar altijd aangeduid had
+als "geluk". Toen zij een tijdje getrouwd was geweest, had zij wel
+gevoeld, dat dàt het was, als Jozef haar raakte, als Jozef haar aankeek,
+met haar opgemaakte hoofd en haar kleêren over-dag, en 's nachts als zij
+zich zelve niet herkende. Maar zij had wel dikwijls gedacht, dat dit nog
+pas het begin was, en er iets anders volgen moest, later, later, altijd
+later. Boven Jozefs persoonlijkheid uit had zij wel een anderen Jozef
+gedroomd, die hij was, maar toch mooyer dan hij, grooter dan hij, een
+die nog dieper in haar lichaam kon dringen, die haar heele wezen tot
+zich kon nemen en het zijn maken, zoo, dat zij haar zelf niet meer voelde.
+
+De jaren en dagen van hun eerste huwelijksdag af holden door haar
+herinnering, de lichte ochtenden in de stad, met het leven op straat en
+niets dan huizen, de donkere avonden, hier, zonder gerucht en met het
+groen, alleen, waarvan zij zooveel hield. En al die dagen waren gekomen
+en gegaan, zonder het ongekende te brengen, dat zij wachtte. Nu was
+alles gedaan. Zij zag het aan de rustige lamp en aan de platte wanden:
+de minnaar, de geliefde, de vreemde man, dien zij zich niet kon
+voorstellen, waarin haar mijmering haar gezegd had, dat Jozef eens zoû
+veranderen, hij zoû nooit komen; al de liefde, die haar wezen verbruikt
+had om hem te wenschen, was verloren gegaan, wechgegooid in den
+onverschilligen gang van het vale leven.
+
+Toch moest er iets zijn. Van haar beenen, en over haar borst, van haar
+mond en haar oogen steeg de begeerte naar bevrediging, die de
+kamerwanden om de lamp heen vernauwde en vaalgeel de verstikking der
+verlangens deed uitmisten. En uit haar eerste jeugd leefde de
+herinnering op, een rust en een genoegdoening, die zij had gevonden op
+de kostschool, als zij bedroefd was, God, het denkbeeld, dat nog een
+enkele maal in haar later leven was ontwaakt. O, zij wist het nog wel.
+Hij was de groote troost en de eeuwige vrede, voor die Hem kon
+liefhebben was de droefheid nooit doodelijk, zoo als zij haar nu scheen.
+Maar zij kende Hem niet meer. Wanneer haar vader een enkele maal van God
+sprak, viel dat woord in haar als de naam van een persoon uit de oude
+geschiedenis, die in de krant komt, als er sprake is van een dissertatie
+of een examen en waarover men heenleest. Maar de tijd, dat zij ontroerde
+bij het denken aan God was toen haar borsten uitzetten en zij aan
+duizelingen leed, in de kapel van het pensionaat. Die aandoening wilde
+zij herleven, en zocht haar, zocht haar door de dikke laag der
+veroudering. Maar God was voor zoo weinig in haar volgroeide leven
+geweest, zij vond zijn gelaat niet te-rug in haar verbeelding. Zij zag
+weêr Jozefs twee bruine oogen, twee lichtpunten, die naar haar toe
+schitterden, maar oogen van vroeger, de oogen van den doode, die niet
+óok waren in dien man hier in huis.
+
+Zij ging weêr op haar bed liggen, met haar bonzende hoofd, in haar
+koorts van wild begeeren. Zij richtte zich op en luisterde, als moest
+zij hem van ver hooren naderen. Maar alles bleef stil, totdat zij éens
+Jozef hoorde bewegen en hoesten, die achter den wand in zijn bed lag.
+Was hij dat, was hij daar? Neen, dat was het andere, het namaaksel van
+haar man. Dien moest zij niet hebben. En den heelen nacht eilde zij
+door, in een half-wakenden, half-slapenden toestand, in verschrikkingen,
+die het bed deden kantelen en de kamer instorten over haar hoofd, in
+droomen van zware blokken, die over haar lijf vielen, en van een God den
+Vader, een grijsaard met een langen baard en een kroon op het hoofd, die
+zachtjes tot haar afdaalde, maar dan onvoelbaar werd als een geest en in
+rook verwolkte om haar heen.
+
+
+
+
+XIV.
+
+
+De dokter, dien Marie niet thuis had gevonden, was den volgenden ochtend
+gekomen, en had gezegd met zijn dikken mond, dat Mathilde een hevige
+koorts had, dat zij vooral de grootst mogelijke rust moest houden.
+
+Toen Mathilde na drie weken weêr beter was, werd zij weêr opgenomen in
+den gang van het gewoonte-leven der omgeving. Zij vond alles uitstekend
+in de zwakke blijdschap van haar herstel. Alleen hinderde haar in 't
+begin bijna elk geluid. Jozef was, toen zij zoo erg was, bijna elken dag
+overgekomen; zij bleef er hem dankbaar voor; hij was een goeye man.
+
+Toen zij weêr voor 't eerst in den tuin kwam, vond zij, dat ze hier toch
+wezenlijk een allerliefst buitentje hadden, maar zij had het vroeger nog
+nooit goed gezien, ontdekte allerlei aangename en mooye plekjes, die
+haar nieuw voorkwamen.
+
+Zij was in een zonderlingen geestestoestand geweest in den laatsten
+tijd. Gelukkig, dat zij zich al die akelige gewaarwordingen niet meer
+herinnerde. De dokter zeide, dat de koorts haar meer goed dan kwaad had
+gedaan dezen keer, dat hij haar uitgebrand en gezuiverd had en dat
+geloofde zij ook.
+
+Toen zij zes weken beter was, in het begin van Augustus, kwam Emilie
+Berlage op een Zondag, dat Jozef er ook was, hen even bezoeken. Het
+hinderde Mathilde volstrekt niet, dat Jozef en zij elkaâr zoo
+vertrouwelijk aanzagen. Maar Marie hadden zij wechgedaan. Felix groeide
+op en had nu meer een kinder-jufvrouw noodig, die zij kregen op een
+advertentie in de koerant.
+
+Mathildes gezicht bolde aan tot dat van een gewone deftige dame. Zij had
+een groote vriendschap voor Jozef, maar was er niet zoo erg op gesteld
+hem altijd bij haar te zien.
+
+Toen zij einde Oktober weêr te-rug waren in Amsterdam hield zij niets
+meer over van dien raren zomer buiten dan de slappe herinnering van een
+droom. In April van het volgende jaar, beviel zij weêr, van een dochter.
+
+EINDE.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Een liefde, by Lodewijk van Deyssel
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN LIEFDE ***
+
+***** This file should be named 10820-8.txt or 10820-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/0/8/2/10820/
+
+Produced by Marc D'Hooghe
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS," WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+Each eBook is in a subdirectory of the same number as the eBook's
+eBook number, often in several formats including plain vanilla ASCII,
+compressed (zipped), HTML and others.
+
+Corrected EDITIONS of our eBooks replace the old file and take over
+the old filename and etext number. The replaced older file is renamed.
+VERSIONS based on separate sources are treated as new eBooks receiving
+new filenames and etext numbers.
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+EBooks posted prior to November 2003, with eBook numbers BELOW #10000,
+are filed in directories based on their release date. If you want to
+download any of these eBooks directly, rather than using the regular
+search system you may utilize the following addresses and just
+download by the etext year.
+
+ https://www.gutenberg.org/etext06
+
+ (Or /etext 05, 04, 03, 02, 01, 00, 99,
+ 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90)
+
+EBooks posted since November 2003, with etext numbers OVER #10000, are
+filed in a different way. The year of a release date is no longer part
+of the directory path. The path is based on the etext number (which is
+identical to the filename). The path to the file is made up of single
+digits corresponding to all but the last digit in the filename. For
+example an eBook of filename 10234 would be found at:
+
+ https://www.gutenberg.org/1/0/2/3/10234
+
+or filename 24689 would be found at:
+ https://www.gutenberg.org/2/4/6/8/24689
+
+An alternative method of locating eBooks:
+ https://www.gutenberg.org/GUTINDEX.ALL
+
+
diff --git a/old/10820-8.zip b/old/10820-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..fbd0d5a
--- /dev/null
+++ b/old/10820-8.zip
Binary files differ
diff --git a/old/10820.txt b/old/10820.txt
new file mode 100644
index 0000000..5e14250
--- /dev/null
+++ b/old/10820.txt
@@ -0,0 +1,12089 @@
+The Project Gutenberg EBook of Een liefde, by Lodewijk van Deyssel
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Een liefde
+
+Author: Lodewijk van Deyssel
+
+Release Date: January 24, 2004 [EBook #10820]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO Latin-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN LIEFDE ***
+
+
+
+
+Produced by Marc D'Hooghe
+
+
+
+
+EEN LIEFDE
+
+door
+
+LODEWIJK VAN DEYSSEL
+
+
+
+VOORBERICHT
+
+
+De tweede uitgave van den roman EEN LIEFDE verschijnt zonder de
+zogenaamd onvoegzame of onzedelijke uitdrukkingen, die in de eerste
+uitgave voorkwamen.
+
+De belangstellende leidde daaruit niet af dat de meening van den
+schrijver veranderd zou zijn met betrekking tot de mate van vrijheid en
+van onafhankelijkheid van algemeen geldende zienswijzen, die een
+eigenschap der letterkunde moeten zijn.
+
+De reden, die tot wijziging deed besluiten, is deze, dat geene
+gelegenheid werd gevonden eene nieuwe uitgave behoorlijk bezorgd te
+zien, tenzij met wijzigingen.
+
+De vraag deed zich nu voor in hoeverre de verandering verantwoord kon
+worden tegenover de kunstleer, waarvan de oorspronkelijke vrije text de
+toepassing was.
+
+Ten eerste nu, kwamen, bij latere objektieve beoordeeling, sommige
+onvoegzame of onzedelijke uitdrukkingen tevens voor fouten van
+letterkundigen aard te zijn. Deze behielden voor den schrijver wel hunne
+bekoring als bewijzen van felle leer-stelligheid, maar deden feitelijk
+het wezen der roman-gedeelten, waar zij zich bevonden, geweld aan.
+
+Ten tweede echter, kwamen de letterkundig deugdelijke deelen te berde,
+die toch wegens onvoegzaamheid of onzedelijkheid moesten verwijderd
+worden. Dit was eene verdrietelijke scheiding.
+
+Een roman als deze is evenwel niet een Geheel van dien aard, dat hij,
+--gelijk een beeld of een muziekstuk wel--bedorven zoude worden door
+de uitneming van enkel kleine stukken.
+
+Aangenomen dat deze roman goed werk zij en gegeven de noodzakelijkheid
+eener keuze als de zoo even aangeduidde,--zoo moest die zich wel
+vestigen op het behoud van zoveel mogelijk van het werk, dat anders
+geheel verdonkeremaand ware gebleven.
+
+
+Zomer 1899. L. VAN DEYSSEL.
+
+
+
+
+EEN LIEFDE
+
+
+
+
+I.
+
+
+--Doe nou de deur maar dicht, kind, anders vat-je kou.
+
+Mathilde deed 't. Eerst draaide zij de onderste helft toe, daarna de
+bovenste, sloot die af met een dikken sleutel en hing den sleutel aan
+een haak, midden aan de bovenste helft der deur, waar Jans, de meid, hem
+vinden zou.
+
+Met een sprongetje was Mathilde weer bij haar vader, die, meer achter in
+den gang, wachtte; zij stak haar arm door den zijnen en de twee wandelden
+terug naar het zaaltje. Zij hadden met hun tweeen de menschen, die dien
+avond bij hen geweest waren, uitgelaten. Terwijl de heer de Stuwen
+opmerkingen maakte over kleine voorvalletjes van den avond, stapte zijn
+dochter op hakken naast hem, en keek zij, het hoofd gebogen, naar de
+punten harer schoenen. Zij zei niet veel.
+
+--Toen 't zoo geanimeerd werd, dacht ik niet, dat ze zoo vroeg heen
+zouden gaan.
+
+--Nee, antwoordde Mathilde, dat was wel vreemd. In-eens herinnerde de
+vader zich iets, iets dat hem getroffen had. Hij glimlachte, de oogen
+neer, schalksch:
+
+--Heb-je wel gemerkt, hoe verlegen of mevrouw van Borselen werd en dat
+z'n 'n eindje met haar stoel van Louis Berlage vandaan schoof, toen ie
+die anekdote vertelde van die jonge weduwe, die zoo graag weer trouwen
+wou?
+
+--Nee, daar heb ik niet op gelet ...
+
+--Van Wilden was weer op zijn beau dire van-avond.
+
+--Ja.
+
+Mathilde moest nu den arm loslaten, want de ingang van het zaaltje was
+niet breed genoeg voor beiden te gelijk. Zij liet haar vader binnengaan,
+met gedachteloze blikken over zijn rug.
+
+Het zaaltje, in de war, bepoeteld, kleverig, vol klamme glansen in het
+dik-gele lamplicht, luwde een volle warmte over hun gezichten,
+doorsiepeld van glacehandschoenen-en punchgeurtjes. Door het eene
+groote venster, dat op de binnenplaats uitkwam, frischte, als uit een
+mond van den nacht, de buitenlucht er tegen in. De stoelen stonden,
+links en rechts, in een onvriendelijke wanorde. Voete-kussens lagen over
+den vloer, wild weggeschoven.
+
+Mathilde ging naar de piano, krabde een droppel vet, die, van de kaarsen
+gedropen, op een zwarten toets was gestolten, aan poeyer, spreidde de
+groenwollen lap over de toetsen, sloot de klep dicht en borg de bladen
+muziek in het kastje daarnaast.
+
+--Ja, zei haar vader, die, langzaam met zijn laag kaal hoofdje, aan de
+tafel was gaan zitten om nog een half uurtje de krant te lezen en haar
+bezig zag, je heb wezenlijk uitstekend gespeeld, die sonate, oneindig
+beter als laatst.
+
+--Och, zei ze, en blies meteen de kaarsen uit.
+
+Met een soort van drift liep zij nu door het vertrek en zette de stoelen
+en het speeltafeltje op hun plaats. Zij schelde; daarna slofte de meid
+binnen.
+
+--Jans, breng de glazen en die twee flesschen nog even naar de keuken.
+En ook de kopjes, die op het buffet staan, dan is dat weer in orde.
+
+Mathilde zette den bruinen tonvormigen tabakspot met het meerschuimen
+pijpje bij haar vader en zei hem in een zoen in zijn voorhoofdrimpels
+goeye-nacht.
+
+--Maar, kindlief, 't is pas kwart voor elleve, ga je nou al na boven?
+vroeg de oude heer, goedig opziend haar omhelzingsgebaren.
+
+--Ja, vader, ik heb een beetje hoofdpijn, en ik wou morgen vroeg opstaan
+om wat te teekenen.
+
+--Nou, slaap wel dan.
+
+--Insgelijks, papaatje. Jans zal je goed sluiten, ook raam hier, en ga
+jij dan ook maar naar bed, hoor!
+
+--Jawel, jufvrouw, weest u maar heel gerust. Nacht, jufvrouw.
+
+Geregeld elken avond werd deze aanbeveling gegeven en zoo beantwoord, nu
+al vier jaar lang, sinds Mathilde van kostschool terug was.
+
+Mathilde holde naar boven, alsof er brand was. Daar bedacht zij iets,
+en, van het eerste portaal, riep zij luid:
+
+--Vader!
+
+--Wat is 't? riep hij door de zaaldeur.
+
+--Blijft u nu ook niet al te lang op! Denk aan uw rheumatiek!
+
+--Nee, kind, ik kom over een kwartiertje. Wel te ruste!
+
+--De jufvrouw is zeker weer een beetje bang, zeide Jans.
+
+--Misschien wel, antwoordde de Stuwen, en stopte zijn pijpje.
+
+Mathilde sliep op de tweede verdieping, boven haar vader, in een kamer
+aan de straat, twee ramen breed. Zij had in de gauwigheid vergeten een
+licht mee te nemen en bewoog zenuwachtig rond in de donkerte. Wat een
+akelige, nare kamer ook! Waar waren nu de lucifers? zij behandtastte met
+zoekende vingers de kastjes en tafels. Eindelijk vond zij ze en stak
+gauw het gas aan. Hoe heerlijk toch dat gas, dacht zij. Gelukkig, dat
+mijn kamer ook met gas is, want als ik een lamp had, zoo als op het
+zaaltje, dan kwam ik daar zeker nooit mee klaar. Toen het gas op was,
+ging zij tegenover de tafel zitten, in-eens, met een schok van haar
+lichaam, op een der vier stoelen aan den wand. Zij staarde voor zich
+uit, en liet haar oogen langs de planten-figuren van het tafelkleed
+gaan; haar armen hingen loom langs de heupen neer. Daar omtrilde haar de
+koele nukkende nachtstilte. Waarom maakte zij zoo'n haast? ze wist het
+niet. Zij keek naar rechts en zag dat de venstergordijnen nog niet
+neergelaten waren. De blauwzwarte lucht boven de boomen langs den
+wallenkant, onder de franje der gordijnen, scheen een door de punten der
+franje getande donkere lap goed, van gouden vonken doorstikt. Mathilde
+maakte het touw los en roef! roef! klapten de gordijnen neer. Toen begon
+zij zich uit te kleeden, zij nam den kam uit het haar, die haar toch al
+gedurende den avond had gehinderd, en liet het dikke zwarte haar over
+den rug heen en weer zwieren. Zij was opgewonden, voelde zich koortsig.
+Haar borst daalde en steeg onder het ritselend korset. Ring! met een
+ruk knoopte zij haar groenzijden lijf los, trok het korset af en gooide
+het op zij. Ja, zoo kon zij toch niet naar bed gaan! Ze zou nooit
+slapen! Met haastige groote stappen de handen op den rug als een jongen,
+begon ze te loopen, van de ramen naar de deur en weer te-rug. Haar
+schedel en handenpalmen zweetten van opgewondenheid. Haar bovenhoofd
+werd warmer. Telkens wanneer zij de tafel en het licht achter zich had.
+zag zij haar schaduw op de gordijnen en op de muur verschijnen, een
+wilde, warrige, wemelende schaduw: een hoofd met haren in grilligen
+kroes, rechtopsprietend en in kronkelende lijnen, als een ruiker
+grashalmen zonder kunst op het veld samengebonden zich vermengend, en
+een openhangend jak, met vagen schouder en taillevorm, als een breede
+bewegende japansche vaas daaronder. Als zij naderde werd de schaduw
+grooter en verloor hoe langer hoe meer haar eersten vorm. Zij kon niet
+ophouden met er naar te kijken, zij vond dat aardig, veel aardiger dan
+gisteren en eergisteren, toen ook de schaduw op het gordijn had
+bewogen.. Zij had er nooit zoo erg op gelet. Zij kreeg de gedachte den
+ruiker en de vaas van vorm te doen veranderen. Zij stak haar hand in het
+haar en streek het nog hooger naar boven, zij strengelde den langen bos,
+die over haar rug hing, om den hals of wierp alles naar boven en liet
+het terug vallen op haar schouders en over haar gezicht. Zij had er veel
+plezier in, zij lachte hardop. Zij nam haar jak bij de tippen en sloeg
+zoo naar twee kanten uit, zij gaf het den schijn van vleugels en maakte
+er de beweging van vliegen mede, met zoo een geweld, dat het garneersel
+kraakte aan de schouders. Zij sprong in de hoogte en danste door het
+vertrek. Zij kwam er toe een balletdanseres na te doen, bracht de armen
+samen boven het hoofd en strekte ze dan weer horizontaal uit. Zij nam
+haar rokken op in de breedte en walste zoo rondom de tafel, en zij ging
+maar voort en wist niet welke gebaren maar te verzinnen om voor zichzelf
+de Chineesche-schim te vertoonen. Haar bewegingen werden grilliger en
+ongerijmder: zij zwaaide met de vingers, deed haar kanten zakdoekje
+wapperen, draaide op een voet rond als een tol en was op het punt naar
+haar korset te grijpen om voor tamboerijn te dienen bij haar dansen,
+toen haar blik tegen den spiegel aankwam, aan den wand. Zij vond op-eens
+dat zij dwaas deed, kwam tot bedaren, in een akelig-leeg gevoel, lei
+haar handen naast elkaar even over de borst en zakte hijgend op den
+stoel van zoo-even neer. Zij voelde zich weer een jong kind zijn in haar
+dolle vreugde. Onwetend wat te doen, stak zij, uitrustende, de haren
+tusschen haar tanden, en onttrok ze weer met geweld aan haar eigen
+beten. En hijgend neuriede zij melodien uit de _Juive_, die zij den
+vorigen Dinsdagavond had gehoord. Zij bond de haren in stevige knoopen
+aan elkaar. Zij trappelde met de voeten op den vloer, al maar niet
+wetend wat te doen van blijdschap.
+
+--Ja, ik ben twee en twintig jaar! joedelde zij, sprekend en zingend, en
+dat vind ik heerlijk, verrukkelijk, hemelsch, en hij houdt van me, want
+hij heeft t' van avond zelf gezeid, en wij zullen samen trouwen, zoo
+gauw mogelijk, en dat vind ik zalig! ...
+
+Achter de kamer knapten de trappetreden onder Jans, die beneden alles
+nog opgeredderd had, en nu ook naar bed ging. Mathilde waakte even op
+uit haar mijmeren, met luisterende oogen. Een beetje bedremmeld en
+aarzel-lachend keek zij in de rondte. De stappen van Jans stierven uit
+op de verdieping daarboven. Mathilde hoorde, als heel uit de verte, Jans
+haar kamertje dichtdoen en het knipje voor de deur schuiven. Daarna was
+alles stil in huis. Mathilde pakte haar gloeyende wangen tusschen de
+handen. Langzaam peuterde zij de knoopen uit de haren los en gooide ze
+allemaal naar achteren. Zij hoorde niets meer dan het gezuis van de
+gasvlam voor haar. Zij dacht er aan dat haar vader ook al naar bed moest
+zijn gegaan. Zij keek naar de zoldering en zag de zware schaduw van haar
+ledikant. Zij vond, dat van-avond de dingen op haar kamer zoo vreemd en
+koud waren als anders nooit. De tafel bewoog niet, de kasten zeiden
+niets en de stoelen waren leeg. Er daalde een benauwde warmte van het
+plafon neer. Alles in de rondte, wat niet in den gas-schijn was, stond
+in een rare donkerte. Mathilde zag onbekende zwarte hoekjes, en een
+vreemd soort ruischende stilte wasemde daaruit op, naar haar toe.
+
+Zij kreeg 't warm, zij streek met haar zakdoek over het vochtige
+voorhoofd en den klammen hals. Zij deed haar jak uit. Zij had pijn aan
+haar linkervoet. Zij duwde haar schoen uit. Zij had lichtgroene kousen
+aan, en kreeg onder het ledikant haar zwart-zijden pantoffels. Toen
+sidderde het dunne bedgordijn. Mathilde had een kleine huivering. Ze
+draaide het gas hooger. Langzaam ging ze naar de waschtafel. Haar wangen
+waren purperrood, haar hoofd boog naar den linker schouder, de zware
+zwarte haren bosten in glimmende kronkelingen over den half blooten rug.
+In het hoofd klopte de wildheid van zoo-even na. Zij deed een beetje
+Floridawater op den handdoek en bette haar gezicht ...
+
+O God, hij hield van haar! ... Zij was bang duizelig te worden, als ze er
+erg aan dacht. Haar handen leunden op de kanten van de waschtafel, haar
+blikken zweefden langzaam over de kom met water. Zuchtend zij er weer
+van daan en zag besluiteloos rond. Het gaslicht brandde flikkerend hoog.
+Zij had 't erg warm. Zij haakte haar groenen rok, die met een haakje en
+oogje op den rug vast zat, los, en liet hem over haar voeten uit
+glijden, en hing hem op in een muurkast, waaruit zij meteen haar langen
+licht-grijzen peignoir, met zwart-fluweelen kraag en mouwopslagen te
+voorschijn kreeg. Zij lei dien op de tafel en bleef daarvoor staan in
+haar korte witte rokken, waaronder de groene gladde kousen in de
+vloerdonkerte op-stonden. Het haar, ver naar voren aan weerszijde,
+verborg haar oogomkastingen in een schaduw, waar de oogen als zwarte
+seinlichtjes in uitschenen en klapten open en dicht. In elken blik zag
+zij het geheel van haar kamer, met dezelfde kleuren en vormen als elken
+avond. En toch scheen alles zoo vreemd. Er was als een bizonder en
+ongekend leven in de meubels, die haar geen kwartier geleden nog zoo oud
+en levenloos hadden omgeven. Een geheimzinnig suizen, iets, als
+schemerde daar een onzichtbaar waas van de zoldering naar beneden om
+langzaam weer op te trekken en als zweefde er een zwartige wolkige massa
+van de wanden uit naar voren, om, door de ruimte van het vertrek heen,
+over het huisraad te dwalen en zich daarmee te vermengen of op eens in
+zich zelf te verdwijnen. Het scheen, dat er straks een gedaante zou
+opkomen, die iets te fluisteren had aan Mathildes oor en dat er een
+vreemde wind langs het behangsel woei, die zijn naderen voorspelde. Dan
+was 't, als of onbekende menschen of vreemde wezens langs onzichtbare
+telegraafdraden, boven door de kamer, stilletjes elkaar allerlei dingen
+zeiden. Keek zij voor zich, dan bewoog daar iets links achter haar, maar
+stil en zacht, zonder vijandige bedoeling, en keek ze naar den hoek,
+waaruit de beweging scheen te komen, dan bewoog er weer iets voor haar
+heen en wilde zij zich overtuigen, dan was alles stil en stom als toen
+ze pas binnenkwam. Zij dacht, dat zij niet wel was en deed haar hand
+tegen haar voorhoofd, de haren wechstrijkend, zoo dat het volle licht
+haar in de oogen schoot en zij alles in de rondte van een grijzige mist
+zag omwasemd. En weer dwarrelden er klanken van de zoldering omlaag.
+Jozef, ... suist het, Jozef, ... Zij deed haar oogen toe en zag in haar
+verbeelding dien naam, en altijd, altijd dien naam, in drukletters voor
+haar. En wech was weer de naam, en Jozef van Wilden zelf stond te voeten
+uit vlak voor haar, hij naderde nog meer en drukte zich tegen haar aan,
+zijn gezicht vastgedrukt aan haar gezicht, en zijn oogen blonken in haar
+oogen, zoo dicht bij, dat zij de lichtblauwe tint van het wit dier oogen
+onderscheidde en de klare groen-blauwe balletjes der appels haar oogen
+schenen te raken. Daarna weken zij te-rug en leunde het mooye, blanke,
+aan de slapen afgeronde voorhoofd aan het hare. Mathilde schudde de
+verschijning van haar gezicht af. Zij opende haar oogleden en voelde
+zich een beetje bang. Zij durfde niet goed meer rondzien. Weer bewoog er
+iets links en rechts. Wat kreunde daar achter het kastje? En zij zag een
+nevel weer door de kamer dansen. Zij keerde haar hoofd rechts af en
+wrong de handen samen, in een beweging van beklemdheid voor het lijf
+uitgestrekt. Het was, als tintelde een gevoel door het vertrek en deelde
+zich aan al de omgeving mede, een enkel gevoel van opperste bevreemding,
+een voorspelling van een onuitsprekelijk groot en nieuw geluk. Daar zag
+zij weer in den spiegel en keek er zich zelf in aan. Zij deed er een
+stapje op toe en zag zich als een witte pop in de kamer staan. Eerst
+bekeek zij nu aandachtig de kamer, en was verwonderd haar in den spiegel
+zoo heel anders te zien. Alles had hier het oude, gewone voorkomen, dat
+van gisteren, dat van altijd. De wanden en het huisraad deden zich hier
+bedaard en juist voor, wezenloos en zonder geluid. Dat was zonderling,
+wat een rare spiegel! Haar gezicht was ook hetzelfde als altoos, alleen
+maar bizonder, erg, al te erg verhit. Wat stond zij daar gek, waarom zag
+ze er zoo verwilderd uit, waarom gloeide haar hoofd zoo, waarom stond ze
+zoo naakt, in haar ondergoed? Waarom was ze niet naar bed gegaan? Waarom
+had ze anders haar peignoir niet aangedaan? Waar was die? ... Op de
+tafel. Langzaam stak ze haar armen door de slappe mouwen, de dunne stof
+streek haar over de leden. De zwart fluweelen rand scheerde langs haar
+warmen hals. 't Is verschrikkelijk warm! zeide ze in zich zelf. Het
+kookte haar door de aderen. Met haar zakdoek wuifde zij koelte haar
+wangen. Haar hart klopte gauw achter mekaar. Nu gooide zij nog eens
+gedachteloos een blik in den spiegel en zij zag het bibberig glansende
+vernis, dat de borst van haar moeders portret aan den wand, links
+tegenover het gaslicht, bedekte. Maar boven die schitterende plek
+bemerkte Mathilde de droevig-ernstige gelaatstrekken. En zij dacht even
+aan haar moeder. Zij had haar zoo weinig gekend! Zij was nog zoo jong,
+toen haar moeder dood was gegaan! Suffend draaide Mathilde naar het
+portret toe. Haar oogen bedroomden het vol onbewuste gedachten. Zij werd
+bang voor die geschilderde droefheid, zij ging naar het venster en trok
+het gordijn op. Haar koortsigheid was heviger. Tevergeefs probeerde ze
+op haar eigen gemoed in te denken. Haar blik schuimde over haar
+werktafeltje af, voor het venster heen. Midden-tusschen uitgeknepen
+waterverffleschjes en lange penceelen, een glas vuil geel water, waarin
+roode wolkjes dwarrelden, een blikken doos, met lankwerpige en
+afgesleten stukjes verf, een paar licht-bruine potlooden, een stuk
+kleverig gommelastiek en smoezelige papieren, lag er een aquarel, die
+nog afgemaakt moest worden. Plotseling bedacht Mathilde, dat zij dat
+van-avond had willen doen. In een drift over haar vergeeterigheid, nam
+ze de teekening en de penceelen op, om ze over de groote ronde tafel te
+spreiden onder het snerpende gaslicht. Haastig ging zij zitten, maar hoe
+ze er zich ook over bukte, hoe ze zich in de werkstemming trachtte te
+brengen, het landschap, dat voor haar oogen lag, warrelde alsof er een
+wemelend vlies over gespannen was. Zij kon maar niet tot rede komen. Zij
+liet het teekenen weer in den steek en nam een duitsch boek van het
+boekerekje, om wat te lezen. Maar dit lukte ook niet. Zij liet het
+boekje liggen. Het bonsde aan haar slapen. Haar hoofd was vol van de
+dolste gedachten. Eindelijk nam ze een besluit. Ze zou naar bed gaan,
+beproeven in slaap te komen. Ze zou de vensters, of ten minste een,
+openzetten, want het was een zoele Julinacht. Zij deed het raam open
+door de kruk in 't midden eens rond te schuiven; zonder leven gingen de
+twee glazen deurtjes open. Het werktafeltje werd naar achteren geduwd en
+Mathilde ging op de vensterbank zitten, haar beenen over elkaar, den arm
+geleund op het zwart ijzeren hekje. En zij wendde het hoofd naar buiten
+in de lauwe zomerlucht.
+
+Het was een stille, hooge nacht. In korte spelingen woei zoetjes de wind
+door de trillende blaaren der boomen, vlak bij Mathilde aan den
+wallenkant en deed de haarsprietjes dansen tegen haar voorhoofd, en
+vlaagde de angst wech uit de kamer, voorbij het onrustig vlammende gas.
+Een groote kalmte daalde in Mathildes gemoed. Onder de wijde verte van
+den vonkel-krielenden hemel en boven den dorren klank der
+ver-geruchtende stads-nachtgeluiden, voelde zij het vreemde geluk in
+haar hersenen en hart, maar zonder angstige drift, zachtjes, zachtjes,
+als een dauw van zaligheid. Mathilde zag rond: een glimlach zweefde
+overal. De straatkeyen, in het lantaarnlicht, wiebelden teeder-grijs
+heen, smetteloos samenoogend, blaarenschaduwen plasvlekten in doezelige
+warrelingen over de bruingele klinkers. Als hooge kerkkaarsen stonden de
+slanke lantaarnpalen met hun van boven rossig gekartelde lichtjes, met
+geelwasemingen in de boomfestoenen. Het donker-groene water stroopte
+golfloos zachtjes voorbij. Boven de boomen uit zag Mathilde de bovenste
+ramen en de daken aan d'overkant. Aan een venster was nog licht, een
+onbewegelijk dof licht, achter het vuil-gele gordijn. Maar hooger
+klommen Mathildes blikken, hoog boven de blauwige en bleekroode daken,
+boven de driehoekige en ovale geveltoppen uit, wijd-uit-turend, als
+zoekend, in de goud-doorstikt lichtende lucht.
+
+Heerlijk, dacht zij, het hoofd op de hand, heerlijk zoo in den nacht te
+zitten kijken! Zij had de verhitting van haar slapen voelen wijken en
+een groote blijdschap, rose, wit, licht-geel, was over haar
+neergevallen. Ik blijf hier op mijn gemak nog een beetje denken, dacht
+zij, het duurt nog lang eer het morgen is. Zij lei haar handen in den
+schoot en boog het hoofd voren. Lange vlassige streepen zwart haar
+vielen aan weerszijde, onder haar ooren, langs haar hals tusschen haar
+borst. Haar oogen waren neer, om zich te herinneren wat er gebeurd was.
+Mathildes rijtjes van lange oogharen, als kleine ragfijne waayers,
+verwarmden tint der onderoogleden met hun schaduw; twee gestolten tranen
+glinsterden haar oogen er tusschen. Zij had een bloederige roodheid aan
+de oogranden en fel-roode lippen. Haar neusvleugels trilden, als zij
+iets sterk verlangde. Zoo was zij, zoo had Jozef van Wilden haar dien
+avond gezien, toen hij haar zijn liefdesverklaring maar had meenen te
+moeten doen. Daar zat zij nu over te denken, hier aan 't venster. Zij
+wilde zich volstrekt alles te binnen brengen, elken trek van zijn
+gezicht, elken toon van zijn stem, toen hij haar die woorden had gezegd;
+zij wilde voor de tweede maal, nu in gedachten, die zaligheid door
+maken. En met veel zekerheid rees de herinnering in haar op. Het was
+in het zaaltje, achter, waar ze altijd zaten, als ze menschen kregen,
+haar vader en zij; het zal zoo wat tien uur zijn geweest. Jans was juist
+voor de tweede maal met wijn rond geweest. Mevrouw van Borselen had al
+iets gezongen, Ster en Jozef hadden al wat voorgedragen, toen zij
+begreep, dat nu de beurt aan haar zou komen. Wezenlijk had haar vader
+haar op zijn gewone goedaardige manier aangezien en gezeid: Mathilde,
+laat jij je nu niet eens hooren? en allemaal hadden ze er op
+aangedrongen. Zij had zich een beetje zenuwachtig gevoeld, want Jozef
+gaf taal noch teeken. Zou hij er wat tegen hebben, dat ik speel, had zij
+toen gedacht, dan zal ik juist vreeselijk mijn best doen. Wat zal 't
+zijn? vroeg haar vader. Zonder een sekonde te aarzelen had zij erg
+bedaard en erg moedig geandwoord: de _Sonate pathetique_, als u 't
+permiteert. De woorden waren er uit; nu moest ze 't ook doen. Sints een
+paar weken had zij de sonate wel alledag geoefend en de laatste drie
+dagen zelfs vlug gespeeld, maar nog nooit had ze zoo'n moeyelijk stuk
+ondernomen in gezelschap. Maar zij hield verschrikkelijk veel van de
+sonate en dacht, dat zij 'm met gevoel speelde. Zoo had zij dan, terwijl
+de kaarsen spattend knapten onder het wachtend zwijgen van de menschen,
+zich naar het muziekkastje gebukt, er het dikke kajee uitgenomen en was,
+heelemaal klaar voor den strijd, aan de piano gaan zitten. Ineens hoorde
+zij nu eene beweging achter haar en zag zij Jozef van Wilden, die
+stilletjes dichterbij kwam, zijn oogen, waarin het kaarslicht
+terugflikkerde, op haar muziek gericht, zijn snor tusschen de tanden.
+Mag ik de bladen omslaan? had hij gevraagd, met een rare stem. Heel
+graag, had zij, bizonder koel, geandwoord. Er sijpelde iets kouds door
+haar handen; zonder dat zij het wilde tikte een van d'r vingers neer op
+een zwarten toets en flauwtjes weerklonk een angstig hooge toon. Maar
+zij haalde krachtig adem en was zich meester. Zij was toen zonder
+aarzelen maar begonnen. Naarmate zij vorderde, ging het beter. Zij
+voelde zich gloeyen onder het spelen. Zuiver, zonder een fout, had zij
+het stuk voleind, zij was vuurrood geworden en transpireerde er van. En
+onophoudelijk had zij Jozefs warme adem langs haar oor voelen gaan. Zij
+had gemerkt, dat die al sneller en sneller werd, naar mate zij
+gelukkiger speelde. Zij zag de bladen bibberen in zijn hand bij het
+keeren; eindelijk had ze hem tranen hooren slikken, ja, zij had het
+duidelijk gehoord, hij had gehoest om niet te laten merken dat ie
+huilde. Het laatste blad had zij zelf moeten omslaan, want hij vergat 't
+en zij wist toen niet eens meer of hij nog achter haar stond. Maar toen
+ze de slotakkoorden had neergestoten in volle vuur, en ze, met een
+zekere koude door de leden, opstond en zich met een "dankje wel" naar
+Jozef keerde, toen had ze hem bleek en aangedaan zoo vlak achter haar
+vinden staan, dat haar haren langs zijn wang scheerden, en, onder het
+handgeklap en de bravo's van de menschen, had hij heel zachtjes tegen
+haar gezeid, dat hij zooveel van haar hield.
+
+En als een geur, die haar verder den geheelen avond bijbleef, had zij
+die klanken meegedragen in heur haar. Het had haar geschenen, als hoorde
+zij die stem voortdurend met eindelooze teederheid aan haar oor, als was
+er iemant die telkens zei: mag ik je iets zeggen, Thilde, ik houd
+zooveel van je, onbegrijpelijk veel, en altijd, altijd inniger en
+doordringender. Toen de avond afgelopen was en de menschen kort na
+mekaar afscheid namen en ook Jozef vader en haar goeyendag zei, had ze
+hem niet aan durven zien en flauw zijn hand gedrukt. Maar zijn woorden
+zongen in haar ooren. Bij haar naar bovengaan dreunden zij haar na op de
+trap, omklonken haar van alle kanten en bonsden in haar hoofd ...
+
+Eindelijk dan, eindelijk had hij het gezegd. Wel had zij lang gewacht,
+wel had ze hem honderdmaal, als hij bij haar vader een visite maakte en
+zoo kalm zat te praten, schijnbaar onverschillig aangezien, met de vraag
+in de keel, die zij hem toe had willen roepen: Waarom hou-je niet van
+mij, die zooveel houd van jou, en, wil je mij en mij alleen, zooals ik
+jou en jou alleen wil, waarom zeg je 't dan niet, waarom laat je dan
+niets merken? Wel had zij 's nachts, als ze maar niet slapen kon, aldoor
+maar met verschrikkelijk veel verdriet aan hem liggen denken. Wel was
+ze, onder het zingen ineens gaan huilen en had zij zoo bleek gezien, dat
+vader zich bezorgd had gemaakt aan het eten 's middags. Ja, wel lang had
+zij gewacht ...
+
+En, terwijl de stad voor haar voortnachtte en de uren duurden ruischend
+om haar hoofd, herdacht Mathilde, met zich zelf heelemaal alleen, het
+begin van haar liefde voor Jozef, het aangroeyen van die liefde, het tot
+hartstocht worden, de dagen van hoop en de wanhoopsvlagen door die
+stille liefde over haar gebracht.
+
+Buiten stemde de wind de boomen al zachter en zachter, het water in den
+val beneden haar scheen bijna bewegingloos en in de verre hoogte waren
+de sterren gestadig.
+
+Toen zij nog heel klein was, speelde Jozef wel met haar, als hij met
+zijn vader en moeder bij hun aan huis kwam. Hij was al een groote jongen
+met een jas aan, zoo als een heer. In 't begin had zij erg tegen hem
+opgezien. Hij sprak altijd mee met de groote menschen, en eens, toen
+zij, op haar twaalfde jaar, ook iets heel ernstigs in 't midden had
+willen brengen, was haar gezegd zich stil te houden. Naar Jozef
+daarentegen werd altijd geluisterd. Dit had haar een zekeren eerbied
+voor hem gegeven, maar die toch al gauw minder werd door zijn
+vriendelijke en alles vergevende gemeenzaamheid. Als zij samen aan den
+gang waren, aan 't spreken en lachen of spelen, gedroeg hij zich als
+haar gelijke en behandelde haar als een goede kameraad. Eens op een
+buitenpartijtje, toen zij in den tuin van een uitspanning aan 't
+schommelen waren en hij haar, hoe of ze ook tegenstribbelde, veel te
+hoog opzette, was ze heelemaal duizelig geworden. Ze was gaan huilen, en
+toen Jozef eindelijk den schommel tot stilstand bracht, had zij hem, in
+haar drift, pardoes een klap in zijn gezicht gegeven. Een kwartier
+later, toen zij bedaard was en inwendig al spijt had van haar handeling,
+was hij naar haar toe gekomen om haar te vragen of zij nog boos was. Zij
+had bedeesd van neen geknikt. Hierop hadden zij elkaar afgezoend en was
+er over niets meer gesproken. Dit voorval maakte, dat zij veel van Jozef
+begon te houden. Ze vond 't zoo lief van hem, dat hij haar niet af had
+geranseld, want hij was toch zooveel sterker dan zij. Uren lang kon hij
+zich dan ook met haar bezighouden, naar haar poppespelen kijken, haar
+goeden raad geven voor haar borduurwerk en pianospel, en nooit was hij
+boos, wanneer ze hem met een slecht humeur antwoordde. Zoo als hij haar
+van haar derde tot haar zesde jaar op zijn schoot nam, haar liefkoosde
+en sprookjes vertelde, zoo als hij toen eens heur haren had gekamd op de
+manier zoo als hij zei dat de mooiste jonge jufvrouwtjes in de groote
+stad Parijs hun kapsel droegen, zoo als hij haar prenteboeken meebracht,
+met veel prachtiger plaatjes, dan die zij van vader kreeg, en eens zelfs
+een echt gouden halskettinkje, zoo, met denzelfden goedigen glimlach,
+met hetzelfde gemak en geduld, met hetzelfde onverstoorbare goede
+humeur, had hij ook belang gesteld in haar vermaken van toen zij wat
+ouder werd, en zich naar haar veranderde pleizieren met dezelfde
+welwillendheid geschikt. Van haar tiende tot haar dertiende bijna
+veertiende jaar, had hij haar allerlei gezelschapsspelen geleerd, die
+haar te pas konden komen, wanneer ze met vriendinnetjes was of met
+groote menschen meespeelde: kien, het ganzebord, het dominospel, van
+alles maakte hij haar de fijnheden duidelijk en onderwees haar in die
+handgrepen, die hij zelf had weten te ontdekken om zonder moeite te
+winnen. Hij had uren achtereen met haar zitten schaken en dammen, want
+zij hield van zulke spelen, en klapte in haar handen, wanneer hij haar
+liet winnen, zoo als dikwijls gebeurde, dan omhelsde ze hem en had hem
+nog liever dan vroeger. Zij herinnerde zich nog als den dag van
+gisteren, hoe eens, toen Jozef op een avond zoo aandachtig naar haar
+onbeteekenende eerste pianostudies had geluisterd en hij wel een uur en
+drie kwartier vlak naast haar was blijven zitten en haar een middeltje
+had geleerd om gemakkelijk de handen wijd uit te spreiden, waarna zij,
+toen al een groote meid van twalef jaar, op zijn knie was gesprongen om
+hem te bedanken,--het schoot haar te binnen, hoe toen haar vader haar
+had verweten, dat zij meer hield van Jozef van Wilden dan van hemzelf,
+haar eigen vader, en hoe zij misschien veel liever Jozef tot papa zou
+hebben gehad. Dit was wel, neen volstrekt niet, in 't geheel niet waar.
+Zij had er zelfs nooit of nimmer aan gedacht, maar om dat Jozef zich
+zooveel met haar bemoeide en altijd haar liefhebberijen raadde, en
+altijd graag deed wat zij ook graag deed, om dat Jozefs leeftijd in alle
+geval met de hare zooveel meer gelijk stond dan die van haar vader, om
+dat Jozef nooit knorde, ja haar zelfs nooit ernstig onderhield, kende
+zij Jozef eigenlijk beter dan zij en haar vader elkaar kenden, waren zij
+ten minste vanzelf schijnbaar vertrouwelijker met mekaar. Vader las
+koeranten, waar zij niets van begreep, rookte pijpen, waarvan de
+tabaksrook haar naar maakte, vader sprak zelden met haar, of 't moest
+zijn om haar kleine godsdienstige vermaningen te geven, die nog minder
+indruk op haar maakten, om dat hij ze zelf alleen als opvoedingsmiddel
+gebruikte en zij niet uit zijn hart kwamen, dat had zij later wel
+begrepen; vader vond haar gebonk op de piano vervelend en vluchtte naar
+boven als zij begon. Er kwamen wel eens heeren vader spreken en dan zei
+hij aan Mathilde van wech te gaan; dit vernederde haar altijd erg, en
+zoo meer. Jozef daarentegen had ook b.v. belang gesteld in haar eerste
+zelfgekozen toiletjes, de eerste uitingen van haar aanstaande
+jonge-meisjes-ijdelheid had hij met ontzaglijk veel plezier begroet en
+ze aangemoedigd. Hij was verrukt geweest te zien, hoe zij langzamerhand
+groote-dames-neigingen begon te vertoonen en hoe, met het voller
+uitkomen van haar lichaamsvormen, waar zij zelve zich toen nog ongerust
+over maakte, zij ook een beetje nuffiger en eleganter werd. Hij had
+verteld van zijn reizen, van de groote zalen vol prachtig gekleede
+dames, die hij had gezien, van de wereld daar buiten, van bals en
+konserten en komedies. Hij had haar bizonder mooye kostumen van
+hoogaanzienlijke vrouwen beschreven, die hij in hun heele volledigheid
+op had genomen. En elken dag waren zij betere vrienden.
+
+Maar toen Mathilde volwassen werd wijzigde zich langzamerhand hun
+verhouding heelemaal. Mathilde vroeg zich te vergeefs af waar 't 'm aan
+lag, zij wist geen oplossing te geven. Maar dagelijks verkoelde de
+vurige vriendschap tusschen haar en Jozef. Hij werd stiller, lachte
+minder, en er werd in 't geheel niet meer gestoeid. Ook tegenover hem
+voelde zij zich verlegen worden, dit scheen nog het meest raadselachtige
+van alles. Zonder er bij te denken was zij hem nog eenmaal, toen zij
+samen over borduren hadden gesproken en hij een haar nieuw patroon aan
+de hand had gedaan, met plotselinge aandrift zooals vroeger, op de
+knieen gesprongen en had haar arm om zijn hals geslagen. Hij was daar
+zoo verwonderd over geweest, dat hij niet geweten had wat te doen, en
+zij, met een verschrikkelijke verlegenheid onder een voorwendsel uit de
+kamer was gegaan en een wandelingetje was gaan doen. Uit instinkt
+maakten zij, toen hij een paar dagen later 's avonds bij hun was
+geweest, geen van tweeen een beweging om elkaar een zoen te geven bij
+het afscheid, zoo als anders. Daar had zij den halven nacht toen over
+liggen denken. Twee maanden na deze gebeurtenissen, kondigde haar vader
+haar aan, dat hij haar op een kostschool in Belgie zou doen. Zij ging,
+en, zoo ver van hem wech, dacht zij nog maar weinig aan Jozef. Eens had
+hij haar een lieven brief geschreven, dien zij kort had beantwoord en
+met de onderteekening "uw dienstwillige vriendin en dienares". Daarop
+had hij niets meer van zich laten hooren. Haar medeleerlingen op de
+kostschool verhaalden Mathilde veel van heeren die hun 't hof maakten.
+Ja, daar had ze in Amsterdam ook wel van geweten. Als ze uit school kwam
+liepen haar altijd jongens achterna en zoenden haar en de andere
+meisjes, maar nu begon zij dat heel anders in te zien. En plotseling was
+'t haar in de gedachte komen, dat Jozefs doel misschien was geweest
+later met haar te trouwen. Dit stuitte haar tegen de borst en gaf haar
+een soort van afkeer tegen hem, zoo als hij leefde in haar herinnering.
+In de vakanties maakte haar vader reisjes met haar; eens maar was zij in
+Amsterdam geweest, en toen was juist Jozef op reis. Zoo was zij vier en
+een half jaar wech gebleven. En bij haar terugkomst voorgoed, had zij
+Jozef weer dadelijk gezien, die haar vriendelijk groette en haar
+jufvrouw noemde. Na haar terugkomst kwam Jozef weer hoe langer hoe meer
+bij hun aan huis en uit de gewoonte van elkaar twee, toen drie, toen
+viermaal in de week geregeld te ontmoeten, was er langzamerhand weer een
+vriendschap ontstaan. Zij had hem teruggezien bijna net zoo als zij hem
+vroeger had gekend. Alleen was zijn snor dikker en mooyer geworden en
+waren er lichte kringen onder zijn oogen gekomen, die alleen merkbaar
+werden, als hij van vermoeyenis sprak.
+
+Het was nu in deze jaren dat zij er zich hoofdzakelijk op toelegde het
+huis voor haar vader zoo aangenaam en gezellig mogelijk te maken. Wat
+haar bij haar vader vroeger tegen had gestaan, nam haar nu in. Zij
+verzorgde hem, trachtte zich in te wijden in zijn liefhebberijen en
+gewoonten, las de koeranten, en sprak over politiek. Zijn rooken vond
+zij pleizierig, zij lette op alles en vervroolijkte zijn leven, door
+haar pianospel en andere dingen. Zij had groote vorderingen gemaakt en
+hij luisterde er graag naar. Zij had geen vriendinnen, zooals dat veelal
+gaat met meisjes die naar 't buitenland op kostschool zijn geweest. Die
+van haar scholen in de stad vroeger, kende zij niet meer, met de
+Belgische van de kostschool kon ze alleen korrespondentie onderhouden.
+Alleen bij mevrouw Berlage, een oude vriendin van haar vader, maakte zij
+wel eens een visitie, maar aan Emilie Hartse, een wees, het kennisje,
+dat ook wel bij de Stuwen aan huis kwam, had Mathilde een hekel, om
+Emilies geaffecteerd karakter. Dus was de persoon, waarmee zij omging
+naast haar vader, Jozef van Wilden alleen. Een heelen tijd bleef zij
+"mijnheer" en hij "jufvrouw" zeggen, totdat haar vader zelf daaraan een
+eind had gemaakt, omdat hij 't gek vond onder jongelieden die mekaar zoo
+dikwijls zagen.
+
+Onmerkbaar had Mathilde zich weer tot den innemenden, beminnelijk
+zachten en toch mannelijken, goed belezen met veel smaak en oordeel
+pratenden man, dien zij Jozef noemde, aangetrokken gevoeld. Na een jaar
+werd zij zich bewust, dat ze hem liefhad. Zij dacht dikwijls aan hem,
+als ze alleen was, ze was blij als hij binnenkwam, vooral als bij haar
+hartstochtelijk pianospel, en dit gebeurde dikwijls, zijn oogen geen
+sekonde van haar afgingen. Het begon een genot voor haar te worden,
+wanneer haar hand de zijne aanraakte, bij het goeyendag zeggen of het
+aangeven van een kopje thee, of wanneer zij samen muziek doorbladerden.
+Zij begon het een pleizierige gewaarwording te vinden als haar japon
+over zijn voeten gleed, bij 't passeeren, als de weerspannige haartjes
+van zijn hoofd langs haar schouders wiebelden, wanneer zij samen over
+een boek of teekening stonden gebukt. Want zij was druk aan 't teekenen
+gegaan, ook door hem daartoe aangezet. Zij had 't in Belgie goed geleerd
+en zij scheen er wel talent voor te hebben, meende hij.
+
+Toen er nog een jaar was verloopen, begon ze in ernst over haar toekomst
+na te denken, en bracht in haar gedachte hem daar altijd bij te pas. Zij
+begon bepaald op hem te wachten, en als tweede helft van haar geheel
+naar hem uit te zien, naar de woorden van liefde die hij eens moest
+uitspreken, zij wist 't, en die ze hem wel van de lippen had willen
+drukken. Zij kreeg aanvallen van jaloezie. Zij begon er over te denken
+of hij ook misschien van een andere vrouw zou houden. Zij was ongerust
+en probeerde om aan zijn oogen te zien of er iets van waar was.
+
+Zoo waren de zaken geloopen tot zoowat een maand geleden. Toen was
+Mathilde opeens heel ongelukkig geworden. Jozef had, zonder dat er ooit
+te voren sprake van was geweest gezegd, dat hij van plan was een groote
+reis te doen, voor zaken. En werkelijk, twee dagen later was hij naar
+Frankrijk gegaan. Hij had niet kunnen zeggen, wanneer hij waarschijnlijk
+terug zou zijn. Mathilde huiverde in haar eenzaamheid. Zij drong zich
+zelf op, dat 't niet zoo erg was, dat hij na een week of zes hoogstens
+uit het buitenland terug zou komen, en de zaken dan nog 't zelfde zouden
+staan als nu. Wat had die reis te beteekenen? Even goed dan als nu kon
+hij haar immers zijn liefdesverklaring doen, al had hij er tot nu toe
+nog nooit op gezinspeeld? Dacht hij er niet aan haar te vragen om zijn
+vrouw te worden, dan moest zijn afwezigheid haar eindelijk heel
+onverschillig wezen, hield hij wel van haar zoo als zij het zoo zeker
+hoopte, dan zou die liefde in zoo'n korten tijd ook niet wechgaan, en
+had zij nog alles te verwachten. Maar, wat haar verstand ook te berde
+bracht en hoe ongerijmd zij het zelf vond, zij huilde in haar
+verlatenheid en zij voelde zich verschrikkelijk alleen, nu ze hem niet
+meer zien en hooren kon. Zij dacht, dat hij nu eeuwig wech zou blijven,
+en vooral het idee dat hij van een vrouw of meisje in het buitenland zou
+gaan houden en hij haar ontrouw zou worden, maakte haar doodelijk
+ongerust. Maar, hij was nog geen drie weken op reis, of zij, ja zij,
+kreeg, buiten alle verwachting, een brief van hem, waarin hij haar
+vertelde dat hij in Brussel en Parijs was geweest en wat hij daar had
+gedaan. En hierbij maakte hij toespelingen op de reisverhalen, die hij
+haar zo lang geleden als kind had gedaan. Hij sprak ook heel beleefd van
+zijne eenzaamheid, en verklaarde, dat hij 't onmogelijk lang zou kunnen
+uithouden, ver van de lieve woning der familie de Stuwen, waar hij zulke
+heerlijke uren had doorgebracht, vooral in 't gezelschap van zijn
+allerliefste vriendin. De brief was erg beleefd, maar Mathilde wist er
+zoo een verborgen liefde in te ontdekken, dat hij haar bizonder goed
+deed en zij hem niet aan haar vader liet zien. Zij antwoordde een paar
+dagen later, en tot haar zalige verbazing stond Jozef weer twee dagen na
+de afzending van het antwoord, in levenden lijve voor haar, met zijn
+fraayen knevel en lieve handen. Er was niets ongewoons aan hem te zien.
+
+Dit was eergisteren geweest. En nu, van-avond, kwam het tot eene
+verklaring. Al die dingen uit haar jeugd en van de laatste jaren,
+herinnerde Mathilde zich levendig. Wat een goddelijke gewaarwording was
+'t nu, terwijl alles zoo zacht en stil was om haar heen, in dezen
+zomernacht, aan de angsten en narigheden van vroeger te denken. Al die
+treurige donkere uren, waarin zij zonder hoop was, al die
+teleurstellingen en niet uitkomende verwachtingen, al die zuchten en
+tranen, gingen nu op in een juichende vreugde vol glorie en licht. Weer
+droomde Mathilde zich wech in wat van avond aan de piano was gebeurd.
+Weer en nog eens weer liet zij het Jozef zeggen, dat hij zooveel, zoo
+veel van haar hield, weer voelde zij zijn adem langs hals gaan; zij
+merkte dat haar hart zoo vol was, als het maar zijn kon, dat het
+overliep, dat het geluk haar overstroomde. Zij had een behoefte om iets
+te zeggen. Er drukte haar iets daar van binnen, dat zij niet omvatten
+kon. Het klom haar tot hoog in de keel, het zwierde als een kramp door
+haar vingers, het moest er uit, zij wilde het roepen tegen iedereen, zij
+wilde het uitzingen aan de ooren van alle menschen die er in Amsterdam
+leefden en die begrepen, wat geluk was.
+
+Zij stond op voor het open venster, en, over het ijzeren hekje leunend,
+keek zij naar de straat beneden. Over de brug, die zij rechts in de
+schuinte zag, stapte haastig een man voort, een heer, den kraag van zijn
+overjas opgeslagen, want hij scheen het koud te hebben in Juli. Mathilde
+kwam op de gedachte, dat het Jozef wel kon zijn, die nog eens voorbij
+haar wilde gaan, om te zien of zij sliep of op was. Zij bukte zich
+gevaarlijk ver over het hekje om te kunnen onverscheiden. Maar zonder
+dat ook maar het open venster een oogenblik zijn aandacht trok, liep de
+meneer snel voort en verdween in de straat. Mathilde keek nu langs de
+gevels en stoepen der huizen onder haar en aan d' overkant. Misschien
+was Jozef wel ergens verscholen om dichtbij haar te zijn. Zij zag iets
+zwarts, daar, links bij een kelderdeur. Maar neen, het waren stukken
+hout, die daar opgestapeld lagen. Ze keek voor niets, alles was stil en
+zonder menschen. Zij keek in de boomen, en elke opening, en elk
+bladerenvak nam zijn gestalte aan. Overal lachte de schaduw van haar
+mooyen Jozef haar tegen. Zoo duidelijk gonsde zijn stem om haar heen en
+zoo dringend wenkten zijn armen uit de takken, dat zij er bang voor
+werd. Langzamerhand was er een frischheid gekomen in de roerloosheid van
+den nacht. En heel even schemerde er een vage, dof-witte glans tusschen
+een spleet der daken, in het oosten, voor haar uit, midden boven de
+zwartheid der huizen in de Hoogstraat. Maar Mathilde zag het niet. Zij
+liet haar blikken weder langs de lantaarns gaan en telde de lichtjes.
+Zij kon maar niet tot een eind komen. Zij zag de vlammetjes na de
+vlammetjes komen en weer anderen, en weer anderen in de verte, zij zag
+er meer en altijd meer. Zij brandden groen, kallem op, als bloemen van
+vuur. Mathilde zag tot aan de uiterste lantaarn zij zag door tot aan den
+horizont en, achter den laatsten gasvlam, een beetje hooger, gloeiden de
+sterren aan den dalenden hemel. Mathilde telde de sterren, een voor een,
+en haar oogen sponnen stralen van de eene groep overzwervend in de
+andere, en altijd voort, over de heele luchtvlakte. Al die blauwzilveren
+en roodgouden stralende sterren van de donkerblauwe lucht dalend op haar
+hoofd, waren een kleur en een geflonker met haar ziel. In blinkende
+kringen, in warrelingen van zilverend blauw en goudend rood en lichtend
+groen dansten zij den rijdans van haar liefde. Maar Mathildes droomen
+kwijnden in een duizeling. Zij zag niets als goud en zilver. Een
+wemelende regen van helle vonken draaide er dooreen. Daalde haar blik
+tot de boomen, dan zag zij de sterren nog onder de takken, door de
+takken, overal in de rondte. En het gaslicht vlamde hoog daar tusschen
+door. En al heviger werd het vuur. Alles kwam samen en tintelde wech in
+elkaar. Er was een val van diamanten in een geel en roode vlammenzee.
+Toen, zich wechdenkend in dat visioen, tegenover dien hemel van goud,
+die daar brandde, rees het woord op uit de diepste diepte van haar
+gemoed, toen zeide zij aan de vlammende ruimte voor haar, haar geheim,
+en, de handen naar voren om te danken, zei zij hardop: O God, o God, wat
+ben ik gelukkig!
+
+Een grijs licht steeg in de rondte, de huizen schemerden droevig.
+Mathilde, door de koelte verrast, deed haar ramen dicht. Zij kleedde
+zich gauw verder uit en sliep kalm in op haar witte kussen. De brief van
+Jozef, dien zij op haar borst droeg, stak hoog uit haar nachthemd op.
+
+En boven de huizen rees buiten een mooye dag, zonder wolken en zonder
+wind.
+
+
+
+
+II.
+
+
+Een week later, in een zon-doorsijpelden ochtend om half tien, stond
+Mathilde in de voorkamer, haar rug naar de straat, voor de kleine ronde
+tafel met een half-vuil servetje, waaraan ze ontbeten hadden, de
+blauw-gebloemde kopjes om te wasschen, terwijl haar vader, als naar
+gewoonte, zijn morgenwandeling was gaan doen. Zij had een grijs
+japonnetje aan, tot op den grond, zonder sleep, met smal zwart fluweel
+lint afgezet, en dat in een eenvoudig plooisel haar hals omsloot, nog
+een oude jurk van haar laatste kostschooljaar; die zij nu verder
+versleet, als ze stil alleen thuis was. Haar zwarte haar, met een
+scheiding in 't midden, hing in twee gordijntjes over haar voorhoofd,
+boven de ooren heen van achteren opgehouden in een knoetje. Aan
+weerszijde sluikten voor de ooren korte vlosjes vlassig naar beneden,
+die de breedte der wangen braken. Maar een onrust drukte haar lippen
+tegen elkaar en schaduwde aan de mondhoeken. De wenkbrauwen waren een
+beetje naar het midden boven den neus getrokken en haar oogen gingen met
+een ongewonen ernst en aandacht van het eene kopje naar het andere.
+
+Zij had verschillende redenen om niet op haar gemak te zijn. Zij had
+veel nagedacht na dien laatsten avond vol geluk. Er waren wijze maar
+nare bedenkingen bij haar opgekomen ... Maar vooral kon zij zich niet
+begrijpen, dat Jozef niets meer van zich had laten hooren. Hij had zich
+in 't geheel niet meer vertoond, dit maakte haar bijna angstig. Waarom
+zou dat zijn? Hij kwam anders altijd ten minste tweemaal in de week eens
+aan. Dit was dermate regel geworden, dat haar vader zich ook over zijn
+wechblijven had verwonderd. Toen zij den eersten morgen na zijn
+liefdesverklaring was wakker geworden, had zij gedacht, dat alles nu van
+zelf goed zou gaan. Zij had volstrekt aan de moeyelijkheden niet
+gedacht. De behoefte aan de verwezenlijking van wat zij hoopte gaf haar
+een vaag gevoel, een onberedeneerde zekerheid, dat de zaken verder
+uitnemend moesten loopen. En daar gaf Jozef nu taal noch teeken.
+Allerlei ideeen had zij nu daarover. Eerst vroeg zij zich af, of het
+niet aan haar was den tweeden stap te doen, of hij niet wachtte op een
+andwoord, rekenende zijn vraag te hebben gesteld, op een geschreven
+bericht. Zoo-wat een uur lang was zij er zeker van, dat dit zoo het
+gebruik was, en zij wilde haar map al krijgen om te schrijven. Maar in
+eens viel 't haar in, dat 't heel goed mogelijk kon zijn, dat zij zich
+totaal vergiste, dat Jozef in 't geheel nog niet gedacht had haar ten
+huwelijk te vragen of zoo iets, dat zijn gevoel hem alleen was ontsnapt,
+en hij misschien zich juist niet meer durfde te laten zien, om dat hij
+verlegen was met zijn voorbarigheid en met den onberaden stap, dien hij
+had gedaan. Ja, misschien was 't volstrekt zijn plan niet haar te
+trouwen, en wilde hij een rijker meisje hebben.
+
+Het vraagstuk van het geld bleef haar nu voortdurend bezighouden. Al
+meer dan eens in de laatste dagen, had zij haar vader naar een staat van
+haar bruidschat willen vragen. Maar telkens had zij niet goed gedurfd;
+zij kon zich over haar liefde tegen haar vader nog maar niet uitlaten.
+Het vraagstuk van het geld werd ook weer van minder belang door een
+ander idee; Jozef's liefde stond namelijk natuurlijk te hoog om zich met
+dergelijke beuzelarijen in te laten. Liefde voor iemant anders kon 't
+toch ook eigenlijk niet wezen, die maakte dat Jozef nu zoo op zich liet
+wachten, daarvoor waren zijn woorden te gemeend geweest, dat had zij wel
+gemerkt. Maar toch, juist omdat zij hem zoo een schitterende
+persoonlijkheid vond, die ook voor zijn uiterlijk niet weinig zorgde en
+heelemaal wel een beetje een wereldsch voorkomen had, kon 't best zijn,
+dat er nog iets tusschen Jozef en andere vrouwen bestond. Mathilde had
+daar een heel duistere voorstelling van. Zij was nooit ingewijd geweest
+in de verboden praatjes van haar medeleerlingen op de kostschool. Zij
+was altijd onder de oppassende kinderen geweest, en hier in de stad had
+zij in het stille vaderlijk huis, met zoo weinig omgang en waar zoo
+weinig vreemden kwamen, ook al niets gehoord. Haar hoofd schuin voorover
+gebogen, een oude houding van haar, waardoor haar hals zich onder de kin
+plooide, terwijl zij met de lange slanke vingers de blauw gebloemde
+theekopjes in het lauwe water liet drijven en dansen en ze met een klank
+als van dorpsklokgelui in de verte, tegen de wanden der porseleinen
+omwaschkom aanschommelden, voelde zij zich van een groote langzaamheid
+en lauwheid doordringen. Zij vond het plezierig te kijken zonder te
+zien; de theedoek, met een bleekrood randje afgezet, hing slapjes over
+haar arm. En in nevelige beelden zag zij inwendig vreemdsoortige
+vrouwenfiguren opdoemen, de eene met een eeuwigen gouden glimlach om den
+mond, de andere met een onverwelkbaren vreeselijk grooten bloemruiker
+aan den boezem, weer anderen van een ongekende zwier en statie, met
+roode haren van vuur die tot ver over de purper-satijnen sleepen van hun
+kleed vielen, met oogen van diamanten. Allen waren om Jozef heen en
+wilden hem met zich meenemen. Zij waren allen op hem verliefd. En hij
+stond te midden van hen, aarzelende. Dat waren de "slechte vrouwen" van
+de wereld, die Mathilde in haar droom van den laatsten nacht had gezien.
+Dit was de eenige manier waarop haar vage jaloezie voor den dag kwam.
+Mathilde had iets duivelachtigs in den reuzenlach dier vrouwen gezien en
+zij wilde dat Jozef naar haar kijken zou en zij probeerde te glimlachen
+met een liefde zoo groot, dat zij triomfeerde en Jozef naar haar toe kwam.
+
+En zij glimlachte werkelijk, want zij zag hem weer vlak voor haar, en
+zij kwam tot bezinning. Haar nare gedachten gingen wech. Haar liefde
+verontschuldigde hem dadelijk en opperde alleen veronderstellingen, die
+in haar voordeel waren. Hij bleef misschien wech, om dat hij van
+aandoening over wat hij gezegd had ongesteld was geworden, misschien ook
+had hij weer ineens op reis gemoeten, of, wat ook mogelijk was, er
+ontbrak misschien 't een of ander aan zijn uiterlijk, dat wilde laten
+herstellen voor hij Mathilde andwoord kwam vragen, in de gedachte dat
+zij dan liever zou wezen. Om dat zij in zijn plaats daar precies zoo mee
+gehandeld zou hebben, kwam deze gedachte van koketterie haar het
+waarschijnlijkst voor en bleef zij er aan vasthouden. Zij ging nu na, of
+alles niet heelemaal in orde was geweest aan zijn gezicht, handen en
+kleeren, den laatsten avond. En zij bleef lang hieraan denken, daar zij,
+zonder het zich zelve toe te geven, op deze manier de gelegenheid had,
+om zijn uiterlijk, daar zij zooveel van hield, tot in kleinigheden na te
+gaan. Zou hij wachten tot zijn haar weer wat langer was, wetende, dat
+dit hem beter stond, of moesten zijn knevels weer zoo lang worden, als
+toen hij pas van de reis te-rug was? Zijn wangen, zijn voorhoofd en
+oogen, waar maar geen schrampje, dat eerst zou moeten herstellen, aan te
+bekennen viel, werden onderzocht. Mathilde dacht zelfs over de nagels
+van zijn vingers, en kwam toen plotseling op het idee, dat hij een nieuw
+pak wachtte, waarover zij samen hadden gesproken een paar dagen geleden
+en dat hij van die donkergroene stof zou laten maken, die Mathilde vond
+dat hem zoo goed stond.
+
+Maar op die manier kwam Mathilde niets vooruit. Jans slofte binnen, en
+samen borgen zij het ontbijtgoed wech, door den gang, in een muurkast en
+in een laag buffetje in de achterkamer. Jans zei, dat 't vandaag mooi
+weer was, maar erg warm op straat. Verder beklaagde zij zich over den
+bakker, die het fransche broodje voor meneer van-morgen weer had vergeten,
+zoo dat Jans zelf het in de buurt had moeten halen.
+
+U is te lichtzinnig in uw oordeel, had een jaar of drie geleden de oude
+heer Berlage eens tegen Jozef gezegd, toen ze een heel ernstig gesprek
+over staatszaken hadden en de diskussie een beetje hoog was geloopen.
+Dit woord had Mathilde toen in haar oor geknoopt, onwillekeurig was 't
+haar bijgebleven. Ook nu schoot 't haar, zonder de minste aanleiding,
+weer te binnen. En zij dacht in eens, dat Jozef wel een heel
+onstandvastig en luchtig karakter kon hebben. En als ze dan eens met hem
+trouwde, en eens heel ongelukkig werd? o, ongelukkig, ongelukkig met
+hem? Nee, dat was volstrekt onmogelijk! Maar 't was toch een heel iets,
+zoo voor je heele leven. Juist heerlijk, dat 't zoo lang duurde, daar 't
+toch met hem was! Maar waarom bleef hij dan nu ook zoo lang wech? ... Er
+kwam nog iets bij. Het was een groote kwestie of vader dit alles maar
+zoo goed zou vinden. Wanneer zij samen alleen zaten, had hij wel eens
+over haar huwelijk gesproken, en hij had er altijd op gedrukt, dat 't
+zoo plezierig voor hen allebei was nog een heden tijd met mekaar te
+kunnen leven, want, zei hij, als hij over een jaar of tien stierf, was
+zij nog altijd jong genoeg om een goeye partij te doen ... En nu wou zij
+zoo ontzettend graag zoo dadelijk mogelijk met Jozef trouwen. O, zij
+verlangde zoo naar hem.
+
+Zij ging voor het venster zitten met een borduurwerk, tegen de dagorde
+in, want boven stond nog een heele bak met schoon linnengoed, dat
+geborgen moest worden. Maar zij verwachtte Jozef iedere minuut. Telkens,
+wanneer er iemant voorbijliep, keek ze op. Zij wilde niet gaan uit
+zitten kijken in de richting, waar hij vandaan moest komen. Dit had zij
+eergisteren bijna gedaan, maar ze was er gauw mee uitgescheiden, want
+dit zou al te vleyend voor hem zijn. Maar in de schuinte, terwijl haar
+handen aan het borduurwerk bleven bewegen, liet zij haar blikken, half
+wech schuilend achter de oogharen, over de straat gaan. Hoe of zij het
+ook hoopte, toch was zij zenuwachtig beangst, dat hij komen zou.
+Tusschenbeide stond zij op en liep haastig het vertrek op en neer, en
+lei de handen voor zich uit tegen het behangsel, als om aan den wand te
+vragen wat hij zeggen zou en wat zij andwoorden. En ging dan plotseling
+weer zitten, zich dwingende om kalm te werken.
+
+Daar werd gehoest op straat vlak bij het venster. Schichtig keek
+Mathilde op. 't Was Jozef, doodeenvoudig. Hij stond met een hoogen
+glimmenden, prachtig glad gestreken hoed op, voor de deur en schelde.
+Zijn zakdoek, met een rood randje, wapperde in den wind voor zijn
+gezicht. Hij stond met zijn rug naar het huis toe. Hij had Mathilde
+stellig zien zitten en durfde uit verlegenheid niet naar binnen kijken.
+Jans kwam aansloffen uit de keuken. Mathilde was met woede gaan
+borduren. Alsof zij in den sneltrein zat en een andere sneltrein reed
+dien voorbij, zoo snel en zoo ratelend gleed haar plotseling het idee
+door de hersens om "niet thuis" te geven. En met een wreede blijdschap,
+die geen sekonde duurde, dacht zij, hoe zij in dit oogenblik hem
+misschien voor altijd van haar zou kunnen vervreemden, door Jans "niet
+thuis" te laten zeggen, nu hij haar al moest hebben gezien. Jans deed in
+dien tijd de voordeur open. Mathilde had in een bibberende kalmte haar
+werk in de vensterbank gelegd en was opgestaan, niet wetende wat te
+doen. Zij werd rood en bleek en verschrikkelijk zenuwachtig, zij voelde
+haar mond droog worden. Er steeg een kramp op uit haar maag tot boven in
+de keel. Zij liep tot vlak bij de deur, die op een kier stond, om te
+luisteren. Zij hoorde alles wat er gesproken werd, en toch scheen 't
+haar, als hoorde zij niets; als een dof gebrom uit de verte klonken de
+woorden, die Jozef en Jans zeiden. De adertjes aan haar slapen zwollen
+tot fijne dofblauwe slangetjes; met een open mond, en haar handen in een
+zenuwachtige beweging uitgestrekt naar achteren, het hoofd naar voren
+gebogen, luisterde zij, terwijl haar oogen rood werden. Daarna werd zij
+heel erg bleek en begon geducht over haar heele lichaam te beven, want
+Jozef klopte op de deur. Heel zachtjes, heel zachtjes zeide zij
+"binnen!" Met een driftigen stoot deed Jozef de deur open en weer
+dadelijk achter zich toe. Hij had geen handschoenen aan. Hij was ook
+bleek en zijn oogleden sidderden. Hij zag Mathilde strak aan, zonder een
+woord te zeggen. Zij had haar oogen neergedaan. Maar langzaam, met een
+instinkmatige beweging, strekte zij haar armen half uit in de richting,
+waar hij stond. Hij, dat ziende, zette haastig zijn hoed op de tafel,
+die er afviel en over den vloer rolde, hij nam haar twee kouwige handen,
+en trok haar zoo naar zich toe. Zij kwam zachtjes dichterbij. Toen hun
+hoofden vlak bij elkaar waren, keek Mathilde hem aan. Hun blikken gingen
+in elkaar. Zoo gaf Mathilde zich. In onbewuste beweging, kwam zij met
+haar mond naar voren. Hij boog zich een beetje en zij zoenden elkaar
+lang, voor het eerst. Verwonderd over zich zelf, beschaamd, en hevig
+aangedaan, huilde Mathilde nu, haar gezicht tegen zijn jas. Zij hadden
+nog altijd niets gezegd. Jozef kreeg zijn batisten zakdoekje uit zijn
+borstzak en droogde er zoowat haar tranen mee wech. Maar zij keerde zich
+af, zij snikte stilletjes en bij langere tusschenpoozen; zij ging achter
+in de kamer zitten, haar zakdoek voor de oogen. Jozef veegde zijn
+gezicht af, keek naar zijn hoed om, raapte hem op, zette hem op een
+stoel en schikte zijn zakdoekje in zijn borstzak. Toen wist hij
+volstrekt niet meer wat te doen. Hij ging dus voor den spiegel staan en
+peuterde aan zijn gekleurde das. Mathilde was weer opgestaan, bleek,
+maar tot bedaren gekomen. En zij vroeg, als dorst ze over hun liefde nog
+niet te spreken, terwijl ze hem met nog natte oogen aanzag:
+
+--Wee-je ook iets drinken, Jozef?
+
+Hij, verwonderd over die vraag, andwoordde:
+
+--Nee, dank-je, het is nog zoo vroeg.
+
+Hij draaide zich naar haar toe, greep haar van achteren bij de armen zoo
+dat zij met haar schouder tegen zijn borst kwam te staan. Hij behandelde
+haar weer als een klein meisje. Vroeger, voor zij naar het kostsschool
+was gegaan, hadden zij honderderd maal zoo gestaan. Hij boog zijn hoofd
+tot naast het hare. Haar haren gingen langs zijn kin.
+
+--Je bent toch niet boos? vroeg hij, ik kon het niet langer inhouden.
+
+--Wat bedoel je? fluisterde zij.
+
+Wat ik verleden week bij de piano heb gezeid. Zij keek hem aan met
+lachen en huilen om haar mond heen. Toen keek zij weer voor zich en zei:
+Nee, ik ben niet boos.
+
+Hij zoende haar voorhoofd en liet haar los.
+
+--Mag ik nou nog wel hier blijven, nou je vader d'r niet is? Vroeg hij
+weer.
+
+--Vader mag er niets van weten.
+
+--Waarom niet?
+
+--Zij waren naast elkaar op twee stoelen aan den wand gaan zitten, om te
+praten. Het was bizonder licht en levendig in de kamer: een heldere dag.
+Mathilde lei aan Jozef uit, hoe ze vooreerst niets van aan haar vader
+zou durven zeggen, want dat 't hem treffen zou als een onverwachte slag.
+Zij, zijn dochter, was zijn eenig gezelschap, zijn eenige steun, het
+eenige, wat hij nog in zijn leven had. En nu begreep zij zelf heel goed,
+dat hij niets graag van haar scheiden zou. Jozef moest dat ook inzien.
+Zij zouden 't best doen met vooreerst te wachten, tot er zich van zelf
+een gelegenheid zou voordoen, om van hun plannen te spreken. Jozef had
+haar handen in de zijnen genomen. Toen zij uitgesproken had, zeide hij
+alleen: Thilde, wij zijn voor mekaar gemaakt. Als om met haar volle
+verstand er bij te zijn, zag zij nu klaar in zijn oogen, en antwoordde
+bedaard: Ik hou zooveel van je, zooveel, dat ik zonder jou nooit zou
+kunnen leven. Hij glimlachte en zoende haar handen.
+
+--Kom nog een beetje dichter bij me zitten, zei hij, zijn arm om haar
+hals leggend. Zij deed 't, haar hoofd gleed langs zijn schouder tot half
+onder zijn kin. Zij zag naar hem op, en zij spraken verder, haar twee
+handen steunden op zijn mooye linkerhand. Hij merkte, dat zij zich
+heelemaal aan hem gegeven had en keek voortdurend op haar neer, met een
+vriendelijk gemak, zich nu al zeer thuis voelend in de nieuwe verhouding.
+Mathilde verwonderde zich, dat wat daarzoo gebeurd was zoo eenvoudig in
+zijn werk was gegaan. Zij voelde zich nu heerlijk rustig.
+
+--Zou 't dus nog lang moeten duren? vroeg hij, wij zijn al zoolang voor
+mekaar bestemd. Zij meende van ja, zij wist volstrekt geen middelen om
+haar vader aan de gedachte van een scheiding te wennen.
+
+--Al duurt 't nu ook nog een tijdje, we zullen toch erg gelukkig zijn,
+en we, ten minste ik, ik ben het nu al, zei ze zachtjes. Zij maakte
+meteen een knoop van zijn vest dicht, die los was gegaan, en schrok
+daarbij van wat ze deed.
+
+--Ja, maar ik niet, andwoordde hij, of liever, ik zou nog veel
+gelukkiger worden dan ... Mathilde hield hem niet zoo vast meer. Het
+maakte een naargeestige nieuwsgierigheid in haar gaande als er zoo over
+het huwelijk gesproken werd. Zij wist wel dat 't iets heel groots moest
+zijn, iets van lichaam en ziel vereenigd maar verder niet. Het maakte
+haar ook erg verlegen:
+
+Jozef voelde iets als een koude verwijdering. Onder het voorwendsel aan
+het raam iemant te willen zien, die op straat voorbijging aan d' overkant,
+had Mathilde Jozefs armen van zich losgemaakt en was zij voor 't venster
+gaan staan, den rug naar Jozef gekeerd, die bleef zitten, zonder te weten
+waar zijn handen te laten. Met een linksche beweging stond ook hij op en
+kwam naast haar staan. Zij keek naar buiten.
+
+--Wat blijft de modder op dat nieuwe soort zand lang liggen, zei ze, als
+in gedachte, zonder hem aan te zien, de oogen naar de Hoogstraat.
+
+--Ja, andwoordde hij, zonder haar weer te durven aanraken, ze hadden
+daar nooit mee moeten beginnen.
+
+Toen zeiden ze geen van beiden een woord meer. Mathilde keerde zich om
+en drentelde door de kamer haar zakdoek met de handen vervouwende. Een
+onverdrijfbare bevreemding vervulde haar over de zoo in-eens ontstane
+nieuwe verhouding, waarin zij tot dien Jozef van Wilden was. Zij bekeek
+zich zelf en hem en zag verwonderd door het vertrek, naar de
+staalgravuren langs den wand en de bronzen pendule op den schoorsteen,
+die stomme getuigen waren van dit zonderling voorval. Er was een strakke
+stilte. Het scheen haar, als was Jozef een vreemdeling. Zij had dien man
+jarenlang gekend, zij was altijd zijn vriendin en hij haar Vriend
+geweest tot voor een week geleden nog, en nu waren zij plotseling
+geengageerden. Voor de verrassende gewaarwording der werkelijkheid van
+het oogenblik, verdween de geheele geschiedenis van haar stille liefde,
+het groote gevoel van bevrediging en geluk, dat zij dien avond toen hij
+het gezegd had, had gehad. Hij stond in levenden lijve voor haar en ze
+dorst niet meer naar hem omzien en begreep zich maar niet, wat haar
+bewogen had om die man zoo-even te omhelzen en zich aan zijn borst te
+houden. Vroeger zou zij zoo iets nooit gedaan hebben. Zij zag de punten
+van zijn knevel aan weerszijde van zijn hoofd uitsteken. Hij beet juist
+op zijn lippen. Zijn vond zijn onderlip nu leelijk dik. Zij zag dat hij
+een scheiding op zijn achterhoofd droeg; dit was trouwens al jaren zijn
+gewoonte, maar nooit had ze 't zoo opgemerkt als nu. Ze vond het
+fatterig, maar zij zou 't hem ook wel afleeren als zij maar eens
+getrouwd waren. Zij vond zijn achterhoofd en de manier, waarop de
+onderste haartjes over den rand van zijn staande witten boord heen en
+weer wipten, als hij zijn hoofd meer naar voren of naar achteren hield,
+niets gracieus. Zij zag zijn mooye jas, en zij kon zich maar niet
+voorstellen wat vijf minuten geleden gemaakt had dat zij haar wang op
+die jas lei. Dat was bepaald onfatsoenlijk van haar geweest. Een
+licht-rimpelende wreveltint kwam over haar gezicht. Zij ging de pendule
+opwinden. Nu herinnerde zij zich duidelijk, dat zij gerooken had, toen
+ze zoo dicht bij hem was, dat hij parfum op zijn jaslapel had met een
+vage lucht van oude tabak. Zij kreeg haast een afkeer van dien man. Zij
+was vroeger, toen ze nog goede kameraden waren, nog nooit zoo boos op
+hem geweest als nu.
+
+Jozef draaide zich naar haar toe. Het viel haar op, dat hij er een
+beetje plomp uitzag.
+
+--Ik geloof, dat ik er iets op weet, zei hij; een heel eenvoudig middel.
+
+--Waarop? vroeg ze.
+
+--Om gauw te kunnen trouwen en toch vader geen verdriet te doen.
+
+--Wat dan? vroeg Mathilde. Dat "vader", zonder "jou" er voor, maakte
+haar nog balooriger.
+
+Hij lei haar nu uit, dat niets gemakkelijker was, dan dat zij, na hun
+huwelijkreis, met haar vader samen gingen wonen, en hij dus altijd in
+hun gezelschap zou zijn, en Mathildes zorg niet hoefde te verliezen,
+integendeel, op die manier een gezelligen en vroolijken ouwen dag
+zou hebben.
+
+Maar zij was uit haar humeur: Wat spreek je al over al die dingen, over
+huwelijksreizen, als of dat zoo maar morgen gebeuren kon, zei ze, ik
+dacht, dat daar altijd pas na maanden over gesproken werd.
+
+Nu was Jozef op zijn beurt ten hoogste verwonderd. Hij had integendeel
+gedacht, dat 't haar heel aangenaam zou zijn zoo gauw mogelijk met alles
+klaar te komen en alles lang vooruit te bespreken en te bepalen. Hij had
+haar nog nooit op zoo'n vreemden toon hooren spreken.
+
+--Maar, Mathilde, hoe kan je nu zoo wezen! Als ik je pas een paar
+maanden kende of zoo, als ik je een het hof had gemaakt en ik wou je
+daarna op manier ten huwelijk komen vragen, dan zoude wij misschien ...
+of nee, dan zou toch nog mijn eerste gedachte zijn, natuurlijk, over ons
+huwelijk, de huwelijksreis en al die dingen, ... dat spreekt immers
+vanzelf ... en hoeveel te eerder nu, wij kennen mekaar al zoo lang, we
+zijn als 't ware voor mekaar geschapen en wat nu gebeurt is een
+natuurlijk gevolg onzen heelen omgang van vroeger, ... nu is 't des te
+natuurlijker, dat wij dadelijk over die zaken spreken.
+
+Maar zij liet zich niet overreden. En om nu over de zaak zelf te
+spreken, zij had ook verstand van het leven. Wanneer ze dan eenmaal
+gevestigd zouden zijn, zou vader nooit bij hun in komen wonen;
+schoonmoeders of schoonvaders in huis brachten nooit geluk. Vader zou
+zijn kleine gewoontes geeerbiedigd willen zien, die met hun levenswijze
+niet stroken zou. Vader was gewend aan stilte, aan rust, aan
+eenzaamheid, aan zijn minste verlangens dadelijk te voldoen. En zij met
+hun tweeen, ze begreep heel goed, dat ze veel uit zouden gaan, menschen
+zien, partijtjes geven misschien en allerlei drukte hebben, waar vader
+niet van hield. Mathilde telde een massa bezwaren op, het eene kwam
+voort uit het andere, zij vond er een zeker pleizier in, in een hoop
+woorden zich de toekomst zoo naar mogelijk voor te stellen. En in-eens
+midden in al dat gepraat, kwam haar toekomstig moederschap voor den dag.
+Zij zeide, en werd dadelijk vuurrood: En als er een kindje komt, wat
+dan? Ze had Jans, de meid, dit wel eens hooren zeggen. En zij redeneerde
+voort over het kindje. Als er een kindje kwam, wat dan? Dan zou 't voor
+vader niet meer om uit te houden zijn. Ten eerste het voortdurend
+geschreeuw van het kindje, later zijn vermoedelijke wilde speelschheid,
+ten tweede de onmogelijkheid voor haar, om zich verder veel met haar
+vader bezig te houden. Dit zou dan heelemaal onmogelijk worden. Neen, 't
+kon niet, onmogelijk; zij moesten nooit een oogenblik denken, dat vader
+bij hen in zou komen wonen.
+
+Dood-bedaard had Jozef naar haar geluisterd. Hij vond haar allerliefst
+in haar kriegligheid, die hij zich niet begreep. Het driftig bewegen van
+haar lippen deed hem plezierig aan. Toen zij van 't kindje sprak, had
+hij 't lastig gevonden haar aan te blijven kijken en was met snel
+knippende luisterende oogen weer uit het raam gaan kijken. Heel ernstig
+vroeg hij:
+
+--Hou-je van me, 'Thilde, is 't wezenlijk waar, zooals je het gezeid
+heb?
+
+Haar goede gemoed kwam boven: Ja, wezenlijk heel veel.
+
+--Nou, laten we er dan maar niet meer over spreken. Als wij van mekaar
+houden, zal alles verder zich van zelf wel schikken. Ik zal over alles,
+wat je gezeid heb, eens op mijn gemak nadenken. Jozef had de Stuwen, met
+zijn zwak in-eengedoken gangetje, op straat aan zien komen en wou dus
+een einde aan de diskussie maken.
+
+--Geef me dan nog een zoen, daar is je vader, zei hij. De zoen werd
+gegeven heel gauw, maar Mathilde hield haar mond op-zij en er bleef
+eventjes een klein vochtig schaduwkringetje op haar wang. Toen haar
+vader de stoep opkwam en Jozef hem groette met zijn hand, veegde haar
+zakdoek 't stilletjes wech.
+
+'t Was half-twaalf geworden. De heer de Stuwen morrelde even met zijn
+huissleutel in het slot, veegde zijn voeten af op de vloermat, en hing
+zijn jas en hoed aan den kleinen standaard, zette zijn stok in den bak
+en kwam binnen, met een groote witte linnen zakdoek zijn neus snuitende.
+De twee heeren gaven mekaar een hand. He, he, 't is heerlijk weer, zei
+de Stuwen. Van Wilden, waar kom jij van-daan? ik dacht dat je gestorven
+was ... Zeker weer op reis geweest ... He, he, ik ben lang wechgebleven ...
+Gaan we nog geen koffiedrinken, kind? Mathilde keek op haar horloge,
+dat, met een dik zwart koordje in een knoopsgat van haar lijf vast zat.
+Zij schrok, om dat 't al zoo laat was en ging gauw de kamer uit. Zij
+kwam nog even te-rug.
+
+--Mag ik voor jou ook dekken, Jozef?
+
+--Nee, dank-je, ik zou 't heel graag doen, maar ik heb afgesproken om in
+de club te komen.
+
+Wech was zij. Zij hoorden haar in de achterkamer bij het buffetje bezig.
+Jozef kreeg donkergrijze handschoenen te voorschijn uit de pandzakken
+van zijn jas en trok den linker aan. Hij streek zijn hoed glad met zijn
+voorarm waarover hij met de hand het laken van zijn mouw strak gespannen
+hield, en maakte een praatje met de Stuwen. Hij vroeg hem, of hij ook
+gezien had, hoe of het stond op den Dam met het opbreken van de
+gaspijpen voor Hajenius, dat al zoo lang de passage had belemmerd. Zoo
+spraken zij nog over eenige andere zaakjes.. Jozef nam daarna afscheid.
+Nee, blijft u binnen, zei hij, toen de heer de Stuwen hem wilde
+uitlaten, ik zal er alleen wel uitkomen. De heer de Stuwen liet zich
+gezeggen; hij was nog moe van de wandeling. Toen Jozef den knop van de
+voordeur omdraaide, om het huis uit te gaan, kwam Mathilde gauw achter
+uit den gang naar hem toe. Zij sprak gejaagd, terwijl zij hem met hevige
+oogen aanzag: Ik heb zoo'n berouw over mijn stuurschheid van daar-zoo;
+ben je d'er nog boos om?
+
+--Dat weet-je wel beter, zei hij, en het was ook eigenlijk mijn schuld.
+Maar hij moest het nog eens zeggen:
+
+--Wat zeg-je?
+
+--Dat ik volstrekt niet boos ben en dat ik nooit boos op jou zou kunnen
+zijn.
+
+--Zeg in allen geval nog niets aan vader, laat hem niets merken. Ik moet
+het hem langzamerhand vertellen. En kom van avond te-rug, toe, zal je 't
+doen, ja, toe, of uiterlijk morgenvroeg, dan ben ik weer alleen, voor de
+koffie.
+
+--Goed, zei hij en wilde haar voorhoofd zoenen. Maar zij ging achteruit.
+
+--Pas op voor Jans, zei ze, die mag ook nog niets zien.
+
+Toen Mathilde weer binnenkwam met het dekkertje en den witten broodzak,
+zat haar vader uit te rusten in den leuningstoel, die in den hoek bij
+het venster stond.
+
+--Als 't zulk mooi weer is, zei hij, hebben die ruiten een glans,
+precies als van blinkend staal ... Ik had volstrekt niet gezien, dat van
+Wilden hier was ... Was hij er al lang? ...
+
+--Nee, op zijn hoogst een kwartier, antwoordde Mathilde, wat ie eigenlijk
+doen kwam, weet ik niet.
+
+--Och, hij kwam zeker maar een morgenpraatje maken voor ie naar de club
+ging.
+
+Mathilde zette klaar: den broodbak in het midden van de tafel met een
+lankwerpig versch brood, niet aan den eenen kant een laag wit paperig
+kruim, dat in een koker van korst was geborgen. Het hellende dak der
+korst, van boven, was donker zwart bruin en ging, bij het zijwaards
+afdalen van de korst, in een melkchocolade-kleurig bruin over, van daar
+in lichter bruin, geel bruin, en de onderkant was grijzig geel, zwart
+doorschemerend. Aan den eenen uithoek was ook weer het kruim zichtbaar,
+de andere was een geel bruinig rontetje, als de kin van een Indische
+vrouw. Aan weerszijde van de tafel werd een bord van glimmend wit
+aardewerk gezet, een stalen tafelmesje met hard zwart-houten heft er
+naast. Aan den linkerkant van Mathildes bordje schoof zij het chineesch
+verlakte blaadje, waarop een flesch bessensap en twee bierglazen
+stonden, een witte suikerpot en een ingeleid lepeldoosje. Vier witte
+mekaar flankeerende schaaltjes, als vreeselijk groote verstijfde
+rozebladen, om den broodbak heen. Op het eene was grijs onmachinaal
+roggebrood, een stapeltje van zes dunne sneetjes, want vader was er dol
+op; op het tweede en stuk oranje-bruine stroopkoek, met een weeke zwarte
+korst, van regelmatige ribben oversneden. Op het derde lag een log stuk
+zoete-melksche kaas; op het vierde lagen zeven plakjes vettig blad-dun,
+bleekrood, van gespikkeld goud beglansd gekookt rookvleesch.
+
+De heer de Stuwen voelde zich heerlijk thuis te midden van die kleine
+burgerlijke spijzen. Hij zei: Kom-an, laten we nu maar aan den gang
+gaan. En hij ging op een door Mathilde klaar gezetten gewonen stoel
+zitten, voor het bordje. Hij was een erge liefhebber van brood en vond
+het ook een aangenaam gevoel brooden te hanteeren. Hij nam het brood,
+dat nu voor hem lag dan ook uit den bak en sneed er het uit-einde af, na
+er eerst met de punt van het mes een kruisje opgemaakt te hebben. Dit
+was een gewoonte, die zijn vrouw hem geleerd had en die hij, ofschoon
+hij niet aan de godsdienst deed, toch aan had gehouden. Hij dacht altijd
+aan zijn vrouw, die streng katholiek was, als hij dit kruisje maakte.
+Mathilde schonk de bessensap in. Zij wist van alles de maat voor haar
+vader: zooveel suiker, zooveel bessensap en zooveel water. Door te
+roeren loste zij de suiker op en gaf haar vader het glas aan. Deze vond
+'t lekker koel en stelde voor een raam open te zetten, hetgeen Mathilde
+deed. Een verward gegons, doormengd met een paar schrille schreeuwen van
+koopvrouwen, woei naar binnen. Er rolden rijtuigen over de brug met
+ratelend geraas en den matten paardenhoefslag. Muschgetjilp suizelde in
+den zomerwind uit de boomen. De heer de Stuwen duwde een sneetje
+roggebrood op zijn boterham, hield dezen vast met de linkerhand en sneed
+hem aan vier gelijke reepjes, die hij, een voor een, met een tevredenheid
+over het voldoen van deze zoo geoorloofde en gemoedelijke en bedaarde
+lust, aan zijn mond hief. Daarna dronk hij zijn glas weekroode bessensap
+tot aan den bodem leeg en vroeg om nog een glas aan Mathilde, die al met
+haar hand zat uitgestrekt; terwijl een klein koeltje door het open venster
+haar lichtste haren liet wuiven over haar voorhoofd, en haar bleek gezicht
+beter liet zien.
+
+--Kind, wat zie-je bleek.
+
+--Ik weet niet, vader; dat is zeker om dat ik van morgen een beetje
+hoofdpijn heb gehad.
+
+Eigenlijk was 't van geluk. Zij was wel een beetje boos op zich zelf,
+over de onaangenaamheden, die zij, zij zelf kon zich nu niet begrijpen
+hoe en waarom dat was gebeurd, aan Jozef gezegd had, maar dat hij
+gekomen was, eindelijk na dat eeuwige wachten van die lange, lange week,
+dat maakte haar erg blij. Zij wist weer niet wat zij doen zou van
+plezier. Ze kwam op het idee, dat haar vader verbaasde, om hem, ter
+gelegenheid van dit hun gewone koffidrinken, op iets extraas te
+trakteeren van haar eigen geld. Zij zei het hem; zij sprak van een
+blikje sardines, een leverworst, een ommelet, een biefstukje, dat Jans
+even kon halen bij den slager op den hoek van den steeg, enfin, wat hij
+maar wou. De vader begreep er niets van. Hoe kwam 't in haar op?
+Waarvoor die bizondere traktatie van-daag? Had ze een lotje uit de
+loterij getrokken, of was 't maar een nieuw grilletje? In allen geval
+bedankte hij, en zeide, dat als ze wilde, ter eere van het mooye weer of
+wat dan ook, zij voor het eten maar iets lekkers moest laten klaarmaken,
+dan zouden zij samen weer eens smullen. Nu vroeg Mathilde of de koffie
+gedaan was. Zij had haast om alleen te zijn, stil boven op haar kamer.
+
+--Ik ga van middag naar _Artis_, Thilde, zorg dat je over een
+kwartiertje klaar bent;
+
+--Ik wou liever thuisblijven, vader; ik heb boven nog zooveel te doen.
+De heer de Stuwen was verwonderd. Het was voor het eerst van zijn leven,
+dat hem zou iets overkwam. He! ging ze niet mee! Maar waarom dan niet,
+wat scheelde haar dan toch? Wat had zij dan nog te doen, wat? Den heele
+bak met linnen te bergen, die er nog stond! Een mooye grap, kon dat dan
+later niet gebeuren in plaats van vader alleen naar _Artis_ te laten
+gaan, waar hij zich zeker vervelen zou. Maar er was niets aan te doen.
+Mathilde noemde nog tien andere zaken op, die volstrekt gebeuren
+moesten. Vader ging alleen naar Artis.
+
+Mathilde was een te goede huisvrouw, om niet eerst het schoone goed, dat
+al zoo lang in de stof stond, te bergen, voor zij ging zitten teekenen
+en denken op haar kamer. Terwijl ze een voor een de stapels lakens,
+sloope en nachthemden, die nog een beetje vochtig aanvoelden en zwaar op
+elkaar lagen, in de ouderwetsche bruine kast, met een wit papier op
+eiken plank, schikte, en daarna vaders overhemden een plank hooger
+appart lei en zijn kousen nazag, of die ook gestopt moesten worden
+misschien, dacht ze er aan, dat deze huishoudelijke drukte nog niets was
+bij wat haar later te wachten stond als ze eens eenmaal getrouwd zou
+wezen. Ze wou dezelfde orde volgen, waaraan ze nu eenmaal gewoon was en
+die op den duur het best beviel. Zij ging voort met na te denken over al
+de groote pleizieren van het hebben en het bestieren van een eigen
+huishouding. Zij deed 't nu ook wel bijna, maar 't was toch dat niet;
+ten eerste moest alles gebeuren precies zou als vader het wou, en al
+dacht zij tusschenbeide heel anders als hij over allerlei dingen, zij
+sprak er nooit van, maar deed, wat hij wilde; ten tweede was Jans er,
+die haar had zien geboren worden en aan wie nooit in te prenten zou
+zijn, dat Thilde, die ze zou dikwijls schoone luyers had aangedaan, en
+die ze daarna zooveel jaren had zien spelen en springen door het huis,
+dat Thilde nu heelemaal behandeld moest worden zoo als men het anders
+een mevrouw deed; ja, Jans dorst op een heel wat hooger toon te spreken
+tusschenbeide, dan Mathilde het de meiden, die zij later zou nemen, zou
+laten doen. Zij wist wel, dat er nog in lang niet van komen zou, maar
+het zou er toch eens van komen en ze vond 't hoogst prettig zich dat
+alles nu al zou levendig voor te stellen. Ze zouden bepaald twee meiden
+houden, want Jozef zijn geld plus het hare, maakte dat zij best op zoo'n
+voet zouden kunnen leven. Op deze manier zou zij zelve ook meer tijd
+krijgen voor piano-en teekenstudien, dit hoofdzakelijk voor hem, om hem
+het leven aangenaam te maken. Zij vond het zoo verschrikkelijk heerlijk
+te denken aan hem, aan het leven met hem alleen, dat zij deze gedachte
+voor een soort van opperst onthaal voor haar hart en hersenen bewaarde.
+Zij ging namelijk door met zich in haar heele toekomstige leven in te
+denken, maar zich alleen met al het bijkomende bezighoudende, met de
+gracht, waar-zij een huis zouden kiezen, met de meubeleering van de
+kamers, met de wasch, met de meiden, met de partijtjes, die zij geven
+zouden, met den zolder, met den gootsteen, met de toiletten, waarin zij
+gekleed zou gaan en zoo meer. Een enkele keer liet zij even de gedachte
+doorschemeren, die haar het meeste geluk gaf: het samenzijn en het
+alleen-samenzijn met hem; zij bespaarde die stof, met glinsterende oogen
+en zuchtende borst, en lei voorzichtig de overhemden van haar vader in
+de linnenkast, evenals een kind eerst het bladderdeeg om een taartje
+heen, opeet, om voor de laatste hap het genot van de konfituren te
+bewaren. Eindelijk dan ook, toen alles geborgen was en netjes op zijn
+plaats gelegd, toen Mathilde over alles had nagedacht, tot over Jozefs
+garderobe en over de nieuwe soort heerenborstrokken, die mevrouw Berlage
+zoo geprezen had en die Mathilde, als eenmaal de intimiteit groot genoeg
+geworden zou zijn, aan Jozef te dragen zou geven, toen zij over de
+mogelijkheid had gedacht om 's zomers naar buiten te gaan, om een hond
+te houden, en ook over de brievenbus, die ze in haar voordeur zou laten
+maken, toen liet ze plotseling dat alles wech gaan, gooide al die
+wezenloze dingen ver uit haar geest, dacht aan niets meer van de
+omgeving, aan geen enkele bijzaak meer, maar aan hem, aan hem alleen,
+aan de uren van onbeschrijfelijk geluk, die zij ver van de waereld, ver
+van iedereen, tot ver van haar vader toe, in een achterkamer of zoo,
+ergends, waar het ten minste schemerdonker was, waar geen geluid hen zou
+bereiken en ook de zon hen niet zou kunnen verlichten, heelemaal alleen
+samen zouden zijn. Zij voelde den stroom van het denken aan hem alleen,
+die zij zoo lang mogelijk had tegengegaan, om hem de meeste kracht te
+geven, met alle geweld langs alle kanten doorbreken en haar hart
+overgolven. Zij wilde nu denken aan en door de kracht van haar gedachte
+het nu al in den geest beleven, dat geluk van het alleen-samenzijn.
+Daarbij kwam, dat er een onopgelost iets, een vraagstuk vol duisterheid,
+iets, dat zij zich ten innigste bewust voelde zonder het te begrijpen,
+verbonden was aan de bepeinzing van dit heerlijke onderwerp. Zij dacht
+aan al wat ze hem zeggen zou, als ze eens heel en al, zonder
+te-rughouding, in volle oprechtheid, wat in haar hart omging voor hem
+bloot zou kunnen leggen en zich zonder voorbehoud van hem afhankelijk
+stellen. Zij zinde er op, wat ze zou doen, hoe ze zich zou kunnen
+gedragen, hoe zij haar eigen wezen zou kunnen veranderen, zich
+vervormen, zich liever en beter maken of wat of hoe ook ze in Godsnaam
+zou kunnen handelen, om een ongehoord bewijs, een heilige en
+onbetwijfelbare bekentenis te geven van haar liefde. Wat moest ze
+getuigen, wat had ze te openbaren, op dat die getuigenis en die
+openbaring hem onweerstaanbaar overtuigden, dat haar liefde zoo waar
+was, dat zij het wel met haar bloed tegen een witte muur zou willen
+schrijven. Want zij had een angst. Zij twijfelde niet, geen minuut, aan
+zijn liefde voor haar; die liefde moest bestaan, dit had zij al zoo lang
+geweten voor hij het zelf zei; maar zij was er niet zeker van of hij wel
+zeker was van haar liefde voor hem. Zou haar stuurschheid van
+van-ochtend niet gemaakt hebben, dat hij een beetje aan haar liefde was
+gaan twijfelen? En toch, al was dat niet zoo, zou ze het hem duidelijk
+genoeg hebben te verstaan gegeven? Wie weet hoe of hij twijfelde, wie
+weet wat een angst en verdriet of hij had. Zij vond ook zelf dat zij het
+niet krachtig en duidelijk genoeg gezegd had, dat andwoord, dat hij was
+komen vragen. En daarom zocht ze in haar verbeelding naar een middel om
+haar liefde te zeggen, naar een daad van opoffering, die zij zou kunnen
+doen. Zij bekeek zich-zelf van top tot teen; daarna betastte zij zich.
+Er moest een handeling zijn, een akte, een daad, waarin het heele
+lichaam en de heele ziel zich ten innigste vereenigde om van liefde te
+spreken, waarin het heele ik in al zijn onderdeelen onverdeeld zich
+uitte en zeide: ik hou van je, hier ben ik, ik hoor van jouw, heelemaal
+en altijd. Zij kwam eindelijk tot het besluit, dat zij haar vader zou
+vragen, wat het huwelijk eigenlijk was. Maar dit durfde zij in 't geheel
+niet zoo maar.
+
+Mathilde was op haar kamer gaan zitten, voor de tafel, de handen aan
+haar hoofd. Zij vroeg zich af, waarom ze zoo raar deed gedurende de
+laatste week, waarom ze eigenlijk van Jozef van Wilden hield. Op haar
+gemak zette zij hem in haar verbeelding en overwoog: wat er nu eigenlijk
+aan hem was. Een voor een ontleedde zij de gedeelten van zijn gezicht en
+van zijn lichaam en maakte de gevolgtrekking, dat zij niet wist wat het
+was, maar dat zij alles even allerliefst vond. Hij droeg zijn haar heel
+kort, met een scheiding aan den linker kant. Waar het de scheiding
+bezoomde, had het een grijs-bruine kleur, die al donkerder werd,
+naarmate het haar het midden van den schedel naderde. Midden boven het
+hoofd was het heel donker, bijna zwart en glanzend, maar dun. Precies
+zoo was 't aan den anderen kant van de scheiding. Boven zijn ooren was
+het haar aan weerszijden naar voren gekamd en rulde daar even, maar heel
+even, het liet de slapen heelemaal open en leek niets op een saai
+oude-vrijers-kapsel. De haargroei, voor het oor, op die plek, waar de
+blonde sprietjes bijna deden twijfelen, of zij bij het hoofdhaar
+hoorden, of bij de bakkebaard, scheen daar zoo vlossig, dat het, als hij
+op straat liep bij winderig weer, leek op een uitgestrooiden zomerhalm,
+zoo als men ze aan de korenvelden 's zomers op en neer ziet gaan in den
+wind. Er was een glans door het dunne haar tot over het gladde, blanke,
+van twee lange, fijne, bijna onzichtbare rimpels horizontaal doorsneden
+voorhoofd, en aan de slapen waren lichte schaduwen. Zijn bruin-blonde
+wenkbrauwen, bewegelijk en dun, regel-matig gebogen, waren mooi over
+zijn groen-blauwe oogen, waar hij Mathilde met zooveel liefde mee kon
+aanzien. Zijn wangen dachten Mathilde bizonder mannelijk gekleurd met
+hun somber-blanke tint, en het lichte rood onder de oogen. Zijn neus was
+van voren even merkbaar in tweeen gesplitst, hij had groote
+neusvleugels, tot aan de punt van den neus, die hevig bewogen toen hij
+zich eens driftig had gemaakt op een avond, dat zijn geheugen hem in den
+steek liet bij het voordragen van een gedicht, en ook nog eens, als zij
+zich ten minste wel herinnerde, op een anderen avond, dat zij plotseling
+merkte, hoe hij zonder verwikken of verwegen naar haar zat te turen.
+Zijn snor was heel, heel mooi, door vergedreven verzorging schijnbaar
+onverzorgd. Het was een dikke snor, die zijn heele bovenlip besloeg,
+schuin naar beneden gestreken, den vorm der lip volgend en aan
+weerszijde in een groote krul naar boven gedraaid. Onder de snor was
+alleen een dunne roode lijn van de onderlip te zien. Zijn mond had den
+vorm van een breed naar weerszijde uitgedrukt hart en was meestal een
+beetje vochtig. Zijn kin was heel rond, al te rond, niet spits genoeg,
+altijd helder geschoren. Jozef gebruikte lage liggende boorden, altijd
+stijf gestreken en spierwit als postpapier. Zijn hals kwam daar fier en
+flink uit naar boven, vanvoren blank, met den sterk uitkomenden
+strottenbol, die Mathilde een teeken van groote mannelijkheid scheen,
+half in de kinne-schaduw verborgen. Meer naar achteren werd het vel van
+zijn hals rooder, tegen den drukkenden boord aan, die daar eigenlijk te
+nauw was, om dat Jozef zijn hoofd altijd zoo mooi recht droeg. Hij had
+nog-al breede schouders, waar zijn jas altijd heel glad en zonder een
+kreukel om heen zat, meestal zwart en donker-groen in den winter, grijs,
+nu en dan lichtgrijs 's zomers. Hij droeg dassen van allerlei kleuren
+maar nooit kakelbont, altijd goed en met smaak gekozen, altijd in
+over-een-stemming met de kleur van zijn pak. Hij droeg heele wijde
+manchetten, nooit bespat of besmet of hoe ook vies, zoo als de ingenieur
+Ster ze bijv. wel eens aan had. De manchetten hingen tot laag over zijn
+polsen, meestal met twee zilveren bolletjes aan een kettinkje vast. Maar
+zijn handen, o, zijn handen, die had zij lief! Wat een zachte schok ging
+er door haar leden, toen die handen, tintelend van liefde en
+bescherming, haar schouders aanraakten of, langs haar armen strijkend,
+haar polsen beetpakten, om die te omknellen, zoo als het van-ochtend was
+gebeurd. Mathilde bekeek haar polsen; ze had haar braceletten nog niet
+aan. Er was niets meer te bespeuren van Jozefs innigen druk. Zij had zoo
+graag gehad, dat er nog moeten te zien waren geweest. Jozef droeg
+dikwijls naar voren openhangende fantasie-jasjes van uitstekenden snit.
+Over zijn vest hing dan een gouden horlogekettinkje. Er was een van zijn
+vesten, waaraan zij een hooge voorkeur gaf, een vest van geel-grijs
+pike, met roode, blauwe en gele spikkeltjes, met doffe paarlemoeren
+knoopen. Dat vest pastte hem prachtig en stond hem zoo mooi en met maar
+enkele plooyen heel van onderen. Van-morgen, toen ze bij mekaar waren,
+had Mathilde zich erg verleid gevoeld om haar arm over dat vest heen te
+slaan, onder zijn jasje, en zoo zich beter aan hem te kunnen warmen en
+zijn hart voor haar te hooren kloppen, maar zij had niet gedurfd. En dat
+was ook beter, want zij moest zich een beetje koud toonen, meende zij.
+Jozefs broekspijpen hingen wijd-uit tot dicht bij de punten van zijn
+effen schoenen. Vooral de licht-grijze broek met het biesje op zij,
+stond hem verschrikkelijk goed. Hij had een soort van kalm en waardig
+gemak om zijn armen en beenen te bewegen. Mathilde voelde het, zij was
+verliefd op zijn gang, op zijn tred, op zijn schreden; hij liep met een
+losse regelmatigheid, die haar bekoorde, hij liep edeler dan haar vader,
+edeler dan Ster, edeler dan alle andere heeren op straat. En dan de
+manier waarop hij zijn armen bewoog! Met een eenvoudige en natuurlijke
+gematigheid kon hij een deur sluiten, of een kaart op tafel gooyen, als
+hij met haar vader ekarteerde! zijn stem klonk als een orgel, lief en
+forsch tegelijk. Vroeger had zij over al die dingen nooit zoo gedacht,
+dat was vreemd! Uit alles sprak een edel en teergevoel, en ook een
+levensondervinding, die zeker was van zichzelf. Hij vond blijkbaar goed,
+al wat hij deed, of liever, hij deed alleen dat, wat hij eerst had
+goedgevonden te doen ... En hoe had hij altijd van haar gehouden ... nooit
+was zij zoo ingenomen geweest met de manier, zoo als hij vroeger
+tegenover haar gedaan had, toen hij uren-lang bij haar bleef, ofschoon
+zij toch nog maar een kind was, en hem onmogelijk belang kon inboezemen,
+wat haar inviel te zeggen. Mathilde overdreef den duur der uren die zij
+samen hadden doorgebracht, zonder het te weten. Het kwam haar nu voor
+als was Jozef bijna voortdurend bij haar geweest, haar kostschooltijd
+uitgenomen. Hoe had hij haar geholpen met raad en daad, wat had hij een
+kennis en een gave om die duidelijk in haar verstand over te planten.
+Hij begreep de piano, het teekenen en het borduren; hij sprak niet
+alleen over muziek, zoo als zooveel menschen, maar hij begreep ook de
+muziek, hij wist haar mee te deelen, wat, van romans, de moeite waard
+was voor haar om te lezen. Hij hield van dichters, zoo als zij, maar
+meer van romans, zoo als zij. Zij hadden samen Walter Scott, Dickens en
+een werk van Daudet doorgemaakt, en als hij voorlas, hoe hoorde zij dan
+in de melodie van zijn stem, wat men bij den schrijver in den vorm van
+zijn schrift zou hebben ontdekt, had men zijn manuskript onder de oogen
+gehad! Zij herinnerde zich, hoe ze op haar dertiende jaar al de groote
+witte halve maan, die door het wechdrukken van het vel onderaan zijn
+nagel zichtbaar werd, en de punt van dien nagel zoo blank als een stuk
+ganzeveder, had bewonderd. Wat kon Jozef verder belangrijk praten, wat
+had hij goede inzichten in de staatkunde van den dag! Ook droeg hij een
+mooi gouden potloodje in zijn rechter vestzak, dat open en dicht werd
+gehaald op een wijze, zoo als Mathilde het nog nooit had gezien. Zij had
+haar vader Jozef zoo dikwijls hooren prijzen, en telkens deed haar dat
+zoo'n goed! Vader vond hem een man van bekwaamheid in zijn vak, de
+effekten, een ontwikkelden kop, en die later wat worden kon in de
+maatschappij, die carriere zou maken. Vader noemde Jozefs kleeding wel
+wat overdreven netjes, maar dat kwam alleen, om dat hij zelf nooit veel
+smaak voor die zaken had gehad. Jozef had veel hart en veel verstand,
+hij wist dat allebei goed te gebruiken wat kon men meer vragen van een
+man, met wien men een gelukkig huwelijk aan wilde gaan?
+
+Zoo ging Jozef in Mathildes denken en verbeelden voorbij, en toen zij
+hem weer zoo duidelijk en innig bij zich had, hem naast zich voelde, hem
+voor zich zag, toen ze een kleur kreeg, om dat zoo wezenlijk zijn adem
+over haar lippen ging, schrok ze op en ging met haast aan het teekenen,
+waarvoor zij hier eigenlijk zat. Zij maakte gauw de stukjes verf aan met
+water uit het altijd halfvuile glas en met een drift, die niet lang
+duren kon, ging zij aan den gang met haar potlood en haar penceel. Zij
+plooide haar lippen samen en stak er het uitgewasschen penceel tusschen,
+om de gedweee haartjes in een punt uit te doen loopen, om zoo fijne
+plekjes kleur op het papier aan te kunnen brengen. Maar het schoot haar
+te binnen en verraste haar onaangenaam. Jozef had haar dat likken aan
+het penceel dikwijls afgeraden. Hij zeide, dat er nooit heel zeker geen
+vergif onder de verf was gemengd en men dus niet kon weten. In een
+begeerte, om in 't vervolg alleen te doen, wat hij graag had, ook dan,
+wanneer hij er niet bij was, nam zij het penceel tusschen haar lippen
+uit, veegde die af met haar zakdoek en probeerde om tusschen haar
+vingers het penceel te punten. Dit maakte haar heel tevreden over haar
+zelf, en, een beetje bedaarder, kleurde zij voort. Maar zij had haar
+uren verdroomd. Het sloeg half vijf op den toren in de Zandstraat en het
+Paleis op den Dam begon juist te spelen. Door de zoele zomerlucht klonk
+het klokkespel uit de verte haar pleizieriger tegen dan gewoonlijk.
+Kling, klang, kling, klang, klang, klang, de zachttriomfantelijke wijs
+van "De Koning leev', de Koning leev", speelde het klokkespel, hoog
+boven de huizen. Mathildes hart klopte, want ze moest gauw gaan dekken
+beneden voor het eten, en het was net of er in haar binnenste, in haar
+hart, ook zoo een lief en luid klokkelied werd gespeeld.
+
+In de trapkast was alles doodstil. Heelemaal beneden gekomen, hoorde
+Mathilde Jans rommelen met stoelen en borden. Zij slofte juist te
+voorschijn.
+
+--Ik was maar gaan dekken, jufvrouw, zei ze, ik dacht, dat u 't zeker te
+druk had boven.
+
+--O, dank-je, laten we 't nou maar samen verder doen.
+
+Het siste in de keuken; een geur van gebraden ossevleesch zweefde door
+den gang. Vader zat in de voorkamer In een boek te lezen.
+
+--Wil u van-middag ook maar weer hier eten, vader? vroeg Mathilde, het
+is hier veel lichter als achter.
+
+--Heel goed, kind, zoo als je wilt.
+
+En zij zaten samen in stillen vrede en genoegelijken kout, zoo als
+altijd. Mathilde had het extra schoteltje vergeten. Buiten was het volle
+dag, zoo licht, als om twee uur 's middags, maar de zonnehitte was
+getemperd en zachte zomerkoeltjes dartelden met het tafellaken. De heer
+de Stuwen vertelde van allerlei dingen, die hij in _Artis_ gezien had;
+Mathilde was bizonder lief voor haar vader. Toen de heer de Stuwen naar
+bed ging, om elf uur, dacht hij wat heb ik toch een aangenaam en
+vreedzaam leven. Wat passen wij goed bij mekaar, Mathilde en ik!
+
+Toen Jozef van Wilden van Mathilde van-daan-ging, was hij door de oude
+Doelenstraat en de Damstraat naar de Club gegaan. Hij keek, onder den
+naar vorengebogen rand van zijn zwart zijden glimmenden cylinder-hoed
+door, recht voor zich uit, over de voorbijgangers heen. Tusschenbeide,
+als hem een mooi gekleed meisje voorbijging, beblikte hij haar in de
+schuinte en liep verder, met zijn kalmen, regelmatigen pas, de voeten
+naar buiten buigend bij iederen stap. Het witte voorportaal van het
+societeitsgebouw doorgaand en de trappen op, zonder gedruisch, voelde
+hij duidelijk, dat hij veel van Mathilde hield.
+
+Hij was in der tijd, als jonge man van drie-en twintig jaar, bij den
+dood van zijn vader, die hem het effektenkantoor had nagelaten, de
+Stuwen, waar zijn vader hem al voor jaren mee in kennis had gebracht,
+blijven bezoeken. Mevrouw de Stuwen leefde toen nog, en er werden nog al
+eens gezelschapsavondjes gegeven. Hij was ook altijd aangetrokken
+geweest door dat aardige kind, die Mathilde, die hem zoo graag haar
+vriend noemde en niet van hem af was te slaan, had hij eenmaal den
+drempel van het huis op den Oudezijds Achterburgwal overschreden. Hij
+hield van kinderen, tot van dertien-en veertienjarige jongens en
+meisjes toe, maar ouder niet. Hij was een goede jongen, volstrekt geen
+kwaad of menschenhatend charakter. Hij had zich laten overhalen tot een
+"vasten en eeuwig durenden" vriendschapsband met Thildetje, die weinig
+vriendinnen had. De de Stuwens waren zoo-wat de eenige familie, waar hij
+aan huis kwam. Hij verkeerde niet in aanzienlijke kringen. Zijn
+grootvader had al in effekten gedaan te Utrecht, zijn vader had het
+kantoor van daar naar Amsterdam verplaatst, waar hij geen verwanten en
+weinig kennissen had, maar beter kans zag om zijn zaak uit te breiden.
+Dit was hoofdzakelijk gebeurd op aandringen van Jozefs moeder, die
+stierf een week voor zij voor goed naar Amsterdam zouden gaan. Het
+verplaatsen van de zaak had niet veel gegeven, want de oude heer van
+Wilden was een man zonder veel initiatief; deze eigenschap liet hij ook
+zijn zoon erven, die de zaak, met den ouden vertrouwden boek-en
+kashouder aan 't hoofd, op zijn gemak en op denzelfden voet bleef
+drijven. Jozef had eenige vrienden onder de koffiehuis-jongelui gevonden,
+was eindelijk lid geworden van de club. Nu ging hij meestal in den morgen
+een groot uur naar het kantoor, griffelde daar het een en ander met zijn
+gouden potloodje, bracht van kwart voor tweeen tot kwart voor drieen zijn
+tijd op de beurs door, na op zijn bovenhuis of in de club gedejeuneerd te
+hebben, bitterde dan, dineerde ergends en ging 's avonds naar de komedie,
+naar een koncert, of biljarten, of bij een van zijn vrienden zitten praten.
+Hij hield er een mentineetje op na, zoo om de twee jaar een, heel kalm,
+heel matig. Op 't oogenblik was hij met zijn huishoudster, een dertigjarige
+gewone blondine, zonder uitstekende voortreffelijkheden. Eerst eens, toen
+tweemaal in de week, ging hij de Stuwen 's avonds gezelschap houden, 't
+werd namelijk tweemaal na den dood van mevrouw de Stuwen, toen de Stuwen-
+zelf 't ook erg eenzaam had. De familie van Riet, kennissen van de Stuwen,
+waar Emilie Hartsen, een wees, bij aan huis woonde, had hem ook gevraagd,
+maar hij bedankte, hij had aan de Stuwen en Mathilde genoeg. Dat hij zoo
+betrekkelijk dikwijls de Stuwens gezelschap opzocht kwam van de verveling,
+die hij door-elkaar tweemaal in de week ondervond door het uitsluitend
+omgaan met de clubleden. Van zijn vader had hij een hoeveelheid goedaardige
+degelijkheid georven, die nu en dan bovenkwam. Hij ging dan praten met
+de Stuwen die wel liberaal-katholiek was, zoo als hij zelf ook, maar
+toch over allerhande zaken veel burgerlijker en ook veel zedelijker en
+gematigder denkbeelden had dan de jongelui. Jozef praatte ook graag eens
+rustig en had hij een inlichting in zaken noodig, dan was Mathildes
+vader de ware man, om zich toe te richten; eens zelfs had hij Jozef, die
+een verkeerden slag geslagen had en daardoor lichtelijk in geldnood was,
+bijgesprongen. Jozef sprak met de Stuwen alleen over heele zedige
+uitgangetjes en andere pleizieren en wist zich met zijn bedaarde
+gepozeerdheid bizonder degelijk voor te doen. Jozef was zich ook, in een
+goede aandrift van zijn hart, hoe langer hoe meer met het moederloze
+dochtertje van de Stuwen gaan bezighouden. Hij bezocht haar, ja dikwijls
+uitsluitend haar, nu ook wel 's middags, en hielp haar voort met al haar
+liefhebberijen en dingetjes. Jozef had een goeye opvoeding gehad. Ook
+wist hij nog al wat van boeken en had hij een natuurlijke gave om het
+een of andere idee, dat een jong meisje moest behagen, langs den meest
+beminnelijken weg voor te stellen en ingang te doen vinden, meende hij.
+Het waren geen diepzinnige vraagstukken van levensbeschouwing of
+wijsbegeerte zoo zeer, die hij in zijn gesprekken met Mathilde te pas
+bracht, toen zij wat ouder werd en vooral na haar te-rugkeer van de
+kostschool, het waren veel meer allerlei zaken van gevoel en verbeelding,
+hij wist de muziek uit te leggen, dat is te zeggen: aan te duiden welke
+hartstochten of welke gedachten die en die melodie uitdrukten, hij wist
+op de schoonheid der lijnen en kleuren van teekeningen en op de
+bevalligheid van borduurpatronen te wijzen. Het waren ook allerlei dingen,
+die zij om hen heen opgemerkt hadden, die zij elkaar toevertrouwden; zij
+nam alles altijd dadelijk aan, wat hij zeide, en zij lachten samen
+dikwijls erg hardop. Zij hadden in het dagelijks leven, bij een wandeling
+op straat of in de houding van huisgenoten of kennissen, dit of dat voor
+het eerst gezien; zij dachten zus of zoo over het leven, over de liefde,
+de angst, de droefheid, het vergaan of het eeuwig voortbestaan van dit
+leven, enz. Zij lazen samen Allard Pierson, J.J.L. ten Kate, en zoo meer.
+Het hechtte Jozef zelf aan ernstige bezigheden, ook buiten de zaak om,
+dat verkeer met Mathilde. Hij merkte het wel. Buitendien, van een
+anderen kant beschouwd, hield niemant zooveel als hij van luidruchtige
+frissche jeugd en opbruisend leven; van toen zij nog heelemaal een kind
+was af, was hij aan Mathilde gewoon geraakt en 't was een behoefte voor
+hem geworden haar dikwijls te zien. Hij had haar ontwikkeling van 't
+begin tot het einde bijgewoond. Toen ze als een jong-meisje van de
+kostschool te-ruggekomen was, had hij wel zeer verbaasd staan te
+kijken en was hun verhouding wel zeer verkoeld geweest, ook om dat ze
+hem zoo weinig had geschreven, maar langzamerhand had de oude gewoonte
+van gemeenzaam verkeer weer ingang gevonden en de overhand gekregen Zij
+waren gauw weer de beste vrienden, ofschoon ze ook mekaar in 't begin
+halsstarrig "mijnheer" en "jufvrouw" bleven noemen. Er hadden nu ook bij
+de Stuwen aan huis weer de oude muzikale avondjes plaats, die bij het
+overlijden van mevrouw de Stuwen op hadden gehouden. Mathilde behaalde
+bij dezen gelegenheden triomf op triomf door haar buitengewoon
+ontwikkeld pianotalent.
+
+Jozef was eens op een goeyen morgen voor den spiegel gaan staan, was
+gaan denken, dat hij in de dertig was, dat hij gisteravond toevallig een
+betrekking had afgebroken, die hem toch al lang verveelde, en nu maar
+volstrekt wou gaan trouwen. Hij wilde een rustig leven hebben en een
+vriendelijke goede wettige vrouw. Hij wilde wel trouwen en getrouwd zijn
+en een goeye huisvader worden, maar zijn vrouw moest een persoonlijkheid
+wezen, die hem ruimschoots vergoedde, wat hij verloor. Het was een van
+zijn lievelingsdenkbeelden een vrouw aan zijn zijde te zien van hooge
+gestalte, niet te klein, die zich elegant kleedde, altijd gezond en
+vroolijk was, geen bekrompen gedachten had over godsdienst, en het leven
+in 't algemeen eenigszins breed opvatte; Buitendien moest ze een mooi
+lichaam hebben, niet te mager, en veel zindelijkheid en al de
+hoedanigheden van een aangename gastvrouw voor als ze eens een partijtje
+gaven. Zij moest ook graag uitgaan en graag veel van het leven genieten,
+zij moest iets Parijsachtigs over zich hebben en zich in alle opzichten
+uitstekend weten te gedragen. Verder mocht liefhebberij voor muziek, wat
+lectuur, enz., haar niet ontbreken.
+
+--Meermalen had Jozef voor zijn vrienden op die manier de vrouw
+beschreven, van wie hij zeker wist een goede trouwe echtgenoot te zullen
+zijn en met wie hij stellig een gelukkig leven zou hebben.
+
+Het lag zoo verbazend voor de hand, dat Mathilde de Stuwen, daar hij
+zooveel mee omging, het aan al deze eischen beandwoordende meisje was,
+dat het hem nog nooit in was gevallen aan haar te denken.
+
+Maar langzamerhand was het hem uit alles, uit den toestand, waarin hij
+en zij verkeerden zelf, duidelijk geworden, dat niemant anders dan
+Mathilde toch zijn vrouw zou kunnen worden. Toen hij daar het eerst aan
+dacht, had hij een lichte kleur gekregen van pleizier over deze
+gelukkige ontdekking. 't Was ook in de club geweest, hij zat ook juist,
+zoo als op 't oogenblik, in de in dit vroege uur nog leege groote
+benedenzaal een halven biefstuk met gebakken aardappelen te eten, die
+hem toen ook gebracht was door Henri, denzelfden knecht van nu.
+
+Toen Jozef eenmaal besloten had Mathilde het hof te maken, was hij zich
+af gaan vragen, of hij van haar al niet vroeger-al gehouden had. Hij
+dacht nu van ja: zonder 't zelf te weten, had hij haar liefgehad. Hij
+nam zich dan voor die liefde zooveel mogelijk aan te wakkeren in zijn
+eigen binnenste, en daarna aan de Stuwen Mathildes hand te vragen. Maar
+toen hij er zoo over peinsde, of die liefde voor haar al voor dien dag
+bestaan had in zijn hart en van-ja dacht om dat hij zich herinnerde,
+hoe-of hij zich altijd tot dat huis van de de Stuwens aangetrokken had
+gevoeld, trof het hem op-eens als iets heel zonderlings, dat hij nooit
+in Mathildes gezelschap, al zat of stond hij vlak bij haar al raakte
+zijn schouder haar schouder, zijn been haar japon, zijn arm haar rug,
+zijn hand haar hand, dat hij nooit, al zaten ze uren lang met mekaar aan
+de een of andere bezigheid bij de kachel 's winters of 's zomers voor
+het open raam, als buiten de zon gloeide, dat hij zich nooit erg naar
+haar had voelen verlangen. Hij had zelfs nooit uitvoerig de
+hoedanigheden van Mathildes lichaam overwogen, nooit in haar
+gewaardeerd, wat hij en zijn vrienden, als ze over vrouwen spraken,
+altijd in de eerste plaats bedoelden. Hij vond dit erg vreemd, maar was
+overtuigd, dat het verlangen na zijn voornemen van hofmakerij, nu ook
+wel komen zou. En hij deed zich geweld aan. Hij probeerde haar op alle
+manieren lief te krijgen en hij begon te merken, dat zij van hem
+misschien al-lang hield, zonder er ooit iets van te laten merken. Als
+hij nu bij haar was, probeerde hij door haar net zulke indrukken bij hem
+te weeg te doen brengen, als de andere vrouwen deden. Wanneer zij, op
+een avondpartijtje bij haar vader of soms 's zomers als het snik heet
+was, een lager uitgesneden japon droeg, bleef hij naar haar hals kijken;
+hij oefende er zich in haar kin en haar keel zoo te bekijken, dat hij
+den wensch kreeg ze te betasten; hij wilde het zoover brengen, dat hij
+al koud werd als hij haar hand in de zijne had. Hij lei er zich op toe
+om door haar geheel ingepakt te worden. Hij bestudeerde haar, om uit te
+vorschen, waar wel in haar wezen de begeerte-magneet zou te vinden zijn,
+hij zocht die als een verborgen kleinood in de boekjes van haar kleed,
+tusschen de donkere plekjes van haar haar. Hij wilde dat als haar rok
+over zijn schoenen ging er een tinteling door zijn dijen zou gaan, dat,
+als haar mouw over de zijne streek, er een vuur door zijn arm zou
+gloeyen. Maar, wat hij ook in 't werk stelde, het kwam niet. Maar juist
+toen, dit had hij later wel ingezien, had zij haar invloed op hem
+gekregen. Wanneer hij gedachteloos over den weg keek, was zij toch maar
+in zijn verbeelding. En kon hij 's nachts niet slapen, dan scheen het
+alsof zij in de kamer rondwandelde. En met klimmende zekerheid kwam er
+begeerte naar haar in hem op, een begeerte, die weinig gemeen had met
+zijn gewone wellusten. Hij begon een onweerstaanbaar verlangen te
+voelen, haar te omarmen, haar te bezitten zonder toch dat er een lager
+gevoel bij hem aanwezig was. Hij wenschte iets als een gezonden en
+innigen band, een hoogere en meer edele wellust. Hij werd zich bewust,
+dat hij bij haar, ook haar ziel, haar hart zou binnendringen. Dit deed
+hem naar haar zuchten als naar een heilige bezitting. Zoo stelde hij
+zichzelf de zaken voor.
+
+Hij vond haar ook zoo gezond en zoo levenslustig, dat hij zich een
+uiterst aangenaam huwelijk met haar voorspelde, dat met-een een
+gelukkigen ommekeer in zijn wel wat eentonig wordend jonge-heeren-leven
+te weeg zou brengen.
+
+Zoo was alles gegaan, zoo had hij haar onverhoeds, dien avond midden in
+het gezelschap, zijn liefde verklaard. Van-morgen nu werd zijn vraag zoo
+voldoende beandwoord, dat hij in een bizonder prettige stemming
+tengevolge verkeerde. Hij dronk een extra half-fleschje wijn, bordoo.
+Hij vond het mooi van haar en het verhoogde zijn genoegen, dat zij bij
+al haar goede eigenschappen ook fierheid bleek te hebben, want het kwam
+nu uit, anders had ze hem niet zoo aangedaan ontvangen, dat zij al-lang
+van hem hield, en nooit had zij daar iets van laten merken. Dit was fier
+gehandeld. En, zich verzadigend aan de overweging van den mooyen slag
+door hem geslagen, zag hij door de spiegelruiten de onverschillige
+menigte door de Kalverstraat op en neer loopen. De zaal om hem heen was,
+achter het waas van zijn gedachten heen, langzamerhand voller geworden,
+levend van zachte praatgeruchten en stilgebarende lichamen. Jozef had
+het beursuur laten voorbijgaan zonder te denken dat het al zoo laat was.
+
+
+
+
+III.
+
+Stilletjes zomerden de dagen voort in het huis van de Stuwen. Jozef
+bleef zijn gewoonte houden om twee-maal 's weeks daar een avondje door
+te brengen. De gevoerde gesprekken waren dan schijnbaar hetzelfde
+gebleven en betroffen dezelfde onderwerpen als vroeger; de heer de
+Stuwen en Jozef voelden zich altijd even goede vrienden. Mathilde zat,
+als zoo altijd, meestal zwijgend, nu en dan een enkel woord meesprekend
+bij de heeren, met haar borduurwerk of romans, thee zettend en wijn
+schenkend. Er werden ook nog avondjes met meer menschen gegeven, maar
+minder dan eerst; uit zich-zelf kwam de heer van Stuwen nooit op zulke
+dingen en, en het bleek, dat Mathilde lang zoo erg niet meer op zulke
+extraatjes was gesteld als vroeger. Zij wilde in den eersten tijd van
+hun liefde Jozef zooveel mogelijk voor zich alleen houden. Wat een
+ingrijpende en heerlijke verandering dan ook in de verhouding tusschen
+Jozef en haar, heerlijk, juist om dat hun betrekking onveranderd in
+denzelfden vorm scheen te blijven voortduren zoo als zij vroeger was.
+Daar Mathilde nog volstrekt maar niet besluiten kon haar vader in 't
+geheim te nemen en juist door het onophoudelijk denken over dezen
+moeyelijken stap, dagelijks meer besefte, hoe innig haar vader en zij
+aan-een-gesloten waren, had Jozef in geenerlei opzicht de gelegenheid
+zich te gedragen zoo als een fatsoenlijk heer, die verliefd is en wiens
+liefde door wederliefde beandwoord, pleegt te doen. Hij kon uiterst
+zelden met zijn aan-staande alleen zijn, mocht haar nooit een cadeautje
+maken en weken gingen voorbij, zonder dat hij zijn liefde anders kon
+laten merken, dan in den langeren handdruk en in de ontmoeting van hun
+oogen, die plotseling warm werden en vreemd en verlegen mekaar aankeken
+in oogenblikken, dat de heer de Stuwen even wech was gegaan of de
+koerant las. Jozef beviel deze onthouding ondertusschen volstrekt niet,
+zijn ongeduld vermeerderde met den dag. Hij begreep ook niet hoe deze
+toestand een einde zou nemen. Maar Mathilde was het nog in 't geheel
+niet met zich-zelf eens geworden, wat haar te doen stond, om een
+oplossing te verkrijgen. Als haar oogen, terwijl haar vader met Jozef
+druk aan 't spreken was en over politiek of andere dingen van den dag
+redeneerde, Jozefs oogen en voorhoofd kusten, dan wilde zij zich-zelf
+dwingen in-eens een besluit te nemen, den knoop door te hakken, haren
+vader alles te zeggen, en verder van de omstandigheden af laten hangen,
+hoe de toekomst wezen zou. Of vader met hun samen zou komen wonen, dan
+wel of zij ieder afzonderlijk zouden gaan wonen, dat kon zij nog niet
+beslissen. Wie weet, dacht zij, wat er op gevonden zal worden. Wie weet,
+welke uitnemende schikking er mogelijk zal blijken. En de woorden
+dringen op haar tong naar voren en branden door haar lippen. Maar
+plotseling bedacht zij zich weer. Nee, het kon nog niet, onmogelijk. Zij
+moest vooreerst wachten. Het samenwonen mocht zij zich nu al als zeer
+goed denkbaar voorstellen, zij wist wel, dat bij nadere nagedachte, toch
+altijd de onhoudbaarheid er van bleek, om de redenen, die zij zich-zelf
+al zoo dikwijls herhaald had, en toch weer telkens wech wilde cijferen.
+En dat vader alleen zou wonen, daar kon zij zelfs geen oogenblik aan.
+denken. Gedurende de laatste weken nog had hij geklaagd over een
+pijnlijke stijfheid in zijn linkerarm en bijna door zijn heele linker
+zij. Moest zij hem dan niet helpen, hem verzorgen op alle mogelijke
+manieren, alles voor hem in orde maken en klaar zetten? Had hij niet
+menigmaal gezegd, dat zij alleen er was als het zonnetje, om den avond
+van zijn leven te vervroolijken? Neen, duizend maal, zij kon hem niet
+aan zijn lot overlaten, het mocht niet, het ging niet, het zou niet
+zijn, hoe Jozef ook aandrong, wat hij ook zei om haar te overtuigen.
+Mathildes besluiteloosheid kwelde haar-zelf het meest. Was zij overdag
+eens in haar eentje thuis, dan kon zij soms plotseling met een stofdoek
+of borduurnaald in de hand vijf minuten lang in 't midden van de kamer
+stil blijven staren, de oogen droomerig naar den wand, of wel bleven op
+eens haar handen uitgebreid boven de toetsen liggen, midden in een
+melodie, die zij speelde en dansten de muziekbalken voor haar gezicht.
+Telkens deden in den zelfden vorm de zelfde vragen zich voor aan haar
+verstand en telkens werden zij onopgelost weer wechgezucht. Het maakte
+haar moei, het maakte haar verdrietig, die eentonige hinderpaal voor
+haar geluk. Was Jozef een enkele maal met haar alleen in aanraking, liet
+zij hem in, als Jans de deur uit was, ontmoetten zij mekaar onder aan de
+trap of bij de deur van het zaaltje, dan vroeg zijn eerste blik altijd;
+zijn wij nu nog geen stap verder gekomen? dan fluisterde hij haar
+smeekend toe, dat zij moest bedenken, hoe zijn lot in haar handen was,
+hoe ze hem niet langer zoo treurig en ongelukkig mocht laten. Andwoordde
+zij hem dat er nog niets gebeurd was, dat zij niet wist wat te doen, dat
+zij nadenken, dat zij zien zou, dan drukte hij haar hand, lei zich
+zachtzinnig bij haar voortdurend aarzelen neer, maar zag haar aan met
+een vaste hoop in den blik, dat zag zij duidelijk. En juist het
+denkbeeld, dat ze hem de volgende maal weer te leur te stellen zou
+hebben, dat hij er zoo onder leed en er toch zoo gelaten bij bleef en
+zich nooit boos maakte, dit verergerde haar inwendigen strijd met den
+dag en versterkte haar liefde. Zij stond onophoudelijk tusschen twee
+vuren. Nog nooit had zij zoo'n hevigen inwendigen strijd gehad. 's Middags
+had zij er wel eens hoofdpijn van. De gehechtheid aan haar vader
+was meer een ingegroeid en onuitroeibaar plichtbewustzijn, dat zich niet
+openbaarde door allerlei nieuwe en vurige gewaarwordingen, maar, als een
+oud gedeelte van haar innigste natuur, onverstoorbaar zijn altijd even
+zekeren invloed deed gelden, terwijl daarentegen haar hartstocht voor
+Jozef als een heel nieuwe zijde van haar leven, aantrekkelijk en
+machtig, zich vertoonde, overal door haar gemoed en haar verbeelding
+heen. Alles wat zij voelde, dat er in het leven bevallig, lichtkleurig
+en rijk was, ridderlijk, edel, schoon en zwierig, verpersoonlijkte zich
+in Jozef. Sedert zijn liefdesverklaring was hij in haar heelemaal nieuw,
+groot en heerlijk. Zij zag in hem de kracht en het vernuft, in hem dat
+veelvoudig aanlokkelijk wezen, wien het haar als opperste roeping en
+opperst genot zou gegeven zijn haar leven ten offer te brengen. Het
+denkbeeld van tot hem op te gaan, van tot hem in te gaan, van haar wezen
+in zijn wezen te verliezen en haar zelf, door het zich vereenzelvigen
+met hem vervormd, als een gedeelte van zijn individu, te-rug te vinden,
+klampte zich vast aan haar hart, kankerde zich in een hoekje van haar
+hersens en vermengde zich met haar bloed. Het verrukte haar, dat,
+wanneer ze 't bedaard naging, hij geen enkele uitstekende eigenschap
+had, hij niets buitengewoons gedaan had in de wereld, hij door geen
+heldendaden bekend stond, geen epopeeen had gedicht, door geen
+uitvinding zich naam had gemaakt, niemant hem voor een eersten denker
+hield, geen sterveling hem een heilige zou noemen, en dat zij toch zoo
+oneindig en boven alles en allen van hem hield, en dat het haar toch
+scheen, als was hij de grootste mensch, die ooit had bestaan en de
+eerste van zijn tijdgenooten. Want, want hij had meer gedaan dan al de
+helden en grooten, die zij had hooren prijzen, hij had haar liefgekregen,
+zij was door hem gekozen tot zijn vrouw, en zij, dat was zij-zelf. Haar
+had hij ontdekt, dat was zijn uitvinding, haar had hij veroverd, dat was
+zijn heldenstuk, toen hij zei: "ik heb je lief", en eergisteren: "wat
+ben je mooi", maakte hij zijn groot gedicht.
+
+Haar verbeelding was altijd met hem bezig. Zooals zij over-dag over hem
+nadacht, zoo droomde zij 's nacht van allerlei rare gevallen, waarbij
+hij te pas kwam. Zij dacht altijd aan hem, zij voelde zich hoe langer
+hoe meer door hem in bezit nemen. Wanneer zij tusschenbeide niet in
+slaap kon komen, gingen er door haar lichaam vreemde huiveringen. Er
+ging b.v. als een aangenaam vergift, dat heer bekroop, een koud gevoel
+van haar voeten, door haar beenen, onderlijf en borst, tot in haar keel.
+Soms, wanneer zij in haar droom in een teere en zwaar-drukkende
+omhelzing met hem was geweest, schrikte zij wakker, met een ongekend en
+angstig hijgen; haar onderlijf kromde zich naar boven, tegen het
+wezenloze dek. In andere uren weer vulde hij haar denken als iets
+ideaals, dat niemant aan kon raken, dat niet van stof was, een lichtend
+waas, met een hoofd alleen van menschen-stof, een muziekvlaag, die doffe
+en weelderige geluiden rondblies, een vreemdeling, die zij nog nooit had
+gezien, maar haar plotseling als een ouden bekende voorkwam.
+
+Toen er altijd meer dagen voorbijgingen, altijd de zelfde, maakte Jozefs
+wezen, dat altijd bij haar bleef, haar wezenlijk ongerust en beangst.
+Als ze hem ontmoette, bij zijn regelmatige bezoeken, en zij hem alleen
+sprak of in zijn oogen kon zien, was hij altijd even zacht en kalm,
+altijd dezelfde vriendelijke blik, het zelfde geduld. Maar dat hij bij
+haar was zonder dat zij arm in arm zaten, scheen haar toch ongehoord. En
+om dat zij zelve zoo onder het onophoudelijke uitstel leed, verbeeldde
+zij zich, dat hij 't was, wiens gezicht kenteekenen van stilzwijgend
+ondergaan verdriet vertoonde. Zij dacht opkomende bronskleurige kringen
+onder de oogleden te zien; hij was valer van kleur dan anders, dacht
+zij. Maar toch, als hij bij haar was, stelde zij zich gerust, maar in
+zijn afwezigheid, vooral als zij met zich-zelf alleen was, was zij bang,
+bang voor hem. Liep zij in de donkerte de trap op, dan hoorde zij
+plotseling zijn stem, die iets onverstaanbaars zei. Zij zag om, en hij
+was er niet. Kwam ze op haar kamer, dan hoorde zij zijn stap, zijn
+lieven, welbekenden stap achter haar, zij zag om, en er was niemant. Zij
+zag hem in haar slaap haar vermanen, haar de eene keer ernstig en
+nederig, de andere keer driftig en met geweld, en dan weer eens koortsig
+en in razernij verzoeken, gebieden en dwingen hem gehoor te geven en
+niet langer te dralen. Hij deed nu en dan zoo woest en wild tegen haar,
+en maakte zoo een misbaar, als hem in werkelijkheid nooit gebeuren kon.
+Soms naderde hij haar met opgeheven vinger en met een gezicht zoo akelig
+wit en dreigend, dat zij te-rugschrok en op 't punt was hem alles toe te
+geven. Een andere keer lag hij weer op zijn knieen voor haar, en keek
+haar zoo teeder en zoo trouwhartig aan, dat zij niet langer aarzelen
+kon. Wanneer zij hem dan weer in levende lijve ontmoette, den dag
+dikwijls, die volgde op zulk een akeligen nacht, of het uur volgende op
+zoo een geheimzinnig uur, en hij kalm met haar vader zat te praten en
+haar met zijn gewone eerbiedige liefde bejegende, dan verwonderde zij
+zich, dan verzette zij zich met wrevel de overdrevenheid van haar hare
+droomen. Dan nam zij weer het besluit voorloopig haar lieven bejaarden
+vader trouw te blijven. Daar zat hij met het goedaardige grijzende
+hoofd, met de dunne fijne, licht-roode lippen, met zijn eenigszins laag
+voorhoofd en bleeke blauwe oogen, met zijn magere, 's winters van
+tallooze aartjes doortrokken handen, niet zijn greinen huisjasje of
+grijswollen sjamberloek, zijn hals een beetje naar voren gebogen, een
+beetje beverig in zijn vingers bij de minste ontroering, zijn beenen
+meestal over mekaar, en met zijn groote witte linnen zakdoek, waarvan
+een puntje uit een van de zakken van zijn pandjasje piepte. Hij had een
+ouderwetsche gouden ketting over 't zwart-lakensche of donker-grijs
+kamgaren vest hangen, een dunne gouden ring, zijn trouwring, aan zijn
+rechter wijsvinger. Daar hij veel van zindelijk hield, deed hij elken
+dag een schoonen boord en een paar schoone manchetten aan, van oud
+model; onder den boord een frissche zwarte das; Mathilde kocht er om de
+twee maanden een nieuwe voor haar vader. De heer de Stuwen had heele
+mooye gave witte regelmatige tanden, maar die bijna nooit te zien
+kwamen. Er was iets schalks in zijn rond neusje en in zijn wenkbrauwen.
+Ook maakte hij een enkele keer een grapje: de een of andere opmerking
+over personen of voorwerpen, die hij een beetje bespottelijk vond. Hij
+was nu vier-en-zestig jaar, maar, om dat hij vroeg oud was geweest, had
+Mathilde hem altijd gekend, zooals hij er nu uitzag, waaruit zij met
+blijdschap opgemaakt had, dat haar vader maar niet verouderde. De heer
+de Stuwen had, zoolang het haar heugde, iets hulpbehoevends over zich
+gehad, hij was nooit graag alleen, hij had een alles beheerschende
+behoefte aan gezelschap, aan weinig, stil, hem toegedaan gezelschap. Hij
+had ook iets vreesachtigs in zijn natuur; voor een kleine ongesteldheid
+was hij bang als-of 'r een zware ziekte was. En zwierf Mathilde niet
+onophoudelijk om hem heen, om hem van al te voorzien, dan klaagde hij
+steen en been. Was hij gezond, dan kon hij meer aan zich zelf
+overgelaten worden en ging hij uren alleen wandelen. Maar van zijn vader
+had hij een soort verhardingszucht overgenomen, bij het schuchtere
+gestel, dat hij van zijn moeder had, hem verkoudheden en rheumatiek deed
+oploopen. Dan ging hij uit, tusschenbeide in 't midden van den winter,
+met een demi-saison alleen aan, of heel in het begin van de lente, of
+als de herfst al gevorderd was, zoo maar, in zijn gewoon huispakje.
+Mathilde had dan al mooi knorren, hij gaf haar een zoen, maar beterde
+zich niet. Hij was overigens in alles, een redelijk en punktueel man.
+Hij was wel wat zuinig, maar nooit in 't belachelijke. Hij zorgde goed
+voor zijn geld, ging met veel nauwkeurigheid den loop der effecten na en
+knipte geregeld zijn koeponnetjes af. Hij las in zijn leege uren Duitsche
+klassieken en allerhande werken over natuurkunde. Hij was geabonneerd op
+een matig-liberale koerant en op verscheiden geillustreerde tijdschriften.
+Ook kocht hij wel eens een prachtband, of teekende in op een uitgave, die
+langzaam bij afleveringen verscheen en een kostbaar geheel zou worden.
+Van Mathilde hield hij verschrikkelijk veel. Zij was voor hem de levende
+herinnering aan zijn vrouw, waarop Mathilde in-en uitwendig veel leek.
+De dartele vroolijkheid, de luidruchtigheid, die Mathilde soms aan den
+dag lei, haar zorgzaamheid en goede hart bracht hem altijd zijn vrouw in
+herinnering. Hij dacht altijd zonder de levensvreugde en steun, die
+Mathilde hem gaf, niet te kunnen leven, en hij hoopte maar te sterven,
+voor zij van mekaar zouden scheiden. Deze gedachte vervulde hem vroeger
+meer dan nu, toen Mathilde pas van kostschool kwam, met eenige wereldsche
+ideeen, en gedurende de eerste zes weken van niets anders sprak dan van
+trouwen met een mooyen en rijken meneer. Want Mathilde was, naast deze
+trouwlust, toch dadelijk begonnen met zich aan hem te wijden. Maar na zes
+maanden was zijn angst wech. En nu, sedert een jaar, kwam de gedachte aan
+een mogelijk huwelijk van haar, uiterst zelden bij hem op; hij had zich
+zoo aan haar gewoon gemaakt, dat het denkbeeld "scheiden" was verdwenen.
+
+Mathilde-zelf wist heel goed hoe of het met haar vader was op dit punt.
+Zij wist alles en begreep alles. Zij zag dat oude leven aan haar jonge
+leven aangeweven en in haar bestaan vastgevlochten. Zij besefte ten
+innigste hoe weinig hij haar bijzijn missen kon. Als hij haar met zijn
+zwakke oogen aankeek, dan zag zij daarin een verzoek om hem niet alleen
+te laten, en flikkerden die zwakke oogen op van pleizier, als ze hem een
+zoen gaf, dan zag zij daarin een dank, omdat zij nog niet was heengegaan.
+Bovendien voelde Mathilde hoe haar heele verleden, haar heele jeugd haar
+aan haar vader verbond. Jozef had zij ook wel altijd gekend, zelfs
+wanneer zij aan de schitterendste uren dacht, die zij had doorgebracht,
+was hij alleen daarbij te vinden; maar zij had toch nooit met hem in een
+huis gewoond. Dit gaf toch nog altijd iets vreemds, iets als niet van
+dezelfde familie zijnde, tusschen hen beiden. Maar van haar vader hield
+zij, om dat zij van zijn bloed was, om dat hij altijd en altijd daar had
+gezeten in die achterkamer, als een dierbaar levend stuk huisraad. Zij
+was zoo gewoon hem het eerste te zien 's ochtends en het laatste 's
+avonds als zij naar bed ging, zij zou voor geen geld van de wereld
+hem geen morgen-en nachtzoen gegeven hebben! Daarbij kwam het
+hulpbehoevende karakter van haar vader haar zucht om op te passen en
+zorg te besteden te gemoet. Jozef, zoo krachtig en zelfstandig, was een
+heel ander man, Bij hem geen sprake van pantoffels warmen, sjamberloek
+klaar leggen, bizondere spijsjes bereiden, denken of het niet te laat
+werd of te druk om hem heen, tabak vochtig houden, peluw opschudden of
+warm scheerwater naar boven sturen, bezigheden, die haar allen om 't
+zeerst lief waren. Neen, zij zou geen afscheid van haar vader kunnen
+nemen, dat groote kind, dat haar heele moeder-natuur innam.
+
+Zoo verliep zachtjes de tijd en waren de eerste dagen van September
+gekomen. Mathilde liep droomerig door het huis en met zuchten ging zij
+de kamer uit en in. Zij zong weinig meer in haar eigen en haar
+pianostudies waren nog maar werktuigelijk.
+
+Jozef was in den laatsten tijd vol attenties. Hij stuurde Mathilde
+bloemen, ofschoon de bloementijd bijna gedaan was.
+
+Het was een van de laatste mooye herfstdagen. Behalve de bloemen had
+Jozef tegenwoordig nog allerlei ideeen om Mathilde en haar vader
+pleiziertjes aan te doen. Zoo kwam hij ook nu 's morgens om elf uur
+aanschellen, en deed het voorstel om 's middags een rijtoer in een open
+rijtuig te maken. Men moest nu van de laatste mooye dagen profiteeren.
+Het zou gauw slecht weer worden en de zomertijd gedaan zijn. Hij wilde
+'s middags om een uur of een, half-twee, met een flinken landauer
+voorkomen, en dan langs den Amstel, over Onderkerk en Duyvendrecht, of
+wel aan den anderen kant, door de Meer en tot Weesp een rit maken. Dit
+zou den ouden heer en Mathilde stellig veel goed doen. En zoo gebeurde
+het ook: het voorstel werd aangenomen.
+
+Met kleine stapjes kwam de heer de Stuwen op de stoep. Hij had een dunne
+overjas aan, zwart met een enkel grijs stipje er door heen; een lichte
+foelaar van grijze zij had Mathilde om zijn hals gelegd en van voren in
+zijn jas gestopt, boven de bovenste knoop. Een dikken bruinen wandelstok
+met dikken ivoren knop, waarop een hertejacht gebeeldhouwd was, had hij
+in zijn hand, even onder de knop. Hij had gerimpelde lubberige zwarte
+glace-handschoenen aan. Hij had een engen cylinder-hoed op, waar van
+achteren zijn dunne grijzige haren als magere buigende waterstraaltjes
+uit te voorschijn vielen. Een versch ontstoken dofbruine cigaar, met
+twee gele rontetjes vlak bij de asch, was tusschen zijn lippen gedrukt,
+die daardoor een beetje naar binnen bogen, om dat hij de cigaar stevig
+vastklemmen wilde. Daar de wind van den anderen kant woei, warrelde vele
+rookkrulletjes, lang en fijn, langs zijn wangen en onder zijn neus; zijn
+lakensche dikke zwarte broek klepte over zijn te vierkante glimmend
+gepoetste bobbelige schoenen. Hij bleef staan en zonder zich om te
+keeren keek hij schuin naar binnen, of de jongelui nog niet kwamen.
+Mathilde was nog even naar boven gegaan, om haar parasol te halen. Jozef
+deed donker-groene handschoenen aan, bij den kleerenstandaard in den
+gang. Hij droeg een kleinen rozeknop in zijn lapel-knoopsgat en hij kwam
+naar de Stuwen toe. Hij bleef een trapje hooger in de post van de deur
+staan en bekeek, heel bedaard, met tevredenheid over zijn keuze en
+kennerschap, het rijtuig en de paarden, bijna zoo mooi als een
+eigen-rijtuig, en hij keek of de koetsier, die hij met liverei had
+gehuurd, wel de ware houding aannam, en de zweep recht op zijn knieen in
+de hoogte hield.
+
+--'t Zal u toch niet te koud zijn? vroeg Jozef.
+
+--O, nee, 't is heerlijk weer.
+
+Na een oogenblik drentelen, vroeg Jozef weer:
+
+--Wil u er dan maar niet vast ingaan?
+
+--Ja, dat is goed.
+
+Jozef ondersteunde den heer de Stuwen hij het opstappen van de twee
+treden, die onder het portier van 't rijtuig waren geslagen, door de
+Stuwens rechter elleboog op den palm van zijn linkerhand te leggen,
+terwijl de koetsier en het rechtsche paard even omkeken, daar hun
+aandacht door het lichte kreunen van de kast bij het instijgen werde
+gaande gemaakt. De heer de Stuwen liet zich in den linker hoek van de
+achterbank neerzijgen, en bleef over de ledige plaats naast den koetsier
+op den bok heen voor zich uit staren. Juist kwam Mathilde aangeloopen.
+Zij was blij van uit rijden te gaan. Zij zat in den laatsten tijd al te
+veel thuis. Dit tochtje zou haar verfrisschen. Met een rukje van haar
+duim en wijsvinger maakte zij het onderste knoopje van haar handschoen
+dicht, lei daarna gauw haar blauwe doekje over den linker arm, waar zij
+ook de roomkleurige parasol mee droeg en wipte de stoep af. Jozef bracht
+zijn arm naar voren om haar te helpen. Zij ging op de achterbank zitten
+naast haar vader. Jozef, die heelemaal optrad als de eigenlijke heer van
+het gezelschap, de leider van den pleiziertocht besprak nu met den
+koetsier den weg, dien zij nemen zouden in verband met het uur, waarop
+zij te-rug zouden moeten zijn. Zijn oogen en mond namen hierbij een
+ernstige uitdrukking aan van gezag en plaatselijke kennis. Daarna klom
+hij langzaam in het rijtuig, en schoof neer op het vaal-gele kussen
+tegenover Mathilde. Hij ging dadelijk een beetje naar haar toe gebogen
+zitten, in een houding van gesprekvoering, want hij vond dat 't niet
+goed stond, als zwijgende poppen door de straten te rijden en rond te
+kijken. Dit was niet zoo als 't hoort. Zijn voeten stootten tegen
+Mathildes voeten. Men moest zich wat schikken, anders was de ruimte
+tusschen de twee banken te nauw. Mathilde duwde zich een beetje naar
+voren, haar voeten tusschen de zijnen, haar knieen door zijn beenen
+omsloten. De koetsier maakte gebaren met zijn armen en rug. Hij zei:
+alla, jongens! en siste met de tong; de paarden trappelden wat, met een
+schokje ging men vooruit al ratelend over de steenen; door het hobbelen
+bibberden de aangezichtsvellen, vooral het losse dunne van den ouden
+heer, en Jozef kreeg jeuk in de hoekjes, waar zijn neusvleugels aan de
+wang eindigden. Maar hij verdroeg dien, want onder Mathildes oogen wilde
+hij zich niet krabben. Het denkbeeld dat zijn jeuk erger kon worden
+maakte hem verlegen. Hij spitste dus zijn neusvleugels, als om de zwoele
+lucht op te snuiven en wilde door deze spanning de jeuk verdrijven. De
+rook van de Stuwens cigaar, die dikker werd, daar hij groote trekken
+deed, woei tegen Mathildes gezicht aan. Dit hinderde Jozef, hij dacht,
+dat 't haar onaangenaam moest zijn, maar hij kon er niets van zeggen,
+ook wilde hij dat niet, om dat ie dacht, dat nu zijn gewoonte om nooit
+in haar bijzijn te rooken meer nog gewaardeerd zou worden door haar.
+Plotseling deed nu Mathilde haar parasol neer en werd het donkerder in
+het rijtuig. Men reed de Hoogstraat in en zag niets dan zwarte en
+donkerpaarse huisgevels aan beide zijden, verbonden door een reep
+hel-blauwe lucht daarboven, terwijl de zon achterbleef op den
+Kloveniersburgwal. Men was al lang begonnen te spreken. Jozef was midden
+in een zin over het vieze en onwelriekende van het jodenkwartier, daar
+zij straks doorheen zouden rijden; zijn woorden kwamen als
+onverstaanbare schreeuwtjes uit de verte tot Mathilde, die uit goedheid
+ja knikte. Daarna werd er niet meer gesproken. Een enkelen keer alleen
+riepen ze mekaar iets toe over wat ze op straat zagen, en vroeg Mathilde
+luid aan haar vaders oor, of hij 't nu wezenlijk niet te koud had. De
+heer de Stuwen, die volstrekt niet, zoo als Jozef, er over dacht, hoe
+men zich in een rijtuig te houden had, keek met de meeste aandacht naar
+het dooreen-griezelen van de joden in de rondte, daar al dat loopen en
+babbelen in de voortdurende opgewondenheid zijn belangstelling van
+Amsterdamsch burgerheer gaande maakte. Hij zag vuile kleine meisjes, die
+op de hoeken van de zijstraten van de St. Antoniebreestraat onoogelijke
+waren ventten, koude of rookende, en hij-zelf rookte een beetje meer om
+den stank niet in zijn neus te krijgen. Daar Mathilde ook om zich heen
+keek en die arme jodenjongens met goedhartigheid beklaagde, met hun
+bleeke ongewasschen gezichten en vieze zwarte, roode handen, en die op
+allerlei nootjes of zij wist niet wat kauwden, en de meisjes toch wel
+bizonder vond met hun breede lippen en chineesche wenkbrauwen, moest
+Jozef er ook wel naar kijken. Hij deed 't maar heel even, zonder
+hoofd, met zijn oogen alleen. Achter het geploeter gegil en gekrijt,
+reden ze nu door de kalme Muyderstraat.
+
+De heer de Stuwen kuchte tusschenbeide stilletjes en zat, weifelend en
+schuchter, met zijn handen op zijn knieen over zijn jas gegleden. Hij
+zei niets. In de Plantage werd alles weer breeder, vroolijker en een
+wijde hemel. Aan het einde van de laan was de Muyder Poort met zijn
+koepelig torentje en wijzerplaat, waarop de cijfers van de uren blonken.
+Het rijtuig ratelde hier erger over den weg, die hier en daar glooide
+tusschen de rijtjes magere nietige boomen, die gele blaaren afstrooiden,
+wuivend naar den dikken buik van de Poort, voor de groen door hen
+bepoetelde huizen heen, en de oude heer danste met zijn heele lichaam.
+Jozef zat Mathilde aan te kijken. Zij beglimlachten mekaar eventjes
+tusschenbeide. Mathilde had haar parasol weer opgestoken en haar door de
+warmte, het genoegen en de lucht, die er indrong, verlevendigd gezicht
+had tinten van zoetrood, rose, wit en warm blank, schaduwplekjes en
+glinsteringen, en kleine bewegingen van de wangen; haar oogharen klepten
+voor haar vloeyend zilver schijnende oogen op en neer, als sprekende.
+Haar gezicht kreeg zoo een bizonder waas, een geur van weemoed en
+verlangen in het onder den parasol verzachte licht, in het door de
+schijnende voering licht groen geverfde half-donker, dat Jozef haar met
+verlangen zat te bekijken. Hij dacht over Mathilde en vergeleek haar met
+haar vader, en prees in zijn eigen haar opoffering, die haar bij hem
+deed blijven en haar wat een onrust bezorgde, terwijl het bejaarde
+mannetje daar naast haar zat, zonder ook maar in 't minst te vermoeden,
+waar die twee andere hoofden, vlak bij hem, aan dachten.
+
+Zij waren nu over de reels van den Rhijnspoorweg geschokt, en, met holle
+galmen, door de Muyder Poort geholderdebolderd. Toen ze het gebouw van
+Artis voorbij kwamen, had Jozef iets over den stijl daarvan gezegd,
+waardoor hij weer een goeyen indruk op de Stuwen maakte. Zonnige
+stofwolken stegen achter de huizen van de nieuw aangelegde straten op,
+waar het zand pas versch was aangedragen. Een wemeling van goudpoeyer
+zweefde door de lucht, omhulde de daken van de huizen en stoof dan neer
+langs den straatweg in de Meer. Op de zachte, met laagjes hard zand
+bedekte klinkers klonk de hoefslag van de paarden dof af, en van
+tusschen de wriemelende boomenblaaren schoten zonnestralen over het
+rijtuig, die dan weer wechwoeyen voor de schaduwen van de deinende
+takken. Rechts van den weg zag men, tusschen het heestergroen door, de
+wit-blauwe grafzerken van de Ooster-begraafplaats blanker en nieuwer
+schijnen in de zon. De heer de Stuwen was nu aan 't genieten. Hij werd
+een beetje dronken van de warme najaarslucht; een loome en zoete
+verdooving deed zijn boven-oogleden halverwege neerstrijken; zijn
+gezicht zette zich uit, een lammig waas wolkte om zijn persoon, een
+begeerte om zijn eigen wezen, zijn kracht te verliezen en een te worden
+met die sterke lucht en die pittige atmosfeer, maakte zich van hem
+meester. Hij had weinig gesproken en zweeg hoe langer hoe meer. Hij trok
+traag en droomerig aan zijn cigaar. Jozef en Mathilde voelden ook de
+buitenlucht door hun longen dringen, een gevoel van vrijheid en
+natuurliefde overviel hen buiten de stad. Het weilandengroen en het
+scherpe luchtblauw, waarin langzaam aan den horizont witte
+wolkengroepjes naar boven klommen, kaatsten in teere tinten op hun
+gezichten af en stemden hen verweekelijkt en uitboezemens-gezind. Jozef
+had zoetjes-aan zijn voeten tegen Mathilde de hare geschoven en nu
+wreven zij er zachtjes tegen-aan. Nu kwamen zijn knieen ook altijd
+dichter en dichter bij de hare. Telkens wanneer het rijtuig schokte door
+de hobbeligheden van den weg en Jozefs knieen heen en weer bewogen,
+hield hij ze expres een beetje langer tegen de hare aan. Er vloden
+aandoeningen van genoegen door zijn maag en vingers bij elke aanraking.
+Men vorderde verder in de Meer en juist zette de koetsier de paarden aan
+met de zweep om een oranje heerenwagentje voorbij te komen, toen men aan
+het ouderwetsche landgoed Rozenburg rechts van den weg kwam, met zijn
+oude boomen, verwaarloosde grasperken en stoffigen gevel. Uit het
+schuimige slotenkroos, dat de straatweg van de buitenplaats afscheidde,
+staken een wit mannen-en vrouwenbeeld omhoog, hun beenen in het eeuwig
+stilstaand water. Zij stelden lang vergeten goden en godinnen voor. Zij
+steunden het steenen bruggetje, dat de sloot overboogde met hun nu
+verouderde en van spinnewebben omwemelde lichamen. De knieen van Jozef
+en Mathilde sloten zich dichter aan-een en drukten zich vaster samen,
+terwijl de oude heer, in een dommel-roes, zijn kin over zijn foelaar
+gebogen, en heerlijk genietend van de waayende warmte, zachtjes
+verdoofde in de sterke lucht.
+
+Jozef begon in een soort van kinderlijke stemming te verkeeren. Hij was
+blij te moede. Zijn zware cylinder hoed scheen hem van-daag bizonder
+zwaar. Ook had hij, met een onoverdacht gebaar, zijn hoed een beetje
+achterover gezet, o maar, zoo weinig, dat niet eens de lichtelijk in
+zijn vel geperste streep zichtbaar werd, die, om dat zijn hoed altijd
+juist op dezelfde hoogte zat, daar, vooral als het warm was, ontstond,
+zoodra hij zijn hoed op zette. Jozefs oogen waren vriendelijk. Hij
+voelde zich gelukkig en verlangend naar nog meer. Hij en zij leunden nu
+allebei achterover tegen de ruggen van hun plaatsen. Zij hield
+voortdurend, maar een beetje lager, een beetje gemakkelijker dan eerst,
+haar parasol in de hoogte. Er lei zooveel gloed over haar gezicht, Jozef
+zag, dat zij zoo niets liever verlangde dan op deze manier tegenover hem
+te zitten en dan naar hem, dan naar de lucht en de boomen te kijken, dat
+hij, in de onbestemde blijdschapsdriften, die naar zijn hersenen stegen,
+haar pardoes, als een schooljongen, op allebei haar wangen had willen
+zoenen, met haar schouders in zijn handen. Er was nu zoo'n heerlijke
+geheime verstandhouding tusschen hen. Het was zoo pleizierig dat zij met
+elkaar zulk een dierbaar geheim hadden, waar vader nog niets van mocht
+weten. Het hinderde wel de onmiddellijke verwezenlijking van hun
+plannen, maar de blikken, waarmee zij elkaar nu konden aankijken en die
+zij alleen begrepen, de fluisteringen, als zij alleen waren, de minste
+handdrukken en aanrakingen, die beteekenissen kregen, dat alles gaf als
+een zoete geur van verboden vrucht aan hun verhouding, ofschoon er niets
+verbodens bestond. En deed het uitstellen om tot een oplossing te komen
+minder zwaar vallen in de ruischende najaarslucht.
+
+Zij reden voort over Diemerbrug tot Weesp. Hier dronken zij iets en
+kregen de paarden water en rogge-brood. Na ruim een half uur rusten,
+reden ze te-rug. De koetsier kreeg order om tot Diemerbrug denzelfden
+weg te nemen, en daar langs de vaart tot de Weesperzijde en daarlangs
+weer tot Amsterdam te gaan.
+
+Toen ze de Amstel te-rugreden, den Schollebrug op en af, over den hoogen
+straatweg, in loggen draf door de paarden voortgesjord, was het al over
+half-zes geworden; Jans zou wel boos zijn, nu ze zooveel te laat zouden
+komen voor het eten. De oude heer had dit opgemerkt; hij was weer
+helderder van hoofd geworden in de verkoelende lucht. Hij keek met
+welgevallen over de Amstel heen naar den overkant, waar wagentjes reden
+en menschen liepen, of naar den hemel, waar de zon langzaam in 't
+westen daalde.
+
+De heele hemel was wazig, wittig blauw, langzaam verduisterd. Voor hen
+uit stond de koepeltoren van Paleis voor Volksvlijt omhoog met zijn
+glazig grijzende kleuren, de magere spitse zwarte torens van de kerken
+waren meer vanachteren en de nieuwe daken van de hooge huizen in de
+Sarphatistraat staken zich op in een doffe dampenmassa, die zich boven
+Amsterdam samenpakte. Zachtjes dreven uit het oosten nog licht-zwarte
+wolkenbeetjes aan, heel in de laagte. Maar links van de huizendrommen,
+in het westen, tusschen de tengere boomenstammen aan de
+Utrechtsche-zijde, zonk de zon in de blauw-grijze verte, en spleten
+goudroode kwispelende strepen de sombere wolken. Een helle vuurbol spoot
+stralen er tusschen door. Een purperrood licht weerkaatste in de
+bovenste huizenruiten en een rose teerheid betintelde ruimte. In het
+rijtuig werd de stilte stiller. Ieder zat voor zich-zelf te denken.
+Mathilde voelde zich zonderling blij. Een smartelijke vreugde om zich
+een onbestemde voorstelling te maken van wat toch niet wezen zou, was in
+haar. Overgegeven aan de veeren van den landauer om haar te wiegen, bij
+kleine schokjes, en aan de warmte van de kussens, waarop zij nu al uren
+had gerust, om haar rug en beenen te doordringen, en haar borst en
+schoot koel in den avondwind, had zij haar hoofd naar achteren op-zij
+laten glijven. Haar oogen waren bijna geheel dicht, zij betuurde door
+een waas, tusschen haar lange ooghaartjes door, Jozef tegenover haar.
+Maar zij zag hem als verkleind, in de verte, met een nauwkeurige
+onderscheiding van zijn minste trekken. En door al de lucht, die
+tusschen hen was en die zij voelde, heen, nam ze hem zoo op in haar
+droomen. Zij liet zich gaan en hield zich geheel roerloos; nog altijd
+omsloten zijn beenen warm de hare. Zij had haar parasol met twee handen
+vast op haar schoot. Als door een onbekende heesche stem werd de
+waarheid in haar oor gefluisterd, dat haar liefde altijd grooter werd en
+nu gauw tot een voldoening moest komen. Al zoo lang was zij aan 't
+wachten. En zoetjes, heel zoet en liefelijk, als een balsem die haar
+huid en haar binnenste doordrong, liet zij zich door het denkbeeld
+kussen, dat zij nu oogenblikkelijk de heerlijkheid, die zij wachtte,
+tegemoet ging. In langzaamen dans, op de maat van den paardenhoefslag,
+zuisden de hoopschijnsels door haar mijmeren. Zij droomde van een
+vereeniging met hem, een eeuwig en alleen samenzijn. De geluiden van de
+straat kwamen als verwarde en onverstaanbare kreten van onder den grond,
+waarboven zij zweefde, op. Zij zag de hemeloneindigheid verduisterd om
+haar heen, maar een onverdoofbare vlammende gelukzee in haar hart. Zij
+wilde zich inbeelden, dat zij, terstond, nu dadelijk na het thuis komen,
+van-avond in dezen laatsten zomeravond, dat verwachtte geluk zouden
+hebben. En zij dacht dat 't anders nooit gebeuren zou, dat er na dezen
+geen zomer meer te-rug kwam, en dat de lucht voor het laatst purpur was
+geworden. Haar lippen werden nat. Zij wilde nu dadelijk drinken aan den
+beker. Zij haakte naar die dronkenschap, dien roes van haar liefde. De
+parasol viel uit haar handen, die half van haar japon wechvielen; zij
+zwijmelde heen in hare verwachting. Het werd een zachte rozengloed en
+een zaligheid voor haar oogen. Zij stak haar lippen vooruit, om Jozef,
+wiens kus zij nu kende, voor goed te ontvangen. Toen dommelde zij wech
+in een half slapende sluimering, na dat zij nog even een blauwen vonk,
+de eerste ster, voor zich uit had gezien, dicht-bij, boven Jozefs
+zwarten hoed.
+
+Diep uit haar doezel, schokte Mathilde wakker. En een stem, die haar
+vreemd scheen, zij lachend luide:
+
+--Mathilde, wij zijn er ... Was-je in slaap gevallen? Zij kwam tot
+zich-zelve, ernstig en kriegelig. Het was Jozef, die tegen haar sprak;
+hij had zijn hand op haar knie gelegd, om haar wakker te maken. Zij keek
+op; zij vond t' akelig donker, het was koud, het woei. Zij begreep niet,
+wat er eigenlijk met haar gebeurd was. Zij drukte Jozefs hand te-rug,
+die hij zelf niet gauw genoeg te-rug nam. Haar vader stond op om uit te
+stappen; Jans hield, met een brommerig gezicht, de deur al open. De oude
+heer hoestte erg.
+
+--O God, vader, u heeft stellig vreeselijk kou gevat. Wij hadden het ook
+nooit moeten doen, nee nooit!, zei Mathilde, die uit haar humeur was.
+Zij sprong op den grond, vlak achter haar vader, voorbij Jozefs hand,
+die haar steunen wilde. Zij drong zich naast haar vader in den gang, vol
+onstuimig bezorgde vragen. Mankeerde hij nog niet iets? Was hij niet
+stijf, had hij nergens pijn? Ze hadden dien ongelukkigen toer nooit
+moeten doen, 't was ook een vreemd idee geweest van Jozef nu de herfst
+al in 't land kwam. Zij stootte haar vader zachtjes door de deur van de
+achterkamer. Jans had ten minste voor wat vuur gezorgd; dat was goed.
+Zij nam den oude heer zijn hoed en overjas en boeffante af en zette hem
+in zijn leuningstoel hij de kachel. Daarna, nog met haar hoed op, rende
+zij naar boven, kwam te-rug met zijn pantoffels en sjamberloek, trok
+zelve zijn schoenen uit, hielp hem verder op zijn gemak. Toen dacht ze
+er pas aan haar handschoenen en hoed af te doen en naar Jozef te kijken,
+die stil in de kamer was komen staan, zijn hoed in zijn eene hand, de
+andere in zijn broekzak frommelend, waar zijn beurs, waaruit hij den
+koetsier een fooi had gegeven, maar niet plat wilde liggen.
+
+--Als vader zich maar geen ziekte op zijn hals heeft gehaald, zei ze tot
+Jozef, nu weer wat kalmer.
+
+--Wel nee, andwoordde hij, geen kwestie van, zoo koud was 't niet. En
+Jozef nam afscheid om in de club te gaan dineeren. De heer de Stuwen
+bedankte hem hartelijk voor het ritje. Hij had veel genoten van de
+buitenlucht. Maar men moest Mathilde haar gang maar laten gaan, dat
+goede kind!
+
+Dien avond was Mathilde vol bizondere teederheid voor haar vader.
+Ofschoon hij verzekerde niets te mankeeren, verzorgde zij hem op alle
+mogelijke manieren. Zij liet hem warme grokjes drinken, liet hem vroeg
+naar bed gaan, ging nog tweemaal voelen of zijn kruikje heet genoeg was,
+en kwam nog eens kijken of hij zich wel wel voelde, een half uur na dat
+hij naar boven was gegaan.
+
+Hij was nog niet heelemaal in slaap en ging rechtop zitten, toen zij
+binnenkwam. Zij kwam hem nog eens een nachtzoen geven, zeide zij.
+
+Haar armen om zijn mager lichaam, vroeg zij, in een opbruising van
+teederheid:
+
+--Zal u gezond blijven, zal u nooit, ten minste in de eerste twintig
+jaar niet, sterven? O, vader, u is het eenige wat ik heb, als u sterft,
+zou ik zoo verlaten zijn en niemant hebben op de wereld. En zij zoende
+hem nog eens hartstochtelijk en drukte haar hart tegen het magere
+nachthemd van den ouden man en warmde hem aan haar jonge lijf. Daarna,
+toen zij haar in het rijtuig opgekomen begeerte om liefde te besteden
+had voldaan, sliep zij in.
+
+Den volgenden middag tegen vier uur begon de heer de Stuwen te bidderen,
+hij kreeg het koud door al zijn leden, hij was ongesteld, om vijf uur
+ging hij in zijn bed liggen. Mathilde, die doodelijk ongerust werd,
+hielp hem; om zes uur kwam de dokter, dien Jans was gaan halen, dokter
+Hansen, een klein rood-bruin-mager altijd veertigjarig mannetje achter
+een gouden bril. Den volgenden morgen was de Stuwen stijf door zijn
+heele linkerzij. Om een uur kwam de dokter weer en verklaarde, dat
+Mathildes vader zware rheumatische koortsen onder de leden had, en dat
+de ziekte, die lang en kort duren kon, zich nog al niet gemakkelijk liet
+aanzien. Mathilde merkte dat er een heel nieuw soort leven voor haar
+misschien zou beginnen; tusschenbeide ten minste kwam deze gedachte als
+een heel vreemd iets door haar hersens. Maar zij was veel te bezig den
+heden dag, dan dat een oogenblik van gedachte door iets anders ingenomen
+werd dan door vaders ziekte en de mogelijke uitkomsten. Zachtjes, voetje
+voor voetje, liep zij de trappen op en neer van den morgen tot den
+avond. Op verzachten toon werden Jans allerlei dingen gezeid en allerlei
+zaken opgedragen, die zij grommend over de drukte, opvolgde en
+uitvoerde. Er was den god-ganschelijken dag een gefluister en glippen
+van japontippen over de trap en een doodelijk stille bedrijvigheid door
+het huis. Zachtjes klepten de deuren toe; Mathilde had een katoenen
+lapje om de huisschel gewikkeld, wat de dokter zelf een overdreven
+voorzorg noemde. Nu was de heer de Stuwen gelukkig een zwijgende,
+geduldige zieke; een enkelen keer maar, vooral 's nachts, dreunde er een
+dof gekreun door het huis, wat Jans aan spoken denken deed. Het uiten
+van zijn pijn bestond bij den ouden heer in het kronkelen en wringen van
+zijn stramme leden en het zwaar zuchten, hijgen, sidderen en kuchen.
+Werd de pijn al te bar, dan sparde hij zijn oogen wijd open, zoodat het
+wit over de randen scheen te zullen loopen.
+
+Gedurende de eerste zeven dagen van de ziekte was Mathilde niet uit haar
+vaders slaapkamer te slaan. Den heelen dag had zij iets te doen, dan
+hier, dan daar in de kamer. Zij had den tweeden dag al haar borduur-en
+teekenwerk van boven gehaald en in een klein hoekje bij het venster
+gelegd. Alleen om de atmosfeer niet te benauwen, ging zij beneden in de
+achterkamer, driemaal per dag, even heel gauw eten. Den derden dag, toen
+de ziekte met schrikbarende snelheid heviger werd, had zij, een eindje
+voor haar vaders ledikant, een kermis bed met Jans opgericht, en daar
+bracht zij nu de nachten door. Verder hielp zij haar vader met alles,
+met een zenuwachtige en overdreven bezorgdheid. Zij alleen wilde
+volstrekt alles doen en in orde maken. Sprak dokter Hansen van een
+ziekenoppasser nemen, drong hij aan, noemde hij dat een noodzakelijken
+maatregel, daar op den duur toch Mathildes krachten niet toereikend
+zouden blijken, dan wilde zij van niets hooren, zij weigerde
+halsstarrig. In haar gesprekken met den dokter maakte zij haar armen
+bloot en wrikte haar schouders op en neer, om te toonen hoe krachtig en
+lenig zij was. Met Jozef had zij ook een hevige woordenwisseling. Als
+zij hem, bij zijn dagelijksche bezoeken om naar den ouden heer te
+vragen, uitliet, en hem, beneden in der haast fluisterend in den gang te
+woord stond, verzekerde zij hem, dat zij 's nachts uitnemend rustte en
+zelfs zwaar sliep, en dat dit ruimschoots opwoog tegen de gejaagdheid,
+de angst en het werk van overdag. Hij kwam op het denkbeeld om van haar
+liefde voor de piano gebruik te maken, om haar wat afleiding te doen
+nemen. Op een middag wist hij haar naar het zaaltje te dringen, en haar
+aandrift werd daar wezenlijk zoo sterk, dat zij samen weer heelemaal een
+ouderwetsch uurtje doorbrachten, zij op het krukje voor de piano haar
+geliefde themaas aan 't spelen en hij er naast op een stoel, vlak bij
+haar, kleine bedenkingen opperend, goedkeurend en toejuichend, den aard
+van de melodien met haar besprekend, over het gevoel, de bizondere
+nuance, die in deze of gene noot te leggen was uitweidend. Toen was Jans
+binnen komen sloffen, en kwam vragen, kompliment van mijnheer en of de
+jufvrouw geen stukjes kon kiezen, die wat minder hard klonken, want dat
+mijnheer het aan zijn hoofd niet goed kon verdragen. Mathilde stond op
+met een bedaarde woede, die Jozef verwonderde, sloot de piano met
+vastberadenheid en borg de muziekboeken wech. Zonder een woord te
+spreken stapte zij naar boven. Haar vader, die eigenlijk erg lette op
+nommero een: verschrikkelijk bang om dood te gaan, had zich-zelf uit
+zijn bed weten te werken en stond al bidderend bij de tafel zijn
+terpentijn-drankje klaar te maken, om dat het uur van innemen al voorbij
+was. Mathilde begon hierover te huilen, dat hij er mee uitschee en 't
+haar liet doen. Jozef had zich beneden uit de voeten gemaakt. Aan een
+stuk bleef Mathilde nu twintig uren boven bijna zonder te eten, zonder
+te slapen. Toen zij eindelijk weer in de achterkamer kwam, om bouillon
+te eten, sloop zij op haar teenen naar het zaaltje, zocht naar het heele
+kleine sleuteltje, waarmee de pianoklep afgesloten worden, in het laadje
+van 't paars-bruin muziekkastje er naast, vond het, sloot de piano dicht
+met een ernstig gezicht, ging toen naar de voorkamer, maakte het venster
+open en gooide onder een koortsigen glimlach het sleuteltje over de
+gracht in de wal.
+
+De ziekte van den ouden heer was nu op zijn ergst geworden. Het begin,
+de eerste hevige stooten waren voorbij, nu was zijn lichaam met kalme,
+zware aanhoudende pijnen. Mathilde verzorgde hem voortdurend hetzelfde
+en zonder ongeduld. Zij dacht veel aan Jozef, ook vooral als hij er niet
+was, maar de telkens in denzelfden vorm opkomende gedachte, die telkens
+weer te-rugkwam als ze haar driftig had wech gestooten, zoo als de
+altijd weer verschijnende telegraafpalen, die men te niet zou willen
+kijken door het raampje van den sneltrein, maar die met een ruk weer
+aankomen, die gedachte bleef haar als een zoete kwaal met een onbestemde
+heerlijke hoop vullen. Gelukte het haar 's avonds in te slapen, dan
+voelde zij in den doezeltoestand, waarmee haar slaap begon, in die
+oogenblikken dat zij zelve niet wist of zij wakker was of sliep, en als
+hij zich weer heelemaal van haar denken had meester gemaakt, haar
+vleesch koud, maar de hoop, zonder begeerte-voorstellingen, bleef
+bestaan en regende door de vale duisternis van de ziekenkamer haar
+zinnen binnen. Over-dag wilde zij niet aan hem denken, zij vond dien
+hartstocht nu akelig wereldsch vergeleken bij den heiligen plicht, dien
+zij vervulde. Dit was nu het leven, dit was nu de ware hooge roeping van
+een vrouw, en het andere was wereldsch, was slecht, was uit den booze en
+niets dan ijdelheid.
+
+Na vier weken was Mathilde half-ziek van afgematheid. Zij kon, zij kon
+doodeenvoudig niet meer. Wanneer zij niet oppaste zou zij-zelf ziek
+worden, en wat dan, dan kon zij toch zeker haar vader heelemaal geen
+goed meer doen. Zij had zich-zelf zoo gemaakt, zij had het werk, dat zij
+zich had opgelegd, overdreven. Zij had er een genoegen in gevonden zich
+af te sloven, dat te doen, wat zij wist dat overbodig was. Zij had een
+vaag verlangen gevoeld om zich zelf te vernietigen; zij wilde Jozef
+vergeten, zij wilde zich dood sloven om haar vaders leven te behouden.
+Het was de onbevredigde liefde voor Jozef, het onuitroeibaar onvoldaan
+verlangen, de stormende en stijgende zucht om haar leven aan zijn doel
+te geven, die zich in dezen hartstocht van verplegen een doorweg baande.
+En voor een gedeelte was zij geslaagd, zij had zich-zelf zoo weten te
+verzwakken, dat de dokter en Jans haar op een morgen met geweld aan de
+ziekenkamer onttrokken en naar bed brachten. Toen sliep zij achttien uur
+achter mekaar. En zij voelde zich zoo krachteloos, dat zij zich wel
+moest laten aanleunen, het verschijnen van een liefdezuster, beneden,
+die men zich gehaast had te laten komen. Maar twee dagen later sukkelde
+zij in haar grijzen peignoir, door Jans ondersteund, weer de trap af;
+zij wilde haar vader zien. Hij was nog hetzelfde; hij had zoo'n rillende
+en huilende pijn, door al zijn leden, vooral door zijn linker zij, dat
+men biezen hoepels om zijn matras had gespannen, om zijn dek op te
+houden, daar hij zelfs de druk van de dunne lakens en van een katoenen
+deken over zijn beenen en borst niet velen kon. Hij jankte tusschenbeide
+als een hond.
+
+Een week later bleef de pijn bij lange tusschenpoozen wech. Na nog een
+week beterde hij merkbaar. Mathilde, die weer aansterkte, zat in de
+voorkamer beneden te teekenen en te borduren; elke tien minuten liep zij
+de trap op om naar haar vader te kijken.
+
+Jozef kwam elken dag aan. Hij stuurde nu geregeld verfrisschinkjes voor
+den ouden heer; en voor Mathilde de laatste bloemen van het jaar.
+Mathilde vond 't heel mooi van hem, dat hij nooit vergat te komen. Zij
+zag hem op de vaste uren, altijd netjes aangekleed, altijd even lief en
+hartelijk, met zijn trouwe, nu beproefde, dacht zij, onveranderlijke
+liefde. Hij bleef nu dikwijls een half uur alleen met haar in de
+voorkamer, na boven den vader te hebben bezocht. Iederen ochtend zag zij
+weer met meer verlangen naar zijn komst uit. Zij begon bij zich-zelf te
+redeneeren, dat vader waarschijnlijk, zoo hij al beterde, toch ziekelijk
+blijven zou, en heel hulpbehoevend zijn volgend leven. Zij zou zich niet
+van hem kunnen scheiden en hem moeten blijven verzorgen tot aan zijn
+dood. En langzamerhand ofschoon zij eerst voor haar eigen weinige
+zelfstandigheid te-rugdeinsde, werd zij gewaar, hoe zij zich neerlei bij
+het denkbeeld om Jozef te trouwen en vader in huis te nemen, met hun
+drieen verder samen een leven te leiden. Haar bezwaren van vroeger
+kwamen nog zwakjes op, maar verbleekten en schenen vernietigd te zullen
+worden. Weer dacht zij aan de kinderen. Men moest verstandig zijn, men
+moest, wilde men zoo een gewichtigen stap doen in het leven, niets over
+het hoofd zien, alles wikken en wegen, alle bezwaren indachtig wezen.
+Zij dacht dan, dat de kinderen misschien vooreerst niet zouden komen,
+dat, al werden zij hun werkelijk gezonden, alles toch nog misschien
+geschikt zou kunnen worden. Alles wat vroeger een onoverkomelijke
+hinderpaal scheen, werd nu makkelijk uit den weg te ruimen. In alle
+gevallen bleek gemakkelijk te kunnen worden voorzien. Zij zouden dan
+maar, zoo lang vader nog leefde, niet veel menschen zien en probeeren
+het huis stil te houden.
+
+Eens op een Donderdag-middag waren de heer en mevr. Berlage een kaartje
+komen poesseeren, de ingenieur Ster was er ook al verscheidene keeren
+geweest, om deelneming in de ziekte van den huisheer te betuigen, maar
+Mathilde ontving niemant, voorgevende zelf ook nog ongesteld te zijn.
+Zij wilde alleen zijn met al haar gedachten. Die nacht, van Donderdag op
+Vrijdag, deed zij bijna geen oog toe en lag zij aldoor aan Jozef te
+denken. Vrijdagochtend tegen elf uur, den tijd, dat hij komen moest, was
+zij zoo ontzettend verlangend naar hem, dat ze het venster van de
+voorkamer open schoof en in de Oktober-koelte haar haren liet zwieren om
+naar hem uit te zien. Zij reikte zoo ver mogelijk naar voren, dat haar
+borst er zeer van deed.
+
+Toen hij kwam, maakte zij open:
+
+--Ben-je daar? Zij gaf hem stil een arm. Samen gingen zij naar boven.
+
+Na dat Mathilde Jozef zich had laten overtuigen, hoe-of vader beterde
+met den dag, hoe opgewekt hij er weer begon uit te zien en met hoeveel
+pleizier hij zijn krantje las, en hoe lekker hij weer brood at, stonden
+zij op het portaaltje buiten de deur van de ziekekamer een oogenblik stil.
+
+--Ik ben boven aan een aquarel bezig, die nog al goedgaat, zei Mathilde.
+Ik zal hem eens even halen, dan kan-je zien. Zij ging twee treden van de
+trap op en keerde zich toen om. In een wangenwarmte en een verlegen
+lachje, zeide zij: Ja, hij zit eigenlijk strak gespannen, vast gestoken
+op een houten bord ... Ik heb ook nog een heeleboel op mijn tafel liggen,
+om je te laten zien. Wil-je niet even meegaan?
+
+Het denkbeeld om Jozef haar kamer binnen te brengen en hem alles daar te
+laten kijken bekoorde haar erg. Dat Jans iets zou denken, viel niet in
+haar; Jozef was een oude huisvriend. Toch een beetje aarzelend ging zij
+hem voor, en ze werd in-eens heel rood, toen zij zijn stap achter haar
+hoorde, zoo hoog in het huis, de trap op. Maar de kleur bleekte zachtjes
+op, toen zij haar deur openduwde. Het was buiten geen bizonder klare
+dag, integendeel, het kon op regen uitdrayen. Zij wist niet waarom, maar
+toch trok zij de gordijnen niet op. Hij trad op haar toe en nam haar bij
+haar arm. Sints dien eenen zoen, op dien grooten morgen, hadden zij
+mekaar niet meer gezoend. Want een schijn van verkoeling had er
+wezenlijk bestaan. Hij zoende haar dan even, zachtjes op haar wang. Zij
+kleurde zijn gezicht met de liefde van haar oogen, maar zoende niet
+te-rug. Zij vond den toestand toch wel een beetje vreemd, zoo, hier op
+haar kamer. Op-eens merkte zij haar nachtjak, dat voor het bed op een
+stoel lag. Zij gooide het jak gauw op haar bed en deed de gordijnen
+zorgvuldig over mekaar en de stoel er tegen aan, zoo dat er geen opening
+meer zichtbaar bleef.
+
+--Ga nou maar even voor de tafel zitten, zei ze, dan kom ik naast je
+zitten.
+
+En samen bogen zij zich over de teekeningen en bezagen alles. Zij
+vermeed zijn blikken en lei hem haar moeite en haar werk uit, haar oogen
+naar de tafel. Plotseling zeiden zij geen van beiden een woord meer. In
+de stilte keken zij allebei voor zich uit. Toen nam hij een besluit en
+maakte een gauwe beweging. Hij deed zijn arm om haar middel en trok haar
+naar zich toe, zijn hand aan haar borst. Een hitte steeg in haar op. Zij
+ging achter over, haar hoofd op zijn schouder. Haar lichaam hijgde naar
+boven in zijn armen.
+
+--O, fluisterde zij, zonder te weten wat zij bedoelde, ik kan nu niet
+langer wachten ... Laten wij toch trouwen.
+
+En zij wrong zich naar hem toe, op zijn schoot, tegen hem aan. Hij viel
+haast om met stoel en al. Zij maakte zich tot een klein kind aan zijn
+borst. Zij dook in-een in de houding, als toen zij, zoo lang geleden,
+als klein kind speelde op zijn schoot en hem aaide. Zij nam zijn hoofd
+tusschen haar handen; zijn haren sidderden onder haar vingers.
+
+--Wij zullen trouwen, nietwaar, gauw, zou gauw mogelijk?
+
+En zij zoende zijn gezicht wit en hijgde heet over zijn wangen. En zij
+streelde alles aan hem, zijn hoofd, zijn gezicht, zijn schouders, zijn
+hals, zijn borst. Zij zoende zijn wenkbrauwen, zijn oogen, zijn lippen,
+zijn voorhoofd, zijn das, alles wat van hem was. Jozef andwoordde zonder
+te spreken, met te-rug te zoenen. Toen zonk zij met dichte oogen, haar
+hoofd op zijn houder, haar handen achter zijn hals samengeklemd, tegen
+hem neer. En ze zeiden allebei niets, hun hoofden waren heet in de
+vreemd-warme kamer, Daarna gingen zij zachtjes samen weer naar beneden.
+
+
+
+
+IV.
+
+Jozef en Mathilde spraken af dat hij, zoodra de oude heer weer heel
+hersteld zou zijn en beneden in huis weer in zijn oude leventje, een
+formeel huwelijksaanvraag doen zou. Mathilde-zelf durfde er niet het
+eerst over spreken. Zij doorwachtten nu het langzaam beteren van den
+heer de Stuwen. Over een groote veertien dagen, had dokter Hansen
+gezeid, zou de vader zich weer gemakkelijk bewegen kunnen en de trappen
+op-en afloopen. Tot zoolang moest men geduld hebben, want Mathilde
+bracht Jozef aan 't verstand, dat zij volstrekt niet gissen kon, wat
+vader van de tijding denken zou. Als hij weer op zijn gemak den gewonen
+levensloop volgde, moest men hem alles meedeelen.
+
+Met dendag draaide nu de oude heer bij. Hij begon eerst wat beter te
+eten, toen bleef hij even opzitten met zijn koeranten, toen stopte hij
+zijn pijpjes, toen begon hij pleizier in keuvelen te krijgen, en
+eindelijk stapte hij de duffe ziekenkamer uit. Dit zal nu een dag of
+tien geleden geweest zijn.
+
+De maand Oktober eindigde stil. Het was een heldere koele avond buiten.
+Er passeerden weinig menschen op de gracht. De heer de Stuwen zat voor
+de tafel in de binnenkamer. Het kolomkacheltje brandde flauwtjes. De
+gasbekken waren boven het grijze hoofd ontstoken en hij las de krant
+onder 't soppen van een tafelbeschuitje in een juist weer volgeschonken
+nagemaakt blauw Saksiesch theekopje. Tegenover zijn plaats aan tafel
+stond een groot ouderwetsch bruin blad met opstaanden rand in koperen
+beslag. Het vlammetje onder het oud-zilveren theepotje bewoog: zoo hoog
+stond het ouderwetsch toestel, met de ketel met kokend water, dat de
+stoom tegen het lichtje aankwam. De overgeblevene helft van een
+manille-cigaar lag op het met asch en gestortte suiker bedekte
+schoteltje, naast de linkerhand van den heer de Stuwen, waarmee hij de
+krant vasthield.
+
+Mathilde was juist wechgegaan om klarigheid te maken om met haar vader
+naar de komedie te gaan.
+
+Daar werd hard aan de voordeur gescheld. Toen Jans bijna bij de voordeur
+moest zijn, gingen de Stuwens blikken even luisterend links langs het
+bedrukte blad, zijn mond ging op een kiertje staan: Wie, dacht hij, kan
+daar zijn?
+
+Jozef was aan de deur. De Stuwen herkende zijn stem toen hij Jans
+goeyen-avond zei, en vond 't vervelend, dat hij juist nu kwam.
+
+--Zoo, van Wilden, ik had niet gehoopt je van-avond nog te zien.
+
+--Hoe maakt u 't, meneer de Stuwen? ... Ja, ik zal u zeggen ... ik wou u
+graag eens spreken ... over ernstige zaken ...
+
+--Nou, kom binnen, kom binnen ... Jans, neem meneer z'n jas eens aan.
+
+--Nee, dank u, die zal ik maar aanhouwen ... Ik zal u niet lang
+ophouden ... ik heb maar weinig tijd.
+
+--Ga zitten ... zoo, en wat heb je nu voor gewichtigs?
+
+De Stuwen was ook weer gaan zitten.
+
+Jozef zat op de kleine kanapee, die tegen den wand stond. Zijn
+cylinder-hoed stond naast hem op het karpet met de lichtrood zijden
+voering naar boven. Zijn overjas hing open; zijn ellebogen stonden op
+zijn knieen; zijn donkerbruine glace-handschoenen kraakten sisten tegen
+mekaar; zoo krachtig poogde hij zijn handen te vouwen. Zijn hoofd hield
+hij gebogen, zijn oogen neer. Een enkelen keer dwong hij ze echter den
+heer de Stuwen sterk aan te zien. Hij sprak boekachtig.
+
+--De stap die ik doe is wel een beetje onvoorbereid, meneer, ... maar wij
+zijn toch al oude vrienden en daarom ben ik er des te gereeder toe
+overgegaan ... Meneer, ik kom de hand van Mathilde vragen ...
+
+Jozef hoeste en keek den ouden heer lang, heel lang met zenuwachtig
+trillende oogen aan.
+
+--Houdt zij van u?
+
+--Ja, meneer, dat weet ik ... Wij hebben samen al over ons hartsgeheim
+gesproken ... Zij heeft mij wel lief en ik, ik haar onuitsprekelijk ...
+
+--Ik moet je ronduit bekennen, dat je me erg verrast. Ik had nooit aan
+zoo iets tusschen jullie gedacht. Je scheelt, als ik wel heb, dertien
+jaar met mijn dochter. Je karakter ken ik genoeg ... Maar wat praat ik?
+Wat moet ik beginnen, als jij met mijn eenig kind gaat strijken? ... De
+Stuwen huilde nu. Van Wilden, ik houd zooveel van dat kind, zij is 't
+eenige, wat ik nog over heb ... Mag ik wel vragen, oprecht en vrij,
+hoeveel inkomen je wel hebt, van Wilden, en hoe je je huishouden denkt
+in te richten? ... Wezenlijk, je komt me zoo met je aanbod uit de lucht
+vallen, dat ik er heelemaal door in de war ben ... Laat me d'r eens wat
+over denken, he? ... Kom dan over een week of zoo maar mijn antwoord
+hooren ... Gut, jongen, van Wilden, geloof me, ik had zoo iets nooit
+vermoed ... Ik houd van je, dat weet je, en 't geluk van Mathilde gaat
+mij erg ter harte ...
+
+Jozef was opgestaan, beverig, klammerig. Boven in huis zong Mathilde het
+liedje uit Faust van den koning van Thule; zij kwam de trap af. Toen zij
+aan de onderste drie treden was, had ze juist haar handschoenen dicht
+geknoopt en kwam nu met een sprongetje de achterkamer binnen: Vader,
+is u klaar?
+
+Jozef had nog juist kunnen zeggen:
+
+--Mag ik u dan per schrift nog 't een en ander over mijn zaken
+melden? ... Ik hoor Mathilde, bedenk u nu rustig ... ik wil ook niet dat
+er in deze kwestie iets te overhaast of tegen uw goeddunken gebeuren
+zal, ... maar ... voor alles, ... houd in 't oog dat niemand haar ... in
+staat is haar ... gelukkiger te maken, ik ... daar is ze, ... dat ik
+oneindig veel van haar houd ... Tot ziens dan!
+
+Hij kwam Mathilde aan de deur tegen. Hij dorst niet tegen haar te
+glimlachen. Zij zag ontsteltenis in zijn oogen. Zwijgend drukte hij haar
+hand. Zijn hand beefde. Zij zag haar vader ook opgewonden. Zij begreep
+dat Jozef alles had gezegd. Een oogenblik had zij de gedachte haar vader
+te omhelzen en hem zoo smeekend aan te zien, dat hij dadelijk zijn
+permissie zou geven ... een oogenblik maar, want zij hield zich in en
+ging stil in de kamer staan. De heer de Stuwen liet Jozef uit. De
+buitenlucht koelde de gezichten van Jozef en de Stuwen af. Jozef nam
+zijn hoed af en verdween in de schemering van 't lantaarnlicht aan den
+wallenkant.
+
+Vijf minuten later ging de oude heer met Mathilde naar de komedie. Jans
+liet ze uit en bleef verder in haar eenzaame keuken te-rug om naast de
+poes in te dommelen zonder te merken dat de lamp knersend uitging.
+
+De Stuwen en Mathilde zeiden dien avond weinig tegen mekaar.
+
+ * * * * *
+
+Dien avond, een paar uur na dat hij bij de Stuwen geweest was, ging
+Jozef naar de club. 't Was al over tienen. Het gas in de winkels vlamde,
+de gordijnen voor de clubventers waren neer. Jozef draaide den hoek om
+en richtte zich naar de deur in gezelschap van twee andere elegant
+gekleedde heeren. Beneden, van de keldervensters van het clubgebouw,
+steeg een warme damp van gekruid eten op in de neuzen.
+
+De straathoek hier was vol loopende menschen. De lucht stond bewolkt en
+de gezichten blonken geel in het gaslicht. De oogen blonken, als lichten
+van diep uit de hoofden schijnend. Soms ging het geraas van rijtuig en
+paard plotseling van de straatsteenen over in het doffe geklok van den
+hoefslag op het asfalt. Schorre fruitventers-kreten, heesche
+jodenschreeuwen een schel hondgejank riepen op onder de schuifelende
+gebarende en gesprekken houdende menigte, donkere lijven in een ver
+gebrom en een morrend gesuis tot de lucht.
+
+In hun baarden lachend wandelden Jozef en zijn kennissen langzaam. Boven
+de fluweelen kragen van hun overjassen schemerden, in helder witte
+boorden geklonken, hun roode door de pret vettige halzen. Er kwam een
+donkere jufvrouw onder een breedgeranden rubenshoed achter hen aan. Zij
+kuchte. Jozef keek om. Van weerszijde werd toen giechelend gelachen.
+
+De groote zaal van de club was in lichte kleuren beschilderd: licht-rood,
+lila en blauw; ovale vakken met bloem-en fonteinafbeeldingen, gescheiden
+door half uit den muur gebouwde hoekige pilaren, die van boven en van
+onderen zich in een opeenhoping van gouden krullen verloren. De
+bloemvakken werden afgewisseld door geslepen spiegels. Midden in den
+zaal stonden drie bieljarten, waar heeren met lekker-ruikende-baarden in
+hun overhemdsmouwen om heen liepen; de lampekappen stortten het licht
+over de bieljarten neer, dat de spelden in de kleurige dassen deed
+blinken, maar de gezichten in de schaduw liet; de heeren droegen de
+keuen geweersgewijze over den schouder, de pomeranz, met krijt
+besmerend. Achter in de zaal stond de lankwerpige groene leestafel, waar
+meer bejaarde heeren kranten lazen; aan de vensters waren de zwart
+ebbenhouten tafeltjes; kletsende, rookende heeren zaten er om heen
+grokjes te drinken.
+
+Jozef kwam binnen met zijn vrienden. Een knecht vol blauwe liverei met
+zilveren knoopen nam de over-jassen en de hoeden aan. Aan een tafeltje,
+dicht-bij de deur, waar al drie jongelui aan zaten, gingen zij ook.
+
+--Bonsoir, Hasman ... Dag, Piet, hoe maak jij 'et? D'Ablaincourt! ...
+Zitten jullie hier al lang?
+
+--Nee, even maar, we hebben koffie gedronken in Suisse.
+
+--Was 't er vol?
+
+--Nee, och God, niemant.
+
+--Jawel, en Dobber van Rotterdam dan? Zei Hasman.
+
+--O, was die d'r ook? Die heb ik t'r gisteren gezien, zei Jozef.
+Verbeel-je, hij proponeerde me om een spelletje ekartee te spelen, maar
+dat kon ik niet doen, dat begrijp je, nee, zeg ik, dat gaat hier in
+Amsterdam volstrekt niet, als de menschen mij hier na den eten ekartee
+zagen spelen, zou ik morgen aan de Beurs niets te doen hebben.
+
+--Nou, zoo erg geloof ik nou niet, dat het is, zei Piet.
+
+--Asjeblieft, zei Jozef, de menschen zijn hier nog verschrikkelijk
+kleinstaedtisch. Ik durf in geen publiek koffiehuis kaart te spelen. Dat
+kunnen alleen renteniers doen en in geen geval jonge menschen, die in
+effekten doen.
+
+D'Ablaincourt was met den knecht aan 't overleggen wat hij drinken zou.
+
+--Mag ik je iets offreeren, van Wilden?
+
+--Ja, groc americain, heel graag!
+
+--Jongens, ik heb vandaag zoo'n mooye meid gezien, zei Hasman.
+
+--Ja? Waar?
+
+--Op de Heiligeweg. Ik ben d'r nog een tijdje nageloopen door de
+Leidsche straat, maar 't duurde me te lang.
+
+--Ja, a propos, van Wilden, hoe staat 't met jouw Lucie?
+
+--Dank-je, heel goed; jammer, dat 't uit is tusschen ons ... maar van den
+anderen kant toch niet jammer, want ik geloof dat 't heel goed is, dat
+ik nu eindelijk eens ga trouwen.
+
+--Ja, maar, beste vrind, wat heb je aan een ongefortuneerde vrouw?
+
+--O, dat hangt er heelemaal van af ... as je een meisje trouwt, mooi, en
+die op je verliefd is, en als je dan de overtuiging hebt, dat je een
+uitstekende getrouwde man zal zijn ... Ik zal veel van d'r houen en we
+zullen 't heel goed met mekaar kunnen vinden.
+
+--Jongen, jongen, wat ben jij toch 'n degelijk mensch ... en dan na een
+jaar of zes zoo vijf kleine springertjes om je heen ... heel plezierig
+nie-waar? Je bent toch altijd zoo'n liefhebber van kinderen!
+
+--O, waarom niet, andwoordde Jozef, al sjouw je wat voor dat je trouwt,
+daarom kan je later toch wel een goeye huisvader zijn.
+
+--Ja, en je leeft op 't oogenblik ook heel bedaard, dat is waar.
+
+--Wel zeker, heel bedaard, maar, beste jongen, dat heb ik altijd
+gedaan ... ik leef altijd bedaard ... ik ga nu van-avond bijvoorbeeld
+waarschijnlijk weer eens dood bedaard naar Josephine uit den Haag.
+
+De knecht kwam nu met een platina blaadje, waarop drie grocs americain
+stonden, die de heeren met een lucifer aanstaken, zoo als ze het in
+Parijs hadden zien doen.
+
+--Op je aanstaande, Jozef! zei een van de andere heeren, zijn glas in de
+hoogte.
+
+--Blaas eerst de vlam uit, je zal je branden, riep een ander er
+tusschendoor, om een aardigheid te zeggen.
+
+--Nou, en ik drink op Josephine! zei Hasman.
+
+--Nee, profaneer niet, zei Jozef, je moet geen dingen met mekaar in
+verband brengen, die niets met mekaar te make hebbe.
+
+--Nee, dat moeten jullie ook niet doen, zei de heer Blas, die tot nu toe
+gezwegen had en voor een heel verstandig mensch doorging, maar, van
+Wilden, ik zou je toch wel eens iets willen vragen ... hoe of jij toch
+eigenlijk de meisjes op je verliefd maakt, bijvoorbeeld, zonder
+indieskreet te willen zijn, je aanstaan nu, die houdt nou toch bepaald
+van je, nietwaar?
+
+--Ja wel, ik hoop het ten minste wel.
+
+--Hoe komt dat dan nou? Je bent altijd op de Beurs, op je kantoor, hier
+in de club, en je neemt het leven verder nog al luchtig op, je bent
+zelfs een beetje fatterig, hoe kan jij een meisje uit een stille
+burgerlijke ingetogen familie zoo gecharmeerd op je maken?
+
+--Dat is nog al eenvoudig, andwoordde Jozef, ten eerste, omdat haar
+vader en zij met weinig menschen omgaan en ik zoo wat de eenige jonge
+man ben, dien zij kent, ten tweede om dat ik veel van haar hou.
+
+De heeren zaten met hun ellebogen op de tafel, met de eene handen de
+hoofden steunend of aan de glazen, de andere in de broekzakken en op
+tafel trommelend, te luisteren; om hen heen leefde de zaal in het rollen
+en klotsen van de bieljartballen, het applaudiseeren voor een mooyen
+stoot met een licht geklop van de keuen op den vloer en het stemgegons
+van de babbelende tafeltjes met een enkelen luiden schater; de rooknevel
+van geurende cigaren steeg langzaam naar de zoldering.
+
+Na een uurtje begonnen Jozef en zijn vrienden zich te vervelen. Aan
+andere tafeltjes spraken zij nog een paar vrienden aan, en groetten een
+paar kennissen en gingen nog een beetje de straat op.
+
+Twee dagen later ontving de heer de Stuwen een dik zorgvuldig toegemaakt
+koevert, dat hij ook op een avond, ook in zijn achterkamer, bij het nog
+flauwer brandend kolomkacheltje, openmaakte.
+
+Jozef legde er zijn maatschappelijken toestand in bloot. Hij was
+eigenaar en bestuurder van een effektenzaak, die jaarlijks een acht-a
+tienduizend gulden afwierp. De omstandigheid, dat hij aan een bekwaam en
+ijverig kashouder de leiding van het kantoor had toevertrouwd, stelde
+hem in de gelegenheid zijn tijd, die niet aan het maatschappelijk
+verkeer was gewijd, met lezen en studeeren door te brengen. Dikwijls was
+hij maar een half uur per dag op zijn kantoor en zijn overigen tijd
+thuis, of, zelden, in de club. Maar 't sprak dat hij voortaan al zijn
+lidmaatschappen van societeiten en verdere celibatairs-genootschappen op
+zou zeggen, om met zijn vrouwtje, alleen voor en in zijn eigen huis te
+leven. Hij wilde zich ook ernstiger nog als nu op de studie toeleggen,
+een bezigheid, die, wilde zij vruchten dragen, op zich zelf al veel van
+zijn vorderen zou.
+
+Terwijl de Stuwen den brief weer bij de andere papieren in den omslag
+lei, dacht hij na over het besluit dat hij zou nemen. Hij glimlachte.
+Mathilde had sinds die paar dagen nauwelijks van Jozef durven spreken.
+Alleen gisteren-avond, toen hij haar een beetje plechtig had afgevraagd,
+of zij wezenlijk, in het volle besef van wat de toekomst zou brengen,
+van Wildens vrouw wou worden, had zij hem doen blijken, hoeveel zij van
+Jozef hield. Zij verzekerde alles overwogen, over alles nagedacht te
+hebben en tot het besluit te zijn gekomen, dat haar toekomst was aan de
+zijde van dien man te leven en te sterven.
+
+Er was dus, dacht de Stuwen, niets tegen het huwelijk ... Hij had immers
+zelf, hij, die Jozef misschien 't best van allen kende, toch nog de
+laatste dagen hier daar in de stad naar de reputatie van zijn aanstaande
+schoonzoon geinformeerd en overal waren hem de beste berichten gegeven.
+Vroeger had Jozef wel een beetje "gesjouwd", schreef een van de heeren,
+dien hij inlichtingen had gevraagd, maar hij was toch altijd, vooral in
+den laatsten tijd, een bedaarde jongen geweest. Hij zou van Wilden dus
+maar andwoorden en Mathilde, als zij thuis kwam,--zij was van-avond bij
+mevrouw Berlage--gelukkig maken.
+
+Ja, Mathilde was uit. Hij zat hier alleen en kon dus dat zaakje nu juist
+goed ten einde brengen. Plotseling dacht hij aan zich-zelf, hoe alleen
+hij zich op 't oogenblik voelde; de kachel was aan 't uitgaan, zijn thee
+werd koud. Mathilde was er ook niet om voor dat alles te zorgen. En in
+eens voelde hij geheel de verlatenheid, waarin hij in 't vervolg zou
+zijn. Hoe was 't mogelijk! Nu pas dacht hij aan wien hem toch het naaste
+was! Wat moest hij nu worden? Alleen zijn ouden dag tegemoet gaan, dat
+was geen pleizierig idee. En was dat het lot van alle vaders in zijn
+omstandigheden, in zijn noodzakelijke omstandigheden, dit besefte hij
+wel. Zijn glimlach verdween en hij huilde. Hij voelde zich koud, hij
+keek rond. Wat was het eenzaam hier in huis! 't Gebeurde wel meer, dat
+Mathilde eens uit was 's avonds, maar nooit had de kamer hem zoo kil en
+leeg geschenen als nu, ofschoon hij zeker wist, dat Mathilde op haar
+gewonen tijd thuis zou zijn om hem goeye nacht te zeggen, naar zijn warm
+kruikje te zien en zijn kussen te schudden, en dat, al ging het huwelijk
+ook door, zij toch minstens nog een maand of zes bij hem zou zijn.
+
+Hierna vermande zich de heer de Stuwen. Hij stond op, sloot zachtjes de
+deur en kreeg uit de zwaar mahoniehouten sekretaire, rechts van het
+raam, dat op het binnenplaatsje uitzag, zijn schrijfgereedschap. Hij
+schreef, met een beetje schuin uitloopende regels, aan Jozef, dat hij,
+na lang over den stap nagedacht te hebben, besloten had zijne dochter te
+permitteeren hem te trouwen, dat hij verder Jozef verzocht een dezer
+dagen eens nader over deze aangelegenheden te komen spreken. De brief
+was min of meer koel ingericht. De Stuwen voelde voor Jozef niet meer de
+vriendschap van vroeger. Maar hij kon nu eenmaal niet anders, ofschoon
+hij 't zelf onredelijk vond.
+
+Gedurende den tijd, die aan het huwelijk voorafging, veranderde de
+Stuwen zichtbaar in de oogen van Mathilde. Meestal was Jozef 's avonds
+bij hen, maar een of twee maal in de week, als de Stuwen alleen zat met
+Mathilde in den schemerschijn van 't lichtje onder de theepot, dan was
+'t of hij niet meer op zijn woorden kon komen, zoo als vroeger, dan
+gebeurde 't wel, dat er een uur verliep, terwijl de Stuwen zich in zijn
+koerant verdiepte en Mathilde over haar borduurwerk gebogen zat, in
+geheele stilzwijgendheid. En was Mathilde verwonderd over haar vader,
+vroeg ze hem, of hem iets scheelde, of er soms iets aan zijn gezondheid
+haperde, dan verbaasde hij zich over die vragen, dan zei hij volstrekt
+zelf niet te weten, haar anders, met minder hartelijkheid en
+vertrouwelijkheid, te behandelen dan vroeger. Zij ging nu trouwen, dat
+was heel, heel goed, dat was de weg, dien iedereen ging op haar jaren en
+hij zou wat trotsch zijn eenmaal in zijn dochter een mooye flinke
+getrouwde vrouw te zien. Wat hem dan zoo stil maakte en afgetrokken, hij
+wist 't zelf heusch niet, hij vertrouwde van Wilden geheel, hij was over
+'t toekomstig lot van Thilde niet ongerust. Maar onbewust vulde hem het
+voorgevoel van de verlatenheid, die hemzelf te wachten stond. Hij had
+nooit veel vrienden gehad en sinds den dood van zijn vrouw, na zijn
+langen rouw, had hij er in 't geheel niet aan gedacht zijn oude
+kennissen weer op te zoeken, nog minder nieuwe aan te knoopen. Hij was
+altijd een huiselijk man geweest, die een stillen kleinen kring, rustig
+'s morgens aan 't ontbijt, rustig 's avonds in het schemeruur, de
+voorkeur gaf boven menschen-zien en vertooning-maken. Daar Mathildes
+aard hierin nogal met den zijne over-een-stemde, hadden zij zich met hun
+tweeen, hoe langer hoe meer buiten het algemeene, gedruismakende
+maatschappelijke leven gesloten. Nu, nu het oogenblik van scheiding en
+verandering in die huiselijke orde naderde, zag hij in gedachten eens
+uit naar de jaren, die komen zouden. Zijn dochter ging wech, natuurlijk!
+Ja, zij zou wel altijd veel van hem blijven houden, veel van zijn uren
+zou hij nog in haar stil en aangenaam gezelschap kunnen slijten. Maar
+hij wist heel goed, hij herinnerde zich nog wel deugdelijk uit de eerste
+jaren van zijn eigen huwelijk, met wat een scheele oogen jonggetrouwden
+aanzien, dat een derde zich in hun intieme leven mengt en dat hij een
+tijdperk van ondragelijke eenzaamheid tegemoet ging, daar twijfelde hij
+geen oogenblik aan, en deze gedachte maakte hem stil. Want even afkeerig
+als hij was van veel en druk gezelschap, een even groote behoefte had
+hij aan enkelen in zijn nabijheid, om zijn vertrouwelingen te wezen en
+zijn gemoedsleven te deelen. Mathilde kwam er niet op te vermoeden, wat
+de eigenlijke reden was voor de verandering in haar vaders manier van
+zijn. Zij had al van alles verzonnen, maar wat haar in was gevallen, om
+de onhoudbaarheid dadelijk weer verworpen. Vroeg zij 't hem, dan bleef
+hij maar andwoorden, dat hij daar zelf niets van merkte. Zij ook dacht
+voortdurend alleen aan de toekomst. Maar 't kwam haar zoo natuurlijk en
+zeker voor, dat vader bij hun in zou komen wonen! Zij twijfelde daar zoo
+weinig aan, dat niets haar meer verstomd zou hebben als te hooren, dat
+de onmogelijkheid van wat zij voor natuurlijk hield de eenige oorzaak
+was van haar vaders droefgeestigheid.
+
+Eens op een avond, toen haar vader bizonder treurig voor zich uit zat te
+turen, kwam zij weer op iets:
+
+--Vader, is u zoo verdrietig, om dat ik trouwen ga?
+
+--Och, nee, dat is het niet.
+
+--Maar wat is er dan toch, wat dan in 's hemels naam, er moet toch iets
+bizonders aan de hand zijn. Waaraan dacht u nu op 't oogenblik? Zegt u
+dat nu eens oprecht. Het zal toch niet eenvoudig aan uw gestel liggen.
+Ik heb ten minste nooit gehoord van een lichamelijke kwaal, die op zoo'n
+manier aan den dag zou komen.
+
+--Kind-lief, ik weet het zelf niet.
+
+--Maar het kan toch niet zijn om dat ik trouwen ga, want, lieve hemel,
+dat doen alle meisjes op mijn leeftijd en het is nog nooit gezien, dat
+een vader zich dat zoo erg aantrok. U houdt wel veel van me, dat weet ik
+wel, maar ik kan toch niet gelooven, dat u zooveel van mij zou houden,
+dat u ziek wordt bij de gedachte, dat we een beetje van mekaar moeten
+gaan, dat zou toch al te erg zijn. Dat zou ziekelijk zijn en eenig in
+zijn soort, en nee, en dat kan niet, dat is onmogelijk. Ik kan het mij
+niet verbeelden ... Och toe, vader, doet u nu niet zoo raar ... Kan u er
+zelf niets, niets aan doen? ... Vader, wil ik dan maar liever niet
+gaan trouwen?
+
+--Nee, kind, ik verzeker je, dat is het niet, het moet iets lichamelijks
+zijn. Ik zal er den dokter eens over spreken ... Denk je nog wel dikwijls
+aan je moeder? vroeg de Stuwen plotseling.
+
+--Tusschenbeide. Ik kan eigenlijk niet goed aan d'r denken. Hoe wil ik
+me iemant voorstellen, die ik mij nog maar zoo weinig herinner.
+
+--Je moeder was net zoo als jij, lieve kind, je bent haar sprekend
+evenbeeld. Ze was net zoo opgewonden als jij wel zijn kan, en ook haar
+uiterlijk had heel veel van het jouwe ... En weet je, waar ik nu eigenlek
+bedrukt over ben? ... Als 't eens met jou ging, zoo als 't met haar is
+gegaan ... Kind, je hebt zooveel van d'r!
+
+--Maar, vader, hoe bedoelt u? Ik begrijp u niet; dat ik ook vroeg
+sterven zou?
+
+--Ja, kind, je kon niet weten. Laten we eens iets veronderstellen ... Als
+jij ook een kindje kreeg en je stierf dan, zou je dat niet
+verschrikkelijk vinden?
+
+--Och, vader, ik weet niet, ik kan me daar volstrekt geen voorstelling
+van maken.
+
+De heer de Stuwen was ongerust. Den volgenden dag, toen hij weer een
+uurtje alleen zat, kreeg hij hoofdpijn van het denken aan zijn vrouw en
+aan Mathilde. Hij dacht aan Mathildes zwarte haar, aan haar donkere
+oogen, die zij, zonder verandering bijna, van haar moeder had. En dan
+haar levendigheid, haar vuur; dat hem vroeger juist zoo op zijn vrouw,
+die maar zoo kort geleefd had, verliefd had gemaakt. Mathildes
+levenslustigheid sloeg nu en dan in wildheid over. Dat maakte hem ook
+bang. Nu, in den laatsten tijd met het huwelijk in 't vooruitzicht, was
+dat wel beter geworden, maar vroeger, wat kon zij aangaan! Het was wel
+gebeurd, dat zij stil alleen samen zaten en lazen, hij de koerant, zij
+een roman. Dan was zij dikwijls niet van het boek af te krijgen geweest,
+haar slapen gloeiden vlak boven de bladzijden, tot zij in-eens ontsteld
+op-sprong, gejaagd de kamer rondliep en eindelijk tegen de muur ging
+staan leunen, haar voorhoofd op den rand van een schilderij. Een
+oogenblik duurde dat maar, dan keek ze om en proestte het uit van het
+lachen over haar eigen kinderachtigheid. Met tranen nog in haar oogen,
+liep zij dan naar haar vader, die verwonderd naar haar had zitten
+kijken, en drukte hem bijna te pletter in een omhelzing. Wat kon zij
+woest zijn! Wat kon zij op de piano dreunen en urenlang zitten spelen,
+zonder ooit op te houden, zonder om te zien. Zij was bepaald een
+vreemdsoortig meisje; haar moeder had ook wel zoo iets. Maar zij veel
+meer. Wat kon ze met een hartstocht teekenen, uren lang, boven alleen op
+haar kamer, zonder ooit voor 't venster te kijken naar de menschen
+beneden langs de straat. En dan, die vlagen van godsdienstigheid
+tusschenbeide! Daar begreep de Stuwen nog 't minst van. Hij was ook wel
+naar de kerk gegaan in zijn jeugd en had veel preeken gehoord van een
+vromen pastoor, maar met de jaren kwam de onverschilligheid en het vage,
+geheimzinnige geloof van zijn vrouw, had hem juist nog meer doen
+verflauwen. Hij was bepaald van de liberale partij geworden, hij las het
+Handelsblad en was 't vrij wel eens met dominee Hugenholtz. Maar
+Mathilde niet. Zij kende God, had zij dikwijls beweerd, en als ze iets
+goeds deed, voelde ze duidelijk de zegening van God in haar binnenste.
+Of pastoor Sluyter, die vroeger wel eens aan huis kwam, haar dat had
+geleerd, dat wist de Stuwen niet. Maar hij merkte elken dag, hoe
+gelukkig of haar geloof Mathilde maakte. Daarom sprak hij er zoo weinig
+mogelijk met haar over.
+
+Ja, het geloof alleen maakte Mathilde vroeger gelukkig, zij wist het
+zelf heel goed.
+
+Tot haar vijftiende jaar toe, had zij alleen den God van haar moeder en
+van pastoor Sluyter gekend. Zij stelde zich hem voor als den oppersten
+rechtvaardigen rechter, een bejaard eerbiedwaardig mannelijk wezen, met
+langen sneeuwwitten baard, die haar zag en zijn wenkbrauwen fronste, als
+ze kwaad deed of dacht, als ze ongehoorzaam was aan vader, lui was onder
+'t werk of met een vriendinnetje lachte in de kerk of de japonnen van de
+dames haar daar meer bezighielden dan Hij en Zijn Majesteit; die
+welwillend op haar neer zag en haar zegende, als zij braaf was, goed
+werkte, en gedwee tegenover haar meerderen.
+
+Maar toen zij volwassen werd, het een en het ander gelezen had en haar
+ziel groot voelde worden, toen had het gevoel over dien God
+noodzakelijker en levendiger dan vroeger aan haar voorgedaan. Als ze 's
+zomers 's morgens opstond en de zon goudgloed was in haar kamer, als ze,
+even voor het venster staande, de blaadrenmassaas van de iepenboomen zag
+waayen en ruischen en de lucht zoo blauw was boven de glinsterende
+daken, vooral ook als ze eens buiten kon zijn en rondwandelen in de
+vrije natuur, of als ze muziek hoorde of een prachtigen roman las, dan
+rees er een onnoemlijke behoefte aan uitstorting en aan dank in haar
+gemoed, dan richtte zij zich tot dien hoogen Persoon, uit Wien al dat
+vreemde geluk moest voort komen. Dan dankte zij Hem voor de gave van
+haar leven, voor haar genieting en voor de hoop op nog grooter geluk,
+die zij in zich droeg. Zij wenschte ook zoo zeer geleid te zijn, een
+raadgever te hebben. Nu besefte zij het: Hij zou haar leider wezen! Zij
+bad van Hem veel goeds te mogen doen in haar leven, zij dankte Hem, als
+ze iets goeds had gedaan. Zij droomde ook van liefde. Daarom ook bad zij
+aan den God van alle liefde. Het gebeurde wel, dat zij woorden vond om
+Hem toe te spreken en Hem haar vereering te betuigen, net zoo als zij
+tegen haar stoffelijken minnaar zou zeggen, als die mocht komen.
+
+Toen ze van Jozef begon te houden, had zij gehuild van dankbaarheid in
+haar gebed aan God.
+
+ * * * * *
+
+Intusschen verliep de winter, een zachte winter. In 't voorjaar zouden
+Jozef en Mathilde trouwen. Het engagement was publiek. Mathilde had zich
+al gewend aan de pleizieren en aan de eentonigheid van zoo geengageerd
+te zijn. Jozef hield nu zijn arm om haar middel geslagen en zoende haar
+in het bijzijn van den ouden heer. Het kwam Mathilde voor, dat haar
+liefde op dezelfde hoogte bleef staan. Dan zaten zij met hun drieen bij
+mekaar en bespraken plannen voor de toekomst. In weerwil van zijn
+afwijzingen was 't nu vast bepaald, dat de oude heer bij het jonge paar
+in zou komen wonen. Eens maar werd er nog een avondje met meer
+menschen gegeven.
+
+Toen de tijd van het huwelijk kort op handen was, werd Mathilde
+zenuwachtig. Haar stil genoegen van dagelijks met Jozef te zijn werd
+vermengd met zekere nog nieuwe gewaarwordingen van gejaagdheid en angst.
+Als ze soms op de kanapee in de binnenkamer naast mekaar zaten en
+praatten, terwijl de oude heer, op een stoel voor de tafel, goedig en
+stil er opmerkingen tusschenvoegde, voelde Mathilde in-eenen met een
+soort van bevreemding, van verwondering, dat zij daar nu zoo zat, in
+dezen toestand en pratend over de inrichting voor haar volgend leven,
+die zoo bizonder verschillend van de tegenwoordige wezen zou en waarvan
+zij nog zoo weinig wist. Als Jozef, op den heel gemeenzamen toon, waarop
+hij deze onderwerpen behandelde, over de wenschelijkheid gesproken had
+met zijn vrouwtje een huis op de Heerengracht te huren en haar vroeg,
+wat zij dacht van de Heerengracht bij de Gasthuismolensteeg, om dat hij
+zijn kantoor hield op het Cingel daar dicht in de buurt, dan kon zij hem
+plotseling aanzien, alsof zij geschrokken was van wat hij zeide. Zij
+keek ernstig en hield zich stil. Men hoorde het lichtje onder de theepot
+branden. En dan sprak hij weer voort, zonder iets te merken. Het
+gebeurde wel, dat de oude heer indommelde midden-in de gesprekken
+overdag of 's avonds. Als Mathilde dan Jozefs stem alleen voort hoorde
+gaan, kwam het voor dat zij hem niet vertrouwelijk aan dorst zien, maar
+een groote droefheid over zich voelde komen en haar blikken maar niet
+van den slapenden vader afhouden kon. Zij zag de kamer rond en, 's
+avonds of overdag, in de voor-of in de achterkamer, het was zoo donker,
+dat zij kippenvel kreeg. Zij keek naar de wanden, een voor een, en
+begreep maar niet, waarom zij die al-gauw voor andere, lichtere en
+vroolijkere waarschijnlijk, verruilen zou. Er kwam haar een weemoedige
+vriendelijkheid van de vormen van de meubels, die tegen het behangsel
+stonden, tegemoet. Het buffetje herinnerde aan de heerlijke oude dagen,
+die voorbij waren voor altijd, de lijsten van de schilderijen
+herinnerden, dat haar vader, na een schoonmaakdag, die altijd recht
+hing, om dat de schoonmaakster ze schuin aan het driehoekig koord weer
+opgehangen had; zij dacht er over, dat haar vaders haren vroeger veel
+minder grijs waren, en Jozefs stem klonk dan als heel uit de verte, als
+het gelui van een stalen klok. 's Avonds naar haar slaapkamer gaande en
+daar zijnde, onder het uitkleeden, had zij een gevoel van vagen angst
+voor Jozef. Het was zoo donker overal. Hij kwam haar toch niet na op de
+trap! Hij stond toch niet aan haar deur te tikken, na dat zij hem
+afgesloten had? Hij had zich toch niet in de een of andere kast
+verborgen, om haar te verschrikken of te verrassen? Hij zou toch niet
+van onder de tafel of het bed vandaan kruipen, om bij haar te zijn, al
+te dicht bij haar, om haar aan te raken, vriendelijk, hartelijk, stevig,
+om haar te omhelzen al te vurig, haar zeer te doen, om haar pijn te
+doen, haar te knijpen, iets van haar te stelen, iets voor altijd van
+haar wech te nemen, wat haar dierbaar was, iets innig van haar eigen?
+Hij drong zich toch niet tegen haar aan, eischend dat zij iets af zou
+geven, wat zij niet missen kon? En in een groote haast ging zij naar
+bed. Daar verdwenen de onrustige gedachten en ging zij teeder aan hem
+liggen denken, schikte zich gemakkelijk op de matras en de kussens, om
+niets te voelen en zich niets te verbeelden dan hem en hem alleen, om in
+haar eentje gemakkelijk en ongestoord van hem te houden. Zij had voor
+dek een laken, een deken en een sprei. Zij sloeg die tusschenbeide
+heelemaal uit over haar hoofd om zoo, in de pikke duisternis, Jozef
+alleen te zien. Of wel, wanneer het haar te benauwd werd, vouwde zij het
+dek om en trok het, zoo eens zoo dik, zoo hoog mogelijk onder haar kin
+en dan, met dichte oogen, wreef zij zachtjes haar kin over dat dikke dek
+heen en weer; dan stond hij, in al de bizonderheden van zijn persoon,
+zoo levendig voor haar geest, alsof hij wezenlijk in haar kamer was.
+Maar zij hield er van haar eigen denken over hem na te pluizen. Hoe kwam
+het, dat zij hem nu zoo erg zag? Gesteld eens, dat hij op dit oogenblik
+wezenlijk was op de plek, waar zij zich nu verbeeldde hem te zien, in
+welke houding zou hij dan zijn? Stond hij, gewoon rechtop? Neen, dan
+moest hij op haar bed staan, zou zich dus ten eerste niet stijf staande
+kunnen houden op het weeke beddegoed, ten tweede zou zijn hoofd tegen
+den hemel stooten om dat hij zoo lang was, ten derde zag zij hem zoo van
+dichttebij, dat zij te-gelijk zijn voeten en zijn haren zou kunnen
+aanraken, iets wat dan niet mogelijk zou wezen. Lag hij dan naast haar
+of op haar, stond hij buiten het ledikant? Neen. Stond zijn beeltenis
+dan afgeschilderd ergends midden in haar hoofd? Dat moest zijn. Zij zag
+hem uitkomen op een donkeren kleurlozen of naar het grijs-rood aardenden
+achtergrond. Die beeltenis moest dan wel heel klein wezen, om daar
+binnen geborgen te kunnen zijn. En toch zag zij hem levensgroot. Hij was
+er en hij was er niet. Dat maakte haar weer bang. Dan kwam daar nog bij
+waarom sloop die vreemde gestalte zoo bij haar binnen en overmeesterde
+al haar denken? Wat had die man een overdreven punten aan zijn snor, die
+zij langs haar wang voelde scheren; een heele lichte, nauwelijks
+merkbare onaangename geur kwam er rechts uit zijn boord op. De even
+zichtbare kringvormige indruksels onder zijn oogen vond zij leelijk ...
+En dan was hij haar weer heelemaal vreemd. Wat kwam hij doen, wat wilde
+hij toch van haar? Zij en hij waren toch twee verschillende menschen.
+Hoe kon zij dan niet aan haar zelf denken zonder hem te zien? Waarom
+drong hij zich dan zoo aan haar op en ademde zij met hem samen? Hij
+vervolgde haar; wat zou hij haar doen? ...
+
+Dikwijls keek Mathilde in deze dagen weer naar het portret van haar
+moeder, droever en bleeker elken dag. De straffe rimpels van de
+neusvleugels tot de mondhoeken prentten zich dieper in het gezicht van
+de vroeg gestorvene.
+
+De laatste veertien dagen voor het trouwen zorgde Mathilde met haar
+modemaakster voor haar japonnen en met boodschapjes in de stad, die al
+haar middagen vulden, voor haar verderen uitzet. Zij was ongeduldig. De
+tijd moet nu maar gauw verloopen, nu alles toch eenmaal besloten was.
+Maar heviger dan vroeger had zij aanvallen van berouw over hetgeen zij
+ging beginnen. Zij zou haar goeden, ouden, armen vader alleenlaten? Want
+hij kon de huwelijksreis toch niet meemaken, dat ging niet. Hoe had zij
+daartoe kunnen besluiten? Maar hij kwam immers later bij hen inwonen?
+Ja, ja, maar ondertusschen! Hij werd hoe langer hoe stiller en meer
+in-een-gedoken. Wat zou er van hem te-recht komen?
+
+Door allerlei zulke bespiegelingen heen, brak de huwelijksdag aan. Toen
+Jozef haar dien avond, dien oppersten avond, meenam naar het station,
+was alle gevoel in een verdooving ondergegaan. Het afscheid van haar
+vader ging flauwtjes te werk. Zij had den heelen dag bijna niets gegeten
+en alleen maar een paar glazen water gedronken. In den trein had zij de
+koorts. Geen woord werd er gezegd. De bezorgdheden van Jozef, die haar
+alles zoo gemakkelijk mogelijk maakte, merkte zij niet eens. Zij zat
+daar, lijkwit. Een onbestemde nieuwsgierigheid drong huiverig door haar
+verdooving heen. Zij dacht aan niets eigenlijk. Haar keel was droog. Het
+was haar te moede, als stond zij in een dikken grijzen damp met een
+ondoordringbaar verschiet in de rondte. In een nevel van onuitgedrukte
+aandoeningen ging zij haar nieuwe leven in.
+
+
+
+
+V.
+
+
+Jozef en Mathilde waren voor den burgemeester getrouwd en voor den
+pastoor. Dit laatste om dat de Stuwen het, voor de menschen, om niet af
+te wijken van het gebruik, gewild had en zonder op Mathilde indruk te
+maken. Zij was te erg wech geweest door al het andere. Haar vaag gevoel
+als het 's zomers 's morgens heel mooi weer was of boven een roman, dat
+zij zich als haar geloof dacht, werd wel even een beetje opgewekt, maar
+zij voelde zich eigenlijk geen echte, katholieke vrouw, zoo als haar
+moeder geweest was. Maar toch, toen zij een week getrouwd was, begon zij
+te denken meer dan zij vroeger had gedaan, dat 't van Jozef vreemd was
+zoo aan niets bovennatuurlijks te gelooven. Buitendien had zij haar
+liefde van verleden jaar nog niet voelen te-rugkomen. Zij was nog altijd
+een beetje bang voor Jozef, hoofdzakelijk 's avonds en 's morgens vroeg.
+Zij had geen verwondering in zich zelve gemerkt over wat er met haar
+gebeurd was, maar zij had er Jozef niet liever om gekregen. Alles kwam
+haar natuurlijk en toch vreemd voor. In vreemde omgevingen, onder
+allerlei vreemde gewaarwordingen, leefde zij als een heel nieuw en
+versch leven. Vele herinneringen van haar eerste halve jaar op het
+kostschool vulden haar brein. Toen had zij ook zooveel ongekends beleefd
+en had haar bestaan zich nieuw aan haar voorgedaan. Maar krachtiger dan
+toen mengde zich nu de gedachte aan haar vader onder de andere. Hoe zou
+'t met hem gaan? Hoe zou hij zijn dagen wel slijten? Zij schreef hem
+alle dag en kreeg driemaal in de week antwoord.
+
+De huwelijksreis was door Jozef en den ouden heer na rijp beraad zoo
+vastgesteld: Zij zouden den avond van hun vertrek gaan tot Arnhem,
+verder naar Parijs: dan zouden zij langs de Middellandsche Zee naar Rome
+gaan en de terugreis over Duitschland doen. Jozef voorspelde ontzaglijk
+veel genot van zoo een groote reis. Hij was toch een liefhebber en had
+er in een helen tijd niet aan gedaan maar ook voor Mathildes
+wereldkennis was de uitgestrektheid van de roete uitstekend. In
+Valkenburg een dorp bij Maastricht, zouden zij een eerste halte maken
+langer dan een dag, van een week waarschijnlijk.
+
+Daar waren zij aangekomen den vorigen avond en hadden er, met open
+ramen, een rustigen nacht gehad. Het was nu zeven uur in den ochtend, de
+tweede helft van Mei.
+
+Het hotel aan den landweg, waar een andere weg, die bergopwaarts ging,
+daarin eindigde, blaakte zijne eene verdieping en aschgele gevels in de
+zon. Van boven de onderste ramen van den voorgevel tot aan het
+lila-kleurige hek, dat het stuk grond vol banken, stoelen en
+donkergroene tafeltjes voor de deur, omheinde, waren vale doeken
+gespannen, om het er koel te houden. Maar gouden hittestralen spoten
+door reten en beschilderden hel-geel den muur. Geen windje woei, maar
+door de vroegte was het nog niet snikheet. Mathilde zat, zachtjes naar
+achteren geleund, op een van de zwart-groene banken vlak aan het huis,
+met hun geribde ruggen tegen de vensterbanken, rechts van de deur. Zij
+was in een luchtig blauwen peignoir, met goedkoope, breede witte kant
+afgezet. Zij hield haar handen op haar schoot, haar eene duim tusschen
+de bladen van een rood reisboek; en klein wondje, nog frisch, bloedde
+aan haar wijsvinger, waarmee zij een roos had geplukt, om die
+zoo-met-een in Jozefs knoopsgat te steken. Zij las niet. Zij zat
+roerloos, haar voeten in blauwe kousen en opengewerkte schoentjes, op
+een versleten voetenbankje. De nauwheid van het witte plooisel maakte
+haar hals een beetje rood. Zij sufte, haar blikken voor haar uit in de
+heesters of opklimmend rechts langs den bergwand, met zijn zwarte,
+paarse, bruine, donkerroode en gele aarde, beneden als zand-steen
+uitgegraven en hooger-op met kleine boomengroepen. Boven in de lucht
+verdreven wazige witheden in het belle hemelblauw. Mathilde droomde zich
+heel wech, in een loomheid afgezonken. Haar oogvlakjes stonden
+mat-mijmerend, drinkend de pleizierige kleuren voor haar uit. Een
+weekelijkheid was door heel haar lichaam gedrongen. D'r haar was nog
+maar half opgemaakt. Lange slappe vlokken, dof-zijig zwart, hingen naast
+haar ooren neer. Haar huid scheen haar als door een dunne laag was,
+gevoelloos en zacht-prettig, bedekt. In de vensterbank, volgend op die,
+waar zij vlak voor zat, had de logementhouder vier bloempotten laten
+zetten, met roode en witte rozen, wier reuk zwaarzachtjes om Mathildes
+hoofd kwam hangen. Een logge zandwagen knerste voorbij, rechts over den
+weg, het zweepgeknal klitste, de wagen trok af en grommelde voort in de
+verte. Vroege vliegjes wirrelden boven haar handen; twee heele kleine
+bleven mekaar halsstarrig op haar rechter wijsvinger vervolgen. Het
+ochtendgepraat van een paar gezinnen, een eind verder onder het
+zonnescherm aan het ontbijt, links van Mathilde, hoorde zij bijna niet.
+Een stijve kellner kwam uit de deur loopen om de families te bedienen,
+versleten zwarte blaadjes met gemeen wit aardewerk op de handen, borden
+met groote ronde brooden aandragend. Soezelig fladderde een gedachte
+door Mathildes hoofd: wat zou vader graag eens zulk brood proeven. En
+zij overdacht haar vaders voorliefde voor brood. Twee blonde kinderen
+huppelden nu naar buiten en bekeken Mathilde even met klare oogen. Maar
+er waren zooveel gele tinten in de groene heesters, de zon smeet breed
+lila over den bergwand rechts en er sprankten zooveel glansjes door de
+sparreboompjes, dat Mathilde langzaam opstond, en terwijl haar korte
+sleep, waar ook een wit strookje uit te voorschijn kwam, bevend over het
+zand krulde, naar voren wandelde, het hek door, en op den weg staan
+bleef om naar beneden, links in het dal, te kijken. De zon was schuin
+achter haar; haar blikken dwarrelden door de wijde zilverblauwe lucht.
+Voor haar uit streepte de weg neer, breed, poeyerig, wit, altijd nauwer
+wordend tusschen de ruigbestruikte lage bergglooying, in een hoog
+kroeserig boschje verdwijnend. In de diepte zag zij een roerloos
+watertje, sneeuwwitte huizen, kaal land, waarop poppetjes, dat menschen
+waren, gebaren maakten en liepen. Maar effen lichtend blauw daalde de
+hemel nauwelijks, heel beneden, blankend. Nog nooit had Mathilde zoo
+weinig grijze nevel aan een horizont gezien. Hooger-op in de lucht stond
+de heele ruimte in een laayend sidderen witblauw, goud-flonkerend. En
+alles blankte schitterend. Een plekje gras en mos door-een-gegroeid,
+vlak bij Mathilde, glansde van niet wechgedroogde dauw met kleuren van
+paarlemoer. Er zongen vogels en Mathilde voelde van muziek die uit de
+lichtzee van den hemel neerruischte. De lucht was sterk. Mathilde
+voelde, bij dit ontwaken vol wemelende stralen, haar oogen door een
+donzig waas overtrokken. Sprakelooze onuitbare vreugde steeg er op van
+haar hart. Zij zag golven van wit vuur uit de hoogte tot haar afkomen.
+Haar oogen glommen dronken tegen het tintelend verschiet. Haar eene
+been, waarop zij steunde, wankelde. Weer langzaam ging zij te-rug naar
+de bank, om op Jozef te wachten. Het roode reisboek was op den
+grond gevallen.
+
+De families, links, waren druk aan 't kakelen geraakt. Een oude vrijster
+schonk, met ernstig voorhoofd, koffie, en men knabbelde op beschuiten,
+onder het getemperde licht van het spandoek. Juist kwam Jozef voor den
+dag in een grijs dun pak. Mathildes blik verwarmde zich. Met een zachten
+glimlach lei ze haar arm in de zijne en stak, voor hem heen buigend, het
+rozeknopje in zijn knoopsgat. Zonder zich te bedenken, als sprak 't
+van-zelf, wandelden zij dadelijk den weg op tot zij alleen waren en
+niemant hen zien kon. Zwijgend gingen zij een heel eind voort, daalden
+de bergglooying af, liepen hoe langer hoe langzamer tot zij aan een
+boschje van pijnboomen kwamen. Zij gingen er in en bleven stilstaan.
+Hier was schaduw en koelte. Zij gingen naast mekaar liggen op den grond.
+Jozef trok halmen stuk en beet ze klein. Hij vond den dag zoo mooi,
+en zei het.
+
+--'t Is heerlijk, zei Mathilde, heerlijk!
+
+Jozef lag tegen den heuvel aan op zijn rug. Hij keek naar de bladen in
+de hoogte. Mathilde zat naast hem en steunde zich met haar elleboog. Zij
+keek naar het mos en zeide: Wat zullen wij gelukkig zijn samen.
+
+--Wij zijn 't al, andwoordde hij. Zonder naar haar te kijken, liet hij
+zijn voorarm over zijn elleboog heenbuigen en opende zijn mooye hand.
+Zij lei er de hare in en zoo bleven zij een tijdje liggen. Het was
+Mathilde wel te moede. Zij zagen geen van beiden om. Door de boomstammen
+heen zagen zij alleen schemering van hel-witte lucht in de verte en hoog
+boven hen sprankte een enkele maal het goud tusschen de groene massa.
+Mathilde vond, dat het lichte grijze pak Jozef uitstekend stond, om dat
+hij zoo'n geanimeerde kleur had op zijn wangen.
+
+--Wat zou vader nu wel doen op 't oogenblik? vroeg zij.
+
+--Lieve kind, het is pas hallef nege. Je vader ...
+
+--Nu moet je zeggen "Vader", want nu is ie ook de jouwe.
+
+--Goed. Vader zal zoo wat juist opstaan.
+
+--En weer lagen zij bewegingloos. Jozef gaapte nog eens even en rekte
+zijn beenen uit. Met gemakkelijke gebaren aaide hij Mathildes wangen of
+drukte zachtjes haar hals tusschen zijn wijsvinger en duim. Kwamen zijn
+handen hij haar lippen, dan zoende zij ze even, zonder precies te
+letten waar.
+
+Mathilde voelde zich langzamerhand weer heelemaal zich-zelve worden. De
+droomende stemming ging zoetjes voorbij. Zij ontwaakte onweerstaanbaar
+in het heerlijk ontwaken van haar liefde. Uit de doffigheid van haar
+alleen-zijn openbaarde zich nu het bewustzijn van haar geluk. Zoo ging
+dat bijna iederen morgen. Dit zalig-vreemde gevoel in deze vreemde
+omgeving was zoo vol verrassingen, dat zij telkens dacht nu zou het wel
+op zijn heerlijkst zijn geweest. Iederen nacht sliep zij in met de
+gedachte van-daag zooveel te hebben liefgehad, dat zij den volgenden
+morgen zou ondervinden, dat er een verkoeling in haar liefde was
+gekomen. Maar bij het begin van den nieuwen dag, dan dacht zij nog meer
+van Jozef te houden dan gisteren. Alleen dat haar vader zoo ver wech was
+vond zij verschrikkelijk naar. Zij voelde zoo zich niet heelemaal aan
+haar geluk te kunnen geven. Zij had dien goeden vader daar alleen thuis
+achter gelaten. Als zij terugkwam in Amsterdam, zou zij weer erg voor
+hem te zorgen hebben waarschijnlijk, en toch verlangde zij er naar.
+'t Was nu maar te hopen, dat vader niet ziek werd gedurende haar
+afwezigheid. Mathilde dacht nu na, over hetgeen Jozef in oogenblikken
+als deze wel voelde.
+
+--Hou-je van me? vroeg zij. Dit had zij al zoo dikwijls gevraagd.
+
+--Dat weet-je wel, heel veel.
+
+--Wezenlijk, heel veel?
+
+--Wezenlijk, zei Jozef, maar hij lag te lekker den zomermorgen te
+genieten, zoo op zijn rug, om haar voor dit gezegde in zijn armen te
+nemen en te zoenen, zoo als zij het had gehoopt.
+
+--Ben-je dan niet blij, dat we nu zoo heel alleen samen zijn, dat ik nu
+heelemaal voor jou ben, dat je met mij doen kunt, wat je wilt? Hij
+andwoordde iets dat haar veel pleizier moest doen. En zij sprak weer
+voort: O, ik ook, ik begrijp mijn geluk nog niet heel goed, maar ik
+voel, dat het er is. Ik ben zoo gelukkig, dat ik bang ben, dat het niet
+lang meer duren zal.
+
+--O, waarom niet?
+
+--Ja, dat weet ik niet, maar het is zoo. Ik weet niet, maar alles is nog
+zoo vreemd; ik ben er nog zoo weinig aan gewend, En ik ben zoo bang dat
+vader iets zal overkomen.
+
+Hij stelde haar gerust. Waarom bang te zijn? Het weldadige seizoen zou
+ook vader goed doen.
+
+--Ik weet niet, zei ze weer, maar 't is net, of ik nog altijd een beetje
+bang voor jou ook ben.
+
+--Ben-je bang voor me?, vroeg hij, hoe dan?
+
+En zij lei het hem uit. Hun verhouding, zoo als die nu al acht dagen
+bestond, was zoo vreemd, zoo vreemd voor haar. Het hinderde haar, dat
+hij zich zoo met het meeste gemak kon schikken in al die dingen, waaraan
+zij zich nog gewoon moest maken. Hij behandelde haar op een manier,
+zooals hij het vroeger nooit had gedaan. Hij was heel lief, maar op zoo
+een innige manier, dat 't haar wel aangenaam was, maar dat zij er zich
+toch iederen keer weer over verbaasde. Het ging hem al te goed af, zij
+waren hem al te eigen, die woorden en aanrakingen, die haar in 't eerst
+tegen hadden gestaan, maar waarin zij langzamerhand een genot was
+begonnen te vinden zich aan te onderwerpen. Maar toch, hij deed zooveel,
+hij wist zooveel, en zij deed nog niets, zij wist nog niets. Waren alle
+mannen nu zoo, of hij alleen? Zij voelde dat zij aan hem wech ging. Hij
+was 't, die een vrouw van haar zou maken. Wel voelde zij zich groeyen in
+de innige samenleving met hem, maar zij voelde zich voor zich-zelve
+verloren gaan in die liefde. Waar bleven haar eigen denkbeelden, die
+kleine bespiegelingen over allerhande dingen in de wereld, waar zij
+alleen voor zich-zelf pleizier in had. Waar bleven de indrukken, die zij
+kreeg en die zij voor haar eigen gemoed alleen verwerkte en onthield?
+Alles bleef wech. Zij gaf hem alles. Zonder het te zeggen of te
+waarschuwen, maakte hij zich van alles meester. Zij kon aan niets anders
+denken. Hem zag zij alleen in het leven, op hem kwam alles neer. En zij
+verweet hem deze waarheden zoo lief, dat hij op zijn knieen naast haar
+ging zitten, haar bij haar schouders achter-over neerdrukte, en haar
+heele gezicht rood en warm zoende, elken keer met zijn hoofd
+achteruitgaande om haar, een beetje verder af, goed te kunnen bekijken.
+Hij vond alleen dit te zeggen jij bent mijn eenige en grootste schat.
+Zij had zich hulpeloos prijs gegeven. Nu en dan bracht zij zwakjes haar
+armen, die aan haar zijden waren neergevallen, naar boven om hem een
+beetje af te weren. Maar zij liet hem begaan, en zoende te-rug, als zijn
+gezicht niet te gauw wech was. Er kwam geen sterveling over den weg
+achter hen en de heele omtrek bleef doodstil. Aan mekaar geklemd, bleven
+zij liggen. Keek Mathilde naar boven, dan daalde heel de hemel neer, de
+blaaren verwijdden zich boven hun hoofd, stralen van vuur schoten neer;
+het groen verdween en wolken van vuur en licht daalden altijd nader over
+hen af. Begon het niet te waayen? Als de boomstammen met al de blaaren
+ter zijde bogen, zouden zij bedolven worden door het regenend vuur, dat
+boven hen ronddreef. Het bosch werd hoe langer hoe kleiner. Vlammende
+winden woeyen wijd en zijd. Hijgende luchtstroomen zweefden tusschen de
+stammen door altijd dichter en dichter bij.
+
+--Vader, waar is vader? zuchtte Mathilde, maar alles was gloed om haar
+heen. In de bedwelmende lucht leefde zij voor het eerst vol haar liefde,
+met opzwenkende leden en duizelende oogen. Zij zag Jozefs naakt gelaat
+en zijn koortsige oogen. Was dat nu het leven? Was dat nu het getrouwd
+zijn? De boomen ruischten haar huiveringen tegen. Haar oogleden trilden;
+zij kreeg het koud aan de slapen. Zij viel te-rug op het mos, lei zich
+met het gezicht naar beneden en, zonder iets te voelen of iets te zijn,
+verborg zij haar oogen tegen den grond.
+
+Zij bleven nog een half uur liggen, zonder te spreken, zonder zich te
+verroeren. Mathilde stond het eerst op. Ongearmd gingen zij naar het
+hotel te-rug. Na een tijdje fluisterde Mathilde: Dat kan nooit duren, ik
+zal gek worden, ik ben al te gelukkig, of er zal iets anders gebeuren,
+ik weet niet wat. Een lusteloosheid hing verder over Mathilde dien
+heelen dag. In plaats van te gaan rijden, zoo als eerst het plan was
+geweest, zat zij den heden dag op haar kamer of onder het spandoek.
+Jozef, die begonnen was met te probeeren haar gezelschap te houden, toen
+het hem niet gelukken mocht haar tot het ritje over te halen, moest
+eindigen met in zijn eentje te gaan wandelen. Wat zij deed was zoo raar,
+zij deed precies als voor hun huwelijk wel. Zij durfde hem niet lang
+achter mekaar aankijken. Zij sprak maar over haar vader. Tegen den avond
+schreef zij een brief naar Amsterdam, vol van de innigste teederheid,
+vol van hartstochtelijke gehechtheidsbetuigingen. Zij schreef haar
+vader, dat Jozef het heel goed maakte, dat zij zich wel gelukkig
+voelden, maar dat zij toch o zoo verlangend was hem te-rug te zien. Zij
+was nu pas een groote week op reis, schreef zij, maar toch telde zij nu
+al de dagen, die moesten verloopen voor hun te-rugkomst. De zekerheid,
+dat vader zich goed verzorgde, zou haar echter de afwezigheid
+dragelijker maken. Hij moest haar dus daarover nog vele zaken, erg in
+onderdeelen en breed onderschrapt, meedeelen. Had hij geen pijn meer aan
+den linkerkant? Niet de minste aandoening daarvan? Hoe was Jans? Bromde
+zij niet, voorzag zij hem goed van alles, wat hij wou? Deed hij zonder
+over te slaan, dagelijks geregeld zijn loopje? Hij moest dat toch vooral
+nooit vergeten; de dokter had er zoo op gedrukt. Dus niet denken: de
+lucht is van-daag wat betrokken, ik zal van-daag maar thuis blijven en
+morgen een beetje langer wandelen, vooral niet, want van dat langer kwam
+morgen toch niets. Regende het den heelen dag, dan moest hij een uurtje
+afwachten dat de droppels minder zwaar vielen en dan gaan. Hij moest 's
+avonds ook maar weer eens menschen vragen en zich-zelf zoo wat afleiding
+geven. Het woord "avond" en "afleiding" deed Mathilde aan haar piano
+denken. Zij lachte in haar eigen, terwijl zij schreef: hoe maakt het de
+piano? Die komt nu zeker nooit meer open? Zoo ging zij nu voort. Na haar
+vader in al zijn kleine gewoonten en geliefde bezigheidjes herdacht te
+hebben, was zij op de piano gekomen en zoo verder op nog andere stukken
+huisraad. Zoo het theeblad en de broodmand, de leuningstoel in de
+achterkamer, de mooye lampen van het zaaltje. Zij voelde zich wel een
+eeuw al gescheiden van al die zaken, die zij een week te voren nog had
+gezien. Toen zij de brief af had, kwam Jozef juist binnen, die haar een
+boeketje veldbloemen gaf. Zij dankte hem zoo maar, zonder zoenen. Hij
+vroeg haar, wat zij nu wilde gaan doen. Zij antwoordde: pianospelen.
+Stellig zou hier ook wel een piano wezen, voor het gebruik van de
+logees. En Jozef liet haar weer alleen. Zij wilde liever, dat hij niet
+bleef luisteren, zei ze. Nu begon hij zich bepaald te vervelen, hij
+wandelde op en neer voor en door het huis, hij zocht praatjes te maken
+met het andere gezelschap, hij speelde met die lieve kleine meisjes, die
+hier ook logeerden. Hij bladerde in zijn reisboek, hij rookte cigaren,
+beneden bij de rozepotten, hij stond op en ging weer zitten. Hij dronk
+alleen thee, toen pons, toen wijn. Hij ondervroeg de kellners naar de
+omstreek. Hij zat, met de ellebogen op de knieen en draaide zijn twee
+duimen rond over elkaar. De versleten pianotoon van Mathildes muziek
+trilde boven door het venster voort in de avondlucht. Jozef kreeg zijn
+wandelstok en ging kuiltjes wroeten in het zand. Daar hield Mathilde op
+met spelen. Fluisterend vroeg zij hem uit het venster, of hij niet boven
+wou komen. Hij ging naar boven. Zij stelde hem voor nog een beetje over
+hun reisplannen te spreken, samen iets verfrisschends te drinken en dan
+vroeg naar bed te gaan, want zij was moe, en dan zouden zij morgen vroeg
+een lange wandeling kunnen maken, in een andere richting dan die van
+eergisteren, om verder de mooye omstreken te leeren kennen. Zij deden
+zoo als Mathilde het verlangde, maar zij bleef toch den heelen avond
+stil en te-ruggetrokken.
+
+Den volgenden dag maakten zij de afgesproken lange wandeling. Zij gingen
+tot heel ver, Jozef weer in zijn licht-grijze pak en een groote strooyen
+hoed op zijn hoofd, Mathilde in haar ruwe blauwe jurk. Zij liepen over
+een weg vol zon en stof, wel anderhalf uur van Valkenburg af. Bij elken
+stap dwarrelden vaalwitte wolkjes om hun voeten. Zij stapten langzaam
+voort en lieten den rijweg tusschen hen in, terwijl zij ieder op het
+smalle voetpaadje, dat voor hen uitreepte, aan weerszijde liepen. Zij
+hadden al wel een kwartier gezwegen, toen Mathilde over het geloof begon
+te spreken.
+
+--He, zei ze, de vrije natuur stemt me altijd geloovig ... Voel-jij nu
+ook niet zoo iets in je binnenste? Hij andwoordde van ja, hij voelde wel
+iets, maar kon zich toch volstrekt niets voorstellen. Zij vroeg, of hij
+niet aan een schepper begon te denken, wanneer hij zoo'n prachtige
+schepping om zich heen gewaar werd, een idee, dat zij zich van een preek
+van pastoor Sluyter herinnerde. Neen, andwoordde Jozef, dat in 't geheel
+niet. Hij was blij alles zoo mooi te zien, maar juist aan een persoon te
+denken, die de natuur zoo vervaardigd zou hebben, daaraan had hij geen
+behoefte. Hij kwam op een dichterlijke gedachte. Alleen als hij haar
+aanzag, verzekerde hij halflachend, kwam er een geloof aan een eeuwig
+voortbestaan in hem op. Maar zij vond, dat hij haar, nu zij eenmaal
+getrouwd waren, geen overdreven komplimenten behoefde te maken. Hij
+verzette zich, hij meende het wel deugdelijk. Hij hield zooveel van
+haar, dat hij ijsde als hij dacht aan een eenmaal noodzakelijke eeuwige
+scheiding. En was zij koud en onverschillig tegen hem, dan voelde hij
+zich vreeselijk ongelukkig. Waarom was zij toch zoo? Hij sprak er nu
+over, omdat zij-zelve het gesprek er op gebracht had. Maar zij
+verklaarde in 't geheel niet koel tegen hem te zijn geweest. Zij was
+misschien een beetje stiller; hoe dit kwam, kon zij niet uitleggen.
+Eigenlijk, ja, eigenlijk vervreemde haar wel een beetje van hem, altijd
+natuurlijk maar een heel klein beetje, zijn kalm ongeloof. Jozef vroeg
+hierop, of hun liefde haar dan niet genoeg was, neen, dan hield zij ook
+niet genoeg van hem. En buitendien, wat geloofde zij dan, hoe kon zij
+haar geloof omschrijven, was zij katholiek? Neen, van die godsdienst
+wist zij weinig meer en had zij nooit veel begrepen, maar zij voelde
+iets in haar, dat haar zei te aanbidden en te danken. En zoo voorts, zei
+Jozef. Maar zij sprak door. Zij wilde haar God aanbidden, daar buiten,
+het gezicht naar de zon gekeerd en de voeten tusschen de bloemen. Zij
+kon zich, evenmin als hij, goed vereenigen met het denkbeeld van een
+God, die in schemerlicht of bij kaarsvlammen te vereeren zou zijn. Maar
+iets was er toch, zij drukte op dat woord "iets", iets moest er wezen.
+Er moest iets zijn buiten de zichtbare wereld, oneindig grooter en beter
+dan al het zichtbare. Maar hij hield niet van redeneeren met haar. Hij
+had haar lief, dit wist zij en dat was genoeg voor haar en voor hem. Hij
+liet haar de vrijheid, om te bidden en te denken zooveel zij wou. Daarin
+moesten zij ieder maar hun eigen gang gaan. Maar zij was van een heel
+andere meening. Het hinderde haar, dat hij zoo cyniesch was, waar het
+bovennatuurlijke zaken gold. Vader geloofde toch ook aan een Opperwezen.
+En het scheen haar, als ging er weer een gedeelte van haar liefde van
+Jozef op haar vader over, die zoo eenzaam in Amsterdam was achtergebleven.
+Mathilde zweeg weer stil en begon na te denken, en terwijl hij, altijd
+met denzelfden langzamen tred, op denzelfden afstand van haar, naast haar
+voortwandelde, onderzocht zij zich zelve nog eens, om te weten, hoe het
+mogelijk was, dat zij voor altijd haar bestaan aan dien Jozef Wilden had
+verbonden. En in wat voor een oogenblik van krankzinnigheid, van
+bedwelmenden hartstocht, had zij, had zij gisteren in het bosch dat
+gedaan, waarover zij zelf nog verlegen was. Hield zij dan wezenlijk
+zooveel van hem? Was toen haar ware aard boven gekomen? Of was dat
+opwinding geweest, een gevolg van het heele nieuwe leven, dat zij sinds
+acht dagen leefde, een opwinding zoo hevig als zij nooit te-rugkomen kon?
+Waar bleef haar eerbied voor de majesteit van God in de natuur, toen zij
+zoo had gedaan onder Zijn oog? Zij voelde een lichte kou in haar hart
+dalen. Zouden haar droomen van toewijding aan Jozef nooit verwezenlijkt
+worden? Zou altijd God, de onbestemde persoonlijke heerlijke
+aanbiddenswaarde natuurkracht, het opperste wezen, die alle schoonheid
+aan de aarde gaf, tusschen hen beiden staan? Zou ze van hem, Jozef nooit
+naast en in dien God kunnen houden? Zou hij nooit haar mede-aanbidder zijn
+en zou ze hem nooit ook om zijn gebed liefhebben? Neen, nooit! Hij zou
+nooit bidden. Daarvoor was hij te veel een mooye man, een man van de
+wereld, daarvoor was zijn haar te verzorgd en was zijn vest te nieuw.
+Daarvoor stond hij ook te goed met zich-zelf. Hij liep zoo gerust en
+ijdel, zoo zonder verdriet en met zooveel gemak rond op de wereld, dat
+hij, om dat hem niets ontbrak, niet meer vroeg wie hem dat alles had
+gegeven.
+
+Zoo dacht Mathilde voort. Alle godsdienstaandoeningen, die zij ooit in
+haar leven had ondervonden herleefden in haar ziel. Zou hij haar wel
+ooit genoeg zijn, hij Jozef? Zou zij werkelijk ooit alles, haar God en
+heel haar zelf kunnen verlaten voor hem alleen? Zou hij ooit het eenige
+kunnen worden, waaraan zij zich hechtte? Zou hij zoo bezit van haar
+nemen, dat al het andere haar niet meer aanging? Zij had dat wel gedacht
+en gehoopt, verleden jaar, ja, maar sinds dien tijd? En nu, nu ze ver
+met hem wech was gereisd en hem alleen zag en haar vader in 't geheel
+niet meer, voelde zij zich nu wezenlijk minder alleen dan ooit, zooals
+zij het zich altijd had gedacht? Zij keek hem even aan, onder haar
+parasol. Hij wandelde altijd maar voort. Zijn gezicht was rood geworden
+van de warmte. Een paar droppels zweet biggelden van zijn slapen. Zijn
+grijze pak zat vol stof en zijn schoenen waren als met asch bedekt Zijn
+hoed hield hij over zijn voorhoofd gedrukt, zijn armen bengelden
+vermoeid aan zijn zijden. Zijn handschoenen waren met vlekken. Hij zag
+naar den horizont, naar de wolken die stegen als schuimende
+rotsgevaarten, hij kon den omtrek wel een uur ver waarnemen, en zijn
+mooye voorhoofd dacht niet aan God, en in zijn mooye oogen was geen
+geloof. De koude vermeerderde in Mathildes hart. Neen, neen, zij kon
+zich aan hem niet heelemaal geven. Zij schrikte te-rug voor zijn kalmte
+en zijn langzamen gang, terwijl er bij haar zooveel omging.
+
+Mathilde stelde voor om te keeren, om dat het weer slecht zou worden.
+Zonder ergens uit te rusten, zonder veel te spreken, terwijl de zon
+verdween achter grijs zwarte wolkenpakken, wandelden zij naar het hotel
+te-rug. Mathilde werd bepaald zenuwachtig. Waarom had zij dien mooyen
+man getrouwd? Waarom had zij willekeurig afstand gedaan van haar
+vrijheid, om hem te volgen? Waarom was zij niet bij haar ouden vader
+alleen gebleven en met hem bij haar eenzame eigene gedachten, die haar
+zoo dierbaar waren? Haar eigen-liefde was gekrenkt. Het griefde haar,
+dat Jozef in stilte minachtte wat zij voor heilig hield. Er begonnen
+zware droppels te vallen, toen zij weer op hun kamer waren Jozef ging
+zitten op een stoel, om uit te rusten.
+
+Eenige dagen later reisden zij verder; een waas van balorigheid lag over
+Mathildes gezicht. Haar stemming veranderde bijna gedurende de geheele
+reis niet meer. Zij wilde, om Jozef niet onaangenaam te zijn, er niet op
+aandringen de reis te bekorten, maar zij verlangde eigenlijk
+onophoudelijk naar huis.
+
+Het scheen haar, dat zij Jozef niet meer zoo lief had als vroeger. Er
+was als een verwijdering tusschen hen gekomen. Vooral des nachts, als
+zij zoo zeer alleen met hem was, voelde zij een wrevel omstijgen in haar
+gemoed tegen zich-zelve, dat zij een onberaden stap had gedaan. Maar
+andere keeren lachten zij er over, dat zij haar huwelijk zoo noemde. En
+was zij een paar dagen achter elkaar niet al te lief voor Jozef geweest,
+dan had zij oogenblikken van berouw, als een kind, dan zoende zij zijn
+hoofd en vroeg om vergeving. Maar de algemeene staat van haar liefde
+bleef flauw.
+
+De verrassingen en ongewendheden, die al de bezochte vreemde streken op
+haar afschudden, vermengden zich met de nieuwheid, waarin Jozef voor
+haar was. Zij begon dat alles voor een te houden: hun ruwerig leven van
+dezen tijd, met al zijn rare bewegingen en gezichten, met, tot getuigen
+van de manier waarop Jozefs lichaam haar behandelde, onvertrouwde
+luchten, bosschen en bergen, niets dan ernstige en onverschillige
+spoorwegwagens, hotelkamers, en museums niets dan onbekende en haar niet
+kennende straten en pleinen. Nergends gemeenzaamheid, nergends rust.
+Naar geen enkel kastje kon zij kijken van haar geluk, wech was haar
+piano om tegen te droomen van heerlijk, wech het teekengerij om mee te
+suffen van zaligheid. En zoo kwam zij er toe zich angstig af te vragen
+of er wel geluk en heerlijk en zaligheid was. Jozef amuzeerde zich
+bizonder, en zij begreep hem daarom niet meer. Hij beklaagde zich wel
+bij haar over haar weinige levendigheid en opgeruimdheid, maar al het
+wereldsche, al het schitterende en woelige, dat zij door-leefden, vond
+hij even pleizierig als het haar mishaagde. Ook was hij onophoudelijk
+vol allerliefste oplettendheden voor haar, hij zocht op alle mogelijke
+manieren haar ook plezier te doen hebben. Zij ging wel overal met hem
+mee, maar het bleef in het geheel dat niet.
+
+Mathilde droomde een paar maal van haar vader, telkens akelig. Zij
+droomde eens, dat hij uitging om een wandeling te doen, dat er een zware
+mist op kwam zetten, die hoe langer hoe dichter werd, dat vader niets
+meer zien kon op 't laatst en in de gracht viel, zij droomde een anderen
+keer, dat er een dief in huis was gekomen en zich onder het bed van den
+ouden heer had verstopt. Haar vader stapte in bed, zij wilde hem
+waarschuwen en stak haar hand uit; zij werd wakker met een schrik en had
+Jozef in haar slaap aangestooten, die haar verwonderd vroeg, waar zij
+zoo ongerust van droomde.
+
+ * * * * *
+
+Toen zij al heel lang op reis waren en de reis gauw gedaan zou zijn,
+werd Mathildes neerslachtigheid afgewisseld door hevige aanvallen van
+liefde voor Jozef. Maar tot haar droefheid merkte zij juist dan, als zij
+er over nadacht, dat zij eigenlijk lang zooveel niet meer van Jozef
+hield als vroeger, en dat die verliefde buyen alleen korte te-ruglevingen
+waren van haar hartstocht van voor dat zij getrouwd waren.
+
+ * * * * *
+
+Het was nu nog tien dagen voor zij weer thuis zouden zijn. Zij reisden
+met een nachttrein door midden-Duitschland, zij zaten alleen samen in
+den wagon. Om dat er over-dag niets dan vervelende boemel-treinen in den
+spoorweggids stonden, hadden zij dezen trein genomen. Bevend-schemerend
+daalde de schijn van het zolderinglampje, waarom de gele gordijntjes
+waren toegehaald, over het donkerrood trijp van het rijtuig. Jozef en
+Mathilde hadden afgesproken te slapen. Daar zij gezegd had liever in een
+hoekje te blijven zitten dan op een bank te gaan liggen, deed hij uit
+beleefdheid ook zoo. Zoo reden zij beiden vooruit, een armstoel was er
+tusschen hen opengebleven. Mathildes grijs-gele stofjas hing open over
+haar licht-grijze japon. Een boeketje lag op haar schoot van uit haar
+opene handen met geel zemeleeren handschoenen. Haar hoofd, onder een
+lichtkleurig kapot-hoedje, leunde tegen het donkerroode kussen. De
+wiebelende schaduwen van de vooruitstekende boven in de netten geborgen
+valiezen en reistaschjes bewogen over haar heen in de maat van het
+dreunen van het rijtuig. Een zijige donker-blauwe voile hing juist tot
+over haar bovenlip. Haar oogen vonkelden als zwarte stukjes glas. Zonder
+te zien, keek zij voor zich uit. Zij hield haar hoofd een beetje op zij
+met van ernst groezelige wangen. Roerloos-suffend zat zij na te denken
+in de kreunende en bonzende stilte. Hoe het kwam, wist zij niet, maar
+zij had zich nog nooit zoo alleen gevoeld met Jozef als in deze uren.
+Was zij dan nog niet aan hem gewend? Zij wist het niet. Hield zij dan
+niet van hem en was ze gelukkig alleen met haar geliefde te zijn, dus
+alleen met haar eenigen, met haar alles? Zij wist het niet. Onrustig
+dreven haar gedachten om. Zij stoomden den trein vooruit, ver, ver
+vooruit en weer naar haar vader, die alleen in Amsterdam zat. En dan
+weer te-rug naar Jozef, die daar te dommelen zat en naar wien zij haar
+hand maar had uit te strekken om hem te raken. Het scheen haar dat zij
+nu altijd duizend mijlen van haar vader gescheiden zou blijven, dat zij
+voor eeuwig opgesloten was in deze enge ruimte met Jozef, en, zoo
+verschrikkelijk gauw, een oneindige ruimte met hem werd ingedreven naar
+een altijd wijkenden horizont. Voor het eerste voelde zij, dat zij haar
+vrijheid van vroeger niet meer had. Zij voelde, dat zij zich
+overgeleverd had en haar lot nu was beslist. Vooruit nu in het leven,
+vooruit en altijd met hem, altijd bij hem, altijd naast hem, hij altijd
+haar nagaande met zijn eischenstellende liefde.
+
+En zij bestudeerde hem, bezag hem in zijn licht-grijze reispak, de
+beenen uitgestrekt op de fauteuil voor hem, met zijn lage schoenen en
+elegante wit en rood gestreepte sokken. Zijn armen kruizelings over de
+borst, dommelde hij, en zijn hoofd, onder een grijze reispet, zonk, bij
+lichte knikjes, naar voren; zijn mond was even open gevallen. Wat had
+hij toch een mooye snor en recht mannelijk profiel! Weer gleden een
+reeks van doezelige droevige voorgevoelens door haar brein. Zij hechtte
+een blik op hem, die vroeg, wat er nu van haar worden zou, van haar
+toekomst, van haar heele leven, dat nu in zijn macht was, wat hij
+daarvan zou maken. Zal-je mij wezenlijk gelukkig maken, vroeg zij,
+zul-je me weten te begrijpen? Zal-je van me blijven houden, zoo als je
+zegt het nu te doen, zal-je van me houden, zooals ik het van jou doe en
+toch eigenlijk wel voel het altijd te zullen blijven doen? Of ben-je
+wispelturig en heb ik mij vergist, vreeselijk, vreeselijk? Plotseling
+dacht zij dit hevig en zag hem strakker aan. Zij wilde een andwoord
+weten. Zij wilde uit zijn persoon, uit zijn wezen, uit zijn houding, uit
+zijn gezicht, een andwoord lezen. Maar zij ontdekte niets. Met kleine
+schokjes volgde Jozefs lichaam de bewegingen van den trein en zijn
+slapend hoofd schudde ja en neen, op alles ja, op alles neen.
+
+Zij bekeek hem voortdurend: hij zat daar als een kind en machteloos, en
+niets dan tevredenheid en genoegen-neming met het leven sliep er in hem;
+zij was met hem en waakte en allerlei zorgen en rustige overwegingen
+gingen er door haar hersenen; en toen begon het haar te schijnen alsof
+hij toch wel goed, wel goedig was, en het altijd zou zijn. Zijn slapen
+scheen haar iets klagends, iets hulpvragends tot haar te richten, scheen
+een vertrouwen in haar te stellen, dat haar verteederde. Hij rekende op
+haar; nu, hij kon gerust slapen: zij hield van hem! Een aandoening van
+grenzelooze teederheid doorstroomde haar. Ja, hij kon vertrouwen, zij
+had hem lief, zij zou over hem waken Hij hoefde niet meer voortdurend
+wakker te zijn om op de minste van haar bewegingen, de geringste van
+haar wenschen te letten, vol attenties, vol bewijzen van eerbied, om
+haar hart te veroveren. Want de verovering was geschied, de buit was hem
+en zeker kon hij zichzelf vergeten en slapen bij zijn trouwe vrouw.
+
+Daar gilde de stoomfluit en woei het geluid, bij herhaalde kreten, langs
+de wagens. Jozef deed zijn hoofd in de hoogte, smakte met zijn lippen,
+kromde zijn eene been naar boven, om dat het moe was van de langdurige
+uitstrekking, bleef een oogenblik weer roerloos zitten, scheen zich toen
+te bedenken, zuchtte en wreef met het blauwe gordijntje den wasem van de
+ruit, die 't dichtst bij zijn gezicht was, en keek naar buiten in de
+zwarte duisternis. Daarna wendde hij zijn hoofd om en keek even, heel
+vluchtig, met bevende oogen naar Mathilde. Hij dacht blijkbaar, dat ook
+zij sliep. Zij keken mekaar aan. Zij glimlachte.
+
+--Ben-je wat uitgerust? vroeg zij.
+
+--Ja kind, andwoordde hij in den ernst van het ontwaken. De slaap zat
+hem nog in zijn oogen en mond. Hij deed zijn oogen weer toe, schoof zich
+in de gemakkelijkste houding en bleef onbewegelijk. Alleen bewoog zich
+tusschenbeide langzaam zijn arm en streek zijn hand over zijn kin of aan
+zijn oor, terwijl hij inwendig geeuwde. Eindelijk hield alle beweging op
+en bleef hij, alleen met aandachtig snel knippende oogleden, zitten
+suffen. Mathilde was ook weer in haar vorig gepeins wech. Zoo levendig,
+als ware zij in zijn tegenwoordigheid geweest, kwam haar vader voor haar
+geest: lieve, lieve vader. Wat had hij haar zegenend gezoend toen zij
+heenging! Wat zou zij probeeren hem nog verder gelukkig te maken, als
+zij te-rug waren thuis!
+
+Maar Jozef was niet zoo rustig meer als eerst. Hij schoof zijn beenen op
+en neer, rekte zich uit en zag herhaaldelijk naar Mathilde, als had hij
+een plan met haar. De wervelwind van de zucht naar het avontuurlijke,
+naar het gewaagde, en een onweerstaanbare begeerte deed het bloed achter
+zijn ooren stijgen en gaf hem een lichte prikkeling onder de oogen. Hij
+stond op, ging in de fauteuil naast Mathilde zitten, klepte den rood-
+trijpen arm, die nog tusschen hen neer was, naar de hoogte en nam haar
+hand, die hij op zijn been liet liggen.
+
+--Wat zijn we in lang niet samen alleen geweest, zei hij.
+
+--Hoe bedoel-je dat? vroeg zij; zij liet zich tegen zijn schouder
+glijden. Van-daag den heden dag toch, en gisteren en van-nacht, zei ze
+heel eenvoudig. He, ik heb zoo aan vader zitten denken, daarzoo ...
+
+--Nou ja, maar over-dag zijn we eigenlijk nooit alleen geweest, altijd
+met andere menschen, die ons zagen, we hebben bijna nooit intiem
+kunnen zijn ...
+
+Hij drukte zijn lippen op haar lippen. Haar tanden deden pijn want de
+zoen was een beetje hard. Zij ging weer recht zitten, zij trok zich
+te-rug, een beetje zenuwachtig. Zij was niets lief. Ernstig en
+bedremmeld keek zij voor zich uit. Hij begreep haar niet.
+
+--Wat is 't nou?
+
+--Och, niets, andwoordde zij langzaam. Na een oogenblik zei hij weer:
+
+--Hou-je niet van me?
+
+--Ja wel.
+
+Nu viel hij naar haar toe, hij kon zich niet inhouden, hij sloeg zijn
+armen om haar middel en wilde haar aan zijn borst trekken. Maar zij
+verzette zich.
+
+--Nee, zei ze, nu niet ... wat wil-je toch?
+
+--Wat niet? Waarom niet? Waarom nu niet? vroeg hij en hij bezoende haar
+heele gezicht. Zij verzette zich zachtjes.
+
+--Toe, Jozef, wat mankeert je nou toch? Laten we wat gaan slapen ...
+
+--Maar, waarom niet? Zijn wij niet alleen? Wil ik het licht lager doen?
+
+--Nee, nee, och nee!
+
+--Maar, waarom niet?
+
+--Daarom niet, zei ze koud en ernstig.
+
+Hij ging tegenover haar zitten, erg teleurgesteld. Eerst zweeg hij, keek
+haar bij tusschenpoozen ongeduldig aan en dan weer den anderen kant uit,
+zijn armen kruiselings over de borst. Zij trok haar stofjas weer in 't
+fatsoen en raapte het boeketje op, dat gevallen was; zij hield haar oogen
+neer over haar heete bleeke wangen.
+
+Langzamerhand begon Jozef, bij korte stooten, te zeggen:
+
+--Wat beteekent dat nu? 't Is absurd! Vraag ik je niet iets heel gewoons,
+ben ik je man niet, ik heb immers recht om je te vragen, wat ik vraag!
+
+Hij was heelemaal uit zijn humeur geraakt.
+
+--Zoo iets heb 'k nog nooit gehoord! Moet er dan volstrekt een
+slaapkamer bij te pas komen, en een egyptische duisternis en zware
+gordijnen en een dubbel gesloten deur ... Er zal hier geen kondukteur
+meer in komen, de kaartjes zijn geknipt ... Voor we aan het eerste
+station komen, is 't nog wel twee uur.
+
+Zoo gromde hij voort, en naarmate hij zag, dat ze onder zijn berisping
+bukte, werd hij heviger en trommelden zijn vingers op zijn knieen.
+
+--Wat is t'er an? zei hij verder. Ik ben geen minnaar, ik ben je man.
+Ben ik je man niet?
+
+Na een paar minuten zwijgens en nagedachte, kwam weer het
+onbegrijpelijke van de weigering bij hem boven. Zacht zei hij:
+
+--Zeg nou 'es, Thilde, waarom wil-je niet?
+
+--Och, ik weet 't niet, ik weet 't niet, snikte zij en begon wrevelig te
+huilen als een kind, zoo dat tranen kleine donkere vlekjes maakten op
+haar gele stofjas.
+
+Nog erg boos, ging hij nu weer op zijn oude plaats zitten. Maar hij kon
+niet meer slapen. Hij nam zijn Baedeker en begon knorrig te studeeren op
+het plattegrondje van een stad, die zij al lang achter den rug hadden,
+zonder te weten wat hij las.
+
+De blauwe gordijntjes hingen slap langs de raampjes neer en de vaal-gele
+schijn van het duistere lampje aan de zoldering trilde hevig door den
+jagenden en schokkenden wagon. Het begon er benauwd-warm te worden.
+
+Mathilde beefde in haar hoekje; een onbegrijpelijke angst had zich van
+haar meester gemaakt. Zij begreep niet goed, waarom ze zoo bang was
+geworden voor Jozef. Maar ze had een schrik van hem gekregen. Neen, aan
+dien man had zij zich zelf niet heelemaal gegeven. Dat was maar schijn
+geweest. Een ijzig gevoel van vervreemding huiverde door haar hersenen.
+Zij was bang voor nu en voor later. Nu was hij te-rug-gegaan toen zij
+weigerde, maar zou dat altijd zoo zijn, zou hij later nog wel niet eens
+verder kunnen willen gaan, tegen haar tranen, tegen haar smeken in? Zou
+hij haar niet eens te lijf willen gaan, om haar kwaad te doen, haar pijn
+te doen? Zij vreesde, ja, zij vreesde alles, maar wat dan, wat alles? Er
+bestond geen reden voor haar angst. Mocht hij dan niet doen, wat hij
+gewild had? Immers ja. Wat bezielde haar dan toch om op-eens zoo'n
+afschrik te hebben? 't Was heel natuurlijk en gepermitteerd, wat hij
+wou. Dat was het huwelijk, dat was de liefde. Alle mannen handelden zoo
+tegenover hun vrouwen. En zij-zelf, wat had zij-zelf niet gedaan dien
+morgen in het bosch? Wat scheelde er dan toch aan, wat maakte haar zoo
+kriegelig, wat gaf haar dien onweerstaanbaren weerzin? Neen, zij begreep
+zich-zelve niet meer. Zij was moe, zij was zenuwachtig. Het dansen van
+den wagon om haar heen matte haar af. O, was 't maar gedaan! Waar was 'r
+einde van de reis, van de lange, al te lange reis? Zij zuchtte en deed
+haar handen voor zich uit in een wensch om verlossing, als om iets van
+zich wech te duwen.
+
+De trein ging langzamer. Zij waren dicht bij een station. Zij zouden
+even iets gaan eten. Jozef stond op, knoopte zijn jas dicht en zocht
+zijn hoed. Toen hij voorbij Mathilde boog om het portierraampje open te
+maken, hoorde hij haar snikken: "vader, vader!"
+
+
+
+
+VI.
+
+
+De table-d'hote was juist begonnen in het hotel Belle Vue te Deutz,
+over Keulen, aan den anderen Rhijnkant. Door de acht hooge vensters
+helderlachte een zomer-zon binnen, straalde in de glazen voor elk bord
+geschaard, bevonkelde den wijn, deed het goud van de spiegellijsten en
+de schoorsteenpendule blinken, verhelderde het witte tafellaken en de
+sloofjes van de kellners, schemerde schijnsels van frischheid over de
+fletse wanden, poeyerde stofgoud door de kroezige haren van de vrouwen.
+
+De pastijtjes werden binnengedragen. Een uitwaseming was over de tafel,
+als bij felle kou 's winters in een dicht rijtuig, dat vol is. Een
+soeplucht steeg naar de zoldering. De heeren veegden hun snorren en
+kinnen schoon, zwaayend en duwend met de servetten. Heeren krabden zich
+achter hun ooren, legden beide handen half toegeknepen, de zegelring
+goed zichtbaar, aan weerszijde op de tafel naast hun bord, keken rond,
+schuin-smakkend met de lippen van voldoening over de gegeten soep,
+schuin langs hun buurvrouwen naspeurend of er gevoeglijk een gesprek te
+beginnen zou zijn. Andere heeren snoten hun neuzen; eenige deden het met
+hun rug naar de tafel en snoten half achter de ruggen van die naast hen
+zaten; twee dames schrokken even. De jonge meisjes staarden voor zich en
+hielden de handen op elkaar gedrukt achter het leege soep-bord, andere
+bekeken de bewegingen van het licht tegen de muren en namen den schijn
+aan hun armbanden in orde te doen. De oudere dames kruimden een stukje
+brood en groetten glimlachend, met lichten hoofdknik, de menschen die te
+laat kwamen. Een oude vrijster kon haar grijze oogen maar niet van den
+jongsten kellner afhouden, een blonden baardeloozen krullekop met dikke
+korte lippen, die handig de pasteitjes tusschen de gasten in kon houden,
+zonder ze ooit aan te raken of hen te noodzaken een beetje op zij te
+buigen. De schuivende stappen van de kellners klonken droog en krakend
+af op het zeil over de vloer. Dit geluid vermengde zich met den doffen
+klank van de schoone borden, die den gasten voorgeschoven werden, op het
+tafellaken, met het gekletter van stapels borden, die in een hoek van de
+zaal werden neergezet, met het zilveren getik van de vorken en messen,
+die sommige heeren naast hun bord tegen elkaar lieten glijden of onder
+het eten samentikten.
+
+Onder de soep had niemant een woord gesproken.
+
+Zachtjes werden er nu koele gesprekken begonnen. Beginnende glimlachjes
+waren om enkele monden. Zij spraken, schor, en fluisterend, over het
+mooye weer, over de aangename ligging van het hotel, over het
+muziekfeest gisteren-avond in Keulen, over hun reizen. Een jongen van
+twintig jaar sprak tegen een meneer, die tegenover hem zat. Daarom klonk
+zijn stem boven de anderen en keken de menschen, die dicht-bij hem
+zaten, naar hem op. Een reuteligheid in zijn keel en het knippen van
+zijn oogen was zijn verlegenheid. Links, aan het uiterste einde van de
+tafel, zaten twee roode, vette Westfalers, hun servetten van-boven in
+hun wijde boorden onder de ruig-roode onderkinnen, die over vette
+varkensvleeschbereidingen gingen praten. Drie fatterige Berlijnsche
+heeren naast hen bogen hun drie hoofden over hun borden bij elkaar,
+bespotten de Westfalers en spraken daarna heel zachtjes over een
+zangeres, die deel had genomen aan het muziekfeest van gisteravond en
+die om een andere reden nog-al erg over den tong ging.
+
+Na de pasteitjes, bij het rundvleesch, de wit-groene met kaneel bruin
+bespikkelde bloemkool, en de rookende aardappelen, vermeerderde het
+suizend stemmengegons aan tafel. Heeren bedienden de dames naast hen.
+Een fijn blond tenger kantoorbediendetje uit Keulen, die wist, dat de
+zwaarlijvige Hollandsche jongejufvrouw aan zijn linker kant altijd heel
+weinig van alles gebruikte, lispte, in vlijmerig hollandsch: Jufvrouw,
+mag ik u eens mikroskopiesch bedienen? De jufvrouw lachte met breede
+lippen en zware witte tanden. Een lange magere heer voerde het woord
+over politiek en meer bizonder over Bismarck.
+
+Jozef en Mathilde zaten bedaard en stil naast elkaar te kijken. Zij
+waren moe van de eerste huwelijksweken en van de reis, zij dachten er nu
+maar aan zoo gauw mogelijk thuis te zijn. Zij zagen allebei een beetje
+bleek. Mathildes gang en haar hand-en armgebaren waren flets van
+gemakzucht, een gevolg van de uitputting. Jozef was ook stiller dan
+gewoonlijk. Zij zaten zij aan zij, hij voortdurend in het licht-grijze
+pak, zij in een licht-bruine japon, zonder veel garneering of kant, en
+zij keken een beetje beteuterd om zich heen en konden den rechten
+konversatietoon maar niet vatten. Tusschenbeide zeiden zij zachtjes een
+eenzaam woord tegen elkaar.
+
+--Zijn er van-morgen geen brieven gekomen? vroeg Jozef.
+
+--Nee, dat heb ik ook al vreemd gevonden. Ik had mevrouw Berlage toch
+zoo gevraagd me te schrijven of alles thuis goed in orde was en ik heb
+haar toch duidelijk gevraagd om me hier-na-toe te schrijven, om dat dit
+het laatste adres op onze reis was.
+
+--Nou, misschien komt er van-avond nog wat.
+
+En hij gaf haar de sla aan, die, met den rosen en glibberigen zalm het
+volgend gerecht uitmaakte.
+
+--Zal u er ook wat peper bij nemen, mevrouw? vroeg een hollandsche stem
+aan Mathildes linker kant.
+
+In de rondte was het gesprek aan tafel nu algemeen geworden. Allerlei
+stemmen, doortruffeld van het vorkgepik op de borden en het geluid van
+slikken, klonken door-een. Hier en daar begon men geanimeerd te worden.
+Een roodachtig heer hoestte in zijn servet, een slok wijn was zijn
+verkeerde keelgat ingegaan. Een oude dame, met witte muts en paarsen
+linten er aan op het hoofd, draaide zich naar hem toe, wilde hem helpen.
+Maar hij stelde haar gerust met zijne korte kleine hand. Hij nam een
+slok water. Een paar plaatsen verder sloten nieuwe bekenden vriendschap.
+Links had een diskussie plaats over politiek. Het begon warm te worden
+in de zaal. De dame die zoo lang naar den jongen kellner had gestaard,
+wenkte hem en verzocht hem minzaam de middendeur open te laten staan.
+Door de vestibule heen zag men nu in het wuivende groen van den tuin,
+die aan den anderen kant van het hotel was. Men beproefde ook door een
+venster versche lucht te krijgen. Een oogenblik hoorde men den Rhijn in
+zacht golfgeklots voorbij spoelen. Maar 't tochtte en op algemeen
+verlangen werd het venster weer gesloten.
+
+--He, ik wou, dat we al thuis waren zei Mathilde.
+
+Het eten duurde voort. Twee oude jonge heeren veegden hun voorhoofden
+af. Zij hadden zich bizonder te goed gedaan. Een bejaarde dame zuchtte
+van benauwdheid. De kellners zagen oplettend na wie nog te bedienen was.
+De zonneschijn was langzamerhand gedaald van de muren en van de stapels
+borden op de dientafels, die er tegen aanstonden, was ook niet meer op
+de gezichten van de eters, maar brandde nog alleen op de halzen en
+ruggen van hen, die aan den vensterkant zaten.
+
+Zij gingen aan het dessert. Eerst kwam de moskovische taart. Een paar
+heeren, die haast hadden, rolden hun servetten slordig op, keken voor
+zich, stonden op met stoelgekraak en een lichte beweging van de dames
+aan hun zijden, bogen even, terwijl ze met iets zenuwachtigs in hun
+oogen een blik over het gezelschap lieten gaan, dat hen een oogenblik
+te-rugbekeek en waarvan heel ouden en heele jongen groetten gingen gauw
+heen door de vestibule, namen daar hun gele strooye hoeden van den
+breeden erg beladen kleerenstandaard, hun dunne wandelstokken uit den
+bak er onder, en liepen schielijk de deur en den tuin uit.
+
+Door een andere deur, van op-zij, kwam nu de portier van het hotel
+binnen, nam zijn breedbollige pet af en ging op zijn teenen naar Jozef.
+
+--Een telegram! zei Mathilde.
+
+Uit beleefdheid deden de andere alsof er niets gaande was en spraken
+voort. Jozef zei niets maar zag bevreemd zijn naam aan en opende den
+telegram met zijn dessertmesje.
+
+--Van huis? vroeg zij.
+
+Na twee sekonden vouwde Jozef het papier toe, frommelde het koevert,
+waarin de telegram geweest was, in mekaar, gooide de prop op den vloer
+en zei: 't Is niets, terwijl zijn gezicht heel effen stond. De anderen
+kraakten nu noten in de rondte en zogen uit donzig vette druiven. De
+jongelui waren goed aan 't drinken. Men bestelde nog een flesch wijn. De
+dames hapten hun laatst hoopje vanielje-ijs op, dronken nog een slokje
+spuitwater en maakten zich een voor een klaar om wech te gaan. Eenige
+menschen kregen koffie. Een oude heer kreeg een cigaar uit zijn koker,
+sneed er het puntje af en lei de cigaar op tafel, naar lucifers
+rondziende. Twee andere heeren, met groote overhemdsborsten en breede
+zwarte dassen, waren gemoedelijk familie-herinneringen aan 't op halen,
+die hen nader tot elkaar brachten en slikten wat zij haast te veel
+gezegd hadden wech in een langzaam bij kleine scheutjes koffie-slurpen,
+terwijl er een met zijn lepeltje op zijn schoteltje tikte, als de andere
+aan het woord was.
+
+--Wat is 't? fluisterde Mathilde.
+
+--Niets, herhaalde hij.
+
+Maar zij drong aan:
+
+--Toe, zeg 't nu maar.
+
+--Willen wij eens naar boven gaan? zei Jozef een beetje harder.
+
+Zij stond gauw op, groette nauwelijks twee nog aanwezige dames en
+wachtte Jozef in de vestibule bij de breede wenteltrap met zijn blinkend
+gepolitoerde lage treden. Hij kwam ook aanloopen, kuchte luchtig en
+zocht in zijn vestjeszak naar een tandestoker; de andere hand hield hij
+in zijn broekzak.
+
+--Nu wat is 't? vroeg zij, hem aarzelend aanziende.
+
+--Ik zal 't je boven laten lezen. En zwijgend gingen zij de trap op.
+Mathilde wist niet wat te denken, zij beet op haar onderlip en klapte
+in haar handen om haar ongeduld te temperen. Boven in hun grijzige
+logeerkamer, sprak Jozef nog geen woord: hij scheen in gedachten.
+Zwijgend gaf hij haar den telegram over. Mathilde las 'm.
+
+--O, God, zei ze, wat zullen we nu doen?
+
+--Niets, andwoordde hij, precies hetzelfde wat we anders gedaan zouden
+hebben.
+
+--Laten we maar liever zoo gauw mogelijk afreizen.
+
+--En niet meer in Arnhem stil blijven?
+
+--Nee, natuurlijk niet, dadelijk naar huis gaan. Vader is erg ziek.
+
+--Zoo erg zal 't niet zijn. Hij heeft een sterk gestel. Laten we maar
+eerste den brief afwachten. Dan kunnen we altijd nog zien.
+
+Mathilde wandelde de kamer op en af en dacht na. Jozef stond aan 't
+venster geleund en trommelde tegen de ruiten. Hij kreeg een cigaret
+uit zijn zak.
+
+--Ik ga maar vast pakken, zei Mathilde.
+
+--Dat kun-je altijd doen, zei hij, of nee, laat 't liever doen. Lieve
+kind, je bent zoo moe.
+
+--Wat zou vader schelen? zei Mathilde, over den koffer gebukt.
+
+--Ja, dat weet ik niet. 't Kan natuurlijk van alles zijn, maar de brief
+zal wel gauw komen, dan weten we 't. Jozef was bezig voor den spiegel
+zijn das recht te keeren en zijn snor op te krullen. Al zijn oude
+vriendschap voor de Stuwen kwam boven; hij was ongerust. Ik ga nog even
+in den tuin, zei hij, win-je nou maar niet op, lieve kind, en laat me
+waarschuwen als er nog iets komt.
+
+Beneden was de table d'hote gedaan.
+
+Voortdurend klepte de buitendeur open en dicht, de luide en lachende
+stemmen van de heengaanden klonken op, om wech te suizen in de open
+lucht, zoodra de deur weer dicht was geslagen, en gevolgd te worden door
+andere, meer gemoedelijke stemmen, die langzaam opkwamen en uitstierven
+en van slofferige voetstappen waren vergezeld, of door stemmen, die
+klonken als kristallen glazen en door het geruisch van japonnen werden
+omsisd.
+
+Jozef zou juist de kamer uitgaan, toen een kellner de trap opkwam, een
+telegram in zijn hand. Jozef duwde den man te-rug, om Mathilde niets te
+laten merken en gaf hem een order over het ontbijt van morgenochtend,
+als had hij hem daarvoor ontboden. Terwijl hij den nieuwen telegram
+openmaakte, ging Jozef achter den kellner de trap af.
+
+De Stuwen was gestorven. Men wist niet waaraan. "Oorzaak onbekend" stond
+er. Jozef werd verzocht zoo spoedig mogelijk te-rug te komen. Jozef vond
+dit alles heel natuurlijk. Hij was niet gewoon licht te schrikken, hij
+draaide in de vestibule even op een hiel rond en ging toen weer langzaam
+naar boven, den telegram voor zich uit houdende.
+
+Mathilde was niet voortgegaan met pakken maar was gaan zitten op een
+stoel bij het ledikant, om eens na te denken. Dat vader zoo gauw zou
+kunnen sterven! Wie had dat gedacht! Arme vader! Hoe teeder en met
+hoeveel droefheid had hij haar omhelsd, toen zij wech ging, ver van hem
+wech, op haar huwelijksreis! Wat had hij haar een aanbeveling gegeven
+voor de toekomst, alsof hij haar nooit terug zou zien! Wat had hij veel
+gesproken van de eenzaamheid, die hij tegemoet ging! Och, och, hoe had
+ze hem ook kunnen verlaten! Hij had 't zelf gewild, ja, maar ze had 't
+toch niet moeten doen ze had het nooit moeten doen! Waarom was ze ook
+getrouwd, waarom was ze wech-gegaan uit zijn beschermende armen, die zij
+verwarmde, die haar alleen nog konden omhelzen en zonder haar leeg en
+slap neerhingen. En nu dood, zuchte zij ... Maar ... dood? nee, hij was
+niet dood, hij kon niet dood zijn! Hij was maar ongesteld; hij moest
+toch wel erg ongesteld zijn, dat ze zoo telegrafeerden van huis! Of
+misschien ook niet, misschien hadden ze den indruk willen verzwaren, om
+te maken dat Jozef en zij gauw overkwamen, om geen last met den ouden
+heer te hebben en te zorgen, dat hij in geen geval alleen stierf, dat
+daar geen mogelijkheid voor zou zijn. Ja, zoo moest het wezen. En zij
+stond gauw op om verder door te pakken, met het vaste besluit dadelijk
+naar huis te sporen. Jozef zou wel toestemmen, hij vond alles goed, wat
+zij wou. Daar stond Jozef weer in-eens voor haar.
+
+--Je vader is van-middag overleden, zei hij bedaard en hoogst ernstig,
+en hij hield haar den telegram voor.
+
+Zij nam dien niet aan, andwoordde niet, ging weer op den stoel, waar ze
+daar-zoo over alles had nagedacht zitten. Met wijd open oogen keek ze
+Jozef strak in zijn gezicht. Twee dikke tranen vielen op haar licht
+bruine japon. Zij huilde een oogenblik stil en hevig. Toen stond ze op
+in een overgegeven houding, heel week:
+
+--Nou ben ik wel heelemaal voor jou en voor niemant anders op de wereld,
+zei ze. Zij legde haar armen om zijn hals. Hij sloeg zijn handen om haar
+schouders. Hij kreeg ook tranen in zijn oogen en zag er haar zwarte haren
+in golven aan zijn borst. En zij zagen mekaar aan, beiden opgewonden door
+den heftigen toestand.
+
+Toen Mathilde met de koffers klaar was gekomen, waschte zij haar oogen
+en ging Jozef opzoeken in den tuin. Zij kwam in de vestibule en keek
+naar de eetzaal. De zon daalde bedaard wech achter de huizen van Keulen,
+zij bereikte de tafel niet meer. Een paar kellners liepen haastig af en
+aan. De tafel was bijna heelemaal opgeredderd. Over het wijn-en
+vetvlekkig tafellaken vlogen vliegen in korte kringen om de vergeten
+broodkruimels heen. Een zware gemengde etensreuk benauwde de zaal. Op
+de vloer was een stukje rotte appel en een druivenschil gevallen. De
+stoelen stonden door elkaar, een eind naar achteren geschoven de
+servetten hingen er lusteloos en verkreukeld over heen. Er kwamen twee
+meiden de glazen uitwasschen in een hoek van de zaal. Een kellner gooide
+de eene met een perenschil. In platduitsch schold zij hem daarover uit,
+terwijl de rook van haar warm water in de rondte dwarrelde.
+
+Mathilde stiet de voordeur open en ging naar Jozef, die, een cigaret in
+zijn mond, voortdrentelde tusschen het groen in.
+
+
+
+
+VII.
+
+
+Den volgenden avond waren zij te-rug in Amsterdam. Zij reden gauw door
+den regen naar huis. Jans deed al open voor er nog gescheld was, met een
+doodsch gezicht. De tranen daalden over Mathildes wangen, toen zij den
+gang doorging naar het zaaltje, tranen om het leven, dat wech gestorven
+was uit het huis, het stille, bedaarde, goedaardige leven, met zijn
+kalmen gang, zijn zacht neurieen, al zijn kleine gewoonten en al zijn
+stille dingetjes. De stilte was nu zoo stil, dat het niet was om te
+zeggen. De stilte van den dood ademde door het huis, een grijsheid
+zweefde langs de muren en over de trappen, een warrelende schimmige
+nevel waarde in de hoeken en stofte van de zoldering. Mathilde had Jans
+bij het binnenkomen de hand gedrukt, zoo als het altijd in de familie
+gebruikelijk was geweest aan de meiden te doen bij allergewichtigste
+omstandigheden en treurige of aandoenlijke gelegenheden. Jans was nu de
+jonge mevrouw, die zij in de onnadenkendheid der ontsteltenis telkens
+nog jufvrouw noemde, naar het zaaltje gevolgd en hielp haar daar haar
+reisgoed afdoen.
+
+--Hoe is 't nou gegaan, zoo in eens? vroeg Mathilde zachtjes; de tranen
+drupten langzaam, zonder zenuwachtigheid, van haar wangen.
+
+--Ja, u zal wel erg geschrokken zijn? zei Jans.
+
+--'t Is treurig, erg treurig voor me, 't is een heele steun die me
+ontvalt.
+
+En 't is zoo gauw gegaan, toch zoo gauw, onbegrijpelijk, Meneer was dan,
+zooals u weet, een beetje rhematiek-achtig nog altijd, maar och gut,
+anders zoo gezond als 't maar kan. Hij at goed, zeker ... flink ... ten
+minste behoorlijk, zooals altijd. Een dag of vier geleden begon hij een
+beetje pijn te voelen hier, bij zijn maag, op zijn rug en in zijn hoofd.
+Ik zeg: meneer gaat u na bed, zeg ik, dan zal 't morgen wel over zijn.
+Den volgenden ochtend nog 't zelfde. Nou, toen zeg ik tegen meneer,
+blijft u nou maar legge. Wil ik ook iets schrijven of zoo aan de
+jufvrouw? Nee, zeit meneer, doe dat maar niet, ze komen toch over een
+paar dagen thuis. Nou, toen dee ik 't dan niet, maar 's middags werd
+meneer erger, hij had zoo'n pijn, dat ie 't niet uit kon houden. Och
+God, en hij huilde zoo! Ik ben naar den dokter gegaan, die is dadelijk
+gekomen, hij zei, dat 't weer de rhematiek was, dat meneer maar veel
+rust moest houen. 's Avonds wou ik meneer wrijven, maar dat kon ie
+onmogelijk velen en hij gilde het uit van de pijn. Nou, toen dacht ik,
+dat 't geen rhematiek kon zijn. Ik zee tegen meneer, of ie niet een
+andere dokter gehaald wou hebben, of misschien een professor of zoo.
+Maar meneer zee, dat 't wel over zou gaan, hij wou maar, dat ik hem met
+rust zou laten. Zoo duurde het vooreergisteren en eergisteren en vooral
+gisteren-morgen werd meneer toch zoo naar, ja gisteren morgen was 't, ik
+werd er wakker van, zoo als ie aan 't kermen was. Ik naar beneden, ik
+vroeg meneer of ik ook een pap voor hem klaar wou maken, of hij ook iets
+hebben wou, nee, ja, hij wou den dokter hebben. De dokter kwam en bleef
+een uur bij meneer en ging heen zonder me iets te zeggen. Toen werd
+meneer hoe langer hoe erger. Nou, toen ben ik naar meneer Berlage gegaan
+en die heeft getelegrafeerd. Ik ben gisteren bijna aldoor bij meneer
+gebleven, ik kon 't niet anzien, zoo als de man toch lee. Dan schudde ik
+zijn kussens en lee zijn dek goed. Lee ie dan weer een oogenblik rustig,
+dan wou ie weer in-eens opstaan, en, had ie even op een stoel gezeten,
+dan verlangde 'n ie weer na bed. Zoo ging het tot een uur of vier, toen
+werd meneer ineens zoo akelig benauwd en blauw in z'n gezicht, dat ik
+dacht, dat ie zoo dood bleef. Ik schrok er zoo van, dat ik niet wist wat
+ik doen zou. Ik bette meneer z'n gezicht met water want ik dacht, dat
+zijn aren zouden bersten. Na een kwartier kwam ie weer bij. Ik had
+al-door geen oog van hem afgehad. Toen zee ie zachies, o toch zoo
+zachies: Jans, kom eens hier. Ik geloof, dat ik nu dood ga zeg et an de
+jufvrouw, zeg et an de jufvrouw. Dit zee ie precies zoo tweemaal achter
+mekaar. Toen ging ie weer leggen, achterover op zijn kussen. En toen was
+alles gedaan.
+
+Jans had het verhaal gedaan, op den ernstigen welvoegelijken toon van
+een meid, die meegaat in de ongelukken van het huishouden. Mathilde had
+naar haar staan te luisteren, haar hoed nog in een hand en een
+handschoen aan, bewegingloos en ontroerd. Jozef had den koetsier
+betaald, na dat deze de koffers in den gang had gedragen. Daarna was hij
+naast zijne vrouw komen staan, met veel belangstelling in zijn gezicht,
+de armen slap langs het lichaam.
+
+--En heeft meneer anders niets gezeid? vroeg hij.
+
+--Nee, meneer.
+
+--In 't geheel niet, vroeg Mathilde, ook die paar dagen te voren niets?
+
+--Nee, jufvrouw, nies bizonders, andwoordde Jans nadenkend.
+
+--Is er al iemant geweest? vroeg Jozef.
+
+--Ja, de dokter is er van-daag nog geweest en meneer Berlage kwam vragen
+of u al te-rug was. Anders nies.
+
+Dof-zwijgend ging Mathilde de trappen op, naar boven, Jozef stapte
+achter haar aan. Toen zij tien treden gegaan was, kwam Mathilde in een
+luid snikken los: och, mijn arme vader, mijn arme vader, huilde zij.
+Had ik het niet gedacht? Heb ik het niet voorgevoeld? He, he, 't is
+verschrikkelijk! Wij hadden nooit op reis moeten gaan en hem alleen
+laten!
+
+In een uiterst verdriet ging zij haar vaders slaapkamer binnen, haar
+zakdoek voor haar gezicht. De gordijnen waren wechgeslagen voor het
+ledikant van-daan. Twee kaarsen brandden er voor naast een zilveren
+kruisbeeld. Daar had Jans voor gezorgd. Stijf en wit en doodelijk
+verouderd lag de Stuwen onder zijn wit lijklaken gestrekt, zijn oogen
+toe, zijn mond open. De bovenste rand van zijn onderste rij tanden was
+zichtbaar. Het laken dekte hem tot onder zijn kin. Zijn korte grijze
+haren waren glad gestreken. Een blauwige tint lag om zijn oogen en
+voorhoofd en wangen, en schemerde loodkleurig door het vel. En hij was
+zoo mager, zoo mager en hij had zulke diepe rimpels in zijn voorhoofd.
+De gordijnen voor de straatvensters waren neergelaten en de kaarsen
+schenen vaal met het verdoofde daglicht samen.
+
+Het lijk schrikte Mathilde af. Een beetje rillerig knielde zij neer voor
+het bed. Zij bad, en zag het lijk heftig aan. Zij huilde hard-op. Toen
+kon zij zich de bewegingloosheid van haar vader maar niet begrijpen. Zij
+schoof het laken zachtjes wech en tastte naar de hand van den doode. Die
+hand lag recht-uit, grijzig-wit, het bloed was van onder de nagels wech
+en Mathilde probeerde de hand goed beet te pakken. Het vleesch van het
+lijk gaf niet mee. Die hand kon haar niet meer aayen en zoo innig de
+hare drukken als vroeger, dacht zij. Vader, vader! riep Mathilde, o.
+vader is u nu voor altijd van me wech? En, haar kin naar voren, haar
+oogleden neer, schudde zij haar hoofd, en zag wanhopend naar het lijk.
+Daarna lei zij haar handen over zijn schouders en zoende het harde koude
+voorhoofd. Maar zij kon niet wech gaan, zij kon hem niet alleen laten.
+En weer knielde zij en deed haar gezicht tegen het doodelaken, dat in
+breede plooien van het bed afhing.
+
+Jozef wachtte, staande. Maar toen er geen eind aan kwam besloot hij bij
+de tafel te gaan zitten en eenige niet te vergeten zaken die gedaan en
+maatregelen die genomen moesten worden, te noteeren. Hij was ook iets
+geroerd, door het groote verdriet van Mathilde en den dood van zijn
+ouden vrind, maar hij moest zijn hoofd bij mekaar houden om de drukte,
+die nu natuurlijk volgen zou.
+
+Toen hij daar een minuut of tien bezig was geweest en bij het ledikant
+niets meer hoorde, zag hij om. Mathilde knielde rechtop daar naast en
+bekeek het lijk. Daarna stond zij op en zoende Jozef lang met een
+betraand gezicht en drukte zijn handen. Toen droogde zij haar tranen
+wech, maar huilde dadelijk toch weer met haar bleeke gezicht en liep
+stilletjes naar beneden. De nacht was neergekomen en alles was zoo koud
+op de trap en in de kamers, dat zij griezelde bij elke schaduw en bij
+elken hoek. Jans vroeg of zij ook eten zouden.
+
+--Vraag 't maar aan meneer, of hij iets gebruiken wil. Meneer zit boven.
+Ik heb geen trek.
+
+En zij drentelde troosteloos van de eene kamer in andere en bekeek alles
+met haar treurende oogen: de piano in het zaaltje en de tafel en vaders
+tabakspot en de kranten, die daar nog lagen, vier-vijf op mekaar,
+ongebruikt in denzelfden vorm waarin zij gekomen waren. Jans had zelfs
+het licht in den gang vergeten op te steken. Nergends brandde een lamp.
+Mathilde nam haar hoed en stofjas en liep naar boven, naar haar eigen
+kamer. Toen zij voorbij de doodekamer kwam, waarvan de deur op een kier
+stond en den zachten kaarsenglans door liet schijnen, hoorde zij
+gauw-achter-mekaar dof snikken en Jozef die heen en weer liep. Zij ging
+weer binnen en zag Jozef, die voor het lijk was blijven staan, en te
+vergeefs, ongeduldig over zijn eigen gevoeligheid, probeerde om niet te
+huilen. Dit deed Mathilde ontzaglijk veel goed. Zij voelde zich-zelf er
+een beetje door verlicht en zij omhelsde en zoende hem uit dankbaarheid.
+
+Boven op haar kamer was alles nog akeliger en duisterder dan
+overal-anders. Maar zij was toch blij dat ze er was, in deze kamer, die
+haar met al zijn oude kleuren zoo vriendelijk omwandde. Zij ging op haar
+bed zitten, en een zachte, troostende warmte steeg door haar lichaam,
+vol innigheid, vol herinnering, vol van het verleden, dat plotseling
+hevig voortleefde om haar heen. Hoe vreemd en droevig-heerlijk, dit
+te-rugzien van haar kamertje na haar huwelijksreis! Wat was zij
+veranderd sints zij hier voor 't laatst was geweest!
+
+En zij sloot zich op, zoo als vroeger. Zij deed haar stoffige kleeren
+uit en ging zoo voor de tafel zitten, en droomde. Daarna stak-zij het
+gaslicht aan, ging buiten de deur en riep met gedoofde stem, als om den
+doode niet te hinderen, dat Jans uit haar koffer haar peignoir moest
+brengen. Meneer had de sleutel. Zij was zoo moe. Jans kwam boven met de
+peignoir, Mathildes reismand, een een beetje eten: een stukje biefstuk,
+wat princesseboonen en aardappelen. Meneer had gezegd, dat zij 't maar
+aan mevrouw brengen moest, die 't wel eten zou na de reis.
+
+--Zeg aan meneer, dat ik maar naar bed zal gaan, ik ben dood-, dood-moe.
+
+Zij probeerde om iets te eten, maar het wou bijna niet door haar keel.
+Half ziek van het huilen en van al de aandoeningen, met een nevel van
+vermoeyenis voor haar oogen en een razend gesuis in haar ooren, ging zij
+naar bed, maar toch troostte haar de gedachte, dat zij niet heelemaal
+alleen over was gebleven op de wereld, maar dat er beneden iemant was,
+die haar steun en haar alles zou zijn, bij wien zij haar toevlucht kon
+zoeken, zoo als vroeger bij haar vader en waar zij nu toch eigenlijk
+inniger bij hoorde.
+
+De volgende dagen met hun koortsige bezigheden, hun vermoeyenis, hun
+droefheid, liepen Mathilde snel voorbij. De visites van vrienden, die
+kwamen kondoleeren, het ceelen-maken, de zorgen voor de begrafenis en
+voor de uitvaart, de verzorging van het lijk--zij was bij alles
+tegenwoordig, deed alles mee, bemoeide zich met alles, stond met haar
+treurigen ernst en een bedrijvigheid die gelatenheid insloot, Jozef in
+alles ter zijde, spoorde hem aan, gaf hem raad, zei haar meening. Zij
+begreep wel, dat zij haar verlies later, als alle drukte voorbij zou
+zijn, pas volledig zou voelen. Voorloopig maar niet te veel aan de
+ledigheid gedacht, die zou achterblijven, want er was van alles te doen:
+brieven schrijven, meiden ontvangen, voor rouwgoed zorgen en zooveel
+meer, en betraande oogen en bevende handen kunnen geen redelijk werk
+verrichten. Jozef liet zich ook voor alles vinden, hij dacht letterlijk
+om alles. Telkens zei hij tegen Mathilde van rust nemen, zeggende, dat
+hij 't alleen wel afkon.
+
+Van den morgen tot den avond klonk de huisbel door den gang. Dan was 't
+mevrouw Berlage, de heer Ster, die kwamen kondoleeren, dan was 't de
+mode-maakster, de koster van de kerk, een bediende van den circulaire-
+drukker, de timmerman, of wel brieven van rouwbeklag, die aankwamen.
+
+Toen eindelijk de dag van de begrafenis voorbij was en Mathilde de stoet
+uit had zien trekken en de deur van het oude huis voor goed achter haar
+vader had zien sluiten, en zij 's avonds met Jozef boven alleen was op
+haar kamer en Jans naar bed, zagen zij elkaar aan, zij waren in deze
+droefheid weer nader tot mekaar gekomen. Toen zij in bed naast mekaar
+lagen, huilden zij allebei nog. Maar Mathilde schikte zich heelemaal
+tegen Jozef aan en sloeg zijn arm om haar hoofd. Hij zou voortaan haar
+eenige beschermer wezen.
+
+Er werd besloten, dat zij voorloopig het oude huis zouden blijven
+bewonen, tot hun rouwtijd om was, had Jozef gedacht, en dan naar een
+beter huis verhuizen. Uit de papieren bleek, dat Mathildes vader,
+behalve dit en nog twee dergelijke huizen op den Oude Zijds
+Achterburgwal, die samen twee-en-twintig honderd gulden huur opbrachten,
+honderd dertig duizend gulden in effekten had nagelaten. Jozefs zaak
+ging ook vooruit en leverde een acht duizend gulden in het jaar, zoo dat
+zij te zamen een inkomen van zestien duizend zeven honderd gulden
+hadden, waar vooreerst, zoo lang er geen kinderen waren, ruim van
+geleefd kon worden in hun stand. Het bedrag van de Stuwens nalatenschap
+had Jozef bizonder verrast. Hij had dan wel erg zuinig geleefd in zijn
+klein huis en met zijn burger pot! Maar Jozef vond 't mooi van hem, daar
+hij 't waarschijnlijk gedaan had om zijn dochter meer na te kunnen laten.
+
+Jozef richtte nu voorloopig zoo zijn dag in: Na het ontbijt ging hij om
+half tien naar 't kantoor, kwam om een uur thuis koffie drinken, ging
+daarna naar de Beurs en kwam daarna thuis iets lezen. Dan schonk
+Mathilde hem een glas port-wijn. Om half zes dineerden zij. En 's avonds
+bleven zij weer bij mekaar zitten tot aan den nacht. Naar de club ging
+Jozef vooreerst niet. Hij wou daar liever niet komen met den rouwband om
+zijn hoed. En dan, had hij thuis niet zijn lieve vrouw zitten? Haar
+gezelschap trok hem meer en meer aan. Uren lang zaten zij 's avonds bij
+elkaar met de thee en praatten over de Stuwen en het verledene. Over de
+toekomst spraken zij weinig.
+
+Gedurende de eerste dagen, die op de begrafenis volgden, had Mathilde
+niet naar haar vaders kamer gewild en alles precies zoo laten liggen als
+het was bij zijn sterven. Zij had eigenlijk de eerste week, die op de
+drukte volgde, niets uitgevoerd den heelen dag dan de kopjes omwasschen
+na het ontbijt en na de koffie en de glazen na het eten. Verder zat zij
+maar, met haar handen over mekaar, in de binnenkamer, waar zij zooveel
+uren en uren met haar goeden ouden vader had gezeten. Dan tuurde zij in
+de rondte, naar haar vaders leegen leuningstoel, naar het buffet-kastje,
+naar zijn tabakspot en pijpen, naar het boekenrekje aan den wand, waar
+een paar boeken over natuurkunde op zwierven, die hij doorgestudeerd
+had, en waar de koeranten lagen, die hij 't laatst had gelezen. Zij nam
+ze van het plankje en las ze over en wilde uitmaken voor zich-zelve,
+waar haar vader het aandachtigst gelezen zou hebben. Zij zocht naar
+vingerdrukken, naar een potloodstreepje aan den kant, en had zij iets
+gevonden, dan toonde zij 't Jozef bij zijn thuiskomst: Kijk, zei ze, dat
+heeft vader nog met belangstelling gelezen. Dan bracht zij zich te
+binnen, hoe hij, wat hem betrof bij het lezen van de koerant, vroeger
+altijd voorlas en er zijn meening over zei en de hare hooren wilde.
+
+Jozef en zij hadden besloten, dat Jans de keukenmeid waarover zij geen
+klagen hadden, voorloopig in hun dienst zou blijven. Mathilde liet Jans
+dan 's ochtends, als zij zoo alleen zat, bij zich komen en haar
+nauwkeurig al de laatste levensdagen van haar vader verhalen hoe hij dit
+gedaan had, hoe hij dat gedaan had, wat hij gegeten had, of hij op zijn
+gewone tijd naar bed was gegaan, of hij thee had gedronken zoo als
+altijd, en zoo voords. Dan begon zij aan Jans te klagen over haar
+verlies en liet haar met zich mee klagen. Mevrouw Berlage kwam ook haar
+wel een paar keer bezoeken, maar, na haar trouwen, kon zij met deze
+vrouw, die toch, toen zij nog een jong meisje was, haar beste vriendin
+was geweest, lang zoo goed niet meer over-weg. Misschien wel, om dat
+mevrouw Berlage haar nog altijd te veel als een jong-meisje behandelde
+en het Mathilde hinderde, dat zij niet sprak als van getrouwde vrouw tot
+getrouwde vrouw.
+
+In den namiddag, als Jozef thuis was, zaten zij meestal in het zaaltje
+achter. Daar was het ruimer en een beetje lichter. Jozef had al licht
+iets te schrijven of zoo, waar hij wat plaats voor noodig had. Maar
+Mathilde deed niets. Zij kon haar oude handwerkjes niet hervatten, want
+dat maakte haar onbeschrijfelijk melankoliek. De piano had zij met het
+sleuteltje gesloten en zij wilde er niet eens naar kijken. Zij had zoo'n
+trek eigenlijk om te spelen, droevige, zachte, sombere melodien, maar
+zij deed 't toch maar niet, om Jans en de buren niet te ergeren, en ook
+om dat zij 't in zich zelf ongepast vond. Zij zat maar te droomen van
+vroeger en naar haar vaders portret te kijken, dat aan den wand hing.
+Dan dacht zij na,--en zij moest er bitter om lachen--wat 't haar een
+strijd en een moeite had gekost om Jozef zijn huwelijksaanzoek niet te
+weigeren, om dat het haar zoo hard was voorgekomen zich van haar vader
+te scheiden, om dat zij zich niet had kunnen denken in een toekomst,
+waarin zij niet altijd aan zijn zijde zou zijn om hem te verzorgen en
+hem nooit alleen te laten, om dat zij zich met afschrik had
+voorgehouden, hoe, als zij trouwde, zij daar het zwakkelijke, goede,
+oude mannetje alleen in zijn huisje zou moeten achterlaten misschien.
+Zij dacht er over na, dat zij in Jozefs vraag alleen had toegestemd op
+uitdrukkelijke voorwaarde, dat haar vader bij hun in zou komen wonen,
+zij hem altijd zou kunnen verzorgen en in zijn behoeften zou kunnen
+voorzien, altijd bij hem zou kunnen zijn. En nu? Zij had zich wezenlijk
+toen niet zoo bekommerd hoeven te maken! Nu bracht zij zich te binnen
+wat zij zich al niet voorgenomen had te doen om in 't vervolg haar vader
+het leven altijd aangenamer en aangenamer te maken. Zij herdacht den
+zachten nieuwen leuningstoel, dien zij in de Kalverstraat voor een
+winkelraam had zien staan en dien zij voor hem zou hebben willen koopen,
+en een bonten voetwarmer, dien zij aan had willen schaffen, een mooye
+zware Duitsche pijp van dertig gulden, en het mutsje voor zijn lieve
+oude hoofd, dat zij voor zijn verjaardag had willen borduuren en de
+dikke wollen handschoenen, tegen den aanstaanden winter. Hoe had zij ook
+door willen voeren, dat hij elken dag aan tafel een paar glazen zeer
+ouden wijn zou drinken en voor de koffie, om twaalf uur, een flinke
+eetlepel met flikjes zou nemen. Hij hield zooveel van chocola! En wat
+een plannen had zij gemaakt voor als zij met hun drieen samen zouden
+wonen in een grooter huis, vader, Jozef en zij! Wat had zij er nog met
+vader over gesproken dat zij de avondjes voort zou zetten, die hij
+begonnen was, dan natuurlijk hij haar aan huis, en hij, vader, op de
+eereplaats! Zij zou hem een ruime kamer gegeven hebben met alle denkbare
+gemakken, en een schel onder zijn bereik, hoog van verdieping en op de
+zon gelegen, waar hij zich zoo graag in koesterde.
+
+'s Avonds, als Mathilde met Jozef aan de thee zat, herinnerde zij zich
+vooral de teederheden van haar vader voor haar. Terwijl de schemering
+dwarrelde door de kamer en Jozef, aan den anderen kant van de tafel,
+rookte en wechdook in de duisternis, schoot het vlammetje onder den
+theepot stralen naar haar oog en tuurde zij er zoo lang met groote oogen
+in, tot de stralen heen en weer wipten en dansten en braken en de
+thee-pot verdween in een warreling van gouden pijltjes en er stille
+tranen spatten op haar japon. Al de herinneringen uit haar vroegste
+jeugd en van later kwamen op in haar verbeelding, zachtjes na mekaar.
+Die goede vader, die zoo innig goed was, zoo iets wereldsch, zoo
+plicht-getrouw, die zoo bedaard en eenvoudig het leven doorging en haar
+zoo erg, met zoo een trouw, zoo oprecht en zonder bijbedoeling, had
+liefgehad. Daar waren nooit plechtige oogenblikken tusschen haar en haar
+vader geweest, er waren nooit hartstochtelijke dingen tusschen hen
+gebeurd, er waren nooit van die uren geweest, waarin hij haar een
+nadrukkelijk en opperst bewijs van een overgroote liefde zou hebben
+gegeven. Hij was altijd stil voor zich heen geweest, en kalm, hij
+verdroeg zijn verdriet en genoot zijn pleizier zonder veel ophef. Toen
+haar moeder gestorven was, had hij haar eenvoudig gezoend en hadden zijn
+tranen over haar wangen gevloeid, toen zij naar 't kostschool ging en
+zij dus voor een heden tijd scheidden, was precies hetzelfde gebeurd.
+Dit waren de eenige oogenblikken, waarvan zij zich herinnerde, dat hij
+een beetje ongewoon was geweest. Nooit had hij haar het leven gered,
+nooit zelfs had hij haar in vervoering tegen zich aangedrukt. Maar toch,
+wat voelde zij vreeselijk, dat hij er niet meer was, hij, de eenige
+liefde van haar heele jeugd! Zij kon zich maar niet denken, dat hij
+dood was. Zij kon zich in dit huis maar niet thuis voelen zonder hem.
+Dan kwam zij een kamer binnen, wat, was vader er niet? Dan ging zij naar
+boven, naar bed,--wat, had zij vergeten vader goeye-nacht te zeggen?
+Waarom kwam zij hem, met zijn stille goedige gangetje, nooit meer tegen
+op het portaal? Waarom bleef zijn plaats toch open aan het ontbijt en 's
+middags aan tafel, wat was er toch iets vreemds, iets verlatens aan de
+stoelen en tafels, aan de vloer en vooral aan den leuningstoel van de
+binnenkamer! En al de meubels werden haar dierbaarder dan vroeger, om
+dat hij ze had gebruikt, om dat zij, zonder te zien en te spreken, zijn
+leven hadden bijgewoond en hem hadden helpen leven. Zij kon met een
+aandacht kijken naar de kale plekjes op het tapijt en het een beetje
+afgesletene van de stoelen hier en daar, om dat iemant ze door ze
+herhaaldelijk te betreden kaal had gemaakt en iemant ze moest hebben
+versleten.
+
+Zoo zat zij 's avonds te droomen in haar zwarte japon zonder garneersel.
+Als de avond om was ging zij met Jozef naar boven. Zij gaf hem zijn
+nacht-zoen in het portaaltje, waarop hun kamers uitkwamen, want Jozef
+sliep nu op het logeerkamertje, om dat zij zoo moe en zoo zwak en zoo
+verdrietig was en beter kon liggen en rusten alleen in het een-persoons
+bed. Jozef had wel eerst de logeerkamer willen nemen, die boven het
+zaaltje was, maar Mathilde had hem graag dicht bij haar 's nachts en
+buitendien, dat was alles van-zelf toevallig zoo gegaan. Zij hadden er
+niet eens over gedacht of het wel redelijk was. Zij schenen in het leed
+van den dood hun hartstocht in te sussen. Zij zoenden mekaar goeden
+morgen en goeden avond als twee vijf-en-twintig jaar getrouwden. Soms
+lei Jozef zijn hand op haar schouder of streek haar over 't haar, maar
+dan andwoordde zij met geen enkelen blik, met geen een beweging. Hij had
+medelijden met haar droefheid; hij begon zich wel al te vervelen, maar
+hij wilde zich in deze omstandigheid schikken. Hij las maar koeranten en
+had ook zijn oude boeken over staathuishoudkunde weer eens doorgebladerd.
+Allerlei boeken waren hem door de handen gegaan, toen hij de nalatenschap
+en beschikkingen van den ouden heer geregeld had. Zoo was hij daartoe
+gekomen.
+
+Tot nu toe had Mathilde, na de begrafenis, nog niet in de slaapkamer van
+haar vader durven gaan. Jans had alles daar een beetje opgeredderd en
+schoongemaakt, maar verder was de deur gesloten gebleven. De sleutel
+stak er wel op, maar niemant had sints een dag of veertien de licht-
+bruine kruk bewogen. Maar Mathildes verdriet begon zich zoo te hechten
+aan al de voorwerpen in huis, die haar vader het dikwijlst had aangeraakt,
+dat zij eindigde met den wensch te hebben al de overblijfselen van zijn
+meest innig en eigen bestaan weer te zien, en, voor zoover zij ze nog niet
+kende, te ontdekken en te betasten. Een droevige nieuwsgierigheid mengde
+zich in haar doffe verdriet. Zij wilde nu die slaapkamer ingaan, en
+zachtjes over den vloer loopen, die lucht inademen, die kleuren zien,
+waarin hij had geleefd als hij alleen was. Zij wilde aan die ruimte,
+waarin aan die zoldering waaronder hij zoo gauw was gestorven, vragen of
+hij erg geleden had, of hij nog veel om haar had gedacht. Er mengde zich
+nog angst voor de kamer in haar nieuwsgierigheid: zou zij misschien de
+doffe echo van zijn stem hooren, zou niet zijn stap nog ergends treden,
+achter het bed, bij de tafel?
+
+Een ochtend, dat Jozef naar 't kantoor was over tienen, liep zij
+langzaam de trap op naar boven. Haar zwarte haar hing verdrietig over
+haar vale voorhoofd, en haar zwarte kleed schoof zonder geluid over de
+treden. Zij kwam binnen en sloot de deur achter zich. Een frischheid
+kwam haar te gemoet, de buitenlucht waarin zich het geluid van de straat
+oploste, drong om haar ooren en haar gezicht. Jans was waarschijnlijk
+van-morgen nog hier geweest, want achter de neergelaten gele jaloezien,
+stond een van de twee vensters open. Het gegons en gebrom van de straat
+woei naar binnen. Mathilde haastte zich het venster te sluiten. Zij trok
+de jaloezien allebei op. Toen keek zij rond. Wat een stilte, wat een
+eenzaamheid! Den rug naar het venster gekeerd, rechtop, het bovenlijf en
+het hoofd een beetje naar achteren gestrekt, de handen gevouwen naar
+beneden gedrukt en naar onderen geopend bekeek zij lang alles wat er in
+de rondte stond. De glans van het daglicht, die het zwart van haar japon
+vergrijsde, had zich over haar rug gespreid in een glimmend ovaal, viel
+in plooyen tot haar voeten en glimperde door de kroesige bosjes haar
+rondom haar hoofd. Zij liep naar het ledikant en schoof gauw de witte
+gordijnen op-zij. Zij keek er in. Er was niets. De kussens en peluw en
+de dekens en sprei lagen in twee hoopjes op de matras gestapeld als in
+een bed, dat niet meer gebruikt wordt, wachtende op een nieuwen
+gebruiker. Zij schoof de gordijnen weer dicht. Daar naast was de kleine
+kast van haar vader in den muur. Verder was er een schrijfbureau, een
+klein kastje, dat altijd het "apotheekje" genoemd werd, waarin allerlei
+huishoudelijke medikamenten werden bewaard en geetiketteerde fleschjes
+en doosjes; voords nog een kast in den muur, die alleen door het
+smoeselige bruin van het behangsel rondom het sleutelgat kenbaar was,
+waar het linnengoed en de kousen van den doode in werden geborgen.
+Eindelijk stond er een sjiefonjeire; hierin bewaarde de oude heer
+allerlei voorwerpen en snuisterijen, herinneringen aan zijn vrouw,
+eenige teekeningen van hem zelf uit zijn jeugd, papieren, ringen,
+kadootjes, een kostbaren wandelstok, een heele kollektie van zijn eigen
+oude zakportefeuilles, en zoo meer.
+
+Mathilde had aan het ontbijt de sleutels van Jozef gevraagd en begon met
+de bovenste laa van deze kast open te trekken. Met den arm, waarom de
+enge zwarte japon rond gespannen zat, leunde zij op den kant van de laa
+en keek er in neer. Al die voorwerpen, waarvan zij vele nooit had
+gezien, en die met een soort van eerbied en achterhoudendheid door haar
+vader buiten elks bereik werden gehouden, die hij alleen kende, waarvoor
+hij alleen zorgde, waarom hij bepaald veel gaf, het gezicht daarvan deed
+Mathilde bizonder aan. Met wat een genoegen moest vader dikwijls 's
+avonds in zijn eentje die dingen hebben te voorschijn gekregen, ze
+gehanteerd en bevoeld hebben! Zijn goedige, bedaarde, nederige,
+huiselijke geest gaf haar nu een zeer sterken indruk. Vooreerst lagen
+daar twee kerkboeken, een, zoo hoog en zoo breed als een mannen hand,
+met zwart geworden zilveren sloten, stoffig en vergrijsd goud op snee,
+met gele spikkeltjes op het witte papier van-binnen: het was een kadoo
+van de Stuwen-zelf aan zijn vrouw geweest. "Aan mijn dierbare vrouw, de
+echte christin", stond als toewijding voor tegen het schut-blad
+geschreven. Het andere kerkboek, een fransch, veel kleiner, was van de
+Stuwen-zelf geweest, maar in jaren niet gebruikt. Daarnaast zag Mathilde
+een zilveren horlogeketting. Maar zij besloot, met het pijnlijk
+welbehagen, dat zij in deze bezigheid had, de laden eerst alle te openen
+en in te zien, om daarna de dingen een voor een te betasten en te
+bezichtigen. Knersend en haperend stommelden een paar laden open, als
+verborgen zij zaken, die niet gaarne hadden; dat het daglicht tot hen
+doordrong, andere gleden weer gewillig mee en waren als met was
+bestreken. Alle waren gevuld. Een schat van prullen, voor Mathilde van
+de hoogste waarde, had zij nu onder haar oog, en zij bleef er op staren
+en droomen. Zij vergat zich-zelf in den aanblik van al die doode
+voorwerpen, die vroeger geleefd hadden in haar vaders handen zij snoof
+de geur van verleden dagen op met graagte. Maar zij had zoo'n rijkdom,
+dat ze niet wist waar te beginnen en zij had de tijd zoo vergeten, dat
+Jans kwam zeggen: de koffie stond klaar en meneer zat beneden te wachten.
+
+Mathilde ging naar beneden. Zij had nu een bepaald onderwerp, waarmee
+haar geest zich bezig hield 't was of de droefheid een beetje, een klein
+beetje maar toch iets, minder erg was. Zij deed aan Jozef verslag, van
+hetgeen zij had gevonden en daarbij gevoeld. Zij was er heelemaal van
+vervuld, zij sprak over niets anders. Zij zat met de ellebogen op tafel
+en vertelde alles. Zij was verwonderd over dit, over dat. Die oude
+beurs, die zij gezien had, die haar moeder nog voor haar vader gehaakt
+moest hebben, met die gouden franje, herinnerde zij zich wel heel lang
+geleden eens in de ouderlijke slaapkamer te hebben gezien, maar zij wist
+volstrekt niet, dat haar vader die nog had. En dan die kerkboeken weer,
+och, hoe aardig! 't Was wel akelig al die reliquien van vaders leven zoo
+voor zich te hebben, maar er was toch ook iets aangenaams in, zooveel
+dingen te vinden, die zij nu natuurlijk in hun huishouden zouden
+bewaren, en die hun onophoudelijk aan vader zouden herinneren. Jozef
+vond het ook, die kleine onwillekeurige soeveniers hadden veel
+aantrekkelijks. Zij zouden heilig opgeborgen en verzorgd blijven.
+Mathilde sprak er weer over voort of zweeg tusschenbeide en liet haar
+zwarte armen rechtuit op het witte tafellaken liggen, terwijl haar oogen
+er over heen droomden. Het kwam zelfs niet in Jozef op dan haar hand aan
+te raken, die in de zijne te nemen of te aayen. Zij vertelde hem alles
+en zag hem daarbij aan als een vriend, een vertrouweling, een broeder.
+In geen tien dagen hadden zij van hun liefde gesproken. Het leek wel
+alsof zij al tien jaar getrouwd waren.
+
+Zoo doorleefden zij de dagen. Telkens na het ontbijt en telkens na de
+koffie ging Mathilde zachtjes naar boven. Zonder leven te maken was zij
+al boven gekomen zonder dat Jozef of Jans het merkten. De tijd van de
+kondolatievisites en van de visitekaartjes was voorbij. Het waren
+rustige, doodelijk stille dagen, die gauw achter mekaar kwamen. En
+Mathilde maakte de uren, die zij met Jozef moest samen zijn, altijd nog
+korter. Zij sprak op 't laatst weinig meer van haar dagelijksche
+vondsten en gedachten. Het laatste had zij verteld van de intieme
+brieven van haar vader, die zij allemaal, naar tijdsorde gerangschikt,
+in het bureautje op de slaapkamer had vinden liggen. Jozef was eens met
+haar meegegaan, hij had haar tegenwoordig leven willen deden, zich
+aansluiten bij haar bezigheden. Maar na dat zij eenmaal samen waren
+bovengekomen, was zij aan het bureau gaan zitten, zoo in 't midden dat
+er geen plaats meer voor hem overbleef, en had al wat er onder haar
+handen lag in beslag genomen. Hij, werkeloos, lusteloos en verlegen,
+bleef er naast staan, niet wetende hoe zich te houden; hij had gebaren
+gemaakt om iets aan te vatten of in te zien, die gebroken werden door
+dat zij toevallig haar arm tusschen hem en het ding heen bewoog; hij had
+met belangstelling iets gevraagd, waarop zij geen andwoord gaf,
+heelemaal verdiept in haar studie. Hij was dus maar te-ruggeslopen naar
+het zaaltje, waar hij gemakkelijk ging zitten, zijn beenen uitgestrekt,
+en kranten las, en zich verveelde.
+
+Mathilde maakte ook haar nachten langer. Zij ging 's avonds vroeg naar
+bed en stond laat op. Zij zeide zoo'n moeite te hebben om in slaap te
+komen, door haar vermoeidheid en haar verdriet. Zij had zelfs ook na den
+eten, gedurende den avond, haar napluizingen willen voortzetten en Jans
+om een lamp gevraagd, maar daartegen had Jozef zich ten stelligste
+verzet, zeggende, dat dat haar nog meer afmatten zou en haar slaap nog
+meer bemoeilijken.
+
+Voor het oude bureautje gezeten, leefde dan Mathilde het leven der
+herinneringen voort. Zij deed het met een altijd vermeerderende liefde,
+met een inspanning, een drift en een volharding, die tot halsstarrigheid
+werden en uit een onwrikbaar genomen besluit schenen voort te komen. Dit
+besluit bestond dan ook. Het had zich langzaam, voetje voor voetje, in
+haar ziel gedrongen en zich daar vastgehecht, zonder dat zij 't zich
+zelf goed bewust was. Zij had besloten toch zooveel voor haar vader te
+doen als zij zich voor haar huwelijk had ingeprent. Zij had zich
+eenmaal, eer zij met Jozef op reis ging, voorgenomen, dat, bij hun
+te-rugkomst, de innige verstandhouding tusschen haar vader en haar zou
+voort duren, ja nog inniger worden zou. En zij wilde haar plan getrouw
+blijven. Gedurende haar afwezigheid had zich zooveel teederheid en zorg
+in haar hart opgestapeld, dat zij zich van dien voorraad, van die
+kracht, niet ineens kon ontdoen of haar geheel in tranen kon laten
+wechvloeyen. Zij had zich-zelf eenmaal beloofd dat, als zij eens
+wezenlijk getrouwd, wezenlijk vrouw zou zijn, zij beter dan ooit en nu
+voor-goed aan haar vader vergelden zou, wat zij voor het geluk van haar
+heele jeugd aan hem te danken had. En nu gebeurde dat, buiten haar eigen
+weten om. De eenzame ruimte van deze verlaten kamer trok haar meer en
+meer aan. Hier ademde zij de gedachten en gemoedsbewegingen in, die uit
+het oude verleden hier waren blijven hangen. Haar liefde sliep, zij
+vergat zich zelve, zij vergat Jozef die beneden alleen zat. Als zij de
+brieven van haar vader las en al die kleine zaakjes, die hij achter
+gelaten had, hanteerde met een innige teederheid en behoedzaamheid, dan
+was 't alsof zij zijn lotgevallen van vroeger deelde en als dochter hem
+vereerde in deze geheime en bizondere kenteekenen van zijn goedhartig en
+haar zoo dierbaar bestaan, dat nu op gehouden had voor altijd. Haar
+jeugd verdoofde. Zij dacht niet meer aan het tegen woordige. Koud, als
+een beeld, ging ze op en neer door het huis, terwijl het warm was in
+haar hoofd en de figuur van haar vader onophoudelijk door haar
+verbeelding dwaalde. Uit al de woeligheid, de koortsige opvolging van
+indrukken en gezichten, den rijkdom van de voortdurend wisselende
+omgeving en den aandoeningenstorm van de huwelijksreis plotseling in de
+grijze stilte, in de sombere kilheid en eentonigheid van het huis, waar
+de doodslucht door heen had gewaaid, verplaatst, scheen ze zich er in te
+zullen ziek-suffen en de diepe ontsteltenis, door het kontrast
+veroorzaakt, niet te boven te kunnen komen. Het was te gauw gegaan, het
+was te hevig geweest. Zij voelde nog voortdurend den eersten schrik.
+Alle begoocheling was wech, wech de vrolijkheid, wech het brandende
+leven. Terwijl de scherpte van het leed langzaam week, bleef ze
+ongevoelig voor elke nieuwe levensprikkeling ook.
+
+Zoo kropen onder Jozefs voeten heen de dagen voorbij. In zijn altijd
+sierlijk, nu donker-blauw pak, stapte hij 's morgens met een verveeld
+gezicht de deur uit, en, daar hij nu anders niets te doen, aan niets
+anders te denken had, lei hij zich met de borst op de kantoorzaken toe,
+zich dieper naar zijn lessenaar buigende, werd ijverig, zocht zijn
+inkomsten te vermeerderen. Hij droeg nu voortdurend, in plaats van zijn
+gekleurde een eenvoudige, breede zwarte strikdas en een hoogen rouwband
+om zijn hoed. Hij was er toe gekomen eenige studieboeken van vroeger,
+die op zijn kantoor in de stof lagen en daar vergeten werden, naar zijn
+huis te laten brengen. Hij had daar vroeger een tijd lang nog al
+pleizier in gehad en, daar hij zich onmogelijk bij publieke
+vermakelijkheden kon vertoonen en anders niets had om zijn ledige uren
+mee door te brengen, kwam het genoegen te-rug en zette hij zich 's
+middags en 's avonds aan de studie. Toch deed hij niet veel meer dan
+lezen, met belangstelling. Hij maakte geen aanteekeningen. Het waren
+werken van Quack, Heemskerk, de Pinto, staathuishoudkundige en
+populair-rechtsgeleerde boeken. Nu ging hij ook nieuwe uitgaven over
+dezelfde onderwerpen koopen, waar hij zich nu eenmaal mee bezig hield.
+Verder las hij het Handelsblad, den Figaro en de Fransche romans van
+George Sand en Feuillet. Dit alles in afwachting, dat Mathildes
+droefheid en ziekelijke afgetrokkenheid zou verdwijnen. Ook kreeg hij
+'s middags wel eens bezoek van een club-vriend, D'Ablaincourt of Hasman,
+die een uurtje bleef praten en een glaasje port met hem drinken. Een
+enkele maal verscheen er een kantoorklerk, die iets te vragen had.
+Overigens kwam er niemant.
+
+Er waren weer twee weken voorbij. Het was op een zonnigen Donderdag,
+vier uur, een uur voor het eten. De deur van het zaaltje stond open.
+Jozef zat voor de met een rood en zwart tafelkleed overdekte tafel in 't
+midden van het zaaltje, zijn hoofd over een boek gebogen, gesteund door
+zijn blanke smalle hand, met een kleinen zegelring aan den pink. Een
+half-uitgedronken glaasje portwijn stond voor hem. Verder lag er een
+hoopje papieren. Er was een aangename dagheldere tint. In den gang was
+alles kalm. Alleen het gekuch van Jans, het sissen van boter of het
+geklater van borden, die op of van mekaar geschoven, en het geklitter
+van zilveren lepels en vorken, die bewogen werden, klonken in den gang.
+Op-eens spande zich met een gepiep de ijzerdraad van de voordeurschel en
+de klepel klepte, met een gebibber van de ijzerdraad en; de schel klonk
+luid langs de witte muren met twee, telkens zachtere herhalingen. Jozef
+zag niet op; alleen knipte hij even snel met zijn oogen. Men kon hem, in
+de diepte van het zaaltje, van de straat af zien zitten, toen Jans de
+deur open had gemaakt voor een juffrouw die zij niet kende.
+
+--Is mevrouw thuis? vroeg een hoog stemmetje.
+
+--Jawel, jufvrouw.
+
+--Zou 'k mevrouw ook even kunnen zien?
+
+De oude Jans keerde zich om, en, terwijl zij haar hand om de kruk van de
+voorkamerdeur schoof, andwoordde zij.
+
+--Och, wil u hier maar even binnenkomen, asjeblieft?
+
+Haar oogen op-zij, om Jozef niet te zien in de verte, stapte de ranke
+elegante jufvrouw, op haar hooge bottines met verlakte puntjes, in de
+voorkamer, waar Jans haar volgde.
+
+--Kan ik ook zeggen, wie der is?
+
+De jufvrouw reikte in de roestige hand van de keukenmeid, die deze zoo
+juist aan haar boezelaar had afgeveegd, een klein dof-geel
+visitekaartje: Emilie Hartse.
+
+Na een blik tegen de jufvrouw, als had zij dien naam meer gehoord, ging
+Jans wech. Toen zij voorbij het zaaltje kwam, om Mathilde boven te
+waarschuwen, riep Jozef haar binnen.
+
+--Laat eens zien, zei hij, en daarna herkennend: o! Hij gaf Jans het
+kaartje te-rug, waarna zij de trap opslofte. Jozef ging voort met lezen.
+Na een paar minuten, draalde Jans te-rug, de trap af.
+
+--Zou mevrouw komen?
+
+Ja, meneer.
+
+Maar het duurde vijf minuten; Mathilde kwam niet. Jozef keek eens rond
+en gaf er zich rekenschap van. Nog gingen er vijf minuten voorbij en
+Jozef hoorde niets komen. Toen stond hij op en ging zelf naar de
+voorkamer.
+
+Hij kwam binnen en groette beleefd.
+
+--Jufvrouw ik wou u niet langer laten wachten.
+
+--Dag, meneer van Wilden, hoe maakt u 'et? ... En hoe gaat 'et uw vrouw?
+
+Zij stak hem haar arm toe, die tot aan den elleboog in een zwart
+glace-en handschoen was.
+
+--Dank u, zij zal zoo wel komen ... En wat heeft men u in lang niet
+gezien ... Dat zal wel een jaar of vier, vijf zijn!
+
+--Ja, ik ben verleden week pas te-ruggekomen in het land ... Er is heel
+wat gebeurd in dien tijd, zei zij, plotseling ernstig, bijna meewarig.
+
+--Ja, ja, andwoordde Jozef, het is een groot verlies voor ons geweest.
+Wij hielden zoo veel van hem!
+
+--Hoe houdt uw vrouw er zich onder? ... Och, ik begrijp heel goed, dat 't
+haar een groot verdriet moet doen, maar daartegen is 't al weer gelukkig,
+dat zij nu zoo'n grooten steun heeft in ... in u. 't Zou wat anders geweest
+zijn om dat alleen te dragen.
+
+--Ja, zei Jozef.
+
+Zij spraken er nog eenigen tijd over door. Toen vroeg hij na een kleine
+pauze.
+
+--En is u al dien tijd in Parijs geweest?
+
+Bij deze vraag nam hij haar eens goed op. Zij was een lange vrouw, een
+half hoofd grooter dan Mathilde. Zij droeg haar blond-rossig haar in een
+doffe warrelend-krullende boeket van onder den hoed, die naar voren open
+stond, tot even boven haar fijne als geel-gepenceelde wenkbrauwbogen.
+Zij had erg klare scheIblauwe oogen in ruime kasten. Zij had een dunnen
+vogelen-neus. Haar vel was erg blank, met een doorschijnend rood plekje
+onder elk oog.
+
+--Altijd in Parijs, andwoordde zij, ja!
+
+En zij ging voort met over Parijs uit te weiden. Zij was er eerst op 't
+pensionaat geweest, toen even te-ruggekeerd in Holland en daarna weer
+voor eenige jaren bij de familie van Riet, den holllandschen konsul in
+Parijs, een broer van den heer van Riet van Amsterdam. Een wees, zoo als
+zij, vloog als een vogeltje dat geen eigen nest heeft, van den hak op
+den tak, zeide zij.
+
+--En denkt u nu voorloopig in Amsterdam te blijven? vroeg Jozef.
+
+--Ja, zei ze, tante wordt oud, ik kan haar nu goed gezelschap houden, en
+buitendien, men verlangt toch altijd naar zijn eigen vaderland te-rug.
+
+Zoo zette zich het gesprek voort, maar Mathilde kwam maar niet.
+
+Eindelijk zei Jozef:
+
+--Mathilde komt maar niet. Ik zal eens gaan hooren wat het is.
+
+--Och, doet u 'et niet, mevrouw kan misschien niet van haar bezigheden
+af.
+
+--Ik begrijp 't wel half, andwoordde Jozef, waarom zij niet komt. U moet
+het haar niet kwalijk nemen. Zij heeft zich het verlies van haar vader
+vreeselijk aangetrokken, al te erg, vind ik. Zij is in een soort van
+doffen geestes-toestand geraakt, die ik mij niet goed begrijpen kan. Zij
+zit den heelen-dag maar boven, op zijn kamer, om haar vader te treuren.
+Ik laat haar maar stil haar gang gaan. De tijd zal het verdriet van-zelf
+slijten. U zal haar dus exkuzeeren. En Jozef ging Mathilde maar niet
+halen. Hij dacht dat zij misschien roodgehuilde oogen had en liever geen
+vreemde menschen wilde ontmoeten.
+
+Emilie Hartse bleef uit beleefdheid, om niet dadelijk heen te gaan, nog
+even. Haar betrekking tot Jozef bestond eigenlijk hierin, dat zij, die
+een kennisje van Mathilde op de Amsterdamsche school was geweest en
+daarna een jaar op de zelfde kostschool met haar was geweest, later, bij
+de Stuwen aan huis, waar die kennis voortgezet werd, Jozef nu en dan
+had ontmoet.
+
+Toen Jozef haar nu, na wederzijdsche beleefdheids-betuigingen,
+uitgelaten had, was hij verwonderd in den gang Jans te ontmoeten, die,
+beladen met tafelborden en zilver, bezig was voor het eten te dekken.
+
+--Is het al zoo laat? vroeg zij.
+
+--Ja, meneer, zei Jans, verwonderd over die vraag, kwart voor vijven.
+
+Toen Mathilde met haar bleeke droevig-droomende gezicht en strakke
+wangen, aan tafel kwam, verweet Jozef haar zachtjes haar
+menschenschuwheid.
+
+--Waarom ben-je niet even gekomen, lieve kind? Emilie Hartse was er. Ze
+was erg verlangend je eens weer te zien na zoo'n langen tijd.
+
+--Och, ik ben haar al haast vergeten, en ik was boven zoo druk bezig. Ik
+was niet gestemd. Ik zou niet weten wat ik met haar zou hebben moeten
+spreken ... Blijft ze lang?
+
+--Ja, ik heb een heel tijdje met haar zitten praten. Ze is al door in
+Parijs geweest, maar blijft nu voor goed hier.
+
+--Zoo! zei Mathilde flauwtjes. En zij spraken nog enkele woorden over
+andere onderwerpen.
+
+Na het eten ging Mathilde in het zaaltje zitten voor het op de
+binnenplaats uitziend raam, aan het lezen van een oud dik met vette
+lettertjes volgekrabd schrijfboek. Het was het dagboek, door haar vader
+in zijn jeugd gehouden, waarin hij al zijn zorgen en zijn vreugden op
+nogal droge manier had neergeschreven, door Mathilde in een hoekje van
+het bureau boven ontdekt, en dat ze nu geregeld 's avonds met warme
+tranen beschreide.
+
+Zes dagen later werd er, zoo-wat op hetzelfde uur, op dezelfde manier
+gescheld als dien dag. Het was Emilie Hartse, die vroeg of mevrouw nu
+toch misschien te spreken was. Maar Jozef had Mathilde in zoo een
+droefheid en dofheid na de koffie zien wech gaan, dat hij Jans zeide
+Mathilde maar niet eens te gaan waarschuwen, en zelf weer een half
+uurtje met jufvrouw Hartse ging praten. Deze verzekerde dat 't haar nu
+verbazend speet, dat zij Mathilde zoo graag had gezien om te probeeren
+haar een beetje te troosten. Daarbij zei ze ook, dat 't zoo'n groot
+geluk voor haar zijn zou de kennis met Mathilde, de vriendschap liever,
+te vernieuwen. De menschen waren haar hier zoo vreemd geworden na haar
+verblijf in het buitenland! Zij hield met bijna niemant omgang. En
+Mathilde en zij hadden elkaar vroeger toch zoo goed gekend! Hierna kwam
+het gesprek op de familie van Riet, waar Emilie aan huis woonde. Jozef
+vertelde, dat de heer en mevrouw van Riet, ongeveer een maand voor
+Mathilde en hij op reis waren gegaan, nog een avondje bij de Stuwen
+hadden doorgebracht. Toen kwam van-zelf de muziek en de literatuur ter
+sprake. Emilie kende veel fransche romans, van Feuillet, van George
+Sand, enz. Maar Jozef verzekerde, dat er ook mooye nieuwe Duitsche
+romans bestonden en Engelsche. Hier wist Emilie bijna niets van en zij
+liet zich door hem een paar van die boeken leenen, om ze te lezen.
+
+'s Middags aan tafel vertelde Jozef, dat Emilie Hartse er weer was
+geweest, dat hij haar een boek geleend had.
+
+--Zoo! zei Mathilde, glimlachte heel even, goedig, flauwtjes, en sprak
+weer over iets anders.
+
+De zomer verstreek. Tien dagen na haar vorige visite, kwam Emilie zelf
+de boeken terugbrengen. Ze had nog wel nu en dan een woord in de
+dictionnaire op moeten zoeken, maar overigens hadden de romans haar wel
+bevallen. Nu bleef zij wel een uur praten. Jozef leende haar weer andere
+boeken en nog eens en nog eens, die zij telkens te-rug kwam brengen, dan
+na een veertien dagen, dan na een week. Iedere keer werd er eerst veel
+over boeken gesproken, daarna had Emilie heel wat te vertellen over de
+familie van Riet, van de hoofdpijn en het water in de beenen, waaraan
+mevrouw sukkelde en van de gezelligheid en de gemoedelijkheid van
+mijnheer, maar die wel eens tot vervelendheid oversloeg in den omgang
+zonder einde van het dagelijksche leven. Voorts deelde zij aan Jozef
+haar indrukken over Amsterdam en de Amsterdamsche wereld mede, vergeleek
+die bij de wereld van Parijs, sprak eindelijk over Jozef-zelf, over
+Mathilde en over hun plannen. Jozef vond haar wel een aardig ... ja, hij
+wist niet goed hoe hij haar voor zich-zelf noemen zou. Emilie was een
+jaar of vier-en-twintig en nog ongetrouwd, dus een meisje. Maar zij was
+ontwikkeld en op de hoogte als een vrouw. Het waren Jozefs aangenaamste
+uren, en die zijn onverdragelijke eenzaamheid het genoegelijkst
+afwisselden, die hij met haar doorbracht. Oh 't laatst vergat hij wel
+eens aan Mathilde verslag te doen, wanneer Emilie hem weer een visite
+had gemaakt. Te midden van de beleefde troostwoorden die hij dagelijks
+nog tegen haar zei, kon hij niet goed van zijn vroolijker gesprekken met
+Emilie vertellen.
+
+Eens op een avond, dat zij het theegoed binnendroeg zei Jans:
+
+--Der staat 'n parasol in den gang, menheer, die heeft zeker jufvrouw
+Hartse vergeten?
+
+Nu trof het Mathilde voor het eerst. Toen Jans wech was, zeide zij
+
+--Is die er van-middag al weer geweest?
+
+Zij zeide dit wel op haar gewonen toon van tegenwoordig, waar zoo weinig
+belangstelling in was, maar ze zeide het toch.
+
+--Ja, andwoordde Jozef, zij kwam een boek te-rug-brengen.
+
+--Wat komt ze dikwijls! zei Mathilde, nog onverschillig.
+
+--Och, ze leest graag, en ze heeft weinig konversatie in de stad ...
+
+Dien avond zat Mathilde weer te droomen achter het ouderwetsche theeblad,
+terwijl het zaaltje zich in duisternis dompelde en Jozef op de kanapee
+een cigaar rookte, Maar nu en dan, terwijl zij zich onbewegelijk hield,
+richtte Mathilde de oogen naar den kant, waar hij zat, naar de gloeyende
+punt van de cigaar. Zij scheen dan over iets na te denken, dat buiten haar
+droefheid was. Jozef zag het wel, maar hij gaf er zich geen rekenschap van.
+
+--Hoe lang is vader nu al dood? vroeg Mathilde eens, als wist zij dat zelf
+niet het beste.
+
+--Vier, vijf weken, kind, vijf en een halve week.
+
+'s Avonds, bij het goeye-nacht-zeggen, zei Jozef.
+
+--Willen wij morgen nu niet eens een wandelingetje gaan maken, Thilde,
+het zou zoo goed voor je zijn ...
+
+--Och nee, nog niet, ik blijf maar liever thuis, ik ben bang voor de
+straat ...
+
+--Kom! zei hij, maar er was niets aan te doen.
+
+Eenige dagen later kwam Mathilde eens om drie uur 's middags beneden en,
+voorbij het zaaltje gaande, hoorde zij daar spreken.
+
+Stilletjes ging zij naar de keuken.
+
+--Wie is er bij meneer Jans? vroeg zij.
+
+--Jufvrouw Hartse, mevrouw.
+
+Zij vond 't onaangenaam. Haar doffe, wanhopige rust in de eenzaamheid
+van haar vaders slaapkamer was verstoord. Zij kon vooreerst nog niet
+scheiden van die kamer, maar zij was niet meer zoo onophoudelijk
+verdiept in het denken aan haar vader. Zij zat als naar gewoonte voor
+het bureau, maar betrapte er zich op somwijlen, dat haar blik van het
+voor haar liggend brievenblad was wechgeweken en langs den rand van den
+bovenkant van het bureau dwaalde en dat zij dacht aan Jozef en aan
+Emilie, die misschien beneden samen zaten te praten. Maar dan, als ware
+zij van haar plicht afgeweken ging zij weer door met lezen met dubbelen
+ijver.
+
+Een week later,--de deur van de dooden-kamer stond open--hoorde
+Mathilde de huisdeurschel gaan. Zij herkende de bizondere trilling van
+het geluid. Als was zij dat al lang van plan geweest, stond zij op en
+ging, haar zakdoek in haar hand naar beneden. Jans deed juist open.
+'t Was Emilie. Mathilde ging op haar toe en, met een eersten glimlach na
+zes weken.
+
+--Wel jufvrouw, het doet me toch plezier u eindelijk eens te ontmoeten.
+
+Emilie zei te gelijker tijd, met een meewarig lachje, iets, dat niet
+gehoord werd onder de woorden van Mathilde heen.
+
+--Ja, mevrouw, mag ik u nog wel kondoleeren ...
+
+--Dank u, u begrijpt ...
+
+Zij gingen de zijkamer binnen.
+
+--Ja, mevrouw, dat hoor ik ...
+
+Zij spraken voort. Mathilde verontschuldigde zich, dat zij zoo dikwijls
+op zich had laten wachten. Zij sprak van haar groote droefheid, sprak
+voords over het leenen van de boeken van Jozef, dat zij zeide heel
+aardig te vinden, om toch vooral niet den schijn te hebben daar niets
+van te weten. Toen kwam ook Jozef binnen. Het verraste hem Mathilde daar
+te vinden. Het deed hem pleizier.
+
+Dien avond zaten Jozef en Mathilde onder de thee als gewoonlijk zwijgend
+bij-mekaar. Zij hadden heel weinig gesproken sinds Emilies vertrek, een
+half uur voor den eten. Jozef dacht juist aan niets anders dan aan de
+geur van zijn cigaar en aan het ongelijk dat hij gehad had met een vrouw
+als Mathilde, die zoo lang bedroefd bleef, te trouwen, toen hij een snik
+hoorde en het lichtje onder de theepot hevig zag waggelen en deinen.
+Mathilde stond op, ging naar hem toe en zei met een bevenden mond:
+
+--Och toe, ontvang d'r niet meer alleen, die Emilie. wees niet meer met
+haar alleen!
+
+Zij drukte haar gezicht tegen het zijne, terwijl zij haar armen om zijn
+schouders hield en zij morste een traan van haar wang op zijn snor. Maar
+eer hij tijd had van zijn verwondering te bekomen en te-rug te zoenen,
+was zij al van hem van-daan. Zij vluchtte de kamer uit, de trap op, als
+riep een onweerstaanbare stem haar naar boven, en sloot zich op in haar
+vaders kamer. Daar bleef zij in donker boven het bureau huilen.
+
+Jozef wist niet wat te doen. Eerst wilde hij haar nagaan, maar hij
+bedacht zich, hij bleef zitten, en ging weer alleen naar bed.
+
+De dagen daarna leefde Mathilde in een veelkleurig peinzen en in een
+wonderlijken tweestrijd. Langzaam, met groote macht, daalde de liefde
+voor het leven, voor het jonge genietende leven in haar hart. Zij was
+verschrikkelijk zenuwachtig. Het eene oogenblik zat zij voor het oude
+bureautje, en wilde er niet van-daan gaan. Maar het volgende oogenblik
+kon zij 't zoo niet langer houden. Zij stond op, liep naar de deur, maar
+bedacht zich weer, en viel af in lange droomerijen. En terwijl de tijd
+verliep en de eene dag den anderen volgde, doemden daar voor haar geest,
+midden-in de treurige verlatenheid om haar heen, al de indrukken te-rug
+van haar liefdesgeschiedenis met Jozef, droomde zij dat leven over, van
+den eersten avond van zijn verklaring en valt nog lang voor dien tijd af
+tot aan den laatsten avond van hun huwelijksreis. De tijd van haar
+treuren kwam als vreeselijk lang voor haar. Was dat dan zoo lang
+geweest, dat zij haar man, beneden vergeten had. Hoeveel gedachteloze
+zoenen hadden zij mekaar in dien tijd gegeven, wat een tijd was het
+geleden, sinds zij mekaar zoenden den heelen dag! Al de gezichten van
+haar huwelijksreis kwamen op in haar verbeelding, en het kwam uit dat
+zij maar gewaand had zich ongelukkig te voelen toen. Het was was niet
+waar geweest, de bedwelming van dat schokkende nieuwe leven was er geen
+verdoovende geweest, zoo als zij het zich toen gedacht had. Mathilde
+kreeg een kleur van aandoening en begeerte, zij sloot het bureau dicht,
+al de laden een voor een. Zij liep door de kamer heen en weer, een glans
+over haar voorhoofd. Dat was liet geluk geweest, die huwelijksreis, dat
+de jeugd, dat het genot. Zij streek haar handen over haar wangen en over
+haar zwarte japon, om zich alles goed te herinneren. Er ging een
+prikkeling door haar leden. Een levensgloed schemerde door de doode-kamer.
+Een rijkdom van kleuren, een vloed van onbegrepen genietingen dwarrelden
+er door Mathildes hersens. Haar hoofd bonsde, een drift naar nieuw genot,
+naar meerdere vreugde nog, vulde haar. O, vader, prevelde zij, o, Jozef,
+Jozef, Jozef!
+
+Dien middag aan tafel merkte Jozef nog niets van de verandering in
+Mathilde. Wel zag zij hem voortdurend aan en trachtte nu en dan zijn
+blik op te vangen, om zich er eens rekenschap van te geven of zijn oog
+nog 't zelfde stond als vroeger, als hij naar haar keek, wel waren haar
+gebaren minder loom, maar hij zag 't niet. 's Avonds ook nog niet, maar
+den volgenden morgen, na hun ontbijt van negen uur, waaraan Mathilde hem
+verteld had, dat zij zoo heerlijk had geslapen, als in geen tijden,
+vroeg zij:
+
+--Als je van-middag na de beurs thuis komt, gaan we dan een wandelingetje
+doen?
+
+--Meen je 't wezenlijk?
+
+--Ik verlang er na, zei ze, ik ben in zoo lang niet uitgeweest!
+
+Jozef bracht er, werkelijk waar, een heden blijden ochtend om door op
+het kantoor. Hij was er gelukkig mee.
+
+Om drie uur gingen ze uit. Voor 't eerst had Mathilde haar rouwhoed op
+met de lange kaper. Toen zij buiten kwam in het groote licht, in de
+levende straat, duizelde haar hoofd. Maar zij nam Jozefs arm, die zoo
+heerlijk steunde. Stil gingen zij voort. Mathilde keek naar haar voeten,
+haar zwart-stoffen laarsjes, om te zien of zij wel precies gelijken pas
+met Jozef hield. Maar het ging niet. Hij maakte te groote stappen. Zij
+wandelden de Hoogstraat door, daarna langs den Kloveniersburgwal tot aan
+den Amstel, tot aan de Hooge Sluis. Hier voelde Mathilde zich moe worden.
+Zij wandelden denzelfden weg te-rug, nog langzamer.
+
+--He, zei Mathilde, die goeye vader, wat hield hij ook van zoo'n loopje!
+
+Maar er klonk alleen nog maar melankolie in haar stem, de hartstochtelijke
+droefheid was overgegaan in het smartelijk-plezierige van de herinnering.
+Toen zij bij hun stoep te-ruggekeerd waren, drukte zij Jozefs arm innig
+met den haren. En zij brachten een avond door zoo als vroeger. Hun levens
+naderden elkaar weer zeer.
+
+Nu begonnen er dagen voor Mathilde, zoo gelukkig als zij ze nog niet had
+gekend. Langzamerhand begon ze er vrede mee te krijgen haar vader niet
+meer in haar nabijheid te zien. Zij verbeeldde zich, dat hij nu in een
+hemel, in een soort bovenaardsche sfeer verkeerde en hij van omhoog op
+haar neder glimlachte, als hij zag, dat zij niet zoo mistroostig meer
+was. Haar gevoel dat altijd behoefte aan iets geheimzinnigs bovenaardsch
+had, gaf haar volzinnen in over het nog bestaan en de zaligheid van haar
+vader, die zij zich zelve herhaalde als de gedachte daaraan haar hinderde,
+en die haar te vrede stelden zonder dat zij verder behoefte had er meer
+over na te denken en er zich onophoudelijk mee bezig te houden.
+
+De anderhalf jaar van hun rouwtijd gingen Jozef en Mathilde kalm, zonder
+gebeurtenissen, in altijd weer vermeerderende liefde, voorbij. In den
+eersten tijd, als Jozef van de Beurs thuis kwam en Mathilde zag hem dan
+zijn boeken opzoeken en gaan zitten lezen en studeeren als een werkzaam
+man, dan deed haar dat een onuitsprekelijk genoegen en had ze hem er nog
+liever om. Zij kwam dan wel naast hem staan, lei haar hand op zijn
+schouder en boog zich over hem heen om ook in het boek te kijken. Zij
+las een paar zinnen met hem mee en vroeg dan, om zijnentwille, wat of
+dit of dat beteekende. Wanneer hij 't haar verklaarde, begon zij tegen
+hem aan te leunen en vroeg meer uitleggingen. Eindelijk zat zij op zijn
+schoot, en het gebeurde dikwijls, dat zij zijn zinnen afbrak, door hem,
+midden in hun ernstig gesprek, zoo te zoenen, dat hij niet verder spreken
+kon. En dan vroeg zij zoenen te-rug, dan bleven zij zoo'n heelen middag
+zitten vrijen als waren zij heel pas getrouwd.
+
+Jozef begon te voelen, dat hij dol veel hield van zijn vrouw, Als zij
+niet bij hem was, was hij zoo gehoorzaam, dat hij 't niet harden kon.
+Kwam zij een oogenblik te laat beneden aan 't ontbijt, een vijf minuten,
+dan was hij ongerust, dan ging hij kijken. Had zij hoofdpijn, dan werd
+hij bezorgd, dacht over middeltjes na, ging zelf naar den apteker. Hij
+was gelukkig in deze afzondering met Mathilde, die zooveel van hem
+hield. Hij verveelde zich niet meer. Hij dacht er den heelen dag aan om
+zijn vrouwtje allerlei kleine pleizieren te doen. Hij had een prachtige
+eikenhouten kist laten maken, met veel beeldhouwwerk er aan, em haar die
+kadoo gemaakt, om er in de volgorde, die zij zelf zou willen, den inhoud
+van de latafel en van het bureau haars vaders in te verzamelen en te
+schikken. Wat een stille blijdschap voor Mathilde, toen zij op een
+morgen de kist vond staan in het zaaltje, en Jozef haar zei wat er mee
+gebeuren moest en haar vroeg, waar zij hem gezet wilde hebben, boven op
+de slaapkamer of hier in het zaaltje. Zij verkoos het zaaltje. En, samen
+met Jozef, besteedde zij er nu een paar dagen aan om de zaakjes over te
+pakken, samen met Jozef besprak zij de volgorde, waarin zij de
+voorwerpjes en papieren nu zouden bergen. Hij hielp haar nu met alles.
+Al het egoisme, de te-ruggetrokkenheid van haar droefheid was verdwenen.
+Zij liet Jozef meedoen in al de droevige vreugde, die zij van deze
+nieuwe schikking had; telkens vertelde zij zachtjes van de gedachten,
+die er door haar geest gingen onder deze bezigheden. Des ochtends raakte
+zij zelfs niet aan de kist of aan de reliquien; zij vond er een zoet
+genoegen in, hem te laten merken, dat zij op hem gewacht had, om samen
+alles te doen, en hem over alles raad te vragen. De kist werd het
+dierbaarste meubelstuk van het zaaltje en van het huis. In de morgenuren
+deed Mathilde het huishouden, wat gedurende haar afzondering heelemaal
+aan Jans was overgelaten geweest. Dan breide en borduurde zij ook. Zij
+maakte een beurs voor Jozef, zij zag het linnengoed na en bemoeide zich
+met zijn kleeren. Hierin vooral begon zij een bizondere liefhebberij te
+krijgen: zich langzamerhand en hoe langer hoe inniger in de
+bizonderheden en uitwendige eigenaardigheden van zijn persoon in te
+wijden; zich er erkenschap van te geven, wat hij al zoo aan zijn lijf
+had, den vorm van zijn boven-en van zijn onderkleeren na te gaan, zijn
+kleine gewoonten te bespieden, uit te vorschen wat hij liever had dan
+wat anders, wat hij verkoos voor hemdsknoopjes, voor halsboorden en
+manchetten, hoe hij zijn jassen droeg, hoe zijn broek en zijn schoenen
+waren ingericht en werden gebruikt.
+
+Zijn persoon werd het voorwerp van haar beoefening. Hem zoo volledig
+mogelijk en in alle onderdeelen te kennen, werd haar doel. Zij wilde
+zijn goede trouwe vrouw zijn en blijven, zij wilde alleen denken om zijn
+geluk en hem gelukkig maken. Zijn mooye lichaam kende zij nu heelemaal;
+zij had al die vormen en de manier, waarop zij zich bewogen, in haar
+verstand opgenomen. Zij wist hoe zijn haar was, waar er rimpels waren op
+zijn gezicht, wanneer hij naar zijn zin geschoren was en wanneer niet.
+Zij wist wanneer en waar zijn wangen rood werden; al de schakeeringen
+van schaduw en licht, van rood en wit en blauwig en grijzig, het geaderde,
+het gladde van zijn gezicht had zij nagegaan, onwillekeurig en toch om
+dat zij het wilde. Hoe kende zij zijn lach en het fronsen van zijn
+voorhoofd; zij kende zijn tanden, groot en wit, zij kende de verschillende
+glansen van zijn oogen, en hun kinderlijke goedige uitdrukking als hij
+blij was, en hun doffen gloed als hij nadacht. Zij kende de aardige
+manier, waarop hij zijn eene wenkbrauw optrok, als er een besluit genomen
+moest worden. Zij kende zijn weinig behaarde armen, zijn zachte borst,
+zijn middel, dat zij altijd met het hare vergeleek, zijn beenen, veel
+langer dan de hare, zijn voeten met hun hooge wreef. En zij had dat alles
+zoo lief, zij vermeide er zich in het als haar heilig eigendom te
+beschouwen. Zijn flanellen verstelde zij zelf met een uiterste zorg. Hij
+raadpleegde haar als er een vest versteld moest worden of een nieuwe das
+gekocht, en over het strijken van zijn overhemden.
+
+Zij snuffelde in zijn kleerenkast. Hij had op hun reis bijna alleen zijn
+grijze reispak gedragen en was na hun te-rugkomst natuurlijk altijd in
+'t zwart en donker-blauw gekleed geweest. Zijn vele andere kleeren kende
+zij alleen, om dat zij ze hem aan had zien hebben voor hun huwelijk.
+Maar ze nu zoo van-dichter-bij te kunnen beschouwen, ze te betasten, al
+die kleedingstukken en die toiletzaken, die hij als ongetrouwd heer had
+gebruikt en die nu allemaal in haar oude huis waren overgebracht dat
+deed haar een groot pleizier.
+
+Maar zij wilde hem-zelf, zijn binnenste, nog beter kennen. Wanneer zij
+zijn handen half dicht gehouden, voor haar, op het kantje van de tafel
+zag liggen, met den zegelring aan zijn pink, dan wilde zij weten, wat
+die handen al deden en aanraakten buiten haar tegenwoordigheid, en wat,
+toen zij haar nog niet mochten omhelzen en streden. Wanneer hij 's
+avonds, wat hij dikwijls deed, in het zaaltje op en neer liep, zijn
+handen op zijn rug, en hij zijn hoofd zoo recht-op droeg, en hij, van de
+hoogte van zijn oogen tot haar nederzag, terwijl zij achter 't theeblad
+zat of aan de tafel te lezen, en dat gezicht hem ernstig en vol liefde
+over haar na scheen te doen denken, dan wilde zij weten naar wat of naar
+wien die blikken zoo gingen en die gedachten zich richtten in haar
+afwezigheid, voor en tijdens hun huwelijk, toen hij niets aan haar had
+gehad. Zoo kwam zij hem over alles te ondervragen. Zij stelde belang in
+zijn kantoorzaken, in de Beurs. Hij moest van-alles vertellen, om haar
+te vrede te stellen: hoe zijn bedienden er uitzagen, hoe de boeken
+werden gehouden, of hij pleizier had in de zaken, of het personeel hem
+eerbiedig behandelde, of hij in zijn appart kabinet zat en van daaruit
+de zaken bestuurde of hij een mooyen lessenaar bezat, of hij veel
+visites kreeg op het kantoor, of er wel eens vrouwen kwamen. O, stellig,
+als hun rouwtijd om was, zou zij hem stellig daar komen opzoeken en zijn
+omgeving eens goed bekijken. Emilie Hartse kwam er toch nooit, nietwaar,
+nooit? Wel neen, andwoordde hij, hoe kon ze er aan denken, er kwam nooit
+een vrouw Ik heb zoo'n groot vertrouwen in je, verzekerde ze hem wel, ik
+weet niet hoe het komt, maar ik heb zoo'n groot vertrouwen in je, dat ik
+eigenlijk maar weinig jaloersch ben. Hierna ondervroeg zij hem, met een
+ontzachlijke nieuwsgierigheid, naar zijn levens-inrichting van voor hun
+huwelijk. Ja, zij wist er wel veel van, want, daar zij zooveel omgang
+met elkaar hadden gehad, altijd, had hij natuurlijk veel verhaald, maar
+was alles wel waar geweest, wat hij vertelde? wat had hij verzwegen?
+Och, hij kon nu gerust alles zeggen, nu waren zij toch getrouwd! En hij
+zoende haar en deed de verlangde verhalen, tot in de minste onderdeden,
+en telkens vroeg zij meer, telkens nadere bizonderheden tot dat zij het
+zich volledig kon voorstellen.
+
+ * * * * *
+
+Emilie Hartse kwam af en toe visites maken bij Jozef en Mathilde, en
+Mathilde doorleefde een aangenaam kwartiertje, toen Emilie eens een heer
+meebracht, Louis Berlage met wien zij geengageerd was. Mathilde was toen
+bizonder hartelijk tegen Emilie en zij schenen groote vriendinnen.
+
+Maar het gelukkigste voelde zich Mathilde als zij en Jozef alleen waren.
+En dat duurde maar voort, dag in dag uit. Mathilde was dronken van
+geluk. Zij voelde het stijgen van haar hart tot in haar keel en zij kon
+'t niet uitspreken, zoo overstelpte het haar. Al de warme liefde van hun
+engagementstijd en al het onbeschrijfelijk genot van de huwelijksreis
+schenen zich te vermengen en haar in een tweede natuur om te scheppen.
+Zij had hem eindeloos lief! Zoo zou 't altijd blijven bij haar, dat
+voelde zij wel en zij schrok te-rug voor de macht van haar eigen gevoel.
+Alleen maar als hij naderde, schoot er als een vlam naar haar hoofd, en
+nam hij haar in zijn armen, dan leunde haar hoofd achterover tegen zijn
+schouder en weende van zaligheid. Ze zou altijd bij hem hebben willen
+zijn, zij wilde altijd weten wat er in hem omging. Soms vroeg ze hem
+in-eens, half bedroefd: waar denk-je aan?, als ze een tijdje zwijgend
+bij elkaar waren geweest. Dan deed 't haar verdriet van-zelf niet te
+weten wat hij dacht. En 's nachts, als zij te slapen lag tegen zijn
+borst, hief ze haar hoofd naar hem heen en fluisterde zoo zacht, zoo
+zacht als de gedachte: hou-je van me? Hij moest het vijf maal, zes maal
+zeggen, dan vroeg ze hem om een zoen en sliep gerust in. En 's morgens,
+als zij was opgestaan en hij nog doorsliep, en ze ging even voor het
+venster kijken in de eerste frischheid van het ontwaken, dan, met de
+herinnering van den vorigen avond en het vooruitzicht van een daggelijk
+aan dien van gisteren, dan werd het haar te benauwd in haar gelukkig
+hart, dan moest het venster open al was het koud, dan moest ze ruim
+kunnen ademhalen, en de liefdevreugde, die blonk uit haar oogen, doen
+uitstralen in de open lucht.
+
+Was zij vol kleine oplettendheden, zocht hij op allerlei manieren haar
+pleizieren te doen, haar liefde was vindingrijker. Zij dacht over alles,
+zij wist alles te raden en zijn wenschen te voorkomen. Zij ging 's
+middags nu dikwijls wandelingetjes doen, door de Damstraat en den
+Nieuwendijk en bracht iets voor hem mee, dat hij dan onder zijn servet
+vond liggen, aan het eten. Zoo had hij allang verlangd naar een
+horlogeketting. Zijn gouden had hij voor de rouw afgelegd. Nu had hij er
+nog wel een van platina, maar die besloeg, en beviel hem niet. Hij
+vergat maar altijd er zelf een te koopen of wel hij zag er alleen, die
+niet van zijn smaak waren. Na lang rondkijken had zij er eindelijk een
+uitgestald gezien en die gekocht: een breed zwart geribt lint, met
+enkele dofzilveren versierselen. Thuisgekomen, bevestigde zij het met
+haar slanke handjes aan zijn vest, en hij was er erg gelukkig mee.
+
+--Telkens als je nu op je horloge kijkt, zeide Mathilde, moet-je nog
+eens speciaal aan mij denken, ... natuurlijk moet je altijd om mij
+denken, om dat ik zooveel, zooveel van je hou, maar dan nog eens
+bizonder. Hij beloofde het.
+
+Mathilde had ook een uitgebreide studie gemaakt van zijn gelief-koosde
+spijzen en dranken. Hij had niet graag, dat zij zelf veel in de keuken
+kwam. Van zulke duitsche zeden hield hij niet, beweerde hij, die zaken
+moesten aan de keukenmeid overgelaten blijven. Maar zij deed 't toch 's
+morgens, als zij wist, dat hij niet thuis komen zou, en onder beurstijd.
+Hoorde zij dan maar even zijn huissleutel ritselen aan de voordeur, dan
+haastte zij zich de keuken uit en liet Jans verder begaan. Er waren twee
+soorten van pudding en een manier om met kruiden ossevleesch te braden,
+daar hij erg op gesteld was; dit had zij gemerkt, om dat hij dat op reis
+zoo dikwijls had besteld. Telkens als deze spijzen nu op tafel kwamen,
+zag zij duidelijk aan Jozef, dat hij haar verdacht van weer in de keuken
+te zijn geweest, maar zij ontkende ten stelligste, en na den eten kreeg
+zij er toch een zoen voor.
+
+Zoo leefden zij, bijna onophoudelijk met hun tweeen alleen, het najaar
+en den winter en daarna weer den zomer door. Intieme kennissen hadden
+zij niet; alleen van den ouden heer Berlage, den ingenieur Ster, mevrouw
+van Borselen en Emilie Hartse kregen zij een paar visites. Maar Jozef,
+die Mathilde zoo mooi vond en zoo dikwijls tegen haar zei: wat ben
+je toch mooi!, Jozef, die ijdel was en van vertoon hield, begon
+langzamerhand naar meer menschen-zien te verlangen, om benijd te kunnen
+zijn.
+
+Al dikwijls hadden Jozef en Mathilde over het nieuwe huis gesproken, dat
+zij in een niet al te verwijderde toekomst zouden betrekken, over dat
+huis, dat eigenlijk pas wezenlijk hun huis zou zijn, heelemaal naar hun
+idee ingericht en gemeubeld. Telkens werd er weer over gesproken en
+weer. Mathilde volgde in alles Jozefs meening en Jozefs smaak, of wel
+zij had een nieuwe opmerking, die hij met geestdrift aannam. Maar er was
+nog niets besloten. Vooreerst werd de vraag behandeld, of men in de
+Vondelstraat-buurten een huis zoude zoeken of aan een van de mooye
+grachten, Heeren-of Keizersgracht. Mathilde, die verliefd was op alles
+wat "buiten" en "vrije" natuur heette, was wel eerst voor de nabijheid
+van het Vondelpark, maar, om dat Jozef van die meening was, vond ook zij
+ten laatste de hoofdgrachten nog deftiger, stiller, rijker, aangenamer.
+
+Zij waren in de laatste zes weken van hun rouwtijd, in de lichte rouw,
+toen er op een goeden dag besloten werd, dat Jans een rijtuig zou
+bestellen, waarmede Jozef en Mathilde huizen zouden gaan zien. Mathilde
+had dagelijks uit de koerant opgeteekend waar er huizen te huur of te
+koop stonden in de buurt, die zij hadden verkozen. Zij had dit lijstje
+in haar zak gestoken. Vier, vijf dagen achter-mekaar werd er gereden en
+drentelden zij zich moe door vertrekken en portalen, trap op trap af in
+die ontmeubelde en verlaten woningen, met hun kale trappen en kale
+vensters en hier en daar vlekken op de vloer, die zoo een weemoedig
+aanzien hadden en aan het leven deden denken, wat er voor altijd uit
+wech was. Het gaf een heele beroering in hun stille samenleven. Mathilde
+dacht meer dan gewoonlijk aan haar vader gedurende dezen tijd.
+
+Eindelijk was er een uitmundend huis gevonden op de Heerengracht bij de
+Spiegelstraat. Jozef huurde het voor acht-en twintig honderd gulden. Van
+toen af aan werd week aan week de drukte grooter. Dat waren maar van den
+eenen dag op den anderen dag bezoeken van den makelaar, van den
+timmerman, van den schilder, van den stucadoor, van den loodgieter. Dan
+moest Mathilde, op Jozefs verlangen, zich plotseling gauw aankleeden om
+mee te gaan overleggen over de veranderingen, die gemaakt zouden worden,
+of over nieuwigheden in den gang, of in de verdeeling der kamers, in de
+plafonds. Dan troonde hij haar weer mee naar den behanger, naar den
+meubelmaker, waar zij vooral haar oordeel moest zeggen en zij alleen
+besluiten te nemen had. Dan weer wandelden zij naar den winkel van
+schoorsteen-ornamenten, naar het magazijn van keukengerei. Mathilde had
+maar te bevelen en zij koos en koos. Vroeg zij thuis aan Jozef
+eenigszins bedeesd, of ze niet te duur gekozen had, dan legde hij haar
+het zwijgen op. Over geldzaken zouden zij spreken, als ze eens goed en
+wel een paar gepozeerde getrouwde menschen waren geworden en in hun huis
+hun gezin hadden gevormd.
+
+Met kleine bevingen van hoop zag Mathilde, wanneer zij dagelijks dien
+kant uitwandelde, de nieuwe woning zich in-en uitwendig voltooyen tot
+een mooi huis, tot een gebouw, dat in alles, in de minste bizonderheden,
+het huis van Jozef en haar zou zijn, het huis van hun geluk. Zoo stelde
+zij het zich voor. En als zij opmerkte hoe de versche kleuren blonken en
+de spiegelruiten schitterden in de zon, dan zag zij er tegen op met een
+onuitsprekelijk verlangen. Zij telde de dagen, die haar nog van het
+nieuwe huis scheidden. Het was haar of zij Jozef nog niet genoeg liefhad,
+of het heerlijkste nog komen moest. Haar hoop en haar verlangen
+vermeerderden met den dag.
+
+Zoo ging weer de tijd voorbij. Zij waren al een paar maanden uit de
+rouw, toen eindelijk, eindelijk! het nieuwe huis werd betrokken.
+
+
+
+
+VIII.
+
+
+Een flink huis. Dat was me een drukte geweest, dat metselen en timmeren
+en schilderen en behangen en meubelen! Jozef vond, dat alles er recht
+goed in orde was, Mathilde vond het ook. Achter de hooge, zij 't ook
+niet dubbele stoep, kwam men binnen in den breeden marmeren gang, waar
+een gaslantaarn van matglas en koper nu een getemperd licht verspreidde.
+Daar vond men terstond aan zijn linker hand, de deur van den salon,
+Mathilde zei "voorkamer", die op de straat uitzag.
+
+Deze kamer, met de fijn geschilderde wandvlakken en de gedekoreerde
+zoldering, in lichte kleuren, met geelgouden randen, was vol frischheid
+en jeugdig leven. De schoorsteen, juist tegenover de deur, was hoog van
+dooraderd zwart marmer, met een rijkomlijste, uitstekend geslepen
+spiegel, vast aan den muur, er boven. Op den mantel stonden twee dunne
+pompadoer-vaasjes; in 't midden was er een half naakt herdertje in roode
+klei, wiens fraai gebogen rug en zware lange lokken door den spiegel
+werden weerkaatst. Dunne lichtelijk versierde koperen gasarmen, die door
+porseleinen kaarsen vlammetjes uitwierpen, en een zwierige rankgetakte,
+aan een blauw satijnen strop hangende gaskroon van uit het hart der
+zoldering dalend, gaf dezen avond lachende glansen door de kamer. Poeffen,
+kleine divans en lage heelemaal gekapitonneerde leuningstoeltjes waren
+in een behagelijke wanorde over het rozig-blauwe tapijt gezet. Er waren
+stoelenzittingen van grijs-blauw satijn, met teedergetintte ruikertjes.
+Een zwart ebbenhouten tafeltje was op glazen rolletjes tot nog al dicht
+bij de ramen geschoven. Een koperen bloemvaasje dat zich delikaat en
+statig naar de hoogte ontplooide met een theerozen-ruiker er in, stond
+op die tafel. Breede dunne witte kanten strooken waren langs de ruiten
+ontrold. Hier achter drapeerden zich kanten overgordijnen, op de helft
+wechgeheven door zachtgouden banden en kwasten. Men zag op straat door
+een netwerk van vreemde figuren heen.
+
+Een geur van feestelijke blijdschap en jonge hoop zwierde er door de
+kamer, een vreugde straalde van al het huisraad. 't Was 16 April, Jozefs
+verjaardag. Voor 't eerst dat Mathilde een partijtje gaf. Daar stond zij
+nu, haar eene hand aan de tafel geleund; haar rechtervoet durfde zij
+niet vast neerzetten op de vloer, scheen 't, als knelde het schoentje
+haar, ten minste zij wiebelde er zoo wat mee heen en weer. Daar stond
+zij nu, van licht-blauw satijn en witte kant omwikkeld, in het kostuum,
+dat overeenkwam met de kleuren van de kamer, meesteresse in haar eigen
+buis. Zoo als het satijn om haar lijf was gegleden waren er glansplekjes
+op als schenen de zoenen er door die Jozef, met zijn minnaarsliefde, op
+haar lichaam had gedrukt, en plooyen vol schaduw, die donker-blauw, haar
+hals-en armen-kleur mooyer maakten.
+
+Jozef drentelde achter in de kamer, waar de piano stond, heen en weer op
+zijn hielen, langzaam het hoofd naar voren buigend, zijn tong tusschen
+de lippen van pleizier. Hij was in zijn zwarten rok en witte das,
+uitstekend in orde. Hij had aan zijn snor gelikt en zei:
+
+--Nee, Thilde, als je zoo'n pijn hebt, dan dansen we maar niet.
+
+--Maar, man, zie je dan niet, dat ik hier expres blijf staan en niet ga
+zitten, om je te laten zien dat mijn pijn heelemaal over is ...
+
+--Hou-je van me, Thilde? laten we dan niet dansen, want je voet zou er
+stellig erger door worden ...
+
+--Gut, ik voel niets meer ... wezenlijk niet ... je moet bepaald
+proponeeren om te dansen ... zal je 't nu doen?
+
+Neen, knikte Jozef. Toen moest Mathilde iets verzinnen. Zij leunde
+plotseling niet meer op de tafel, en liep recht als een kaars, zonder
+verwikken of verwegen, naar Jozef toe. Vlak voor hem, bleef zij staan:
+
+--Ah, zoo! zie je 't?
+
+--Lieve kind, zonder jouw wil ik niet dansen, en zelf dansen kun-jij
+toch niet, al loop je nu ook even door de kamer, met nog zooveel
+schijnbaar gemak.
+
+Jozef hield ontzaglijk veel van dansen, dit wist zij. De laatste woorden
+waren hem nog niet uit den mond, of ze was om hem heen aan 't springen
+en huppelen over 't tapijt, zoo vlug als ze maar kon. Haar pijnlijke
+voet raakte geweldig de vloer en dan rilde het heele been en ruischte de
+satijn met een smartelijk gesis om haar leden. Hij bleef weigeren; maar
+zij, hijgend nog van de beweging, lei ze haar handen op zijn borst, en
+terwijl een wolkje van den boschviolen-geur, dien zij op haar zakdoek
+had, tegen zijn gezicht zweefde, en van haar oogen uit scheen te waayen,
+die als donkere violen waren, zweeg zij glimlachend.
+
+--Kindlief, wat ben ik trotsch op je, zei Jozef! we zullen dansen als
+razenden, want jij wilt 't om mij, en van-avond, als de menschen wech
+zijn, zal ik je voeten zoenen, tot je niets geen pijn meer voelt.
+
+--Je bent goed ... ik hou van je, ik hou van je, andwoordde ze, en
+dadelijk hierna: daar zijn ze eindelijk! Zij hoorde de gasten aankomen.
+
+In den gang wandelde een gehuurde knecht. Hij had een baard om zijn kin
+en een gewoon burgermans-geen knechtenkapsel. Hij droeg katoenen witte
+handschoenen, waarvan de knoopjes los hingen, om zijn boodschaphanden.
+Zijn schoenen waren niet puntig, meer breed, van voren. Dientje, de
+knappe werkmeid, was druk in de weer. In de zaal, achter, stonden groote
+blauwe schotels met zilveren handvatsels, waarin kleine gebakjes in
+witte papiertjes met uitgeschulpte randjes, op de tafel zonder kleed.
+Hiernaast blauwe schotels met zilveren handvatsels, waarop stapeltjes
+boterhammetjes deels met galantine, deels met pate de foie gras belegd;
+een vijf-en-twintigtal laage, wijde champagneglazen, een 40-tal gewone,
+mooi geslepen roode-wijn-en een 30-tal groene, antieke Rhijnwijn-glazen.
+Verder flesschen, lange en korte, met zilveren papieren om den hals en
+goud beletterde etiketten. Dientje met een helder voorschoot, in een
+katoentje, en een paars feestmutsje op, liet zich door Frits den knecht,
+terwijl hij in zijn te lange en lubbige vingertoppen kneep, verschillende
+ongepaste aardigheden zeggen, wanneer ze van de keukentrap naar de zaal
+ging en omgekeerd. Dan zorgde hij, dat hij bij de trap was, en als ze in
+de zaal verdween, bleef hij haar, zijn hoofd naar den linker schouder
+gebogen, met zijn kleine oogen glimlachend nastaren. Hij plukte dan eens
+aan zijn baard en kuyerde naar zijn standplaats te-rug om het "volk" af
+te wachten.
+
+Drie rijtuigen hielden bijna te-gelijk voor de deur stil. De menschen
+verschenen met heele hoopjes bij mekaar, als hadden zij 't afgesproken.
+Met giegelend-gefluisterde groeten en beleefdheidsbetuigingen schoven de
+dames, in sneeuwige mantels over de koude schouders en met hunne
+versierde hoofden naar de achterkamer om hun mantels af te doen. Frits
+wees den weg, na dat hij met zijn hoofd buiten de deur den koetsiers
+"twee uur" als tijd om te-rug te komen had toegeroepen. De heeren wipten
+achter hun dames snel de stoep op; hun glimmende schoenen kletsten en
+kraakten piepend over de steenen treden.
+
+De heele achterkamer was in-eens vol beweging. Een gezwaai en geslinger
+van schoudermanteltjes, wollen doeken en halsdasjes voor 't kou vatten
+en een gegolf van sleepen, een bloeyen van ronde schouders en een
+geflikker van goud en juweelen en een somber samenzinken van overjassen,
+omwalmd door den reuk van versche, sterke haar-en zakdoekwatertjes, die
+Frits en Dientje naar 't hoofd steeg. De dames bekeken elkaars japonnen,
+ze verheven zich, de eene achter de andere, voor den spiegel om hun haar
+goed te doen of een roode bloem aan hun borst te verschikken. De heeren
+klopten langs hun mouwen, spatten met den vinger een pluisje van hun
+breede roklapellen. Een trok er zijn broek meer onder zijn vest. Frits
+keek maar al naar Dientje, greep haar eens bij den schouder,
+voorwendende achter haar heen te dringen zonder haar te hinderen, om
+daar een heer te helpen, die zijn overjas niet uit kon krijgen.
+
+Weer door den gang, brachten nu de heeren hunne dames naar voren. Een
+warme pasteilucht kwam onbescheiden door de reet van een deur beneden,
+want de oude Jans was nieuwsgierig naar de toiletten en keek om een
+hoekje.
+
+Mathilde stond bij den ingang van de voorkamer. Het eerst kwam binnen:
+de heer en mevrouw Berlage. Na hen Louis Berlage, hun zoon, die aan zijn
+arm had mevrouw de weduwe van Borselen. Dan volgden de heer Ster, met
+mejufvrouw Emilie Hartse. Hier achter kwamen glimlachend een viertal
+jeugdige heeren, waarbij Hasman en d'Ablaincourt van de club ...
+
+--O, mevrouw, dank u, ik ben zoo gelukkig van uw invitatie gebruik te
+kunnen maken.
+
+--'t Doet me heel veel pleizier, mevrouw meneer ...
+
+--Mevrouw van Wilden ...
+
+--Mevrouw ...
+
+--Meneer ...
+
+--Dag, van Wilden, gefeliciteerd niet je verjaardag.
+
+--Hoe gaat 't meneer Ster?
+
+--Jozef, nog vele jaren hoor.
+
+De heer Berlage was lang en mager en bleek: een spitse, stekelige kin en
+neus, kleine flikkerende groene oogen en een doffe, logge wrat boven het
+linker oog. Hij was rijk en aanzienlijk geworden door zijn huwelijk met
+mejufvrouw van Wilvliet, nu een vijftigjarige vrouw, vriendelijk
+uiterlijk, met hagelwitte tanden die voortdurend zichtbaar bleven, en
+een ter neer gebogen neusje. Ze droeg haar haar nog in fladderende
+bochten afhangende op het voorhoofd tot maar heel even boven de oogen:
+donkerbruin haar. Zij ging naast Mathilde zitten en gebruikte al
+dadelijk haar groenen waayer.
+
+--Wel mevrouwtje, wat is u hier allerliefst geinstalleerd ...
+
+--Ja, mevrouw, zei Mathilde, het huis bevalt mij wel. 't Was een heel
+gelukje voor ons dat het juist te koop was en zoo heelemaal naar onzen
+smaak. Mijn man heeft ook erg zijn best gedaan om alles netjes te
+krijgen, en nu is 't zoo geworden, ziet u ... maar u, mevrouw, dat is
+waar ook, hoe gaat 't u toch sinds uw laatste ongesteldheid ... daar men
+'t eerst aan denken moest, ... maar hoe gaat 't u? En ze glimlachte.
+
+--Och, 't gaat nog al, dank u, langzaam maar zeker vooruit, zegt het
+spreekwoord, en zoo hoop ik nu maar dat het met mijn persoontje ook
+gaan zal.
+
+--En, zoo als ik zie, maakt meneer Louis het ook nog heel goed.
+
+--Ja, mevrouwtje, dat zou ik u niet durven toegeven, de goeye jongen
+heeft het zoo druk, zoo druk, u kunt er u geen idee van maken ... En dat
+werkt wel een beetje op zijn gestel. Nu is hij weer zijn zaak aan 't
+uitbreiden door Parijsche relaties. 's Morgens voor dag en voor dauw
+opstaan en dan nog in de dikke donkerte soms naar 't kantoor, welk weer
+het ook is ...
+
+--Maar als men de verwezenlijking van zijn illuzien in 't vooruitzicht
+heeft ...
+
+--Ja, ja, u heeft wel gelijk, het aanstaande huwelijksbootje doet al
+heel wat over 't hoofd zien, niet waar, Emilie? vroeg ze aan
+jufvrouw Hartse.
+
+Mevrouw van Borselen was een beetje van de andere dames af in een
+fauteuil gaan zitten. Meneer Ster kwam bij haar staan, om een praatje te
+maken; hij hield zijn gibus op zijn rug en klepte er mee heen en weer.
+
+Intusschen hoorde men weer het geratel van rijtuigen over de
+straatsteenen, dat op eens koud en hard werd als zij de Spiegelstraat
+uitdraaiden en dan voor van Wildens deur staakte, terwijl de koetsier
+ho! riep, als de wielen nog even langzaam voortgingen, en, zijn neus
+ophalend, klak! van de bok sprong om zachtjes het portier te openen. De
+andere menschen kwamen aan en de kamer was al gauw gevuld: een makelaar
+met zijn vrouw en twee officieren, kennissen van Mathildes vader
+zaliger, leden van de club met hun vrouwen, beurskollegaas van Jozef,
+waarbij een, die zijn dochters, twee roode meisjes, meebracht, en zo
+verder. Toch waren alle menschen er nog niet.
+
+Jozef verontschuldigde zich bij de heeren, die een druk brommend gesprek
+hadden aangegaan, en ging naar Mathilde bij de dames.
+
+--Ik begrijp niet, zei hij, dat Karel Rietwijk en de dames Huf er nog
+niet zijn. Als zij het maar begrepen hebben.
+
+--Misschien heeft uw bediende de andere invitaties vergeten te ... te ...
+te doen, zei meneer Ster, die juist naast mevrouw van Borselen stond,
+verlegen, daar zij geen van beiden een woord spraken.
+
+--Maar, meneer Ster, andwoordde Mathilde, u schijnt geen groote gedachte
+van ons dienstpersoneel te hebben. Frits heeft de briefjes rond gebracht
+nietwaar Jo?
+
+--Ja, Frits, ik zal 'm toch 's even gaan vragen ...
+
+Na eenige minuten kwam Jozef weer binnen:
+
+--Frits heeft doodeenvoudig de andere invitaties nog in zijn zak. Op den
+laten avond zegt hij, heeft hij er wat van afgedaan, den volgenden
+morgen werd hij voor een rijpartij (hij is koetsier en van alles) vroeg
+opgescheld den heelen dag met studenten uit geweest, den volgenden dag
+een begrafenis ... enfin, hij had de andere briefjes glad vergeten ... Nu
+kunnen we, dunkt me, niet beter doen dan de vrinden wel ons exkuus te
+maken, voor de te-leurstelling, en ons, zoo als we nu zijn, toch zoo
+goed mogelijk te amuseeren ... wat dunkt u?
+
+Gemompel, lachjes, kwinkslagen, verschuiven van stoelen, opstaan, een
+geruisch en geschommel.
+
+Toen alles weer een beetje tot rust was gekomen en Dientje ten tweeden
+male met de japansche theekopjes was rondgegaan, terwijl ze bloosde en
+verbleekte, glimlachte en heel ernstig keek, ging Emilie Hartse in-eens
+naar Jozef, die toevallig alleen stond. Zij was groot en rond.
+
+--Doet u nog aan de muziek, meneer van Wilden?
+
+--Nee, jufvrouw, dat is er met het huwelijksleven wel een beetje bij
+ingeschoten ... Wat zal ik u zeggen ... Maar wat u daar vraagt brengt me
+op een uitstekend denkbeeld. Zou u ons niet eens op een lied willen
+onthalen? ... ja, ja, dat moest u doen ...
+
+--O, meneer! ...
+
+--Jozef, zullen misschien de heeren daar (ze doelde op de oude heeren)
+nu ook een partijtje willen gaan maken in de achterkamer, Whist of
+Quadrille? vroeg Mathilde luid.
+
+--Ja, of zullen we eerst een beetje muziek maken en onze piano inwijden?
+Ik proponeerde daar juist aan jufvrouw Emilie ...
+
+--Heel graag, heel graag, wat dunk u, mevrouw, en u, en u ...?
+
+Dit werd algemeen goedgekeurd, en zoo hevig, dat Louis Berlage
+bedremmeld werd over het suukses dat Emilie hebben zou, en om dit te
+verbergen, met de grootste kalmte zijn kopje van den schoorsteenmantel
+nam om eens te drinken en de helft van de thee over zijn overhemd, broek
+en vest liet vallen. Mathilde en Jozef kwamen naar hem toe om hem te
+helpen. Emilie begon hard te lachen en de anderen praatten luider, met
+schuine blikken naar Louis.
+
+Emilie ging gauw naar de piano en juist was zij in een trillenden hoogen
+toon een lied van Schubert begonnen te zingen, toen Louis van de keuken
+te-rug-kwam, met een groote bruine vlek op zijn overhemd en verslagen
+gezicht. Hij zag haar daar hel verlicht bij de piano. Wat is ze toch
+lief! dacht hij. Wat is hij toch ordinair! dacht zij. Jozef
+akkompanieerde en zij bekeek tusschenbeide zijn profiel en zij dacht dat
+haar stem om dat profiel zoo goed was van-avond, en ze dacht al na, en
+o! wat een verschil tusschen die mannen, Jozef en Louis! En toch was
+Louis zoo kwaad niet. Een jongensneus en in 't algemeen iets kinderlijks
+kenmerkte hem, hoe knap hij ook zijn mocht in zijn vak. Maar dit was 't
+juist, waarom zijn moeder hem zoo mocht lijden. Zoo onschuldig en zoo
+knap!
+
+Het lied was uit en de menschen klapten een beetje in hun handen. Emilie
+was gaan zitten naast Jozef. Toevallig zat Louis aan haar anderen kant.
+Haar gezicht bleef naar Jozef gekeerd, die haar ook wel aardig vond, en
+waagde Louis het even tegen haar te spreken, dan andwoordde zij kort en
+stuursch, en dat vond hij heel lief van haar. Waarom, dat wist hij niet.
+
+De menschen waren nu weer aan 't praten. Hasman en D'Ablaincourt hadden
+een kennis aan mevrouw van Borselen voorgesteld, en deze drie vormden nu
+een kringetje om haar heen. Eenige anderen hadden zich bij den
+schoorsteen geschaard. Twee leunden met hun ellebogen op den mantel en
+hadden hun handschoenen uitgetrokken. Een zeer jong een bedeesde
+menheer, de jongste bediende van Jozefs kantoor, dien hij poesseeren
+wilde maar nu zelfs nog had vergeten te groeten, had zich, bijna zonder
+dat iemant het merkte, bij het gezelschap gevoegd. Hij was zonder rok,
+maar droeg een gekleedde jas en zwarte das. Hij stond midden in de kamer
+met een soort van droefheid voor zich uit te staren en wreef zijn roode
+heete handen op zijn rug zachtjes tegen mekaar. Mathilde had hem al lang
+in het oog en wou hem een beetje uit de verlegenheid helpen. Zij stond
+op en ging, midden door de gasten, naar hem toe. Met glansjes van
+welwillendheid in haar gezicht sprak ze hem aan. Hij nam een hand van
+zijn rug en begon die aan zijn kin te houden, er kwam iets roods in zijn
+oogen. Hij had blond haar, voor deze gelegenheid met bizondere zorg naar
+de hoogte en achteren gestreken.
+
+De menschen spraken nu zachter in allerlei afzonderlijke gesprekken;
+verscheiden heeren keken naar Mathilde in haar lange satijnen japon,
+blinkend midden in de kamer, hel onder het gele licht. Jozef kwam ook
+bij zijn vrouw en den bediende staan:
+
+--Hee, Marinus, ik had je nog niet eens opgemerkt, je bent ook zoo stil,
+jongen.
+
+--Och, meneer!
+
+Mevrouw Berlage fluisterde tot mevrouw van Borselen achter haar waayer:
+Wie toch Mathildes naaister is?
+
+Juist kwam Frits binnen, een groot blad vol glazen wijn en punch op zijn
+handen, waar hij, ernstig en zorgzaam, mee rond ging. Mevrouw van
+Borselen nam een glaasje rooden wijn.
+
+--Zullen we u nu niet eens genieten, mevrouw, vroeg Jozef hoffelijk.
+
+--Meneer, u weet niet, hoe 't me spijt, maar ik ben te verkouden.
+
+--Kom, kom, het zal toch wel gaan, probeert u maar eens.
+
+--Nee, wezenlijk! ... O, ik vind het zelf onaangenamer dan u denken
+zoudt.
+
+--Kom, mevrouw, zei mevrouw Berlage, doet u 't maar! en er kwamen van
+achteren verscheiden heeren en dames die de blonde weduwe van Borselen
+met smeekingen om toch iets te zingen overlaadden.
+
+--Dat mooie lied van Heine door Schubert gekomponeerd, dat u zoo
+heerlijk voordraagt!
+
+--Toe mevrouwtje, laat u niet zoo bidden.
+
+Mevrouw van Borselen bleef weigeren. Zij kuchtte in haar neteldoekschen
+zakdoek, bewoog haar waayer zenuwachtig.
+
+Een jonge dame, een bleek mager meisje, heel in 't zwart gekleed, zou nu
+iets doen. Deze maakte geen enkel exkuus, maar, na een paar heeren
+verzocht te hebben een eindje op-zij te gaan staan, om dat ze dan vrijer
+was in haar gebaren, begon ze met een hel stemmetje een burgerlijk deuntje:
+
+ Wat is de liefde?
+ Ik weet 't niet, mijn kind.
+ Wat zegt de liefde?
+ Zij spreekt niet, zij bemint!
+
+Zonder de minste hapering bracht zij 't er af. Iedereen vond 'et bepaald
+leelijk. Toen het laatste koeplet gedaan was zei niemant een woord. De
+dames, die in Jetjes, zoo heette het meisje, nabijheid zaten, prezen
+haar zeer: O, jufvrouw, wat was dat allerliefst! Hasman, die als een
+grappenmaker bekend stond, sprak zeer luid, een traan in zijn stem, van
+den anderen kant van de kamer, waar hij op een kanapee zat: Jongen, ja,
+jufvrouw, 't was heerlijk! U heeft me daar diep geroerd! Hasman was een
+eenigszins dikke heer, met een rooden snor. De blonde jongeling snapte
+zijn grap en wierp hem in al zijn verlegenheid een woedenden blik toe.
+Jetje was de zuster van den blonden jongeling. Terwijl men hier en daar
+een slokje wijn of limonade dronk en dan het glaasje weer voorzichtig op
+de tafel, den schoorsteen of op de piano neerzette, droegen nu twee
+officieren een samenspraak voor uit een fransch treurspel. Na hen kwam
+Hasman aan het woord, die, met behulp van twee stoelen, vertoonde hoe
+het in de Sint Anthonie-breestraat toeging, wanneer een joodsche familie
+uit rijden ging en ze met zen achten in een vigelant gingen.
+
+--Die Hasman is onverbeterlijk, zei Jozef en hij ging naar Hasman toe om
+hem als bedankje de hand te drukken, toen 't was afgeloopen.
+
+Mathilde was weer bij de dames Berlage en van Borselen gaan zitten. Zij
+leunde achterover in haar fauteuil en tuurde rond, zij was nog niet
+heelemaal te vrede. Zij was half en half bang, dat niet alle menschen
+erg veel pleizier hadden. Ook waren er wel al aardige dingen gezongen en
+gedeklameerd, maar er ontbrak blijkbaar nog iets, iets schitterends. Er
+werd in de groeyende hitte, scheen 't haar, algemeen gewacht op het
+glanspunt van de soiree. Het mooiste scheen zoo nog te moeten komen.
+Datgene, waarvan de vermelding naderhand als men er over sprak, tot
+herinneringsmiddel aan dezen avond zou moeten dienen, was er nog niet
+geweest.
+
+Jozef keek al-door naar Mathilde. Hij verveelde zich niet, hij had zich
+van den beginne af aan pleizierig bezig gehouden, want hij dacht, naar
+haar gezicht te oordeelen, dat Mathilde zich amuseerde. Hij merkte dat
+hij dezen avond bizonder veel van zijn vrouw hield. Hij had haar in
+langen tijd ook niet zoo mooi gezien, en zoo in 't oogloopend door een
+elk, door al zijn vrienden bewonderd.
+
+Hij staarde haar aan, en daar kreeg hij de gedachte, dat zij volstrekt
+ook iets moest doen, dat aan haar nu de beurt was. Hij wilde het zeggen,
+maar hij begreep, gelukkig bij tijds, vond hij, dat het gepast was, als
+iemant van de andere menschen, en niet hij zelf, zijn vrouw verzocht
+iets van haar talent ten beste te geven. En plotseling nam hij het al
+die heeren kwalijk, dat zij dat nog niet hadden gedaan. Als ze 't eens
+vergaten! Neen, dat niet! Ze zou, ze moest iets doen. Nu, hij zou 't dan
+toch zelf maar zeggen. Hij vond, dat het er wel door kon.
+
+--Mathilde, zei hij, wil jij nu niet eens wat spelen?
+
+--Wel zeker, heel graag.
+
+--O, ja! dat is heerlijk! riep Emilie, van uit het hoekje, waar Louis
+haar nu voor zich alleen hield.
+
+--Zeker iets van Beethoven, mevrouw, vroeg mevrouw van Borselen, de
+sonnate Pathetique, b.v.?
+
+--Dat heb ik zoo lang niet gespeeld, zei Mathilde, wel in geen twee
+jaar. Mijn vader leefde nog ...
+
+--Och toe, mevrouw, toe, het zal wel gaan ...
+
+En midden door de welopgevoede stilte, ging Mathilde naar de piano.
+
+Jozef ging vlak tegenover de piano aan de muur staan, bij de deur, zijn
+rug tegen het geschilderde behangsel. Jozef gedroeg zich als moest hij
+Mathilde nog het hof maken om haar te kunnen trouwen. Voortdurend keek
+hij naar dat lieve zwarte hoofd. Mathilde bladerde een beetje
+zenuwachtig door het muziekboek en zij keek waar 't begon, terwijl ze
+het papier vlak bij de kaarsevlam hield. Daar had zij 't gevonden en
+even keek zij Jozef aan.
+
+Mathilde hield haar vingers al uitgestrekt over de toetsen. De menschen
+zaten in de rondte. Daar begon zij. Het was haar lievelingsstuk. Zij
+speelde het graag en goed. Andante was de eerste maat. Langzaam en
+statig galmden de klanken aan. Klaar en helder tikte elke toets zijn
+deun, die uit de diepte en van de hoogte samenrolden tot een plechtig
+akkoord. Het scheen iets als een loflied, als een kerkgezang, als de
+verheerlijking van iets edels en groots, van iets bovennatuurlijks, iets
+als een hymne aan de eeuwige kuischheid en eenzaamheid. Mathilde zat
+kalm en stil. Haar vingers bewogen regelmatig over de toetsen. De muziek
+werd plotseling breeder, vol majesteit. Mathilde zag bleek en speelde
+hard. Zij kwam er heelemaal in. In een hoek van de kamer werd nog
+stilletjes door een paar heeren gefluisterd, en Jozef stond naar de
+punten van zijn schoenen te staren. De andere menschen waren aandachtig
+uit beleefdheid. Frits en Dientje waren aan de deur komen staan
+luisteren.
+
+Toen was er in-eens in het muziekstuk, midden onder het zwaar-ernstig
+orgelen van de piano, een jeugdige en zoete toon, als een teeder
+fluitspel. Joedelend danste het een paar toonen ver en herhaalde zich
+dan en neuriede onder de breedere harmonien door, als een leeuwerik die
+bij het einde van den nachtdienst, boven de donkere monnikken-hoofden
+naar het kerkgewelf zou opvliegen. En het zwakke geluid verdubbelde en
+vermenigvuldigde zich en werd een geluid van groote teederheid en als in
+de verte verdwenen de laatste zware toonen. Toen overkwam Mathilde iets
+vreemds in haar hersens. Toen zij nog een kind was verbeeldde zij zich
+wel van paleizen en prachtige zalen en trappen, waarin allerlei
+wondermooye menschen in vreemd-rijke kleeren gingen. En als zij muziek
+speelde en zij was er goed in, zag zij weer altijd zulke zaken. Nu was
+'t iets, dat als heel uit de verte tot haar naderde, gedragen door de
+melodien. Zij voelde iets in zich van te moeten huilen en zij wist niet
+waarom. En het kwam nader en nader, stijgend in haar gedachte. Het was
+iets, dat uit de diepte van haar herinnering aankwam, zonder toch een
+gezicht uit de voorbijzijnde werkelijkheid te wezen. Het kwam in haar
+verbeelding in den vorm van een mensch, omsluyerd, omwolkt, onherkenbaar.
+Het was een poppetje, dat grooter en grooter werd, eindelijk zoo groot
+als een mensch, met prachtige, schitterende kleeren aan. Waar had zij zoo
+iets ooit gezien, in de komedie, gelezen in een boek, zij wist het niet.
+Het was een ridder, een koning, in oud kostuum, zoo als zij zich als kind
+altijd een koning had gedacht. Zij zag eerst zijden kousen en een broek
+van blauw fluweel, toen een degen met diamanten van-boven, toen de borst
+met gouden knoopen. En de purperen mantel zwaaide nog altijd voor het
+gezicht. Haar benevelde oogen keken over de muziek heen en in den goud-
+wasem van de kaarsen zag zij Jozefs gezicht alleen en zijn oogen, die haar
+liefkoosden. Zij werd bang, vreeselijk bang; het was of haar hersens
+braken. Zij speelde werktuigelijk voort, zij kende het stuk van buiten.
+Jozef was de koning, dien zij zag; zij had het al zooveel gehoopt. En een
+vreemde lach was over zijn gezicht, en over zijn hoofd, daar waren witte
+veeren. Zacht en licht zuisten de wijsjes door de kamer. Maar zij werden
+luider en feller in het allegro forte, en Mathilde hoorde de muziek als
+had zij niet zelf gespeeld. Het was als stroomde jubelend een vloed van
+zilveren golfjes uit de hoogte op haar neer. De melodie was juichend en
+sterk als het hoornblazen van groene jagers, zij ging hooger en forscher
+als het trompetgeschal van de soldaten. Daar was hij dan, haar koning,
+haar geliefde, en al de dagen van geluk had zij dan vroeger nooit gevoeld
+en nu voelden zij ze allen samen. En voort, voort, werd het als uit een
+diamanten prisma op haar neergegoten. Zij wist niet meer, zij voelde
+zich niet zitten.
+
+De menschen zaten zwijgend in de rondte. Zij hadden niet gedacht, dat
+het zoo mooi zou zijn. De gashitte zweefde om hen heen. Zij zagen
+MathiIde en dan weer beurtelings elkaar aan. De heeren knikten
+goedkeurend. Hasman zei zachtjes, dat Mathilde te opgewonden speelde.
+De oude heer Berlage kreeg het te kwaad van de warmte en keek naar de
+gaslichten, die aan zijn ooren sisten en in wier blauw middenpunt hij
+onophoudelijk nieuwe lichtspatjes zag blikkeren. Louis keek voor zich
+uit als een wezenloze. Drie heeren stonden als een zwarte versteende
+groep voor mevrouw Berlage, hun rug naar haar toe gekeerd.
+
+Er was een koorts in Mathilde gekomen, haar hoofd gloeide, haar oogen
+waren heet. Geen herinneringen waren het meer in haar. Zij voelde het
+tegenwoordige. Er waren geen vreemde verbeeldingen meer, het geluk was
+tegenwoordig. Zij zag voor zich uit: hij stond er nog hij was er meer
+dan ooit en zij staroogden naar elkaar. Haar spel werd sneller, luider,
+woester, een onbesuisde wind vol liefdewoorden scheen haar om haar heen
+te waayen. De maat werd impetuoso. Mathilde drukte de zware pedaal neer;
+de heele pianokast scheen te trillen. Wat was 't toch, wat gebeurde er
+toch, hier van-avond, in de nieuwe blauwe kamer? Het was een storm
+van-binnen en een vuur dat haar verbrandde. Zij zag Jozef vlak voor haar
+staan in een wolk van lichtend blauw. Het was haar als gaf haar geest
+hem schroeyende kussen van verre. O, haar liefde, o haar liefde, wat
+deed het geluk een zeer! Maar al de menschen die daar waren, hadden haar
+gehoord! Had zij niet gezegd, daar zoo-even, hard-op, tegen hen allen,
+dat zij zooveel van Jozef hield? Ja, zij had het gezegd; zij had het
+zich hooren zeggen! Maar, was zij dan gek geworden! Haar vingers
+speelden de melodieen voort, zonder dat zij er bij dacht. Zij hadden de
+oude geliefde sonnate niet vergeten De melodien trilden voort hoog door
+den walm der gaslichten, langs de vroolijk beschilderde wanden, en
+weefden zich in al het lichte blauwe satijn van de kamer. Plotseling
+hoorde Mathilde niets meer; zij zag haar vingers zonder beweging het
+stuk was uit.
+
+Jozef vond dat Mathilde uitstekend had gespeeld en klapte in zijn
+handen, met de anderen mee. Mathilde stond op, de pianokruk viel om, en
+Jozef niet-eens ziende, wankelde ze hem voorbij en ging heel bleek op
+haar oude plaats zitten naast de oude mevrouw Berlage. De dames spraken
+erge komplimenten.
+
+ * * * * *
+
+Van het kaartspelen van de heeren was niets gekomen. De oude heer
+Berlage had zich verveeld en drentelde op en neer, door niemant
+aangesproken. De jonge blonde bediende, Marinus de Beer heette hij,
+voelde zich heelemaal overbluft, en zat met als opengespalkte oogen naar
+de piano te turen, als was daar iets heel bizonders mee gebeurd.
+
+Nu begon liet gezelschap te kuchen en zachtjes-aan weer te praten. Het
+was nu bepaald heet geworden. Er werd ijs gepresenteerd: wit
+vanielje-ijs, als natte sneeuwballen in de ronde kelken gedrukt, rood
+framboze-ijs, wat meer koekiger en zoetiger. In de zomerige stilte,
+tusschen de kwijnende konversatie door, hoorde men het bescheiden happen
+van de monden. Hasman kneep zijn oogen dicht om dat het ijs zoo koud
+was. Links en rechts werden kleine zinnen gezegd over het ijs en over
+het muziekstuk, als het eerste en schuchtere getjilp van musschen door
+de boomen na storm en regen.
+
+ * * * * *
+
+Mathilde werd zich zelve weer. Zij keek naar Jozef, die nog bij de muur
+stond, en glimlachte, en veegde met haar zakdoek haar mond af. Zij keek
+daarna om zich heen naar al die vreemde menschen, die verwonderd naar
+haar zagen om dat zij zoo bleek was.
+
+De avond verstreek, eenige heeren waren in de gang gaan staan om de
+warmte en lachten daar, terwijl er een iets vertelde met luidruchtige
+gestikulatie. Dientje schoof voorbij en werd opgemerkt. De deur van de
+kamer bleef voortdurend open en de luidruchtigheid uit de gang ging
+langzamerhand ook naar de kamer over.
+
+De dames dreven hun waayers, die ritselden en hijgden, voorbij hun
+verhitte gezichten. Algemeen kwam de muziek ter sprake. Men misprees
+Mathildes overdreven bescheidenheid, die de komplimenten afwees. Men
+verhaalde kwinkslagen uit de loopbaan van virtuosen en allerhande
+kunstenaars. Zoo kwam men weer op de deklamatie. Het heele gezelschap
+nam aan het gesprek deel. De meesten waren gaan zitten en vormden een
+ovalen kring, Jozef was daar stilletjes tusschen gaan zitten.
+
+--Apropos, Marinus, vroeg hij aan den blonden bediende, heb je niets
+meegebracht?
+
+--Och, kom, er zal wel iets in uw overjas steken, zei Mathilde van
+d'overkant. Mag ik de knecht niet eens laten kijken?
+
+Marinus werd zenuwachtig. Hij keek naar Jetje, om te weten, wat zij er
+van dacht. Deze, die nog verrukt was over de uitnemende ontvangst van
+haar bijdrage, knikte goedkeurend en aanmoedigend.
+
+--Dan zal ik het zelf wel eventjes halen, meneer, zei hij.
+
+Hij bleef even wech. Zoo'n goede jongen, mompelde men, maar hij is een
+beetje bedeesd. Men maakte, dat Jetje het niet hoorde.
+
+Marinus trad binnen en, dadelijk, maakte een buiging na aan 't einde van
+den kring te zijn gaan staan, en las iets voor. Hij hield een folio
+regelmatig beschreven stuk papier in zijn hand, en veegde het zweet van
+zijn voorhoofd. Het was een vers van hem zelf, dat hij voorlas. Het
+onderwerp was de huwelijksmin van zijn patroon en dat het pad met rozen
+bestrooid, hetwelk hij thans met mevrouw bewandelde, nimmer in een dorre
+woestenij mocht veranderen, maar steeds bloeyender en geuriger mocht
+worden tot aan het einde huns levens.
+
+De heeren leden van de club, met hun gepommadeerde snorren, kwamen
+luisteren van uit de gang, en posteerden zich in zwierig-achteloze
+houding bij elkaar aan de deur. Zij glimlachten tegen mekaar over de
+onbedreven onnoozelheid van den dichter.
+
+Zoo eindigde Mathildes partijtje. Een kwartiertje na Marinus' voordracht
+kwamen de rijtuigen voor, en nog een kwartiertje later gingen de menschen,
+eentonig-vriendelijk afscheid-nemend, wech.
+
+Frits en Dientje kregen samen 17.75 aan fooyen. Marinus en zijn zuster
+hadden samen vijftien stuivers gegeven.
+
+
+
+
+IX.
+
+
+Vier dagen na het soireetje, zat Jozef om half negen 's ochtends in hun
+ruime binnenkamer aan de ontbijttafel het Handelsblad te lezen. Het was
+er hoog van verdieping en een reine, onbenauwde warmte werd door de
+donker-porceleinen kachel verspreid. Jozef had uitstekend geslapen, was
+heerlijk zacht geschoren, had een lauw bad genomen, zijn mond gespoeld
+met Eau Botot, en was, in zijn gestreepte sjamberloek, op zijn dofblauwe
+stijf-leeren, van korte hakken voorziene huis-schoenen naar beneden
+gegaan, waar hij op Mathilde wachtte. Hij had zijn snor voor den spiegel
+nog even zwierig opgedraaid en was nu aandachtig de koerant aan 't
+lezen, zijn eene hand op het krakend-witte dekkertje, de andere voor
+zich uit over de leuning van zijn stoel, waar hij een beetje schuin op
+zat. Nu en dan dwaalde zijn blik ter zijde van de politieke artikelen of
+van de telegrammen af, om met te-vredenheid de toppen van zijn duim en
+wijsvinger te bekijken, met hun gladde licht-roode puntig-blank
+versneden nagels. Hij was opgeruimd. Hij voelde zich doordrongen van een
+aangename levenswarmte. Versche broodjes, kaas, melk stonden dicht-bij
+hem klaar. De thee was gezet, een bleek-blauw doorzichtig dun kolommetje
+stoom rees naar boven uit de tuit van de theepot en werd een
+mistslangetje of wolkte wech in de kamer, als Jozef zijn koerant bewoog
+of diep ademhaalde. In een hoek neuriede het theewater. Alles om hem
+heen was nieuw, frisch, jeugdig en vol komfort: de gelakte kolen-en
+turfbakken, de donker-bruine dubbele deur, waardoor men in de voorkamer
+kwam, met haar gevlamde paneelen, de schrijftafel van Jozef, in den hoek
+bij 't venster, een kadoo op zijn verjaardag van Mathilde, de glazen
+boekenkast, die er naast stond, de zwarte pendule op den schoorsteen,
+met een bronzen ruitertje er op. Jozef keek naar de kachel, lei de krant
+even op de tafel over het brood en het theeservies heen, stond op; de
+kwasten van zijn sjamberloek bengelden langs zijn beenen, en hij stookte
+het vuur aan. Vier nog heelemaal heele koolen, van achteren zwarterig,
+vormden het vuur in de kom van de kachel en wat korsterige stukjes
+verbrokkelde kool lagen er om heen. Er knapperden vonken naar boven, in
+den rossen gloed hoorde hij een blakerend getik. Jozef bleef, even,
+aangenaam in het vuur kijken. Daarna stootte hij met den pook de
+knersende koolen tot gruis en gooide een vollen schep vettige inktige
+steenkolen er op neer, die knetterend een dichten zwarten rook door de
+kachel verspreidden. Daarna ging Jozef weer zitten. Hij had er een gloed
+van op zijn gezicht gekregen, die stil wechkoelde. Achter hem schenen
+koude winterzonnestralen over de muren van de binnenplaats. Beneden,
+door een venster dat daar uitkwam, zag hij Dientje bezig in de keuken
+met het glimmend kopergoed. Er kwam geen enkel geluid van buiten. Er
+reed op dit uur geen enkel rijtuig over dit gedeelte van de
+Heerengracht.
+
+Daar bewoog de kruk van de deur, die zich met een licht gekraak opende.
+Mathilde kwam binnen in haar licht-grijze huisjapon, met de breede
+zwart-fluweelen hals-en handboorden.
+
+--He, hier is 't heerlijk, zei ze en wreef haar handen tegen mekaar,
+waaraan toen de ringen schitterden, die zij van Jozef had gekregen.
+
+--Ja, vin-je niet? andwoordde hij, Mathilde zoende Jozefs voorhoofd,
+terwijl hij zijn hand naar boven stak om de hare te vatten. Mathilde
+bleef even staan achter het theeblad, om te zien of alles voor het
+ontbijt in orde was. Zij schikte de kopjes op de schoteltjes en begon
+er, het hoofd naar voren gebogen, suiker in te scheppen. Maar er waren
+onrustige trekjes om haar mond en haar oogleden knipten ongewoon. Zij
+had iets te zeggen, maar het kon er nog niet goed uit. Zij schonk voor
+Jozef een van de witte kopjes met hun smal vergulden randjes vol thee,
+daarna een wolkje melk er door heen, en gaf het hem aan. Maar, toen hij
+het aannam en voor zijn bord neerzette, deed zij schielijk een stap naar
+hem toe. Zij ging naast hem staan en lei haar handen op zijn schouders.
+Zij boog tot aan zijn oor en fluisterde:
+
+--Ik moet je nog altijd iets zeggen.
+
+--Zoo, wat dan, vroeg hij vriendelijk en belangstellend, en stuurde
+aandachtig zijn oogen schuin langs haar heen naar den wand, om goed op
+te letten.
+
+Haar haren, die nog niet heelemaal opgemaakt waren, maar slapjes over
+haar voorhoofd hingen, raakten zijn wang.
+
+--Ja, maar ik durf niet goed ... zal je niet boos worden?
+
+--Wel nee, lieve kind, zeg 't maar gerust, heel hard-op!
+
+--Nou, zei ze met een verlegen lachje, als om zich zelve te
+verontschuldigen, en zij aarzelde nog, ... eindelijk, nog zachter: ik
+geloof, dat we niet meer alleen met ons tweeen zullen blijven in 't
+leven ... Zij keek hem aan, haar oogen dicht bij de zijnen, om te zien
+of hij 't begreep, daarna sloeg zij ze neer, dicht over haar hand die
+op zijn schouder lag, als wilde zij haar vel nauwkeurig bekijken.
+
+--Wat bedoel-je? vroeg hij, maar, zich plotseling herinnerende: zou 't
+wezenlijk waar zijn?
+
+Hij stond op om haar eens goed te bekijken. Zij klapte in haar handen,
+zich verlicht voelende, dat die tijding er uit was. Zij lachte.
+
+--Je weet wel, een jaar geleden hebben we d'r al over gesproken!
+Heerlijk! Heerlijk!
+
+Zij danste haast van blijdschap.
+
+--O, heerlijk! zei ze nog eens.
+
+Zij zag hem sterk aan, met van vreugde vochtige oogen:
+
+--We krijgen een kindje, wat zullen we gelukkig zijn, he?
+
+Hij beaamde goedig wat zij zeide en zoende haar wangen met roode en
+witte verdwijnende vlekjes.
+
+Dat was een pleizierige dag voor Mathilde! Zij bleef van den ochtend tot
+het eten in de achterkamer lezen over opvoeding. Nu was 't dubbel
+jammer, dat vader niet meer leefde! En wat haar zelf aanging, zij wist
+het eigenlijk al lang, ten minste het vermoeden was zoo goed als weten
+geweest, maar nu voelde zij zich pas heel gelukkig, nu Jozef het ook wist.
+
+ * * * * *
+
+Intusschen scheen het gedurende den tijd van haar zwangerschap, dat haar
+liefde voor Jozef groeide, groeide, groeide, samen met het kind onder
+haar hart. Had zij Jozef niet lief, meer dan alles wat zij hoorde en zag
+en ondervond, meer dan haar leven-zelf? Maar zij voelde zoo iets, als
+was zij nu pas bezig het groote bewijs van haar liefde te geven, als zou
+dat wezentje, dat, zonder haar wil, zonder haar toestemming maar toch
+door haar werd gemaakt, de levende getuigenis er van zijn, dat zij zich
+voor altijd aan hem had wech gegeven. Ook beijverde zij zich om hem uren
+achtereen sterk aan te zien en altijd zijn uiterlijk voor haar
+verbeelding te hebben, als hij er niet was over-dag of 's nachts als het
+donker was. Want zij wilde, dat het kind, het mocht dan een jongen of
+een meisje worden, zoo veel mogelijk op hem lijken zou. Als zij mekaar
+aan 't liefkozen waren, schoof Mathilde zich wel zachtjes op Jozefs
+schoot, drukte haar voorhoofd tegen het zijne en liet zijn blikken
+langen tijd in haar oogen rusten. Zij dacht, dat zij, zoo, veel van
+zijn leven in zich op zou nemen. Jozef trachtte hun leven in deze
+omstandigheden zoo in te richten, dat Mathilde nooit het minste
+verdriet, of zorg of inspanning, had. Toen zij in de vierde maand van
+haar zwangerschap was, en de vijfde, en de zesde, zonderden zij zich met
+hun tweeen heelemaal af. Jozefs bekommering werd overdreven; het begon
+met dat hij volstrekt niet wilde, dat zij menschen bij hun vroegen;
+later veroorloofde hij haar nog alleen kleine wandelingetjes te doen,
+eindelijk verlangde hij, dat zij absolute rust nam. Tusschenbeide 's
+avonds maakten zij nog een klein loopje samen, maar eindelijk dat ook
+niet eens meer. Hij dreef het tot in het kinderachtige door. Als er iets
+te krijgen was buiten de kamer waar zij zaten, dan deed hij het. Wou zij
+iets hebben waar zij niet bij kon met haar handen, dan stond hij op, om
+'t haar aan te geven. Om een haverklap werd de meid gescheld, en de
+stal-houder had gedurende wel een negen weken een bizonder goeden klant
+aan de Van Wildens.
+
+De aanstaande geboorte van zijn kind maakte Jozef niet blij. Hij gaf
+daar weinig om, 't deed hem alleen een beetje pleizier, om dat hij zag,
+hoe gelukkig het Mathilde maakte. Ondertusschen, al bekende hij 't zich
+zelf nauwelijks, vond hij heel naar, dat er zoo'n verandering in zijn
+huishouden zou komen. Hij keurde het af, hij vond het vreemd, maar 't
+was waar, dat hij, voor hij wist niet hoeveel niet, gedurende dezen tijd
+een van zijn vrienden in het gezelschap van Mathilde zou gebracht
+hebben. Als hij met haar samen was, in een van die oogenblikken, dat zij
+in zijn arm stond met haar hoofd achterover, haar mond half open en hij
+haar kuste eenmaal, tweemaal, tienmaal, vijftigmaal, en zij, half
+bedwelmd, zich dan tegen hem aan liet vallen, dan schrikte hij, dan was
+'t of plotseling zijn liefde hem ontzonk, of hij maar gezoend had om te
+spelen. En dan kon hij haar nog alleen maar met een gemaakte zachtheid
+van zich wechduwen en zelf de kamer uitgaan om ergens in een andere
+kamer, boos, te gaan zitten en zich af te vragen, wat hem toch scheelde,
+dat Mathilde toch lief en mooi was altijd, dat hij haar juist dankbaar
+moest zijn, heel dankbaar, voor zoo veel goedheid, zoo veel toewijding,
+zoo veel liefde, en voor de pijn, die zij waarschijnlijk nog te lijden
+zou hebben. Soms wist hij zich te overwinnen, dan gaf hij zich moeite om
+al de liefde, die hij voor haar voelde, zijn denken te doen vullen en
+dat andere gevoel te doen verdringen. Dan zag hij alleen haar oogen,
+haar mond, hield van haar als altijd. Ook merkte zij niets van die
+weerzinbewegingen in zijn gemoed. Voor haar bleef hij dezelfde, dag in
+dag uit, Vol voorkomendheid, vol zorg, vol teederheid.
+
+Mathilde hield in zich zelf eindelooze beschouwingen over de
+waarschijnlijkheid van dat haar kind, naar liet uiterlijk of het
+innerlijk, zus of zoo zou wezen. Ook sprak zij er met Jozef over. Dan
+waren dat gesprekken, die een, twee uren achter elkaar duurden, vervuld
+van illuzies, van lachende droomen, van rozige gedachten, van
+hemelsblauwe veronderstellingen en schitterende voorspellingen. Zij
+wilde bepaald een jongen hebben, een zoon, die heelemaal een kleine
+Jozef zou wezen, die haar van twee Jozeffen omgeven zou doen zijn; de
+eene groot, forsch, breed, in den bloei en de kracht van zijn leven, de
+andere klein, teer, tenger, met den bloesem van de jeugd op zijn
+gezichtje, en die beiden toch maar een Jozef zouden zijn, daar de eene
+den anderen had gemaakt alleen in liefde voor haar. Hij zeide meer naar
+een meisje te verlangen, nu al pleizier te hebben hij het idee van eens
+te zullen kunnen zeggen: "mijn dochter doet dit, mijn dochter doet dat,
+mag ik u mijn dochter voorstellen?" Maar hij verlangde lang zoo vurig
+niet naar dat kind als zij; ook was zij, bij zulke gesprekken, bijna
+voortdurend alleen aan 't woord, haar mond stond niet stil, en Jozef
+werd eindelijk alleen verzocht telkens toe te stemmen, als zij hem iets
+vroeg: niet waar?, he?, vin-je ook niet? Hij knikte maar glimlachend ja
+en gaf haar het grootste gelijk van de wereld. Hij vond het niet
+vervelend haar zoo aan te hooren en verder niets te doen, maar om het
+onderwerp van haar gesprek gaf hij minder dan om haar zelve. Hij nam met
+genoegen waar, hoe vol zij was van het leven, hoe gezond en zacht
+gelkeurd haar wangen er uitzagen, hoe zeer hij en zijn kindje, dat zou
+geboren worden, de eenige dingen waren, waarmee haar lieve hoofd zich
+bezighield, en hij dacht telkens: jongen, wat heb ik het toch goed
+getroffen ik heb een allerliefste vrouw! Ondertusschen praatte zij
+voort: de jongen zou dus groote blauwe oogen hebben en bruin haar,
+misschien een krullebol. Hij zou stellig den mooyen neus en ooren
+krijgen van zijn vader, maar vooreerst zou daar nog wel weinig van te
+bespeuren zijn. Hier kwam nu het gesprek op den toestand van een
+pasgeboren kind. Mathilde had zoo iets nog nooit gezien; nu beduidde
+Jozef haar, dat zij zich daarvan geen illuzies moest maken. Hij vertelde
+haar hoe zoo'n wezentje was, met zijn rood rimpelig vel, zijn vreemde
+oogjes, meestal gesloten, zijn hoofd zonder haar, zijn mondje zonder
+tanden, bibberend en schreeuwend in de wereld komende. Maar zij wilde
+hier eerst liever niet van hooren. Maar later verzekerde ze, dat, hoe
+het kindje er ook uit mocht zien, zij er toch dadelijk vreeselijk veel
+van zou houden. Eens voelde zij den schrik voor het viezige, het
+wezenloze, het dierlijke van zoo'n pasgeboren kindje, maar zij was al
+gauw weer vol vertrouwen; als zij Jozef onophoudelijk en met zoo-veel
+liefde aankeek en zijn uiterlijk voortdurend op nieuw in zich opnam, dan
+zou, dan moest het kindje mooi wezen van het eerste uur van zijn geboorte
+af. Wat een heerlijke jaren zouden er nu voor haar komen! Door het leven
+te gaan tusschen haar man en haar kind! Aan den eenen kant een knappe,
+lieve man, die haar in alles steunde en beschermde, en raad gaf, aan den
+anderen een blond jongetje, dat om haar heen dartelde en haar zijn lieve
+moeder noemde. Wat zou het goed staan tegenover de menschen, zoo'n familie
+te zijn Eerst zou het kindje, natuurlijk in de lange witte kleeren worden
+gekleed. Zij was al bezig daarvoor te zorgen. Heele middagen zat zij er
+aan te werken, en telkens klonk de vermanende stem van Jozef er door heen,
+dat zij het zich niet te druk mocht maken. Terwijl zij, een zilveren
+vingerhoedje om den middel-vinger van haar rechter hand, de slanke
+glimmende naald tusschen haar wijsvinger en duim gedrukt hield, naaide
+zij met regelmatige steken, op en neer met haar hand, op en neer. Wanneer
+zij het linnen en batist, de wol en de kanten op die wijze hanteerde en
+fatsoeneerde, stelde zij zich voor hoe, in een niet ver verschiet, die
+dingen om de poezele blanke leedjes van haar kindje heen zouden gewikkeld
+zijn, en zat zij met een heelen stapel wit goed op haar schoot, dat, door
+elkaar, in een berg van plooyen, tot aan haar kin kwam, dan verbeeldde zij
+zich, daar al een rond ventje onder te hebben liggen, een huidje te voelen,
+met een jonge, reine warmte. Jozef was er eerst tegen geweest, dat zij-
+zelf al die kleertjes maken zou, maar als hij haar nu, na dat zij het toch
+doorgedreven had, aan den gang zag, en haar lieve gezicht boven al die
+zuivere witheid uit zag komen, vond hij 't toch wel aardig.
+
+Later zou het jongetje, want, neen, nu zonder gek-heid, het moest een
+zoon wezen, zij was er zeker van, later dan zou hij vooral het liefste
+zijn--en over dezen tijd sprak zij het graagst met Jozef--als hij zou
+kunnen spreken en zij, de ouders, zijn verstand langzamerhand voor den
+dag zouden zien komen. Dan zou Jozef hem, och heer, met allerlei
+nietsjes, maar die een heele wereld in zich sluiten voor kinderooren,
+inwijden in het begrip van de dingen van het dagelijksch leven, van zijn
+omgeving. Zij zag hem al van hier aan Jozefs knieen staan, met groote
+oogen aandachtig luisterend. Zij zou hoofdzakelijk zorgen voor dat hij
+braaf werd en gezond. Voor alles zou zij hem de liefde leeren voor zijn
+vader. Zij zou hem zeggen, hoe goed en lief Jozef is, hoe haar, zijn
+moeder, niemant dierbaarder was, hoe hij alles aan zijn vader te danken
+had, wat pleizierig voor hem was. Zij zou vooral van haar zoon een
+tweeden mensch vol liefde voor Jozef maken.
+
+De vraagstukken van opvoeding kwamen op in Jozef en Mathildes
+gesprekken. Mathilde was bepaald en onveranderlijk voor een strenge
+opvoeding. Zij was daar tegenwoordig 's avonds druk over aan 't lezen.
+Op haar verlangen kocht Jozef, die daarmee lachte, een paar nieuwe
+boekwerken over opvoeding. Jozef was voor de zachte, toegeeflijke
+methode. Hij vond, dat pakken slaag te geven en in een hoek te zetten
+een kind niet beter maakte. Maar hij wou zich wel onderwerpen, zei hij,
+hij liet haar de beslissing over. "Zachte chirurgijns maken stinkende
+wonden", zei Mathilde iederen keer, waarop Jozef dan altijd begon met te
+andwoorden, dat een gewonde en een chirurgijn in een heel andere
+verhouding tot mekaar staan als een ouder tot zijn kindje, dat alleen
+het zooveel mogelijk vrijheid laten en het door redeneering fouten onder
+het oog brengen een kind tot een waren man maakte, maar daartegen had
+zij bizonder veel dingen te zeggen: dat een kind voor geen redeneering
+vatbaar was, dat men zijn kind niet liefhad, zoo men het niet strafte,
+dat alleen hij, die eens zelf door kastijding had leeren gehoorzamen,
+later in staat was goed op te voeden, dat men anders onmogelijk een kind
+braaf kon maken, onmogelijk, dat men, strafte men niet, de liefde en
+eerbied voor de ouders zelf uit het gemoed van liet kind bande, dat men
+op die manier zijn gezach verloor, en nog duizend redenen meer, zoo dat
+hij ten laatste haar maar een zoen gaf, om er een einde aan te maken.
+Maar zij hield niet op voor hij zei: je hebt gelijk. En dan was zij
+eigenlijk nog niet te vrede, dan moest hij haar beloven, bepaald
+plechtig beloven, dat hij streng zou wezen. Hij begon te lachen, maar
+zij bleef hoogst ernstig; ten slotte beloofde hij alles.
+
+Van God de Heer was weinig sprake als Mathilde dacht en sprak over haar
+kind. Het was zonderling, maar alleen bij de gedachte aan haar vader
+kwam er een God, haar God, te pas. Met haar laatste groote droefheid,
+verflauwde ook haar godsdienstzin. Wanneer zij gelukkig was scheen zij
+geen andere behoefte te hebben, dan die door het haar omgevende aardsche
+werden vervuld.
+
+De laatste maand voor haar bevalling was Mathilde in een hijgende,
+zenuwachtige afwachting. Haar kind, haar eerste kind zou geboren worden.
+O, wat ging die tijd langzaam!
+
+Jozef vond, dat het nu waarachtig langzamerhand lang genoeg begon te
+duren. Hij wou maar, dat Mathilde gauw weer elegant en slank zou zijn,
+dat hij zich weer in 't publiek met haar zou kunnen vertoonen, in de
+komedie en op koncerten, en dat iedereen dan weer zou zeggen: wie is
+toch die man, die heer daar, met die prachtige vrouw aan zijn arm. Hij
+vond, stil voor zich, den toestand toch eigenlijk zoo lammelendig.
+Intusschen hield hij haar trouw gezelschap tot het einde toe. Hij was
+altijd op kantoor en thuis. Hij kocht een wieg voor haar. 's Avonds las
+hij haar voor; zij gingen vroeg naar bed.
+
+
+
+
+X.
+
+
+'t Was in 't midden van een nacht, dat de bevalling gebeurde. De dokter
+had Jozef, die zenuwachtig was, uit de slaapkamer laten gaan. Hij zou
+den vader wel komen waarschuwen, als het zoo ver was, had hij gezegd.
+Jozef was, in zijn sjamberloek, beneden naar de zaal gegaan. Waarom
+juist daar-na toe, dat wist hij zelf niet. Hij had een gaspit opgestoken
+en drentelde in het zwakke licht heen en weer over het dikke tapijt. Nu
+eigenlijk scheen hij pas goed over hetgeen er boven ging gebeuren na te
+denken. Hij vroeg zich af, wat er het gevolg van zou wezen. Zijn blikken
+gingen langs de lambrizeeringen, langs de zoldering en den vloer, over
+de schilderijen, alsof dat nieuwigheden waren. Eigenlijk keek hij naar
+niets, maar luisterde naar de geruchten die van boven kwamen. Die lieve,
+goede Mathilde, wat stond zij misschien nu een pijn uit. Maar hij kon
+haar niet helpen, men moest afwachten de dingen, die komen zouden. 't
+Was een elllendig iets, dat kinderen krijgen! Hoe jammer, dat het niet
+gemakkelijker kon en zonder zooveel schade! Hij hoopte nu maar in
+Godsnaam, dat Mathildes lichaam er niet te veel onder lijden zou. De
+tijd ruischte in de nacht-stilte om hem heen voorbij. Daar dacht hij aan
+de namen, die hij met Mathilde afgesproken had, dat het kind zou
+krijgen. Was het een meisje, dan zou zij Agnes heeten, naar zijn moeder,
+die nu al vijftien jaar dood was. Werd er een jongen geboren, dan zou 't
+Bernard zijn, met nog een paar onverschillige namen er achter, naar haar
+vader. Maar weer schudde hij voor zelf neen! Hij had er zich niet mee
+kunnen vereenigen. Bernard was veel te burgerlijk. Hij wilde zijn zoon
+een voornamer, een buitengewonen naam geven. Iets van Felix of zoo.
+Felix, dat was mooi, dat klonk. Kreeg de jongen later zijn eigen
+visite-kaartjes, dan zou daarop gegraveerd staan: Felix van Wilden, of
+in 't fransch, nog beter: Mr. Felix, met den klemtoon op ix, Mr. Felix
+van Wilden! Jozef zag zijn zoon al voor zich, in een elegant jasje, een
+jonge man van twintig jaar, naast hem, ook nog jong, ook in een elegant
+pak, misschien met enkele grijze haren, samen op straat, samen op
+reis ... En hij vergat Mathilde voor een oogenblik.
+
+De dokter stapte door den gang, maakte de deur van de zaal open; op zijn
+eenen voet vooroverbuigend, zijn hoofd door de opening, riep hij luid
+naar binnen, opgewonden: Vadertje, geluk met je zoon, hoor! Hij sloot de
+deur en ging gauw naar boven terug; Jozef hem na.
+
+De slaapkamer was langwerpig, met twee ramen naar de binnenplaats,
+tegenover de deur. Het was er donker-groen: de venster-en bedgordijnen,
+het tafelkleed en de stoelbekleeding waren donker-groen, ook de
+ondergrond van het tapijt. Er stonden twee groote en twee kleinere
+antieke kasten tegen de wanden. Een olielamp brandde nu op de tafel in
+'t midden; voor het bed grilde de schaduw van den ovalen kapspiegel op
+de tafel. Twee kaarsen tongevlamden op de latafel tegenover het
+ledikant, voor het apotheek-kastje. Toen Jozef binnenkwam, was de baker
+voor de tafel geknield. Zij hield het kind er boven in haar linkerhand
+en wond hem met haar andere in witte en gele doekjes. Met haar zeer
+klein hoofd, als geklonken in haar stijve kornet, leunde zij met haar
+eene hand op de tafel, boven het kind gebogen, wiens hoofdje nu nog
+alleen zichtbaar bleef. De baker stak haar vinger in den mond van het
+kind, en, zeer op de hoogte met haar kleine grijze oogen, zeide zij, dat
+er al een tand in het mondje zat en het kind dus met een tand was
+geboren. Dit scheen den dokter, die, tegenover de vrouwen aan de tafel,
+aan 't uitzoeken van het linnen-goed was, dat Mathilde nu eenigen tijd
+moest dragen, niet te verwonderen.
+
+Na het kind even bekeken en bevoeld en zijn wangentjes gezoend te hebben,
+ging Jozef zachtjes naar het bed, en draaide zich in de dichtgeschoven
+gordijnen. Mathilde lag in de groene duisternis, stijf in de schoone
+witte lakens. Zij hijgde zachtjes, haar haren, als een kronkelende zwarte
+plas, veel en verward over het kussen. Zij zag erg wit.
+
+--Mathilde, ik dank je wel, fluisterde hij en hij kuste haar.
+
+Maar haar lippen beefden en waren koud, en hij dacht in-eens, hij wist
+niet waarom, dat ze er wel eens van dood zou kunnen gaan. Hij lei zijn
+hand in haar haar op het kussen en vroeg:
+
+--Hoe voel-je je?
+
+--Uitgeput, erg uitgeput ...
+
+Zij bleef roerloos liggen en zei daarna, hartelijk, angstig, langzaam,
+de zeurige woorden, die pas bevallen vrouwen spreken:
+
+--Jos, ik weet niet hoe 't af zal loopen, maar mocht ik dood gaan, zorg
+dan goed voor ons kind! Als ik kon, dan zou ik het je knielend vragen.
+Maar beloof 't me, Jozef, maak, dat hij godsdienst heeft ... Be-loof
+'t me ...
+
+--Hoe kan je nu zoo spreken?, vroeg hij, ons leven begint nu pas goed en
+je denkt om te sterven!
+
+--Ik voel dat ik heel goed van-nacht kan sterven, andwoordde zij.
+
+Toen werd ook hij vreeselijk zenuwachtig, beiden in de kinderlijke
+aandoening van den hevigen toestand: nee, nee, dat kan niet! zei hij
+hard, en hij zoende fel haar gezicht, haar aan haar schouders vattende.
+De dokter en de baker kwamen er bij. De dokter had het gordijn
+wechgeschoven, hij trok Jozef bij zijn arm bedaard van het bed te-rug.
+Maar Jozef rukte zich los en riep, huilend:
+
+--Maar, ze sterft! waarom heeft u me dat niet gezeid? O, God, o, God,
+wat moet ik doen? Ze is koud, dokter, zoo koud als ijs, zeg ik u, en
+kijkt u d'r oogen eens!
+
+--Maar, 't is niets, hoegenaamd niets, zei de dokter, dat hebben
+bevallen vrouwen altijd!
+
+--O, ja, zei de baker, dat wil de natuur zoo.
+
+Zij stond op en hield het kind voor zich uit.
+
+--Hier, moedertje, kijk maar eens naar je jongen.
+
+Zij tilde het kind in bed, voor Mathildes gezicht. Maar Mathilde scheen
+er niets van te merken.
+
+--Is het wezenlijk zoo? vroeg Jozef, zal ze beter worden? U moet me niet
+foppen, meneer!
+
+--Absolute rust en kalmte om haar heen is noodzakelijk, zei de dokter,
+dan zal zij gauw weer heelemaal in orde zijn.
+
+Jozef ging naar de baker, nam het kind op zijn handen en bekeek het
+nauwkeurig. Mijn gezicht! zei hij zachtjes, ofschoon daar nog volstrekt
+niets van te zien was. Hij zoende het kind, en gaf het aan de baker
+te-rug. Daarna ging hij naar de logeerkamer, waar hij nu de eerste
+nachten zou slapen. Hij was erg moei, maar hij kon toch niet in slaap
+komen. Na een uur van onrust, toen zijn zenuwen een beetje tot bedaren
+kwamen, ging hij nog toch eens op zijn kousen kijken, of Mathilde sliep.
+
+De lamp en een van de kaarsen waren uit in de kraamkamer en de andere
+kaars stond op tafel, vanwaar zij een vaal licht door de kamer
+verspreidde. Naast het ledikant stond het wiegje, waarin het kind sliep.
+De vroedvrouw, die eigenlijk bij de verlossing niet geholpen had, en die
+Jozef, ongewend aan bevallingsmaatregelen, er maar voor alle sekuriteit
+bij genomen had, en ook om dat zij zoo goed waken kon met-een, zat in
+een hoekje met strak open oogen, roer-loos-wakker. Jozef kwam aan het
+bed, en, stil de gordijnen een beetje wechschuivende, boog hij zich over
+de wieg heen en bespiedde Mathildes gezicht. Zij lag nog altijd
+onbewegelijk in dezelfde houding, met dichte oogen; zij sliep. Hij
+luisterde oplettend ... Haar ademhaling ging zachtjes en regelmatig. Noch
+even bleef hij staan en bezag haar, teeder.
+
+Toen hij weer in bed lag, gaf hij zich pas rekenschap van zijn
+aandoeningen. Hij had Mathilde dan toch wel lief. Hij bracht een nacht
+vol angsten door. Neen, maar wat ging er nu gebeuren! Daar had hij
+allerminst op gerekend, een zieke vrouw in huis! Hij sliep eindelijk
+vermoeid in, om weer met hoofdpijn wakker te worden, laat in den
+volgenden morgen.
+
+ * * * * *
+
+Gedurende den kraamtijd en nog weken daarna verveelde Jozef zich
+gruwelijk in zijn huis. Mathilde was eenvoudig ziek en herstelde maar
+niet. Dokter Hansen had om een konsult met professoren gevraagd, dat
+gebeurd was. De uitslag was: Mathilde had een hart-ziekte opgedaan,
+misschien voor altijd. Zij moest die al onder haar leden hebben gehad
+en misschien van een van haar ouders of grootouders hebben overgeerfd.
+Daarbij hadden hevige koortsen haar vreeselijk verzwakt. Zij had
+kongesties naar haar hoofd, en duizelingen. Tweemaal daags werden er
+ijskompressen boven op haar schedel gedrukt, om de gloeyingen te
+bekoelen. Zij was zoo uitgeput, dat zij alleen heel zachtjes praten kon
+en dadelijk weer moest zwijgen na dat men begrepen had, wat zij
+verlangde. In de ziekenkamer was een volte en een drukte. In de eerste
+week had Mathilde volstrekt geweigerd het wiegje uit haar kamer te laten
+wechnemen. Zij wilde haar kind onophoudelijk bij zich hebben. Het moest
+liggen onder het bereik van haar blikken. Het kind schreeuwde nu
+dikwijls lang achter mekaar, als het niet sliep. Dan kwam Marie, het
+boeren-meisje, dat als min aangenomen was, hief het kind op in haar
+armen, drukte het aan haar borsten, suste en zoogde het. En telkens zei
+Mathilde, in de halsstarrigheid van haar koortsige gedachten, dat men
+haar Felix, zoo was het kind toch genoemd, zou geven, dat hij dan wel
+dadelijk stil zou zijn. Maar in de duisternis van het ledikant huilde
+het kind zoo erg, dat Mathilde het aan haar ooren niet uit kon houden en
+het dadelijk aan Marie te-ruggaf. Tweemaal per dag kwam de dokter, die
+altijd heel veel leven maakte, allerlei raad gaf en stadsnieuwtjes
+zonder einde te vertellen had. Jozef ging 's ochtends voor een paar uur
+naar 't kantoor, maar was overigens zijn meeste uren in de ziekenkamer,
+tusschen de wieg en het ledikant zittend, angstige blikken over Mathilde
+gooyend, ongeduldig en mis-moedig, haar zoo dikwijls vragende of zij nog
+geen beterschap voelde, dat het scheen, als wilde hij daar-door de
+ziekte doen wijken. Hij had zelf Mathilde met de medicijnen willen
+helpen, inschenkend en aangevend. Elk half uur hoorde men hem het
+fleschje en den lepel bewegen. Hoeveel druppels ook weer, mompelde hij,
+en noemde dan het aantal. Na dat zij den medicijn had ingenomen, staarde
+hij Mathilde aan soms, over het bed gebogen, als moest er een
+onmiddellijk uitwerking zichtbaar worden.
+
+Maar al gauw werd het Jozef te bar uren achtereen in de duffe atmosfeer
+van de ziekenkamer onbewegelijk, stilzwijgend, hoorend allerlei vieze
+geluiden, met die doffe drukte om hem heen, te wezen. En hij ging
+wandelingetjes doen buiten, over de grachten, in de frissche lucht. Eens
+kwam hij Hasman tegen, die hem toch al een visite had gemaakt. Hasman
+wist hem mee te krijgen naar de club. Maar Jozef was de oude niet meer.
+Hij kon niet meer zoo lachen, niet meer van die geestigheden zeggen, zoo
+als vroeger. Eindelijk hield hij zich heelemaal stil aan het tafeltje,
+waarom zij zaten, en wilde heen. Hij moest naar zijn vrouw, hij moest
+naar de ziekenkamer. Wie weet wat er gebeurd kon, zijn, juist nu hij
+wech was. Jozef had geen rust, als hij niet bij 't ledikant zat, en,
+daar eenmaal zijnde, verveelde hij zich onbegrijpelijk erg. In een
+middag, dat hij weer zijn gapen moest onderdrukken, slenterde hij de
+trap af naar beneden en ging zitten lezen. De glazen kast stond daar,
+vol boeken, en zijn glansende schrijftafel, nog bijna ongebruikt. Eens
+hield hij het zoo een vol uur uit. Toen kwam Marie:
+
+--Meneer, mevrouw heeft zoo'n pijn. Zij laat vragen, of u even boven wil
+komen.
+
+In een zucht sloeg hij het boek dicht.
+
+--Och ... Jozef ... Jozef ... kom hier ... zei Mathilde.
+
+--Maar wat is 'et dan? vroeg hij.
+
+--Zoo'n pijn, zoo'n pijn! hier ...
+
+--Waar? in je rug?
+
+--Nee hier,.... overal ... onder mijn borst ... en dan zoo'n akelig gevoel
+in mijn hoofd ... Net of er allemaal geronnen bloed in mijn achterhoofd
+zit ... En dan zoo'n pijn in mijn beenen. Mijn beenen zwellen op ... Ik
+weet 't niet, wat 't is. Mijn heele lichaam is ziek. Kom eens hier, buig
+je nog eens naar me toe.
+
+--Wat dan? Wat wou je dan?
+
+--Ik wou je een zoen geven. Och toe, och toe, blijf bij me zitten.
+
+Voor een halfuur was Jozef er weer aan vast. Eindelijk besloot hij daar
+een boek mee te brengen en de kranten.
+
+Jozef wende er zich weer aan, van een uur 's middags af, voortdurend
+thuis te zijn. Hij deed zijn schoenen uit en schoof door het huis op
+pantoffels, als een ziekenoppasser.
+
+Een paar weken later, mocht Mathilde uit haar bed komen en in de
+slaapkamer opzitten.
+
+Voor een van de kleinere kastjes, dat naar de logeer kamer was gebracht,
+was een boeken-en teekenkast voor Mathilde, in de plaats gekomen. Een
+van de dingen van haar ziekte was een lammerigheid van haar beenen,
+waardoor zij niet kon loopen. Een uur per dag maar ging zij uit haar
+kamer, dan werd die gelucht. Het sombere licht dat door de binnenplaats
+hier binnen-stootte was het eenige waar haar oogen nog tegen konden. Uur
+aan uur zat zij daar dan te lezen of wel te teekenen. Voor de groene
+tafel in een donker-grijzen, met donker-rood afgezetten peignoir, heur
+haren tot een zware vlecht samengebonden onder een donker-grijs, met
+donker-rood afgezet mutsje, haar slanke linkerhand waarvan alleen de
+duimtop door het porceleinen palet zichtbaar was op de tafel, met drie
+penseelen er dwars uitstekend. In haar rechterhand had zij een penceel
+of potlood en ze teekende en kleurde. Haar gezicht was erg vermagerd en
+als de grove hand van de goedige Marie niet een zilveren lepel vol
+licht-geel vocht, van het, nu overvolle, apotheekkastje naar haar
+toekwam en ze haar hoofd in de hoogte deed, dan zag men hoe haar oogen
+waren ingevallen, hoe de eerste eigenlijke rimpels op haar jong gezicht
+waren, hoe in-mekaar gezakt ze zat. Ze ging meestal om acht uur naar
+bed, en stond om elf uur 's morgens op. Vooral 's nachts had zij veel
+pijn en benauwdheden, zoo dat zij niet kon blijven liggen en de kussens
+hoog achter haar werden opgestapeld.
+
+Toen Jozef haar voor 't eerst weer eens vlak bij het venster, onder vel
+daglicht zag, schrok hij. Zij merkte 't aan zijn oogen.
+
+--Ben ik zoo veranderd? vroeg zij.
+
+Hij vatte haar teeder bij haar schouders en zoende haar bleeke wangen.
+Maar dien zoen voelde hij als op doode wangen. Onmerkbaar trilde er iets
+in zijn oogen; er ging een kou door hem heen.
+
+--Je zult bepaald heel gauw weer beter zijn, zei hij.
+
+Zij gingen samen even zitten voor het venster, op twee stoelen vlak bij
+elkaar. Mathilde was nog in haar witte nachtgoed; haar gezicht was nog
+witter. Er was een verlegen stilte. Jozef zat, een beetje naar haar toe
+voorovergebogen, zijn eene elleboog op zijn been geleund, de handen
+loshangend tusschen zijn beenen. Hij keek haar medelijdend en lief aan.
+Haar blikken, vanachter een doffen glans van uitputting, zwierven door
+de ruiten heen, over de zonnige plekken op de binnen-plaats, zonder
+gedachten, in afwachting van wat hij zeggen zou. Hij had iets:
+
+--Wil-je nu wezenlijk niet liever op de logeerkamer gaan en mij hier
+laten slapen? vroeg hij, dan heb je ten minste nog een beetje afleiding
+door het leven en alles wat er te zien is op straat.
+
+--Och nee, zei ze, daar ben ik te zwak voor. Ik wil liever maar niets
+zien ... het bevalt me hier 't best.
+
+Zij kuchtte stilletjes. Na een poosje, bewoog zij langzaam haar rechter
+hand, streek er zachtjes mee over Jozets groote blanke hand, heen en
+weer, met haar dunne vingertopjes over het zachte vel, nauwelijks er aan
+rakende. Toen zei zij, met een bedaarde, klagendzachte stem, waar een
+te-vredenheid in klonk, dat zij zoo met hem alleen was in haar ziekte:
+
+--Wat heb jij toch mooye handen! Eigenlijk veel te mooi voor een man.
+
+Daarna dacht ze weer een tijdje.
+
+--Zie-je, zei ze toen, als zei zij het besluit van een lange inwendige
+redeneering, het is onmogelijk, dat ik altijd zoo zou blijven als ik nu
+ben ... Een geluk, dat zoo groot is, kan niet in-eens uit zijn ... Ik zal
+stellig weer beter worden, heel zeker, ik weet 'et natuurlijk niet, maar
+zie-je, ik voel 'et zoo, ik voel 'et. En je begrijpt wel, dat ik nu nog
+vreeselijk veel meer van je hou als vroeger, om ... hem, om Felix.
+
+Ze had dit gezegd, zonder Jozet aan te kijken, haar blikken mijmerig
+voor zich uit; nu knipte zij haar oogen even snel dicht en deed ze naar
+zijn kant weer open, hem zoo vragend, hoe hij wel vond, wat ze daar
+gezegd had.
+
+--Ja, andwoordde hij, stellig! Ik geloof 'et ook, bepaald. En, als had
+hij zich nog niet krachtig genoeg uitgesproken: Daar is zelfs geen
+sprake van, dat je niet beter zou worden. Ik twijfel er geen oogenblik
+aan.
+
+Mathilde zat achter in haar stoel, haar oogen neer. Zij wreef met haar
+rechter duim over haar linkerhand.
+
+--En Emilie Hartse is met Berlage getrouwd he? vroeg zij, de woorden als
+uit haar mond slepend.
+
+--Ja, ze zijn d'r gisteren geweest; ik heb hun kaartje beneden: meneer
+en mevrouw Berlage-Hartse.
+
+--He, 't is een kokette, akelige vrouw, die Emilie, ik hou niets van
+d'r!
+
+--Och! zei Jozef verontschuldigend.
+
+Toen Mathilde dien avond om negen uur al lang in bed lag en alles rust
+was in de kamer, terwijl het buiten onhoorbaar sneeuwde en de wind over
+de binnenplaats aan de ruiten ritselde, zat Jozef daar nog altijd, voor
+de tafel. De koeranten van den avond, een paar tijdschrift-afleveringen,
+een boek, lagen voor hem. Hij las het Buitenlandsch Nieuws. Die Emilie
+Hartse, mevrouw Berlage, was wel een aardig vrouwtje! Hij lei het blad
+plat op tafel en streek de kreukels er uit om beter te kunnen lezen. Zij
+was zoo vroolijk, zij was ook mooi, hij mocht haar wel. Hij las van de
+onaangenaam-heden, die tusschen De Duitsche en Fransche regeeringen
+aanhangig waren. Zij zouden nu in lang wel geen partijtjes kunnen geven,
+waarop mevrouw Berlage zou komen. Bismarck en Gambetta konfereerden door
+bemiddeling van de ambassadeurs over de belangen van Europa. Hoe was het
+mogelijk, dat zij dien dommen Berlage genomen had! In Rusland werd
+dagelijks de vrees grooter voor uitbarstingen tusschen de joden en de
+boeren. Zij had mooie rooye lippen, die Emilie. Het jonge Italie, dat ...
+
+--Ben je daar nog, Jos? kreunde fluisterend uit het bed.
+
+Jozef stond op.
+
+--Ja, wat wou-je, kind?
+
+--Mag ik een glas water asjeblieft!
+
+Hij gaf het en zoende haar klamme voorhoofd.
+
+--Probeer nou weer te slapen, zei hij, dat zal je goed doen. Ik ga nu
+maar naar beneden nog wat lezen, dan heb je 't rustiger, en dan ga ik
+ook naar bed. Wel te ruste! Tot morgen, misschien ben-je morgen wel
+veel beter.
+
+--Ja, misschien; laat Marie met Felix nog eens hier komen, wil-je?
+
+Driemaal per dag kwam Marie, met het kind op haar arm, bij Mathilde;
+Jozef ontmoette haar nu op de trap. Hij hield haar staande nam het kind
+even van haar over, zoende het en ging verder. Alles was doodstil in
+huis; alleen hoorde Jozef, toen hij in den gang kwam, eentonig de
+keukenklok tikken. Hij veegde met zijn zakdoek zijn lippen af. Hij
+zoende niet graag zulke jonge kinderen. Die Marie is eigenlijk volstrekt
+niet kwaad, dacht Jozef, een aardige meid!
+
+Toen Jozef het licht had opgestoken in de achter-kamer, en een boek, een
+roman in een kalfslederen band gebonden, uit de kast wilde nemen, steeg
+er plotseling een woede, de uitbarsting van een lang onderdrukt
+ongeduld, in hem op. Hij maakte groote stappen door de kamer.
+
+--Dat duurt nu al maanden, zei hij luid, het gaat niet meer, ik weet
+niet, wat ik doen zal.
+
+Hij stak een zwaren cigaar op en bleef beweging-loos en dommelend den
+heelen avond zitten. Een verzet was in zijn hart ontstaan. Hij verveelde
+zich onhoudbaar. Het ging toch ook werkelijk niet op den duur!
+
+Gedurende de volgende dagen, dacht Jozef, koud, met zijn rede en zijn
+gevoel van wereldsch mensch, na over zijn vrouw en zijn kind. Zij ging
+erg achteruit. Wat moest er in Gods naam van komen? 't Was wel aardig
+geweest, even na de geboorte, het denkbeeld van zijn eigen kind te
+hebben, een voortbrengsel van zijn liefde, maar nu, een klein leelijk
+rood, onooglijk, schreeuwend wicht, neen! 't was alles behalve
+pleizierig.
+
+ * * * * *
+
+Langzaam verstreken maanden. Mathilde bleef 't zelfde. In dezen tijd,
+kon zij eens 's avonds niet in slaap komen. Zij had dien middag
+onwillekeurig een paar uur gedommeld, en lag daarom nu wakker. Zij dacht
+dat zij een beetje de koorts had. Haar oogen, wijd open, staarden naar
+boven, naar den groenen hemel van het ledikant, zwartgroen in de zwakke
+schemering van het nachtlicht, en die in stijve plooyen zich in een
+middenpunt, een rozet, samentrok, waaruit een beddekwast nederdaalde,
+roerloos als de slinger van een stilstaande klok. Het felle wit van het
+dek, dat zich als harde sneeuw, over en om haar heen spreidde,
+schreeuwde tegen de duisternis, scheen naar boven te dringen en stapelde
+zich op, als een koude massa, midden in de zwarte tinten. Mathilde
+dacht ... en bewoog haar lippen of streek er met haar tong tusschendoor,
+van pleizier van zoo te liggen denken. Het suisde door haar hoofd; er
+was een ijlheid in haar hersens. Haar zieke gestel gaf haar gedachten
+een bizondere scherpte en levendigheid. Terwijl een nattigheid door haar
+oogen sprankte lispte zij, en er ging iets droogs, iets kramperigs door
+haar verhemelte ... O Jozef! ... o Jozef! ... Zij bewoog haar eene voet
+even en schikte haar armen in een gemakkelijker rust op het bed, om nog
+inniger en uitsluitender aan dat eene onderwerp te kunnen denken. Zij
+dacht er over, wat zij allemaal zouden doen, als zij weer beter was.
+Heerlijk! Heerlijke jaren zouden er komen! Wat een gelukkig en benijd
+drietal zouden zij zijn! Zij had dat al zoo dikwijls gedacht, maar nooit
+zoo hevig als nu. Zoolang zij alleen jonggetrouwden waren geweest, had
+zij nog altijd iets gevoeld, zij wist niet precies hoe, maar als of zij
+nog half en half niet getrouwd was, als of die man wel elk oogenblik
+heen kon gaan, niet dat dat gebeuren zou, maar dat 't ten minste
+mogelijk was. En ook zoo voor de menschen. Als zij en Jozef menschen
+ontmoetten, bij hun aan huis of op straat of bij anderen, dan was er in
+'t "dag, meneer, dag, mevrouw" of in het "dag, Jozef, dag, Mathilde"
+iets als of de menschen op dat oogenblik den indruk kregen van twee
+alleenstaande wezens te ontmoeten, twee op zich zelf staande menschen,
+die wel innig aan mekaar verbonden waren, maar toch maar met hun tweeen
+waren en elk oogenblik ieder een anderen weg konden gaan. Maar nu niets
+van dat alles meer. Nu was zij niet alleen heelemaal vrouw, een jonge en
+gepozeerde vrouw tegelijk, maar nu waren ze, zoo dacht zij, nog meer een
+samen, zij hoorde nog veel meer dan vroeger, ook voor de menschen,
+onafscheidelijk bij mekaar. Zij waren niet meer jonggetrouwden, neen,
+hij was de vader, zij was de moeder. En wat een vreeselijke
+heerlijkheid, op straat en overal in 't openbaar met elkaar te zijn en
+dan de menschen te zien of te hooren zeggen: "dat is de jonge mijnheer
+en mevrouw van Wilden, ze zijn drie jaar getrouwd zoo wat, zij hebben
+een kindje, een allerliefste jongen". Maar, dat alles daargelaten, wat
+zouden zij een stil en heimelijk geluk met hun drieen hebben in huis!
+Hij daar, zij hier, en Felix in 't midden! Neen, maar 't was waar ook,
+zij had volstrekt, na de geboorte niet al die ellende, over dit groote
+geluk nog niet in onderdeelen nagedacht. En, terwijl de koude, als een
+vale nevel, door de kamer, door het ledikant en over haar heen zweefde
+en haar gezicht doortrok, bleef dat gezicht maar liggen staren naar
+boven, en voelde Mathilde een warmte in haar oogen en in haar mond als
+stroomde het geluk over en wilde naar buiten, dat, als een eindeloos
+zacht zilveren vocht, door haar heele lichaam vloeide. Een enkele maal
+wreef zij, onder het dek, haar handen tegen mekaar van de eenzame
+zaligheid, die haar zoo vervulde. Heerlijk! zij zag zich al weer,
+genezen en gezond, beneden in de huiskamer zitten, Jozef tegenover haar,
+Felix op een hoogen kinderstoel, een rood puntje aan zijn neusje, twee
+heele groote oogen, lachend, juichend, met zijn handjes bewegingen van
+vreugde makend, tusschen hen in. Jozef aaide de wangetjes van het kind,
+sneed het voor hem bestemde sneetje brood zonder korst aan kleine
+stukjes, gemakkelijk om in de melk te soppen. En Jozef keek dan
+glimlachend naar haar, om te vragen, of ze het zoo niet goed vond, en om
+dan samen van liefde te lachen, samen begeesterd door het jongetje, die
+nog niet spreken kon. Liet Felixje iets op den grond vallen of morstte
+hij, dan stond zij op om hem te helpen, en stopte hem met haar vinger
+een stukje geweekt brood in zijn mond. Daarna zou ze bij voorbeeld aan
+Jozef vragen, of hij nog een kopje thee wou hebben. Hij zou haar zijn
+kopje overreiken en hun vingers zouden elkaar aanraken boven de tafel,
+voor het kind heen. Die kleine aanraking, hoe onuitsprekelijk gelukkig
+zou dat zijn! Zij die hem zoo goed kende, zij, die alle dag in de
+innigste aanrakingen met hem geleefd had, verheugde zich nu al als op
+iets buitengewoons, in het vooruitzicht van die aanraking van hun handen
+boven de ontbijttafel. Ja, want dat zou daar dan haar familie, haar
+familie zijn. In haar huis, met haar man, met haar kind, zou zij daar
+zitten, aan haar levensdoel, tot het leven gekomen voor altijd.
+
+Er kraakte iets in de kamer. Het woei buiten. Een huivering ging door
+het behangsel, het nachtlichtje bewoog, spatte even, langzaam verroerden
+zich de zwarte schaduwen; een ritseling ruischte over de vloer laag
+langs de kasten en stoelen.
+
+Was er iets? neen, er was niets. Mathilde kuchte van gerustheid. Zij
+kuchte nog eens, langzaam, in haperende schorre tikjes. En het was of
+zegenend de duisternis, in een dikken vlokken-mantel en de koude, als
+oneindig veel scherpe sprietjes, haar naderde, om haar heen viel, haar
+aaide en met haar geluk samen was. Toen dacht Mathilde aan dien eenen,
+dien eersten grooten nacht, waarin zij, voor haar open venster in het
+oude huis, over Jozef had gedacht, na dat hij 's avonds van zijn liefde
+had gesproken. In de verte, als een bevende, bleeke herinnering, zag zij
+nu inwendig haar vader voorbij gaan, voorbij ... voorbij. Zij merkte dat
+zij hem vergeten was.
+
+De koorts werd erger, en Mathilde sliep in, met droge lippen, dronken
+van het denken.
+
+Den volgenden Zondagmorgen, heel in de vroegte, was de min met Felix in
+de kinderkamer, boven de logeerkamer, voor het venster gaan zitten en
+liet het kind naar den dag kijken. Zij hield hem vlak voor de ruiten.
+Langzamerhand was het acht uur, half negen geworden, en Marie keek met
+een groote belangstelling op de stille gracht, waar na enkele
+melkboeren, die er met hun witblaauwe emmers aan de versch geschuurde
+koperen haken langs de huizen waren gegaan, om hard aan te schellen en
+de meiden, in hun nachtjakken en met halfdichte oogen, te helpen, de
+haastige en ingetogen kerkgangers liepen. Het waren burger-mannen met
+bloote handen, dik en grof, met schoenen glimmende in de morgenzon op
+de droge straat, met glimmende heele hooge hoeden op het glimmende van
+achteren heel dikke en kort in den hals afgesneden haar als geplakt;
+met borstelige nekken; met lange, zwarte jassen waaraan een dikke en
+bengelende achterzak en de andere dof gevuld; met wijde broeken van
+effen zwart laken of heele dikke met bruine strepen. Dan meiden met
+leelijke gezichten, helder gewasschen. Enkele met kornetten onder hun
+hoeden, die de meesten met bruine of zwarte banden onder hun kinnen
+hadden gestrikt. Andere hadden verouderde dameshoeden op, met veren en
+pluimen en linten in donkere kleuren.
+
+Maar vooral had Marie schik in de oogen van het kind op haar schoot. Zoo
+groot, zoo bruin, zoo zuiver vond zij ze, en zoo verstandig al. Zijn
+wenkbrauwtjes kwamen al aan, donkere streepen boven de oogen. Wat zag
+hij er mooi uit in zijn zondagspakje, met rokjes met kantjes, met die
+fijne kousjes met dat lieve blauw en witte doekje waar zijn bovenlijfje
+in gewikkeld was!
+
+Juist hield Marie het kind weer voor de ruiten en liet het dansen op
+haar knie, een zacht liedje neuriend toen de deur openging, en Jozefs
+lichaam, hoog in den klaren ochtend, binnenstapte. Marie bewonderde hem,
+met zijn lichtbruin haar, altijd zoo mooi geschoren, zoo mooi gekleed,
+en zoo vriendelijk.
+
+--Goeye morgen, Marie ...
+
+Zij andwoorde hem niet rechtstreeks. Zij vond hem haar weldoener, om dat
+hij haar, als ongetrouwde min, wel had willen nemen, toen zij juist niet
+wist wat er van haar worden zou. Zij was erg verlegen tegenover hem.
+
+--Fik, Fik, daar is vader en ze liet Fik, zoo als zij hem het eerst had
+genoemd, dansen op haar schoot; maar zij zag Jozef niet aan. Het kind
+lachte tegen vader en kraaide 't uit van de pret en bewoog zijn heele
+lichaampje zoo als kleine honden tegen hun meester doen.
+
+--Zoo jonge heer! en hoe maakt onze jonge heer 'et? vroeg Jozef. Hij
+boog zich over het kind heen en gaf hem met zijn mooyen wijsvinger op de
+bolle wangetjes een tikje. Marie, die nu rood werd, keek maar al naar
+het kind en lachte tegen hem en schikte zijn mutsje en zijn kleertjes
+eens goed met haar rechterhand:
+
+--O, heel goed, vader ... niet waar, Fik? ... Heel goed!, en ze zoende
+het kind gauw en zachtjes en hield haar oogen maar neer. Jozef nam een
+fauteuil en ging vlak bij hen zitten.
+
+--Hebben jullie al ontbeten? zei hij en keek in Maries oogen.
+
+--O ja, meneer, ... voor zevenen al ... en ze knipte met haar oogen, keek
+hem even aan en toen weer gauw uit 't venster en trommelde met twee
+vingers op de voetjes van het kind.
+
+--Kom, geef hem nou eens hier ... Nu moet vader em eens hebben ...
+
+Nu wist Marie met haar armen en met haar heele houding geen weg. Zij
+vouwde haar handen samen en drukte ze tusschen haar knieen; dan weer lei
+ze op iedere knie een hand; maar toen zij haar bruine bij Jozefs blanke
+handen zag, deed zij ze onder haar boezelaar. Nu keek zij Jozef wat meer
+aan, die heelemaal met het kind bezig scheen. Maar als hij haar dan weer
+aankeek, gingen haar blikken langs de staalgravures aan den wand en van
+de staalgravures op de stoelen en van de stoelen op het tapijt en van
+het tapijt op haar schoot en van haar schoot door 't venster op de
+gracht. Ze wist niet hoe 't kwam, maar nu stond in-eens het huilen haar
+nader dan het lachen.
+
+--En hoe bevalt je nu op den duur je nieuwe baantje, Marie?
+
+--Ik dank u d'r nog altijd wel voor, meneer ...; 't bevalt me heel best,
+meneer ...
+
+--Nou, nou, je hoeft er niet om te huilen ... hoor eens Marie ... Hij had
+haar het kind te-ruggegeven, was opgestaan en had zijn linkerhand in
+zijn broekzak gestoken, met de rechter gestikuleerende ... zal je nu goed
+voor mijn jongen zorgen? ... zal je? ... Kijk me eens goed aan ... beloof
+je 't me? ...
+
+--Ja, meneer, zeker, zeker, ... ik beloof 'et u ...
+
+Toen ging Jozef langzaam wech.
+
+'t Was negen uur geworden.
+
+Nu kwam Dientje de werkmeid binnen met een dampende kop koffie voor
+Marie. Dientje had een breeden mond, dikke lippen en alles verder in
+haar gezicht was dik en klein; zij was leelijk maar goedig.
+
+--Hier, Mietje, zei ze, koffie, ze is sterk, hoor, ... Pas op, bran je
+niet.
+
+Het kind lag in Maries rechter arm en met den linker slurpte ze de heete
+koffie.
+
+--Doet je dat nou geen goed, mensch? Ja, koffie, dat is altijd een
+heerlijke drank ...
+
+--Hoe laat drinken we koffie? vroeg Marie, terwijl ze den leegen kop aan
+Dientje te-ruggaf.
+
+--Om twalef uur; ... je moet tegen 'n uur of ellef maar 'es met Fik naar
+mevrouw gaan ... 't arme mensch.
+
+--Ja, wat is ze toch ongelukkig, he?
+
+--Ze het wat uit te staan, hoor mensch, 'n ongeneesselijke kwaal, het de
+dokter gezeid ... Nou, nou, 't is voor meneer ook een slag geweest hoor!
+
+Dientje was met haar handen haar boezelaar aan 't verfrommelen. Zij had
+een groen japonnetje aan en een geur van schoon linnen bij zich.
+
+--Ja, zei Marie, dat kan j'em dan ook nog wel aanzien ...
+
+--Och, hij houdt zooveel van mevrouw ... 't kon zoo'n best huwelijk
+geweest hebben! Maar wat zal je d'r an doen, de mensch wikt, maar God
+beschikt, zoo as ze zeggen ...
+
+--Ik zal nou maar eens naar mevrouw toe gaan, zei Marie.
+
+Mathilde zat op een leuningstoel aan de tafel, bij het raam. Haar
+teekengerei stond voor haar. Zij steunde haar hoofd op haar hand
+en tuurde.
+
+--Binnen!, zei ze, ... zoo, Mietje, ...
+
+--Hier is Fik, mevrouw ... Hij is al-door heel zoet geweest.
+
+--Geef 'em maar 'es hier, ik hoop dat ik 'm zal kunnen houden. Mathilde
+schoof zich met een voet wat van de tafel en met een inspanning zette
+zij het kind op haar schoot en gaf hem flauwe zoenen. Zij hield hem lang
+tegen zich aan gedrukt, in een stilte, en had hem lief, met groote
+starre oogen. Zij had juist nu het gevoel van den dood, zoo als zij het
+dikwijls had tegenwoordig. Haar gezicht, in een ernst die het
+verouderde, dacht aan de toekomst. Zij had smartelijke gedachten, die
+zij aangenaam vond als mooye liedjes. Zoo zag zij altijd tegenwoordig op
+de binnenplaats vogels, die hun jongen verzorgden en voedden in den
+winter, in muurgaten, en zij vond pijnlijk dat zij dat haar kind niet
+ook kon doen. Zij dacht, of Jozef Felix wel goed zou opvoeden en er een
+braaf en flink man van maken na haar dood. Toen werd ze moe, leunde meer
+in haar stoel, gaf het kind aan Marie te-rug.
+
+--Zie zoo, dag mevrouw ...
+
+--Kom je dan om een uur of vier van middag nog eens te-rug, Marie?
+
+--Ja zeker mevrouw, zeker.
+
+Mathilde hield er niet van in haar tegenwoordigheid door de menschen
+beklaagd en achter haar rug bepraat te worden. Daarom wilde zij geen
+visites hebben. Altijd werden de kennissen wechgestuurd met de
+boodschap, dat mevrouw belet had, dat mevrouw te ziek was. Mathilde
+wilde alleen zijn met haar ziekte. Later, als ze weer gezond en flink
+zou zijn, zouden de menschen haar wel weer zien. De kennissen deden dan
+vergeefsche pogingen en bleven ten laatste van zelf wech. Alleen Marius,
+de kantoorbediende van Jozef, die anderhalf jaar geleden toen ook op hun
+feestje was geweest en dat gedicht op het huwelijk had voorgedragen,
+liet zich niet ontmoedigen, maar drong er onophoudelijk bij Jozef op aan
+toch eens het voorrecht te mogen hebben mevrouw in haar ongesteldheid te
+bezoeken. Jozef sprak er Mathilde een paar maal over. Eerst wou zij
+niet. Waarom die jongen eerder dan een ander? Jozef verhaalde dan, dat
+Marius gezegd had, dat hij hoopte mevrouw, die zich wel erg moest
+vervelen, misschien wat afleiding te kunnen bezorgen. Hij meende gemerkt
+te hebben, dat het in der tijd door hem voorgedragen gedicht mevrouw wel
+een beetje bevallen had; nu kon hij haar misschien nog iets voorlezen,
+of zoo. Mathilde lachte hij dat idee. Waarom hield die Marius toch zoo
+aan? Wat had hij toch? Had hij dan zoo'n medelijden met haar?
+Goeye jongen!
+
+Een dinsdag-middag na de Beurs werd Marius toegelaten. Onhoorbaar, als
+met een vinger van was, werd er op de deur van de ziekenkamer geklopt.
+Binnen! De kruk van de deur bewoog aarzelend en opende zich zoetjes met
+het geluid van een haastig, herhaald voeten-vegen. Zijn blonde hoofd een
+beetje gebogen, in zijn daagsch jasje, een breede versleten zwarten das
+onder een schoonen aan den hals rafelenden boord, kwam Marius met een
+linkschen stap binnen.
+
+Mevr ... hij kuchte, ... mevrouw, ik ben zoo vrij, om ...
+
+--Ik dank u wel voor uw belangstelling, meneer Marius, gaat u even
+zitten.
+
+--O, ... mevrouw ...
+
+Uit verlegenheid ging hij, langzaam neerzijgend op een stoel, zich
+schamend en rood wordend over een gaatje in zijn schoenen, vlak bij
+Mathilde zitten.
+
+--Ja, mevrouw, ik wou eens komen vragen, hoe het met u gaat ... u is
+altijd zoo lief en goed voor ons geweest, mijn zuster zou ook wel komen,
+als zij mocht ...
+
+--Ja, meneer, u begrijpt, ik heb veel rust noodig, en ...
+
+Hij viel haar in de rede:
+
+--O, mevrouw, maar ik zal heel zacht spreken, ziet u, ik begrijp heel
+goed, dat u het anders ... als men ziek is, niet waar, dan hindert de
+minste kleinigheid.
+
+De zin was er uit. Hij werd gloeyend rood om dat hij dat alles zoo juist
+achter elkaar had gezegd. Hij wist niet wat hem overkwam om zoo
+plotseling met haar alleen te zijn. Hij trok zijn, van versletenheid aan
+de randen scherpe, manchetten over zijn handen tot aan den ondersten
+duimknokkel, dat hem pijn deed, om dat zijn handen daar ruw-rood waren
+van den winter. Met zijn groote, wijde, licht-blauwe oogen, met in 't
+midden van de appels een goud rontetje, iets als een verren vonk, bekeek
+hij haar verwonderd, terwijl de verlegenheid van zijn voorhoofd tot
+onder zijn haar steeg. Zij zag hem rustig aan en keek dan weer naar het
+handwerkje, waarmee zij bezig was.
+
+--U is erg vermagerd, u moet veel hebben uitgestaan, zei hij snel en
+lachte bedeesd.
+
+--Ja, meneer, maar ik hoop, dat het nu gauw beter zal gaan.
+
+Hij keek om zich heen door de kamer, zonder iets te zien, als om zich te
+bedenken. Daarna zei hij luid:
+
+--Kan ik niets voor u doen?
+
+--Ik dank u wel, meneer, u is wel goed, maar nee, ik dank u ... ik heb
+eigenlijk weinig noodig.
+
+Zij hielden zich allebei stil. Mathilde begreep, dat zij nog iets zeggen
+moest. Zij liet haar werkje even op haar schoot liggen en zei, met een
+welwillenden trek in haar gezicht:
+
+--Mijn man is erg te vrede over de bezigheden op het kantoor, ... ook erg
+over u ...
+
+--O, mevrouw, andwoordde Marinus verontschuldigend.
+
+--Ja, zeker, hij zegt, dat u het beste werkt van allemaal.
+
+--U zit hier zoo zonder veel zon en 't is zoo stil op de
+binnenplaats, ... mevrouw.
+
+--Ja, meneer, maar dat is juist het eenige, waarbij ik het kan
+uithouden. Veel licht en veel leven hindert me.
+
+--Kan ik niets voor u doen? vroeg Marinus weer, iets voorlezen,
+bijvoorbeeld?
+
+--Ik wil zelf heel graag iets lezen, als u mij iets leenen wil;
+voorlezen zou mij wezenlijk wat te veel vermoeyen.
+
+--Mag ik u dan nog eens iets komen brengen?
+
+--Heel graag ... maar, wil u ook iets drinken, een glaasje port of zoo,
+het is hier wel een treurig verblijf, waar als u wil ...
+
+Marinus stond op en, denkend te doen zoo als het hoort, bracht hij zijn
+stoel een eindje verder tegen den wand, waar die nooit stond.
+
+--Nee, mevrouw, ik dank u wel, zei hij, maar ik moet weer wech, ... u
+heeft ook rust noodig.
+
+--Nou, meneer, dan hou ik me aanbevolen voor als u eens te-rug wil
+komen. Troost en medelijden doen altijd goed.
+
+Zij stak haar hand naar hem uit. Hij nam die half, daar hij er niet te
+ver in durfde gaan. Hierop boog hij tweemaal telkens op grooter afstand
+van Mathilde. Hij schopte in zijn verwarring tegen de deur, waar een
+klein butsje in kwam, en zeide: O, neem mij niet kwalijk, vaar wel,
+beterschap, mevrouw, beterschap ... dag, ... mevrouw.
+
+En zijn blonde, hoog stijgende haar verdween plotseling uit de kamer.
+
+
+
+
+XI.
+
+
+De dokter en de twee professoren hadden gezegd, dat zij niet goed
+wisten, wat eigenlijk de ziekte van Mathilde was. De geluiden, het
+suizen in haar ooren, de opvloeyingen van het bloed naar het achterhoofd
+en de hartkloppingen, waaraan zij leed, bewezen, dat zij iets aan het
+hart had, waarschijnlijk een vergrooting, waarmede zij geboren was, maar
+die na de bevalling zich pas ernstig openbaarde. Maar zij scheen ook een
+kwaal in het ruggemerg te hebben; zij had hevige pijn in den rug en
+zakte dan in-een, zonder recht te kunnen zitten. Er deed zich nog een
+derde verschijnsel voor: soms, tegen het einde van haar korte daagjes,
+als het weinige opzitten haar al zoo vermoeid had, vertoonden er zich
+zwellingen in haar beenen, tusschen de knie en de enkels. Dit was
+het water.
+
+--Waar zijn uw ouders aan gestorven? had de dokter eens, brutaal-wech,
+gevraagd.
+
+--Mijn moeder had iets aan haar hart, heeft mijn vader mij altijd
+verteld; waar hij-zelf aan gestorven is, weet ik niet precies.
+
+Mathilde werd zoo zwak, dat zij dikwijls weder dagen achter-een in bed
+bleef, zonder kracht, zonder lust om op te staan. Zij steunde zich met
+een appart hard kussentje in den rug, als zij overeind kwam om een
+beetje te eten. De dokter had gezegd, dat zij den aanstaanden zomer maar
+naar Scheveningen moest gaan; daarna had hij weer van een hooge, een
+fijne lucht, het Gooi, gesproken. Jozef hield niet veel van buiten.
+Tegen den zomer, had hij gezegd, zouden ze er nog wel eens over spreken.
+
+Maar de kongesties naar het hoofd werden erger; zij veroorzaakten een
+bedwelming, met allerlei schemeringen, Nauwe en groene en gele kringen
+en vlekken voor Mathildes oogen. Als middel daartegen werden onder
+anderen eerst kompressen met karbol, later met ijs gevulde blazen, die
+verkoelden, gebruikt. Als het akelige stijgen van het bloed haar al te
+veel overweldigde, greep Mathilde zelf een brok druipend ijs uit het
+koperen emmertje, dat bij het ledikant stond, en drukte het stuk op haar
+haren, dat haar vingertoppen rood en blauw werden van koude tinteling en
+het water tappelings haar hoofd af in haar hals sijpelde. Maar Jozef was
+hier een ware hulp in den nood. Heel handig wist hij haar te helpen. Met
+zijn slanke, mooye vingers, kon hij de kompressen hanteeren, of haar met
+zijn eene hand recht-overeind houden en met de andere het ijs op het
+hoofd drukken. Hij wist heel precies hoe hij haar moest behandelen, waar
+hij haar moest aanraken, om haar geen pijn te doen.
+
+Eens op een ochtend kwam hij binnen. Mathilde lag nog in bed. Hij hield
+een kleinen al opengemaakten brief in zijn hand.
+
+--Thilde, ben-je wakker?
+
+--Ja, wat is 'et?
+
+--Groot nieuws.
+
+--Wat dan?
+
+--Berlage is gister-avond gestorven.
+
+--De ouwe heer?
+
+--Nee, nee, Louis.
+
+-Och, heer, hoe is 't mogelijk! ... Hoe is dat zoo gekomen ... Nu is
+Emilie ook gauw weduwe.
+
+--Ja, hij moet een ongeluk hebben gehad. Ik heb hier een briefje van
+Emilie; waaraan hij gestorven is, zegt zij niet.
+
+--Ga dan maar dadelijk een visite maken ...
+
+--Ja, vin-je ook niet? Dat had ik ook gedacht.
+
+--Doe mijn komplimenten, hoor! Zeg, dat ik erg medelijden met d'r heb.
+
+--Ja. Wil ik je nog eerst even helpen?
+
+En hij verzorgde haar nog even voor hij wechging, schikte de kussens
+goed, gaf haar in, deed alles met ijver.
+
+Mathilde was dien ochtend als lam wakker geworden. Zij had een
+onbegrijpelijk moe gevoel door haar hele lichaam. Toen Jozef te-rug was,
+zeide hij:
+
+--Ze is nog al niet erg gedrukt onder haar verlies. Er is hem op straat
+iets overkomen, een beroerte. Na den eten was ie gaan wandelen in het
+Vondelpark ... en ze hebben zijn lijk thuis gebracht.
+
+--He, God, dat is verschrikkelijk! ... En ze is niet eens erg bedroefd?
+He, ik ijs er van als ik er aan denk.. 't Is toch een vreeselijke vrouw,
+die Emilie ... Ik geloof, dat ze niets geen hart heeft.
+
+--Ja, maar hij, denk eens aan hem. Hij is er 't minst pleizierig an toe.
+Zoo jong te sterven. 't Is wel erg.
+
+--Ja, maar je weet niet hoe of me dat hindert, dat je zeit dat ze nog al
+gelaten is ... Ik vin 'et onmenschelijk! He, ik ril er van ... Kom eens
+even hier.
+
+Zij sloeg haar zwakke armen om zijn hals:
+
+--Jij zou heel anders zijn als ik stierf, he?
+
+--Wat een vraag ... En wat een gedachte!
+
+Gedurende eenige minuten omhelsden zij mekaar.
+
+ * * * * *
+
+Drie dagen later zat Jozef, nadat hij alleen op het zaaltje gegeten had,
+in de binnenkamer, waar de groote glazen boekenkast stond, te rooken.
+Hij leefde nu al maanden akelig en naar. Dat kon niet langer. De trek
+naar al zijn jongeheeren-pleizieren van vroeger kwam dagelijks weer meer
+in hem op. Wat had hij er in 's hemelsnaam aan gehad om te trouwen! Ja,
+hij had een geregelder en maatschappelijker leven willen gaan leiden.
+Zijn te lang durende jeugd had hem verveeld, hij was verliefd geweest,
+ja, en toen was hij getrouwd. En nu, daar zat hij nu, verlaten als een
+kluizenaar in een woestijn in zijn huis! Wat had hij nu? Een
+waarschijnlijk voor-goed zieke vrouw, van wier zuchtende en machteloze
+liefde hij nu al meer dan genoeg had, een klein schreeuwerig wicht, dat
+hem niet eens nog kende, met niets dan last en geen-een genoegen. Zijn
+hersens dorstten naar het rumoer van de straat, naar hel verlichte
+zalen, naar onverschillig eeuwig-grijns-lachende vrienden-gezichten. Hij
+had een gevoel alsof het tegenwoordige leven hem langzamerhand heel
+uitpompte en verdoofde. Hij maakte er zich driftig over. Hij was toch
+waarachtig niet van plan als een oud stil heertje nu verder door te
+leven tot alles gedaan zou zijn! Hij keek denkend, zich bezinnend, in de
+rondte, en zag alles leeg en levenloos in de kamer. Het gas wilde niet
+eens branden. Dat was ook een ellende met die gasfabriek tegenwoordig!
+Hij zou morgen weer reklameeren.
+
+Wat zou hij nu doen? Hij nam in Gods naam maar een boek: een
+geillustreerd werk over China. Het verveelde hem. Hij sloot het dicht.
+
+Een week later, toen hij in de ziekenkamer de koerant zat te lezen,
+zeide hij:
+
+--Zou je 't naar vinden, als ik weer eens uitging?
+
+--Wat bedoel-je?
+
+--Zoo 's avonds naar de opera of zo.... een enkele keer ... zie-je.
+
+--Welnee, Jos, ik heb 't je immers zelf wel 'es gevraagd, dat te doen,
+ga gerust, dan heb je een beetje afleiding.
+
+Hij ging. Gedurende zijn afwezigheid was Mathilde bedroefd en bang, om
+dat zij zoo alleen in huis was. Maar zij wilde er zich met kracht en
+geweld tegen verzetten. Wel was 't haar goed, terwijl zij daar
+machteloos en ziek lag, te weten dat hij daar was, daar haar
+liefhebbende, hem daar onophoudelijk en vlak bij haar te voelen, altijd.
+Maar zoo kon 't niet altijd blijven, zij wist 'et wel. En daarom was 't
+maar goed, dat hij gegaan was, heel goed. Hij had wezenlijk niet aan
+haar verdiend, dat ze hem zich nu zoo liet dood kniezen in den duffen
+dampkring van haar slaapkamer. Een bewustzijn sloop nu haastig bij haar
+binnen, dat zij schuld had aan haar ziekte. Zij verweet zich-zelve hun
+beider ellendig bestaan van nu. Waarom was ze ook ziek geworden? Waarom
+was zij ook in bed gaan liggen? Kom, het was misschien maar gekheid,
+maar inbeelding. Wanneer zij zich er toe dwong, zou ze misschien op
+kunnen staan en in eenige dagen weer gezond zijn, door dat sterk te
+willen. Hij zou dan niet alleen uit hoeven te gaan. Zij zou altijd en
+overal hij hem zijn, hem altijd, altijd vergezellen, zoo als het hoorde.
+Zij wilde het dadelijk probeeren. Kom, het ging al. En, aan haar dwazen
+inval toegevend, richtte zij zich met geweld op, door den steun van haar
+armen. Krachteloos viel zij weer neer en lag van zwakte half te slapen
+toen Jozef thuis kwam om twaalf uur.
+
+De kongesties, die naar Mathildes hoofd stegen, hielden nu zoo aan, dat
+er soms een half uur achter mekaar telkens nieuwe ijskompressen op
+gebonden werden. Den eersten avond dat 'et gebeurde, deed de heftige
+reaktie Mathilde zoo'n pijn en had zij zoo'n duizeling, dat zij met haar
+handen de kompres naar beneden rukte, die Jozef voorzichtig op haar
+hoofd had gelegd. In 't vervolg lieten zij nu Marie er ook bij komen, om
+te helpen.
+
+Het was zeven uur in den avond. Jozef had, om zich van zijn groeyende
+verveling te verstrooyen, aan tafel twee halve fleschjes fijnen, zwaren
+wijn gedronken in plaats van een. Mathilde zat op in bed, in een hevigen
+aanval van hartklopping en koortsige bloedstijging. Haar gezicht was
+lichtelijk rood gekleurd, haar oogen gloeiden, zij beefde sterk. Marie
+stond rechts van het breede ledikant, aan den deurkant, Jozef stond
+links, in het doorgangetje, tusschen het ledikant en het behangsel. Zij
+hielpen Mathilde, schikten het beddegoed, deden haar nachtjapon goed,
+werkten met de kompressen. Het lamplicht schoot telkens over Marie heen,
+als zij weer recht op ging staan en haar armen naar zich toenam, na over
+het bed heengebogen te hebben, bewegingen makende, tastende om mevrouw
+bij te staan. Jozef keek naar Marie, zoo als zij dan telkens in
+blank-gele en licht-roode tinten door de lamp beschenen werd en zich dan
+weder in de groenige duisternis van het ledikant bewoog. Een vreemde
+lust beving hem. Hij voelde een komende stormwind opruischen door zijn
+leden. Hij opende breed zijn oogen en staarde, werktuigelijk doorgaand
+met het strikken van de doek, waaronder de kompres boven Mathildes hoofd
+vastgemaakt werd. Marie hield met haar twee handen het hoofd stil en de
+kompres er op. Jozef maakte den strik. Dan raakten zijn vingers Maries
+pols. Een sekonde bezat hij zich zelf niet meer. De strik viel los. Hij
+had met zijn hand Marie aangevat. Hij drukte zijn vingertoppen tegen
+Maries arm. Marie schrok hijgend, verrast, wilde haar hand te-rugtrekken.
+
+--O, God, ik kan niet meer! zuchtte Mathilde, die in haar kussen
+te-rugzonk.
+
+Oogenblikkelijk was Jozef weer bij zijn zinnen.
+
+--Wat doe je nu toch, Marie? zei hij, je houdt de kompres niet goed
+vast.
+
+Marie liet niets merken en de kompres werd vastgestrikt. Marie had niets
+begrepen; zij had zich zeker vergist, dacht zij.
+
+Mathilde had alles begrepen. Toen zij alleen was, bekende zij het
+zichzelf. Haar gemoed was verbrijzeld. Zij begon met wezenloos rond te
+zien en met haar handen haar hoofd te betasten. Hierop moest zij zich
+langzaam, zoetjes aan, rekenschap probeeren te geven van wat er gebeurd
+was ... Jozef stond daar, Marie daar, er was iets tusschen hen gebeurd.
+Hij had haar aangeraakt. Hij was haar, Mathilde, ontrouw geweest.
+Ontrouw? Ontrouw? Ja, dat was het woord, waarmede zij dikwijls in boeken
+de handeling had genoemd gevonden, die Jozef nu daar-zoo tegen haar had
+gepleegd. Neen, hoe was het ook weer gegaan? Die man, wat toch "die
+man"? Het was toch Jozef geweest! ... Jozef! ... Jozef! ... Een man had
+daar gestaan, was met zijn hand over haar heen gegaan ... Een man ... O,
+God, o, God, waar ben ik? wat is er! ... Ik word gek!... Wat was dat toch?
+Een vreemde wind uit de hel, die voorbij is gegaan ... Er is iets wech,
+er is iets van me wechgegaan! O, God, waar is 'et, waar is 't gebleven?
+Er is iets leeg geworden, hier, van binnen in me, in-eens, heelemaal,
+'t is wech, wech, mijn leven is wech ... voor altijd wech ...
+
+Als een krankzinnige sprak Mathilde luid in de eenzaamheid. Zij was
+zonder het te weten uit haar bed opgestaan, en rilde over de vloer,
+op haar bloote voeten. Zij wandelde door de kamer en bevoelde de
+voorwerpen, om te weten of zij bestond. Zij ging zitten op een stoel,
+als om bedaard over de een of andere zaak na te denken, die haar
+bezig-hield. Zij stond weer op en deed allerlei onverschillige dingen,
+alles vergeten hebbende, als of zij plotseling, in een minuut, in een
+andere vrouw was overgegaan, een gewone vrouw, die niets deerde, en die
+de zaken van haar huis in orde schikte. Haar angst was volkomen; daarom
+lei ze haar peignoir goed, die van den rug van een stoel was afgevallen,
+bekeek de kleine dingetjes, die zij, als zij naar bed ging, altijd uit
+de zakken van haar japon nam en op de tafel lei: een notitieboekje, een
+goud potloodje, een speldekussen, bekeek ze een voor een, alsof het
+geheimzinnige onbekende zaken waren, voorwerpen uit een andere wereld,
+bekeek ze met een koel-opmerkzaam gezicht. Hierna ging zij bij de tafel
+zitten, haar eene hand in haar haar, de andere onbewegelijk op haar
+schoot. Als een van mensch tot beeld bevroren wezen, bleef zij roerloos.
+Haar oogen knipten snel heen en weer. Zij herkende de plaats niet, waar
+zij was. Het scheen haar, als was ze daar plotseling in een kamer
+neergegooid van een pas nieuw getimmerd huis, dat nog wrak stond, waarin
+de wind vrij speling had, dat elk oogenblik in kon storten. Zij was
+alleen, heel alleen. Zij sprak een taal, die niemant verstond. Zij
+huilde tranen, en niemant wist waarom. Iedereen was haar vreemd; zij was
+vreemd aan iedereen. Daar waren een massa menschen in de rondte, ver
+beneden haar, die lachten en praatten, maar niemant, die haar zag. Die
+man, die eene man, ging ook voorbij ... zij zag zijn achterhoofd ... hij
+keek niet naar haar om.
+
+Nu begon Mathilde zachtjes te hijgen. Haar oogen draaiden dan naar
+rechts, dan naar links over de tafel. Zij luisterde. Alles was stil.
+Niet het minste gerucht steeg op over de trappen, naar boven. Allen
+waren dus wechgeloopen en hadden haar alleen gelaten. Zij zag in haar
+verbeelding Jozef de trap afgaan, hij keek niet, hij daalde altijd lager
+de trap af, hij keek niet om; daar waren andere, onbekende trappen, die,
+naar de laagte, voortdurend elkaar opvolgden. Jozef daalde altijd
+dieper, het werd klein, eng om hem heen; die trappen schenen in een
+eindelozen koker in het diepste van de aarde uit te komen. De muren, die
+om de trappen heen waren, werden grijs; een mist hing om Jozef heen. Hij
+daalde voortdurend met denzelfden kalmen tred, zonder eens naar haar om
+te zien, hij daalde, daalde altijd, Hij verdween in een ver-vreemd oord,
+voor altijd van haar wech. Mathilde zag 't zoo duidelijk; daar, vlak
+voor zich, in haar onmiddellijke nabijheid. Zij had haar hand uit haar
+haar genomen, en hield, met de elleboog op tafel steunend, haar hand, de
+vingers wijd van-een, op eenigen afstand van haar over de figuren van
+het tafelkleed brandende oogen, om haar verdriet te genieten; zoo als
+een prentenliefhebber, die nauwkeurig een zeldzame plaat bekijkt. Daarna
+stond zij op, ging bedaard weer naar bed en sliep vast tien uur lang,
+zonder eens wakker te worden.
+
+Mathilde zei aan Jozef geen woord van haar ontdekking. Dat zij zoo
+verbazend stilzwijgend werd, dacht hij dat van haar ziekte kwam.
+
+Mathilde beterde nu hoe langer hoe meer. De kwaal bleef, maar zij mocht
+opzitten den heden dag, en kwam ten laatste zelfs beneden; maar den
+eersten keer deed zij er vijf minuten over, om van de slaapkamer naar de
+binnenkamer te komen.
+
+ * * * * *
+
+In het begin van Maart was op verzoek van Jozef Emilie Berlage-Hartse op
+de koffie gevraagd. Emilie voelde zich tegenwoordig zoo verlaten! In
+haar rouwtijd kon zij niet uitgaan, zij, die zooveel hield van zich
+overal in het publiek te vertoonen. Nu moest men haar zoo'n klein
+pleiziertje aandoen, trachten haar een beetje te verstrooyen. Zooveel
+praatte zij ook niet. Haar tegenwoordigheid zou Mathilde niet vermoeyen.
+
+Jozef was weer een tijd trouw thuis gebleven. Geregeld, als een
+liefdezuster, stond hij Mathilde ter zijde. Hij had zich-zelf verwenscht
+om dien eenen keer, dat hij Marie zoo had aangeraakt. Hij wilde het
+boeten, en deed het. En vooral in deze dagen voelde Mathilde hoe vol
+haar hart van hem was en wat zij leed. Het was twaalf uur. Tegen half
+een werd Emilie Berlage verwacht. Over de tafel lag een damasten servet
+met franje. Twee karaffen, de eene met rooden wijn, de andere met blauw
+en bleek water, stonden op zwarte flesschenbakjes met randen van
+nagemaakt zilver, op de tafel. Een verlakte broodbak, met dof-gouden
+ingedrukte bloemen en bladen, uit liet huis-houden van Mathildes vader
+afkomstig, stond in 't midden. Verder zouden door Dientje twee warme
+schotels op komforen worden binnengebracht; er stonden ook nog twee
+schoteltjes met koud vleesch, een met beschuitjes en een met kaas. De
+burgerlijkheid van de familie de Stuwen loste zich zoo op in de meerdere
+voornaamheid, die door Jozef in het huishouden was gebracht. Mathilde
+zat in haar ochtendjapon, haar haar zoo'n beetje opgemaakt, voor de
+tafel, botrammetjes te smeren. Jozef zou zoo met-een van 't kantoor
+komen. Dientje, met een ernstig opmerkzaam gezicht, kwam binnen om nog
+'t een en ander in orde te brengen, te schikken: een vork, die zij naast
+een bordje vergeten had, een vingerdoekje, dat scheef lag. Ook trok zij
+herhaaldelijk, met een krachtige getemperde beweging van haar vingers,
+aan den rand van de tafel, het servet naar zich naar zich toe, om de
+rimpels er uit te krijgen.
+
+--Heeft u nou alles, mevrouw? vroeg zij.
+
+--Ja ... dan breng je het vleesch binnen, als wij beginnen, he?
+
+--Jawel, mevrouw.
+
+Eer Jozef nog thuis was, kwam Emilie. Zij had wat borduursel beneden aan
+den rok van haar effen zwarte japon. Zij was erg druk en erg lief. Al de
+woorden, die zij gedurende de dagen van haar eenzaamheid niet had kunnen
+spreken, daar zij niemant had ontmoet, stroomden nu uit haar mond. Hoe
+aardig, hoe recht vriendelijk was 't van Mathilde, er aan gedacht te
+hebben haar in haar droefheid een afleiding te bezorgen! En Mathilde-zelf,
+hoe maakte zij het toch? Emilie had zooveel onrustbarende tijdingen over
+haar gehoord, dat 't haar bepaald goed deed Mathilde eens in eigen persoon
+te kunnen ontmoeten. Ging zij wezenlijk beter? Zoo, zoo! dat deed haar
+ontzachlijk veel pleizier. Ja, de dood van den goeden Louis, Emilies man,
+was als een plotselinge donderslag op haar neer gekomen. Zij had zooveel
+geschreid, dat zij geen tranen meer over had. 't Was iets verschrikkelijks
+in den waren zin van het woord, zoo vroeg weduwe te worden Zij was bepaald
+overstelpt geweest. Die goede Louis. och, die goede Louis! Wat bleef haar
+nu over? Niets. Zij was alleen op de wereld. Dat was ook de titel van een
+roman: "Alleen op de wereld!" had Mathilde dien wel eens gelezen? Zoo,
+nooit? het was toch werkelijk een mooi boek. Wel de moeite waard. Och,
+maar, aan zulke zaken dacht zij nu waarlijk in 't geheel niet. Zij
+herinnerde zich het werk alleen van vroeger. Maar Jozef zou het wel kennen.
+Die beste meneer Jozef! Waar was hij? Zeker op 't kantoor? Ja, zoo'n
+ijverig man. Altijd was hij in de weer, van alles op de hoogte, voor alles
+te vinden. Altijd tot dienst bereid. Iedereen hield veel van hem. Zij had
+ook zeer geapprecieerd, dat hij haar zoo dadelijk na haar verlies een
+visite was komen maken. Wat een mooi tafellaken had Mathilde hier! Zeker
+nog uit den boedel van den ouden heer. Hoe aardig, van 't zelfde patroon
+als de vingerdoekjes! Zij bleef voorloopig maar wonen in het tot nu toe
+door haar man en haar bewoonde huis. Och, waarom ook niet? Het was wel wat
+groot voor haar alleen, maar op die manier kon zij het meest en het best
+in gedachte nog met den dierbaren afgestorvene verkeeren.
+
+Mathilde hoorde Emilie aan, zonder er iets tusschen te mengen, met
+bleeke glimlachjes van bevestiging en deelneming, de ringen van haar
+vingers op en neer schuivend om Emilie niet bewegingloos aan te kijken.
+Deze eerste rollende woordenroffel aan haar oor, na al de maanden van
+stilte en afzondering, deden een hinderlijk gesuis in haar hoofd
+ontstaan. Tusschenbeide voelde zij aan haar slapen iets kloppen, met
+lichte tikjes.
+
+Toen Mathilde geen andwoord vond, wilde Emilie doorgaan. Zij had nog
+duizenderlei dingen op haar hart, die zij behoefte had uit te storten,
+maar juist kwam Dientje binnen, met het vleesch.
+
+Er was even onaangename stilte tusschen de dames, terwijl Emilie Dientje
+bekeek. Mathilde zeide:
+
+--Je had 'et nog niet binnen moeten brengen, niet voor meneer er was,
+meende ik.
+
+Toen Dientje de deur open deed om weer wech te gaan, hoorden de vrouwen
+het sleuteltje van Jozef in het voordeur-slot bewegen. Met een slag en
+een dreun, een lichte rilling van het voordeurglas en een kuch van
+Jozef, trad hij door den gang. Zij hoorden nog het gemoffel van zijn
+overjas, dien hij aan den kleerenstandaard hing, den stamp van zijn
+paraplui dien hij daaronder zette.
+
+Emilies bovenlip en de gedeelten van haar gezicht om haar neus heen,
+trilden onmerkbaar, zij keek, afwachtend, naar de kachel, die begon te
+gloeyen, terwijl haar handen met haar zakdoek speelden. Een hoog
+zongeschitter schoot van de binnenplaats af door het vertrek. Een
+verfrissching huiverde door de kamer; langzaam, kalm, koel,
+verscheen Jozef.
+
+--Kom ik te laat?
+
+--Juist bij tijds, zeide Mathilde.
+
+Jozef had nu een lichten lach. "Mevrouw!" zei hij tegen Emilie en boog
+even met zijn hoofd, met een voorwending van ernst om de droefheid van
+Emilie. Daarna ging hij tot vlak bij Emilie, terwijl zijn voet stootte
+tegen den poot van een stoel en Emilie half opstond om zijn hand te
+drukken, warm van de pas uitgetrokken handschoen. Hij ging naar Mathilde
+en zoende flauwtjes haar voorhoofd.
+
+--Hoe gaat 'et? vroeg hij met een lieve erg gemeenzame-stem.
+
+Nu dejeuneerden ze. Mathilde at bijna niets. Emilie vertelde wat een
+last zij had van een kleinen hond, die Louis maar niet vergeten kon en
+overal zijn meester zocht. Mathilde lei snel haar vork, met de tanden
+naar beneden, op haar bord boven het plasje vettig-bruine saus,
+waaromheen zich een dun rondje geel vet kringde, en te midden waarvan
+een stukje hoog gezwollen roode biefstuk zich verhief. Zij stond op, zij
+was onwel. Zij was nog te zwak, zeide zij. Emilie moet het niet kwalijk
+nemen. Zij wilde naar haar slaapkamer te-rug.
+
+Jozef stond op, zijn handen aan de tafel, met zijn vingers zijn
+vingerdoekje tot een knoest drukkend, aarzelend zonder besluit.
+
+--Drink 'es, zei hij eindelijk.
+
+--Nee, dat is 'et niet. Ik heb alleen maar rust noodig.
+
+--Nee, mevrouw, maar, blijft u ... ik moest toch vroeg naar huis, zeide
+Emilie.
+
+--Nee, nee, ik verzoek u te blijven, houd u mijn man nog een beetje
+gezelschap.
+
+Mathilde was bleek van opkomende benauwdheid. Haar blikken dwaalden,
+alsof zij ergens zocht, wat er nu met haar gebeuren zou.
+
+Jozef bedacht zich, hij keek Emilie aan als om haar te vragen, wat zij
+dacht, dat hij nu moest doen. Daarop wilde hij, dat Mathilde zijn arm
+zou nemen.
+
+--Steun op me, dan zal ik je naar boven brengen.
+
+Vijf minuten later was Jozef te-rug. Emilie gaf haar ontsteltenis te
+kennen. Het was dan zoo erg! Dat had zij nooit kunnen denken. En zij
+verhaalde, haar oogen op den biefstuk op haar bord, van een van haar
+ooms, die twintig jaar lang heelemaal in afzondering had moeten leven,
+om dat het minste geluid, het kalmste gesprek hem benauwde. Telkens had
+zij een zweem van een onderdrukt lachje om haar mond, als zij haar oogen
+opdeed en Jozefs blik ontmoette, die uit beleefdheid roerloos luisterde,
+om hem met een gebaar iets duidelijk te maken in haar verhaal.
+
+Mathildes stoel stond scheef, een eindje van de tafel, geschoven, haar
+vingerdoekje lag er verkreukeld op. Haar glas water en wijn stond half
+vol voor haar bord; zachtjes lekten kringetjes vocht in het glas van den
+rand naar onderen, omdat zij pas gedronken had. Er was een leegte
+tusschen Mathildes plaats en de deur, alsof zij maar even was
+heengegaan, om terstond te-rug te komen. De hitte van de kachel werd
+erger. Er beefde een onvolledigheid door de kamer, die maakte, dat Jozef
+en Emilie zich niet op hun gemak voelden. Als Jozef haar nog van de
+spijzen aanbood en zij aannam of bedankte, als hij haar een schotel
+overreikte of haar nog inschonk, was er iets kils, een haperende
+zachtheid in hunne stemmen. Eens vatte zij een schotel niet handig
+genoeg aan, waardoor er bijna iets gevallen was. Dit veroorzaakte een
+verlegenheid tusschen hen beiden. Haar rouwkleed vervreemde hem
+eenigszins van haar. Hij zag niet graag dat zwarte achter zijn glansend
+witte tafellaken.
+
+Toen zij eindelijk, in de wasemende stilte van het gedane dejeuner, met
+een gekraak van haar stoel over de vloer, opstond om heen te gaan, zeide
+hij zijn eerste beleefdheid:
+
+--Zou ik u nog eens mogen komen opzoeken?
+
+--O, dat zou ik zoo graag zien, andwoordde zij gemaakt luchtig, ik ben
+zoo alleen.
+
+Haar rijtuig wachte al voor de stoep. Zij hield er niet van met dien
+langen kaper te voet over straat te gaan. Zij reed ratelend wech. Jozef
+stak zijn hoofd even in de kamer, waar zij zoo even gedejeuneerd hadden,
+als om te zien of zij niets vergeten had. Er was een geur van zwarte
+glace handschoenen en een doffe zakdoekreuk gebleven. Daarna ging hij
+langzaam de trappen, op naar Mathilde. Hij dacht er over, dat Emilie
+volstrekt niet naar Felix had gevraagd.
+
+
+
+
+XII.
+
+
+Jozefs verveling vermeerderde met den dag. Zij steeg tot in zijn keel.
+Zijn eetlust zelfs verloor hij bijna. Dat was een geslenter en geslof
+over de trappen, een even stilstaan in de gang en weer in de binnenkamer
+en er weer uit, dat niet langer duren kon. Hij kreeg een zekere matheid
+door zijn leden. Hij dacht aan zijn mijmerijen over huwelijksgeluk, die
+zich een voor een hadden opgelost in de eentonigheid der witte muren van
+den gang en in de donkerte van de ziekekamer. Een groote spijt over zijn
+verloren vrijheid drong zoetjes bij hem binnen. Wat had hij toch
+begonnen? Zou zijn leven nu zoo voortgaan tot aan het einde? Zijn armen
+hingen loom langs zijn lijf. Hij pruilde in eenzaamheid. 's Avonds voor
+dat hij naar bed ging en 's nachts in zijn slaap spookte Marie door zijn
+geest. Langzamerhand won de grijze verveling al de kleine dingen, waarin
+hij, behalve in Mathilde, tot nu toe belang had gesteld. De
+geillustreerde tijdschriften, waarop hij zich geabonneerd had, bleven
+onopengesneden liggen. Hij wilde zich dwingen met aandacht boeken over
+natuurkunde, werken van dichters en romans te lezen, maar het ging niet.
+Een ijlheid, een walging voer door zijn leden. Op die manier was het
+leven onmogelijk. Alleen verdiepte hij zich nog in de aan zijn toilet
+besteedde zorgen. Aan zich zelf overgelaten, groeide zijn ijdelheid. Hij
+bestelde nieuwe pakken hij den kleermaker, stond zich voor zijn spiegel
+te verstrooyen met het aanpassen van overhemden en boorden, bracht een
+half uur door met de kleur van een das te overwegen. Eens kwam hij 's
+middags op Mathildes kamer, en vond haar geknield liggen bidden. Toen
+zij ophield om hem aan te kunnen hooren, zeide hij:
+
+--Ik dacht, dat je God vergeten was.
+
+--Zeg dat niet, Jozef, ik bid voor Felix.
+
+Hij was gaan zitten en keek, of de velletjes onderaan zijn nagels wel
+genoeg naar beneden gedrukt waren. Toen sprak hij zijn voorhoofd
+fronsend en zijn kin achteruit drukkend, half uit gekheid:
+
+--Ben-je nu van plan altijd ziek te blijven, lieve kind?
+
+--Dat weet ik immers niet, andwoordde zij, laten we het beste hopen.
+
+Naarmate Mathilde zich wendde aan haar ziekte, verlevendigde de gedachte
+aan God zich in haar. Zij voelde zich langzaam, meer en meer zacht-vroom
+gestemd worden. Zij voelde in haar wezen, terwijl zij haar pijnen
+doorstond, dat God er was om haar te troosten. Hij was daar, achter
+haar, boven haar hoofd, in de gordijnen en in den hemel van het
+ledikant. Maar het was geen wezen, geen omlijnde persoonlijkheid meer
+zoo als de God van haar jeugd. Het was iets onzichtbaars, iets als een
+wolk, een trilling van eindeloze goedheid en opperste troost, die
+zachtjes, bij kleine vermeerderingen, tot haar nederdaalde. Wanneer, met
+een heftigen sprong, het denkbeeld in haar hersenen stootte om terstond
+order te geven, dat Marie heen zou gaan, was die God daar voor een
+beletsel, onoverkomelijk. Marie moest blijven, Marie was goed voor
+Felix, Jozef zou geen kwaad meer doen. Wanneer zij in haar verbeelding
+Jozef en Marie samen zag elkaar liefkozend, en zij bij die samenkomst
+heel vergeten werd, en zij zag hem haar aanpakken, haar zoenen, dan
+straalde van dien God een ontkenning uit, voor de gestalten van Jozef en
+Marie heen. Hoorde zij 's nachts in haar verbeelding iets als zachte
+mannenstappen naar boven gaan over de trap, dan moest zij zich
+vergissen. Jozef was alleen, Marie was alleen. Een troost, die van links
+en rechts zachtjes aanwoei maakte haar kalm. Dan sprak zij die
+wezenlooze beschermende macht aan met de woorden, die haar van vroeger
+waren bij gebleven: O God, o Heer, o Jezus, ik dank u.
+
+Mathilde besloot het verdriet, dat zich door geen nieuwe vermoedens
+verlevendigde en dat zich verkleinde, te verdragen. Zij zou wachten tot
+zij beter werd, om weer op nieuw gelukkig te zijn.
+
+Het zou langzamerhand lente worden. Dokter Hansen hield nu lange
+gesprekken met Jozef over het naar buiten gaan van Mathilde. Na dat de
+dokter, met zijn kort hondenneusje en rimpelig in-een-geduwde handjes,
+allerlei raadgevende en verklarende bewegingen had gemaakt, was er
+besloten, dat de zieke in Hilversum zou gaan herstellen. Het dorp lag
+hoog, de lucht was er fijn. In den omtrek waren wel geschikte huizen,
+ook villaas, te koop of te huur. Dokter Hansen schreef aan den dokter in
+Hilversum om naar een geschikte woning voor Jozef uit te zien.
+
+Mathilde wou eerst niet. Zij zou 't nooit doen, nooit, of Jozef moest
+zijn zaken aan kant doen en ook voorgoed daar komen wonen. Want, zich
+van Jozef scheiden nooit! Jozef, die zich er altijd iets op voor liet
+staan uitmuntend met vrouwen over weg te kunnen, had een heel krijgsplan
+gevormd, om Mathilde over te halen. Hij begon met alles toe te geven,
+wat zij wou. Neen, zij zouden samen voor goed daar gaan wonen, winter en
+zomer. Hij sprak zelfs, al schertsend, van op die manier heelemaal een
+landedelman te worden. Maar tegelijk, terwijl de tijd vorderde, kwam hij
+minder geregeld thuis om een uur 's middags: de zaken breidden zich zoo
+uit; hij moest noodzakelijk langer op het kantoor blijven zeide hij. In
+Mathilde was gedurende haar ziekte een oude herinnering, een van haar
+vader overgenomen belangstelling in geld, in aangelegenheden waarbij
+rekenen te pas kwam, opgeleefd, en zij stelde meer dan vroeger belang in
+de zaken van haar man. Zij vroeg wel: hoe gaat 'et op 't kantoor? Zijn
+er vandaag weer nieuwe kommissies gekomen? Toen het nog veertien dagen
+was voor zij naar buiten zou gaan, stemde zij er in toe, dat Jozef zijn
+zaak aanhield. Zij zou dan probeeren een zomer alleen in Hilversum door
+te brengen, Jozef zou elken dag met den Rhijnspoor-trein van drie uur
+naar Vreeland komen, zoo dat hij voor vijven in Hilversum kon zijn en
+zou elken ochtend om half acht met de diligence, die direct van
+Hilversum op Amsterdam reed in een groote twee uur, weer te-ruggaan.
+Heel goed, uitstekend! ja, zoo zou het gaan.
+
+In dien tijd maakte Jozef, met een netjes ingepakt boek in den binnenzak
+van zijn overjas, een visite hij Emilie Berlage. Hij gaf haar het boek
+te leen: een fraayen roman, waarvan de handeling in Egypte voorviel. Zij
+moest in lektuur wat afleiding zoeken. Emilie was, terwijl zij hem zoo
+in haar huis ontving, veel meer op haar gemak dan gedurende het
+dejeuner. Zij las een brief voor, dien zij van den ouden heer van Riet,
+haar voormaligen voogd, die na haar huwelijk met zijn vrouw in een
+duitsche badplaats was gaan wonen, had gekregen en door de beide oude
+lui van Riet onderteekend was. Jozef maakte de opmerking, dat 't wel
+jammer was, dat zij hen nu ook miste, die haar in de gegeven
+omstandigheden anders van zooveel troost had kunnen zijn. Emilie liet
+aan Jozef haar hondje zien: een prachtig zij-harig wit en rose beest,
+dat dadelijk Jozefs handen likte. Terwijl dit gebeurde kwam er een
+warmte tusschen Jozef en Emilie. Zij zagen beiden naar den hond met
+verliefde blikken.
+
+--Een aardig dier! zei Emilie, en hij kan Louis maar niet vergeten. Zij
+riep "Kastor" en aaide zijn rug, met een mooye buiging van haar hand.
+
+Dezer dagen kwam de tijding, dat door den dokter van Hilversum, een
+buitentje voor Jozef gekocht was, heel aardig, gelegen aan den
+'s-Gravelandschen weg, voor veertien duizend gulden. Jozef reisde nu
+verscheiden malen heen en weer, tot dat alles daar buiten in orde was,
+altijd met de spoor naar het station Loenen-Vreeland, waar hem dan een
+wagentje uit Hilversum kwam afhalen. Daar dokter Hansen altijd
+nadrukkelijker verzekerde, dat Mathilde in de fijne hooge lucht van het
+Gooi gauw herstellen zou, bepaald spoedig, begon zij met een koortsige
+drift naar dat buiten-zijn te verlangen. Voor ze ging, kwam Emilie
+Berlage haar een afscheidsvisite maken. De dag van het vertrek was een
+van de eerste wezenlijke lentedagen.
+
+Om dat Mathilde te zwak was om de vermoeyenis van het gejaagde en het
+schokken van de spoor te verdragen, was er besloten, dat zij de heele
+reis van Amsterdam naar Hilversum per rijtuig zou doen. Alleen Marie en
+Felix gingen met haar mee. Jozef zou wel denzelfden dag ook komen, maar
+zij wilde volstrekt niet dat hij dien vervelenden langen tocht in het
+rammelende rijtuig mee zou maken.
+
+Om elf uur in den ochtend kwam het rijtuig voor. Het was een oude
+barouchet, een van de weinige, die er nog in Amsterdam waren, maar
+volgens den stalhouder was dit het zachtst rijdende van al zijn
+rijtuigen. Mathilde, die in zoo lang niet in de frissche lucht was
+geweest, kreeg op de stoep bijna een duizeling. Zij zag de heele
+omgeving, de huizen aan d'overkant, het zwart-groene water van de
+gracht, de boomen langs den wallekant met hun groote verwarring van pas
+uitbottende aarzelend groene sprietjes, en het rijtuig met de twee
+schonkige paarden, dat een leelijken donkeren prop scheen te midden van
+de wasemende wit-en blauwheid van de lucht, zij zag alles in breede
+lijnen golven, zoo als men over een erg warme kachel heen het de
+voorwerpen in de kamer ziet doen. Het geruisch van de straat hier en het
+doffe geraas van de drukke buurt uit de verte scheen door alle porien
+van haar huid te dringen, alsof het uit een emmer over haar heen
+werd gestort.
+
+De mengeling van geluiden, die, hij het opengaan van de voordeur, haar
+in-eens bedwelmde, verdoofde haar eene oor, zoo dat zij een inwendig
+aanhoudend schel gefluit hoorde, als of; wel in haar hoofd, maar toch in
+de verte, een lokomotief floot. Daarbij scheen 't als kwam er een
+zegening uit de hooge lucht over haar, als ging zij een nieuw leven
+tegemoet, als wuifde, in onzichtbare luchtdelen van den grond een
+gelukstoestand naar haar op, onder haar rokken in haar lichaam dringend,
+en uitwendig haar bekruipend tot aan haar hals, tot over haar gezicht.
+Maar de lucht was sterk en zij moest haar oogen neerdoen, waaronder nu
+het bleeke blauw van de stoepsteenen, met zijn vele krijtige witte
+vlekjes, scheen te dalen en te rijzen. Marie was vlak achter haar en
+maakte, de armen vooruitstekende, bijna volvoerde gebaren, om haar te
+steunen. Terwijl Mathilde haar dof-stoffen schoen zonder hakje op het
+treetje van het rijtuig zette, vroeg de koetsier, die het portier
+vasthield, met zijn groven, aan den toestand vreemden, toon, Mathilde
+met zijn hand onder haar elleboog helpend, of de tollen nu of op zijn
+te-rugrit betaald moesten worden Dientje had een kanapeekussen tegen den
+rug van het rijtuig gelegd, op de achterbank. Hiertegen zeeg Mathilde
+neer, haar oogen dicht, om even te bekomen. Daarna tilde Dientje Felix
+op de voorbank, waar Marie naast hem ging zitten. De witte schoenen van
+het kind staken vooruit op de bank. Dientje zeide:
+
+--Nou, mevrouw, goeye reis, hoor, goeye reis!
+
+Zij bleef met haar stijf glimmend witte boezelaar, onbewegelijk
+glimlachend, als een pop tegen de bruin-groene deur staan, tot dat de
+barouchet wechreed. Hobbelend en kletterend ging het rijtuig voort. De
+venstertjes in de portieren dansten in de schommeling van de rijtuigkast
+op en neer. De voordeuren, onderste vensters en reepen muur van de
+huizen schoven in voortdurende opvolging voorbij als een reeks
+aaneengevoegde tooneel-achtergronddoeken, van boven afgebroken door de
+zoldering van het rijtuig. Op den hoek van het Koningsplein zag Mathilde
+de versleten hoog-ronde hoed van Marinus de Beer, die erg keek en diep
+groette; in de speling van het glas weekten de vormen van zijn haar
+ineen, alsof het vloeibaar was. Toen deed Mathilde haar oogen weer dicht
+in de krachteloosheid, die haar beving en, mijmerend over Jozef, die
+van-avond komen moest, sluimerde zij half.
+
+Buiten de Muiderpoort, over den weg naar Diemerbrug, hoste het rijtuig
+vreeselijk. De boomstammen sprongen telkens te voren, aan weerszijde.
+Marie poogde Felix, op haar schoot, zoet en rustig te houden. De oogen
+van het kind stonden wijd open, als begrepen zij de zaken, waarop Marie,
+met een ter eere van de gelegenheid, heel helder, bijna feestelijk
+geplooid gezicht, zijn aandacht vestigde. Zoo duurde het twee uur, tot
+men door Weesp en door 's Gravenland gereden was, tot in de Leeuwelaan.
+Om dat Mathilde geen kou zou vatten, waren de raampjes toegelaten, maar
+door de reten suizelde de lente binnen, een wordend met de lauwe, doffe
+lucht in het rijtuig. Mathilde, die het onbekende gras, de vijvers en de
+bijna groenloze doorzichtige tuinen van de buitens van Six bekeek, links
+en rechts, en, voor haar uit, naast het zakachtig lichaam van den
+koetsier, een stuk hooge, tintelend-witte, over de samenbuigende
+groengeknopte karkassen der groote boomen-opvolging als de zilverige
+zoldering van een tooverpaleis zich uitstrekkenden hemel bestaarde,
+voelde bij iedere reeks schokken van het rijtuig, zich ver van haar
+verleden leven wechvoeren. Zij had in zoo lang zoo'n nieuwen, zich over
+alles heenspreidenden zonnedag niet gezien. Door de vermoeyenis heen,
+waarin zij ieder oogenblik, haar kin naar haar borst gedrukt, tegen den
+rug van het rijtuig schokte, vulde haar een zucht om Jozef te vergeven
+en een weder ontstaand vertrouwen. Maar tegelijk was 't haar, of zij
+voor altijd van hem henen reed, naar een ver, vreemd land. De onbekende
+stukken natuur, die van weerszijden en van voren, door de vierkante
+glazen vakken van het rijtuig, in haar oogen drongen, telkens
+verdwijnend, zich telkens vernieuwend, met grijzig-blauwe, lila en
+goud-witte tinten, waartegen de lage en hooge boomen en struiken, met
+hun magere, kale, draayend-kronkelende armen en talloze akelig-spichtige
+vingers, telkens dichter samengestoken, als de overgebleven geraamten
+van een daar plotseling verkoold soldatenleger, zich roerloosdreigend
+verhieven, schenen haar in een gelukloze toekomst te voeren, op den
+maatgang van de trappelende paarden.
+
+Dan weer sprongen de groene knopjes overal op, schoten overal te voren,
+als jonge stemmen van een koor, dat hoop verkondigde, tusschen het
+onverschillig hobbelen van het rijtuig en de vaalheid, het grijs-bruine
+van het bosch. Een scheut zon geelde over het bloeyende hout heen en
+kleurde de groene propjes teeder en verzilver-blauwde de stammen en
+takken. Dan weer verduisterde de zon, wolken schoven aan en weken. In
+snelle overgangen werd alles grijs en alles weder glansend. Ten laatste
+bleef alleen de glans over. Het was een voorjaars-middag.
+
+Het lage witte hek van een buiten, in de verte als een recht-opstaande
+streep bevroren sneeuw, kroop nader. Eindelijk stootte het voorbij,
+langzaam, met rukken, door het portierraampje, terwijl het grasveld en
+het hooge zware gelig-witte heerenhuis, met duidelijk omlijnde
+groezelige zonneplekken er achter bleven liggen voor altijd daar
+bevestigd.
+
+Toen het rijtuig een eind voorbij den tol, den dalenden weg afreed, van
+den molen tot aan haar nieuwe woning, zag Mathilde voor zich uit als in
+een groot vreeselijk diep prieel. Door de vermoeyenis van het lange
+rijden was zij in een uitputtende koortsige stemming geraakt en voelde
+zij zich als of er ieder oogenblik iets in haar breken zou. Zij kon niet
+goed meer denken of zich rekenschap geven van de omgeving. Zij liet zich
+gaan in de sussende beweging van het rollende rijtuig, terwijl door deze
+gewaarwording de herinnering aan dien rijtoer van eenige jaren her,
+langs den Amstel, toen haar vader nog leefde, werd opgewekt. En
+plotseling zag zij, in de altijd wijdgeopende oogen van Felix op den
+schoot van Marie tegenover haar, Jozef weer, zoo als zij hem dien
+vorigen avond in zich had opgenomen. De herinnering aan het verdriet
+week, week al in een ver verschiet en daalde door haar achterhoofd naar
+beneden. Zij zag Jozef in Felix en om hem heen schemerden met
+schitteringen de boomen en huizen en alles in de rondte haar tegen.
+
+De weg had zich, bij den molen, plotseling verbreed.
+
+De straatweg vloeide nu, laag, in het midden vooruit, zoetjes naar
+beneden; aan weerszijden waren de breede hellende voetpaden van hard
+donkergrijs zand. Verder nog er naast waren de strepen wintergras, als
+de kortgeknipte schedel van een onderaardsche reus, afwisselend van een
+tot tien meter breed, waarbinnen de dikke stammen van de overgroote
+iepen zich als knoestige zuilen in wijde rijen paalden. Achter de boomen
+stonden, schraal, de ijzeren en houten hekken van de zes, zeven buitens
+aan elken kant, tot aan het eigenlijke dorp. Rechts was eerst een
+vergezicht opengegaan, hel wit over leege akkers, te-ruggestooten door
+de verheffingen van nieuw lichtgekleurde huizen, met platte en schuine
+daken en van vaalroode huisjes in aanbouw, die ophardden tegen het wit
+en blauw van den rondenden hemel.
+
+Maar het vergezicht werd dadelijk gesloten door tot aan den weg tredende
+buitens aan beide zijden, met hun samengrenzende nog winterende tuinen,
+dofglinsterend in hun door de nevel heen licht van boven vergoudde
+grijsheid. Maar, dichter bij liet rijtuig, hoog boven de aarzelend
+ontbottende beplanting van de tuinen, boogden de tegen den glooyend-
+blauwen hemel opwassende iepen hun machtige groen herlevende twijgen
+samen als de bedaking van den weg. Door hun uitgebreide, bladerloze,
+ledige, buigende lichamen wemelde en tintelde het witte goud van de
+lucht over de duizende in verwarring uitspruitende zacht-groene knopjes.
+In den zwakken wind rilden en negen de twijgjes, en nog koele zonnevonken
+dansten af in helle spartelingen.
+
+Mathilde was met moeite een beetje recht-op gaan zitten. Zij wilde den
+omtrek goed zien.
+
+Er was bijna niemant over den weg te bekennen.
+
+De vensters van de villaas waren gesloten; de menschen waren nog niet
+aangekomen. Hier en daar in de verte gingen de flodderige, plompe
+gestalten van een man, van een vrouw. Voor Mathilde alleen was de eerste
+lentedag van het Gooi. Een welkom suizelde haar nu tegen, toewemelend
+uit alle lichten, links en rechts en overal. Zij kwam hier om weer haar
+geluk te-rug te krijgen. Jozef kwam van-avond. Zij vestigden zich hier
+met hun tweeen. Al moest hij ook alle dagen voor de zaken naar de stad,
+Hilversum werd zijn ware woonplaats. Zoo dacht zij voort.
+
+Mathilde was zoo uitgeput van de reis, dat zij achterover tegen het
+kussen samenzakte, toen het rijtuig het als een dubbele deur geopende
+hek binnenreed, waardoor men in de smalle achter het huis omliggende
+oprijlaan kwam. Met een laatsten flauwen blik had zij het nieuwe huis
+gezien. Bij het indraayen van de laan kraakten de wielen van het rijtuig
+scherp, een van de wielen sjorde even kritterend over het uiteinde van
+een met kiezelsteenen bevloerd pad, dat van voren langs het huis heen
+liep, heuvelopwaards. Daarna reden ze langzaam, met een kort gekraak van
+de kast en lange klachten van de wielen, tot midden achter het huis,
+voor een oude stoep met door den regen versleten treden.
+
+Van den straatweg afgezien, stond Bagatelle, zoo heette het buitentje,
+daar, van binnen en van buiten schoongemaakt en hersteld, dof wit,
+blauwig-blank, met zijn vier spiegelende raamdeuren, zijn acht
+opengestooten smalle lange jaloezien, van zijn schuin-opgaand grasveld
+gescheiden door het kiezelsteenenpad langs den voorgevel, met zijn dicht
+blauw-bruin rieten dak tot even boven de raamdeuren neerhangend, door
+twee ronde in vooruitstekend omkastingen gesloten dakvensters gebroken,
+en van boven vastgehouden door een schoorsteen aan elk der twee
+uiteinden, gelukkig en kalm, te vrede in den zwakken zonneglans.
+
+Aan elke zijde hing aan het lijf van het huis een in zwart-groen
+houtwerk getimmerde warande. Maar uit de verte zag men ze niet, bijna
+niets van het heele huis; want een groep boomen, waarachter het
+kiezelpad opslingerde, schaarde zich links en rechts, alleen het
+grasveld, van ovale bloemperken doorstoken, tusschen hen in openlatend.
+Uit de verte was alleen het lage hek zichtbaar: drie smalle strooken
+loodkleurig hout, bij iedere meter lengte door paaltjes opgehouden, en
+in drie afdeelingen gesplitst door de hoogere glimmend-groene, puntige
+hekdeuren, die ieder tusschen twee lila hoekige palen, met ronde witte
+bollen er op, zich door ijzeren schrenieren bewogen en zich konden
+openen voor de oprijlaan.
+
+Het buitentje was niet weelderig. Marcheerden de zaken, zoo dacht Jozef,
+dan kon men later zien iets meer chics te krijgen; maar, met zijn
+uiterlijk van half Zwitschers landhuis, was het toch niet onaardig.
+
+Toen het rijtuig stilhield, was Jans, die met de vrouw uit het dorp,
+waarmede zij de boel in orde had gemaakt, mevrouw wachtte, het stoepje
+afgegaan en had het portier open gemaakt. Bij het te-rugzien van
+Mathilde, ontstelde zij. Haar weeke wangen bibberden, een beetje bleek.
+
+--Is u daar, mevrouw? vroeg zij bezorgd, haar ruwe bloote voorarmen
+uitstekend om Mathilde behulpzaam te zijn.
+
+Mathilde knikte, met een flauwe vriendelijkheid. Nauwelijks liet Jans
+haar grijze blikken heel even over Felix rollen, maar, terwijl zij
+Mathilde stutte, toen deze op het treetje zonk met haar een voet,
+waardoor haar japon in het rijtuig haperde en een plek witte rok bloot
+kwam, en Marie zich bukte om met haar hand de japon goed te doen, keek
+Jans wrevelig naar Marie. Zij hielden niet van mekaar.
+
+Mathilde zei tot Jans, met een afwezige stem, alleen dit:
+
+--Meneer komt ook nog vandaag. Heb-je daarop gerekend?
+
+Mathilde werd dadelijk naar bed geholpen. De door Jans gedekte tafel in
+de groote kamer bleef alleen staan, met zijn hard wit servet, stijf
+geplooid, verlaten, afwachtend in de nieuwige en naar politoer riekende
+frischheid van de pas schoongemaakte kamer.
+
+Tegen den avond kwam Jozef aan en at, eenzaam, midden in de
+onverschilligheid van de vreemde kamer, als in een hotel, het half koude
+eten, na dat door de vrouw uit het dorp de lamp opgestoken was en de
+jaloezien dicht gemaakt waren met een geluid als van valsche lage toonen
+van een harmonika.
+
+Mathilde sliep voortdurend. Na zijn eten keek Jozef, aan iets denkend,
+in de lampe-vlam en over de schaduwen en witte plekken van het
+tafellaken. Op de vlakte van donker-wit lagen de tegen den draad in door
+het linnen heen gestikte glimmend witte figuren. Hun helheid schitterde
+zoo naar boven, dat al de overige deden van het laken er donker-grijs
+bij werden. Het waren vierkante blokjes, met vier kleine vierkante gaten
+in 't midden, als korte breede kruisbalkjes samengevoegd. Jozef, zijn
+armen op zijn knieen, zijn borst tegen den tafelrand, staarde zonder te
+zien over de figuren, terwijl door zijn neus regelmatig hijgend zijn
+adem over het wit blies, als van iemant die wakend slaapt.
+
+Het was dood-stil in het huis. Jozef voelde een leegheid door zijn
+leden, om zijn armen, die er met koude kracht over heenzonk. Hij keek
+eerst, een stukje melodie uit een operette van vier jaar geleden, die
+hij zich nauwelijks herinnerde, tusschen zijn lippen blazend, bijna
+fluitend, naar de zoldering, vanwaar, in de alles overvlekkende schaduw
+der lampekap, het wit aarzelend nederschemerde. Hij hoorde daarboven
+loopen, met schoffelende stappen, en stoelen verzetten met dreuningen,
+waarvan het geluid ruw door de rustige schaduwen heendaalde. Hij stond
+op om alles eens te bekijken, zoo als het nu geschikt was en voor het
+hier te leiden leven pasklaar gemaakt. Hij zag het lichte nauwelijks met
+groene en gele ruikertje bestrooide behangselpatroon, de oude uit een
+dorpsboedel gekochte piano, verder de twee groene kanapeetjes van glad
+leder, de stoelen aan de tafel en langs de wanden, rieten en leeren, het
+buffetkastje, de drie deuren, waarvan die op den achtergrond in den
+korten gang, de twee aan weerszijden in kleinere aangrenzende vertrekjes
+uitkwamen. Dunne, doorschijnende neteldoeksche gordijnen stonden, in een
+zwevende houding gestolten, stijf van het strijken, van boven tot
+beneden voor de vensterdeuren, hun onderste helft door magere witte
+koordjes met kwastjes opgehouden. De donkere lattenopklimmingen der
+jaloezien hingen met wrevel tegen de ruiten aangedrukt.
+
+Jozef trad in het kamertje links, een kubus met een raam van voren een
+in de warande. De vorige eigenaar noemde dit vertrek "het rieten
+kabinetje". De tafels en stoelen waren van bruin-geel riet. Op het
+tafelplat liep het riet uit een, de biezen uitstralend uit het
+middenpunt als een ingelegde ster. De leuningen der stoelen waren ovaal,
+peervormig, rijen omgebogen biezen samengebonden door touw-dunne soepele
+rieten lintjes. Het kabinetje was vooral nuttig om een kast, diep als
+een kamertje, in de muur, en die tot den kelder toegang gaf. Door het
+donkere kamertje stapte Jozef, twee treetjes op, een deur door, in een
+hokkerig gedeelte van het huis links de luttele houten trap met een
+dunnen looper belegd naar boven, rechts voor hem uit een kamertje met
+een alkoof, links voor hem uit de keuken, onder hem het gesloten
+kelderluik, met een ijzeren ring om het luik op te heffen, plat getrapt
+in een zwartige voor. Alles was hier donker; een vage lucht van timmer-
+en metselwerk en van werklui die daar geweest waren geurde van rechts.
+De reet van de keukendeur werd bezet door een smalle lijn rossig licht.
+Bij tusschenpoozen suizelden deelen reuk van gebraden eten en van
+gekookt hebbend aardappelenwater er door heen, vervuld met stukken van
+kalme volzinnen van een oude meid, die, met een na het eten smeujige
+stem, babbelt.
+
+Jozef ging in het kamertje rechts. Hij had het voor logeerkamer laten
+inrichten, maar een logeerkamer minder in rang dan de twee op de
+zolderverdieping, wier vensters door het rieten dak heen op den breeden
+weg uitzagen. Hij voelde naar lucifers in zijn zakken, toen, met een ruk
+en een gewaai van vrouwenkleeren, de keukendeur openging, het portaaltje
+plotseling donkerrossig verlichtende, en weer dicht ging. Het was Marie,
+die de trap opliep, om boven te zien of Felix wel sliep. Jozef had haar
+gezien, zoo als haar lichaam zich donker afbeeldde op den achtergrond
+van rossig keukenlicht, en in de duistere rondheid van haar hoofd had
+hij haar lippen, donkerrood, de warm-blanke plekken van haar wangen en
+kin, het glad-glansend-blauw van haar oogen zien schemeren. Zij had hem
+niet gemerkt; maar nog, nadat het stappen van haar voeten al lang boven
+was wechgebleekt, zag hij, in de duisternis kijkende, daar lichtende
+vlekken dansen, waarin mollige stukken van Marie spookten, haar
+schouders, haar hoofd, en enkele door het lamplicht verbruin-goude
+halshaartjes. Jozef stond daar, de lucifers vergeten, die hij, met zijn
+eene hand half in zijn broekzak, aan 't zoeken was, de duisternis
+vergeten, zijn oogen bewegingloos, met een krampig gevoel er in, zonder
+gedachte.
+
+Even later was hij weer bij zijn zinnen. Hij vond in-eens dat hij in een
+verschrikkelijk verlaten duisternis stond. Het was toch nog koud al was
+het voorjaar! De gedachte viel over hem, dat hij weer een kleurloos
+leven ging beginnen, vernietigend, onmogelijk. Mathilde lag daar ginds,
+voor hem verloren. Het was of hij haar van hier hoorde slapen, in een
+vasten slaap, waaruit zij voor hem nooit weer zou ontwaken.
+
+Een paar uren later gleed hij, zijn lot verwenschend, onder zijn
+eenzame, kille, bijna vochtige lakens.
+
+De volgende weken was het dag in dag uit hetzelfde eentonige leven.
+Mathilde bleef hetzelfde, koortsen verzwakten haar onophoudelijk; een
+paar uur per dag maar zat zij op.
+
+ * * * * *
+
+Den eersten tijd, dat hij alleen in Amsterdam was, gedurende de
+kantooruren, merkte Jozef weinig van de verandering in zijn toestand.
+Hij mocht nu met zijn ziel onder zijn arm in het stille huis buiten
+rondwandelen in plaats van in Amsterdam, dat was het heele verschil.
+Maar langzamerhand, daar hij toch vastgesteld had nooit 's avonds voor
+zeven uur buiten te zullen komen omdat hij 's middags nog wel eens iets
+op het kantoor te doen had, begon hij gedurende zijn vrijen tijd visites
+bij Emilie Berlage te maken, altijd geregelder.
+
+De lente ging voort. Jozef zeide tot zich zelf dat het jaargetijde dezen
+keer een buitengewoon merkbaren invloed op hem oefende. Zette hij zijn
+raam open op het kantoor of buiten, over-dag of 's nachts, en de
+lentelucht drong in zijn neus en in zijn ooren, dan voelde hij de
+herinneringen aan zijn vroegere, zijn ongetrouwde leven met een zoetheid
+in zich opleven, die hij vroeger van de werkelijkheid nooit had
+ondervonden. Hij kon wel, zijn blik in de verre lucht, aan den tijd van
+voor zijn trouwen met weemoed te-rugdenken, als een droomer, zich niet
+heugende hoe diezelfde tijd hem toen gewalgd had.
+
+In een zachten overgang, zonder den minsten strijd, zonder dat hij er
+een besluit voor hoefde te nemen, maakte hij een middag het voornemen,
+dien avond niet naar buiten, maar naar de club en daarna naar de opera
+of zoo te gaan. De gelegenheid was nu beter dan ooit. Mathilde was er
+niet om hem, door haar zwijgen of door een aanmoediging, die hij meende
+averechtsch te moeten opvatten, te-rug te houden. Hij telegrafeerde om
+vier uur twintig aan zijn vrouw: "Ben verhinderd, kom morgen". Daarna
+ging hij bitteren in de club, waarvan hij nog altijd lid was gebleven,
+en dineerde met drie vrienden, Hasman, d'Ablaincourt en een officier,
+die hij, zoo als altijd, ook nu weer in de club gevonden had, in het
+blauwe bovenzaaltje van cafe Suisse.
+
+Een gevoel van verlatenheid, bevreemding, van afwijking van gewoonte,
+loste zich over zijn schouders op in een blijde te-rugkeerende vrijheid.
+Hij dronk zooveel wijn tot hij in een vroolijke stemming was; hij lachte
+met zijn groote tanden, terwijl zijn breede snor dan telkens naar boven
+sprong. Gewaarwordingen als van vier jaar her vulden hem. De
+huwelijksjaren krompen samen, verdwenen. Hij was de oude. Hij had weer
+pleizier. De kellners schenen met de gewone eerbiediggemeenzame oogen
+toe te zien, maar verrast en met kleine herkennings-glimlachjes
+onderling. Tegen het dessert dronk hij veel achter mekaar, om zich op te
+winden, want het hanteeren van het hem vreemd geworden leelijke nare
+restauratie-tafelzilver, de oppervlakkige koude feestelijkheid van de
+witte gladheden der borden, de glazen, het gas, de gebaarde
+heerengezichten, in dit alles scheen even een verwijt te trillen, 't
+gezin, dat naar hem wenkte, ziek en jong, uit de verte. Hij voelde het
+verwijt onder zijn haar opstijgen. Hij deed even zijn hand aan zijn
+hoofd om het te verdrijven, in een verdoovenden glimlach, rondziende of
+iemant ook iets over hem dacht. En hij, die gedacht had een gelukkig
+echtgenoot te zijn en van het regelmatige en bedaarde genot van den
+huiselijken haard! Hij voelde, dat hij veeleer op deze manier gelukkig
+was. Hier was zijn plaats. Hij kon niet anders verlangen. Het andere was
+onmogelijk voor hem gebleken. Hij merkte, dat hij weer met het oude
+gemak het stugge, weerspannige, veel te stijf gestreken restaurant-servet
+behandelde. Hij voelde zich achter tegen den rug van zijn stoel zitten,
+zijn leden meer in mekaar, terwijl zijn vleesch en geest zich heelemaal
+overgaf in een neerbuigen van zijn kin over zijn hals, terwijl van onder
+zijn gladde voorhoofd, flikkerende in den gas-schijn, zijn oogen lachten
+met de grappen van de vrienden.
+
+Toen Jozef, na het diner, weer op den trottoir stond, ruischte het
+verwijt weer tegen hem aan uit de onverschillige grommeling van de
+straat. En Mathilde? ... Mathilde? ... Zij moest den telegram al lang
+gekregen hebben, Jozef zag naar den grijzen trottoir, waarover de
+gasvloed uit de winkelkasten spoelde; zijn breede, wijde manchetten
+vielen over zijn handen, de wijde pijpen van zijn lila-broek stonden,
+als olifantspooten, tot bij de punten van de schoenen. Hij dacht aan
+Mathilde en aan buiten, een angst klom in zijn keel en hij voelde zijn
+hoed zijn hoofd als een klemmende ring omvatten. Daarna keek hij op,
+zijn vrienden wachtend, die hij met stappen, kletsend in den gang van
+Suisse, hoorde aankomen. De menschen, donker bewegende beelden, hoog en
+laag, liepen schoffelend voorbij door het praatgesuis heen. De zwarte
+lucht walmde neer over de huizen. Een minuut was 't Jozef als of al die
+menschen in hun ruischend gebrom, met hun bewegende monden achter hun
+haarden, allen over hetzelfde onderwerp spraken, een belangrijk,
+aangrijpend onderwerp, dat allen bezighield. Allen waren ernstig,
+afgemeten, hij ving schuinsche blikken op, in zijne richting gestuurd.
+Zij spraken van hem, zij spraken van Mathilde, hoe ongelukkig zij was.
+
+Nu begreep hij plotseling, dat zij naar hem moest verlangen, dat zij aan
+de waarheid van zijn telegram twijfelen zou. Hij zag haar van hier voor
+op haar ziekestoel zittend, onrustig, zonder te leunen, haar blikken zoo
+vreemd, naar voren, zooals zij kijken kon in uren, dat zij een verdriet
+voorzag en wel zeide dat te voelen naderen als een aankomende
+krankzinnigheid. Zoo als hij haar gezien had na den dood van den ouden
+de Stuwen, zoo moest zij nu dezen avond zijn, daar ver van hem
+verwijderd, alleen in het ontbottende Gooi.
+
+Maar Jozef vermande zich. Gekheid! Hij zou haar nooit ongelukkig maken.
+Hoe kwam hij aan die gedachte? En hij beloofde aan zich zelf, dat, zoo
+hij het vervelende eenzame leven al niet langer verdragen kon, zoo hij
+zijn vrijheid in 't vervolg weer wat minder opgesloten zou houden hij
+toch vooral zorgen zou, dat Mathilde er niets van merkte en zij er in
+'t minst niet onder leed.
+
+De heeren gingen nu naar de fransche opera in den Stadsschouwburg. In de
+pauze zei een van hen, bij die gedachte gebracht door het hooren van de
+muziek, dat die muzikale avondjes nu wel gedaan zouden zijn bij Jozef.
+
+--Ja, andwoordde hij, zoolang als Mathilde niet beter is, dat begrijp-je.
+
+Er werd verder weer over Mathilde gesproken; een lichte ironie trilde in
+de rooyige gezichten.
+
+Toen Jozef om halt drie dien nacht met zijn kalmen regelmatigen tred
+naar huis stapte, dacht hij voortdurend aan Mathilde. Een spijt sarde
+hem, telkens opkomende, hij vlagen. Het scheen hem, dat hij haar een
+groot leed had gedaan. Hij verzon nu, wat hij haar opgeven zou als de
+reden, waarom hij niet buiten was gekomen. De zaken natuurlijk. Dat was
+het eeuwige voorwendsel, onweersprekelijk, Met de zaken bemoeide zij
+zich zoo weinig, van de zaken wist zij eigenlijk niets af.
+
+En, den volgenden dag buiten, zittend vlak bij Mathilde, zijn knieen aan
+haar knieen, de telegram open op tafel met het koude blauwe schrift van
+den telegrafist, vertelde hij haar een heele geschiedenis. Hij had weer
+veel meer pleizier in de zaken gekregen dan vroeger, hij begon een
+nieuwe onderneming, waar hij veel aan dacht en waarvoor hij veel werken
+moest. En zij, met haar vage zieke oogen, geloofde hem als een kind, nu
+zijn hand zoo vertrouwelijk lag op haar knie, bijna bloot onder de dunne
+witte nachtjapon.
+
+Nu gleed Jozef zoetjes-aan heelemaal tot zijn vorige leven te-rug. Hij
+vond het erg aangenaam met zijn gepozeerdheid van jong elegant getrouwd
+man in zonnige middagen over den Dam, door de Kalverstraat, door de
+Reguliersbreestraat te wandelen, terwijl zijn vrouw op hun villa, buiten
+was. Een anderen keer ging hij weer eens over het Koningsplein, door de
+Leidsche straten, naar het Vondelspark. Hij vond de oude manieren weer
+te-rug om zijn lichaam te bewegen en voor zich uit te zien, zoo dat de
+dames hem bekeken met belanghebbende blikken. Zijn oude koketterie
+steunde nu op een zekere hoogheid en te-ruggetrokkenheid, nu hij zich
+als getrouwde door de nieuwsgierige oogen beschouwd voelde van de
+juffertjes en de zusters van zijn kennissen. Hij deed weer minder in
+Emilie Berlage. Hij had een paar maal de ouders van den overleden
+echtgenoot bij haar ontmoet, die hem op onaangenaam aandringende manier
+naar Mathilde vroegen. Een buitendien maakte Emilie hem driftig, om dat
+hij dacht, dat zij hem alleen maar zoo'n beetje voor den gek hield.
+
+Er openbaarde zich in hem een heftige reaktie tegen de jaren van
+ingetogen huwelijkstrouw. Als iemant, die een vroeger geliefd huis, waar
+hij in lang niet kwam, de trap opgaat, ging hij weer heelemaal op in het
+pleizier van matig uitgaan. De heele stad was nogmaals zijn terrein. De
+beminnende onrustige vrouw was er niet meer als een spaak in het wiel.
+Het was wel een aardige roman geweest, die enkele jaren van geheele
+kalmte en maatschappelijke geregeldheid, met altijd dat zelfde lichaam
+en die wijde donkere oogen, die zoo weinig wisten, om mee te zijn. En
+nu, met de ziekte, zoo opgescheept als hij eerst met die nutteloze,
+onbruikbare vrouw was geweest in de stad, zooveel genoegen, deed 't hem
+nu te kunnen zeggen, dat hij zijn vrouw naar een villa in het Gooi had
+gebracht, om van een bedroevende kwaal te herstellen. Hij had het nu
+voortdurend over "zijn optrekje" en "ons optrekje". Hij sprak over
+"Bagatelle" in een toon van: "Je weet wel, mijn buitentje, waar mijn
+zieke vrouw woont".
+
+Jozef bleef nu herhaaldelijk 's nachts in Amsterdam. De maanden April en
+Mei ontrolden zich met onafgebroken mooi weer. Jozef die tegenwoordig
+bijna geregeld naar de Beurs ging, betrapte zich, bij het uitgaan
+dagelijks op wankelingen in zijn besluit om dien dag toch naar buiten te
+gaan. Als hij 's morgens in het te breede ledikant in Amsterdam wakker
+werd, het gemakkelijke huwelijksbed, dat hij, na Mathildes vertrek, met
+schoone lakens weer in gebruik had genomen, en hij hoorde en zag de
+stille leegheid, die alle verdiepingen, alle kamers en vooral hier hun
+slaapkamer, vervulde, dan kwam er altijd een golf van teederheid over
+hem. Hij stond op en in de frischheid van het aankleeden, in de bleeke
+zonneschemering door de neergelaten gordijnen, op zijn kousen met dolle
+stappen door de kamer loopend, zich bukkend om uit de la zijn boord en
+zijn das te krijgen, alleen zijn eigen bewegingen hoorende, het geruisch
+van zijn overhemd, het smakken van zijn ontwakenden mond, zijn kriegelig
+gapen, zijn eerste stijvere stappen met de aangetrokken schoenen over de
+vloer,--dan miste hij Mathilde. De nasmaak van de pleizieren van den
+vorigen avond was bitter, was hij dan weer een groen losbolletje
+geworden? Gedurende het wasschen nam hij zich onherroepelijk voor in 't
+vervolg geregeld naar buiten te gaan. Gedurende het afdroogen, achter de
+klammerige sijpeligheid van zijn gezicht in den nieuwen dag, herinnerde
+hij zich, hoe ze gister-avond gelachen hadden, en hij lachte, bij het
+herdenken van de kleine overwinningen zijner ijdelheid, nog eens
+stilletjes over, tegen den spiegel ziend om zijn haar, dun en zijig, te
+kappen. Daarna tikte de barbier aan de deur. Hij maakte een praatje over
+het weer en Jozef dacht met genoegen aan de straat, waarop hij zich zoo
+meteen weer vertoonen zou. Als hij geschoren en gekleed was, krulde hij
+voor 't laatst zijn snor voor den spiegel, beschouwde zich met een
+kalm-tevreden blik, en zijn voornemen om naar buiten te gaan werd minder.
+
+Als hij beneden ontbeet, had de dikke Dientje altijd een reden om in de
+kamer te zijn. Dan vroeg zij of zij van-avond weer op hem rekenen moest
+met de deur, waar dan de ketting niet werd op gedaan. Hij andwoordde
+onzeker. Dientje verzocht wel de komplimenten aan mevrouw. Daar had zij
+altijd den mond vol van. Zij kon, dik en medelijdend, met een welgedaan,
+gezond hart, onder de strakke paarse jurk, niet hebben, dat mijnheer
+niet elken avond naar buiten ging. Telkens als hij van buiten
+te-rug-kwam, en zij hem voor kantoortijd even te spreken kreeg, vroeg
+zij met drijvende oogappels en een deelnemende trek om den mond, hoe 't
+ging met mevrouw.
+
+De kantoortijd was gauw voorbij. De bedaarde zaak ging haar geregeld
+gangetje, zoo als zij het nu al veertig jaar lang had gedaan. Jozef zat
+daar, krabbelde met zijn gouden potloodje over het korrekte koele
+papier, kontroleerde eenige geschriften, dronk koffie en ging naar de
+Beurs of dejeuneerde ergens anders en ging daar vandaan naar de Beurs.
+Bij kleine buyen was te midden zijner verveling een lust door hem heen
+getrokken, om zaakjes, kleine ondernemingen, te doen. Hij deed 't, maar
+'t bleef bij het onbeduidende, eenige honderden gewonnen, eenige
+honderden verloren, verder bleef de zaak op de oude klandizie drijven.
+
+Na de Beurs, als het in de jonge zon oplevend witte kleinen steenen veld
+van den Dam zich om hem heen uitstrekte, terwijl zijn zintuigen links en
+rechts door de glinsteringen en het gedruisch van de omgeving werden
+aangedaan, gebeurde zijn groote aarzeling. Hij had een eigenlijk zwak
+karakter. Hij wilde en bepaalde nooit vooruit wat hij zou doen, zonder
+dat hij op 't oogenblik van handelen er nog eens over dacht liever het
+tegenovergestelde te doen. Dikwijls tusschen half drie en kwart voor
+drieen op den Dam, werd hij dan woedend-driftig en werd zijn hals rood.
+Nog eens was dus zijn levensinrichting vernietigd! Hoe had hij gehoopt
+en gemeend nu het kalme fatsoenlijke genot-volle leven te hebben, tot
+aan zijn dood. En daar stond hij op den Dam, als vijf, zes jaar geleden,
+met zijn leege handen, zonder houvast. De gevangen vogel was door zijn
+vingers wechgevlogen. Hij was weer alleen. Zijn rustige vriend de Stuwen
+bestond zelfs niet meer, met wien hij over gewone levenszaken zoo graag
+op burgerlijke manier zat te praten. En de Stuwens dochter was daar
+buiten, ook alleen, half dood eigenlijk voor haar man. Rechts voor hem,
+voor van Gend & Loos, vertrok de omnibus naar de Rhijnspoor. De klok
+boven aan het Paleis wees aan, dat hij zich zou moeten haasten. Maar hij
+wilde niet, hij wilde zich niet haasten. Hij haastte zich nooit. Een
+groot gedeelte van het gentlemanlike in zijn persoon, in zijn houding,
+in alles was hij deed en naliet, bestond uit dat zich altijd meester
+schijnen, uit dat voortdurend leven met ingehouden kracht, uit dat zich
+nooit haasten.
+
+Wanneer de omnibus, het Rokin over, eenmaal uit 't gezicht was met zijn
+op-en neergaanden kondukteur in het kader van de opening naar binnen,
+viel er een drukkende lust uit Jozefs leden en scheen over de vierkante
+gladde keyen wech te wolken, onwaarneembaar. Hij had dan niet langer te
+wikken en te wegen en de langzame gewaarwording van het zich aan zijn
+luiheid in de zelfregeering overgeven, verdrong zoetjes de
+geestesspanning van zoo straks. Hij deed een paar stappen over den
+harden stadsgrond, waar men ten minste over gaan kon zonder zijn
+schoenen en broekspijpen te bestoffen zoo als in het zand, buiten. De
+flauwe laatste openbaringen van zijn inwendigen twee-strijd waren de
+gedachten aan de volgende treinen, waarmee hij nog zou kunnen
+vertrekken, aan de rijtuigen, die dicht bij hem klaar stonden, waarmee
+hij dezen trein nog kon halen, die even door zijn hersenen glipten, maar
+die verdampten in de onberedeneerde valsche zekerheid van dat dat
+onmogelijk was. Hij liet zich gaan, drong zich gemakkelijk de overtuiging
+op, dat het laatste middel om vandaag buiten te komen, niet meer bestond.
+En hij had weer een dag en een avond om zijn genietingen van vroeger te
+herleven.
+
+Hij vond, zacht en weldoend in hun verbleektheid van herinnering, de
+vroegere sensaties te-rug. Het bitteren in de club, de banale eeuwige
+jeugd der vrienden, het eenigszins fijn dineeren, de altijd kittelende
+herhalingen der zelfde gesprekken over rijke meisjes die onvermoede
+huwelijken deden, over bankiersfaljieten, over wijnmerken, over spijzen,
+over paard-rijden, over bals van den verloopen winter en bad-reisjes
+voor den aanstaanden, zomer, vooral over de aanstaande van die en de
+weduwe van die, over de allergewoonste zangeressen en over de eigenaars
+van cafe-chantants, hij maakte ze weer en weer door, de oude verveling
+was geweken, hij hoorde ze aan en sprak mee met zijn mooi bloeyend
+gezicht, en lachende onder zijn prachtige snor. Hij ondervond, tot
+overmaat van pleizierige bevreemding, weer het genot van zoo gemeenzaam,
+met het wijsheids-gemak, en de goedige onverschilligheid van den
+ondervindingrijken man, die zijn wereldje kent, al die zaken te
+behandelen.
+
+Voor het diner maakte hij een enkele maal een toertje te paard, maar
+zelden, heel veel hield hij er niet van. Na het dinee was het weer een
+komedie, een koncert in het Volkspaleis, een avondje doorgebracht bij
+een oude vriendin. Maar kalm, alles bedaard, alles met de bedaardheid
+van vroeger, vermeerderd en versterkt door zijn telkens meerdere
+rijpheid.
+
+Den volgenden dag reisde hij trouw naar buiten. Hij vond Mathilde altijd
+dezelfde, zwijgend, met haar zieke stem hem naar de zaken vragend, met
+de eindeloze hoop op herstel. "Begrijp je, als ik weer beter ben,
+dan, ... begrijp je, als ik weer beter ben" Altijd had zij andere
+plannetjes voor de toekomst, allerlei kleine gelukjes, die zij samen
+zouden hebben. Als hij twee, drie dagen achter-mekaar buiten kwam, vond
+hij haar vroolijker dan gewoonlijk. Maar als hij daarentegen eens
+wechgebleven was, scheen ze dat toch niet zoo erg naar te vinden. En dit
+stelde hem veel te vrede. Eene berustende, lijdende, gelijkmatige kalmte
+was over haar gekomen. Een ding was wel eens op hem gevallen. Was hij in
+haar bijzijn, dan stonden haar blikken in zijn oogen, volgden zijn
+minste bewegingen, drongen over zijn lichaam, met een vreemde volharding.
+Dan vroeg hij haar bijvoorbeeld iets en andwoordde zij niet, zij scheen
+hem niet te hooren, hem drinkende in haar starende, groeyende, zwijgende
+oogen. Eens had hij gezegd, een beetje gedwongen: "Wat kijk je me raar
+aan ...", zij zeide: "ik? ... ik? ... wat bedoel je? ... Wel neen, dat
+verbeel-je je maar".
+
+Een andere keer als hij weer, na de Beurs, op den Dam stond, van-zelf
+naar de dommelende paarden van den omnibus kijkend, en hij was gisteren
+pas buiten geweest, was het de last en het hinderlijke van de reis, die
+hem deed besluiten in de stad te blijven. Onophoudelijk dat heen en weer
+trekken, in de stofterigheid of de smerigheid van de spoor en zoo, het
+vervelende eentonige hossen, een paar uur lang, in zijn eentje, om als
+belooning van zijn moeite in denzelfden afmattenden vreugdelozen
+doodschen dampkring, buiten aan te komen, dat was heel onaangenaam. Als
+hij den omnibus maar zag, voelde hij zich al hobbelen tusschen allerlei
+burgermenschen in, met een door het dansen veroorzaakte tergende jeuk,
+die hem noodzaakte aan zijn neus te wrijven elke vijf minuten, hij liep
+al in de gedrongen haasterigheid van het stationsperron, hij voelde zich
+het onbeduidende grijze landschap doorstoomen, verder de eenzame rit van
+Vreeland, Kortenhoef en 's Gravenland in het gemeene tentwagentje, met
+den viezen koetsiersjongen voor hem en den ouden hit, en dat alles om
+zijn naren dag door een nog naarder avond te laten volgen, zonder zelfs
+altijd bij Mathilde te kunnen zitten, korte woorden over het weer en de
+huishouding met de meiden wisselend,--neen, het was te akelig. Zijn
+eenig genoegen was dan Marie te zien, zwaar en warmblank. Maar haar
+verschijning prikkelde hem minder dan eerst, haar onnoozele
+landelijkheid drong op den achtergrond zijner verbeelding, nu hij zijn
+steedsche pleizieren juist weer herleefde.
+
+Als Jozef naar buiten ging, zoo in een paar uur, uit het midden van
+Amsterdam overgeplaats naar Hilyersum, steeg hij als uit een lauw bad
+van geurend water in de koude ijzige lucht. Uit al de kleuren van
+huizen, van winkelkasten met hun spiegelende ruiten, van de roepende
+advertentieborden aan de muren, van de door gevellijsten afgelijnde
+luchtvakken, waartegen het gerij, en gestap en geschreeuw opsteeg, van
+het grommelend en witschitterende leven, waar hij met een stille genot
+der gewoonte door heen wandelde, was hij ineens midden in de wezenloze
+stilheid van het buitentje, waarvan de grijsheid en droefheid niet
+opbloeiden in de lentezon, die het met vonken besprenkelde.
+
+Maar zijn grootste plaag was de rit 's morgens vroeg van Hilversum naar
+Amsterdam met de dilligence. Daar hij volstrekt op het vaste uur--half
+tien uiterlijk--op het kantoor wilde zijn, reden die treinen tusschen
+Utrecht en Amsterdam, die te Vreeland stopten, allemaal te vroeg of te
+laat. Ellendig! Dat was eerst een haastig aankleeden in het kleine
+kamertje, hij sliep daar in een alkoof, waarvan het achterschot in twee
+deuren geopend kon worden en dan uitkwam in de kamer van Mathilde. Hij
+had daar willen slapen om vlak bij haar te zijn altijd. Er kon 's nachts
+iets met haar gebeuren, had hij in het begin tegen den dokter gezegd,
+nog niet wetende, dat hij niet alle nachten buiten zou zijn. Nauwelijks
+aangekleed, uit zijn humeur, moest hij ontbijten in de frissche vroegte
+van de groote kamer. Marie was dan nog boven bij Felix; Jans had alles
+maar half goed in orde gebracht, met slaperige oogen. Hij had zijn
+koffie en zijn ei nog niet op, of uit de verte klonk het waarschuwend
+getoeter van den diligence-kondukteur, snerpend en rauw langs de
+vensters. Dan moest hij ijlings zijn overjas aantrekken, even, met een
+gedruisch, in de klamme kalmte van Mathildes kamer dringen haar een
+afscheidszoen geven op haar vermoeid gekleurde wangen na een pijnlijken
+nacht, beloven dien middag te-rug te zijn voor het eten en--de oude
+gele kast wachtte al in 't midden van den breeden grijs-gelen weg
+in-een-zakkend binnen zijn grove wielen. Binnen-in had hij 't niet uit
+kunnen houden en maakte dus nu de tochten achter het vooruitspringende
+bankje van den voerman, in de van voren uitgehouwen nis zittend,
+waarover de met pakken en kisten beladen houten kap een eind heen stak,
+tegen den regen. Er waren drie plaatsen op zijn bank, waarvan er twee
+meestal door een groenteboer of paardenkoopman werden ingenomen En dan
+begon de schommeling van twee en een half uur, terwijl de eene buurman
+pruimde, kwijlde en spoog, de andere met den koetsier samen zijn gemeene
+tabak rookte. Er waren geen gezichten van naderende lente ter wereld,
+geen stille, bescheiden zonnestralen die zachtjes over zijn knieen
+kwamen glansen, die hem vrede met zijn lot konden doen hebben. Meestal
+trachtte hij te slapen, terwijl de ochtendwind zijn snorhaartjes
+spartelen deed. Hij verachtte de gesprekken zijner buurlieden, trachtte
+er niet op te letten. Hij vloekte in zich zelf om dat hij geen eigen
+rijtuig had, dat hem, met twee onvermoeibare paarden, in de helft van
+den tijd heen en weer gebracht zou hebben. En onbestemde oude lusten om
+zich rijk te maken, om zaken te doen en zich binnen weinige jaren alle
+weelde te kunnen veroorloven woei de lentewind door zijn hersenen bij
+het aankomen in Amsterdam en met kletterend geraas en rollend gehobbel
+door de Muiderpoort rijden. Hij zou dadelijk beginnen, iets nieuws
+verzinnen, speculeeren, een jonge onderneming, een maatschappij, een
+premieleening op touw zetten. Maar op zijn kantoor, achter den kostbaren
+lessenaar, die zich eeuwig verjeugdigde, eerst onder de ellebogen en
+mouwen van zijn vader, nu onder de zijne, wolkten de plannen wech. Hij
+was lui. Hij was bepaald geen man van zaken. Hij stelde zich weer te
+vrede met het betrekkelijke gemak, het tamelijke welzijn, dat hij nu al
+genoot. Men mocht niet wagen, houden wat men had, dat was de hoofdzaak.
+De voorzichtigheids-overtuigingen zijns vaders leefden in hem voort. Hij
+voelde, in zijn kalme genoegdoening van mooyen man, met welbehagen de
+beperktheid der cirkels van zijn begeerte en gedachten.
+
+Hetgeen Jozef weer van-zelf zijn versmaad en vergeten leven van vroeger
+deed beginnen, was de leegheid die van Mathildes kant vermeerderde. Hij
+voelde Mathildes wezen uit zijn hart en uit zijn zinnen vervreemden, als
+een stroom van 't een of ander, die daar langzaam uit zou zijn
+wechgevloeid. In Amsterdam, in huis, was zij niet. Hij liep langs de
+bloementafel in den gang, langs de meubelen in de kamers, die daar op
+haar verlangen zoo waren geplaatst. Er was niets, neen niets, noch de
+looper op de trap, noch dat soort stoven in de binnenkamer, noch het
+tapijt in de zaal, noch de pendule "voor", of zij hadden er samen over
+gesproken, het samen uitgekozen. Aan alles was iets van haar en dat hem
+haar voortdurend herinnerde, hij zag haar gaan, over hun woning te
+vrede, met glimlachjes hem verzekerende, dat nu alles goed was. Hij kon
+geen deur voorbijgaan, of hij zag het uiteinde van haar sleep daar
+verdwijnen, terwijl zij zelve al binnen moest zijn om haar huishoudentje
+te doen, een visite te ontvangen, hem op te wachten, haar huis, in een
+woord, te bewonen. En nu! Wech was ze. Zij had het huis alleen gelaten.
+Het verloor zijn bestemming. Hij herkende zachtjes-aan noch de
+zolderingen, noch de wanden, noch de vloeren meer. Ja, het was toch wel
+hetzelfde huis, maar het geen het vroeger maakte tot wat het was, was 'r
+uit verdwenen. Was alles, al het omringend, de ruimten van den gang, van
+de trapkast, van de kamers, vroeger dan beschilderd geweest met
+tooverige voorstellingen, met verrukkelijke kleuren, was overal een
+donzig en geurig behangsel wechgevallen? Neen, alleen een warme,
+dof-roode tint moest alles omzweefd hebben en was nu wechgevaagd. Hij
+scheen nu alle lijnen en hoeken, de afmetingen van den inwendigen bouw
+van het huis, de grenzen der voorwerpen, beter, duidelijker te
+onderscheiden. Een koude had de kleuren verminderd om de lijnen en
+streepen duidelijker te maken. Hij zag alles naar voren komen, zich
+afteekenen tegen den achtergrond, waarmede het vroeger meer een scheen
+te zijn. De ziel van het huis, de adem, was er uitgegaan. En hij zocht
+in de stad het leven, dat hier weigerde zich aan hem voor te doen.
+
+Tusschenbeide, na dat hij weer erg met vrienden in de stad samen was
+geweest, joeg een dwaze begeerte hem met zekere snelheid naar buiten.
+Een gejaagdheid sloop dan door zijn leden, die hun kalmte bijna
+verloren. Zijn hand trilde bijna, als hij zijn kaartje nam aan 't
+station. Hier stond hij met zijn leege armen, met zijn verlaten borst,
+voort! daar ginds was zij, die hem weer dwingen zou zijn armen om haar
+schouders te slaan, zijn handen samen te vouwen over haar rug, haar
+handen vlak uit tegen zijn borst en zich tegen hem aan drukkend.
+
+Als hij dan buiten kwam, week de waan geheel. Onveranderlijk zat zij
+daar, eerst voortdurend in haar slaapkamer, later voortdurend in de
+groote kamer, te zwak om hem bij zijn binnenkomst te gemoet te gaan, met
+armen lam van uitputting, met beverige lippen, die hem nauwelijks
+zoenden, hem altijd dezelfde vragen doende over hoe het ging in de stad,
+over de zaken hem verhalende wat de dokter had gezegd, over het eten
+sprekende: een geliefkoosde spijs, die gisteren voor hem was klaar
+gemaakt, waarom hij toch niet gekomen was?, hetzelfde verschiet van hoop
+in de toekomst openende, maar vager, met te-rugwijkingen van de stem, in
+'t midden een volzin haar spreken stakende, en hem dan kalm, zonder
+ontroering, zoo wonderlijk aanziende, dat hij, denkende met een
+ziekte-verschijnsel te doen te hebben, het venster uitkeek en na een
+poosje een opmerking maakte over het aangroeyende groen.
+
+Voor den eten kwam Marie geregeld, als het mooi weer was, met Felix van
+een wandelingetje te-rug; als het slecht weer was, van boven, om het
+kind aan zijn vader en moeder te laten zien. Jozef vermeed Marie aan te
+zien; Felix werd met gedwongen liefkozingen behandeld, terwijl er, met
+dat kind tusschen hen beiden in, zijn blauwe oogen vragende wat de aarde
+was, beurtelings naar hem en naar haar gericht, een wind van droefheid
+snel, sidderend, tusschen hen uit heen woei, de glazige ruiten door, ver
+over den weg naar buiten, en Mathilde wit werd, roerloos. Eens regende
+het in een voorjaars-storm, voor de komst van den zomer; in sabelende
+scheuten kletsten de droppelen-massaas tegen het glas. Huiveringen
+zwiepten langs den grond van kiezelsteenen, over het dunne opschietende
+gras tot aan het hek. Het woud van kleine blaadjes in iederen machtigen
+iepenboom, aan den grijzen weg, kromp ineen, fladderde als millioenen
+vogelenvleugels, samen, buigend en wenkend, warrelend in angst. Het kind
+kreet 't toen plotseling uit, in lange frissche geluiden uit de jonge
+keel, zijn gezichtje wrong zich samen, verschrikt voor het naderende
+leven. Daarna stond 't weer effen, zonder een rimpel in het gladde vel.
+Als Felix schreeuwde, droeg Marie hem wech, hem sussend, hem dansend in
+haar armen. Jozef en Mathilde bekeken de lucht, ieder door een andere
+ruit ziende, zwijgend, met lichte kuchjes en ademhalingen.
+
+Het gebeurde wel eens, dat de dokter zijn bezoek kwam brengen na Jozefs
+aankomst, ofschoon hij meestal, in zijn tweewielig overkapt
+dokterswagentje, 's ochtend voor twaalven de ronde deed aan deze zijde
+van het dorp. De dokter was een dik rooderig mannetje, bestaande uit
+lagen vleesch en huid die op elkaar zwabberden, een boerenzoon, die
+gestudeerd had, het examen onder de oude wet had gedaan, en nu niet
+zijn helle oogjes en mopsneusje zijn bewegelijkheid en bekrompen
+levenswijsheid in een ruwheidsvoorwending uitstalde. Hij had een paar
+brieven met zijn Amsterdamschen kollega over Mathilde gewisseld en
+behandelde haar nu met zijn tergende flinkheid, zich onophoudelijk in
+zijn verwachtingen bedriegende, onuitkomende voorspellingen doende, deze
+koppige kwaal niet begrijpende. Wanneer het maar eerst zoo warm werd,
+dat Mathilde bijna den heden dag in den tuin zou kunnen doorbrengen en
+wandelingetjes in den omtrek doen, dan zou 't wel gaan. Jozef vond den
+dokter een onaangenaam kereltje. Tegenover de wereldschheid van Jozefs
+uiterlijk en manieren verborg hij zijn ergernis van boerenzoon onder
+wantrouwende oog-opslagen en een soort van stugheid in de stem. Hij vond
+zich belemmerd in zijn korte vette gebaren en in zijn driftig
+plattelandsgeneesheers-gezach door de zwierig-bedaarde bewegingen en
+kalme woorden van Jozef, die een hoofd grooter was dan hij.
+
+Terwijl de dokter dikwijls lang bleef zitten, Mathilde's onderworpenheid,
+die zijn raadgevingen en gezegden aanvaardde, exploiteerende, stond Jozef,
+die eerst mee gesproken had, in een hoekje aan den anderen kant van de
+kamer, bladerend in een prachtwerk, ongeduldig onder zijn kalmte.
+
+Nu Mathilde haar dagen in de groote kamer leefde, dineerden zij daar
+samen om vijf uur, als Jozef gekomen was. Om negen uur, half tien, ging
+Mathilde naar bed, Jozef nam afscheid op haar slaapkamer, schoof
+langzaam door het gangetje naar de groote kamer te-rug, na dat hij, door
+de reet van de keukendeur, de warm rood blanke Marie gezien had, haar
+roode vochtige lippen onder den lampeschijn, in den damp der kommetjes
+koffie, tegenover Jans.
+
+Jozef ging ook vroeg naar bed, niet wetende wat te beginnen. Dan lag hij
+dikwijls uren wakker en hoorde de stille ziekelijke woelingen van
+Mathilde achter het schot. Hij hoorde haar hijgen, zacht opstaan,
+drinken, en heen en weer gaan met schuivende stappen, weer gaan liggen,
+zonder slaap, alles met de afgematte bewegingen van een eindigend
+lichaam. Een woede steeg in hem op en maakte zijn hoofd heet, Wie,
+verdomd, of wat, noodzaakte hem zich hier te liggen vervelen, in dezen
+ellendigen uithoek van het Gooi! Welk leven had hij zich bereid, vier
+jaren geleden! Allerlei denkbeelden en verwenschingen stegen op uit de
+verste hoeken zijner hersens. Er was geen enkel in zijn jeugd wel eens
+overwogen levensplan of het schoot hem nu weer te binnen. Waarom niet
+dit gedaan, waarom niet dat gedaan, in plaats van dat huwelijk! Waarom
+was hij niet in Parijs gaan wonen of ergends in het buitenland, zoo als
+hij zoo dikwijls had willen doen! Daar lag hij nu, zonder pleizier,
+zonder iets! In wrevel spalkte hij nu zijn neusvleugels en hoorde het
+heele losse huis kraken en inslapen om hem heen.
+
+Meestal in deze nachten, lag hij te luisteren naar de geruchten van de
+eenige verdieping, boven zijn hoofd. Eerst hoorde hij de trap kreunen,
+als Jans en Marie naar boven gingen. Jans sliep in een alkoof, van den
+kleinen zolder uitgespaard, door een dun schot er van gescheiden, boven
+Mathilde; Marie sliep op het tweede der logeerkamertjes, aan de
+voorzijde van liet huis, juist boven Jozefs hoofd. Het huis was zoo
+dun-netjes gebouwd, dat Jozef elke stap van de pantoffels der meiden
+hoorde. Jans stapte licht, met haar magere oude beenen, Marie met zware
+voeten, meer klotsend. Hij hoorde haar stilstaan, met een gespatter der
+zolen, voor Felix ledikantje. Daarna verder gaan, het getikker van haar
+zaakjes, die zij op tafel lei, daarna een dof gemorrel, zij moest zich
+uitkleeden, daarna: "nacht Jans, wel te ruste" en het bromde te-rug, van
+achteren, veel verder af, als van iemant, die buikspreekt: "nacht, kind,
+slaap wel"; hierop hoorde hij het zware liggen-gaan van Marie in bed.
+Hierna was alles stil. Alleen een muis kraste achter het behangsel, en
+sarde Jozef uit den slaap, tot hij herhaaldelijk was opgestaan, om hevig
+te kloppen.
+
+Eens bleef hij vier dagen achter-mekaar in Amsterdam, elken dag
+telegrafeerende, dat hij te veel op het kantoor te doen had, om te
+komen. Mathilde scheen niet verwonderd bij zijn te-rugkomst. Zij zoende
+hem alleen flauwer, meende hij, en zag hem nog langer, nog wondelijker
+aan, met haar wijde oogen, waar een vreemd iets in sprankte. Zij ging
+een beetje beter, zeide zij. De heele beterschap zou zoetjes naderen.
+
+Eens op een anderen nacht, tegen den ochtend, werd Jozef wakker. Hij
+wist eerst niet wat hem wakker deed worden, wilde weer inslapen, zijn
+gezicht tegen den wand. Toen hoorde hij iets als blazen, ademen, iets
+dat leefde vlak bij zijn hoofd, een wezen, een dier misschien. Hij
+sprong op tot een zittende houding, draaide zijn hoofd boven zijn
+schouders rechtsom, keek in de wemelende donkerte, luisterend,
+onderzoekend. Het moest van achter het schot komen, uit Mathildes kamer.
+Hij hield zijn oor tegen het-hout. Nu hoorde hij hijgen, iets als een
+onhoorbaar schreyen, iets als een regelmatig kloppen van ver af, als op
+een aanbeeld van uren afstands onder den grond.
+
+--Mathilde, riep hij, wat is dat? Is er iets in je kamer? Ben je wakker?
+
+Het geluid hield op. Hij kreeg geen andwoord. Hij hoorde zachte voeten,
+wijkend, met het geruisch van een kleed er over heen.
+
+--Mathilde, ben je wakker?
+
+Nu sprak uit haar ledekant haar stem, zacht, gejaagd:
+
+--Ja, is er ies?
+
+--Hoor je niets in je kamer?
+
+--Ik? ...nee, nies ...
+
+--Is je licht aan?
+
+--Ja ... ik was zelf op, zoo met-een, om te drinken.
+
+--Zie je dan nies?
+
+--Ik? nee, nies ...
+
+--O, dan heb ik 't me zeker verbeeld, wel te ruste.
+
+Jozef sliep weer in, zonder denken, niet begrijpend. De muis ratelde
+voort achter het behangsel.
+
+Toen er anderhalve maand om was en Mathilde zich heelemaal aan het leven
+buiten gewend had, bleef Jozef herhaaldelijk vijf, zes dagen achter-
+mekaar, eindelijk een week wech, eindelijk kwam hij drie keer na mekaar
+maar eens in de week over.
+
+Hij leefde weer in het gemakkelijk leven van dadelijk genot. Mathilde
+werd een voorwerp, waarmee hij gedwongen was zich nu en dan bezig te
+houden; een dame, die het lot nu eenmaal tot zijn verwante had gemaakt
+en die hij genoodzaakt was tusschenbeide met beleefdheid, met
+hartelijkheid te gaan bejegenen gedurende eenige uren.
+
+Jozef dacht er ook met ingenomenheid aan, dat men bezig was een
+spoorbaan tusschen Amsterdam en Utrecht en Amsterdam-Amersfoort te
+leggen, via Hilversum. Dat zou de overtocht veel vergemakkelijken,
+Intusschen dacht hij: als 't maar niet te laat is, dan! maar dit idee
+verschrok hem niet veel: een levend of een dood lijk, daar was weinig
+onderscheid tusschen.
+
+
+
+
+XIII.
+
+
+Twee maanden gingen voorbij. Het was het begin van Juni. Bagatelle
+scheen, van den straatweg af gezien, hooger te zijn gestegen en rustte
+nu, glansend bruin en wit in het zonnelicht, op zijn hellend voetstuk
+van donker-groen zijig gras, dat de bloemperken, licht en zwaar roode,
+omlijstte; de groote iepen langs den weg hadden van boom tot boom aan
+weerszijde hun bladeren saamgevlochten, die in groote verwarde trossen
+laag neerhingen, voor het huis. Alles bloeide, leefde, kwam tot
+rijpheid. Zachte, goud-trillende windjes streelden de bladen, ruischten
+rond met den zang van een vogel, heenstervend boven de schuinte van het
+dak. De zon was overal. Bij de groep boomen, links van het huis, stond
+een purper-bruine beuk, waarvan de bladen zich tintten als donker
+paarlemoer, door den wind in de zon op en neer wuivend. De sparren, in
+boschjes, in de achterhelft van den tuin, aan weerszijde, doften, morden
+samen, zwart van groenheid. Vlak achter het huis, waar kastanjes, langs
+de oprijlaan, hun pluimen van gedweee, over elkaar neervallende veeren
+verhieven, mengde zich een strook droger, lichter groen tusschen de
+donkere sparren. De vloer van den tuin was van streepen gras en kleine
+grasvlakten tusschen de zwarte zandpaden en de witte kiezelsteenen. En
+alom, over den grond en van de ruimten uit, hoog en laag, zag Mathilde
+zich door een leven van groen omgeven, van goudgestraal doorschroeid of
+uitgelegen in den zacht-gelenden glans.
+
+In dien tijd waren er in de meeste villaas in de rondte ook menschen
+gekomen. Aan de eene zijde had Mathilde nu een oude dame, die daar een
+leelijk vierkant geel huis, als een kast, bewoonde met een nicht; zij
+waren streng protestant; zij hielden rijtuig. Als Mathilde 's nachts
+niet slapen kon, hoorde zij het paard trappen op de steenen van mevrouw
+Arlewijns stal, die door een gemeente-voetpad, van een meter van
+Bagatelles tuin gescheiden was. Aan de andere zijde dook tusschen het
+gebladerte van zijn tuin, een nog lager huis wech, half
+herbergiers-woning en oud, half societeit en nieuw. Achter Mathilde, van
+haar tuin gescheiden door den nauwen, vies-klam-hobbeligen. Vaarderweg,
+van vale aarde en stukjes steen, die altijd stil was, stumperde een
+buitentje uit den grond, hokkerig, heelemaal van hout, ook met een
+kleinen stal, op den hoek van den Vaarderweg en het melkpad met zijn
+wijde akkers en verren gezichteinder, dat achterom, naar het dorp
+streepte. Schuin tegenover Mathilde, aan de andere zijde van den breeden
+straatweg, ijselijk wit, het andwoord gevend op de lachjes van
+Bagatelles gevel, was de woning van mevrouw Rim, oude dame met groote
+grijze krullen als klosjes garen aan haar slapen, met twee kleine
+kinderen, en daarnaast, vlak tegenover Mathilde, bromden, vaal-grijs en
+blauw, de hooge naakte muren tegen de lucht, van zweetend vlekkerige
+steen gebouwd, van het eenige huis van twee verdiepingen in de
+onmiddellijke nabijheid, vijf stokstijve vensters breed, de kostschool
+der dames Streelink, die met hun vader, kreupel gepensionneerd officier,
+daar hun brood verdienden. En verder volgden de villaas elkaar op,
+tusschen hun nu vol groen gewassen tuinen door, hun lichtgekleurde
+voorgevels naar de zoo hoog groen bedaakte ruimten van den breeden weg
+duwend. En niets dan boomen, planten en bloemen in de rondte.
+
+Als Mathilde voor het raam zat, in de groote kamer, reden er
+eigen-rijtuigen, met opdampende stofwolken, den weg af naar het dorp en
+omgekeerd; jonge meisjes in blauwe, witte en rose toiletjes, met
+parasols, gingen voorbij. Oude dames, in het zwart, wandelden. Het was
+een beweging en een stuk stadsleven door den zomer hier overgeplant.
+
+Mathilde had dien zomer langzaam zoo zien komen zoo zien worden om haar
+heen, Als zij 's morgens opstond en de gordijnen voor de vensters
+ophaalde, bloeiden er een lage lindeboom, links, dof, bleekgroen, en de
+kastanjes voor haar uit. Links op den achtergrond, onder een groote plek
+open hemel, schuilde een oud-Flora-borstbeeld, op een blauwsteenen
+voetstuk, in een uitgebreide nis van bloemende boompjes, seringen,
+jasmijnen, een gouden regen, wech. Twee seringenboompjes trosten hun
+takken violette, licht-paarse ruikertjes over het Flora-beeld, met zijn
+leege oogen, heen, en te midden van de groene heesters bloeiden aan
+weerszijde de gouden regen, met zijn uitstorting van innig-gele
+bloemetjes, en de lage jasmijnen, met groenige warm-witte klokjes.
+Daarboven, tusschen het netwerk der hoogste takjes en sprietjes uit,
+daakte, heel ver en heel hoog, de tintelende blauwheid van den hemel.
+Het was bijna aldoor mooi weer; bijna elken ochtend had Mathilde dat
+gezicht. Gedurende haar lange dagen, in de groote kamer, woonde zij de
+wording van haar tuin verder bij, het gras, dat zich verdonsde en naar
+boven schoof, de magere foksia-en geraniumplantjes, in de diep in het
+zwarte zand gezonken vuiligroode potjes der bloembedden, eerst nog
+bibberend van naaktheid in de voorjaarsbuyen, maar die later ontloken,
+de geraniums met rood-stijf-fluweele blaadjes, als een regenscherm op
+groene steeltjes uitgestoken, de foksiaas met gladde knoppen, scherp
+gepunt als vogelsnavels. Voords de boomengroepen, waaraan aan beide
+kanten het grasveld grensde, sparren en beuken met een berk, waarvan de
+krijtwitte stam als een lange gewrongen paal stond, en, als een magere
+witte gedaante, Felix 's avonds bang maakte. En verder had Mathilde de
+machtige iepen van den weg, en heel de overige natuur zien groeyen, de
+bladen zich uitbreidend, zich aaneen-sluitend tot een dichte, wilde
+grenzeloze massa, vol warmte en levensrommelende beweging, in ongelijke
+samenhoopingen en bochten, met plotselinge openingen hier, dichte
+samenknoopingen daar, onbeheerd, overal uitspattend en zich verdringend,
+een onbeperkte warreling van groen.
+
+Mathildes uiterlijk eentonige leven van in de stad sloop hier verder
+voort. Aan haar verminderende pijnen raakte zij eenigszins gewoon, zoo
+dat die ook daardoor nog lichter schenen, zij voelde zich sterker
+worden. Zij voelde de krampen in haar lendenen bij het oprichten zich
+lenigen, maar de toestand van herstelling, waarvan de eerste teekenen
+zich schenen te vertoonen, bracht met zich mede, verdovingen van haar
+heele wezen, die uren duurden. Dan kende zij zich zelf niet en was als
+schijndood, zoo als ze daar in bed lag of achterover in de luye stoel
+geleund. Zij voelde niet, zij dacht niet. En anders, gedurende den tijd,
+dat ze wel leefde, had zij maar een bezigheid, die haar hersens en haar
+hart deed werken: te denken aan Jozef, hem altijd, altijd, bij haar te
+begeeren, hem altijd ver af te weten.
+
+Zij stond tegenwoordig om negen uur, half tien, op, in 't begin elken
+morgen, in de nevelende ontwaking harer oogen, weder verwonderd over de
+felle frischheid der witte schemering van haar slaapkamer, vreemd en
+akelig verschillend van de zachte donkerte, waaraan haar blikken in
+Amsterdam gewoon waren. Eerst werd geregeld haar kacheltje aangelegd,
+voor zij opstond, met de harde tikkende en grommelende ijzergeluiden,
+maar later, toen de zomer vorderde, gleed zij in de stilte der luwe
+atmosfeer uit het ledikant, schelde Marie, deed haar peignoir aan, en
+ging, een beetje moe, voor haar toilettafel zitten. Dan, met haar
+nuchtere maag, overviel haar 't meest haar alleenheid, als zij zich te
+binnen bracht, dat Jozef gisteren niet gekomen was. Een griezeling, een
+klamheid streek, onder de kleeren, over haar huid tot aan haar voeten.
+Marie kwam binnen en hielp haar wasschen, kappen en aankleeden. Mathilde
+was toch nog zoo zwak, dat, als zij, haar hoofd naar voren buigend, haar
+armen in de hoogte deed, driehoekig gebogen, de ellebogen naar buiten
+gestrekt, om zelf een haarspeld te bevestigen of een propje te glijerig
+binnen den vorm der chignon te dringen, er een tintelende vuurstroom van
+lamheid door haar armen tot aan haar handen, tot door haar vingers klom,
+en haar armen machteloos neerzonken, in de witte kreukels van haar
+schoot. Marie, wier armen bij het kappen links en rechts in de hoeken
+van Mathildes half gesloten oogen stukken van verschrikkende gebaren
+schenen te maken en wier stem met een hard-smartelijke klaarheid tegen
+Mathildes schedel woei, vertelde altijd eerst van Felix, hoe hij
+geslapen had, wat hij had gezegd, hoe hij hardop had gedroomd van de
+heks uit het sprookje, dat zij hem den vorigen avond had verteld. Daarna
+van Jans; Jans was wel zindelijk en verzorgde de keuken wel goed, maar
+ze was een beetje ongeduldig van aard, zij knorde dadelijk als Marie
+maar een paar minuten te laat beneden kwam, voor het eten of zoo. Verder
+van een onaangenaamheid tusschen Jans en den slager; Jans beschuldigde
+hem van niet het volle gewicht van het ossenvleesch gegeven te hebben.
+Ja Mathilde had ook, nog half in slaap, dien morgen al luide stemmen
+gehoord aan de deur. Dat was dat zeker geweest. Marie zeide daarna, dat
+de melkvrouw altijd zoo vroeg kwam, en dat Jans hierom altijd zoo boos
+was. De groenteboer was een beste man. Om nadruk op iets te leggen,
+sprak Marie ook vlak in Mathildes gezicht, met de pas gedronken koffie
+in haar stem. Mathilde nam in dien tijd, af en toe, met haar
+ziek-bleeke, stilletjes bevende hand, het glas melk, dat voor haar
+stond, het langzaam op en neer bewegend, met kleine teugjes, die zij in
+haar maag voelde killen, drinkend. Hoe was 't mogelijk, niet waar, nu
+was men hier toch "buiten" en toch was de melk veel waterachtiger als in
+de stad, zei Marie.
+
+Aangekleed, ging Mathilde op een ochtend, zoo als gewoonlijk, bleek,
+haar knieen bij elken stap de dunne wol van de peignoir in dadelijk weer
+verdwijnende sporen bol uitdrukkend, door het gangetje naar de groote
+kamer. Als zij de deur van de slaapkamer open deed, om in den gang te
+gaan, warrelden, van door de voordeur, die dikwijls openstond, of door
+de keuken, waar de vensters hoog opgeschoven waren, wemelingen
+zomerlucht over haar schouders, om haar hoofd, om haar handen, met
+lichte streelingen, als zacht getinte geuren, en, als of zij haar borst
+tegen een onzichtbaren balk stootte, die daar zou zweven midden-in den
+gang, dreunde een schok door haar lichaam, het plotselinge bewustzijn
+van haar alleenheid, dat zich door alle zintuigen aan haar opdrong. Het
+wrong zich door haar neusgaten, door haar ooren, door haar mond naar
+binnen, naar haar keel, naar haar maag, het suizelde met de deeltjes
+zomerlucht door de porien van haar huid. Elken morgen schrok zij er van
+en werd er nog moeyer van. De gesloten deur van de groote kamer, met het
+eene glad-gele gevlamde stugge paneel, gaf haar daarop een
+gewaarwording, die haar bijbleef tot zij de deur met de stroef-gillende
+kruk had opengedraaid: Jozef was daar, achter die deur, achter dat
+stugge gele houten vlak, dat den toegang versperde, nietwaar? Het was
+donker, hij moest daar zijn. Hij zat daar als gewoonlijk in de groote
+kamer, hij wachtte haar om haar mond aan den zijnen te drukken, zij zou
+nu dadelijk weer een oogenblik staan met haar heele lichaam tegen hem
+aangedrukt, haar beenen tegen zijn beenen, haar borst tegen zijn borst.
+Hij was gekomen, gister-avond, van morgen, hij was gekomen om haar te
+verrassen. Er was geen twijfel aan. Dat heele denkbeeld van zijn
+wechblijven, van zijn verkoeling, was maar een akelige, benauwende droom
+geweest, een pijn, die zij bij het wakker worden had kunnen afschudden.
+En zij zag de omlijning van de deurpost, de hoeken, de duidelijke
+afmeting van de gang-zoldering daar boven die neerdeinde en opklom, met
+zwaar-blanke trillingen. Hoorde zij hem daar niet hoesten? Hoorde zij
+niet het kalm gefrommel van zijn koerant, het regelmatig gekraak van
+zijn schoenen op de vloer? ... Van den gang, die van gedempter licht was
+om het dikke hooge groen van den tuin er achter, kwam Mathilde, met
+koele huivering over haar voorhoofd, de groote kamer binnen. Stroomen
+helle blankheid, een algemeene siddering van glimmend, blakend wit; het
+behangsel danste, de groote ruiten van de raamdeuren spiegelden, het
+witgekalkte plafond steeg hooger, een witte zwakke luchtige jeugd was in
+de rondte, eerst begrensd door de donkere kanten van de half opene deur,
+daarna, toen Mathilde heelemaal binnengekomen was en de deur achter zich
+dicht had gemaakt, alom, van, alle kanten, haar als ontvangend in een
+bad van witheid.
+
+Mathilde liet zich op het effen glad groene kanapeetje zijgen, bevangen
+door de helheid van de ochtendige kamer. Buiten, door de blauwig
+spiegelende ruiten, bloeiden de roode bloemen van het groene grasveld in
+haar oogen als heftig-roode stekende punten. En, daar achter, onder de
+iepen door, strekte de breede geel-stoffige streep van den straatweg
+zich voorbij, waarover gaauw, met een licht geraas, rijtuigen regelmatig
+heen en weer raderden in zwarte groepen bewegingen, bij langdurige
+tusschenpoozen. Zoo bleef Mathilde langen tijd zonder gedachte staren.
+
+Zoodra zij zich sterk genoeg had gevoeld, had zij zelf 's morgens weer
+het huishoudentje willen doen, zoo als voor haar ziekte in de stad. Dit
+gebeurde om half elf, elf uur. Jans hield twee boekjes, dat van den
+slager en het keukenboekje, dat zij nu binnenbracht met een mopperig
+goeye morgen, knorrig in de drukte der eerste morgenuren. Jans ging
+dadelijk weer wech en Mathilde bleef alleen, over haar schrijfmap
+gebogen, de witte schijn van haar gezicht met aarzelende rooderige
+wolkjes er onder, bedolven onder het pak zwart vlossig haar. De peignoir
+plooide zich op haar borst door het vooroverbukken. De velletjes papier
+schoven tusschen haar kouwige vingers door, met zacht gefriemel en
+schenen haar onvoelbaar dun. Zij las het keukenboekje. Over en door de
+blauwe lijntjes van het papier stond geschreven in het doezelige
+waggelende potloodschrift van de keukenmeid: brood zestien cent,
+aardappelen dertig cent, arme vrouw twee cent, sleeper voor mijnheer een
+gulden vijftig ... Nu sprongen er in eens tranen uit Mathildes oogen op
+het schrift en bleven er in biggelende druppels op liggen, zoo
+doorschijnend, dat de letters van Jans er doorheen nog herkenbaar waren:
+brood, zooveel, aardappelen zooveel, arme vrouw ... En plotseling
+scheeuwde alles in de rondte aan Mathilde de nutteloosheid van haar
+leven tegen. Daar deed zij nu haar huishouden. En voor wie? Voor wie
+zorgde zij eigenlijk zoo? Waar bleven de droomen van vroeger, de
+heerlijke genoegdoening van alles zoo in orde te houden als bijdrage tot
+zijn geluk! Een ontzetbaar verdriet, als een nog ongekende kracht van
+haar binnenste, als een opperste bedreiging, die zich voltrok, rees op,
+steeg naar Mathildes hoofd, daalde weer neer, vervulde haar, hing zwaar
+over haar oogen, deed haar gezicht zwellen. Zij leunde tegen den rug van
+haar stoel, wilde de smart doen wijken, en langzaam zien wechdrijven aan
+den binnenwand van haar oogleden. Maar heete snikken bruisten op door
+haar keel, een gloed van lijden vervulde haar wezen. Zij slikte nu
+herhaaldelijk het water van haar mond in, om langzaam de smart te kunnen
+genieten. Zij wilde zich herinneren, die heele geschiedenis van Jozefs
+onverschilligheid nog eens in gedachten doorleven. En zij woonde weer
+alles bij, van het oogenblik af, toen hij Marie boven haar hoofd had
+aangeraakt en zij hem had zien dalen, dalen langs den eindeloos
+grijzigen trap. Zijn liefde was geweken in het verloop van den tijd,
+telkens minder, telkens minder. En nu, nu was de liefde wech. Hij had de
+blikken verloren, waarmee hij haar kon aanzien, die zekere kracht en
+buiging zijner armen, waarmee hij haar kon omvatten.
+
+Maar neen, het kon, het kon niet zijn! Als zij weer heelemaal beter zou
+zijn en hem weer lief zou kunnen hebben, volledig, zooals zij het zoo
+graag wou, dan zou ook zijn liefde weer opleven, die niet dood was, maar
+alleen sliep. En toch, neen, wel was zijn liefde dood! Daar kwam een
+huivering van uit de verte over Mathilde, door de ruiten, door het
+behangsel. Zij hoorde Jozefs stem als heel ver wech praten, maar in een
+anderen, onbekenden, een ijselijk vreemden toon. Het was zijn stem niet
+meer. Zij zag hem gebaren maken, zijn mooye gestalte in een licht
+zomerpak, zijn armen, zijn beenen bewogen; zij zag zijn groote
+regelmatige tanden bij het bewegen der lippen onder den dikken knevel te
+voorschijn komen; zijn fijne rijtjes oogharen bewogen op en neer, hij
+keek, als sprak hij ook met zijn oogen. Maar hij was het niet meer. Het
+was een vreemdeling, die zijn gedaante had aangenomen. En toch wat was
+alles om haar heen vol van hem, vol van zijn liefde. Was 't niet zijn
+adem, waarin zij leefde? Had hij om haar lichaam en om haar geest niet
+een sfeer geblazen, waarin alleen zij leven kon?
+
+Hoe wit was de kamer hier, hoe bloeide alles buiten in de zon! Maar in
+wat voor een vreemde omgeving zat zij hier! Neen, zij kende deze kamer
+niet, dit huis, zoo luchtig, zoo licht, dat men als een doos over haar
+heen scheen te hebben gezet. Wat waren dat voor bloemen, zoo hoog, daar
+buiten de ruiten? Waar was zij toch hier, wie had haar hier neergegooid,
+zoo vreemd, zoo ver, hier "buiten"? Mathilde keek rond met groote oogen:
+daarop streek zij met haar hand langs haar borst, om zich van haar eigen
+bestaan te overtuigen. Zij wreef haar eene hand over de andere, drukte
+de knieen samen. Daarop hief zij zich, nauwelijks, in zittende houding,
+boven haar stoel, de borst en rug recht. Daarop lei zij kruiselings,
+over de papieren van het huishouden heen, haar armen op elkaar, kromde
+zich, zonk ineen, drukte haar gezicht in haar armen en snikte, eerst
+zachtjes, toen sneller, hijgende met een verdoofd kreunen, en eindelijk
+met lange ademhalingen, uitgeput. Een vreeselijke leegte werd haar heele
+wezen. Zij voelde alles wechgaan, alles haar verlaten. Zij schreide haar
+ziel leeg. Nu eens huilde zij niet meer, zij scheen tot bedaren gekomen.
+Maar dan, in haar dorst naar tranen, wekte zij weer een herinnering op,
+deed haar gedachte tot het bewustzijn van haar alleenheid terugkeeren en
+borst op nieuw in snikken los. Zij zag haar heele bestaan vruchteloos,
+al haar geloof, al haar hoop verbrijzeld. Zij was alleen, alleen; zij
+deed haar handen aan beide kanten van haar hoofd, boven de ooren, om er
+het begrip van haar alleenheid in te wringen, want haar hersenen wilden
+niet begrijpen. Daarna stond zij op, bekoeld, rillerig, ging voor het
+venster staan, haar voorhoofd tegen een ruit gedrukt boven haar moede
+kwijnende oogen. De smalle strepen van haar tranen, die over haar wangen
+afdropen, droogden in de van buiten komende warmte. Haar borst steeg en
+daalde, terwijl zij een paar maal hevig zuchtte. Daarna keerde zij zich
+om en ging, met haar oogen iets zoekende tusschen de papieren op tafel,
+te-rug naar haar plaats. Zij nam een schrijfboekje op: het dagboek, dat
+zij hield van Jozefs komen en wechblijven, En zij keek na: gisteren
+"niet geweest", eergisteren "niet geweest", en verder "niet geweest",
+"niet geweest". Toen dacht zij weer na. Zes dagen! Waren het maar zes
+dagen geweest? En al die tijd, dat zij alleen was geweest, ochtenden,
+middagen, avonden, nachten, een eeuwigheid van bange gedachten, een
+eindeloze angst, al die tijd, dat zij gestaan, gezeten, gelegen,
+geknield had, haar blikken dwalende over de voorwerpen in de rondte, een
+kastje, dat zij niet herkende, een hoek van de kamer die zoo
+onbegrijpelijk leeg scheen! En voor zijn laatste overkomst was Jozef
+toch ook nog wel eens zes dagen wechgebleven. Kon zij er dan niet aan
+wennen? Het was toch wel natuurlijk eigenlijk!
+
+ * * * * *
+
+En het huishouden ging zijn gang met den onverschilligen tred van het
+dagelijksch leven, als een vreemde koele man, die zonder te zien haar
+gemoedsleven voorbijliep. Het was nu de tijd van koffiedrinken. Marie
+kwam binnen, met haar blozende gezondheid en haar hoofd als een groote
+appel, met Felix op haar arm.
+
+--Zeg dan: morgen, lieve moeder, goeye morgen!
+
+Het kind spande zijn oogjes, zonder wit, geheel door de blauwe bollen
+gevuld, wijd open, hief zijn stukje arm, met de tengere vurig-roode
+vingertjes naar boven, lachte schalks zoo als oude lieden kunnen lachen,
+zonder wenkbrauwen, en herhaalde, terwijl de woorden zich oplosten in
+het weeken van het ongevormd mondje:
+
+--Moye, liefe moede, goeye mo ...
+
+Mathilde, zwijgend, met een stijvigen glimlach, strekte de armen, nam
+het kind op haar schoot. Marie, met het opengeschuif van laatjes en een
+gerinkink van zilver en glazen, zette klaar voor de koffie. Mathilde
+zoende Felix op zijn dunne korte doorschijnende haar, zacht en glad als
+hazewindenvel. Maar zij vond geen liefkozingen, die hem bezighielden;
+hij draaide zijn groot bol hoofdje naar het venster, in geluidloze
+verwondering over zijn moeder.
+
+Toen Marie even wech was gegaan om de kleine koffiekan uit de keuken te
+halen, werd Mathilde weer aangegrepen door het gevoel van daar alleen
+koffie te gaan drinken, zoo dat het eten zeker in haar keel zou blijven
+steken. Haar alleenheid sloeg haar nu in den geest met de regelmatige
+slagen der grijze scherpe eentonigheid. Het witte servet spreidde zijn
+koude tergend voor haar uit, wierp zijn snijdende vierkantheid tegen
+haar aan. Weer begon zij te huilen. Haar armen hadden zich verlamd, zij
+vergat Felix, die eensklaps zachtjes van haar schoot op de vloer gleed.
+
+Marie zette Felix' kleine tafeltje voor een venster. Uit een spanen
+doosje werd een heel leger van kleine tinnen soldaatjes geschud. Felix
+ging nu "opzetten" en in de stilte dronk Mathilde koffie. Zij at veel
+brood, meer dan zij honger had, hopende haar leed er telkens bij in te
+slikken; zij hield in die dagen meer dan vroeger van brood. Zijn
+kruimerige droogheid en zijn brosse korst raakten haar gehemelte sober
+en zedig, en brachten haar, met de herinnering aan haar vader, een
+lichte zweem van zachte troost.
+
+Na de koffie deed Mathilde een wandelingetje in den tuin. In den gang
+maakte ze een praatje met Jans over het weer, heel even, en stapte
+daarna met de zwakke treden van haar stoffen pantoffels op het straatje
+en in de laan. Het was pas kort geleden dat de dokter permissie had
+gegeven voor zulke tochtjes. Toen het heelemaal zomer werd, was zij
+eerst gegaan een klein eindje, gesteund door Marie, toen weer een eindje
+verder, met haar wandelstokje bij zich, om uit te rusten. Zij ging nu
+altijd naar de "hut", een prieel, een soort van wijdopenstaande rieten
+kast, met een bank in de rondte tegen den wand en een vlekkerige
+afgeschaafde groengele zwarterige ronde tafel in 't midden. In de hut
+bleef Mathilde uren zitten breyen of lezen, tot aan het eten. Als zij
+daar zat, zonder gedachte over de bladen van haar boek heen te turen,
+moe van het droomen en treuren van al haar dagen en nachten, werd zij
+onbewust het ruischen en leven van den tuin om haar heen gewaar en
+vloeide de zomer door al haar zinnen binnen. Langs haar voeten, langs
+haar schenen, haar knieen, haar dijen woelde de zomerlucht door haar
+onderkleeren en zuchtte allerwege haar huid in. Zij voelde koude plekjes
+aan haar beenen, als afgerond en zich plotseling op haar vel
+neerdrukkend om haar uit haar mijmering te doen ontwaken. Zachte wind
+wasemde met stille huiveringen door haar witte rokken, ritselde op langs
+het kiezelpad van den bodem, deed den zoom van haar kleed op en neer
+gaan. Om haar heen had zij nu het grijsbruine licht, de ledige kleur der
+rieten omkasting. Een rust ademde uit die beschermende kleur, van
+achteren en van links en rechts, in de rondte. Boven haar hoofd had zij
+de ernstige rieten kap, donkerder bruin, zwijgend en vooruitstekend, het
+hemelblauw den weg afsnijdend om tot in haar oogen neer te kaatsen. Maar
+door de opening van de hut, die eindeloos scheen, voor haar uit,
+zweefden alle kleuren en geuren, al het bloeyen en wasemen van den
+heelen tuin met boomen, bloemen, lucht en aarde, met zijn geschitter en
+geglans, zijn doffe en blinkende gedeelten, zijn jubelen, zijn beweging,
+zijn warmte, zijn sidderingen, zijn liederen, op haar toe en omwemelde
+haar gezicht. En zij werden krachtiger, de kleuren; zij wiegelden, zij
+druischten, zij snelden, zij stormden op Mathilde aan, een koor van
+kleuren, een wijd veld levende mozaiek, zij zongen harde, felle klanken
+in haar oor. Toen, om de kleuren te verzachten, sloot zij half haar
+oogen, de appels verflauwden zich achter den nevel der oogharen, haar
+bleekroode lippen zegen zachtjes open, zoo dronk zij, haar hoofd even
+naar achteren gebogen, den lauwigen zomer in met oogen en mond. De
+zwakkere kleuren weken nu wech; alleen het donkere paars van een perk
+rhododendrons, en het gelige en het sombere groen van het lichtelijk
+golvende gras en van de zoetjes wuivende bladerenmassaas, de blankheid
+van het huis, en de kleine plekjes van twee diep-purpere stamrozen,
+bleven, vergoud door de tusschen het huis en de hut neervallende zon. En
+het goud, het vloeyende goud, bleef de groote kleur, en wazig golfde het
+heen naar Mathilde, haar oogen binnen. De teedere lauwe lucht drong in
+haar keel, verdroogde haar mond, de geur van jasmijnen, in een
+heesterboschje rechts van de hut, walmde op in haar neusgaten. Zoetjes
+wiemelden pakjes lucht over haar voorhoofd, haar wangen en door haar
+hals, neerhangende haarvlokjes in haar hals beefden stil heen en weer.
+En zij hoorde niets meer dan het kleine geruisch van de warmte. Zij gaf
+zich over, zeeg naar achteren, haar hoofd over haar borst, haar handen
+aan weerszijde, tintelend en gevoelloos, van de bank afhangend; haar
+vingers alleen maakten aarzelende, stervende bewegingen van uitrekken.
+Een zalige wezenloosheid suizelde door haar hersenen. Hijgend nam zij
+den zomer in zich op; windjes schenen van haar voorhoofd het bewustzijn
+van het lijden wech te streelen. Maar dan begon zij eensklaps te hooren.
+Een lijster sloeg klaterend klaar zijn geluid uit links, schuin boven
+haar hoofd in het dennenboschje. En het schaterde door haar oor naar
+binnen. Zij deed haar oogen in eens wijd open, richtte zich half op. Als
+een slag van metaal vielen nu de zomerkleuren tegen haar aan, hel,
+flikkerend, koud. Het purper, het groen, het wit, het goud, namen als
+vierkante en driehoekige vormen aan. De kleuren werden lijnen, schenen
+tastbaar. Dan week de slag en een loome droom als een onzichtbare
+sluyer, suizelde van Mathildes hoofd en leden naar beneden.
+
+Tot aan het eten bleef zij in den tuin, tusschenbeide zachtjes aan een
+beetje wandelende, telkens te-rugkeerende in de hut om uit te rusten.
+Een enkele maal zag zij, naast een boschje groen of boven een bloem-perk
+uit, Marie en Felix drentelen. Eens ontmoette zij hen in een nauw
+voetpad. Marie en zij glimlachten vreemd en flauw tegen mekaar, er was
+als een onbewuste vijandelijkheid tusschen die twee monden, de eene
+breed, grof, rood, vochtig, met zijn groote tanden, de andere flets en
+verdund, waarvan de tanden niet kwamen te zien. Felix trapte in
+speelschheid op Mathildes sleep, en lette verder niet op haar.
+
+Mathilde at eventjes over vijven, om dat Jans altijd een beetje te laat
+klaar was, met Marie en Felix, in de groote kamer. Marie moest Felix
+helpen, bond zijn servetje om zijn hals, sneed het vleesch op zijn bord
+aan heele kleine stukjes, maakte de aardappelen fijn. Het servetje werd
+onder zijn bord op tafel gelegd en Marie knorde op hem als er een lange
+bruine of gele vlek op het servetje kwam, van zijn lepel of van zijn
+mondje. Felix was tusschenbeide erreg wild en gooide de tinnen kroes,
+waaruit hij water dronk op den grond. Dan zei Marie: "ondeugende
+jongen!" en kreeg Felix voor straf geen of heel weinig kersen aan het
+dessert, Marie had verder aan Mathilde heel veel te zeggen; zij zat
+altijd recht op haar stoel en leunde nooit terwijl zij aan tafel zaten,
+om dat zij wel wist wat fatsoenlijk was. Zij schoof dan tusschenbeide
+het eten naar een kant van haar mond en praatte met den anderen over de
+buren en hun kinderen. Zij had gehoord, dat in het houten huis, achter,
+aan den Vaarderweg, een dame kwam wonen, een weduwe met twee zoontjes,
+die mevrouw van Borselen heette. Of dat diezelfde mevrouw van Borselen
+zou wezen, die Mathilde wel kende van vroeger uit de stad? Vrouw Steyer,
+de huisbewaarster van de societeit, daarnaast, had het haar verteld, dat
+zij gehoord had, dat 't een heele nette dame moest zijn, en de zoontjes
+nog heel jong waren. Nu had Marie gedacht, dat dat dan misschien goede
+kameraadjes voor Felix zouden worden. Want al lang keek zij eens rond of
+er geen fatsoenlijke kinderen waren, jongetjes van zijn leeftijd, waar
+Felix mee om kon gaan. Marie hield al sprekende, om het waarschijnlijk
+te maken, dat wat zij zeide zeer goed bedacht was, haar vork rechtop
+stijf op tafel gedrukt, terwijl Mathilde alles beaamde en alleen een
+enkele maal flauw gesproken vraagjes over Felix deed, of hij goed had
+opgepast, of hij flink had gespeeld. Daarna glimlachte zij goedkeurend
+naar Felix bolle blauwe oogen met haar verdoofden lach of vermaande hem
+gemaakt-onverschillig zoetjes, met een zwakke opheffing van haar
+wijsvinger en een donkere ernst in haar oog. Felix lette weinig op de
+gesprekken, maar keek voortdurend naar den straatweg, kraaide luid als
+er iets voorbijkwam, dat hij herkende, en stak daarna uit verlegenheid
+zijn vingers in zijn mond.
+
+Maar van-daag mijmerde Mathilde voortdurend zwijgend aan tafel voort,
+nog onder den schrik harer gewaarwordingen van in den tuin. Zij voelde,
+dat zij haar eigen verdriet dien middag in de kleuren had gezien, er was
+iets gebroken in haar gemoed, de schelp van een inwendig oog was stuk
+gebarsten. Nu kon zij beter dan vroeger waarnemen en rondwoelen in haar
+eindeloos groot verdriet. Zij had al veel geklaagd en veel geweend, maar
+zonder er op in te denken, en nu, nu zag zij zich zelve, maar zij
+herkende zich zelve niet meer. Toen zij opstond van tafel, stond zij
+verwonderd. Zij kon niet meer denken zoo als zij gewoonlijk dacht; het
+bewustzijn van haar verdriet, het gewone, dat zij herkende, elken morgen
+als het bij haar wakker worden in haar opkwam, en dat zij elken avond op
+dezelfde manier in haar slaap zag verdwijnen, was wech; een ander, een
+vreemd, een angstig benauwend, een hoog, een dreigend, was er voor in de
+plaats gekomen. En zij was bang en verbleekte uit angst voor zich zelve.
+Zij was bang en zag op tegen het hooge zwarte gevaarte, het gebouw der
+gedachten en droomen, dat haar leed buiten haar om scheen te hebben
+opgericht en dat straks op haar neer zou storten, zich verbrijzelend
+over haar hoofd en haar hart in een eindelozen val van hooge donkere
+brokken na elkaar.
+
+Een half uur later zat Mathilde, terwijl Felix, eer hij naar bed
+gebracht werd, zijn laatste wandelingetje liet doen, voor het eene raam
+der groote kamer, haar handen gevouwen op den schoot, te wachten op den
+naderenden avond. Het was nog helder dag, maar de zon, die 's middags
+die klaarheid warm had gekleurd stond laag in de lucht, schuin achter de
+iepen van den straatweg, en de klaarheid van den dag werd koeler,
+onverschillig. Achter de dichtst bebladerde hoogten der boomen
+verborgen, bescheen de zon den tuin niet meer, maar sprongen alleen
+rood-gouden stralen van boven, tusschen de dichte takken door, als
+snelle blikken van vuur, waarmee die hooge boomen Mathilde bezagen zoo
+als zij daar roerloos in stilte zat aan het venster. En de kleuren van
+den tuin waren nu droger, duidelijker, niet meer verkracht en tot
+brekens toe aangezet door de felle middagzon. De lucht was stil; alleen
+in de hooge boomtoppen knikten klapperende blaadjes tegen het doffe
+blauw van den hemel. In hun kalme waarheid hieven de kleuren van den
+tuin zich opwaarts. Het groene gras was mat, overstroomd met de
+wegduikende bleekgele boterbloempjes, bespat met de witte stippen der
+madeliefjes, een stilstaande stroom, waarop de roode bloemenrondtes
+neergespreid lagen. Het rood der geraniums was dof en dik, als gedroogde
+bloedvlekken, de stamrozen schoten hoog te voren glansend zijig purper,
+somber van schoonheid, de theerozen waren licht-gelig wit,
+licht-groenerig wit, van een warme zuiverheid, de maandrozen slingerden
+zich laag en verwilderd dooreen, met hun speelsch even blozende
+blaadjes, dun en licht en uitgevallen als stukjes verscheurd geverfd
+papier. De groepen boomen, aan weerszijde van het grasveld, de sparren,
+de beuken, duister groen, ernstig bruin, stonden nauw saamgedrongen, als
+zwijgende reuzenwezens, wachtend. De breede, stofferig-blanke weg van
+voren, met enkele gele zonnevlekken, rustte, vlak, wijd, geruchtloos. De
+boomen, de struiken, de huisblokken der omgeving waren dicht
+samengeschoven, vast aan de aarde gedrukt, waar en koel. De schaduwen
+waren bijna weg; alles scheen platter, zonder achtergrond, zonder
+in-een-smelting der kleuren, glad, effen, ijl, roerloos. Alles om
+Mathilde heen stond als kunstmatig daar zoo pas in-een-gezet, in de
+bedaarde onbewegelijkheid van liggende en opstaande-legkaarten.
+
+Door de waterklare wit-blauwige vierkanten der ruiten, als een dunne
+wand van gestolten licht zoo nabij Mathilde zich oprichtend, dat hun
+stijve koelheid tegen haar bleeke hoofd scheen te stooten, bescheen de
+kalmte der door de zon gebroken achtergelaten kleuren haar voorhoofd,
+haar wangen, haar hals, weerkaatste op haar gezicht, glipte bij
+tusschenpoozen eerst onder haar half neergeslagen, zwaar hangende
+oogleden door, trok die daarna op en vervulde dan telkens even haar
+oogen geheel, helder en droog als een ontzachlijke plaat mat zilver met
+regelmatig opkomen en verdwijnen aan haar voorbijgaande. Telkens als
+haar oogleden open en dicht waayerden, vloden, als met langzame
+wiekslagen, de wit-glimmende blankheid van daar buiten en de doffe
+grijsheid der gesloten oogen van binnen na elkaar voort; en wanneer haar
+oogen zich sloten, hadden zij de vorm en de tint van wat zij gezien
+hadden zich ingespiegeld en drukte deze zich weer vaag af tegen den
+geelbruinen achtergrond der oogleden. Zoo zweefde de witte breede wreede
+kalmte in haar binnen en weefde zich in haar gemoed, zich samenspinnend
+met al de draden harer verbeelding.
+
+Zij bedacht den geleefden dag. Zij zag hem in onbestemden indruk voor
+zich als een geheel, vaag-vlottend-lankwerpig-omlijnd als het venster
+binnen welks randen zij nu zijn vaal-blank einde waarnam, met het
+hellere licht der hoogste ruiten van-boven. Maar hij was niet een vlak,
+hij was een reeks vlakken na elkaar, een koker van kleuren, de gang met
+vreemde, onbekende, armigschuchter witte wanden in 't begin, rijk,
+drukkend overstelpend goud, purper en groen in 't midden, en weer kalm,
+wijd, klaar blank aan het einde, de gang van tinten, waardoor zij zich
+zag gaan, zachtjes levend den dag. En de zoldering, de zijwanden, de
+vloer van den gang verkleinden zich, trokken samen. De zoldering daalde
+tot op haar hoofd en schouders, de vloer was niet breeder dan haar
+voeten, de zijwanden raakten haar armen en beenen. De dag verloor zijn
+rechte lijnen, werd meer en meer de vorm van haar gestalte, de kleuren
+golfden om haar leden, drongen zich over haar huid heen, het goud, het
+groen, het rood, het purper hechtten zich aan haar vast van het hoofd
+tot de voeten. De dag verloor zijn lengte, de witte uiteinden krompen
+tot elkaar, sloegen samen, een blanke gloed vermengde zich met de
+donkere kleuren. De dag stolte zich om haar leden heen als een gloeyende
+alles bedekkende tooi. Zij ging in een kleed van zomerkleuren. Van haar
+schouders tot haar voeten was het goud en groen en purper, en om haar
+hoofd hing een glinsterend witte sluyer en om haar voeten lag sneeuwige
+satijn. Maar het kleed werd benauwend, het wrong zich aan haar op, het
+huiverde haar huid binnen. En het kleurenkleed werd haar huid, werd haar
+zelf. De dag werd een met haar. En zij was gelukkig de dag te zijn. Zij
+voelde zich niet meer; zij was van lucht zij was van licht. En altijd
+zou zij zijn, want de dag zou nooit vergaan. Zij was in
+eenzalig-roerlooze rust, in de onbewegelijke klaarheid der
+omgeving opgegaan.
+
+En Mathilde droomde, zittend aan het venster; de ruiten, vaal-groenend
+van naderende duisternis, lachten met een hollen glazigen lach.
+
+De zon was lager gevallen. Uit zijn donker-oranje-gloeyende rondheid,
+hoog schuin, ver weg, zwierven nog rooyerig-gele stralen, als stukjes
+regen van scherpe lijnen, door de heesters aan d'overkant van den weg
+neer, alsof zij gebroken in dat groen bleven hangen. Wijdweg, aan het
+einde der platte velden achter de tuinen der buitens, was een laaye
+gloed van blakend koper uit een zee van donkerder gloeyend goud
+opgewasemd in de lucht, een brandende uitwolking van alle geeltinten,
+van beneden af uit het warme bruinende vlammen-geel rijzend door het
+vette okergeel, het scherpe citroengeel, het sombere hooigeel, het
+dik-blanke roomgeel, het groenige geel van najaarsbladen, het droge
+stroogeel, het bleeke duinzand-geel, tot een lichting van hel
+zilverig-wemelend wit, vlottend omrand en doorsijpeld van gazig week
+groen, blauwig-teer violet, zachtglad bruin. Die gloed stuwde toe over
+de platte velden, zich brekend tegen de beplantingen waarboven het
+zilverwit vergrijsblauwde hoog in de lucht, tot Mathildes tuin luwend in
+matte kwijnende klaarheid, achter de ruiten verzwakt tot een flauwen
+schijn van wit-grijs, achter in de kamer stervend tot doffe schaduwen.
+
+Van den duister blauw-grijzen hemel daalde breed een donkere bleekheid,
+de open ruimten vullend, de hooge ovaalheden der boomen, scherper
+omlijnd, van elkaar afzonderend, om de stammen heenstarend in wijde
+open-grijze plekken, de bloemenkleuren verfletsend, het gras met zachte
+deiningen van donker-groen versomberend, op den straatweg, over de
+kiezel-steenen, tegen den gevel van Bagatelle, zich in onzichtbaar-ronde,
+snel verdwijnende afdruksels verwittend. In een stillen, doodelijk-stillen
+weemoed vergingen de dagkleuren. Een enkele maal vloden, als bewegingloze
+windvlagen van verflensende herinneringen, strepen lichtschijn verwaterde
+zonnestralen door de ademlooze droeve bleekheid. Een heele lichte wind,
+als een kinderadem zoetjes rondwispelend, deed de bladeren der neernijgende
+stamrozen even trillen; in de hooge boomen zusten de lichtste takjes en
+blaadjes stilletjes heen en weer, met een gerucht van verre snikjes.
+
+In de kamer wademden fijne, dunne zwarterige mist-tinten binnen. Boven
+de piano, achter de stoelen, bezijden het kastje, onder de tafel,
+strekten zich zware schaduwen. Zij streken doezelige randen om de
+deur-posten en de lijsten der schilderijen, zij schuifelden in
+driehoeken en schuine vierkanten tegen het plafond op, zij maakten de
+wanden tot glansloze spiegels, waartegen de vaasjes, de beeldjes, de
+hoeken van het kastje de leuningen en pooten der stoelen zich schetsten,
+als kleine schimmetjes, vreemde figuurtjes, dof-grijze vlekken; zij
+spreidden den donkeren schijn der stoelen-zittingen en van het
+tafelkleed in lange stroken en flodderende plooyen over de vloer. Zij
+ritselenden onhoorbaar voort, hun vormen steeds uitrekkende,
+verbreedende, verdonkerende, als aanhoudende zware zuchten. Zij waren
+als lange lage sombere fluisteringen van leed, die van de kamer uit naar
+alle kanten door de wanden heendrongen. Zij werden weer donkerder en
+grooter, liepen als zwarte waterstralen langs het behangsel, vloeiden in
+glansloze plassen over het tapijt, drongen als donkere wolkjes van boven
+door het plafond. Dan verroerden zij weer niet, bleven vast overal in
+denzelfden vorm, als langdurige zachte echoos van den stillen
+weemoedsklank van den avond.
+
+De dingen van de kamer waren hard-donker, zij drongen hun vormen uit,
+scherper afgehoekt, van een inniger vastheid, als blokken en stukken
+hard, ondoordringbaar hout en metaal. Aan den achterwand van de kamer
+vergrootten twee kleine sofaas zich in een vermenging met hun schaduwen,
+andere meubelen kregen bulten, warrige uitwassen, boller wordend, zich
+uitzettend. De dingen leefden hun geheime leven, gewekt uit den kouden
+dagslaap. Verbruind, vergrijsd en verzwart, schenen zij onmerkbaar te
+bewegen in snel weer rustende bevingen. Zij schenen samen te leven,
+zacht, met holle smartelijke uitingen in de diepe toonen hunner
+schaduwen.
+
+Mathilde zat voor het venster, ingekrompen, als een klein wezen onder
+den mateloozen avond, in-een-geslonken, samengestijfd tot een voorwerp,
+een stuk van de kamer. Zij zat daar als een dof pak grijze stof, zij zat
+daar als had zij zich tot steen verdroomd. De grijze plooyen van haar
+kleed bleven in hun bochten, rondingen en gleuven onveranderd, als voor
+altijd zoo gehouwen. De witte tegenkant van haar kleed tandde zich in de
+schaduw in een lange gekartelde rand vergroot af en van den
+wollig-zwarten schijn uit, die haar rokken op den grond maakten, sloop
+de schaduw tegen haar gestalte omhoog, over de vlakke plekken van haar
+kleed strijkend, binnen de voren van haar kleed glippend, haar gelaat
+aan de eene zijde als tot dat van een schim vernevelend, haar bevangend
+in een grijs-zwarte kleurenwade. Klagend zwart hing de kap van haar
+loome haar over haar hoofd, waaronder alleen de bleeke plek der door de
+ruiten vaal verlichte zijde van haar gelaat mat-wit uitscheen. Haar
+leden waren lam uit-een-gezonken, haar oogen glommen zonder straal over
+de zielloze handen op haar schoot.
+
+Buiten viel de zon wech aan den horizont. De gele gloed was lager
+geweken, maar heel beneden over de aarde vloeide een stroom rijke roode
+kleuren, opgolvend uit klompen rood-zwart, rood-bruin, rood-grijs, als
+een heuvelrij aan elkaar vast. Het bloedrood steeg door het
+karmozijnrood, het rood van gloeyende kolen, het aardbezien-rood, het
+perziken-rood, tot een verteedering van roze, vol liefelijke kwijnende
+lachjes, vol kusjes en kleine zoete vluchtige mijmeringen. Maar het roze
+wemelde stilletjes wech, het was een zachte afscheidsgroet, de blik van
+heengaande oogen, het laatste wuiven van een zakdoek bij het keeren van
+den weg. En hooger in de lucht, tegen het verzwartende blauw-grijs, hoog
+boven de boomen en den tuin, sloeg het rood van den gezichtseinder tegen
+den hemel, het verpurperend tot een kerktint, tot een plechtige welving
+van sombere kleur.
+
+Als een sneeuw van donker purper wemelde de schemering hoog in de lucht,
+daalde, zich verpaarsend-tegen het boomengroen, in grijs-violette tinten
+over de aarde neerkleurend. Door de iepen langs den straat-weg voer de
+wind, zij bogen hun toppen, en hieven ze weder en bogen nog eens met een
+naar boven ruischend en zich daar los-kreunend geklitter der
+gebladerten, als heenfladderend in de donkerte. Het grasveld stroomde
+langzaam voort, donkerder, terwijl de bloemen-kleuren in zijn hooger
+grommelende groene zwartheid verloren gingen. Het witte kiezelsteenen
+pad, vlak voor de ruiten, vlood heen, giegelde ijlings weg onder de
+zwarterige warreling die er bij scheutjes op neer rookte en weer
+opwiemelde, kringend en krullend als stof om dansende voeten. De breede
+weg gleed vooruit als in de verdroogde staalblauwe glansen van een
+ijsbaan. Het purper verblauw-zwartte hoog in de lucht, het paars en het
+violet werd bruin-zwart, groen-zwart, grijs-zwart.
+
+Langzaam, onmerkbaar langzaam en stil van alle kanten aanwolkend, dauwde
+de schemering neer, Mathilde sluitend in een duisteren damp. Korte
+schokken schoten, dadelijk weer verstommend, onder haar kleed, als een
+zwak hortend gestommel harer leden. Haar knieen naderden elkaar en weken
+weer te-rug. Haar armen kromden zich nauwelijks uit naar ter zijde,
+vielen weer neer. Haar saamgevouwen handen ontbonden zich, de vingers
+strekten zich in een bibbering even uit-een; toen klamden haar handen
+naast elkaar neer om de knieen. Toen raakte de koele duisternis haar
+aan, het holle vaal grijs-bruin streek over haar slapen, haar wangen,
+haar ooren, haar hals. En haar befloerste oogen rezen op, starend nog
+zonder te zien, angstig omwimperd onder de samentrekkende zwarte
+wenkbrauwenranden. En zij begreep nog niet. Haar keel trok zich samen,
+een beklemming drukte haar verhemelte. Een gevoel van zich zelve niet te
+zijn, de verwondering van een ziel, die niet weet hoe dat vreemde
+lichaam om haar heen is gekomen, die niet weet, waarom die handen, daar
+vooruit, de hare zijn, waarom zij de koude voelt van die voeten, zoo ver
+beneden, ruischte op door haar hoofd, zette op in haar hersenen als een
+wervelwind van naderende angsten. Het beeld van den dag wankelde in haar
+hersens. Het verflauwde in iets dat er achter was, iets onbestemds
+kleurloos, vol, diep, onpeilbaar. Was de dag dan niet meer? Verdween de
+dag? De dag was toch zoo schoon geweest! En zij wilde niet, zij wilde
+hem behouden. Zij wilde blijven zijn zoo als zij was geweest. Maar de
+grijze wolk, waarin zij zich gehuld zag, wemelde uiteen. En de dag werd
+haar onttrokken, sloop heen in de droeve vijandige duisternis. De
+laatste stralen harer mijmering droomden als wazige donkere strepen uit
+haar oogen wech.
+
+Zij bleef met ongebroken blikken staren op dezelfde plek aan den wand
+voor haar uit, als was de dag daarin opgegaan, als wilde zij hem weer
+te-rugwenken naar zich toe of hem volgen in zijn vlucht door de
+onmetelijke duisternis. Maar zij voelde haar blik omstooten door de
+tinten der donkerte. Haar blik werd verslonden door de duisternis, die
+zich tot in haar oogen stuwde, met harde slagen. En haar hoofd bewoog
+zich voor het eerst, hief langzaam zich op, zwaar van het lange gepeins,
+zich schuw voorzichtig draayende, als uit vrees van zich te bezeeren.
+Zij onderzocht met schuinsche blikken de hoeken der kamer. Daarna zag
+zij snel naar buiten in den tuin. Een schrik deed haar duizelen. En zij
+richtte zich hoog op, en zij zat recht, het hoofd geheven, en zij zag
+klaar in de duisternis, die onverbiddelijk om haar heen was gedaald, en
+zij voelde zich als schokkend tegen den grond vallen, voelde plotseling
+haar kleeren, haar stoel, de vloer met geweld haar raken. Zij voelde de
+leuningen van haar stoel, die haar als koude armen schenen te omvatten,
+den rug van de stoel met zijn twee dwarsplankjes en de openingen
+daartusschen, die diepe leegten schenen. Toen zag zij de duisternis
+grimmend, onbewegelijk. De schaduwen waren samengekweekt, bijna
+verdwenen. De duisternis had zich tot dof-zwarte kristallen in de hoeken
+samengedrukt, had de vormen der meubels aan den wand samen vermengd en
+ze tot een groep vaag begrensde, donkere brokken en klompen gemaakt, die
+als doode beesten met logge ruggen en stompe voorhoofden daar
+neergezegen schenen. En onder liet plafond had de duisternis zich als
+een tweede donkere zoldering vastgeklemd en over de vloer had zij zich
+als een rouw-tapijt gespreid; zij beschimmelde het behangsel; de
+schilderijen en platen aan den wand hingen als onder hoezen en als een
+breede lage katafalk stond de lankwerpige tafel met haar afhangend kleed
+in 't midden.
+
+Mathildes donkere oogen glansden door de kamer. Zij vroegen aan de
+voorwerpen, waarom het zoo duister was geworden. Haar blikken dwaalde
+over de vlakten der dobberende schemering naar buiten, zonder een
+enkelen lichttint te zien. En zij voelde de afwezigheid van het geluk,
+dat verloren was gegaan, verdronken, wech in de duisternis. Het zou niet
+weerkeeren. Haar leven der laatste maanden schemerde als een eentonige
+op-een-volging van donkergrijze smarten door haar geest. Zij zag zich
+leven haar lichaam bewegen al die dagen. Haar voeten waren gegaan als in
+een eindelooze leegte zonder doel; haar armen hadden zich uitgestoken
+zich geheven, zich gekromd, maar zonder ooit iets aan te raken, als in
+de gebaren van een gek. Haar oogen hadden gezien, haar ooren hadden
+gehoord, maar slechts ledige kleurloze ruimten en geluiden zonder klank.
+En zij wilde het niet gelooven. Het kon, het kon niet zijn. Het was al
+knakte er iets in haar hersens. Als een golf van vuur vloeide naar haar
+hoofd. Zij zag op; en het kwam van buiten, van verre, als een gerucht
+een voortdurend groeyend gedruisch, tot haar. Het bobbelde en wiebelde
+en sprankte uiteen in de duizende grijze en zwarte belletjes en
+balletjes van de ruischende duisternis. Zij huiverde te-rug en dompelde
+haar blik weer in de donkerder donkerte van de kamer.
+
+Zij zag dat zachtjes-aan de zwarte tinten begonnen te bewegen. Zij
+maakten zich los uit de hoeken in wolkige kronkelende pakjes,
+schuifelden langs de wanden en de zoldering, zweefden sidderend midden
+door de kamer, weken weer te-rug in de wanden en meubels, kwamen weer te
+voorschijn, sloten zich tot een wolk samen en losten zich op in een
+ragfijne zwarte stofpoeyering. Zij waren als stillen droeve door
+gebroken stemmen geneuriede melodieen, eerst zachtjes uitgebeefd, daarna
+angstig verstommend, daarna samenklinkend in een doodelijk dof koor en
+weer vergaande in de sombere stilte. En zij kwamen van alle kanten te
+voren! als slangetjes offerrook opwalmend van den grond, uit de wanden
+schietend, onmiddellijk naast elkaar, in verwarde rijen, van de
+zoldering dalend al dikker en dikker, in de rondte wiebelend, dansend,
+warrelend, voortvliegend als vogelenschaduwen, samenvloeyend tot een
+regenlucht, zich uitstortend in zwarte druppelen. De melodien werden
+luider, zij klaagden hijgend, zij jammerden heesch. Zij waren de
+herinneringen, die van alle zijden kwamen weenen om Mathildes hoofd.
+Mathilde zag geen herinneringen, maar zij wist dat zij daar waren,
+achter haar, voor haar, die schreiden, dat alles voorbij was gegaan Zij
+zag ze komen van buiten, hoog uit de lucht, Zij hoorde ze naderen van
+onder de boomen en uit de muren van het huis. Alle bloemen in den tuin
+waren zwart geworden en in de wemelenden ruimten zag zij afgeronde
+figuurtjes tuimelend dalen, zwevend stijgen, en roer-loos blijven, als
+een uitstrooying van zwarte bloemen, die zich aan de voorwerpen
+hechtten. In de kamer pakte zich de duisternis dichter samen. Tot een
+zware donderwolk rolde zij onder het plafond ineen, bouwde zich langs de
+wanden tot breede nevelzuilen op. De zwarte massaas daalden op haar
+neer, schoven naar haar heen, beklemden haar met hun grommelende donkerte.
+
+Zij stond op van haar stoel, met haar koude handen en haar zweetend
+hoofd en het ruischende en razende bloed in haar ooren. Met haar kouden
+voet struikelde zij tegen het voetenbankje. Zij bukte zich om haar voet
+te betasten. Een wilde koude wriemeling ging door heur haren over haar
+heete hoofd, een stroom van zwarte vlekken kwam voor haar oogen. Zij
+stond weer recht op, en zij was bang. Zij deed haar oogen dicht om niet
+te zien, zij deed haar handen in de plooyen van haar kleed, om niet
+aangeraakt te worden. En huiverend proefde zij de duisternis, terwijl
+angstvlagen haar keel als met gloeyende koperen punten prikten, zich
+rillend samenpersend in haar hersenen, haar wil verlammend. En zij bleef
+alleen, schoorvoetend op en neergaande in de donkerte. De donkerte hing
+in rechte strooken van de zoldering, bolderde tot zwarte rollen, die
+tegen elkaar botsten en in elkaar overrolden. Mathilde voelde de
+afrondingen van haar lichaam als een tastbare levende vorm tegen de
+duisternis ingerezen. Zij voelde den bol van haar gloeyend hoofd, zij
+voelde de buigende vlakken harer koude schouders. De duisternis viel als
+gesmolten lood, op haar hoofd heur haar verzwarend. Achter haar, dan
+links, dan rechts, hoorde zij wijdgapende zwarte lachen, daarna een
+giegeling van kleine hollende klaterende lachjes achter elkaar. Daarna
+het klotsend getik als van een tong, die in een mond op en neer slaat.
+Zij zag om zich heen en roerloos grijnsde de duisternis, maar, altijd
+aan de andere zijde, draaide de donkerte haar woesten rondedans en
+snikten de vreemde geluiden. En zij ging rond; zij wist immers wel, dat
+zij niet alleen was! Er moest iemant zijn. Langzaam vorschte zij door de
+kamer, schichtig voorover-buigend in de hoeken en boven de meubels,
+meenende er een menschengedaante uit te zullen zien opdoemen. Maar er
+was niemant. Zij betastte de stoelen en de tafel, maar de stoelen en de
+tafel drongen pijnlijk hun harde levenloosheid in haar vingers. Maar er
+moest toch iemant zijn, er was iemant in haar leven, die altijd bij haar
+was. De armen naar voren en naar achteren uitslaande, met
+uit-een-gestrekte vingers, liep zij rond over de vloer, van den eenen
+wand naar den anderen, telkens door de zwarte eenzaamheid van den eenen
+wand naar den anderen te-ruggeworpen, zich stootend aan de meubels,
+stilstaand met gespannen oor, om naar de stem te hooren, die daar sprak,
+heel ver weg, sneller voortloopend, met een wind om het hoofd, tienmaal
+na elkaar om de tafel heen, tien-maal langs de stoelen aan den
+achterwand, in drift haar hand opheffend met een samenklemming der
+tanden, stampend op den grond, hijgend door de neus-gaten, met
+verglaasde oogen rondturend, eindelijk tegen den muur vallend, haar
+armen boven haar hoofd, haar open mond in het behangsel gedrukt. Zij
+keerde zich weer om tot de duisternis en zij breidde haar armen uit als
+om hulp te vragen. Maar de duisternis plofte neer op haar schouders,
+stroomde ruischend langs haar zijden naar beneden. Zij voelde den grond
+niet meer onder haar voeten. En zij zag de vloer zinken en stijgen, in
+breede schuine vlakken plotseling wijkend, zich weer samenvoegend en in
+vierkante blokken zich opstapelend om haar heen. De wanden trilden,
+bewogen, schoven te-rug en naderden weer met langzame wreedheid om haar
+tegen hun groote platte vlakken te verpletteren.
+
+Mathilde strompelde naar de vensters, waar, als door groote gaten, de
+grijze nacht van buiten vaal viel tegen de dichte kamerzwarte. En haar
+oogen flikkerden en vlamden tegen den nacht, die van buiten op haar
+toegolfde als een klimmende dampende gloed. Het grasveld vlak voor de
+ruiten scheen hoog heen te stroomen, kwatelend en kabbelend in den wind,
+die er van uit de schuddende hooge boomgevaarten wolken zwartheid op
+nederwoei, met de golfkammen der nog als groen uitkomende hoogste
+grassprietjes en de schuimvlokken der witte rozen. De zwarte vloed kwam
+van verre, van allen kant, door de wuivende en buigende, zich in groepen
+samenwringende en weer losrijtende beplantingen om de huizen aan
+d'overkant, van links en recht over den straatweg en door Mathildes tuin
+aanspoelend met klotsend geweld, zich vermengend met de zware regens en
+stortvloeden van zwartheid, die over Bagatelle's dak, en langs beide
+zijden van de warandes, en van overal uit de lucht zich er in neergoten,
+opzwalpend in vreemde druipende zwarte figuren en met een windvlaag
+neerzwierend in het hooge water. De breede donkergele streep van den
+straatweg golfde onder den stroom door, zich in bochten opkronkelend,
+zijn breede rug hoog opkrommend en weer neerstrijkend, of zijn gele
+effenheid verliezend, doorboord met wemelende puntjes en gaatjes als een
+schelpenbodem onder den vloed. De iepen stuwden hun breede donkere
+lijven tegen de zwarte lucht, zich als een bergketen samen-sluitend,
+tusschen wiens toppen watervallen klaterende zwartheid naar beneden
+gudsten, in een storm van droefheidsgebaren hun lange armen sidderend
+losrukkend en er in een kramp van jammeren mee wijzend tegen den
+donkeren hemel. De witte en grijsblauwe huizen aan d'overkant, met hun
+kale muren, groeiden op uit den grond, hoog en naakt, als gesteenten van
+geweldige droefheid, de donkerte der boomen en heester met hun breedte
+vervullend, vooroverbuigend, zich splijtend en zich weer samenvoegend,
+zwaar en recht. Zij dreigden en voorspelden, zij waren ontzachlijke
+steenen graven, stom en meedoogenloos, langzaam waggelend op dezelfde
+plaats in de zee van grauwheid. En zij naderden in hobbelende
+zwenkingen, als met een heesch krijschen en een knersend gillen hunner
+fondamenten, hun vervaarlijke blokken naar Mathilde heenbewegend in de
+stormende zwartheid. Maar de geweldige stammen der hooge boomen aan den
+weg schenen lichtelijk te verschuiven van hun standplaats, en zij
+wankelden en zij rezen hooger en zij schreden tot elkaar. Er barstten er
+van-een, van hun wortels hagelde een warreling van zwarte vonken Op,
+maar zij sloten weer samen en als een troep ijzeren gedaanten drongen
+zij naar voren. De bladeren en takken verstijfden en klonken zich samen,
+schoten op in een vaart tot zwarte torens en zij bogen zich schuins, om
+neer te storten op Mathilde en op het huis. Maar de grauwe zee raasde
+voort, hooger klimmend, woester stroomend. De boomen vielen er in wech,
+verdronken, en steigerden als reuzige zwarte golven, hemelhoog er
+weer uit op.
+
+Mathilde zag naar boven, zag op zij. Zij zag zich ondergaan. Met de
+groote blikloze star staande oogen, als van iemand die eindelijk
+plotseling zijn leven ontdekt, stond zij voor het venster. En haar oogen
+dronken de woedende macht met bevende begeerte. De zwarte vloed sloeg
+tegen de muren van het huis, dat er straks in wech zou zinken. De muren
+dreunden, schudden in een aarzeling. In den storm bolden de muren zich
+uit, vielen weer plat, heen en weer zwiepend als linnen
+tooneeldekoraties. Als een dorre, verstikkende kreet steende langs het
+gewelf van Mathildes hart naar haar hoofd. En de muren van het huis
+scheurden en de grond spleet open, En, zinneloos, voelde zij zich
+wringen en in een afgrond sleuren, steeds vallend in steeds dieper
+zwartheid, de leden geprangd in nauwe klemmen, het hoofd bonzend tegen
+de vooruitstekende punten der in-een-stortende omgeving. Een wind van
+ijs en een zwarte watervloed voeren over haar heen. Mathilde viel neer
+voor het venster.
+
+Maar zij deed haar oogen open; zij zag dat alles stiller was geworden.
+Er was niets dan een groote wijde grauwheid om haar heen, waarin de
+muren der onbeweeglijk staande huizen aan d'overkant afbrokkelden, en de
+steenen in klompen en brokken geluidloos wechvielen. Als na een hevigen
+brand bleven stukken muur hoog opstaan in de ledige ruimte. Van de hooge
+boomen vielen de takken en bladeren bij vakken wech; de stammen
+vermolmden met wijde gaten. In de kamer braken de zwarte meubelen wech
+zonder gerucht, samenvallend tot ongelijke hoopjes. Alles viel langzaam
+neer in een afbraak der heele omgeving. En zij voelde als brak ook haar
+eigen wezen zachtjes van elkaar, ontbonden door de grauwheid, zonder
+smart. Het was zoo duister, dat zij haar lichaam niet meer in zijn
+geheel kon onderscheiden, het was als lagen haar leden gebroken, van
+elkaar wechgespreid. En haar verbeelding, opgebouwd van herinneringen
+aan het verledene en droomen voor de toekomst, stortte in een, vallend
+in een grauwe gedachteloze leegte. Er was niets meer, niets. Zij voelde
+alles geeindigd, haar gemoed uitgedoofd, haar ziel gestorven. Zoo bleef
+zij liggen, het hoofd tegen den rand van het venster.
+
+Mathilde werd opgeschrikt door stemmen en een geklepper van deuren, dat
+van het rieten kabinetje kwam. Als een koude wind, die om haar hoofd
+sloeg, in haar schedel klinkend met den langen naklank van een
+stemsleutel, raakte het geluid van het onverschillige leven haar aan.
+Het was Marie, die met de lamp in haar eene hand en Felix aan haar
+andere hand binnenkwam. Felix moest goeye nacht zeggen. De kap van de
+lamp, waardoor de wanden en de zoldering der kamer plotseling met een
+blanke schaduw werden bedekt, de meubels en de vloer geel verlicht
+werden, daalde tot even boven Maries mond, zoodat het onderste helft van
+haar hoofd warm beschenen werd Marie zei "Wel mevrouw, ik wist gerust
+niet, dat u hier in donker zat, ik dacht, dat Jans u de lamp al lang
+gebracht had". En zij glimlachte. Als het hart van een opengesneden
+vrucht blonk het vochtige wit van haar tanden midden in het glinsterend
+sap van haar tandvleesch en lippen. De huidplekjes onder de uithoeken
+van haar mond waren van blankgeel perziken-fluweel. De lampenschijn
+wierp plooyen van koud en warm blank in haar hals en verguldde er de
+onderste verwarde haartjes. Maries mond scheen te lachen om de
+duisternis in de kamer.
+
+Felix was naar Mathilde geloopen en riep:
+
+--Nacht, moeder, wel te ruste.
+
+Mathilde, die naar Marie had gekeken, boog zich tot Felix. Maar toen zij
+boog, zag ze hem aan en ze zag hem zoo als ze hem nog nooit had gezien.
+Want hij stond met zijn hoofd een beetje naar den rechterschouder
+neigend en steunend op zijn rechter been, met een zekeren lieven blik in
+zijn oogen, heelemaal als de verkinderlijking van de houding en den blik
+waarmee ze Jozef zoo graag zag. Felix leek zoo erg op zijn vader. Er
+ging een trilling onder Mathildes gezicht, haar neus-vleugels beefden,
+haar oogen bibberden half toe. Zij knielde bij Felix neer. Zij drukte
+zijn hoofd tusschen haar koude handen. Zij kust hem, dat haar tanden er
+pijn van deden, op zijn voorhoofd, op zijn haar. Zij streelde zijn
+oortjes, zijn wangen, wild en hard. Zij fluisterde hem toe op een
+heeschen toon; "goeye nacht!"
+
+Marie stond glimlachend-wachtend te kijken, hoe mevrouw Felix zoo
+hartelijk goeye-nacht kuste.
+
+Toen Mathilde weer alleen was, deed zij het eene venster open. Zij ging
+in den tuin en liep haastig voort, als moest zij iemant aantreffen.
+Achter in den tuin, dicht bij het Flora-beeld, bleef zij staan. Zij was
+hier-heen gesneld om zoo gauw mogelijk ongezien de eenzame wellust te
+kunnen genieten van het besluiten tot een gesprek met Jozef, waarover
+zij mijmerde. Haar oogen knipten, om niet afgeleid te worden bij het
+bekijken van haar gedachten, en zij slikte murmelend, om met aandacht
+het genot van haar besluit te proeven; er kwam, in een warmte om haar
+voorhoofd en wangen, het besef, dat zij slagen zou in wat zij wilde, en
+het liep als een zoete prikkeling over haar hoofd. Het was zoo
+gemakkelijk, wat zij had bedacht. Zij zou van haar benauwdheid uit tot
+Jozef gaan, hem al haar verdriet zeggen en hem vragen of hij weer van
+haar wou gaan houden. Vroeger had zij wel gedacht, dat als Jozefs liefde
+wech was, die door geen woorden ter wereld weer op te wekken zou zijn en
+het dus maar beter was te zwijgen, maar nu voelde zij haar wangen
+gloeyen van een koorts van woorden, die zij tot hem spreken zou.
+
+Zij wandelde zachtjes heen en weer, haar hoofd gebogen onder den
+nachtwind, haar gloeyende oogen over het zwarte pad. Waarom zij tot nu
+toe niet had gesproken, wist zij niet. Zij had niet gedurfd, zij had
+niet gekund. Hij zou geandwoord hebben, dat hij daar niets van wist, dat
+hij van haar hield, zoo als vroeger. Maar als hij haar dit nu
+andwoordde, zou ze hem zeggen, dat hij loog, maar dat zij hem wel weer
+van haar zou doen houden, dat zij zich zoo gezond en weer zoo mooi zou
+maken, dat zij zoolang alles beproeven zou, tot hij weer veel, veel van
+haar hield. Zij was heet van verlangen naar de tijd, dat zij hem spreken
+en overwinnen zou.
+
+Door de lucht, die een plaat van donkerblauw metaal scheen boven den
+tuin, gloeiden de groene, blauwe zilveren en gouden punten der sterren,
+met een veraf blakerend gezuis. In de blauwe duisternis schaarden de
+boomen hun donkere pyramidale lichamen om Mathilde heen en deinden heen
+en weer, ruischend in den kleinen nachtwind. Als een vrouw, die, met
+genietende oogen, haar hoofd opheft tot haar man, om bezien en gekust en
+gestreeld te worden, hief Mathilde haar hoofd naar den nacht. En de
+nachtwind drukte zich tegen haar borst, gleed langs haar hals en haar
+wangen, kuste haar mond. De sterrenhemel, zacht en goud, daalde neer,
+bescheen haar witte gezicht met stille glansen. Maar plotseling vielen
+sterren in haar oogen langs schichtige stralen. En heur haren woeyen op,
+als zwarte vlammen om haar hoofd.
+
+En de hoop, de laatste hoop leefde in Mathilde, schoot in haar wezen als
+een hooge plant, die, zich wortelend in haar hart, het bewegen en
+kloppen deed onder haar kleed, die zijn takken in de vreemde
+kronkelingen van droomerijen en gedachten over een gelukkige toekomst
+door haar hersenen slingerde, die eerst glansend bloesemde in de blikken
+vol licht, die haar oogen door het huis wierpen, die daarna teedere
+bloemen voortbracht in het schuchtere rood, dat een enkele maal door
+haar wangen kwam. Zij begreep niet, wat haar zoo gauw had doen
+veranderen. Zij ging door het huis, met een lichten, vluggen tred van
+iemant, die onbezorgd is. Zij deed haar huishoudentje met een
+opmerkzaam, nauwkeurig gezicht en met armgebaren vol blijde haast, als
+een pasgetrouwde vrouw verheugd over het haar toevertrouwd beheer. Als
+zij alleen was lachte haar bleeke mond plotseling. Zij keerde dan haar
+gezicht bijna geheel naar het plafond. De lachjes kruiden op uit haar
+keel, lachjes, waarin de ha-klank rolde door haar mond, eerst in diepe
+toonen, later in hoogere toonen over haar lippen dansend, opkrinkelend
+tegen het plafond, waarop Mathilde heerlijke toekomst-beelden scheen
+afgeschilderd te zien. En daarna lachte zij weer in zich zelve met
+gesloten mond, met denkende oogen over de vloer, terwijl de lach met
+rukken uit haar schuddende borst opsteeg, met een gekreun door haar
+keel, als een wind uit haar neusgaten wech woei.
+
+Zij kon zich nog niet van Zich zelf losmaken en op een afstand haar
+eigen ik en haar toestand beschouwen. Zij was nog geheel in zich zelve.
+Zij voelde, dat zij, om te bestaan, Jozefs liefde noodig had, en daarom
+wist zij, dat die te-rug moest komen, dat de toekomst goed zou zijn.
+
+Zij bleef in Felix Jozef zien, een tweeden Jozef, een kleinen Jozef heel
+klein, heel vreemd. Zij merkte, als Felix lachte, trekken om zijn mond
+als die van Jozef, zij zag sommige rose plekken aan zijn ooren, juist
+zoo als Jozef er had. Zij omgaf zich van Felix. Zij voelde niets
+moederlijks voor hem, zij voelde zich bijna als zijn vrouw, met een
+wondere angstige, koortsige, voor haar zelf onbegrijpelijke hartstocht.
+Als zij 's middags door den tuin wandelde, liet ze hem naast haar loopen
+aan haar hand, en ze liet hem niet los, maar klemde zijn handjes in de
+hare; haar oogen straalden met wijde ongebroken blikken over zijn hoofd
+en zijn lichaampje heen. Zij drukte zijn handje vaster, opdat hij naar
+haar op zou zien. Haar oogen goten heete stralen over hem uit. Wanneer
+ze in de hut zat stoeide ze met hem, liet hem op haar schoot zitten, lei
+hem rechtuit over haar knieen, gleed met haar oogen van zijn voetjes tot
+zijn hoofd, hechtte haar blikken aan zijn leden, drukte haar blikken
+over zijn gezichtje, verdronk hem in haar oogenspiegeling, zelve dronken
+van hem te zien. Zij betastte zijn lichaampje met teere neerzijgingen
+harer vingers om zijn armen, om zijn beentjes heen. Zij streelde zijn
+hoofdje met bevende liefde-handen. Zij lei, hem zacht omvattend, haar
+handen over zijn schoudertjes en drukte hem tegen haar aan, zijn hoofdje
+onder haar hoofd. Zij wilde, dat hij spreken zou, omdat zij Jozefs stem
+wilde hooren. Zij vroeg hem, of hij van haar hield, of hij van zijn
+vader hield, of hij zijn vader wel kende, of hij zoo groot zou worden
+als zijn vader. Als het kind niet andwoordde, bracht zij haar oor aan
+zijn mond, opdat hij daarin ademen zou en zij uit zijn adem klanken op
+zou vangen. Zij bracht haar mond aan zijn mond om zijn adem in te
+ademen; zij hield haar oogen voor zijn mond, opdat hij ze bewasemen zou.
+En als Felix tegenspartelde en bang was en wech wilde, dan schudde zij
+hem, tikte hem op zijn handjes, zag hem boos aan. Als het kind dan
+huilde en zijn roode armpjes voor zijn oogen bracht, zette ze hem op den
+grond, boog zich naast hem neer, hem in de ronding van haar arm nemend,
+en, haar hoofd naast het zijne, tegen het zijne aan, huilde zij mee. Zij
+huilden met hun tweeen in den stillen zomer. Hun tranen drupten op de
+kiezelsteenen van de hut.
+
+'s Avonds, voor Felix naar bed ging, moest hij bij Mathildes stoel
+staan. Dan zoende ze hem zachtjes zonder ophouden op zijn voorhoofd, op
+zijn haar, op zijn handjes. Als het oogenblik van goeye-nachtzeggen was
+gekomen, hief ze hem hoog op, tot vlak boven haar hoofd, bracht daarna
+zijn gezichtje vlak voor het hare, staarde in zijn oogen tot die
+dichtvielen en deed vreemde vragen: "Waarom ben je vader niet? Ben-jij
+Felix, ben-jij niet Jozef?" Als hij weer op de vloer stond, kuste zij
+hem op zijn wangen goede nacht, langen tijd, haar mond aan zijn gezicht,
+Het gebeurde, dat zij, later in den avond, nog niet was voldaan, dat zij
+niet slapen kon. Dan sloop zij naar boven door den stijgen-den nacht der
+trappetreden. Zij stond voor Felix bedje, als Marie al sliep. Zij bleef
+een half uur staan staren over het witte dek en het gladde hoofdje, met
+de roode rondte van zijn open mondje, dat er boven uit lag.
+
+Jozef was er nu in negen dagen niet geweest. Den Zondag, den dag, dat
+hij toch altijd kwam, had hij nu ook overgeslagen. Dinsdag 's morgens,
+tien minuten over half elf, toen Mathilde aan haar huishouden Zat,
+bracht Jans een brief van Jozef binnen. Het was een vierkante enveloppe,
+van gelig oud-Hollandsch papier, dat mooye papier, waar Jozef altijd op
+schreef. Jans lei den brief op tafel en draaide, drukkend, er haar
+wijsvinger half op om, als wilde zij den brief beletten wech te vliegen,
+en, zich omkeerende om heen te gaan, zag zij, van onder den strengen
+boog van haar kornet, nog met twee zorgzaam-ernstige blikken naar den
+brief, zeggende:
+
+--Die brief is gekomme, mefrouw.
+
+Voortschrijvende aan haar huishoudenboek, nam Mathilde, met een korte
+koude verplaatsing harer blikken onontroerd, als een gewoon en verwacht
+ding, het gelige vierkant van den brief in haar oogen op. De brief lag
+daar, alleen, hoog op het stijve tafelzeiltje. Hij lag daar, als een
+vreemd licht voorwerp, door zijn pasaangekomenheid als een vierkantje
+nieuwe frischheid opwittend uit het zwaardere, in zijn gewoonheid oudere
+kleurenwezen der kamer. Terwijl Mathilde voortschreef en naar haar
+schrift keek, bleef de brief, links in de schuinte, als een scherp
+omlijnd wit vlakje van de tafel, in haar oog liggen, als een klein
+vormpje door zijn ongeknotte gladheid en verscheid in een hoogen witten
+klank roepende, dat hij zoo even hier nog niet was.
+
+Mathilde nam den brief op, waardoor hij haar oog naderde en heel
+lichtelijk grooter en zwaarder werd. Jozef verontschuldigde zich, zoo
+als altijd, dat hij verleden Zondag niet gekomen was en dat hij voor
+aanstaanden Zondag ook niet zou komen. Het opengevouwen bladje strekte
+zich dun-stug tusschen Mathildes bleeke vingers met het gerekte geritsel
+als van verflauwde gewrichtsverbuiging en zij had heel even het
+grijs-bleeke gevoel der kille leegte die van het papieren vlaktetje over
+haar wangen steeg, dat zij altijd na het lezen van zijn briefjes had,
+maar nu heel vluchtig, zich terstond oplossend in de lichtblauwe
+breedheden van hoop, waarin haar denken waadde.
+
+Jozef zou dus Zondag komen. Dat de dag nu bepaald was, waarop het
+gewichtige gesprek, zou plaats hebben, verergde Mathildes
+zenuwachtigheid, en maakte haar vertrouwen op de uitkomst
+nadrukkelijker. Zij voelde zich verjeugdigen in de gejaagdheid, waarmee
+zij den dag tegemoet zag. De soort prikkelingen, die van haar voeten tot
+haar hoofd als regens van speldeprikken liepen, die van haar hart uit
+door haar keel stegen, als een inwendige kreet van begroeting en een
+roepen om nader te komen, herinnerde zij zich alleen van lang geleden,
+toen zij nog niet getrouwd was en zij Jozef wachtte, die andwoord moest
+komen vragen op zijn gedaan verzoek. Maar snel, als raakte de vleugel
+van een voorbijvliegenden ouden grijzen verlepten vogel haar achterhoofd
+aan, wipte het gezicht van de kamer op den Oudezijds-Voorburgwal, en
+Jozef, die de stoep opkwam, en hun eerste kus, door haar gedachten, en
+wech was het weer, vernietigd onder het beeld van den aanstaanden dag,
+dat haar gelijk de prijsuitdeeling den scholier, als een vaag, groot,
+zwaar donker lichaam, als een in haar verbeelding gewrongen balk, onder
+zich neerdrukte. Daarna werd zij den dag weer gewaar als een donker
+blok, maar er om heen waren stukjes planten-en bloemengroei en gele
+randen zonneschijn, omdat zij den dag zag in den tuin, waar ze hem met
+Jozef leven zou.
+
+En zij liep door het ledige huis, En het zilveren licht van haar
+verlangende oogen straalde tot de wanden en zolderingen en bleef er
+hangen in zilverschijnende plekken. En het huis wachtte met haar samen
+op den geluksdag, die nu eens langzaam aan scheen te komen waren uit de
+verte, in breede rollen van wit en blauw en goud met hoog geboogde
+luchten en wijde bloemende grondvlakten, die dan weder in de verte
+achter een hoogen poort vol ruischende glansen op haar scheen te
+wachten, tot de tijd haar tot hem heen zou hebben gevoerd. Jozef zou
+Zondag komen. Stroomden door alle vensters niet licht en kleuren naar
+binnen; openden zich de ramen en deuren niet tot aan den grond om hem
+binnen te laten? En de stilte van het ledige huis vulde zich immers met
+ruikers van zonnekleuren, omdat hij komen zou? En zij liep door het
+huis. Haar voeten wiegelden vluchtig over de blijde vloeren. De vloeren
+gleden voort onder haar voeten, niet de matte kleuren der tapijten als
+open gebroken door de wit-gouden rondtes van zonnelicht, waarin enkele
+bladerenschaduwen stilletjes wenkten.
+
+Zij zag zich treden door de deurposten in de ruimten der kamers, en de
+wit-omlijste beperking der deur-posten sprong te-rug om haar heen, om
+dat die tastbaar was, maar de ontastbare ruimten vol waren van goud-en
+wit-wemelende hoop, die Mathilde omvloeide. Zij zag zich gaan langs de
+wanden, en de wanden schoven haar voorbij, stil wit-lachend vlak en
+recht. Het was haar of zij altijd verder zou gaan, het hoofd naar voren,
+den dag zoekende, die in de verte stond. Als zij een stuk wand zag, was
+het alweer achter haar. Kwam zij aan een hoek waar twee wanden elkaar
+raakten, dan kon zij niet verder gaan. De eene wand leidde haar naar den
+anderen, maar allen waren zij met lichte kleuren, en zij zag hen aan, en
+zij spreidden zich uit, blank en breed; glimlachjes speelden in de
+figuren van het behangsel. Mathilde zag door het huis en zij zag, dat
+het mooi was. Maar als zij in den tuin keek, was overal weer de
+gezichteinder, de grens van haar blik, die zij zich niet begrijpen kon.
+Zij wilde dieper zien, was er nergens een verre, verre opening? maar de
+kleurvakken van den tuin naderden, hechtten zich als schilderijen in de
+lijsten der ruiten. En snelheden van zacht-gele tevredenheid suisten
+over Mathildes borst door haar gemoed.
+
+Mathilde wandelde door het huis, deur in, deur uit, en ook naar boven.
+Zij zag de omkastingen der vertrekken en portalen, met hun ongebogen
+steeds elkaar voortzettende lijnen, haar overhuiven, naast haar opstaan,
+over haar heen vlakken, haar beschutten in hun onverstoorde effenheid.
+Het huis was het weldoende verblijf, waar zij Jozef zou ontvangen. Zij
+voelde, haar hand wijd uitgespreid als een halve ster tegen de muren
+leggend, hun liefdadige hardheid. Want zij beschermden haar tegen den
+tuin. De tuin was zoo vol van een kleurenoverstelping, de geestdriften
+en verrukkingen van het diepe zomergoud zonken met zulk een bevende
+vaart neder over de juichende tuinkleuren, dat Mathilde bang was voor
+den tuin. Maar de vloeren droegen haar hoog heen, en de branding van
+buiten kon haar nog niet bereiken. De meubels omstonden haar met de rust
+en tevredenstelling hunner bruin-kalme onbewegelijkheid. Zij waren goed,
+zij waren fraai, zij waren trouw. En als om hen te streelen, zoo als een
+bruid op den arm des geliefden leunt om een derde iets te vragen, zoo
+leunden Mathildes handen op de randen der meubels, wanneer Zij zich naar
+voren boog om gedachteloos de namen der makers te lezen onder de platen
+aan de muur. Want zij had van die plotselinge nieuwsgierigheden voor de
+kleinste kleinigheden, die drentelende afwachtingen van heugelijke
+gebeurtenissen in menschenoogen doen ontstaan, en die Mathilde eensklaps
+de nog ongeziene krul van een behangsel-figuur deden ontleden, of haar
+een klein barstje in de lambrizeering lieten ontdekken en nagaan.
+
+Zoo ging de Dinsdag en Woensdag voorbij. Mathilde dacht aan het gesprek
+met Jozef als aan iets, dat buiten haar om zoo bepaald was, als aan een
+gelegenheid, die zich nu voordeed om haar geluk te herstellen. Zij
+bedacht niet, dat de heele zaak van haar was uitgegaan en nog wel
+toevallig nu pas, dat zij hem even goed twee maanden geleden hetzelfde
+had kunnen zeggen. Zij dacht er ook niet aan, dat Jozef op 't oogenblik
+voelen moest als altijd, dat hij nog van niets wist. Neen, zij had een
+gevoel als bereidde hij van zijn kant zich in Amsterdam op den strijd
+voor, die zou plaats hebben, terwijl zij 't zich hier deed. En zij
+maakte haar plannen, nauwkeurig, in onderdeelen. Zij zou beginnen met
+het feit te zeggen zoo als het was: zijn liefde voor haar was niet zoo
+groot meer als vroeger. Dan zou hij zeggen--ze kende hem er goed genoeg
+voor om dat zeker te weten--: 't was volstrekt niet waar, hij hield nog
+altijd even veel van haar. Maar dan zou zij hem bewijzen, dat 't niet
+zoo was. Want, zou zij vragen, hoe handel jij in den laatsten tijd
+tegenover mij en hoe doet een man die wezenlijk veel van zijn vrouw
+houdt? Zij zou het onderscheid laten voelen. Dan zou hij misschien
+toegeven ... En dan, en dan ... Mathilde lachte en trad voort, zij voelde
+haar plan worden in de huppelende blijdschap van haar lachjes. De
+woorden verzamelden zich langzaam in haar heerlijk zeker. Als bijna
+lijnen, die elkaar naderden en zich samenvoegden, waarden de gedachten
+om haar heen door de huisruimten. Haar lachjes zweefden op,
+verzilverkrulden de lijnen: zilverwitte onzichtbaarheden luwden in
+lichte wolkjes om haar heen, wierookten tot haar voorhoofd en deinden
+weer terug, beglipten haar hals, suisten weer op door heur haren,
+glanspuntend, paerlend, sterrelend boven haar been. En zij liep voort;
+haar gedachten, in gele, rose en blauwe draden, weefden aan het plan. En
+in de zachte bewegingen dier ongeziene gelukskleuren, begon zij te
+neurien, maar zachtjes, voor haar zelf onhoorbaar zachtjes. Kwam er een
+bedenking, vlotte het plan niet geregeld, dan haperde de stille
+neuriende gedachtenstem, heel even, maar als het bezwaar bijna
+overwonnen was, begon zij weder, nog zachter, altijd zachter.
+
+Zoo ging zij door haar slaapkamer om te zien, of alles goed opgeredderd
+was, maakte de kleerenkast open, hing haar japonnen op hun plaats en
+keek of haar lijven, tegen de stof, wel met de voeringen naar buiten
+hingen; zij zette het speldekussen recht voor het toiletje, sloeg de
+gordijnen voor het bed over elkaar, en nam nog hier en daar de stof af,
+want Marie deed alles niet precies genoeg. En alles moest toch heel goed
+in orde zijn voor als Jozef kwam. Zoo ging zij door de keuken, liet Jans
+haar toonen wat gebroken was, onderzocht of de tinnen zaken en de
+koperen glazewaschpomp, de raspen, de zeeften en de beschuittrommel wel
+op hun plaats aan de muur hingen, of het fornuis wel goed schoon was.
+Als Marie en Felix uit waren, ging zij zien of er op de planken der
+kasten boven wel overal schoon papier lag, of Felix kleeren netjes
+opgevouwen waren. In het rieten kabinetje streek zij een verkeerde plooi
+uit een venstergordijn en schikte de stoelen in de stipste orde om de
+tafel. In de groote kamer liet zij de vuile voeten van Felix wegvegen,
+die daar van gister-avond nog stonden, en beknorde Jans, dat zij zoo
+slordig geschuyerd had. Zij trok een kreukel uit het tafelkleed, lei de
+muziek op de piano tot een regelmatig hoopje. Maar, door het rustelooze
+op-en neergaan, verflauwde de innigheid harer gedachten, eindelijk
+dacht zij er niet meer aan dat zij aan 't denken was, en, ontevreden,
+bleef zij staan om kalmer haar plan verder te maken.
+
+Zij stond, rustende op haar rechter been, de teer-grijze wol strak
+gespannen over de ronding der uit-gezette heup. Haar linkerhand morrelde
+aan de knoopen van den peignoir. Aan de rechter, boven den tegen haar
+borst gedrukten arm, wreef zij haar kin heen en weer; haar blikloze
+oogen lijnden, van haar langzaam ja-knikkend hoofd uit, strak op
+hetzelfde punt van den vloer neer. Of zij streek haar handen van haar
+voorhoofd tegen haar wangen neder, die dan tot rose kussentjes onder
+haar oogen zwollen; en zoo, haar hoofd in de handen gevat, terwijl een
+aarzeling van klamheid over haar schedel trok en de aderslangetjes aan
+haar slapen zich even verdonkerblauwden, liet zij haar oogen den
+aanstaanden dag tegenglinsteren, met kleine dartelende blauw-zilveren
+vonkjes.
+
+Als hij dan toegegeven had, dat hij niet meer zooveel van haar hield als
+vroeger, zou ze hem zeggen, dat hij zeker zelf niet wist hoe dat kwam,
+maar dat zij 't hem kon uitleggen: zij was ziek geworden, had daardoor
+van-zelf niet zoo lief meer voor hem kunnen zijn als vroeger, en hij was
+nu eenmaal iemant, die er behoefte aan had, dat een ander onophoudelijk
+de grootste liefde voor hem toonde. Maar het zou weer te-rugkomen, als
+hij maar zei, dat hij nog een heel, heel klein beetje van haar hield,
+och maar zoo weinig, zoo weinig, als een stofje tusschen vinger en
+duim ... Als zij dit gezegd had, zou ze naar hem kijken, hij zou zeker
+een beetje zenuwachtig geworden zijn en hij zou zeggen ja!, dat hij nog
+werkelijk van haar hield, dan zou zij hem omhelzen, en dan; ... O, 't zou
+heerlijk zijn! ... zij zag zich al met hem loopen in de zon, haar arm in
+den zijnen als toen zij pas getrouwd waren ...
+
+Mathilde stond dicht bij het venster. Achter het neteldoeksche gordijn
+speelden zes vliegen tegen de ruit, als zwarte stipjes op en neer
+wippend, met lichte tikjes tegen de ruit rakend, tegen elkaar
+aangiggelend, op elkaars ruggen klimmend, zich badend in een paar dunne
+zonnestraaltjes, twee aan twee in kringetjes rondwirrelend, stilblijvend
+tegen het neteldoek. Eens vloeg er een op Mathildes voorhoofd, liep snel
+rond tot bij de wenkbrauwen, sprong toen op haar hand, liep op en neer,
+sleep zijn voorste pootjes tegen elkaar en liep weer op en neer.
+Mathildes oogen, moe van het turen, knipten wakker. Zij had zoo innig
+aan hem gedacht, dat een lichte kou over haar heenging, onder haar kin
+tegen haar hoofd op. Het was als had zijn gestalte, warmend, vlak voor
+haar gestaan, als had zij tegen zijn borst gestaard, tusschen haar en
+den wand, als was hij nu met onhoorbaren tred wechgegaan. Zij zag om,
+met angst glimlachend. Hij was er niet, neen, zij zag hem niet gaan.
+Toen door 't venster ziende, was 't haar, of hij elk oogenblik om den
+hoek zou verschijnen, en van de heete tuinkleuren uit, tot haar heen
+treden, met zijn armen, met zijn schouders, zijn voeten nog in de zon.
+
+Maar haar mijmering stierf uit en zij dacht: als hij werkelijk eens voor
+Zondag kwam. Dat was wel heel onwaarschijnlijk. Maar zij haastte zich
+toch met haar kleine voorzorgen, omdat hij elk oogenblik komen kon. De
+deuren van het rieten kabinetje en van Jozefs slaapkamertje stonden
+open. Door de vijf ramen geelden, zich naar onderen verbreedend, zware
+kokers stofwemelend zonnelicht naar binnen. Schreed Mathilde voorbij de
+ramen, dan brandde plotseling een plekje van heur haar, haar oog werd
+blind geschitterd, zag zij haar kleed goud-grijs en weer donker worden,
+was haar hand op eens schel verlicht. Het klaterende goud-groen van den
+tuin brandde door de tintelende ruiten. Hetzelfde eentonige deuntje
+neuriend, nu en dan eensklaps luider, als wilde zij er iets mee dwingen,
+deed Mathilde verder haar zaakjes. De stilte, die als een warm blanke
+doorzichtigheid over Mathilde hing, werd alleen verscheurd, een enkele
+maal, door de keukengeluiden van een steenen pan, door Jans op de
+marmeren rechtbank gezet of het bingebangerend ijzergerommel van het
+fornuis-opstoken, die door den wand heenbraken.
+
+Later op den dag,--het was al Donderdag,--werkten Mathildes hersens
+voort aan haar plan. Zij zat in de groote kamer, de ellebogen op de
+tafel geleund, met de kouwige half in het haar wechgedoken handen de
+huid aan de slapen zoo naar boven strijkend, dat haar oogen werden als
+die van een chineesche vrouw. Bij de hoeken der neusgaten trilden de
+zenuwen van haar gezicht. Haar huid scheen te schokken van de
+geluksgedachten, waar zij vol van was; haar oogen verdoften om alleen
+naar binnen te zien. Met een rukje zonk nu en dan even haar hoofd lager.
+De hiel van haar linker voet klopte snel zachtjes op de vloer.
+
+Zou zij wezenlijk durven? Als hij daar heel gewoon en met zijn kalmte
+naast haar stond en ze over onverschillige dingen spraken, zou zij dan
+in eens de soort van spanning die er nu al sinds maanden tusschen hen
+bestond, durven verbreken? O ja, zij zou durven, wat er ook gebeuren
+mocht, zij zou spreken. En dadelijk zou zij er over beginnen, als hij
+aangekomen was ... Na dat zij elkaar dan omhelsd zouden hebben, zou ze
+hem al haar verdriet vertellen ... O maar, wat een heerlijk idee, de
+stilte tusschen hen zou verdwenen zijn; zij zouden weer samen praten
+uren achtereen, zonder ooit uitgepraat te zijn. Het zou net zijn, of
+Jozef van een lange reis was teruggekeerd, als of zij mekaar weervonden
+na een lange scheiding ... Al wat zij uitgestaan had, zou zij hem in
+onderdeelen haarfijn zeggen ... Allemaal natuurlijk om te maken, dat hij
+weer meer van haar hield. Of was 't beter zich niet zoo bloot te geven,
+zou hij daar misschien te trotsch van worden? ... O Heer! daar wist zij
+in eens iets veel beters. Zij zou hem niet omhelzen, zij zou volstrekt
+zoo lief niet tegen hem zijn. Neen, zelf trotsch en koel zijn, hem
+rekenschap vragen van zijn gedrag, dat was het middel ... En neen, ... en
+ja ... Ja, ja, zij zou voorwenden boos op hem te zijn ... Dan zou hij om
+dat weer goed te maken ... en dan ... hoe 't ook gaan mocht, zij zouden in
+elk geval tot een verklaring komen, die niet anders dan gelukkig
+kon wezen.
+
+Mathildes verbeelding zag zijn ontroering al, en haar ontroering. Hij
+zou vlak bij haar wezen wanneer zij hem dit alles zeggen zou, en
+hij--geheel, zijn hoofd en zijn handen en zijn voeten, en zijn oogen, al
+zijn leden, die zij liefhad, al zijn blikken, waarnaar zij verlangde.
+Zij zou hem zien, zij zou hem hooren, zij zou hem betasten kunnen. Zij
+zou zijn gezicht wel weer van liefde doen branden; en als hij zijn hoofd
+dan boog, en als hun monden dan tot mekaar kwamen ... Zij zag de zon al
+gaan over zijne kleeren, ... en zij zou hem brengen naar het huis, waar
+ze hem behouden wilde, zoo als vroeger ...
+
+Mathildes hoofd was lager gedaald, tot even boven de tafel. Haar armen
+lagen er voor te rusten. Zij was wech in haar gedachten. Nu deed zij
+haar hoofd een beetje naar de hoogte, met wijde, als verbaasde oogen,
+die zich daarna tot aandacht samentrokken. Een waas van vervreemding was
+om haar heen; een schrik prikte in haar achterhoofd. En zij meende in de
+ronding van haar linker arm, waaronder, diep, de vloer warrelde, zijn
+arm te hebben zien steken. Zij had het gevoeld. Zij had zijn hand, zijn
+blanke hand, op haar voorarm voelen liggen, de vingers allen naast
+elkaar, teeder drukkend. Zie, daar was de hand weer, bezijde de tafel
+plotseling opkomend, warend door de kamer, dalend, verdwijnend. In de
+hoeken, aan de muren, zag zij onzichtbare zijden van zijn lichaam, de
+rechterzijde zonder het hoofd, zijn been, dat bewoog. Toen, door de
+ronding van haar onbewegelijken arm weer naar de vloer kijkend, zag zij,
+in vlottenden trechtervorm, lapjes nevel, donkere stipjes, zwarte
+vlakjes, waarin Jozef klein en groot, daalde en opkwam, als een pop, die
+zich uitzette. Maar zij overwon het gezicht; haar verschrikking
+verteederde weder tot de lachende aandoening van het plannen maken.
+
+...Als zij zich boos toonde, zou hij haar misschien vergeving vragen ...
+maar dat zou zij in geen geval willen ... maar wanneer hij nu eens niet
+deemoedig was bij haar trots ... 't Was waar ook, het was ook eigenlijk
+maar beter niet trotsch te zijn. Als zij zich als de minste voordeed,
+als zij smeekte en bad, dan bereikte zij stellig haar doel, zij zou dus
+eerst dit zeggen, dan dat, dan zou hij ... en dan zij ... en dan zou zij
+nauwkeurig bepalen, wat zij graag had, dat hij deed: elken dag
+overkomen, enz....
+
+Jans was de jaloezien dicht komen maken. Mathilde zat in de
+zwaar-breed-goud-blank-doffe zomermiddagschaduw, waarin de kamer stond.
+In de gleuven der jaloezieen was de rijke warmte der tuinkleuren
+neergedrukt door de schuine latten. Van boven door de jaloezien snelden
+alleen nog enkele zonnestralen in de kamer neer, die op de meubels
+lichtend vlekten. De stilte was van een vergulde bleekheid, als van door
+matglas verdoofd gloeiend goud, waar in aarzelingen van teeder blauwe,
+geel-rose, blank-grijze tinten zwierven. Fijne, schuchtere dartelingen
+van stervend zilver en kwijnend rood lispelden. Een luchteile wade van
+verwelkende glansjes lauwde. In de broeyerig-kleverige roerloosheid van
+de kamer gleden en streepten Mathildes gedachten uit haar heele wezen
+over de donzige kleuren. Uit haar oogen ruischte haar denken. In hel
+gouden pijltjes naast mekaar, die opsprongen en neerkletterden, met
+zilveren pijltjes schuin er boven en er door heen, schitterde haar
+driftige mijmering ... Als hij zeide, dat 't met de zaken onmogelijk was
+om zoo dikwijls over te komen ... als hij sprak van de verveling van de
+reis, en dat zij toch weinig aan hem hebben zou ..., o, zij zou hem niet
+uit laten spreken, zij zou hem Felix voorhouden, maar vooral altijd
+zich zelve ...
+
+Haar plannen vorderden; zij voelde zeker te zijn van haar zaak. Haar
+betoog sloot samen; er kon niets tusschen. De gedachteplannen zetten
+zich om in vormen voor haar uit, op de vloer: in rechte lijnen en
+vierkanten, bevend, rillend, maar steeds elkaar naderende, met een dak
+van schuine lijnen er boven, als een geheel.
+
+Zij leunde nu tegen haar stoel en keek rond, in de lichte bedaring van
+haar gedachtekoorts. Zij voelde met welbehagen het ongerimpelde lachen
+van haar gezicht. Uitstekend! dat hij nog niet gekomen was. Alle stoelen
+stonden leeg om haar heen. Hij was niet in de kamer. Zij kon heerlijk
+alleen eerst op haar gemak alles wikken en wegen en samenstellen, voor
+hij kwam ...
+
+Zij stond op en bracht, kalmer dan eerst, een flesch Florida-water op
+zijn kamertje. Zij sleep het scheermes, dat in de waschtafella lag, iets
+wat zij nog nooit had gedaan; zij schikte de sprei glad over zijn bed.
+Zij was moe. Haar denken verflauwde steeds.
+
+Zoo ging de dag voorbij.
+
+Na den eten rustte Mathilde op het eene kanapeetje. Nu zoo goed als
+klaar met haar voornemens, lag zij zalig moe voor zich uit te turen.
+Haar eene hand steunde haar kalm liggende hoofd, de andere lag
+onbewegelijk over haar schoot. Zij was stil droef blij. De oude
+gedachten van den dag, de vondsten, die zij al lief had gekregen,
+zweefden zachtjes door haar brein. Reeksen gedachten, groote stukken der
+plannen kwamen in lange, licht zwart-fluweele langzaamheden over haar
+lichaam aanwaren naar haar oogen; enkele kleine donkerwitte
+bizonderheden, een trek, die Jozefs gezicht zou hebben, zeker uitstekend
+woord, dat zij zeggen zou, kwamen van ter zijde haar hoofd springen en
+er weer uit glippen, door de groote gedachten-drommen heen.
+
+En zij voelde zich tot alles in staat, geheel aan haar liefde
+overgegeven, zonder trots. Als hij niet toegaf, zou zij zich vernederen,
+zich zoo lang en zoo diep vernederen, tot hij overwonnen was. Zij zou
+weenen, weenen zooveel, dat hij haar om haar tranen weer lief zou moeten
+hebben. Zij zal hem beloven en hem influisteren, dat zij alles zal doen,
+wat hij wil.
+
+Onder het langzaam vallen van dezen blijden dag voelde zij zich
+verzwakken tot alle offers, zij voelde zich wiegen door de rust van de
+kamer in een weldoende vergetelheid van zich zelve. Zij wist nu wel
+waarom zij vroeger niet gesproken had tot Jozef en altijd maar gewacht;
+het was door haar trots geweest; zij had niet gewild. Maar nu was zij
+nederig; zij zou kruipen aan zijn voeten. Zij hoorde zich zachtjes
+ademen tot de vriendschap der stille kamer, heel zachtjes. In haar oor
+suisde heel licht de vermoeyenis. Zij zou hem beloven zich opzichtiger
+te kleeden; zij zal hem beloven meer met hem uit te gaan. Zij zal nacht
+en dag klaar staan om zijn wensch te doen. Zij wil nu wel veel reizen
+later. Felix zal ponniehaar dragen en op een kostschool gedaan worden.
+
+Zij hoefde nu niet meer te denken. Zij kon rustig slapen van-nacht. De
+zwijgende wanden, met hun hooge, ernstige voorhoofden, hadden haar plan
+in zich af laten drukken. Zij zou het in hen morgen weervinden; zij kon
+het nu veilig vergeten en aan niets meer denken ...
+
+Mathilde richtte zich plotseling op, te midden der strakstaande wanden.
+Zij voelde als een bodem van zekerheid uit haar bewustzijn wechzinken.
+Als zij zich morgen eens niet herinnerde wat zij Jozef zeggen zou, als
+zij de woorden eens verloren had, voor altijd verloren! Als haar plan
+eens wech was, en als ze het zelf eens niet meer wilde, en als ze niet
+meer zou weten wat te doen ... Maar deze schrik, die heenvlood uit haar
+wezen en rende door de kamer en opratelde tegen de ruiten en schuurde
+langs het behangsel en weer te-rugkronkelde in haar wezen, verbreede
+zich tot een gevoel, donker, hopeloos bruin, dat lang bleef hangen op
+dezelfde plaats: als Jozef eens koel bleef, als, na alles wat zij
+bedacht en gezegd zou hebben, hij eens dezelfde bleef der laatste
+maanden, dezelfde, blank koud dezelfde, als hij haar eens niet begreep,
+en met een zwijgenden glimlach vroeg wat zij bedoelde ...
+
+Maar, in de laagte, met hun grond en een opstaanden wand, schoven
+stukken tuin en stukken kamer voor haar verbeelding, met Felix er in. En
+zij zag hem, een afgerond levend wezen, zich bewegend, geluid gevend,
+met licht in zijn oogen en een rooden mond. Dat was Felix. Dat was haar
+kind, hun kind. Als Jozef achter hem stond, dan reikte hij tot Jozefs
+middel. En zij keken met hun oogen op dezelfde manier. Felix was als uit
+Jozef gekomen. Uit Jozefs wezen neergestooten op de aarde. Felix was,
+dus moest Jozef zijn.
+
+En wat was dat "Jozef"? Dat was een hooge gevormdheid, het was datgene,
+wat alleen zij zien wou, wat alleen zij hooren wou, wat alleen zij wilde
+aanraken, een man, nietwaar, haar man, dat was die man, die haar lief
+had gehad, die haar liefhad ... O maar, met zijn oogen, nietwaar, en met
+zijn voorhoofd en met zijn mond en met zijn handen, was hij ... O, o,
+wat zou die toekomst gelukkig zijn!
+
+Mathilde stond weer, rechtop in de kamer. Zij wreef in haar handen, om
+dat haar zaken zoo goed stonden. Met den zegevierenden blik van iemant
+die, het hoofd omhoog, naar aanstaande blijde tijden uitkijkt, zag zij,
+door het venster, de komende schemering tegemoet. Zij lachte verheugd,
+zij lachte zooveel; in een wordend lachje bleef haar gezicht eensklaps
+stil, om verwonderd te zijn over het dwaze verdriet, dat zij zoo lang
+had gehad. De behoefte om te loopen bewoog haar weer door het huis. Zij
+ging, met een licht deinen van haar schouders, haar hoofd bewoog heel
+langzaam op de maat van haar gang; haar borst ademde op en neer, haar
+heupen ovaalden grijs uit onder het kleed; de wrong harer voeten steeg
+en daalde regelmatig over de bevloering. Haar armen weken van haar
+zijden en vielen er zachtjes weer tegen aan. Zij drentelde, afgemat en
+rusteloos. Het lichte kraken van haar schoenen, het gekreuk en geschuif
+van de kleedstof om haar armen en beenen, het geluid van haar stappen en
+van haar ademen ritselden glijend door het huis.
+
+Zij voelde zich loopen en in de muziek van haar gang alle denken te loor
+gaan. Zij voelde het tintelen van haar teenen en hielen, het gewrichten
+van haar knieen, haar trillende dijen, waarlangs het kleed bij elken
+stap neerwoei. Zij voelde strakheden van haar broek en haar onderlijfje
+tusschen haar beenen en onder haar armen; haar ondergoed, dat de halve
+bollen van haar borst raakte, de kraag van het kleed, die tegen haar
+hals duwde. Zij voelde haar moeye hals en de hitte van haar achterhoofd,
+de zwaarte harer armen, die de schouders lager trokken, haar klamme
+handen, haar lippen, die, voor de ongesloten tanden, bevend
+samendrukten.
+
+Zij waadde door de schemering, die het huisomsluyerde en een slaap
+bracht in de kamers. Door de zwartigheid, wist zij nog vaag haar lichte
+droomen in de verte, voor den volgenden morgen. Haar donkere gedaante
+bewoog steeds rechtop door de verflauwende huisvormen. In de
+blauw-zwarte spiegels zag zij haar witte hoofd alleen nog naderen,
+waarover een stervende glimlach stond. Zij ging, bewusteloos, weer ook
+de trap op en af, zonder meer iets aan te raken. De gedachten van den
+dag leefden zonder haar in haar voort, nog even stilletjes aanspoelend,
+zachtjes-aan wechdoovend. En toen begon zij weer van zelf het wijsje van
+dien morgen te zingen.
+
+Marie en Felix kwamen thuis van hun wandelingetje. Het wachtende huis
+stond witterig en zwart-schuin tusschen de boomen. De vensters keken
+lankwerpig wemelend grijs en zwart. Van onder de warande, waar een
+venster openstond, hoorde Marie en Felix het gezang van het huis, luid
+en zacht vlak-bij in de donkerte. Dan ging het verder in het huis,
+verzwakte, verzwakte en beefde wech. Dan naderde het weer onder de
+opstaande huisvormen. Het was nu neurien geworden, maar in eens klonk
+het heel uit de verte, als achter een dikke muur; toen hoorden zij het
+weer duidelijker, zachter, boven onder het dak, voortgaan, zachter
+worden, en te-rugkeeren, luider. En ophouden in de doorzichtig-zwart-
+grijze stilte. Toen druppelde een fijne regen eensklaps stilruischend
+in den avond op het huis en op de bladeren neer.
+
+Den nacht van Donderdag op Vrijdag sliep Mathilde vast, maar om zeven
+uur was zij al op. Den vorigen avond had zij, voor haar bed staande om
+er in te gaan, haar bloote voeten gezien. Zij was er naar blijven
+kijken, haar hoofd gebogen onder een nieuwe gedachte, die door haar
+hersens druischte. Zij had haar nachtjapon tot aan de knieen
+opgetrokken, mijmerende, dat die lichaamsbouw, met die blanke huid,
+onder haar witte goed nu zoo doorging in de hoogte, tot haar middel, tot
+haar borst, tot haar hoofd en daar eindigde en dat zij dat nu was, zij.
+Zij had even met haar eene voet een tikje tegen het andere been gegeven.
+
+Zij was verwonderd en aan den voet en aan het been te voelen. Zij was in
+bed gaan liggen, op haar rug, haar armen aan weerszijde langs zich
+uitgestrekt. Zij lei haar handen op haar dijen en er weer af, verbaasd
+over haar tastbaarheid. Zoolang ze wakker was, had ze liggen denken aan
+haar lichaam. Haar huiverende beenen samendrukkend, had zij toen
+bedacht, dat Jozef haar lichaam liefhad, want zij was haar lichaam. Nu
+liep zij, in het helder vroolijke ochtendgeel, dat door de warme ruiten
+en ophaalgordijnen zwierf, blootsvoets door de lengte van de kamer, door
+de opengerukte bovenste knoopen van de nachtjapon, door de gleuf van het
+hemd en van het flanelletje heen, haar hals te bevoelen, er griezelige
+koude plekjes makende met haar saamgesloten vingertoppen, diep in
+gedachte. Toen trok zij haar nachtjapon uit en ging weer in bed, met
+haar beide handen voelde zij over het lichaam, van de knieen tot de
+hals, als wilde zij er verborgenheden in opsporen.
+
+Om kwart voor achten kwam Marie. Mathilde sloeg gauw het dek om zich
+heen en lag onbewegelijk. Zij zei Marie de kachel aan te leggen.
+
+Om kwart over achten was het heel warm in de kamer. Mathilde gleed uit
+het bed en ging zitten voor haar toiletje. Zij had nu haar hoofd en haar
+schouders voor zich in het spiegeltje. Aan de bovenlip en aan de eene
+wang, zwol haar gezicht er in op, door oneffenheden van het glas. Zij
+nam de spelden uit haar haar en liet het over haar rug vallen. Langzaam
+streek zij er de schildpadden kam door, boven het rechter oor beginnend
+en telkens tot op de helft der lengte van het bosje haar doorgaand, het
+daar met de linkerhand aanvattend om verder de aan het eind verwarde
+haren uit te kammen, zonder zich zeer te doen. Het blauw zwarte haar
+golfde hoog over haar hoofd heen, met sprietjes glans er tusschen door.
+Het streek door de kammetanden heen, scheerde onder de kam door, telkens
+glijend en weer rustend. Als een in zijn golving verstijfde zwarte vloed
+bleef het eindelijk stil, boven het achterhoofd, in een dikken krul zich
+hoog oprichtend, met zijn vlassige diepten achter de ooren, droog en mat
+neerhangend over Mathildes middel. Er was een puntig pijltje haren, vlak
+bij het voorhoofd dat op en neer wiebelde bij de minste beweging van het
+hoofd. De haren leefden en wachtten. Als Mathilde rechts of links keek
+of ging verzitten, streelden zij haar hals in een zijige buiging,
+trosten gazig over haar ooren, dansten vlinderend over haar voorhoofd.
+Zij waren het stuk innige staal zwarte kleur in de zonnebeprekenkelde
+kamer. Mathilde drupte eau vegetae over het haar en wreef het er door en
+kamde ze weer gelijk. Een blos van glans ging over de haren, die
+voortkrinkelden donker-zilver-blauw-zwart. Als zij voorbij de reten der
+gordijnen ging, lachten de haren met met een zonnestraaltje even hun
+glimmend-gouden lach.
+
+Daarna nam zij een spons met enkelt Florida water en waschte haar
+gezicht en keek in den spiegel, of het er nu niet mooyer uit zag, en
+waschte weer en keek weer en nog eens en nog eens. Toen trok de
+zomer-ochtend Mathilde naar buiten. In zoolang was zij niet in den
+tuin geweest.
+
+Het was half elf. Mathilde kwam op het straatje. Zware witte wolken
+hingen in de lucht, laag boven de kastanjeboomen, waarvan de
+hooguitstekende bladeren zich in het dikke wollige stoomwit schenen te
+doopen. Zij reiden hun in 't midden en aan de randen water-zwart-
+schemerende ovaalheden samen en voeren heel langzaam voort, naar den
+kant van het dorp. Plekken roerlooze hemel rondden tusschen hen door,
+door de verblauwmarmerende overrastering der witte wolkspiertjes.
+Aan de open hemelruimte boven het Florabeeld was de laatste wolk eener
+rij, wit-goud en glinsterend rose berand, door een wijde plek eerst
+zilverblauw, wit-blauw, grijzig-blauw, dan stil dof donker-blauw, van de
+volgende wolken gescheiden, die aanzweefden in wit en grijs gepropte
+samenkoppelingen, als scharen witte omkrulde hoofdvormen, met opduwende
+schouderblankingen, zich zachtjes samenvleyend, langzaam in elkaar
+overbollend, altijd breeder oplangzamend, in statige vluchten, bij
+rondvervleugelde groepen uit het neerwelvende oosten opkalmend, altijd
+doorblikt van wit-bedraadde of effen turende blauwingen. Zij teederden
+voort geluidloos hun warrige uitwassige sneeuwvachten zuchtend-zachtjes
+over de stil-groene boomen verder schuivend.
+
+Mathilde ging de stoep af, daalde onder de donkerder groene zwaarte van
+de overbladeringen der oprijlaan. Zij zag in de breede beheestering
+tusschen de oprijlaan en den Vaarderweg. De te dichte samenplantingen
+stonden grijs-bruin en zwart-groen, glansloos, verslond. Toen zij zich
+omdraaide, hingen uit een keukenraam twee vaatdoeken te droogen. In het
+groote bemodderdspatte regenwatervat, links van dat keukenraam, drupte
+de nachtregen uit de goot nog af en toe neer. Aan de lichtblauw-grijze
+muur van den achtergevel waren dunne vlekken, de deur van het
+tuinloodsje stond open en er lag morsigheid over de vloer tot op het
+straatje. Aan de sparre-en palmboompjes, op de helling tusschen de
+oprijlaan en het straatje, zag zij voor altijd verdorde grijsbruine
+takjes Voor haar uit, in de wijde opening, waarover van de wolkendikten
+grijze lichting neerdroefde, was het stoffige Florabeeld, met zijn
+ongewasschen gezicht, met zwarterigheid in de oogen en aan de borsten.
+Al uitgebloeide seringetakjes waren er boven. De gouden regen en de
+jasmijnen geelden en witten in-een geslapt van den regen. Alleen de
+krans van aardbezienplantjes over den grond puntte frisscher rood onder
+de dekkende blaadjes.
+
+Mathilde ging vooruit over den natterig zwarteren grond, waar kastanjes,
+dorre bladen van verleden jaar en dennennaalden aan de kanten vuilden.
+
+Plotseling aarzelde de zon bleek neer, schuchtere glansen breedden over
+de bladen, wijd uit; daarna geelde zij, geler, en geler, geel-lachend
+over de treurige boomen, toen glimmend, warmend, goud-bruin strijkend
+langs de stammen, goud-zwart over den grond. En alle bladeren
+glinsterden een oogenblik.
+
+Mathilde trad voort, bezijden het huis naar voren. Maar nauwelijks had
+zij op de kiezelsteenen, op het grasveld en tegen den gevel der dames
+Streelink de gele uitspreidsels gezien, of de zon werd opgeslorpt door
+de treuring van een voorbijtrekkende wolk, bleekte heen, met schokjes
+telkens eiler wordend, als de vreugde die wechkrimpt van een gelaat. De
+donkere tint zeeg weer neer uit de onrustige lucht.
+
+De paden en het gras strekten zich onder Mathildes voeten met hun na den
+regen hard zwart en hard groen; scherpe, luide tinten prikten en riepen
+in de bloemen en bladeren. De breede straatweg was donker-grijs, plat,
+zonder opstuivend zand. De lauwe weeke geur der natterigheid schonk de
+wind in haar neus en mond. En de tuin verrastte haar smartelijk. Er had
+zich, zonder haar verbeelding, gedurende de dagen, dat zij in huis was
+gebleven, en zij den zomer had zien groepen en gloeyen door de ruiten,
+een vage gedachte van den tuin in haar gevormd, die geslagen en gedood
+werd door het koude zwart en groen. De kleuren, die anders haar oogen
+kusten, waren er niet meer; de tuin was veranderd, vreemd geworden, haar
+onbekend. Het booze zwart en groen sloeg de teleurstelling over haar
+gezicht, door haar achterhoofd, om haar schouders. De lucht was vol
+rare, vijandige ritselingen en geluiden. De hut stond rechts, donker en
+leeg, viezerig. De bloemen waren gewoon en er schenen er veel te weinig
+te zijn. Een lichte vaalheid hing van uit de boomenblaren naar beneden.
+En Mathilde zag plotseling de tuin klein en leelijk. Met half gesloten
+oogen, haar gezicht te-ruggedoken in het zwart kanten doekje om haar
+hoofd, ging zij naar de hut. Marie en Felix kwamen juist uit het
+dennenboschje. Felix had een groote gekleurde bal, die hij tegen den
+grond wierp, dan op liet springen een heel eind boven zijn hoofd, om hem
+daarna weer te vangen. Hij gooide de bal ook tegen Maries rokken, die
+eerst omkeek en lachte, maar boos werd, toen hij 't nog eens deed. Marie
+drentelde te breyen.
+
+--He, mefrouw, wat 'n naar weer, vindt u niet?
+
+--Ja, der is niet veel zon vandaag.
+
+--Maar ik denk toch, dat 'et nog wel weer op zal klare ... tegen twalef
+uur of zoo. Regenen zal 't niet meer doen.
+
+Toen Mathilde in de hut zat, kwam Marie weer even praten, snel
+voortbreyende, haar oogen over haar werk, haar ellebogen op de heupen,
+bij de belangrijkste punten van haar spreken een breinaald tegen haar
+borst vooruitduwend door de steken, haar neus afvegend met den rug van
+haar rechterhand.
+
+--Der zijn van-morgen-vroeg al groote wagens gekomen uit Amsterdam voor
+hier achter, voor mefrouw van Borsele, die daar komt te wone, u weet
+wel ... ze heeft der goed vooruit gestuurd ... Der zijn prachtige meubels
+bij ... Vrouw Steyer vertelde 't ook ... kanepees met rood fluweel en ik
+weet al niet, wat ze gezien had ...
+
+--Zoo, zoo, dat zal aardig zijn, als die mevrouw hier toch komt wone ...
+
+Marie vertelde verder, haalde tusschenbeide haar neus op, kromde haar
+bovenlip om haar tanden heen en krabde zich er dan eventjes met een
+breinaald.
+
+Telkens na een poosje waterde de zon neer en trok weer op. Eens bleef
+hij langer, waardoor de vrouwen er bijna aan gewend raakten. Felix
+speelde met zijn bal achter in den tuin. Hij liet hem nu van den grond
+tot de hoogte van zijn hand opspringen en gaf hem dan telkens een losse
+klap, waardoor hij met een doffen dsjieng klank als van ver-af-metaal
+tegen de aarde klakte en weer opsprong. Om het spelletje af te wisselen
+gooide hij hem ook eenvoudig maar voor zich uit zoo hoog als ie kon in
+de lucht en ging hem dan oprapen, tusschen het hut en het huis. Eens
+gooide hij de bal juist op, toen de zon doorschoot; daardoor kon hij de
+bal niet nakijken, die met een bons te-rugviel op zijn schouder. Bij
+elken worp sprong zijn heele lichaampje op en met een open mond
+kreun-zuchtte hij van inspanning, terwijl zijn armpjes, beide opgeheven,
+beide te-rugvielen naast het rompje. Hij wilde de bal wel tegen de
+wolken gooyen, maar de bal ging niet hooger dan twee meter.
+
+--Ik voel toch, dat ik veel beter ga, zei Mathilde.
+
+--Zoo, mefrouw? Ja, och, as 't maar weer eerst heelemaal zomer is.
+
+Boven den tuin bewoog de hemel voort. De kleine wolkenbrokken waren tot
+effener, grooter, zwaarwittingen samengeplompt, die hun
+damp-krul-omrande rompen wentelden onder de wijd-blauwe verheid. Zij
+waren nu weiniger, breeder, en bakten zich aan elkaar en reten van een,
+en vielen verder en draaiden rond, zich verdikkend en weer
+opensplijtend, zonder vaart, in witte kalming langs de breed-ziende
+velden van het diepe blauw, schulpten zich uit, om de blauwlieden te
+vergrooten en kudden weer samen om de blauwing te dooden, en zwierven
+verder hun randen verdwazend in pluisjes. De zon glansgoudde door hun
+buiken en woei naar beneden, roosterde het dak van het huis en
+schitterschimde door den somberen tuin, sprankelend over de bloemen,
+glijend over den rug van Marie, schrijnend naar Mathildes oogen, die
+groot open stonden, die wachtten in zwartbrandende begeerten.
+
+Er kwam een korte windbui; de zon bleekte wech; de wind scheen
+somberheid uit over de paden en het gras, suizel-wapperde door het
+dennenboschje links, ril-dartele door de hooge iepen rechts, omkoelde de
+kuiten der vrouwen, schokschouderde door Mathilde en behuiverde haar
+hersens met binnenshuis-verlangens. Maar de zon zoog weer neer door den
+wind, lichtte vaaltjes over den grond en smeet de breede lichte schaduw
+van Maries zware bouwsel in de hut, over Mathildes schoot en handen.
+
+Marie stond in haar eene muiltje, de hiel van haar andere voet stond
+omhoog, opgekarteld uit bedeesdheid door haar spreken met mevrouw. Zij
+voelde de hiel warmen.
+
+--Nu wordt 't toch mooi weer, zei ze, en zij draaide haar hoofd schuin
+op, tegen de sterke lucht in, die er prikkelend in afsloeg.
+
+Mathilde voelde zich verblijden in den zonnewind, die haar omleefde. Zij
+had een boek voor zich op tafel liggen, mejonkvrouw de Mauleon, roman
+van Bosboom-Toussaint. Terwijl zij las, verglansde de zon de bovenste
+helft der bladzijde, de wind snerpte stil een blaadje op. De wind soesde
+om haar neus, over haar wangen, in zachte koeling, streek frischheid
+over haar oogledenranden, die naar de zon mondden, bebeefde haar heete
+hoofd met kil-prikkelingen, onder de haren door. De zachte wind kwam
+door haar mouwen, onder haar onderbroek en door de spleten van haar
+ochtendjapon van voren tusschen de knoopen, naar haar huid en plekte
+stil-frisch.
+
+Marie was wechgewandeld, om te zien, wat Felix uitvoerde achter in den
+tuin. De wolken verdunden en gingen hooger, verder, in golvend bezoomde
+scharen zwalkend langs de zon. De lucht in het westen en heel-hoog
+boven, blauwde vrij. Donker-geel en zwarte stukjes, in wespen en
+paardevliegen, puntten voorbij, op een afstand. Mathilde bleef, zonder
+menschen, wier vormen en geluiden haar voelen braken, en vrije
+alleenheid, en het zuivere geloof, eenzaam en geheel, leefde in haar op;
+het kwam zachtjes over het bezonde geel-zwarte pad tot haar, het lachte
+in de zonne-wind-tintelingen in de rondte, het vloeide op over het
+getimmer aan d'overkant van den weg, over het klakkend gerommel van een
+rijtuig, over een ver hondgeblaf, het wolkte in het windgelach tot haar
+hoofd, het sneeuwde, sneeuwde in stille lichtdruppels van de deinende
+bladeren. Haar lichaam voelde zij als een vale warmte onder een koele
+bedekking. Zij deed haar armen een beetje in de hoogte, om de wind tegen
+haar oksels te hebben. Er was geen-een herinnering. Er waren haar
+wachtende wangen in den zomer, leeg en effen; er waren haar oogen, die
+zij niet voelde, waar al de zomer zwijmelend tegen verzotte; er waren
+haar voeten, die zich over elkaar legden, om het geluk in haar wezen
+dicht samen te drukken. Er was een helle leegte, achter in haar
+verbeelding, de angst-afwezigheid.
+
+Marie kwam weer naar de hut, met Felix aan haar rechter hand, die met
+zijn beentjes naar achteren sloeg en zijn hoofdje achterover hield.
+
+--Drinkt u hier koffie, mefrouw?
+
+--Ja, dat wil ik wel. 't Is nu heerlijk weer geworden.
+
+Felix bleef in de hut, hij lachte aldoor. Zijn lijfje werkte zich op de
+bank naast Mathilde hij zat op zijn eene been, hij lei zijn vuile
+handtje tegen Mathildes wang:
+
+--Lieve moeder ... moeder-lief ...
+
+--Dag jongetje, dag, ventje, heb-je goed gespeeld?
+
+Felix' hoofdje ging heen en weer, zijn oogen blonken, zijn hangend
+beentje slingerde op en neer, de armpjes bewogen voor de strakstaande
+rieten muur van de hut, het haar ripte bij vlokjes naar hoven, de
+gezichtshuid verroerde en opende zich aan zijn mond; uit het hoofdtje
+naast haar borst geluidden de klanken in Mathildes hoofd. Zij zag het
+bewegende leven voor het zwart van de bank, het vaal van den grond, het
+licht-bruin van de muur, die wasemden heel even, en toen wist zij
+gedurende de heele menschloze stilte der kleuren voor haar uit, dat
+Jozefs leven naast haar leefde in den zomer. Zij dacht niet, zij
+verbeeldde zich. Het zwart, het groen, het glansende geel van voren
+bewogen als dof glimmend gespannen elastiek voor haar zien, om dat haar
+vage geluksverbeelding over haar oogen gloeide, ze heerlijk vervalschend
+in den waanzin van het geloof. Het was boven haar verhemelte, waar de
+neus in de keel overgaat, het steeg in een onstoffelijken damp door haar
+hersens naar boven. Zij voelde een drukking en een ijlheid.
+
+Marie kwam klaar zetten. Zij liep door Mathildes blik, door al de
+zomerkleuren, die ruischend achter haar aangloeiden, vlak voor de tafel
+ze wechplompend met haar dikke lijf tegen hen slaande met de
+drie-hoekige gebaren harer klaarzettende armen. Maar Mathilde bleef ze
+zien, boven het ritselend uit-duwen van de servet-vlakte, boven het
+rinkelend gestoot der uit Maries handen dalende en bewegenloos blijvende
+schotels, naast Maries rokken, tusschen haar armen en haar bovenlijf, om
+haar hoofd heen.
+
+Marie ging weer wech, haar hoofd en rug in gloei-geel, haar rokken
+krul-wapperend om de bruine kuiten, een korte, als vertikaal in den
+grond het onderste boven tegen haar voeten aanloopende schaduw onder
+haar hielden.
+
+Felix verzette de schaaltjes, trok aan een lapje rookvleesch.
+
+--Niet ankomme; niet an de schaaltjes komme! zei Mathilde, je moest nu
+nog eerst even naar Marie gaan en vragen of ze je handen wil wasschen,
+voor we gaan koffie drinken.
+
+Felix bewoog wech onder de stille zonneschittering; met een geslinger en
+gedriehoek zijner jong-jubelende armen en beenen, een floddering van
+zijn gestreepte kiel. Mathilde was alleen. De wind verminderde; de
+wachtende kleurenpracht verroerloosde. Met de witte zuiverheids-tinteling
+harer kalmte over het gelaat, behandelde zij de bordjes, een mes, het
+brood, de boter, die haar vreemd-gewoon de vingers raakten. Wat was er
+dan toch; zij wist het niet. In eens zag zij in de hoogte van haar over
+de tafel geslagen blik, twee naderende heeren-broekspijpen. Een
+schrikvlaag berimpelde haar voorhoofd, haar handen bleven bewusteloos
+staan op de tafel. Zij hief het hoofd, zij zag, met een rilling door het
+achterhoofd, in de pijnlijke gaping der verbaasde oogen, den ingenieur
+Ster, dik, blond, zweterig, in een verslonsd grijs pak, die naderde. Zij
+had even gemeend, dat het Jozef kon zijn. Hij groette haar met zijn hoed
+en kwam dichterbij. Voor de hut staande, nam hij nog eens zijn hoed af,
+maakte met zijn bovenlijf een dikke-mansbuiginkje, zeide "mevrouw, ik
+kom u eens opzoeken" en zette zijn hoed weer op. Hij gaf Mathilde, die
+was opgestaan, een dikke, harderige, natterige hand. Mathilde besproeide
+hem met blinkende verbaasd-bedeesde blikken, zwarte vonken uit het
+midden van haar gloeyende oogenwit, blinkend in de blondwiegelende
+schaduw van de hut. Mathilde bevoelde haar zakdoek, beide handen tegen
+zich aan. De hut was plotseling geheel vol met Ster; zij zag zich zelve
+niet meer.
+
+--Gaat u zitte ... Komt u ook Hilversum us bezoeke?
+
+Ja, zei Ster, hij zou in 't vervolg herhaaldelijk hier moeten komen,
+want hij was voor een gedeelte belast met de inspectie van de werken van
+de nieuw opgerichte Ooster-spoorwegmaatschappij, die te Hilversum een
+hoofd-station zou hebben. Het werk vorderde goed; de rails lagen al tot
+voorbij Bussum. Ja, hij was hier ook gekomen vandaag juist, om mevrouw
+van Borselen, die als vrouw alleen was, een handje te helpen met het in
+orde maken van haar buitentje. Zij was vandaag ook gekomen, ja.
+
+--Hoe gaat het u? vroeg hij.
+
+--Zoo, zoo, de buitenlucht doet mij natuurlijk veel goed.
+
+--U woont hier wezenlijk allerliefst. Ik kom nu juist van mevrouw van
+Borselen. Zij hoopt u ook gauw een visite te komen maken ... Ik ben
+heelemaal de hoek daar omgeloopen, ... maar de meid zei, dat ik ook
+achter in den tuin had kunnen komen ... toen heeft ze me den weg
+gewezen naar de "hut" ... 't is hier heel aardig ... en een prachtige
+tuin ... u heeft mooye bloemen ...
+
+Op de tafel leunende met haar voorarmen, het hoofd even schuin gebogen,
+zat zij naar hem te luisteren, met een nauwelijks geopenden mond, hem
+voortdurend aanziend, terwijl hij in de rondte keek of op zijn knieen,
+alleen haar blikken te-ruggooyend op de tafel, wanneer hij, bij een
+vraag en bij het eind van een volzin, haar aanzag. Het scheen haar, dat
+hij een ouden zeer innigen vriend van haar was, die kwam van een lang
+geleden en voor altijd door haar verlaten wereld. Hij kwam van de stad,
+die zoo vreeselijk ver was; hingen er nog niet weerkaatsingen van die
+grachten en straten, waar haar gedachte leefde, in het fletse grijs van
+zijn jasje? En haar oogen trokken de woorden tusschen zijn lippen uit;
+zijn groenige tanden, die zijn grove stemklanken naar haar heen beten,
+schenen lief, gezellig, goedig, vol van herlevende herinnering, vol van
+haar weerkeerend geluk.
+
+--Ik dacht van-ochtend niet, dat 't nog zulk mooi weer zou worden, zei
+hij.
+
+Toen spraken ze over Jozef.
+
+--Ik heb meneer gisteren nog gesproken ...
+
+--Zoo? ... Ja, ik verwacht hem over-morgen weer ... Hij komt meestal eens
+in de week over ... och, u begrijpt, met zijn zaken, is 't al heel lastig
+om meer te komen, maar als de spoor er zijn zal, zal dat wel
+beter gaan ...
+
+O, hij sprak over Jozef! Lachjes over haar wangen glans-groetten, haar
+oogen begloeiden de tafel. Zij slikte, zij voelde zich weer vreemd in
+haar hoofd, haar handen vervochtigden, zij streek de blaartjes zweet
+wech van de haarzoom op het voorhoofd. Het was net, of er iets bewoog
+boven haar oogleden, in de tuinmassa van voren, bij rukken van kleur en
+licht, van links naar rechts. Ster zei niet meer en keek in de rondte,
+Mathildes oogen bleven neergedompeld als in een diep donker water, waar
+zij vreemde gelukschatten konden grijpen. Plotseling beefden haar
+oogleden op, de tuinkleuren schemerden en schitterden, vervaalden in
+vlekken en joelden op in vonken en bleven, hevig vooruitglansend, in de
+verte sidderend en dwingend, de warmte warrelde over haar schouders; zij
+zag Ster zitten, vlak hij haar, met een groote wasemende leegte van
+zwart en van groen achter hem. Zij zag hem zitten in de heerlijk-intieme
+grofheid zijner overvoedde onder het grijze kamgaren opbolderende
+vormen, in de rood-vetterige slaperigheid van zijn haar onvermoedende
+gezicht. Zij zag hem in een dikke kleurennis, tegen een opstaand bed van
+levendige donzige glansen, van goudscherpte en zwart-groen-dofheid. De
+woorden scheurden stotterend uit haar mond:
+
+--Is hij nog wel? vroeg zij.
+
+--Hoe bedoelt u? Uw man? ... Ja, heel wel, geloof ik. Was hij ongesteld,
+toen ie 't laatst hier was?
+
+Mathilde wist niet goed meer wat zij zei.
+
+--Ja,..., ja, hij had hoofdpijn ... en hij heeft er verder niets meer over
+geschreven, loog zij.
+
+Felix' lijfje en Maries lichaam kwamen-aan, met bewegingen van buiten en
+versche standen, die het wezen der groep vernieuwden.
+
+--Mag ik u ook iets aanbieden? Wilt u niet met ons blijven
+koffiedrinken? vroeg Mathilde.
+
+Ster bedankte. Hij nam Felix tusschen zijn beenen en vroeg:--Zoo, zoo,
+jongeneer, zijn we zoo groot geworden? maar Felix was bang van zijn met
+felle kleuren volgeploeterd gezicht. Ster deed net of het beedeesde kind
+hem wel pleizierig vond, hij nam Felix' zachte gezichtje op zijn hand:
+je kent me niet, he, baasje? We hebben mekaar ook nog pas eens gezien,
+en toen was je ook al te jong. Toen Ster hem weer los had gelaten, begon
+Felix te eten, zijn gezichtje naar het bord melksoep gedrukt. Iedere
+keer, als de lepel in zijn mond schoof, beklommen zijn blikken het hoofd
+van Ster, om te zien, of die hem niet aankeek.
+
+Ster nam afscheid, met een bad van Mathildes hand in de zijne, met een
+zware legging van zijn hand op Felix hoofd.
+
+Mathilde had hem niet leelijk gezien. Zij zag zijn dikke lichaam blonken
+in de kleuren, het mannen-lichaam, dat altijd verder van haar afging
+door den tuin, verder, verder, eindelijk geheel opgeslorpt door de hoek
+van de laan. Het weer was mooyer nog geworden om hem heen. Enkele
+gebeitelde groepjes wolkenkrullen waren dooorschijnend-vlokkerig ver in
+het zuiden, enkele lange tot bleek-witte krampen verstijfde
+wolken-zenuwen lagen over de lucht gestrekt. Een strakke zon
+begoud-feestte den tuin.
+
+Mathilde at bijna niet; de boel was al weer wechgenomen, toen zij nog
+aan Ster zat te denken, hoe hij daar geweest was, sprekend van Jozef uit
+zijn dikke gezicht, hoe er nu een vragende leegte was boven de stoel,
+waar zijn romp op gestaan had, en hoe hij zich bewogen had, wech, wech,
+in de kleuren.
+
+Zij keek om zich heen in de heete middagstilte, en het geloof steeg
+hooger, over haar lichaam, tusschen haar vallende handen op; zij had een
+gevoel in zich als een kreet, die zij moest uitschreeuwen; in haar
+tintelende hoofd zetten de zieleduizelingen op, die geen voorstellingen
+vormden in haar verbeelding, die niet dachten in haar verstand, maar die
+haar dronken maakten als een donker druppelende drank in haar
+achterhoofd gegoten. Zij zag naar de somber-staande hutwanden, of zij
+niet spraken, wat zij waren, wat zij wilden tegen haar bewustzijn, wat
+zij meenden met het vreemde gevoel, dat zij haar inspraken. Toen kwam er
+ineens een vink, die, voor haar onbewegelijkheid heen, wipte en tripte,
+wit, bruin, grijs, over den zonnigen grond, met zijn glad gestreken
+kopje haar bekijkend en in eens wegvliegend in een hoogen boom aan den
+weg. Mathilde ging slenteren door den tuin; de warme wind nam haar
+haren, en speelde ze wech uit haar gezicht, de zon walmde neer op haar
+hoofd; de kleuren lachten vlak uit om haar heen.
+
+In de om haar hoofd vlagende heete wemelingen bewoog Mathildes teedere
+vleesch boven den grond, in de weeke rijzing der onder het grijs
+deinende leden. Hoog naast haar donker-glansde het dennenboschje;
+merelklanken zilverkrulden in de zware hittelagen, die zwalkten in
+groen-geel smeulende zwenkingen door de ruimten. Zij voelde zich loopen
+hoog op het licht-zwarte pad, haar oogen doorvoelden, tusschen den hard
+vlakken grond en haar zieke droomenhoofd, den afstand, vol van zwart en
+glans-gele stukjes krulrinkeling, wasem-warrelend op en neer, rillend
+van haar eindeloos verlangen. De kleine dennen stonden hoog in de lucht
+boven haar uit en verritselden hun bladering, proppelend, stippelend
+tegen de lucht, wuifbuigend naar Mathilde; het grasveld, rechts, groende
+zit vlakte uit, stijf-zijig, met de donkere ondersten en de lichtere
+uitpuntingen der sprietjes, het ging verder en verder, met de gegleden
+gebogenheidjes en de ranke opzwiepingen der grasjes, een vooruitgang van
+dribbelende, schubbige lachjes, breeder en meer, groen, donker groen,
+geel-groen, goud-groen, lang en ver, wijkend, zoo dat haar armen het
+niet konden overreiken, en het strekte heen, oneindig klein en oneindig
+veel, een goud-groene lach, die opsloeg en zijn ligging wechschaterde
+tegen de wijdwijkende blauwte: Jozef! Jozef!
+
+Mathilde voerde het uit haar oogen wazemde in haar goud-warm verbeelden
+heenbruisende verlangen langs het hek bij den breeden straatweg. Zij zag
+de groote iepen haar langzaam voorbijgaan. Zij knikte een boerenmeisje
+goeyen dag, dat daar liep met haar koe. Zij zag het kind loopen boven
+den grond, maar hoog hielden de iepen hun bladerenzwaarte op de lange
+breede nekken der stammen geheven, en stootten hun groene
+ontzachlijkheden naar den hemel en wierpen hun jubelende groeningen tot
+de blauwe effenheid en smeten hun takken uit naar alle kanten, in
+krampen van bloeying, in een rumoerig warrellied van stijgend en
+woest-willend verlangen: Jozef! Jozef!
+
+Mathilde ging te-rug, de statig zijgende sparren-groep, bij de waranda,
+met zijn verspitsende betorening van neergeschuinde stekeltakjes, met
+zijn stil-blinkende groentinteling en zijn innige binnen-duisternis,
+naderde, naar haar heenschuivend met den warm-gevenden grond, en de
+glans-armpjes suizelden heete fluisteringen en trilden op in de rondte,
+bijna allen, heel even, en toen weer, en toen weer, boven holen van
+zwartheid; als glimwormen glommen takjes en sprankten in de zon uit als
+stukjes glas en van de schuinende neerveering rolden en ruischten
+parelende klankjes voor Mathildes voeten: Jozef! Jozef!
+
+Onder haar voeten licht-zwartte de pad-breedte voort. Haar blikken
+vlotte neer, maar de grond trok ze vooruit, breed-zwart vooruit,
+glans-zwart vooruit, heen-zwartend tusschen het stijgende gras-groen,
+voort-atstandend tot achter in den tuin. Zij was bang voor de ruimte
+tusschen haar en den afstand; liep zij, dan voelde zij den grond weer
+achter haar, ver, wech, wech onder haar voeten, en de ruischende ruimte
+van licht-lucht en de zwaar-roerloosheden der opstanden. Maar het pad
+trok haar geloovende oogen verder, over een kabbeling van gelig-zwart
+voort, tot zij stuitten tegen den opsteigerenden gezichteinder; daar
+dwarrelden de verre hooge heesters omhoog, en joegen door-een, en dansen
+van groen, licht-groen op springend en borend hun spelende wildheid door
+het lage neerdruischende blauw: Jozef! Jozef!
+
+Mathilde keek langzaam in de rondte, met verfletsende oogen. Alle
+boomen stonden luid in de hoogte, in heftend opstamping gestooten naar
+de lucht. Alle heesters krioelden hun groene zenuwnetten in dikke
+dof-verstijfde groenvlammen tusschen de boomen door, schuin tegen elkaar
+in stijgend, op-schreeuwend tegen den blauwen middag, maar hoog van de
+boomentoppen wemelde in hitte-zilveringen, een kokende goud-geel-waseming
+tot de gloeyende blauwbekapping, waarin de laatste wolkendradingen
+wechsluyerden En over de buigende boomen gleden en beefden de
+goudblauwingen tot Mathilde. En achter haar, van de verre geelstoffing
+van den weg, waarin, door de gaten der hooge groenmassaas pakken
+hittelicht neersidderden en doodreutelden op het platgebrande wit van
+den grond, kwamen, omstuwd door de breede kreten van het woestdartelende
+heestergroen om de blank-glansen de stukken huizengevels, de hooge iepen
+op haar aan, klein in de verte, maar grooter, grooter wordend, man aan
+man met hun dikke, warme stammen, grooter breede, hooger, en eindelijk
+opstaand achter haar, bij haar, aan haar, in een geweld van geluidbos
+leven, een staan van groene krachten, een gestolten klimming van wil en
+van daad. En de hoogheden der boomen en de heete begeerten, die
+aanrolden kletterend geel over den weg, drongen Mathilde, voor de
+sparrengoep heen, op het groote grasveld voor het huis.
+
+O, het was een feest van lichten. De witte muur van het huis, een
+staande vlakte van hellicht, samengedrukt door de daling van het
+goud-bruine daklicht, perste zich in-een en smeet het hevige
+zonne-weerlicht uit de ruiten met de klaterkaatsingen der witte
+muurvlakken neer tegen den groenen grond, tegen de iepenstammen, door de
+openheden tusschen de stammen, verder over den weg. Mathildes oogen
+bedroomden het huis, zoo als het opstond in zijn lichting, in zijn
+heerlijkheid van wit, tot vastheid opgerezen hittelicht, zij geloofde in
+het huis, zoo als het glansde hooge en breed. En het grasveld helde op
+naar het huis, een spreidsel van zacht groen licht, doorstikt met de
+teeder fonkelende steenen der roode bloemen, maar dat steeg in zijn
+breedheid, sidderend gespannen, schemeringen van lichter groen in de
+hoogte ademend. Op hun zuilen van bruin licht waren de miljoenen groene
+vlammetjes der iepenblaren ontstoken, en in de bevende licht-zee boven
+het grasveld, waadde Mathilde, met drooge dwaas-verglansde oogen.
+
+Maar zij keek naar boven, en het viel op haar als een tintelende sneeuw
+van verukking. Al het wit was ingeslurpt door het blakende, daverende
+hemel blauw, dat gloeyend glinsterde in neerwarrelingen van
+zwartgoud-poeyering en als een ziedende zee met donkere blauwbulten en
+lichtere blauwheffingen, daalde en steeg, daalde, daalde, zijn
+zonnevlakten neerbreedend om den hettenden vuurkolom van de stortende
+zon, die een regen van bliksems los stookte over de schroeyend vermoorde
+uitstrekking der zich openwentelende en heen-spreidende tuinvlakten.
+Breede slangen laayend blauw wimpelden af van de lucht, in een foltering
+van blauw tusschen het schuin wegkrimpend boomengroen zijgend,
+goud-blauw over de buitenste bladeren brandend, een doffe
+krijt-goud-gloed over de midden-bladeren drukkend, in gouden grillen
+windtrillend, vonkend, spuitend, uitspruitend, neersprietend,
+heensprankend om de hijgende takjes, bosjes gouden naalden schietend in
+de diep-groene boomenharten. Zware afblauwsels goudden neer over het
+dak, over de boomen en heesterhoogten in de verte, van alle zijden
+naderend en zich rond neerdrukkend in een vlammende vuurschittering.
+Golvenwolken van witte hitte zwalkten door de ruimten, tusschen de
+openingen glijend en voort stoom-dwarrelend in de verheid. En het werd
+gedragen door alle lagen der ruimte, in een begeestering van heete
+kleuren, een vervlamming van het heete leven, en Mathilde voelde zich
+juichend onder haar kleeren beven, en in haar gouden weten, dat zij
+gelukkig zou zijn, werd zij getrokken naar de groensombering
+der warande.
+
+Verbijsterd in haar snikkende bedwelming, vroeg wat het was. Wat was die
+gouden lichtruimte voor haar uit? En al de takken, die naar haar heen
+reikten? En al die verdere plannen van bleekere lichtstrekking en
+kleurenstand voor haar uit? De kleine gezicht-einders waren
+samengebakken en smolten zich vast aan den hemel. Zij was in een groote
+zaal vol vreemd leven, vol rare vervoerende dingen. Er waren geen
+menschen bij haar, achter haar. Niets was achter haar, geen stemmen,
+geen gerucht. Zij wist van geen verleden, van geen vroegere gedachte;
+haar leven was dit oogenblik. Zij wist van geen afstand en ruimte; de
+eenige wereld was hier bij haar. Langzaam, terwijl alle kleuren vonkten
+en naderden naar haar oogen, loste haar bewustzijn zich op in de
+lichtkrachten die kleursidderden over haar heen. Haar leden zonken
+samen, achter tegen haar stoel. Zij zag wel, door de verblinding, die
+over haar gezicht was neergeschitterd heen, dat de blauwe lucht was
+losgebarsten en er kokende stroomen gloeyend goud gudsten over de
+vlakte, klotsend op haar toe. En verder, in de rondte, hagelslingerden
+gouden vonkenvlagen neer over de wechbleekende groenheden, botsgolvend
+tot elkaar, opzwiepend om haar hoofd, neerzijpelend door haar lichaam,
+haar beenen. Hoog stormden de iepen hun vrachten vlas-groene
+dronkenschap op tegen de neerbruisende gouding, de bruingouden stammen,
+los en week, gloeiden op en neer, als zuilen van vloeyend goud hun
+lijven hoog en laag kristallend door de ruimte. De bloemen kleurden door
+het vuur, vliegend, schietend, hoog in de lucht, laag op den grond.
+
+Mathilde voelde zich heffen en zich wechgaan, heen-gedragen door de
+kleurenverbijstering. Haar oogen doofden uit. Een even onstaken zij
+weer. Toen zag zij alles met wit-krullende wit-blauwe gazen en vlekken
+glans blauw beneveld. Haar oogen snikten hun heete tranen uit, die als
+zoute druppels in de hoeken van haar mond vloeiden.
+
+En langzaam sliep zij in met openhangende mond. De zomerhitte verdroogde
+haar verhemelte en tintelde over haar bovenhoofd.
+
+Mathilde sliep twee uur lang; toen Felix haar kwam wekken, even voor het
+eten, voelde zij zich als na een koortsnacht, loom, dof, zwak; Marie
+zei, dat zij erg bleek zag.
+
+Na den eten zat Mathilde op de kanapee en sliep weer. De dag wentelde
+zijn zware kleurenvlakten voort. De middagkleuren koelden op, teederden
+uit in de rooye groeyingen, van de stervende zon. Zij dronk laat thee.
+Felix was al naar bed, toen zij weer alleen zat in de groote kamer. Zij
+had gezegd, dat de lamp niet hoefde, om dat zij liever wou schemeren. In
+haar afgematheid, speelde het lichtje onder de theepot met haar oogen,
+lange stralen schietend heen en weer door de vredige zacht-zwart staande
+duisternis van de kamer, Mathilde voelde het ruischen van den tijd zij
+voelde zich heengeduwd naar den wachtenden dag op de regelmatige
+tik-tak-begeleiding van de duistere pendule, die als de stille radeling
+was der kracht van haar leven, haar voortuitvoerende naar het geluk. Het
+eene venster stond wijd open voor den stillen mooyen avond van buiten.
+Mathilde dronk haar lauwe thee met weeken slurpenden mond, en,
+daarboven, samentrekkende proevende oogen.
+
+Zij was zoo wech in haar stille afwachtings-stemming dat het geschuif
+van haar stoel over de vloer haar een vreemd hard geluid klonk toen zij
+opstond, om vlak voor het venster te gaan zitten met haar kopje. In de
+teer-grijze duisternis was het groen in een zware donkerte tot rust
+samengevallen. Maar hoog en ver, in een oneindige wijdheid, was de
+sterrenhemel opgeslagen over den tuin. Alles was zeer stil. Mathildes
+verslapte blikken klommen over de zwarte bladerenmassaas naar de
+sterren, die verward boven de bladeren lagen en er door en er over
+neerhingen in een fonkelende bepuntering. Zij keek, en een sussende
+weemoed zweefde stil door haar moede gemoed. En zwerm lijnloze droomen
+steeg langzaam in haar gedachte. Al wat zij haar leven-lang mooi had
+gevonden en gehoord had, dat mooi was, in de sterren, waarde als een
+vaag gevoel door haar bewustheid. Het waren oude melodien van toen zij
+nog niet getrouwd waren, kleine refreintjes van de straatorgels uit haar
+jeugd, een liedje, uit zijn jeugd, dat haar vader wel eens neuriede, het
+waren alle kleine oogenblikken van kleine teere aandoening, een
+buitengewoon innige handdruk van haar vader op een avond, het op straat
+ontmoeten van een meisje, dat zij langgeleden had gekend, het terugzien
+van dezelfde huizengevels van vroeger na een lange afwezigheid, de
+eerste boeket van Jozef, eens, toen zij jarig was, een mooye bladzijde
+uit een mooi leesboek, de oprechte hartelijkheid van Jans in zekere
+omstandigheid, die, zonder tot herinnering te worden, een dierbaren
+nevelgrond spreidden onder haar mijmering. Zij voelde haar bewustzijn
+gedragen door het leven als door een lagen wiegelenden leuningstoel. De
+kuische duisternis met haar oneindige ruimte, onder de verre sterren,
+weekte lange aandoeningen van oneindige liefheid en gedachtenzwemen van
+eeuwig geluk, zalig-zacht rein-te-vreden, in haar voelen los. Het was
+als een warme zachte hand die over haar wangen ging, over haar bleeke
+wangen, met lange zwijgende streelingen. Zij stak haar gezicht schuin
+omhoog en uit de diepste schuilhoeken van haar gemoedsleven kwamen, van
+heel, heel lang geleden, vreemde bewegingen van hoop, trillingen van
+geluk en vertrouwen, naar boven, die zij eerst niet herkende, maar die
+langzaam uit hun verflensing nauwkeuriger opleefden. Uit al de vage
+stukken van het vroeger met teere genieting waargenomene, die nu in haar
+verbeelding kwamen schemeren, drong Jozefs figuur naar voren en bleef
+alleen, alleen in haar verbeelding, die was als een vreemde schilderij
+zonder afmeting in den roerloos ritselenden zilvergrijzen nacht, en
+stond hoog omhoog als een vast lichaam vol heerlijke zekerheid van leven
+en liefde. In hem had zij altijd geloofd, aan hem had zij zooveel
+gedacht in eenzaamheid. Zij geloofde in zijn borst, waar haar hoofd
+tegen-aan kon leggen, zij geloofde in zijn armen, die haar aan zijn
+borst konden drukken, zij geloofde in zijn beenen, die naar haar konden
+naderen, zij geloofde aan zijn hoofd, dichtbij het hare, met liefde in
+de oogen en liefde in den mond, Zij geloofde, dat zij altijd samen
+zouden zijn, altijd, altijd, zonder stoornis meer, allen dag en
+allen nacht.
+
+En de melodie van haar geloof leefde nog dien avond in haar voort, tot
+lang na dat zij naar bed was gegaan. Mathilde droomde dien nacht van
+Ster. Zij zag hem heel vreemd loopen, in de lucht, zonder iets aan te
+raken, en eindelijk in een der hooge iepen gaan zitten. Zij droomde ook
+van Felix, dat die op het uiterste kantje stond van een steile
+berghelling, terwijl Marie met een bal naar zijn hoofdje gooide.
+
+Eindelijk kwam de Zaterdagochtend, onder een donker bewolkten hemel,
+zonder zon, zonder regen, zonder wind. Mathilde had moeite om uit haar
+bed te komen. Ging haar hoofd even in de hoogte, dan trok het liggende
+lichaam het weer neer. Daar was dan de Zaterdag, de laatste dag, koud en
+onverbiddelijk in haar kamer geschoven. Wat waren die dagen
+verschrikkelijk gauw voorbijgegaan! In haar hoofd werkte de stemming van
+den vorigen avond nog voort, maar bekoeld en verlept, half wechgesmolten
+in de koude zuivering van de slaap. Zij voelde zich leeg. Haar
+verlangenleven der laatste dagen scheen haar gemoed te hebben
+uitgebrand. In een lauwe onverschilligheid, met een in zich opnemen van
+den dag als was die heel gewoon met een blinde botheid der zenuwen, die
+voort bleven slapen, de kamers en de meubels langs ziende zonder ze te
+zien, ging zij den ochtend door. Zij was naar, beverig, als onder den
+invloed van een naderende ziekte, van een zware kou, die zij gevat zou
+hebben. Herhaaldelijk moest zij weer in huis gaan. Zij vond den dag zeer
+vervelend. Hij grijnsde haar toe met de wanhopige eentonigheid zijner
+vormen en kleuren van altijd. Alles was grijs. De luchtgrijsheid kilde
+over de paden en over het gras en flenste door de boomen.
+
+Om kwart over drieen werd zij door Marie in huis geroepen met
+vertrouwlijke en te kennen gevende armgebaren. In de groote kamer vond
+zij mevrouw van Borselen zitten, in een grijs satijn japonnetje onder
+het groen dooroogde, lichtelijk doorkleurde vleesch van haar stijfjes
+bekamde hoofd, midden tusschen de warse meubelen gezakt. Hoe zij het
+maakte, hoe zij-zelve het maakte, dat zij haar in zoolang niet had mogen
+zien, lieve omstreken, Mathildes buitentje mooyer gelegen dan het hare,
+vlak aan den straatweg, gezellig leven, elkaar veel bezoeken, Felix,
+haar zoontjes, Jozef, het rijtuig, de spoor, de heer Ster, geen madera,
+neen, nooit iets gebruiken voor den eten, nog eens Jozef, spoedig
+te-rugzien, onaangenaam weer.
+
+De woorden sprongen naar Mathilde, vielen om haar heen op den grond. Zij
+andwoordde en sprak als met een hoofd, dat een eindje voor haar
+eigenlijke zou wezen. Maar het woord "meneer" tikte op haar hersens, en
+toen begonnen de woorden haar te slaan, op haar schouders, tegen haar
+hals, tegen haar wangen, als de gepolijste gemeenplaatsen van het
+onverschillige leven, dat ruw langs haar heen ging. Toen mevrouw v.
+Borselen de tweede maal van Jozef sprak, schrok Mathilde. Het was een
+tergende spaak in haar hersens, waaraan die vreemde vrouw roerde, iets
+wat zij niet wilde, maar dat moest, een akelige macht, die wreed in haar
+leven was.
+
+Mevrouw v. Borselen ging wech. Mathilde zag haar glimmend satijnen,
+oogelozen rug heengaan door den gang, tot den romp de stoep afzakken en
+voor 't laatst doezelen tusschen de boomen. Achter mevrouw v. Borselen
+heen, het glanzig grijze wezen in den hollen dofferen dag, kromp de dag
+zelf voort, zijn rondingen verdonkergrijzend en schemerneerplattend in
+den avond, droog en geruchtloos.
+
+De Zondag was mooi, een dartele dag, met een sterken zuiden-wind, die de
+rozen deed wiebelen aan hun takjes. Marie was in een stijf gestreken
+katoentje en vroeg: Hoe laat komt meneer? en over het stijfschoone
+dekkertje op de tafel heen, zei Mathilde: Ik denk om elf uur, zoo als
+altijd. Zij was wrevelig gestemd dwars tegen den levensloop. Onder haar
+oogen dachten stuursche wangen onverschilligheid Het ontstemde haar zich
+voor niets zoo opgewonden te hebben. Zij zou stellig nooit verstandig
+worden. Het leven ging immers zoo eenvoudig en gewoon; nu was er weer
+een dag, net zoo as gistere, zoo meteen kwam haar man. Wat was daar nu
+eigenlijk aan. Zij leek wel niet wijs. Zij leek wel een aktrice. Toen
+hoorde zij een rijtuig aankomen en wist-voelde te-gelijk, dat het het
+rijtuig was. Toen was 't net of haar hersens in de war zouden gaan en er
+heet bloed voor haar oogen zou komen. Haar heele lichaam begon te beven.
+Zij hield haar tanden op elkaar; als zij 't vergat tikten zij op elkaar
+in een stootend geluid van haar hoofd. Haar handen werden koud aan de
+toppen, vochtig aan den palm. Zij kon niet opstaan en zag van haar stoel
+door het venster alles nauwkeurig. De hit voor het tentwagentje stond in
+eens stil, zijn voorpooten als schuine staken naar voren op den grond.
+De koetsier sprong van den eersten bank onder den kap uit; hij was jong,
+hij had een rood gezicht en had een pet op. Het lage portiertje ging
+moeyelijk open, maar met een duw van binnen lukte het. Toen zag zij
+Jozef; die er langzaam uitstapte, in een lichtgrijs pak, zijn korte
+jasje met twee rijen knoopen van voren, en zijn broek die wijd over zijn
+lage schoenen afhing, met zijn linkerbeen op het ijzeren treetje, toen
+zijn rechter en linker bijna te-gelijk op den grond. Zijn hand kwam
+boven de binnenhand van den koetsier, terwijl hij zijn kin een beetje
+introk. Hij had een lagen licht-geelen strooyen hoed op en, toen hij
+zich weer had omgekeerd en den tuin inkwam, een erg lage boord, een
+koerant en een paar gele handschoenen in zijn linker hand. Maar hij ging
+achter de boomen en zij zag hem niet meer.
+
+Toen Jozef de kamer binnenkwam, hadden zij beiden in een snelheid van
+opkomen en vergaan, dezelfde gedachtewaarwording.
+
+--Daar ben ik! Hoe maak je 't Thilde? Je hebt in 't geheel niet
+geschreve. En zijn glimlach naderde van de schuin-open deur, en slonk
+wech toen hij haar bleek zag beven, en zijn oogen voelden: wat ziet ze
+er vreeselijk vreemd uit, ze is stellig met een anderen man geweest, in
+elk geval blijf ik kalm; en zijn glimlach dacht in haar voort, in een
+slag van uiterste angst, een stuipende siddering van haar verstand, een
+vreeselijke stilstand van haar hart: dit is hij niet, dat is hij niet,
+ik ben met een anderen man geweest.
+
+Zij voelde haar denken vernield, zij voelde zich wezenloos worden. Haar
+voeten werden koud en zij waggelde, met een licht doorbuigen van haar
+knieen. Maar de groote smart van haar verstand rukte haar te-rug in de
+levende werkelijkheid der angst-licht vlammende kamer. En zij wist de
+grootte van haar liefde en dat hij die liefde niet was.
+
+In het naderend uitsteken van zijn handen vroeg hij: Bee-je niet wel?
+Wat scheelt je? Wat is er? Zij zeide Och nee, 't is al weer over, dat
+heb ik tusschenbeye tegenwoordig, ik weet niet wat het is. Zijn lippen
+zoenden, de zoen gleed wech van haar rillende wang. Felix was
+binnengekomen uit het rieten kabinetje en zijn hoofd stond over de tafel
+heen te kijken naar die twee groote menschen, strak, zonder begrip.
+Mathilde had Jozefs hand genomen, flauw tusschen de haren. Dat was een
+vreemd gevoel, die koude hand. Zij zoende hem op zijn wang, die hard
+was. Alle mannenwangen waren hard, zij wist het wel, ja, zij wist het
+wel, zij had het altijd gehoord en altijd geweten.--He, ik moet even
+tot bedaren komen, zeide zij, en zij ging zitten op haar stoel, een eind
+van de tafel geschoven. Jozef ging aan de tafel zitten, zijn voorarmen
+er op, de gevouwen koerant in zijn handen, zijn hoofd er over heen
+gebogen en schuin naar Mathilde gekeerd, met een streelende deelnemende
+uitdrukking. Hij zat maar stil te kijken, om te zien wat er
+gebeuren zou.
+
+Felix kwam naar hem toe: dag, vader. Jozef zei tot Mathilde: wil je niet
+iets drinken? ... of wil je misschien gaan leggen? Zij schudde van neen,
+haar hoofd naar den grond. Toen keerde Jozef zich naar links, nam Felix
+op zijn knie: dag, vent, hoe heb jij 't gemaakt? Niet stout geweest?
+Toen temperde hij zijn stem: moeder is niet wel, he? We moeten een
+beetje zachies spreken. Ben-je altijd lief tegen haar geweest?
+
+Mathilde voelde hen en hun spreken. Zij wist wel, dat zij buiten haar om
+spraken, dat zij de haren niet waren, iets anders dan zij. Zij was
+alleen, als een dwaasheid in het gemakkelijke gewone leven. Al haar
+voelen duizelde in haar blikken over den grond, en stootte tegen de
+tafel en stoelen, en vermartelde in het felle licht, dat de dag door de
+vensters bij breede lachbuyen naar Jozef heensmeet. Over den grond
+wipten de eile stalen licht-kwatelingen, schoten te voren uit het
+behangsel, spiraalden neer van het plafond, en te midden van de
+huiverende kamer en den angstigen licht-dans was Jozefs stil bewegende
+lichaam, waar van elke beweging in Mathilde schokte.
+
+Zij keek naar Jozef, en dan weer niet, en dan weer naar zijn strooyen
+hoed, die plat op een stoel lag. Zij voelde als een plotselinge langzame
+losschroeving van haar verbeelding-en gedachte-vermogens. Zijn lichaam
+was daar toch, bij haar, vlak bij haar, tastbaar in zijn begrensde
+vormen, met een ruimte er om heen, waarin zij gaan kon, waarin zij haar
+armen kon bewegen, om ze te leggen om zijn hoofd, en haar lippen naar
+voren duwen aan zijn mond. De liefde-bewegingen van haar armen en hoofd,
+die zich onbewust onder de plannen van hetgeen zij hem zeggen zou in
+haar denken hadden voorbereid, leefden nu op in haar verbeelding; zij
+zag vreemde armen gebaren maken, vreemde achterhoofden neigen en bukken
+en zich vlijen. En daar achter, ver in haar voorstelling, zag zij een
+donkere holte onder de sterrenlucht van Vrijdagavond, waarin wezenlooze
+eilingen voortholden en verdwenen in den nacht, de mijmeringen, die het
+denkbeeld van haar man in haar waren geweest, en die vernietigd werden
+tegen zijn zittende levende lichaam.
+
+--Hoe gaat 't nu? Een beetje beeter? vroeg Jozef, haar effen bruin
+aanziende, in ratelend tegen haar schedel slaande klanken.
+
+--Het gaat al beter, maar ik ben nog wat duizelig.
+
+--Komt de dokter vandaag nog?
+
+--Ik weet niet, hij is er de heele week niet geweest.
+
+--We moesten maar wat vroeg koffie drinken, zei Jozef, ik heb honger.
+
+Mathilde stond op om 't zelf in de keuken te gaan zeggen. Toen zij haar
+waarnemen in haar, hem, die stil bleef, zag naderen, en toen zij zag op
+zijn hoofd, dat onder haar kwam, en zijn gezicht van boven af, begreep
+zij zijn lichaam niet en begreep niet meer hoe zij hem kende. Maar toen
+zij voorbij hem was gegaan en zijn vormen uit den hoek van haar oog
+gestooten waren, ging er een tinteling door haar hoofd en een drift door
+haar beenen, waarin haar oude voornemen te-rug gaan wilde en zich gooyen
+over Jozef om hem te beminnen. Maar hij was achter haar hersens zoo als
+ze hem gezien had en in trijterende schrikken ging zij voort en was
+alleen met de wanden zonder het te weten.
+
+Uit de keuken ging Mathilde naar haar slaapkamer, nam Floridawater en
+ging zitten voor de tafel, met den zakdoek onder haar hoofd. Op 't
+zelfde oogenblik kwam Marie in de groote kamer om te dekken. Jozefs
+oogen werden warm, Marie hoestte en keek voor zich uit met de
+bedeesdheid der wangen.
+
+--Is ie heel zoet geweest deze keer? vroeg Jozef terwijl hij gauw hevig
+keek naar Marie en daarna Felix bij zijn kinnetje pakte en hem aanzag
+met elders denkende oogen.
+
+--O ja, meneer, andwoordde Marie, ook schuin naar Felix ziende, heel
+zoet, is 't niet, Fik?
+
+--Dat weet ik niet, zei Felix, en douwde zijn gezichtje tegen Jozefs
+schouder.
+
+--Dan heb ik wat moois voor je bij me, zei Jozef en met
+langzaam-voorzichtige gebaren, om Felix niet te laten vallen, haalde hij
+een dun prentenboekje in een prachtbandje, uit zijn binnenzak.
+
+--He, zei Felix, met een eensklaps aangestoken vroolijkheid, he, da's
+mooi! en hij gleed van Jozefs knie en ging, zonder verder te bedanken,
+voor het venster zijn boekje bekijken.
+
+Daarna werd er koffie gedronken. Mathilde zag Jozefs bovenlijf voor
+haar, boven het witte tafelvlak, het op en neergaan zijner grijs zacht
+omkokerde armen, bij de gladwitte schoteltjes, den bal van zijn hoofd
+met de levende gaten en uitsteeksels, waarnaar zijn handen klommen met
+het eten en drinken, de schouders van zijn jasje, die zwollen en
+neerstreken bij de armbewegingen, zijn blinkende en knippende oogen,
+zijn hoofd, dat telkens even boog en rees, zijn hakkenden en trekkenden
+mond, zijn snor die van onderen nat werd en met een kruimeltje en die
+hij afveegde met zijn vingerdoekje. Zij zag zijn hals met het diepe
+kuiltje aan den boord, zijn ooren, die zoo mooi dicht aan zijn hoofd
+stonden, zijn rechte neus, het fijne rood van zijn wangen, zijn haar,
+dat even mooi zat als altijd. Zij keek, en het was haar alsof zij iets
+zocht, iets dat zij vroeger altijd van hem gezien had en dat nu voor
+altijd verdwenen was. En zij dacht, of zij dat lichaam had liefgehad, of
+het zich niet had losgescheurd van iets anders, een wezen, een waas, zij
+wist niet wat, dat alleen zij had bemind. Maar zijn lichamelijkheid
+sloeg haar denken voortdurend en zij kon maar niet inzien, dat haar
+eindelooze begeerte bij haar was. Nadat hij gegeten had en zijn zware
+vale woorden over het brood en de boter en het vleesch boven de tafel
+hadden gerold, neerkletterend op haar rug met klamme streken, liet hij
+haar vertellen hoe zij den laatsten tijd had doorgebracht, of mevrouw
+van Borselen er al was, of de bloemen nog goed opkwamen in den tuin, of
+zij al een wandelingetje verder dan de tuin had gemaakt, en hij zeide
+herhaaldelijk dat zij erg bleek zag.
+
+Na de koffie deed hij een cigaret van voren in zijn mond en rookte. Hij
+zei:
+
+--Willen we ook een beetje in den tuin gaan?
+
+Zij gingen. Lief en goemoedig lei hij haar rechterarm in de kromming van
+zijn linker. Zij stapten samen regelmatig voort, en hij blies zijn rook,
+blauwetjes, van zijn hoofd, den anderen kant uit. Toen ze hem nu goed
+raakte en voelde in de jubelende lucht van den waayenden tuin, leefde
+stormend in eens in haar te-rug een gevoel van lang geleden. Als een
+klaterend beeld in een spiegel waarde zij snel bij haar, de herinnering
+van toen zij hem angstig-vreemd had gezien op den ochtend van hun
+eersten zoen. Maar krachteloos viel de herinnering terug voor de eenmaal
+zoo nauwkeurig en vast in haar gevormde gedachten der laatste dagen, die
+onweerstaanbaar opzetten naar de klanken en klanksmartten uit haar mond:
+
+--Ik zou wel eens over iets met je willen spreken ...
+
+--Zoo waarover dan?
+
+--Ja, je zal het wel heel gek vinden, maar voor mij is het een ernstige
+zaak.
+
+Hij keek haar over zijn schouder aan. Zij keek naar den zwarten grond,
+zij was koud, zonder ontroering, zij deed niet, zij onderging de macht
+van haar besluit, dat haar deed spreken buiten haar wil om.
+
+--Wat bedoel je dan? Ik begrijp het niet.
+
+Toen zeide zij hem kalm-koud:
+
+--Je houd niet van me. Wil je niet weer van mij gaan houden? Anders weet
+ik niet, hoe ik langer moet leven.
+
+Hun hoofden gingen voort, dicht bij elkaar, met een stuk heestergroen er
+tusschen en er boven wijd wech de wind-spelende wit-blauwige ruimte. In
+zijn hoofd, naar voren gewend, was verwondering. Daar begreep hij niets
+van. Wat scheelde haar nu weer in eens? In haar hoofd was de harde
+gevoellooze koelte, maar een scherpe wrevel over de tegen haar wil in
+gesproken woorden zwart-lemmette op en tegelijk begon een gloeying,
+vreemd opkomend, van diep beneden. De wrevel hief haar arm een beetje en
+deed hem bijna niet meer liggen in den zijnen, en zij kreeg ook een
+goeddoend gevoel van gemak, van breede tevredenheid, van bedarende
+opklaring van haar gemoed. Zijn beenen bewogen gelijk op met de hare,
+zijn lang gewachte lichaam was hoog naast het hare, en zij dronk blijde
+zijn tegenwoordigheid in al het waarneembare van zijn leven. De zomer
+baadde hen bij lauwe vlaagjes, bestoeide hun opwippende haren, glom
+tegen hun niet-ziende oogen. Jozef zei in den licht-wind: Maar, lieve
+kind, ben-je dwaas? Ik hou nog altijd even veel van je, waar haal je dat
+vandaan, dat ik niet meer van je zou houen?
+
+Haar arm zeeg weer neer op den zijnen. De gloeying vlamde op in haar,
+haar geest geheel vullend. Al de liefden, die in haar voor hem geweest
+waren, rezen aan-een, niet te temperen, en in een brand uit haar oogen
+en over haar borst sproot uit haar splijtend gemoed een kletterende
+op-een-volging van zware, doffe, heesche fluitende klankjes, waarin zij
+hem zeide, wel te weten, dat hij dit zou andwoorden, alles te weten, wat
+hij nog meer zou willen zeggen; maar dat dit alles niets beduidde, dat
+hij, als hij zich maar eens goed wilde onderzoeken, wel zou merken, dat
+zij gelijk had met te zeggen, dat hij toch eigenlijk niets meer van haar
+hield. Zij verweet hem al zijn verwaarlozingen zij vertelde hem van al
+de dingen, die haar zijn verflauwing hadden doen weten. Maar zij klaagde
+niet, zij was boos, en het voorgenomen smeeken verstijfde in een vergen
+tusschen haar verdunnende lippen. Zij had zijn arm aan haar linker borst
+gedrukt, haar hoofd dicht bij het zijne gedaan. Maar toen zij alles in
+eens gezegd en uitgesproken had, met zacht rood aan haar slapen en haar
+voorhoofd, en hij andwoordde: maar, lieve kind, dat verbeel-je je
+allemaal maar, je hebt de koorts, je moet wat kalmeeren,--toen liet zij
+hem los en bekeek hem zoo als hij daar was met den tuin om hem heen,
+zijn blanke voorhoofd en zijn stille korte haar, zijn kalme wangen, zijn
+gewone oogen en grijze schouders. Hij tuurde voor zich uit met
+hooggestreken wenkbrauwen als om in het dennen-boschje een oplossing van
+de vreemde ziekte van zijn vrouw te vinden en hij drukte zijn bovenlip
+over zijn onderlip. Haar armen krompen tegen haar lijf, haar hals kromde
+een weinig om laag, in haar oogen kwamen roode spikkeltjes, zij zag
+hem niet aan.
+
+--Kom, Thilde, zei hij, laten we over iets anders spreken. En zij
+spraken er over, om Ster en mevrouw v. Borselen ten eten te vragen, om
+Felix op een bewaarschool te doen. Mathildes verbeelding voelde hem nu
+niet meer, haar verstand dacht hem. Zij merkte zijn heele
+persoonlijkheid, met al zijn doen en laten, als een kleinigheid in haar
+grooten hartstocht. Zij voelde hem heelemaal te kunnen overzien. Hij was
+een gewone, verstandige en mooye man. Hij had vroeger veel bij hen aan
+huis verkeerd, daarna waren zij samen getrouwd, en hij had zich altijd
+gedragen zoo als een fatsoenlijk man zich tegenover zijn vrouw gedraagt,
+wat wilde zij toch eigenlijk nog meer? Toen zij ziek was geworden,
+hadden zij natuurlijk niet zooveel samen kunnen zijn als vroeger. Haar
+verdriet was, dat zij hem geheel waarnam, want eerst was er, behalve
+zijn neigingen en gedachten, die zij wist, iets onbekends voor haar in
+hem, een verborgen geheimzinnige kracht in zijn wezen, ondoorgrondbaar
+en heerlijk,--het was de liefde, de zij voor haar in hem veronderstelde,
+Zij zag hem nu zonder dat groote en diepe, met een hoofd leeg van haar,
+leeg van wat zij wilde, zonder begrip. Zijn wezen was gering, hij had
+niets dan zijn leden en zijn dagelijks zelfde hersens, waarin elken dag
+de indrukken en gedachten van den vorigen zich herhaalden, zonder ooit
+zoo'n vreemden droom, zonder ooit zoo'n onbegrijpelijk gevoel voor iets
+hoogers, iets meers. En zij wist niet en vroeg zich, waarom zij zoo van
+hem was gaan houden. Wat had zij eraan voortdurend aan dien man te
+denken, wat hoefde zij zich ziek en ongelukkig te maken om zijnentwil?
+Haar hersens werden hoe langer hoe kouder. Zij voelde zich een oogenblik
+staan, als gelukkig in haar leven, buiten haar liefde. Zij dacht een
+kalm, zuiver, geregeld, gezond dagelijksch bestaan, waarin zijn hoofd en
+zijn schouders naast haar niet meer trilden, waarin hij niets was dan
+haar gewone maatschappelijke echtgenoot, keurig en fatsoenlijk, zonder
+die nutteloze bombarie van dwaze grillen en opwindingen. Wat was er niet
+veel te doen in het leven, ook voor een vrouw! Wat zou zij een mooye
+handwerken kunnen maken, en koeranten en boeken lezen om op de hoogte te
+zijn! Niet alleen zou ze haar huishouden uiterst zorgzaam kunnen doen en
+veel meer in de perfektie dan tegenwoordig, maar ze zou b.v. ook voor
+arme kinderen kunnen naayen, zooals andere dames deden. En dan, om het
+voornaamste niet te vergeten, wat zou zij veel meer moeite en
+oplettendheid aan de opvoeding van Felix kunnen geven! Nu werd die voor
+het meerendeel overgelaten aan Marie, en dat was eigenlijk volstrekt
+niet zooals het hoorde. Verder, als zij dan ook weer heelemaal gezond
+zou zijn, had zij voor uitspanning de konversatie met mevrouw v.
+Borselen en met andere dames, waarvan zij de kennis kon maken. En, och
+Heer, er waren nog zooveel andere dingen. Waarom moest zij zich ook zoo
+afzonderen in de laatste jaren? En zij zag in eens een leven vol
+verscheidenheden en kleine gelukjes, dat zij in haar bespottelijke
+hersenkoorts geminacht had zonder nagedachte.
+
+Jozef meende daar het middel gevonden te hebben, om zijn vrouw tevreden
+te stellen.
+
+--Wil ik, nu je weer zooveel beter bent, eens een week of drie achter
+elkaar hier blijven? vroeg hij.
+
+Maar een onoverkomelijke warschheid klom tot aan haar mond. Zij zeide:
+
+--Ja, ik zou 't wel heel graag willen, want man en vrouw hooren bij
+elkaar, maar ik geloof wezenlijk, dat 't beter voor me is, dat ik
+vooreerst nog maar alleen blijf, want als ik niet zooveel rust mogelijk
+heb, kan ik niet slapen.
+
+--Dat spijt me, zei hij, en glimlachte, haar liefweemoedig aanziende.
+
+Maar zijn glimlach werd vernederd en wrevelde wech op de strakheid van
+haar gezicht. Zij gingen te-rug in huis en liepen wijder van elkaar over
+het pad, met schokjes van stuursche verlegenheid in hun armen en beenen.
+Het witblauw van boven en het dartelende groen krioelde tot hun hoofden
+en tusschen hun leden.
+
+Den volgenden ochtend, toen Mathilde mat opstond, met een moeheid van
+het leven in haar beenen en in haar hoofd, zag zij haar fletse gezicht
+in den spiegel, haar flauwe oogen, de vale plekjes er onder, en de lange
+rimpels over haar voorhoofd. Zij voelde een grooten wrok tegen Jozefs
+frissche lichaam. Zij zag, dat het buiten al-weer een lichte dag was,
+een uit dezelfde eentonige opvolging, die tot gisteren geduurd had en
+die morgen en overmorgen en altijd weer verder zou duren. Weer zag zij
+den tuin door het venster, zonder iets buitengewoons, in zijn zelfde
+aanzien van steeds, zij alleen verouderde intusschen en het erge
+heerlijke van haar jeugdleven zou verminderen en eindelijk heelemaal
+wechblijven. Zij keek naar de voorwerpen die stil stonden om haar heen.
+Wat was het nu? Ging zij naar een doel? of wat deed zij eigenlijk? Wat
+gaf het? Zij, die dacht, dat er zooveel met haar gebeurde, wat
+beteekende zij, wat gebeurde er met haar? niets. De dag van vandaag leek
+precies op den dag van vijf, zes jaar geleden. Zij had eenvoudig haar
+zenuwen, haar lichaam vermoeid en ziek gemaakt en zich voor altijd
+berimpeld door zich allerlei dingen in te beelden waarvan niets bestond
+en door het gewone leven te vergeten, dat toch eigenlijk alleen waarde
+had. Maar hij was er de schuld van, hij, die man, die zich aan haar zij
+had gedrongen. Aan hem had zij het beste, alles, gegeven wat zij had.
+Hoe was 't mogelijk, dat zij zich in 't begin zoo gelukkig had gevoeld
+door hem! Wat gaf zij nu om hem? Niets! Hij was daar met zijn
+onverschillig-beminnelijke, koele, bekrompen wezen. Zij was mooi geweest
+vroeger, zij had ten minste een lief gezicht, had iedereen gezeid. Nu
+was ze het niet meer. Haar vader was alleen gestorven uit verdriet over
+haar huwelijk. Neen, zij kon hem niet meer lijden, die man, die haar
+gebruikt had, om een tijdje pleizier met haar te hebben, die haar
+ongelukkig had gemaakt en dien zij nu verveelde. In de zweterige mufhe
+van haar eerste op-zijn liep zij met driftige zwartgalligheid door
+haar kamer.
+
+Jozef kwam haar goeyen dag zeggen. Hij moest wech met de diligence.
+
+--Nee, ik ben nog ongewasschen, zei Mathilde, geef me maar alleen een
+hand.
+
+--Dat kan mij ook wat schelen, zei hij, daarvoor hou ik te veel van je.
+
+Hij zoende haar voorhoofd, maar zij deed niets te-rug.
+
+--Zeg, hoe maakt Emilie Berlage het toch, daar heb ik heelemaal vergeten
+je na te vragen.
+
+--O, ik geloof goed, maar ik heb der in lang niet gezien.
+
+--Nou, doe der me komplimenten as je der ziet ...
+
+--Nou, dag kind, aanstaanden Zondag kom ik weer, hoor!
+
+--O, uitstekend!
+
+In een gevoellooze rust leefde Mathilde de zacht-grijze week die nu
+volgde. Zij bleef zonder gewaar-wordingen en sprak bijna niet. Zij was,
+na de vermoeying van haar te veel voelen der laatste tijden, in een
+begeerteloze vrede met de stilte van elken dag. Zij had plotseling op
+een dag oud naaiwerk voor arme kinderen uit de kast gehaald en was daar
+met een niet-opzienden ijver aan gaan werken. Maar de week was al
+voorbij en Jozef zat weer tegenover haar aan tafel, vragende, waar zij
+daar zoo druk aan bezig was.
+
+Hij stond op en ging eens bij het venster staan en daarna weer zitten op
+een stoel vlak bij Mathilde, met zijn ellebogen op zijn knieen en zijn
+hoofd naar haar werk toe. Het was als snuffelde hij met de
+vooruit-stekende gedeelten van zijn gezicht naar Mathilde en haar werk.
+Een oogenblik later stond hij weer aan de piano en bladerde in de
+muziek. Hij keerde zich om, stond met zijn handen in zijn zij, keek op
+Mathildes hoofd.
+
+--Kan je velen, dat ik piano speel? vroeg hij.
+
+--O ja, wou je iets spelen? Dat heb je in lang niet gedaan.
+
+--Ja, zei hij, zijn woorden slepend, ik wou nog eens zien of ik dat nog
+kon.
+
+--Wat?
+
+--Nies, zoo'n deuntje van Offenbach, dat ik vroeger uit mijn hoofd kon.
+
+En in eens, terwijl Jozefs lange nagels onaangenaam de toetsen tikten,
+geluidde de piano los, met een verwondering der stilte in den hoek, waar
+zij zoolang met haar gewone meubelstomheid gestaan had en een
+geklinkklank door het hol-ziende huis, vervuld met de woordelooze
+klanken van dat vreemde onbewegelijke beest uit de hoek van de groote
+kamer. Felix kwam toegeloopen uit den tuin en door het open venster,
+bleef staan in een zonnebegieting van zijn blauw pak en blonde haar. Een
+boerenjongen die juist voorbij kwam op den weg bleef ook staan, kijkend
+uit de verte. Mathilde werkte door, met gebogen hoofd, en zij begreep
+niet, welke rare aandoening haar in eens overviel. Het was haar of zij
+met haar smarten, vergeten was door het leven, waarvan zij eerst het
+middenpunt was geweest. Buiten waren de boomen in de zon en de kalme
+omtrek, hier binnen, de leege kamer, Felix, en Jozef, die zijn luchtig
+melodietje speelde, dat een uitlachende vroolijkheid langs de ruiten
+deed gaan en dribbelen langs al de onverschillige muren. Met wibbelende
+tredjes hakkelden de pianoklanken over haar breede lijden. Zij gold niet
+meer, zij telde niet meer mee. Alles leefde buiten haar om. Haar
+verdriet was vergeten en begraven. Het groen, buiten, was vol van glans.
+Felix stond met rooye wangen van het loopen in den tuin, de kamer was
+netjes in orde, en zij was getrouwd, zij waren immers getrouwd, zij was
+immers een fatsoenlijke getrouwde vrouw, die een gelukkig en benijdbaar
+leven had. Dat was zij en anders niet, maar dat was ook genoeg. En zij
+was niet dat andere, die afgrond van lijden in haar wezen, waarin zij
+niet wou zien, maar die zij open voelde vlak onder haar oogen.
+
+Mathilde voelde toch een stil genoegen, dat Jozef in haar bijzijn was.
+Hij was voor haar een wezen, dat haar nog den vroegeren Jozef
+herinnerde, maar waaruit dat gedeelte van zijn leven, dat hem tot haar
+alles gemaakt had, voor altijd was verdwenen.
+
+Jozef was nog aan 't spelen, toen Marie binnenkwam om klaar te zetten.
+Hij speelde gauw een paar slot-akkoorden, stond op, met een knippenden
+blik op Marie, waarin hij het laatst over haar nadacht, stak zijn handen
+in zijn broekzakken, keek op Mathildes werk die voortdurend zat te
+naayen. Hij keerde zich snel om, klapte in zijn handen voor Felix, nam
+hem onder zijn armpjes op en hield hem in de hoogte boven zijn hoofd,
+lachende, en met zijn goedig-lichtzinnige uitdrukking, zeggende; kijk,
+nou bee-je nog grooter als ik! En met Felix op zijn schouder ging hij in
+den tuin om een roos voor zijn knoopsgat te plukken. 's Avonds dronk
+Mathilde thee onder de warande en onder het stilletjes in den avond
+wechkwijnende daglicht mijmerde zij over Jozef. Jozef was na den eten
+dadelijk uitgegaan, om in de societeit een partij billard te spelen, met
+een meneer uit het dorp, met wien hij kennis had gemaakt.
+
+Mathilde leunde in haar stoel, met een borduurwerk, dat zij roerloos op
+haar schoot hield in haar linker hand. Zij had hem heen zien gaan over
+den breeden weg, met het blauwe sigarenmistje om zijn hoofd, tusschen de
+dikke boomenstammen. Zij was allen. Zij voelde zich leven in den
+dof-blonden avond, die neer-zachtte over de klagende slaapgebaren der
+verdonkerende boomen. Maar zij leefde tegen den dommelenden avond in,
+boven den duisternis-spoelenden grond, met haar hoog hittende hoofd op
+onder de drijvende wolken, met haar droomenfonkelende oogen voort door
+de nachtende eenzaamheid.
+
+Het was wel plezierig zoo'n beetje stil te zitten 's avonds en niets te
+doen dan denken. Daar had zij altijd veel van gehouden, ook toen zij nog
+een jong-meisje was. He, het was drukkend warm van-avond. De warme lucht
+werd haar als uit open monden om het hoofd geblazen. Die tijd was lang
+voorbij, ja, heel lang. Waaraan dacht zij toen ter tijd ook weer
+zooveel, gedurende al die verdroomde uren? Ja, dat wist zij niet meer,
+het waren wel mooye dingen, maar het was te lang geleden, dan dat zij 't
+zich nog kon herinneren. Zij dacht aan het geluk, dat wist ze wel, en
+zij had ook nog het vage gevoel, dat zij zich er onbegrijpelijk veel van
+had voorgesteld, toen, van dat toekomstige levensgeluk. Wat was zij een
+buitensporig en wild schepsel geweest, als kind. Dat was later al gauw
+overgegaan. Wanneer men eenmaal een groot mensch is, beweegt men vanzelf
+zijn leden minder onbesuisd en wordt het heele leven stemmiger. Waar was
+toch het geluk? Het was niet boven haar, het was niet voor haar uit, het
+was niet aan haar zij, zij kon het niet zien in de duistere warmte, die
+dreigend naderde en ijlings week en ommewaarde in zwartgestaltende
+zwenkingen. Neen, het was in haar. Als zij maar nadacht, dan kwam het
+vanzelf te voorschijn. Zij dacht na ... Het was toen haar vader al lang
+dood en begraven was, maar zij woonden toch nog in het oude huis. Zij
+voelde zich op een avond leeggehuild en moe van droefheid, onverschillig
+voor alles.
+
+Toen was Jozef bij haar gekomen en had heel lief tegen haar gedaan.
+
+Mathilde was in de zilverschemerende herinnering. Op de tafel lag een
+opengevouwen koerant, die witterig opritselde in de lauwe donkerte en in
+den wind een eindje voorschoot naar haar toe over de tafel. Haar oogen
+sloegen wakker uit de mijmering en zij zei zachtjes; wat is er toch?,
+toen zij zich in eens te-rugvond in dezen avond. Hoog klom het tegen de
+zwarte stijlen der warande, waarom de klimop in warrelende donkere
+rukken steeg, en vlakte met den grond onder haar voeten en drong in haar
+bewustzijn, met de zielloze gekantheid der voorwerpen, het Tegenwoordige.
+Zij was nu. Zij keek om zich heen: och, waar was toch de tijd, die
+voorbij was gegaan? Zij wist het verledene niet. Zij wist den avond van
+nu, en haar wachten. Maar was zij hier toch? Zij voelde zich als met een
+plomp neergezet op haar stoel, van de hooge dragingen harer verre
+mijmering. Hoe vreemd was het hier! Boven haar was de bekapping der
+warande, daar naast de leege kamers van het stille huis, en verder,
+buiten, de groote ruimte, met de boomen zonder oogen, met de lage
+heesters zonder mond, onder de behuiving der stommelende wolken, die
+geen stemmen hadden. Aan d'overkant was licht achter de vensters. Daar
+waren onbekende menschen, die niet wisten, dat zij hier zat. In haar
+huis naast haar waren de meiden, vrouwen zoo als zij, die ook spreken
+konden, maar zij wisten haar niet en waren met hun zelf, en het was ook
+ver, van haar tot de keuken. Daar was veel donkere ruimte tusschen,
+ruimte, die zij niet door kon gaan. Het was te ver, veel te ver. En toch
+wilde zij het geluk weer. Zij had het noodig. Zij kon er niet buiten,
+nu, op 't oogenblik, zonder uitstel.
+
+Zij was alleen. Zij kon kijken rechts in de tuinruimte, er was niemant,
+die naar haar toekwam, met voeten over den grond, zij kon kijken voor
+zich uit, er waren geen menschenvormen, die zich schiepen uit de
+donkerte. Niets dan haar warme leden, en haar handen, die als rare
+blanke stukken uit de vale mouwen staken, zoo ver van haar willende
+hoofd.
+
+Zij had hem zien gaan, haar man, haar geliefde, zij had hem langzaam
+zien wechgaan, voor de duisternis nog viel, onder de hooge boomen. En
+zij zat hem te wachten, nietwaar, het was immers zoo? Zoo meteen kwam
+hij te-rug. Maar hij moest toch wel ver zijn gegaan, want zij zag hem
+niet meer, geen slipje van zijn mooye jas. En al die donkerte was
+tusschen hen, breed en zwaar, ondoordringbaar. Haar verbeelding kon hem
+wel zien, maar alleen van achteren, zijn beenen, die zij aan zijn lichte
+broek kon herkennen in den zwarten nacht, en die wechliepen, altijd
+verder, verder, verder.
+
+Zij hoorde een heel eind wech in het dorp, de kerkklok slaan, met kleine
+stalen tikjes op de rillende duisternis. Hoe laat was het al? Het moest
+al heel laat zijn. In de lucht werden de wolken dunner, maar het bleef
+broeyend. Er waren even twee sterren, een groote geel-groene, een
+kleine, verdere, donkerroode, die dadelijk weer verdwenen. Zij ging naar
+binnen en keek op de pendule. Het was tien uur. Was hij dan nog niet
+thuis? Waar bleef hij toch? Zij ging loopen door den tuin, om hem af te
+wachten. Zij was bang voor de zware warmte, die om haar leden bleef
+hangen om haar te benauwen. Zij bleef staan bij het groote hek, aan den
+dorpskant, waar hij vandaan moest komen. Zij zou hem hooren aankomen in
+de donkerte, dan zou ze hem tegemoet gaan op den weg. 't Zou meteen voor
+'t eerst zijn, dat zij buiten den tuin kwam. Maar nu was zij ook hersteld,
+zeker, zij was gezond. Waar bleef hij nu toch? Wat duurde het lang.
+
+Plotseling hield haar denken op. Er gebeurde iets. Er was als een zwarte
+dunne lange lijn in den hoogen wind boven haar geweest, die achter haar
+om was geslagen in den hoek van haar oog. Er was een snelle beweging van
+vormlooze verschrikking door de nacht-ruimte. Een laatste steenen koude
+versteef Mathildes wezen, een doodslag, die in de stilte op haar liefde
+viel. Zij keek naar hun rieten dak. Aan het eene venster Felix' kamertje,
+was licht, het andere, waar Marie sliep, was donker. Zij dacht, dat
+Marie zeker nog in de keuken zou zijn. Zij ging langzaam, met stijve
+stappen, naar binnen. Haar armen hingen als houten, zij voelde zich
+hopeloos wechsterven. Toen zij onder aan de trap was, was Jozef bij
+haar, die van boven kwam, zonder schoenen, en zijn haar aan den eenen
+kant in de war. Hij keek haar aan en zag een vreemd zwart licht in haar
+oogen, die als scheel zagen. Hij was met Marie geweest. Zij wist het.
+
+--Ik dacht, dat je nog niet thuis was, zeide zij.
+
+--Ja, ik ben even Felix goeye-nacht gaan zeggen.
+
+--Zoo? Wacht, je haar zit daar een beetje in de war ... Zij streek het in
+orde met haar aan den arm geheven hand, maar meteen viel zij tegen hem
+aan, brekend in een hijgend schreyen, met luide, lange toonen als een
+kind. Haar eene hand stak uit boven zijn schouder, haar neus en kin waren
+gedrukt tegen zijn beenen jasknoopen.
+
+Jans kwam uit de keukendeur, denkende dat Mathilde een ongeluk had
+gekregen, Jozef, die zachtjes Mathilde naar de groote kamer bracht, zei
+tot Jans, dat zij was gevallen en erg geschrokken was.
+
+In de groote kamer, waar alles nog donker was, zei Mathilde tot Jozef,
+die zweeg, vlak voor zijn oor met haar lippen, met een zachte stem, die
+diep uit haar binnenste scheen te komen, als had een ander wezen in
+haar gesproken:
+
+--Weet u waarom ik zoo bedroefd ben? Jozef is dood, Jozef is dood!; ...
+Dat was mijn man, weet u. En haar huilen droogde wech, in dorre
+huivering, die door haar gezicht ging.
+
+Zij rukte zich nu in eens van hem los en liep gauw naar haar kamer,
+waarvan zij de deur hevig dichtsloeg.
+
+Jozef stond alleen in de zwarte kamer, met zijn neerhangende
+besluitelooze armen, in een elegante houding. Hij was eerst bedremmeld
+en keek naar het muurvak, waarachter Mathilde nu was. Toen ging hij naar
+zijn slaapkamertje en trok zijn schoenen weer aan. Hij had willen
+voorwenden ze te hebben uitgedaan, om, als Felix sliep, hem niet wakker
+te maken bij het goeye nacht-zoenen.
+
+Jans bracht de lamp in de groote kamer, bleef even staan, met bezorgde
+oogkassen.
+
+--Wat is er toch met mevrouw gebeurd, meneer?
+
+--Ik weet het wezenlijk niet, zei Jozef, ik geloof, dat zij vreeselijk
+de koorts heeft. Laat Marie nog maar even naar den dokter gaan. Ik
+begrijp ook niet, waarom die man niet meer komt. Wacht, ik zal zelf nog
+'es gaan kijken.
+
+Mevrouw heeft de deur op slot gedaan, zei Jans. Jozef klopte tegen het
+hout van de deur, het bleef geluidbos er achter, hij wou door het
+sleutelgat zien, de sleutel zat er van binnen in, Jozef zag zwart. Hij
+ging op het straatje, zag licht aan de vensters, tikte, zonder andwoord.
+
+Toen Mathilde op haar kamer was gekomen, had zij van de wreede
+ruischelende wanden een koele kalmte over zich voelen vallen. De
+gewoonte had met haar handen bedaard de lamp opgestoken, als kwam zij
+daar om naar bed te gaan. Zij trad langzaam over het tapijt, met zijn
+verwonderde en lachende krullen, op en neer. Het stuk leven van
+daar-zoo, met dat andere mensch, dien zij had aangeraakt, met de
+huilgeluiden van haar keel, het rillen van haar gezichtsvel, haar
+armbewegingen, haar loopen en haar openen van de deur was voorbij haar
+zintuigen geslagen als voor goed wech en achter haar, iets dat zij nooit
+meer te-rug zou beleven. Zij vond de kamer hier een stille, afgezonderde
+plaats, als onder een kerk, een graf van rust, waar zij gekomen was, om
+voor goed uit te huilen, en dan te slapen, te slapen, daar alles voor
+haar toch voorbij was gegaan.
+
+Haar bewustzijn scheurde op. Daar stond haar bed en de gordijnenschaduwen
+beblond-donkerden de wanden. Het bed was altijd in haar leven geweest,
+met zijn zwaar hangende gordijnen, allen stillen nacht, met hun breede
+roerloze schaduwen. Wat had zij dan toch gedaan? Zij kon toch nog wel
+denken? Die donkere man, tot wien zij gesproken had, maar dat was toch
+haar man, den man, waarmee zij getrouwd was, getrouwd, zoo als al die
+andere vrouwen ook met hun mannen getrouwd zijn. Waarom had zij dan tot
+hem gesproken van haar man, als hij 't niet zelf was? Maar hij was 't
+niet, dat lichaam was niet haar man. Zij werd nu als een ontbinding van
+haar wezen gewaar. Zij wist niet meer waar zij dacht. Daalde haar
+waarnemen niet onder haar hoofd? Zij voelde haar handen niet meer, als
+tot haar eenheid behoorende. Zij voelde, dat haar oogen op dezelfde
+hoogte bleven, maar wat ging het vreemd in haar hoofd, haar gedachten
+holden als vale eilheden om, zich verdeelend en oplossend, zonder
+vastheid, zonder tot geheelen te worden. Zij knoopte langzaam haar goed
+en haar korset open en ging op het bed liggen, waarvan de gordijnen weer
+achter haar dichtvielen, eerst op haar rug, toen op haar rechter zij,
+toen voor-over, met haar voor-armen onder het kussen, haar rechter wang
+er langs aayend, op en neer, en stil met haar heele lichaam. De
+lampe-vlam gaf een warrige mat gouden glansplek in het gordijn, naar
+haar hoofd. Daar viel een bekende gedachte als een vaal pakje door de
+warreling harer gudsende hersens, en brak open en bloeide op,
+hel-lichtend in den purperen kolk van haren waanzin. Zij zat in de
+warande en was immers aan 't denken, aan 't denken aan het geluk? Hoe
+was 'et ook weer? In de kleine binnenkamer van het oude huis was haar
+vader, hij bewoog zich, hij sprak, hij pakte haar bij haar arm, hij
+zoende haar, och, wat zag hij bleek, hij ging dood, haar vader. Hij
+wankelde en viel van zijn stoel op den grond. Hij sprak niet meer in de
+binnenkamer, hij was dood, haar vader. Vader, vader, bent u dood? ...
+Zij was nog een heel klein meisje, dat was haar nieuwe japon, dien zij
+daar aan had ... Was hij niet mooi, haar nieuwe japon? Mooi, nietwaar?
+Zij ging er mee trouwen, Zij was een groote dame, en ging trouwen ...
+Met wien, wel met Jozef natuurlijk, met Jozef ... Hij was altijd bij
+haar geweest, nu ging zij met hem trouwen ... Zij was nu een getrouwde
+vrouw ... Zij gingen samen wandelen, heerlijk, de menschen keken om naar
+zoo'n mooi gekleede en gelukkige man en ... Dat was weer een benauwde
+nacht, wat trokken zij toch haar lichaam uit elkaar? moest zij dan zoo
+gemarteld worden? ... Een stuk van haar lichaam, dat er zich van
+afscheidde ... O, God, men had van haar lichaam afgescheurd, datgene,
+waarom Jozef zooveel van haar hield ... Want nu bleef hij wech, zij zag
+hem niet meer, hij bleef voor goed wech, ... Jozef, Jozef was dood ...
+Het groeide op en werd hooger naast haar, het wezen, dat uit haar was
+voortgekomen ... Jozefs gezicht was er in afgedrukt, maar altijd bleef
+het tusschen haar en Jozef ... als een onoverkomelijke scheiding ... En
+Jozef veranderde van trekken, hij leek niet meer op den vroegeren Jozef,
+het was een vreemde man, het was Jozef niet meer ... Want hij was dood,
+lang dood, wechgezonken onder den grond ... Zie, daar was zijn gezicht,
+aan de zoldering, aan den wand, op de vloer. Het was een gezicht en
+niets meer, een vage, ontastbare plek, maar de plek werd hoe langer hoe
+grooter, de oogen flauwer en de deelen van het gezicht scheidden van
+elkaar, werden geheel onherkenbaar en verdwenen in de vloer, voor altijd.
+
+Mathilde huilde. Het lauwe water vloeide uit haar oogen en mond in het
+kussen. Maar in eens sprong zij van haar bed, liep met haar armen in de
+hoogte, in haar losse kleeren, naar den wand, en sloeg den wand, als om
+er het geluk aan te doen ontspringen, die liefde, dat onbegrijpelijke en
+eeuwig-zalige, dat zij wilde klommen in haar leege armen, die zij wilde
+drinken met haar drooge keel. Zij schreeuwde het uit, met rukken van
+klagend krijschen, die de meiden en Jozef, met ernstige aangebogen,
+luisterende hoofden bij-een bracht in den gang, voor de gesloten kamer,
+die Felix wakker maakten door het geklaag dat van onder den grond in
+zijn eenzame kamertje boven, om zijne kleine lichaam steeg. Hij kwam
+benauwd uit zijn slaap, en begon dadelijk ook te huilen om het onbekende
+ongeluk, dat er was in het huis. Maar hij durfde zich niet verroeren,
+doodelijk bang, dat er iets geheimzinnigs in zijn kamer mocht zijn.
+
+Mathilde ging weer door haar kamer, van de deur naar de muur, van de
+muur naar de deur. En de deur en de muur bleven haar sprakeloos
+aanstaren. Een droef-gele drooge stilte hing van de zoldering over
+Mathildes hoofd, waarin, boven het lichaam van week vleesch, de smart
+sapte. Haar huiverende hersens zochten wat men haar altijd aangeduid had
+als "geluk". Toen zij een tijdje getrouwd was geweest, had zij wel
+gevoeld, dat dat het was, als Jozef haar raakte, als Jozef haar aankeek,
+met haar opgemaakte hoofd en haar kleeren over-dag, en 's nachts als zij
+zich zelve niet herkende. Maar zij had wel dikwijls gedacht, dat dit nog
+pas het begin was, en er iets anders volgen moest, later, later, altijd
+later. Boven Jozefs persoonlijkheid uit had zij wel een anderen Jozef
+gedroomd, die hij was, maar toch mooyer dan hij, grooter dan hij, een
+die nog dieper in haar lichaam kon dringen, die haar heele wezen tot
+zich kon nemen en het zijn maken, zoo, dat zij haar zelf niet meer voelde.
+
+De jaren en dagen van hun eerste huwelijksdag af holden door haar
+herinnering, de lichte ochtenden in de stad, met het leven op straat en
+niets dan huizen, de donkere avonden, hier, zonder gerucht en met het
+groen, alleen, waarvan zij zooveel hield. En al die dagen waren gekomen
+en gegaan, zonder het ongekende te brengen, dat zij wachtte. Nu was
+alles gedaan. Zij zag het aan de rustige lamp en aan de platte wanden:
+de minnaar, de geliefde, de vreemde man, dien zij zich niet kon
+voorstellen, waarin haar mijmering haar gezegd had, dat Jozef eens zou
+veranderen, hij zou nooit komen; al de liefde, die haar wezen verbruikt
+had om hem te wenschen, was verloren gegaan, wechgegooid in den
+onverschilligen gang van het vale leven.
+
+Toch moest er iets zijn. Van haar beenen, en over haar borst, van haar
+mond en haar oogen steeg de begeerte naar bevrediging, die de
+kamerwanden om de lamp heen vernauwde en vaalgeel de verstikking der
+verlangens deed uitmisten. En uit haar eerste jeugd leefde de
+herinnering op, een rust en een genoegdoening, die zij had gevonden op
+de kostschool, als zij bedroefd was, God, het denkbeeld, dat nog een
+enkele maal in haar later leven was ontwaakt. O, zij wist het nog wel.
+Hij was de groote troost en de eeuwige vrede, voor die Hem kon
+liefhebben was de droefheid nooit doodelijk, zoo als zij haar nu scheen.
+Maar zij kende Hem niet meer. Wanneer haar vader een enkele maal van God
+sprak, viel dat woord in haar als de naam van een persoon uit de oude
+geschiedenis, die in de krant komt, als er sprake is van een dissertatie
+of een examen en waarover men heenleest. Maar de tijd, dat zij ontroerde
+bij het denken aan God was toen haar borsten uitzetten en zij aan
+duizelingen leed, in de kapel van het pensionaat. Die aandoening wilde
+zij herleven, en zocht haar, zocht haar door de dikke laag der
+veroudering. Maar God was voor zoo weinig in haar volgroeide leven
+geweest, zij vond zijn gelaat niet te-rug in haar verbeelding. Zij zag
+weer Jozefs twee bruine oogen, twee lichtpunten, die naar haar toe
+schitterden, maar oogen van vroeger, de oogen van den doode, die niet
+ook waren in dien man hier in huis.
+
+Zij ging weer op haar bed liggen, met haar bonzende hoofd, in haar
+koorts van wild begeeren. Zij richtte zich op en luisterde, als moest
+zij hem van ver hooren naderen. Maar alles bleef stil, totdat zij eens
+Jozef hoorde bewegen en hoesten, die achter den wand in zijn bed lag.
+Was hij dat, was hij daar? Neen, dat was het andere, het namaaksel van
+haar man. Dien moest zij niet hebben. En den heelen nacht eilde zij
+door, in een half-wakenden, half-slapenden toestand, in verschrikkingen,
+die het bed deden kantelen en de kamer instorten over haar hoofd, in
+droomen van zware blokken, die over haar lijf vielen, en van een God den
+Vader, een grijsaard met een langen baard en een kroon op het hoofd, die
+zachtjes tot haar afdaalde, maar dan onvoelbaar werd als een geest en in
+rook verwolkte om haar heen.
+
+
+
+
+XIV.
+
+
+De dokter, dien Marie niet thuis had gevonden, was den volgenden ochtend
+gekomen, en had gezegd met zijn dikken mond, dat Mathilde een hevige
+koorts had, dat zij vooral de grootst mogelijke rust moest houden.
+
+Toen Mathilde na drie weken weer beter was, werd zij weer opgenomen in
+den gang van het gewoonte-leven der omgeving. Zij vond alles uitstekend
+in de zwakke blijdschap van haar herstel. Alleen hinderde haar in 't
+begin bijna elk geluid. Jozef was, toen zij zoo erg was, bijna elken dag
+overgekomen; zij bleef er hem dankbaar voor; hij was een goeye man.
+
+Toen zij weer voor 't eerst in den tuin kwam, vond zij, dat ze hier toch
+wezenlijk een allerliefst buitentje hadden, maar zij had het vroeger nog
+nooit goed gezien, ontdekte allerlei aangename en mooye plekjes, die
+haar nieuw voorkwamen.
+
+Zij was in een zonderlingen geestestoestand geweest in den laatsten
+tijd. Gelukkig, dat zij zich al die akelige gewaarwordingen niet meer
+herinnerde. De dokter zeide, dat de koorts haar meer goed dan kwaad had
+gedaan dezen keer, dat hij haar uitgebrand en gezuiverd had en dat
+geloofde zij ook.
+
+Toen zij zes weken beter was, in het begin van Augustus, kwam Emilie
+Berlage op een Zondag, dat Jozef er ook was, hen even bezoeken. Het
+hinderde Mathilde volstrekt niet, dat Jozef en zij elkaar zoo
+vertrouwelijk aanzagen. Maar Marie hadden zij wechgedaan. Felix groeide
+op en had nu meer een kinder-jufvrouw noodig, die zij kregen op een
+advertentie in de koerant.
+
+Mathildes gezicht bolde aan tot dat van een gewone deftige dame. Zij had
+een groote vriendschap voor Jozef, maar was er niet zoo erg op gesteld
+hem altijd bij haar te zien.
+
+Toen zij einde Oktober weer te-rug waren in Amsterdam hield zij niets
+meer over van dien raren zomer buiten dan de slappe herinnering van een
+droom. In April van het volgende jaar, beviel zij weer, van een dochter.
+
+EINDE.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Een liefde, by Lodewijk van Deyssel
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN LIEFDE ***
+
+***** This file should be named 10820.txt or 10820.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/0/8/2/10820/
+
+Produced by Marc D'Hooghe
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS," WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+Each eBook is in a subdirectory of the same number as the eBook's
+eBook number, often in several formats including plain vanilla ASCII,
+compressed (zipped), HTML and others.
+
+Corrected EDITIONS of our eBooks replace the old file and take over
+the old filename and etext number. The replaced older file is renamed.
+VERSIONS based on separate sources are treated as new eBooks receiving
+new filenames and etext numbers.
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+EBooks posted prior to November 2003, with eBook numbers BELOW #10000,
+are filed in directories based on their release date. If you want to
+download any of these eBooks directly, rather than using the regular
+search system you may utilize the following addresses and just
+download by the etext year.
+
+ https://www.gutenberg.org/etext06
+
+ (Or /etext 05, 04, 03, 02, 01, 00, 99,
+ 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90)
+
+EBooks posted since November 2003, with etext numbers OVER #10000, are
+filed in a different way. The year of a release date is no longer part
+of the directory path. The path is based on the etext number (which is
+identical to the filename). The path to the file is made up of single
+digits corresponding to all but the last digit in the filename. For
+example an eBook of filename 10234 would be found at:
+
+ https://www.gutenberg.org/1/0/2/3/10234
+
+or filename 24689 would be found at:
+ https://www.gutenberg.org/2/4/6/8/24689
+
+An alternative method of locating eBooks:
+ https://www.gutenberg.org/GUTINDEX.ALL
+
+
diff --git a/old/10820.zip b/old/10820.zip
new file mode 100644
index 0000000..f174bde
--- /dev/null
+++ b/old/10820.zip
Binary files differ