diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 04:35:16 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 04:35:16 -0700 |
| commit | c2dba4e1fbd791cdedcfa9d5e7e3776eb2ed1cfe (patch) | |
| tree | e84007ebb3b9385f8a8272ea4d693f75821c56f6 | |
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 10820-0.txt | 11671 | ||||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 | ||||
| -rw-r--r-- | old/10820-8.txt | 12089 | ||||
| -rw-r--r-- | old/10820-8.zip | bin | 0 -> 267947 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/10820.txt | 12089 | ||||
| -rw-r--r-- | old/10820.zip | bin | 0 -> 266484 bytes |
8 files changed, 35865 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/10820-0.txt b/10820-0.txt new file mode 100644 index 0000000..493c3f6 --- /dev/null +++ b/10820-0.txt @@ -0,0 +1,11671 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 10820 *** + +EEN LIEFDE + +door + +LODEWIJK VAN DEYSSEL + + + +VOORBERICHT + + +De tweede uitgave van den roman EEN LIEFDE verschijnt zonder de +zogenaamd onvoegzame of onzedelijke uitdrukkingen, die in de eerste +uitgave voorkwamen. + +De belangstellende leidde daaruit niet af dat de meening van den +schrijver veranderd zoû zijn met betrekking tot de mate van vrijheid en +van onafhankelijkheid van algemeen geldende zienswijzen, die een +eigenschap der letterkunde moeten zijn. + +De reden, die tot wijziging deed besluiten, is deze, dat geene +gelegenheid werd gevonden eene nieuwe uitgave behoorlijk bezorgd te +zien, tenzij met wijzigingen. + +De vraag deed zich nu voor in hoeverre de verandering verantwoord kon +worden tegenover de kunstleer, waarvan de oorspronkelijke vrije text de +toepassing was. + +Ten eerste nu, kwamen, bij latere objektieve beoordeeling, sommige +onvoegzame of onzedelijke uitdrukkingen tevens voor fouten van +letterkundigen aard te zijn. Deze behielden voor den schrijver wel hunne +bekoring als bewijzen van felle leer-stelligheid, maar deden feitelijk +het wezen der roman-gedeelten, waar zij zich bevonden, geweld aan. + +Ten tweede echter, kwamen de letterkundig deugdelijke deelen te berde, +die toch wegens onvoegzaamheid of onzedelijkheid moesten verwijderd +worden. Dit was eene verdrietelijke scheiding. + +Een roman als deze is evenwel niet een Geheel van dien aard, dat hij, +--gelijk een beeld of een muziekstuk wel--bedorven zoude worden door +de uitneming van enkel kleine stukken. + +Aangenomen dat deze roman goed werk zij en gegeven de noodzakelijkheid +eener keuze als de zoo even aangeduidde,--zoo moest die zich wel +vestigen op het behoud van zoveel mogelijk van het werk, dat anders +geheel verdonkeremaand ware gebleven. + + +Zomer 1899. L. VAN DEYSSEL. + + + + +EEN LIEFDE + + + + +I. + + +--Doe nou de deur maar dicht, kind, anders vat-je kou. + +Mathilde deed 't. Eerst draaide zij de onderste helft toe, daarna de +bovenste, sloot die af met een dikken sleutel en hing den sleutel aan +een haak, midden aan de bovenste helft der deur, waar Jans, de meid, hem +vinden zoû. + +Met éen sprongetje was Mathilde weêr bij haar vader, die, meer achter in +den gang, wachtte; zij stak haar arm door den zijnen en de twee wandelden +terug naar het zaaltje. Zij hadden met hun tweeën de menschen, die dien +avond bij hen geweest waren, uitgelaten. Terwijl de heer de Stuwen +opmerkingen maakte over kleine voorvalletjes van den avond, stapte zijn +dochter op hakken naast hem, en keek zij, het hoofd gebogen, naar de +punten harer schoenen. Zij zeî niet veel. + +--Toen 't zoo geanimeerd werd, dacht ik niet, dat ze zoo vroeg heen +zouden gaan. + +--Nee, antwoordde Mathilde, dat was wel vreemd. In-eens herinnerde de +vader zich iets, iets dat hem getroffen had. Hij glimlachte, de oogen +neêr, schalksch: + +--Heb-je wel gemerkt, hoe verlegen of mevrouw van Borselen werd en dat +z'n 'n eindje met haar stoel van Louis Berlage vandaan schoof, toen ie +die anekdote vertelde van die jonge weduwe, die zoo graag weêr trouwen +woû? + +--Nee, daar heb ik niet op gelet ... + +--Van Wilden was weêr op zijn beau dire van-avond. + +--Ja. + +Mathilde moest nu den arm loslaten, want de ingang van het zaaltje was +niet breed genoeg voor beiden te gelijk. Zij liet haar vader binnengaan, +met gedachteloze blikken over zijn rug. + +Het zaaltje, in de war, bepoeteld, kleverig, vol klamme glansen in het +dik-gele lamplicht, luwde een volle warmte over hun gezichten, +doorsiepeld van glacéhandschoenen-en punchgeurtjes. Door het éene +groote venster, dat op de binnenplaats uitkwam, frischte, als uit een +mond van den nacht, de buitenlucht er tegen in. De stoelen stonden, +links en rechts, in een onvriendelijke wanorde. Voete-kussens lagen over +den vloer, wild weggeschoven. + +Mathilde ging naar de piano, krabde een droppel vet, die, van de kaarsen +gedropen, op een zwarten toets was gestolten, aan poeyer, spreidde de +groenwollen lap over de toetsen, sloot de klep dicht en borg de bladen +muziek in het kastje daarnaast. + +--Ja, zeì haar vader, die, langzaam met zijn laag kaal hoofdje, aan de +tafel was gaan zitten om nog een half uurtje de krant te lezen en haar +bezig zag, je heb wezenlijk uitstekend gespeeld, die sonate, oneindig +beter als laatst. + +--Och, zeî ze, en blies meteen de kaarsen uit. + +Met een soort van drift liep zij nu door het vertrek en zette de stoelen +en het speeltafeltje op hun plaats. Zij schelde; daarna slofte de meid +binnen. + +--Jans, breng de glazen en die twee flesschen nog even naar de keuken. +En ook de kopjes, die op het buffet staan, dan is dát weêr in orde. + +Mathilde zette den bruinen tonvormigen tabakspot met het meerschuimen +pijpje bij haar vader en zeî hem in een zoen in zijn voorhoofdrimpels +goeye-nacht. + +--Maar, kindlief, 't is pas kwart voor elleve, ga je nou al na boven? +vroeg de oude heer, goedig opziend haar omhelzingsgebaren. + +--Ja, vader, ik heb een beetje hoofdpijn, en ik woû morgen vroeg opstaan +om wat te teekenen. + +--Nou, slaap wel dan. + +--Insgelijks, papaatje. Jans zal je goed sluiten, ook raam hier, en ga +jij dan ook maar naar bed, hoor! + +--Jawel, jufvrouw, weest u maar heel gerust. Nacht, jufvrouw. + +Geregeld elken avond werd deze aanbeveling gegeven en zoo beantwoord, nu +al vier jaar lang, sinds Mathilde van kostschool terug was. + +Mathilde holde naar boven, alsof er brand was. Daar bedacht zij iets, +en, van het eerste portaal, riep zij luid: + +--Vader! + +--Wat is 't? riep hij door de zaaldeur. + +--Blijft u nu ook niet al te lang op! Denk aan uw rheumatiek! + +--Nee, kind, ik kom over een kwartiertje. Wel te ruste! + +--De jufvrouw is zeker weêr een beetje bang, zeide Jans. + +--Misschien wel, antwoordde de Stuwen, en stopte zijn pijpje. + +Mathilde sliep op de tweede verdieping, boven haar vader, in een kamer +aan de straat, twee ramen breed. Zij had in de gauwigheid vergeten een +licht meê te nemen en bewoog zenuwachtig rond in de donkerte. Wat een +akelige, nare kamer ook! Waar waren nu de lucifers? zij behandtastte met +zoekende vingers de kastjes en tafels. Eindelijk vond zij ze en stak +gauw het gas aan. Hoe heerlijk toch dat gas, dacht zij. Gelukkig, dat +mijn kamer ook met gas is, want als ik een lamp had, zoo als op het +zaaltje, dan kwam ik daar zeker nooit meê klaar. Toen het gas óp was, +ging zij tegenover de tafel zitten, in-ééns, met een schok van haar +lichaam, op een der vier stoelen aan den wand. Zij staarde voor zich +uit, en liet haar oogen langs de planten-figuren van het tafelkleed +gaan; haar armen hingen loom langs de heupen neêr. Daar omtrilde haar de +koele nukkende nachtstilte. Waarom maakte zij zoo'n haast? ze wist het +niet. Zij keek naar rechts en zag dat de venstergordijnen nog niet +neêrgelaten waren. De blauwzwarte lucht boven de boomen langs den +wallenkant, onder de franje der gordijnen, scheen een door de punten der +franje getande donkere lap goed, van gouden vonken doorstikt. Mathilde +maakte het touw los en roef! roef! klapten de gordijnen neêr. Toen begon +zij zich uit te kleeden, zij nam den kam uit het haar, die haar toch al +gedurende den avond had gehinderd, en liet het dikke zwarte haar over +den rug heen en weêr zwieren. Zij was opgewonden, voelde zich koortsig. +Haar borst daalde en steeg onder het ritselend korset. Ring! met éen +ruk knoopte zij haar groenzijden lijf los, trok het korset af en gooide +het op zij. Ja, zoo kon zij toch niet naar bed gaan! Ze zoû nooit +slapen! Met haastige groote stappen de handen op den rug als een jongen, +begon ze te loopen, van de ramen naar de deur en weêr te-rug. Haar +schedel en handenpalmen zweetten van opgewondenheid. Haar bovenhoofd +werd warmer. Telkens wanneer zij de tafel en het licht achter zich had. +zag zij haar schaduw op de gordijnen en op de muur verschijnen, een +wilde, warrige, wemelende schaduw: een hoofd met haren in grilligen +kroes, rechtopsprietend en in kronkelende lijnen, als een ruiker +grashalmen zonder kunst op het veld samengebonden zich vermengend, en +een openhangend jak, met vagen schouder en taillevorm, als een breede +bewegende japansche vaas daaronder. Als zij naderde werd de schaduw +grooter en verloor hoe langer hoe meer haar eersten vorm. Zij kon niet +ophouden met er naar te kijken, zij vond dat aardig, veel aardiger dan +gisteren en eergisteren, toen ook de schaduw op het gordijn had +bewogen.. Zij had er nooit zoo erg op gelet. Zij kreeg de gedachte den +ruiker en de vaas van vorm te doen veranderen. Zij stak haar hand in het +haar en streek het nog hooger naar boven, zij strengelde den langen bos, +die over haar rug hing, om den hals of wierp alles naar boven en liet +het terug vallen op haar schouders en over haar gezicht. Zij had er veel +plezier in, zij lachte hardop. Zij nam haar jak bij de tippen en sloeg +zóo naar twee kanten uit, zij gaf het den schijn van vleugels en maakte +er de beweging van vliegen mede, met zoo een geweld, dat het garneersel +kraakte aan de schouders. Zij sprong in de hoogte en danste door het +vertrek. Zij kwam er toe een balletdanseres na te doen, bracht de armen +samen boven het hoofd en strekte ze dan weêr horizontaal uit. Zij nam +haar rokken op in de breedte en walste zoo rondom de tafel, en zij ging +maar voort en wist niet welke gebaren maar te verzinnen om voor zichzelf +de Chineesche-schim te vertoonen. Haar bewegingen werden grilliger en +ongerijmder: zij zwaaide met de vingers, deed haar kanten zakdoekje +wapperen, draaide op éen voet rond als een tol en was op het punt naar +haar korset te grijpen om voor tamboerijn te dienen bij haar dansen, +toen haar blik tegen den spiegel aankwam, aan den wand. Zij vond op-éens +dat zij dwaas deed, kwam tot bedaren, in een akelig-leêg gevoel, leî +haar handen naast elkaâr even over de borst en zakte hijgend op den +stoel van zoo-even neêr. Zij voelde zich weêr een jong kind zijn in haar +dolle vreugde. Onwetend wat te doen, stak zij, uitrustende, de haren +tusschen haar tanden, en onttrok ze weêr met geweld aan haar eigen +beten. En hijgend neuriede zij melodiën uit de _Juive_, die zij den +vorigen Dinsdagavond had gehoord. Zij bond de haren in stevige knoopen +aan elkaâr. Zij trappelde met de voeten op den vloer, al maar niet +wetend wat te doen van blijdschap. + +--Ja, ik ben twee en twintig jaar! joedelde zij, sprekend en zingend, en +dat vind ik heerlijk, verrukkelijk, hemelsch, en hij houdt van me, want +hij heeft t' van avond zelf gezeid, en wij zullen samen trouwen, zoo +gauw mogelijk, en dat vind ik zalig! ... + +Achter de kamer knapten de trappetreden onder Jans, die beneden alles +nog opgeredderd had, en nu ook naar bed ging. Mathilde waakte even op +uit haar mijmeren, met luisterende oogen. Een beetje bedremmeld en +aarzel-lachend keek zij in de rondte. De stappen van Jans stierven uit +op de verdieping daarboven. Mathilde hoorde, als heel uit de verte, Jans +haar kamertje dichtdoen en het knipje voor de deur schuiven. Daarna was +alles stil in huis. Mathilde pakte haar gloeyende wangen tusschen de +handen. Langzaam peuterde zij de knoopen uit de haren los en gooide ze +allemaal naar achteren. Zij hoorde niets meer dan het gezuis van de +gasvlam vóór haar. Zij dacht er aan dat haar vader ook al naar bed moest +zijn gegaan. Zij keek naar de zoldering en zag de zware schaduw van haar +ledikant. Zij vond, dat van-avond de dingen op haar kamer zoo vreemd en +koud waren als anders nooit. De tafel bewoog niet, de kasten zeiden +niets en de stoelen waren leêg. Er daalde een benauwde warmte van het +plafon neêr. Alles in de rondte, wat niet in den gas-schijn was, stond +in een rare donkerte. Mathilde zag onbekende zwarte hoekjes, en een +vreemd soort ruischende stilte wasemde daaruit op, naar haar toe. + +Zij kreeg 't warm, zij streek met haar zakdoek over het vochtige +voorhoofd en den klammen hals. Zij deed haar jak uit. Zij had pijn aan +haar linkervoet. Zij duwde haar schoen uit. Zij had lichtgroene kousen +aan, en kreeg onder het ledikant haar zwart-zijden pantoffels. Toen +sidderde het dunne bedgordijn. Mathilde had een kleine huivering. Ze +draaide het gas hooger. Langzaam ging ze naar de waschtafel. Haar wangen +waren purperrood, haar hoofd boog naar den linker schouder, de zware +zwarte haren bosten in glimmende kronkelingen over den half blooten rug. +In het hoofd klopte de wildheid van zoo-even na. Zij deed een beetje +Floridawater op den handdoek en bette haar gezicht ... + +O God, hij hield van haar! ... Zij was bang duizelig te worden, als ze er +erg aan dacht. Haar handen leunden op de kanten van de waschtafel, haar +blikken zweefden langzaam over de kom met water. Zuchtend zij er weêr +van daan en zag besluiteloos rond. Het gaslicht brandde flikkerend hoog. +Zij had 't erg warm. Zij haakte haar groenen rok, die met een haakje en +oogje op den rug vast zat, los, en liet hem over haar voeten uit +glijden, en hing hem op in een muurkast, waaruit zij meteen haar langen +licht-grijzen peignoir, met zwart-fluweelen kraag en mouwopslagen te +voorschijn kreeg. Zij leî dien op de tafel en bleef daarvóor staan in +haar korte witte rokken, waaronder de groene gladde kousen in de +vloerdonkerte op-stonden. Het haar, ver naar voren aan weêrszijde, +verborg haar oogomkastingen in een schaduw, waar de oogen als zwarte +seinlichtjes in uitschenen en klapten open en dicht. In elken blik zag +zij het geheel van haar kamer, met dezelfde kleuren en vormen als elken +avond. En toch scheen alles zoo vreemd. Er was als een bizonder en +ongekend leven in de meubels, die haar geen kwartier geleden nog zoo oud +en levenloos hadden omgeven. Een geheimzinnig suizen, iets, als +schemerde daar een onzichtbaar waas van de zoldering naar beneden om +langzaam weêr op te trekken en als zweefde er een zwartige wolkige massa +van de wanden uit naar voren, om, door de ruimte van het vertrek heen, +over het huisraad te dwalen en zich daarmeê te vermengen of op eens in +zich zelf te verdwijnen. Het scheen, dat er straks een gedaante zoû +opkomen, die iets te fluisteren had aan Mathildes oor en dat er een +vreemde wind langs het behangsel woei, die zijn naderen voorspelde. Dan +was 't, als of onbekende menschen of vreemde wezens langs onzichtbare +telegraafdraden, boven door de kamer, stilletjes elkaâr allerlei dingen +zeiden. Keek zij vóor zich, dan bewoog daar iets links achter haar, maar +stil en zacht, zonder vijandige bedoeling, en keek ze naar den hoek, +waaruit de beweging scheen te komen, dan bewoog er weêr iets vóor haar +heen en wilde zij zich overtuigen, dan was alles stil en stom als toen +ze pas binnenkwam. Zij dacht, dat zij niet wél was en deed haar hand +tegen haar voorhoofd, de haren wechstrijkend, zoo dat het volle licht +haar in de oogen schoot en zij alles in de rondte van een grijzige mist +zag omwasemd. En weêr dwarrelden er klanken van de zoldering omlaag. +Jozef, ... suist het, Jozef, ... Zij deed haar oogen toe en zag in haar +verbeelding dien naam, en altijd, altijd dien naam, in drukletters voor +haar. En wech was weêr de naam, en Jozef van Wilden zelf stond te voeten +uit vlak voor haar, hij naderde nog meer en drukte zich tegen haar aan, +zijn gezicht vastgedrukt aan haar gezicht, en zijn oogen blonken in haar +oogen, zoo dicht bij, dat zij de lichtblauwe tint van het wit dier oogen +onderscheidde en de klare groen-blauwe balletjes der appels haar oogen +schenen te raken. Daarna weken zij te-rug en leunde het mooye, blanke, +aan de slapen afgeronde voorhoofd aan het hare. Mathilde schudde de +verschijning van haar gezicht af. Zij opende haar oogleden en voelde +zich een beetje bang. Zij durfde niet goed meer rondzien. Weêr bewoog er +iets links en rechts. Wat kreunde daar achter het kastje? En zij zag een +nevel weêr door de kamer dansen. Zij keerde haar hoofd rechts af en +wrong de handen samen, in een beweging van beklemdheid voor het lijf +uitgestrekt. Het was, als tintelde een gevoel door het vertrek en deelde +zich aan al de omgeving mede, één enkel gevoel van opperste bevreemding, +éen voorspelling van een onuitsprekelijk groot en nieuw geluk. Daar zag +zij weêr in den spiegel en keek er zich zelf in aan. Zij deed er een +stapje op toe en zag zich als een witte pop in de kamer staan. Eerst +bekeek zij nu aandachtig de kamer, en was verwonderd haar in den spiegel +zoo heel anders te zien. Alles had hier het oude, gewone voorkomen, dat +van gisteren, dat van altijd. De wanden en het huisraad deden zich hier +bedaard en juist voor, wezenloos en zonder geluid. Dat was zonderling, +wat een rare spiegel! Haar gezicht was ook hetzelfde als altoos, alleen +maar bizonder, erg, al te erg verhit. Wat stond zij daar gek, waarom zag +ze er zoo verwilderd uit, waarom gloeide haar hoofd zoo, waarom stond ze +zoo naakt, in haar ondergoed? Waarom was ze niet naar bed gegaan? Waarom +had ze anders haar peignoir niet aangedaan? Waar was die? ... Op de +tafel. Langzaam stak ze haar armen door de slappe mouwen, de dunne stof +streek haar over de leden. De zwart fluweelen rand scheerde langs haar +warmen hals. 't Is verschrikkelijk warm! zeide ze in zich zelf. Het +kookte haar door de aderen. Met haar zakdoek wuifde zij koelte haar +wangen. Haar hart klopte gauw achter mekaâr. Nu gooide zij nog eens +gedachteloos een blik in den spiegel en zij zag het bibberig glansende +vernis, dat de borst van haar moeders portret aan den wand, links +tegenover het gaslicht, bedekte. Maar boven die schitterende plek +bemerkte Mathilde de droevig-ernstige gelaatstrekken. En zij dacht even +aan haar moeder. Zij had haar zoo weinig gekend! Zij was nog zóo jong, +toen haar moeder dood was gegaan! Suffend draaide Mathilde naar het +portret toe. Haar oogen bedroomden het vol onbewuste gedachten. Zij werd +bang voor die geschilderde droefheid, zij ging naar het venster en trok +het gordijn op. Haar koortsigheid was heviger. Tevergeefs probeerde ze +op haar eigen gemoed in te denken. Haar blik schuimde over haar +werktafeltje af, vóor het venster heen. Midden-tusschen uitgeknepen +waterverffleschjes en lange penceelen, een glas vuil geel water, waarin +roode wolkjes dwarrelden, een blikken doos, met lankwerpige en +afgesleten stukjes verf, een paar licht-bruine potlooden, een stuk +kleverig gommelastiek en smoezelige papieren, lag er een aquarel, die +nog afgemaakt moest worden. Plotseling bedacht Mathilde, dat zij dat +van-avond had willen doen. In een drift over haar vergeeterigheid, nam +ze de teekening en de penceelen op, om ze over de groote ronde tafel te +spreiden onder het snerpende gaslicht. Haastig ging zij zitten, maar hoe +ze er zich ook over bukte, hoe ze zich in de werkstemming trachtte te +brengen, het landschap, dat voor haar oogen lag, warrelde alsof er een +wemelend vlies over gespannen was. Zij kon maar niet tot rede komen. Zij +liet het teekenen weêr in den steek en nam een duitsch boek van het +boekerekje, om wat te lezen. Maar dit lukte ook niet. Zij liet het +boekje liggen. Het bonsde aan haar slapen. Haar hoofd was vol van de +dolste gedachten. Eindelijk nam ze een besluit. Ze zoû naar bed gaan, +beproeven in slaap te komen. Ze zoû de vensters, of ten minste éen, +openzetten, want het was een zoele Julinacht. Zij deed het raam open +door de kruk in 't midden éens rond te schuiven; zonder leven gingen de +twee glazen deurtjes open. Het werktafeltje werd naar achteren geduwd en +Mathilde ging op de vensterbank zitten, haar beenen over elkaâr, den arm +geleund op het zwart ijzeren hekje. En zij wendde het hoofd naar buiten +in de lauwe zomerlucht. + +Het was een stille, hooge nacht. In korte spelingen woei zoetjes de wind +door de trillende blaâren der boomen, vlak bij Mathilde aan den +wallenkant en deed de haarsprietjes dansen tegen haar voorhoofd, en +vlaagde de angst wech uit de kamer, voorbij het onrustig vlammende gas. +Een groote kalmte daalde in Mathildes gemoed. Onder de wijde verte van +den vonkel-krielenden hemel en boven den dorren klank der +vér-geruchtende stads-nachtgeluiden, voelde zij het vreemde geluk in +haar hersenen en hart, maar zonder angstige drift, zachtjes, zachtjes, +als een dauw van zaligheid. Mathilde zag rond: een glimlach zweefde +overal. De straatkeyen, in het lantaarnlicht, wiebelden teeder-grijs +heen, smetteloos samenoogend, blaârenschaduwen plasvlekten in doezelige +warrelingen over de bruingele klinkers. Als hooge kerkkaarsen stonden de +slanke lantaarnpalen met hun van boven rossig gekartelde lichtjes, met +geelwasemingen in de boomfestoenen. Het donker-groene water stroopte +golfloos zachtjes voorbij. Boven de boomen uit zag Mathilde de bovenste +ramen en de daken aan d'overkant. Aan éen venster was nog licht, een +onbewegelijk dof licht, achter het vuil-gele gordijn. Maar hooger +klommen Mathildes blikken, hoog boven de blauwige en bleekroode daken, +boven de driehoekige en ovale geveltoppen uit, wijd-uit-turend, als +zoekend, in de goud-doorstikt lichtende lucht. + +Heerlijk, dacht zij, het hoofd op de hand, heerlijk zoo in den nacht te +zitten kijken! Zij had de verhitting van haar slapen voelen wijken en +een groote blijdschap, rose, wit, licht-geel, was over haar +neêrgevallen. Ik blijf hier op mijn gemak nog een beetje denken, dacht +zij, het duurt nog lang eer het morgen is. Zij leî haar handen in den +schoot en boog het hoofd voren. Lange vlassige streepen zwart haar +vielen aan weêrszijde, onder haar ooren, langs haar hals tusschen haar +borst. Haar oogen waren neêr, om zich te herinneren wat er gebeurd was. +Mathildes rijtjes van lange oogharen, als kleine ragfijne waayers, +verwarmden tint der onderoogleden met hun schaduw; twee gestolten tranen +glinsterden haar oogen er tusschen. Zij had een bloederige roodheid aan +de oogranden en fel-roode lippen. Haar neusvleugels trilden, als zij +iets sterk verlangde. Zóo was zij, zoo had Jozef van Wilden haar dien +avond gezien, toen hij haar zijn liefdesverklaring maar had meenen te +moeten doen. Daar zat zij nu over te denken, hier aan 't venster. Zij +wilde zich volstrekt alles te binnen brengen, elken trek van zijn +gezicht, elken toon van zijn stem, toen hij haar die woorden had gezegd; +zij wilde voor de tweede maal, nu in gedachten, die zaligheid door +maken. En met veel zekerheid rees de herinnering in haar op. Het was +in het zaaltje, achter, waar ze altijd zaten, als ze menschen kregen, +haar vader en zij; het zal zoo wat tien uur zijn geweest. Jans was juist +voor de tweede maal met wijn rond geweest. Mevrouw van Borselen had al +iets gezongen, Ster en Jozef hadden al wat voorgedragen, toen zij +begreep, dat nu de beurt aan háar zoû komen. Wezenlijk had haar vader +haar op zijn gewone goedaardige manier aangezien en gezeid: Mathilde, +laat jij je nu niet eens hooren? en allemaal hadden ze er op +aangedrongen. Zij had zich een beetje zenuwachtig gevoeld, want Jozef +gaf taal noch teeken. Zoû hij er wat tegen hebben, dat ik speel, had zij +toen gedacht, dan zal ik juist vreeselijk mijn best doen. Wat zal 't +zijn? vroeg haar vader. Zonder een sekonde te aarzelen had zij erg +bedaard en erg moedig geandwoord: de _Sonate pathétique_, als u 't +permiteert. De woorden waren er uit; nu moest ze 't ook doen. Sints een +paar weken had zij de sonate wel alledag geoefend en de laatste drie +dagen zelfs vlug gespeeld, maar nog nooit had ze zoo'n moeyelijk stuk +ondernomen in gezelschap. Maar zij hield verschrikkelijk veel van de +sonate en dacht, dat zij 'm met gevoel speelde. Zoo had zij dan, terwijl +de kaarsen spattend knapten onder het wachtend zwijgen van de menschen, +zich naar het muziekkastje gebukt, er het dikke kajee uitgenomen en was, +heelemaal klaar voor den strijd, aan de piano gaan zitten. Inéens hoorde +zij nu eene beweging achter haar en zag zij Jozef van Wilden, die +stilletjes dichterbij kwam, zijn oogen, waarin het kaarslicht +terugflikkerde, op haar muziek gericht, zijn snor tusschen de tanden. +Mag ik de bladen omslaan? had hij gevraagd, met een rare stem. Heel +graag, had zij, bizonder koel, geandwoord. Er sijpelde iets kouds door +haar handen; zonder dat zij het wilde tikte een van d'r vingers neêr op +een zwarten toets en flauwtjes weêrklonk een angstig hooge toon. Maar +zij haalde krachtig adem en was zich meester. Zij was toen zonder +aarzelen maar begonnen. Naarmate zij vorderde, ging het beter. Zij +voelde zich gloeyen onder het spelen. Zuiver, zonder éen fout, had zij +het stuk voleind, zij was vuurrood geworden en transpireerde er van. En +onophoudelijk had zij Jozefs warme adem langs haar oor voelen gaan. Zij +had gemerkt, dat die al sneller en sneller werd, naar mate zij +gelukkiger speelde. Zij zag de bladen bibberen in zijn hand bij het +keeren; eindelijk had ze hem tranen hooren slikken, ja, zij had het +duidelijk gehoord, hij had gehoest om niet te laten merken dat ie +huilde. Het laatste blad had zij zelf moeten omslaan, want hij vergat 't +en zij wist toen niet eens meer of hij nog achter haar stond. Maar toen +ze de slotakkoorden had neêrgestoten in volle vuur, en ze, met een +zekere koude door de leden, opstond en zich met een "dankje wel" naar +Jozef keerde, toen had ze hem bleek en aangedaan zóo vlak achter haar +vinden staan, dat haar haren langs zijn wang scheerden, en, onder het +handgeklap en de bravo's van de menschen, had hij heel zachtjes tegen +haar gezeid, dat hij zooveel van haar hield. + +En als een geur, die haar verder den geheelen avond bijbleef, had zij +die klanken meêgedragen in heur haar. Het had haar geschenen, als hoorde +zij die stem voortdurend met eindelooze teederheid aan haar oor, als was +er iemant die telkens zeî: mag ik je iets zeggen, Thilde, ik houd +zooveel van je, onbegrijpelijk veel, en altijd, altijd inniger en +doordringender. Toen de avond afgelopen was en de menschen kort na +mekaâr afscheid namen en ook Jozef vader en haar goeyendag zeî, had ze +hem niet aan durven zien en flauw zijn hand gedrukt. Maar zijn woorden +zongen in haar ooren. Bij haar naar bovengaan dreunden zij haar na op de +trap, omklonken haar van alle kanten en bonsden in haar hoofd ... + +Eindelijk dan, eindelijk had hij het gezegd. Wèl had zij lang gewacht, +wel had ze hem honderdmaal, als hij bij haar vader een visite maakte en +zoo kalm zat te praten, schijnbaar onverschillig aangezien, met de vraag +in de keel, die zij hem toe had willen roepen: Waarom hoû-je niet van +mij, die zooveel houd van jou, en, wil je mij en mij alleen, zooals ik +jou en jou alleen wil, waarom zeg je 't dan niet, waarom laat je dan +niets merken? Wèl had zij 's nachts, als ze maar niet slapen kôn, aldoor +maar met verschrikkelijk veel verdriet aan hem liggen denken. Wèl was +ze, onder het zingen ineens gaan huilen en had zij zoo bleek gezien, dat +vader zich bezorgd had gemaakt aan het eten 's middags. Ja, wél lang had +zij gewacht ... + +En, terwijl de stad vóor haar voortnachtte en de uren duurden ruischend +om haar hoofd, herdacht Mathilde, met zich zelf heelemaal alleen, het +begin van haar liefde voor Jozef, het aangroeyen van die liefde, het tot +hartstocht worden, de dagen van hoop en de wanhoopsvlagen door die +stille liefde over haar gebracht. + +Buiten stemde de wind de boomen al zachter en zachter, het water in den +val beneden haar scheen bijna bewegingloos en in de verre hoogte waren +de sterren gestadig. + +Toen zij nog heel klein was, speelde Jozef wel met haar, als hij met +zijn vader en moeder bij hun aan huis kwam. Hij was al een groote jongen +met een jas aan, zoo als een heer. In 't begin had zij erg tegen hem +opgezien. Hij sprak altijd meê met de groote menschen, en eens, toen +zij, op haar twaalfde jaar, ook iets heel ernstigs in 't midden had +willen brengen, was háar gezegd zich stil te houden. Naar Jozef +daarentegen werd altijd geluisterd. Dit had haar een zekeren eerbied +voor hem gegeven, maar die toch al gauw minder werd door zijn +vriendelijke en alles vergevende gemeenzaamheid. Als zij samen aan den +gang waren, aan 't spreken en lachen of spelen, gedroeg hij zich als +haar gelijke en behandelde haar als een goede kameraad. Eens op een +buitenpartijtje, toen zij in den tuin van een uitspanning aan 't +schommelen waren en hij haar, hoe of ze ook tegenstribbelde, veel te +hoog opzette, was ze heelemaal duizelig geworden. Ze was gaan huilen, en +toen Jozef eindelijk den schommel tot stilstand bracht, had zij hem, in +haar drift, pardoes een klap in zijn gezicht gegeven. Een kwartier +later, toen zij bedaard was en inwendig al spijt had van haar handeling, +was hij naar haar toe gekomen om haar te vragen of zij nog boos was. Zij +had bedeesd van neen geknikt. Hierop hadden zij elkaâr afgezoend en was +er over niets meer gesproken. Dit voorval maakte, dat zij veel van Jozef +begon te houden. Ze vond 't zoo lief van hem, dat hij haar niet af had +geranseld, want hij was toch zooveel sterker dan zij. Uren lang kon hij +zich dan ook met haar bezighouden, naar haar poppespelen kijken, haar +goeden raad geven voor haar borduurwerk en pianospel, en nooit was hij +boos, wanneer ze hem met een slecht humeur antwoordde. Zoo als hij haar +van haar derde tot haar zesde jaar op zijn schoot nam, haar liefkoosde +en sprookjes vertelde, zoo als hij toen eens heur haren had gekamd op de +manier zoo als hij zeî dat de mooiste jonge jufvrouwtjes in de groote +stad Parijs hun kapsel droegen, zoo als hij haar prenteboeken meêbracht, +met veel prachtiger plaatjes, dan die zij van vader kreeg, en eens zelfs +een echt gouden halskettinkje, zóo, met denzelfden goedigen glimlach, +met hetzelfde gemak en geduld, met hetzelfde onverstoorbare goede +humeur, had hij ook belang gesteld in haar vermaken van toen zij wat +ouder werd, en zich naar haar veranderde pleizieren met dezelfde +welwillendheid geschikt. Van haar tiende tot haar dertiende bijna +veertiende jaar, had hij haar allerlei gezelschapsspelen geleerd, die +haar te pas konden komen, wanneer ze met vriendinnetjes was of met +groote menschen meêspeelde: kien, het ganzebord, het dominospel, van +alles maakte hij haar de fijnheden duidelijk en onderwees haar in die +handgrepen, die hij zelf had weten te ontdekken om zonder moeite te +winnen. Hij had uren achtereen met haar zitten schaken en dammen, want +zij hield van zulke spelen, en klapte in haar handen, wanneer hij haar +liet winnen, zoo als dikwijls gebeurde, dan omhelsde ze hem en had hem +nog liever dan vroeger. Zij herinnerde zich nog als den dag van +gisteren, hoe eens, toen Jozef op een avond zoo aandachtig naar haar +onbeteekenende eerste pianostudies had geluisterd en hij wel een uur en +drie kwartier vlak naast haar was blijven zitten en haar een middeltje +had geleerd om gemakkelijk de handen wijd uit te spreiden, waarna zij, +toen al een groote meid van twalef jaar, op zijn knie was gesprongen om +hem te bedanken,--het schoot haar te binnen, hoe toen haar vader haar +had verweten, dat zij meer hield van Jozef van Wilden dan van hemzelf, +haar eigen vader, en hoe zij misschien veel liever Jozef tot papa zoû +hebben gehad. Dit was wel, neen volstrekt niet, in 't geheel niet waar. +Zij had er zelfs nooit of nimmer aan gedacht, maar om dat Jozef zich +zooveel met haar bemoeide en altijd haar liefhebberijen raadde, en +altijd graâg deed wat zij ook grâag deed, om dat Jozefs leeftijd in alle +geval met de hare zooveel meer gelijk stond dan die van haar vader, om +dat Jozef nooit knorde, ja haar zelfs nooit ernstig onderhield, kende +zij Jozef eigenlijk beter dan zij en haar vader elkaâr kenden, waren zij +ten minste vanzelf schijnbaar vertrouwelijker met mekaâr. Vader las +koeranten, waar zij niets van begreep, rookte pijpen, waarvan de +tabaksrook haar naar maakte, vader sprak zelden met haar, of 't moest +zijn om haar kleine godsdienstige vermaningen te geven, die nog minder +indruk op haar maakten, om dat hij ze zelf alleen als opvoedingsmiddel +gebruikte en zij niet uit zijn hart kwamen, dat had zij later wel +begrepen; vader vond haar gebonk op de piano vervelend en vluchtte naar +boven als zij begon. Er kwamen wel eens heeren vader spreken en dan zeî +hij aan Mathilde van wech te gaan; dit vernederde haar altijd erg, en +zoo meer. Jozef daarentegen had ook b.v. belang gesteld in haar eerste +zelfgekozen toiletjes, de eerste uitingen van haar aanstaande +jonge-meisjes-ijdelheid had hij met ontzaglijk veel plezier begroet en +ze aangemoedigd. Hij was verrukt geweest te zien, hoe zij langzamerhand +groote-dames-neigingen begon te vertoonen en hoe, met het voller +uitkomen van haar lichaamsvormen, waar zij zelve zich toen nog ongerust +over maakte, zij ook een beetje nuffiger en eleganter werd. Hij had +verteld van zijn reizen, van de groote zalen vol prachtig gekleede +dames, die hij had gezien, van de wereld daar buiten, van bals en +konserten en komedies. Hij had haar bizonder mooye kostumen van +hoogaanzienlijke vrouwen beschreven, die hij in hun heele volledigheid +op had genomen. En elken dag waren zij betere vrienden. + +Maar toen Mathilde volwassen werd wijzigde zich langzamerhand hun +verhouding heelemaal. Mathilde vroeg zich te vergeefs af waar 't 'm aan +lag, zij wist geen oplossing te geven. Maar dagelijks verkoelde de +vurige vriendschap tusschen haar en Jozef. Hij werd stiller, lachte +minder, en er werd in 't geheel niet meer gestoeid. Ook tegenover hem +voelde zij zich verlegen worden, dit scheen nog het meest raadselachtige +van alles. Zonder er bij te denken was zij hem nog eenmaal, toen zij +samen over borduren hadden gesproken en hij een haar nieuw patroon aan +de hand had gedaan, met plotselinge aandrift zooals vroeger, op de +knieën gesprongen en had haar arm om zijn hals geslagen. Hij was daar +zoo verwonderd over geweest, dat hij niet geweten had wat te doen, en +zij, met een verschrikkelijke verlegenheid onder een voorwendsel uit de +kamer was gegaan en een wandelingetje was gaan doen. Uit instinkt +maakten zij, toen hij een paar dagen later 's avonds bij hun was +geweest, geen van tweeën een beweging om elkaâr een zoen te geven bij +het afscheid, zoo als anders. Daar had zij den halven nacht toen over +liggen denken. Twee maanden na deze gebeurtenissen, kondigde haar vader +haar aan, dat hij haar op een kostschool in België zoû doen. Zij ging, +en, zoo ver van hem wech, dacht zij nog maar weinig aan Jozef. Eens had +hij haar een lieven brief geschreven, dien zij kort had beantwoord en +met de onderteekening "uw dienstwillige vriendin en dienares". Daarop +had hij niets meer van zich laten hooren. Haar medeleerlingen op de +kostschool verhaalden Mathilde veel van heeren die hun 't hof maakten. +Ja, daar had ze in Amsterdam ook wel van geweten. Als ze uit school kwam +liepen haar altijd jongens achterna en zoenden haar en de andere +meisjes, maar nu begon zij dat heel anders in te zien. En plotseling was +'t haar in de gedachte komen, dat Jozefs doel misschien was geweest +later met haar te trouwen. Dit stuitte haar tegen de borst en gaf haar +een soort van afkeer tegen hem, zoo als hij leefde in haar herinnering. +In de vakanties maakte haar vader reisjes met haar; éens maar was zij in +Amsterdam geweest, en toen was juist Jozef op reis. Zoo was zij vier en +een half jaar wech gebleven. En bij haar terugkomst voorgoed, had zij +Jozef weêr dadelijk gezien, die haar vriendelijk groette en haar +jufvrouw noemde. Na haar terugkomst kwam Jozef weêr hoe langer hoe meer +bij hun aan huis en uit de gewoonte van elkaâr twee, toen drie, toen +viermaal in de week geregeld te ontmoeten, was er langzamerhand weêr een +vriendschap ontstaan. Zij had hem teruggezien bijna net zoo als zij hem +vroeger had gekend. Alleen was zijn snor dikker en mooyer geworden en +waren er lichte kringen onder zijn oogen gekomen, die alleen merkbaar +werden, als hij van vermoeyenis sprak. + +Het was nu in deze jaren dat zij er zich hoofdzakelijk op toelegde het +huis voor haar vader zoo aangenaam en gezellig mogelijk te maken. Wat +haar bij haar vader vroeger tegen had gestaan, nam haar nu in. Zij +verzorgde hem, trachtte zich in te wijden in zijn liefhebberijen en +gewoonten, las de koeranten, en sprak over politiek. Zijn rooken vond +zij pleizierig, zij lette op alles en vervroolijkte zijn leven, door +haar pianospel en andere dingen. Zij had groote vorderingen gemaakt en +hij luisterde er graâg naar. Zij had geen vriendinnen, zooals dat veelal +gaat met meisjes die naar 't buitenland op kostschool zijn geweest. Die +van haar scholen in de stad vroeger, kende zij niet meer, met de +Belgische van de kostschool kon ze alleen korrespondentie onderhouden. +Alleen bij mevrouw Berlage, een oude vriendin van haar vader, maakte zij +wel eens een visitie, maar aan Emilie Hartse, een wees, het kennisje, +dat ook wel bij de Stuwen aan huis kwam, had Mathilde een hekel, om +Emilies geaffecteerd karakter. Dus was de persoon, waarmeê zij omging +naast haar vader, Jozef van Wilden alleen. Een heelen tijd bleef zij +"mijnheer" en hij "jufvrouw" zeggen, totdat haar vader zelf daaraan een +eind had gemaakt, omdat hij 't gek vond onder jongelieden die mekaâr zoo +dikwijls zagen. + +Onmerkbaar had Mathilde zich weêr tot den innemenden, beminnelijk +zachten en toch mannelijken, goed belezen met veel smaak en oordeel +pratenden man, dien zij Jozef noemde, aangetrokken gevoeld. Na een jaar +werd zij zich bewust, dat ze hem liefhad. Zij dacht dikwijls aan hem, +als ze alleen was, ze was blij als hij binnenkwam, vooral als bij haar +hartstochtelijk pianospel, en dit gebeurde dikwijls, zijn oogen geen +sekonde van haar afgingen. Het begon een genot voor haar te worden, +wanneer haar hand de zijne aanraakte, bij het goeyendag zeggen of het +aangeven van een kopje thee, of wanneer zij samen muziek doorbladerden. +Zij begon het een pleizierige gewaarwording te vinden als haar japon +over zijn voeten gleed, bij 't passeeren, als de weêrspannige haartjes +van zijn hoofd langs haar schouders wiebelden, wanneer zij samen over +een boek of teekening stonden gebukt. Want zij was druk aan 't teekenen +gegaan, ook door hem daartoe aangezet. Zij had 't in België goed geleerd +en zij scheen er wel talent voor te hebben, meende hij. + +Toen er nog een jaar was verloopen, begon ze in ernst over haar toekomst +na te denken, en bracht in haar gedachte hem daar altijd bij te pas. Zij +begon bepaald op hem te wachten, en als tweede helft van haar geheel +naar hem uit te zien, naar de woorden van liefde die hij eens moest +uitspreken, zij wist 't, en die ze hem wel van de lippen had willen +drukken. Zij kreeg aanvallen van jaloezie. Zij begon er over te denken +of hij ook misschien van een andere vrouw zoû houden. Zij was ongerust +en probeerde om aan zijn oogen te zien of er iets van waar was. + +Zoo waren de zaken geloopen tot zoowat een maand geleden. Toen was +Mathilde opéens heel ongelukkig geworden. Jozef had, zonder dat er ooit +te voren sprake van was geweest gezegd, dat hij van plan was een groote +reis te doen, voor zaken. En werkelijk, twee dagen later was hij naar +Frankrijk gegaan. Hij had niet kunnen zeggen, wanneer hij waarschijnlijk +terug zoû zijn. Mathilde huiverde in haar eenzaamheid. Zij drong zich +zelf op, dat 't niet zoo erg was, dat hij na een week of zes hoogstens +uit het buitenland terug zoû komen, en de zaken dan nog 't zelfde zouden +staan als nu. Wat had die reis te beteekenen? Even goed dan als nu kon +hij haar immers zijn liefdesverklaring doen, al had hij er tot nu toe +nog nooit op gezinspeeld? Dacht hij er niet aan haar te vragen om zijn +vrouw te worden, dan moest zijn afwezigheid haar eindelijk heel +onverschillig wezen, hield hij wél van haar zoo als zij het zoo zeker +hoopte, dan zoû die liefde in zoo'n korten tijd ook niet wechgaan, en +had zij nog alles te verwachten. Maar, wat haar verstand ook te berde +bracht en hoe ongerijmd zij het zelf vond, zij huilde in haar +verlatenheid en zij voelde zich verschrikkelijk alleen, nu ze hem niet +meer zien en hooren kon. Zij dacht, dat hij nu eeuwig wech zoû blijven, +en vooral het idee dat hij van een vrouw of meisje in het buitenland zoû +gaan houden en hij haar ontrouw zoû worden, maakte haar doodelijk +ongerust. Maar, hij was nog geen drie weken op reis, of zij, ja zij, +kreeg, buiten alle verwachting, een brief van hem, waarin hij haar +vertelde dat hij in Brussel en Parijs was geweest en wat hij daar had +gedaan. En hierbij maakte hij toespelingen op de reisverhalen, die hij +haar zo lang geleden als kind had gedaan. Hij sprak ook heel beleefd van +zijne eenzaamheid, en verklaarde, dat hij 't onmogelijk lang zoû kunnen +uithouden, ver van de lieve woning der familie de Stuwen, waar hij zulke +heerlijke uren had doorgebracht, vooral in 't gezelschap van zijn +allerliefste vriendin. De brief was erg beleefd, maar Mathilde wist er +zoo een verborgen liefde in te ontdekken, dat hij haar bizonder goed +deed en zij hem niet aan haar vader liet zien. Zij antwoordde een paar +dagen later, en tot haar zalige verbazing stond Jozef weêr twee dagen na +de afzending van het antwoord, in levenden lijve vóor haar, met zijn +fraayen knevel en lieve handen. Er was niets ongewoons aan hem te zien. + +Dit was eergisteren geweest. En nu, van-avond, kwam het tot eene +verklaring. Al die dingen uit haar jeugd en van de laatste jaren, +herinnerde Mathilde zich levendig. Wat een goddelijke gewaarwording was +'t nu, terwijl alles zoo zacht en stil was om haar heen, in dezen +zomernacht, aan de angsten en narigheden van vroeger te denken. Al die +treurige donkere uren, waarin zij zonder hoop was, al die +teleurstellingen en niet uitkomende verwachtingen, al die zuchten en +tranen, gingen nu óp in één juichende vreugde vol glorie en licht. Weêr +droomde Mathilde zich wech in wat van avond aan de piano was gebeurd. +Weêr en nog eens weêr liet zij het Jozef zeggen, dat hij zooveel, zóo +véel van haar hield, weêr voelde zij zijn adem langs hals gaan; zij +merkte dat haar hart zoo vol was, als het maar zijn kon, dat het +overliep, dat het geluk haar overstroomde. Zij had een behoefte om iets +te zeggen. Er drukte haar iets daar van binnen, dat zij niet omvatten +kon. Het klom haar tot hoog in de keel, het zwierde als een kramp door +haar vingers, het moest er uit, zij wilde het roepen tegen iedereen, zij +wilde het uitzingen aan de ooren van alle menschen die er in Amsterdam +leefden en die begrepen, wat geluk was. + +Zij stond op voor het open venster, en, over het ijzeren hekje leunend, +keek zij naar de straat beneden. Over de brug, die zij rechts in de +schuinte zag, stapte haastig een man voort, een heer, den kraag van zijn +overjas opgeslagen, want hij scheen het koud te hebben in Juli. Mathilde +kwam op de gedachte, dat het Jozef wel kon zijn, die nog eens voorbij +haar wilde gaan, om te zien of zij sliep of óp was. Zij bukte zich +gevaarlijk ver over het hekje om te kunnen onverscheiden. Maar zonder +dat ook maar het open venster een oogenblik zijn aandacht trok, liep de +meneer snel voort en verdween in de straat. Mathilde keek nu langs de +gevels en stoepen der huizen onder haar en aan d' overkant. Misschien +was Jozef wel ergens verscholen om dichtbij haar te zijn. Zij zag iets +zwarts, daar, links bij een kelderdeur. Maar neen, het waren stukken +hout, die daar opgestapeld lagen. Ze keek voor niets, alles was stil en +zonder menschen. Zij keek in de boomen, en elke opening, en elk +bladerenvak nam zijn gestalte aan. Overal lachte de schaduw van haar +mooyen Jozef haar tegen. Zoo duidelijk gonsde zijn stem om haar heen en +zoo dringend wenkten zijn armen uit de takken, dat zij er bang voor +werd. Langzamerhand was er een frischheid gekomen in de roerloosheid van +den nacht. En heel even schemerde er een vage, dof-witte glans tusschen +een spleet der daken, in het oosten, voor haar uit, midden boven de +zwartheid der huizen in de Hoogstraat. Maar Mathilde zag het niet. Zij +liet haar blikken weder langs de lantaarns gaan en telde de lichtjes. +Zij kon maar niet tot een eind komen. Zij zag de vlammetjes na de +vlammetjes komen en weêr anderen, en weêr anderen in de verte, zij zag +er meer en altijd meer. Zij brandden groen, kallem op, als bloemen van +vuur. Mathilde zag tot aan de uiterste lantaarn zij zag dóor tot aan den +horizont en, achter den laatsten gasvlam, een beetje hooger, gloeiden de +sterren aan den dalenden hemel. Mathilde telde de sterren, een voor een, +en haar oogen sponnen stralen van de eene groep overzwervend in de +andere, en altijd voort, over de heele luchtvlakte. Al die blauwzilveren +en roodgouden stralende sterren van de donkerblauwe lucht dalend op haar +hoofd, waren éen kleur en éen geflonker met haar ziel. In blinkende +kringen, in warrelingen van zilverend blauw en goudend rood en lichtend +groen dansten zij den rijdans van haar liefde. Maar Mathildes droomen +kwijnden in een duizeling. Zij zag niets als goud en zilver. Een +wemelende regen van helle vonken draaide er dooreen. Daalde haar blik +tot de boomen, dan zag zij de sterren nog onder de takken, door de +takken, overal in de rondte. En het gaslicht vlamde hoog daar tusschen +door. En al heviger werd het vuur. Alles kwam samen en tintelde wech in +elkaâr. Er was een val van diamanten in een geel en roode vlammenzee. +Toen, zich wechdenkend in dat visioen, tegenover dien hemel van goud, +die daar brandde, rees het woord op uit de diepste diepte van haar +gemoed, toen zeide zij aan de vlammende ruimte vóor haar, haar geheim, +en, de handen naar voren om te danken, zeî zij hardop: O God, o God, wat +ben ik gelukkig! + +Een grijs licht steeg in de rondte, de huizen schemerden droevig. +Mathilde, door de koelte verrast, deed haar ramen dicht. Zij kleedde +zich gauw verder uit en sliep kalm in op haar witte kussen. De brief van +Jozef, dien zij op haar borst droeg, stak hoog uit haar nachthemd op. + +En boven de huizen rees buiten een mooye dag, zonder wolken en zonder +wind. + + + + +II. + + +Een week later, in een zon-doorsijpelden ochtend om half tien, stond +Mathilde in de voorkamer, haar rug naar de straat, voor de kleine ronde +tafel met een half-vuil servetje, waaraan ze ontbeten hadden, de +blauw-gebloemde kopjes om te wasschen, terwijl haar vader, als naar +gewoonte, zijn morgenwandeling was gaan doen. Zij had een grijs +japonnetje aan, tot op den grond, zonder sleep, met smal zwart fluweel +lint afgezet, en dat in een eenvoudig plooisel haar hals omsloot, nog +een oude jurk van haar laatste kostschooljaar; die zij nu verder +versleet, als ze stil alleen thuis was. Haar zwarte haar, met een +scheiding in 't midden, hing in twee gordijntjes over haar voorhoofd, +boven de ooren heen van achteren opgehouden in een knoetje. Aan +weêrszijde sluikten vóor de ooren korte vlosjes vlassig naar beneden, +die de breedte der wangen braken. Maar een onrust drukte haar lippen +tegen elkaâr en schaduwde aan de mondhoeken. De wenkbrauwen waren een +beetje naar het midden boven den neus getrokken en haar oogen gingen met +een ongewonen ernst en aandacht van het eene kopje naar het andere. + +Zij had verschillende redenen om niet op haar gemak te zijn. Zij had +veel nagedacht na dien laatsten avond vol geluk. Er waren wijze maar +nare bedenkingen bij haar opgekomen ... Maar vooral kon zij zich niet +begrijpen, dat Jozef niets meer van zich had laten hooren. Hij had zich +in 't geheel niet meer vertoond, dit maakte haar bijna angstig. Waarom +zoû dat zijn? Hij kwam anders altijd ten minste tweemaal in de week eens +aan. Dit was dermate regel geworden, dat haar vader zich óok over zijn +wechblijven had verwonderd. Toen zij den eersten morgen na zijn +liefdesverklaring was wakker geworden, had zij gedacht, dat alles nu van +zelf goed zoû gaan. Zij had volstrekt aan de moeyelijkheden niet +gedacht. De behoefte aan de verwezenlijking van wat zij hoopte gaf haar +een vaag gevoel, een onberedeneerde zekerheid, dat de zaken verder +uitnemend moesten loopen. En daar gaf Jozef nu taal noch teeken. +Allerlei ideeën had zij nu daarover. Eerst vroeg zij zich af, of het +niet aan háar was den tweeden stap te doen, of hij niet wachtte op een +andwoord, rekenende zijn vraag te hebben gesteld, op een geschreven +bericht. Zoo-wat een uur lang was zij er zeker van, dat dit zoo het +gebruik was, en zij wilde haar map al krijgen om te schrijven. Maar in +éens viel 't haar in, dat 't heel goed mogelijk kon zijn, dat zij zich +totaal vergiste, dat Jozef in 't geheel nog niet gedacht had haar ten +huwelijk te vragen of zoo iets, dat zijn gevoel hem alleen was ontsnapt, +en hij misschien zich juist niet meer durfde te laten zien, om dat hij +verlegen was met zijn voorbarigheid en met den onberaden stap, dien hij +had gedaan. Ja, misschien was 't volstrekt zijn plan niet haar te +trouwen, en wilde hij een rijker meisje hebben. + +Het vraagstuk van het geld bleef haar nu voortdurend bezighouden. Al +meer dan éens in de laatste dagen, had zij haar vader naar een staat van +haar bruidschat willen vragen. Maar telkens had zij niet goed gedurfd; +zij kon zich over haar liefde tegen haar vader nog maar niet uitlaten. +Het vraagstuk van het geld werd ook weêr van minder belang door een +ander idee; Jozef's liefde stond namelijk natuurlijk te hoog om zich met +dergelijke beuzelarijen in te laten. Liefde voor iemant anders kon 't +toch ook eigenlijk niet wezen, die maakte dat Jozef nu zoo op zich liet +wachten, dáarvoor waren zijn woorden te gemeend geweest, dát had zij wel +gemerkt. Maar toch, juist omdat zij hem zoo een schitterende +persoonlijkheid vond, die ook voor zijn uiterlijk niet weinig zorgde en +heelemaal wel een beetje een wereldsch voorkomen had, kon 't best zijn, +dat er nog iets tusschen Jozef en andere vrouwen bestond. Mathilde had +daar een heel duistere voorstelling van. Zij was nooit ingewijd geweest +in de verboden praatjes van haar medeleerlingen op de kostschool. Zij +was altijd onder de oppassende kinderen geweest, en hier in de stad had +zij in het stille vaderlijk huis, met zoo weinig omgang en waar zoo +weinig vreemden kwamen, ook al niets gehoord. Haar hoofd schuin voorover +gebogen, een oude houding van haar, waardoor haar hals zich onder de kin +plooide, terwijl zij met de lange slanke vingers de blauw gebloemde +theekopjes in het lauwe water liet drijven en dansen en ze met een klank +als van dorpsklokgelui in de verte, tegen de wanden der porseleinen +omwaschkom aanschommelden, voelde zij zich van een groote langzaamheid +en lauwheid doordringen. Zij vond het plezierig te kijken zonder te +zien; de theedoek, met een bleekrood randje afgezet, hing slapjes over +haar arm. En in nevelige beelden zag zij inwendig vreemdsoortige +vrouwenfiguren opdoemen, de eene met een eeuwigen gouden glimlach om den +mond, de andere met een onverwelkbaren vreeselijk grooten bloemruiker +aan den boezem, weêr anderen van een ongekende zwier en statie, met +roode haren van vuur die tot ver over de purper-satijnen sleepen van hun +kleed vielen, met oogen van diamanten. Allen waren om Jozef heen en +wilden hem met zich meênemen. Zij waren allen op hem verliefd. En hij +stond te midden van hen, aarzelende. Dat waren de "slechte vrouwen" van +de wereld, die Mathilde in haar droom van den laatsten nacht had gezien. +Dit was de eenige manier waarop haar vage jaloezie voor den dag kwam. +Mathilde had iets duivelachtigs in den reuzenlach dier vrouwen gezien en +zij wilde dat Jozef naar háar kijken zoû en zij probeerde te glimlachen +met een liefde zoo groot, dat zij triomfeerde en Jozef naar haar toe kwam. + +En zij glimlachte werkelijk, want zij zag hem weêr vlak voor haar, en +zij kwam tot bezinning. Haar nare gedachten gingen wech. Haar liefde +verontschuldigde hem dadelijk en opperde alleen veronderstellingen, die +in haar voordeel waren. Hij bleef misschien wech, om dat hij van +aandoening over wat hij gezegd had ongesteld was geworden, misschien ook +had hij weêr ineens op reis gemoeten, of, wat ook mogelijk was, er +ontbrak misschien 't een of ander aan zijn uiterlijk, dat wilde laten +herstellen vóor hij Mathilde andwoord kwam vragen, in de gedachte dat +zij dan liever zoû wezen. Om dat zij in zijn plaats daar precies zoo meê +gehandeld zoû hebben, kwam deze gedachte van koketterie haar het +waarschijnlijkst voor en bleef zij er aan vasthouden. Zij ging nu na, of +alles niet heelemaal in orde was geweest aan zijn gezicht, handen en +kleêren, den laatsten avond. En zij bleef lang hieraan denken, daar zij, +zonder het zich zelve toe te geven, op deze manier de gelegenheid had, +om zijn uiterlijk, daar zij zooveel van hield, tot in kleinigheden na te +gaan. Zoû hij wachten tot zijn haar weêr wat langer was, wetende, dat +dit hem beter stond, of moesten zijn knevels weêr zoo lang worden, als +toen hij pas van de reis te-rug was? Zijn wangen, zijn voorhoofd en +oogen, waar maar geen schrampje, dat eerst zoû moeten herstellen, aan te +bekennen viel, werden onderzocht. Mathilde dacht zelfs over de nagels +van zijn vingers, en kwam toen plotseling op het idee, dat hij een nieuw +pak wachtte, waarover zij samen hadden gesproken een paar dagen geleden +en dat hij van die donkergroene stof zoû laten maken, die Mathilde vond +dat hem zoo goed stond. + +Maar op die manier kwam Mathilde niets vooruit. Jans slofte binnen, en +samen borgen zij het ontbijtgoed wech, door den gang, in een muurkast en +in een laag buffetje in de achterkamer. Jans zeî, dat 't vandaag mooi +weêr was, maar erg warm op straat. Verder beklaagde zij zich over den +bakker, die het fransche broodje voor meneer van-morgen weêr had vergeten, +zoo dat Jans zelf het in de buurt had moeten halen. + +U is te lichtzinnig in uw oordeel, had een jaar of drie geleden de oude +heer Berlage eens tegen Jozef gezegd, toen ze een heel ernstig gesprek +over staatszaken hadden en de diskussie een beetje hoog was geloopen. +Dit woord had Mathilde toen in haar oor geknoopt, onwillekeurig was 't +haar bijgebleven. Ook nu schoot 't haar, zonder de minste aanleiding, +weêr te binnen. En zij dacht in éens, dat Jozef wel een heel +onstandvastig en luchtig karakter kon hebben. En als ze dan eens met hem +trouwde, en eens heel ongelukkig werd? o, ongelukkig, ongelukkig met +hem? Nee, dat was volstrekt onmogelijk! Maar 't was toch een heel iets, +zoo voor je heele leven. Juist heerlijk, dat 't zoo lang duurde, daar 't +toch met hém was! Maar waarom bleef hij dan nu ook zoo lang wech? ... Er +kwam nog iets bij. Het was een groote kwestie of vader dit alles maar +zoo goed zoû vinden. Wanneer zij samen alleen zaten, had hij wel eens +over haar huwelijk gesproken, en hij had er altijd op gedrukt, dat 't +zoo plezierig voor hen allebêi was nog een heden tijd met mekaâr te +kunnen leven, want, zeî hij, als hij over een jaar of tien stierf, was +zij nog altijd jong genoeg om een goeye partij te doen ... En nu woû zij +zoo ontzettend graâg zoo dadelijk mogelijk met Jozef trouwen. O, zij +verlangde zoo naar hem. + +Zij ging voor het venster zitten met een borduurwerk, tegen de dagorde +in, want boven stond nog een heele bak met schoon linnengoed, dat +geborgen moest worden. Maar zij verwachtte Jozef iedere minuut. Telkens, +wanneer er iemant voorbijliep, keek ze op. Zij wilde niet gaan uit +zitten kijken in de richting, waar hij vandaan moest komen. Dit had zij +eergisteren bijna gedaan, maar ze was er gauw meê uitgescheiden, want +dit zoû al te vleyend voor hem zijn. Maar in de schuinte, terwijl haar +handen aan het borduurwerk bleven bewegen, liet zij haar blikken, half +wech schuilend achter de oogharen, over de straat gaan. Hoe of zij het +ook hoopte, toch was zij zenuwachtig beangst, dat hij komen zoû. +Tusschenbeide stond zij op en liep haastig het vertrek op en neêr, en +leî de handen voor zich uit tegen het behangsel, als om aan den wand te +vragen wat hij zeggen zoû en wat zij andwoorden. En ging dan plotseling +weêr zitten, zich dwingende om kalm te werken. + +Daar werd gehoest op straat vlak bij het venster. Schichtig keek +Mathilde op. 't Was Jozef, doodeenvoudig. Hij stond met een hoogen +glimmenden, prachtig glad gestreken hoed op, voor de deur en schelde. +Zijn zakdoek, met een rood randje, wapperde in den wind vóor zijn +gezicht. Hij stond met zijn rug naar het huis toe. Hij had Mathilde +stellig zien zitten en durfde uit verlegenheid niet naar binnen kijken. +Jans kwam aansloffen uit de keuken. Mathilde was met woede gaan +borduren. Alsof zij in den sneltrein zat en een andere sneltrein reed +dien voorbij, zóo snel en zoo ratelend gleed haar plotseling het idee +door de hersens om "niet thuis" te geven. En met een wreede blijdschap, +die geen sekonde duurde, dacht zij, hoe zij in dit oogenblik hem +misschien voor altijd van haar zoû kunnen vervreemden, door Jans "niet +thuis" te laten zeggen, nu hij haar al moest hebben gezien. Jans deed in +dien tijd de voordeur open. Mathilde had in een bibberende kalmte haar +werk in de vensterbank gelegd en was opgestaan, niet wetende wat te +doen. Zij werd rood en bleek en verschrikkelijk zenuwachtig, zij voelde +haar mond droog worden. Er steeg een kramp op uit haar maag tot boven in +de keel. Zij liep tot vlak bij de deur, die op een kier stond, om te +luisteren. Zij hoorde alles wat er gesproken werd, en toch scheen 't +haar, als hoorde zij niets; als een dof gebrom uit de verte klonken de +woorden, die Jozef en Jans zeiden. De adertjes aan haar slapen zwollen +tot fijne dofblauwe slangetjes; met een open mond, en haar handen in een +zenuwachtige beweging uitgestrekt naar achteren, het hoofd naar voren +gebogen, luisterde zij, terwijl haar oogen rood werden. Daarna werd zij +heel erg bleek en begon geducht over haar heele lichaam te beven, want +Jozef klopte op de deur. Heel zachtjes, heel zachtjes zeide zij +"binnen!" Met een driftigen stoot deed Jozef de deur open en weêr +dadelijk achter zich toe. Hij had geen handschoenen aan. Hij was óok +bleek en zijn oogleden sidderden. Hij zag Mathilde strak aan, zonder een +woord te zeggen. Zij had haar oogen neêrgedaan. Maar langzaam, met een +instinkmatige beweging, strekte zij haar armen half uit in de richting, +waar hij stond. Hij, dat ziende, zette haastig zijn hoed op de tafel, +die er afviel en over den vloer rolde, hij nam haar twee kouwige handen, +en trok haar zoo naar zich toe. Zij kwam zachtjes dichterbij. Toen hun +hoofden vlak bij elkaâr waren, keek Mathilde hem aan. Hun blikken gingen +in elkaâr. Zoo gaf Mathilde zich. In onbewuste beweging, kwam zij met +haar mond naar voren. Hij boog zich een beetje en zij zoenden elkaâr +lang, voor het eerst. Verwonderd over zich zelf, beschaamd, en hevig +aangedaan, huilde Mathilde nu, haar gezicht tegen zijn jas. Zij hadden +nog altijd niets gezegd. Jozef kreeg zijn batisten zakdoekje uit zijn +borstzak en droogde er zoowat haar tranen meê wech. Maar zij keerde zich +af, zij snikte stilletjes en bij langere tusschenpoozen; zij ging achter +in de kamer zitten, haar zakdoek voor de oogen. Jozef veegde zijn +gezicht af, keek naar zijn hoed om, raapte hem op, zette hem op een +stoel en schikte zijn zakdoekje in zijn borstzak. Toen wist hij +volstrekt niet meer wat te doen. Hij ging dus voor den spiegel staan en +peuterde aan zijn gekleurde das. Mathilde was weêr opgestaan, bleek, +maar tot bedaren gekomen. En zij vroeg, als dorst ze over hun liefde nog +niet te spreken, terwijl ze hem met nog natte oogen aanzag: + +--Weê-je ook iets drinken, Jozef? + +Hij, verwonderd over die vraag, andwoordde: + +--Nee, dank-je, het is nog zoo vroeg. + +Hij draaide zich naar haar toe, greep haar van achteren bij de armen zoo +dat zij met haar schouder tegen zijn borst kwam te staan. Hij behandelde +haar weêr als een klein meisje. Vroeger, vóor zij naar het kostsschool +was gegaan, hadden zij honderderd maal zoo gestaan. Hij boog zijn hoofd +tot naast het hare. Haar haren gingen langs zijn kin. + +--Je bent toch niet boos? vroeg hij, ik kon het niet langer inhouden. + +--Wat bedoel je? fluisterde zij. + +Wat ik verleden week bij de piano heb gezeid. Zij keek hem aan met +lachen en huilen om haar mond heen. Toen keek zij weêr voor zich en zeî: +Nee, ik ben niet boos. + +Hij zoende haar voorhoofd en liet haar los. + +--Mag ik nou nog wel hier blijven, nou je vader d'r niet is? Vroeg hij +weêr. + +--Vader mag er niets van weten. + +--Waarom niet? + +--Zij waren naast elkaâr op twee stoelen aan den wand gaan zitten, om te +praten. Het was bizonder licht en levendig in de kamer: een heldere dag. +Mathilde leì aan Jozef uit, hoe ze vooreerst niets van aan haar vader +zoû durven zeggen, want dat 't hem treffen zoû als een onverwachte slag. +Zij, zijn dochter, was zijn eenig gezelschap, zijn eenige steun, het +eenige, wat hij nog in zijn leven had. En nu begreep zij zelf heel goed, +dat hij niets graâg van haar scheiden zoû. Jozef moest dat ook inzien. +Zij zouden 't best doen met vooreerst te wachten, tot er zich van zelf +een gelegenheid zoû voordoen, om van hun plannen te spreken. Jozef had +haar handen in de zijnen genomen. Toen zij uitgesproken had, zeide hij +alleen: Thilde, wij zijn voor mekaâr gemaakt. Als om met haar volle +verstand er bij te zijn, zag zij nu klaar in zijn oogen, en antwoordde +bedaard: Ik hoû zôoveel van je, zôoveel, dat ik zonder jou nooit zoû +kunnen leven. Hij glimlachte en zoende haar handen. + +--Kom nog een beetje dichter bij me zitten, zeî hij, zijn arm om haar +hals leggend. Zij deed 't, haar hoofd gleed langs zijn schouder tot half +onder zijn kin. Zij zag naar hem op, en zij spraken verder, haar twee +handen steunden op zijn mooye linkerhand. Hij merkte, dat zij zich +heelemaal aan hem gegeven had en keek voortdurend op haar neêr, met een +vriendelijk gemak, zich nu al zeer thuis voelend in de nieuwe verhouding. +Mathilde verwonderde zich, dat wat daarzoo gebeurd was zoo eenvoudig in +zijn werk was gegaan. Zij voelde zich nu heerlijk rustig. + +--Zou 't dus nog lang moeten duren? vroeg hij, wij zijn al zóolang voor +mekaâr bestemd. Zij meende van ja, zij wist volstrekt geen middelen om +haar vader aan de gedachte van een scheiding te wennen. + +--Al duurt 't nu ook nog een tijdje, we zullen toch erg gelukkig zijn, +en we, ten minste ik, ik ben het nu al, zeî ze zachtjes. Zij maakte +meteen een knoop van zijn vest dicht, die los was gegaan, en schrok +daarbij van wat ze deed. + +--Ja, maar ik niet, andwoordde hij, of liever, ik zoû nog veel +gelukkiger worden dán ... Mathilde hield hem niet zoo vast meer. Het +maakte een naargeestige nieuwsgierigheid in haar gaande als er zoo over +het huwelijk gesproken werd. Zij wist wel dat 't iets heel groots moest +zijn, iets van lichaam en ziel vereenigd maar verder niet. Het maakte +haar ook erg verlegen: + +Jozef voelde iets als een koude verwijdering. Onder het voorwendsel aan +het raam iemant te willen zien, die op straat voorbijging aan d' overkant, +had Mathilde Jozefs armen van zich losgemaakt en was zij voor 't venster +gaan staan, den rug naar Jozef gekeerd, die bleef zitten, zonder te weten +waar zijn handen te laten. Met een linksche beweging stond ook hij op en +kwam naast haar staan. Zij keek naar buiten. + +--Wat blijft de modder op dat nieuwe soort zand lang liggen, zeî ze, als +in gedachte, zonder hem aan te zien, de oogen naar de Hoogstraat. + +--Ja, andwoordde hij, zonder haar weêr te durven aanraken, ze hadden +daar nooit meê moeten beginnen. + +Toen zeiden ze geen van beiden een woord meer. Mathilde keerde zich om +en drentelde door de kamer haar zakdoek met de handen vervouwende. Een +onverdrijfbare bevreemding vervulde haar over de zoo in-eens ontstane +nieuwe verhouding, waarin zij tot dien Jozef van Wilden was. Zij bekeek +zich zelf en hem en zag verwonderd door het vertrek, naar de +staalgravuren langs den wand en de bronzen pendule op den schoorsteen, +die stomme getuigen waren van dit zonderling voorval. Er was een strakke +stilte. Het scheen haar, als was Jozef een vreemdeling. Zij had dien man +jarenlang gekend, zij was altijd zijn vriendin en hij haar Vriend +geweest tot voor een week geleden nog, en nu waren zij plotseling +geëngageerden. Voor de verrassende gewaarwording der werkelijkheid van +het oogenblik, verdween de geheele geschiedenis van haar stille liefde, +het groote gevoel van bevrediging en geluk, dat zij dien avond toen hij +het gezegd had, had gehad. Hij stond in levenden lijve voor haar en ze +dorst niet meer naar hem omzien en begreep zich maar niet, wat haar +bewogen had om die man zoo-even te omhelzen en zich aan zijn borst te +houden. Vroeger zoû zij zoo iets nooit gedaan hebben. Zij zag de punten +van zijn knevel aan weêrszijde van zijn hoofd uitsteken. Hij beet juist +op zijn lippen. Zijn vond zijn onderlip nu leelijk dik. Zij zag dat hij +een scheiding op zijn achterhoofd droeg; dit was trouwens al jaren zijn +gewoonte, maar nooit had ze 't zoo opgemerkt als nu. Ze vond het +fatterig, maar zij zoû 't hem ook wel afleeren als zij maar eens +getrouwd waren. Zij vond zijn achterhoofd en de manier, waarop de +onderste haartjes over den rand van zijn staande witten boord heen en +weêr wipten, als hij zijn hoofd meer naar voren of naar achteren hield, +niets gracieus. Zij zag zijn mooye jas, en zij kon zich maar niet +voorstellen wat vijf minuten geleden gemaakt had dat zij haar wang op +die jas leî. Dat was bepaald onfatsoenlijk van haar geweest. Een +licht-rimpelende wreveltint kwam over haar gezicht. Zij ging de pendule +opwinden. Nu herinnerde zij zich duidelijk, dat zij gerooken had, toen +ze zoo dicht bij hem was, dat hij parfum op zijn jaslapel had met een +vage lucht van oude tabak. Zij kreeg haast een afkeer van dien man. Zij +was vroeger, toen ze nog goede kameraden waren, nog nooit zoo boos op +hem geweest als nu. + +Jozef draaide zich naar haar toe. Het viel haar op, dat hij er een +beetje plomp uitzag. + +--Ik geloof, dat ik er iets op weet, zeî hij; een heel eenvoudig middel. + +--Waarop? vroeg ze. + +--Om gauw te kunnen trouwen en toch vader geen verdriet te doen. + +--Wat dan? vroeg Mathilde. Dat "vader", zonder "jou" er voor, maakte +haar nog balooriger. + +Hij leî haar nu uit, dat niets gemakkelijker was, dan dat zij, na hun +huwelijkreis, met haar vader samen gingen wonen, en hij dus altijd in +hun gezelschap zoû zijn, en Mathildes zorg niet hoefde te verliezen, +integendeel, op die manier een gezelligen en vroolijken ouwen dag +zoû hebben. + +Maar zij was uit haar humeur: Wat spreek je al over al die dingen, over +huwelijksreizen, als of dat zoo maar morgen gebeuren kon, zeî ze, ik +dacht, dat daar altijd pas na maanden over gesproken werd. + +Nu was Jozef op zijn beurt ten hoogste verwonderd. Hij had integendeel +gedacht, dat 't haar heel aangenaam zoû zijn zoo gauw mogelijk met alles +klaar te komen en alles lang vooruit te bespreken en te bepalen. Hij had +haar nog nooit op zoo'n vreemden toon hooren spreken. + +--Maar, Mathilde, hoe kan je nu zoo wezen! Als ik je pas een paar +maanden kende of zoo, als ik je een het hof had gemaakt en ik woû je +daarna op manier ten huwelijk komen vragen, dan zoude wij misschien ... +of nee, dan zoû toch nog mijn eerste gedachte zijn, natuurlijk, over ons +huwelijk, de huwelijksreis en al die dingen, ... dat spreekt immers +vanzelf ... en hoeveel te eerder nú, wij kennen mekaâr al zoo lang, we +zijn als 't ware voor mekaâr geschapen en wat nu gebeurt is een +natuurlijk gevolg onzen heelen omgang van vroeger, ... nu is 't des te +natuurlijker, dat wij dadelijk over die zaken spreken. + +Maar zij liet zich niet overreden. En om nu over de zaak zelf te +spreken, zij had óok verstand van het leven. Wanneer ze dan eenmaal +gevestigd zouden zijn, zoû vader nooit bij hun in komen wonen; +schoonmoeders of schoonvaders in huis brachten nooit geluk. Vader zoû +zijn kleine gewoontes geëerbiedigd willen zien, die met hun levenswijze +niet stroken zoû. Vader was gewend aan stilte, aan rust, aan +eenzaamheid, aan zijn minste verlangens dadelijk te voldoen. En zij met +hun tweeën, ze begreep heel goed, dat ze veel uit zouden gaan, menschen +zien, partijtjes geven misschien en allerlei drukte hebben, waar vader +niet van hield. Mathilde telde een massa bezwaren op, het eene kwam +voort uit het andere, zij vond er een zeker pleizier in, in een hoop +woorden zich de toekomst zoo naar mogelijk voor te stellen. En in-éens +midden in al dat gepraat, kwam haar toekomstig moederschap voor den dag. +Zij zeide, en werd dadelijk vuurrood: En als er een kindje komt, wat +dan? Ze had Jans, de meid, dit wel eens hooren zeggen. En zij redeneerde +voort over het kindje. Als er een kindje kwam, wat dan? Dan zoû 't voor +vader niet meer om uit te houden zijn. Ten eerste het voortdurend +geschreeuw van het kindje, later zijn vermoedelijke wilde speelschheid, +ten tweede de onmogelijkheid voor haar, om zich verder veel met haar +vader bezig te houden. Dit zoû dan heelemaal onmogelijk worden. Neen, 't +kon niet, onmogelijk; zij moesten nooit een oogenblik denken, dat vader +bij hen in zoû komen wonen. + +Dood-bedaard had Jozef naar haar geluisterd. Hij vond haar allerliefst +in haar kriegligheid, die hij zich niet begreep. Het driftig bewegen van +haar lippen deed hem plezierig aan. Toen zij van 't kindje sprak, had +hij 't lastig gevonden haar aan te blijven kijken en was met snel +knippende luisterende oogen weêr uit het raam gaan kijken. Heel ernstig +vroeg hij: + +--Hoû-je van me, 'Thilde, is 't wezenlijk waar, zooals je het gezeid +heb? + +Haar goede gemoed kwam boven: Ja, wezenlijk heel veel. + +--Nou, laten we er dan maar niet meer over spreken. Als wij van mekaâr +houden, zal alles verder zich van zelf wel schikken. Ik zal over alles, +wat je gezeid heb, eens op mijn gemak nadenken. Jozef had de Stuwen, met +zijn zwak in-éengedoken gangetje, op straat aan zien komen en woû dus +een einde aan de diskussie maken. + +--Geef me dan nog een zoen, daar is je vader, zeî hij. De zoen werd +gegeven heel gauw, maar Mathilde hield haar mond op-zij en er bleef +eventjes een klein vochtig schaduwkringetje op haar wang. Toen haar +vader de stoep opkwam en Jozef hem groette met zijn hand, veegde haar +zakdoek 't stilletjes wech. + +'t Was half-twaalf geworden. De heer de Stuwen morrelde even met zijn +huissleutel in het slot, veegde zijn voeten af op de vloermat, en hing +zijn jas en hoed aan den kleinen standaard, zette zijn stok in den bak +en kwam binnen, met een groote witte linnen zakdoek zijn neus snuitende. +De twee heeren gaven mekaâr een hand. Hè, hè, 't is heerlijk weêr, zeî +de Stuwen. Van Wilden, waar kom jij van-daan? ik dacht dat je gestorven +was ... Zeker weêr op reis geweest ... Hè, hè, ik ben lang wechgebleven ... +Gaan we nog geen koffiedrinken, kind? Mathilde keek op haar horloge, +dat, met een dik zwart koordje in een knoopsgat van haar lijf vast zat. +Zij schrok, om dat 't al zoo laat was en ging gauw de kamer uit. Zij +kwam nog even te-rug. + +--Mag ik voor jou ook dekken, Jozef? + +--Nee, dank-je, ik zoû 't heel graâg doen, maar ik heb afgesproken om in +de club te komen. + +Wech was zij. Zij hoorden haar in de achterkamer bij het buffetje bezig. +Jozef kreeg donkergrijze handschoenen te voorschijn uit de pandzakken +van zijn jas en trok den linker aan. Hij streek zijn hoed glad met zijn +voorarm waarover hij met de hand het laken van zijn mouw strak gespannen +hield, en maakte een praatje met de Stuwen. Hij vroeg hem, of hij ook +gezien had, hoe of het stond op den Dam met het opbreken van de +gaspijpen vóor Hajenius, dat al zoo lang de passage had belemmerd. Zoo +spraken zij nog over eenige andere zaakjes.. Jozef nam daarna afscheid. +Nee, blijft u binnen, zeî hij, toen de heer de Stuwen hem wilde +uitlaten, ik zal er alleen wel uitkomen. De heer de Stuwen liet zich +gezeggen; hij was nog moe van de wandeling. Toen Jozef den knop van de +voordeur omdraaide, om het huis uit te gaan, kwam Mathilde gauw achter +uit den gang naar hem toe. Zij sprak gejaagd, terwijl zij hem met hevige +oogen aanzag: Ik heb zoo'n berouw over mijn stuurschheid van daar-zóo; +ben je d'er nog boos om? + +--Dat weet-je wel beter, zeî hij, en het was ook eigenlijk mijn schuld. +Maar hij moest het nog eens zeggen: + +--Wat zeg-je? + +--Dat ik volstrekt niet boos ben en dat ik nooit boos op jou zoû kunnen +zijn. + +--Zeg in allen geval nog niets aan vader, laat hem niets merken. Ik moet +het hem langzamerhand vertellen. En kom van avond te-rug, toe, zal je 't +doen, ja, toe, of uiterlijk morgenvroeg, dan ben ik weêr alleen, vóor de +koffie. + +--Goed, zeî hij en wilde haar voorhoofd zoenen. Maar zij ging achteruit. + +--Pas op voor Jans, zeî ze, die mag ook nog niets zien. + +Toen Mathilde weêr binnenkwam met het dekkertje en den witten broodzak, +zat haar vader uit te rusten in den leuningstoel, die in den hoek bij +het venster stond. + +--Als 't zulk mooi weêr is, zeî hij, hebben die ruiten een glans, +precies als van blinkend staal ... Ik had volstrekt niet gezien, dat van +Wilden hier was ... Was hij er al lang? ... + +--Nee, op zijn hoogst een kwartier, antwoordde Mathilde, wat ie eigenlijk +doen kwam, weet ik niet. + +--Och, hij kwam zeker maar een morgenpraatje maken vóor ie naar de club +ging. + +Mathilde zette klaar: den broodbak in het midden van de tafel met een +lankwerpig versch brood, niet aan den eenen kant een laag wit paperig +kruim, dat in een koker van korst was geborgen. Het hellende dak der +korst, van boven, was donker zwart bruin en ging, bij het zijwaards +afdalen van de korst, in een melkchocolade-kleurig bruin over, van daar +in lichter bruin, geel bruin, en de onderkant was grijzig geel, zwart +doorschemerend. Aan den éenen uithoek was ook weêr het kruim zichtbaar, +de andere was een geel bruinig rontetje, als de kin van een Indische +vrouw. Aan weêrszijde van de tafel werd een bord van glimmend wit +aardewerk gezet, een stalen tafelmesje met hard zwart-houten heft er +naast. Aan den linkerkant van Mathildes bordje schoof zij het chineesch +verlakte blaadje, waarop een flesch bessensap en twee bierglazen +stonden, een witte suikerpot en een ingeleid lepeldoosje. Vier witte +mekaar flankeerende schaaltjes, als vreeselijk groote verstijfde +rozebladen, om den broodbak heen. Op het eene was grijs onmachinaal +roggebrood, een stapeltje van zes dunne sneêtjes, want vader was er dol +op; op het tweede en stuk oranje-bruine stroopkoek, met een weeke zwarte +korst, van regelmatige ribben oversneden. Op het derde lag een log stuk +zoete-melksche kaas; op het vierde lagen zeven plakjes vettig blad-dun, +bleekrood, van gespikkeld goud beglansd gekookt rookvleesch. + +De heer de Stuwen voelde zich heerlijk thuis te midden van die kleine +burgerlijke spijzen. Hij zeî: Kom-an, laten we nu maar aan den gang +gaan. En hij ging op een door Mathilde klaar gezetten gewonen stoel +zitten, vóor het bordje. Hij was een erge liefhebber van brood en vond +het ook een aangenaam gevoel brooden te hanteeren. Hij nam het brood, +dat nu vóor hem lag dan ook uit den bak en sneed er het uit-einde af, na +er eerst met de punt van het mes een kruisje opgemaakt te hebben. Dit +was een gewoonte, die zijn vrouw hem geleerd had en die hij, ofschoon +hij niet aan de godsdienst deed, toch aan had gehouden. Hij dacht altijd +aan zijn vrouw, die streng katholiek was, als hij dit kruisje maakte. +Mathilde schonk de bessensap in. Zij wist van alles de maat voor haar +vader: zooveel suiker, zooveel bessensap en zooveel water. Door te +roeren loste zij de suiker op en gaf haar vader het glas aan. Deze vond +'t lekker koel en stelde voor een raam open te zetten, hetgeen Mathilde +deed. Een verward gegons, doormengd met een paar schrille schreeuwen van +koopvrouwen, woei naar binnen. Er rolden rijtuigen over de brug met +ratelend geraas en den matten paardenhoefslag. Muschgetjilp suizelde in +den zomerwind uit de boomen. De heer de Stuwen duwde een sneetje +roggebrood op zijn boterham, hield dezen vast met de linkerhand en sneed +hem aan vier gelijke reepjes, die hij, éen voor éen, met een tevredenheid +over het voldoen van deze zoo geoorloofde en gemoedelijke en bedaarde +lust, aan zijn mond hief. Daarna dronk hij zijn glas weekroode bessensap +tot aan den bodem leêg en vroeg om nog een glas aan Mathilde, die al met +haar hand zat uitgestrekt; terwijl een klein koeltje door het open venster +haar lichtste haren liet wuiven over haar voorhoofd, en haar bleek gezicht +beter liet zien. + +--Kind, wat zie-je bleek. + +--Ik weet niet, vader; dat is zeker om dat ik van morgen een beetje +hoofdpijn heb gehad. + +Eigenlijk was 't van geluk. Zij was wel een beetje boos op zich zelf, +over de onaangenaamheden, die zij, zij zelf kon zich nu niet begrijpen +hoe en waarom dat was gebeurd, aan Jozef gezegd had, maar dat hij +gekomen was, eindelijk na dat eeuwige wachten van die lange, lange week, +dat maakte haar erg blij. Zij wist weêr niet wat zij doen zoû van +plezier. Ze kwam op het idee, dat haar vader verbaasde, om hem, ter +gelegenheid van dit hun gewone koffidrinken, op iets extraas te +trakteeren van haar eigen geld. Zij zeî het hem; zij sprak van een +blikje sardines, een leverworst, een ommelet, een biefstukje, dat Jans +even kon halen bij den slager op den hoek van den steeg, enfin, wat hij +maar woû. De vader begreep er niets van. Hoe kwam 't in haar op? +Waarvoor die bizondere traktatie van-daag? Had ze een lotje uit de +loterij getrokken, of was 't maar een nieuw grilletje? In allen geval +bedankte hij, en zeide, dat als ze wilde, ter eere van het mooye weêr of +wat dan ook, zij voor het eten maar iets lekkers moest laten klaarmaken, +dan zouden zij samen weêr eens smullen. Nu vroeg Mathilde of de koffie +gedaan was. Zij had haast om alleen te zijn, stil boven op haar kamer. + +--Ik ga van middag naar _Artis_, Thilde, zorg dat je over een +kwartiertje klaar bent; + +--Ik woû liever thuisblijven, vader; ik heb boven nog zooveel te doen. +De heer de Stuwen was verwonderd. Het was voor het eerst van zijn leven, +dat hem zoû iets overkwam. Hé! ging ze niet meê! Maar waarom dan niet, +wat scheelde haar dan toch? Wat had zij dan nog te doen, wát? Den heele +bak met linnen te bergen, die er nog stond! Een mooye grap, kon dat dan +later niet gebeuren in plaats van vader alleen naar _Artis_ te laten +gaan, waar hij zich zeker vervelen zoû. Maar er was niets aan te doen. +Mathilde noemde nog tien andere zaken op, die volstrekt gebeuren +moesten. Vader ging alleen naar Artis. + +Mathilde was een te goede huisvrouw, om niet eerst het schoone goed, dat +al zoo lang in de stof stond, te bergen, vóor zij ging zitten teekenen +en denken op haar kamer. Terwijl ze éen voor éen de stapels lakens, +sloope en nachthemden, die nog een beetje vochtig áanvoelden en zwaar op +elkaâr lagen, in de ouderwetsche bruine kast, met een wit papier op +eiken plank, schikte, en daarna vaders overhemden een plank hooger +appart leî en zijn kousen nazag, of die ook gestopt moesten worden +misschien, dacht ze er aan, dat deze huishoudelijke drukte nog niets was +bij wat haar later te wachten stond als ze eens eenmaal getrouwd zoû +wezen. Ze woû dezelfde orde volgen, waaraan ze nu eenmaal gewoon was en +die op den duur het best beviel. Zij ging voort met na te denken over al +de groote pleizieren van het hebben en het bestieren van een eigen +huishouding. Zij deed 't nû ook wel bijna, maar 't was toch dát niet; +ten eerste moest alles gebeuren precies zoû als vader het woû, en al +dacht zij tusschenbeide heel anders als hij over allerlei dingen, zij +sprak er nooit van, maar deed, wat hij wilde; ten tweede was Jans er, +die haar had zien geboren worden en aan wie nooit in te prenten zoû +zijn, dat Thilde, die ze zoû dikwijls schoone luyers had aangedaan, en +die ze daarna zooveel jaren had zien spelen en springen door het huis, +dat Thilde nu heelemaal behandeld moest worden zoo als men het anders +een mevrouw deed; ja, Jans dorst op een heel wat hooger toon te spreken +tusschenbeide, dan Mathilde het de meiden, die zij later zoû nemen, zoû +laten doen. Zij wist wel, dat er nog in lang niet van komen zoû, maar +het zoû er toch éens van komen en ze vond 't hoogst prettig zich dat +alles nu al zoû levendig voor te stellen. Ze zouden bepaald twee meiden +houden, want Jozef zijn geld plus het hare, maakte dat zij best op zoo'n +voet zouden kunnen leven. Op deze manier zoû zij zelve ook meer tijd +krijgen voor piano-en teekenstudiën, dit hoofdzakelijk voor hem, om hem +het leven aangenaam te maken. Zij vond het zóo verschrikkelijk heerlijk +te denken aan hem, aan het leven met hem alleen, dat zij deze gedachte +voor een soort van opperst onthaal voor haar hart en hersenen bewaarde. +Zij ging namelijk door met zich in haar heele toekomstige leven in te +denken, maar zich alleen met al het bijkomende bezighoudende, met de +gracht, waar-zij een huis zouden kiezen, met de meubeleering van de +kamers, met de wasch, met de meiden, met de partijtjes, die zij geven +zouden, met den zolder, met den gootsteen, met de toiletten, waarin zij +gekleed zoû gaan en zoo meer. Een enkele keer liet zij even de gedachte +doorschemeren, die haar het meeste geluk gaf: het samenzijn en het +alleen-samenzijn met hem; zij bespaarde die stof, met glinsterende oogen +en zuchtende borst, en leî voorzichtig de overhemden van haar vader in +de linnenkast, evenals een kind eerst het bladderdeeg om een taartje +heen, opeet, om voor de laatste hap het genot van de konfituren te +bewaren. Eindelijk dan ook, toen alles geborgen was en netjes op zijn +plaats gelegd, toen Mathilde over alles had nagedacht, tot over Jozefs +garderobe en over de nieuwe soort heerenborstrokken, die mevrouw Berlage +zoo geprezen had en die Mathilde, als eenmaal de intimiteit groot genoeg +geworden zoû zijn, aan Jozef te dragen zoû geven, toen zij over de +mogelijkheid had gedacht om 's zomers naar buiten te gaan, om een hond +te houden, en ook over de brievenbus, die ze in haar voordeur zoû laten +maken, toen liet ze plotseling dat alles wech gaan, gooide al die +wezenloze dingen ver uit haar geest, dacht aan niets meer van de +omgeving, aan geen enkele bijzaak meer, maar aan hem, aan hem alleen, +aan de uren van onbeschrijfelijk geluk, die zij ver van de waereld, ver +van iedereen, tot ver van haar vader toe, in een achterkamer of zoo, +ergends, waar het ten minste schemerdonker was, waar geen geluid hen zoû +bereiken en ook de zon hen niet zoû kunnen verlichten, heelemaal alleen +samen zouden zijn. Zij voelde den stroom van het denken aan hem alleen, +die zij zoo lang mogelijk had tegengegaan, om hem de meeste kracht te +geven, met alle geweld langs alle kanten doorbreken en haar hart +overgolven. Zij wilde nu denken áan en door de kracht van haar gedachte +het nu al in den geest beleven, dat geluk van het alleen-samenzijn. +Daarbij kwam, dat er een onopgelost iets, een vraagstuk vol duisterheid, +iets, dat zij zich ten innigste bewust voelde zonder het te begrijpen, +verbonden was aan de bepeinzing van dit heerlijke onderwerp. Zij dacht +aan al wat ze hem zeggen zoû, als ze eens heel en al, zonder +te-rughouding, in volle oprechtheid, wat in haar hart omging voor hem +bloot zoû kunnen leggen en zich zonder voorbehoud van hem afhankelijk +stellen. Zij zinde er op, wat ze zoû doen, hoe ze zich zoû kunnen +gedragen, hoe zij haar eigen wezen zoû kunnen veranderen, zich +vervormen, zich liever en beter maken of wat of hoe ook ze in Godsnaam +zoû kunnen handelen, om een ongehoord bewijs, een heilige en +onbetwijfelbare bekentenis te geven van haar liefde. Wat moest ze +getuigen, wat had ze te openbaren, op dat die getuigenis en die +openbaring hem onweêrstaanbaar overtuigden, dat haar liefde zoo waar +was, dat zij het wel met haar bloed tegen een witte muur zoû willen +schrijven. Want zij had een angst. Zij twijfelde niet, geen minuut, aan +zijn liefde voor haar; die liefde moest bestaan, dit had zij al zoo lang +geweten vóor hij het zelf zeî; maar zij was er niet zeker van of hij wel +zeker was van haar liefde voor hem. Zoû haar stuurschheid van +van-ochtend niet gemaakt hebben, dat hij een beetje aan haar liefde was +gaan twijfelen? En tôch, al was dà t niet zoo, zoû ze het hem duidelijk +genoeg hebben te verstaan gegeven? Wie weet hoe of hij twijfelde, wie +weet wat een angst en verdriet of hij had. Zij vond ook zelf dat zij het +niet krachtig en duidelijk genoeg gezegd had, dat andwoord, dat hij was +komen vragen. En daarom zocht ze in haar verbeelding naar een middel om +haar liefde te zeggen, naar een daad van opoffering, die zij zoû kunnen +doen. Zij bekeek zich-zelf van top tot teen; daarna betastte zij zich. +Er moest een handeling zijn, een akte, een daad, waarin het heele +lichaam en de heele ziel zich ten innigste vereenigde om van liefde te +spreken, waarin het heele ik in al zijn onderdeelen onverdeeld zich +uitte en zeide: ik hoû van je, hier ben ik, ik hoor van jouw, heelemaal +en altijd. Zij kwam eindelijk tot het besluit, dat zij haar vader zoû +vragen, wat het huwelijk eigenlijk was. Maar dit durfde zij in 't geheel +niet zoo maar. + +Mathilde was op haar kamer gaan zitten, vóor de tafel, de handen aan +haar hoofd. Zij vroeg zich af, waarom ze zoo raar deed gedurende de +laatste week, waarom ze eigenlijk van Jozef van Wilden hield. Op haar +gemak zette zij hem in haar verbeelding en overwoog: wat er nu eigenlijk +áan hem was. Eén voor éen ontleedde zij de gedeelten van zijn gezicht en +van zijn lichaam en maakte de gevolgtrekking, dat zij niet wist wat het +was, maar dat zij alles even allerliefst vond. Hij droeg zijn haar heel +kort, met een scheiding aan den linker kant. Waar het de scheiding +bezoomde, had het een grijs-bruine kleur, die al donkerder werd, +naarmate het haar het midden van den schedel naderde. Midden boven het +hoofd was het heel donker, bijna zwart en glanzend, maar dun. Precies +zóo was 't aan den anderen kant van de scheiding. Boven zijn ooren was +het haar aan weêrszijden naar voren gekamd en rulde daar even, maar heel +even, het liet de slapen heelemaal open en leek niets op een saai +oude-vrijers-kapsel. De haargroei, vóor het oor, op die plek, waar de +blonde sprietjes bijna deden twijfelen, of zij bij het hoofdhaar +hoorden, of bij de bakkebaard, scheen daar zóo vlossig, dat het, als hij +op straat liep bij winderig wêer, leek op een uitgestrooiden zomerhalm, +zoo als men ze aan de korenvelden 's zomers op en neêr ziet gaan in den +wind. Er was een glans door het dunne haar tot over het gladde, blanke, +van twee lange, fijne, bijna onzichtbare rimpels horizontaal doorsneden +voorhoofd, en aan de slapen waren lichte schaduwen. Zijn bruin-blonde +wenkbrauwen, bewegelijk en dun, regel-matig gebogen, waren mooi over +zijn groen-blauwe oogen, waar hij Mathilde met zooveel liefde meê kon +aanzien. Zijn wangen dachten Mathilde bizonder mannelijk gekleurd met +hun somber-blanke tint, en het lichte rood onder de oogen. Zijn neus was +van voren even merkbaar in tweeën gesplitst, hij had groote +neusvleugels, tot aan de punt van den neus, die hevig bewogen toen hij +zich eens driftig had gemaakt op een avond, dat zijn geheugen hem in den +steek liet bij het voordragen van een gedicht, en ook nog eens, als zij +zich ten minste wél herinnerde, op een anderen avond, dat zij plotseling +merkte, hoe hij zonder verwikken of verwegen naar haar zat te turen. +Zijn snor was heel, heel mooi, door vergedreven verzorging schijnbaar +onverzorgd. Het was een dikke snor, die zijn heele bovenlip besloeg, +schuin naar beneden gestreken, den vorm der lip volgend en aan +weêrszijde in een groote krul naar boven gedraaid. Onder de snor was +alleen een dunne roode lijn van de onderlip te zien. Zijn mond had den +vorm van een breed naar weêrszijde uitgedrukt hart en was meestal een +beetje vochtig. Zijn kin was heel rond, al te rond, niet spits genoeg, +altijd helder geschoren. Jozef gebruikte lage liggende boorden, altijd +stijf gestreken en spierwit als postpapier. Zijn hals kwam daar fier en +flink uit naar boven, vanvoren blank, met den sterk uitkomenden +strottenbol, die Mathilde een teeken van groote mannelijkheid scheen, +half in de kinne-schaduw verborgen. Meer naar achteren werd het vel van +zijn hals rooder, tegen den drukkenden boord aan, die daar eigenlijk te +nauw was, om dat Jozef zijn hoofd altijd zoo mooi recht droeg. Hij had +nog-al breede schouders, waar zijn jas altijd heel glad en zonder éen +kreukel om heen zat, meestal zwart en donker-groen in den winter, grijs, +nu en dan lichtgrijs 's zomers. Hij droeg dassen van allerlei kleuren +maar nooit kakelbont, altijd goed en met smaak gekozen, altijd in +over-een-stemming met de kleur van zijn pak. Hij droeg heele wijde +manchetten, nooit bespat of besmet of hoe ook vies, zoo als de ingenieur +Ster ze bijv. wel eens áan had. De manchetten hingen tot laag over zijn +polsen, meestal met twee zilveren bolletjes aan een kettinkje vast. Maar +zijn handen, o, zijn handen, die had zij lief! Wat een zachte schok ging +er door haar leden, toen die handen, tintelend van liefde en +bescherming, haar schouders aanraakten of, langs haar armen strijkend, +haar polsen beetpakten, om die te omknellen, zoo als het van-ochtend was +gebeurd. Mathilde bekeek haar polsen; ze had haar braceletten nog niet +aan. Er was niets meer te bespeuren van Jozefs innigen druk. Zij had zoo +graâg gehad, dat er nog moeten te zien waren geweest. Jozef droeg +dikwijls naar voren openhangende fantasie-jasjes van uitstekenden snit. +Over zijn vest hing dan een gouden horlogekettinkje. Er was éen van zijn +vesten, waaraan zij een hooge voorkeur gaf, een vest van geel-grijs +piké, met roode, blauwe en gele spikkeltjes, met doffe paarlemoeren +knoopen. Dat vest pastte hem prachtig en stond hem zoo mooi en met maar +enkele plooyen heel van onderen. Van-morgen, toen ze bij mekaâr waren, +had Mathilde zich erg verleid gevoeld om haar arm over dat vest heen te +slaan, onder zijn jasje, en zoo zich beter aan hem te kunnen warmen en +zijn hart voor haar te hooren kloppen, maar zij had niet gedurfd. En dat +was ook beter, want zij moest zich een beetje koud toonen, meende zij. +Jozefs broekspijpen hingen wijd-uit tot dicht bij de punten van zijn +effen schoenen. Vooral de licht-grijze broek met het biesje op zij, +stond hem verschrikkelijk goed. Hij had een soort van kalm en waardig +gemak om zijn armen en beenen te bewegen. Mathilde voelde het, zij was +verliefd op zijn gang, op zijn tred, op zijn schreden; hij liep met een +losse regelmatigheid, die haar bekoorde, hij liep edeler dan haar vader, +edeler dan Ster, edeler dan alle andere heeren op straat. En dan de +manier waarop hij zijn armen bewoog! Met een eenvoudige en natuurlijke +gematigheid kon hij een deur sluiten, of een kaart op tafel gooyen, als +hij met haar vader ekarteerde! zijn stem klonk als een orgel, lief en +forsch tegelijk. Vroeger had zij over al die dingen nooit zoo gedacht, +dat was vreemd! Uit alles sprak een edel en teêrgevoel, en ook een +levensondervinding, die zeker was van zichzelf. Hij vond blijkbaar goed, +al wat hij deed, of liever, hij deed alleen dat, wat hij eerst had +goedgevonden te doen ... En hoe had hij altijd van haar gehouden ... nooit +was zij zoo ingenomen geweest met de manier, zoo als hij vroeger +tegenover haar gedaan had, toen hij uren-lang bij haar bleef, ofschoon +zij toch nog maar een kind was, en hem onmogelijk belang kon inboezemen, +wat haar inviel te zeggen. Mathilde overdreef den duur der uren die zij +samen hadden doorgebracht, zonder het te weten. Het kwam haar nu voor +als was Jozef bijna voortdurend bij haar geweest, haar kostschooltijd +uitgenomen. Hoe had hij haar geholpen met raad en daad, wat had hij een +kennis en een gave om die duidelijk in háar verstand over te planten. +Hij begreep de piano, het teekenen en het borduren; hij sprák niet +alleen over muziek, zoo als zooveel menschen, maar hij begréep ook de +muziek, hij wist haar meê te deelen, wat, van romans, de moeite waard +was voor haar om te lezen. Hij hield van dichters, zoo als zij, maar +meer van romans, zoo als zij. Zij hadden samen Walter Scott, Dickens en +een werk van Daudet doorgemaakt, en als hij voorlas, hoe hoorde zij dan +in de melodie van zijn stem, wat men bij den schrijver in den vorm van +zijn schrift zoû hebben ontdekt, had men zijn manuskript onder de oogen +gehad! Zij herinnerde zich, hoe ze op haar dertiende jaar al de groote +witte halve maan, die door het wechdrukken van het vel onderaan zijn +nagel zichtbaar werd, en de punt van dien nagel zoo blank als een stuk +ganzeveder, had bewonderd. Wat kon Jozef verder belangrijk praten, wat +had hij goede inzichten in de staatkunde van den dag! Ook droeg hij een +mooi gouden potloodje in zijn rechter vestzak, dat open en dicht werd +gehaald op een wijze, zoo als Mathilde het nog nooit had gezien. Zij had +haar vader Jozef zóo dikwijls hooren prijzen, en telkens deed haar dat +zoo'n goed! Vader vond hem een man van bekwaamheid in zijn vak, de +effekten, een ontwikkelden kop, en die later wat worden kon in de +maatschappij, die carriêre zoû maken. Vader noemde Jozefs kleeding wel +wat overdreven netjes, maar dat kwam alleen, om dat hij zelf nooit veel +smaak voor die zaken had gehad. Jozef had veel hart en veel verstand, +hij wist dat allebei goed te gebruiken wat kon men meer vragen van een +man, met wien men een gelukkig huwelijk aan wilde gaan? + +Zoo ging Jozef in Mathildes denken en verbeelden voorbij, en toen zij +hem weêr zoo duidelijk en innig bij zich had, hem naast zich voelde, hem +vóor zich zag, toen ze een kleur kreeg, om dat zoo wezenlijk zijn adem +over haar lippen ging, schrok ze op en ging met haast aan het teekenen, +waarvoor zij hier eigenlijk zat. Zij maakte gauw de stukjes verf áan met +water uit het altijd halfvuile glas en met een drift, die niet lang +duren kon, ging zij aan den gang met haar potlood en haar penceel. Zij +plooide haar lippen samen en stak er het uitgewasschen penceel tusschen, +om de gedweeë haartjes in een punt uit te doen loopen, om zoo fijne +plekjes kleur op het papier aan te kunnen brengen. Maar het schoot haar +te binnen en verraste haar onaangenaam. Jozef had haar dat likken aan +het penceel dikwijls afgeraden. Hij zeide, dat er nooit heel zeker géen +vergif onder de verf was gemengd en men dus niet kon weten. In een +begeerte, om in 't vervolg alleen te doen, wat hij graâg had, ook dan, +wanneer hij er niet bij was, nam zij het penceel tusschen haar lippen +uit, veegde die af met haar zakdoek en probeerde om tusschen haar +vingers het penceel te punten. Dit maakte haar heel tevreden over haar +zelf, en, een beetje bedaarder, kleurde zij voort. Maar zij had haar +uren verdroomd. Het sloeg half vijf op den toren in de Zandstraat en het +Paleis op den Dam begon juist te spelen. Door de zoele zomerlucht klonk +het klokkespel uit de verte haar pleizieriger tegen dan gewoonlijk. +Kling, klang, kling, klang, klang, klang, de zachttriomfantelijke wijs +van "De Koning leev', de Koning leev", speelde het klokkespel, hoog +boven de huizen. Mathildes hart klopte, want ze moest gauw gaan dekken +beneden voor het eten, en het was net of er in haar binnenste, in haar +hart, ook zoo een lief en luid klokkelied werd gespeeld. + +In de trapkast was alles doodstil. Heelemaal beneden gekomen, hoorde +Mathilde Jans rommelen met stoelen en borden. Zij slofte juist te +voorschijn. + +--Ik was maar gaan dekken, jufvrouw, zeî ze, ik dacht, dat u 't zeker te +druk had boven. + +--O, dank-je, laten we 't nou maar samen verder doen. + +Het siste in de keuken; een geur van gebraden ossevleesch zweefde door +den gang. Vader zat in de voorkamer In een boek te lezen. + +--Wil u van-middag ook maar weêr hÃer eten, vader? vroeg Mathilde, het +is hier veel lichter als achter. + +--Heel goed, kind, zoo als je wilt. + +En zij zaten samen in stillen vrede en genoegelijken kout, zoo als +altijd. Mathilde had het extra schoteltje vergeten. Buiten was het volle +dag, zoo licht, als om twee uur 's middags, maar de zonnehitte was +getemperd en zachte zomerkoeltjes dartelden met het tafellaken. De heer +de Stuwen vertelde van allerlei dingen, die hij in _Artis_ gezien had; +Mathilde was bizonder lief voor haar vader. Toen de heer de Stuwen naar +bed ging, om elf uur, dacht hij wat heb ik toch een aangenaam en +vreedzaam leven. Wat passen wij goed bij mekaâr, Mathilde en ik! + +Toen Jozef van Wilden van Mathilde van-daan-ging, was hij door de oude +Doelenstraat en de Damstraat naar de Club gegaan. Hij keek, onder den +naar vorengebogen rand van zijn zwart zijden glimmenden cylinder-hoed +door, recht voor zich uit, over de voorbijgangers heen. Tusschenbeide, +als hem een mooi gekleed meisje voorbijging, beblikte hij haar in de +schuinte en liep verder, met zijn kalmen, regelmatigen pas, de voeten +naar buiten buigend bij iederen stap. Het witte voorportaal van het +sociëteitsgebouw doorgaand en de trappen op, zonder gedruisch, voelde +hij duidelijk, dat hij veel van Mathilde hield. + +Hij was in der tijd, als jonge man van drie-en twintig jaar, bij den +dood van zijn vader, die hem het effektenkantoor had nagelaten, de +Stuwen, waar zijn vader hem al voor jaren meê in kennis had gebracht, +blijven bezoeken. Mevrouw de Stuwen leefde toen nog, en er werden nog al +eens gezelschapsavondjes gegeven. Hij was ook altijd aangetrokken +geweest door dat aardige kind, die Mathilde, die hem zoo graâg haar +vriend noemde en niet van hem af was te slaan, had hij eenmaal den +drempel van het huis op den Oudezijds Achterburgwal overschreden. Hij +hield van kinderen, tot van dertien-en veertienjarige jongens en +meisjes toe, maar ouder niet. Hij was een goede jongen, volstrekt geen +kwaad of menschenhatend charakter. Hij had zich laten overhalen tot een +"vasten en eeuwig durenden" vriendschapsband met Thildetje, die weinig +vriendinnen had. De de Stuwens waren zoo-wat de eenige familie, waar hij +aan huis kwam. Hij verkeerde niet in aanzienlijke kringen. Zijn +grootvader had al in effekten gedaan te Utrecht, zijn vader had het +kantoor van daar naar Amsterdam verplaatst, waar hij geen verwanten en +weinig kennissen had, maar beter kans zag om zijn zaak uit te breiden. +Dit was hoofdzakelijk gebeurd op aandringen van Jozefs moeder, die +stierf een week vóor zij voor goed naar Amsterdam zouden gaan. Het +verplaatsen van de zaak had niet veel gegeven, want de oude heer van +Wilden was een man zonder veel initiatief; deze eigenschap liet hij ook +zijn zoon erven, die de zaak, met den ouden vertrouwden boek-en +kashouder aan 't hoofd, op zijn gemak en op denzelfden voet bleef +drijven. Jozef had eenige vrienden onder de koffiehuis-jongelui gevonden, +was eindelijk lid geworden van de club. Nu ging hij meestal in den morgen +een groot uur naar het kantoor, griffelde daar het een en ander met zijn +gouden potloodje, bracht van kwart voor tweeën tot kwart voor drieën zijn +tijd op de beurs door, na op zijn bovenhuis of in de club gedejeuneerd te +hebben, bitterde dan, dineerde ergends en ging 's avonds naar de komedie, +naar een koncert, of biljarten, of bij een van zijn vrienden zitten praten. +Hij hield er een mentineetje op na, zoo om de twee jaar éen, heel kalm, +heel matig. Op 't oogenblik was hij met zijn huishoudster, een dertigjarige +gewone blondine, zonder uitstekende voortreffelijkheden. Eerst éens, toen +tweemaal in de week, ging hij de Stuwen 's avonds gezelschap houden, 't +werd namelijk tweemaal na den dood van mevrouw de Stuwen, toen de Stuwen- +zelf 't ook erg eenzaam had. De familie van Riet, kennissen van de Stuwen, +waar Emilie Hartsen, een wees, bij aan huis woonde, had hem ook gevraagd, +maar hij bedankte, hij had aan de Stuwen en Mathilde genoeg. Dat hij zoo +betrekkelijk dikwijls de Stuwens gezelschap opzocht kwam van de verveling, +die hij door-elkâar tweemaal in de week ondervond door het uitsluitend +omgaan met de clubleden. Van zijn vader had hij een hoeveelheid goedaardige +degelijkheid georven, die nu en dan bovenkwam. Hij ging dan praten met +de Stuwen die wel liberaal-katholiek was, zoo als hij zelf ook, maar +toch over allerhande zaken veel burgerlijker en ook veel zedelijker en +gematigder denkbeelden had dan de jongelui. Jozef praatte ook graâg eens +rustig en had hij een inlichting in zaken noodig, dan was Mathildes +vader de ware man, om zich toe te richten; eens zelfs had hij Jozef, die +een verkeerden slag geslagen had en daardoor lichtelijk in geldnood was, +bijgesprongen. Jozef sprak met de Stuwen alleen over heele zedige +uitgangetjes en andere pleizieren en wist zich met zijn bedaarde +gepozeerdheid bizonder degelijk voor te doen. Jozef was zich ook, in een +goede aandrift van zijn hart, hoe langer hoe meer met het moederloze +dochtertje van de Stuwen gaan bezighouden. Hij bezocht haar, ja dikwijls +uitsluitend háar, nu ook wel 's middags, en hielp haar voort met al haar +liefhebberijen en dingetjes. Jozef had een goeye opvoeding gehad. Ook +wist hij nog al wat van boeken en had hij een natuurlijke gave om het +een of andere idee, dat een jong meisje moest behagen, langs den meest +beminnelijken weg voor te stellen en ingang te doen vinden, meende hij. +Het waren geen diepzinnige vraagstukken van levensbeschouwing of +wijsbegeerte zoo zeer, die hij in zijn gesprekken met Mathilde te pas +bracht, toen zij wat ouder werd en vooral na haar te-rugkeer van de +kostschool, het waren veel meer allerlei zaken van gevoel en verbeelding, +hij wist de muziek uit te leggen, dat is te zeggen: aan te duiden welke +hartstochten of welke gedachten die en die melodie uitdrukten, hij wist +op de schoonheid der lijnen en kleuren van teekeningen en op de +bevalligheid van borduurpatronen te wijzen. Het waren ook allerlei dingen, +die zij om hen heen opgemerkt hadden, die zij elkaâr toevertrouwden; zij +nam alles altijd dadelijk aan, wat hij zeide, en zij lachten samen +dikwijls erg hardop. Zij hadden in het dagelijks leven, bij een wandeling +op straat of in de houding van huisgenoten of kennissen, dit of dat voor +het eerst gezien; zij dachten zus of zoo over het leven, over de liefde, +de angst, de droefheid, het vergaan of het eeuwig voortbestaan van dit +leven, enz. Zij lazen samen Allard Pierson, J.J.L. ten Kate, en zoo meer. +Het hechtte Jozef zelf aan ernstige bezigheden, ook buiten de zaak om, +dat verkeer met Mathilde. Hij merkte het wel. Buitendien, van een +anderen kant beschouwd, hield niemant zooveel als hij van luidruchtige +frissche jeugd en opbruisend leven; van toen zij nog heelemaal een kind +was af, was hij aan Mathilde gewoon geraakt en 't was een behoefte voor +hem geworden haar dikwijls te zien. Hij had haar ontwikkeling van 't +begin tot het einde bijgewoond. Toen ze als een jong-meisje van de +kostschool te-ruggekomen was, had hij wel zeer verbaasd staan te +kijken en was hun verhouding wel zeer verkoeld geweest, ook om dat ze +hem zoo weinig had geschreven, maar langzamerhand had de oude gewoonte +van gemeenzaam verkeer weêr ingang gevonden en de overhand gekregen Zij +waren gauw weêr de beste vrienden, ofschoon ze ook mekaâr in 't begin +halsstarrig "mijnheer" en "jufvrouw" bleven noemen. Er hadden nu ook bij +de Stuwen aan huis weêr de oude muzikale avondjes plaats, die bij het +overlijden van mevrouw de Stuwen òp hadden gehouden. Mathilde behaalde +bij dezen gelegenheden triomf op triomf door haar buitengewoon +ontwikkeld pianotalent. + +Jozef was eens op een goeyen morgen voor den spiegel gaan staan, was +gaan denken, dat hij in de dertig was, dat hij gisteravond toevallig een +betrekking had afgebroken, die hem toch al lang verveelde, en nu maar +volstrekt woû gaan trouwen. Hij wilde een rustig leven hebben en een +vriendelijke goede wettige vrouw. Hij wilde wel trouwen en getrouwd zijn +en een goeye huisvader worden, maar zijn vrouw moest een persoonlijkheid +wezen, die hem ruimschoots vergoedde, wat hij verloor. Het was een van +zijn lievelingsdenkbeelden een vrouw aan zijn zijde te zien van hooge +gestalte, niet te klein, die zich elegant kleedde, altijd gezond en +vroolijk was, geen bekrompen gedachten had over godsdienst, en het leven +in 't algemeen eenigszins breed opvatte; Buitendien moest ze een mooi +lichaam hebben, niet te mager, en veel zindelijkheid en al de +hoedanigheden van een aangename gastvrouw voor als ze eens een partijtje +gaven. Zij moest ook graâg uitgaan en graâg veel van het leven genieten, +zij moest iets Parijsachtigs over zich hebben en zich in alle opzichten +uitstekend weten te gedragen. Verder mocht liefhebberij voor muziek, wat +lectuur, enz., haar niet ontbreken. + +--Meermalen had Jozef voor zijn vrienden op die manier de vrouw +beschreven, van wie hij zeker wist een goede trouwe echtgenoot te zullen +zijn en met wie hij stellig een gelukkig leven zoû hebben. + +Het lag zoo verbazend voor de hand, dat Mathilde de Stuwen, daar hij +zooveel meê omging, het aan al deze eischen beandwoordende meisje was, +dat het hem nog nooit in was gevallen aan háar te denken. + +Maar langzamerhand was het hem uit alles, uit den toestand, waarin hij +en zij verkeerden zelf, duidelijk geworden, dat niemant anders dan +Mathilde toch zijn vrouw zoû kunnen worden. Toen hij daar het eerst aan +dacht, had hij een lichte kleur gekregen van pleizier over deze +gelukkige ontdekking. 't Was óok in de club geweest, hij zat ook juist, +zoo als op 't oogenblik, in de in dit vroege uur nog leêge groote +benedenzaal een halven biefstuk met gebakken aardappelen te eten, die +hem toen ook gebracht was door Henri, denzelfden knecht van nu. + +Toen Jozef eenmaal besloten had Mathilde het hof te maken, was hij zich +af gaan vragen, of hij van haar al niet vroeger-al gehouden had. Hij +dacht nu van ja: zonder 't zelf te weten, had hij haar liefgehad. Hij +nam zich dan voor die liefde zooveel mogelijk aan te wakkeren in zijn +eigen binnenste, en daarna aan de Stuwen Mathildes hand te vragen. Maar +toen hij er zoo over peinsde, of die liefde voor haar al vóor dien dag +bestaan had in zijn hart en van-já dacht om dat hij zich herinnerde, +hoe-of hij zich altijd tot dat huis van de de Stuwens aangetrokken had +gevoeld, trof het hem op-éens als iets heel zonderlings, dat hij nooit +in Mathildes gezelschap, al zat of stond hij vlak bij haar al raakte +zijn schouder haar schouder, zijn been haar japon, zijn arm haar rug, +zijn hand haar hand, dat hij nooit, al zaten ze uren lang met mekaâr aan +de een of andere bezigheid bij de kachel 's winters of 's zomers voor +het open raam, als buiten de zon gloeide, dat hij zich nooit erg naar +haar had voelen verlangen. Hij had zelfs nooit uitvoerig de +hoedanigheden van Mathildes lichaam overwogen, nooit in haar +gewaardeerd, wat hij en zijn vrienden, als ze over vrouwen spraken, +altijd in de eerste plaats bedoelden. Hij vond dit erg vreemd, maar was +overtuigd, dat het verlangen na zijn voornemen van hofmakerij, nu ook +wel komen zoû. En hij deed zich geweld aan. Hij probeerde haar op alle +manieren lief te krijgen en hij begon te merken, dat zij van hem +misschien al-lang hield, zonder er ooit iets van te laten merken. Als +hij nu bij haar was, probeerde hij door háar net zulke indrukken bij hem +te weeg te doen brengen, als de andere vrouwen deden. Wanneer zij, op +een avondpartijtje bij haar vader of soms 's zomers als het snik heet +was, een lager uitgesneden japon droeg, bleef hij naar haar hals kijken; +hij oefende er zich in haar kin en haar keel zóo te bekijken, dat hij +den wensch kreeg ze te betasten; hij wilde het zoover brengen, dat hij +al koud werd als hij haar hand in de zijne had. Hij leî er zich op toe +om door haar geheel ingepakt te worden. Hij bestudeerde haar, om uit te +vorschen, waar wel in haar wezen de begeerte-magneet zoû te vinden zijn, +hij zocht die als een verborgen kleinood in de boekjes van haar kleed, +tusschen de donkere plekjes van haar haar. Hij wilde dat als haar rok +over zijn schoenen ging er een tinteling door zijn dijen zoû gaan, dat, +als haar mouw over de zijne streek, er een vuur door zijn arm zoû +gloeyen. Maar, wat hij ook in 't werk stelde, het kwam niet. Maar juist +toen, dit had hij later wel ingezien, had zij haar invloed op hem +gekregen. Wanneer hij gedachteloos over den weg keek, was zij toch maar +in zijn verbeelding. En kon hij 's nachts niet slapen, dan scheen het +alsof zij in de kamer rondwandelde. En met klimmende zekerheid kwam er +begeerte naar haar in hem op, een begeerte, die weinig gemeen had met +zijn gewone wellusten. Hij begon een onweêrstaanbaar verlangen te +voelen, haar te omarmen, haar te bezitten zonder toch dat er een lager +gevoel bij hem aanwezig was. Hij wenschte iets als een gezonden en +innigen band, een hoogere en meer edele wellust. Hij werd zich bewust, +dat hij bij haar, ook haar ziel, haar hart zoû binnendringen. Dit deed +hem naar haar zuchten als naar een heilige bezitting. Zoo stelde hij +zichzelf de zaken voor. + +Hij vond haar ook zoo gezond en zoo levenslustig, dat hij zich een +uiterst aangenaam huwelijk met haar voorspelde, dat met-een een +gelukkigen ommekeer in zijn wel wat eentonig wordend jonge-heeren-leven +te weeg zoû brengen. + +Zoo was alles gegaan, zoo had hij haar onverhoeds, dien avond midden in +het gezelschap, zijn liefde verklaard. Van-morgen nu werd zijn vraag zoo +voldoende beandwoord, dat hij in een bizonder prettige stemming +tengevolge verkeerde. Hij dronk een extra half-fleschje wijn, bordoo. +Hij vond het mooi van haar en het verhoogde zijn genoegen, dat zij bij +al haar goede eigenschappen ook fierheid bleek te hebben, want het kwam +nu uit, anders had ze hem niet zóo aangedaan ontvangen, dat zij al-lang +van hem hield, en nooit had zij daar iets van laten merken. Dit was fier +gehandeld. En, zich verzadigend aan de overweging van den mooyen slag +door hem geslagen, zag hij door de spiegelruiten de onverschillige +menigte door de Kalverstraat op en neêr loopen. De zaal om hem heen was, +achter het waas van zijn gedachten heen, langzamerhand voller geworden, +levend van zachte praatgeruchten en stilgebarende lichamen. Jozef had +het beursuur laten voorbijgaan zonder te denken dat het al zoo laat was. + + + + +III. + +Stilletjes zomerden de dagen voort in het huis van de Stuwen. Jozef +bleef zijn gewoonte houden om twee-maal 's weeks daar een avondje door +te brengen. De gevoerde gesprekken waren dan schijnbaar hetzelfde +gebleven en betroffen dezelfde onderwerpen als vroeger; de heer de +Stuwen en Jozef voelden zich altijd even goede vrienden. Mathilde zat, +als zoo altijd, meestal zwijgend, nu en dan een enkel woord meêsprekend +bij de heeren, met haar borduurwerk of romans, thee zettend en wijn +schenkend. Er werden ook nog avondjes met meer menschen gegeven, maar +minder dan eerst; uit zich-zelf kwam de heer van Stuwen nooit op zulke +dingen en, en het bleek, dat Mathilde lang zoo erg niet meer op zulke +extraatjes was gesteld als vroeger. Zij wilde in den eersten tijd van +hun liefde Jozef zooveel mogelijk voor zich alléen houden. Wat een +ingrijpende en heerlijke verandering dan ook in de verhouding tusschen +Jozef en haar, heerlijk, juist om dat hun betrekking onveranderd in +denzelfden vorm scheen te blijven voortduren zoo als zij vroeger was. +Daar Mathilde nog volstrekt maar niet besluiten kon haar vader in 't +geheim te nemen en juist door het onophoudelijk denken over dezen +moeyelijken stap, dagelijks meer besefte, hoe innig haar vader en zij +aan-een-gesloten waren, had Jozef in geenerlei opzicht de gelegenheid +zich te gedragen zoo als een fatsoenlijk heer, die verliefd is en wiens +liefde door wederliefde beandwoord, pleegt te doen. Hij kon uiterst +zelden met zijn aan-staande alleen zijn, mocht haar nooit een cadeautje +maken en weken gingen voorbij, zonder dat hij zijn liefde anders kon +laten merken, dan in den langeren handdruk en in de ontmoeting van hun +oogen, die plotseling warm werden en vreemd en verlegen mekaâr aankeken +in oogenblikken, dat de heer de Stuwen even wech was gegaan of de +koerant las. Jozef beviel deze onthouding ondertusschen volstrekt niet, +zijn ongeduld vermeerderde met den dag. Hij begreep ook niet hoe deze +toestand een einde zoû nemen. Maar Mathilde was het nog in 't geheel +niet met zich-zelf eens geworden, wat haar te doen stond, om een +oplossing te verkrijgen. Als haar oogen, terwijl haar vader met Jozef +druk aan 't spreken was en over politiek of andere dingen van den dag +redeneerde, Jozefs oogen en voorhoofd kusten, dan wilde zij zich-zelf +dwingen in-éens een besluit te nemen, den knoop door te hakken, haren +vader alles te zeggen, en verder van de omstandigheden af laten hangen, +hoe de toekomst wezen zoû. Of vader met hun samen zoû komen wonen, dan +wel of zij ieder afzonderlijk zouden gaan wonen, dat kon zij nog niet +beslissen. Wie weet, dacht zij, wat er op gevonden zal worden. Wie weet, +welke uitnemende schikking er mogelijk zal blijken. En de woorden +dringen op haar tong naar voren en branden door haar lippen. Maar +plotseling bedacht zij zich weêr. Nee, het kon nog niet, onmogelijk. Zij +moest vooreerst wachten. Het sámenwonen mocht zij zich nu al als zeer +goed denkbaar voorstellen, zij wist wel, dat bij nadere nagedachte, toch +altijd de onhoudbaarheid er van bleek, om de redenen, die zij zich-zelf +al zoo dikwijls herhaald had, en toch weêr telkens wech wilde cijferen. +En dat vader alleen zoû wonen, daar kon zij zelfs geen oogenblik aan. +denken. Gedurende de laatste weken nog had hij geklaagd over een +pijnlijke stijfheid in zijn linkerarm en bijna door zijn heele linker +zij. Moest zij hem dan niet helpen, hem verzorgen op alle mogelijke +manieren, alles voor hem in orde maken en klaar zetten? Had hij niet +menigmaal gezegd, dat zij alleen er was als het zonnetje, om den avond +van zijn leven te vervroolijken? Neen, duizend maal, zij kon hem niet +aan zijn lot overlaten, het mocht niet, het ging niet, het zoû niet +zijn, hoe Jozef ook aandrong, wat hij ook zeî om haar te overtuigen. +Mathildes besluiteloosheid kwelde haar-zelf het meest. Was zij overdag +eens in haar eentje thuis, dan kon zij soms plotseling met een stofdoek +of borduurnaald in de hand vijf minuten lang in 't midden van de kamer +stil blijven staren, de oogen droomerig naar den wand, of wel bleven op +eens haar handen uitgebreid boven de toetsen liggen, midden in een +melodie, die zij speelde en dansten de muziekbalken voor haar gezicht. +Telkens deden in den zelfden vorm de zelfde vragen zich voor aan haar +verstand en telkens werden zij onopgelost weêr wechgezucht. Het maakte +haar moei, het maakte haar verdrietig, die eentonige hinderpaal voor +haar geluk. Was Jozef een enkele maal met háar alléen in aanraking, liet +zij hem in, als Jans de deur uit was, ontmoetten zij mekaâr onder aan de +trap of bij de deur van het zaaltje, dan vroeg zijn eerste blik altijd; +zijn wij nu nog geen stap verder gekomen? dan fluisterde hij haar +smeekend toe, dat zij moest bedenken, hoe zijn lot in haar handen was, +hoe ze hem niet langer zoo treurig en ongelukkig mocht laten. Andwoordde +zij hem dat er nog niets gebeurd was, dat zij niet wist wat te doen, dat +zij nadenken, dat zij zien zoû, dan drukte hij haar hand, leî zich +zachtzinnig bij haar voortdurend aarzelen neêr, maar zag haar aan met +een vaste hoop in den blik, dat zag zij duidelijk. En juist het +denkbeeld, dat ze hem de volgende maal weêr te leur te stellen zoû +hebben, dat hij er zoo onder leed en er toch zoo gelaten bij bleef en +zich nooit boos maakte, dit verergerde haar inwendigen strijd met den +dag en versterkte haar liefde. Zij stond onophoudelijk tusschen twee +vuren. Nog nooit had zij zoo'n hevigen inwendigen strijd gehad. 's Middags +had zij er wel eens hoofdpijn van. De gehechtheid aan haar vader +was meer een ingegroeid en onuitroeibaar plichtbewustzijn, dat zich niet +openbaarde door allerlei nieuwe en vurige gewaarwordingen, maar, als een +oud gedeelte van haar innigste natuur, onverstoorbaar zijn altijd even +zekeren invloed deed gelden, terwijl daarentegen haar hartstocht voor +Jozef als een heel nieuwe zijde van haar leven, aantrekkelijk en +machtig, zich vertoonde, overal door haar gemoed en haar verbeelding +heen. Alles wat zij voelde, dat er in het leven bevallig, lichtkleurig +en rijk was, ridderlijk, edel, schoon en zwierig, verpersoonlijkte zich +in Jozef. Sedert zijn liefdesverklaring was hij in haar heelemaal nieuw, +groot en heerlijk. Zij zag in hem de kracht en het vernuft, in hem dat +veelvoudig aanlokkelijk wezen, wien het haar als opperste roeping en +opperst genot zoû gegeven zijn haar leven ten offer te brengen. Het +denkbeeld van tot hem op te gaan, van tot hem in te gaan, van haar wezen +in zijn wezen te verliezen en haar zelf, door het zich vereenzelvigen +met hem vervormd, als een gedeelte van zijn individu, te-rug te vinden, +klampte zich vast aan haar hart, kankerde zich in een hoekje van haar +hersens en vermengde zich met haar bloed. Het verrukte haar, dat, +wanneer ze 't bedaard naging, hij geen enkele uitstekende eigenschap +had, hij niets buitengewoons gedaan had in de wereld, hij door geen +heldendaden bekend stond, geen epopeeën had gedicht, door geen +uitvinding zich naam had gemaakt, niemant hem voor een eersten denker +hield, geen sterveling hem een heilige zoû noemen, en dat zij toch zoo +oneindig en boven alles en allen van hem hield, en dat het háar toch +scheen, als was hij de grootste mensch, die ooit had bestaan en de +eerste van zijn tijdgenooten. Want, want hij had meer gedaan dan al de +helden en grooten, die zij had hooren prijzen, hij had háar liefgekregen, +zij was door hem gekozen tot zijn vrouw, en zij, dat was zij-zelf. Háar +had hij ontdekt, dat was zijn uitvinding, háar had hij veroverd, dat was +zijn heldenstuk, toen hij zeî: "ik heb je lief", en eergisteren: "wat +ben je mooi", maakte hij zijn groot gedicht. + +Haar verbeelding was altijd met hem bezig. Zooals zij over-dag over hem +nadacht, zoo droomde zij 's nacht van allerlei rare gevallen, waarbij +hij te pas kwam. Zij dacht altijd aan hem, zij voelde zich hoe langer +hoe meer door hem in bezit nemen. Wanneer zij tusschenbeide niet in +slaap kon komen, gingen er door haar lichaam vreemde huiveringen. Er +ging b.v. als een aangenaam vergift, dat heer bekroop, een koud gevoel +van haar voeten, door haar beenen, onderlijf en borst, tot in haar keel. +Soms, wanneer zij in haar droom in een teêre en zwaar-drukkende +omhelzing met hem was geweest, schrikte zij wakker, met een ongekend en +angstig hijgen; haar onderlijf kromde zich naar boven, tegen het +wezenloze dek. In andere uren weêr vulde hij haar denken als iets +ideaals, dat niemant aan kon raken, dat niet van stof was, een lichtend +waas, met een hoofd alleen van menschen-stof, een muziekvlaag, die doffe +en weelderige geluiden rondblies, een vreemdeling, die zij nog nooit had +gezien, maar haar plotseling als een ouden bekende voorkwam. + +Toen er altijd meer dagen voorbijgingen, altijd de zelfde, maakte Jozefs +wezen, dat altijd bij haar bleef, haar wezenlijk ongerust en beangst. +Als ze hem ontmoette, bij zijn regelmatige bezoeken, en zij hem alleen +sprak of in zijn oogen kon zien, was hij altijd even zacht en kalm, +altijd dezelfde vriendelijke blik, het zelfde geduld. Maar dat hij bij +haar was zonder dat zij arm in arm zaten, scheen haar toch ongehoord. En +om dat zij zelve zoo onder het onophoudelijke uitstel leed, verbeeldde +zij zich, dat hij 't was, wiens gezicht kenteekenen van stilzwijgend +ondergaan verdriet vertoonde. Zij dacht opkomende bronskleurige kringen +onder de oogleden te zien; hij was valer van kleur dan anders, dacht +zij. Maar toch, als hij bij haar was, stelde zij zich gerust, maar in +zijn afwezigheid, vooral als zij met zich-zelf alleen was, was zij bang, +bang voor hem. Liep zij in de donkerte de trap op, dan hoorde zij +plotseling zijn stem, die iets onverstaanbaars zeî. Zij zag om, en hij +was er niet. Kwam ze op haar kamer, dan hoorde zij zijn stap, zijn +lieven, welbekenden stap achter haar, zij zag om, en er was niemant. Zij +zag hem in haar slaap haar vermanen, haar de eene keer ernstig en +nederig, de andere keer driftig en met geweld, en dan weêr eens koortsig +en in razernij verzoeken, gebieden en dwingen hem gehoor te geven en +niet langer te dralen. Hij deed nu en dan zoo woest en wild tegen haar, +en maakte zoo een misbaar, als hem in werkelijkheid nooit gebeuren kon. +Soms naderde hij haar met opgeheven vinger en met een gezicht zoo akelig +wit en dreigend, dat zij te-rugschrok en op 't punt was hem alles toe te +geven. Een andere keer lag hij weêr op zijn knieën vóor haar, en keek +haar zoo teeder en zoo trouwhartig aan, dat zij niet langer aarzelen +kon. Wanneer zij hem dan weêr in levende lijve ontmoette, den dag +dikwijls, die volgde op zulk een akeligen nacht, of het uur volgende op +zoo een geheimzinnig uur, en hij kalm met haar vader zat te praten en +haar met zijn gewone eerbiedige liefde bejegende, dan verwonderde zij +zich, dan verzette zij zich met wrevel de overdrevenheid van haar hare +droomen. Dan nam zij weêr het besluit voorloopig haar lieven bejaarden +vader trouw te blijven. Daar zat hij met het goedaardige grijzende +hoofd, met de dunne fijne, licht-roode lippen, met zijn eenigszins laag +voorhoofd en bleeke blauwe oogen, met zijn magere, 's winters van +tallooze aârtjes doortrokken handen, niet zijn greinen huisjasje of +grijswollen sjamberloek, zijn hals een beetje naar voren gebogen, een +beetje beverig in zijn vingers bij de minste ontroering, zijn beenen +meestal over mekaâr, en met zijn groote witte linnen zakdoek, waarvan +een puntje uit een van de zakken van zijn pandjasje piepte. Hij had een +ouderwetsche gouden ketting over 't zwart-lakensche of donker-grijs +kamgaren vest hangen, een dunne gouden ring, zijn trouwring, aan zijn +rechter wijsvinger. Daar hij veel van zindelijk hield, deed hij elken +dag een schoonen boord en een paar schoone manchetten aan, van oud +model; onder den boord een frissche zwarte das; Mathilde kocht er om de +twee maanden een nieuwe voor haar vader. De heer de Stuwen had heele +mooye gave witte regelmatige tanden, maar die bijna nooit te zien +kwamen. Er was iets schalks in zijn rond neusje en in zijn wenkbrauwen. +Ook maakte hij een enkele keer een grapje: de een of andere opmerking +over personen of voorwerpen, die hij een beetje bespottelijk vond. Hij +was nu vier-en-zestig jaar, maar, om dat hij vroeg oud was geweest, had +Mathilde hem altijd gekend, zooals hij er nu uitzag, waaruit zij met +blijdschap opgemaakt had, dat haar vader maar niet verouderde. De heer +de Stuwen had, zoolang het haar heugde, iets hulpbehoevends over zich +gehad, hij was nooit graâg alleen, hij had een alles beheerschende +behoefte aan gezelschap, aan weinig, stil, hem toegedaan gezelschap. Hij +had ook iets vreesachtigs in zijn natuur; voor een kleine ongesteldheid +was hij bang als-of 'r een zware ziekte was. En zwierf Mathilde niet +onophoudelijk om hem heen, om hem van al te voorzien, dan klaagde hij +steen en been. Was hij gezond, dan kon hij meer aan zich zelf +overgelaten worden en ging hij uren alleen wandelen. Maar van zijn vader +had hij een soort verhardingszucht overgenomen, bij het schuchtere +gestel, dat hij van zijn moeder had, hem verkoudheden en rheumatiek deed +oploopen. Dan ging hij uit, tusschenbeide in 't midden van den winter, +met een demi-saison alleen aan, of heel in het begin van de lente, of +als de herfst al gevorderd was, zóo maar, in zijn gewoon huispakje. +Mathilde had dan al mooi knorren, hij gaf haar een zoen, maar beterde +zich niet. Hij was overigens in alles, een redelijk en punktueel man. +Hij was wel wat zuinig, maar nooit in 't belachelijke. Hij zorgde goed +voor zijn geld, ging met veel nauwkeurigheid den loop der effecten na en +knipte geregeld zijn koeponnetjes af. Hij las in zijn leêge uren Duitsche +klassieken en allerhande werken over natuurkunde. Hij was geabonneerd op +een matig-liberale koerant en op verscheiden geïllustreerde tijdschriften. +Ook kocht hij wel eens een prachtband, of teekende in op een uitgave, die +langzaam bij afleveringen verscheen en een kostbaar geheel zoû worden. +Van Mathilde hield hij verschrikkelijk veel. Zij was voor hem de levende +herinnering aan zijn vrouw, waarop Mathilde in-en uitwendig veel leek. +De dartele vroolijkheid, de luidruchtigheid, die Mathilde soms aan den +dag leî, haar zorgzaamheid en goede hart bracht hem altijd zijn vrouw in +herinnering. Hij dacht altijd zonder de levensvreugde en steun, die +Mathilde hem gaf, niet te kunnen leven, en hij hoopte maar te sterven, +vóor zij van mekaâr zouden scheiden. Deze gedachte vervulde hem vroeger +meer dan nu, toen Mathilde pas van kostschool kwam, met eenige wereldsche +ideeën, en gedurende de eerste zes weken van niets anders sprak dan van +trouwen met een mooyen en rijken meneer. Want Mathilde was, naast deze +trouwlust, toch dadelijk begonnen met zich aan hem te wijden. Maar na zes +maanden was zijn angst wech. En nu, sedert een jaar, kwam de gedachte aan +een mogelijk huwelijk van haar, uiterst zelden bij hem op; hij had zich +zoo aan haar gewoon gemaakt, dat het denkbeeld "scheiden" was verdwenen. + +Mathilde-zelf wist heel goed hoe of het met haar vader was op dit punt. +Zij wist alles en begreep alles. Zij zag dat oude leven aan haar jonge +leven aangeweven en in haar bestaan vastgevlochten. Zij besefte ten +innigste hoe weinig hij haar bijzijn missen kon. Als hij haar met zijn +zwakke oogen aankeek, dan zag zij daarin een verzoek om hem niet alleen +te laten, en flikkerden die zwakke oogen op van pleizier, als ze hem een +zoen gaf, dan zag zij daarin een dank, omdat zij nog niet was heengegaan. +Bovendien voelde Mathilde hoe haar heele verleden, haar heele jeugd haar +aan haar vader verbond. Jozef had zij ook wel altijd gekend, zelfs +wanneer zij aan de schitterendste uren dacht, die zij had doorgebracht, +was hij alléen daarbij te vinden; maar zij had toch nooit met hem in éen +huis gewoond. Dit gaf toch nog altijd iets vreemds, iets als niet van +dezelfde familie zijnde, tusschen hen beiden. Maar van haar vader hield +zij, om dat zij van zijn bloed was, om dat hij altijd en altijd daar had +gezeten in die achterkamer, als een dierbaar levend stuk huisraad. Zij +was zóo gewoon hem het eerste te zien 's ochtends en het laatste 's +avonds als zij naar bed ging, zij zoû voor geen geld van de wereld +hem geen morgen-en nachtzoen gegeven hebben! Daarbij kwam het +hulpbehoevende karakter van haar vader haar zucht om óp te passen en +zorg te besteden te gemoet. Jozef, zoo krachtig en zelfstandig, was een +heel ander man, Bij hem geen sprake van pantoffels warmen, sjamberloek +klaar leggen, bizondere spijsjes bereiden, denken of het niet te laat +werd of te druk om hem heen, tabak vochtig houden, peluw opschudden of +warm scheerwater naar boven sturen, bezigheden, die haar allen om 't +zeerst lief waren. Neen, zij zoû geen afscheid van haar vader kunnen +nemen, dat groote kind, dat haar heele moeder-natuur innam. + +Zoo verliep zachtjes de tijd en waren de eerste dagen van September +gekomen. Mathilde liep droomerig door het huis en met zuchten ging zij +de kamer uit en in. Zij zong weinig meer in haar eigen en haar +pianostudies waren nog maar werktuigelijk. + +Jozef was in den laatsten tijd vol attenties. Hij stuurde Mathilde +bloemen, ofschoon de bloementijd bijna gedaan was. + +Het was een van de laatste mooye herfstdagen. Behalve de bloemen had +Jozef tegenwoordig nog allerlei ideeën om Mathilde en haar vader +pleiziertjes aan te doen. Zoo kwam hij ook nu 's morgens om elf uur +aanschellen, en deed het voorstel om 's middags een rijtoer in een open +rijtuig te maken. Men moest nu van de laatste mooye dagen profiteeren. +Het zoû gauw slecht weêr worden en de zomertijd gedaan zijn. Hij wilde +'s middags om een uur of éen, half-twee, met een flinken landauer +vóorkomen, en dan langs den Amstel, over Onderkerk en Duyvendrecht, of +wel aan den anderen kant, door de Meer en tot Weesp een rit maken. Dit +zoû den ouden heer en Mathilde stellig veel goed doen. En zoo gebeurde +het ook: het voorstel werd aangenomen. + +Met kleine stapjes kwam de heer de Stuwen op de stoep. Hij had een dunne +overjas aan, zwart met een enkel grijs stipje er door heen; een lichte +foelaar van grijze zij had Mathilde om zijn hals gelegd en van voren in +zijn jas gestopt, boven de bovenste knoop. Een dikken bruinen wandelstok +met dikken ivoren knop, waarop een hertejacht gebeeldhouwd was, had hij +in zijn hand, even onder de knop. Hij had gerimpelde lubberige zwarte +glacé-handschoenen aan. Hij had een engen cylinder-hoed op, waar van +achteren zijn dunne grijzige haren als magere buigende waterstraaltjes +uit te voorschijn vielen. Een versch ontstoken dofbruine cigaar, met +twee gele rontetjes vlak bij de asch, was tusschen zijn lippen gedrukt, +die daardoor een beetje naar binnen bogen, om dat hij de cigaar stevig +vastklemmen wilde. Daar de wind van den anderen kant woei, warrelde vele +rookkrulletjes, lang en fijn, langs zijn wangen en onder zijn neus; zijn +lakensche dikke zwarte broek klepte over zijn te vierkante glimmend +gepoetste bobbelige schoenen. Hij bleef staan en zonder zich om te +keeren keek hij schuin naar binnen, of de jongelui nog niet kwamen. +Mathilde was nog even naar boven gegaan, om haar parasol te halen. Jozef +deed donker-groene handschoenen aan, bij den kleerenstandaard in den +gang. Hij droeg een kleinen rozeknop in zijn lapel-knoopsgat en hij kwam +naar de Stuwen toe. Hij bleef een trapje hooger in de post van de deur +staan en bekeek, heel bedaard, met tevredenheid over zijn keuze en +kennerschap, het rijtuig en de paarden, bijna zoo mooi als een +eigen-rijtuig, en hij keek of de koetsier, die hij met liverei had +gehuurd, wel de ware houding aannam, en de zweep recht op zijn knieën in +de hoogte hield. + +--'t Zal u toch niet te koud zijn? vroeg Jozef. + +--O, nee, 't is heerlijk weêr. + +Na een oogenblik drentelen, vroeg Jozef weêr: + +--Wil u er dan maar niet vast ingaan? + +--Ja, dat is goed. + +Jozef ondersteunde den heer de Stuwen hij het opstappen van de twee +treden, die onder het portier van 't rijtuig waren geslagen, door de +Stuwens rechter elleboog op den palm van zijn linkerhand te leggen, +terwijl de koetsier en het rechtsche paard even omkeken, daar hun +aandacht door het lichte kreunen van de kast bij het instijgen werde +gaande gemaakt. De heer de Stuwen liet zich in den linker hoek van de +achterbank neêrzijgen, en bleef over de ledige plaats naast den koetsier +op den bok heen voor zich uit staren. Juist kwam Mathilde aangeloopen. +Zij was blij van uit rijden te gaan. Zij zat in den laatsten tijd al te +veel thuis. Dit tochtje zoû haar verfrisschen. Met een rukje van haar +duim en wijsvinger maakte zij het onderste knoopje van haar handschoen +dicht, leî daarna gauw haar blauwe doekje over den linker arm, waar zij +ook de roomkleurige parasol meê droeg en wipte de stoep af. Jozef bracht +zijn arm naar voren om haar te helpen. Zij ging op de achterbank zitten +naast haar vader. Jozef, die heelemaal optrad als de eigenlijke heer van +het gezelschap, de leider van den pleiziertocht besprak nu met den +koetsier den weg, dien zij nemen zouden in verband met het uur, waarop +zij te-rug zouden moeten zijn. Zijn oogen en mond namen hierbij een +ernstige uitdrukking aan van gezag en plaatselijke kennis. Daarna klom +hij langzaam in het rijtuig, en schoof neêr op het vaal-gele kussen +tegenover Mathilde. Hij ging dadelijk een beetje naar haar toe gebogen +zitten, in een houding van gesprekvoering, want hij vond dat 't niet +goed stond, als zwijgende poppen door de straten te rijden en rond te +kijken. Dit was niet zoo als 't hoort. Zijn voeten stootten tegen +Mathildes voeten. Men moest zich wat schikken, anders was de ruimte +tusschen de twee banken te nauw. Mathilde duwde zich een beetje naar +voren, haar voeten tusschen de zijnen, haar knieën door zijn beenen +omsloten. De koetsier maakte gebaren met zijn armen en rug. Hij zeî: +alla, jongens! en siste met de tong; de paarden trappelden wat, met een +schokje ging men vooruit al ratelend over de steenen; door het hobbelen +bibberden de aangezichtsvellen, vooral het losse dunne van den ouden +heer, en Jozef kreeg jeuk in de hoekjes, waar zijn neusvleugels aan de +wang eindigden. Maar hij verdroeg dien, want onder Mathildes oogen wilde +hij zich niet krabben. Het denkbeeld dat zijn jeuk erger kon worden +maakte hem verlegen. Hij spitste dus zijn neusvleugels, als om de zwoele +lucht op te snuiven en wilde door deze spanning de jeuk verdrijven. De +rook van de Stuwens cigaar, die dikker werd, daar hij groote trekken +deed, woei tegen Mathildes gezicht aan. Dit hinderde Jozef, hij dacht, +dat 't haar onaangenaam moest zijn, maar hij kon er niets van zeggen, +ook wilde hij dat niet, om dat ie dacht, dat nu zijn gewoonte om nooit +in haar bijzijn te rooken meer nog gewaardeerd zoû worden door haar. +Plotseling deed nu Mathilde haar parasol neêr en werd het donkerder in +het rijtuig. Men reed de Hoogstraat in en zag niets dan zwarte en +donkerpaarse huisgevels aan beide zijden, verbonden door een reep +hel-blauwe lucht daarboven, terwijl de zon achterbleef op den +Kloveniersburgwal. Men was al lang begonnen te spreken. Jozef was midden +in een zin over het vieze en onwelriekende van het jodenkwartier, daar +zij straks doorheen zouden rijden; zijn woorden kwamen als +onverstaanbare schreeuwtjes uit de verte tot Mathilde, die uit goedheid +ja knikte. Daarna werd er niet meer gesproken. Een enkelen keer alleen +riepen ze mekaâr iets toe over wat ze op straat zagen, en vroeg Mathilde +luid aan haar vaders oor, of hij 't nu wezenlijk niet te koud had. De +heer de Stuwen, die volstrekt niet, zoo als Jozef, er over dacht, hoe +men zich in een rijtuig te houden had, keek met de meeste aandacht naar +het dooreen-griezelen van de joden in de rondte, daar al dat loopen en +babbelen in de voortdurende opgewondenheid zijn belangstelling van +Amsterdamsch burgerheer gaande maakte. Hij zag vuile kleine meisjes, die +op de hoeken van de zijstraten van de St. Antoniebreêstraat onoogelijke +waren ventten, koude of rookende, en hij-zelf rookte een beetje meer om +den stank niet in zijn neus te krijgen. Daar Mathilde ook om zich heen +keek en die arme jodenjongens met goedhartigheid beklaagde, met hun +bleeke ongewasschen gezichten en vieze zwarte, roode handen, en die op +allerlei nootjes of zij wist niet wát kauwden, en de meisjes toch wel +bizonder vond met hun breede lippen en chineesche wenkbrauwen, moest +Jozef er ook wel naar kijken. Hij deed 't maar heel even, zonder +hoofd, met zijn oogen alleen. Achter het geploeter gegil en gekrijt, +reden ze nu door de kalme Muyderstraat. + +De heer de Stuwen kuchte tusschenbeide stilletjes en zat, weifelend en +schuchter, met zijn handen op zijn knieën over zijn jas gegleden. Hij +zeî niets. In de Plantage werd alles weêr breeder, vroolijker en een +wijde hemel. Aan het einde van de laan was de Muyder Poort met zijn +koepelig torentje en wijzerplaat, waarop de cijfers van de uren blonken. +Het rijtuig ratelde hier erger over den weg, die hier en daar glooide +tusschen de rijtjes magere nietige boomen, die gele blaâren afstrooiden, +wuivend naar den dikken buik van de Poort, voor de groen door hen +bepoetelde huizen heen, en de oude heer danste met zijn heele lichaam. +Jozef zat Mathilde aan te kijken. Zij beglimlachten mekaâr eventjes +tusschenbeide. Mathilde had haar parasol weêr opgestoken en haar door de +warmte, het genoegen en de lucht, die er indrong, verlevendigd gezicht +had tinten van zoetrood, rose, wit en warm blank, schaduwplekjes en +glinsteringen, en kleine bewegingen van de wangen; haar oogharen klepten +vóor haar vloeyend zilver schijnende oogen op en neêr, als sprekende. +Haar gezicht kreeg zoo een bizonder waas, een geur van weemoed en +verlangen in het onder den parasol verzachte licht, in het door de +schijnende voering licht groen geverfde half-donker, dat Jozef haar met +verlangen zat te bekijken. Hij dacht over Mathilde en vergeleek haar met +haar vader, en prees in zijn eigen haar opoffering, die haar bij hem +deed blijven en haar wat een onrust bezorgde, terwijl het bejaarde +mannetje daar naast haar zat, zonder ook maar in 't minst te vermoeden, +waar die twee andere hoofden, vlak bij hem, aan dachten. + +Zij waren nu over de reels van den Rhijnspoorweg geschokt, en, met holle +galmen, door de Muyder Poort geholderdebolderd. Toen ze het gebouw van +Artis voorbij kwamen, had Jozef iets over den stijl daarvan gezegd, +waardoor hij weêr een goeyen indruk op de Stuwen maakte. Zonnige +stofwolken stegen achter de huizen van de nieuw aangelegde straten op, +waar het zand pas versch was aangedragen. Een wemeling van goudpoeyer +zweefde door de lucht, omhulde de daken van de huizen en stoof dan neêr +langs den straatweg in de Meer. Op de zachte, met laagjes hard zand +bedekte klinkers klonk de hoefslag van de paarden dof af, en van +tusschen de wriemelende boomenblaâren schoten zonnestralen over het +rijtuig, die dan weêr wechwoeyen voor de schaduwen van de deinende +takken. Rechts van den weg zag men, tusschen het heestergroen door, de +wit-blauwe grafzerken van de Ooster-begraafplaats blanker en nieuwer +schijnen in de zon. De heer de Stuwen was nu aan 't genieten. Hij werd +een beetje dronken van de warme najaarslucht; een loome en zoete +verdooving deed zijn boven-oogleden halverwege neêrstrijken; zijn +gezicht zette zich uit, een lammig waas wolkte om zijn persoon, een +begeerte om zijn eigen wezen, zijn kracht te verliezen en éen te worden +met die sterke lucht en die pittige atmosfeer, maakte zich van hem +meester. Hij had weinig gesproken en zweeg hoe langer hoe meer. Hij trok +traag en droomerig aan zijn cigaar. Jozef en Mathilde voelden ook de +buitenlucht door hun longen dringen, een gevoel van vrijheid en +natuurliefde overviel hen buiten de stad. Het weilandengroen en het +scherpe luchtblauw, waarin langzaam aan den horizont witte +wolkengroepjes naar boven klommen, kaatsten in teêre tinten op hun +gezichten af en stemden hen verweekelijkt en uitboezemens-gezind. Jozef +had zoetjes-aan zijn voeten tegen Mathilde de hare geschoven en nu +wreven zij er zachtjes tegen-aan. Nu kwamen zijn knieën ook altijd +dichter en dichter bij de hare. Telkens wanneer het rijtuig schokte door +de hobbeligheden van den weg en Jozefs knieën heen en weêr bewogen, +hield hij ze expres een beetje langer tegen de hare aan. Er vloden +aandoeningen van genoegen door zijn maag en vingers bij elke aanraking. +Men vorderde verder in de Meer en juist zette de koetsier de paarden aan +met de zweep om een oranje heerenwagentje voorbij te komen, toen men aan +het ouderwetsche landgoed Rozenburg rechts van den weg kwam, met zijn +oude boomen, verwaarloosde grasperken en stoffigen gevel. Uit het +schuimige slotenkroos, dat de straatweg van de buitenplaats afscheidde, +staken een wit mannen-en vrouwenbeeld omhoog, hun beenen in het eeuwig +stilstaand water. Zij stelden lang vergeten goden en godinnen voor. Zij +steunden het steenen bruggetje, dat de sloot overboogde met hun nu +verouderde en van spinnewebben omwemelde lichamen. De knieën van Jozef +en Mathilde sloten zich dichter aan-éen en drukten zich vaster samen, +terwijl de oude heer, in een dommel-roes, zijn kin over zijn foelaar +gebogen, en heerlijk genietend van de waayende warmte, zachtjes +verdoofde in de sterke lucht. + +Jozef begon in een soort van kinderlijke stemming te verkeeren. Hij was +blij te moede. Zijn zware cylinder hoed scheen hem van-daag bizonder +zwaar. Ook had hij, met een onoverdacht gebaar, zijn hoed een beetje +achterover gezet, o maar, zoo weinig, dat niet eens de lichtelijk in +zijn vel geperste streep zichtbaar werd, die, om dat zijn hoed altijd +juist op dezelfde hoogte zat, daar, vooral als het warm was, ontstond, +zoodra hij zijn hoed op zette. Jozefs oogen waren vriendelijk. Hij +voelde zich gelukkig en verlangend naar nog meer. Hij en zij leunden nu +allebei achterover tegen de ruggen van hun plaatsen. Zij hield +voortdurend, maar een beetje lager, een beetje gemakkelijker dan eerst, +haar parasol in de hoogte. Er leî zooveel gloed over haar gezicht, Jozef +zag, dat zij zoo niets liever verlangde dan op deze manier tegenover hem +te zitten en dan naar hem, dan naar de lucht en de boomen te kijken, dat +hij, in de onbestemde blijdschapsdriften, die naar zijn hersenen stegen, +haar pardoes, als een schooljongen, op allebei haar wangen had willen +zoenen, met haar schouders in zijn handen. Er was nu zoo'n heerlijke +geheime verstandhouding tusschen hen. Het was zoo pleizierig dat zij met +elkaâr zulk een dierbaar geheim hadden, waar vader nog niets van mocht +weten. Het hinderde wel de onmiddellijke verwezenlijking van hun +plannen, maar de blikken, waarmeê zij elkaâr nu konden aankijken en die +zij alléen begrepen, de fluisteringen, als zij alleen waren, de minste +handdrukken en aanrakingen, die beteekenissen kregen, dat alles gaf als +een zoete geur van verboden vrucht aan hun verhouding, ofschoon er niets +verbodens bestond. En deed het uitstellen om tot een oplossing te komen +minder zwaar vallen in de ruischende najaarslucht. + +Zij reden voort over Diemerbrug tot Weesp. Hier dronken zij iets en +kregen de paarden water en rogge-brood. Na ruim een half uur rusten, +reden ze te-rug. De koetsier kreeg order om tot Diemerbrug denzelfden +weg te nemen, en daar langs de vaart tot de Weesperzijde en daarlangs +weêr tot Amsterdam te gaan. + +Toen ze de Amstel te-rugreden, den Schollebrug op en af, over den hoogen +straatweg, in loggen draf door de paarden voortgesjord, was het al óver +half-zes geworden; Jans zoû wel boos zijn, nu ze zooveel te laat zouden +komen voor het eten. De oude heer had dit opgemerkt; hij was weêr +helderder van hoofd geworden in de verkoelende lucht. Hij keek met +welgevallen over de Amstel heen naar den overkant, waar wagentjes reden +en menschen liepen, of naar den hemel, waar de zon langzaam in 't +westen daalde. + +De heele hemel was wazig, wittig blauw, langzaam verduisterd. Voor hen +uit stond de koepeltoren van Paleis voor Volksvlijt omhoog met zijn +glazig grijzende kleuren, de magere spitse zwarte torens van de kerken +waren meer vanachteren en de nieuwe daken van de hooge huizen in de +Sarphatistraat staken zich op in een doffe dampenmassa, die zich boven +Amsterdam samenpakte. Zachtjes dreven uit het oosten nog licht-zwarte +wolkenbeetjes aan, heel in de laagte. Maar links van de huizendrommen, +in het westen, tusschen de tengere boomenstammen aan de +Utrechtsche-zijde, zonk de zon in de blauw-grijze verte, en spleten +goudroode kwispelende strepen de sombere wolken. Een helle vuurbol spoot +stralen er tusschen door. Een purperrood licht weêrkaatste in de +bovenste huizenruiten en éen rose teêrheid betintelde ruimte. In het +rijtuig werd de stilte stiller. Ieder zat voor zich-zelf te denken. +Mathilde voelde zich zonderling blij. Een smartelijke vreugde om zich +een onbestemde voorstelling te maken van wat toch niet wezen zoû, was in +haar. Overgegeven aan de veêren van den landauer om haar te wiegen, bij +kleine schokjes, en aan de warmte van de kussens, waarop zij nu al uren +had gerust, om haar rug en beenen te doordringen, en haar borst en +schoot koel in den avondwind, had zij haar hoofd naar achteren op-zij +laten glijven. Haar oogen waren bijna geheel dicht, zij betuurde door +een waas, tusschen haar lange ooghaartjes door, Jozef tegenover haar. +Maar zij zag hem als verkleind, in de verte, met een nauwkeurige +onderscheiding van zijn minste trekken. En door al de lucht, die +tusschen hen was en die zij voelde, heen, nam ze hem zoo op in haar +droomen. Zij liet zich gaan en hield zich geheel roerloos; nog altijd +omsloten zijn beenen warm de hare. Zij had haar parasol met twee handen +vast op haar schoot. Als door een onbekende heesche stem werd de +waarheid in haar oor gefluisterd, dat haar liefde altijd grooter werd en +nu gauw tot een voldoening moest komen. Al zóo lang was zij aan 't +wachten. En zoetjes, heel zoet en liefelijk, als een balsem die haar +huid en haar binnenste doordrong, liet zij zich door het denkbeeld +kussen, dat zij nu oogenblikkelijk de heerlijkheid, die zij wachtte, +tegemoet ging. In langzaamen dans, op de maat van den paardenhoefslag, +zuisden de hoopschijnsels door haar mijmeren. Zij droomde van een +vereeniging met hem, een eeuwig en alleen samenzijn. De geluiden van de +straat kwamen als verwarde en onverstaanbare kreten van onder den grond, +waarboven zij zweefde, op. Zij zag de hemeloneindigheid verduisterd om +haar heen, maar een onverdoofbare vlammende gelukzee in haar hart. Zij +wilde zich inbeelden, dat zij, terstond, nu dadelijk na het thuis komen, +van-avond in dezen laatsten zomeravond, dat verwachtte geluk zouden +hebben. En zij dacht dat 't anders nóoit gebeuren zoû, dat er na dezen +geen zomer meer te-rug kwam, en dat de lucht voor het laatst purpur was +geworden. Haar lippen werden nat. Zij wilde nu dadelijk drinken aan den +beker. Zij haakte naar die dronkenschap, dien roes van haar liefde. De +parasol viel uit haar handen, die half van haar japon wechvielen; zij +zwijmelde heen in hare verwachting. Het werd éen zachte rozengloed en +éen zaligheid voor haar oogen. Zij stak haar lippen vooruit, om Jozef, +wiens kus zij nu kende, voor goed te ontvangen. Toen dommelde zij wech +in een half slapende sluimering, na dat zij nog even een blauwen vonk, +de eerste ster, voor zich uit had gezien, dicht-bij, boven Jozefs +zwarten hoed. + +Diep uit haar doezel, schokte Mathilde wakker. En een stem, die haar +vreemd scheen, zij lachend luide: + +--Mathilde, wij zijn er ... Was-je in slaap gevallen? Zij kwam tot +zich-zelve, ernstig en kriegelig. Het was Jozef, die tegen haar sprak; +hij had zijn hand op haar knie gelegd, om haar wakker te maken. Zij keek +op; zij vond t' akelig donker, het was koud, het woei. Zij begreep niet, +wat er eigenlijk met haar gebeurd was. Zij drukte Jozefs hand te-rug, +die hij zelf niet gauw genoeg te-rug nam. Haar vader stond op om uit te +stappen; Jans hield, met een brommerig gezicht, de deur al open. De oude +heer hoestte erg. + +--O God, vader, u heeft stellig vreeselijk koû gevat. Wij hadden het ook +nooit moeten doen, nee nooit!, zeî Mathilde, die uit haar humeur was. +Zij sprong op den grond, vlak achter haar vader, voorbij Jozefs hand, +die haar steunen wilde. Zij drong zich naast haar vader in den gang, vol +onstuimig bezorgde vragen. Mankeerde hij nóg niet iets? Was hij niet +stijf, had hij nergens pijn? Ze hadden dien ongelukkigen toer nooit +moeten doen, 't was ook een vreemd idee geweest van Jozef nu de herfst +al in 't land kwam. Zij stootte haar vader zachtjes door de deur van de +achterkamer. Jans had ten minste voor wat vuur gezorgd; dat was goed. +Zij nam den oude heer zijn hoed en overjas en boeffante af en zette hem +in zijn leuningstoel hij de kachel. Daarna, nog met haar hoed op, rende +zij naar boven, kwam te-rug met zijn pantoffels en sjamberloek, trok +zelve zijn schoenen uit, hielp hem verder op zijn gemak. Toen dacht ze +er pas aan haar handschoenen en hoed af te doen en naar Jozef te kijken, +die stil in de kamer was komen staan, zijn hoed in zijn eene hand, de +andere in zijn broekzak frommelend, waar zijn beurs, waaruit hij den +koetsier een fooi had gegeven, maar niet plat wilde liggen. + +--Als vader zich maar geen ziekte op zijn hals heeft gehaald, zeî ze tot +Jozef, nu weêr wat kalmer. + +--Wel nee, andwoordde hij, geen kwestie van, zóo koud was 't niet. En +Jozef nam afscheid om in de club te gaan dineeren. De heer de Stuwen +bedankte hem hartelijk voor het ritje. Hij had veel genoten van de +buitenlucht. Maar men moest Mathilde haar gang maar laten gaan, dat +goede kind! + +Dien avond was Mathilde vol bizondere teederheid voor haar vader. +Ofschoon hij verzekerde niets te mankeeren, verzorgde zij hem op alle +mogelijke manieren. Zij liet hem warme grokjes drinken, liet hem vroeg +naar bed gaan, ging nog tweemaal voelen of zijn kruikje heet genoeg was, +en kwam nog eens kijken of hij zich wel wél voelde, een half uur na dat +hij naar boven was gegaan. + +Hij was nog niet heelemaal in slaap en ging rechtop zitten, toen zij +binnenkwam. Zij kwam hem nog eens een nachtzoen geven, zeide zij. + +Haar armen om zijn mager lichaam, vroeg zij, in een opbruising van +teederheid: + +--Zal u gezond blijven, zal u nooit, ten minste in de eerste twintig +jaar niet, sterven? O, vader, u is het eenige wat ik heb, als u sterft, +zoû ik zoo verlaten zijn en niemant hebben op de wereld. En zij zoende +hem nog eens hartstochtelijk en drukte haar hart tegen het magere +nachthemd van den ouden man en warmde hem aan haar jonge lijf. Daarna, +toen zij haar in het rijtuig opgekomen begeerte om liefde te besteden +had voldaan, sliep zij in. + +Den volgenden middag tegen vier uur begon de heer de Stuwen te bidderen, +hij kreeg het koud door al zijn leden, hij was ongesteld, om vijf uur +ging hij in zijn bed liggen. Mathilde, die doodelijk ongerust werd, +hielp hem; om zes uur kwam de dokter, dien Jans was gaan halen, dokter +Hansen, een klein rood-bruin-mager altijd veertigjarig mannetje achter +een gouden bril. Den volgenden morgen was de Stuwen stijf door zijn +heele linkerzij. Om éen uur kwam de dokter weêr en verklaarde, dat +Mathildes vader zware rheumatische koortsen onder de leden had, en dat +de ziekte, die lang en kort duren kon, zich nog al niet gemakkelijk liet +aanzien. Mathilde merkte dat er een heel nieuw soort leven voor haar +misschien zoû beginnen; tusschenbeide ten minste kwam deze gedachte als +een heel vreemd iets door haar hersens. Maar zij was veel te bezig den +heden dag, dan dat een oogenblik van gedachte door iets anders ingenomen +werd dan door vaders ziekte en de mogelijke uitkomsten. Zachtjes, voetje +voor voetje, liep zij de trappen op en neêr van den morgen tot den +avond. Op verzachten toon werden Jans allerlei dingen gezeid en allerlei +zaken opgedragen, die zij grommend over de drukte, opvolgde en +uitvoerde. Er was den god-ganschelijken dag een gefluister en glippen +van japontippen over de trap en een doodelijk stille bedrijvigheid door +het huis. Zachtjes klepten de deuren toe; Mathilde had een katoenen +lapje om de huisschel gewikkeld, wat de dokter zelf een overdreven +voorzorg noemde. Nu was de heer de Stuwen gelukkig een zwijgende, +geduldige zieke; een enkelen keer maar, vooral 's nachts, dreunde er een +dof gekreun door het huis, wat Jans aan spoken denken deed. Het uiten +van zijn pijn bestond bij den ouden heer in het kronkelen en wringen van +zijn stramme leden en het zwaar zuchten, hijgen, sidderen en kuchen. +Werd de pijn al te bar, dan sparde hij zijn oogen wijd open, zoodat het +wit over de randen scheen te zullen loopen. + +Gedurende de eerste zeven dagen van de ziekte was Mathilde niet uit haar +vaders slaapkamer te slaan. Den heelen dag had zij iets te doen, dan +hier, dan daar in de kamer. Zij had den tweeden dag al haar borduur-en +teekenwerk van boven gehaald en in een klein hoekje bij het venster +gelegd. Alleen om de atmosfeer niet te benauwen, ging zij beneden in de +achterkamer, driemaal per dag, even heel gauw eten. Den derden dag, toen +de ziekte met schrikbarende snelheid heviger werd, had zij, een eindje +voór haar vaders ledikant, een kermis bed met Jans opgericht, en daar +bracht zij nu de nachten door. Verder hielp zij haar vader met alles, +met een zenuwachtige en overdreven bezorgdheid. Zij alleen wilde +volstrekt alles doen en in orde maken. Sprak dokter Hansen van een +ziekenoppasser nemen, drong hij aan, noemde hij dat een noodzakelijken +maatregel, daar op den duur toch Mathildes krachten niet toereikend +zouden blijken, dan wilde zij van niets hooren, zij weigerde +halsstarrig. In haar gesprekken met den dokter maakte zij haar armen +bloot en wrikte haar schouders op en neêr, om te toonen hoe krachtig en +lenig zij was. Met Jozef had zij ook een hevige woordenwisseling. Als +zij hem, bij zijn dagelijksche bezoeken om naar den ouden heer te +vragen, uitliet, en hem, beneden in der haast fluisterend in den gang te +woord stond, verzekerde zij hem, dat zij 's nachts uitnemend rustte en +zelfs zwaar sliep, en dat dit ruimschoots opwoog tegen de gejaagdheid, +de angst en het werk van overdag. Hij kwam op het denkbeeld om van haar +liefde voor de piano gebruik te maken, om haar wat afleiding te doen +nemen. Op een middag wist hij haar naar het zaaltje te dringen, en haar +aandrift werd daar wezenlijk zoo sterk, dat zij samen weêr heelemaal een +ouderwetsch uurtje doorbrachten, zij op het krukje voor de piano haar +geliefde themaas aan 't spelen en hij er naast op een stoel, vlak bij +haar, kleine bedenkingen opperend, goedkeurend en toejuichend, den aard +van de melodiën met haar besprekend, over het gevoel, de bizondere +nuance, die in deze of gene noot te leggen was uitweidend. Toen was Jans +binnen komen sloffen, en kwam vragen, kompliment van mijnheer en of de +jufvrouw geen stukjes kon kiezen, die wat minder hard klonken, want dat +mijnheer het aan zijn hoofd niet goed kon verdragen. Mathilde stond op +met een bedaarde woede, die Jozef verwonderde, sloot de piano met +vastberadenheid en borg de muziekboeken wech. Zonder een woord te +spreken stapte zij naar boven. Haar vader, die eigenlijk erg lette op +nommero éen: verschrikkelijk bang om dood te gaan, had zich-zelf uit +zijn bed weten te werken en stond al bidderend bij de tafel zijn +terpentijn-drankje klaar te maken, om dat het uur van innemen al voorbij +was. Mathilde begon hierover te huilen, dat hij er meê uitscheê en 't +haar liet doen. Jozef had zich beneden uit de voeten gemaakt. Aan éen +stuk bleef Mathilde nu twintig uren boven bijna zonder te eten, zonder +te slapen. Toen zij eindelijk weêr in de achterkamer kwam, om bouillon +te eten, sloop zij op haar teenen naar het zaaltje, zocht naar het heele +kleine sleuteltje, waarmeê de pianoklep afgesloten worden, in het laadje +van 't paars-bruin muziekkastje er naast, vond het, sloot de piano dicht +met een ernstig gezicht, ging toen naar de voorkamer, maakte het venster +open en gooide onder een koortsigen glimlach het sleuteltje over de +gracht in de wal. + +De ziekte van den ouden heer was nu op zijn ergst geworden. Het begin, +de eerste hevige stooten waren voorbij, nu was zijn lichaam met kalme, +zware aanhoudende pijnen. Mathilde verzorgde hem voortdurend hetzelfde +en zonder ongeduld. Zij dacht veel aan Jozef, ook vooral als hij er niet +was, maar de telkens in denzelfden vorm opkomende gedachte, die telkens +weêr te-rugkwam als ze haar driftig had wech gestooten, zoo als de +altijd weêr verschijnende telegraafpalen, die men te niet zoû willen +kijken door het raampje van den sneltrein, maar die met een ruk weêr +aankomen, die gedachte bleef haar als een zoete kwaal met een onbestemde +heerlijke hoop vullen. Gelukte het haar 's avonds in te slapen, dan +voelde zij in den doezeltoestand, waarmeê haar slaap begon, in die +oogenblikken dat zij zelve niet wist of zij wakker was of sliep, en als +hij zich weêr heelemaal van haar denken had meester gemaakt, haar +vleesch koud, maar de hoop, zonder begeerte-voorstellingen, bleef +bestaan en regende door de vale duisternis van de ziekenkamer haar +zinnen binnen. Over-dag wilde zij niet aan hem denken, zij vond dien +hartstocht nu akelig wereldsch vergeleken bij den heiligen plicht, dien +zij vervulde. Dit was nu het leven, dit was nu de ware hooge roeping van +een vrouw, en het andere was wereldsch, was slecht, was uit den booze en +niets dan ijdelheid. + +Na vier weken was Mathilde half-ziek van afgematheid. Zij kon, zij kôn +doodeenvoudig niet meer. Wanneer zij niet oppaste zoû zij-zelf ziek +worden, en wat dan, dan kon zij toch zeker haar vader heelemaal geen +goed meer doen. Zij had zich-zélf zoo gemaakt, zij had het werk, dat zij +zich had opgelegd, overdreven. Zij had er een genoegen in gevonden zich +af te sloven, dát te doen, wat zij wist dat overbodig was. Zij had een +vaag verlangen gevoeld om zich zelf te vernietigen; zij wilde Jozef +vergeten, zij wilde zich dood sloven om haar vaders leven te behouden. +Het was de onbevredigde liefde voor Jozef, het onuitroeibaar onvoldaan +verlangen, de stormende en stijgende zucht om haar leven aan zijn doel +te geven, die zich in dezen hartstocht van verplegen een doorweg baande. +En voor een gedeelte was zij geslaagd, zij had zich-zelf zoo weten te +verzwakken, dat de dokter en Jans haar op een morgen met geweld aan de +ziekenkamer onttrokken en naar bed brachten. Toen sliep zij achttien uur +achter mekaâr. En zij voelde zich zoo krachteloos, dat zij zich wel +moest laten aanleunen, het verschijnen van een liefdezuster, beneden, +die men zich gehaast had te laten komen. Maar twee dagen later sukkelde +zij in haar grijzen peignoir, door Jans ondersteund, weêr de trap af; +zij wilde haar vader zien. Hij was nog hetzelfde; hij had zoo'n rillende +en huilende pijn, door al zijn leden, vooral door zijn linker zij, dat +men biezen hoepels om zijn matras had gespannen, om zijn dek op te +houden, daar hij zelfs de druk van de dunne lakens en van éen katoenen +deken over zijn beenen en borst niet velen kon. Hij jankte tusschenbeide +als een hond. + +Een week later bleef de pijn bij lange tusschenpoozen wech. Na nog een +week beterde hij merkbaar. Mathilde, die weêr aansterkte, zat in de +voorkamer beneden te teekenen en te borduren; elke tien minuten liep zij +de trap op om naar haar vader te kijken. + +Jozef kwam elken dag áan. Hij stuurde nu geregeld verfrisschinkjes voor +den ouden heer; en voor Mathilde de laatste bloemen van het jaar. +Mathilde vond 't heel mooi van hem, dat hij nooit vergat te komen. Zij +zag hem op de vaste uren, altijd netjes aangekleed, altijd even lief en +hartelijk, met zijn trouwe, nu beproefde, dacht zij, onveranderlijke +liefde. Hij bleef nu dikwijls een half uur alleen met haar in de +voorkamer, na boven den vader te hebben bezocht. Iederen ochtend zag zij +weêr met meer verlangen naar zijn komst uit. Zij begon bij zich-zelf te +redeneeren, dat vader waarschijnlijk, zoo hij al beterde, toch ziekelijk +blijven zoû, en heel hulpbehoevend zijn volgend leven. Zij zoû zich niet +van hem kunnen scheiden en hem moeten blijven verzorgen tot aan zijn +dood. En langzamerhand ofschoon zij eerst voor haar eigen weinige +zelfstandigheid te-rugdeinsde, werd zij gewaar, hoe zij zich neêrleî bij +het denkbeeld om Jozef te trouwen en vader in huis te nemen, met hun +drieën verder samen éen leven te leiden. Haar bezwaren van vroeger +kwamen nog zwakjes op, maar verbleekten en schenen vernietigd te zullen +worden. Weêr dacht zij aan de kinderen. Men moest verstandig zijn, men +moest, wilde men zoo een gewichtigen stap doen in het leven, niets over +het hoofd zien, alles wikken en wegen, alle bezwaren indachtig wezen. +Zij dacht dan, dat de kinderen misschien vooreerst niet zouden komen, +dat, al werden zij hun werkelijk gezonden, alles toch nog misschien +geschikt zoû kunnen worden. Alles wat vroeger een onoverkomelijke +hinderpaal scheen, werd nu makkelijk uit den weg te ruimen. In alle +gevallen bleek gemakkelijk te kunnen worden voorzien. Zij zouden dan +maar, zoo lang vader nog leefde, niet veel menschen zien en probeeren +het huis stil te houden. + +Eens op een Donderdag-middag waren de heer en mevr. Berlage een kaartje +komen poesseeren, de ingenieur Ster was er ook al verscheidene keeren +geweest, om deelneming in de ziekte van den huisheer te betuigen, maar +Mathilde ontving niemant, voorgevende zelf ook nog ongesteld te zijn. +Zij wilde alleen zijn met al haar gedachten. Die nacht, van Donderdag op +Vrijdag, deed zij bijna geen oog toe en lag zij aldoor aan Jozef te +denken. Vrijdagochtend tegen elf uur, den tijd, dat hij komen moest, was +zij zoo ontzettend verlangend naar hem, dat ze het venster van de +voorkamer open schoof en in de Oktober-koelte haar haren liet zwieren om +naar hem uit te zien. Zij reikte zoo ver mogelijk naar voren, dat haar +borst er zeer van deed. + +Toen hij kwam, maakte zij open: + +--Ben-je daar? Zij gaf hem stil een arm. Samen gingen zij naar boven. + +Na dat Mathilde Jozef zich had laten overtuigen, hoe-of vader beterde +met den dag, hoe opgewekt hij er weêr begon uit te zien en met hoeveel +pleizier hij zijn krantje las, en hoe lekker hij weêr brood at, stonden +zij op het portaaltje buiten de deur van de ziekekamer een oogenblik stil. + +--Ik ben boven aan een aquarel bezig, die nog al goedgaat, zeî Mathilde. +Ik zal hem eens even halen, dan kan-je zien. Zij ging twee treden van de +trap op en keerde zich toen om. In een wangenwarmte en een verlegen +lachje, zeide zij: Ja, hij zit eigenlijk strak gespannen, vast gestoken +op een houten bord ... Ik heb ook nog een heeleboel op mijn tafel liggen, +om je te laten zien. Wil-je niet even meêgaan? + +Het denkbeeld om Jozef haar kamer binnen te brengen en hem alles daar te +laten kijken bekoorde haar erg. Dat Jans iets zoû denken, viel niet in +haar; Jozef was een oude huisvriend. Toch een beetje aarzelend ging zij +hem vóor, en ze werd in-éens heel rood, toen zij zijn stap achter haar +hoorde, zoo hoog in het huis, de trap op. Maar de kleur bleekte zachtjes +op, toen zij haar deur openduwde. Het was buiten geen bizonder klare +dag, integendeel, het kon op regen uitdrayen. Zij wist niet waarom, maar +toch trok zij de gordijnen niet op. Hij trad op haar toe en nam haar bij +haar arm. Sints dien eenen zoen, op dien grooten morgen, hadden zij +mekaâr niet meer gezoend. Want een schijn van verkoeling had er +wezenlijk bestaan. Hij zoende haar dan even, zachtjes op haar wang. Zij +kleurde zijn gezicht met de liefde van haar oogen, maar zoende niet +te-rug. Zij vond den toestand toch wel een beetje vreemd, zoo, hier op +haar kamer. Op-éens merkte zij haar nachtjak, dat voor het bed op een +stoel lag. Zij gooide het jak gauw op haar bed en deed de gordijnen +zorgvuldig over mekaâr en de stoel er tegen aan, zoo dat er geen opening +meer zichtbaar bleef. + +--Ga nou maar even voor de tafel zitten, zeî ze, dan kom ik naast je +zitten. + +En samen bogen zij zich over de teekeningen en bezagen alles. Zij +vermeed zijn blikken en leì hem haar moeite en haar werk uit, haar oogen +naar de tafel. Plotseling zeiden zij geen van beiden een woord meer. In +de stilte keken zij allebei voor zich uit. Toen nam hij een besluit en +maakte een gauwe beweging. Hij deed zijn arm om haar middel en trok haar +naar zich toe, zijn hand aan haar borst. Een hitte steeg in haar op. Zij +ging achter over, haar hoofd op zijn schouder. Haar lichaam hijgde naar +boven in zijn armen. + +--O, fluisterde zij, zonder te weten wat zij bedoelde, ik kán nu niet +langer wachten ... Laten wij toch trouwen. + +En zij wrong zich naar hem toe, op zijn schoot, tegen hem aan. Hij viel +haast òm met stoel en al. Zij maakte zich tot een klein kind aan zijn +borst. Zij dook in-één in de houding, als toen zij, zoo lang geleden, +als klein kind speelde op zijn schoot en hem aaide. Zij nam zijn hoofd +tusschen haar handen; zijn haren sidderden onder haar vingers. + +--Wij zullen trouwen, nietwaar, gauw, zoû gauw mogelijk? + +En zij zoende zijn gezicht wit en hijgde heet over zijn wangen. En zij +streelde alles aan hem, zijn hoofd, zijn gezicht, zijn schouders, zijn +hals, zijn borst. Zij zoende zijn wenkbrauwen, zijn oogen, zijn lippen, +zijn voorhoofd, zijn das, alles wat van hém was. Jozef andwoordde zonder +te spreken, met te-rug te zoenen. Toen zonk zij met dichte oogen, haar +hoofd op zijn houder, haar handen achter zijn hals samengeklemd, tegen +hem neêr. En ze zeiden allebeî niets, hun hoofden waren heet in de +vreemd-warme kamer, Daarna gingen zij zachtjes samen weêr naar beneden. + + + + +IV. + +Jozef en Mathilde spraken af dat hij, zoodra de oude heer weêr heel +hersteld zoû zijn en beneden in huis weêr in zijn oude leventje, een +formeel huwelijksaanvraag doen zoû. Mathilde-zelf durfde er niet het +eerst over spreken. Zij doorwachtten nu het langzaam beteren van den +heer de Stuwen. Over een groote veertien dagen, had dokter Hansen +gezeid, zoû de vader zich weêr gemakkelijk bewegen kunnen en de trappen +op-en afloopen. Tot zoolang moest men geduld hebben, want Mathilde +bracht Jozef aan 't verstand, dat zij volstrekt niet gissen kon, wat +vader van de tijding denken zoû. Als hij weêr op zijn gemak den gewonen +levensloop volgde, moest men hem alles meêdeelen. + +Met dendag draaide nu de oude heer bij. Hij begon eerst wat beter te +eten, toen bleef hij even ópzitten met zijn koeranten, toen stopte hij +zijn pijpjes, toen begon hij pleizier in keuvelen te krijgen, en +eindelijk stapte hij de duffe ziekenkamer uit. Dit zal nu een dag of +tien geleden geweest zijn. + +De maand Oktober eindigde stil. Het was een heldere koele avond buiten. +Er passeerden weinig menschen op de gracht. De heer de Stuwen zat voor +de tafel in de binnenkamer. Het kolomkacheltje brandde flauwtjes. De +gasbekken waren boven het grijze hoofd ontstoken en hij las de krant +onder 't soppen van een tafelbeschuitje in een juist weêr volgeschonken +nagemaakt blauw Saksiesch theekopje. Tegenover zijn plaats aan tafel +stond een groot ouderwetsch bruin blad met opstaanden rand in koperen +beslag. Het vlammetje onder het oud-zilveren theepotje bewoog: zóo hoog +stond het ouderwetsch toestel, met de ketel met kokend water, dat de +stoom tegen het lichtje áankwam. De overgeblevene helft van een +manille-cigaar lag op het met asch en gestortte suiker bedekte +schoteltje, naast de linkerhand van den heer de Stuwen, waarmeê hij de +krant vasthield. + +Mathilde was juist wechgegaan om klarigheid te maken om met haar vader +naar de komedie te gaan. + +Daar werd hard aan de voordeur gescheld. Toen Jans bijna bij de voordeur +moest zijn, gingen de Stuwens blikken even luisterend links langs het +bedrukte blad, zijn mond ging op een kiertje staan: Wie, dacht hij, kan +daar zijn? + +Jozef was aan de deur. De Stuwen herkende zijn stem toen hij Jans +goeyen-avond zeî, en vond 't vervelend, dat hij juist nû kwam. + +--Zoo, van Wilden, ik had niet gehoopt je van-avond nog te zien. + +--Hoe maakt u 't, meneer de Stuwen? ... Ja, ik zal u zeggen ... ik woû u +graag eens spreken ... over ernstige zaken ... + +--Nou, kom binnen, kom binnen ... Jans, neem meneer z'n jas eens aan. + +--Nee, dank u, die zal ik maar aanhouwen ... Ik zal u niet lang +ophouden ... ik heb maar weinig tijd. + +--Ga zitten ... zoo, en wat heb je nu voor gewichtigs? + +De Stuwen was ook weêr gaan zitten. + +Jozef zat op de kleine kanapee, die tegen den wand stond. Zijn +cylinder-hoed stond naast hem op het karpet met de lichtrood zijden +voering naar boven. Zijn overjas hing open; zijn ellebogen stonden op +zijn knieën; zijn donkerbruine glacé-handschoenen kraakten sisten tegen +mekaâr; zoo krachtig poogde hij zijn handen te vouwen. Zijn hoofd hield +hij gebogen, zijn oogen neêr. Een enkelen keer dwong hij ze echter den +heer de Stuwen sterk aan te zien. Hij sprak boekachtig. + +--De stap die ik doe is wel een beetje onvoorbereid, meneer, ... maar wij +zijn toch al oude vrienden en daarom ben ik er des te gereeder toe +overgegaan ... Meneer, ik kom de hand van Mathilde vragen ... + +Jozef hoeste en keek den ouden heer lang, heel lang met zenuwachtig +trillende oogen aan. + +--Houdt zij van u? + +--Ja, meneer, dat weet ik ... Wij hebben samen al over ons hartsgeheim +gesproken ... Zij heeft mij wel lief en ik, ik haar onuitsprekelijk ... + +--Ik moet je ronduit bekennen, dat je me erg verrast. Ik had nooit aan +zoo iets tusschen jullie gedacht. Je scheelt, als ik wel heb, dertien +jaar met mijn dochter. Je karakter ken ik genoeg ... Maar wat praat ik? +Wat moet ik beginnen, als jij met mijn eenig kind gaat strijken? ... De +Stuwen huilde nu. Van Wilden, ik houd zooveel van dat kind, zij is 't +eenige, wat ik nog over heb ... Mag ik wel vragen, oprecht en vrij, +hoeveel inkomen je wel hebt, van Wilden, en hoe je je huishouden denkt +in te richten? ... Wezenlijk, je komt me zoo met je aanbod uit de lucht +vallen, dat ik er heelemaal door in de war ben ... Laat me d'r eens wat +over denken, hè? ... Kom dan over een week of zoo maar mijn antwoord +hooren ... Gut, jongen, van Wilden, geloof me, ik had zoo iets nooit +vermoed ... Ik houd van je, dat weet je, en 't geluk van Mathilde gaat +mij erg ter harte ... + +Jozef was opgestaan, beverig, klammerig. Boven in huis zong Mathilde het +liedje uit Faust van den koning van Thule; zij kwam de trap af. Toen zij +aan de onderste drie treden was, had ze juist haar handschoenen dicht +geknoopt en kwam nu met een sprongetje de achterkamer binnen: Vader, +is u klaar? + +Jozef had nog juist kunnen zeggen: + +--Mag ik u dan per schrift nog 't een en ander over mijn zaken +melden? ... Ik hoor Mathilde, bedenk u nu rustig ... ik wil ook niet dat +er in deze kwestie iets te overhaast of tegen uw goeddunken gebeuren +zal, ... maar ... vóor alles, ... houd in 't oog dat niemand haar ... in +staat is haar ... gelukkiger te maken, ik ... daar is ze, ... dat ik +oneindig veel van haar houd ... Tot ziens dan! + +Hij kwam Mathilde aan de deur tegen. Hij dorst niet tegen haar te +glimlachen. Zij zag ontsteltenis in zijn oogen. Zwijgend drukte hij haar +hand. Zijn hand beefde. Zij zag haar vader ook opgewonden. Zij begreep +dat Jozef alles had gezegd. Eén oogenblik had zij de gedachte haar vader +te omhelzen en hem zoo smeekend aan te zien, dat hij dadelijk zijn +permissie zoû geven ... éen oogenblik maar, want zij hield zich in en +ging stil in de kamer staan. De heer de Stuwen liet Jozef uit. De +buitenlucht koelde de gezichten van Jozef en de Stuwen af. Jozef nam +zijn hoed af en verdween in de schemering van 't lantaarnlicht aan den +wallenkant. + +Vijf minuten later ging de oude heer met Mathilde naar de komedie. Jans +liet ze uit en bleef verder in haar eenzaame keuken te-rug om naast de +poes in te dommelen zonder te merken dat de lamp knersend uitging. + +De Stuwen en Mathilde zeiden dien avond weinig tegen mekaâr. + + * * * * * + +Dien avond, een paar uur na dat hij bij de Stuwen geweest was, ging +Jozef naar de club. 't Was al over tienen. Het gas in de winkels vlamde, +de gordijnen voor de clubventers waren neêr. Jozef draaide den hoek om +en richtte zich naar de deur in gezelschap van twee andere elegant +gekleedde heeren. Beneden, van de keldervensters van het clubgebouw, +steeg een warme damp van gekruid eten op in de neuzen. + +De straathoek hier was vol loopende menschen. De lucht stond bewolkt en +de gezichten blonken geel in het gaslicht. De oogen blonken, als lichten +van diep uit de hoofden schijnend. Soms ging het geraas van rijtuig en +paard plotseling van de straatsteenen over in het doffe geklok van den +hoefslag op het asfalt. Schorre fruitventers-kreten, heesche +jodenschreeuwen een schel hondgejank riepen op onder de schuifelende +gebarende en gesprekken houdende menigte, donkere lijven in een ver +gebrom en een morrend gesuis tot de lucht. + +In hun baarden lachend wandelden Jozef en zijn kennissen langzaam. Boven +de fluweelen kragen van hun overjassen schemerden, in helder witte +boorden geklonken, hun roode door de pret vettige halzen. Er kwam een +donkere jufvrouw onder een breedgeranden rubenshoed achter hen aan. Zij +kuchte. Jozef keek om. Van weêrszijde werd toen giechelend gelachen. + +De groote zaal van de club was in lichte kleuren beschilderd: licht-rood, +lila en blauw; ovale vakken met bloem-en fonteinafbeeldingen, gescheiden +door half uit den muur gebouwde hoekige pilaren, die van boven en van +onderen zich in een opeenhoping van gouden krullen verloren. De +bloemvakken werden afgewisseld door geslepen spiegels. Midden in den +zaal stonden drie bieljarten, waar heeren met lekker-ruikende-baarden in +hun overhemdsmouwen om heen liepen; de lampekappen stortten het licht +over de bieljarten neêr, dat de spelden in de kleurige dassen deed +blinken, maar de gezichten in de schaduw liet; de heeren droegen de +keuën geweêrsgewijze over den schouder, de pomeranz, met krijt +besmerend. Achter in de zaal stond de lankwerpige groene leestafel, waar +meer bejaarde heeren kranten lazen; aan de vensters waren de zwart +ebbenhouten tafeltjes; kletsende, rookende heeren zaten er om heen +grokjes te drinken. + +Jozef kwam binnen met zijn vrienden. Een knecht vol blauwe liverei met +zilveren knoopen nam de over-jassen en de hoeden aan. Aan een tafeltje, +dicht-bij de deur, waar al drie jongeluî aan zaten, gingen zij ook. + +--Bonsoir, Hasman ... Dag, Piet, hoe maak jij 'et? D'Ablaincourt! ... +Zitten jullie hier al lang? + +--Nee, even maar, we hebben koffie gedronken in Suisse. + +--Was 't er vol? + +--Nee, och God, niemant. + +--Jawel, en Dobber van Rotterdam dan? Zeî Hasman. + +--O, was die d'r ook? Die heb ik t'r gisteren gezien, zeî Jozef. +Verbeel-je, hij proponeerde me om een spelletje ekartee te spelen, maar +dat kon ik niet doen, dat begrijp je, nee, zeg ik, dat gaat hier in +Amsterdam volstrekt niet, als de menschen mij hier na den eten ekartee +zagen spelen, zoû ik morgen aan de Beurs niets te doen hebben. + +--Nou, zoo erg geloof ik nou niet, dat het is, zeî Piet. + +--Asjeblieft, zeî Jozef, de menschen zijn hier nog verschrikkelijk +kleinstädtisch. Ik durf in geen publiek koffiehuis kaart te spelen. Dat +kunnen alleen renteniers doen en in geen geval jonge menschen, die in +effekten doen. + +D'Ablaincourt was met den knecht aan 't overleggen wat hij drinken zoû. + +--Mag ik je iets offreeren, van Wilden? + +--Ja, groc américain, heel graâg! + +--Jongens, ik heb vandaag zoo'n mooye meid gezien, zeî Hasman. + +--Ja? Waar? + +--Op de Heiligeweg. Ik ben d'r nog een tijdje nageloopen door de +Leidsche straat, maar 't duurde me te lang. + +--Ja, à propos, van Wilden, hoe staat 't met jouw Lucie? + +--Dank-je, heel goed; jammer, dat 't uit is tusschen ons ... maar van den +anderen kant toch niet jammer, want ik geloof dat 't heel goed is, dat +ik nu eindelijk eens ga trouwen. + +--Ja, maar, beste vrind, wat heb je aan een ongefortuneerde vrouw? + +--O, dat hangt er heelemaal van áf ... as je een meisje trouwt, mooi, en +die op je verliefd is, en als je dan de overtuiging hebt, dat je een +uitstekende getrouwde man zal zijn ... Ik zal veel van d'r houën en we +zullen 't heel goed met mekaâr kunnen vinden. + +--Jongen, jongen, wat ben jij toch 'n degelijk mensch ... en dan na een +jaar of zes zoo vijf kleine springertjes om je heen ... heel plezierig +nie-waar? Je bent tóch altijd zoo'n liefhebber van kinderen! + +--O, waarom niet, andwoordde Jozef, al sjouw je wat voor dat je trouwt, +daarom kan je later toch wel een goeye huisvader zijn. + +--Ja, en je leeft op 't oogenblik ook heel bedaard, dat is waar. + +--Wel zeker, heel bedaard, maar, beste jongen, dat heb ik altijd +gedaan ... ik leef altijd bedaard ... ik ga nu van-avond bijvoorbeeld +waarschijnlijk weêr eens dood bedaard naar Josephine uit den Haag. + +De knecht kwam nu met een platina blaadje, waarop drie grocs américain +stonden, die de heeren met een lucifer aanstaken, zoo als ze het in +Parijs hadden zien doen. + +--Op je aanstaande, Jozef! zeî een van de andere heeren, zijn glas in de +hoogte. + +--Blaas eerst de vlam uit, je zal je branden, riep een ander er +tusschendoor, om een aardigheid te zeggen. + +--Nou, en ik drink op Josephine! zeî Hasman. + +--Nee, profaneer niet, zeî Jozef, je moet geen dingen met mekaâr in +verband brengen, die niets met mekaâr te make hebbe. + +--Nee, dat moeten jullie ook niet doen, zeì de heer Blas, die tot nu toe +gezwegen had en voor een heel verstandig mensch doorging, maar, van +Wilden, ik zoû je toch wél eens iets willen vragen ... hoe of jij toch +eigenlijk de meisjes op je verliefd maakt, bijvoorbeeld, zonder +indieskreet te willen zijn, je aanstaan nu, die houdt nou toch bepaald +van je, nietwaar? + +--Ja wel, ik hoop het ten minste wel. + +--Hoe komt dat dan nou? Je bent altijd op de Beurs, op je kantoor, hier +in de club, en je neemt het leven verder nog al luchtig op, je bent +zelfs een beetje fatterig, hoe kan jij een meisje uit een stille +burgerlijke ingetogen familie zoo gecharmeerd op je maken? + +--Dat is nog al eenvoudig, andwoordde Jozef, ten eerste, omdat haar +vader en zij met weinig menschen omgaan en ik zoo wat de eenige jonge +man ben, dien zij kent, ten tweede om dat Ãk veel van haar hoû. + +De heeren zaten met hun ellebogen op de tafel, met de eene handen de +hoofden steunend of aan de glazen, de andere in de broekzakken en op +tafel trommelend, te luisteren; om hen heen leefde de zaal in het rollen +en klotsen van de bieljartballen, het applaudiseeren voor een mooyen +stoot met een licht geklop van de keuën op den vloer en het stemgegons +van de babbelende tafeltjes met een enkelen luiden schater; de rooknevel +van geurende cigaren steeg langzaam naar de zoldering. + +Na een uurtje begonnen Jozef en zijn vrienden zich te vervelen. Aan +andere tafeltjes spraken zij nog een paar vrienden aan, en groetten een +paar kennissen en gingen nog een beetje de straat op. + +Twee dagen later ontving de heer de Stuwen een dik zorgvuldig toegemaakt +koevert, dat hij ook op een avond, ook in zijn achterkamer, bij het nog +flauwer brandend kolomkacheltje, openmaakte. + +Jozef legde er zijn maatschappelijken toestand in bloot. Hij was +eigenaar en bestuurder van een effektenzaak, die jaarlijks een acht-à +tienduizend gulden afwierp. De omstandigheid, dat hij aan een bekwaam en +ijverig kashouder de leiding van het kantoor had toevertrouwd, stelde +hem in de gelegenheid zijn tijd, die niet aan het maatschappelijk +verkeer was gewijd, met lezen en studeeren door te brengen. Dikwijls was +hij maar een half uur per dag op zijn kantoor en zijn overigen tijd +thuis, of, zelden, in de club. Maar 't sprak dat hij voortaan al zijn +lidmaatschappen van sociëteiten en verdere celibatairs-genootschappen op +zoû zeggen, om met zijn vrouwtje, alleen voor en in zijn eigen huis te +leven. Hij wilde zich ook ernstiger nog als nu op de studie toeleggen, +een bezigheid, die, wilde zij vruchten dragen, op zich zelf al veel van +zijn vorderen zoû. + +Terwijl de Stuwen den brief weêr bij de andere papieren in den omslag +leî, dacht hij na over het besluit dat hij zoû nemen. Hij glimlachte. +Mathilde had sinds die paar dagen nauwelijks van Jozef durven spreken. +Alleen gisteren-avond, toen hij haar een beetje plechtig had afgevraagd, +of zij wezenlijk, in het volle besef van wat de toekomst zoû brengen, +van Wildens vrouw woû worden, had zij hem doen blijken, hoeveel zij van +Jozef hield. Zij verzekerde alles overwogen, over alles nagedacht te +hebben en tot het besluit te zijn gekomen, dat haar toekomst was aan de +zijde van dien man te leven en te sterven. + +Er was dus, dacht de Stuwen, niets tegen het huwelijk ... Hij had immers +zelf, hij, die Jozef misschien 't best van allen kende, toch nog de +laatste dagen hier daar in de stad naar de reputatie van zijn aanstaande +schoonzoon geïnformeerd en overal waren hem de beste berichten gegeven. +Vroeger had Jozef wel een beetje "gesjouwd", schreef een van de heeren, +dien hij inlichtingen had gevraagd, maar hij was toch altijd, vooral in +den laatsten tijd, een bedaarde jongen geweest. Hij zoû van Wilden dus +maar andwoorden en Mathilde, als zij thuis kwam,--zij was van-avond bij +mevrouw Berlage--gelukkig maken. + +Ja, Mathilde was uit. Hij zat hier alleen en kon dus dat zaakje nu juist +goed ten einde brengen. Plotseling dacht hij aan zich-zelf, hoe alleen +hij zich op 't oogenblik voelde; de kachel was aan 't uitgaan, zijn thee +werd koud. Mathilde was er ook niet om voor dat alles te zorgen. En in +éens voelde hij geheel de verlatenheid, waarin hij in 't vervolg zoû +zijn. Hoe was 't mogelijk! Nu pas dacht hij aan wien hem toch het naaste +was! Wat moest hij nu worden? Alleen zijn ouden dag tegemoet gaan, dat +was geen pleizierig idee. En was dat het lot van alle vaders in zijn +omstandigheden, in zijn noodzakelijke omstandigheden, dit besefte hij +wel. Zijn glimlach verdween en hij huilde. Hij voelde zich koud, hij +keek rond. Wat was het eenzaam hier in huis! 't Gebeurde wel meer, dat +Mathilde eens uit was 's avonds, maar nooit had de kamer hem zoo kil en +leeg geschenen als nu, ofschoon hij zeker wist, dat Mathilde op haar +gewonen tijd thuis zoû zijn om hem goeye nacht te zeggen, naar zijn warm +kruikje te zien en zijn kussen te schudden, en dat, al ging het huwelijk +ook door, zij toch minstens nog een maand of zes bij hem zoû zijn. + +Hierna vermande zich de heer de Stuwen. Hij stond op, sloot zachtjes de +deur en kreeg uit de zwaar mahoniehouten sekretaire, rechts van het +raam, dat op het binnenplaatsje uitzag, zijn schrijfgereedschap. Hij +schreef, met een beetje schuin uitloopende regels, aan Jozef, dat hij, +na lang over den stap nagedacht te hebben, besloten had zijne dochter te +permitteeren hem te trouwen, dat hij verder Jozef verzocht een dezer +dagen eens nader over deze aangelegenheden te komen spreken. De brief +was min of meer koel ingericht. De Stuwen voelde voor Jozef niet meer de +vriendschap van vroeger. Maar hij kon nu eenmaal niet anders, ofschoon +hij 't zelf onredelijk vond. + +Gedurende den tijd, die aan het huwelijk voorafging, veranderde de +Stuwen zichtbaar in de oogen van Mathilde. Meestal was Jozef 's avonds +bij hen, maar éen of twee maal in de week, als de Stuwen alleen zat met +Mathilde in den schemerschijn van 't lichtje onder de theepot, dan was +'t of hij niet meer op zijn woorden kon komen, zoo als vroeger, dan +gebeurde 't wel, dat er een uur verliep, terwijl de Stuwen zich in zijn +koerant verdiepte en Mathilde over haar borduurwerk gebogen zat, in +geheele stilzwijgendheid. En was Mathilde verwonderd over haar vader, +vroeg ze hem, of hem iets scheelde, of er soms iets aan zijn gezondheid +haperde, dan verbaasde hij zich over die vragen, dan zeî hij volstrekt +zelf niet te weten, haar anders, met minder hartelijkheid en +vertrouwelijkheid, te behandelen dan vroeger. Zij ging nu trouwen, dat +was heel, heel goed, dat was de weg, dien iedereen ging op haar jaren en +hij zoû wát trotsch zijn eenmaal in zijn dochter een mooye flinke +getrouwde vrouw te zien. Wat hem dan zoo stil maakte en afgetrokken, hij +wist 't zelf heusch niet, hij vertrouwde van Wilden geheel, hij was over +'t toekomstig lot van Thilde niet ongerust. Maar onbewust vulde hem het +voorgevoel van de verlatenheid, die hemzelf te wachten stond. Hij had +nooit veel vrienden gehad en sinds den dood van zijn vrouw, na zijn +langen rouw, had hij er in 't geheel niet aan gedacht zijn oude +kennissen weêr op te zoeken, nog minder nieuwe aan te knoopen. Hij was +altijd een huiselijk man geweest, die een stillen kleinen kring, rustig +'s morgens aan 't ontbijt, rustig 's avonds in het schemeruur, de +voorkeur gaf boven menschen-zien en vertooning-maken. Daar Mathildes +aard hierin nogal met den zijne over-een-stemde, hadden zij zich met hun +tweeën, hoe langer hoe meer buiten het algemeene, gedruismakende +maatschappelijke leven gesloten. Nu, nu het oogenblik van scheiding en +verandering in die huiselijke orde naderde, zag hij in gedachten eens +uit naar de jaren, die komen zouden. Zijn dochter ging wech, natuurlijk! +Ja, zij zoû wel altijd veel van hem blijven houden, veel van zijn uren +zoû hij nog in haar stil en aangenaam gezelschap kunnen slijten. Maar +hij wist heel goed, hij herinnerde zich nog wel deugdelijk uit de eerste +jaren van zijn eigen huwelijk, met wat een scheele oogen jonggetrouwden +aanzien, dat een derde zich in hun intieme leven mengt en dat hij een +tijdperk van ondragelijke eenzaamheid tegemoet ging, daar twijfelde hij +geen oogenblik aan, en deze gedachte maakte hem stil. Want even afkeerig +als hij was van veel en druk gezelschap, een even groote behoefte had +hij aan enkelen in zijn nabijheid, om zijn vertrouwelingen te wezen en +zijn gemoedsleven te deelen. Mathilde kwam er niet op te vermoeden, wat +de eigenlijke reden was voor de verandering in haar vaders manier van +zijn. Zij had al van alles verzonnen, maar wat haar in was gevallen, om +de onhoudbaarheid dadelijk weêr verworpen. Vroeg zij 't hem, dan bleef +hij maar andwoorden, dat hij daar zelf niets van merkte. Zij ook dacht +voortdurend alleen aan de toekomst. Maar 't kwam haar zoo natuurlijk en +zeker voor, dat vader bij hun in zoû komen wonen! Zij twijfelde daar zoo +weinig aan, dat niets haar meer verstomd zoû hebben als te hooren, dat +de onmogelijkheid van wat zij voor natuurlijk hield de eenige oorzaak +was van haar vaders droefgeestigheid. + +Eens op een avond, toen haar vader bizonder treurig voor zich uit zat te +turen, kwam zij weêr op iets: + +--Vader, is u zoo verdrietig, om dat ik trouwen ga? + +--Och, nee, dat is het niet. + +--Maar wat is er dan toch, wat dan in 's hemels naam, er moet toch iets +bizonders aan de hand zijn. Waaraan dacht u nu op 't oogenblik? Zegt u +dat nu eens oprecht. Het zal toch niet eenvoudig aan uw gestel liggen. +Ik heb ten minste nooit gehoord van een lichamelijke kwaal, die op zoo'n +manier aan den dag zoû komen. + +--Kind-lief, ik weet het zelf niet. + +--Maar het kan toch niet zijn om dat ik trouwen ga, want, lieve hemel, +dat doen alle meisjes op mijn leeftijd en het is nog nooit gezien, dat +een vader zich dat zoo erg aantrok. U houdt wel veel van me, dat weet ik +wel, maar ik kan toch niet gelooven, dat u zooveel van mij zoû houden, +dat u ziek wordt bij de gedachte, dat we een beetje van mekaâr moeten +gaan, dat zoû toch al te erg zijn. Dat zoû ziekelijk zijn en eenig in +zijn soort, en nee, en dat kan niet, dat is onmogelijk. Ik kan het mij +niet verbeelden ... Och toe, vader, doet u nu niet zoo raar ... Kan u er +zelf niets, niets aan doen? ... Vader, wil ik dan maar liever niet +gaan trouwen? + +--Nee, kind, ik verzeker je, dat is het niet, het moet iets lichamelijks +zijn. Ik zal er den dokter eens over spreken ... Denk je nog wel dikwijls +aan je moeder? vroeg de Stuwen plotseling. + +--Tusschenbeide. Ik kan eigenlijk niet goed aan d'r denken. Hoe wil ik +me iemant voorstellen, die ik mij nog maar zoo weinig herinner. + +--Je moeder was net zoo als jij, lieve kind, je bent haar sprekend +evenbeeld. Ze was net zoo opgewonden als jij wel zijn kan, en ook haar +uiterlijk had héel veel van het jouwe ... En weet je, waar ik nu eigenlek +bedrukt over ben? ... Als 't eens met jou ging, zoo als 't met haar is +gegaan ... Kind, je hebt zóoveel van d'r! + +--Maar, vader, hoe bedoelt u? Ik begrijp u niet; dat ik ook vroeg +sterven zoû? + +--Ja, kind, je kon niet weten. Laten we eens iets veronderstellen ... Als +jij ook een kindje kreeg en je stierf dan, zoû je dat niet +verschrikkelijk vinden? + +--Och, vader, ik weet niet, ik kan me daar volstrekt geen voorstelling +van maken. + +De heer de Stuwen was ongerust. Den volgenden dag, toen hij weêr een +uurtje alleen zat, kreeg hij hoofdpijn van het denken aan zijn vrouw en +aan Mathilde. Hij dacht aan Mathildes zwarte haar, aan haar donkere +oogen, die zij, zonder verandering bijna, van haar moeder had. En dan +haar levendigheid, haar vuur; dat hem vroeger juist zoo op zijn vrouw, +die maar zoo kort geleefd had, verliefd had gemaakt. Mathildes +levenslustigheid sloeg nu en dan in wildheid over. Dat maakte hem ook +bang. Nu, in den laatsten tijd met het huwelijk in 't vooruitzicht, was +dat wel beter geworden, maar vroeger, wat kon zij aangaan! Het was wel +gebeurd, dat zij stil alleen samen zaten en lazen, hij de koerant, zij +een roman. Dan was zij dikwijls niet van het boek af te krijgen geweest, +haar slapen gloeiden vlak boven de bladzijden, tot zij in-éens ontsteld +op-sprong, gejaagd de kamer rondliep en eindelijk tegen de muur ging +staan leunen, haar voorhoofd op den rand van een schilderij. Een +oogenblik duurde dat maar, dan keek ze om en proestte het uit van het +lachen over haar eigen kinderachtigheid. Met tranen nog in haar oogen, +liep zij dan naar haar vader, die verwonderd naar haar had zitten +kijken, en drukte hem bijna te pletter in een omhelzing. Wat kon zij +woest zijn! Wat kon zij op de piano dreunen en urenlang zitten spelen, +zonder ooit op te houden, zonder om te zien. Zij was bepaald een +vreemdsoortig meisje; haar moeder had ook wel zoo iets. Maar zij veel +meer. Wat kon ze met een hartstocht teekenen, uren lang, boven alleen op +haar kamer, zonder ooit voor 't venster te kijken naar de menschen +beneden langs de straat. En dan, die vlagen van godsdienstigheid +tusschenbeide! Daar begreep de Stuwen nog 't minst van. Hij was ook wel +naar de kerk gegaan in zijn jeugd en had veel preêken gehoord van een +vromen pastoor, maar met de jaren kwam de onverschilligheid en het vage, +geheimzinnige geloof van zijn vrouw, had hém juist nog meer doen +verflauwen. Hij was bepaald van de liberale partij geworden, hij las het +Handelsblad en was 't vrij wel eens met dominee Hugenholtz. Maar +Mathilde niet. Zij kende God, had zij dikwijls beweerd, en als ze iets +goeds deed, voelde ze duidelijk de zegening van God in haar binnenste. +Of pastoor Sluyter, die vroeger wel eens aan huis kwam, haar dat had +geleerd, dat wist de Stuwen niet. Maar hij merkte elken dag, hoe +gelukkig of haar geloof Mathilde maakte. Daarom sprak hij er zoo weinig +mogelijk met haar over. + +Ja, het geloof alleen maakte Mathilde vroeger gelukkig, zij wist het +zelf heel goed. + +Tot haar vijftiende jaar toe, had zij alleen den God van haar moeder en +van pastoor Sluyter gekend. Zij stelde zich hem voor als den oppersten +rechtvaardigen rechter, een bejaard eerbiedwaardig mannelijk wezen, met +langen sneeuwwitten baard, die haar zag en zijn wenkbrauwen fronste, als +ze kwaad deed of dacht, als ze ongehoorzaam was aan vader, lui was onder +'t werk of met een vriendinnetje lachte in de kerk of de japonnen van de +dames haar daar meer bezighielden dan Hij en Zijn Majesteit; die +welwillend op haar neêr zag en haar zegende, als zij braaf was, goed +werkte, en gedwee tegenover haar meerderen. + +Maar toen zij volwassen werd, het een en het ander gelezen had en haar +ziel groot voelde worden, toen had het gevoel over dien God +noodzakelijker en levendiger dan vroeger aan haar voorgedaan. Als ze 's +zomers 's morgens opstond en de zon goudgloed was in haar kamer, als ze, +even voor het venster staande, de blaadrenmassaas van de iepenboomen zag +waayen en ruischen en de lucht zoo blauw was boven de glinsterende +daken, vooral ook als ze eens buiten kon zijn en rondwandelen in de +vrije natuur, of als ze muziek hoorde of een prachtigen roman las, dan +rees er een onnoemlijke behoefte aan uitstorting en aan dank in haar +gemoed, dan richtte zij zich tot dien hoogen Persoon, uit Wien al dat +vreemde geluk moest voort komen. Dan dankte zij Hem voor de gave van +haar leven, voor haar genieting en voor de hoop op nog grooter geluk, +die zij in zich droeg. Zij wenschte ook zoo zeer geleid te zijn, een +raadgever te hebben. Nu besefte zij het: Hij zoû haar leider wezen! Zij +bad van Hem veel goeds te mogen doen in haar leven, zij dankte Hem, als +ze iets goeds had gedaan. Zij droomde ook van liefde. Daarom óok bad zij +aan den God van alle liefde. Het gebeurde wel, dat zij woorden vond om +Hem toe te spreken en Hem haar vereering te betuigen, net zoo als zij +tegen haar stoffelijken minnaar zoû zeggen, als die mocht komen. + +Toen ze van Jozef begon te houden, had zij gehuild van dankbaarheid in +haar gebed aan God. + + * * * * * + +Intusschen verliep de winter, een zachte winter. In 't voorjaar zouden +Jozef en Mathilde trouwen. Het engagement was publiek. Mathilde had zich +al gewend aan de pleizieren en aan de eentonigheid van zoo geengageerd +te zijn. Jozef hield nu zijn arm om haar middel geslagen en zoende haar +in het bijzijn van den ouden heer. Het kwam Mathilde voor, dat haar +liefde op dezelfde hoogte bleef staan. Dan zaten zij met hun drieën bij +mekaâr en bespraken plannen voor de toekomst. In weêrwil van zijn +afwijzingen was 't nu vast bepaald, dat de oude heer bij het jonge paar +in zoû komen wonen. Eens maar werd er nog een avondje met meer +menschen gegeven. + +Toen de tijd van het huwelijk kort op handen was, werd Mathilde +zenuwachtig. Haar stil genoegen van dagelijks met Jozef te zijn werd +vermengd met zekere nog nieuwe gewaarwordingen van gejaagdheid en angst. +Als ze soms op de kanapee in de binnenkamer naast mekaâr zaten en +praatten, terwijl de oude heer, op een stoel voor de tafel, goedig en +stil er opmerkingen tusschenvoegde, voelde Mathilde in-éenen met een +soort van bevreemding, van verwondering, dat zij daar nu zoo zat, in +dezen toestand en pratend over de inrichting voor haar volgend leven, +die zoo bizonder verschillend van de tegenwoordige wezen zoû en waarvan +zij nog zoo weinig wist. Als Jozef, op den heel gemeenzamen toon, waarop +hij deze onderwerpen behandelde, over de wenschelijkheid gesproken had +met zijn vrouwtje een huis op de Heerengracht te huren en haar vroeg, +wat zij dacht van de Heerengracht bij de Gasthuismolensteeg, om dat hij +zijn kantoor hield op het Cingel daar dicht in de buurt, dan kon zij hem +plotseling aanzien, alsof zij geschrokken was van wat hij zeide. Zij +keek ernstig en hield zich stil. Men hoorde het lichtje onder de theepot +branden. En dan sprak hij weêr voort, zonder iets te merken. Het +gebeurde wel, dat de oude heer indommelde midden-in de gesprekken +overdag of 's avonds. Als Mathilde dan Jozefs stem alleen voort hoorde +gaan, kwam het voor dat zij hem niet vertrouwelijk aan dorst zien, maar +een groote droefheid over zich voelde komen en haar blikken maar niet +van den slapenden vader afhouden kon. Zij zag de kamer rond en, 's +avonds of overdag, in de voor-of in de achterkamer, het was zóo donker, +dat zij kippenvel kreeg. Zij keek naar de wanden, een voor een, en +begreep maar niet, waarom zij die al-gauw voor andere, lichtere en +vroolijkere waarschijnlijk, verruilen zoû. Er kwam haar een weemoedige +vriendelijkheid van de vormen van de meubels, die tegen het behangsel +stonden, tegemoet. Het buffetje herinnerde aan de heerlijke oude dagen, +die voorbij waren voor altijd, de lijsten van de schilderijen +herinnerden, dat haar vader, na een schoonmaakdag, die altijd recht +hing, om dat de schoonmaakster ze schuin aan het driehoekig koord weêr +opgehangen had; zij dacht er over, dat haar vaders haren vroeger veel +minder grijs waren, en Jozefs stem klonk dan als heel uit de verte, als +het gelui van een stalen klok. 's Avonds naar haar slaapkamer gaande en +daar zijnde, onder het uitkleeden, had zij een gevoel van vagen angst +voor Jozef. Het was zoo donker overal. Hij kwam haar toch niet na op de +trap! Hij stond toch niet aan haar deur te tikken, na dat zij hem +afgesloten had? Hij had zich toch niet in de een of andere kast +verborgen, om haar te verschrikken of te verrassen? Hij zoû toch niet +van onder de tafel of het bed vandaan kruipen, om bij haar te zijn, al +te dicht bij haar, om haar aan te raken, vriendelijk, hartelijk, stevig, +om haar te omhelzen al te vurig, haar zeer te doen, om haar pijn te +doen, haar te knijpen, iets van haar te stelen, iets voor altijd van +haar wech te nemen, wat haar dierbaar was, iets innig van haar eigen? +Hij drong zich toch niet tegen haar aan, eischend dat zij iets af zoû +geven, wat zij niet missen kon? En in een groote haast ging zij naar +bed. Dáar verdwenen de onrustige gedachten en ging zij teeder aan hem +liggen denken, schikte zich gemakkelijk op de matras en de kussens, om +niets te voelen en zich niets te verbeelden dan hem en hem alleen, om in +haar éentje gemakkelijk en ongestoord van hem te houden. Zij had voor +dek een laken, een deken en een sprei. Zij sloeg die tusschenbeide +heelemaal uit over haar hoofd om zóo, in de pikke duisternis, Jozef +alleen te zien. Of wel, wanneer het haar te benauwd werd, vouwde zij het +dek om en trok het, zoo eens zoo dik, zoo hoog mogelijk onder haar kin +en dan, met dichte oogen, wreef zij zachtjes haar kin over dat dikke dek +heen en wêer; dan stond hij, in al de bizonderheden van zijn persoon, +zóo levendig voor haar geest, alsof hij wezenlijk in haar kamer was. +Maar zij hield er van haar eigen denken over hem na te pluizen. Hoe kwam +het, dat zij hem nu zoo erg zag? Gesteld eens, dat hij op dit oogenblik +wezenlijk was op de plek, waar zij zich nu verbeeldde hem te zien, in +welke houding zoû hij dan zijn? Stónd hij, gewoon rechtop? Neen, dan +moest hij op haar bed staan, zoû zich dus ten eerste niet stijf staande +kunnen houden op het weeke beddegoed, ten tweede zoû zijn hoofd tegen +den hemel stooten om dat hij zoo lang was, ten derde zag zij hem zoo van +dichttebij, dat zij te-gelijk zijn voeten en zijn haren zoû kunnen +aanraken, iets wat dán niet mogelijk zoû wezen. Lag hij dan naast haar +of op haar, stond hij buiten het ledikant? Neen. Stond zijn beeltenis +dan afgeschilderd ergends midden in haar hoofd? Dat moest zijn. Zij zag +hem uitkomen op een donkeren kleurlozen of naar het grijs-rood aardenden +achtergrond. Die beeltenis moest dan wel heel klein wezen, om daar +binnen geborgen te kunnen zijn. En toch zag zij hem levensgroot. Hij was +er en hij was er niet. Dat maakte haar weêr bang. Dan kwam daar nog bij +waarom sloop die vreemde gestalte zoo bij haar binnen en overmeesterde +al haar denken? Wat had die man een overdreven punten aan zijn snor, die +zij langs haar wang voelde scheren; een heele lichte, nauwelijks +merkbare onaangename geur kwam er rechts uit zijn boord op. De even +zichtbare kringvormige indruksels onder zijn oogen vond zij leelijk ... +En dan was hij haar weêr heelemaal vreemd. Wat kwam hij doen, wat wilde +hij toch van haar? Zij en hij waren toch twee verschillende menschen. +Hoe kon zij dan niet aan haar zelf denken zonder hem te zien? Waaróm +drong hij zich dan zoo aan haar op en ademde zij met hem samen? Hij +vervolgde haar; wat zoû hij haar doen? ... + +Dikwijls keek Mathilde in deze dagen weêr naar het portret van haar +moeder, droever en bleeker elken dag. De straffe rimpels van de +neusvleugels tot de mondhoeken prentten zich dieper in het gezicht van +de vroeg gestorvene. + +De laatste veertien dagen vóor het trouwen zorgde Mathilde met haar +modemaakster voor haar japonnen en met boodschapjes in de stad, die al +haar middagen vulden, voor haar verderen uitzet. Zij was ongeduldig. De +tijd moet nu maar gauw verloopen, nu alles toch eenmaal besloten was. +Maar heviger dan vroeger had zij aanvallen van berouw over hetgeen zij +ging beginnen. Zij zoû haar goeden, ouden, armen vader alleenlaten? Want +hij kon de huwelijksreis toch niet meêmaken, dat ging niet. Hoe had zij +daartoe kunnen besluiten? Maar hij kwam immers later bij hen inwonen? +Ja, ja, maar ondertusschen! Hij werd hoe langer hoe stiller en meer +in-één-gedoken. Wat zoû er van hem te-recht komen? + +Door allerlei zulke bespiegelingen heen, brak de huwelijksdag aan. Toen +Jozef haar dien avond, dien oppersten avond, meênam naar het station, +was alle gevoel in een verdooving ondergegaan. Het afscheid van haar +vader ging flauwtjes te werk. Zij had den heelen dag bijna niets gegeten +en alleen maar een paar glazen water gedronken. In den trein had zij de +koorts. Geen woord werd er gezegd. De bezorgdheden van Jozef, die haar +alles zoo gemakkelijk mogelijk maakte, merkte zij niet eens. Zij zat +daar, lijkwit. Een onbestemde nieuwsgierigheid drong huiverig door haar +verdooving heen. Zij dacht aan niets eigenlijk. Haar keel was droog. Het +was haar te moede, als stond zij in een dikken grijzen damp met een +ondoordringbaar verschiet in de rondte. In een nevel van onuitgedrukte +aandoeningen ging zij haar nieuwe leven in. + + + + +V. + + +Jozef en Mathilde waren voor den burgemeester getrouwd en voor den +pastoor. Dit laatste om dat de Stuwen het, voor de menschen, om niet af +te wijken van het gebruik, gewild had en zonder op Mathilde indruk te +maken. Zij was te erg wech geweest door al het andere. Haar vaag gevoel +als het 's zomers 's morgens heel mooi weêr was of boven een roman, dat +zij zich als haar geloof dacht, werd wel even een beetje opgewekt, maar +zij voelde zich eigenlijk geen echte, katholieke vrouw, zoo als haar +moeder geweest was. Maar toch, toen zij een week getrouwd was, begon zij +te denken meer dan zij vroeger had gedaan, dat 't van Jozef vreemd was +zoo aan niets bovennatuurlijks te gelooven. Buitendien had zij haar +liefde van verleden jaar nog niet voelen te-rugkomen. Zij was nog altijd +een beetje bang voor Jozef, hoofdzakelijk 's avonds en 's morgens vroeg. +Zij had geen verwondering in zich zelve gemerkt over wat er met haar +gebeurd was, maar zij had er Jozef niet liever om gekregen. Alles kwam +haar natuurlijk en toch vreemd voor. In vreemde omgevingen, onder +allerlei vreemde gewaarwordingen, leefde zij als een heel nieuw en +versch leven. Vele herinneringen van haar eerste halve jaar op het +kostschool vulden haar brein. Toen had zij ook zooveel ongekends beleefd +en had haar bestaan zich nieuw aan haar voorgedaan. Maar krachtiger dan +toen mengde zich nu de gedachte aan haar vader onder de andere. Hoe zoû +'t met hem gaan? Hoe zoû hij zijn dagen wel slijten? Zij schreef hem +alle dag en kreeg driemaal in de week antwoord. + +De huwelijksreis was door Jozef en den ouden heer na rijp beraad zoo +vastgesteld: Zij zouden den avond van hun vertrek gaan tot Arnhem, +verder naar Parijs: dan zouden zij langs de Middellandsche Zee naar Rome +gaan en de terugreis over Duitschland doen. Jozef voorspelde ontzaglijk +veel genot van zoo een groote reis. Hij was tóch een liefhebber en had +er in een helen tijd niet aan gedaan maar ook voor Mathildes +wereldkennis was de uitgestrektheid van de roete uitstekend. In +Valkenburg een dorp bij Maastricht, zouden zij een eerste halte maken +langer dan een dag, van een week waarschijnlijk. + +Daar waren zij aangekomen den vorigen avond en hadden er, met open +ramen, een rustigen nacht gehad. Het was nu zeven uur in den ochtend, de +tweede helft van Mei. + +Het hotel aan den landweg, waar een andere weg, die bergopwaarts ging, +daarin eindigde, blaakte zijne éene verdieping en aschgele gevels in de +zon. Van boven de onderste ramen van den voorgevel tot aan het +lila-kleurige hek, dat het stuk grond vol banken, stoelen en +donkergroene tafeltjes vóor de deur, omheinde, waren vale doeken +gespannen, om het er koel te houden. Maar gouden hittestralen spoten +door reten en beschilderden hel-geel den muur. Geen windje woei, maar +door de vroegte was het nog niet snikheet. Mathilde zat, zachtjes naar +achteren geleund, op een van de zwart-groene banken vlak aan het huis, +met hun geribde ruggen tegen de vensterbanken, rechts van de deur. Zij +was in een luchtig blauwen peignoir, met goedkoope, breede witte kant +afgezet. Zij hield haar handen op haar schoot, haar ééne duim tusschen +de bladen van een rood reisboek; en klein wondje, nog frisch, bloedde +aan haar wijsvinger, waarmeê zij een roos had geplukt, om die +zoo-met-een in Jozefs knoopsgat te steken. Zij las niet. Zij zat +roerloos, haar voeten in blauwe kousen en opengewerkte schoentjes, op +een versleten voetenbankje. De nauwheid van het witte plooisel maakte +haar hals een beetje rood. Zij sufte, haar blikken voor haar uit in de +heesters of opklimmend rechts langs den bergwand, met zijn zwarte, +paarse, bruine, donkerroode en gele aarde, beneden als zand-steen +uitgegraven en hooger-op met kleine boomengroepen. Boven in de lucht +verdreven wazige witheden in het belle hemelblauw. Mathilde droomde zich +heel wech, in een loomheid afgezonken. Haar oogvlakjes stonden +mat-mijmerend, drinkend de pleizierige kleuren voor haar uit. Een +weekelijkheid was door heel haar lichaam gedrongen. D'r haar was nog +maar half opgemaakt. Lange slappe vlokken, dof-zijig zwart, hingen naast +haar ooren neêr. Haar huid scheen haar als door een dunne laag was, +gevoelloos en zacht-prettig, bedekt. In de vensterbank, volgend op die, +waar zij vlak voor zat, had de logementhouder vier bloempotten laten +zetten, met roode en witte rozen, wier reuk zwaarzachtjes om Mathildes +hoofd kwam hangen. Een logge zandwagen knerste voorbij, rechts over den +weg, het zweepgeknal klitste, de wagen trok af en grommelde voort in de +verte. Vroege vliegjes wirrelden boven haar handen; twee heele kleine +bleven mekaâr halsstarrig op haar rechter wijsvinger vervolgen. Het +ochtendgepraat van een paar gezinnen, een eind verder onder het +zonnescherm aan het ontbijt, links van Mathilde, hoorde zij bijna niet. +Een stijve kellner kwam uit de deur loopen om de families te bedienen, +versleten zwarte blaadjes met gemeen wit aardewerk op de handen, borden +met groote ronde brooden aandragend. Soezelig fladderde een gedachte +door Mathildes hoofd: wat zoû vader graâg eens zulk brood proeven. En +zij overdacht haar vaders voorliefde voor brood. Twee blonde kinderen +huppelden nu naar buiten en bekeken Mathilde even met klare oogen. Maar +er waren zooveel gele tinten in de groene heesters, de zon smeet breed +lila over den bergwand rechts en er sprankten zooveel glansjes door de +sparreboompjes, dat Mathilde langzaam opstond, en terwijl haar korte +sleep, waar ook een wit strookje uit te voorschijn kwam, bevend over het +zand krulde, naar voren wandelde, het hek door, en op den weg staan +bleef om naar beneden, links in het dal, te kijken. De zon was schuin +achter haar; haar blikken dwarrelden door de wijde zilverblauwe lucht. +Voor haar uit streepte de weg neêr, breed, poeyerig, wit, altijd nauwer +wordend tusschen de ruigbestruikte lage bergglooying, in een hoog +kroeserig boschje verdwijnend. In de diepte zag zij een roerloos +watertje, sneeuwwitte huizen, kaal land, waarop poppetjes, dat menschen +waren, gebaren maakten en liepen. Maar effen lichtend blauw daalde de +hemel nauwelijks, heel beneden, blankend. Nog nooit had Mathilde zoo +weinig grijze nevel aan een horizont gezien. Hooger-op in de lucht stond +de heele ruimte in een laayend sidderen witblauw, goud-flonkerend. En +alles blankte schitterend. Een plekje gras en mos door-een-gegroeid, +vlak bij Mathilde, glansde van niet wechgedroogde dauw met kleuren van +paarlemoer. Er zongen vogels en Mathilde voelde van muziek die uit de +lichtzee van den hemel neêrruischte. De lucht was sterk. Mathilde +voelde, bij dit ontwaken vol wemelende stralen, haar oogen door een +donzig waas overtrokken. Sprakelooze onuitbare vreugde steeg er op van +haar hart. Zij zag golven van wit vuur uit de hoogte tot haar afkomen. +Haar oogen glommen dronken tegen het tintelend verschiet. Haar eene +been, waarop zij steunde, wankelde. Weêr langzaam ging zij te-rug naar +de bank, om op Jozef te wachten. Het roode reisboek was op den +grond gevallen. + +De families, links, waren druk aan 't kakelen geraakt. Een oude vrijster +schonk, met ernstig voorhoofd, koffie, en men knabbelde op beschuiten, +onder het getemperde licht van het spandoek. Juist kwam Jozef voor den +dag in een grijs dun pak. Mathildes blik verwarmde zich. Met een zachten +glimlach leî ze haar arm in de zijne en stak, voor hem heen buigend, het +rozeknopje in zijn knoopsgat. Zonder zich te bedenken, als sprak 't +van-zelf, wandelden zij dadelijk den weg op tot zij alleen waren en +niemant hen zien kon. Zwijgend gingen zij een heel eind voort, daalden +de bergglooying af, liepen hoe langer hoe langzamer tot zij aan een +boschje van pijnboomen kwamen. Zij gingen er in en bleven stilstaan. +Hier was schaduw en koelte. Zij gingen naast mêkaar liggen op den grond. +Jozef trok halmen stuk en beet ze klein. Hij vond den dag zoo mooi, +en zeî het. + +--'t Is heerlijk, zeî Mathilde, heerlijk! + +Jozef lag tegen den heuvel aan op zijn rug. Hij keek naar de bladen in +de hoogte. Mathilde zat naast hem en steunde zich met haar elleboog. Zij +keek naar het mos en zeide: Wat zullen wij gelukkig zijn samen. + +--Wij zÃjn 't al, andwoordde hij. Zonder naar haar te kijken, liet hij +zijn voorarm over zijn elleboog heenbuigen en opende zijn mooye hand. +Zij leî er de hare in en zoo bleven zij een tijdje liggen. Het was +Mathilde wél te moede. Zij zagen geen van beiden om. Door de boomstammen +heen zagen zij alleen schemering van hel-witte lucht in de verte en hoog +boven hen sprankte een enkele maal het goud tusschen de groene massa. +Mathilde vond, dat het lichte grijze pak Jozef uitstekend stond, om dat +hij zoo'n geanimeerde kleur had op zijn wangen. + +--Wat zoû vader nu wel doen op 't oogenblik? vroeg zij. + +--Lieve kind, het is pas hallef nege. Je vader ... + +--Nu moet je zeggen "Vader", want nu is ie ook de jouwe. + +--Goed. Vader zal zoo wat juist opstaan. + +--En weêr lagen zij bewegingloos. Jozef gaapte nog eens even en rekte +zijn beenen uit. Met gemakkelijke gebaren aaide hij Mathildes wangen of +drukte zachtjes haar hals tusschen zijn wijsvinger en duim. Kwamen zijn +handen hij haar lippen, dan zoende zij ze even, zonder precies te +letten waar. + +Mathilde voelde zich langzamerhand weêr heelemaal zich-zelve worden. De +droomende stemming ging zoetjes voorbij. Zij ontwaakte onweêrstaanbaar +in het heerlijk ontwaken van haar liefde. Uit de doffigheid van haar +alleen-zijn openbaarde zich nu het bewustzijn van haar geluk. Zoo ging +dat bijna iederen morgen. Dit zalig-vreemde gevoel in deze vreemde +omgeving was zoo vol verrassingen, dat zij telkens dacht nu zoû het wel +op zijn heerlijkst zijn geweest. Iederen nacht sliep zij in met de +gedachte van-daag zooveel te hebben liefgehad, dat zij den volgenden +morgen zoû ondervinden, dat er een verkoeling in haar liefde was +gekomen. Maar bij het begin van den nieuwen dag, dan dacht zij nog meer +van Jozef te houden dan gisteren. Alleen dat haar vader zoo ver wech was +vond zij verschrikkelijk naar. Zij voelde zoo zich niet heelemaal aan +haar geluk te kunnen geven. Zij had dien goeden vader daar alleen thuis +achter gelaten. Als zij terugkwam in Amsterdam, zoû zij weêr erg voor +hem te zorgen hebben waarschijnlijk, en toch verlangde zij er naar. +'t Was nu maar te hopen, dat vader niet ziek werd gedurende haar +afwezigheid. Mathilde dacht nu na, over hetgeen Jozef in oogenblikken +als deze wel voelde. + +--Hoû-je van me? vroeg zij. Dit had zij al zoo dikwijls gevraagd. + +--Dat weet-je wel, heel veel. + +--Wezenlijk, heel veel? + +--Wezenlijk, zeî Jozef, maar hij lag te lekker den zomermorgen te +genieten, zoo op zijn rug, om haar voor dit gezegde in zijn armen te +nemen en te zoenen, zoo als zij het had gehoopt. + +--Ben-je dan niet blij, dat we nu zoo heel alleen samen zijn, dat ik nu +heelemaal voor jou ben, dat je met mij doen kunt, wat je wilt? Hij +andwoordde iets dat haar veel pleizier moest doen. En zij sprak weêr +voort: O, ik ook, ik begrijp mijn geluk nog niet heel goed, maar ik +voel, dat het er is. Ik ben zoo gelukkig, dat ik bang ben, dat het niet +lang meer duren zal. + +--O, waarom niet? + +--Ja, dat weet ik niet, maar het is zoo. Ik weet niet, maar alles is nog +zoo vreemd; ik ben er nog zoo weinig aan gewend, En ik ben zoo bang dat +vader iets zal overkomen. + +Hij stelde haar gerust. Waarom bang te zijn? Het weldadige seizoen zoû +ook vader goed doen. + +--Ik weet niet, zeî ze weêr, maar 't is net, of ik nog altijd een beetje +bang voor jou ook ben. + +--Ben-je bang voor me?, vroeg hij, hoe dan? + +En zij leî het hem uit. Hun verhouding, zoo als die nu al acht dagen +bestond, was zóo vreemd, zóo vreemd voor haar. Het hinderde haar, dat +hij zich zoo met het meeste gemak kon schikken in al die dingen, waaraan +zij zich nog gewoon moest maken. Hij behandelde haar op een manier, +zooals hij het vroeger nooit had gedaan. Hij was heel lief, maar op zoo +een innige manier, dat 't haar wel aangenaam was, maar dat zij er zich +toch iederen keer weêr over verbaasde. Het ging hem al te goed af, zij +waren hem al te eigen, die woorden en aanrakingen, die haar in 't eerst +tegen hadden gestaan, maar waarin zij langzamerhand een genot was +begonnen te vinden zich aan te onderwerpen. Maar toch, hij deed zooveel, +hij wist zooveel, en zij deed nog niets, zij wist nog niets. Waren alle +mannen nu zoo, of hij alleen? Zij voelde dat zij aan hem wech ging. Hij +was 't, die een vrouw van haar zoû maken. Wel voelde zij zich groeyen in +de innige samenleving met hem, maar zij voelde zich voor zich-zelve +verloren gaan in die liefde. Waar bleven haar eigen denkbeelden, die +kleine bespiegelingen over allerhande dingen in de wereld, waar zij +alleen voor zich-zelf pleizier in had. Waar bleven de indrukken, die zij +kreeg en die zij voor haar eigen gemoed alleen verwerkte en onthield? +Alles bleef wech. Zij gaf hém alles. Zonder het te zeggen of te +waarschuwen, maakte hij zich van alles meester. Zij kon aan niets anders +denken. Hem zag zij alleen in het leven, op hem kwam alles neêr. En zij +verweet hem deze waarheden zóo lief, dat hij op zijn knieën naast haar +ging zitten, haar bij haar schouders achter-over neêrdrukte, en haar +heele gezicht rood en warm zoende, elken keer met zijn hoofd +achteruitgaande om haar, een beetje verder af, goed te kunnen bekijken. +Hij vond alleen dit te zeggen jij bent mijn eenige en grootste schat. +Zij had zich hulpeloos prijs gegeven. Nu en dan bracht zij zwakjes haar +armen, die aan haar zijden waren neêrgevallen, naar boven om hem een +beetje af te weren. Maar zij liet hem begaan, en zoende te-rug, als zijn +gezicht niet te gauw wech was. Er kwam geen sterveling over den weg +achter hen en de heele omtrek bleef doodstil. Aan mekaâr geklemd, bleven +zij liggen. Keek Mathilde naar boven, dan daalde heel de hemel neêr, de +blaâren verwijdden zich boven hun hoofd, stralen van vuur schoten neêr; +het groen verdween en wolken van vuur en licht daalden altijd nader over +hen af. Begon het niet te waayen? Als de boomstammen met al de blaâren +ter zijde bogen, zouden zij bedolven worden door het regenend vuur, dat +boven hen ronddreef. Het bosch werd hoe langer hoe kleiner. Vlammende +winden woeyen wijd en zijd. Hijgende luchtstroomen zweefden tusschen de +stammen door altijd dichter en dichter bij. + +--Vader, waar is vader? zuchtte Mathilde, maar alles was gloed om haar +heen. In de bedwelmende lucht leefde zij voor het eerst vol haar liefde, +met opzwenkende leden en duizelende oogen. Zij zag Jozefs naakt gelaat +en zijn koortsige oogen. Was dat nu het leven? Was dat nu het getrouwd +zijn? De boomen ruischten haar huiveringen tegen. Haar oogleden trilden; +zij kreeg het koud aan de slapen. Zij viel te-rug op het mos, leî zich +met het gezicht naar beneden en, zonder iets te voelen of iets te zijn, +verborg zij haar oogen tegen den grond. + +Zij bleven nog een half uur liggen, zonder te spreken, zonder zich te +verroeren. Mathilde stond het eerst op. Ongearmd gingen zij naar het +hotel te-rug. Na een tijdje fluisterde Mathilde: Dat kan nooit duren, ik +zal gek worden, ik ben ál te gelukkig, of er zal iets anders gebeuren, +ik weet niet wat. Een lusteloosheid hing verder over Mathilde dien +heelen dag. In plaats van te gaan rijden, zoo als eerst het plan was +geweest, zat zij den heden dag op haar kamer of onder het spandoek. +Jozef, die begonnen was met te probeeren haar gezelschap te houden, toen +het hem niet gelukken mocht haar tot het ritje over te halen, moest +eindigen met in zijn eentje te gaan wandelen. Wat zij deed was zoo raar, +zij deed precies als vóor hun huwelijk wel. Zij durfde hem niet lang +achter mekaâr aankijken. Zij sprak maar over haar vader. Tegen den avond +schreef zij een brief naar Amsterdam, vol van de innigste teederheid, +vol van hartstochtelijke gehechtheidsbetuigingen. Zij schreef haar +vader, dat Jozef het heel goed maakte, dat zij zich wel gelukkig +voelden, maar dat zij toch o zoo verlangend was hem te-rug te zien. Zij +was nu pas een groote week op reis, schreef zij, maar toch telde zij nu +al de dagen, die moesten verloopen vóor hun te-rugkomst. De zekerheid, +dat vader zich goed verzorgde, zoû haar echter de afwezigheid +dragelijker maken. Hij moest haar dus daarover nog vele zaken, erg in +onderdeelen en breed onderschrapt, meêdeelen. Had hij geen pijn meer aan +den linkerkant? Niet de minste aandoening daarvan? Hoe was Jans? Bromde +zij niet, voorzag zij hem goed van alles, wat hij woû? Deed hij zonder +over te slaan, dagelijks geregeld zijn loopje? Hij moest dat toch vooral +nooit vergeten; de dokter had er zóo op gedrukt. Dus niet denken: de +lucht is van-daag wat betrokken, ik zal van-daag maar thuis blijven en +morgen een beetje langer wandelen, vooral niet, want van dat langer kwam +morgen toch niets. Regende het den heelen dag, dan moest hij een uurtje +afwachten dat de droppels minder zwaar vielen en dán gaan. Hij moest 's +avonds ook maar weêr eens menschen vragen en zich-zelf zoo wat afleiding +geven. Het woord "avond" en "afleiding" deed Mathilde aan haar piano +denken. Zij lachte in haar eigen, terwijl zij schreef: hoe maakt het de +piano? Die komt nu zeker nooit meer open? Zoo ging zij nu voort. Na haar +vader in al zijn kleine gewoonten en geliefde bezigheidjes herdacht te +hebben, was zij op de piano gekomen en zoo verder op nog andere stukken +huisraad. Zoo het theeblad en de broodmand, de leuningstoel in de +achterkamer, de mooye lampen van het zaaltje. Zij voelde zich wel een +eeuw al gescheiden van al die zaken, die zij een week te voren nog had +gezien. Toen zij de brief af had, kwam Jozef juist binnen, die haar een +boeketje veldbloemen gaf. Zij dankte hem zóo maar, zonder zoenen. Hij +vroeg haar, wat zij nu wilde gaan doen. Zij antwoordde: pianospelen. +Stellig zoû hier ook wel een piano wezen, voor het gebruik van de +logees. En Jozef liet haar weêr alleen. Zij wilde liever, dat hij niet +bleef luisteren, zeî ze. Nu begon hij zich bepaald te vervelen, hij +wandelde op en neêr voor en door het huis, hij zocht praatjes te maken +met het andere gezelschap, hij speelde met die lieve kleine meisjes, die +hier ook logeerden. Hij bladerde in zijn reisboek, hij rookte cigaren, +beneden bij de rozepotten, hij stond op en ging weêr zitten. Hij dronk +alleen thee, toen pons, toen wijn. Hij ondervroeg de kellners naar de +omstreek. Hij zat, met de ellebogen op de knieën en draaide zijn twee +duimen rond over elkaâr. De versleten pianotoon van Mathildes muziek +trilde boven door het venster voort in de avondlucht. Jozef kreeg zijn +wandelstok en ging kuiltjes wroeten in het zand. Daar hield Mathilde op +met spelen. Fluisterend vroeg zij hem uit het venster, of hij niet boven +woû komen. Hij ging naar boven. Zij stelde hem voor nog een beetje over +hun reisplannen te spreken, samen iets verfrisschends te drinken en dan +vroeg naar bed te gaan, want zij was moe, en dan zouden zij morgen vroeg +een lange wandeling kunnen maken, in een andere richting dan die van +eergisteren, om verder de mooye omstreken te leeren kennen. Zij deden +zoo als Mathilde het verlangde, maar zij bleef toch den heelen avond +stil en te-ruggetrokken. + +Den volgenden dag maakten zij de afgesproken lange wandeling. Zij gingen +tot heel ver, Jozef weêr in zijn licht-grijze pak en een groote strooyen +hoed op zijn hoofd, Mathilde in haar ruwe blauwe jurk. Zij liepen over +een weg vol zon en stof, wel anderhalf uur van Valkenburg af. Bij elken +stap dwarrelden vaalwitte wolkjes om hun voeten. Zij stapten langzaam +voort en lieten den rijweg tusschen hen in, terwijl zij ieder op het +smalle voetpaadje, dat voor hen uitreepte, aan weêrszijde liepen. Zij +hadden al wel een kwartier gezwegen, toen Mathilde over het geloof begon +te spreken. + +--Hè, zeî ze, de vrije natuur stemt me altijd geloovig ... Voel-jij nu +ook niet zoo iets in je binnenste? Hij andwoordde van ja, hij voelde wel +iets, maar kon zich toch volstrekt niets voorstellen. Zij vroeg, of hij +niet aan een schepper begon te denken, wanneer hij zoo'n prachtige +schepping om zich heen gewaar werd, een idee, dat zij zich van een preek +van pastoor Sluyter herinnerde. Neen, andwoordde Jozef, dat in 't geheel +niet. Hij was blij alles zoo mooi te zien, maar juist aan een persoon te +denken, die de natuur zoo vervaardigd zoû hebben, daaraan had hij geen +behoefte. Hij kwam op een dichterlijke gedachte. Alleen als hij háar +aanzag, verzekerde hij halflachend, kwam er een geloof aan een eeuwig +voortbestaan in hem op. Maar zij vond, dat hij haar, nu zij eenmaal +getrouwd waren, geen overdreven komplimenten behoefde te maken. Hij +verzette zich, hij meende het wel deugdelijk. Hij hield zóoveel van +haar, dat hij ijsde als hij dacht aan een eenmaal noodzakelijke eeuwige +scheiding. En was zij koud en onverschillig tegen hem, dan voelde hij +zich vreeselijk ongelukkig. Waarom was zij toch zoo? Hij sprak er nu +over, omdat zij-zelve het gesprek er op gebracht had. Maar zij +verklaarde in 't geheel niet koel tegen hem te zijn geweest. Zij was +misschien een beetje stiller; hoe dit kwam, kon zij niet uitleggen. +Eigenlijk, ja, eigenlijk vervreemde haar wel een beetje van hem, altijd +natuurlijk maar een heel klein beetje, zijn kalm ongeloof. Jozef vroeg +hierop, of hun liefde haar dan niet genoeg was, neen, dan hield zij ook +niet genoeg van hem. En buitendien, wát geloofde zij dan, hoe kon zij +haar geloof omschrijven, was zij katholiek? Neen, van die godsdienst +wist zij weinig meer en had zij nooit veel begrepen, maar zij voelde +iets in haar, dat haar zeî te aanbidden en te danken. En zoo voorts, zeî +Jozef. Maar zij sprak door. Zij wilde haar God aanbidden, daar buiten, +het gezicht naar de zon gekeerd en de voeten tusschen de bloemen. Zij +kon zich, evenmin als hij, goed vereenigen met het denkbeeld van een +God, die in schemerlicht of bij kaarsvlammen te vereeren zoû zijn. Maar +iets was er toch, zij drukte op dat woord "iets", iets moest er wezen. +Er moest iets zijn buiten de zichtbare wereld, oneindig grooter en beter +dan al het zichtbare. Maar hij hield niet van redeneeren met haar. Hij +had haar lief, dit wist zij en dat was genoeg voor haar en voor hem. Hij +liet haar de vrijheid, om te bidden en te denken zooveel zij woû. Daarin +moesten zij ieder maar hun eigen gang gaan. Maar zij was van een heel +andere meening. Het hinderde haar, dat hij zoo cyniesch was, waar het +bovennatuurlijke zaken gold. Vader geloofde toch ook aan een Opperwezen. +En het scheen haar, als ging er weêr een gedeelte van haar liefde van +Jozef op haar vader over, die zoo eenzaam in Amsterdam was achtergebleven. +Mathilde zweeg weêr stil en begon na te denken, en terwijl hij, altijd +met denzelfden langzamen tred, op denzelfden afstand van haar, naast haar +voortwandelde, onderzocht zij zich zelve nog eens, om te weten, hoe het +mogelijk was, dat zij voor altijd haar bestaan aan dien Jozef Wilden had +verbonden. En in wat voor een oogenblik van krankzinnigheid, van +bedwelmenden hartstocht, had zij, had zij gisteren in het bosch dat +gedaan, waarover zij zelf nog verlegen was. Hield zij dan wezenlijk +zóoveel van hem? Was toen haar ware aard boven gekomen? Of was dat +opwinding geweest, een gevolg van het heele nieuwe leven, dat zij sinds +acht dagen leefde, een opwinding zóo hevig als zij nooit te-rugkomen kon? +Waar bleef haar eerbied voor de majesteit van God in de natuur, toen zij +zoo had gedaan onder Zijn oog? Zij voelde een lichte koû in haar hart +dalen. Zouden haar droomen van toewijding aan Jozef nooit verwezenlijkt +worden? Zoû altijd God, de onbestemde persoonlijke heerlijke +aanbiddenswaarde natuurkracht, het opperste wezen, die alle schoonheid +aan de aarde gaf, tusschen hen beiden staan? Zoû ze van hem, Jozef nooit +naast en in dien God kunnen houden? Zoû hij nooit haar mede-aanbidder zijn +en zoû ze hem nooit ook óm zijn gebed liefhebben? Neen, nooit! Hij zoû +nooit bidden. Daarvoor was hij te veel een mooye man, een man van de +wereld, daarvoor was zijn haar te verzorgd en was zijn vest te nieuw. +Daarvoor stond hij ook te goed met zich-zelf. Hij liep zoo gerust en +ijdel, zoo zonder verdriet en met zooveel gemak rond op de wereld, dat +hij, om dat hem niets ontbrak, niet meer vroeg wie hem dat alles had +gegeven. + +Zoo dacht Mathilde voort. Alle godsdienstaandoeningen, die zij ooit in +haar leven had ondervonden herleefden in haar ziel. Zoû hij haar wel +ooit genoeg zijn, hij Jozef? Zoû zij werkelijk ooit alles, haar God en +heel haar zelf kunnen verlaten vóor hem alleen? Zou hij ooit het eenige +kunnen worden, waaraan zij zich hechtte? Zou hij zoo bezit van haar +nemen, dat al het andere haar niet meer aanging? Zij had dat wel gedacht +en gehoopt, verleden jaar, ja, maar sinds dien tijd? En nu, nu ze ver +met hem wech was gereisd en hém alléen zag en haar vader in 't geheel +niet meer, voelde zij zich nu wezenlijk minder alleen dan ooit, zooals +zij het zich altijd had gedacht? Zij keek hem even aan, onder haar +parasol. Hij wandelde altijd maar voort. Zijn gezicht was rood geworden +van de warmte. Een paar droppels zweet biggelden van zijn slapen. Zijn +grijze pak zat vol stof en zijn schoenen waren als met asch bedekt Zijn +hoed hield hij over zijn voorhoofd gedrukt, zijn armen bengelden +vermoeid aan zijn zijden. Zijn handschoenen waren met vlekken. Hij zag +naar den horizont, naar de wolken die stegen als schuimende +rotsgevaarten, hij kon den omtrek wel een uur ver waarnemen, en zijn +mooye voorhoofd dacht niet aan God, en in zijn mooye oogen was geen +geloof. De koude vermeerderde in Mathildes hart. Neen, neen, zij kon +zich aan hem niet heelemaal geven. Zij schrikte te-rug voor zijn kalmte +en zijn langzamen gang, terwijl er bij háar zooveel omging. + +Mathilde stelde voor óm te keeren, om dat het weêr slecht zoû worden. +Zonder ergens uit te rusten, zonder veel te spreken, terwijl de zon +verdween achter grijs zwarte wolkenpakken, wandelden zij naar het hotel +te-rug. Mathilde werd bepaald zenuwachtig. Waaróm had zij dien mooyen +man getrouwd? Wáarom had zij willekeurig afstand gedaan van haar +vrijheid, om hém te volgen? Waarom was zij niet bij haar ouden vader +alleen gebleven en met hem bij haar eenzame eigene gedachten, die haar +zoo dierbaar waren? Haar eigen-liefde was gekrenkt. Het griefde haar, +dat Jozef in stilte minachtte wat zij voor heilig hield. Er begonnen +zware droppels te vallen, toen zij weêr op hun kamer waren Jozef ging +zitten op een stoel, om uit te rusten. + +Eenige dagen later reisden zij verder; een waas van balorigheid lag over +Mathildes gezicht. Haar stemming veranderde bijna gedurende de geheele +reis niet meer. Zij wilde, om Jozef niet onaangenaam te zijn, er niet op +aandringen de reis te bekorten, maar zij verlangde eigenlijk +onophoudelijk naar huis. + +Het scheen haar, dat zij Jozef niet meer zoo lief had als vroeger. Er +was als een verwijdering tusschen hen gekomen. Vooral des nachts, als +zij zoo zeer alleen met hem was, voelde zij een wrevel omstijgen in haar +gemoed tegen zich-zelve, dat zij een onberaden stap had gedaan. Maar +andere keeren lachten zij er over, dat zij haar huwelijk zoo noemde. En +was zij een paar dagen achter elkaâr niet al te lief voor Jozef geweest, +dan had zij oogenblikken van berouw, als een kind, dan zoende zij zijn +hoofd en vroeg om vergeving. Maar de algemeene staat van haar liefde +bleef flauw. + +De verrassingen en ongewendheden, die al de bezochte vreemde streken op +haar afschudden, vermengden zich met de nieuwheid, waarin Jozef voor +haar was. Zij begon dat alles voor éen te houden: hun ruwerig leven van +dezen tijd, met al zijn rare bewegingen en gezichten, met, tot getuigen +van de manier waarop Jozefs lichaam haar behandelde, onvertrouwde +luchten, bosschen en bergen, niets dan ernstige en onverschillige +spoorwegwagens, hotelkamers, en museums niets dan onbekende en haar niet +kennende straten en pleinen. Nergends gemeenzaamheid, nergends rust. +Naar geen enkel kastje kon zij kijken van haar geluk, wech was haar +piano om tegen te droomen van heerlijk, wech het teekengerij om meê te +suffen van zaligheid. En zoo kwam zij er toe zich angstig af te vragen +of er wel geluk en heerlijk en zaligheid was. Jozef amuzeerde zich +bizonder, en zij begreep hem daarom niet meer. Hij beklaagde zich wel +bij haar over haar weinige levendigheid en opgeruimdheid, maar al het +wereldsche, al het schitterende en woelige, dat zij door-leefden, vond +hij even pleizierig als het háar mishaagde. Ook was hij onophoudelijk +vol allerliefste oplettendheden voor haar, hij zocht op alle mogelijke +manieren haar ook plezier te doen hebben. Zij ging wel overal met hem +meê, maar het bleef in het geheel dát niet. + +Mathilde droomde een paar maal van haar vader, telkens akelig. Zij +droomde eens, dat hij uitging om een wandeling te doen, dat er een zware +mist op kwam zetten, die hoe langer hoe dichter werd, dat vader niets +meer zien kon op 't laatst en in de gracht viel, zij droomde een anderen +keer, dat er een dief in huis was gekomen en zich onder het bed van den +ouden heer had verstopt. Haar vader stapte in bed, zij wilde hem +waarschuwen en stak haar hand uit; zij werd wakker met een schrik en had +Jozef in haar slaap aangestooten, die haar verwonderd vroeg, waar zij +zoo ongerust van droomde. + + * * * * * + +Toen zij al heel lang op reis waren en de reis gauw gedaan zoû zijn, +werd Mathildes neêrslachtigheid afgewisseld door hevige aanvallen van +liefde voor Jozef. Maar tot haar droefheid merkte zij juist dan, als zij +er over nadacht, dat zij eigenlijk lang zooveel niet meer van Jozef +hield als vroeger, en dat die verliefde buyen alleen korte te-ruglevingen +waren van haar hartstocht van vóor dat zij getrouwd waren. + + * * * * * + +Het was nu nog tien dagen vóor zij weêr thuis zouden zijn. Zij reisden +met een nachttrein door midden-Duitschland, zij zaten alléen samen in +den wagon. Om dat er over-dag niets dan vervelende boemel-treinen in den +spoorweggids stonden, hadden zij dezen trein genomen. Bevend-schemerend +daalde de schijn van het zolderinglampje, waarom de gele gordijntjes +waren toegehaald, over het donkerrood trijp van het rijtuig. Jozef en +Mathilde hadden afgesproken te slapen. Daar zij gezegd had liever in een +hoekje te blijven zitten dan op een bank te gaan liggen, deed hij uit +beleefdheid ook zoo. Zoo reden zij beiden vóoruit, éen armstoel was er +tusschen hen opengebleven. Mathildes grijs-gele stofjas hing open over +haar licht-grijze japon. Een boekètje lag op haar schoot van uit haar +opene handen met geel zemeleeren handschoenen. Haar hoofd, onder een +lichtkleurig kapot-hoedje, leunde tegen het donkerroode kussen. De +wiebelende schaduwen van de vooruitstekende boven in de netten geborgen +valiezen en reistaschjes bewogen over haar heen in de maat van het +dreunen van het rijtuig. Een zijige donker-blauwe voile hing juist tot +over haar bovenlip. Haar oogen vonkelden als zwarte stukjes glas. Zonder +te zien, keek zij voor zich uit. Zij hield haar hoofd een beetje op zij +met van ernst groezelige wangen. Roerloos-suffend zat zij na te denken +in de kreunende en bonzende stilte. Hoe het kwam, wist zij niet, maar +zij had zich nog nooit zoo alleen gevoeld met Jozef als in deze uren. +Was zij dan nog niet aan hem gewend? Zij wist het niet. Hield zij dan +niet van hem en was ze gelukkig alleen met haar geliefde te zijn, dus +alleen met haar eenigen, met haar alles? Zij wist het niet. Onrustig +dreven haar gedachten om. Zij stoomden den trein vooruit, ver, ver +vooruit en weêr naar haar vader, die alleen in Amsterdam zat. En dan +weêr te-rug naar Jozef, die daar te dommelen zat en naar wien zij haar +hand maar had uit te strekken om hem te raken. Het scheen haar dat zij +nu altijd duizend mijlen van haar vader gescheiden zoû blijven, dat zij +voor eeuwig opgesloten was in deze enge ruimte met Jozef, en, zoo +verschrikkelijk gauw, een oneindige ruimte met hem werd ingedreven naar +een altijd wijkenden horizont. Voor het eerste voelde zij, dat zij haar +vrijheid van vroeger niet meer had. Zij voelde, dat zij zich +overgeleverd had en haar lot nu was beslist. Vooruit nu in het leven, +vooruit en altijd met hem, altijd bij hem, altijd naast hem, hij altijd +haar nagaande met zijn eischenstellende liefde. + +En zij bestudeerde hem, bezag hem in zijn licht-grijze reispak, de +beenen uitgestrekt op de fauteuil vóor hem, met zijn lage schoenen en +elegante wit en rood gestreepte sokken. Zijn armen kruizelings over de +borst, dommelde hij, en zijn hoofd, onder een grijze reispet, zonk, bij +lichte knikjes, naar voren; zijn mond was even open gevallen. Wat had +hij toch een mooye snor en recht mannelijk profiel! Weêr gleden een +reeks van doezelige droevige voorgevoelens door haar brein. Zij hechtte +een blik op hem, die vroeg, wat er nu van haar worden zoû, van haar +toekomst, van haar heele leven, dat nu in zijn macht was, wat hij +daarvan zoû maken. Zal-je mij wezenlijk gelukkig maken, vroeg zij, +zul-je me weten te begrijpen? Zal-je van me blijven houden, zoo als je +zegt het nu te doen, zal-je van me houden, zooals ik het van jou doe en +toch eigenlijk wel voel het altijd te zullen blijven doen? Of ben-je +wispelturig en heb ik mij vergist, vreeselijk, vreeselijk? Plotseling +dacht zij dit hevig en zag hem strakker aan. Zij wilde een andwoord +weten. Zij wilde uit zijn persoon, uit zijn wezen, uit zijn houding, uit +zijn gezicht, een andwoord lezen. Maar zij ontdekte niets. Met kleine +schokjes volgde Jozefs lichaam de bewegingen van den trein en zijn +slapend hoofd schudde ja en neen, op alles ja, op alles neen. + +Zij bekeek hem voortdurend: hij zat daar als een kind en machteloos, en +niets dan tevredenheid en genoegen-neming met het leven sliep er in hem; +zij was met hem en waakte en allerlei zorgen en rustige overwegingen +gingen er door haar hersenen; en toen begon het haar te schijnen alsof +hij toch wel goed, wel goedig was, en het altijd zoû zijn. Zijn slapen +scheen haar iets klagends, iets hulpvragends tot haar te richten, scheen +een vertrouwen in haar te stellen, dat haar verteederde. Hij rekende op +haar; nu, hij kon gerust slapen: zij hield van hem! Een aandoening van +grenzelooze teederheid doorstroomde haar. Ja, hij kon vertrouwen, zij +had hem lief, zij zoû over hem waken Hij hoefde niet meer voortdurend +wakker te zijn om op de minste van haar bewegingen, de geringste van +haar wenschen te letten, vol attenties, vol bewijzen van eerbied, om +haar hart te veroveren. Want de verovering was geschied, de buit was hém +en zeker kon hij zichzelf vergeten en slapen bij zijn trouwe vrouw. + +Daar gilde de stoomfluit en woei het geluid, bij herhaalde kreten, langs +de wagens. Jozef deed zijn hoofd in de hoogte, smakte met zijn lippen, +kromde zijn éene been naar boven, om dat het moe was van de langdurige +uitstrekking, bleef een oogenblik weêr roerloos zitten, scheen zich toen +te bedenken, zuchtte en wreef met het blauwe gordijntje den wasem van de +ruit, die 't dichtst bij zijn gezicht was, en keek naar buiten in de +zwarte duisternis. Daarna wendde hij zijn hoofd om en keek even, heel +vluchtig, met bevende oogen naar Mathilde. Hij dacht blijkbaar, dat ook +zij sliep. Zij keken mekaâr aan. Zij glimlachte. + +--Ben-je wat uitgerust? vroeg zij. + +--Ja kind, andwoordde hij in den ernst van het ontwaken. De slaap zat +hem nog in zijn oogen en mond. Hij deed zijn oogen weêr toe, schoof zich +in de gemakkelijkste houding en bleef onbewegelijk. Alleen bewoog zich +tusschenbeide langzaam zijn arm en streek zijn hand over zijn kin of aan +zijn oor, terwijl hij inwendig geeuwde. Eindelijk hield alle beweging op +en bleef hij, alleen met aandachtig snel knippende oogleden, zitten +suffen. Mathilde was ook weêr in haar vórig gepeins wech. Zoo levendig, +als ware zij in zijn tegenwoordigheid geweest, kwam haar vader voor haar +geest: lieve, lieve vader. Wat had hij haar zegenend gezoend toen zij +heenging! Wat zoû zij probeeren hem nog verder gelukkig te maken, als +zij te-rug waren thuis! + +Maar Jozef was niet zoo rustig meer als eerst. Hij schoof zijn beenen op +en neêr, rekte zich uit en zag herhaaldelijk naar Mathilde, als had hij +een plan met haar. De wervelwind van de zucht naar het avontuurlijke, +naar het gewaagde, en een onweêrstaanbare begeerte deed het bloed achter +zijn ooren stijgen en gaf hem een lichte prikkeling onder de oogen. Hij +stond op, ging in de fauteuil naast Mathilde zitten, klepte den rood- +trijpen arm, die nog tusschen hen neêr was, naar de hoogte en nam haar +hand, die hij op zijn been liet liggen. + +--Wat zijn we in lang niet samen alleen geweest, zeî hij. + +--Hoe bedoel-je dat? vroeg zij; zij liet zich tegen zijn schouder +glijden. Van-daag den heden dag toch, en gisteren en van-nacht, zeî ze +heel eenvoudig. Hè, ik heb zoo aan vader zitten denken, daarzoo ... + +--Nou ja, maar over-dag zijn we eigenlijk nooit alleen geweest, altijd +met andere menschen, die ons zagen, we hebben bijna nooit intiem +kunnen zijn ... + +Hij drukte zijn lippen op haar lippen. Haar tanden deden pijn want de +zoen was een beetje hard. Zij ging weêr recht zitten, zij trok zich +te-rug, een beetje zenuwachtig. Zij was niets lief. Ernstig en +bedremmeld keek zij voor zich uit. Hij begreep haar niet. + +--Wat is 't nou? + +--Och, niets, andwoordde zij langzaam. Na een oogenblik zeî hij weêr: + +--Hoû-je niet van me? + +--Ja wel. + +Nu viel hij naar haar toe, hij kon zich niet inhouden, hij sloeg zijn +armen om haar middel en wilde haar aan zijn borst trekken. Maar zij +verzette zich. + +--Nee, zeî ze, nu niet ... wat wil-je toch? + +--Wat niet? Waarom niet? Waarom nu niet? vroeg hij en hij bezoende haar +heele gezicht. Zij verzette zich zachtjes. + +--Toe, Jozef, wat mankeert je nou toch? Laten we wat gaan slapen ... + +--Maar, waaróm niet? Zijn wij niet alleen? Wil ik het licht lager doen? + +--Nee, nee, och nee! + +--Maar, waaróm niet? + +--Dáarom niet, zeî ze koud en ernstig. + +Hij ging tegenover haar zitten, erg teleurgesteld. Eerst zweeg hij, keek +haar bij tusschenpoozen ongeduldig aan en dan weêr den anderen kant uit, +zijn armen kruiselings over de borst. Zij trok haar stofjas weêr in 't +fatsoen en raapte het boekètje op, dat gevallen was; zij hield haar oogen +neêr over haar heete bleeke wangen. + +Langzamerhand begon Jozef, bij korte stooten, te zeggen: + +--Wat beteekent dat nu? 't Is absurd! Vraag ik je niet iets heel gewoons, +ben ik je man niet, ik heb immers recht om je te vragen, wat ik vraag! + +Hij was heelemaal uit zijn humeur geraakt. + +--Zoo iets heb 'k nog nooit gehoord! Moet er dan volstrekt een +slaapkamer bij te pas komen, en een egyptische duisternis en zware +gordijnen en een dubbel gesloten deur ... Er zal hier geen kondukteur +meer in komen, de kaartjes zijn geknipt ... Vóor we aan het eerste +station komen, is 't nog wel twee uur. + +Zoo gromde hij voort, en naarmate hij zag, dat ze onder zijn berisping +bukte, werd hij heviger en trommelden zijn vingers op zijn knieën. + +--Wat is t'er ân? zeî hij verder. Ik ben geen minnaar, ik ben je man. +Ben ik je man niet? + +Na een paar minuten zwijgens en nagedachte, kwam weêr het +onbegrijpelijke van de weigering bij hem boven. Zacht zeî hij: + +--Zeg nou 'es, Thilde, wáarom wil-je niet? + +--Och, ik weet 't niet, ik weet 't niet, snikte zij en begon wrevelig te +huilen als een kind, zoo dat tranen kleine donkere vlekjes maakten op +haar gele stofjas. + +Nog erg boos, ging hij nu weêr op zijn oude plaats zitten. Maar hij kon +niet meer slapen. Hij nam zijn Baedeker en begon knorrig te studeeren op +het plattegrondje van een stad, die zij al lang achter den rug hadden, +zonder te weten wat hij las. + +De blauwe gordijntjes hingen slap langs de raampjes neêr en de vaal-gele +schijn van het duistere lampje aan de zoldering trilde hevig door den +jagenden en schokkenden wagon. Het begon er benauwd-warm te worden. + +Mathilde beefde in haar hoekje; een onbegrijpelijke angst had zich van +haar meester gemaakt. Zij begreep niet goed, waarom ze zoo bang was +geworden voor Jozef. Maar ze had een schrik van hem gekregen. Neen, aan +dien man had zij zich zelf niet heelemaal gegeven. Dat was maar schijn +geweest. Een ijzig gevoel van vervreemding huiverde door haar hersenen. +Zij was bang voor nu en voor later. Nu was hij te-rug-gegaan toen zij +weigerde, maar zoû dat altijd zoo zijn, zoû hij later nog wel niet eens +verder kunnen willen gaan, tegen haar tranen, tegen haar smeken in? Zoû +hij haar niet eens te lijf willen gaan, om haar kwaad te doen, haar pijn +te doen? Zij vreesde, ja, zij vreesde alles, maar wat dan, wat alles? Er +bestond geen reden voor haar angst. Mocht hij dan niet doen, wat hij +gewild had? Immers ja. Wat bezielde haar dan toch om op-eens zoo'n +afschrik te hebben? 't Was heel natuurlijk en gepermitteerd, wat hij +woû. Dat was het huwelijk, dat was de liefde. Alle mannen handelden zoo +tegenover hun vrouwen. En zij-zelf, wat had zij-zelf niet gedaan dien +morgen in het bosch? Wat scheelde er dan toch aan, wat maakte haar zoo +kriegelig, wat gaf haar dien onweêrstaanbaren weêrzin? Neen, zij begreep +zich-zelve niet meer. Zij was moe, zij was zenuwachtig. Het dansen van +den wagon om haar heen matte haar af. O, was 't maar gedaan! Waar was 'r +einde van de reis, van de lange, al te lange reis? Zij zuchtte en deed +haar handen voor zich uit in een wensch om verlossing, als om iets van +zich wech te duwen. + +De trein ging langzamer. Zij waren dicht bij een station. Zij zouden +even iets gaan eten. Jozef stond op, knoopte zijn jas dicht en zocht +zijn hoed. Toen hij voorbij Mathilde boog om het portierraampje open te +maken, hoorde hij haar snikken: "vader, vader!" + + + + +VI. + + +De table-d'hôte was juist begonnen in het hotel Belle Vue te Deutz, +over Keulen, aan den anderen Rhijnkant. Door de acht hooge vensters +helderlachte een zomer-zon binnen, straalde in de glazen vóor elk bord +geschaard, bevonkelde den wijn, deed het goud van de spiegellijsten en +de schoorsteenpendule blinken, verhelderde het witte tafellaken en de +sloofjes van de kellners, schemerde schijnsels van frischheid over de +fletse wanden, poeyerde stofgoud door de kroezige haren van de vrouwen. + +De pastijtjes werden binnengedragen. Een uitwaseming was over de tafel, +als bij felle koû 's winters in een dicht rijtuig, dat vol is. Een +soeplucht steeg naar de zoldering. De heeren veegden hun snorren en +kinnen schoon, zwaayend en duwend met de servetten. Heeren krabden zich +achter hun ooren, legden beide handen half toegeknepen, de zegelring +goed zichtbaar, aan weêrszijde op de tafel naast hun bord, keken rond, +schuin-smakkend met de lippen van voldoening over de gegeten soep, +schuin langs hun buurvrouwen naspeurend of er gevoeglijk een gesprek te +beginnen zoû zijn. Andere heeren snoten hun neuzen; eenige deden het met +hun rug naar de tafel en snoten half achter de ruggen van die naast hen +zaten; twee dames schrokken even. De jonge meisjes staarden vóor zich en +hielden de handen op elkaâr gedrukt achter het leêge soep-bord, andere +bekeken de bewegingen van het licht tegen de muren en namen den schijn +aan hun armbanden in orde te doen. De oudere dames kruimden een stukje +brood en groetten glimlachend, met lichten hoofdknik, de menschen die te +laat kwamen. Een oude vrijster kon haar grijze oogen maar niet van den +jongsten kellner afhouden, een blonden baardeloozen krullekop met dikke +korte lippen, die handig de pasteitjes tusschen de gasten in kon houden, +zonder ze ooit aan te raken of hen te noodzaken een beetje op zij te +buigen. De schuivende stappen van de kellners klonken droog en krakend +af op het zeil over de vloer. Dit geluid vermengde zich met den doffen +klank van de schoone borden, die den gasten voorgeschoven werden, op het +tafellaken, met het gekletter van stapels borden, die in een hoek van de +zaal werden neêrgezet, met het zilveren getik van de vorken en messen, +die sommige heeren naast hun bord tegen elkaâr lieten glijden of onder +het eten samentikten. + +Onder de soep had niemant een woord gesproken. + +Zachtjes werden er nu koele gesprekken begonnen. Beginnende glimlachjes +waren om enkele monden. Zij spraken, schor, en fluisterend, over het +mooye weêr, over de aangename ligging van het hotel, over het +muziekfeest gisteren-avond in Keulen, over hun reizen. Een jongen van +twintig jaar sprak tegen een meneer, die tegenover hem zat. Daarom klonk +zijn stem boven de anderen en keken de menschen, die dicht-bij hem +zaten, naar hem op. Een reuteligheid in zijn keel en het knippen van +zijn oogen was zijn verlegenheid. Links, aan het uiterste einde van de +tafel, zaten twee roode, vette Westfalers, hun servetten van-boven in +hun wijde boorden onder de ruig-roode onderkinnen, die over vette +varkensvleeschbereidingen gingen praten. Drie fatterige Berlijnsche +heeren naast hen bogen hun drie hoofden over hun borden bij elkaâr, +bespotten de Westfalers en spraken daarna heel zachtjes over een +zangeres, die deel had genomen aan het muziekfeest van gisteravond en +die om een andere reden nog-al erg over den tong ging. + +Na de pasteitjes, bij het rundvleesch, de wit-groene met kaneel bruin +bespikkelde bloemkool, en de rookende aardappelen, vermeerderde het +suizend stemmengegons aan tafel. Heeren bedienden de dames naast hen. +Een fijn blond tenger kantoorbediendetje uit Keulen, die wist, dat de +zwaarlijvige Hollandsche jongejufvrouw aan zijn linker kant altijd heel +weinig van alles gebruikte, lispte, in vlijmerig hollandsch: Jufvrouw, +mag ik u eens mikroskopiesch bedienen? De jufvrouw lachte met breede +lippen en zware witte tanden. Een lange magere heer voerde het woord +over politiek en meer bizonder over Bismarck. + +Jozef en Mathilde zaten bedaard en stil naast elkaâr te kijken. Zij +waren moe van de eerste huwelijksweken en van de reis, zij dachten er nu +maar aan zoo gauw mogelijk thuis te zijn. Zij zagen allebei een beetje +bleek. Mathildes gang en haar hand-en armgebaren waren flets van +gemakzucht, een gevolg van de uitputting. Jozef was ook stiller dan +gewoonlijk. Zij zaten zij aan zij, hij voortdurend in het licht-grijze +pak, zij in een licht-bruine japon, zonder veel garneering of kant, en +zij keken een beetje beteuterd om zich heen en konden den rechten +konversatietoon maar niet vatten. Tusschenbeide zeiden zij zachtjes een +eenzaam woord tegen elkaâr. + +--Zijn er van-morgen geen brieven gekomen? vroeg Jozef. + +--Nee, dat heb ik ook al vreemd gevonden. Ik had mevrouw Berlage toch +zóo gevraagd me te schrijven of alles thuis goed in orde was en ik heb +haar toch duidelijk gevraagd om me hier-na-toe te schrijven, om dat dit +het laatste adres op onze reis was. + +--Nou, misschien komt er van-avond nog wat. + +En hij gaf haar de sla aan, die, met den ròsen en glibberigen zalm het +volgend gerecht uitmaakte. + +--Zal u er ook wat peper bij nemen, mevrouw? vroeg een hollandsche stem +aan Mathildes linker kant. + +In de rondte was het gesprek aan tafel nu algemeen geworden. Allerlei +stemmen, doortruffeld van het vorkgepik op de borden en het geluid van +slikken, klonken door-een. Hier en daar begon men geanimeerd te worden. +Een roodachtig heer hoestte in zijn servet, een slok wijn was zijn +verkeerde keelgat ingegaan. Een oude dame, met witte muts en paarsen +linten er aan op het hoofd, draaide zich naar hem toe, wilde hem helpen. +Maar hij stelde haar gerust met zijne korte kleine hand. Hij nam een +slok water. Een paar plaatsen verder sloten nieuwe bekenden vriendschap. +Links had een diskussie plaats over politiek. Het begon warm te worden +in de zaal. De dame die zoo lang naar den jongen kellner had gestaard, +wenkte hem en verzocht hem minzaam de middendeur open te laten staan. +Door de vestibule heen zag men nu in het wuivende groen van den tuin, +die aan den anderen kant van het hotel was. Men beproefde ook door een +venster versche lucht te krijgen. Een oogenblik hoorde men den Rhijn in +zacht golfgeklots voorbij spoelen. Maar 't tochtte en op algemeen +verlangen werd het venster weêr gesloten. + +--Hè, ik woû, dat we al thuis waren zeî Mathilde. + +Het eten duurde voort. Twee oude jonge heeren veegden hun voorhoofden +af. Zij hadden zich bizonder te goed gedaan. Een bejaarde dame zuchtte +van benauwdheid. De kellners zagen oplettend na wie nog te bedienen was. +De zonneschijn was langzamerhand gedaald van de muren en van de stapels +borden op de dientafels, die er tegen aanstonden, was ook niet meer op +de gezichten van de eters, maar brandde nog alleen op de halzen en +ruggen van hen, die aan den vensterkant zaten. + +Zij gingen aan het dessert. Eerst kwam de moskovische taart. Een paar +heeren, die haast hadden, rolden hun servetten slordig op, keken vóor +zich, stonden op met stoelgekraak en een lichte beweging van de dames +aan hun zijden, bogen even, terwijl ze met iets zenuwachtigs in hun +oogen een blik over het gezelschap lieten gaan, dat hen een oogenblik +te-rugbekeek en waarvan heel ouden en heele jongen groetten gingen gauw +heen door de vestibule, namen daar hun gele strooye hoeden van den +breeden erg beladen kleerenstandaard, hun dunne wandelstokken uit den +bak er onder, en liepen schielijk de deur en den tuin uit. + +Door een andere deur, van op-zij, kwam nu de portier van het hotel +binnen, nam zijn breedbollige pet af en ging op zijn teenen naar Jozef. + +--Een telegram! zeî Mathilde. + +Uit beleefdheid deden de andere alsof er niets gaande was en spraken +voort. Jozef zeî niets maar zag bevreemd zijn naam aan en opende den +telegram met zijn dessertmesje. + +--Van huis? vroeg zij. + +Na twee sekonden vouwde Jozef het papier toe, frommelde het koevert, +waarin de telegram geweest was, in mekaâr, gooide de prop op den vloer +en zeî: 't Is niets, terwijl zijn gezicht heel effen stond. De anderen +kraakten nu noten in de rondte en zogen uit donzig vette druiven. De +jongelui waren goed aan 't drinken. Men bestelde nog een flesch wijn. De +dames hapten hun laatst hoopje vanielje-ijs op, dronken nog een slokje +spuitwater en maakten zich éen voor éen klaar om wech te gaan. Eenige +menschen kregen koffie. Een oude heer kreeg een cigaar uit zijn koker, +sneed er het puntje af en leî de cigaar op tafel, naar lucifers +rondziende. Twee andere heeren, met groote overhemdsborsten en breede +zwarte dassen, waren gemoedelijk familie-herinneringen aan 't op halen, +die hen nader tot elkaar brachten en slikten wat zij haast te veel +gezegd hadden wech in een langzaam bij kleine scheutjes koffie-slurpen, +terwijl er een met zijn lepeltje op zijn schoteltje tikte, als de andere +aan het woord was. + +--Wat is 't? fluisterde Mathilde. + +--Niets, herhaalde hij. + +Maar zij drong aan: + +--Toe, zeg 't nu maar. + +--Willen wij eens naar boven gaan? zeî Jozef een beetje harder. + +Zij stond gauw op, groette nauwelijks twee nog aanwezige dames en +wachtte Jozef in de vestibule bij de breede wenteltrap met zijn blinkend +gepolitoerde lage treden. Hij kwam ook aanloopen, kuchte luchtig en +zocht in zijn vestjeszak naar een tandestoker; de andere hand hield hij +in zijn broekzak. + +--Nu wat is 't? vroeg zij, hem aarzelend aanziende. + +--Ik zal 't je boven laten lezen. En zwijgend gingen zij de trap op. +Mathilde wist niet wat te denken, zij beet op haar onderlip en klapte +in haar handen om haar ongeduld te temperen. Boven in hun grijzige +logeerkamer, sprak Jozef nog geen woord: hij scheen in gedachten. +Zwijgend gaf hij haar den telegram over. Mathilde las 'm. + +--O, God, zeî ze, wat zullen we nu doen? + +--Niets, andwoordde hij, precies hetzelfde wat we anders gedaan zouden +hebben. + +--Laten we maar liever zoo gauw mogelijk afreizen. + +--En niet meer in Arnhem stil blijven? + +--Nee, natuurlijk niet, dadelijk naar huis gaan. Vader is erg ziek. + +--Zoo erg zal 't niet zijn. Hij heeft een sterk gestel. Laten we maar +eerste den brief afwachten. Dan kunnen we altijd nog zien. + +Mathilde wandelde de kamer op en af en dacht na. Jozef stond aan 't +venster geleund en trommelde tegen de ruiten. Hij kreeg een cigaret +uit zijn zak. + +--Ik ga maar vast pakken, zeî Mathilde. + +--Dat kun-je altijd doen, zeî hij, of nee, láat 't liever doen. Lieve +kind, je bent zoo moe. + +--Wat zoû vader schelen? zeî Mathilde, over den koffer gebukt. + +--Ja, dat weet ik niet. 't Kan natuurlijk van alles zijn, maar de brief +zal wel gauw komen, dan weten we 't. Jozef was bezig vóor den spiegel +zijn das recht te keeren en zijn snor op te krullen. Al zijn oude +vriendschap voor de Stuwen kwam boven; hij was ongerust. Ik ga nog even +in den tuin, zeî hij, win-je nou maar niet op, lieve kind, en laat me +waarschuwen als er nog iets komt. + +Beneden was de table d'hôte gedaan. + +Voortdurend klepte de buitendeur open en dicht, de luide en lachende +stemmen van de heengaanden klonken op, om wech te suizen in de open +lucht, zoodra de deur weêr dicht was geslagen, en gevolgd te worden door +andere, meer gemoedelijke stemmen, die langzaam opkwamen en uitstierven +en van slofferige voetstappen waren vergezeld, of door stemmen, die +klonken als kristallen glazen en door het geruisch van japonnen werden +omsisd. + +Jozef zoû juist de kamer uitgaan, toen een kellner de trap opkwam, een +telegram in zijn hand. Jozef duwde den man te-rug, om Mathilde niets te +laten merken en gaf hem een order over het ontbijt van morgenochtend, +als had hij hem daarvoor ontboden. Terwijl hij den nieuwen telegram +openmaakte, ging Jozef achter den kellner de trap af. + +De Stuwen was gestorven. Men wist niet waaraan. "Oorzaak onbekend" stond +er. Jozef werd verzocht zoo spoedig mogelijk te-rug te komen. Jozef vond +dit alles heel natuurlijk. Hij was niet gewoon licht te schrikken, hij +draaide in de vestibule even op éen hiel rond en ging toen weêr langzaam +naar boven, den telegram voor zich uit houdende. + +Mathilde was niet voortgegaan met pakken maar was gaan zitten op een +stoel bij het ledikant, om eens na te denken. Dat vader zoo gauw zoû +kunnen sterven! Wie had dat gedacht! Arme vader! Hoe teeder en met +hoeveel droefheid had hij haar omhelsd, toen zij wech ging, ver van hem +wech, op haar huwelijksreis! Wat had hij haar een aanbeveling gegeven +voor de toekomst, alsof hij haar nooit terug zoû zien! Wat had hij veel +gesproken van de eenzaamheid, die hij tegemoet ging! Och, och, hoe had +ze hem ook kunnen verlaten! Hij had 't zelf gewild, ja, maar ze had 't +toch niet moeten doen ze had het nooit moeten doen! Waarom was ze ook +getrouwd, waarôm was ze wech-gegaan uit zijn beschermende armen, die zij +verwarmde, die haar alléen nog konden omhelzen en zonder haar leêg en +slap neêrhingen. En nu dood, zuchte zij ... Maar ... dood? nee, hij was +niet dood, hij kon niet dood zijn! Hij was maar ongesteld; hij moest +toch wel erg ongesteld zijn, dat ze zoo telegrafeerden van huis! Of +misschien ook niet, misschien hadden ze den indruk willen verzwaren, om +te maken dat Jozef en zij gauw overkwamen, om geen last met den ouden +heer te hebben en te zorgen, dat hij in geen geval alleen stierf, dà t +dáar geen mogelijkheid voor zoû zijn. Ja, zoo moest het wezen. En zij +stond gauw op om verder door te pakken, met het vaste besluit dadelijk +naar huis te sporen. Jozef zoû wel toestemmen, hij vond alles goed, wat +zij woû. Daar stond Jozef weêr in-eens vóor haar. + +--Je vader is van-middag overleden, zeî hij bedaard en hoogst ernstig, +en hij hield haar den telegram voor. + +Zij nam dien niet aan, andwoordde niet, ging weêr op den stoel, waar ze +daar-zóo over alles had nagedacht zitten. Met wijd open oogen keek ze +Jozef strak in zijn gezicht. Twee dikke tranen vielen op haar licht +bruine japon. Zij huilde een oogenblik stil en hevig. Toen stond ze op +in een overgegeven houding, heel week: + +--Nou ben ik wél heelemaal voor jou en voor niemant anders op de wereld, +zeî ze. Zij legde haar armen om zijn hals. Hij sloeg zijn handen om haar +schouders. Hij kreeg ook tranen in zijn oogen en zag er haar zwarte haren +in golven aan zijn borst. En zij zagen mekaâr aan, beiden opgewonden door +den heftigen toestand. + +Toen Mathilde met de koffers klaar was gekomen, waschte zij haar oogen +en ging Jozef opzoeken in den tuin. Zij kwam in de vestibule en keek +naar de eetzaal. De zon daalde bedaard wech achter de huizen van Keulen, +zij bereikte de tafel niet meer. Een paar kellners liepen haastig af en +aan. De tafel was bijna heelemaal opgeredderd. Over het wijn-en +vetvlekkig tafellaken vlogen vliegen in korte kringen om de vergeten +broodkruimels heen. Een zware gemengde etensreuk benauwde de zaal. Op +de vloer was een stukje rotte appel en een druivenschil gevallen. De +stoelen stonden door elkaâr, een eind naar achteren geschoven de +servetten hingen er lusteloos en verkreukeld over heen. Er kwamen twee +meiden de glazen uitwasschen in een hoek van de zaal. Een kellner gooide +de eene met een perenschil. In platduitsch schold zij hem daarover uit, +terwijl de rook van haar warm water in de rondte dwarrelde. + +Mathilde stiet de voordeur open en ging naar Jozef, die, een cigaret in +zijn mond, voortdrentelde tusschen het groen in. + + + + +VII. + + +Den volgenden avond waren zij te-rug in Amsterdam. Zij reden gauw door +den regen naar huis. Jans deed al open voor er nog gescheld was, met een +doodsch gezicht. De tranen daalden over Mathildes wangen, toen zij den +gang doorging naar het zaaltje, tranen om het leven, dat wech gestorven +was uit het huis, het stille, bedaarde, goedaardige leven, met zijn +kalmen gang, zijn zacht neurieën, al zijn kleine gewoonten en al zijn +stille dingetjes. De stilte was nu zoo stil, dat het niet was om te +zeggen. De stilte van den dood ademde door het huis, een grijsheid +zweefde langs de muren en over de trappen, een warrelende schimmige +nevel waarde in de hoeken en stofte van de zoldering. Mathilde had Jans +bij het binnenkomen de hand gedrukt, zoo als het altijd in de familie +gebruikelijk was geweest aan de meiden te doen bij allergewichtigste +omstandigheden en treurige of aandoenlijke gelegenheden. Jans was nu de +jonge mevrouw, die zij in de onnadenkendheid der ontsteltenis telkens +nog jufvrouw noemde, naar het zaaltje gevolgd en hielp haar daar haar +reisgoed afdoen. + +--Hoe is 't nou gegaan, zoo in eens? vroeg Mathilde zachtjes; de tranen +drupten langzaam, zonder zenuwachtigheid, van haar wangen. + +--Ja, u zal wel erg geschrokken zijn? zeî Jans. + +--'t Is treurig, erg treurig voor me, 't is een heele steun die me +ontvalt. + +En 't is zoo gauw gegaan, toch zóo gauw, onbegrijpelijk, Meneer was dan, +zooals u weet, een beetje rhematiek-achtig nog altijd, maar och gut, +anders zoo gezond als 't maar kan. Hij at goed, zeker ... flink ... ten +minste behoorlijk, zooals altijd. Een dag of vier geleden begon hij een +beetje pijn te voelen hier, bij zijn maag, op zijn rug en in zijn hoofd. +Ik zeg: meneer gaat u na bed, zeg ik, dan zal 't morgen wel over zijn. +Den volgenden ochtend nog 't zelfde. Nou, toen zeg ik tegen meneer, +blijft u nou maar legge. Wil ik ook iets schrijven of zoo aan de +jufvrouw? Nee, zeit meneer, doe dat maar niet, ze komen toch over een +paar dagen thuis. Nou, toen deê ik 't dan niet, maar 's middags werd +meneer erger, hij had zoo'n pijn, dat ie 't niet uit kon houden. Och +God, en hij huilde zoo! Ik ben naar den dokter gegaan, die is dadelijk +gekomen, hij zeî, dat 't weêr de rhematiek was, dat meneer maar veel +rust moest hoûen. 's Avonds woû ik meneer wrijven, maar dat kon ie +onmogelijk velen en hij gilde het uit van de pijn. Nou, toen dacht ik, +dat 't geen rhematiek kon zijn. Ik zeê tegen meneer, of ie niet een +andere dokter gehaald woû hebben, of misschien een professor of zoo. +Maar meneer zeê, dat 't wel over zoû gaan, hij woû maar, dat ik hem met +rust zoû laten. Zoo duurde het vooreergisteren en eergisteren en vooral +gisteren-morgen werd meneer toch zoo naar, ja gisteren morgen was 't, ik +werd er wakker van, zoo als ie aan 't kermen was. Ik naar beneden, ik +vroeg meneer of ik ook een pap voor hem klaar woû maken, of hij ook iets +hebben woû, nee, ja, hij woû den dokter hebben. De dokter kwam en bleef +een uur bij meneer en ging heen zonder me iets te zeggen. Toen werd +meneer hoe langer hoe erger. Nou, toen ben ik naar meneer Berlage gegaan +en die heeft getelegrafeerd. Ik ben gisteren bijna aldoor bij meneer +gebleven, ik kon 't niet anzien, zoo als de man toch leê. Dan schudde ik +zijn kussens en leê zijn dek goed. Leê ie dan weêr een oogenblik rustig, +dan woû ie weêr in-éens opstaan, en, had ie even op een stoel gezeten, +dan verlangde 'n ie weêr na bed. Zoo ging het tot een uur of vier, toen +werd meneer inééns zoo akelig benauwd en blauw in z'n gezicht, dat ik +dacht, dat ie zóo dood bleef. Ik schrok er zoo van, dat ik niet wist wat +ik doen zoû. Ik bette meneer z'n gezicht met water want ik dacht, dat +zijn aren zouden bersten. Na een kwartier kwam ie weêr bij. Ik had +al-door geen oog van hem afgehad. Toen zeê ie zachies, o toch zoo +zachies: Jans, kom eens hier. Ik geloof, dat ik nu dood ga zeg et an de +jufvrouw, zeg et an de jufvrouw. Dit zeê ie precies zoo tweemaal achter +mekaâr. Toen ging ie weêr leggen, achterover op zijn kussen. En toen was +alles gedaan. + +Jans had het verhaal gedaan, op den ernstigen welvoegelijken toon van +een meid, die meegaat in de ongelukken van het huishouden. Mathilde had +naar haar staan te luisteren, haar hoed nog in een hand en éen +handschoen aan, bewegingloos en ontroerd. Jozef had den koetsier +betaald, na dat deze de koffers in den gang had gedragen. Daarna was hij +naast zijne vrouw komen staan, met veel belangstelling in zijn gezicht, +de armen slap langs het lichaam. + +--En heeft meneer anders niets gezeid? vroeg hij. + +--Nee, meneer. + +--In 't geheel niet, vroeg Mathilde, ook die paar dagen te voren niets? + +--Nee, jufvrouw, nies bizonders, andwoordde Jans nadenkend. + +--Is er al iemant geweest? vroeg Jozef. + +--Ja, de dokter is er van-daag nog geweest en meneer Berlage kwam vragen +of u al te-rug was. Anders nies. + +Dof-zwijgend ging Mathilde de trappen op, naar boven, Jozef stapte +achter haar aan. Toen zij tien treden gegaan was, kwam Mathilde in een +luid snikken los: och, mijn arme vader, mijn arme vader, huilde zij. +Had ik het niet gedacht? Heb ik het niet voorgevoeld? Hè, hè, 't is +verschrikkelijk! Wij hadden nooit op reis moeten gaan en hem alleen +laten! + +In een uiterst verdriet ging zij haar vaders slaapkamer binnen, haar +zakdoek voor haar gezicht. De gordijnen waren wechgeslagen voor het +ledikant van-daan. Twee kaarsen brandden er voor naast een zilveren +kruisbeeld. Daar had Jans voor gezorgd. Stijf en wit en doodelijk +verouderd lag de Stuwen onder zijn wit lijklaken gestrekt, zijn oogen +toe, zijn mond open. De bovenste rand van zijn onderste rij tanden was +zichtbaar. Het laken dekte hem tot onder zijn kin. Zijn korte grijze +haren waren glad gestreken. Een blauwige tint lag om zijn oogen en +voorhoofd en wangen, en schemerde loodkleurig door het vel. En hij was +zoo mager, zóo mager en hij had zulke diepe rimpels in zijn voorhoofd. +De gordijnen voor de straatvensters waren neêrgelaten en de kaarsen +schenen vaal met het verdoofde daglicht samen. + +Het lijk schrikte Mathilde af. Een beetje rillerig knielde zij neêr voor +het bed. Zij bad, en zag het lijk heftig aan. Zij huilde hard-op. Toen +kon zij zich de bewegingloosheid van haar vader maar niet begrijpen. Zij +schoof het laken zachtjes wech en tastte naar de hand van den doode. Die +hand lag recht-uit, grijzig-wit, het bloed was van onder de nagels wech +en Mathilde probeerde de hand goed beet te pakken. Het vleesch van het +lijk gaf niet meê. Die hand kon haar niet meer aayen en zoo innig de +hare drukken als vroeger, dacht zij. Vader, vader! riep Mathilde, o. +vader is u nu voor altijd van me wech? En, haar kin naar voren, haar +oogleden neêr, schudde zij haar hoofd, en zag wanhopend naar het lijk. +Daarna leî zij haar handen over zijn schouders en zoende het harde koude +voorhoofd. Maar zij kon niet wech gaan, zij kon hem niet alleen laten. +En weêr knielde zij en deed haar gezicht tegen het doodelaken, dat in +breede plooien van het bed afhing. + +Jozef wachtte, staande. Maar toen er geen eind aan kwam besloot hij bij +de tafel te gaan zitten en eenige niet te vergeten zaken die gedaan en +maatregelen die genomen moesten worden, te noteeren. Hij was ook iets +geroerd, door het groote verdriet van Mathilde en den dood van zijn +ouden vrind, maar hij moest zijn hoofd bij mekaâr houden om de drukte, +die nu natuurlijk volgen zoû. + +Toen hij daar een minuut of tien bezig was geweest en bij het ledikant +niets meer hoorde, zag hij om. Mathilde knielde rechtop daar naast en +bekeek het lijk. Daarna stond zij op en zoende Jozef lang met een +betraand gezicht en drukte zijn handen. Toen droogde zij haar tranen +wech, maar huilde dadelijk toch weêr met haar bleeke gezicht en liep +stilletjes naar beneden. De nacht was neêrgekomen en alles was zoo koud +op de trap en in de kamers, dat zij griezelde bij elke schaduw en bij +elken hoek. Jans vroeg of zij ook eten zouden. + +--Vraag 't maar aan meneer, of hij iets gebruiken wil. Meneer zit boven. +Ik heb geen trek. + +En zij drentelde troosteloos van de eene kamer in andere en bekeek alles +met haar treurende oogen: de piano in het zaaltje en de tafel en vaders +tabakspot en de kranten, die daar nog lagen, vier-vijf op mekaâr, +ongebruikt in denzelfden vorm waarin zij gekomen waren. Jans had zelfs +het licht in den gang vergeten op te steken. Nergends brandde een lamp. +Mathilde nam haar hoed en stofjas en liep naar boven, naar haar eigen +kamer. Toen zij voorbij de doodekamer kwam, waarvan de deur op een kier +stond en den zachten kaarsenglans door liet schijnen, hoorde zij +gauw-achter-mekaâr dof snikken en Jozef die heen en weêr liep. Zij ging +weêr binnen en zag Jozef, die voor het lijk was blijven staan, en te +vergeefs, ongeduldig over zijn eigen gevoeligheid, probeerde om niet te +huilen. Dit deed Mathilde ontzaglijk veel goed. Zij voelde zich-zelf er +een beetje door verlicht en zij omhelsde en zoende hem uit dankbaarheid. + +Boven op haar kamer was alles nog akeliger en duisterder dan +overal-anders. Maar zij was toch blij dat ze er was, in deze kamer, die +haar met al zijn oude kleuren zoo vriendelijk omwandde. Zij ging op haar +bed zitten, en een zachte, troostende warmte steeg door haar lichaam, +vol innigheid, vol herinnering, vol van het verleden, dat plotseling +hevig voortleefde om haar heen. Hoe vreemd en droevig-heerlijk, dit +te-rugzien van haar kamertje na haar huwelijksreis! Wat was zij +veranderd sints zij hier voor 't laatst was geweest! + +En zij sloot zich op, zoo als vroeger. Zij deed haar stoffige kleêren +uit en ging zoo voor de tafel zitten, en droomde. Daarna stak-zij het +gaslicht aan, ging buiten de deur en riep met gedoofde stem, als om den +doode niet te hinderen, dat Jans uit haar koffer haar peignoir moest +brengen. Meneer had de sleutel. Zij was zoo moe. Jans kwam boven met de +peignoir, Mathildes reismand, een een beetje eten: een stukje biefstuk, +wat princesseboonen en aardappelen. Meneer had gezegd, dat zij 't maar +aan mevrouw brengen moest, die 't wel eten zoû na de reis. + +--Zeg aan meneer, dat ik maar naar bed zal gaan, ik ben dood-, dood-moe. + +Zij probeerde om iets te eten, maar het woû bijna niet door haar keel. +Half ziek van het huilen en van al de aandoeningen, met een nevel van +vermoeyenis voor haar oogen en een razend gesuis in haar ooren, ging zij +naar bed, maar toch troostte haar de gedachte, dat zij niet heelemaal +alleen over was gebleven op de wereld, maar dat er beneden iemant was, +die haar steun en haar alles zoû zijn, bij wien zij haar toevlucht kon +zoeken, zoo als vroeger bij haar vader en waar zij nu toch eigenlijk +inniger bij hoorde. + +De volgende dagen met hun koortsige bezigheden, hun vermoeyenis, hun +droefheid, liepen Mathilde snel voorbij. De visites van vrienden, die +kwamen kondoleeren, het ceelen-maken, de zorgen voor de begrafenis en +voor de uitvaart, de verzorging van het lijk--zij was bij alles +tegenwoordig, deed alles meê, bemoeide zich met alles, stond met haar +treurigen ernst en een bedrijvigheid die gelatenheid insloot, Jozef in +alles ter zijde, spoorde hem aan, gaf hem raad, zeî haar meening. Zij +begreep wel, dat zij haar verlies later, als alle drukte voorbij zoû +zijn, pas volledig zoû voelen. Voorloopig maar niet te veel aan de +ledigheid gedacht, die zoû achterblijven, want er was van alles te doen: +brieven schrijven, meiden ontvangen, voor rouwgoed zorgen en zooveel +meer, en betraande oogen en bevende handen kunnen geen redelijk werk +verrichten. Jozef liet zich ook voor alles vinden, hij dacht letterlijk +om alles. Telkens zeî hij tegen Mathilde van rust nemen, zeggende, dat +hij 't alléen wel afkon. + +Van den morgen tot den avond klonk de huisbel door den gang. Dan was 't +mevrouw Berlage, de heer Ster, die kwamen kondoleeren, dan was 't de +mode-maakster, de koster van de kerk, een bediende van den circulaire- +drukker, de timmerman, of wel brieven van rouwbeklag, die aankwamen. + +Toen eindelijk de dag van de begrafenis voorbij was en Mathilde de stoet +uit had zien trekken en de deur van het oude huis voor goed achter haar +vader had zien sluiten, en zij 's avonds met Jozef boven alleen was op +haar kamer en Jans naar bed, zagen zij elkaâr aan, zij waren in deze +droefheid weêr nader tot mekaâr gekomen. Toen zij in bed naast mekaâr +lagen, huilden zij allebei nog. Maar Mathilde schikte zich heelemaal +tegen Jozef aan en sloeg zijn arm om haar hoofd. Hij zoû voortaan haar +eenige beschermer wezen. + +Er werd besloten, dat zij voorloopig het oude huis zouden blijven +bewonen, tot hun rouwtijd om was, had Jozef gedacht, en dan naar een +beter huis verhuizen. Uit de papieren bleek, dat Mathildes vader, +behalve dit en nog twee dergelijke huizen op den Oude Zijds +Achterburgwal, die samen twee-en-twintig honderd gulden huur opbrachten, +honderd dertig duizend gulden in effekten had nagelaten. Jozefs zaak +ging ook vooruit en leverde een acht duizend gulden in het jaar, zoo dat +zij te zamen een inkomen van zestien duizend zeven honderd gulden +hadden, waar vooreerst, zoo lang er geen kinderen waren, ruim van +geleefd kon worden in hun stand. Het bedrag van de Stuwens nalatenschap +had Jozef bizonder verrast. Hij had dan wel erg zuinig geleefd in zijn +klein huis en met zijn burger pot! Maar Jozef vond 't mooi van hem, daar +hij 't waarschijnlijk gedaan had om zijn dochter meer na te kunnen laten. + +Jozef richtte nu voorloopig zóo zijn dag in: Na het ontbijt ging hij om +half tien naar 't kantoor, kwam om éen uur thuis koffie drinken, ging +daarna naar de Beurs en kwam daarna thuis iets lezen. Dan schonk +Mathilde hem een glas port-wijn. Om half zes dineerden zij. En 's avonds +bleven zij weêr bij mekaâr zitten tot aan den nacht. Naar de club ging +Jozef vooreerst niet. Hij woû daar liever niet komen met den rouwband om +zijn hoed. En dan, had hij thuis niet zijn lieve vrouw zitten? Haar +gezelschap trok hem meer en meer aan. Uren lang zaten zij 's avonds bij +elkaar met de thee en praatten over de Stuwen en het verledene. Over de +toekomst spraken zij weinig. + +Gedurende de eerste dagen, die op de begrafenis volgden, had Mathilde +niet naar haar vaders kamer gewild en alles precies zoo laten liggen als +het was bij zijn sterven. Zij had eigenlijk de eerste week, die op de +drukte volgde, niets uitgevoerd den heelen dag dan de kopjes omwasschen +na het ontbijt en na de koffie en de glazen na het eten. Verder zat zij +maar, met haar handen over mekaâr, in de binnenkamer, waar zij zooveel +uren en uren met haar goeden ouden vader had gezeten. Dan tuurde zij in +de rondte, naar haar vaders leêgen leuningstoel, naar het buffet-kastje, +naar zijn tabakspot en pijpen, naar het boekenrekje aan den wand, waar +een paar boeken over natuurkunde op zwierven, die hij doorgestudeerd +had, en waar de koeranten lagen, die hij 't laatst had gelezen. Zij nam +ze van het plankje en las ze over en wilde uitmaken voor zich-zelve, +waar haar vader het aandachtigst gelezen zoû hebben. Zij zocht naar +vingerdrukken, naar een potloodstreepje aan den kant, en had zij iets +gevonden, dan toonde zij 't Jozef bij zijn thuiskomst: Kijk, zeî ze, dat +heeft vader nog met belangstelling gelezen. Dan bracht zij zich te +binnen, hoe hij, wat hem betrof bij het lezen van de koerant, vroeger +altijd voorlas en er zijn meening over zeî en de hare hooren wilde. + +Jozef en zij hadden besloten, dat Jans de keukenmeid waarover zij geen +klagen hadden, voorloopig in hun dienst zoû blijven. Mathilde liet Jans +dan 's ochtends, als zij zoo alleen zat, bij zich komen en haar +nauwkeurig al de laatste levensdagen van haar vader verhalen hoe hij dÃt +gedaan had, hoe hij dát gedaan had, wat hij gegeten had, of hij op zijn +gewone tijd naar bed was gegaan, of hij thee had gedronken zoo als +altijd, en zoo voords. Dan begon zij aan Jans te klagen over haar +verlies en liet haar met zich meê klagen. Mevrouw Berlage kwam ook haar +wel een paar keer bezoeken, maar, na haar trouwen, kon zij met deze +vrouw, die toch, toen zij nog een jong meisje was, haar beste vriendin +was geweest, lang zoo goed niet meer over-weg. Misschien wel, om dat +mevrouw Berlage haar nog altijd te veel als een jong-meisje behandelde +en het Mathilde hinderde, dat zij niet sprak als van getrouwde vrouw tot +getrouwde vrouw. + +In den namiddag, als Jozef thuis was, zaten zij meestal in het zaaltje +achter. Daar was het ruimer en een beetje lichter. Jozef had al licht +iets te schrijven of zoo, waar hij wat plaats voor noodig had. Maar +Mathilde deed niets. Zij kon haar oude handwerkjes niet hervatten, want +dat maakte haar onbeschrijfelijk melankoliek. De piano had zij met het +sleuteltje gesloten en zij wilde er niet eens naar kijken. Zij had zoo'n +trek eigenlijk om te spelen, droevige, zachte, sombere melodiën, maar +zij deed 't toch maar niet, om Jans en de buren niet te ergeren, en ook +om dat zij 't in zich zelf ongepast vond. Zij zat maar te droomen van +vroeger en naar haar vaders portret te kijken, dat aan den wand hing. +Dan dacht zij na,--en zij moest er bitter om lachen--wat 't haar een +strijd en een moeite had gekost om Jozef zijn huwelijksaanzoek niet te +weigeren, om dat het haar zoo hard was voorgekomen zich van haar vader +te scheiden, om dat zij zich niet had kunnen denken in een toekomst, +waarin zij niet altijd aan zijn zijde zoû zijn om hem te verzorgen en +hem nooit alleen te laten, om dat zij zich met afschrik had +voorgehouden, hoe, als zij trouwde, zij daar het zwakkelijke, goede, +oude mannetje alleen in zijn huisje zoû moeten achterlaten misschien. +Zij dacht er over na, dat zij in Jozefs vraag alleen had toegestemd op +uitdrukkelijke voorwaarde, dat haar vader bij hun in zoû komen wonen, +zij hem altijd zoû kunnen verzorgen en in zijn behoeften zoû kunnen +voorzien, altijd bij hem zoû kunnen zijn. En nu? Zij had zich wezenlijk +toen niet zoo bekommerd hoeven te maken! Nu bracht zij zich te binnen +wat zij zich al niet voorgenomen had te doen om in 't vervolg haar vader +het leven altijd aangenamer en aangenamer te maken. Zij herdacht den +zachten nieuwen leuningstoel, dien zij in de Kalverstraat voor een +winkelraam had zien staan en dien zij voor hem zoû hebben willen koopen, +en een bonten voetwarmer, dien zij aan had willen schaffen, een mooye +zware Duitsche pijp van dertig gulden, en het mutsje voor zijn lieve +oude hoofd, dat zij voor zijn verjaardag had willen borduuren en de +dikke wollen handschoenen, tegen den aanstaanden winter. Hoe had zij ook +door willen voeren, dat hij elken dag aan tafel een paar glazen zeer +ouden wijn zoû drinken en vóor de koffie, om twaalf uur, een flinke +eetlepel met flikjes zoû nemen. Hij hield zooveel van chocola! En wat +een plannen had zij gemaakt voor als zij met hun drieën samen zouden +wonen in een grooter huis, vader, Jozef en zij! Wat had zij er nog met +vader over gesproken dat zij de avondjes voort zoû zetten, die hij +begonnen was, dan natuurlijk hij háar aan huis, en hij, vader, op de +eereplaats! Zij zoû hem een ruime kamer gegeven hebben met alle denkbare +gemakken, en een schel onder zijn bereik, hoog van verdieping en op de +zon gelegen, waar hij zich zoo graag in koesterde. + +'s Avonds, als Mathilde met Jozef aan de thee zat, herinnerde zij zich +vooral de teederheden van haar vader voor haar. Terwijl de schemering +dwarrelde door de kamer en Jozef, aan den anderen kant van de tafel, +rookte en wechdook in de duisternis, schoot het vlammetje onder den +theepot stralen naar haar oog en tuurde zij er zoo lang met groote oogen +in, tot de stralen heen en weêr wipten en dansten en braken en de +thee-pot verdween in een warreling van gouden pijltjes en er stille +tranen spatten op haar japon. Al de herinneringen uit haar vroegste +jeugd en van later kwamen op in haar verbeelding, zachtjes na mekaâr. +Die goede vader, die zoo innig goed was, zoo iets wereldsch, zoo +plicht-getrouw, die zoo bedaard en eenvoudig het leven doorging en haar +zoo erg, met zoo een trouw, zoo oprecht en zonder bijbedoeling, had +liefgehad. Daar waren nooit plechtige oogenblikken tusschen haar en haar +vader geweest, er waren nooit hartstochtelijke dingen tusschen hen +gebeurd, er waren nooit van die uren geweest, waarin hij haar een +nadrukkelijk en opperst bewijs van een overgroote liefde zoû hebben +gegeven. Hij was altijd stil voor zich heen geweest, en kalm, hij +verdroeg zijn verdriet en genoot zijn pleizier zonder veel ophef. Toen +haar moeder gestorven was, had hij haar eenvoudig gezoend en hadden zijn +tranen over haar wangen gevloeid, toen zij naar 't kostschool ging en +zij dus voor een heden tijd scheidden, was precies hetzelfde gebeurd. +Dit waren de eenige oogenblikken, waarvan zij zich herinnerde, dat hij +een beetje ongewoon was geweest. Nooit had hij haar het leven gered, +nooit zelfs had hij haar in vervoering tegen zich aangedrukt. Maar toch, +wat voelde zij vreeselijk, dat hij er niet meer was, hij, de eenige +liefde van haar heele jeugd! Zij kon zich maar niet denken, dat hij +dood was. Zij kon zich in dit huis maar niet thuis voelen zonder hem. +Dan kwam zij een kamer binnen, wat, was vader er niet? Dan ging zij naar +boven, naar bed,--wat, had zij vergeten vader goeye-nacht te zeggen? +Waarom kwam zij hem, met zijn stille goedige gangetje, nooit meer tegen +op het portaal? Waarom bleef zijn plaats toch open aan het ontbijt en 's +middags aan tafel, wat was er toch iets vreemds, iets verlatens aan de +stoelen en tafels, aan de vloer en vooral aan den leuningstoel van de +binnenkamer! En al de meubels werden haar dierbaarder dan vroeger, om +dat hij ze had gebruikt, om dat zij, zonder te zien en te spreken, zijn +leven hadden bijgewoond en hem hadden helpen leven. Zij kon met een +aandacht kijken naar de kale plekjes op het tapijt en het een beetje +afgesletene van de stoelen hier en daar, om dat iemant ze door ze +herhaaldelijk te betreden kaal had gemaakt en iemant ze moest hebben +versleten. + +Zoo zat zij 's avonds te droomen in haar zwarte japon zonder garneersel. +Als de avond óm was ging zij met Jozef naar boven. Zij gaf hem zijn +nacht-zoen in het portaaltje, waarop hun kamers uitkwamen, want Jozef +sliep nu op het logeerkamertje, om dat zij zoo moe en zoo zwak en zoo +verdrietig was en beter kon liggen en rusten alléen in het éen-persoons +bed. Jozef had wel eerst de logeerkamer willen nemen, die boven het +zaaltje was, maar Mathilde had hem graâg dicht bij haar 's nachts en +buitendien, dat was alles van-zelf toevallig zoo gegaan. Zij hadden er +niet eens over gedacht of het wel redelijk was. Zij schenen in het leed +van den dood hun hartstocht in te sussen. Zij zoenden mekaâr goeden +morgen en goeden avond als twee vijf-en-twintig jaar getrouwden. Soms +leî Jozef zijn hand op haar schouder of streek haar over 't haar, maar +dan andwoordde zij met geen enkelen blik, met geen een beweging. Hij had +medelijden met haar droefheid; hij begon zich wel al te vervelen, maar +hij wilde zich in deze omstandigheid schikken. Hij las maar koeranten en +had ook zijn oude boeken over staathuishoudkunde weêr eens doorgebladerd. +Allerlei boeken waren hem door de handen gegaan, toen hij de nalatenschap +en beschikkingen van den ouden heer geregeld had. Zoo was hij daartoe +gekomen. + +Tot nu toe had Mathilde, na de begrafenis, nog niet in de slaapkamer van +haar vader durven gaan. Jans had alles daar een beetje opgeredderd en +schoongemaakt, maar verder was de deur gesloten gebleven. De sleutel +stak er wel op, maar niemant had sints een dag of veertien de licht- +bruine kruk bewogen. Maar Mathildes verdriet begon zich zoo te hechten +aan al de voorwerpen in huis, die haar vader het dikwijlst had aangeraakt, +dat zij eindigde met den wensch te hebben al de overblijfselen van zijn +meest innig en eigen bestaan weêr te zien, en, voor zoover zij ze nog niet +kende, te ontdekken en te betasten. Een droevige nieuwsgierigheid mengde +zich in haar doffe verdriet. Zij wilde nu die slaapkamer ingaan, en +zachtjes over den vloer loopen, die lucht inademen, die kleuren zien, +waarin hij had geleefd als hij alleen was. Zij wilde aan die ruimte, +waarin aan die zoldering waaronder hij zoo gauw was gestorven, vragen of +hij erg geleden had, of hij nog veel om haar had gedacht. Er mengde zich +nog angst voor de kamer in haar nieuwsgierigheid: zoû zij misschien de +doffe echo van zijn stem hooren, zoû niet zijn stap nog ergends treden, +achter het bed, bij de tafel? + +Een ochtend, dat Jozef naar 't kantoor was over tienen, liep zij +langzaam de trap op naar boven. Haar zwarte haar hing verdrietig over +haar vale voorhoofd, en haar zwarte kleed schoof zonder geluid over de +treden. Zij kwam binnen en sloot de deur achter zich. Een frischheid +kwam haar te gemoet, de buitenlucht waarin zich het geluid van de straat +oploste, drong om haar ooren en haar gezicht. Jans was waarschijnlijk +van-morgen nog hier geweest, want achter de neêrgelaten gele jaloeziën, +stond een van de twee vensters open. Het gegons en gebrom van de straat +woei naar binnen. Mathilde haastte zich het venster te sluiten. Zij trok +de jaloeziën allebei op. Toen keek zij rond. Wat een stilte, wat een +eenzaamheid! Den rug naar het venster gekeerd, rechtop, het bovenlijf en +het hoofd een beetje naar achteren gestrekt, de handen gevouwen naar +beneden gedrukt en naar onderen geopend bekeek zij lang alles wat er in +de rondte stond. De glans van het daglicht, die het zwart van haar japon +vergrijsde, had zich over haar rug gespreid in een glimmend ovaal, viel +in plooyen tot haar voeten en glimperde door de kroesige bosjes haar +rondom haar hoofd. Zij liep naar het ledikant en schoof gauw de witte +gordijnen op-zij. Zij keek er in. Er was niets. De kussens en peluw en +de dekens en sprei lagen in twee hoopjes op de matras gestapeld als in +een bed, dat niet meer gebruikt wordt, wachtende op een nieuwen +gebruiker. Zij schoof de gordijnen weêr dicht. Daar naast was de kleine +kast van haar vader in den muur. Verder was er een schrijfbureau, een +klein kastje, dat altijd het "apotheekje" genoemd werd, waarin allerlei +huishoudelijke medikamenten werden bewaard en geëtiketteerde fleschjes +en doosjes; voords nog een kast in den muur, die alleen door het +smoeselige bruin van het behangsel rondom het sleutelgat kenbaar was, +waar het linnengoed en de kousen van den doode in werden geborgen. +Eindelijk stond er een sjiefonjeire; hierin bewaarde de oude heer +allerlei voorwerpen en snuisterijen, herinneringen aan zijn vrouw, +eenige teekeningen van hem zelf uit zijn jeugd, papieren, ringen, +kadootjes, een kostbaren wandelstok, een heele kollektie van zijn eigen +oude zakportefeuilles, en zoo meer. + +Mathilde had aan het ontbijt de sleutels van Jozef gevraagd en begon met +de bovenste laâ van deze kast open te trekken. Met den arm, waarom de +enge zwarte japon rond gespannen zat, leunde zij op den kant van de laâ +en keek er in neêr. Al die voorwerpen, waarvan zij vele nooit had +gezien, en die met een soort van eerbied en achterhoudendheid door haar +vader buiten elks bereik werden gehouden, die hij alleen kende, waarvoor +hij alleen zorgde, waarom hij bepaald veel gaf, het gezicht daarvan deed +Mathilde bizonder aan. Met wat een genoegen moest vader dikwijls 's +avonds in zijn eentje die dingen hebben te voorschijn gekregen, ze +gehanteerd en bevoeld hebben! Zijn goedige, bedaarde, nederige, +huiselijke geest gaf haar nu een zeer sterken indruk. Vooreerst lagen +daar twee kerkboeken, een, zoo hoog en zoo breed als een mannen hand, +met zwart geworden zilveren sloten, stoffig en vergrijsd goud op sneê, +met gele spikkeltjes op het witte papier van-binnen: het was een kadoo +van de Stuwen-zelf aan zijn vrouw geweest. "Aan mijn dierbare vrouw, de +echte christin", stond als toewijding voor tegen het schut-blad +geschreven. Het andere kerkboek, een fransch, veel kleiner, was van de +Stuwen-zelf geweest, maar in jaren niet gebruikt. Daarnaast zag Mathilde +een zilveren horlogeketting. Maar zij besloot, met het pijnlijk +welbehagen, dat zij in deze bezigheid had, de laden eerst alle te openen +en in te zien, om daarna de dingen éen voor éen te betasten en te +bezichtigen. Knersend en haperend stommelden een paar laden open, als +verborgen zij zaken, die niet gaarne hadden; dat het daglicht tot hen +doordrong, andere gleden weêr gewillig meê en waren als met was +bestreken. Alle waren gevuld. Een schat van prullen, voor Mathilde van +de hoogste waarde, had zij nu onder haar oog, en zij bleef er op staren +en droomen. Zij vergat zich-zelf in den aanblik van al die doode +voorwerpen, die vroeger geleefd hadden in haar vaders handen zij snoof +de geur van verleden dagen op met graagte. Maar zij had zoo'n rijkdom, +dat ze niet wist waar te beginnen en zij had de tijd zoo vergeten, dat +Jans kwam zeggen: de koffie stond klaar en meneer zat beneden te wachten. + +Mathilde ging naar beneden. Zij had nu een bepaald onderwerp, waarmeê +haar geest zich bezig hield 't was of de droefheid een beetje, een klein +beetje maar toch iets, minder erg was. Zij deed aan Jozef verslag, van +hetgeen zij had gevonden en daarbij gevoeld. Zij was er heelemaal van +vervuld, zij sprak over niets anders. Zij zat met de ellebogen op tafel +en vertelde alles. Zij was verwonderd over dit, over dat. Die oude +beurs, die zij gezien had, die haar moeder nog voor haar vader gehaakt +moest hebben, met die gouden franje, herinnerde zij zich wel heel lang +geleden eens in de ouderlijke slaapkamer te hebben gezien, maar zij wist +volstrekt niet, dat haar vader die nog had. En dan die kerkboeken weêr, +och, hoe aardig! 't Was wel akelig al die reliquiën van vaders leven zoo +vóor zich te hebben, maar er was toch ook iets aangenaams in, zooveel +dingen te vinden, die zij nu natuurlijk in hun huishouden zouden +bewaren, en die hun onophoudelijk aan vader zouden herinneren. Jozef +vond het ook, die kleine onwillekeurige soeveniers hadden veel +aantrekkelijks. Zij zouden heilig opgeborgen en verzorgd blijven. +Mathilde sprak er weêr over voort of zweeg tusschenbeide en liet haar +zwarte armen rechtuit op het witte tafellaken liggen, terwijl haar oogen +er over heen droomden. Het kwam zelfs niet in Jozef op dan haar hand aan +te raken, die in de zijne te nemen of te aayen. Zij vertelde hem alles +en zag hem daarbij aan als een vriend, een vertrouweling, een broeder. +In geen tien dagen hadden zij van hun liefde gesproken. Het leek wel +alsof zij al tien jaar getrouwd waren. + +Zoo doorleefden zij de dagen. Telkens na het ontbijt en telkens na de +koffie ging Mathilde zachtjes naar boven. Zonder leven te maken was zij +al boven gekomen zonder dat Jozef of Jans het merkten. De tijd van de +kondolatievisites en van de visitekaartjes was voorbij. Het waren +rustige, doodelijk stille dagen, die gauw achter mekaâr kwamen. En +Mathilde maakte de uren, die zij met Jozef moest samen zijn, altijd nog +korter. Zij sprak op 't laatst weinig meer van haar dagelijksche +vondsten en gedachten. Het laatste had zij verteld van de intieme +brieven van haar vader, die zij allemaal, naar tijdsorde gerangschikt, +in het bureautje op de slaapkamer had vinden liggen. Jozef was eens met +haar meègegaan, hij had haar tegenwoordig leven willen deden, zich +aansluiten bij haar bezigheden. Maar na dat zij eenmaal samen waren +bovengekomen, was zij aan het bureau gaan zitten, zóo in 't midden dat +er geen plaats meer voor hem overbleef, en had al wat er onder haar +handen lag in beslag genomen. Hij, werkeloos, lusteloos en verlegen, +bleef er naast staan, niet wetende hoe zich te houden; hij had gebaren +gemaakt om iets aan te vatten of in te zien, die gebroken werden door +dat zij toevallig haar arm tusschen hem en het ding heen bewoog; hij had +met belangstelling iets gevraagd, waarop zij geen andwoord gaf, +heelemaal verdiept in haar studie. Hij was dus maar te-ruggeslopen naar +het zaaltje, waar hij gemakkelijk ging zitten, zijn beenen uitgestrekt, +en kranten las, en zich verveelde. + +Mathilde maakte ook haar nachten langer. Zij ging 's avonds vroeg naar +bed en stond laat op. Zij zeide zoo'n moeite te hebben om in slaap te +komen, door haar vermoeidheid en haar verdriet. Zij had zelfs ook na den +eten, gedurende den avond, haar napluizingen willen voortzetten en Jans +om een lamp gevraagd, maar daartegen had Jozef zich ten stelligste +verzet, zeggende, dat dat haar nog meer afmatten zoû en haar slaap nog +meer bemoeilijken. + +Vóor het oude bureautje gezeten, leefde dan Mathilde het leven der +herinneringen voort. Zij deed het met een altijd vermeerderende liefde, +met een inspanning, een drift en een volharding, die tot halsstarrigheid +werden en uit een onwrikbaar genomen besluit schenen voort te komen. Dit +besluit bestond dan ook. Het had zich langzaam, voetje voor voetje, in +haar ziel gedrongen en zich daar vastgehecht, zonder dat zij 't zich +zelf goed bewust was. Zij had besloten tóch zooveel voor haar vader te +doen als zij zich vóor haar huwelijk had ingeprent. Zij had zich +eenmaal, eer zij met Jozef op reis ging, voorgenomen, dat, bij hun +te-rugkomst, de innige verstandhouding tusschen haar vader en haar zoû +voort duren, ja nog inniger worden zoû. En zij wilde haar plan getrouw +blijven. Gedurende haar afwezigheid had zich zooveel teederheid en zorg +in haar hart opgestapeld, dat zij zich van dien voorraad, van die +kracht, niet inéens kon ontdoen of haar geheel in tranen kon laten +wechvloeyen. Zij had zich-zelf eenmaal beloofd dat, als zij eens +wezenlijk getrouwd, wezenlijk vrouw zoû zijn, zij beter dan ooit en nu +voor-goed aan haar vader vergelden zoû, wat zij voor het geluk van haar +heele jeugd aan hem te danken had. En nu gebeurde dat, buiten haar eigen +weten om. De eenzame ruimte van deze verlaten kamer trok haar meer en +meer aan. Hier ademde zij de gedachten en gemoedsbewegingen in, die uit +het oude verleden hier waren blijven hangen. Haar liefde sliep, zij +vergat zich zelve, zij vergat Jozef die beneden alleen zat. Als zij de +brieven van haar vader las en al die kleine zaakjes, die hij achter +gelaten had, hanteerde met een innige teederheid en behoedzaamheid, dan +was 't alsof zij zijn lotgevallen van vroeger deelde en als dochter hem +vereerde in deze geheime en bizondere kenteekenen van zijn goedhartig en +haar zoo dierbaar bestaan, dat nu op gehouden had voor altijd. Haar +jeugd verdoofde. Zij dacht niet meer aan het tegen woordige. Koud, als +een beeld, ging ze op en neêr door het huis, terwijl het warm was in +haar hoofd en de figuur van haar vader onophoudelijk door haar +verbeelding dwaalde. Uit al de woeligheid, de koortsige opvolging van +indrukken en gezichten, den rijkdom van de voortdurend wisselende +omgeving en den aandoeningenstorm van de huwelijksreis plotseling in de +grijze stilte, in de sombere kilheid en eentonigheid van het huis, waar +de doodslucht door heen had gewaaid, verplaatst, scheen ze zich er in te +zullen ziek-suffen en de diepe ontsteltenis, door het kontrast +veroorzaakt, niet te boven te kunnen komen. Het was te gauw gegaan, het +was te hevig geweest. Zij voelde nog voortdurend den eersten schrik. +Alle begoocheling was wech, wech de vrolijkheid, wech het brandende +leven. Terwijl de scherpte van het leed langzaam week, bleef ze +ongevoelig voor elke nieuwe levensprikkeling ook. + +Zoo kropen onder Jozefs voeten heen de dagen voorbij. In zijn altijd +sierlijk, nu donker-blauw pak, stapte hij 's morgens met een verveeld +gezicht de deur uit, en, daar hij nu anders niets te doen, aan niets +anders te denken had, leî hij zich met de borst op de kantoorzaken toe, +zich dieper naar zijn lessenaar buigende, werd ijverig, zocht zijn +inkomsten te vermeerderen. Hij droeg nu voortdurend, in plaats van zijn +gekleurde een eenvoudige, breede zwarte strikdas en een hoogen rouwband +om zijn hoed. Hij was er toe gekomen eenige studieboeken van vroeger, +die op zijn kantoor in de stof lagen en daar vergeten werden, naar zijn +huis te laten brengen. Hij had daar vroeger een tijd lang nog al +pleizier in gehad en, daar hij zich onmogelijk bij publieke +vermakelijkheden kon vertoonen en anders niets had om zijn ledige uren +meê door te brengen, kwam het genoegen te-rug en zette hij zich 's +middags en 's avonds aan de studie. Toch deed hij niet veel meer dan +lezen, met belangstelling. Hij maakte geen aanteekeningen. Het waren +werken van Quack, Heemskerk, de Pinto, staathuishoudkundige en +populair-rechtsgeleerde boeken. Nu ging hij ook nieuwe uitgaven over +dezelfde onderwerpen koopen, waar hij zich nu eenmaal meê bezig hield. +Verder las hij het Handelsblad, den Figaro en de Fransche romans van +George Sand en Feuillet. Dit alles in afwachting, dat Mathildes +droefheid en ziekelijke afgetrokkenheid zoû verdwijnen. Ook kreeg hij +'s middags wel eens bezoek van een club-vriend, D'Ablaincourt of Hasman, +die een uurtje bleef praten en een glaasje port met hem drinken. Een +enkele maal verscheen er een kantoorklerk, die iets te vragen had. +Overigens kwam er niemant. + +Er waren weêr twee weken voorbij. Het was op een zonnigen Donderdag, +vier uur, een uur voór het eten. De deur van het zaaltje stond open. +Jozef zat voor de met een rood en zwart tafelkleed overdekte tafel in 't +midden van het zaaltje, zijn hoofd over een boek gebogen, gesteund door +zijn blanke smalle hand, met een kleinen zegelring aan den pink. Een +half-uitgedronken glaasje portwijn stond voor hem. Verder lag er een +hoopje papieren. Er was een aangename dagheldere tint. In den gang was +alles kalm. Alleen het gekuch van Jans, het sissen van boter of het +geklater van borden, die op of van mekaâr geschoven, en het geklitter +van zilveren lepels en vorken, die bewogen werden, klonken in den gang. +Op-éens spande zich met een gepiep de ijzerdraad van de voordeurschel en +de klepel klepte, met een gebibber van de ijzerdraad en; de schel klonk +luid langs de witte muren met twee, telkens zachtere herhalingen. Jozef +zag niet op; alleen knipte hij even snel met zijn oogen. Men kon hem, in +de diepte van het zaaltje, van de straat af zien zitten, toen Jans de +deur open had gemaakt voor een juffrouw die zij niet kende. + +--Is mevrouw thuis? vroeg een hoog stemmetje. + +--Jawel, jufvrouw. + +--Zoû 'k mevrouw ook even kunnen zien? + +De oude Jans keerde zich om, en, terwijl zij haar hand om de kruk van de +voorkamerdeur schoof, andwoordde zij. + +--Och, wil u hier maar even binnenkomen, asjeblieft? + +Haar oogen op-zij, om Jozef niet te zien in de verte, stapte de ranke +elegante jufvrouw, op haar hooge bottines met verlakte puntjes, in de +voorkamer, waar Jans haar volgde. + +--Kan ik ook zeggen, wie der is? + +De jufvrouw reikte in de roestige hand van de keukenmeid, die deze zoo +juist aan haar boezelaar had afgeveegd, een klein dof-geel +visitekaartje: Emilie Hartse. + +Na een blik tegen de jufvrouw, als had zij dien naam meer gehoord, ging +Jans wech. Toen zij voorbij het zaaltje kwam, om Mathilde boven te +waarschuwen, riep Jozef haar binnen. + +--Laat eens zien, zeî hij, en daarna herkennend: o! Hij gaf Jans het +kaartje te-rug, waarna zij de trap opslofte. Jozef ging voort met lezen. +Na een paar minuten, draalde Jans te-rug, de trap af. + +--Zou mevrouw komen? + +Ja, meneer. + +Maar het duurde vijf minuten; Mathilde kwam niet. Jozef keek eens rond +en gaf er zich rekenschap van. Nog gingen er vijf minuten voorbij en +Jozef hoorde niets komen. Toen stond hij op en ging zelf naar de +voorkamer. + +Hij kwam binnen en groette beleefd. + +--Jufvrouw ik woû u niet langer laten wachten. + +--Dag, meneer van Wilden, hoe maakt u 'et? ... En hoe gaat 'et uw vrouw? + +Zij stak hem haar arm toe, die tot aan den elleboog in een zwart +glacé-en handschoen was. + +--Dank u, zij zal zoo wel komen ... En wat heeft men u in lang niet +gezien ... Dat zal wel een jaar of vier, vijf zijn! + +--Ja, ik ben verleden week pas te-ruggekomen in het land ... Er is heel +wat gebeurd in dien tijd, zeî zij, plotseling ernstig, bijna meêwarig. + +--Ja, ja, andwoordde Jozef, het is een groot verlies voor ons geweest. +Wij hielden zoo veel van hem! + +--Hoe houdt uw vrouw er zich onder? ... Och, ik begrijp heel goed, dat 't +haar een groot verdriet moet doen, maar daartegen is 't al weêr gelukkig, +dat zij nu zoo'n grooten steun heeft in ... in u. 't Zoû wat anders geweest +zijn om dat alleen te dragen. + +--Ja, zeî Jozef. + +Zij spraken er nog eenigen tijd over door. Toen vroeg hij na een kleine +pauze. + +--En is u al dien tijd in Parijs geweest? + +Bij deze vraag nam hij haar eens goed op. Zij was een lange vrouw, een +half hoofd grooter dan Mathilde. Zij droeg haar blond-rossig haar in een +doffe warrelend-krullende boeket van onder den hoed, die naar voren open +stond, tot even boven haar fijne als geel-gepenceelde wenkbrauwbogen. +Zij had erg klare scheIblauwe oogen in ruime kasten. Zij had een dunnen +vogelen-neus. Haar vel was erg blank, met een doorschijnend rood plekje +onder elk oog. + +--Altijd in Parijs, andwoordde zij, ja! + +En zij ging voort met over Parijs uit te weiden. Zij was er eerst op 't +pensionaat geweest, toen even te-ruggekeerd in Holland en daarna weêr +voor eenige jaren bij de familie van Riet, den holllandschen konsul in +Parijs, een broêr van den heer van Riet van Amsterdam. Een wees, zoo als +zij, vloog als een vogeltje dat geen eigen nest heeft, van den hak op +den tak, zeide zij. + +--En denkt u nu voorloopig in Amsterdam te blijven? vroeg Jozef. + +--Ja, zeî ze, tante wordt oud, ik kan haar nu goed gezelschap houden, en +buitendien, men verlangt toch altijd naar zijn eigen vaderland te-rug. + +Zoo zette zich het gesprek voort, maar Mathilde kwam maar niet. + +Eindelijk zeî Jozef: + +--Mathilde komt maar niet. Ik zal eens gaan hooren wat het is. + +--Och, doet u 'et niet, mevrouw kan misschien niet van haar bezigheden +af. + +--Ik begrijp 't wel half, andwoordde Jozef, waarom zij niet komt. U moet +het haar niet kwalijk nemen. Zij heeft zich het verlies van haar vader +vreeselijk aangetrokken, ál te erg, vind ik. Zij is in een soort van +doffen geestes-toestand geraakt, die ik mij niet goed begrijpen kan. Zij +zit den heelen-dag maar boven, op zijn kamer, om haar vader te treuren. +Ik laat haar maar stil haar gang gaan. De tijd zal het verdriet van-zelf +slijten. U zal haar dus exkuzeeren. En Jozef ging Mathilde maar niet +halen. Hij dacht dat zij misschien roodgehuilde oogen had en liever geen +vreemde menschen wilde ontmoeten. + +Emilie Hartse bleef uit beleefdheid, om niet dadelijk heen te gaan, nog +even. Haar betrekking tot Jozef bestond eigenlijk hierin, dat zij, die +een kennisje van Mathilde op de Amsterdamsche school was geweest en +daarna éen jaar op de zelfde kostschool met haar was geweest, later, bij +de Stuwen aan huis, waar die kennis voortgezet werd, Jozef nu en dan +had ontmoet. + +Toen Jozef haar nu, na wederzijdsche beleefdheids-betuigingen, +uitgelaten had, was hij verwonderd in den gang Jans te ontmoeten, die, +beladen met tafelborden en zilver, bezig was voor het eten te dekken. + +--Is het al zóo laat? vroeg zij. + +--Ja, meneer, zeî Jans, verwonderd over die vraag, kwart voor vijven. + +Toen Mathilde met haar bleeke droevig-droomende gezicht en strakke +wangen, aan tafel kwam, verweet Jozef haar zachtjes haar +menschenschuwheid. + +--Waarom ben-je niet even gekomen, lieve kind? Emilie Hartse was er. Ze +was erg verlangend je eens wéêr te zien na zoo'n langen tijd. + +--Och, ik ben haar al haast vergeten, en ik was boven zoo druk bezig. Ik +was niet gestemd. Ik zoû niet weten wat ik met haar zoû hebben moeten +spreken ... Blijft ze lang? + +--Ja, ik heb een heel tijdje met haar zitten praten. Ze is al door in +Parijs geweest, maar blijft nu voor goed hier. + +--Zoo! zeî Mathilde flauwtjes. En zij spraken nog enkele woorden over +andere onderwerpen. + +Na het eten ging Mathilde in het zaaltje zitten vóor het op de +binnenplaats uitziend raam, aan het lezen van een oud dik met vette +lettertjes volgekrabd schrijfboek. Het was het dagboek, door haar vader +in zijn jeugd gehouden, waarin hij al zijn zorgen en zijn vreugden op +nogal droge manier had neêrgeschreven, door Mathilde in een hoekje van +het bureau boven ontdekt, en dat ze nu geregeld 's avonds met warme +tranen beschreide. + +Zes dagen later werd er, zoo-wat op hetzelfde uur, op dezelfde manier +gescheld als dien dag. Het was Emilie Hartse, die vroeg of mevrouw nu +toch misschien te spreken was. Maar Jozef had Mathilde in zoo een +droefheid en dofheid na de koffie zien wech gaan, dat hij Jans zeide +Mathilde maar niet eens te gaan waarschuwen, en zelf weér een half +uurtje met jufvrouw Hartse ging praten. Deze verzekerde dat 't haar nu +verbazend speet, dat zij Mathilde zoo graâg had gezien om te probeeren +haar een beetje te troosten. Daarbij zeî ze ook, dat 't zoo'n groot +geluk voor haar zijn zoû de kennis met Mathilde, de vriendschap liever, +te vernieuwen. De menschen waren haar hier zoo vreemd geworden na haar +verblijf in het buitenland! Zij hield met bijna niemant omgang. En +Mathilde en zij hadden elkaâr vroeger toch zóo goed gekend! Hierna kwam +het gesprek op de familie van Riet, waar Emilie aan huis woonde. Jozef +vertelde, dat de heer en mevrouw van Riet, ongeveer een maand vóor +Mathilde en hij op reis waren gegaan, nog een avondje bij de Stuwen +hadden doorgebracht. Toen kwam van-zelf de muziek en de literatuur ter +sprake. Emilie kende veel fransche romans, van Feuillet, van George +Sand, enz. Maar Jozef verzekerde, dat er ook mooye nieuwe Duitsche +romans bestonden en Engelsche. Hier wist Emilie bijna niets van en zij +liet zich door hem een paar van die boeken leenen, om ze te lezen. + +'s Middags aan tafel vertelde Jozef, dat Emilie Hartse er weêr was +geweest, dat hij haar een boek geleend had. + +--Zoo! zeî Mathilde, glimlachte heel even, goedig, flauwtjes, en sprak +weêr over iets anders. + +De zomer verstreek. Tien dagen na haar vorige visite, kwam Emilie zelf +de boeken terugbrengen. Ze had nog wel nu en dan een woord in de +dictionnaire op moeten zoeken, maar overigens hadden de romans haar wel +bevallen. Nû bleef zij wel een uur praten. Jozef leende haar weêr andere +boeken en nog eens en nog eens, die zij telkens te-rug kwam brengen, dan +na een veertien dagen, dan na een week. Iedere keer werd er eerst veel +over boeken gesproken, daarna had Emilie heel wat te vertellen over de +familie van Riet, van de hoofdpijn en het water in de beenen, waaraan +mevrouw sukkelde en van de gezelligheid en de gemoedelijkheid van +mijnheer, maar die wel eens tot vervelendheid oversloeg in den omgang +zonder einde van het dagelijksche leven. Voorts deelde zij aan Jozef +haar indrukken over Amsterdam en de Amsterdamsche wereld mede, vergeleek +die bij de wereld van Parijs, sprak eindelijk over Jozef-zelf, over +Mathilde en over hun plannen. Jozef vond haar wel een aardig ... ja, hij +wist niet goed hoe hij haar voor zich-zelf noemen zoû. Emilie was een +jaar of vier-en-twintig en nog ongetrouwd, dus een meisje. Maar zij was +ontwikkeld en op de hoogte als een vrouw. Het waren Jozefs aangenaamste +uren, en die zijn onverdragelijke eenzaamheid het genoegelijkst +afwisselden, die hij met haar doorbracht. Oh 't laatst vergat hij wel +eens aan Mathilde verslag te doen, wanneer Emilie hem weêr een visite +had gemaakt. Te midden van de beleefde troostwoorden die hij dagelijks +nog tegen haar zeî, kon hij niet goed van zijn vroolijker gesprekken met +Emilie vertellen. + +Eens op een avond, dat zij het theegoed binnendroeg zeî Jans: + +--Der staat 'n parasol in den gang, menheer, die heeft zeker jufvrouw +Hartse vergeten? + +Nu trof het Mathilde voor het eerst. Toen Jans wech was, zeide zij + +--Is die er van-middag al weêr geweest? + +Zij zeide dit wel op haar gewonen toon van tegenwoordig, waar zoo weinig +belangstelling in was, maar ze zeide het toch. + +--Ja, andwoordde Jozef, zij kwam een boek te-rug-brengen. + +--Wat komt ze dikwijls! zeî Mathilde, nog onverschillig. + +--Och, ze leest graâg, en ze heeft weinig konversatie in de stad ... + +Dien avond zat Mathilde weêr te droomen achter het ouderwetsche theeblad, +terwijl het zaaltje zich in duisternis dompelde en Jozef op de kanapee +een cigaar rookte, Maar nu en dan, terwijl zij zich onbewegelijk hield, +richtte Mathilde de oogen naar den kant, waar hij zat, naar de gloeyende +punt van de cigaar. Zij scheen dan over iets na te denken, dat buiten haar +droefheid was. Jozef zag het wel, maar hij gaf er zich geen rekenschap van. + +--Hoe lang is vader nu al dood? vroeg Mathilde eens, als wist zij dat zelf +niet het beste. + +--Vier, vijf weken, kind, vijf en een halve week. + +'s Avonds, bij het goeye-nacht-zeggen, zeî Jozef. + +--Willen wij morgen nu niet eens een wandelingetje gaan maken, Thilde, +het zoû zoo goed voor je zijn ... + +--Och nee, nog niet, ik blijf maar liever thuis, ik ben bang voor de +straat ... + +--Kom! zeî hij, maar er was niets aan te doen. + +Eenige dagen later kwam Mathilde eens om drie uûr 's middags beneden en, +voorbij het zaaltje gaande, hoorde zij daar spreken. + +Stilletjes ging zij naar de keuken. + +--Wie is er bij meneer Jans? vroeg zij. + +--Jufvrouw Hartse, mevrouw. + +Zij vond 't onaangenaam. Haar doffe, wanhopige rust in de eenzaamheid +van haar vaders slaapkamer was verstoord. Zij kon vooreerst nog niet +scheiden van die kamer, maar zij was niet meer zoo onophoudelijk +verdiept in het denken aan haar vader. Zij zat als naar gewoonte voor +het bureau, maar betrapte er zich op somwijlen, dat haar blik van het +voor haar liggend brievenblad was wechgeweken en langs den rand van den +bovenkant van het bureau dwaalde en dat zij dacht aan Jozef en aan +Emilie, die misschien beneden samen zaten te praten. Maar dan, als ware +zij van haar plicht afgeweken ging zij weêr door met lezen met dubbelen +ijver. + +Een week later,--de deur van de dooden-kamer stond open--hoorde +Mathilde de huisdeurschel gaan. Zij herkende de bizondere trilling van +het geluid. Als was zij dat al lang van plan geweest, stond zij op en +ging, haar zakdoek in haar hand naar beneden. Jans deed juist open. +'t Was Emilie. Mathilde ging op haar toe en, met een eersten glimlach na +zes weken. + +--Wel jufvrouw, het doet me toch plezier u eindelijk eens te ontmoeten. + +Emilie zeî te gelijker tijd, met een meêwarig lachje, iets, dat niet +gehoord werd onder de woorden van Mathilde heen. + +--Ja, mevrouw, mag ik u nog wel kondoleeren ... + +--Dank u, u begrijpt ... + +Zij gingen de zijkamer binnen. + +--Ja, mevrouw, dat hoor ik ... + +Zij spraken voort. Mathilde verontschuldigde zich, dat zij zoo dikwijls +op zich had laten wachten. Zij sprak van haar groote droefheid, sprak +voords over het leenen van de boeken van Jozef, dat zij zeide heel +aardig te vinden, om toch vooral niet den schijn te hebben daar niets +van te weten. Toen kwam ook Jozef binnen. Het verraste hem Mathilde daar +te vinden. Het deed hem pleizier. + +Dien avond zaten Jozef en Mathilde onder de thee als gewoonlijk zwijgend +bij-mekaâr. Zij hadden heel weinig gesproken sinds Emilies vertrek, een +half uur voór den eten. Jozef dacht juist aan niets anders dan aan de +geur van zijn cigaar en aan het ongelijk dat hij gehad had met een vrouw +als Mathilde, die zoo lang bedroefd bleef, te trouwen, toen hij een snik +hoorde en het lichtje onder de theepot hevig zag waggelen en deinen. +Mathilde stond op, ging naar hem toe en zeî met een bevenden mond: + +--Och toe, ontvang d'r niet meer alleen, die Emilie. wees niet meer met +haar alleen! + +Zij drukte haar gezicht tegen het zijne, terwijl zij haar armen om zijn +schouders hield en zij morste een traan van haar wang op zijn snor. Maar +eer hij tijd had van zijn verwondering te bekomen en te-rug te zoenen, +was zij al van hem van-daan. Zij vluchtte de kamer uit, de trap op, als +riep een onweêrstaanbare stem haar naar boven, en sloot zich op in haar +vaders kamer. Daar bleef zij in donker boven het bureau huilen. + +Jozef wist niet wat te doen. Eerst wilde hij haar nagaan, maar hij +bedacht zich, hij bleef zitten, en ging weêr alleen naar bed. + +De dagen daarna leefde Mathilde in een veelkleurig peinzen en in een +wonderlijken tweestrijd. Langzaam, met groote macht, daalde de liefde +voor het leven, voor het jonge genietende leven in haar hart. Zij was +verschrikkelijk zenuwachtig. Het eene oogenblik zat zij voor het oude +bureautje, en wilde er niet van-daan gaan. Maar het volgende oogenblik +kon zij 't zoo niet langer houden. Zij stond op, liep naar de deur, maar +bedacht zich weêr, en viel af in lange droomerijen. En terwijl de tijd +verliep en de eene dag den anderen volgde, doemden daar voor haar geest, +midden-in de treurige verlatenheid om haar heen, al de indrukken te-rug +van haar liefdesgeschiedenis met Jozef, droomde zij dat leven over, van +den eersten avond van zijn verklaring en valt nog lang vóor dien tijd af +tot aan den laatsten avond van hun huwelijksreis. De tijd van haar +treuren kwam als vreeselijk lang voor haar. Was dat dan zoo lang +geweest, dat zij haar man, beneden vergeten had. Hoeveel gedachteloze +zoenen hadden zij mekaâr in dien tijd gegeven, wat een tijd was het +geleden, sinds zij mekaâr zoenden den heelen dag! Al de gezichten van +haar huwelijksreis kwamen op in haar verbeelding, en het kwam uit dat +zij maar gewaand had zich ongelukkig te voelen toen. Het was was niet +waar geweest, de bedwelming van dat schokkende nieuwe leven was er geen +verdoovende geweest, zoo als zij het zich toen gedacht had. Mathilde +kreeg een kleur van aandoening en begeerte, zij sloot het bureau dicht, +al de laden een voor een. Zij liep door de kamer heen en weêr, een glans +over haar voorhoofd. Dat was liet geluk geweest, die huwelijksreis, dat +de jeugd, dat het genot. Zij streek haar handen over haar wangen en over +haar zwarte japon, om zich alles goed te herinneren. Er ging een +prikkeling door haar leden. Een levensgloed schemerde door de doode-kamer. +Een rijkdom van kleuren, een vloed van onbegrepen genietingen dwarrelden +er door Mathildes hersens. Haar hoofd bonsde, een drift naar nieuw genot, +naar meerdere vreugde nog, vulde haar. O, vader, prevelde zij, o, Jozef, +Jozef, Jozef! + +Dien middag aan tafel merkte Jozef nog niets van de verandering in +Mathilde. Wel zag zij hem voortdurend aan en trachtte nu en dan zijn +blik op te vangen, om zich er eens rekenschap van te geven of zijn oog +nog 't zelfde stond als vroeger, als hij naar haar keek, wel waren haar +gebaren minder loom, maar hij zag 't niet. 's Avonds ook nog niet, maar +den volgenden morgen, na hun ontbijt van negen uur, waaraan Mathilde hem +verteld had, dat zij zoo heerlijk had geslapen, als in geen tijden, +vroeg zij: + +--Als je van-middag na de beurs thuis komt, gaan we dan een wandelingetje +doen? + +--Meen je 't wezenlijk? + +--Ik verlang er na, zeî ze, ik ben in zoo lang niet uitgeweest! + +Jozef bracht er, werkelijk waar, een heden blijden ochtend om door op +het kantoor. Hij was er gelukkig meê. + +Om drie uur gingen ze uit. Voor 't eerst had Mathilde haar rouwhoed op +met de lange kaper. Toen zij buiten kwam in het groote licht, in de +levende straat, duizelde haar hoofd. Maar zij nam Jozefs arm, die zoo +heerlijk steunde. Stil gingen zij voort. Mathilde keek naar haar voeten, +haar zwart-stoffen laarsjes, om te zien of zij wel precies gelijken pas +met Jozef hield. Maar het ging niet. Hij maakte te groote stappen. Zij +wandelden de Hoogstraat door, daarna langs den Kloveniersburgwal tot aan +den Amstel, tot aan de Hooge Sluis. Hier voelde Mathilde zich moe worden. +Zij wandelden denzelfden weg te-rug, nog langzamer. + +--Hè, zeî Mathilde, die goeye vader, wat hield hij ook van zoo'n loopje! + +Maar er klonk alleen nog maar melankolie in haar stem, de hartstochtelijke +droefheid was overgegaan in het smartelijk-plezierige van de herinnering. +Toen zij bij hun stoep te-ruggekeerd waren, drukte zij Jozefs arm innig +met den haren. En zij brachten een avond door zoo als vroeger. Hun levens +naderden elkaâr weêr zeer. + +Nu begonnen er dagen voor Mathilde, zoo gelukkig als zij ze nog niet had +gekend. Langzamerhand begon ze er vrede meê te krijgen haar vader niet +meer in haar nabijheid te zien. Zij verbeeldde zich, dat hij nu in een +hemel, in een soort bovenaardsche sfeer verkeerde en hij van omhoog op +haar neder glimlachte, als hij zag, dat zij niet zoo mistroostig meer +was. Haar gevoel dat altijd behoefte aan iets geheimzinnigs bovenaardsch +had, gaf haar volzinnen in over het nog bestaan en de zaligheid van haar +vader, die zij zich zelve herhaalde als de gedachte daaraan haar hinderde, +en die haar te vrede stelden zonder dat zij verder behoefte had er meer +over na te denken en er zich onophoudelijk meê bezig te houden. + +De anderhalf jaar van hun rouwtijd gingen Jozef en Mathilde kalm, zonder +gebeurtenissen, in altijd weêr vermeerderende liefde, voorbij. In den +eersten tijd, als Jozef van de Beurs thuis kwam en Mathilde zag hem dan +zijn boeken opzoeken en gaan zitten lezen en studeeren als een werkzaam +man, dan deed haar dat een onuitsprekelijk genoegen en had ze hem er nog +liever om. Zij kwam dan wel naast hem staan, leî haar hand op zijn +schouder en boog zich over hem heen om ook in het boek te kijken. Zij +las een paar zinnen met hem meê en vroeg dan, om zijnentwille, wat of +dit of dat beteekende. Wanneer hij 't haar verklaarde, begon zij tegen +hem aan te leunen en vroeg meer uitleggingen. Eindelijk zat zij op zijn +schoot, en het gebeurde dikwijls, dat zij zijn zinnen afbrak, door hem, +midden in hun ernstig gesprek, zoo te zoenen, dat hij niet verder spreken +kon. En dan vroeg zij zoenen te-rug, dan bleven zij zoo'n heelen middag +zitten vrijen als waren zij heel pas getrouwd. + +Jozef begon te voelen, dat hij dol veel hield van zijn vrouw, Als zij +niet bij hem was, was hij zoo gehoorzaam, dat hij 't niet harden kon. +Kwam zij een oogenblik te laat beneden aan 't ontbijt, een vijf minuten, +dan was hij ongerust, dan ging hij kijken. Had zij hoofdpijn, dan werd +hij bezorgd, dacht over middeltjes na, ging zelf naar den apteker. Hij +was gelukkig in deze afzondering met Mathilde, die zooveel van hem +hield. Hij verveelde zich niet meer. Hij dacht er den heelen dag aan om +zijn vrouwtje allerlei kleine pleizieren te doen. Hij had een prachtige +eikenhouten kist laten maken, met veel beeldhouwwerk er aan, em haar die +kadoo gemaakt, om er in de volgorde, die zij zelf zoû willen, den inhoud +van de latafel en van het bureau haars vaders in te verzamelen en te +schikken. Wat een stille blijdschap voor Mathilde, toen zij op een +morgen de kist vond staan in het zaaltje, en Jozef haar zeî wat er meê +gebeuren moest en haar vroeg, waar zij hem gezet wilde hebben, boven op +de slaapkamer of hier in het zaaltje. Zij verkoos het zaaltje. En, samen +met Jozef, besteedde zij er nu een paar dagen aan om de zaakjes over te +pakken, samen met Jozef besprak zij de volgorde, waarin zij de +voorwerpjes en papieren nu zouden bergen. Hij hielp haar nu met alles. +Al het egoïsme, de te-ruggetrokkenheid van haar droefheid was verdwenen. +Zij liet Jozef meêdoen in al de droevige vreugde, die zij van deze +nieuwe schikking had; telkens vertelde zij zachtjes van de gedachten, +die er door haar geest gingen onder deze bezigheden. Des ochtends ráakte +zij zelfs niet aan de kist of aan de reliquiën; zij vond er een zoet +genoegen in, hem te laten merken, dat zij op hem gewacht had, om samen +alles te doen, en hem over alles raad te vragen. De kist werd het +dierbaarste meubelstuk van het zaaltje en van het huis. In de morgenuren +deed Mathilde het huishouden, wat gedurende haar afzondering heelemaal +aan Jans was overgelaten geweest. Dan breide en borduurde zij ook. Zij +maakte een beurs voor Jozef, zij zag het linnengoed na en bemoeide zich +met zijn kleêren. Hierin vooral begon zij een bizondere liefhebberij te +krijgen: zich langzamerhand en hoe langer hoe inniger in de +bizonderheden en uitwendige eigenaardigheden van zijn persoon in te +wijden; zich er erkenschap van te geven, wat hij al zoo aan zijn lijf +had, den vorm van zijn boven-en van zijn onderkleêren na te gaan, zijn +kleine gewoonten te bespieden, uit te vorschen wat hij liever had dan +wat anders, wat hij verkoos voor hemdsknoopjes, voor halsboorden en +manchetten, hoe hij zijn jassen droeg, hoe zijn broek en zijn schoenen +waren ingericht en werden gebruikt. + +Zijn persoon werd het voorwerp van haar beoefening. Hem zoo volledig +mogelijk en in alle onderdeelen te kennen, werd haar doel. Zij wilde +zijn goede trouwe vrouw zijn en blijven, zij wilde alleen denken om zijn +geluk en hem gelukkig maken. Zijn mooye lichaam kende zij nu heelemaal; +zij had al die vormen en de manier, waarop zij zich bewogen, in haar +verstand opgenomen. Zij wist hoe zijn haar was, waar er rimpels waren op +zijn gezicht, wanneer hij naar zijn zin geschoren was en wanneer niet. +Zij wist wanneer en waar zijn wangen rood werden; al de schakeeringen +van schaduw en licht, van rood en wit en blauwig en grijzig, het geaderde, +het gladde van zijn gezicht had zij nagegaan, onwillekeurig en toch om +dat zij het wilde. Hoe kende zij zijn lach en het fronsen van zijn +voorhoofd; zij kende zijn tanden, groot en wit, zij kende de verschillende +glansen van zijn oogen, en hun kinderlijke goedige uitdrukking als hij +blij was, en hun doffen gloed als hij nadacht. Zij kende de aardige +manier, waarop hij zijn eene wenkbrauw optrok, als er een besluit genomen +moest worden. Zij kende zijn weinig behaarde armen, zijn zachte borst, +zijn middel, dat zij altijd met het hare vergeleek, zijn beenen, veel +langer dan de hare, zijn voeten met hun hooge wreef. En zij had dat alles +zoo lief, zij vermeide er zich in het als haar heilig eigendom te +beschouwen. Zijn flanellen verstelde zij zelf met een uiterste zorg. Hij +raadpleegde haar als er een vest versteld moest worden of een nieuwe das +gekocht, en over het strijken van zijn overhemden. + +Zij snuffelde in zijn kleerenkast. Hij had op hun reis bijna alleen zijn +grijze reispak gedragen en was na hun te-rugkomst natuurlijk altijd in +'t zwart en donker-blauw gekleed geweest. Zijn vele andere kleêren kende +zij alleen, om dat zij ze hem aan had zien hebben vóor hun huwelijk. +Maar ze nu zoo van-dichter-bij te kunnen beschouwen, ze te betasten, al +die kleedingstukken en die toiletzaken, die hij als ongetrouwd heer had +gebruikt en die nu allemaal in haar oude huis waren overgebracht dat +deed haar een groot pleizier. + +Maar zij wilde hem-zelf, zijn binnenste, nog beter kennen. Wanneer zij +zijn handen half dicht gehouden, vóor haar, op het kantje van de tafel +zag liggen, met den zegelring aan zijn pink, dan wilde zij weten, wat +die handen al deden en aanraakten buiten haar tegenwoordigheid, en wat, +toen zij haar nog niet mochten omhelzen en streden. Wanneer hij 's +avonds, wat hij dikwijls deed, in het zaaltje op en neêr liep, zijn +handen op zijn rug, en hij zijn hoofd zoo recht-op droeg, en hij, van de +hoogte van zijn oogen tot haar nederzag, terwijl zij achter 't theeblad +zat of aan de tafel te lezen, en dat gezicht hem ernstig en vol liefde +over haar na scheen te doen denken, dan wilde zij weten naar wat of naar +wien die blikken zoo gingen en die gedachten zich richtten in haar +afwezigheid, vóor en tijdens hun huwelijk, toen hij niets aan haar had +gehad. Zoo kwam zij hem over alles te ondervragen. Zij stelde belang in +zijn kantoorzaken, in de Beurs. Hij moest van-alles vertellen, om haar +te vrede te stellen: hoe zijn bedienden er uitzagen, hoe de boeken +werden gehouden, of hij pleizier had in de zaken, of het personeel hem +eerbiedig behandelde, of hij in zijn appart kabinet zat en van daaruit +de zaken bestuurde of hij een mooyen lessenaar bezat, of hij veel +visites kreeg op het kantoor, of er wel eens vrouwen kwamen. O, stellig, +als hun rouwtijd om was, zoû zij hem stellig daar komen opzoeken en zijn +omgeving eens goed bekijken. Emilie Hartse kwam er toch nooit, nietwaar, +nooit? Wel neen, andwoordde hij, hoe kon ze er aan denken, er kwam nooit +een vrouw Ik heb zoo'n groot vertrouwen in je, verzekerde ze hem wel, ik +weet niet hoe het komt, maar ik heb zoo'n groot vertrouwen in je, dat ik +eigenlijk maar weinig jaloersch ben. Hierna ondervroeg zij hem, met een +ontzachlijke nieuwsgierigheid, naar zijn levens-inrichting van vóor hun +huwelijk. Ja, zij wist er wel veel van, want, daar zij zooveel omgang +met elkaâr hadden gehad, altijd, had hij natuurlijk veel verhaald, maar +was alles wel waar geweest, wat hij vertelde? wat had hij verzwegen? +Och, hij kon nu gerust alles zeggen, nu waren zij toch getrouwd! En hij +zoende haar en deed de verlangde verhalen, tot in de minste onderdeden, +en telkens vroeg zij meer, telkens nadere bizonderheden tot dat zij het +zich volledig kon voorstellen. + + * * * * * + +Emilie Hartse kwam af en toe visites maken bij Jozef en Mathilde, en +Mathilde doorleefde een aangenaam kwartiertje, toen Emilie eens een heer +meêbracht, Louis Berlage met wien zij geëngageerd was. Mathilde was toen +bizonder hartelijk tegen Emilie en zij schenen groote vriendinnen. + +Maar het gelukkigste voelde zich Mathilde als zij en Jozef alleen waren. +En dat duurde maar voort, dag in dag uit. Mathilde was dronken van +geluk. Zij voelde het stijgen van haar hart tot in haar keel en zij kon +'t niet uitspreken, zóo overstelpte het haar. Al de warme liefde van hun +engagementstijd en al het onbeschrijfelijk genot van de huwelijksreis +schenen zich te vermengen en haar in een tweede natuur om te scheppen. +Zij had hem eindeloos lief! Zoo zoû 't altijd blijven bij haar, dat +voelde zij wel en zij schrok te-rug voor de macht van haar eigen gevoel. +Alleen maar als hij naderde, schoot er als een vlam naar haar hoofd, en +nam hij haar in zijn armen, dan leunde haar hoofd achterover tegen zijn +schouder en weende van zaligheid. Ze zoû altijd bij hem hebben willen +zijn, zij wilde altijd weten wat er in hem omging. Soms vroeg ze hem +in-éens, half bedroefd: waar denk-je aan?, als ze een tijdje zwijgend +bij elkaâr waren geweest. Dan deed 't haar verdriet van-zelf niet te +weten wat hij dacht. En 's nachts, als zij te slapen lag tegen zijn +borst, hief ze haar hoofd naar hem heen en fluisterde zoo zacht, zoo +zacht als de gedachte: hoû-je van me? Hij moest het vijf maal, zes maal +zeggen, dan vroeg ze hem om een zoen en sliep gerust in. En 's morgens, +als zij was opgestaan en hij nog doorsliep, en ze ging even voor het +venster kijken in de eerste frischheid van het ontwaken, dan, met de +herinnering van den vorigen avond en het vooruitzicht van een daggelijk +aan dien van gisteren, dan werd het haar te benauwd in haar gelukkig +hart, dan moest het venster open al was het koud, dan moest ze ruim +kunnen ademhalen, en de liefdevreugde, die blonk uit haar oogen, doen +uitstralen in de open lucht. + +Was zij vol kleine oplettendheden, zocht hij op allerlei manieren haar +pleizieren te doen, haar liefde was vindingrijker. Zij dacht over alles, +zij wist alles te raden en zijn wenschen te voorkomen. Zij ging 's +middags nu dikwijls wandelingetjes doen, door de Damstraat en den +Nieuwendijk en bracht iets voor hem meê, dat hij dan onder zijn servet +vond liggen, aan het eten. Zoo had hij allang verlangd naar een +horlogeketting. Zijn gouden had hij voor de rouw afgelegd. Nu had hij er +nog wel een van platina, maar die besloeg, en beviel hem niet. Hij +vergat maar altijd er zelf een te koopen of wel hij zag er alleen, die +niet van zijn smaak waren. Na lang rondkijken had zij er eindelijk een +uitgestald gezien en die gekocht: een breed zwart geribt lint, met +enkele dofzilveren versierselen. Thuisgekomen, bevestigde zij het met +haar slanke handjes aan zijn vest, en hij was er erg gelukkig meê. + +--Telkens als je nu op je horloge kijkt, zeide Mathilde, moet-je nog +eens speciaal aan mij denken, ... natuurlijk moet je altijd om mij +denken, om dat ik zooveel, zooveel van je hoû, maar dan nog eens +bizonder. Hij beloofde het. + +Mathilde had ook een uitgebreide studie gemaakt van zijn gelief-koosde +spijzen en dranken. Hij had niet graag, dat zij zelf veel in de keuken +kwam. Van zulke duitsche zeden hield hij niet, beweerde hij, die zaken +moesten aan de keukenmeid overgelaten blijven. Maar zij deed 't toch 's +morgens, als zij wist, dat hij niet thuis komen zoû, en onder beurstijd. +Hoorde zij dan maar even zijn huissleutel ritselen aan de voordeur, dan +haastte zij zich de keuken uit en liet Jans verder begaan. Er waren twee +soorten van pudding en éen manier om met kruiden ossevleesch te braden, +daar hij erg op gesteld was; dit had zij gemerkt, om dat hij dat op reis +zoo dikwijls had besteld. Telkens als deze spijzen nu op tafel kwamen, +zag zij duidelijk aan Jozef, dat hij haar verdacht van weêr in de keuken +te zijn geweest, maar zij ontkende ten stelligste, en na den eten kreeg +zij er toch een zoen voor. + +Zoo leefden zij, bijna onophoudelijk met hun tweeën alleen, het najaar +en den winter en daarna weêr den zomer door. Intieme kennissen hadden +zij niet; alleen van den ouden heer Berlage, den ingenieur Ster, mevrouw +van Borselen en Emilie Hartse kregen zij een paar visites. Maar Jozef, +die Mathilde zoo mooi vond en zoo dikwijls tegen haar zeî: wat ben +je toch mooi!, Jozef, die ijdel was en van vertoon hield, begon +langzamerhand naar meer menschen-zien te verlangen, om benijd te kunnen +zijn. + +Al dikwijls hadden Jozef en Mathilde over het nieuwe huis gesproken, dat +zij in een niet al te verwijderde toekomst zouden betrekken, over dat +huis, dat eigenlijk pas wezenlijk hun huis zoû zijn, heelemaal naar hun +idee ingericht en gemeubeld. Telkens werd er weêr over gesproken en +weêr. Mathilde volgde in alles Jozefs meening en Jozefs smaak, of wel +zij had een nieuwe opmerking, die hij met geestdrift aannam. Maar er was +nog niets besloten. Vooreerst werd de vraag behandeld, of men in de +Vondelstraat-buurten een huis zoude zoeken of aan een van de mooye +grachten, Heeren-of Keizersgracht. Mathilde, die verliefd was op alles +wat "buiten" en "vrije" natuur heette, was wel eerst voor de nabijheid +van het Vondelpark, maar, om dat Jozef van die meening was, vond ook zij +ten laatste de hoofdgrachten nog deftiger, stiller, rijker, aangenamer. + +Zij waren in de laatste zes weken van hun rouwtijd, in de lichte rouw, +toen er op een goeden dag besloten werd, dat Jans een rijtuig zoû +bestellen, waarmede Jozef en Mathilde huizen zouden gaan zien. Mathilde +had dagelijks uit de koerant opgeteekend waar er huizen te huur of te +koop stonden in de buurt, die zij hadden verkozen. Zij had dit lijstje +in haar zak gestoken. Vier, vijf dagen achter-mekaâr werd er gereden en +drentelden zij zich moê door vertrekken en portalen, trap op trap af in +die ontmeubelde en verlaten woningen, met hun kale trappen en kale +vensters en hier en daar vlekken op de vloer, die zoo een weemoedig +aanzien hadden en aan het leven deden denken, wat er voor altijd uit +wech was. Het gaf een heele beroering in hun stille samenleven. Mathilde +dacht meer dan gewoonlijk aan haar vader gedurende dezen tijd. + +Eindelijk was er een uitmundend huis gevonden op de Heerengracht bij de +Spiegelstraat. Jozef huurde het voor acht-en twintig honderd gulden. Van +toen af aan werd week aan week de drukte grooter. Dat waren maar van den +eenen dag op den anderen dag bezoeken van den makelaar, van den +timmerman, van den schilder, van den stucadoor, van den loodgieter. Dan +moest Mathilde, op Jozefs verlangen, zich plotseling gauw aankleeden om +meê te gaan overleggen over de veranderingen, die gemaakt zouden worden, +of over nieuwigheden in den gang, of in de verdeeling der kamers, in de +plafonds. Dán troonde hij haar weêr meê naar den behanger, naar den +meubelmaker, waar zij vooral haar oordeel moest zeggen en zij alleen +besluiten te nemen had. Dan weêr wandelden zij naar den winkel van +schoorsteen-ornamenten, naar het magazijn van keukengerei. Mathilde had +maar te bevelen en zij kóos en koos. Vroeg zij thuis aan Jozef +eenigszins bedeesd, of ze niet te duur gekozen had, dan legde hij haar +het zwijgen op. Over geldzaken zouden zij spreken, als ze eens goed en +wel een paar gepozeerde getrouwde menschen waren geworden en in hún huis +hun gezin hadden gevormd. + +Met kleine bevingen van hoop zag Mathilde, wanneer zij dagelijks dien +kant uitwandelde, de nieuwe woning zich in-en uitwendig voltooyen tot +een mooi huis, tot een gebouw, dat in alles, in de minste bizonderheden, +het huis van Jozef en haar zoû zijn, het huis van hun geluk. Zoo stelde +zij het zich voor. En als zij opmerkte hoe de versche kleuren blonken en +de spiegelruiten schitterden in de zon, dan zag zij er tegen op met een +onuitsprekelijk verlangen. Zij telde de dagen, die haar nog van het +nieuwe huis scheidden. Het was haar of zij Jozef nog niet genoeg liefhad, +of het heerlijkste nog komen moest. Haar hoop en haar verlangen +vermeerderden met den dag. + +Zoo ging weêr de tijd voorbij. Zij waren al een paar maanden uit de +rouw, toen eindelijk, eindelijk! het nieuwe huis werd betrokken. + + + + +VIII. + + +Een flink huis. Dat was me een drukte geweest, dat metselen en timmeren +en schilderen en behangen en meubelen! Jozef vond, dat alles er recht +goed in orde was, Mathilde vond het ook. Achter de hooge, zij 't ook +niet dubbele stoep, kwam men binnen in den breeden marmeren gang, waar +een gaslantaarn van matglas en koper nu een getemperd licht verspreidde. +Daar vond men terstond aan zijn linker hand, de deur van den salon, +Mathilde zeî "voorkamer", die op de straat uitzag. + +Deze kamer, met de fijn geschilderde wandvlakken en de gedekoreerde +zoldering, in lichte kleuren, met geelgouden randen, was vol frischheid +en jeugdig leven. De schoorsteen, juist tegenover de deur, was hoog van +dooraderd zwart marmer, met een rijkomlijste, uitstekend geslepen +spiegel, vast aan den muur, er boven. Op den mantel stonden twee dunne +pompadoer-vaasjes; in 't midden was er een half naakt herdertje in roode +klei, wiens fraai gebogen rug en zware lange lokken door den spiegel +werden weêrkaatst. Dunne lichtelijk versierde koperen gasarmen, die door +porseleinen kaarsen vlammetjes uitwierpen, en een zwierige rankgetakte, +aan een blauw satijnen strop hangende gaskroon van uit het hart der +zoldering dalend, gaf dezen avond lachende glansen door de kamer. Poeffen, +kleine divans en lage heelemaal gekapitonneerde leuningstoeltjes waren +in een behagelijke wanorde over het rozig-blauwe tapijt gezet. Er waren +stoelenzittingen van grijs-blauw satijn, met teedergetintte ruikertjes. +Een zwart ebbenhouten tafeltje was op glazen rolletjes tot nog al dicht +bij de ramen geschoven. Een koperen bloemvaasje dat zich delikaat en +statig naar de hoogte ontplooide met een theerozen-ruiker er in, stond +op die tafel. Breede dunne witte kanten strooken waren langs de ruiten +ontrold. Hier achter drapeerden zich kanten overgordijnen, op de helft +wechgeheven door zachtgouden banden en kwasten. Men zag op straat door +een netwerk van vreemde figuren heen. + +Een geur van feestelijke blijdschap en jonge hoop zwierde er door de +kamer, een vreugde straalde van al het huisraad. 't Was 16 April, Jozefs +verjaardag. Voor 't eerst dat Mathilde een partijtje gaf. Daar stond zij +nu, haar eene hand aan de tafel geleund; haar rechtervoet durfde zij +niet vast neêrzetten op de vloer, scheen 't, als knelde het schoentje +haar, ten minste zij wiebelde er zoo wat meê heen en weêr. Daar stond +zij nu, van licht-blauw satijn en witte kant omwikkeld, in het kostuum, +dat overeenkwam met de kleuren van de kamer, meesteresse in haar eigen +buis. Zoo als het satijn om haar lijf was gegleden waren er glansplekjes +op als schenen de zoenen er door die Jozef, met zijn minnaarsliefde, op +haar lichaam had gedrukt, en plooyen vol schaduw, die donker-blauw, haar +hals-en armen-kleur mooyer maakten. + +Jozef drentelde achter in de kamer, waar de piano stond, heen en weêr op +zijn hielen, langzaam het hoofd naar voren buigend, zijn tong tusschen +de lippen van pleizier. Hij was in zijn zwarten rok en witte das, +uitstekend in orde. Hij had aan zijn snor gelikt en zeî: + +--Nee, Thilde, als je zoo'n pijn hebt, dan dansen we maar niet. + +--Maar, man, zie je dan niet, dat ik hier expres blijf staan en niet ga +zitten, om je te laten zien dat mijn pijn heelemaal over is ... + +--Hoû-je van me, Thilde? laten we dan niet dansen, want je voet zoû er +stellig erger door worden ... + +--Gut, ik voel niets meer ... wezenlijk niet ... je moet bepaald +proponeeren om te dansen ... zal je 't nu doen? + +Neen, knikte Jozef. Toen moest Mathilde iets verzinnen. Zij leunde +plotseling niet meer op de tafel, en liep recht als een kaars, zonder +verwikken of verwegen, naar Jozef toe. Vlak vóor hem, bleef zij staan: + +--Ah, zoo! zie je 't? + +--Lieve kind, zonder jouw wil ik niet dansen, en zelf dansen kun-jij +toch niet, al loop je nu ook even door de kamer, met nog zooveel +schijnbaar gemak. + +Jozef hield ontzaglijk veel van dansen, dit wist zij. De laatste woorden +waren hem nog niet uit den mond, of ze was om hem heen aan 't springen +en huppelen over 't tapijt, zoo vlug als ze maar kon. Haar pijnlijke +voet raakte geweldig de vloer en dan rilde het heele been en ruischte de +satijn met een smartelijk gesis om haar leden. Hij bleef weigeren; maar +zij, hijgend nog van de beweging, leî ze haar handen op zijn borst, en +terwijl een wolkje van den boschviolen-geur, dien zij op haar zakdoek +had, tegen zijn gezicht zweefde, en van haar oogen uit scheen te waayen, +die als donkere violen waren, zweeg zij glimlachend. + +--Kindlief, wat ben ik trotsch op je, zeî Jozef! we zullen dansen als +razenden, want jij wilt 't om mij, en van-avond, als de menschen wech +zijn, zal ik je voeten zoenen, tot je niets geen pijn meer voelt. + +--Je bent goed ... ik hoû van je, ik hoû van je, andwoordde ze, en +dadelijk hierna: daar zijn ze eindelijk! Zij hoorde de gasten aankomen. + +In den gang wandelde een gehuurde knecht. Hij had een baard om zijn kin +en een gewoon burgermans-geen knechtenkapsel. Hij droeg katoenen witte +handschoenen, waarvan de knoopjes los hingen, om zijn boodschaphanden. +Zijn schoenen waren niet puntig, meer breed, van voren. Dientje, de +knappe werkmeid, was druk in de weêr. In de zaal, achter, stonden groote +blauwe schotels met zilveren handvatsels, waarin kleine gebakjes in +witte papiertjes met uitgeschulpte randjes, op de tafel zonder kleed. +Hiernaast blauwe schotels met zilveren handvatsels, waarop stapeltjes +boterhammetjes deels met galantine, deels met pâté de foie gras belegd; +een vijf-en-twintigtal laage, wijde champagneglazen, een 40-tal gewone, +mooi geslepen roode-wijn-en een 30-tal groene, antieke Rhijnwijn-glazen. +Verder flesschen, lange en korte, met zilveren papieren om den hals en +goud beletterde etiketten. Dientje met een helder voorschoot, in een +katoentje, en een paars feestmutsje op, liet zich door Frits den knecht, +terwijl hij in zijn te lange en lubbige vingertoppen kneep, verschillende +ongepaste aardigheden zeggen, wanneer ze van de keukentrap naar de zaal +ging en omgekeerd. Dan zorgde hij, dat hij bij de trap was, en als ze in +de zaal verdween, bleef hij haar, zijn hoofd naar den linker schouder +gebogen, met zijn kleine oogen glimlachend nastaren. Hij plukte dan eens +aan zijn baard en kuyerde naar zijn standplaats te-rug om het "volk" af +te wachten. + +Drie rijtuigen hielden bijna te-gelijk voor de deur stil. De menschen +verschenen met heele hoopjes bij mekaâr, als hadden zij 't afgesproken. +Met giegelend-gefluisterde groeten en beleefdheidsbetuigingen schoven de +dames, in sneeuwige mantels over de koude schouders en met hunne +versierde hoofden naar de achterkamer om hun mantels af te doen. Frits +wees den weg, na dat hij met zijn hoofd buiten de deur den koetsiers +"twee uur" als tijd om te-rug te komen had toegeroepen. De heeren wipten +achter hun dames snel de stoep op; hun glimmende schoenen kletsten en +kraakten piepend over de steenen treden. + +De heele achterkamer was in-éens vol beweging. Een gezwaai en geslinger +van schoudermanteltjes, wollen doeken en halsdasjes voor 't koû vatten +en een gegolf van sleepen, een bloeyen van ronde schouders en een +geflikker van goud en juweelen en een somber samenzinken van overjassen, +omwalmd door den reuk van versche, sterke haar-en zakdoekwatertjes, die +Frits en Dientje naar 't hoofd steeg. De dames bekeken elkaârs japonnen, +ze verheven zich, de eene achter de andere, voor den spiegel om hun haar +goed te doen of een roode bloem aan hun borst te verschikken. De heeren +klopten langs hun mouwen, spatten met den vinger een pluisje van hun +breede roklapellen. Een trok er zijn broek meer onder zijn vest. Frits +keek maar al naar Dientje, greep haar éens bij den schouder, +voorwendende achter haar heen te dringen zonder haar te hinderen, om +daar een heer te helpen, die zijn overjas niet uit kon krijgen. + +Weêr door den gang, brachten nu de heeren hunne dames naar voren. Een +warme pasteilucht kwam onbescheiden door de reet van een deur beneden, +want de oude Jans was nieuwsgierig naar de toiletten en keek om een +hoekje. + +Mathilde stond bij den ingang van de voorkamer. Het eerst kwam binnen: +de heer en mevrouw Berlage. Na hen Louis Berlage, hun zoon, die aan zijn +arm had mevrouw de weduwe van Borselen. Dan volgden de heer Ster, met +mejufvrouw Emilie Hartse. Hier achter kwamen glimlachend een viertal +jeugdige heeren, waarbij Hasman en d'Ablaincourt van de club ... + +--O, mevrouw, dank u, ik ben zoo gelukkig van uw invitatie gebruik te +kunnen maken. + +--'t Doet me heel veel pleizier, mevrouw meneer ... + +--Mevrouw van Wilden ... + +--Mevrouw ... + +--Meneer ... + +--Dag, van Wilden, gefeliciteerd niet je verjaardag. + +--Hoe gaat 't meneer Ster? + +--Jozef, nog vele jaren hoor. + +De heer Berlage was lang en mager en bleek: een spitse, stekelige kin en +neus, kleine flikkerende groene oogen en een doffe, logge wrat boven het +linker oog. Hij was rijk en aanzienlijk geworden door zijn huwelijk met +mejufvrouw van Wilvliet, nu een vijftigjarige vrouw, vriendelijk +uiterlijk, met hagelwitte tanden die voortdurend zichtbaar bleven, en +een ter neêr gebogen neusje. Ze droeg haar haar nog in fladderende +bochten afhangende op het voorhoofd tot maar heel even boven de oogen: +donkerbruin haar. Zij ging naast Mathilde zitten en gebruikte al +dadelijk haar groenen waayer. + +--Wel mevrouwtje, wat is u hier allerliefst geinstalleerd ... + +--Ja, mevrouw, zeî Mathilde, het huis bevalt mij wel. 't Was een heel +gelukje voor ons dat het juist te koop was en zoo heelemaal naar onzen +smaak. Mijn man heeft ook erg zijn best gedaan om alles netjes te +krijgen, en nu is 't zoo geworden, ziet u ... maar u, mevrouw, dat is +waar ook, hoe gaat 't u toch sinds uw laatste ongesteldheid ... daar men +'t eerst aan denken moest, ... maar hoe gaat 't u? En ze glimlachte. + +--Och, 't gaat nog al, dank u, langzaam maar zeker vooruit, zegt het +spreekwoord, en zoo hoop ik nu maar dat het met mijn persoontje ook +gaan zal. + +--En, zoo als ik zie, maakt meneer Louis het ook nog heel goed. + +--Ja, mevrouwtje, dat zoû ik u niet durven toegeven, de goeye jongen +heeft het zóo druk, zóo druk, u kunt er u geen idee van maken ... En dat +werkt wel een beetje op zijn gestel. Nu is hij weêr zijn zaak aan 't +uitbreiden door Parijsche relaties. 's Morgens voor dag en voor dauw +opstaan en dan nog in de dikke donkerte soms naar 't kantoor, welk weêr +het ook is ... + +--Maar als men de verwezenlijking van zijn illuziën in 't vooruitzicht +heeft ... + +--Ja, ja, u heeft wel gelijk, het aanstaande huwelijksbootje doet al +heel wat over 't hoofd zien, niet waar, Emilie? vroeg ze aan +jufvrouw Hartse. + +Mevrouw van Borselen was een beetje van de andere dames af in een +fauteuil gaan zitten. Meneer Ster kwam bij haar staan, om een praatje te +maken; hij hield zijn gibus op zijn rug en klepte er meê heen en weêr. + +Intusschen hoorde men weêr het geratel van rijtuigen over de +straatsteenen, dat op eens koud en hard werd als zij de Spiegelstraat +uitdraaiden en dan voor van Wildens deur staakte, terwijl de koetsier +ho! riep, als de wielen nog even langzaam voortgingen, en, zijn neus +ophalend, klak! van de bok sprong om zachtjes het portier te openen. De +andere menschen kwamen aan en de kamer was al gauw gevuld: een makelaar +met zijn vrouw en twee officieren, kennissen van Mathildes vader +zaliger, leden van de club met hun vrouwen, beurskollegaas van Jozef, +waarbij een, die zijn dochters, twee roode meisjes, meêbracht, en zo +verder. Toch waren alle menschen er nog niet. + +Jozef verontschuldigde zich bij de heeren, die een druk brommend gesprek +hadden aangegaan, en ging naar Mathilde bij de dames. + +--Ik begrijp niet, zeî hij, dat Karel Rietwijk en de dames Huf er nog +niet zijn. Als zij het maar begrepen hebben. + +--Misschien heeft uw bediende de andere invitaties vergeten te ... te ... +te doen, zeî meneer Ster, die juist naast mevrouw van Borselen stond, +verlegen, daar zij geen van beiden een woord spraken. + +--Maar, meneer Ster, andwoordde Mathilde, u schijnt geen groote gedachte +van ons dienstpersoneel te hebben. Frits heeft de briefjes rond gebracht +nietwaar Jô? + +--Ja, Frits, ik zal 'm toch 's even gaan vragen ... + +Na eenige minuten kwam Jozef weêr binnen: + +--Frits heeft doodeenvoudig de andere invitaties nog in zijn zak. Op den +laten avond zegt hij, heeft hij er wat van afgedaan, den volgenden +morgen werd hij voor een rijpartij (hij is koetsier en van alles) vroeg +opgescheld den heelen dag met studenten uit geweest, den volgenden dag +een begrafenis ... enfin, hij had de andere briefjes glad vergeten ... Nu +kunnen we, dunkt me, niet beter doen dan de vrinden wel ons exkuus te +maken, voor de te-leurstelling, en ons, zoo als we nu zijn, toch zoo +goed mogelijk te amuseeren ... wat dunkt u? + +Gemompel, lachjes, kwinkslagen, verschuiven van stoelen, opstaan, een +geruisch en geschommel. + +Toen alles weêr een beetje tot rust was gekomen en Dientje ten tweeden +male met de japansche theekopjes was rondgegaan, terwijl ze bloosde en +verbleekte, glimlachte en heel ernstig keek, ging Emilie Hartse in-éens +naar Jozef, die toevallig alleen stond. Zij was groot en rond. + +--Doet u nog aan de muziek, meneer van Wilden? + +--Nee, jufvrouw, dat is er met het huwelijksleven wel een beetje bij +ingeschoten ... Wat zal ik u zeggen ... Maar wat u daar vraagt brengt me +op een uitstekend denkbeeld. Zoû u ons niet eens op een lied willen +onthalen? ... ja, ja, dat moest u doen ... + +--O, meneer! ... + +--Jozef, zullen misschien de heeren daar (ze doelde op de oude heeren) +nu ook een partijtje willen gaan maken in de achterkamer, Whist of +Quadrille? vroeg Mathilde luid. + +--Ja, of zullen we eerst een beetje muziek maken en onze piano inwijden? +Ik proponeerde daar juist aan jufvrouw Emilie ... + +--Heel graâg, heel graâg, wat dunk u, mevrouw, en u, en u ...? + +Dit werd algemeen goedgekeurd, en zóo hevig, dat Louis Berlage +bedremmeld werd over het suukses dat Emilie hebben zoû, en om dit te +verbergen, met de grootste kalmte zijn kopje van den schoorsteenmantel +nam om eens te drinken en de helft van de thee over zijn overhemd, broek +en vest liet vallen. Mathilde en Jozef kwamen naar hem toe om hem te +helpen. Emilie begon hard te lachen en de anderen praatten luider, met +schuine blikken naar Louis. + +Emilie ging gauw naar de piano en juist was zij in een trillenden hoogen +toon een lied van Schubert begonnen te zingen, toen Louis van de keuken +te-rug-kwam, met een groote bruine vlek op zijn overhemd en verslagen +gezicht. Hij zag haar daar hel verlicht bij de piano. Wat is ze toch +lief! dacht hij. Wat is hij toch ordinair! dacht zij. Jozef +akkompaniëerde en zij bekeek tusschenbeide zijn profiel en zij dacht dat +haar stem om dat profiel zoo goed was van-avond, en ze dacht al na, en +o! wat een verschil tusschen die mannen, Jozef en Louis! En toch was +Louis zoo kwaad niet. Een jongensneus en in 't algemeen iets kinderlijks +kenmerkte hem, hoe knap hij ook zijn mocht in zijn vak. Maar dit was 't +juist, waarom zijn moeder hem zoo mocht lijden. Zoo onschuldig en zoo +knap! + +Het lied was uit en de menschen klapten een beetje in hun handen. Emilie +was gaan zitten naast Jozef. Toevallig zat Louis aan haar anderen kant. +Haar gezicht bleef naar Jozef gekeerd, die haar ook wel aardig vond, en +waagde Louis het even tegen haar te spreken, dan andwoordde zij kort en +stuursch, en dat vond hij heel lief van haar. Waarom, dat wist hij niet. + +De menschen waren nu weêr aan 't praten. Hasman en D'Ablaincourt hadden +een kennis aan mevrouw van Borselen voorgesteld, en deze drie vormden nu +een kringetje om haar heen. Eenige anderen hadden zich bij den +schoorsteen geschaard. Twee leunden met hun ellebogen op den mantel en +hadden hun handschoenen uitgetrokken. Een zeer jong een bedeesde +menheer, de jongste bediende van Jozefs kantoor, dien hij poesseeren +wilde maar nu zelfs nog had vergeten te groeten, had zich, bijna zonder +dat iemant het merkte, bij het gezelschap gevoegd. Hij was zonder rok, +maar droeg een gekleedde jas en zwarte das. Hij stond midden in de kamer +met een soort van droefheid vóor zich uit te staren en wreef zijn roode +heete handen op zijn rug zachtjes tegen mekaâr. Mathilde had hem al lang +in het oog en woû hem een beetje uit de verlegenheid helpen. Zij stond +op en ging, midden door de gasten, naar hem toe. Met glansjes van +welwillendheid in haar gezicht sprak ze hem aan. Hij nam een hand van +zijn rug en begon die aan zijn kin te houden, er kwam iets roods in zijn +oogen. Hij had blond haar, voor deze gelegenheid met bizondere zorg naar +de hoogte en achteren gestreken. + +De menschen spraken nu zachter in allerlei afzonderlijke gesprekken; +verscheiden heeren keken naar Mathilde in haar lange satijnen japon, +blinkend midden in de kamer, hel onder het gele licht. Jozef kwam ook +bij zijn vrouw en den bediende staan: + +--Hee, Marinus, ik had je nog niet eens opgemerkt, je bent ook zoo stil, +jongen. + +--Och, meneer! + +Mevrouw Berlage fluisterde tot mevrouw van Borselen achter haar waayer: +Wie toch Mathildes naaister is? + +Juist kwam Frits binnen, een groot blad vol glazen wijn en punch op zijn +handen, waar hij, ernstig en zorgzaam, meé rond ging. Mevrouw van +Borselen nam een glaasje rooden wijn. + +--Zullen we u nu niet eens genieten, mevrouw, vroeg Jozef hoffelijk. + +--Meneer, u weet niet, hoe 't me spijt, maar ik ben te verkouden. + +--Kom, kom, het zal toch wel gaan, probeert u maar eens. + +--Nee, wezenlijk! ... O, ik vind het zelf onaangenamer dan u denken +zoudt. + +--Kom, mevrouw, zeî mevrouw Berlage, doet u 't maar! en er kwamen van +achteren verscheiden heeren en dames die de blonde weduwe van Borselen +met smeekingen om toch iets te zingen overlaadden. + +--Dat mooie lied van Heine door Schubert gekomponeerd, dat u zoo +heerlijk voordraagt! + +--Toe mevrouwtje, laat u niet zoo bidden. + +Mevrouw van Borselen bleef weigeren. Zij kuchtte in haar neteldoekschen +zakdoek, bewoog haar waayer zenuwachtig. + +Een jonge dame, een bleek mager meisje, heel in 't zwart gekleed, zoû nu +iets doen. Deze maakte geen enkel exkuus, maar, na een paar heeren +verzocht te hebben een eindje op-zij te gaan staan, om dat ze dan vrijer +was in haar gebaren, begon ze met een hel stemmetje een burgerlijk deuntje: + +    Wat is de liefde? +    Ik weet 't niet, mijn kind. +    Wat zegt de liefde? +    Zij spreekt niet, zij bemint! + +Zonder de minste hapering bracht zij 't er af. Iedereen vond 'et bepaald +leelijk. Toen het laatste koeplet gedaan was zeî niemant een woord. De +dames, die in Jetjes, zoo heette het meisje, nabijheid zaten, prezen +haar zeer: O, jufvrouw, wat was dat allerliefst! Hasman, die als een +grappenmaker bekend stond, sprak zeer luid, een traan in zijn stem, van +den anderen kant van de kamer, waar hij op een kanapee zat: Jongen, ja, +jufvrouw, 't was heerlijk! U heeft me daar diep geroerd! Hasman was een +eenigszins dikke heer, met een rooden snor. De blonde jongeling snapte +zijn grap en wierp hem in al zijn verlegenheid een woedenden blik toe. +Jetje was de zuster van den blonden jongeling. Terwijl men hier en daar +een slokje wijn of limonade dronk en dan het glaasje weêr voorzichtig op +de tafel, den schoorsteen of op de piano neêrzette, droegen nu twee +officieren een samenspraak voor uit een fransch treurspel. Na hen kwam +Hasman aan het woord, die, met behulp van twee stoelen, vertoonde hoe +het in de Sint Anthonie-breêstraat toeging, wanneer een joodsche familie +uit rijden ging en ze met zen achten in éen vigelant gingen. + +--Die Hasman is onverbeterlijk, zeî Jozef en hij ging naar Hasman toe om +hem als bedankje de hand te drukken, toen 't was afgeloopen. + +Mathilde was weêr bij de dames Berlage en van Borselen gaan zitten. Zij +leunde achterover in haar fauteuil en tuurde rond, zij was nog niet +heelemaal te vrede. Zij was half en half bang, dat niet alle menschen +erg veel pleizier hadden. Ook waren er wel al aardige dingen gezongen en +gedeklameerd, maar er ontbrak blijkbaar nog iets, iets schitterends. Er +werd in de groeyende hitte, scheen 't haar, algemeen gewacht op het +glanspunt van de soiree. Het mooiste scheen zoo nog te moeten komen. +Datgene, waarvan de vermelding naderhand als men er over sprak, tot +herinneringsmiddel aan dezen avond zoû moeten dienen, was er nog niet +geweest. + +Jozef keek al-door naar Mathilde. Hij verveelde zich niet, hij had zich +van den beginne af aan pleizierig bezig gehouden, want hij dacht, naar +haar gezicht te oordeelen, dat Mathilde zich amuseerde. Hij merkte dat +hij dezen avond bizonder veel van zijn vrouw hield. Hij had haar in +langen tijd ook niet zóo mooi gezien, en zoo in 't oogloopend door een +elk, door al zijn vrienden bewonderd. + +Hij staarde haar aan, en daar kreeg hij de gedachte, dat zij volstrekt +ook iets moest doen, dat aan haar nu de beurt was. Hij wilde het zeggen, +maar hij begreep, gelukkig bij tijds, vond hij, dat het gepast was, als +iemant van de andere menschen, en niet hij zelf, zijn vrouw verzocht +iets van haar talent ten beste te geven. En plotseling nam hij het al +die heeren kwalijk, dat zij dat nog niet hadden gedaan. Als ze 't eens +vergaten! Neen, dat niet! Ze zoû, ze moest iets doen. Nu, hij zoû 't dan +toch zelf maar zeggen. Hij vond, dat het er wel door kon. + +--Mathilde, zeî hij, wil jij nu niet eens wat spelen? + +--Wel zeker, heel graâg. + +--O, ja! dat is heerlijk! riep Emilie, van uit het hoekje, waar Louis +haar nu voor zich alleen hield. + +--Zeker iets van Beethoven, mevrouw, vroeg mevrouw van Borselen, de +sonnate Pathétique, b.v.? + +--Dat heb ik zoo lang niet gespeeld, zeî Mathilde, wel in geen twee +jaar. Mijn vader leefde nog ... + +--Och toe, mevrouw, toe, het zal wel gaan ... + +En midden door de welopgevoede stilte, ging Mathilde naar de piano. + +Jozef ging vlak tegenover de piano aan de muur staan, bij de deur, zijn +rug tegen het geschilderde behangsel. Jozef gedroeg zich als moest hij +Mathilde nog het hof maken om haar te kunnen trouwen. Voortdurend keek +hij naar dat lieve zwarte hoofd. Mathilde bladerde een beetje +zenuwachtig door het muziekboek en zij keek waar 't begon, terwijl ze +het papier vlak bij de kaarsevlam hield. Daar had zij 't gevonden en +even keek zij Jozef aan. + +Mathilde hield haar vingers al uitgestrekt over de toetsen. De menschen +zaten in de rondte. Daar begon zij. Het was haar lievelingsstuk. Zij +speelde het graâg en goed. Andante was de eerste maat. Langzaam en +statig galmden de klanken aan. Klaar en helder tikte elke toets zijn +deun, die uit de diepte en van de hoogte samenrolden tot een plechtig +akkoord. Het scheen iets als een loflied, als een kerkgezang, als de +verheerlijking van iets edels en groots, van iets bovennatuurlijks, iets +als een hymne aan de eeuwige kuischheid en eenzaamheid. Mathilde zat +kalm en stil. Haar vingers bewogen regelmatig over de toetsen. De muziek +werd plotseling breeder, vol majesteit. Mathilde zag bleek en speelde +hard. Zij kwam er heelemaal in. In een hoek van de kamer werd nog +stilletjes door een paar heeren gefluisterd, en Jozef stond naar de +punten van zijn schoenen te staren. De andere menschen waren aandachtig +uit beleefdheid. Frits en Dientje waren aan de deur komen staan +luisteren. + +Toen was er in-éens in het muziekstuk, midden onder het zwaar-ernstig +orgelen van de piano, een jeugdige en zoete toon, als een teeder +fluitspel. Joedelend danste het een paar toonen ver en herhaalde zich +dan en neuriede onder de breedere harmoniën door, als een leeuwerik die +bij het einde van den nachtdienst, boven de donkere monnikken-hoofden +naar het kerkgewelf zoû opvliegen. En het zwakke geluid verdubbelde en +vermenigvuldigde zich en werd een geluid van groote teederheid en als in +de verte verdwenen de laatste zware toonen. Toen overkwam Mathilde iets +vreemds in haar hersens. Toen zij nog een kind was verbeeldde zij zich +wel van paleizen en prachtige zalen en trappen, waarin allerlei +wondermooye menschen in vreemd-rijke kleéren gingen. En als zij muziek +speelde en zij was er goed in, zag zij weêr altijd zulke zaken. Nu was +'t iets, dat als heel uit de verte tot haar naderde, gedragen door de +melodiën. Zij voelde iets in zich van te moeten huilen en zij wist niet +waarom. En het kwam nader en nader, stijgend in haar gedachte. Het was +iets, dat uit de diepte van haar herinnering aankwam, zonder toch een +gezicht uit de voorbijzijnde werkelijkheid te wezen. Het kwam in haar +verbeelding in den vorm van een mensch, omsluyerd, omwolkt, onherkenbaar. +Het was een poppetje, dat grooter en grooter werd, eindelijk zoo groot +als een mensch, met prachtige, schitterende kleêren aan. Waar had zij zoo +iets ooit gezien, in de komedie, gelezen in een boek, zij wist het niet. +Het was een ridder, een koning, in oud kostuum, zoo als zij zich als kind +altijd een koning had gedacht. Zij zag eerst zijden kousen en een broek +van blauw fluweel, toen een degen met diamanten van-boven, toen de borst +met gouden knoopen. En de purperen mantel zwaaide nog altijd voor het +gezicht. Haar benevelde oogen keken over de muziek heen en in den goud- +wasem van de kaarsen zag zij Jozefs gezicht alleen en zijn oogen, die haar +liefkoosden. Zij werd bang, vreeselijk bang; het was of haar hersens +braken. Zij speelde werktuigelijk voort, zij kende het stuk van buiten. +Jozef was de koning, dien zij zag; zij had het al zooveel gehoopt. En een +vreemde lach was over zijn gezicht, en over zijn hoofd, daar waren witte +veêren. Zacht en licht zuisten de wijsjes door de kamer. Maar zij werden +luider en feller in het allegro forte, en Mathilde hoorde de muziek als +had zij niet zelf gespeeld. Het was als stroomde jubelend een vloed van +zilveren golfjes uit de hoogte op haar neêr. De melodie was juichend en +sterk als het hoornblazen van groene jagers, zij ging hooger en forscher +als het trompetgeschal van de soldaten. Daar was hij dan, haar koning, +haar geliefde, en al de dagen van geluk had zij dan vroeger nooit gevoeld +en nu voelden zij ze allen samen. En voort, voort, werd het als uit een +diamanten prisma op haar neêrgegoten. Zij wist niet meer, zij voelde +zich niet zitten. + +De menschen zaten zwijgend in de rondte. Zij hadden niet gedacht, dat +het zoo mooi zoû zijn. De gashitte zweefde om hen heen. Zij zagen +MathiIde en dan weêr beurtelings elkaâr aan. De heeren knikten +goedkeurend. Hasman zeî zachtjes, dat Mathilde te opgewonden speelde. +De oude heer Berlage kreeg het te kwaad van de warmte en keek naar de +gaslichten, die aan zijn ooren sisten en in wier blauw middenpunt hij +onophoudelijk nieuwe lichtspatjes zag blikkeren. Louis keek voor zich +uit als een wezenloze. Drie heeren stonden als een zwarte versteende +groep vóor mevrouw Berlage, hun rug naar haar toe gekeerd. + +Er was een koorts in Mathilde gekomen, haar hoofd gloeide, haar oogen +waren heet. Geen herinneringen waren het meer in haar. Zij voelde het +tegenwoordige. Er waren geen vreemde verbeeldingen meer, het geluk was +tegenwoordig. Zij zag voor zich uit: hij stond er nog hij was er meer +dan ooit en zij staroogden naar elkaar. Haar spel werd sneller, luider, +woester, een onbesuisde wind vol liefdewoorden scheen haar om haar heen +te waayen. De maat werd impetuoso. Mathilde drukte de zware pedaal neêr; +de heele pianokast scheen te trillen. Wat was 't toch, wat gebeurde er +toch, hier van-avond, in de nieuwe blauwe kamer? Het was een storm +van-binnen en een vuur dat haar verbrandde. Zij zag Jozef vlak voor haar +staan in een wolk van lichtend blauw. Het was haar als gaf haar geest +hem schroeyende kussen van verre. O, haar liefde, o haar liefde, wat +deed het geluk een zeer! Maar al de menschen die daar waren, hadden haar +gehoord! Had zij niet gezegd, daar zoo-even, hard-op, tegen hen allen, +dat zij zooveel van Jozef hield? Ja, zij had het gezegd; zij had het +zich hooren zeggen! Maar, was zij dan gek geworden! Haar vingers +speelden de melodieën voort, zonder dat zij er bij dacht. Zij hadden de +oude geliefde sonnate niet vergeten De melodiën trilden voort hoog door +den walm der gaslichten, langs de vroolijk beschilderde wanden, en +weefden zich in al het lichte blauwe satijn van de kamer. Plotseling +hoorde Mathilde niets meer; zij zag haar vingers zonder beweging het +stuk was uit. + +Jozef vond dat Mathilde uitstekend had gespeeld en klapte in zijn +handen, met de anderen meê. Mathilde stond op, de pianokruk viel om, en +Jozef niet-eens ziende, wankelde ze hem voorbij en ging heel bleek op +haar oude plaats zitten naast de oude mevrouw Berlage. De dames spraken +erge komplimenten. + + * * * * * + +Van het kaartspelen van de heeren was niets gekomen. De oude heer +Berlage had zich verveeld en drentelde op en neêr, door niemant +aangesproken. De jonge blonde bediende, Marinus de Beer heette hij, +voelde zich heelemaal overbluft, en zat met als opengespalkte oogen naar +de piano te turen, als was daar iets heel bizonders meê gebeurd. + +Nu begon liet gezelschap te kuchen en zachtjes-aan weêr te praten. Het +was nu bepaald heet geworden. Er werd ijs gepresenteerd: wit +vanielje-ijs, als natte sneeuwballen in de ronde kelken gedrukt, rood +framboze-ijs, wat meer koekiger en zoetiger. In de zomerige stilte, +tusschen de kwijnende konversatie door, hoorde men het bescheiden happen +van de monden. Hasman kneep zijn oogen dicht om dat het ijs zoo koud +was. Links en rechts werden kleine zinnen gezegd over het ijs en over +het muziekstuk, als het eerste en schuchtere getjilp van musschen door +de boomen na storm en regen. + + * * * * * + +Mathilde werd zich zelve weêr. Zij keek naar Jozef, die nog bij de muur +stond, en glimlachte, en veegde met haar zakdoek haar mond af. Zij keek +daarna om zich heen naar al die vreemde menschen, die verwonderd naar +haar zagen om dat zij zoo bleek was. + +De avond verstreek, eenige heeren waren in de gang gaan staan om de +warmte en lachten daar, terwijl er een iets vertelde met luidruchtige +gestikulatie. Dientje schoof voorbij en werd opgemerkt. De deur van de +kamer bleef voortdurend open en de luidruchtigheid uit de gang ging +langzamerhand ook naar de kamer over. + +De dames dreven hun waayers, die ritselden en hijgden, voorbij hun +verhitte gezichten. Algemeen kwam de muziek ter sprake. Men misprees +Mathildes overdreven bescheidenheid, die de komplimenten afwees. Men +verhaalde kwinkslagen uit de loopbaan van virtuosen en allerhande +kunstenaars. Zoo kwam men weêr op de deklamatie. Het heele gezelschap +nam aan het gesprek deel. De meesten waren gaan zitten en vormden een +ovalen kring, Jozef was daar stilletjes tusschen gaan zitten. + +--Apropos, Marinus, vroeg hij aan den blonden bediende, heb je niets +meêgebracht? + +--Och, kom, er zal wel iets in uw overjas steken, zeî Mathilde van +d'overkant. Mag ik de knecht niet eens laten kijken? + +Marinus werd zenuwachtig. Hij keek naar Jetje, om te weten, wat zij er +van dacht. Deze, die nog verrukt was over de uitnemende ontvangst van +haar bijdrage, knikte goedkeurend en aanmoedigend. + +--Dan zal ik het zelf wel eventjes halen, meneer, zeî hij. + +Hij bleef even wech. Zoo'n goede jongen, mompelde men, maar hij is een +beetje bedeesd. Men maakte, dat Jetje het niet hoorde. + +Marinus trad binnen en, dadelijk, maakte een buiging na aan 't einde van +den kring te zijn gaan staan, en las iets voor. Hij hield een folio +regelmatig beschreven stuk papier in zijn hand, en veegde het zweet van +zijn voorhoofd. Het was een vers van hem zelf, dat hij voorlas. Het +onderwerp was de huwelijksmin van zijn patroon en dat het pad met rozen +bestrooid, hetwelk hij thans met mevrouw bewandelde, nimmer in een dorre +woestenij mocht veranderen, maar steeds bloeyender en geuriger mocht +worden tot aan het einde huns levens. + +De heeren leden van de club, met hun gepommadeerde snorren, kwamen +luisteren van uit de gang, en posteerden zich in zwierig-achteloze +houding bij elkaar aan de deur. Zij glimlachten tegen mekaâr over de +onbedreven onnoozelheid van den dichter. + +Zoo eindigde Mathildes partijtje. Een kwartiertje na Marinus' voordracht +kwamen de rijtuigen voor, en nog een kwartiertje later gingen de menschen, +eentonig-vriendelijk afscheid-nemend, wech. + +Frits en Dientje kregen samen 17.75 aan fooyen. Marinus en zijn zuster +hadden samen vijftien stuivers gegeven. + + + + +IX. + + +Vier dagen na het soireetje, zat Jozef om half negen 's ochtends in hun +ruime binnenkamer aan de ontbijttafel het Handelsblad te lezen. Het was +er hoog van verdieping en een reine, onbenauwde warmte werd door de +donker-porceleinen kachel verspreid. Jozef had uitstekend geslapen, was +heerlijk zacht geschoren, had een lauw bad genomen, zijn mond gespoeld +met Eau Botot, en was, in zijn gestreepte sjamberloek, op zijn dofblauwe +stijf-leeren, van korte hakken voorziene huis-schoenen naar beneden +gegaan, waar hij op Mathilde wachtte. Hij had zijn snor voor den spiegel +nog even zwierig opgedraaid en was nu aandachtig de koerant aan 't +lezen, zijn éene hand op het krakend-witte dekkertje, de andere voor +zich uit over de leuning van zijn stoel, waar hij een beetje schuin op +zat. Nu en dan dwaalde zijn blik ter zijde van de politieke artikelen of +van de telegrammen af, om met te-vredenheid de toppen van zijn duim en +wijsvinger te bekijken, met hun gladde licht-roode puntig-blank +versneden nagels. Hij was opgeruimd. Hij voelde zich doordrongen van een +aangename levenswarmte. Versche broodjes, kaas, melk stonden dicht-bij +hem klaar. De thee was gezet, een bleek-blauw doorzichtig dun kolommetje +stoom rees naar boven uit de tuit van de theepot en werd een +mistslangetje of wolkte wech in de kamer, als Jozef zijn koerant bewoog +of diep ademhaalde. In een hoek neuriede het theewater. Alles om hem +heen was nieuw, frisch, jeugdig en vol komfort: de gelakte kolen-en +turfbakken, de donker-bruine dubbele deur, waardoor men in de voorkamer +kwam, met haar gevlamde paneelen, de schrijftafel van Jozef, in den hoek +bij 't venster, een kadoo op zijn verjaardag van Mathilde, de glazen +boekenkast, die er naast stond, de zwarte pendule op den schoorsteen, +met een bronzen ruitertje er op. Jozef keek naar de kachel, leî de krant +even op de tafel over het brood en het theeservies heen, stond op; de +kwasten van zijn sjamberloek bengelden langs zijn beenen, en hij stookte +het vuur aan. Vier nog heelemaal heele koolen, van achteren zwarterig, +vormden het vuur in de kom van de kachel en wat korsterige stukjes +verbrokkelde kool lagen er om heen. Er knapperden vonken naar boven, in +den rossen gloed hoorde hij een blakerend getik. Jozef bleef, even, +aangenaam in het vuur kijken. Daarna stootte hij met den pook de +knersende koolen tot gruis en gooide een vollen schep vettige inktige +steenkolen er op neêr, die knetterend een dichten zwarten rook door de +kachel verspreidden. Daarna ging Jozef weêr zitten. Hij had er een gloed +van op zijn gezicht gekregen, die stil wechkoelde. Achter hem schenen +koude winterzonnestralen over de muren van de binnenplaats. Beneden, +door een venster dat daar uitkwam, zag hij Dientje bezig in de keuken +met het glimmend kopergoed. Er kwam geen enkel geluid van buiten. Er +reed op dit uur geen enkel rijtuig over dit gedeelte van de +Heerengracht. + +Daar bewoog de kruk van de deur, die zich met een licht gekraak opende. +Mathilde kwam binnen in haar licht-grijze huisjapon, met de breede +zwart-fluweelen hals-en handboorden. + +--Hè, hier is 't heerlijk, zeî ze en wreef haar handen tegen mekaâr, +waaraan toen de ringen schitterden, die zij van Jozef had gekregen. + +--Ja, vin-je niet? andwoordde hij, Mathilde zoende Jozefs voorhoofd, +terwijl hij zijn hand naar boven stak om de hare te vatten. Mathilde +bleef even staan achter het theeblad, om te zien of alles voor het +ontbijt in orde was. Zij schikte de kopjes op de schoteltjes en begon +er, het hoofd naar voren gebogen, suiker in te scheppen. Maar er waren +onrustige trekjes om haar mond en haar oogleden knipten ongewoon. Zij +had iets te zeggen, maar het kon er nog niet goed uit. Zij schonk voor +Jozef een van de witte kopjes met hun smal vergulden randjes vol thee, +daarna een wolkje melk er door heen, en gaf het hem aan. Maar, toen hij +het aannam en voor zijn bord neêrzette, deed zij schielijk een stap naar +hem toe. Zij ging naast hem staan en leî haar handen op zijn schouders. +Zij boog tot aan zijn oor en fluisterde: + +--Ik moet je nog altijd iets zeggen. + +--Zoo, wat dan, vroeg hij vriendelijk en belangstellend, en stuurde +aandachtig zijn oogen schuin langs haar heen naar den wand, om goed op +te letten. + +Haar haren, die nog niet heelemaal opgemaakt waren, maar slapjes over +haar voorhoofd hingen, raakten zijn wang. + +--Ja, maar ik durf niet goed ... zal je niet boos worden? + +--Wel nee, lieve kind, zeg 't maar gerust, heel hard-op! + +--Nou, zeî ze met een verlegen lachje, als om zich zelve te +verontschuldigen, en zij aarzelde nog, ... eindelijk, nog zachter: ik +geloof, dat we niet meer alleen met ons tweeën zullen blijven in 't +leven ... Zij keek hem aan, haar oogen dicht bij de zijnen, om te zien +of hij 't begreep, daarna sloeg zij ze neêr, dicht over haar hand die +op zijn schouder lag, als wilde zij haar vel nauwkeurig bekijken. + +--Wat bedoel-je? vroeg hij, maar, zich plotseling herinnerende: zoû 't +wezenlijk waar zijn? + +Hij stond op om haar eens goed te bekijken. Zij klapte in haar handen, +zich verlicht voelende, dat die tijding er uit was. Zij lachte. + +--Je weet wel, een jaar geleden hebben we d'r al over gesproken! +Heerlijk! Heerlijk! + +Zij danste haast van blijdschap. + +--O, heerlijk! zeî ze nog eens. + +Zij zag hem sterk aan, met van vreugde vochtige oogen: + +--We krijgen een kindje, wat zullen we gelukkig zijn, hè? + +Hij beaamde goedig wat zij zeide en zoende haar wangen met roode en +witte verdwijnende vlekjes. + +Dat was een pleizierige dag voor Mathilde! Zij bleef van den ochtend tot +het eten in de achterkamer lezen over opvoeding. Nu was 't dubbel +jammer, dat vader niet meer leefde! En wat haar zelf aanging, zij wist +het eigenlijk al lang, ten minste het vermoeden was zoo goed als weten +geweest, maar nu voelde zij zich pas heel gelukkig, nu Jozef het ook wist. + + * * * * * + +Intusschen scheen het gedurende den tijd van haar zwangerschap, dat haar +liefde voor Jozef groeide, groeide, groeide, samen met het kind onder +haar hart. Had zij Jozef niet lief, meer dan alles wat zij hoorde en zag +en ondervond, meer dan haar leven-zelf? Maar zij voelde zoo iets, als +was zij nu pas bezig het groote bewijs van haar liefde te geven, als zoû +dat wezentje, dat, zonder haar wil, zonder haar toestemming maar toch +door haar werd gemaakt, de levende getuigenis er van zijn, dat zij zich +voor altijd aan hem had wech gegeven. Ook beijverde zij zich om hem uren +achtereen sterk aan te zien en altijd zijn uiterlijk voor haar +verbeelding te hebben, als hij er niet was over-dag of 's nachts als het +donker was. Want zij wilde, dat het kind, het mocht dan een jongen of +een meisje worden, zoo veel mogelijk op hem lijken zoû. Als zij mekaâr +aan 't liefkozen waren, schoof Mathilde zich wel zachtjes op Jozefs +schoot, drukte haar voorhoofd tegen het zijne en liet zijn blikken +langen tijd in haar oogen rusten. Zij dacht, dat zij, zoo, veel van +zijn leven in zich op zoû nemen. Jozef trachtte hun leven in deze +omstandigheden zoo in te richten, dat Mathilde nooit het minste +verdriet, of zorg of inspanning, had. Toen zij in de vierde maand van +haar zwangerschap was, en de vijfde, en de zesde, zonderden zij zich met +hun tweeën heelemaal af. Jozefs bekommering werd overdreven; het begon +met dat hij volstrekt niet wilde, dat zij menschen bij hun vroegen; +later veroorloofde hij haar nog alleen kleine wandelingetjes te doen, +eindelijk verlangde hij, dat zij absolute rust nam. Tusschenbeide 's +avonds maakten zij nog een klein loopje samen, maar eindelijk dat ook +niet eens meer. Hij dreef het tot in het kinderachtige door. Als er iets +te krijgen was buiten de kamer waar zij zaten, dan deed hij het. Woû zij +iets hebben waar zij niet bij kon met haar handen, dan stond hij op, om +'t haar aan te geven. Om een haverklap werd de meid gescheld, en de +stal-houder had gedurende wel een negen weken een bizonder goeden klant +aan de Van Wildens. + +De aanstaande geboorte van zijn kind maakte Jozef niet blij. Hij gaf +daar weinig om, 't deed hem alleen een beetje pleizier, om dat hij zag, +hoe gelukkig het Mathilde maakte. Ondertusschen, al bekende hij 't zich +zelf nauwelijks, vond hij heel naar, dat er zoo'n verandering in zijn +huishouden zoû komen. Hij keurde het af, hij vond het vreemd, maar 't +wás waar, dat hij, voor hij wist niet hoeveel niet, gedurende dezen tijd +een van zijn vrienden in het gezelschap van Mathilde zoû gebracht +hebben. Als hij met haar samen was, in een van die oogenblikken, dat zij +in zijn arm stond met haar hoofd achterover, haar mond half open en hij +haar kuste eenmaal, tweemaal, tienmaal, vijftigmaal, en zij, half +bedwelmd, zich dan tegen hem aan liet vallen, dan schrikte hij, dan was +'t of plotseling zijn liefde hem ontzonk, of hij maar gezoend had om te +spelen. En dan kon hij haar nog alleen maar met een gemaakte zachtheid +van zich wechduwen en zelf de kamer uitgaan om ergens in een andere +kamer, boos, te gaan zitten en zich af te vragen, wat hem toch scheelde, +dat Mathilde toch lief en mooi was altijd, dat hij haar juist dankbaar +moest zijn, heel dankbaar, voor zoo veel goedheid, zoo veel toewijding, +zoo veel liefde, en voor de pijn, die zij waarschijnlijk nog te lijden +zoû hebben. Soms wist hij zich te overwinnen, dan gaf hij zich moeite om +al de liefde, die hij voor haar voelde, zijn denken te doen vullen en +dat andere gevoel te doen verdringen. Dan zag hij alleen haar oogen, +haar mond, hield van haar als altijd. Ook merkte zij niets van die +weêrzinbewegingen in zijn gemoed. Voor haar bleef hij dezelfde, dag in +dag uit, Vol voorkomendheid, vol zorg, vol teederheid. + +Mathilde hield in zich zelf eindelooze beschouwingen over de +waarschijnlijkheid van dat haar kind, naar liet uiterlijk of het +innerlijk, zus of zóo zoû wezen. Ook sprak zij er met Jozef over. Dan +waren dat gesprekken, die een, twee uren achter elkaâr duurden, vervuld +van illuzies, van lachende droomen, van rozige gedachten, van +hemelsblauwe veronderstellingen en schitterende voorspellingen. Zij +wilde bepaald een jongen hebben, een zoon, die heelemaal een kleine +Jozef zoû wezen, die haar van twee Jozeffen omgeven zoû doen zijn; de +eene groot, forsch, breed, in den bloei en de kracht van zijn leven, de +andere klein, teêr, tenger, met den bloesem van de jeugd op zijn +gezichtje, en die beiden toch maar éen Jozef zouden zijn, daar de éene +den anderen had gemaakt alleen in liefde voor haar. Hij zeide meer naar +een meisje te verlangen, nu al pleizier te hebben hij het idee van éens +te zullen kunnen zeggen: "mijn dochter doet dit, mijn dochter doet dat, +mag ik u mijn dochter voorstellen?" Maar hij verlangde lang zoo vurig +niet naar dat kind als zij; ook was zij, bij zulke gesprekken, bijna +voortdurend alleen aan 't woord, haar mond stond niet stil, en Jozef +werd eindelijk alleen verzocht telkens toe te stemmen, als zij hem iets +vroeg: niet waar?, hè?, vin-je ook niet? Hij knikte maar glimlachend ja +en gaf haar het grootste gelijk van de wereld. Hij vond het niet +vervelend haar zoo aan te hooren en verder niets te doen, maar om het +onderwerp van haar gesprek gaf hij minder dan om haar zelve. Hij nam met +genoegen waar, hoe vol zij was van hèt leven, hoe gezond en zacht +gelkeurd haar wangen er uitzagen, hoe zeer hij en zijn kindje, dat zoû +geboren worden, de eenige dingen waren, waarmeê haar lieve hoofd zich +bezighield, en hij dacht telkens: jongen, wat heb ik het toch goed +getroffen ik heb een allerliefste vrouw! Ondertusschen praatte zij +voort: de jongen zoû dus groote blauwe oogen hebben en bruin haar, +misschien een krullebol. Hij zoû stellig den mooyen neus en ooren +krijgen van zijn vader, maar vooreerst zoû daar nog wel weinig van te +bespeuren zijn. Hier kwam nu het gesprek op den toestand van een +pasgeboren kind. Mathilde had zoo iets nog nooit gezien; nu beduidde +Jozef haar, dat zij zich daarvan geen illuzies moest maken. Hij vertelde +haar hoe zoo'n wezentje was, met zijn rood rimpelig vel, zijn vreemde +oogjes, meestal gesloten, zijn hoofd zonder haar, zijn mondje zonder +tanden, bibberend en schreeuwend in de wereld komende. Maar zij wilde +hier eerst liever niet van hooren. Maar later verzekerde ze, dat, hoe +het kindje er ook uit mocht zien, zij er toch dadelijk vreeselijk veel +van zoû houden. Eéns voelde zij den schrik voor het viezige, het +wezenloze, het dierlijke van zoo'n pasgeboren kindje, maar zij was al +gauw weêr vol vertrouwen; als zij Jozef onophoudelijk en met zóo-veel +liefde aankeek en zijn uiterlijk voortdurend op nieuw in zich opnam, dan +zoû, dan moest het kindje mooi wezen van het eerste uur van zijn geboorte +af. Wat een heerlijke jaren zouden er nu voor haar komen! Door het leven +te gaan tusschen haar man en haar kind! Aan den eenen kant een knappe, +lieve man, die haar in alles steunde en beschermde, en raad gaf, aan den +anderen een blond jongetje, dat om haar heen dartelde en haar zijn lieve +moeder noemde. Wat zoû het goed staan tegenover de menschen, zoo'n familie +te zijn Eerst zoû het kindje, natuurlijk in de lange witte kleêren worden +gekleed. Zij was al bezig daarvoor te zorgen. Heele middagen zat zij er +aan te werken, en telkens klonk de vermanende stem van Jozef er door heen, +dat zij het zich niet te druk mocht maken. Terwijl zij, een zilveren +vingerhoedje om den middel-vinger van haar rechter hand, de slanke +glimmende naald tusschen haar wijsvinger en duim gedrukt hield, naaide +zij met regelmatige steken, op en neêr met haar hand, op en neêr. Wanneer +zij het linnen en batist, de wol en de kanten op die wijze hanteerde en +fatsoeneerde, stelde zij zich voor hoe, in een niet ver verschiet, die +dingen om de poezele blanke leedjes van haar kindje heen zouden gewikkeld +zijn, en zat zij met een heelen stapel wit goed op haar schoot, dat, door +elkaâr, in een berg van plooyen, tot aan haar kin kwam, dan verbeeldde zij +zich, daar al een rond ventje onder te hebben liggen, een huidje te voelen, +met een jonge, reine warmte. Jozef was er eerst tegen geweest, dat zij- +zelf al die kleêrtjes maken zoû, maar als hij haar nu, na dat zij het toch +doorgedreven had, aan den gang zag, en haar lieve gezicht boven al die +zuivere witheid uit zag komen, vond hij 't toch wel aardig. + +Later zoû het jongetje, want, neen, nu zonder gek-heid, het moest een +zoon wezen, zij was er zeker van, later dan zoû hij vooral het liefste +zijn--en over dezen tijd sprak zij het graâgst met Jozef--als hij zoû +kunnen spreken en zij, de ouders, zijn verstand langzamerhand voor den +dag zouden zien komen. Dan zoû Jozef hem, och heer, met allerlei +nietsjes, maar die een heele wereld in zich sluiten voor kinderooren, +inwijden in het begrip van de dingen van het dagelijksch leven, van zijn +omgeving. Zij zag hem al van hier aan Jozefs knieën staan, met groote +oogen aandachtig luisterend. Zij zoû hoofdzakelijk zorgen voor dat hij +braaf werd en gezond. Vóor alles zoû zij hem de liefde leeren voor zijn +vader. Zij zoû hem zeggen, hoe goed en lief Jozef is, hoe haar, zijn +moeder, niemant dierbaarder was, hoe hij alles aan zijn vader te danken +had, wat pleizierig voor hem was. Zij zoû vooral van haar zoon een +tweeden mensch vol liefde voor Jozef maken. + +De vraagstukken van opvoeding kwamen op in Jozef en Mathildes +gesprekken. Mathilde was bepaald en onveranderlijk voor een strenge +opvoeding. Zij was daar tegenwoordig 's avonds druk over aan 't lezen. +Op haar verlangen kocht Jozef, die daarmeê lachte, een paar nieuwe +boekwerken over opvoeding. Jozef was voor de zachte, toegeeflijke +methode. Hij vond, dat pakken slaag te geven en in een hoek te zetten +een kind niet beter maakte. Maar hij woû zich wel onderwerpen, zeî hij, +hij liet háar de beslissing over. "Zachte chirurgijns maken stinkende +wonden", zeî Mathilde iederen keer, waarop Jozef dan altijd begon met te +andwoorden, dat een gewonde en een chirurgijn in een heel andere +verhouding tot mekaâr staan als een ouder tot zijn kindje, dat alleen +het zooveel mogelijk vrijheid laten en het door redeneering fouten onder +het oog brengen een kind tot een waren man maakte, maar daartegen had +zij bizonder veel dingen te zeggen: dat een kind voor geen redeneering +vatbaar was, dat men zijn kind niet liefhad, zoo men het niet strafte, +dat alleen hij, die eens zelf door kastijding had leeren gehoorzamen, +later in staat was goed op te voeden, dat men anders onmogelijk een kind +braaf kon maken, onmogelijk, dat men, strafte men niet, de liefde en +eerbied voor de ouders zelf uit het gemoed van liet kind bande, dat men +op die manier zijn gezach verloor, en nog duizend redenen meer, zoo dat +hij ten laatste haar maar een zoen gaf, om er een einde aan te maken. +Maar zij hield niet op vóor hij zeî: je hebt gelijk. En dan was zij +eigenlijk nog niet te vrede, dan moest hij haar beloven, bepaald +plechtig beloven, dat hij streng zoû wezen. Hij begon te lachen, maar +zij bleef hoogst ernstig; ten slotte beloofde hij alles. + +Van God de Heer was weinig sprake als Mathilde dacht en sprak over haar +kind. Het was zonderling, maar alleen bij de gedachte aan haar vader +kwam er een God, haar God, te pas. Met haar laatste groote droefheid, +verflauwde ook haar godsdienstzin. Wanneer zij gelukkig was scheen zij +geen andere behoefte te hebben, dan die door het haar omgevende aardsche +werden vervuld. + +De laatste maand voor haar bevalling was Mathilde in een hijgende, +zenuwachtige afwachting. Haar kind, haar eerste kind zoû geboren worden. +O, wat ging die tijd langzaam! + +Jozef vond, dat het nu waarachtig langzamerhand lang genoeg begon te +duren. Hij woû maar, dat Mathilde gauw weêr elegant en slank zoû zijn, +dat hij zich weêr in 't publiek met haar zoû kunnen vertoonen, in de +komedie en op koncerten, en dat iedereen dan weêr zoû zeggen: wie is +toch die man, die heer daar, met die prachtige vrouw aan zijn arm. Hij +vond, stil voor zich, den toestand toch eigenlijk zoo lammelendig. +Intusschen hield hij haar trouw gezelschap tot het einde toe. Hij was +altijd op kantoor en thuis. Hij kocht een wieg voor haar. 's Avonds las +hij haar voor; zij gingen vroeg naar bed. + + + + +X. + + +'t Was in 't midden van een nacht, dat de bevalling gebeurde. De dokter +had Jozef, die zenuwachtig was, uit de slaapkamer laten gaan. Hij zoû +den vader wel komen waarschuwen, als het zoo ver was, had hij gezegd. +Jozef was, in zijn sjamberloek, beneden naar de zaal gegaan. Waarom +juist daar-na toe, dat wist hij zelf niet. Hij had een gaspit opgestoken +en drentelde in het zwakke licht heen en weêr over het dikke tapijt. Nu +eigenlijk scheen hij pas goed over hetgeen er boven ging gebeuren na te +denken. Hij vroeg zich af, wat er het gevolg van zoû wezen. Zijn blikken +gingen langs de lambrizeeringen, langs de zoldering en den vloer, over +de schilderijen, alsof dat nieuwigheden waren. Eigenlijk keek hij naar +niets, maar luisterde naar de geruchten die van boven kwamen. Die lieve, +goede Mathilde, wat stond zij misschien nu een pijn uit. Maar hij kon +haar niet helpen, men moest afwachten de dingen, die komen zouden. 't +Was een elllendig iets, dat kinderen krijgen! Hoe jammer, dat het niet +gemakkelijker kon en zonder zooveel schade! Hij hoopte nu maar in +Godsnaam, dat Mathildes lichaam er niet te veel onder lijden zoû. De +tijd ruîschte in de nacht-stilte om hem heen voorbij. Daar dacht hij aan +de namen, die hij met Mathilde afgesproken had, dat het kind zoû +krijgen. Was het een meisje, dan zoû zij Agnes heeten, naar zijn moeder, +die nu al vijftien jaar dood was. Werd er een jongen geboren, dan zoû 't +Bernard zijn, met nog een paar onverschillige namen er achter, naar háar +vader. Maar weêr schudde hij voor zelf neen! Hij had er zich niet meê +kunnen vereenigen. Bernard was veel te burgerlijk. Hij wilde zijn zoon +een voornamer, een buitengewonen naam geven. Iets van Felix of zoo. +Felix, dat was mooi, dat klonk. Kreeg de jongen later zijn eigen +visite-kaartjes, dan zoû daarop gegraveerd staan: Felix van Wilden, of +in 't fransch, nog beter: Mr. Félix, met den klemtoon op ix, Mr. Félix +van Wilden! Jozef zag zijn zoon al voor zich, in een elegant jasje, een +jonge man van twintig jaar, naast hem, ook nog jong, ook in een elegant +pak, misschien met enkele grijze haren, samen op straat, samen op +reis ... En hij vergat Mathilde voor een oogenblik. + +De dokter stapte door den gang, maakte de deur van de zaal open; op zijn +eenen voet vooroverbuigend, zijn hoofd door de opening, riep hij luid +naar binnen, opgewonden: Vadertje, geluk met je zoon, hoor! Hij sloot de +deur en ging gauw naar boven terug; Jozef hem na. + +De slaapkamer was langwerpig, met twee ramen naar de binnenplaats, +tegenover de deur. Het was er donker-groen: de venster-en bedgordijnen, +het tafelkleed en de stoelbekleeding waren donker-groen, ook de +ondergrond van het tapijt. Er stonden twee groote en twee kleinere +antieke kasten tegen de wanden. Een olielamp brandde nu op de tafel in +'t midden; voor het bed grilde de schaduw van den ovalen kapspiegel op +de tafel. Twee kaarsen tongevlamden op de latafel tegenover het +ledikant, voor het apotheek-kastje. Toen Jozef binnenkwam, was de baker +voor de tafel geknield. Zij hield het kind er boven in haar linkerhand +en wond hem met haar andere in witte en gele doekjes. Met haar zeer +klein hoofd, als geklonken in haar stijve kornet, leunde zij met haar +eene hand op de tafel, boven het kind gebogen, wiens hoofdje nu nog +alleen zichtbaar bleef. De baker stak haar vinger in den mond van het +kind, en, zeer op de hoogte met haar kleine grijze oogen, zeide zij, dat +er al een tand in het mondje zat en het kind dus met een tand was +geboren. Dit scheen den dokter, die, tegenover de vrouwen aan de tafel, +aan 't uitzoeken van het linnen-goed was, dat Mathilde nu eenigen tijd +moest dragen, niet te verwonderen. + +Na het kind even bekeken en bevoeld en zijn wangentjes gezoend te hebben, +ging Jozef zachtjes naar het bed, en draaide zich in de dichtgeschoven +gordijnen. Mathilde lag in de groene duisternis, stijf in de schoone +witte lakens. Zij hijgde zachtjes, haar haren, als een kronkelende zwarte +plas, veel en verward over het kussen. Zij zag erg wit. + +--Mathilde, ik dank je wel, fluisterde hij en hij kuste haar. + +Maar haar lippen beefden en waren koud, en hij dacht in-éens, hij wist +niet waarom, dat ze er wel eens van dood zoû kunnen gaan. Hij leî zijn +hand in haar haar op het kussen en vroeg: + +--Hoe voel-je je? + +--Uitgeput, erg uitgeput ... + +Zij bleef roerloos liggen en zeî daarna, hartelijk, angstig, langzaam, +de zeurige woorden, die pas bevallen vrouwen spreken: + +--Jos, ik weet niet hoe 't af zal loopen, maar mocht ik dood gaan, zorg +dan goed voor ons kind! Als ik kon, dan zoû ik het je knielend vragen. +Maar beloof 't me, Jozef, maak, dat hij godsdienst heeft ... Be-loof +'t me ... + +--Hoe kan je nu zoo spreken?, vroeg hij, ons leven begint nu pas goed en +je denkt om te sterven! + +--Ik voel dat ik heel goed van-nacht kan sterven, andwoordde zij. + +Toen werd ook hij vreeselijk zenuwachtig, beiden in de kinderlijke +aandoening van den hevigen toestand: nee, nee, dat kan niet! zeî hij +hard, en hij zoende fel haar gezicht, haar aan haar schouders vattende. +De dokter en de baker kwamen er bij. De dokter had het gordijn +wechgeschoven, hij trok Jozef bij zijn arm bedaard van het bed te-rug. +Maar Jozef rukte zich los en riep, huilend: + +--Maar, ze sterft! waarom heeft u me dat niet gezeid? O, God, o, God, +wat moet ik doen? Ze is koud, dokter, zoo koud als ijs, zeg ik u, en +kijkt u d'r oogen eens! + +--Maar, 't is niets, hoegenaamd niets, zeî de dokter, dat hebben +bevallen vrouwen altijd! + +--O, ja, zeî de baker, dat wil de natuur zoo. + +Zij stond op en hield het kind voor zich uit. + +--Hier, moedertje, kijk maar eens naar je jongen. + +Zij tilde het kind in bed, voor Mathildes gezicht. Maar Mathilde scheen +er niets van te merken. + +--Is het wezenlijk zoo? vroeg Jozef, zal ze beter worden? U moet me niet +foppen, meneer! + +--Absolute rust en kalmte om haar heen is noodzakelijk, zeî de dokter, +dan zal zij gauw weêr heelemaal in orde zijn. + +Jozef ging naar de baker, nam het kind op zijn handen en bekeek het +nauwkeurig. Mijn gezicht! zeî hij zachtjes, ofschoon daar nog volstrekt +niets van te zien was. Hij zoende het kind, en gaf het aan de baker +te-rug. Daarna ging hij naar de logeerkamer, waar hij nu de eerste +nachten zoû slapen. Hij was erg moei, maar hij kon toch niet in slaap +komen. Na een uur van onrust, toen zijn zenuwen een beetje tot bedaren +kwamen, ging hij nog toch eens op zijn kousen kijken, of Mathilde sliep. + +De lamp en een van de kaarsen waren uit in de kraamkamer en de andere +kaars stond op tafel, vanwaar zij een vaal licht door de kamer +verspreidde. Naast het ledikant stond het wiegje, waarin het kind sliep. +De vroedvrouw, die eigenlijk bij de verlossing niet geholpen had, en die +Jozef, ongewend aan bevallingsmaatregelen, er maar voor alle sekuriteit +bij genomen had, en ook om dat zij zoo goed waken kon met-een, zat in +een hoekje met strak open oogen, roer-loos-wakker. Jozef kwam aan het +bed, en, stil de gordijnen een beetje wechschuivende, boog hij zich over +de wieg heen en bespiedde Mathildes gezicht. Zij lag nog altijd +onbewegelijk in dezelfde houding, met dichte oogen; zij sliep. Hij +luisterde óplettend ... Haar ademhaling ging zachtjes en regelmatig. Noch +even bleef hij staan en bezag haar, teeder. + +Toen hij weêr in bed lag, gaf hij zich pas rekenschap van zijn +aandoeningen. Hij had Mathilde dan toch wèl lief. Hij bracht een nacht +vol angsten door. Neen, maar wat ging er nu gebeuren! Daar had hij +allerminst op gerekend, een zieke vrouw in huis! Hij sliep eindelijk +vermoeid in, om weêr met hoofdpijn wakker te worden, laat in den +volgenden morgen. + + * * * * * + +Gedurende den kraamtijd en nog weken daarna verveelde Jozef zich +gruwelijk in zijn huis. Mathilde was eenvoudig ziek en herstelde maar +niet. Dokter Hansen had om een konsult met professoren gevraagd, dat +gebeurd was. De uitslag was: Mathilde had een hart-ziekte opgedaan, +misschien voor altijd. Zij moest die al onder haar leden hebben gehad +en misschien van een van haar ouders of grootouders hebben overgeërfd. +Daarbij hadden hevige koortsen haar vreeselijk verzwakt. Zij had +kongesties naar haar hoofd, en duizelingen. Tweemaal daags werden er +ijskompressen boven op haar schedel gedrukt, om de gloeyingen te +bekoelen. Zij was zóo uitgeput, dat zij alleen heel zachtjes praten kon +en dadelijk weêr moest zwijgen na dat men begrepen had, wat zij +verlangde. In de ziekenkamer was een volte en een drukte. In de eerste +week had Mathilde volstrekt geweigerd het wiegje uit haar kamer te laten +wechnemen. Zij wilde haar kind onophoudelijk bij zich hebben. Het moest +liggen onder het bereik van haar blikken. Het kind schreeuwde nu +dikwijls lang achter mekaâr, als het niet sliep. Dan kwam Marie, het +boeren-meisje, dat als min aangenomen was, hief het kind op in haar +armen, drukte het aan haar borsten, suste en zoogde het. En telkens zeî +Mathilde, in de halsstarrigheid van haar koortsige gedachten, dat men +haar Felix, zoo was het kind toch genoemd, zoû geven, dat hij dan wel +dadelijk stil zoû zijn. Maar in de duisternis van het ledikant huilde +het kind zóo erg, dat Mathilde het aan haar ooren niet uit kon houden en +het dadelijk aan Marie te-ruggaf. Tweemaal per dag kwam de dokter, die +altijd heel veel leven maakte, allerlei raad gaf en stadsnieuwtjes +zonder einde te vertellen had. Jozef ging 's ochtends voor een paar uur +naar 't kantoor, maar was overigens zijn meeste uren in de ziekenkamer, +tusschen de wieg en het ledikant zittend, angstige blikken over Mathilde +gooyend, ongeduldig en mis-moedig, haar zóo dikwijls vragende of zij nog +geen beterschap voelde, dat het scheen, als wilde hij dáar-door de +ziekte doen wijken. Hij had zelf Mathilde met de medicijnen willen +helpen, inschenkend en aangevend. Elk half uur hoorde men hem het +fleschje en den lepel bewegen. Hoeveel druppels ook weêr, mompelde hij, +en noemde dan het aantal. Na dat zij den medicijn had ingenomen, staarde +hij Mathilde aan soms, over het bed gebogen, als moest er een +onmiddellijk uitwerking zichtbaar worden. + +Maar al gauw werd het Jozef te bar uren achtereen in de duffe atmosfeer +van de ziekenkamer onbewegelijk, stilzwijgend, hoorend allerlei vieze +geluiden, met die doffe drukte om hem heen, te wezen. En hij ging +wandelingetjes doen buiten, over de grachten, in de frissche lucht. Eens +kwam hij Hasman tegen, die hem toch al een visite had gemaakt. Hasman +wist hem meê te krijgen naar de club. Maar Jozef was de oude niet meer. +Hij kon niet meer zoo lachen, niet meer van die geestigheden zeggen, zoo +als vroeger. Eindelijk hield hij zich heelemaal stil aan het tafeltje, +waarom zij zaten, en wilde heen. Hij moest naar zijn vrouw, hij moest +naar de ziekenkamer. Wie weet wat er gebeurd kon, zijn, juist nu hij +wech was. Jozef had geen rust, als hij niet bij 't ledikant zat, en, +daar eenmaal zijnde, verveelde hij zich onbegrijpelijk erg. In een +middag, dat hij weêr zijn gapen moest onderdrukken, slenterde hij de +trap af naar beneden en ging zitten lezen. De glazen kast stond daar, +vol boeken, en zijn glansende schrijftafel, nog bijna ongebruikt. Eens +hield hij het zoo een vol uur uit. Toen kwam Marie: + +--Meneer, mevrouw heeft zoo'n pijn. Zij laat vragen, of u even boven wil +komen. + +In een zucht sloeg hij het boek dicht. + +--Och ... Jozef ... Jozef ... kom hier ... zeî Mathilde. + +--Maar wat is 'et dan? vroeg hij. + +--Zoo'n pijn, zoo'n pijn! hier ... + +--Waar? in je rug? + +--Nee hier,.... overal ... onder mijn borst ... en dan zoo'n akelig gevoel +in mijn hoofd ... Net of er allemaal geronnen bloed in mijn achterhoofd +zit ... En dan zoo'n pijn in mijn beenen. Mijn beenen zwellen op ... Ik +weet 't niet, wat 't is. Mijn heele lichaam is ziek. Kom eens hier, buig +je nog eens naar me toe. + +--Wat dan? Wat woû je dan? + +--Ik woû je een zoen geven. Och toe, och toe, blijf bij me zitten. + +Voor een halfuur was Jozef er weêr aan vast. Eindelijk besloot hij dáar +een boek meê te brengen en de kranten. + +Jozef wende er zich weêr aan, van éen uur 's middags af, voortdurend +thuis te zijn. Hij deed zijn schoenen uit en schoof door het huis op +pantoffels, als een ziekenoppasser. + +Een paar weken later, mocht Mathilde uit haar bed komen en in de +slaapkamer opzitten. + +Voor een van de kleinere kastjes, dat naar de logeer kamer was gebracht, +was een boeken-en teekenkast voor Mathilde, in de plaats gekomen. Een +van de dingen van haar ziekte was een lammerigheid van haar beenen, +waardoor zij niet kon loopen. Een uur per dag maar ging zij uit haar +kamer, dan werd die gelucht. Het sombere licht dat door de binnenplaats +hier binnen-stootte was het eenige waar haar oogen nog tegen konden. Uur +aan uur zat zij daar dan te lezen of wel te teekenen. Voor de groene +tafel in een donker-grijzen, met donker-rood afgezetten peignoir, heur +haren tot een zware vlecht samengebonden onder een donker-grijs, met +donker-rood afgezet mutsje, haar slanke linkerhand waarvan alleen de +duimtop door het porceleinen palet zichtbaar was op de tafel, met drie +penseelen er dwars uitstekend. In haar rechterhand had zij een penceel +of potlood en ze teekende en kleurde. Haar gezicht was erg vermagerd en +als de grove hand van de goedige Marie niet een zilveren lepel vol +licht-geel vocht, van het, nu overvolle, apotheekkastje naar haar +toekwam en ze haar hoofd in de hoogte deed, dan zag men hoe haar oogen +waren ingevallen, hoe de eerste eigenlijke rimpels op haar jong gezicht +waren, hoe in-mekaâr gezakt ze zat. Ze ging meestal om acht uur naar +bed, en stond om elf uur 's morgens op. Vooral 's nachts had zij veel +pijn en benauwdheden, zoo dat zij niet kon blijven liggen en de kussens +hoog achter haar werden opgestapeld. + +Toen Jozef haar voor 't eerst weêr eens vlak bij het venster, onder vel +daglicht zag, schrok hij. Zij merkte 't aan zijn oogen. + +--Ben ik zóo veranderd? vroeg zij. + +Hij vatte haar teeder bij haar schouders en zoende haar bleeke wangen. +Maar dien zoen voelde hij als op doode wangen. Onmerkbaar trilde er iets +in zijn oogen; er ging een koû door hem heen. + +--Je zult bepaald heel gauw weêr beter zijn, zeî hij. + +Zij gingen samen even zitten voor het venster, op twee stoelen vlak bij +elkaâr. Mathilde was nog in haar witte nachtgoed; haar gezicht was nog +witter. Er was een verlegen stilte. Jozef zat, een beetje naar haar toe +voorovergebogen, zijn eene elleboog op zijn been geleund, de handen +loshangend tusschen zijn beenen. Hij keek haar medelijdend en lief aan. +Haar blikken, vanachter een doffen glans van uitputting, zwierven door +de ruiten heen, over de zonnige plekken op de binnen-plaats, zonder +gedachten, in afwachting van wat hij zeggen zoû. Hij had iets: + +--Wil-je nu wezenlijk niet liever op de logeerkamer gaan en mij hier +laten slapen? vroeg hij, dan heb je ten minste nog een beetje afleiding +door het leven en alles wat er te zien is op straat. + +--Och nee, zeî ze, daar ben ik te zwak voor. Ik wil liever maar niets +zien ... het bevalt me hier 't best. + +Zij kuchtte stilletjes. Na een poosje, bewoog zij langzaam haar rechter +hand, streek er zachtjes meê over Jozets groote blanke hand, heen en +weêr, met haar dunne vingertopjes over het zachte vel, nauwelijks er aan +rakende. Toen zeî zij, met een bedaarde, klagendzachte stem, waar een +te-vredenheid in klonk, dat zij zoo met hem alleen was in haar ziekte: + +--Wat heb jij toch mooye handen! Eigenlijk veel te mooi voor een man. + +Daarna dacht ze weêr een tijdje. + +--Zie-je, zeî ze toen, als zeî zij het besluit van een lange inwendige +redeneering, het is onmogelijk, dat ik altijd zoo zoû blijven als ik nu +ben ... Een geluk, dat zoo groot is, kan niet in-éens uit zijn ... Ik zal +stellig weèr beter worden, heel zeker, ik weet 'et natuurlijk niet, maar +zie-je, ik voel 'et zoo, ik voel 'et. En je begrijpt wel, dat ik nu nog +vreeselijk veel meer van je hoû als vroeger, om ... hem, om Felix. + +Ze had dit gezegd, zonder Jozet aan te kijken, haar blikken mijmerig +voor zich uit; nu knipte zij haar oogen even snel dicht en deed ze naar +zijn kant weêr open, hem zóo vragend, hoe hij wel vond, wat ze daar +gezegd had. + +--Ja, andwoordde hij, stellig! Ik geloof 'et ook, bepaald. En, als had +hij zich nog niet krachtig genoeg uitgesproken: Daar is zelfs geen +sprake van, dat je niet beter zoû worden. Ik twijfel er geen oogenblik +aan. + +Mathilde zat achter in haar stoel, haar oogen neêr. Zij wreef met haar +rechter duim over haar linkerhand. + +--En Emilie Hartse is met Berlage getrouwd hè? vroeg zij, de woorden als +uit haar mond slepend. + +--Ja, ze zijn d'r gisteren geweest; ik heb hun kaartje beneden: meneer +en mevrouw Berlage-Hartse. + +--Hè, 't is een kokette, akelige vrouw, die Emilie, ik hou niets van +d'r! + +--Och! zeî Jozef verontschuldigend. + +Toen Mathilde dien avond om negen uur al lang in bed lag en alles rust +was in de kamer, terwijl het buiten onhoorbaar sneeuwde en de wind over +de binnenplaats aan de ruiten ritselde, zat Jozef daar nog altijd, voor +de tafel. De koeranten van den avond, een paar tijdschrift-afleveringen, +een boek, lagen voor hem. Hij las het Buitenlandsch Nieuws. Die Emilie +Hartse, mevrouw Berlage, was wel een aardig vrouwtje! Hij leî het blad +plat op tafel en streek de kreukels er uit om beter te kunnen lezen. Zij +was zoo vroolijk, zij was ook mooi, hij mocht haar wel. Hij las van de +onaangenaam-heden, die tusschen De Duitsche en Fransche regeeringen +aanhangig waren. Zij zouden nu in lang wel geen partijtjes kunnen geven, +waarop mevrouw Berlage zoû komen. Bismarck en Gambetta konfereerden door +bemiddeling van de ambassadeurs over de belangen van Europa. Hoe was het +mogelijk, dat zij dien dommen Berlage genomen had! In Rusland werd +dagelijks de vrees grooter voor uitbarstingen tusschen de joden en de +boeren. Zij had mooie rooye lippen, die Emilie. Het jonge Italië, dat ... + +--Ben je daar nog, Jos? kreunde fluisterend uit het bed. + +Jozef stond op. + +--Ja, wat woû-je, kind? + +--Mag ik een glas water asjeblieft! + +Hij gaf het en zoende haar klamme voorhoofd. + +--Probeer nou weêr te slapen, zeî hij, dat zal je goed doen. Ik ga nu +maar naar beneden nog wat lezen, dan heb je 't rustiger, en dan ga ik +ook naar bed. Wel te ruste! Tot morgen, misschien ben-je morgen wel +veel beter. + +--Ja, misschien; laat Marie met Felix nog eens hier komen, wil-je? + +Driemaal per dag kwam Marie, met het kind op haar arm, bij Mathilde; +Jozef ontmoette haar nu op de trap. Hij hield haar staande nam het kind +even van haar over, zoende het en ging verder. Alles was doodstil in +huis; alleen hoorde Jozef, toen hij in den gang kwam, eentonig de +keukenklok tikken. Hij veegde met zijn zakdoek zijn lippen af. Hij +zoende niet graâg zulke jonge kinderen. Die Marie is eigenlijk volstrekt +niet kwaad, dacht Jozef, een aardige meid! + +Toen Jozef het licht had opgestoken in de achter-kamer, en een boek, een +roman in een kalfslederen band gebonden, uit de kast wilde nemen, steeg +er plotseling een woede, de uitbarsting van een lang onderdrukt +ongeduld, in hem op. Hij maakte groote stappen door de kamer. + +--Dat duurt nu al maanden, zeî hij luid, het gaat niet meer, ik weet +niet, wat ik doen zal. + +Hij stak een zwaren cigaar op en bleef beweging-loos en dommelend den +heelen avond zitten. Een verzet was in zijn hart ontstaan. Hij verveelde +zich onhoudbaar. Het ging toch ook werkelijk niet op den duur! + +Gedurende de volgende dagen, dacht Jozef, koud, met zijn rede en zijn +gevoel van wereldsch mensch, na over zijn vrouw en zijn kind. Zij ging +erg achteruit. Wat moest er in Gods naam van komen? 't Was wel aardig +geweest, even na de geboorte, het denkbeeld van zijn eigen kind te +hebben, een voortbrengsel van zijn liefde, maar nu, een klein leelijk +rood, onooglijk, schreeuwend wicht, neen! 't was alles behalve +pleizierig. + + * * * * * + +Langzaam verstreken maanden. Mathilde bleef 't zelfde. In dezen tijd, +kon zij eens 's avonds niet in slaap komen. Zij had dien middag +onwillekeurig een paar uur gedommeld, en lag daarom nu wakker. Zij dacht +dat zij een beetje de koorts had. Haar oogen, wijd open, staarden naar +boven, naar den groenen hemel van het ledikant, zwartgroen in de zwakke +schemering van het nachtlicht, en die in stijve plooyen zich in een +middenpunt, een rozet, samentrok, waaruit een beddekwast nederdaalde, +roerloos als de slinger van een stilstaande klok. Het felle wit van het +dek, dat zich als harde sneeuw, over en om haar heen spreidde, +schreeuwde tegen de duisternis, scheen naar boven te dringen en stapelde +zich op, als een koude massa, midden in de zwarte tinten. Mathilde +dacht ... en bewoog haar lippen of streek er met haar tong tusschendoor, +van pleizier van zoo te liggen denken. Het suisde door haar hoofd; er +was een ijlheid in haar hersens. Haar zieke gestel gaf haar gedachten +een bizondere scherpte en levendigheid. Terwijl een nattigheid door haar +oogen sprankte lispte zij, en er ging iets droogs, iets kramperigs door +haar verhemelte ... O Jozef! ... o Jozef! ... Zij bewoog haar eene voet +even en schikte haar armen in een gemakkelijker rust op het bed, om nog +inniger en uitsluitender aan dat ééne onderwerp te kunnen denken. Zij +dacht er over, wat zij allemaal zouden doen, als zij weêr beter was. +Heerlijk! Heerlijke jaren zouden er komen! Wat een gelukkig en benijd +drietal zouden zij zijn! Zij had dat al zoo dikwijls gedacht, maar nooit +zoo hevig als nu. Zoolang zij alleen jonggetrouwden waren geweest, had +zij nog altijd iets gevoeld, zij wist niet precies hoe, maar als of zij +nog half en half niet getrouwd was, als of die man wel elk oogenblik +heen kon gaan, niet dat dat gebeuren zoû, maar dat 't ten minste +mógelijk was. En ook zoo voor de menschen. Als zij en Jozef menschen +ontmoetten, bij hun aan huis of op straat of bij anderen, dan was er in +'t "dag, meneer, dag, mevrouw" of in het "dag, Jozef, dag, Mathilde" +iets als of de menschen op dat oogenblik den indruk kregen van twee +alleenstaande wezens te ontmoeten, twee op zich zelf staande menschen, +die wel innig aan mekaâr verbonden waren, maar toch maar met hun tweeën +waren en elk oogenblik ieder een anderen weg konden gaan. Maar nu niets +van dat alles meer. Nu was zij niet alleen heelemaal vrouw, een jonge en +gepozeerde vrouw tegelijk, maar nu waren ze, zoo dacht zij, nog meer éen +samen, zij hoorde nog veel meer dan vroeger, ook voor de menschen, +onafscheidelijk bij mekaâr. Zij waren niet meer jonggetrouwden, neen, +hij was de vader, zij was de moeder. En wat een vreeselijke +heerlijkheid, op straat en overal in 't openbaar met elkaâr te zijn en +dan de menschen te zien of te hooren zeggen: "dat is de jonge mijnheer +en mevrouw van Wilden, ze zijn drie jaar getrouwd zoo wat, zij hebben +éen kindje, een allerliefste jongen". Maar, dat alles daargelaten, wat +zouden zij een stil en heimelijk geluk met hun drieên hebben in huis! +Hij daar, zij hier, en Felix in 't midden! Neen, maar 't was waar ook, +zij had volstrekt, na de geboorte niet al die ellende, over dit groote +geluk nog niet in onderdeelen nagedacht. En, terwijl de koude, als een +vale nevel, door de kamer, door het ledikant en over haar heen zweefde +en haar gezicht doortrok, bleef dat gezicht maar liggen staren naar +boven, en voelde Mathilde een warmte in haar oogen en in haar mond als +stroomde het geluk over en wilde naar buiten, dat, als een eindeloos +zacht zilveren vocht, door haar heele lichaam vloeide. Een enkele maal +wreef zij, onder het dek, haar handen tegen mekaâr van de eenzame +zaligheid, die haar zoo vervulde. Heerlijk! zij zag zich al weêr, +genezen en gezond, beneden in de huiskamer zitten, Jozef tegenover haar, +Felix op een hoogen kinderstoel, een rood puntje aan zijn neusje, twee +heele groote oogen, lachend, juichend, met zijn handjes bewegingen van +vreugde makend, tusschen hen in. Jozef aaide de wangetjes van het kind, +sneed het voor hem bestemde sneêtje brood zonder korst aan kleine +stukjes, gemakkelijk om in de melk te soppen. En Jozef keek dan +glimlachend naar haar, om te vragen, of ze het zoo niet goed vond, en om +dan samen van liefde te lachen, samen begeesterd door het jongetje, die +nog niet spreken kon. Liet Felixje iets op den grond vallen of morstte +hij, dan stond zij op om hem te helpen, en stopte hem met haar vinger +een stukje geweekt brood in zijn mond. Daarna zoû ze bij voorbeeld aan +Jozef vragen, of hij nog een kopje thee woû hebben. Hij zoû haar zijn +kopje overreiken en hun vingers zouden elkaâr aanraken boven de tafel, +voor het kind heen. Die kleine aanraking, hoe onuitsprekelijk gelukkig +zoû dat zijn! Zij die hem zoo goed kende, zij, die alle dag in de +innigste aanrakingen met hem geleefd had, verheugde zich nu al als op +iets buitengewoons, in het vooruitzicht van die aanraking van hun handen +boven de ontbijttafel. Ja, want dat zoû daar dan haar familie, haar +familie zijn. In háar huis, met háar man, met háar kind, zoû zij daar +zitten, aan haar levensdoel, tot het leven gekomen voor altijd. + +Er kraakte iets in de kamer. Het woei buiten. Een huivering ging door +het behangsel, het nachtlichtje bewoog, spatte even, langzaam verroerden +zich de zwarte schaduwen; een ritseling ruischte over de vloer laag +langs de kasten en stoelen. + +Was er iets? neen, er was niets. Mathilde kuchte van gerustheid. Zij +kuchte nog eens, langzaam, in haperende schorre tikjes. En het was of +zegenend de duisternis, in een dikken vlokken-mantel en de koude, als +oneindig veel scherpe sprietjes, haar naderde, om haar heen viel, haar +aaide en met haar geluk samen was. Toen dacht Mathilde aan dien eenen, +dien eersten grooten nacht, waarin zij, voor haar open venster in het +oude huis, over Jozef had gedacht, na dat hij 's avonds van zijn liefde +had gesproken. In de verte, als een bevende, bleeke herinnering, zag zij +nu inwendig haar vader voorbij gaan, voorbij ... voorbij. Zij merkte dat +zij hem vergeten was. + +De koorts werd erger, en Mathilde sliep in, met droge lippen, dronken +van het denken. + +Den volgenden Zondagmorgen, heel in de vroegte, was de min met Felix in +de kinderkamer, boven de logeerkamer, voor het venster gaan zitten en +liet het kind naar den dag kijken. Zij hield hem vlak voor de ruiten. +Langzamerhand was het acht uur, half negen geworden, en Marie keek met +een groote belangstelling op de stille gracht, waar na enkele +melkboeren, die er met hun witblaauwe emmers aan de versch geschuurde +koperen haken langs de huizen waren gegaan, om hard aan te schellen en +de meiden, in hun nachtjakken en met halfdichte oogen, te helpen, de +haastige en ingetogen kerkgangers liepen. Het waren burger-mannen met +bloote handen, dik en grof, met schoenen glimmende in de morgenzon op +de droge straat, met glimmende heele hooge hoeden op het glimmende van +achteren heel dikke en kort in den hals afgesneden haar als geplakt; +met borstelige nekken; met lange, zwarte jassen waaraan éen dikke en +bengelende achterzak en de andere dof gevuld; met wijde broeken van +effen zwart laken of heele dikke met bruine strepen. Dan meiden met +leelijke gezichten, helder gewasschen. Enkele met kornetten onder hun +hoeden, die de meesten met bruine of zwarte banden onder hun kinnen +hadden gestrikt. Andere hadden verouderde dameshoeden op, met veren en +pluimen en linten in donkere kleuren. + +Maar vooral had Marie schik in de oogen van het kind op haar schoot. Zoo +groot, zoo bruin, zoo zuiver vond zij ze, en zoo verstandig al. Zijn +wenkbrauwtjes kwamen al aan, donkere streepen boven de oogen. Wat zag +hij er mooi uit in zijn zondagspakje, met rokjes met kantjes, met die +fijne kousjes met dat lieve blauw en witte doekje waar zijn bovenlijfje +in gewikkeld was! + +Juist hield Marie het kind weêr voor de ruiten en liet het dansen op +haar knie, een zacht liedje neuriënd toen de deur openging, en Jozefs +lichaam, hoog in den klaren ochtend, binnenstapte. Marie bewonderde hem, +met zijn lichtbruin haar, altijd zoo mooi geschoren, zoo mooi gekleed, +en zoo vriendelijk. + +--Goeye morgen, Marie ... + +Zij andwoorde hem niet rechtstreeks. Zij vond hem haar weldoener, om dat +hij haar, als ongetrouwde min, wel had willen nemen, toen zij juist niet +wist wat er van haar worden zoû. Zij was erg verlegen tegenover hem. + +--Fik, Fik, daar is vader en ze liet Fik, zoo als zij hem het eerst had +genoemd, dansen op haar schoot; maar zij zag Jozef niet aan. Het kind +lachte tegen vader en kraaide 't uit van de pret en bewoog zijn heele +lichaampje zoo als kleine honden tegen hun meester doen. + +--Zoo jonge heer! en hoe maakt onze jonge heer 'et? vroeg Jozef. Hij +boog zich over het kind heen en gaf hem met zijn mooyen wijsvinger op de +bolle wangetjes een tikje. Marie, die nu rood werd, keek maar al naar +het kind en lachte tegen hem en schikte zijn mutsje en zijn kleertjes +eens goed met haar rechterhand: + +--O, heel goed, vader ... niet waar, Fik? ... Heel goed!, en ze zoende +het kind gauw en zachtjes en hield haar oogen maar neêr. Jozef nam een +fauteuil en ging vlak bij hen zitten. + +--Hebben jullie al ontbeten? zeî hij en keek in Maries oogen. + +--O ja, meneer, ... vóor zevenen al ... en ze knipte met haar oogen, keek +hem even aan en toen weér gauw uit 't venster en trommelde met twee +vingers op de voetjes van het kind. + +--Kom, geef hem nou eens hier ... Nu moet vader em eens hebben ... + +Nu wist Marie met haar armen en met haar heele houding geen weg. Zij +vouwde haar handen samen en drukte ze tusschen haar knieën; dan weêr leî +ze op iedere knie een hand; maar toen zij haar bruine bij Jozefs blanke +handen zag, deed zij ze onder haar boezelaar. Nu keek zij Jozef wat meer +aan, die heelemaal met het kind bezig scheen. Maar als hij haar dan weêr +aankeek, gingen haar blikken langs de staalgravures aan den wand en van +de staalgravures op de stoelen en van de stoelen op het tapijt en van +het tapijt op haar schoot en van haar schoot door 't venster op de +gracht. Ze wist niet hoe 't kwam, maar nu stond in-eens het huilen haar +nader dan het lachen. + +--En hoe bevalt je nu op den duur je nieuwe baantje, Marie? + +--Ik dank u d'r nog altijd wèl voor, meneer ...; 't bevalt me heel best, +meneer ... + +--Nou, nou, je hoeft er niet om te huilen ... hoor eens Marie ... Hij had +haar het kind te-ruggegeven, was opgestaan en had zijn linkerhand in +zijn broekzak gestoken, met de rechter gestikuleerende ... zal je nu goed +voor mijn jongen zorgen? ... zal je? ... Kijk me eens goed aan ... beloof +je 't me? ... + +--Ja, meneer, zeker, zeker, ... ik beloof 'et u ... + +Toen ging Jozef langzaam wech. + +'t Was negen uur geworden. + +Nu kwam Dientje de werkmeid binnen met een dampende kop koffie voor +Marie. Dientje had een breeden mond, dikke lippen en alles verder in +haar gezicht was dik en klein; zij was leelijk maar goedig. + +--Hier, Mietje, zeî ze, koffie, ze is sterk, hoor, ... Pas op, bran je +niet. + +Het kind lag in Maries rechter arm en met den linker slurpte ze de heete +koffie. + +--Doet je dat nou geen goed, mensch? Ja, koffie, dat is altijd een +heerlijke drank ... + +--Hoe laat drinken we koffie? vroeg Marie, terwijl ze den leegen kop aan +Dientje te-ruggaf. + +--Om twalef uur; ... je moet tegen 'n uur of ellef maar 'es met Fik naar +mevrouw gaan ... 't arme mensch. + +--Ja, wat is ze toch ongelukkig, hé? + +--Ze het wat uit te staan, hoor mensch, 'n ongeneesselijke kwaal, het de +dokter gezeid ... Nou, nou, 't is voor meneer ook een slag geweest hoor! + +Dientje was met haar handen haar boezelaar aan 't verfrommelen. Zij had +een groen japonnetje aan en een geur van schoon linnen bij zich. + +--Ja, zeî Marie, dat kan j'em dan ook nog wel aanzien ... + +--Och, hij houdt zooveel van mevrouw ... 't kon zoo'n best huwelijk +geweest hebben! Maar wat zal je d'r an doen, de mensch wikt, maar God +beschikt, zoo as ze zeggen ... + +--Ik zal nóu maar eens naar mevrouw toe gaan, zeî Marie. + +Mathilde zat op een leuningstoel aan de tafel, bij het raam. Haar +teekengerei stond vóor haar. Zij steunde haar hoofd op haar hand +en tuurde. + +--Binnen!, zeî ze, ... zoo, Mietje, ... + +--Hier is Fik, mevrouw ... Hij is al-door heel zoet geweest. + +--Geef 'em maar 'es hier, ik hoop dat ik 'm zal kunnen houden. Mathilde +schoof zich met éen voet wat van de tafel en met een inspanning zette +zij het kind op haar schoot en gaf hem flauwe zoenen. Zij hield hem lang +tegen zich aan gedrukt, in een stilte, en had hem lief, met groote +starre oogen. Zij had juist nu het gevoel van den dood, zoo als zij het +dikwijls had tegenwoordig. Haar gezicht, in een ernst die het +verouderde, dacht aan de toekomst. Zij had smartelijke gedachten, die +zij aangenaam vond als mooye liedjes. Zoo zag zij altijd tegenwoordig op +de binnenplaats vogels, die hun jongen verzorgden en voedden in den +winter, in muurgaten, en zij vond pijnlijk dat zij dat haar kind niet +ook kon doen. Zij dacht, of Jozef Felix wel goed zoû opvoeden en er een +braaf en flink man van maken na haar dood. Toen werd ze moe, leunde meer +in haar stoel, gaf het kind aan Marie te-rug. + +--Zie zoo, dag mevrouw ... + +--Kom je dan om een uur of vier van middag nog eens te-rug, Marie? + +--Ja zeker mevrouw, zeker. + +Mathilde hield er niet van in haar tegenwoordigheid door de menschen +beklaagd en achter haar rug bepraat te worden. Daarom wilde zij geen +visites hebben. Altijd werden de kennissen wechgestuurd met de +boodschap, dat mevrouw belet had, dat mevrouw te ziek was. Mathilde +wilde alleen zijn met haar ziekte. Later, als ze weêr gezond en flink +zoû zijn, zouden de menschen haar wel weêr zien. De kennissen deden dan +vergeefsche pogingen en bleven ten laatste van zelf wech. Alleen Marius, +de kantoorbediende van Jozef, die anderhalf jaar geleden toen ook op hun +feestje was geweest en dat gedicht op het huwelijk had voorgedragen, +liet zich niet ontmoedigen, maar drong er onophoudelijk bij Jozef op aan +toch éens het voorrecht te mogen hebben mevrouw in haar ongesteldheid te +bezoeken. Jozef sprak er Mathilde een paar maal over. Eerst woû zij +niet. Waarom die jongen eerder dan een ander? Jozef verhaalde dan, dat +Marius gezegd had, dat hij hoopte mevrouw, die zich wel erg moest +vervelen, misschien wat afleiding te kunnen bezorgen. Hij meende gemerkt +te hebben, dat het in der tijd door hem voorgedragen gedicht mevrouw wel +een beetje bevallen had; nu kon hij haar misschien nog iets voorlezen, +of zoo. Mathilde lachte hij dat idee. Waarom hield die Marius toch zoo +aan? Wat had hij toch? Had hij dan zoo'n medelijden met haar? +Goeye jongen! + +Een dinsdag-middag na de Beurs werd Marius toegelaten. Onhoorbaar, als +met een vinger van was, werd er op de deur van de ziekenkamer geklopt. +Binnen! De kruk van de deur bewoog aarzelend en opende zich zoetjes met +het geluid van een haastig, herhaald voeten-vegen. Zijn blonde hoofd een +beetje gebogen, in zijn daagsch jasje, een breede versleten zwarten das +onder een schoonen aan den hals rafelenden boord, kwam Marius met een +linkschen stap binnen. + +Mevr ... hij kuchte, ... mevrouw, ik ben zoo vrij, om ... + +--Ik dank u wel voor uw belangstelling, meneer Marius, gaat u even +zitten. + +--O, ... mevrouw ... + +Uit verlegenheid ging hij, langzaam neêrzijgend op een stoel, zich +schamend en rood wordend over een gaatje in zijn schoenen, vlak bij +Mathilde zitten. + +--Ja, mevrouw, ik woû eens komen vragen, hoe het met u gaat ... u is +altijd zoo lief en goed voor ons geweest, mijn zuster zoû ook wel komen, +als zij mocht ... + +--Ja, meneer, u begrijpt, ik heb veel rust noodig, en ... + +Hij viel haar in de rede: + +--O, mevrouw, maar ik zal heel zacht spreken, ziet u, ik begrijp heel +goed, dat u het anders ... als men ziek is, niet waar, dan hindert de +minste kleinigheid. + +De zin was er uit. Hij werd gloeyend rood om dat hij dat alles zoo juist +achter elkaâr had gezegd. Hij wist niet wat hem overkwam om zoo +plotseling met haar alleen te zijn. Hij trok zijn, van versletenheid aan +de randen scherpe, manchetten over zijn handen tot aan den ondersten +duimknokkel, dat hem pijn deed, om dat zijn handen daar ruw-rood waren +van den winter. Met zijn groote, wijde, licht-blauwe oogen, met in 't +midden van de appels een goud rontetje, iets als een verren vonk, bekeek +hij haar verwonderd, terwijl de verlegenheid van zijn voorhoofd tot +onder zijn haar steeg. Zij zag hem rustig aan en keek dan weêr naar het +handwerkje, waarmeê zij bezig was. + +--U is erg vermagerd, u moet veel hebben uitgestaan, zeî hij snel en +lachte bedeesd. + +--Ja, meneer, maar ik hoop, dat het nu gauw beter zal gaan. + +Hij keek om zich heen door de kamer, zonder iets te zien, als om zich te +bedenken. Daarna zeî hij luid: + +--Kan ik niets voor u doen? + +--Ik dank u wel, meneer, u is wél goed, maar nee, ik dank u ... ik heb +eigenlijk weinig noodig. + +Zij hielden zich allebeî stil. Mathilde begreep, dat zij nog iets zeggen +moest. Zij liet haar werkje even op haar schoot liggen en zeî, met een +welwillenden trek in haar gezicht: + +--Mijn man is erg te vrede over de bezigheden op het kantoor, ... ook erg +over u ... + +--O, mevrouw, andwoordde Marinus verontschuldigend. + +--Ja, zeker, hij zegt, dat u het beste werkt van allemaal. + +--U zit hier zoo zonder veel zon en 't is zoo stil op de +binnenplaats, ... mevrouw. + +--Ja, meneer, maar dat is juist het eenige, waarbij ik het kan +uithouden. Veel licht en veel leven hindert me. + +--Kan ik niets voor u doen? vroeg Marinus weêr, iets voorlezen, +bijvoorbeeld? + +--Ik wil zelf heel graâg iets lezen, als u mij iets leenen wil; +voorlezen zoû mij wezenlijk wat te veel vermoeyen. + +--Mag ik u dan nog eens iets komen brengen? + +--Heel graâg ... maar, wil u ook iets drinken, een glaasje port of zoo, +het is hier wel een treurig verblijf, waar als u wil ... + +Marinus stond op en, denkend te doen zoo als het hoort, bracht hij zijn +stoel een eindje verder tegen den wand, waar die nooit stond. + +--Nee, mevrouw, ik dank u wel, zeî hij, maar ik moet weêr wech, ... u +heeft ook rust noodig. + +--Nou, meneer, dan hoû ik me aanbevolen voor als u eens te-rug wil +komen. Troost en medelijden doen altijd goed. + +Zij stak haar hand naar hem uit. Hij nam die half, daar hij er niet te +ver in durfde gaan. Hierop boog hij tweemaal telkens op grooter afstand +van Mathilde. Hij schopte in zijn verwarring tegen de deur, waar een +klein butsje in kwam, en zeide: O, neem mij niet kwalijk, vaar wel, +beterschap, mevrouw, beterschap ... dag, ... mevrouw. + +En zijn blonde, hoog stijgende haar verdween plotseling uit de kamer. + + + + +XI. + + +De dokter en de twee professoren hadden gezegd, dat zij niet goed +wisten, wat eigenlijk de ziekte van Mathilde was. De geluiden, het +suizen in haar ooren, de opvloeyingen van het bloed naar het achterhoofd +en de hartkloppingen, waaraan zij leed, bewezen, dat zij iets aan het +hart had, waarschijnlijk een vergrooting, waarmede zij geboren was, maar +die na de bevalling zich pas ernstig openbaarde. Maar zij scheen ook een +kwaal in het ruggemerg te hebben; zij had hevige pijn in den rug en +zakte dan in-een, zonder recht te kunnen zitten. Er deed zich nog een +derde verschijnsel voor: soms, tegen het einde van haar korte daagjes, +als het weinige opzitten haar al zoo vermoeid had, vertoonden er zich +zwellingen in haar beenen, tusschen de knie en de enkels. Dit was +het water. + +--Waar zijn uw ouders aan gestorven? had de dokter eens, brutaal-wech, +gevraagd. + +--Mijn moeder had iets aan haar hart, heeft mijn vader mij altijd +verteld; waar hij-zelf aan gestorven is, weet ik niet precies. + +Mathilde werd zoo zwak, dat zij dikwijls weder dagen achter-een in bed +bleef, zonder kracht, zonder lust om op te staan. Zij steunde zich met +een appart hard kussentje in den rug, als zij overeind kwam om een +beetje te eten. De dokter had gezegd, dat zij den aanstaanden zomer maar +naar Scheveningen moest gaan; daarna had hij weêr van een hooge, een +fijne lucht, het Gooi, gesproken. Jozef hield niet veel van buiten. +Tegen den zomer, had hij gezegd, zouden ze er nog wel eens over spreken. + +Maar de kongesties naar het hoofd werden erger; zij veroorzaakten een +bedwelming, met allerlei schemeringen, Nauwe en groene en gele kringen +en vlekken voor Mathildes oogen. Als middel daartegen werden onder +anderen eerst kompressen met karbol, later met ijs gevulde blazen, die +verkoelden, gebruikt. Als het akelige stijgen van het bloed haar al te +veel overweldigde, greep Mathilde zelf een brok druipend ijs uit het +koperen emmertje, dat bij het ledikant stond, en drukte het stuk op haar +haren, dat haar vingertoppen rood en blauw werden van koude tinteling en +het water tappelings haar hoofd af in haar hals sijpelde. Maar Jozef was +hier een ware hulp in den nood. Heel handig wist hij haar te helpen. Met +zijn slanke, mooye vingers, kon hij de kompressen hanteeren, of haar met +zijn ééne hand recht-overeind houden en met de andere het ijs op het +hoofd drukken. Hij wist heel precies hoe hij haar moest behandelen, waar +hij haar moest aanraken, om haar geen pijn te doen. + +Eens op een ochtend kwam hij binnen. Mathilde lag nog in bed. Hij hield +een kleinen al opengemaakten brief in zijn hand. + +--Thilde, ben-je wakker? + +--Ja, wat is 'et? + +--Groot nieuws. + +--Wat dan? + +--Berlage is gister-avond gestorven. + +--De ouwe heer? + +--Nee, nee, Louis. + +-Och, heer, hoe is 't mogelijk! ... Hoe is dat zoo gekomen ... Nu is +Emilie ook gauw weduwe. + +--Ja, hij moet een ongeluk hebben gehad. Ik heb hier een briefje van +Emilie; waaraan hij gestorven is, zegt zij niet. + +--Ga dan maar dadelijk een visite maken ... + +--Ja, vin-je ook niet? Dat had ik ook gedacht. + +--Doe mijn komplimenten, hoor! Zeg, dat ik erg medelijden met d'r heb. + +--Ja. Wil ik je nog eerst even helpen? + +En hij verzorgde haar nog even vóor hij wechging, schikte de kussens +goed, gaf haar in, deed alles met ijver. + +Mathilde was dien ochtend als lam wakker geworden. Zij had een +onbegrijpelijk moe gevoel door haar hele lichaam. Toen Jozef te-rug was, +zeide hij: + +--Ze is nog al niet erg gedrukt onder haar verlies. Er is hem op straat +iets overkomen, een beroerte. Na den eten was ie gaan wandelen in het +Vondelpark ... en ze hebben zijn lijk thuis gebracht. + +--Hè, God, dat is verschrikkelijk! ... En ze is niet éens erg bedroefd? +Hè, ik ijs er van als ik er aan denk.. 't Is toch een vreeselijke vrouw, +die Emilie ... Ik geloof, dat ze niets geen hart heeft. + +--Ja, maar hij, denk eens aan hem. Hij is er 't minst pleizierig an toe. +Zoo jong te sterven. 't Is wel erg. + +--Ja, maar je weet niet hoe of me dat hindert, dat je zeit dat ze nog al +gelaten is ... Ik vin 'et onmenschelijk! Hè, ik ril er van ... Kom eens +even hier. + +Zij sloeg haar zwakke armen om zijn hals: + +--Jij zoû heel anders zijn als ik stierf, hè? + +--Wat een vraag ... En wat een gedachte! + +Gedurende eenige minuten omhelsden zij mekaâr. + + * * * * * + +Drie dagen later zat Jozef, nadat hij alleen op het zaaltje gegeten had, +in de binnenkamer, waar de groote glazen boekenkast stond, te rooken. +Hij leefde nu al maanden akelig en naar. Dat kon niet langer. De trek +naar al zijn jongeheeren-pleizieren van vroeger kwam dagelijks weêr meer +in hem op. Wat had hij er in 's hemelsnaam aan gehad om te trouwen! Ja, +hij had een geregelder en maatschappelijker leven willen gaan leiden. +Zijn te lang durende jeugd had hem verveeld, hij was verliefd geweest, +ja, en toen was hij getrouwd. En nu, daar zat hij nu, verlaten als een +kluizenaar in een woestijn in zijn huis! Wat had hij nu? Een +waarschijnlijk voor-goed zieke vrouw, van wier zuchtende en machteloze +liefde hij nu al meer dan genoeg had, een klein schreeuwerig wicht, dat +hem niet eens nog kende, met niets dan last en geen-een genoegen. Zijn +hersens dorstten naar het rumoer van de straat, naar hel verlichte +zalen, naar onverschillig eeuwig-grijns-lachende vrienden-gezichten. Hij +had een gevoel alsof het tegenwoordige leven hem langzamerhand heel +uitpompte en verdoofde. Hij maakte er zich driftig over. Hij was toch +waarachtig niet van plan als een oud stil heertje nu verder door te +leven tot alles gedaan zoû zijn! Hij keek denkend, zich bezinnend, in de +rondte, en zag alles leêg en levenloos in de kamer. Het gas wilde niet +eens branden. Dat was ook een ellende met die gasfabriek tegenwoordig! +Hij zoû morgen weêr reklameeren. + +Wat zoû hij nu doen? Hij nam in Gods naam maar een boek: een +geïllustreerd werk over China. Het verveelde hem. Hij sloot het dicht. + +Een week later, toen hij in de ziekenkamer de koerant zat te lezen, +zeide hij: + +--Zoû je 't naar vinden, als ik weêr eens uitging? + +--Wat bedoel-je? + +--Zoo 's avonds naar de opera of zo.... een enkele keer ... zie-je. + +--Welnee, Jos, ik heb 't je immers zelf wel 'es gevraagd, dat te doen, +ga gerust, dan heb je een beetje afleiding. + +Hij ging. Gedurende zijn afwezigheid was Mathilde bedroefd en bang, om +dat zij zoo alleen in huis was. Maar zij wilde er zich met kracht en +geweld tegen verzetten. Wel was 't haar goed, terwijl zij daar +machteloos en ziek lag, te weten dat hij dáar was, dáar haar +liefhebbende, hem daar onophoudelijk en vlak bij haar te voelen, altijd. +Maar zóo kon 't niet altijd blijven, zij wist 'et wel. En daarom was 't +maar goed, dat hij gegaan was, heel goed. Hij had wezenlijk niet aan +haar verdiend, dat ze hem zich nu zoo liet dood kniezen in den duffen +dampkring van haar slaapkamer. Een bewustzijn sloop nu haastig bij haar +binnen, dat zij schuld had aan haar ziekte. Zij verweet zich-zelve hun +beider ellendig bestaan van nu. Waarom was ze ook ziek geworden? Waarom +was zij ook in bed gaan liggen? Kom, het was misschien maar gekheid, +maar inbeelding. Wanneer zij zich er toe dwong, zoû ze misschien op +kunnen staan en in eenige dagen weêr gezond zijn, door dat sterk te +willen. Hij zoû dan niet alleen uit hoeven te gaan. Zij zoû altijd en +overal hij hem zijn, hem altijd, altijd vergezellen, zoo als het hoorde. +Zij wilde het dadelijk probeeren. Kom, het ging al. En, aan haar dwazen +inval toegevend, richtte zij zich met geweld op, door den steun van haar +armen. Krachteloos viel zij weêr neêr en lag van zwakte half te slapen +toen Jozef thuis kwam om twaalf uur. + +De kongesties, die naar Mathildes hoofd stegen, hielden nu zoo aan, dat +er soms een half uur achter mekaâr telkens nieuwe ijskompressen op +gebonden werden. Den eersten avond dat 'et gebeurde, deed de heftige +reaktie Mathilde zoo'n pijn en had zij zoo'n duizeling, dat zij met haar +handen de kompres naar beneden rukte, die Jozef voorzichtig op haar +hoofd had gelegd. In 't vervolg lieten zij nu Marie er ook bij komen, om +te helpen. + +Het was zeven uur in den avond. Jozef had, om zich van zijn groeyende +verveling te verstrooyen, aan tafel twee halve fleschjes fijnen, zwaren +wijn gedronken in plaats van éen. Mathilde zat op in bed, in een hevigen +aanval van hartklopping en koortsige bloedstijging. Haar gezicht was +lichtelijk rood gekleurd, haar oogen gloeiden, zij beefde sterk. Marie +stond rechts van het breede ledikant, aan den deurkant, Jozef stond +links, in het doorgangetje, tusschen het ledikant en het behangsel. Zij +hielpen Mathilde, schikten het beddegoed, deden haar nachtjapon goed, +werkten met de kompressen. Het lamplicht schoot telkens over Marie heen, +als zij weêr recht op ging staan en haar armen naar zich toenam, na over +het bed heengebogen te hebben, bewegingen makende, tastende om mevrouw +bij te staan. Jozef keek naar Marie, zoo als zij dan telkens in +blank-gele en licht-roode tinten door de lamp beschenen werd en zich dan +weder in de groenige duisternis van het ledikant bewoog. Een vreemde +lust beving hem. Hij voelde een komende stormwind opruischen door zijn +leden. Hij opende breed zijn oogen en staarde, werktuigelijk doorgaand +met het strikken van de doek, waaronder de kompres boven Mathildes hoofd +vastgemaakt werd. Marie hield met haar twee handen het hoofd stil en de +kompres er op. Jozef maakte den strik. Dan raakten zijn vingers Maries +pols. Een sekonde bezat hij zich zelf niet meer. De strik viel los. Hij +had met zijn hand Marie aangevat. Hij drukte zijn vingertoppen tegen +Maries arm. Marie schrok hijgend, verrast, wilde haar hand te-rugtrekken. + +--O, God, ik kan niet meer! zuchtte Mathilde, die in haar kussen +te-rugzonk. + +Oogenblikkelijk was Jozef weêr bij zijn zinnen. + +--Wat doe je nu toch, Marie? zeî hij, je houdt de kompres niet goed +vast. + +Marie liet niets merken en de kompres werd vastgestrikt. Marie had niets +begrepen; zij had zich zeker vergist, dacht zij. + +Mathilde had alles begrepen. Toen zij alleen was, bekende zij het +zichzelf. Haar gemoed was verbrijzeld. Zij begon met wezenloos rond te +zien en met haar handen haar hoofd te betasten. Hierop moest zij zich +langzaam, zoetjes aan, rekenschap probeeren te geven van wat er gebeurd +was ... Jozef stond dáar, Marie dáar, er was iets tusschen hen gebeurd. +Hij had haar aangeraakt. Hij was haar, Mathilde, ontrouw geweest. +Ontrouw? Ontrouw? Ja, dat was het woord, waarmede zij dikwijls in boeken +de handeling had genoemd gevonden, die Jozef nu daar-zóo tegen haar had +gepleegd. Neen, hoe was het ook weêr gegaan? Die man, wat toch "die +man"? Het was toch Jozef geweest! ... Jozef! ... Jozef! ... Een man had +daar gestaan, was met zijn hand over haar heen gegaan ... Een man ... O, +God, o, God, waar ben ik? wat is er! ... Ik word gek!... Wat was dat toch? +Een vreemde wind uit de hel, die voorbij is gegaan ... Er is iets wech, +er is iets van me wechgegaan! O, God, waar is 'et, waar is 't gebleven? +Er is iets leêg geworden, hier, van binnen in me, in-eens, heelemaal, +'t is wech, wech, mijn leven is wech ... voor altijd wech ... + +Als een krankzinnige sprak Mathilde luid in de eenzaamheid. Zij was +zonder het te weten uit haar bed opgestaan, en rilde over de vloer, +op haar bloote voeten. Zij wandelde door de kamer en bevoelde de +voorwerpen, om te weten of zij bestond. Zij ging zitten op een stoel, +als om bedaard over de een of andere zaak na te denken, die haar +bezig-hield. Zij stond weêr op en deed allerlei onverschillige dingen, +alles vergeten hebbende, als of zij plotseling, in een minuut, in een +andere vrouw was overgegaan, een gewone vrouw, die niets deerde, en die +de zaken van haar huis in orde schikte. Haar angst was volkomen; daarom +leî ze haar peignoir goed, die van den rug van een stoel was afgevallen, +bekeek de kleine dingetjes, die zij, als zij naar bed ging, altijd uit +de zakken van haar japon nam en op de tafel leî: een notitieboekje, een +goud potloodje, een speldekussen, bekeek ze een voor een, alsof het +geheimzinnige onbekende zaken waren, voorwerpen uit een andere wereld, +bekeek ze met een koel-opmerkzaam gezicht. Hierna ging zij bij de tafel +zitten, haar eene hand in haar haar, de andere onbewegelijk op haar +schoot. Als een van mensch tot beeld bevroren wezen, bleef zij roerloos. +Haar oogen knipten snel heen en weêr. Zij herkende de plaats niet, waar +zij was. Het scheen haar, als was ze daar plotseling in een kamer +neêrgegooid van een pas nieuw getimmerd huis, dat nog wrak stond, waarin +de wind vrij speling had, dat elk oogenblik in kon storten. Zij was +alleen, heel alleen. Zij sprak een taal, die niemant verstond. Zij +huilde tranen, en niemant wist waarom. Iedereen was haar vreemd; zij was +vreemd aan iedereen. Daar waren een massa menschen in de rondte, ver +beneden haar, die lachten en praatten, maar niemant, die haar zag. Die +man, die éene man, ging ook voorbij ... zij zag zijn achterhoofd ... hij +keek niet naar haar om. + +Nu begon Mathilde zachtjes te hijgen. Haar oogen draaiden dan naar +rechts, dan naar links over de tafel. Zij luisterde. Alles was stil. +Niet het minste gerucht steeg op over de trappen, naar boven. Allen +waren dus wechgeloopen en hadden haar alleen gelaten. Zij zag in haar +verbeelding Jozef de trap afgaan, hij keek niet, hij daalde altijd lager +de trap af, hij keek niet om; daar waren andere, onbekende trappen, die, +naar de laagte, voortdurend elkaâr opvolgden. Jozef daalde altijd +dieper, het werd klein, eng om hem heen; die trappen schenen in een +eindelozen koker in het diepste van de aarde uit te komen. De muren, die +om de trappen heen waren, werden grijs; een mist hing om Jozef heen. Hij +daalde voortdurend met denzelfden kalmen tred, zonder éens naar haar om +te zien, hij daalde, daalde altijd, Hij verdween in een ver-vreemd oord, +voor altijd van haar wech. Mathilde zag 't zóo duidelijk; daar, vlak +vóor zich, in haar onmiddellijke nabijheid. Zij had haar hand uit haar +haar genomen, en hield, met de elleboog op tafel steunend, haar hand, de +vingers wijd van-een, op eenigen afstand van haar over de figuren van +het tafelkleed brandende oogen, om haar verdriet te genieten; zoo als +een prentenliefhebber, die nauwkeurig een zeldzame plaat bekijkt. Daarna +stond zij op, ging bedaard weêr naar bed en sliep vast tien uur lang, +zonder éens wakker te worden. + +Mathilde zeî aan Jozef geen woord van haar ontdekking. Dat zij zoo +verbazend stilzwijgend werd, dacht hij dat van haar ziekte kwam. + +Mathilde beterde nu hoe langer hoe meer. De kwaal bleef, maar zij mocht +opzitten den heden dag, en kwam ten laatste zelfs beneden; maar den +eersten keer deed zij er vijf minuten over, om van de slaapkamer naar de +binnenkamer te komen. + + * * * * * + +In het begin van Maart was op verzoek van Jozef Emilie Berlage-Hartse op +de koffie gevraagd. Emilie voelde zich tegenwoordig zóo verlaten! In +haar rouwtijd kon zij niet uitgaan, zij, die zooveel hield van zich +overal in het publiek te vertoonen. Nu moest men haar zoo'n klein +pleiziertje aandoen, trachten haar een beetje te verstrooyen. Zooveel +práatte zij ook niet. Haar tegenwoordigheid zoû Mathilde niet vermoeyen. + +Jozef was weêr een tijd trouw thuis gebleven. Geregeld, als een +liefdezuster, stond hij Mathilde ter zijde. Hij had zich-zelf verwenscht +om dien éenen keer, dat hij Marie zoo had aangeraakt. Hij wilde het +boeten, en deed het. En vooral in deze dagen voelde Mathilde hoe vol +haar hart van hem was en wát zij leed. Het was twaalf uur. Tegen half +éen werd Emilie Berlage verwacht. Over de tafel lag een damasten servet +met franje. Twee karaffen, de eene met rooden wijn, de andere met blauw +en bleek water, stonden op zwarte flesschenbakjes met randen van +nagemaakt zilver, op de tafel. Een verlakte broodbak, met dof-gouden +ingedrukte bloemen en bladen, uit liet huis-houden van Mathildes vader +afkomstig, stond in 't midden. Verder zouden door Dientje twee warme +schotels op komforen worden binnengebracht; er stonden ook nog twee +schoteltjes met koud vleesch, éen met beschuitjes en éen met kaas. De +burgerlijkheid van de familie de Stuwen loste zich zoo op in de meerdere +voornaamheid, die door Jozef in het huishouden was gebracht. Mathilde +zat in haar ochtendjapon, haar haar zoo'n beetje opgemaakt, vóor de +tafel, botrammetjes te smeren. Jozef zoû zoo met-een van 't kantoor +komen. Dientje, met een ernstig opmerkzaam gezicht, kwam binnen om nog +'t een en ander in orde te brengen, te schikken: een vork, die zij naast +een bordje vergeten had, een vingerdoekje, dat scheef lag. Ook trok zij +herhaaldelijk, met een krachtige getemperde beweging van haar vingers, +aan den rand van de tafel, het servet naar zich naar zich toe, om de +rimpels er uit te krijgen. + +--Heeft u nou alles, mevrouw? vroeg zij. + +--Ja ... dan breng je het vleesch binnen, als wij beginnen, hè? + +--Jawel, mevrouw. + +Eer Jozef nog thuis was, kwam Emilie. Zij had wat borduursel beneden aan +den rok van haar effen zwarte japon. Zij was erg druk en erg lief. Al de +woorden, die zij gedurende de dagen van haar eenzaamheid niet had kunnen +spreken, daar zij niemant had ontmoet, stroomden nu uit haar mond. Hoe +aardig, hoe recht vriendelijk was 't van Mathilde, er aan gedacht te +hebben haar in haar droefheid een afleiding te bezorgen! En Mathilde-zelf, +hoe maakte zij het toch? Emilie had zooveel onrustbarende tijdingen over +haar gehoord, dat 't haar bepaald goed deed Mathilde eens in eigen persoon +te kunnen ontmoeten. Ging zij wezenlijk beter? Zoo, zoo! dat deed haar +ontzachlijk veel pleizier. Ja, de dood van den goeden Louis, Emilies man, +was als een plotselinge donderslag op haar neêr gekomen. Zij had zooveel +geschreid, dat zij geen tranen meer over had. 't Was iets verschrikkelijks +in den waren zin van het woord, zoo vroeg weduwe te worden Zij was bepaald +overstelpt geweest. Die goede Louis. och, die goede Louis! Wat bleef haar +nu over? Niets. Zij was alleen op de wereld. Dat was ook de titel van een +roman: "Alleen op de wereld!" had Mathilde dien wel eens gelezen? Zoo, +nooit? het was toch werkelijk een mooi boek. Wel de moeite waard. Och, +maar, aan zulke zaken dacht zij nu waarlijk in 't geheel niet. Zij +herinnerde zich het werk alleen van vroeger. Maar Jozef zoû het wel kennen. +Die beste meneer Jozef! Waar was hij? Zeker op 't kantoor? Ja, zoo'n +ijverig man. Altijd was hij in de weêr, van alles op de hoogte, voor alles +te vinden. Altijd tot dienst bereid. Iedereen hield veel van hem. Zij had +ook zeer geappreciëerd, dat hij haar zoo dadelijk na haar verlies een +visite was komen maken. Wat een mooi tafellaken had Mathilde hier! Zeker +nog uit den boedel van den ouden heer. Hoe aardig, van 't zelfde patroon +als de vingerdoekjes! Zij bleef voorloopig maar wonen in het tot nu toe +door haar man en haar bewoonde huis. Och, waarom ook niet? Het was wel wat +groot voor haar alleen, maar op die manier kon zij het meest en het best +in gedachte nog met den dierbaren afgestorvene verkeeren. + +Mathilde hoorde Emilie aan, zonder er iets tusschen te mengen, met +bleeke glimlachjes van bevestiging en deelneming, de ringen van haar +vingers op en neêr schuivend om Emilie niet bewegingloos aan te kijken. +Deze eerste rollende woordenroffel aan haar oor, na al de maanden van +stilte en afzondering, deden een hinderlijk gesuis in haar hoofd +ontstaan. Tusschenbeide voelde zij aan haar slapen iets kloppen, met +lichte tikjes. + +Toen Mathilde geen andwoord vond, wilde Emilie doorgaan. Zij had nog +duizenderlei dingen op haar hart, die zij behoefte had uit te storten, +maar juist kwam Dientje binnen, met het vleesch. + +Er was even onaangename stilte tusschen de dames, terwijl Emilie Dientje +bekeek. Mathilde zeide: + +--Je had 'et nog niet binnen moeten brengen, niet vóor meneer er was, +meende ik. + +Toen Dientje de deur open deed om weêr wech te gaan, hoorden de vrouwen +het sleuteltje van Jozef in het voordeur-slot bewegen. Met een slag en +een dreun, een lichte rilling van het voordeurglas en een kuch van +Jozef, trad hij door den gang. Zij hoorden nog het gemoffel van zijn +overjas, dien hij aan den kleerenstandaard hing, den stamp van zijn +paraplui dien hij daaronder zette. + +Emilies bovenlip en de gedeelten van haar gezicht om haar neus heen, +trilden onmerkbaar, zij keek, afwachtend, naar de kachel, die begon te +gloeyen, terwijl haar handen met haar zakdoek speelden. Een hoog +zongeschitter schoot van de binnenplaats af door het vertrek. Een +verfrissching huiverde door de kamer; langzaam, kalm, koel, +verscheen Jozef. + +--Kom ik te laat? + +--Juist bij tijds, zeide Mathilde. + +Jozef had nu een lichten lach. "Mevrouw!" zeî hij tegen Emilie en boog +even met zijn hoofd, met een voorwending van ernst om de droefheid van +Emilie. Daarna ging hij tot vlak bij Emilie, terwijl zijn voet stootte +tegen den poot van een stoel en Emilie half opstond om zijn hand te +drukken, warm van de pas uitgetrokken handschoen. Hij ging naar Mathilde +en zoende flauwtjes haar voorhoofd. + +--Hoe gaat 'et? vroeg hij met een lieve erg gemeenzame-stem. + +Nu dejeuneerden ze. Mathilde at bijna niets. Emilie vertelde wat een +last zij had van een kleinen hond, die Louis maar niet vergeten kon en +overal zijn meester zocht. Mathilde leî snel haar vork, met de tanden +naar beneden, op haar bord boven het plasje vettig-bruine saus, +waaromheen zich een dun rondje geel vet kringde, en te midden waarvan +een stukje hoog gezwollen roode biefstuk zich verhief. Zij stond op, zij +was onwel. Zij was nog te zwak, zeide zij. Emilie moet het niet kwalijk +nemen. Zij wilde naar haar slaapkamer te-rug. + +Jozef stond op, zijn handen aan de tafel, met zijn vingers zijn +vingerdoekje tot een knoest drukkend, aarzelend zonder besluit. + +--Drink 'es, zeî hij eindelijk. + +--Nee, dat is 'et niet. Ik heb alleen maar rust noodig. + +--Nee, mevrouw, maar, blijft u ... ik moest toch vroeg naar huis, zeide +Emilie. + +--Nee, nee, ik verzoek u te blijven, houd u mijn man nog een beetje +gezelschap. + +Mathilde was bleek van opkomende benauwdheid. Haar blikken dwaalden, +alsof zij ergens zocht, wat er nu met haar gebeuren zoû. + +Jozef bedacht zich, hij keek Emilie aan als om haar te vragen, wat zij +dacht, dat hij nu moest doen. Daarop wilde hij, dat Mathilde zijn arm +zoû nemen. + +--Steun op me, dan zal ik je naar boven brengen. + +Vijf minuten later was Jozef te-rug. Emilie gaf haar ontsteltenis te +kennen. Het was dan zoo erg! Dat had zij nooit kunnen denken. En zij +verhaalde, haar oogen op den biefstuk op haar bord, van een van haar +ooms, die twintig jaar lang heelemaal in afzondering had moeten leven, +om dat het minste geluid, het kalmste gesprek hem benauwde. Telkens had +zij een zweem van een onderdrukt lachje om haar mond, als zij haar oogen +opdeed en Jozefs blik ontmoette, die uit beleefdheid roerloos luisterde, +om hem met een gebaar iets duidelijk te maken in haar verhaal. + +Mathildes stoel stond scheef, een eindje van de tafel, geschoven, haar +vingerdoekje lag er verkreukeld op. Haar glas water en wijn stond half +vol voor haar bord; zachtjes lekten kringetjes vocht in het glas van den +rand naar onderen, omdat zij pas gedronken had. Er was een leegte +tusschen Mathildes plaats en de deur, alsof zij maar even was +heengegaan, om terstond te-rug te komen. De hitte van de kachel werd +erger. Er beefde een onvolledigheid door de kamer, die maakte, dat Jozef +en Emilie zich niet op hun gemak voelden. Als Jozef haar nog van de +spijzen aanbood en zij aannam of bedankte, als hij haar een schotel +overreikte of haar nog inschonk, was er iets kils, een haperende +zachtheid in hunne stemmen. Eens vatte zij een schotel niet handig +genoeg aan, waardoor er bijna iets gevallen was. Dit veroorzaakte een +verlegenheid tusschen hen beiden. Haar rouwkleed vervreemde hem +eenigszins van haar. Hij zag niet graâg dat zwarte achter zijn glansend +witte tafellaken. + +Toen zij eindelijk, in de wasemende stilte van het gedane déjeuner, met +een gekraak van haar stoel over de vloer, opstond om heen te gaan, zeide +hij zijn eerste beleefdheid: + +--Zou ik u nog eens mogen komen opzoeken? + +--O, dat zoû ik zoo graâg zien, andwoordde zij gemaakt luchtig, ik ben +zóo alleen. + +Haar rijtuig wachte al voor de stoep. Zij hield er niet van met dien +langen kaper te voet over straat te gaan. Zij reed ratelend wech. Jozef +stak zijn hoofd even in de kamer, waar zij zoo even gedéjeuneerd hadden, +als om te zien of zij niets vergeten had. Er was een geur van zwarte +glacé handschoenen en een doffe zakdoekreuk gebleven. Daarna ging hij +langzaam de trappen, op naar Mathilde. Hij dacht er over, dat Emilie +volstrekt niet naar Felix had gevraagd. + + + + +XII. + + +Jozefs verveling vermeerderde met den dag. Zij steeg tot in zijn keel. +Zijn eetlust zelfs verloor hij bijna. Dat was een geslenter en geslof +over de trappen, een even stilstaan in de gang en weêr in de binnenkamer +en er weêr uit, dat niet langer duren kon. Hij kreeg een zekere matheid +door zijn leden. Hij dacht aan zijn mijmerijen over huwelijksgeluk, die +zich een voor een hadden opgelost in de eentonigheid der witte muren van +den gang en in de donkerte van de ziekekamer. Een groote spijt over zijn +verloren vrijheid drong zoetjes bij hem binnen. Wat had hij toch +begonnen? Zoû zijn leven nu zóo voortgaan tot aan het einde? Zijn armen +hingen loom langs zijn lijf. Hij pruilde in eenzaamheid. 's Avonds voor +dat hij naar bed ging en 's nachts in zijn slaap spookte Marie door zijn +geest. Langzamerhand won de grijze verveling al de kleine dingen, waarin +hij, behalve in Mathilde, tot nu toe belang had gesteld. De +geïllustreerde tijdschriften, waarop hij zich geabonneerd had, bleven +onopengesneden liggen. Hij wilde zich dwingen met aandacht boeken over +natuurkunde, werken van dichters en romans te lezen, maar het ging niet. +Een ijlheid, een walging voer door zijn leden. Op die manier was het +leven onmogelijk. Alleen verdiepte hij zich nog in de aan zijn toilet +besteedde zorgen. Aan zich zelf overgelaten, groeide zijn ijdelheid. Hij +bestelde nieuwe pakken hij den kleermaker, stond zich voor zijn spiegel +te verstrooyen met het aanpassen van overhemden en boorden, bracht een +half uur door met de kleur van een das te overwegen. Eens kwam hij 's +middags op Mathildes kamer, en vond haar geknield liggen bidden. Toen +zij ophield om hem aan te kunnen hooren, zeide hij: + +--Ik dacht, dat je God vergeten was. + +--Zeg dat niet, Jozef, ik bid voor Felix. + +Hij was gaan zitten en keek, of de velletjes onderaan zijn nagels wel +genoeg naar beneden gedrukt waren. Toen sprak hij zijn voorhoofd +fronsend en zijn kin achteruit drukkend, half uit gekheid: + +--Ben-je nu van plan altijd ziek te blijven, lieve kind? + +--Dat weet ik immers niet, andwoordde zij, laten we het beste hopen. + +Naarmate Mathilde zich wendde aan haar ziekte, verlevendigde de gedachte +aan God zich in haar. Zij voelde zich langzaam, meer en meer zacht-vroom +gestemd worden. Zij voelde in haar wezen, terwijl zij haar pijnen +doorstond, dat God er was om haar te troosten. Hij was daar, achter +haar, boven haar hoofd, in de gordijnen en in den hemel van het +ledikant. Maar het was geen wezen, geen omlijnde persoonlijkheid meer +zoo als de God van haar jeugd. Het was iets onzichtbaars, iets als een +wolk, een trilling van eindeloze goedheid en opperste troost, die +zachtjes, bij kleine vermeerderingen, tot haar nederdaalde. Wanneer, met +een heftigen sprong, het denkbeeld in haar hersenen stootte om terstond +order te geven, dat Marie heen zoû gaan, was die God daar voor een +beletsel, onoverkomelijk. Marie moest blijven, Marie was goed voor +Felix, Jozef zoû geen kwaad meer doen. Wanneer zij in haar verbeelding +Jozef en Marie samen zag elkaâr liefkozend, en zij bij die samenkomst +heel vergeten werd, en zij zag hem haar aanpakken, haar zoenen, dan +straalde van dien God een ontkenning uit, voor de gestalten van Jozef en +Marie heen. Hoorde zij 's nachts in haar verbeelding iets als zachte +mannenstappen naar boven gaan over de trap, dan moest zij zich +vergissen. Jozef was alleen, Marie was alleen. Een troost, die van links +en rechts zachtjes aanwoei maakte haar kalm. Dan sprak zij die +wezenlooze beschermende macht aan met de woorden, die haar van vroeger +waren bij gebleven: O God, o Heer, o Jezus, ik dank u. + +Mathilde besloot het verdriet, dat zich door geen nieuwe vermoedens +verlevendigde en dat zich verkleinde, te verdragen. Zij zoû wachten tot +zij beter werd, om weêr op nieuw gelukkig te zijn. + +Het zoû langzamerhand lente worden. Dokter Hansen hield nu lange +gesprekken met Jozef over het naar buiten gaan van Mathilde. Na dat de +dokter, met zijn kort hondenneusje en rimpelig in-een-geduwde handjes, +allerlei raadgevende en verklarende bewegingen had gemaakt, was er +besloten, dat de zieke in Hilversum zoû gaan herstellen. Het dorp lag +hoog, de lucht was er fijn. In den omtrek waren wel geschikte huizen, +ook villaas, te koop of te huur. Dokter Hansen schreef aan den dokter in +Hilversum om naar een geschikte woning voor Jozef uit te zien. + +Mathilde woû eerst niet. Zij zoû 't nooit doen, nooit, of Jozef moest +zijn zaken aan kant doen en ook voorgoed daar komen wonen. Want, zich +van Jozef scheiden nooit! Jozef, die zich er altijd iets op voor liet +staan uitmuntend met vrouwen over weg te kunnen, had een heel krijgsplan +gevormd, om Mathilde over te halen. Hij begon met alles toe te geven, +wat zij woû. Neen, zij zouden samen voor goed daar gaan wonen, winter en +zomer. Hij sprak zelfs, al schertsend, van op die manier heelemaal een +landedelman te worden. Maar tegelijk, terwijl de tijd vorderde, kwam hij +minder geregeld thuis om één uur 's middags: de zaken breidden zich zóo +uit; hij moest noodzakelijk langer op het kantoor blijven zeide hij. In +Mathilde was gedurende haar ziekte een oude herinnering, een van haar +vader overgenomen belangstelling in geld, in aangelegenheden waarbij +rekenen te pas kwam, opgeleefd, en zij stelde meer dan vroeger belang in +de zaken van haar man. Zij vroeg wel: hoe gaat 'et op 't kantoor? Zijn +er vandaag weêr nieuwe kommissies gekomen? Toen het nog veertien dagen +was vóor zij naar buiten zoû gaan, stemde zij er in toe, dat Jozef zijn +zaak aanhield. Zij zoû dan probeeren éen zomer alleen in Hilversum door +te brengen, Jozef zoû elken dag met den Rhijnspoor-trein van drie uur +naar Vreeland komen, zoo dat hij vóor vijven in Hilversum kon zijn en +zoû elken ochtend om half acht met de diligence, die direct van +Hilversum op Amsterdam reed in een groote twee uur, weêr te-ruggaan. +Heel goed, uitstekend! ja, zoo zoû het gaan. + +In dien tijd maakte Jozef, met een netjes ingepakt boek in den binnenzak +van zijn overjas, een visite hij Emilie Berlage. Hij gaf haar het boek +te leen: een fraayen roman, waarvan de handeling in Egypte voorviel. Zij +moest in lektuur wat afleiding zoeken. Emilie was, terwijl zij hem zoo +in haar huis ontving, veel meer op haar gemak dan gedurende het +dejeuner. Zij las een brief voor, dien zij van den ouden heer van Riet, +haar voormaligen voogd, die na haar huwelijk met zijn vrouw in een +duitsche badplaats was gaan wonen, had gekregen en door de beide oude +lui van Riet onderteekend was. Jozef maakte de opmerking, dat 't wel +jammer was, dat zij hén nu ook miste, die haar in de gegeven +omstandigheden anders van zooveel troost had kunnen zijn. Emilie liet +aan Jozef haar hondje zien: een prachtig zij-harig wit en rose beest, +dat dadelijk Jozefs handen likte. Terwijl dit gebeurde kwam er een +warmte tusschen Jozef en Emilie. Zij zagen beiden naar den hond met +verliefde blikken. + +--Een aardig dier! zeî Emilie, en hij kan Louis maar niet vergeten. Zij +riep "Kastor" en aaide zijn rug, met een mooye buiging van haar hand. + +Dezer dagen kwam de tijding, dat door den dokter van Hilversum, een +buitentje voor Jozef gekocht was, heel aardig, gelegen aan den +'s-Gravelandschen weg, voor veertien duizend gulden. Jozef reisde nu +verscheiden malen heen en weêr, tot dat alles daar buiten in orde was, +altijd met de spoor naar het station Loenen-Vreeland, waar hem dan een +wagentje uit Hilversum kwam afhalen. Daar dokter Hansen altijd +nadrukkelijker verzekerde, dat Mathilde in de fijne hooge lucht van het +Gooi gauw herstellen zoû, bepaald spoedig, begon zij met een koortsige +drift naar dat buiten-zijn te verlangen. Vóor ze ging, kwam Emilie +Berlage haar een afscheidsvisite maken. De dag van het vertrek was een +van de eerste wezenlijke lentedagen. + +Om dat Mathilde te zwak was om de vermoeyenis van het gejaagde en het +schokken van de spoor te verdragen, was er besloten, dat zij de heele +reis van Amsterdam naar Hilversum per rijtuig zoû doen. Alleen Marie en +Felix gingen met haar meê. Jozef zoû wel denzelfden dag ook komen, maar +zij wilde volstrekt niet dat hij dien vervelenden langen tocht in het +rammelende rijtuig meê zoû maken. + +Om elf uur in den ochtend kwam het rijtuig voor. Het was een oude +barouchet, een van de weinige, die er nog in Amsterdam waren, maar +volgens den stalhouder was dit het zachtst rijdende van al zijn +rijtuigen. Mathilde, die in zóo lang niet in de frissche lucht was +geweest, kreeg op de stoep bijna een duizeling. Zij zag de heele +omgeving, de huizen aan d'overkant, het zwart-groene water van de +gracht, de boomen langs den wallekant met hun groote verwarring van pas +uitbottende aarzelend groene sprietjes, en het rijtuig met de twee +schonkige paarden, dat een leelijken donkeren prop scheen te midden van +de wasemende wit-en blauwheid van de lucht, zij zag alles in breede +lijnen golven, zoo als men over een erg warme kachel heen het de +voorwerpen in de kamer ziet doen. Het geruisch van de straat hier en het +doffe geraas van de drukke buurt uit de verte scheen door alle poriën +van haar huid te dringen, alsof het uit een emmer over haar heen +werd gestort. + +De mengeling van geluiden, die, hij het opengaan van de voordeur, haar +in-eens bedwelmde, verdoofde haar éene oor, zoo dat zij een inwendig +aanhoudend schel gefluit hoorde, als of; wél in haar hoofd, maar toch in +de verte, een lokomotief floot. Daarbij scheen 't als kwam er een +zegening uit de hooge lucht over haar, als ging zij een nieuw leven +tegemoet, als wuifde, in onzichtbare luchtdelen van den grond een +gelukstoestand naar haar op, onder haar rokken in haar lichaam dringend, +en uitwendig haar bekruipend tot aan haar hals, tot over haar gezicht. +Maar de lucht was sterk en zij moest haar oogen neêrdoen, waaronder nu +het bleeke blauw van de stoepsteenen, met zijn vele krijtige witte +vlekjes, scheen te dalen en te rijzen. Marie was vlak achter haar en +maakte, de armen vooruitstekende, bijna volvoerde gebaren, om haar te +steunen. Terwijl Mathilde haar dof-stoffen schoen zonder hakje op het +treetje van het rijtuig zette, vroeg de koetsier, die het portier +vasthield, met zijn groven, aan den toestand vreemden, toon, Mathilde +met zijn hand onder haar elleboog helpend, of de tollen nú of op zijn +te-rugrit betaald moesten worden Dientje had een kanapeekussen tegen den +rug van het rijtuig gelegd, op de achterbank. Hiertegen zeeg Mathilde +neêr, haar oogen dicht, om even te bekomen. Daarna tilde Dientje Felix +op de voorbank, waar Marie naast hem ging zitten. De witte schoenen van +het kind staken vooruit op de bank. Dientje zeide: + +--Nou, mevrouw, goeye reis, hoor, goeye reis! + +Zij bleef met haar stijf glimmend witte boezelaar, onbewegelijk +glimlachend, als een pop tegen de bruin-groene deur staan, tot dat de +barouchet wechreed. Hobbelend en kletterend ging het rijtuig voort. De +venstertjes in de portieren dansten in de schommeling van de rijtuigkast +op en neêr. De voordeuren, onderste vensters en reepen muur van de +huizen schoven in voortdurende opvolging voorbij als een reeks +aaneengevoegde tooneel-achtergronddoeken, van boven afgebroken door de +zoldering van het rijtuig. Op den hoek van het Koningsplein zag Mathilde +de versleten hoog-ronde hoed van Marinus de Beer, die erg keek en diep +groette; in de speling van het glas weekten de vormen van zijn haar +ineen, alsof het vloeibaar was. Toen deed Mathilde haar oogen weêr dicht +in de krachteloosheid, die haar beving en, mijmerend over Jozef, die +van-avond komen moest, sluimerde zij half. + +Buiten de Muiderpoort, over den weg naar Diemerbrug, hoste het rijtuig +vreeselijk. De boomstammen sprongen telkens te voren, aan weêrszijde. +Marie poogde Felix, op haar schoot, zoet en rustig te houden. De oogen +van het kind stonden wijd open, als begrepen zij de zaken, waarop Marie, +met een ter eere van de gelegenheid, heel helder, bijna feestelijk +geplooid gezicht, zijn aandacht vestigde. Zoo duurde het twee uur, tot +men door Weesp en door 's Gravenland gereden was, tot in de Leeuwelaan. +Om dat Mathilde geen koû zoû vatten, waren de raampjes toegelaten, maar +door de reten suizelde de lente binnen, éen wordend met de lauwe, doffe +lucht in het rijtuig. Mathilde, die het onbekende gras, de vijvers en de +bijna groenloze doorzichtige tuinen van de buitens van Six bekeek, links +en rechts, en, voor haar uit, naast het zakachtig lichaam van den +koetsier, een stuk hooge, tintelend-witte, over de samenbuigende +groengeknopte karkassen der groote boomen-opvolging als de zilverige +zoldering van een tooverpaleis zich uitstrekkenden hemel bestaarde, +voelde bij iedere reeks schokken van het rijtuig, zich ver van haar +verleden leven wechvoeren. Zij had in zóo lang zoo'n nieuwen, zich over +alles heenspreidenden zonnedag niet gezien. Door de vermoeyenis heen, +waarin zij ieder oogenblik, haar kin naar haar borst gedrukt, tegen den +rug van het rijtuig schokte, vulde haar een zucht om Jozef te vergeven +en een weder ontstaand vertrouwen. Maar tegelijk was 't haar, of zij +voor altijd van hem henen reed, naar een ver, vreemd land. De onbekende +stukken natuur, die van weêrszijden en van voren, door de vierkante +glazen vakken van het rijtuig, in haar oogen drongen, telkens +verdwijnend, zich telkens vernieuwend, met grijzig-blauwe, lila en +goud-witte tinten, waartegen de lage en hooge boomen en struiken, met +hun magere, kale, draayend-kronkelende armen en talloze akelig-spichtige +vingers, telkens dichter samengestoken, als de overgebleven geraamten +van een daar plotseling verkoold soldatenleger, zich roerloosdreigend +verhieven, schenen haar in een gelukloze toekomst te voeren, op den +maatgang van de trappelende paarden. + +Dan weêr sprongen de groene knopjes overal op, schoten overal te voren, +als jonge stemmen van een koor, dat hoop verkondigde, tusschen het +onverschillig hobbelen van het rijtuig en de vaalheid, het grijs-bruine +van het bosch. Een scheut zon geelde over het bloeyende hout heen en +kleurde de groene propjes teeder en verzilver-blauwde de stammen en +takken. Dan weêr verduisterde de zon, wolken schoven aan en weken. In +snelle overgangen werd alles grijs en alles weder glansend. Ten laatste +bleef alleen de glans over. Het was een voorjaars-middag. + +Het lage witte hek van een buiten, in de verte als een recht-opstaande +streep bevroren sneeuw, kroop nader. Eindelijk stootte het voorbij, +langzaam, met rukken, door het portierraampje, terwijl het grasveld en +het hooge zware gelig-witte heerenhuis, met duidelijk omlijnde +groezelige zonneplekken er achter bleven liggen voor altijd daar +bevestigd. + +Toen het rijtuig een eind voorbij den tol, den dalenden weg afreed, van +den molen tot aan haar nieuwe woning, zag Mathilde voor zich uit als in +een groot vreeselijk diep prieel. Door de vermoeyenis van het lange +rijden was zij in een uitputtende koortsige stemming geraakt en voelde +zij zich als of er ieder oogenblik iets in haar breken zoû. Zij kon niet +goed meer denken of zich rekenschap geven van de omgeving. Zij liet zich +gaan in de sussende beweging van het rollende rijtuig, terwijl door deze +gewaarwording de herinnering aan dien rijtoer van eenige jaren her, +langs den Amstel, toen haar vader nog leefde, werd opgewekt. En +plotseling zag zij, in de altijd wijdgeopende oogen van Felix op den +schoot van Marie tegenover haar, Jozef weêr, zoo als zij hem dien +vorigen avond in zich had opgenomen. De herinnering aan het verdriet +week, week al in een ver verschiet en daalde door haar achterhoofd naar +beneden. Zij zag Jozef in Felix en om hem heen schemerden met +schitteringen de boomen en huizen en alles in de rondte haar tegen. + +De weg had zich, bij den molen, plotseling verbreed. + +De straatweg vloeide nu, laag, in het midden vooruit, zoetjes naar +beneden; aan weêrszijden waren de breede hellende voetpaden van hard +donkergrijs zand. Verder nog er naast waren de strepen wintergras, als +de kortgeknipte schedel van een onderaardsche reus, afwisselend van éen +tot tien meter breed, waarbinnen de dikke stammen van de overgroote +iepen zich als knoestige zuilen in wijde rijen paalden. Achter de boomen +stonden, schraal, de ijzeren en houten hekken van de zes, zeven buitens +aan elken kant, tot aan het eigenlijke dorp. Rechts was eerst een +vergezicht opengegaan, hel wit over leêge akkers, te-ruggestooten door +de verheffingen van nieuw lichtgekleurde huizen, met platte en schuine +daken en van vaalroode huisjes in aanbouw, die ophardden tegen het wit +en blauw van den rondenden hemel. + +Maar het vergezicht werd dadelijk gesloten door tot aan den weg tredende +buitens aan beide zijden, met hun samengrenzende nog winterende tuinen, +dofglinsterend in hun door de nevel heen licht van boven vergoudde +grijsheid. Maar, dichter bij liet rijtuig, hoog boven de aarzelend +ontbottende beplanting van de tuinen, boogden de tegen den glooyend- +blauwen hemel opwassende iepen hun machtige groen herlevende twijgen +samen als de bedaking van den weg. Door hun uitgebreide, bladerloze, +ledige, buigende lichamen wemelde en tintelde het witte goud van de +lucht over de duizende in verwarring uitspruitende zacht-groene knopjes. +In den zwakken wind rilden en negen de twijgjes, en nog koele zonnevonken +dansten af in helle spartelingen. + +Mathilde was met moeite een beetje recht-op gaan zitten. Zij wilde den +omtrek goed zien. + +Er was bijna niemant over den weg te bekennen. + +De vensters van de villaas waren gesloten; de menschen waren nog niet +aangekomen. Hier en daar in de verte gingen de flodderige, plompe +gestalten van een man, van een vrouw. Voor Mathilde alleen was de eerste +lentedag van het Gooi. Een welkom suizelde haar nu tegen, toewemelend +uit alle lichten, links en rechts en overal. Zij kwam hier om weêr haar +geluk te-rug te krijgen. Jozef kwam van-avond. Zij vestigden zich hier +met hun tweeën. Al moest hij ook alle dagen voor de zaken naar de stad, +Hilversum werd zijn ware woonplaats. Zoo dacht zij voort. + +Mathilde was zóo uitgeput van de reis, dat zij achterover tegen het +kussen samenzakte, toen het rijtuig het als een dubbele deur geopende +hek binnenreed, waardoor men in de smalle achter het huis omliggende +oprijlaan kwam. Met een laatsten flauwen blik had zij het nieuwe huis +gezien. Bij het indraayen van de laan kraakten de wielen van het rijtuig +scherp, een van de wielen sjorde even kritterend over het uiteinde van +een met kiezelsteenen bevloerd pad, dat van voren langs het huis heen +liep, heuvelopwaards. Daarna reden ze langzaam, met een kort gekraak van +de kast en lange klachten van de wielen, tot midden achter het huis, +voor een oude stoep met door den regen versleten treden. + +Van den straatweg afgezien, stond Bagatelle, zoo heette het buitentje, +daar, van binnen en van buiten schoongemaakt en hersteld, dof wit, +blauwig-blank, met zijn vier spiegelende raamdeuren, zijn acht +opengestooten smalle lange jaloeziën, van zijn schuin-opgaand grasveld +gescheiden door het kiezelsteenenpad langs den voorgevel, met zijn dicht +blauw-bruin rieten dak tot even boven de raamdeuren neêrhangend, door +twee ronde in vooruitstekend omkastingen gesloten dakvensters gebroken, +en van boven vastgehouden door een schoorsteen aan elk der twee +uiteinden, gelukkig en kalm, te vrede in den zwakken zonneglans. + +Aan elke zijde hing aan het lijf van het huis een in zwart-groen +houtwerk getimmerde warande. Maar uit de verte zag men ze niet, bijna +niets van het heele huis; want een groep boomen, waarachter het +kiezelpad opslingerde, schaarde zich links en rechts, alleen het +grasveld, van ovale bloemperken doorstoken, tusschen hen in openlatend. +Uit de verte was alleen het lage hek zichtbaar: drie smalle strooken +loodkleurig hout, bij iedere meter lengte door paaltjes opgehouden, en +in drie afdeelingen gesplitst door de hoogere glimmend-groene, puntige +hekdeuren, die ieder tusschen twee lila hoekige palen, met ronde witte +bollen er op, zich door ijzeren schrenieren bewogen en zich konden +openen voor de oprijlaan. + +Het buitentje was niet weelderig. Marcheerden de zaken, zoo dacht Jozef, +dan kon men later zien iets meer chics te krijgen; maar, met zijn +uiterlijk van half Zwitschers landhuis, was het toch niet onaardig. + +Toen het rijtuig stilhield, was Jans, die met de vrouw uit het dorp, +waarmede zij de boel in orde had gemaakt, mevrouw wachtte, het stoepje +afgegaan en had het portier open gemaakt. Bij het te-rugzien van +Mathilde, ontstelde zij. Haar weeke wangen bibberden, een beetje bleek. + +--Is u daar, mevrouw? vroeg zij bezorgd, haar ruwe bloote voorarmen +uitstekend om Mathilde behulpzaam te zijn. + +Mathilde knikte, met een flauwe vriendelijkheid. Nauwelijks liet Jans +haar grijze blikken heel even over Felix rollen, maar, terwijl zij +Mathilde stutte, toen deze op het treêtje zonk met haar éen voet, +waardoor haar japon in het rijtuig haperde en een plek witte rok bloot +kwam, en Marie zich bukte om met haar hand de japon goed te doen, keek +Jans wrevelig naar Marie. Zij hielden niet van mekaâr. + +Mathilde zeî tot Jans, met een afwezige stem, alleen dit: + +--Meneer komt ook nog vandaag. Heb-je daarop gerekend? + +Mathilde werd dadelijk naar bed geholpen. De door Jans gedekte tafel in +de groote kamer bleef alleen staan, met zijn hard wit servet, stijf +geplooid, verlaten, afwachtend in de nieuwige en naar politoer riekende +frischheid van de pas schoongemaakte kamer. + +Tegen den avond kwam Jozef aan en at, eenzaam, midden in de +onverschilligheid van de vreemde kamer, als in een hotel, het half koude +eten, na dat door de vrouw uit het dorp de lamp opgestoken was en de +jaloeziën dicht gemaakt waren met een geluid als van valsche lage toonen +van een harmonika. + +Mathilde sliep voortdurend. Na zijn eten keek Jozef, aan iets denkend, +in de lampe-vlam en over de schaduwen en witte plekken van het +tafellaken. Op de vlakte van donker-wit lagen de tegen den draad in door +het linnen heen gestikte glimmend witte figuren. Hun helheid schitterde +zoo naar boven, dat al de overige deden van het laken er donker-grijs +bij werden. Het waren vierkante blokjes, met vier kleine vierkante gaten +in 't midden, als korte breede kruisbalkjes samengevoegd. Jozef, zijn +armen op zijn knieën, zijn borst tegen den tafelrand, staarde zonder te +zien over de figuren, terwijl door zijn neus regelmatig hijgend zijn +adem over het wit blies, als van iemant die wakend slaapt. + +Het was dood-stil in het huis. Jozef voelde een leêgheid door zijn +leden, om zijn armen, die er met koude kracht over heenzonk. Hij keek +eerst, een stukje melodie uit een operette van vier jaar geleden, die +hij zich nauwelijks herinnerde, tusschen zijn lippen blazend, bijna +fluitend, naar de zoldering, vanwaar, in de alles overvlekkende schaduw +der lampekap, het wit aarzelend nederschemerde. Hij hoorde daarboven +loopen, met schoffelende stappen, en stoelen verzetten met dreuningen, +waarvan het geluid ruw door de rustige schaduwen heendaalde. Hij stond +op om alles eens te bekijken, zoo als het nu geschikt was en voor het +hier te leiden leven pasklaar gemaakt. Hij zag het lichte nauwelijks met +groene en gele ruikertje bestrooide behangselpatroon, de oude uit een +dorpsboedel gekochte piano, verder de twee groene kanapeetjes van glad +leder, de stoelen aan de tafel en langs de wanden, rieten en leêren, het +buffetkastje, de drie deuren, waarvan die op den achtergrond in den +korten gang, de twee aan weêrszijden in kleinere aangrenzende vertrekjes +uitkwamen. Dunne, doorschijnende neteldoeksche gordijnen stonden, in een +zwevende houding gestolten, stijf van het strijken, van boven tot +beneden voor de vensterdeuren, hun onderste helft door magere witte +koordjes met kwastjes opgehouden. De donkere lattenopklimmingen der +jaloeziën hingen met wrevel tegen de ruiten aangedrukt. + +Jozef trad in het kamertje links, een kubus met een raam van voren een +in de warande. De vorige eigenaar noemde dit vertrek "het rieten +kabinetje". De tafels en stoelen waren van bruin-geel riet. Op het +tafelplat liep het riet uit een, de biezen uitstralend uit het +middenpunt als een ingelegde ster. De leuningen der stoelen waren ovaal, +peervormig, rijen omgebogen biezen samengebonden door touw-dunne soepele +rieten lintjes. Het kabinetje was vooral nuttig om een kast, diep als +een kamertje, in de muur, en die tot den kelder toegang gaf. Door het +donkere kamertje stapte Jozef, twee treêtjes op, een deur door, in een +hokkerig gedeelte van het huis links de luttele houten trap met een +dunnen looper belegd naar boven, rechts voor hem uit een kamertje met +een alkoof, links voor hem uit de keuken, onder hem het gesloten +kelderluik, met een ijzeren ring om het luik op te heffen, plat getrapt +in een zwartige voor. Alles was hier donker; een vage lucht van timmer- +en metselwerk en van werklui die daar geweest waren geurde van rechts. +De reet van de keukendeur werd bezet door een smalle lijn rossig licht. +Bij tusschenpoozen suizelden deelen reuk van gebraden eten en van +gekookt hebbend aardappelenwater er door heen, vervuld met stukken van +kalme volzinnen van een oude meid, die, met een na het eten smeujige +stem, babbelt. + +Jozef ging in het kamertje rechts. Hij had het voor logeerkamer laten +inrichten, maar een logeerkamer minder in rang dan de twee op de +zolderverdieping, wier vensters door het rieten dak heen op den breeden +weg uitzagen. Hij voelde naar lucifers in zijn zakken, toen, met een ruk +en een gewaai van vrouwenkleêren, de keukendeur openging, het portaaltje +plotseling donkerrossig verlichtende, en weêr dicht ging. Het was Marie, +die de trap opliep, om boven te zien of Felix wel sliep. Jozef had haar +gezien, zoo als haar lichaam zich donker afbeeldde op den achtergrond +van rossig keukenlicht, en in de duistere rondheid van haar hoofd had +hij haar lippen, donkerrood, de warm-blanke plekken van haar wangen en +kin, het glad-glansend-blauw van haar oogen zien schemeren. Zij had hem +niet gemerkt; maar nog, nadat het stappen van haar voeten al lang boven +was wechgebleekt, zag hij, in de duisternis kijkende, daar lichtende +vlekken dansen, waarin mollige stukken van Marie spookten, haar +schouders, haar hoofd, en enkele door het lamplicht verbruin-goude +halshaartjes. Jozef stond daar, de lucifers vergeten, die hij, met zijn +eene hand half in zijn broekzak, aan 't zoeken was, de duisternis +vergeten, zijn oogen bewegingloos, met een krampig gevoel er in, zonder +gedachte. + +Even later was hij weêr bij zijn zinnen. Hij vond in-éens dat hij in een +verschrikkelijk verlaten duisternis stond. Het was toch nog koud al was +het voorjaar! De gedachte viel over hem, dat hij weêr een kleurloos +leven ging beginnen, vernietigend, onmogelijk. Mathilde lag daar ginds, +voor hem verloren. Het was of hij haar van hier hoorde slapen, in een +vasten slaap, waaruit zij voor hem nooit weêr zoû ontwaken. + +Een paar uren later gleed hij, zijn lot verwenschend, onder zijn +eenzame, kille, bijna vochtige lakens. + +De volgende weken was het dag in dag uit hetzelfde eentonige leven. +Mathilde bleef hetzelfde, koortsen verzwakten haar onophoudelijk; een +paar uur per dag maar zat zij op. + + * * * * * + +Den eersten tijd, dat hij alleen in Amsterdam was, gedurende de +kantooruren, merkte Jozef weinig van de verandering in zijn toestand. +Hij mocht nu met zijn ziel onder zijn arm in het stille huis buiten +rondwandelen in plaats van in Amsterdam, dat was het heele verschil. +Maar langzamerhand, daar hij toch vastgesteld had nooit 's avonds vóor +zeven uur buiten te zullen komen omdat hij 's middags nog wel eens iets +op het kantoor te doen had, begon hij gedurende zijn vrijen tijd visites +bij Emilie Berlage te maken, altijd geregelder. + +De lente ging voort. Jozef zeide tot zich zelf dat het jaargetijde dezen +keer een buitengewoon merkbaren invloed op hem oefende. Zette hij zijn +raam open op het kantoor of buiten, over-dag of 's nachts, en de +lentelucht drong in zijn neus en in zijn ooren, dan voelde hij de +herinneringen aan zijn vroegere, zijn ongetrouwde leven met een zoetheid +in zich opleven, die hij vroeger van de werkelijkheid nooit had +ondervonden. Hij kon wel, zijn blik in de verre lucht, aan den tijd van +vóor zijn trouwen met weemoed te-rugdenken, als een droomer, zich niet +heugende hoe diezelfde tijd hem toen gewalgd had. + +In een zachten overgang, zonder den minsten strijd, zonder dat hij er +een besluit voor hoefde te nemen, maakte hij een middag het voornemen, +dien avond niet naar buiten, maar naar de club en daarna naar de opera +of zoo te gaan. De gelegenheid was nu beter dan ooit. Mathilde was er +niet om hem, door haar zwijgen of door een aanmoediging, die hij meende +averechtsch te moeten opvatten, te-rug te houden. Hij telegrafeerde om +vier uur twintig aan zijn vrouw: "Ben verhinderd, kom morgen". Daarna +ging hij bitteren in de club, waarvan hij nog altijd lid was gebleven, +en dineerde met drie vrienden, Hasman, d'Ablaincourt en een officier, +die hij, zoo als altijd, ook nu weêr in de club gevonden had, in het +blauwe bovenzaaltje van café Suisse. + +Een gevoel van verlatenheid, bevreemding, van afwijking van gewoonte, +loste zich over zijn schouders op in een blijde te-rugkeerende vrijheid. +Hij dronk zooveel wijn tot hij in een vroolijke stemming was; hij lachte +met zijn groote tanden, terwijl zijn breede snor dan telkens naar boven +sprong. Gewaarwordingen als van vier jaar her vulden hem. De +huwelijksjaren krompen samen, verdwenen. Hij was de oude. Hij had weêr +pleizier. De kellners schenen met de gewone eerbiediggemeenzame oogen +toe te zien, maar verrast en met kleine herkennings-glimlachjes +onderling. Tegen het dessert dronk hij veel achter mekaâr, om zich op te +winden, want het hanteeren van het hem vreemd geworden leelijke nare +restauratie-tafelzilver, de oppervlakkige koude feestelijkheid van de +witte gladheden der borden, de glazen, het gas, de gebaarde +heerengezichten, in dit alles scheen even een verwijt te trillen, 't +gezin, dat naar hem wenkte, ziek en jong, uit de verte. Hij voelde het +verwijt onder zijn haar opstijgen. Hij deed even zijn hand aan zijn +hoofd om het te verdrijven, in een verdoovenden glimlach, rondziende of +iemant ook iets over hem dacht. En hij, die gedacht had een gelukkig +echtgenoot te zijn en van het regelmatige en bedaarde genot van den +huiselijken haard! Hij voelde, dat hij veeleer op déze manier gelukkig +was. Hier was zijn plaats. Hij kon niet anders verlangen. Het andere was +onmogelijk voor hem gebleken. Hij merkte, dat hij weêr met het oude +gemak het stugge, weêrspannige, veel te stijf gestreken restaurant-servet +behandelde. Hij voelde zich achter tegen den rug van zijn stoel zitten, +zijn leden meer in mekaâr, terwijl zijn vleesch en geest zich heelemaal +overgaf in een neêrbuigen van zijn kin over zijn hals, terwijl van onder +zijn gladde voorhoofd, flikkerende in den gas-schijn, zijn oogen lachten +met de grappen van de vrienden. + +Toen Jozef, na het diner, weêr op den trottoir stond, ruischte het +verwijt weêr tegen hem aan uit de onverschillige grommeling van de +straat. En Mathilde? ... Mathilde? ... Zij moest den telegram al lang +gekregen hebben, Jozef zag naar den grijzen trottoir, waarover de +gasvloed uit de winkelkasten spoelde; zijn breede, wijde manchetten +vielen over zijn handen, de wijde pijpen van zijn lila-broek stonden, +als olifantspooten, tot bij de punten van de schoenen. Hij dacht aan +Mathilde en aan buiten, een angst klom in zijn keel en hij voelde zijn +hoed zijn hoofd als een klemmende ring omvatten. Daarna keek hij op, +zijn vrienden wachtend, die hij met stappen, kletsend in den gang van +Suisse, hoorde aankomen. De menschen, donker bewegende beelden, hoog en +laag, liepen schoffelend voorbij door het praatgesuis heen. De zwarte +lucht walmde neêr over de huizen. Eén minuut was 't Jozef als of al die +menschen in hun ruischend gebrom, met hun bewegende monden achter hun +haarden, allen over hetzelfde onderwerp spraken, een belangrijk, +aangrijpend onderwerp, dat allen bezighield. Allen waren ernstig, +afgemeten, hij ving schuinsche blikken op, in zijne richting gestuurd. +Zij spraken van hem, zij spraken van Mathilde, hoe ongelukkig zij was. + +Nu begreep hij plotseling, dat zij naar hem moest verlangen, dat zij aan +de waarheid van zijn telegram twijfelen zoû. Hij zag haar van hier voor +op haar ziekestoel zittend, onrustig, zonder te leunen, haar blikken zoo +vreemd, naar voren, zooals zij kijken kon in uren, dat zij een verdriet +voorzag en wel zeide dat te voelen naderen als een aankomende +krankzinnigheid. Zoo als hij haar gezien had na den dood van den ouden +de Stuwen, zóo moest zij nu dezen avond zijn, daar ver van hem +verwijderd, alleen in het ontbottende Gooi. + +Maar Jozef vermande zich. Gekheid! Hij zoû haar nooit ongelukkig maken. +Hoe kwam hij aan die gedachte? En hij beloofde aan zich zelf, dat, zoo +hij het vervelende eenzame leven al niet langer verdragen kon, zoo hij +zijn vrijheid in 't vervolg weêr wat minder opgesloten zoû houden hij +toch vooral zorgen zoû, dat Mathilde er niets van merkte en zij er in +'t minst niet onder leed. + +De heeren gingen nu naar de fransche opera in den Stadsschouwburg. In de +pauze zeî een van hen, bij die gedachte gebracht door het hooren van de +muziek, dat die muzikale avondjes nu wel gedaan zouden zijn bij Jozef. + +--Ja, andwoordde hij, zoolang als Mathilde niet beter is, dat begrijp-je. + +Er werd verder weêr over Mathilde gesproken; een lichte ironie trilde in +de rooyige gezichten. + +Toen Jozef om halt drie dien nacht met zijn kalmen regelmatigen tred +naar huis stapte, dacht hij voortdurend aan Mathilde. Een spijt sarde +hem, telkens opkomende, hij vlagen. Het scheen hem, dat hij haar een +groot leed had gedaan. Hij verzon nu, wat hij haar opgeven zoû als de +reden, waarom hij niet buiten was gekomen. De zaken natuurlijk. Dat was +het eeuwige voorwendsel, onweêrsprekelijk, Met de zaken bemoeide zij +zich zoo weinig, van de zaken wist zij eigenlijk niets af. + +En, den volgenden dag buiten, zittend vlak bij Mathilde, zijn knieën aan +haar knieën, de telegram open op tafel met het koude blauwe schrift van +den telegrafist, vertelde hij haar een heele geschiedenis. Hij had weêr +veel meer pleizier in de zaken gekregen dan vroeger, hij begon een +nieuwe onderneming, waar hij veel aan dacht en waarvoor hij veel werken +moest. En zij, met haar vage zieke oogen, geloofde hem als een kind, nu +zijn hand zoo vertrouwelijk lag op haar knie, bijna bloot onder de dunne +witte nachtjapon. + +Nu gleed Jozef zoetjes-aan heelemaal tot zijn vorige leven te-rug. Hij +vond het erg aangenaam met zijn gepozeerdheid van jong elegant getrouwd +man in zonnige middagen over den Dam, door de Kalverstraat, door de +Reguliersbreêstraat te wandelen, terwijl zijn vrouw op hun villa, buiten +was. Een anderen keer ging hij weêr eens over het Koningsplein, door de +Leidsche straten, naar het Vondelspark. Hij vond de oude manieren weêr +te-rug om zijn lichaam te bewegen en voor zich uit te zien, zoo dat de +dames hem bekeken met belanghebbende blikken. Zijn oude koketterie +steunde nu op een zekere hoogheid en te-ruggetrokkenheid, nu hij zich +als getrouwde door de nieuwsgierige oogen beschouwd voelde van de +juffertjes en de zusters van zijn kennissen. Hij deed weêr minder in +Emilie Berlage. Hij had een paar maal de ouders van den overleden +echtgenoot bij haar ontmoet, die hem op onaangenaam aandringende manier +naar Mathilde vroegen. Een buitendien maakte Emilie hem driftig, om dat +hij dacht, dat zij hem alleen maar zoo'n beetje voor den gek hield. + +Er openbaarde zich in hem een heftige reaktie tegen de jaren van +ingetogen huwelijkstrouw. Als iemant, die een vroeger geliefd huis, waar +hij in lang niet kwam, de trap opgaat, ging hij weêr heelemaal op in het +pleizier van matig uitgaan. De heele stad was nogmaals zijn terrein. De +beminnende onrustige vrouw was er niet meer als een spaak in het wiel. +Het was wel een aardige roman geweest, die enkele jaren van geheele +kalmte en maatschappelijke geregeldheid, met altijd dat zelfde lichaam +en die wijde donkere oogen, die zoo weinig wisten, om meê te zijn. En +nu, met de ziekte, zoo opgescheept als hij eerst met die nutteloze, +onbruikbare vrouw was geweest in de stad, zooveel genoegen, deed 't hem +nu te kunnen zeggen, dat hij zijn vrouw naar een villa in het Gooi had +gebracht, om van een bedroevende kwaal te herstellen. Hij had het nu +voortdurend over "zijn optrekje" en "ons optrekje". Hij sprak over +"Bagatelle" in een toon van: "Je weet wel, mijn buitentje, waar mijn +zieke vrouw woont". + +Jozef bleef nu herhaaldelijk 's nachts in Amsterdam. De maanden April en +Mei ontrolden zich met onafgebroken mooi weêr. Jozef die tegenwoordig +bijna geregeld naar de Beurs ging, betrapte zich, bij het uitgaan +dagelijks op wankelingen in zijn besluit om dien dag toch naar buiten te +gaan. Als hij 's morgens in het te breede ledikant in Amsterdam wakker +werd, het gemakkelijke huwelijksbed, dat hij, na Mathildes vertrek, met +schoone lakens weêr in gebruik had genomen, en hij hoorde en zag de +stille leêgheid, die alle verdiepingen, alle kamers en vooral hier hun +slaapkamer, vervulde, dan kwam er altijd een golf van teederheid over +hem. Hij stond op en in de frischheid van het aankleeden, in de bleeke +zonneschemering door de neêrgelaten gordijnen, op zijn kousen met dolle +stappen door de kamer loopend, zich bukkend om uit de lâ zijn boord en +zijn das te krijgen, alleen zijn eigen bewegingen hoorende, het geruisch +van zijn overhemd, het smakken van zijn ontwakenden mond, zijn kriegelig +gapen, zijn eerste stijvere stappen met de aangetrokken schoenen over de +vloer,--dan miste hij Mathilde. De nasmaak van de pleizieren van den +vorigen avond was bitter, was hij dan weêr een groen losbolletje +geworden? Gedurende het wasschen nam hij zich onherroepelijk voor in 't +vervolg geregeld naar buiten te gaan. Gedurende het afdroogen, achter de +klammerige sijpeligheid van zijn gezicht in den nieuwen dag, herinnerde +hij zich, hoe ze gister-avond gelachen hadden, en hij lachte, bij het +herdenken van de kleine overwinningen zijner ijdelheid, nog eens +stilletjes over, tegen den spiegel ziend om zijn haar, dun en zijig, te +kappen. Daarna tikte de barbier aan de deur. Hij maakte een praatje over +het weêr en Jozef dacht met genoegen aan de straat, waarop hij zich zoo +meteen weêr vertoonen zoû. Als hij geschoren en gekleed was, krulde hij +voor 't laatst zijn snor voor den spiegel, beschouwde zich met een +kalm-tevreden blik, en zijn voornemen om naar buiten te gaan werd minder. + +Als hij beneden ontbeet, had de dikke Dientje altijd een reden om in de +kamer te zijn. Dan vroeg zij of zij van-avond weêr op hem rekenen moest +met de deur, waar dan de ketting niet werd op gedaan. Hij andwoordde +onzeker. Dientje verzocht wel de komplimenten aan mevrouw. Daar had zij +altijd den mond vol van. Zij kon, dik en medelijdend, met een welgedaan, +gezond hart, onder de strakke paarse jurk, niet hebben, dat mijnheer +niet elken avond naar buiten ging. Telkens als hij van buiten +te-rug-kwam, en zij hem vóór kantoortijd even te spreken kreeg, vroeg +zij met drijvende oogappels en een deelnemende trek om den mond, hoe 't +ging met mevrouw. + +De kantoortijd was gauw voorbij. De bedaarde zaak ging haar geregeld +gangetje, zoo als zij het nu al veertig jaar lang had gedaan. Jozef zat +daar, krabbelde met zijn gouden potloodje over het korrekte koele +papier, kontroleerde eenige geschriften, dronk koffie en ging naar de +Beurs of dejeuneerde ergens anders en ging daar vandaan naar de Beurs. +Bij kleine buyen was te midden zijner verveling een lust door hem heen +getrokken, om zaakjes, kleine ondernemingen, te doen. Hij deed 't, maar +'t bleef bij het onbeduidende, eenige honderden gewonnen, eenige +honderden verloren, verder bleef de zaak op de oude klandizie drijven. + +Na de Beurs, als het in de jonge zon oplevend witte kleinen steenen veld +van den Dam zich om hem heen uitstrekte, terwijl zijn zintuigen links en +rechts door de glinsteringen en het gedruisch van de omgeving werden +aangedaan, gebeurde zijn groote aarzeling. Hij had een eigenlijk zwak +karakter. Hij wilde en bepaalde nooit vooruit wat hij zoû doen, zonder +dat hij op 't oogenblik van handelen er nog eens over dacht liever het +tegenovergestelde te doen. Dikwijls tusschen half drie en kwart voor +drieën op den Dam, werd hij dan woedend-driftig en werd zijn hals rood. +Nog eens was dus zijn levensinrichting vernietigd! Hoe had hij gehoopt +en gemeend nu het kalme fatsoenlijke genot-volle leven te hebben, tot +aan zijn dood. En daar stond hij op den Dam, als vijf, zes jaar geleden, +met zijn leêge handen, zonder hoûvast. De gevangen vogel was door zijn +vingers wechgevlogen. Hij was weêr alleen. Zijn rustige vriend de Stuwen +bestond zelfs niet meer, met wien hij over gewone levenszaken zoo graâg +op burgerlijke manier zat te praten. En de Stuwens dochter was daar +buiten, ook alleen, half dood eigenlijk voor haar man. Rechts voor hem, +vóor van Gend & Loos, vertrok de omnibus naar de Rhijnspoor. De klok +boven aan het Paleis wees aan, dat hij zich zoû moeten haasten. Maar hij +wilde niet, hij wilde zich niet haasten. Hij haastte zich nooit. Een +groot gedeelte van het gentlemanlike in zijn persoon, in zijn houding, +in alles was hij deed en naliet, bestond uit dat zich altijd meester +schijnen, uit dat voortdurend leven met ingehouden kracht, uit dat zich +nooit haasten. + +Wanneer de omnibus, het Rokin over, eenmaal uit 't gezicht was met zijn +op-en neêrgaanden kondukteur in het kader van de opening naar binnen, +viel er een drukkende lust uit Jozefs leden en scheen over de vierkante +gladde keyen wech te wolken, onwaarneembaar. Hij had dan niet langer te +wikken en te wegen en de langzame gewaarwording van het zich aan zijn +luiheid in de zelfregeering overgeven, verdrong zoetjes de +geestesspanning van zoo straks. Hij deed een paar stappen over den +harden stadsgrond, waar men ten minste over gaan kon zonder zijn +schoenen en broekspijpen te bestoffen zoo als in het zand, buiten. De +flauwe laatste openbaringen van zijn inwendigen twee-strijd waren de +gedachten aan de volgende treinen, waarmêe hij nog zoû kunnen +vertrekken, aan de rijtuigen, die dicht bij hem klaar stonden, waarmeê +hij dezen trein nog kon halen, die even door zijn hersenen glipten, maar +die verdampten in de onberedeneerde valsche zekerheid van dat dat +onmogelijk was. Hij liet zich gaan, drong zich gemakkelijk de overtuiging +op, dat het laatste middel om vandaag buiten te komen, niet meer bestond. +En hij had weêr een dag en een avond om zijn genietingen van vroeger te +herleven. + +Hij vond, zacht en weldoend in hun verbleektheid van herinnering, de +vroegere sensaties te-rug. Het bitteren in de club, de banale eeuwige +jeugd der vrienden, het eenigszins fijn dineeren, de altijd kittelende +herhalingen der zelfde gesprekken over rijke meisjes die onvermoede +huwelijken deden, over bankiersfaljieten, over wijnmerken, over spijzen, +over paard-rijden, over bals van den verloopen winter en bad-reisjes +voor den aanstaanden, zomer, vooral over de aanstaande van die en de +weduwe van die, over de allergewoonste zangeressen en over de eigenaars +van café-chantants, hij maakte ze weêr en weêr door, de oude verveling +was geweken, hij hoorde ze aan en sprak meê met zijn mooi bloeyend +gezicht, en lachende onder zijn prachtige snor. Hij ondervond, tot +overmaat van pleizierige bevreemding, weêr het genot van zoo gemeenzaam, +met het wijsheids-gemak, en de goedige onverschilligheid van den +ondervindingrijken man, die zijn wereldje kent, al die zaken te +behandelen. + +Vóor het diner maakte hij een enkele maal een toertje te paard, maar +zelden, héel veel hield hij er nÃet van. Na het dinee was het weêr een +komedie, een koncert in het Volkspaleis, een avondje doorgebracht bij +een oude vriendin. Maar kalm, alles bedaard, alles met de bedaardheid +van vroeger, vermeerderd en versterkt door zijn telkens meerdere +rijpheid. + +Den volgenden dag reisde hij trouw naar buiten. Hij vond Mathilde altijd +dezelfde, zwijgend, met haar zieke stem hem naar de zaken vragend, met +de eindeloze hoop op herstel. "Begrijp je, als ik weêr beter ben, +dan, ... begrijp je, als ik weêr beter ben" Altijd had zij andere +plannetjes voor de toekomst, allerlei kleine gelukjes, die zij samen +zouden hebben. Als hij twee, drie dagen achter-mekaâr buiten kwam, vond +hij haar vroolijker dan gewoonlijk. Maar als hij daarentegen eens +wechgebleven was, scheen ze dat toch niet zoo erg naar te vinden. En dit +stelde hem veel te vrede. Eene berustende, lijdende, gelijkmatige kalmte +was over haar gekomen. Eén ding was wel eens op hem gevallen. Was hij in +haar bijzijn, dan stonden haar blikken in zijn oogen, volgden zijn +minste bewegingen, drongen over zijn lichaam, met een vreemde volharding. +Dan vroeg hij haar bijvoorbeeld iets en andwoordde zij niet, zij scheen +hem niet te hooren, hem drinkende in haar starende, groeyende, zwijgende +oogen. Eens had hij gezegd, een beetje gedwongen: "Wat kijk je me raar +aan ...", zij zeide: "ik? ... ik? ... wat bedoel je? ... Wel neen, dat +verbeel-je je maar". + +Een andere keer als hij weêr, na de Beurs, op den Dam stond, van-zelf +naar de dommelende paarden van den omnibus kijkend, en hij was gisteren +pas buiten geweest, was het de last en het hinderlijke van de reis, die +hem deed besluiten in de stad te blijven. Onophoudelijk dat heen en weêr +trekken, in de stofterigheid of de smerigheid van de spoor en zoo, het +vervelende eentonige hossen, een paar uur lang, in zijn eentje, om als +belooning van zijn moeite in denzelfden afmattenden vreugdelozen +doodschen dampkring, buiten aan te komen, dat was heel onaangenaam. Als +hij den omnibus maar zag, voelde hij zich al hobbelen tusschen allerlei +burgermenschen in, met een door het dansen veroorzaakte tergende jeuk, +die hem noodzaakte aan zijn neus te wrijven elke vijf minuten, hij liep +al in de gedrongen haasterigheid van het stationsperron, hij voelde zich +het onbeduidende grijze landschap doorstoomen, verder de eenzame rit van +Vreeland, Kortenhoef en 's Gravenland in het gemeene tentwagentje, met +den viezen koetsiersjongen voor hem en den ouden hit, en dat alles om +zijn naren dag door een nog naarder avond te laten volgen, zonder zelfs +altijd bij Mathilde te kunnen zitten, korte woorden over het weêr en de +huishouding met de meiden wisselend,--neen, het was te akelig. Zijn +eenig genoegen was dan Marie te zien, zwaar en warmblank. Maar haar +verschijning prikkelde hem minder dan eerst, haar onnoozele +landelijkheid drong op den achtergrond zijner verbeelding, nu hij zijn +steedsche pleizieren juist weêr herleefde. + +Als Jozef naar buiten ging, zoo in een paar uur, uit het midden van +Amsterdam overgeplaats naar Hilyersum, steeg hij als uit een lauw bad +van geurend water in de koude ijzige lucht. Uit al de kleuren van +huizen, van winkelkasten met hun spiegelende ruiten, van de roepende +advertentieborden aan de muren, van de door gevellijsten afgelijnde +luchtvakken, waartegen het gerij, en gestap en geschreeuw opsteeg, van +het grommelend en witschitterende leven, waar hij met een stille genot +der gewoonte door heen wandelde, was hij ineens midden in de wezenloze +stilheid van het buitentje, waarvan de grijsheid en droefheid niet +opbloeiden in de lentezon, die het met vonken besprenkelde. + +Maar zijn grootste plaag was de rit 's morgens vroeg van Hilversum naar +Amsterdam met de dilligence. Daar hij volstrekt op het vaste uur--half +tien uiterlijk--op het kantoor wilde zijn, reden die treinen tusschen +Utrecht en Amsterdam, die te Vreeland stopten, allemaal te vroeg of te +laat. Ellendig! Dat was éerst een haastig aankleeden in het kleine +kamertje, hij sliep daar in een alkoof, waarvan het achterschot in twee +deuren geopend kon worden en dan uitkwam in de kamer van Mathilde. Hij +had daar willen slapen om vlak bij haar te zijn altijd. Er kon 's nachts +iets met haar gebeuren, had hij in het begin tegen den dokter gezegd, +nog niet wetende, dat hij niet alle nachten buiten zoû zijn. Nauwelijks +aangekleed, uit zijn humeur, moest hij ontbijten in de frissche vroegte +van de groote kamer. Marie was dan nog boven bij Felix; Jans had alles +maar half goed in orde gebracht, met slaperige oogen. Hij had zijn +koffie en zijn ei nog niet op, of uit de verte klonk het waarschuwend +getoeter van den diligence-kondukteur, snerpend en rauw langs de +vensters. Dan moest hij ijlings zijn overjas aantrekken, even, met een +gedruisch, in de klamme kalmte van Mathildes kamer dringen haar een +afscheidszoen geven op haar vermoeid gekleurde wangen na een pijnlijken +nacht, beloven dien middag te-rug te zijn voor het eten en--de oude +gele kast wachtte al in 't midden van den breeden grijs-gelen weg +in-éen-zakkend binnen zijn grove wielen. Binnen-in had hij 't niet uit +kunnen houden en maakte dus nu de tochten achter het vooruitspringende +bankje van den voerman, in de van voren uitgehouwen nis zittend, +waarover de met pakken en kisten beladen houten kap een eind heen stak, +tegen den regen. Er waren drie plaatsen op zijn bank, waarvan er twee +meestal door een groenteboer of paardenkoopman werden ingenomen En dan +begon de schommeling van twee en een half uur, terwijl de eene buurman +pruimde, kwijlde en spoog, de andere met den koetsier samen zijn gemeene +tabak rookte. Er waren geen gezichten van naderende lente ter wereld, +geen stille, bescheiden zonnestralen die zachtjes over zijn knieën +kwamen glansen, die hem vrede met zijn lot konden doen hebben. Meestal +trachtte hij te slapen, terwijl de ochtendwind zijn snorhaartjes +spartelen deed. Hij verachtte de gesprekken zijner buurlieden, trachtte +er niet op te letten. Hij vloekte in zich zelf om dat hij geen eigen +rijtuig had, dat hem, met twee onvermoeibare paarden, in de helft van +den tijd heen en weêr gebracht zoû hebben. En onbestemde oude lusten om +zich rijk te maken, om zaken te doen en zich binnen weinige jaren alle +weelde te kunnen veroorloven woei de lentewind door zijn hersenen bij +het aankomen in Amsterdam en met kletterend geraas en rollend gehobbel +door de Muiderpoort rijden. Hij zoû dadelijk beginnen, iets nieuws +verzinnen, speculeeren, een jonge onderneming, een maatschappij, een +premieleening op touw zetten. Maar op zijn kantoor, achter den kostbaren +lessenaar, die zich eeuwig verjeugdigde, eerst onder de ellebogen en +mouwen van zijn vader, nu onder de zijne, wolkten de plannen wech. Hij +was lui. Hij was bepaald geen man van zaken. Hij stelde zich weêr te +vrede met het betrekkelijke gemak, het tamelijke welzijn, dat hij nu al +genoot. Men mocht niet wagen, houden wat men had, dat was de hoofdzaak. +De voorzichtigheids-overtuigingen zijns vaders leefden in hem voort. Hij +voelde, in zijn kalme genoegdoening van mooyen man, met welbehagen de +beperktheid der cirkels van zijn begeerte en gedachten. + +Hetgeen Jozef weêr van-zelf zijn versmaad en vergeten leven van vroeger +deed beginnen, was de leegheid die van Mathildes kant vermeerderde. Hij +voelde Mathildes wezen uit zijn hart en uit zijn zinnen vervreemden, als +een stroom van 't een of ander, die daar langzaam uit zoû zijn +wechgevloeid. In Amsterdam, in huis, was zij niet. Hij liep langs de +bloementafel in den gang, langs de meubelen in de kamers, die daar op +haar verlangen zoo waren geplaatst. Er was niets, neen niets, noch de +looper op de trap, noch dat soort stoven in de binnenkamer, noch het +tapijt in de zaal, noch de pendule "voor", of zij hadden er samen over +gesproken, het samen uitgekozen. Aan alles was iets van haar en dat hem +haar voortdurend herinnerde, hij zag haar gaan, over hun woning te +vrede, met glimlachjes hem verzekerende, dat nu alles goed was. Hij kon +geen deur voorbijgaan, of hij zag het uiteinde van haar sleep daar +verdwijnen, terwijl zij zelve al binnen moest zijn om haar huishoudentje +te doen, een visite te ontvangen, hem op te wachten, haar huis, in een +woord, te bewonen. En nu! Wech was ze. Zij had het huis alleen gelaten. +Het verloor zijn bestemming. Hij herkende zachtjes-aan noch de +zolderingen, noch de wanden, noch de vloeren meer. Ja, het was toch wel +hetzelfde huis, maar het geen het vroeger maakte tot wat het was, was 'r +uit verdwenen. Was alles, al het omringend, de ruimten van den gang, van +de trapkast, van de kamers, vroeger dan beschilderd geweest met +tooverige voorstellingen, met verrukkelijke kleuren, was overal een +donzig en geurig behangsel wechgevallen? Neen, alleen een warme, +dof-roode tint moest alles omzweefd hebben en was nu wechgevaagd. Hij +scheen nu alle lijnen en hoeken, de afmetingen van den inwendigen bouw +van het huis, de grenzen der voorwerpen, beter, duidelijker te +onderscheiden. Een koude had de kleuren verminderd om de lijnen en +streepen duidelijker te maken. Hij zag alles naar voren komen, zich +afteekenen tegen den achtergrond, waarmede het vroeger meer éen scheen +te zijn. De ziel van het huis, de adem, was er uitgegaan. En hij zocht +in de stad het leven, dat hier weigerde zich aan hem voor te doen. + +Tusschenbeide, na dat hij weêr erg met vrienden in de stad samen was +geweest, joeg een dwaze begeerte hem met zekere snelheid naar buiten. +Een gejaagdheid sloop dan door zijn leden, die hun kalmte bijna +verloren. Zijn hand trilde bijna, als hij zijn kaartje nam aan 't +station. Hier stond hij met zijn leêge armen, met zijn verlaten borst, +voort! daar ginds was zij, die hem weêr dwingen zoû zijn armen om haar +schouders te slaan, zijn handen samen te vouwen over haar rug, haar +handen vlak uit tegen zijn borst en zich tegen hem aan drukkend. + +Als hij dan buiten kwam, week de waan geheel. Onveranderlijk zat zij +daar, eerst voortdurend in haar slaapkamer, later voortdurend in de +groote kamer, te zwak om hem bij zijn binnenkomst te gemoet te gaan, met +armen lam van uitputting, met beverige lippen, die hem nauwelijks +zoenden, hem altijd dezelfde vragen doende over hoe het ging in de stad, +over de zaken hem verhalende wat de dokter had gezegd, over het eten +sprekende: een geliefkoosde spijs, die gisteren voor hem was klaar +gemaakt, waarom hij toch niet gekomen was?, hetzelfde verschiet van hoop +in de toekomst openende, maar vager, met te-rugwijkingen van de stem, in +'t midden een volzin haar spreken stakende, en hem dan kalm, zonder +ontroering, zoo wonderlijk aanziende, dat hij, denkende met een +ziekte-verschijnsel te doen te hebben, het venster uitkeek en na een +poosje een opmerking maakte over het aangroeyende groen. + +Vóor den eten kwam Marie geregeld, als het mooi weêr was, met Felix van +een wandelingetje te-rug; als het slecht weêr was, van boven, om het +kind aan zijn vader en moeder te laten zien. Jozef vermeed Marie aan te +zien; Felix werd met gedwongen liefkozingen behandeld, terwijl er, met +dat kind tusschen hen beiden in, zijn blauwe oogen vragende wat de aarde +was, beurtelings naar hem en naar haar gericht, een wind van droefheid +snel, sidderend, tusschen hen uit heen woei, de glazige ruiten door, ver +over den weg naar buiten, en Mathilde wit werd, roerloos. Eens regende +het in een voorjaars-storm, vóor de komst van den zomer; in sabelende +scheuten kletsten de droppelen-massaas tegen het glas. Huiveringen +zwiepten langs den grond van kiezelsteenen, over het dunne opschietende +gras tot aan het hek. Het woud van kleine blaadjes in iederen machtigen +iepenboom, aan den grijzen weg, kromp ineen, fladderde als millioenen +vogelenvleugels, samen, buigend en wenkend, warrelend in angst. Het kind +kreet 't toen plotseling uit, in lange frissche geluiden uit de jonge +keel, zijn gezichtje wrong zich samen, verschrikt voor het naderende +leven. Daarna stond 't weêr effen, zonder een rimpel in het gladde vel. +Als Felix schreeuwde, droeg Marie hem wech, hem sussend, hem dansend in +haar armen. Jozef en Mathilde bekeken de lucht, ieder door een andere +ruit ziende, zwijgend, met lichte kuchjes en ademhalingen. + +Het gebeurde wel eens, dat de dokter zijn bezoek kwam brengen na Jozefs +aankomst, ofschoon hij meestal, in zijn tweewielig overkapt +dokterswagentje, 's ochtend vóor twaalven de ronde deed aan deze zijde +van het dorp. De dokter was een dik rooderig mannetje, bestaande uit +lagen vleesch en huid die op elkaâr zwabberden, een boerenzoon, die +gestudeerd had, het examen onder de oude wet had gedaan, en nu niet +zijn helle oogjes en mopsneusje zijn bewegelijkheid en bekrompen +levenswijsheid in een ruwheidsvoorwending uitstalde. Hij had een paar +brieven met zijn Amsterdamschen kollega over Mathilde gewisseld en +behandelde haar nu met zijn tergende flinkheid, zich onophoudelijk in +zijn verwachtingen bedriegende, onuitkomende voorspellingen doende, deze +koppige kwaal niet begrijpende. Wanneer het maar eerst zoo warm werd, +dat Mathilde bijna den heden dag in den tuin zoû kunnen doorbrengen en +wandelingetjes in den omtrek doen, dan zoû 't wel gaan. Jozef vond den +dokter een onaangenaam kereltje. Tegenover de wereldschheid van Jozefs +uiterlijk en manieren verborg hij zijn ergernis van boerenzoon onder +wantrouwende oog-opslagen en een soort van stugheid in de stem. Hij vond +zich belemmerd in zijn korte vette gebaren en in zijn driftig +plattelandsgeneesheers-gezach door de zwierig-bedaarde bewegingen en +kalme woorden van Jozef, die een hoofd grooter was dan hij. + +Terwijl de dokter dikwijls lang bleef zitten, Mathilde's onderworpenheid, +die zijn raadgevingen en gezegden aanvaardde, exploiteerende, stond Jozef, +die eerst meê gesproken had, in een hoekje aan den anderen kant van de +kamer, bladerend in een prachtwerk, ongeduldig onder zijn kalmte. + +Nu Mathilde haar dagen in de groote kamer leefde, dineerden zij daar +samen om vijf uur, als Jozef gekomen was. Om negen uur, half tien, ging +Mathilde naar bed, Jozef nam afscheid op haar slaapkamer, schoof +langzaam door het gangetje naar de groote kamer te-rug, na dat hij, door +de reet van de keukendeur, de warm rood blanke Marie gezien had, haar +roode vochtige lippen onder den lampeschijn, in den damp der kommetjes +koffie, tegenover Jans. + +Jozef ging ook vroeg naar bed, niet wetende wat te beginnen. Dan lag hij +dikwijls uren wakker en hoorde de stille ziekelijke woelingen van +Mathilde achter het schot. Hij hoorde haar hijgen, zacht opstaan, +drinken, en heen en weêr gaan met schuivende stappen, weêr gaan liggen, +zonder slaap, alles met de afgematte bewegingen van een eindigend +lichaam. Een woede steeg in hem op en maakte zijn hoofd heet, Wie, +verdomd, of wat, noodzaakte hem zich hier te liggen vervelen, in dezen +ellendigen uithoek van het Gooi! Welk leven had hij zich bereid, vier +jaren geleden! Allerlei denkbeelden en verwenschingen stegen op uit de +verste hoeken zijner hersens. Er was geen enkel in zijn jeugd wel eens +overwogen levensplan of het schoot hem nu weêr te binnen. Waarom niet +dit gedaan, waarom niet dat gedaan, in plaats van dat huwelijk! Waarom +was hij niet in Parijs gaan wonen of ergends in het buitenland, zoo als +hij zoo dikwijls had willen doen! Daar lag hij nu, zonder pleizier, +zonder iets! In wrevel spalkte hij nu zijn neusvleugels en hoorde het +heele losse huis kraken en inslapen om hem heen. + +Meestal in deze nachten, lag hij te luisteren naar de geruchten van de +eenige verdieping, boven zijn hoofd. Eerst hoorde hij de trap kreunen, +als Jans en Marie naar boven gingen. Jans sliep in een alkoof, van den +kleinen zolder uitgespaard, door een dun schot er van gescheiden, boven +Mathilde; Marie sliep op het tweede der logeerkamertjes, aan de +voorzijde van liet huis, juist boven Jozefs hoofd. Het huis was zoo +dun-netjes gebouwd, dat Jozef elke stap van de pantoffels der meiden +hoorde. Jans stapte licht, met haar magere oude beenen, Marie met zware +voeten, meer klotsend. Hij hoorde haar stilstaan, met een gespatter der +zolen, vóor Felix ledikantje. Daarna verder gaan, het getikker van haar +zaakjes, die zij op tafel leî, daarna een dof gemorrel, zij moest zich +uitkleeden, daarna: "nacht Jans, wel te ruste" en het bromde te-rug, van +achteren, veel verder af, als van iemant, die buikspreekt: "nacht, kind, +slaap wel"; hierop hoorde hij het zware liggen-gaan van Marie in bed. +Hierna was alles stil. Alleen een muis kraste achter het behangsel, en +sarde Jozef uit den slaap, tot hij herhaaldelijk was opgestaan, om hevig +te kloppen. + +Eens bleef hij vier dagen achter-mekaâr in Amsterdam, elken dag +telegrafeerende, dat hij te veel op het kantoor te doen had, om te +komen. Mathilde scheen niet verwonderd bij zijn te-rugkomst. Zij zoende +hem alleen flauwer, meende hij, en zag hem nog langer, nog wondelijker +aan, met haar wijde oogen, waar een vreemd iets in sprankte. Zij ging +een beetje beter, zeide zij. De heele beterschap zoû zoetjes naderen. + +Eens op een anderen nacht, tegen den ochtend, werd Jozef wakker. Hij +wist eerst niet wat hem wakker deed worden, wilde weêr inslapen, zijn +gezicht tegen den wand. Toen hoorde hij iets als blazen, ademen, iets +dat leefde vlak bij zijn hoofd, een wezen, een dier misschien. Hij +sprong op tot een zittende houding, draaide zijn hoofd boven zijn +schouders rechtsom, keek in de wemelende donkerte, luisterend, +onderzoekend. Het moest van achter het schot komen, uit Mathildes kamer. +Hij hield zijn oor tegen het-hout. Nu hoorde hij hijgen, iets als een +onhoorbaar schreyen, iets als een regelmatig kloppen van ver af, als op +een aanbeeld van uren afstands onder den grond. + +--Mathilde, riep hij, wat is dat? Is er iets in je kamer? Ben je wakker? + +Het geluid hield op. Hij kreeg geen andwoord. Hij hoorde zachte voeten, +wijkend, met het geruisch van een kleed er over heen. + +--Mathilde, ben je wakker? + +Nu sprak uit haar ledekant haar stem, zacht, gejaagd: + +--Ja, is er ies? + +--Hoor je niets in je kamer? + +--Ik? ...nee, nies ... + +--Is je licht aan? + +--Ja ... ik was zelf op, zoo met-een, om te drinken. + +--Zie je dan nies? + +--Ik? nee, nies ... + +--O, dan heb ik 't me zeker verbeeld, wel te ruste. + +Jozef sliep weêr in, zonder denken, niet begrijpend. De muis ratelde +voort achter het behangsel. + +Toen er anderhalve maand om was en Mathilde zich heelemaal aan het leven +buiten gewend had, bleef Jozef herhaaldelijk vijf, zes dagen achter- +mekaâr, eindelijk een week wech, eindelijk kwam hij drie keer na mekaâr +maar eens in de week over. + +Hij leefde weêr in het gemakkelijk leven van dadelijk genot. Mathilde +werd een voorwerp, waarmeê hij gedwongen was zich nu en dan bezig te +houden; een dame, die het lot nu eenmaal tot zijn verwante had gemaakt +en die hij genoodzaakt was tusschenbeide met beleefdheid, met +hartelijkheid te gaan bejegenen gedurende eenige uren. + +Jozef dacht er ook met ingenomenheid aan, dat men bezig was een +spoorbaan tusschen Amsterdam en Utrecht en Amsterdam-Amersfoort te +leggen, via Hilversum. Dat zoû de overtocht veel vergemakkelijken, +Intusschen dacht hij: als 't maar niet te laat is, dan! maar dit idee +verschrok hem niet veel: een levend of een dood lijk, daar was weinig +onderscheid tusschen. + + + + +XIII. + + +Twee maanden gingen voorbij. Het was het begin van Juni. Bagatelle +scheen, van den straatweg af gezien, hooger te zijn gestegen en rustte +nu, glansend bruin en wit in het zonnelicht, op zijn hellend voetstuk +van donker-groen zijig gras, dat de bloemperken, licht en zwaar roode, +omlijstte; de groote iepen langs den weg hadden van boom tot boom aan +weêrszijde hun bladeren saâmgevlochten, die in groote verwarde trossen +laag neêrhingen, vóor het huis. Alles bloeide, leefde, kwam tot +rijpheid. Zachte, goud-trillende windjes streelden de bladen, ruischten +rond met den zang van een vogel, heenstervend boven de schuinte van het +dak. De zon was overal. Bij de groep boomen, links van het huis, stond +een purper-bruine beuk, waarvan de bladen zich tintten als donker +paarlemoer, door den wind in de zon op en neêr wuivend. De sparren, in +boschjes, in de achterhelft van den tuin, aan weêrszijde, doften, morden +samen, zwart van groenheid. Vlak achter het huis, waar kastanjes, langs +de oprijlaan, hun pluimen van gedweëe, over elkaâr neêrvallende veêren +verhieven, mengde zich een strook droger, lichter groen tusschen de +donkere sparren. De vloer van den tuin was van streepen gras en kleine +grasvlakten tusschen de zwarte zandpaden en de witte kiezelsteenen. En +alom, over den grond en van de ruimten uit, hoog en laag, zag Mathilde +zich door een leven van groen omgeven, van goudgestraal doorschroeid of +uitgelegen in den zacht-gelenden glans. + +In dien tijd waren er in de meeste villaas in de rondte ook menschen +gekomen. Aan de eene zijde had Mathilde nu een oude dame, die daar een +leelijk vierkant geel huis, als een kast, bewoonde met een nicht; zij +waren streng protestant; zij hielden rijtuig. Als Mathilde 's nachts +niet slapen kon, hoorde zij het paard trappen op de steenen van mevrouw +Arlewijns stal, die door een gemeente-voetpad, van éen meter van +Bagatelles tuin gescheiden was. Aan de andere zijde dook tusschen het +gebladerte van zijn tuin, een nog lager huis wech, half +herbergiers-woning en oud, half societeit en nieuw. Achter Mathilde, van +haar tuin gescheiden door den nauwen, vies-klam-hobbeligen. Vaarderweg, +van vale aarde en stukjes steen, die altijd stil was, stumperde een +buitentje uit den grond, hokkerig, heelemaal van hout, ook met een +kleinen stal, op den hoek van den Vaarderweg en het melkpad met zijn +wijde akkers en verren gezichteinder, dat achterom, naar het dorp +streepte. Schuin tegenover Mathilde, aan de andere zijde van den breeden +straatweg, ijselijk wit, het andwoord gevend op de lachjes van +Bagatelles gevel, was de woning van mevrouw Rim, oude dame met groote +grijze krullen als klosjes garen aan haar slapen, met twee kleine +kinderen, en daarnaast, vlak tegenover Mathilde, bromden, vaal-grijs en +blauw, de hooge naakte muren tegen de lucht, van zweetend vlekkerige +steen gebouwd, van het eenige huis van twee verdiepingen in de +onmiddellijke nabijheid, vijf stokstijve vensters breed, de kostschool +der dames Streelink, die met hun vader, kreupel gepensionneerd officier, +daar hun brood verdienden. En verder volgden de villaas elkaâr op, +tusschen hun nu vol groen gewassen tuinen door, hun lichtgekleurde +voorgevels naar de zoo hoog groen bedaakte ruimten van den breeden weg +duwend. En niets dan boomen, planten en bloemen in de rondte. + +Als Mathilde voor het raam zat, in de groote kamer, reden er +eigen-rijtuigen, met opdampende stofwolken, den weg af naar het dorp en +omgekeerd; jonge meisjes in blauwe, witte en rose toiletjes, met +parasols, gingen voorbij. Oude dames, in het zwart, wandelden. Het was +een beweging en een stuk stadsleven door den zomer hier overgeplant. + +Mathilde had dien zomer langzaam zoo zien komen zoo zien worden om haar +heen, Als zij 's morgens opstond en de gordijnen voor de vensters +ophaalde, bloeiden er een lage lindeboom, links, dof, bleekgroen, en de +kastanjes voor haar uit. Links op den achtergrond, onder een groote plek +open hemel, schuilde een oud-Flora-borstbeeld, op een blauwsteenen +voetstuk, in een uitgebreide nis van bloemende boompjes, seringen, +jasmijnen, een gouden regen, wech. Twee seringenboompjes trosten hun +takken violette, licht-paarse ruikertjes over het Flora-beeld, met zijn +leege oogen, heen, en te midden van de groene heesters bloeiden aan +weêrszijde de gouden regen, met zijn uitstorting van innig-gele +bloemetjes, en de lage jasmijnen, met groenige warm-witte klokjes. +Daarboven, tusschen het netwerk der hoogste takjes en sprietjes uit, +daakte, heel ver en heel hoog, de tintelende blauwheid van den hemel. +Het was bijna aldoor mooi weêr; bijna elken ochtend had Mathilde dat +gezicht. Gedurende haar lange dagen, in de groote kamer, woonde zij de +wording van haar tuin verder bij, het gras, dat zich verdonsde en naar +boven schoof, de magere foksia-en geraniumplantjes, in de diep in het +zwarte zand gezonken vuiligroode potjes der bloembedden, eerst nog +bibberend van naaktheid in de voorjaarsbuyen, maar die later ontloken, +de geraniums met rood-stijf-fluweele blaadjes, als een regenscherm op +groene steeltjes uitgestoken, de foksiaas met gladde knoppen, scherp +gepunt als vogelsnavels. Voords de boomengroepen, waaraan aan beide +kanten het grasveld grensde, sparren en beuken met éen berk, waarvan de +krijtwitte stam als een lange gewrongen paal stond, en, als een magere +witte gedaante, Felix 's avonds bang maakte. En verder had Mathilde de +machtige iepen van den weg, en heel de overige natuur zien groeyen, de +bladen zich uitbreidend, zich aanéen-sluitend tot een dichte, wilde +grenzeloze massa, vol warmte en levensrommelende beweging, in ongelijke +samenhoopingen en bochten, met plotselinge openingen hier, dichte +samenknoopingen daar, onbeheerd, overal uitspattend en zich verdringend, +een onbeperkte warreling van groen. + +Mathildes uiterlijk eentonige leven van in de stad sloop hier verder +voort. Aan haar verminderende pijnen raakte zij eenigszins gewoon, zoo +dat die ook daardoor nog lichter schenen, zij voelde zich sterker +worden. Zij voelde de krampen in haar lendenen bij het oprichten zich +lenigen, maar de toestand van herstelling, waarvan de eerste teekenen +zich schenen te vertoonen, bracht met zich mede, verdovingen van haar +heele wezen, die uren duurden. Dan kende zij zich zelf niet en was als +schijndood, zoo als ze daar in bed lag of achterover in de luye stoel +geleund. Zij voelde niet, zij dacht niet. En anders, gedurende den tijd, +dat ze wél leefde, had zij maar éen bezigheid, die haar hersens en haar +hart deed werken: te denken aan Jozef, hem altijd, altijd, bij haar te +begeeren, hem altijd ver af te weten. + +Zij stond tegenwoordig om negen uur, half tien, op, in 't begin elken +morgen, in de nevelende ontwaking harer oogen, wéder verwonderd over de +felle frischheid der witte schemering van haar slaapkamer, vreemd en +akelig verschillend van de zachte donkerte, waaraan haar blikken in +Amsterdam gewoon waren. Eerst werd geregeld haar kacheltje aangelegd, +vóor zij opstond, met de harde tikkende en grommelende ijzergeluiden, +maar later, toen de zomer vorderde, gleed zij in de stilte der luwe +atmosfeer uit het ledikant, schelde Marie, deed haar peignoir aan, en +ging, een beetje moe, voor haar toilettafel zitten. Dan, met haar +nuchtere maag, overviel haar 't meest haar alleenheid, als zij zich te +binnen bracht, dat Jozef gisteren niet gekomen was. Een griezeling, een +klamheid streek, onder de kleêren, over haar huid tot aan haar voeten. +Marie kwam binnen en hielp haar wasschen, kappen en aankleeden. Mathilde +was toch nog zoo zwak, dat, als zij, haar hoofd naar voren buigend, haar +armen in de hoogte deed, driehoekig gebogen, de ellebogen naar buiten +gestrekt, om zelf een haarspeld te bevestigen of een propje te glijerig +binnen den vorm der chignon te dringen, er een tintelende vuurstroom van +lamheid door haar armen tot aan haar handen, tot door haar vingers klom, +en haar armen machteloos neêrzonken, in de witte kreukels van haar +schoot. Marie, wier armen bij het kappen links en rechts in de hoeken +van Mathildes half gesloten oogen stukken van verschrikkende gebaren +schenen te maken en wier stem met een hard-smartelijke klaarheid tegen +Mathildes schedel woei, vertelde altijd eerst van Felix, hoe hij +geslapen had, wat hij had gezegd, hoe hij hardop had gedroomd van de +heks uit het sprookje, dat zij hem den vorigen avond had verteld. Daarna +van Jans; Jans was wel zindelijk en verzorgde de keuken wel goed, maar +ze was een beetje ongeduldig van aard, zij knorde dadelijk als Marie +maar een paar minuten te laat beneden kwam, voor het eten of zoo. Verder +van een onaangenaamheid tusschen Jans en den slager; Jans beschuldigde +hem van niet het volle gewicht van het ossenvleesch gegeven te hebben. +Ja Mathilde had ook, nog half in slaap, dien morgen al luide stemmen +gehoord aan de deur. Dat was dát zeker geweest. Marie zeide daarna, dat +de melkvrouw altijd zoo vroeg kwam, en dat Jans hierom altijd zoo boos +was. De groenteboer was een beste man. Om nadruk op iets te leggen, +sprak Marie ook vlak in Mathildes gezicht, met de pas gedronken koffie +in haar stem. Mathilde nam in dien tijd, af en toe, met haar +ziek-bleeke, stilletjes bevende hand, het glas melk, dat voor haar +stond, het langzaam op en neêr bewegend, met kleine teugjes, die zij in +haar maag voelde killen, drinkend. Hoe was 't mogelijk, niet waar, nu +was men hier toch "buiten" en toch was de melk veel waterachtiger als in +de stad, zeî Marie. + +Aangekleed, ging Mathilde op een ochtend, zoo als gewoonlijk, bleek, +haar knieën bij elken stap de dunne wol van de peignoir in dadelijk weêr +verdwijnende sporen bol uitdrukkend, door het gangetje naar de groote +kamer. Als zij de deur van de slaapkamer open deed, om in den gang te +gaan, warrelden, van door de voordeur, die dikwijls openstond, of door +de keuken, waar de vensters hoog opgeschoven waren, wemelingen +zomerlucht over haar schouders, om haar hoofd, om haar handen, met +lichte streelingen, als zacht getinte geuren, en, als of zij haar borst +tegen een onzichtbaren balk stootte, die daar zoû zweven midden-in den +gang, dreunde een schok door haar lichaam, het plotselinge bewustzijn +van haar alleenheid, dat zich door alle zintuigen aan haar opdrong. Het +wrong zich door haar neusgaten, door haar ooren, door haar mond naar +binnen, naar haar keel, naar haar maag, het suizelde met de deeltjes +zomerlucht door de poriën van haar huid. Elken morgen schrok zij er van +en werd er nog moeyer van. De gesloten deur van de groote kamer, met het +éene glad-gele gevlamde stugge paneel, gaf haar daarop een +gewaarwording, die haar bijbleef tot zij de deur met de stroef-gillende +kruk had opengedraaid: Jozef was daar, achter die deur, achter dat +stugge gele houten vlak, dat den toegang versperde, nietwaar? Het was +donker, hij moest daar zijn. Hij zat daar als gewoonlijk in de groote +kamer, hij wachtte haar om haar mond aan den zijnen te drukken, zij zoû +nu dadelijk weêr een oogenblik staan met haar heele lichaam tegen hem +aangedrukt, haar beenen tegen zijn beenen, haar borst tegen zijn borst. +Hij was gekomen, gister-avond, van morgen, hij was gekomen om haar te +verrassen. Er was geen twijfel aan. Dat heele denkbeeld van zijn +wechblijven, van zijn verkoeling, was maar een akelige, benauwende droom +geweest, een pijn, die zij bij het wakker worden had kunnen afschudden. +En zij zag de omlijning van de deurpost, de hoeken, de duidelijke +afmeting van de gang-zoldering daar boven die neêrdeinde en opklom, met +zwaar-blanke trillingen. Hoorde zij hem daar niet hoesten? Hoorde zij +niet het kalm gefrommel van zijn koerant, het regelmatig gekraak van +zijn schoenen op de vloer? ... Van den gang, die van gedempter licht was +om het dikke hooge groen van den tuin er achter, kwam Mathilde, met +koele huivering over haar voorhoofd, de groote kamer binnen. Stroomen +helle blankheid, een algemeene siddering van glimmend, blakend wit; het +behangsel danste, de groote ruiten van de raamdeuren spiegelden, het +witgekalkte plafond steeg hooger, een witte zwakke luchtige jeugd was in +de rondte, eerst begrensd door de donkere kanten van de half opene deur, +daarna, toen Mathilde heelemaal binnengekomen was en de deur achter zich +dicht had gemaakt, alom, van, alle kanten, haar als ontvangend in een +bad van witheid. + +Mathilde liet zich op het effen glad groene kanapeetje zijgen, bevangen +door de helheid van de ochtendige kamer. Buiten, door de blauwig +spiegelende ruiten, bloeiden de roode bloemen van het groene grasveld in +haar oogen als heftig-roode stekende punten. En, daar achter, onder de +iepen door, strekte de breede geel-stoffige streep van den straatweg +zich voorbij, waarover gaauw, met een licht geraas, rijtuigen regelmatig +heen en weêr raderden in zwarte groepen bewegingen, bij langdurige +tusschenpoozen. Zóo bleef Mathilde langen tijd zonder gedachte staren. + +Zoodra zij zich sterk genoeg had gevoeld, had zij zelf 's morgens weêr +het huishoudentje willen doen, zoo als vóor haar ziekte in de stad. Dit +gebeurde om half elf, elf uur. Jans hield twee boekjes, dat van den +slager en het keukenboekje, dat zij nu binnenbracht met een mopperig +goeye morgen, knorrig in de drukte der eerste morgenuren. Jans ging +dadelijk weêr wech en Mathilde bleef alleen, over haar schrijfmap +gebogen, de witte schijn van haar gezicht met aarzelende rooderige +wolkjes er onder, bedolven onder het pak zwart vlossig haar. De peignoir +plooide zich op haar borst door het vooroverbukken. De velletjes papier +schoven tusschen haar kouwige vingers door, met zacht gefriemel en +schenen haar onvoelbaar dun. Zij las het keukenboekje. Over en door de +blauwe lijntjes van het papier stond geschreven in het doezelige +waggelende potloodschrift van de keukenmeid: brood zestien cent, +aardappelen dertig cent, arme vrouw twee cent, sleeper voor mijnheer een +gulden vijftig ... Nu sprongen er in eens tranen uit Mathildes oogen op +het schrift en bleven er in biggelende druppels op liggen, zóo +doorschijnend, dat de letters van Jans er doorheen nog herkenbaar waren: +brood, zooveel, aardappelen zooveel, arme vrouw ... En plotseling +scheeuwde alles in de rondte aan Mathilde de nutteloosheid van haar +leven tegen. Daar deed zij nu haar huishouden. En voor wie? Voor wie +zorgde zij eigenlijk zoo? Waar bleven de droomen van vroeger, de +heerlijke genoegdoening van alles zoo in orde te houden als bijdrage tot +zijn geluk! Een ontzetbaar verdriet, als een nog ongekende kracht van +haar binnenste, als een opperste bedreiging, die zich voltrok, rees op, +steeg naar Mathildes hoofd, daalde weêr neêr, vervulde haar, hing zwaar +over haar oogen, deed haar gezicht zwellen. Zij leunde tegen den rug van +haar stoel, wilde de smart doen wijken, en langzaam zien wechdrijven aan +den binnenwand van haar oogleden. Maar heete snikken bruisten op door +haar keel, een gloed van lijden vervulde haar wezen. Zij slikte nu +herhaaldelijk het water van haar mond in, om langzaam de smart te kunnen +genieten. Zij wilde zich herinneren, die heele geschiedenis van Jozefs +onverschilligheid nog eens in gedachten doorléven. En zij woonde weêr +alles bij, van het oogenblik af, toen hij Marie boven haar hoofd had +aangeraakt en zij hem had zien dalen, dalen langs den eindeloos +grijzigen trap. Zijn liefde was geweken in het verloop van den tijd, +telkens minder, telkens minder. En nu, nu was de liefde wech. Hij had de +blikken verloren, waarmeê hij haar kon aanzien, die zekere kracht en +buiging zijner armen, waarmeê hij haar kon omvatten. + +Maar neen, het kon, het kon niet zijn! Als zij weêr heelemaal beter zoû +zijn en hem weêr lief zoû kunnen hebben, volledig, zooals zij het zoo +graâg woû, dan zoû ook zijn liefde weêr opleven, die niet dood was, maar +alleen sliep. En toch, neen, wél was zijn liefde dood! Daar kwam een +huivering van uit de verte over Mathilde, door de ruiten, door het +behangsel. Zij hoorde Jozefs stem als heel ver wech praten, maar in een +anderen, onbekenden, een ijselijk vreemden toon. Het was zijn stem niet +meer. Zij zag hem gebaren maken, zijn mooye gestalte in een licht +zomerpak, zijn armen, zijn beenen bewogen; zij zag zijn groote +regelmatige tanden bij het bewegen der lippen onder den dikken knevel te +voorschijn komen; zijn fijne rijtjes oogharen bewogen op en neêr, hij +keek, als sprak hij ook met zijn oogen. Maar hij was het niet meer. Het +was een vreemdeling, die zijn gedaante had aangenomen. En toch wat was +alles om haar heen vol van hem, vol van zijn liefde. Was 't niet zijn +adem, waarin zij leefde? Had hij om haar lichaam en om haar geest niet +een sfeer geblazen, waarin alleen zij leven kon? + +Hoe wit was de kamer hier, hoe bloeide alles buiten in de zon! Maar in +wat voor een vreemde omgeving zat zij hier! Neen, zij kende deze kamer +niet, dit huis, zoo luchtig, zoo licht, dat men als een doos over haar +heen scheen te hebben gezet. Wat waren dat voor bloemen, zoo hoog, daar +buiten de ruiten? Waar was zij toch hier, wie had haar hier neêrgegooid, +zoo vreemd, zoo ver, hier "buiten"? Mathilde keek rond met groote oogen: +daarop streek zij met haar hand langs haar borst, om zich van haar eigen +bestaan te overtuigen. Zij wreef haar eene hand over de andere, drukte +de knieën samen. Daarop hief zij zich, nauwelijks, in zittende houding, +boven haar stoel, de borst en rug recht. Daarop leî zij kruiselings, +over de papieren van het huishouden heen, haar armen op elkaâr, kromde +zich, zonk inéen, drukte haar gezicht in haar armen en snikte, eerst +zachtjes, toen sneller, hijgende met een verdoofd kreunen, en eindelijk +met lange ademhalingen, uitgeput. Een vreeselijke leegte werd haar heele +wezen. Zij voelde alles wechgaan, alles haar verlaten. Zij schreide haar +ziel leêg. Nu eens huilde zij niet meer, zij scheen tot bedaren gekomen. +Maar dan, in haar dorst naar tranen, wekte zij weêr een herinnering op, +deed haar gedachte tot het bewustzijn van haar alleenheid terugkeeren en +borst op nieuw in snikken los. Zij zag haar heele bestaan vruchteloos, +al haar geloof, al haar hoop verbrijzeld. Zij was alleen, alleen; zij +deed haar handen aan beide kanten van haar hoofd, boven de ooren, om er +het begrip van haar alleenheid in te wringen, want haar hersenen wilden +niet begrijpen. Daarna stond zij op, bekoeld, rillerig, ging voor het +venster staan, haar voorhoofd tegen een ruit gedrukt boven haar moede +kwijnende oogen. De smalle strepen van haar tranen, die over haar wangen +afdropen, droogden in de van buiten komende warmte. Haar borst steeg en +daalde, terwijl zij een paar maal hevig zuchtte. Daarna keerde zij zich +om en ging, met haar oogen iets zoekende tusschen de papieren op tafel, +te-rug naar haar plaats. Zij nam een schrijfboekje op: het dagboek, dat +zij hield van Jozefs komen en wechblijven, En zij keek na: gisteren +"niet geweest", eergisteren "niet geweest", en verder "niet geweest", +"niet geweest". Toen dacht zij weêr na. Zes dagen! Waren het maar zes +dagen geweest? En al die tijd, dat zij alleen was geweest, ochtenden, +middagen, avonden, nachten, een eeuwigheid van bange gedachten, een +eindeloze angst, al die tijd, dat zij gestaan, gezeten, gelegen, +geknield had, haar blikken dwalende over de voorwerpen in de rondte, een +kastje, dat zij niet herkende, een hoek van de kamer die zoo +onbegrijpelijk leêg scheen! En vóor zijn laatste overkomst was Jozef +toch ook nog wel eens zes dagen wechgebleven. Kón zij er dan niet aan +wennen? Het was toch wel natuurlijk eigenlijk! + + * * * * * + +En het huishouden ging zijn gang met den onverschilligen tred van het +dagelijksch leven, als een vreemde koele man, die zonder te zien haar +gemoedsleven voorbijliep. Het was nu de tijd van koffiedrinken. Marie +kwam binnen, met haar blozende gezondheid en haar hoofd als een groote +appel, met Felix op haar arm. + +--Zeg dan: morgen, lieve moeder, goeye morgen! + +Het kind spande zijn oogjes, zonder wit, geheel door de blauwe bollen +gevuld, wijd open, hief zijn stukje arm, met de tengere vurig-roode +vingertjes naar boven, lachte schalks zoo als oude lieden kunnen lachen, +zonder wenkbrauwen, en herhaalde, terwijl de woorden zich oplosten in +het weeken van het ongevormd mondje: + +--Môye, liefe moede, goeye mô ... + +Mathilde, zwijgend, met een stijvigen glimlach, strekte de armen, nam +het kind op haar schoot. Marie, met het opengeschuif van laâtjes en een +gerinkink van zilver en glazen, zette klaar voor de koffie. Mathilde +zoende Felix op zijn dunne korte doorschijnende haar, zacht en glad als +hazewindenvel. Maar zij vond geen liefkozingen, die hem bezighielden; +hij draaide zijn groot bol hoofdje naar het venster, in geluidloze +verwondering over zijn moeder. + +Toen Marie even wech was gegaan om de kleine koffiekan uit de keuken te +halen, werd Mathilde weêr aangegrepen door het gevoel van daar alleen +koffie te gaan drinken, zoo dat het eten zeker in haar keel zoû blijven +steken. Haar alleenheid sloeg haar nu in den geest met de regelmatige +slagen der grijze scherpe eentonigheid. Het witte servet spreidde zijn +koude tergend voor haar uit, wierp zijn snijdende vierkantheid tegen +haar aan. Weêr begon zij te huilen. Haar armen hadden zich verlamd, zij +vergat Felix, die eensklaps zachtjes van haar schoot op de vloer gleed. + +Marie zette Felix' kleine tafeltje voor een venster. Uit een spanen +doosje werd een heel leger van kleine tinnen soldaatjes geschud. Felix +ging nu "opzetten" en in de stilte dronk Mathilde koffie. Zij at veel +brood, meer dan zij honger had, hopende haar leed er telkens bij in te +slikken; zij hield in die dagen meer dan vroeger van brood. Zijn +kruimerige droogheid en zijn brosse korst raakten haar gehemelte sober +en zedig, en brachten haar, met de herinnering aan haar vader, een +lichte zweem van zachte troost. + +Na de koffie deed Mathilde een wandelingetje in den tuin. In den gang +maakte ze een praatje met Jans over het weêr, heel even, en stapte +daarna met de zwakke treden van haar stoffen pantoffels op het straatje +en in de laan. Het was pas kort geleden dat de dokter permissie had +gegeven voor zulke tochtjes. Toen het heelemaal zomer werd, was zij +eerst gegaan een klein eindje, gesteund door Marie, toen weêr een eindje +verder, met haar wandelstokje bij zich, om uit te rusten. Zij ging nu +altijd naar de "hut", een prieël, een soort van wijdopenstaande rieten +kast, met een bank in de rondte tegen den wand en een vlekkerige +afgeschaafde groengele zwarterige ronde tafel in 't midden. In de hut +bleef Mathilde uren zitten breyen of lezen, tot aan het eten. Als zij +daar zat, zonder gedachte over de bladen van haar boek heen te turen, +moê van het droomen en treuren van al haar dagen en nachten, werd zij +onbewust het ruischen en leven van den tuin om haar heen gewaar en +vloeide de zomer door al haar zinnen binnen. Langs haar voeten, langs +haar schenen, haar knieën, haar dijen woelde de zomerlucht door haar +onderkleeren en zuchtte allerwege haar huid in. Zij voelde koude plekjes +aan haar beenen, als afgerond en zich plotseling op haar vel +neerdrukkend om haar uit haar mijmering te doen ontwaken. Zachte wind +wasemde met stille huiveringen door haar witte rokken, ritselde op langs +het kiezelpad van den bodem, deed den zoom van haar kleed op en neêr +gaan. Om haar heen had zij nu het grijsbruine licht, de ledige kleur der +rieten omkasting. Een rust ademde uit die beschermende kleur, van +achteren en van links en rechts, in de rondte. Boven haar hoofd had zij +de ernstige rieten kap, donkerder bruin, zwijgend en vooruitstekend, het +hemelblauw den weg afsnijdend om tot in haar oogen neêr te kaatsen. Maar +door de opening van de hut, die eindeloos scheen, voor haar uit, +zweefden alle kleuren en geuren, al het bloeyen en wasemen van den +heelen tuin met boomen, bloemen, lucht en aarde, met zijn geschitter en +geglans, zijn doffe en blinkende gedeelten, zijn jubelen, zijn beweging, +zijn warmte, zijn sidderingen, zijn liederen, op haar toe en omwemelde +haar gezicht. En zij werden krachtiger, de kleuren; zij wiegelden, zij +druischten, zij snelden, zij stormden op Mathilde aan, een koor van +kleuren, een wijd veld levende mozaiek, zij zongen harde, felle klanken +in haar oor. Toen, om de kleuren te verzachten, sloot zij half haar +oogen, de appels verflauwden zich achter den nevel der oogharen, haar +bleekroode lippen zegen zachtjes open, zoo dronk zij, haar hoofd even +naar achteren gebogen, den lauwigen zomer in met oogen en mond. De +zwakkere kleuren weken nu wech; alleen het donkere paars van een perk +rhododendrons, en het gelige en het sombere groen van het lichtelijk +golvende gras en van de zoetjes wuivende bladerenmassaas, de blankheid +van het huis, en de kleine plekjes van twee diep-purpere stamrozen, +bleven, vergoud door de tusschen het huis en de hut neêrvallende zon. En +het goud, het vloeyende goud, bleef de groote kleur, en wazig golfde het +heen naar Mathilde, haar oogen binnen. De teedere lauwe lucht drong in +haar keel, verdroogde haar mond, de geur van jasmijnen, in een +heesterboschje rechts van de hut, walmde op in haar neusgaten. Zoetjes +wiemelden pakjes lucht over haar voorhoofd, haar wangen en door haar +hals, neerhangende haarvlokjes in haar hals beefden stil heen en weêr. +En zij hoorde niets meer dan het kleine geruisch van de warmte. Zij gaf +zich over, zeeg naar achteren, haar hoofd over haar borst, haar handen +aan weêrszijde, tintelend en gevoelloos, van de bank afhangend; haar +vingers alleen maakten aarzelende, stervende bewegingen van uitrekken. +Een zalige wezenloosheid suizelde door haar hersenen. Hijgend nam zij +den zomer in zich op; windjes schenen van haar voorhoofd het bewustzijn +van het lijden wech te streelen. Maar dan begon zij eensklaps te hooren. +Een lijster sloeg klaterend klaar zijn geluid uit links, schuin boven +haar hoofd in het dennenboschje. En het schaterde door haar oor naar +binnen. Zij deed haar oogen in eens wijd open, richtte zich half op. Als +een slag van metaal vielen nu de zomerkleuren tegen haar aan, hel, +flikkerend, koud. Het purper, het groen, het wit, het goud, namen als +vierkante en driehoekige vormen aan. De kleuren werden lijnen, schenen +tastbaar. Dan week de slag en een loome droom als een onzichtbare +sluyer, suizelde van Mathildes hoofd en leden naar beneden. + +Tot aan het eten bleef zij in den tuin, tusschenbeide zachtjes aan een +beetje wandelende, telkens te-rugkeerende in de hut om uit te rusten. +Een enkele maal zag zij, naast een boschje groen of boven een bloem-perk +uit, Marie en Felix drentelen. Eens ontmoette zij hen in een nauw +voetpad. Marie en zij glimlachten vreemd en flauw tegen mekaâr, er was +als een onbewuste vijandelijkheid tusschen die twee monden, de eene +breed, grof, rood, vochtig, met zijn groote tanden, de andere flets en +verdund, waarvan de tanden niet kwamen te zien. Felix trapte in +speelschheid op Mathildes sleep, en lette verder niet op haar. + +Mathilde at eventjes over vijven, om dat Jans altijd een beetje te laat +klaar was, met Marie en Felix, in de groote kamer. Marie moest Felix +helpen, bond zijn servetje om zijn hals, sneed het vleesch op zijn bord +aan heele kleine stukjes, maakte de aardappelen fijn. Het servetje werd +onder zijn bord op tafel gelegd en Marie knorde op hem als er een lange +bruine of gele vlek op het servetje kwam, van zijn lepel of van zijn +mondje. Felix was tusschenbeide erreg wild en gooide de tinnen kroes, +waaruit hij water dronk op den grond. Dan zeî Marie: "ondeugende +jongen!" en kreeg Felix voor straf geen of heel weinig kersen aan het +dessert, Marie had verder aan Mathilde heel veel te zeggen; zij zat +altijd recht op haar stoel en leunde nooit terwijl zij aan tafel zaten, +om dat zij wel wist wat fatsoenlijk was. Zij schoof dan tusschenbeide +het eten naar een kant van haar mond en praatte met den anderen over de +buren en hun kinderen. Zij had gehoord, dat in het houten huis, achter, +aan den Vaarderweg, een dame kwam wonen, een weduwe met twee zoontjes, +die mevrouw van Borselen heette. Of dat diezelfde mevrouw van Borselen +zoû wezen, die Mathilde wel kende van vroeger uit de stad? Vrouw Steyer, +de huisbewaarster van de societeit, daarnaast, had het haar verteld, dat +zij gehoord had, dat 't een heele nette dame moest zijn, en de zoontjes +nog heel jong waren. Nu had Marie gedacht, dat dat dan misschien goede +kameraadjes voor Felix zouden worden. Want al lang keek zij eens rond of +er geen fatsoenlijke kinderen waren, jongetjes van zijn leeftijd, waar +Felix meê om kon gaan. Marie hield al sprekende, om het waarschijnlijk +te maken, dat wat zij zeide zeer goed bedacht was, haar vork rechtop +stijf op tafel gedrukt, terwijl Mathilde alles beaamde en alleen een +enkele maal flauw gesproken vraagjes over Felix deed, of hij goed had +opgepast, of hij flink had gespeeld. Daarna glimlachte zij goedkeurend +naar Felix bolle blauwe oogen met haar verdoofden lach of vermaande hem +gemaakt-onverschillig zoetjes, met een zwakke opheffing van haar +wijsvinger en een donkere ernst in haar oog. Felix lette weinig op de +gesprekken, maar keek voortdurend naar den straatweg, kraaide luid als +er iets voorbijkwam, dat hij herkende, en stak daarna uit verlegenheid +zijn vingers in zijn mond. + +Maar van-daag mijmerde Mathilde voortdurend zwijgend aan tafel voort, +nog onder den schrik harer gewaarwordingen van in den tuin. Zij voelde, +dat zij haar eigen verdriet dien middag in de kleuren had gezien, er was +iets gebroken in haar gemoed, de schelp van een inwendig oog was stuk +gebarsten. Nu kon zij beter dan vroeger waarnemen en rondwoelen in haar +eindeloos groot verdriet. Zij had al veel geklaagd en veel geweend, maar +zonder er op in te denken, en nu, nu zag zij zich zelve, maar zij +herkende zich zelve niet meer. Toen zij opstond van tafel, stond zij +verwonderd. Zij kon niet meer denken zoo als zij gewoonlijk dacht; het +bewustzijn van haar verdriet, het gewone, dat zij herkende, elken morgen +als het bij haar wakker worden in haar opkwam, en dat zij elken avond op +dezelfde manier in haar slaap zag verdwijnen, was wech; een ander, een +vreemd, een angstig benauwend, een hoog, een dreigend, was er voor in de +plaats gekomen. En zij was bang en verbleekte uit angst voor zich zelve. +Zij was bang en zag op tegen het hooge zwarte gevaarte, het gebouw der +gedachten en droomen, dat haar leed buiten haar om scheen te hebben +opgericht en dat straks op haar neêr zoû storten, zich verbrijzelend +over haar hoofd en haar hart in een eindelozen val van hooge donkere +brokken na elkaâr. + +Een half uur later zat Mathilde, terwijl Felix, eer hij naar bed +gebracht werd, zijn laatste wandelingetje liet doen, voor het eene raam +der groote kamer, haar handen gevouwen op den schoot, te wachten op den +naderenden avond. Het was nog helder dag, maar de zon, die 's middags +die klaarheid warm had gekleurd stond laag in de lucht, schuin achter de +iepen van den straatweg, en de klaarheid van den dag werd koeler, +onverschillig. Achter de dichtst bebladerde hoogten der boomen +verborgen, bescheen de zon den tuin niet meer, maar sprongen alleen +rood-gouden stralen van boven, tusschen de dichte takken door, als +snelle blikken van vuur, waarmeê die hooge boomen Mathilde bezagen zoo +als zij daar roerloos in stilte zat aan het venster. En de kleuren van +den tuin waren nu droger, duidelijker, niet meer verkracht en tot +brekens toe aangezet door de felle middagzon. De lucht was stil; alleen +in de hooge boomtoppen knikten klapperende blaadjes tegen het doffe +blauw van den hemel. In hun kalme waarheid hieven de kleuren van den +tuin zich opwaarts. Het groene gras was mat, overstroomd met de +wegduikende bleekgele boterbloempjes, bespat met de witte stippen der +madeliefjes, een stilstaande stroom, waarop de roode bloemenrondtes +neêrgespreid lagen. Het rood der geraniums was dof en dik, als gedroogde +bloedvlekken, de stamrozen schoten hoog te voren glansend zijig purper, +somber van schoonheid, de theerozen waren licht-gelig wit, +licht-groenerig wit, van een warme zuiverheid, de maandrozen slingerden +zich laag en verwilderd dooreen, met hun speelsch even blozende +blaadjes, dun en licht en uitgevallen als stukjes verscheurd geverfd +papier. De groepen boomen, aan weêrszijde van het grasveld, de sparren, +de beuken, duister groen, ernstig bruin, stonden nauw saâmgedrongen, als +zwijgende reuzenwezens, wachtend. De breede, stofferig-blanke weg van +voren, met enkele gele zonnevlekken, rustte, vlak, wijd, geruchtloos. De +boomen, de struiken, de huisblokken der omgeving waren dicht +samengeschoven, vast aan de aarde gedrukt, waar en koel. De schaduwen +waren bijna weg; alles scheen platter, zonder achtergrond, zonder +in-éen-smelting der kleuren, glad, effen, ijl, roerloos. Alles om +Mathilde heen stond als kunstmatig daar zoo pas in-éen-gezet, in de +bedaarde onbewegelijkheid van liggende en opstaande-legkaarten. + +Door de waterklare wit-blauwige vierkanten der ruiten, als een dunne +wand van gestolten licht zoo nabij Mathilde zich oprichtend, dat hun +stijve koelheid tegen haar bleeke hoofd scheen te stooten, bescheen de +kalmte der door de zon gebroken achtergelaten kleuren haar voorhoofd, +haar wangen, haar hals, weêrkaatste op haar gezicht, glipte bij +tusschenpoozen eerst onder haar half neêrgeslagen, zwaar hangende +oogleden door, trok die daarna op en vervulde dan telkens even haar +oogen geheel, helder en droog als een ontzachlijke plaat mat zilver met +regelmatig opkomen en verdwijnen aan haar voorbijgaande. Telkens als +haar oogleden open en dicht waayerden, vloden, als met langzame +wiekslagen, de wit-glimmende blankheid van daar buiten en de doffe +grijsheid der gesloten oogen van binnen na elkaâr voort; en wanneer haar +oogen zich sloten, hadden zij de vorm en de tint van wat zij gezien +hadden zich ingespiegeld en drukte deze zich weêr vaag af tegen den +geelbruinen achtergrond der oogleden. Zoo zweefde de witte breede wreede +kalmte in haar binnen en weefde zich in haar gemoed, zich samenspinnend +met al de draden harer verbeelding. + +Zij bedacht den geleefden dag. Zij zag hem in onbestemden indruk voor +zich als een geheel, vaag-vlottend-lankwerpig-omlijnd als het venster +binnen welks randen zij nu zijn vaal-blank einde waarnam, met het +hellere licht der hoogste ruiten van-boven. Maar hij was niet een vlak, +hij was een reeks vlakken na elkaâr, een koker van kleuren, de gang met +vreemde, onbekende, armigschuchter witte wanden in 't begin, rijk, +drukkend overstelpend goud, purper en groen in 't midden, en weêr kalm, +wijd, klaar blank aan het einde, de gang van tinten, waardoor zij zich +zag gaan, zachtjes levend den dag. En de zoldering, de zijwanden, de +vloer van den gang verkleinden zich, trokken samen. De zoldering daalde +tot op haar hoofd en schouders, de vloer was niet breeder dan haar +voeten, de zijwanden raakten haar armen en beenen. De dag verloor zijn +rechte lijnen, werd meer en meer de vorm van haar gestalte, de kleuren +golfden om haar leden, drongen zich over haar huid heen, het goud, het +groen, het rood, het purper hechtten zich aan haar vast van het hoofd +tot de voeten. De dag verloor zijn lengte, de witte uiteinden krompen +tot elkaâr, sloegen samen, een blanke gloed vermengde zich met de +donkere kleuren. De dag stolte zich om haar leden heen als een gloeyende +alles bedekkende tooi. Zij ging in een kleed van zomerkleuren. Van haar +schouders tot haar voeten was het goud en groen en purper, en om haar +hoofd hing een glinsterend witte sluyer en om haar voeten lag sneeuwige +satijn. Maar het kleed werd benauwend, het wrong zich aan haar op, het +huiverde haar huid binnen. En het kleurenkleed werd haar huid, werd haar +zelf. De dag werd éen met haar. En zij was gelukkig de dag te zijn. Zij +voelde zich niet meer; zij was van lucht zij was van licht. En altijd +zoû zij zijn, want de dag zoû nooit vergaan. Zij was in +eenzalig-roerlooze rust, in de onbewegelijke klaarheid der +omgeving opgegaan. + +En Mathilde droomde, zittend aan het venster; de ruiten, vaal-groenend +van naderende duisternis, lachten met een hollen glazigen lach. + +De zon was lager gevallen. Uit zijn donker-oranje-gloeyende rondheid, +hoog schuin, ver weg, zwierven nog rooyerig-gele stralen, als stukjes +regen van scherpe lijnen, door de heesters aan d'overkant van den weg +neêr, alsof zij gebroken in dat groen bleven hangen. Wijdweg, aan het +einde der platte velden achter de tuinen der buitens, was een laaye +gloed van blakend koper uit een zee van donkerder gloeyend goud +opgewasemd in de lucht, een brandende uitwolking van alle geeltinten, +van beneden af uit het warme bruinende vlammen-geel rijzend door het +vette okergeel, het scherpe citroengeel, het sombere hooigeel, het +dik-blanke roomgeel, het groenige geel van najaarsbladen, het droge +stroogeel, het bleeke duinzand-geel, tot een lichting van hel +zilverig-wemelend wit, vlottend omrand en doorsijpeld van gazig week +groen, blauwig-teêr violet, zachtglad bruin. Die gloed stuwde toe over +de platte velden, zich brekend tegen de beplantingen waarboven het +zilverwit vergrijsblauwde hoog in de lucht, tot Mathildes tuin luwend in +matte kwijnende klaarheid, achter de ruiten verzwakt tot een flauwen +schijn van wit-grijs, achter in de kamer stervend tot doffe schaduwen. + +Van den duister blauw-grijzen hemel daalde breed een donkere bleekheid, +de open ruimten vullend, de hooge ovaalheden der boomen, scherper +omlijnd, van elkaâr afzonderend, om de stammen heenstarend in wijde +open-grijze plekken, de bloemenkleuren verfletsend, het gras met zachte +deiningen van donker-groen versomberend, op den straatweg, over de +kiezel-steenen, tegen den gevel van Bagatelle, zich in onzichtbaar-ronde, +snel verdwijnende afdruksels verwittend. In een stillen, doodelijk-stillen +weemoed vergingen de dagkleuren. Een enkele maal vloden, als bewegingloze +windvlagen van verflensende herinneringen, strepen lichtschijn verwaterde +zonnestralen door de ademlooze droeve bleekheid. Een heele lichte wind, +als een kinderadem zoetjes rondwispelend, deed de bladeren der neernijgende +stamrozen even trillen; in de hooge boomen zusten de lichtste takjes en +blaadjes stilletjes heen en weêr, met een gerucht van verre snikjes. + +In de kamer wademden fijne, dunne zwarterige mist-tinten binnen. Boven +de piano, achter de stoelen, bezijden het kastje, onder de tafel, +strekten zich zware schaduwen. Zij streken doezelige randen om de +deur-posten en de lijsten der schilderijen, zij schuifelden in +driehoeken en schuine vierkanten tegen het plafond op, zij maakten de +wanden tot glansloze spiegels, waartegen de vaasjes, de beeldjes, de +hoeken van het kastje de leuningen en pooten der stoelen zich schetsten, +als kleine schimmetjes, vreemde figuurtjes, dof-grijze vlekken; zij +spreidden den donkeren schijn der stoelen-zittingen en van het +tafelkleed in lange stroken en flodderende plooyen over de vloer. Zij +ritselenden onhoorbaar voort, hun vormen steeds uitrekkende, +verbreedende, verdonkerende, als aanhoudende zware zuchten. Zij waren +als lange lage sombere fluisteringen van leed, die van de kamer uit naar +alle kanten door de wanden heendrongen. Zij werden weêr donkerder en +grooter, liepen als zwarte waterstralen langs het behangsel, vloeiden in +glansloze plassen over het tapijt, drongen als donkere wolkjes van boven +door het plafond. Dan verroerden zij weêr niet, bleven vast overal in +denzelfden vorm, als langdurige zachte echoos van den stillen +weemoedsklank van den avond. + +De dingen van de kamer waren hard-donker, zij drongen hun vormen uit, +scherper afgehoekt, van een inniger vastheid, als blokken en stukken +hard, ondoordringbaar hout en metaal. Aan den achterwand van de kamer +vergrootten twee kleine sofaas zich in een vermenging met hun schaduwen, +andere meubelen kregen bulten, warrige uitwassen, boller wordend, zich +uitzettend. De dingen leefden hun geheime leven, gewekt uit den kouden +dagslaap. Verbruind, vergrijsd en verzwart, schenen zij onmerkbaar te +bewegen in snel weêr rustende bevingen. Zij schenen sámen te leven, +zacht, met holle smartelijke uitingen in de diepe toonen hunner +schaduwen. + +Mathilde zat voor het venster, ingekrompen, als een klein wezen onder +den mateloozen avond, in-een-geslonken, samengestijfd tot een voorwerp, +een stuk van de kamer. Zij zat daar als een dof pak grijze stof, zij zat +daar als had zij zich tot steen verdroomd. De grijze plooyen van haar +kleed bleven in hun bochten, rondingen en gleuven onveranderd, als voor +altijd zoo gehouwen. De witte tegenkant van haar kleed tandde zich in de +schaduw in een lange gekartelde rand vergroot af en van den +wollig-zwarten schijn uit, die haar rokken op den grond maakten, sloop +de schaduw tegen haar gestalte omhoog, over de vlakke plekken van haar +kleed strijkend, binnen de voren van haar kleed glippend, haar gelaat +aan de eene zijde als tot dat van een schim vernevelend, haar bevangend +in een grijs-zwarte kleurenwade. Klagend zwart hing de kap van haar +loome haar over haar hoofd, waaronder alleen de bleeke plek der door de +ruiten vaal verlichte zijde van haar gelaat mat-wit uitscheen. Haar +leden waren lam uit-een-gezonken, haar oogen glommen zonder straal over +de zielloze handen op haar schoot. + +Buiten viel de zon wech aan den horizont. De gele gloed was lager +geweken, maar heel beneden over de aarde vloeide een stroom rijke roode +kleuren, opgolvend uit klompen rood-zwart, rood-bruin, rood-grijs, als +een heuvelrij aan elkaâr vast. Het bloedrood steeg door het +karmozijnrood, het rood van gloeyende kolen, het aardbeziën-rood, het +perziken-rood, tot een verteedering van roze, vol liefelijke kwijnende +lachjes, vol kusjes en kleine zoete vluchtige mijmeringen. Maar het roze +wemelde stilletjes wech, het was een zachte afscheidsgroet, de blik van +heengaande oogen, het laatste wuiven van een zakdoek bij het keeren van +den weg. En hooger in de lucht, tegen het verzwartende blauw-grijs, hoog +boven de boomen en den tuin, sloeg het rood van den gezichtseinder tegen +den hemel, het verpurperend tot een kerktint, tot een plechtige welving +van sombere kleur. + +Als een sneeuw van donker purper wemelde de schemering hoog in de lucht, +daalde, zich verpaarsend-tegen het boomengroen, in grijs-violette tinten +over de aarde neêrkleurend. Door de iepen langs den straat-weg voer de +wind, zij bogen hun toppen, en hieven ze weder en bogen nog eens met een +naar boven ruischend en zich daar los-kreunend geklitter der +gebladerten, als heenfladderend in de donkerte. Het grasveld stroomde +langzaam voort, donkerder, terwijl de bloemen-kleuren in zijn hooger +grommelende groene zwartheid verloren gingen. Het witte kiezelsteenen +pad, vlak voor de ruiten, vlood heen, giegelde ijlings weg onder de +zwarterige warreling die er bij scheutjes op neêr rookte en weêr +opwiemelde, kringend en krullend als stof om dansende voeten. De breede +weg gleed vooruit als in de verdroogde staalblauwe glansen van een +ijsbaan. Het purper verblauw-zwartte hoog in de lucht, het paars en het +violet werd bruin-zwart, groen-zwart, grijs-zwart. + +Langzaam, onmerkbaar langzaam en stil van alle kanten aanwolkend, dauwde +de schemering neér, Mathilde sluitend in een duisteren damp. Korte +schokken schoten, dadelijk weêr verstommend, onder haar kleed, als een +zwak hortend gestommel harer leden. Haar knieën naderden elkaâr en weken +weêr te-rug. Haar armen kromden zich nauwelijks uit naar ter zijde, +vielen weêr neêr. Haar saâmgevouwen handen ontbonden zich, de vingers +strekten zich in een bibbering even uit-éen; toen klamden haar handen +naast elkaâr neêr om de knieën. Toen raakte de koele duisternis haar +aan, het holle vaal grijs-bruin streek over haar slapen, haar wangen, +haar ooren, haar hals. En haar befloerste oogen rezen op, starend nog +zonder te zien, angstig omwimperd onder de samentrekkende zwarte +wenkbrauwenranden. En zij begreep nog niet. Haar keel trok zich samen, +een beklemming drukte haar verhemelte. Een gevoel van zich zelve niet te +zijn, de verwondering van een ziel, die niet weet hoe dat vreemde +lichaam om haar heen is gekomen, die niet weet, waarom die handen, daar +vooruit, de hare zijn, waarom zij de koude voelt van die voeten, zoo ver +beneden, ruischte op door haar hoofd, zette op in haar hersenen als een +wervelwind van naderende angsten. Het beeld van den dag wankelde in haar +hersens. Het verflauwde in iets dat er achter was, iets onbestemds +kleurloos, vol, diep, onpeilbaar. Was de dag dan niet meer? Verdween de +dag? De dag was toch zoo schoon geweest! En zij wilde niet, zij wilde +hem behouden. Zij wilde blijven zijn zoo als zij was geweest. Maar de +grijze wolk, waarin zij zich gehuld zag, wemelde uiteen. En de dag werd +haar onttrokken, sloop heen in de droeve vijandige duisternis. De +laatste stralen harer mijmering droomden als wazige donkere strepen uit +haar oogen wech. + +Zij bleef met ongebroken blikken staren op dezelfde plek aan den wand +voor haar uit, als was de dag daarin opgegaan, als wilde zij hem weêr +te-rugwenken naar zich toe of hem volgen in zijn vlucht door de +onmetelijke duisternis. Maar zij voelde haar blik omstooten door de +tinten der donkerte. Haar blik werd verslonden door de duisternis, die +zich tot in haar oogen stuwde, met harde slagen. En haar hoofd bewoog +zich voor het eerst, hief langzaam zich op, zwaar van het lange gepeins, +zich schuw voorzichtig draayende, als uit vrees van zich te bezeeren. +Zij onderzocht met schuinsche blikken de hoeken der kamer. Daarna zag +zij snel naar buiten in den tuin. Een schrik deed haar duizelen. En zij +richtte zich hoog op, en zij zat recht, het hoofd geheven, en zij zag +klaar in de duisternis, die onverbiddelijk om haar heen was gedaald, en +zij voelde zich als schokkend tegen den grond vallen, voelde plotseling +haar kleeren, haar stoel, de vloer met geweld haar raken. Zij voelde de +leuningen van haar stoel, die haar als koude armen schenen te omvatten, +den rug van de stoel met zijn twee dwarsplankjes en de openingen +daartusschen, die diepe leegten schenen. Toen zag zij de duisternis +grimmend, onbewegelijk. De schaduwen waren samengekweekt, bijna +verdwenen. De duisternis had zich tot dof-zwarte kristallen in de hoeken +samengedrukt, had de vormen der meubels aan den wand samen vermengd en +ze tot een groep vaag begrensde, donkere brokken en klompen gemaakt, die +als doode beesten met logge ruggen en stompe voorhoofden daar +neêrgezegen schenen. En onder liet plafond had de duisternis zich als +een tweede donkere zoldering vastgeklemd en over de vloer had zij zich +als een rouw-tapijt gespreid; zij beschimmelde het behangsel; de +schilderijen en platen aan den wand hingen als onder hoezen en als een +breede lage katafalk stond de lankwerpige tafel met haar afhangend kleed +in 't midden. + +Mathildes donkere oogen glansden door de kamer. Zij vroegen aan de +voorwerpen, waarom het zoo duister was geworden. Haar blikken dwaalde +over de vlakten der dobberende schemering naar buiten, zonder een +enkelen lichttint te zien. En zij voelde de afwezigheid van het geluk, +dat verloren was gegaan, verdronken, wech in de duisternis. Het zoû niet +weêrkeeren. Haar leven der laatste maanden schemerde als een eentonige +op-een-volging van donkergrijze smarten door haar geest. Zij zag zich +leven haar lichaam bewegen al die dagen. Haar voeten waren gegaan als in +een eindelooze leêgte zonder doel; haar armen hadden zich uitgestoken +zich geheven, zich gekromd, maar zonder ooit iets aan te raken, als in +de gebaren van een gek. Haar oogen hadden gezien, haar ooren hadden +gehoord, maar slechts ledige kleurloze ruimten en geluiden zonder klank. +En zij wilde het niet gelooven. Het kon, het kon niet zijn. Het was al +knakte er iets in haar hersens. Als een golf van vuur vloeide naar haar +hoofd. Zij zag op; en het kwam van buiten, van verre, als een gerucht +een voortdurend groeyend gedruisch, tot haar. Het bobbelde en wiebelde +en sprankte uiteen in de duizende grijze en zwarte belletjes en +balletjes van de ruischende duisternis. Zij huiverde te-rug en dompelde +haar blik weêr in de donkerder donkerte van de kamer. + +Zij zag dat zachtjes-aan de zwarte tinten begonnen te bewegen. Zij +maakten zich los uit de hoeken in wolkige kronkelende pakjes, +schuifelden langs de wanden en de zoldering, zweefden sidderend midden +door de kamer, weken weêr te-rug in de wanden en meubels, kwamen weêr te +voorschijn, sloten zich tot een wolk samen en losten zich op in een +ragfijne zwarte stofpoeyering. Zij waren als stillen droeve door +gebroken stemmen geneuriede melodieën, eerst zachtjes uitgebeefd, daarna +angstig verstommend, daarna samenklinkend in een doodelijk dof koor en +weêr vergaande in de sombere stilte. En zij kwamen van alle kanten te +voren! als slangetjes offerrook opwalmend van den grond, uit de wanden +schietend, onmiddellijk naast elkaâr, in verwarde rijen, van de +zoldering dalend al dikker en dikker, in de rondte wiebelend, dansend, +warrelend, voortvliegend als vogelenschaduwen, samenvloeyend tot een +regenlucht, zich uitstortend in zwarte druppelen. De melodiën werden +luider, zij klaagden hijgend, zij jammerden heesch. Zij waren de +herinneringen, die van alle zijden kwamen weenen om Mathildes hoofd. +Mathilde zag geen herinneringen, maar zij wist dat zij daar waren, +achter haar, voor haar, die schreiden, dat alles voorbij was gegaan Zij +zag ze komen van buiten, hoog uit de lucht, Zij hoorde ze naderen van +onder de boomen en uit de muren van het huis. Alle bloemen in den tuin +waren zwart geworden en in de wemelenden ruimten zag zij afgeronde +figuurtjes tuimelend dalen, zwevend stijgen, en roer-loos blijven, als +een uitstrooying van zwarte bloemen, die zich aan de voorwerpen +hechtten. In de kamer pakte zich de duisternis dichter samen. Tot een +zware donderwolk rolde zij onder het plafond ineen, bouwde zich langs de +wanden tot breede nevelzuilen op. De zwarte massaas daalden op haar +neêr, schoven naar haar heen, beklemden haar met hun grommelende donkerte. + +Zij stond op van haar stoel, met haar koude handen en haar zweetend +hoofd en het ruischende en razende bloed in haar ooren. Met haar kouden +voet struikelde zij tegen het voetenbankje. Zij bukte zich om haar voet +te betasten. Een wilde koude wriemeling ging door heur haren over haar +heete hoofd, een stroom van zwarte vlekken kwam voor haar oogen. Zij +stond weêr recht op, en zij was bang. Zij deed haar oogen dicht om niet +te zien, zij deed haar handen in de plooyen van haar kleed, om niet +aangeraakt te worden. En huiverend proefde zij de duisternis, terwijl +angstvlagen haar keel als met gloeyende koperen punten prikten, zich +rillend samenpersend in haar hersenen, haar wil verlammend. En zij bleef +alleen, schoorvoetend op en neêrgaande in de donkerte. De donkerte hing +in rechte strooken van de zoldering, bolderde tot zwarte rollen, die +tegen elkaar botsten en in elkaâr overrolden. Mathilde voelde de +afrondingen van haar lichaam als een tastbare levende vorm tegen de +duisternis ingerezen. Zij voelde den bol van haar gloeyend hoofd, zij +voelde de buigende vlakken harer koude schouders. De duisternis viel als +gesmolten lood, op haar hoofd heur haar verzwarend. Achter haar, dan +links, dan rechts, hoorde zij wijdgapende zwarte lachen, daarna een +giegeling van kleine hollende klaterende lachjes achter elkaâr. Daarna +het klotsend getik als van een tong, die in een mond op en neêr slaat. +Zij zag om zich heen en roerloos grijnsde de duisternis, maar, altijd +aan de andere zijde, draaide de donkerte haar woesten rondedans en +snikten de vreemde geluiden. En zij ging rond; zij wist immers wel, dat +zij niet alleen was! Er moest iemant zijn. Langzaam vorschte zij door de +kamer, schichtig voorover-buigend in de hoeken en boven de meubels, +meenende er een menschengedaante uit te zullen zien opdoemen. Maar er +was niemant. Zij betastte de stoelen en de tafel, maar de stoelen en de +tafel drongen pijnlijk hun harde levenloosheid in haar vingers. Maar er +moest toch iemant zijn, er was iemant in haar leven, die altijd bij haar +was. De armen naar voren en naar achteren uitslaande, met +uit-een-gestrekte vingers, liep zij rond over de vloer, van den eenen +wand naar den anderen, telkens door de zwarte eenzaamheid van den eenen +wand naar den anderen te-ruggeworpen, zich stootend aan de meubels, +stilstaand met gespannen oor, om naar de stem te hooren, die daar sprak, +heel ver weg, sneller voortloopend, met een wind om het hoofd, tienmaal +na elkaâr om de tafel heen, tien-maal langs de stoelen aan den +achterwand, in drift haar hand opheffend met een samenklemming der +tanden, stampend op den grond, hijgend door de neus-gaten, met +verglaasde oogen rondturend, eindelijk tegen den muur vallend, haar +armen boven haar hoofd, haar open mond in het behangsel gedrukt. Zij +keerde zich weêr om tot de duisternis en zij breidde haar armen uit als +om hulp te vragen. Maar de duisternis plofte neêr op haar schouders, +stroomde ruischend langs haar zijden naar beneden. Zij voelde den grond +niet meer onder haar voeten. En zij zag de vloer zinken en stijgen, in +breede schuine vlakken plotseling wijkend, zich weêr samenvoegend en in +vierkante blokken zich opstapelend om haar heen. De wanden trilden, +bewogen, schoven te-rug en naderden weêr met langzame wreedheid om haar +tegen hun groote platte vlakken te verpletteren. + +Mathilde strompelde naar de vensters, waar, als door groote gaten, de +grijze nacht van buiten vaal viel tegen de dichte kamerzwarte. En haar +oogen flikkerden en vlamden tegen den nacht, die van buiten op haar +toegolfde als een klimmende dampende gloed. Het grasveld vlak voor de +ruiten scheen hoog heen te stroomen, kwatelend en kabbelend in den wind, +die er van uit de schuddende hooge boomgevaarten wolken zwartheid op +nederwoei, met de golfkammen der nog als groen uitkomende hoogste +grassprietjes en de schuimvlokken der witte rozen. De zwarte vloed kwam +van verre, van allen kant, door de wuivende en buigende, zich in groepen +samenwringende en weêr losrijtende beplantingen om de huizen aan +d'overkant, van links en recht over den straatweg en door Mathildes tuin +aanspoelend met klotsend geweld, zich vermengend met de zware regens en +stortvloeden van zwartheid, die over Bagatelle's dak, en langs beide +zijden van de warandes, en van overal uit de lucht zich er in neêrgoten, +opzwalpend in vreemde druipende zwarte figuren en met een windvlaag +neêrzwierend in het hooge water. De breede donkergele streep van den +straatweg golfde onder den stroom door, zich in bochten opkronkelend, +zijn breede rug hoog opkrommend en weêr neerstrijkend, of zijn gele +effenheid verliezend, doorboord met wemelende puntjes en gaatjes als een +schelpenbodem onder den vloed. De iepen stuwden hun breede donkere +lijven tegen de zwarte lucht, zich als een bergketen samen-sluitend, +tusschen wiens toppen watervallen klaterende zwartheid naar beneden +gudsten, in een storm van droefheidsgebaren hun lange armen sidderend +losrukkend en er in een kramp van jammeren meê wijzend tegen den +donkeren hemel. De witte en grijsblauwe huizen aan d'overkant, met hun +kale muren, groeiden op uit den grond, hoog en naakt, als gesteenten van +geweldige droefheid, de donkerte der boomen en heester met hun breedte +vervullend, vooroverbuigend, zich splijtend en zich weêr samenvoegend, +zwaar en recht. Zij dreigden en voorspelden, zij waren ontzachlijke +steenen graven, stom en meêdoogenloos, langzaam waggelend op dezelfde +plaats in de zee van grauwheid. En zij naderden in hobbelende +zwenkingen, als met een heesch krijschen en een knersend gillen hunner +fondamenten, hun vervaarlijke blokken naar Mathilde heenbewegend in de +stormende zwartheid. Maar de geweldige stammen der hooge boomen aan den +weg schenen lichtelijk te verschuiven van hun standplaats, en zij +wankelden en zij rezen hooger en zij schreden tot elkaâr. Er barstten er +van-één, van hun wortels hagelde een warreling van zwarte vonken Op, +maar zij sloten weêr samen en als een troep ijzeren gedaanten drongen +zij naar voren. De bladeren en takken verstijfden en klonken zich samen, +schoten op in een vaart tot zwarte torens en zij bogen zich schuins, om +neêr te storten op Mathilde en op het huis. Maar de grauwe zee raasde +voort, hooger klimmend, woester stroomend. De boomen vielen er in wech, +verdronken, en steigerden als reuzige zwarte golven, hemelhoog er +weêr uit op. + +Mathilde zag naar boven, zag op zij. Zij zag zich ondergaan. Met de +groote blikloze star staande oogen, als van iemand die eindelijk +plotseling zijn leven ontdekt, stond zij voor het venster. En haar oogen +dronken de woedende macht met bevende begeerte. De zwarte vloed sloeg +tegen de muren van het huis, dat er straks in wech zoû zinken. De muren +dreunden, schudden in een aarzeling. In den storm bolden de muren zich +uit, vielen weér plat, heen en weêr zwiepend als linnen +tooneeldekoraties. Als een dorre, verstikkende kreet steende langs het +gewelf van Mathildes hart naar haar hoofd. En de muren van het huis +scheurden en de grond spleet open, En, zinneloos, voelde zij zich +wringen en in een afgrond sleuren, steeds vallend in steeds dieper +zwartheid, de leden geprangd in nauwe klemmen, het hoofd bonzend tegen +de vooruitstekende punten der in-een-stortende omgeving. Een wind van +ijs en een zwarte watervloed voeren over haar heen. Mathilde viel neêr +voor het venster. + +Maar zij deed haar oogen open; zij zag dat alles stiller was geworden. +Er was niets dan éen groote wijde grauwheid om haar heen, waarin de +muren der onbeweeglijk staande huizen aan d'overkant afbrokkelden, en de +steenen in klompen en brokken geluidloos wechvielen. Als na een hevigen +brand bleven stukken muur hoog opstaan in de ledige ruimte. Van de hooge +boomen vielen de takken en bladeren bij vakken wech; de stammen +vermolmden met wijde gaten. In de kamer braken de zwarte meubelen wech +zonder gerucht, samenvallend tot ongelijke hoopjes. Alles viel langzaam +neêr in een afbraak der heele omgeving. En zij voelde als brak ook haar +eigen wezen zachtjes van elkaâr, ontbonden door de grauwheid, zonder +smart. Het was zoo duister, dat zij haar lichaam niet meer in zijn +geheel kon onderscheiden, het was als lagen haar leden gebroken, van +elkaar wechgespreid. En haar verbeelding, opgebouwd van herinneringen +aan het verledene en droomen voor de toekomst, stortte in één, vallend +in een grauwe gedachteloze leegte. Er was niets meer, niets. Zij voelde +alles geëindigd, haar gemoed uitgedoofd, haar ziel gestorven. Zoo bleef +zij liggen, het hoofd tegen den rand van het venster. + +Mathilde werd opgeschrikt door stemmen en een geklepper van deuren, dat +van het rieten kabinetje kwam. Als een koude wind, die om haar hoofd +sloeg, in haar schedel klinkend met den langen naklank van een +stemsleutel, raakte het geluid van het onverschillige leven haar aan. +Het was Marie, die met de lamp in haar eene hand en Felix aan haar +andere hand binnenkwam. Felix moest goeye nacht zeggen. De kap van de +lamp, waardoor de wanden en de zoldering der kamer plotseling met een +blanke schaduw werden bedekt, de meubels en de vloer geel verlicht +werden, daalde tot even boven Maries mond, zoodat het onderste helft van +haar hoofd warm beschenen werd Marie zeî "Wel mevrouw, ik wist gerust +niet, dat u hier in donker zat, ik dacht, dat Jans u de lamp al lang +gebracht had". En zij glimlachte. Als het hart van een opengesneden +vrucht blonk het vochtige wit van haar tanden midden in het glinsterend +sap van haar tandvleesch en lippen. De huidplekjes onder de uithoeken +van haar mond waren van blankgeel perziken-fluweel. De lampenschijn +wierp plooyen van koud en warm blank in haar hals en verguldde er de +onderste verwarde haartjes. Maries mond scheen te lachen om de +duisternis in de kamer. + +Felix was naar Mathilde geloopen en riep: + +--Nacht, moeder, wel te ruste. + +Mathilde, die naar Marie had gekeken, boog zich tot Felix. Maar toen zij +boog, zag ze hem aan en ze zag hem zoo als ze hem nog nooit had gezien. +Want hij stond met zijn hoofd een beetje naar den rechterschouder +neigend en steunend op zijn rechter been, met een zekeren lieven blik in +zijn oogen, heelemaal als de verkinderlijking van de houding en den blik +waarmeê ze Jozef zoo graâg zag. Felix leek zóo erg op zijn vader. Er +ging een trilling onder Mathildes gezicht, haar neus-vleugels beefden, +haar oogen bibberden half toe. Zij knielde bij Felix neêr. Zij drukte +zijn hoofd tusschen haar koude handen. Zij kust hem, dat haar tanden er +pijn van deden, op zijn voorhoofd, op zijn haar. Zij streelde zijn +oortjes, zijn wangen, wild en hard. Zij fluisterde hem toe op een +heeschen toon; "goeye nacht!" + +Marie stond glimlachend-wachtend te kijken, hoe mevrouw Felix zoo +hartelijk goeye-nacht kuste. + +Toen Mathilde weêr alleen was, deed zij het eene venster open. Zij ging +in den tuin en liep haastig voort, als moest zij iemant aantreffen. +Achter in den tuin, dicht bij het Flora-beeld, bleef zij staan. Zij was +hier-heen gesneld om zoo gauw mogelijk ongezien de eenzame wellust te +kunnen genieten van het besluiten tot een gesprek met Jozef, waarover +zij mijmerde. Haar oogen knipten, om niet afgeleid te worden bij het +bekijken van haar gedachten, en zij slikte murmelend, om met aandacht +het genot van haar besluit te proeven; er kwam, in een warmte om haar +voorhoofd en wangen, het besef, dat zij slagen zoû in wat zij wilde, en +het liep als een zoete prikkeling over haar hoofd. Het was zoo +gemakkelijk, wat zij had bedacht. Zij zoû van haar benauwdheid uit tot +Jozef gaan, hem al haar verdriet zeggen en hem vragen of hij weêr van +haar woû gaan houden. Vroeger had zij wel gedacht, dat als Jozefs liefde +wech was, die door geen woorden ter wereld weêr op te wekken zoû zijn en +het dus maar beter was te zwijgen, maar nu voelde zij haar wangen +gloeyen van een koorts van woorden, die zij tot hem spreken zoû. + +Zij wandelde zachtjes heen en weêr, haar hoofd gebogen onder den +nachtwind, haar gloeyende oogen over het zwarte pad. Waarom zij tot nu +toe niet had gesproken, wist zij niet. Zij had niet gedurfd, zij had +niet gekund. Hij zoû geandwoord hebben, dat hij daar niets van wist, dat +hij van haar hield, zoo als vroeger. Maar als hij haar dit nu +andwoordde, zoû ze hem zeggen, dat hij loog, maar dat zij hem wel weêr +van haar zoû doen houden, dat zij zich zoo gezond en weêr zoo mooi zoû +maken, dat zij zóolang alles beproeven zoû, tot hij weêr veel, veel van +haar hield. Zij was heet van verlangen naar de tijd, dat zij hem spreken +en overwinnen zoû. + +Door de lucht, die een plaat van donkerblauw metaal scheen boven den +tuin, gloeiden de groene, blauwe zilveren en gouden punten der sterren, +met een veraf blakerend gezuis. In de blauwe duisternis schaarden de +boomen hun donkere pyramidale lichamen om Mathilde heen en deinden heen +en weêr, ruischend in den kleinen nachtwind. Als een vrouw, die, met +genietende oogen, haar hoofd opheft tot haar man, om bezien en gekust en +gestreeld te worden, hief Mathilde haar hoofd naar den nacht. En de +nachtwind drukte zich tegen haar borst, gleed langs haar hals en haar +wangen, kuste haar mond. De sterrenhemel, zacht en goud, daalde neêr, +bescheen haar witte gezicht met stille glansen. Maar plotseling vielen +sterren in haar oogen langs schichtige stralen. En heur haren woeyen op, +als zwarte vlammen om haar hoofd. + +En de hoop, de laatste hoop leefde in Mathilde, schoot in haar wezen als +een hooge plant, die, zich wortelend in haar hart, het bewegen en +kloppen deed onder haar kleed, die zijn takken in de vreemde +kronkelingen van droomerijen en gedachten over een gelukkige toekomst +door haar hersenen slingerde, die eerst glansend bloesemde in de blikken +vol licht, die haar oogen door het huis wierpen, die daarna teedere +bloemen voortbracht in het schuchtere rood, dat een enkele maal door +haar wangen kwam. Zij begreep niet, wat haar zoo gauw had doen +veranderen. Zij ging door het huis, met een lichten, vluggen tred van +iemant, die onbezorgd is. Zij deed haar huishoudentje met een +opmerkzaam, nauwkeurig gezicht en met armgebaren vol blijde haast, als +een pasgetrouwde vrouw verheugd over het haar toevertrouwd beheer. Als +zij alleen was lachte haar bleeke mond plotseling. Zij keerde dan haar +gezicht bijna geheel naar het plafond. De lachjes kruiden op uit haar +keel, lachjes, waarin de ha-klank rolde door haar mond, eerst in diepe +toonen, later in hoogere toonen over haar lippen dansend, opkrinkelend +tegen het plafond, waarop Mathilde heerlijke toekomst-beelden scheen +afgeschilderd te zien. En daarna lachte zij weêr in zich zelve met +gesloten mond, met denkende oogen over de vloer, terwijl de lach met +rukken uit haar schuddende borst opsteeg, met een gekreun door haar +keel, als een wind uit haar neusgaten wech woei. + +Zij kon zich nog niet van Zich zelf losmaken en op een afstand haar +eigen ik en haar toestand beschouwen. Zij was nog geheel in zich zelve. +Zij voelde, dat zij, om te bestaan, Jozefs liefde noodig had, en daarom +wist zij, dat die te-rug moest komen, dat de toekomst goed zoû zijn. + +Zij bleef in Felix Jozef zien, een tweeden Jozef, een kleinen Jozef heel +klein, heel vreemd. Zij merkte, als Felix lachte, trekken om zijn mond +als die van Jozef, zij zag sommige rose plekken aan zijn ooren, juist +zoo als Jozef er had. Zij omgaf zich van Felix. Zij voelde niets +moederlijks voor hem, zij voelde zich bijna als zijn vrouw, met een +wondere angstige, koortsige, voor haar zelf onbegrijpelijke hartstocht. +Als zij 's middags door den tuin wandelde, liet ze hem naast haar loopen +aan haar hand, en ze liet hem niet los, maar klemde zijn handjes in de +hare; haar oogen straalden met wijde ongebroken blikken over zijn hoofd +en zijn lichaampje heen. Zij drukte zijn handje vaster, opdat hij naar +haar op zoû zien. Haar oogen goten heete stralen over hem uit. Wanneer +ze in de hut zat stoeide ze met hem, liet hem op haar schoot zitten, leî +hem rechtuit over haar knieën, gleed met haar oogen van zijn voetjes tot +zijn hoofd, hechtte haar blikken aan zijn leden, drukte haar blikken +over zijn gezichtje, verdronk hem in haar oogenspiegeling, zelve dronken +van hem te zien. Zij betastte zijn lichaampje met teêre neêrzijgingen +harer vingers om zijn armen, om zijn beentjes heen. Zij streelde zijn +hoofdje met bevende liefde-handen. Zij leî, hem zacht omvattend, haar +handen over zijn schoudertjes en drukte hem tegen haar aan, zijn hoofdje +onder haar hoofd. Zij wilde, dat hij spreken zoû, omdat zij Jozefs stem +wilde hooren. Zij vroeg hem, of hij van haar hield, of hij van zijn +vader hield, of hij zijn vader wel kende, of hij zoo groot zoû worden +als zijn vader. Als het kind niet andwoordde, bracht zij haar oor aan +zijn mond, opdat hij daarin ademen zoû en zij uit zijn adem klanken op +zoû vangen. Zij bracht haar mond aan zijn mond om zijn adem in te +ademen; zij hield haar oogen voor zijn mond, opdat hij ze bewasemen zoû. +En als Felix tegenspartelde en bang was en wech wilde, dan schudde zij +hem, tikte hem op zijn handjes, zag hem boos aan. Als het kind dan +huilde en zijn roode armpjes voor zijn oogen bracht, zette ze hem op den +grond, boog zich naast hem neêr, hem in de ronding van haar arm nemend, +en, haar hoofd naast het zijne, tegen het zijne aan, huilde zij meê. Zij +huilden met hun tweeên in den stillen zomer. Hun tranen drupten op de +kiezelsteenen van de hut. + +'s Avonds, vóor Felix naar bed ging, moest hij bij Mathildes stoel +staan. Dan zoende ze hem zachtjes zonder ophouden op zijn voorhoofd, op +zijn haar, op zijn handjes. Als het oogenblik van goeye-nachtzeggen was +gekomen, hief ze hem hoog op, tot vlak boven haar hoofd, bracht daarna +zijn gezichtje vlak voor het hare, staarde in zijn oogen tot die +dichtvielen en deed vreemde vragen: "Waarom ben je vader niet? Ben-jij +Felix, ben-jij niet Jozef?" Als hij weêr op de vloer stond, kuste zij +hem op zijn wangen goede nacht, langen tijd, haar mond aan zijn gezicht, +Het gebeurde, dat zij, later in den avond, nog niet was voldaan, dat zij +niet slapen kón. Dan sloop zij naar boven door den stijgen-den nacht der +trappetreden. Zij stond voor Felix bedje, als Marie al sliep. Zij bleef +een half uur staan staren over het witte dek en het gladde hoofdje, met +de roode rondte van zijn open mondje, dat er boven uit lag. + +Jozef was er nu in negen dagen niet geweest. Den Zondag, den dag, dat +hij toch altijd kwam, had hij nu ook overgeslagen. Dinsdag 's morgens, +tien minuten over half elf, toen Mathilde aan haar huishouden Zat, +bracht Jans een brief van Jozef binnen. Het was een vierkante enveloppe, +van gelig oud-Hollandsch papier, dat mooye papier, waar Jozef altijd op +schreef. Jans leî den brief op tafel en draaide, drukkend, er haar +wijsvinger half op om, als wilde zij den brief beletten wech te vliegen, +en, zich omkeerende om heen te gaan, zag zij, van onder den strengen +boog van haar kornet, nog met twee zorgzaam-ernstige blikken naar den +brief, zeggende: + +--Die brief is gekomme, mefrouw. + +Voortschrijvende aan haar huishoudenboek, nam Mathilde, met een korte +koude verplaatsing harer blikken onontroerd, als een gewoon en verwacht +ding, het gelige vierkant van den brief in haar oogen op. De brief lag +daar, alleen, hoog op het stijve tafelzeiltje. Hij lag daar, als een +vreemd licht voorwerp, door zijn pasaangekomenheid als een vierkantje +nieuwe frischheid opwittend uit het zwaardere, in zijn gewoonheid oudere +kleurenwezen der kamer. Terwijl Mathilde voortschreef en naar haar +schrift keek, bleef de brief, links in de schuinte, als een scherp +omlijnd wit vlakje van de tafel, in haar oog liggen, als een klein +vormpje door zijn ongeknotte gladheid en verscheid in een hoogen witten +klank roepende, dat hij zoo even hier nog niet was. + +Mathilde nam den brief op, waardoor hij haar oog naderde en heel +lichtelijk grooter en zwaarder werd. Jozef verontschuldigde zich, zoo +als altijd, dat hij verleden Zondag niet gekomen was en dat hij vóor +aanstaanden Zondag ook niet zoû komen. Het opengevouwen bladje strekte +zich dun-stug tusschen Mathildes bleeke vingers met het gerekte geritsel +als van verflauwde gewrichtsverbuiging en zij had heel even het +grijs-bleeke gevoel der kille leegte die van het papieren vlaktetje over +haar wangen steeg, dat zij altijd na het lezen van zijn briefjes had, +maar nu heel vluchtig, zich terstond oplossend in de lichtblauwe +breedheden van hoop, waarin haar denken waadde. + +Jozef zoû dus Zondag komen. Dat de dag nu bepaald was, waarop het +gewichtige gesprek, zoû plaats hebben, verergde Mathildes +zenuwachtigheid, en maakte haar vertrouwen op de uitkomst +nadrukkelijker. Zij voelde zich verjeugdigen in de gejaagdheid, waarmeê +zij den dag tegemoet zag. De soort prikkelingen, die van haar voeten tot +haar hoofd als regens van speldeprikken liepen, die van haar hart uit +door haar keel stegen, als een inwendige kreet van begroeting en een +roepen om nader te komen, herinnerde zij zich alleen van lang geleden, +toen zij nog niet getrouwd was en zij Jozef wachtte, die andwoord moest +komen vragen op zijn gedaan verzoek. Maar snel, als raakte de vleugel +van een voorbijvliegenden ouden grijzen verlepten vogel haar achterhoofd +aan, wipte het gezicht van de kamer op den Oudezijds-Voorburgwal, en +Jozef, die de stoep opkwam, en hun eerste kus, door haar gedachten, en +wech was het weêr, vernietigd onder het beeld van den aanstaanden dag, +dat haar gelijk de prijsuitdeeling den scholier, als een vaag, groot, +zwaar donker lichaam, als een in haar verbeelding gewrongen balk, onder +zich neêrdrukte. Daarna werd zij den dag weêr gewaar als een donker +blok, maar er om heen waren stukjes planten-en bloemengroei en gele +randen zonneschijn, omdat zij den dag zag in den tuin, waar ze hem met +Jozef leven zoû. + +En zij liep door het ledige huis, En het zilveren licht van haar +verlangende oogen straalde tot de wanden en zolderingen en bleef er +hangen in zilverschijnende plekken. En het huis wachtte met haar samen +op den geluksdag, die nu eens langzaam aan scheen te komen waren uit de +verte, in breede rollen van wit en blauw en goud met hoog geboogde +luchten en wijde bloemende grondvlakten, die dan weder in de verte +achter een hoogen poort vol ruischende glansen op haar scheen te +wachten, tot de tijd haar tot hem heen zoû hebben gevoerd. Jozef zoû +Zondag komen. Stroomden door alle vensters niet licht en kleuren naar +binnen; openden zich de ramen en deuren niet tot aan den grond om hem +binnen te laten? En de stilte van het ledige huis vulde zich immers met +ruikers van zonnekleuren, omdat hij komen zoû? En zij liep door het +huis. Haar voeten wiegelden vluchtig over de blijde vloeren. De vloeren +gleden voort onder haar voeten, niet de matte kleuren der tapijten als +open gebroken door de wit-gouden rondtes van zonnelicht, waarin enkele +bladerenschaduwen stilletjes wenkten. + +Zij zag zich treden door de deurposten in de ruimten der kamers, en de +wit-omlijste beperking der deur-posten sprong te-rug om haar heen, om +dat die tastbaar was, maar de ontastbare ruimten vol waren van goud-en +wit-wemelende hoop, die Mathilde omvloeide. Zij zag zich gaan langs de +wanden, en de wanden schoven haar voorbij, stil wit-lachend vlak en +recht. Het was haar of zij altijd verder zoû gaan, het hoofd naar voren, +den dag zoekende, die in de verte stond. Als zij een stuk wand zag, was +het alweêr achter haar. Kwam zij aan een hoek waar twee wanden elkaâr +raakten, dan kon zij niet verder gaan. De eene wand leidde haar naar den +anderen, maar allen waren zij met lichte kleuren, en zij zag hen aan, en +zij spreidden zich uit, blank en breed; glimlachjes speelden in de +figuren van het behangsel. Mathilde zag door het huis en zij zag, dat +het mooi was. Maar als zij in den tuin keek, was overal weêr de +gezichteinder, de grens van haar blik, die zij zich niet begrijpen kon. +Zij wilde dieper zien, was er nergens een verre, verre opening? maar de +kleurvakken van den tuin naderden, hechtten zich als schilderijen in de +lijsten der ruiten. En snelheden van zacht-gele tevredenheid suisten +over Mathildes borst door haar gemoed. + +Mathilde wandelde door het huis, deur in, deur uit, en ook naar boven. +Zij zag de omkastingen der vertrekken en portalen, met hun ongebogen +steeds elkaâr voortzettende lijnen, haar overhuiven, naast haar opstaan, +over haar heen vlakken, haar beschutten in hun onverstoorde effenheid. +Het huis was het weldoende verblijf, waar zij Jozef zoû ontvangen. Zij +voelde, haar hand wijd uitgespreid als een halve ster tegen de muren +leggend, hun liefdadige hardheid. Want zij beschermden haar tegen den +tuin. De tuin was zoo vol van een kleurenoverstelping, de geestdriften +en verrukkingen van het diepe zomergoud zonken met zulk een bevende +vaart neder over de juichende tuinkleuren, dat Mathilde bang was voor +den tuin. Maar de vloeren droegen haar hoog heen, en de branding van +buiten kon haar nog niet bereiken. De meubels omstonden haar met de rust +en tevredenstelling hunner bruin-kalme onbewegelijkheid. Zij waren goed, +zij waren fraai, zij waren trouw. En als om hen te streelen, zoo als een +bruid op den arm des geliefden leunt om een derde iets te vragen, zoo +leunden Mathildes handen op de randen der meubels, wanneer Zij zich naar +voren boog om gedachteloos de namen der makers te lezen onder de platen +aan de muur. Want zij had van die plotselinge nieuwsgierigheden voor de +kleinste kleinigheden, die drentelende afwachtingen van heugelijke +gebeurtenissen in menschenoogen doen ontstaan, en die Mathilde eensklaps +de nog ongeziene krul van een behangsel-figuur deden ontleden, of haar +een klein barstje in de lambrizeering lieten ontdekken en nagaan. + +Zoo ging de Dinsdag en Woensdag voorbij. Mathilde dacht aan het gesprek +met Jozef als aan iets, dat buiten haar om zoo bepaald was, als aan een +gelegenheid, die zich nu voordeed om haar geluk te herstellen. Zij +bedacht niet, dat de heele zaak van haar was uitgegaan en nog wel +toevallig nu pas, dat zij hem even goed twee maanden geleden hetzelfde +had kunnen zeggen. Zij dacht er ook niet aan, dat Jozef op 't oogenblik +voelen moest als altijd, dat hij nog van niets wist. Neen, zij had een +gevoel als bereidde hij van zijn kant zich in Amsterdam op den strijd +voor, die zoû plaats hebben, terwijl zij 't zich hier deed. En zij +maakte haar plannen, nauwkeurig, in onderdeelen. Zij zoû beginnen met +het feit te zeggen zoo als het was: zijn liefde voor haar was niet zoo +groot meer als vroeger. Dan zoû hij zeggen--ze kende hem er goed genoeg +voor om dat zeker te weten--: 't was volstrekt niet waar, hij hield nog +altijd even veel van haar. Maar dan zoû zij hem bewijzen, dat 't niet +zoo was. Want, zoû zij vragen, hoe handel jij in den laatsten tijd +tegenover mij en hoe doet een man die wezenlijk veel van zijn vrouw +houdt? Zij zoû het onderscheid laten voelen. Dan zoû hij misschien +toegeven ... En dan, en dan ... Mathilde lachte en trad voort, zij voelde +haar plan worden in de huppelende blijdschap van haar lachjes. De +woorden verzamelden zich langzaam in haar heerlijk zeker. Als bijna +lijnen, die elkaâr naderden en zich samenvoegden, waarden de gedachten +om haar heen door de huisruimten. Haar lachjes zweefden op, +verzilverkrulden de lijnen: zilverwitte onzichtbaarheden luwden in +lichte wolkjes om haar heen, wierookten tot haar voorhoofd en deinden +weêr terug, beglipten haar hals, suisten weêr op door heur haren, +glanspuntend, paerlend, sterrelend boven haar been. En zij liep voort; +haar gedachten, in gele, rose en blauwe draden, weefden aan het plan. En +in de zachte bewegingen dier ongeziene gelukskleuren, begon zij te +neuriën, maar zachtjes, voor haar zelf onhoorbaar zachtjes. Kwam er een +bedenking, vlotte het plan niet geregeld, dan haperde de stille +neuriënde gedachtenstem, heel even, maar als het bezwaar bijna +overwonnen was, begon zij weder, nog zachter, altijd zachter. + +Zoo ging zij door haar slaapkamer om te zien, of alles goed opgeredderd +was, maakte de kleerenkast open, hing haar japonnen op hun plaats en +keek of haar lijven, tegen de stof, wel met de voeringen naar buiten +hingen; zij zette het speldekussen recht voor het toiletje, sloeg de +gordijnen voor het bed over elkaâr, en nam nog hier en daar de stof af, +want Marie deed alles niet precies genoeg. En alles moest toch heel goed +in orde zijn voor als Jozef kwam. Zoo ging zij door de keuken, liet Jans +haar toonen wat gebroken was, onderzocht of de tinnen zaken en de +koperen glazewaschpomp, de raspen, de zeeften en de beschuittrommel wel +op hun plaats aan de muur hingen, of het fornuis wel goed schoon was. +Als Marie en Felix uit waren, ging zij zien of er op de planken der +kasten boven wel overal schoon papier lag, of Felix kleeren netjes +opgevouwen waren. In het rieten kabinetje streek zij een verkeerde plooi +uit een venstergordijn en schikte de stoelen in de stipste orde om de +tafel. In de groote kamer liet zij de vuile voeten van Felix wegvegen, +die daar van gister-avond nog stonden, en beknorde Jans, dat zij zoo +slordig geschuyerd had. Zij trok een kreukel uit het tafelkleed, leî de +muziek op de piano tot een regelmatig hoopje. Maar, door het rustelooze +op-en neêrgaan, verflauwde de innigheid harer gedachten, eindelijk +dacht zij er niet meer aan dat zij aan 't denken was, en, ontevreden, +bleef zij staan om kalmer haar plan verder te maken. + +Zij stond, rustende op haar rechter been, de teêr-grijze wol strak +gespannen over de ronding der uit-gezette heup. Haar linkerhand morrelde +aan de knoopen van den peignoir. Aan de rechter, boven den tegen haar +borst gedrukten arm, wreef zij haar kin heen en weêr; haar blikloze +oogen lijnden, van haar langzaam ja-knikkend hoofd uit, strak op +hetzelfde punt van den vloer neêr. Of zij streek haar handen van haar +voorhoofd tegen haar wangen neder, die dan tot rose kussentjes onder +haar oogen zwollen; en zoo, haar hoofd in de handen gevat, terwijl een +aarzeling van klamheid over haar schedel trok en de aderslangetjes aan +haar slapen zich even verdonkerblauwden, liet zij haar oogen den +aanstaanden dag tegenglinsteren, met kleine dartelende blauw-zilveren +vonkjes. + +Als hij dan toegegeven had, dat hij niet meer zooveel van haar hield als +vroeger, zoû ze hem zeggen, dat hij zeker zelf niet wist hoe dat kwam, +maar dat zij 't hem kon uitleggen: zij was ziek geworden, had daardoor +van-zelf niet zoo lief meer voor hem kunnen zijn als vroeger, en hij was +nu eenmaal iemant, die er behoefte aan had, dat een ander onophoudelijk +de grootste liefde voor hem toonde. Maar het zoû weêr te-rugkomen, als +hij maar zeî, dat hij nog een heel, heel klein beetje van haar hield, +och maar zoó weinig, zóo weinig, als een stofje tusschen vinger en +duim ... Als zij dit gezegd had, zoû ze naar hem kijken, hij zoû zeker +een beetje zenuwachtig geworden zijn en hij zoû zeggen ja!, dat hij nog +werkelijk van haar hield, dan zoû zij hem omhelzen, en dan; ... O, 't zoû +heerlijk zijn! ... zij zag zich al met hem loopen in de zon, haar arm in +den zijnen als toen zij pâs getrouwd waren ... + +Mathilde stond dicht bij het venster. Achter het neteldoeksche gordijn +speelden zes vliegen tegen de ruit, als zwarte stipjes op en neêr +wippend, met lichte tikjes tegen de ruit rakend, tegen elkaâr +aangiggelend, op elkaârs ruggen klimmend, zich badend in een paar dunne +zonnestraaltjes, twee aan twee in kringetjes rondwirrelend, stilblijvend +tegen het neteldoek. Eens vloeg er een op Mathildes voorhoofd, liep snel +rond tot bij de wenkbrauwen, sprong toen op haar hand, liep op en neêr, +sleep zijn voorste pootjes tegen elkaar en liep weêr op en neêr. +Mathildes oogen, moe van het turen, knipten wakker. Zij had zóo innig +aan hem gedacht, dat een lichte koû over haar heenging, onder haar kin +tegen haar hoofd op. Het was als had zijn gestalte, warmend, vlak voor +haar gestaan, als had zij tegen zijn borst gestaard, tusschen haar en +den wand, als was hij nu met onhoorbaren tred wechgegaan. Zij zag om, +met angst glimlachend. Hij was er niet, neen, zij zag hem niet gaan. +Toen door 't venster ziende, was 't haar, of hij elk oogenblik om den +hoek zoû verschijnen, en van de heete tuinkleuren uit, tot haar heen +treden, met zijn armen, met zijn schouders, zijn voeten nog in de zon. + +Maar haar mijmering stierf uit en zij dacht: als hij werkelijk eens vóor +Zondag kwam. Dat was wél heel onwaarschijnlijk. Maar zij haastte zich +toch met haar kleine voorzorgen, omdat hij elk oogenblik komen kôn. De +deuren van het rieten kabinetje en van Jozefs slaapkamertje stonden +open. Door de vijf ramen geelden, zich naar onderen verbreedend, zware +kokers stofwemelend zonnelicht naar binnen. Schreed Mathilde voorbij de +ramen, dan brandde plotseling een plekje van heur haar, haar oog werd +blind geschitterd, zag zij haar kleed goud-grijs en weêr donker worden, +was haar hand op eens schel verlicht. Het klaterende goud-groen van den +tuin brandde door de tintelende ruiten. Hetzelfde eentonige deuntje +neuriënd, nu en dan eensklaps luider, als wilde zij er iets meê dwingen, +deed Mathilde verder haar zaakjes. De stilte, die als een warm blanke +doorzichtigheid over Mathilde hing, werd alleen verscheurd, een enkele +maal, door de keukengeluiden van een steenen pan, door Jans op de +marmeren rechtbank gezet of het bingebangerend ijzergerommel van het +fornuis-opstoken, die door den wand heenbraken. + +Later op den dag,--het was al Donderdag,--werkten Mathildes hersens +voort aan haar plan. Zij zat in de groote kamer, de ellebogen op de +tafel geleund, met de kouwige half in het haar wechgedoken handen de +huid aan de slapen zóo naar boven strijkend, dat haar oogen werden als +die van een chineesche vrouw. Bij de hoeken der neusgaten trilden de +zenuwen van haar gezicht. Haar huid scheen te schokken van de +geluksgedachten, waar zij vol van was; haar oogen verdoften om alleen +naar binnen te zien. Met een rukje zonk nu en dan even haar hoofd lager. +De hiel van haar linker voet klopte snel zachtjes op de vloer. + +Zoû zij wezenlijk durven? Als hij daar heel gewoon en met zijn kalmte +naast haar stond en ze over onverschillige dingen spraken, zoû zij dan +in eens de soort van spanning die er nu al sinds maanden tusschen hen +bestond, durven verbreken? O ja, zij zoû durven, wat er ook gebeuren +mocht, zij zoû spreken. En dadelijk zoû zij er over beginnen, als hij +aangekomen was ... Na dat zij elkaâr dan omhelsd zouden hebben, zoû ze +hem al haar verdriet vertellen ... O maar, wat een heerlijk idee, de +stilte tusschen hen zoû verdwenen zijn; zij zouden weêr samen praten +uren achtereen, zonder ooit uitgepraat te zijn. Het zoû net zijn, of +Jozef van een lange reis was teruggekeerd, als of zij mekaâr weêrvonden +na een lange scheiding ... Al wat zij uitgestaan had, zoû zij hem in +onderdeelen haarfijn zeggen ... Allemaal natuurlijk om te maken, dat hij +weêr meer van haar hield. Of was 't beter zich niet zoo bloot te geven, +zoû hij daar misschien te trotsch van worden? ... O Heer! daar wist zij +in eens iets veel beters. Zij zoû hem niet omhelzen, zij zoû volstrekt +zoo lief niet tegen hem zijn. Neen, zelf trotsch en koel zijn, hem +rekenschap vragen van zijn gedrag, dát was het middel ... En neen, ... en +ja ... Ja, ja, zij zoû voorwenden boos op hem te zijn ... Dan zoû hij om +dat weêr goed te maken ... en dan ... hoe 't ook gaan mocht, zij zouden in +elk geval tot een verklaring komen, die niet anders dan gelukkig +kon wezen. + +Mathildes verbeelding zag zijn ontroering al, en haar ontroering. Hij +zoû vlak bij haar wezen wanneer zij hem dit alles zeggen zoû, en +hij--geheel, zijn hoofd en zijn handen en zijn voeten, en zijn oogen, al +zijn leden, die zij liefhad, al zijn blikken, waarnaar zij verlangde. +Zij zoû hem zien, zij zoû hem hooren, zij zoû hem betasten kunnen. Zij +zoû zijn gezicht wel weêr van liefde doen branden; en als hij zijn hoofd +dan boog, en als hun monden dan tot mekaâr kwamen ... Zij zag de zon al +gaan over zijne kleéren, ... en zij zoû hem brengen naar het huis, waar +ze hem behouden wilde, zoo als vroeger ... + +Mathildes hoofd was lager gedaald, tot even boven de tafel. Haar armen +lagen er voor te rusten. Zij was wech in haar gedachten. Nu deed zij +haar hoofd een beetje naar de hoogte, met wijde, als verbaasde oogen, +die zich daarna tot aandacht samentrokken. Een waas van vervreemding was +om haar heen; een schrik prikte in haar achterhoofd. En zij meende in de +ronding van haar linker arm, waaronder, diep, de vloer warrelde, zijn +arm te hebben zien steken. Zij had het gevoeld. Zij had zijn hand, zijn +blanke hand, op haar voorarm voelen liggen, de vingers allen naast +elkaâr, teeder drukkend. Zie, daar was de hand weêr, bezijde de tafel +plotseling opkomend, warend door de kamer, dalend, verdwijnend. In de +hoeken, aan de muren, zag zij onzichtbare zijden van zijn lichaam, de +rechterzijde zonder het hoofd, zijn been, dat bewoog. Toen, door de +ronding van haar onbewegelijken arm weêr naar de vloer kijkend, zag zij, +in vlottenden trechtervorm, lapjes nevel, donkere stipjes, zwarte +vlakjes, waarin Jozef klein en groot, daalde en opkwam, als een pop, die +zich uitzette. Maar zij overwon het gezicht; haar verschrikking +verteederde weder tot de lachende aandoening van het plannen maken. + +...Als zij zich boos toonde, zoû hij haar misschien vergeving vragen ... +maar dát zoû zij in geen geval willen ... maar wanneer hij nu eens niet +deemoedig was bij haar trots ... 't Was waar ook, het was ook eigenlijk +maar beter niet trotsch te zijn. Als zij zich als de minste voordeed, +als zij smeekte en bad, dán bereikte zij stellig haar doel, zij zoû dus +eerst dit zeggen, dan dat, dan zoû hij ... en dan zij ... en dan zoû zij +nauwkeurig bepalen, wat zij graâg had, dat hij deed: elken dag +overkomen, enz.... + +Jans was de jaloeziën dicht komen maken. Mathilde zat in de +zwaar-breed-goud-blank-doffe zomermiddagschaduw, waarin de kamer stond. +In de gleuven der jaloezieën was de rijke warmte der tuinkleuren +neêrgedrukt door de schuine latten. Van boven door de jaloeziën snelden +alleen nog enkele zonnestralen in de kamer neêr, die op de meubels +lichtend vlekten. De stilte was van een vergulde bleekheid, als van door +matglas verdoofd gloeiend goud, waar in aarzelingen van teeder blauwe, +geel-rose, blank-grijze tinten zwierven. Fijne, schuchtere dartelingen +van stervend zilver en kwijnend rood lispelden. Een luchteile wade van +verwelkende glansjes lauwde. In de broeyerig-kleverige roerloosheid van +de kamer gleden en streepten Mathildes gedachten uit haar heele wezen +over de donzige kleuren. Uit haar oogen ruischte haar denken. In hel +gouden pijltjes naast mekaâr, die opsprongen en neêrkletterden, met +zilveren pijltjes schuin er boven en er door heen, schitterde haar +driftige mijmering ... Als hij zeide, dat 't met de zaken onmogelijk was +om zoo dikwijls over te komen ... als hij sprak van de verveling van de +reis, en dat zij toch weinig aan hem hebben zoû ..., o, zij zoû hem niet +uit laten spreken, zij zoû hem Felix voorhouden, maar vooral altijd +zich zelve ... + +Haar plannen vorderden; zij voelde zeker te zijn van haar zaak. Haar +betoog sloot samen; er kon niets tusschen. De gedachteplannen zetten +zich om in vormen voor haar uit, op de vloer: in rechte lijnen en +vierkanten, bevend, rillend, maar steeds elkaâr naderende, met een dak +van schuine lijnen er boven, als een geheel. + +Zij leunde nu tegen haar stoel en keek rond, in de lichte bedaring van +haar gedachtekoorts. Zij voelde met welbehagen het ongerimpelde lachen +van haar gezicht. Uitstekend! dat hij nog niet gekomen was. Alle stoelen +stonden leêg om haar heen. Hij was niet in de kamer. Zij kon heerlijk +alleen eerst op haar gemak alles wikken en wegen en samenstellen, voór +hij kwam ... + +Zij stond op en bracht, kalmer dan eerst, een flesch Florida-water op +zijn kamertje. Zij sleep het scheermes, dat in de waschtafellâ lag, iets +wat zij nog nooit had gedaan; zij schikte de sprei glad over zijn bed. +Zij was moe. Haar denken verflauwde steeds. + +Zoo ging de dag voorbij. + +Na den eten rustte Mathilde op het eene kanapeetje. Nu zoo goed als +klaar met haar voornemens, lag zij zalig moe voor zich uit te turen. +Haar eene hand steunde haar kalm liggende hoofd, de andere lag +onbewegelijk over haar schoot. Zij was stil droef blij. De oude +gedachten van den dag, de vondsten, die zij al lief had gekregen, +zweefden zachtjes door haar brein. Reeksen gedachten, groote stukken der +plannen kwamen in lange, licht zwart-fluweele langzaamheden over haar +lichaam aanwaren naar haar oogen; enkele kleine donkerwitte +bizonderheden, een trek, die Jozefs gezicht zoû hebben, zeker uitstekend +woord, dat zij zeggen zoû, kwamen van ter zijde haar hoofd springen en +er weêr uit glippen, door de groote gedachten-drommen heen. + +En zij voelde zich tot alles in staat, geheel aan haar liefde +overgegeven, zonder trots. Als hij niet toegaf, zoû zij zich vernederen, +zich zoo lang en zoo diep vernederen, tot hij overwonnen was. Zij zoû +weenen, weenen zooveel, dat hij haar om haar tranen weêr lief zoû moeten +hebben. Zij zal hem beloven en hem influisteren, dat zij alles zal doen, +wat hij wil. + +Onder het langzaam vallen van dezen blijden dag voelde zij zich +verzwakken tot alle offers, zij voelde zich wiegen door de rust van de +kamer in een weldoende vergetelheid van zich zelve. Zij wist nu wel +waarom zij vroeger niet gesproken had tot Jozef en altijd maar gewacht; +het was door haar trots geweest; zij had niet gewild. Maar nu was zij +nederig; zij zoû kruipen aan zijn voeten. Zij hoorde zich zachtjes +ademen tot de vriendschap der stille kamer, heel zachtjes. In haar oor +suisde heel licht de vermoeyenis. Zij zoû hem beloven zich opzichtiger +te kleeden; zij zal hem beloven meer met hem uit te gaan. Zij zal nacht +en dag klaar staan om zijn wensch te doen. Zij wil nu wel veel reizen +later. Felix zal ponniehaar dragen en op een kostschool gedaan worden. + +Zij hoefde nu niet meer te denken. Zij kon rustig slapen van-nacht. De +zwijgende wanden, met hun hooge, ernstige voorhoofden, hadden haar plan +in zich af laten drukken. Zij zoû het in hen morgen weêrvinden; zij kon +het nu veilig vergeten en aan niets meer denken ... + +Mathilde richtte zich plotseling op, te midden der strakstaande wanden. +Zij voelde als een bodem van zekerheid uit haar bewustzijn wechzinken. +Als zij zich morgen eens niet herinnerde wat zij Jozef zeggen zoû, als +zij de woorden eens verloren had, voor altijd verloren! Als haar plan +eens wech was, en als ze het zelf eens niet meer wilde, en als ze niet +meer zoû weten wat te doen ... Maar deze schrik, die heenvlood uit haar +wezen en rende door de kamer en opratelde tegen de ruiten en schuurde +langs het behangsel en weêr te-rugkronkelde in haar wezen, verbreede +zich tot een gevoel, donker, hopeloos bruin, dat lang bleef hangen op +dezelfde plaats: als Jozef eens koel bleef, als, na alles wat zij +bedacht en gezegd zoû hebben, hij eens dezelfde bleef der laatste +maanden, dezelfde, blank koud dezelfde, als hij haar eens niet begreep, +en met een zwijgenden glimlach vroeg wat zij bedoelde ... + +Maar, in de laagte, met hun grond en één opstaanden wand, schoven +stukken tuin en stukken kamer voor haar verbeelding, met Felix er in. En +zij zag hem, een afgerond levend wezen, zich bewegend, geluid gevend, +met licht in zijn oogen en een rooden mond. Dat was Felix. Dat was haar +kind, hun kind. Als Jozef achter hem stond, dan reikte hij tot Jozefs +middel. En zij keken met hun oogen op dezelfde manier. Felix was als uit +Jozef gekomen. Uit Jozefs wezen neêrgestooten op de aarde. Felix was, +dus moest Jozef zijn. + +En wat was dat "Jozef"? Dat was een hooge gevormdheid, het was datgene, +wat alleen zij zien woû, wat alleen zij hooren woû, wat alleen zij wilde +aanraken, een man, nietwaar, haar man, dat was die man, die haar lief +had gehad, die haar liefhad ... O maar, met zijn oogen, nietwaar, en met +zijn voorhoofd en met zijn mond en met zijn handen, wás hij ... O, o, +wat zoû die toekomst gelukkig zijn! + +Mathilde stond weêr, rechtop in de kamer. Zij wreef in haar handen, om +dat haar zaken zoo goed stonden. Met den zegevierenden blik van iemant +die, het hoofd omhoog, naar aanstaande blijde tijden uitkijkt, zag zij, +door het venster, de komende schemering tegemoet. Zij lachte verheugd, +zij lachte zooveel; in een wordend lachje bleef haar gezicht eensklaps +stil, om verwonderd te zijn over het dwaze verdriet, dat zij zoo lang +had gehad. De behoefte om te loopen bewoog haar weêr door het huis. Zij +ging, met een licht deinen van haar schouders, haar hoofd bewoog heel +langzaam op de maat van haar gang; haar borst ademde op en neêr, haar +heupen ovaalden grijs uit onder het kleed; de wrong harer voeten steeg +en daalde regelmatig over de bevloering. Haar armen weken van haar +zijden en vielen er zachtjes weêr tegen aan. Zij drentelde, afgemat en +rusteloos. Het lichte kraken van haar schoenen, het gekreuk en geschuif +van de kleedstof om haar armen en beenen, het geluid van haar stappen en +van haar ademen ritselden glijend door het huis. + +Zij voelde zich loopen en in de muziek van haar gang alle denken te loor +gaan. Zij voelde het tintelen van haar teenen en hielen, het gewrichten +van haar knieên, haar trillende dijen, waarlangs het kleed bij elken +stap neêrwoei. Zij voelde strakheden van haar broek en haar onderlijfje +tusschen haar beenen en onder haar armen; haar ondergoed, dat de halve +bollen van haar borst raakte, de kraag van het kleed, die tegen haar +hals duwde. Zij voelde haar moeye hals en de hitte van haar achterhoofd, +de zwaarte harer armen, die de schouders lager trokken, haar klamme +handen, haar lippen, die, vóór de ongesloten tanden, bevend +samendrukten. + +Zij waadde door de schemering, die het huisomsluyerde en een slaap +bracht in de kamers. Door de zwartigheid, wist zij nog vaag haar lichte +droomen in de verte, voor den volgenden morgen. Haar donkere gedaante +bewoog steeds rechtop door de verflauwende huisvormen. In de +blauw-zwarte spiegels zag zij haar witte hoofd alleen nog naderen, +waarover een stervende glimlach stond. Zij ging, bewusteloos, weêr ook +de trap op en af, zonder meer iets aan te raken. De gedachten van den +dag leefden zonder haar in haar voort, nog even stilletjes aanspoelend, +zachtjes-aan wechdoovend. En toen begon zij weêr van zelf het wijsje van +dien morgen te zingen. + +Marie en Felix kwamen thuis van hun wandelingetje. Het wachtende huis +stond witterig en zwart-schuin tusschen de boomen. De vensters keken +lankwerpig wemelend grijs en zwart. Van onder de warande, waar een +venster openstond, hoorde Marie en Felix het gezang van het huis, luid +en zacht vlak-bij in de donkerte. Dan ging het verder in het huis, +verzwakte, verzwakte en beefde wech. Dan naderde het weêr onder de +opstaande huisvormen. Het was nu neuriën geworden, maar in eens klonk +het heel uit de verte, als achter een dikke muur; toen hoorden zij het +weêr duidelijker, zachter, boven onder het dak, voortgaan, zachter +worden, en te-rugkeeren, luider. En ophouden in de doorzichtig-zwart- +grijze stilte. Toen druppelde een fijne regen eensklaps stilruischend +in den avond op het huis en op de bladeren neêr. + +Den nacht van Donderdag op Vrijdag sliep Mathilde vast, maar om zeven +uur was zij al op. Den vorigen avond had zij, vóor haar bed staande om +er in te gaan, haar bloote voeten gezien. Zij was er naar blijven +kijken, haar hoofd gebogen onder een nieuwe gedachte, die door haar +hersens druischte. Zij had haar nachtjapon tot aan de knieën +opgetrokken, mijmerende, dat die lichaamsbouw, met die blanke huid, +onder haar witte goed nu zoo doorging in de hoogte, tot haar middel, tot +haar borst, tot haar hoofd en daar eindigde en dat zij dat nu was, zij. +Zij had even met haar eene voet een tikje tegen het andere been gegeven. + +Zij was verwonderd èn aan den voet èn aan het been te voelen. Zij was in +bed gaan liggen, op haar rug, haar armen aan weêrszijde langs zich +uitgestrekt. Zij leî haar handen op haar dijen en er weêr af, verbaasd +over haar tastbaarheid. Zoolang ze wakker was, had ze liggen denken aan +haar lichaam. Haar huiverende beenen samendrukkend, had zij toen +bedacht, dat Jozef haar lichaam liefhad, want zij was haar lichaam. Nu +liep zij, in het helder vroolijke ochtendgeel, dat door de warme ruiten +en ophaalgordijnen zwierf, blootsvoets door de lengte van de kamer, door +de opengerukte bovenste knoopen van de nachtjapon, door de gleuf van het +hemd en van het flanelletje heen, haar hals te bevoelen, er griezelige +koude plekjes makende met haar saamgesloten vingertoppen, diep in +gedachte. Toen trok zij haar nachtjapon uit en ging weêr in bed, met +haar beide handen voelde zij over het lichaam, van de knieën tot de +hals, als wilde zij er verborgenheden in opsporen. + +Om kwart voor achten kwam Marie. Mathilde sloeg gauw het dek om zich +heen en lag onbewegelijk. Zij zeî Marie de kachel aan te leggen. + +Om kwart over achten was het heel warm in de kamer. Mathilde gleed uit +het bed en ging zitten voor haar toiletje. Zij had nu haar hoofd en haar +schouders vóor zich in het spiegeltje. Aan de bovenlip en aan de eene +wang, zwol haar gezicht er in op, door oneffenheden van het glas. Zij +nam de spelden uit haar haar en liet het over haar rug vallen. Langzaam +streek zij er de schildpadden kam door, boven het rechter oor beginnend +en telkens tot op de helft der lengte van het bosje haar doorgaand, het +daar met de linkerhand aanvattend om verder de aan het eind verwarde +haren uit te kammen, zonder zich zeer te doen. Het blauw zwarte haar +golfde hoog over haar hoofd heen, met sprietjes glans er tusschen door. +Het streek door de kammetanden heen, scheerde onder de kam door, telkens +glijend en weêr rustend. Als een in zijn golving verstijfde zwarte vloed +bleef het eindelijk stil, boven het achterhoofd, in een dikken krul zich +hoog oprichtend, met zijn vlassige diepten achter de ooren, droog en mat +neerhangend over Mathildes middel. Er was éen puntig pijltje haren, vlak +bij het voorhoofd dat op en neêr wiebelde bij de minste beweging van het +hoofd. De haren leefden en wachtten. Als Mathilde rechts of links keek +of ging verzitten, streelden zij haar hals in een zijige buiging, +trosten gazig over haar ooren, dansten vlinderend over haar voorhoofd. +Zij waren het stuk innige staal zwarte kleur in de zonnebeprekenkelde +kamer. Mathilde drupte eau végétae over het haar en wreef het er door en +kamde ze weêr gelijk. Een blos van glans ging over de haren, die +voortkrinkelden donker-zilver-blauw-zwart. Als zij voorbij de reten der +gordijnen ging, lachten de haren met met een zonnestraaltje even hun +glimmend-gouden lach. + +Daarna nam zij een spons met enkelt Florida water en waschte haar +gezicht en keek in den spiegel, of het er nu niet mooyer uit zag, en +waschte weêr en keek weêr en nog eens en nog eens. Toen trok de +zomer-ochtend Mathilde naar buiten. In zóolang was zij niet in den +tuin geweest. + +Het was half elf. Mathilde kwam op het straatje. Zware witte wolken +hingen in de lucht, laag boven de kastanjeboomen, waarvan de +hooguitstekende bladeren zich in het dikke wollige stoomwit schenen te +doopen. Zij reiden hun in 't midden en aan de randen water-zwart- +schemerende ovaalheden samen en voeren heel langzaam voort, naar den +kant van het dorp. Plekken roerlooze hemel rondden tusschen hen door, +door de verblauwmarmerende overrastering der witte wolkspiertjes. +Aan de open hemelruimte boven het Florabeeld was de laatste wolk eener +rij, wit-goud en glinsterend rose berand, door een wijde plek eerst +zilverblauw, wit-blauw, grijzig-blauw, dan stil dof donker-blauw, van de +volgende wolken gescheiden, die aanzweefden in wit en grijs gepropte +samenkoppelingen, als scharen witte omkrulde hoofdvormen, met opduwende +schouderblankingen, zich zachtjes samenvleyend, langzaam in elkaâr +overbollend, altijd breeder oplangzamend, in statige vluchten, bij +rondvervleugelde groepen uit het neêrwelvende oosten opkalmend, altijd +doorblikt van wit-bedraadde of effen turende blauwingen. Zij teederden +voort geluidloos hun warrige uitwassige sneeuwvachten zuchtend-zachtjes +over de stil-groene boomen verder schuivend. + +Mathilde ging de stoep af, daalde onder de donkerder groene zwaarte van +de overbladeringen der oprijlaan. Zij zag in de breede beheestering +tusschen de oprijlaan en den Vaarderweg. De te dichte samenplantingen +stonden grijs-bruin en zwart-groen, glansloos, verslond. Toen zij zich +omdraaide, hingen uit een keukenraam twee vaatdoeken te droogen. In het +groote bemodderdspatte regenwatervat, links van dat keukenraam, drupte +de nachtregen uit de goot nog af en toe neêr. Aan de lichtblauw-grijze +muur van den achtergevel waren dunne vlekken, de deur van het +tuinloodsje stond open en er lag morsigheid over de vloer tot op het +straatje. Aan de sparre-en palmboompjes, op de helling tusschen de +oprijlaan en het straatje, zag zij voor altijd verdorde grijsbruine +takjes Voor haar uit, in de wijde opening, waarover van de wolkendikten +grijze lichting neêrdroefde, was het stoffige Florabeeld, met zijn +ongewasschen gezicht, met zwarterigheid in de oogen en aan de borsten. +Al uitgebloeide seringetakjes waren er boven. De gouden regen en de +jasmijnen geelden en witten in-één geslapt van den regen. Alleen de +krans van aardbeziënplantjes over den grond puntte frisscher rood onder +de dekkende blaadjes. + +Mathilde ging vooruit over den natterig zwarteren grond, waar kastanjes, +dorre bladen van verleden jaar en dennennaalden aan de kanten vuilden. + +Plotseling aarzelde de zon bleek neêr, schuchtere glansen breedden over +de bladen, wijd uit; daarna geelde zij, geler, en geler, geel-lachend +over de treurige boomen, toen glimmend, warmend, goud-bruin strijkend +langs de stammen, goud-zwart over den grond. En alle bladeren +glinsterden een oogenblik. + +Mathilde trad voort, bezijden het huis naar voren. Maar nauwelijks had +zij op de kiezelsteenen, op het grasveld en tegen den gevel der dames +Streelink de gele uitspreidsels gezien, of de zon werd opgeslorpt door +de treuring van een voorbijtrekkende wolk, bleekte heen, met schokjes +telkens eiler wordend, als de vreugde die wechkrimpt van een gelaat. De +donkere tint zeeg weêr neêr uit de onrustige lucht. + +De paden en het gras strekten zich onder Mathildes voeten met hun na den +regen hard zwart en hard groen; scherpe, luide tinten prikten en riepen +in de bloemen en bladeren. De breede straatweg was donker-grijs, plat, +zonder opstuivend zand. De lauwe weeke geur der natterigheid schonk de +wind in haar neus en mond. En de tuin verrastte haar smartelijk. Er had +zich, zonder haar verbeelding, gedurende de dagen, dat zij in huis was +gebleven, en zij den zomer had zien groepen en gloeyen door de ruiten, +een vage gedachte van den tuin in haar gevormd, die geslagen en gedood +werd door het koude zwart en groen. De kleuren, die anders haar oogen +kusten, waren er niet meer; de tuin was veranderd, vreemd geworden, haar +onbekend. Het booze zwart en groen sloeg de teleurstelling over haar +gezicht, door haar achterhoofd, om haar schouders. De lucht was vol +rare, vijandige ritselingen en geluiden. De hut stond rechts, donker en +leêg, viezerig. De bloemen waren gewoon en er schenen er veel te weinig +te zijn. Een lichte vaalheid hing van uit de boomenblaren naar beneden. +En Mathilde zag plotseling de tuin klein en leelijk. Met half gesloten +oogen, haar gezicht te-ruggedoken in het zwart kanten doekje om haar +hoofd, ging zij naar de hut. Marie en Felix kwamen juist uit het +dennenboschje. Felix had een groote gekleurde bal, die hij tegen den +grond wierp, dan op liet springen een heel eind boven zijn hoofd, om hem +daarna weêr te vangen. Hij gooide de bal ook tegen Maries rokken, die +eerst omkeek en lachte, maar boos werd, toen hij 't nog eens deed. Marie +drentelde te breyen. + +--Hè, mefrouw, wat 'n naar weêr, vindt u niet? + +--Ja, der is niet veel zon vandaag. + +--Maar ik denk toch, dat 'et nog wel weêr op zal klare ... tegen twalef +uur of zoo. Regenen zal 't niet meer doen. + +Toen Mathilde in de hut zat, kwam Marie weêr even praten, snel +voortbreyende, haar oogen over haar werk, haar ellebogen op de heupen, +bij de belangrijkste punten van haar spreken een breinaald tegen haar +borst vooruitduwend door de steken, haar neus afvegend met den rug van +haar rechterhand. + +--Der zijn van-morgen-vroeg al groote wagens gekomen uit Amsterdam voor +hier achter, voor mefrouw van Borsele, die daar komt te wone, u weet +wel ... ze heeft der goed vooruit gestuurd ... Der zijn prachtige meubels +bij ... Vrouw Steyer vertelde 't ook ... kanepees met rood fluweel en ik +weet al niet, wat ze gezien had ... + +--Zoo, zoo, dat zal aardig zijn, als die mevrouw hier toch komt wone ... + +Marie vertelde verder, haalde tusschenbeide haar neus op, kromde haar +bovenlip om haar tanden heen en krabde zich er dan eventjes met een +breinaald. + +Telkens na een poosje waterde de zon neêr en trok weêr op. Eens bleef +hij langer, waardoor de vrouwen er bijna aan gewend raakten. Felix +speelde met zijn bal achter in den tuin. Hij liet hem nu van den grond +tot de hoogte van zijn hand opspringen en gaf hem dan telkens een losse +klap, waardoor hij met een doffen dsjieng klank als van ver-af-metaal +tegen de aarde klakte en weêr opsprong. Om het spelletje af te wisselen +gooide hij hem ook eenvoudig maar voor zich uit zoo hoog als ie kon in +de lucht en ging hem dan oprapen, tusschen het hut en het huis. Eens +gooide hij de bal juist op, toen de zon doorschoot; daardoor kon hij de +bal niet nakijken, die met een bons te-rugviel op zijn schouder. Bij +elken worp sprong zijn heele lichaampje op en met een open mond +kreun-zuchtte hij van inspanning, terwijl zijn armpjes, beide opgeheven, +beide te-rugvielen naast het rompje. Hij wilde de bal wel tegen de +wolken gooyen, maar de bal ging niet hooger dan twee meter. + +--Ik voel toch, dat ik veel beter ga, zeî Mathilde. + +--Zoo, mefrouw? Ja, och, as 't maar weêr eerst heelemaal zomer is. + +Boven den tuin bewoog de hemel voort. De kleine wolkenbrokken waren tot +effener, grooter, zwaarwittingen samengeplompt, die hun +damp-krul-omrande rompen wentelden onder de wijd-blauwe verheid. Zij +waren nu weiniger, breeder, en bakten zich aan elkaâr en reten van één, +en vielen verder en draaiden rond, zich verdikkend en weêr +opensplijtend, zonder vaart, in witte kalming langs de breed-ziende +velden van het diepe blauw, schulpten zich uit, om de blauwlieden te +vergrooten en kudden weêr samen om de blauwing te dooden, en zwierven +verder hun randen verdwazend in pluisjes. De zon glansgoudde door hun +buiken en woei naar beneden, roosterde het dak van het huis en +schitterschimde door den somberen tuin, sprankelend over de bloemen, +glijend over den rug van Marie, schrijnend naar Mathildes oogen, die +groot open stonden, die wachtten in zwartbrandende begeerten. + +Er kwam een korte windbui; de zon bleekte wech; de wind scheen +somberheid uit over de paden en het gras, suizel-wapperde door het +dennenboschje links, ril-dartele door de hooge iepen rechts, omkoelde de +kuiten der vrouwen, schokschouderde door Mathilde en behuiverde haar +hersens met binnenshuis-verlangens. Maar de zon zoog weêr neêr door den +wind, lichtte vaaltjes over den grond en smeet de breede lichte schaduw +van Maries zware bouwsel in de hut, over Mathildes schoot en handen. + +Marie stond in haar eene muiltje, de hiel van haar andere voet stond +omhoog, opgekarteld uit bedeesdheid door haar spreken met mevrouw. Zij +voelde de hiel warmen. + +--Nu wordt 't toch mooi weêr, zeî ze, en zij draaide haar hoofd schuin +op, tegen de sterke lucht in, die er prikkelend in afsloeg. + +Mathilde voelde zich verblijden in den zonnewind, die haar omleefde. Zij +had een boek voor zich op tafel liggen, mejonkvrouw de Mauléon, roman +van Bosboom-Toussaint. Terwijl zij las, verglansde de zon de bovenste +helft der bladzijde, de wind snerpte stil een blaadje op. De wind soesde +om haar neus, over haar wangen, in zachte koeling, streek frischheid +over haar oogledenranden, die naar de zon mondden, bebeefde haar heete +hoofd met kil-prikkelingen, onder de haren door. De zachte wind kwam +door haar mouwen, onder haar onderbroek en door de spleten van haar +ochtendjapon van voren tusschen de knoopen, naar haar huid en plekte +stil-frisch. + +Marie was wechgewandeld, om te zien, wat Felix uitvoerde achter in den +tuin. De wolken verdunden en gingen hooger, verder, in golvend bezoomde +scharen zwalkend langs de zon. De lucht in het westen en heel-hoog +boven, blauwde vrij. Donker-geel en zwarte stukjes, in wespen en +paardevliegen, puntten voorbij, op een afstand. Mathilde bleef, zonder +menschen, wier vormen en geluiden haar voelen braken, en vrije +alleenheid, en het zuivere geloof, eenzaam en geheel, leefde in haar op; +het kwam zachtjes over het bezonde geel-zwarte pad tot haar, het lachte +in de zonne-wind-tintelingen in de rondte, het vloeide op over het +getimmer aan d'overkant van den weg, over het klakkend gerommel van een +rijtuig, over een ver hondgeblaf, het wolkte in het windgelach tot haar +hoofd, het sneeuwde, sneeuwde in stille lichtdruppels van de deinende +bladeren. Haar lichaam voelde zij als een vale warmte onder een koele +bedekking. Zij deed haar armen een beetje in de hoogte, om de wind tegen +haar oksels te hebben. Er was geen-een herinnering. Er waren haar +wachtende wangen in den zomer, leêg en effen; er waren haar oogen, die +zij niet voelde, waar al de zomer zwijmelend tegen verzotte; er waren +haar voeten, die zich over elkaâr legden, om het geluk in haar wezen +dicht samen te drukken. Er was een helle leêgte, achter in haar +verbeelding, de angst-afwezigheid. + +Marie kwam weêr naar de hut, met Felix aan haar rechter hand, die met +zijn beentjes naar achteren sloeg en zijn hoofdje achterover hield. + +--Drinkt u hier koffie, mefrouw? + +--Ja, dat wil ik wel. 't Is nu heerlijk weêr geworden. + +Felix bleef in de hut, hij lachte aldoór. Zijn lijfje werkte zich op de +bank naast Mathilde hij zat op zijn éene been, hij leî zijn vuile +handtje tegen Mathildes wang: + +--Lieve moeder ... moeder-lief ... + +--Dag jongetje, dag, ventje, heb-je goed gespeeld? + +Felix' hoofdje ging heen en weêr, zijn oogen blonken, zijn hangend +beentje slingerde op en neêr, de armpjes bewogen vóor de strakstaande +rieten muur van de hut, het haar ripte bij vlokjes naar hoven, de +gezichtshuid verroerde en opende zich aan zijn mond; uit het hoofdtje +naast haar borst geluidden de klanken in Mathildes hoofd. Zij zag het +bewegende leven vóor het zwart van de bank, het vaal van den grond, het +licht-bruin van de muur, die wasemden heel even, en tóen wist zij +gedurende de heele mènschloze stilte der kleuren vóor haar uit, dat +Jozefs leven naast haar leefde in den zomer. Zij dacht niet, zij +verbeeldde zich. Het zwart, het groen, het glansende geel van voren +bewogen als dof glimmend gespannen elastiek voor haar zien, om dat haar +vage geluksverbeelding over haar oogen gloeide, ze heerlijk vervalschend +in den waanzin van het geloof. Het was boven haar verhemelte, waar de +neus in de keel overgaat, het steeg in een onstoffelijken damp door haar +hersens naar boven. Zij voelde een drukking en een ijlheid. + +Marie kwam klaar zetten. Zij liep door Mathildes blik, door al de +zomerkleuren, die ruischend achter haar aangloeiden, vlak voor de tafel +ze wechplompend met haar dikke lijf tegen hen slaande met de +drie-hoekige gebaren harer klaarzettende armen. Maar Mathilde bleef ze +zien, boven het ritselend uit-duwen van de servet-vlakte, boven het +rinkelend gestoot der uit Maries handen dalende en bewegenloos blijvende +schotels, naast Maries rokken, tusschen haar armen en haar bovenlijf, om +haar hoofd heen. + +Marie ging weêr wech, haar hoofd en rug in gloei-geel, haar rokken +krul-wapperend om de bruine kuiten, een korte, als vertikaal in den +grond het onderste boven tegen haar voeten aanloopende schaduw onder +haar hielden. + +Felix verzette de schaaltjes, trok aan een lapje rookvleesch. + +--Niet ankomme; niet an de schaaltjes komme! zeî Mathilde, je moest nu +nog eerst even naar Marie gaan en vragen of ze je handen wil wasschen, +vóor we gaan koffie drinken. + +Felix bewoog wech onder de stille zonneschittering; met een geslinger en +gedriehoek zijner jong-jubelende armen en beenen, een floddering van +zijn gestreepte kiel. Mathilde was alleen. De wind verminderde; de +wachtende kleurenpracht verroerloosde. Met de witte zuiverheids-tinteling +harer kalmte over het gelaat, behandelde zij de bordjes, een mes, het +brood, de boter, die haar vreemd-gewoon de vingers raakten. Wat was er +dan toch; zij wist het niet. In eens zag zij in de hoogte van haar over +de tafel geslagen blik, twee naderende heeren-broekspijpen. Een +schrikvlaag berimpelde haar voorhoofd, haar handen bleven bewusteloos +staan op de tafel. Zij hief het hoofd, zij zag, met een rilling door het +achterhoofd, in de pijnlijke gaping der verbaasde oogen, den ingenieur +Ster, dik, blond, zweterig, in een verslonsd grijs pak, die naderde. Zij +had even gemeend, dat het Jozef kon zijn. Hij groette haar met zijn hoed +en kwam dichterbij. Voor de hut staande, nam hij nog eens zijn hoed af, +maakte met zijn bovenlijf een dikke-mansbuiginkje, zeide "mevrouw, ik +kom u eens opzoeken" en zette zijn hoed weêr op. Hij gaf Mathilde, die +was opgestaan, een dikke, harderige, natterige hand. Mathilde besproeide +hem met blinkende verbaasd-bedeesde blikken, zwarte vonken uit het +midden van haar gloeyende oogenwit, blinkend in de blondwiegelende +schaduw van de hut. Mathilde bevoelde haar zakdoek, beide handen tegen +zich aan. De hut was plotseling geheel vol met Ster; zij zag zich zelve +niet meer. + +--Gaat u zitte ... Komt u óok Hilversum us bezoeke? + +Ja, zeî Ster, hij zoû in 't vervolg herhaaldelijk hier moeten komen, +want hij was voor een gedeelte belast met de inspectie van de werken van +de nieuw opgerichte Ooster-spoorwegmaatschappij, die te Hilversum een +hoofd-station zoû hebben. Het werk vorderde goed; de rails lagen al tot +voorbij Bussum. Ja, hij was hier ook gekomen vandaag juist, om mevrouw +van Borselen, die als vrouw alleen was, een handje te helpen met het in +orde maken van haar buitentje. Zij was vandaag ook gekomen, ja. + +--Hoe gaat het u? vroeg hij. + +--Zoo, zoo, de buitenlucht doet mij natuurlijk veel goed. + +--U woont hier wezenlijk allerliefst. Ik kom nu juist van mevrouw van +Borselen. Zij hoopt u ook gauw een visite te komen maken ... Ik ben +heelemaal de hoek daar omgeloopen, ... maar de meid zeî, dat ik ook +achter in den tuin had kunnen komen ... toen heeft ze me den weg +gewezen naar de "hut" ... 't is hier heel aardig ... en een prachtige +tuin ... u heeft mooye bloemen ... + +Op de tafel leunende met haar voorarmen, het hoofd even schuin gebogen, +zat zij naar hem te luisteren, met een nauwelijks geopenden mond, hem +voortdurend aanziend, terwijl hij in de rondte keek of op zijn knieën, +alleen haar blikken te-ruggooyend op de tafel, wanneer hij, bij een +vraag en bij het eind van een volzin, háar aanzag. Het scheen haar, dat +hij een ouden zeer innigen vriend van haar was, die kwam van een lang +geleden en voor altijd door haar verlaten wereld. Hij kwam van de stad, +die zoo vreeselijk ver was; hingen er nog niet weêrkaatsingen van die +grachten en straten, waar haar gedachte leefde, in het fletse grijs van +zijn jasje? En haar oogen trokken de woorden tusschen zijn lippen uit; +zijn groenige tanden, die zijn grove stemklanken naar haar heen beten, +schenen lief, gezellig, goedig, vol van herlevende herinnering, vol van +haar weêrkeerend geluk. + +--Ik dacht van-ochtend niet, dat 't nog zulk mooi weêr zoû worden, zeî +hij. + +Toen spraken ze over Jozef. + +--Ik heb meneer gisteren nog gesproken ... + +--Zoo? ... Ja, ik verwacht hem over-morgen weêr ... Hij komt meestal eens +in de week over ... och, u begrijpt, met zijn zaken, is 't al heel lastig +om meer te komen, maar als de spoor er zijn zal, zal dat wel +beter gaan ... + +O, hij sprak over Jozef! Lachjes over haar wangen glans-groetten, haar +oogen begloeiden de tafel. Zij slikte, zij voelde zich weêr vreemd in +haar hoofd, haar handen vervochtigden, zij streek de blaârtjes zweet +wech van de haarzoom op het voorhoofd. Het was net, of er iets bewoog +boven haar oogleden, in de tuinmassa van voren, bij rukken van kleur en +licht, van links naar rechts. Ster zeî niet meer en keek in de rondte, +Mathildes oogen bleven neêrgedompeld als in een diep donker water, waar +zij vreemde gelukschatten konden grijpen. Plotseling beefden haar +oogleden op, de tuinkleuren schemerden en schitterden, vervaalden in +vlekken en joelden op in vonken en bleven, hevig vooruitglansend, in de +verte sidderend en dwingend, de warmte warrelde over haar schouders; zij +zag Ster zitten, vlak hij haar, met een groote wasemende leêgte van +zwart en van groen achter hem. Zij zag hem zitten in de heerlijk-intieme +grofheid zijner overvoedde onder het grijze kamgaren opbolderende +vormen, in de rood-vetterige slaperigheid van zijn haar onvermoedende +gezicht. Zij zag hem in een dikke kleurennis, tegen een opstaand bed van +levendige donzige glansen, van goudscherpte en zwart-groen-dofheid. De +woorden scheurden stotterend uit haar mond: + +--Is hij nog wél? vroeg zij. + +--Hoe bedoelt u? Uw man? ... Ja, heel wél, geloof ik. Was hij ongesteld, +toen ie 't laatst hier was? + +Mathilde wist niet goed meer wat zij zeî. + +--Ja,..., ja, hij had hoofdpijn ... en hij heeft er verder niets meer over +geschreven, loog zij. + +Felix' lijfje en Maries lichaam kwamen-aan, met bewegingen van buiten en +versche standen, die het wezen der groep vernieuwden. + +--Mag ik u ook iets aanbieden? Wilt u niet met ons blijven +koffiedrinken? vroeg Mathilde. + +Ster bedankte. Hij nam Felix tusschen zijn beenen en vroeg:--Zoo, zoo, +jongeneer, zijn we zoo groot geworden? maar Felix was bang van zijn met +felle kleuren volgeploeterd gezicht. Ster deed net of het beedeesde kind +hem wél pleizierig vond, hij nam Felix' zachte gezichtje op zijn hand: +je kent me niet, hè, baasje? We hebben mekaâr ook nog pas eens gezien, +en toen was je ook al te jong. Toen Ster hem weêr los had gelaten, begon +Felix te eten, zijn gezichtje naar het bord melksoep gedrukt. Iedere +keer, als de lepel in zijn mond schoof, beklommen zijn blikken het hoofd +van Ster, om te zien, of die hem niet aankeek. + +Ster nam afscheid, met een bad van Mathildes hand in de zijne, met een +zware legging van zijn hand op Felix hoofd. + +Mathilde had hem niet leelijk gezien. Zij zag zijn dikke lichaam blonken +in de kleuren, het mannen-lichaam, dat altijd verder van haar afging +door den tuin, verder, verder, eindelijk geheel opgeslorpt door de hoek +van de laan. Het weêr was mooyer nog geworden om hem heen. Enkele +gebeitelde groepjes wolkenkrullen waren dooorschijnend-vlokkerig ver in +het zuiden, enkele lange tot bleek-witte krampen verstijfde +wolken-zenuwen lagen over de lucht gestrekt. Een strakke zon +begoud-feestte den tuin. + +Mathilde at bijna niet; de boel was al weêr wechgenomen, toen zij nog +aan Ster zat te denken, hoe hij daar geweest was, sprekend van Jozef uit +zijn dikke gezicht, hoe er nu een vragende leêgte was boven de stoel, +waar zijn romp op gestaan had, en hoe hij zich bewogen had, wech, wech, +in de kleuren. + +Zij keek om zich heen in de heete middagstilte, en het geloof steeg +hooger, over haar lichaam, tusschen haar vallende handen op; zij had een +gevoel in zich als een kreet, die zij moest uitschreeuwen; in haar +tintelende hoofd zetten de zieleduizelingen op, die geen voorstellingen +vormden in haar verbeelding, die niet dachten in haar verstand, maar die +haar dronken maakten als een donker druppelende drank in haar +achterhoofd gegoten. Zij zag naar de somber-staande hutwanden, of zij +niet spraken, wat zij waren, wat zij wilden tegen haar bewustzijn, wat +zij meenden met het vreemde gevoel, dat zij haar inspraken. Toen kwam er +inéens een vink, die, vóor haar onbewegelijkheid heen, wipte en tripte, +wit, bruin, grijs, over den zonnigen grond, met zijn glad gestreken +kopje haar bekijkend en in éens wegvliegend in een hoogen boom aan den +weg. Mathilde ging slenteren door den tuin; de warme wind nam haar +haren, en speelde ze wech uit haar gezicht, de zon walmde neêr op haar +hoofd; de kleuren lachten vlak uit om haar heen. + +In de om haar hoofd vlagende heete wemelingen bewoog Mathildes teedere +vleesch boven den grond, in de weeke rijzing der onder het grijs +deinende leden. Hoog naast haar donker-glansde het dennenboschje; +merelklanken zilverkrulden in de zware hittelagen, die zwalkten in +groen-geel smeulende zwenkingen door de ruimten. Zij voelde zich loopen +hoog op het licht-zwarte pad, haar oogen doorvoelden, tusschen den hard +vlakken grond en haar zieke droomenhoofd, den afstand, vol van zwart en +glans-gele stukjes krulrinkeling, wasem-warrelend op en neêr, rillend +van haar eindeloos verlangen. De kleine dennen stonden hoog in de lucht +boven haar uit en verritselden hun bladering, proppelend, stippelend +tegen de lucht, wuifbuigend naar Mathilde; het grasveld, rechts, groende +zit vlakte uit, stijf-zijig, met de donkere ondersten en de lichtere +uitpuntingen der sprietjes, het ging verder en verder, met de gegleden +gebogenheidjes en de ranke opzwiepingen der grasjes, een vooruitgang van +dribbelende, schubbige lachjes, breeder en meer, groen, donker groen, +geel-groen, goud-groen, lang en ver, wijkend, zoo dat haar armen het +niet konden overreiken, en het strekte heen, oneindig klein en oneindig +veel, éen goud-groene lach, die opsloeg en zijn ligging wechschaterde +tegen de wijdwijkende blauwte: Jozef! Jozef! + +Mathilde voerde het uit haar oogen wazemde in haar goud-warm verbeelden +heenbruisende verlangen langs het hek bij den breeden straatweg. Zij zag +de groote iepen haar langzaam voorbijgaan. Zij knikte een boerenmeisje +goeyen dag, dat daar liep met haar koe. Zij zag het kind loopen boven +den grond, maar hóog hielden de iepen hun bladerenzwaarte op de lange +breede nekken der stammen geheven, en stootten hun groene +ontzachlijkheden naar den hemel en wierpen hun jubelende groeningen tot +de blauwe effenheid en smeten hun takken uit naar alle kanten, in +krampen van bloeying, in een rumoerig warrellied van stijgend en +woest-willend verlangen: Jozef! Jozef! + +Mathilde ging te-rug, de statig zijgende sparren-groep, bij de waranda, +met zijn verspitsende betorening van neêrgeschuinde stekeltakjes, met +zijn stil-blinkende groentinteling en zijn innige binnen-duisternis, +naderde, naar haar heenschuivend met den warm-gevenden grond, en de +glans-armpjes suizelden heete fluisteringen en trilden op in de rondte, +bijna allen, heel even, en toen weêr, en toen weêr, boven holen van +zwartheid; als glimwormen glommen takjes en sprankten in de zon uit als +stukjes glas en van de schuinende neêrveêring rolden en ruischten +parelende klankjes voor Mathildes voeten: Jozef! Jozef! + +Onder haar voeten licht-zwartte de pad-breedte voort. Haar blikken +vlotte neêr, maar de grond trok ze vooruit, breed-zwart vooruit, +glans-zwart vooruit, heen-zwartend tusschen het stijgende gras-groen, +voort-atstandend tot achter in den tuin. Zij was bang voor de ruimte +tusschen haar en den afstand; liep zij, dan voelde zij den grond weêr +achter haar, ver, wech, wech onder haar voeten, en de ruischende ruimte +van licht-lucht en de zwaar-roerloosheden der opstanden. Maar het pad +trok haar geloovende oogen verder, over een kabbeling van gelig-zwart +voort, tot zij stuitten tegen den opsteigerenden gezichteinder; daar +dwarrelden de verre hooge heesters omhoog, en joegen door-een, en dansen +van groen, licht-groen op springend en borend hun spelende wildheid door +het lage neerdruischende blauw: Jozef! Jozef! + +Mathilde keek langzaam in de rondte, met verfletsende oogen. Alle +boomen stonden luid in de hoogte, in heftend opstamping gestooten naar +de lucht. Alle heesters krioelden hun groene zenuwnetten in dikke +dof-verstijfde groenvlammen tusschen de boomen door, schuin tegen elkaâr +in stijgend, op-schreeuwend tegen den blauwen middag, maar hoog van de +boomentoppen wemelde in hitte-zilveringen, een kokende goud-geel-waseming +tot de gloeyende blauwbekapping, waarin de laatste wolkendradingen +wechsluyerden En over de buigende boomen gleden en beefden de +goudblauwingen tot Mathilde. En achter haar, van de verre geelstoffing +van den weg, waarin, door de gaten der hooge groenmassaas pakken +hittelicht neêrsidderden en doodreutelden op het platgebrande wit van +den grond, kwamen, omstuwd door de breede kreten van het woestdartelende +heestergroen om de blank-glansen de stukken huizengevels, de hooge iepen +op haar aan, klein in de verte, maar grooter, grooter wordend, man aan +man met hun dikke, warme stammen, grooter breede, hooger, en eindelijk +opstaand achter haar, bij haar, aan haar, in éen geweld van geluidbos +leven, éen staan van groene krachten, éen gestolten klimming van wil en +van daad. En de hoogheden der boomen en de heete begeerten, die +aanrolden kletterend geel over den weg, drongen Mathilde, vóor de +sparrengoep heen, op het groote grasveld vóor het huis. + +O, het was een feest van lichten. De witte muur van het huis, éen +staande vlakte van hellicht, samengedrukt door de daling van het +goud-bruine daklicht, perste zich in-een en smeet het hevige +zonne-weêrlicht uit de ruiten met de klaterkaatsingen der witte +muurvlakken neêr tegen den groenen grond, tegen de iepenstammen, door de +openheden tusschen de stammen, verder over den weg. Mathildes oogen +bedroomden het huis, zoo als het opstond in zijn lichting, in zijn +heerlijkheid van wit, tot vastheid opgerezen hittelicht, zij geloofde in +het huis, zoo als het glansde hooge en breed. En het grasveld helde op +naar het huis, een spreidsel van zacht groen licht, doorstikt met de +teeder fonkelende steenen der roode bloemen, maar dat steeg in zijn +breedheid, sidderend gespannen, schemeringen van lichter groen in de +hoogte ademend. Op hun zuilen van bruin licht waren de miljoenen groene +vlammetjes der iepenblâren ontstoken, en in de bevende licht-zee boven +het grasveld, waadde Mathilde, met drooge dwaas-verglansde oogen. + +Maar zij keek naar boven, en het viel op haar als een tintelende sneeuw +van verukking. Al het wit was ingeslurpt door het blakende, daverende +hemel blauw, dat gloeyend glinsterde in neêrwarrelingen van +zwartgoud-poeyering en als een ziedende zee met donkere blauwbulten en +lichtere blauwheffingen, daalde en steeg, daalde, daalde, zijn +zonnevlakten neêrbreedend om den hettenden vuurkolom van de stortende +zon, die een regen van bliksems los stookte over de schroeyend vermoorde +uitstrekking der zich openwentelende en heen-spreidende tuinvlakten. +Breede slangen laayend blauw wimpelden af van de lucht, in een foltering +van blauw tusschen het schuin wegkrimpend boomengroen zijgend, +goud-blauw over de buitenste bladeren brandend, een doffe +krijt-goud-gloed over de midden-bladeren drukkend, in gouden grillen +windtrillend, vonkend, spuitend, uitspruitend, neêrsprietend, +heensprankend om de hijgende takjes, bosjes gouden naalden schietend in +de diep-groene boomenharten. Zware afblauwsels goudden neêr over het +dak, over de boomen en heesterhoogten in de verte, van alle zijden +naderend en zich rond neêrdrukkend in éen vlammende vuurschittering. +Golvenwolken van witte hitte zwalkten door de ruimten, tusschen de +openingen glijend en voort stoom-dwarrelend in de verheid. En het werd +gedragen door alle lagen der ruimte, in éen begeestering van heete +kleuren, éen vervlamming van het heete leven, en Mathilde voelde zich +juichend onder haar kleeren beven, en in haar gouden weten, dat zij +gelukkig zoû zijn, werd zij getrokken naar de groensombering +der warande. + +Verbijsterd in haar snikkende bedwelming, vroeg wat het was. Wat was die +gouden lichtruimte voor haar uit? En al de takken, die naar haar heen +reikten? En al die verdere plannen van bleekere lichtstrekking en +kleurenstand voor haar uit? De kleine gezicht-einders waren +samengebakken en smolten zich vast aan den hemel. Zij was in een groote +zaal vol vreemd leven, vol rare vervoerende dingen. Er waren geen +menschen bij haar, achter haar. Niets was achter haar, geen stemmen, +geen gerucht. Zij wist van geen verleden, van geen vroegere gedachte; +haar leven was dit oogenblik. Zij wist van geen afstand en ruimte; de +eenige wereld was hier bij haar. Langzaam, terwijl alle kleuren vonkten +en naderden naar haar oogen, loste haar bewustzijn zich op in de +lichtkrachten die kleursidderden over haar heen. Haar leden zonken +samen, achter tegen haar stoel. Zij zag wel, door de verblinding, die +over haar gezicht was neêrgeschitterd heen, dat de blauwe lucht was +losgebarsten en er kokende stroomen gloeyend goud gudsten over de +vlakte, klotsend op haar toe. En verder, in de rondte, hagelslingerden +gouden vonkenvlagen neêr over de wechbleekende groenheden, botsgolvend +tot elkaâr, opzwiepend om haar hoofd, neêrzijpelend door haar lichaam, +haar beenen. Hoog stormden de iepen hun vrachten vlas-groene +dronkenschap op tegen de neêrbruisende gouding, de bruingouden stammen, +los en week, gloeiden op en neêr, als zuilen van vloeyend goud hun +lijven hoog en laag kristallend door de ruimte. De bloemen kleurden door +het vuur, vliegend, schietend, hoog in de lucht, laag op den grond. + +Mathilde voelde zich heffen en zich wechgaan, heen-gedragen door de +kleurenverbijstering. Haar oogen doofden uit. Eén even onstaken zij +weêr. Toen zag zij alles met wit-krullende wit-blauwe gazen en vlekken +glans blauw beneveld. Haar oogen snikten hun heete tranen uit, die als +zoute druppels in de hoeken van haar mond vloeiden. + +En langzaam sliep zij in met openhangende mond. De zomerhitte verdroogde +haar verhemelte en tintelde over haar bovenhoofd. + +Mathilde sliep twee uur lang; toen Felix haar kwam wekken, even voor het +eten, voelde zij zich als na een koortsnacht, loom, dof, zwak; Marie +zeî, dat zij erg bleek zag. + +Na den eten zat Mathilde op de kanapee en sliep weêr. De dag wentelde +zijn zware kleurenvlakten voort. De middagkleuren koelden op, teederden +uit in de rooye groeyingen, van de stervende zon. Zij dronk laat thee. +Felix was al naar bed, toen zij weêr alleen zat in de groote kamer. Zij +had gezegd, dat de lamp niet hoefde, om dat zij liever woû schemeren. In +haar afgematheid, speelde het lichtje onder de theepot met haar oogen, +lange stralen schietend heen en weêr door de vredige zacht-zwart staande +duisternis van de kamer, Mathilde voelde het ruischen van den tijd zij +voelde zich heengeduwd naar den wachtenden dag op de regelmatige +tik-tak-begeleiding van de duistere pendule, die als de stille radeling +was der kracht van haar leven, haar voortuitvoerende naar het geluk. Het +eene venster stond wijd open voor den stillen mooyen avond van buiten. +Mathilde dronk haar lauwe thee met weeken slurpenden mond, en, +daarboven, samentrekkende proevende oogen. + +Zij was zoo wech in haar stille afwachtings-stemming dat het geschuif +van haar stoel over de vloer haar een vreemd hard geluid klonk toen zij +opstond, om vlak voor het venster te gaan zitten met haar kopje. In de +teêr-grijze duisternis was het groen in een zware donkerte tot rust +samengevallen. Maar hoog en ver, in een oneindige wijdheid, was de +sterrenhemel opgeslagen over den tuin. Alles was zeer stil. Mathildes +verslapte blikken klommen over de zwarte bladerenmassaas naar de +sterren, die verward boven de bladeren lagen en er door en er over +neêrhingen in een fonkelende bepuntering. Zij keek, en een sussende +weemoed zweefde stil door haar moede gemoed. En zwerm lijnloze droomen +steeg langzaam in haar gedachte. Al wat zij haar leven-lang mooi had +gevonden en gehoord had, dat mooi was, in de sterren, waarde als een +vaag gevoel door haar bewustheid. Het waren oude melodiën van toen zij +nog niet getrouwd waren, kleine refreintjes van de straatorgels uit haar +jeugd, een liedje, uit zijn jeugd, dat haar vader wel eens neuriede, het +waren alle kleine oogenblikken van kleine teêre aandoening, een +buitengewoon innige handdruk van haar vader op een avond, het op straat +ontmoeten van een meisje, dat zij langgeleden had gekend, het terugzien +van dezelfde huizengevels van vroeger na een lange afwezigheid, de +eerste boeket van Jozef, eens, toen zij jarig was, een mooye bladzijde +uit een mooi leesboek, de oprechte hartelijkheid van Jans in zekere +omstandigheid, die, zonder tot herinnering te worden, een dierbaren +nevelgrond spreidden onder haar mijmering. Zij voelde haar bewustzijn +gedragen door het leven als door een lagen wiegelenden leuningstoel. De +kuische duisternis met haar oneindige ruimte, onder de verre sterren, +weekte lange aandoeningen van oneindige liefheid en gedachtenzwemen van +eeuwig geluk, zalig-zacht rein-te-vreden, in haar voelen los. Het was +als een warme zachte hand die over haar wangen ging, over haar bleeke +wangen, met lange zwijgende streelingen. Zij stak haar gezicht schuin +omhoog en uit de diepste schuilhoeken van haar gemoedsleven kwamen, van +heel, heel lang geleden, vreemde bewegingen van hoop, trillingen van +geluk en vertrouwen, naar boven, die zij eerst niet herkende, maar die +langzaam uit hun verflensing nauwkeuriger opleefden. Uit al de vage +stukken van het vroeger met teêre genieting waargenomene, die nu in haar +verbeelding kwamen schemeren, drong Jozefs figuur naar voren en bleef +alleen, alleen in haar verbeelding, die was als een vreemde schilderij +zonder afmeting in den roerloos ritselenden zilvergrijzen nacht, en +stond hoog omhoog als een vast lichaam vol heerlijke zekerheid van leven +en liefde. In hem had zij altijd geloofd, aan hem had zij zooveel +gedacht in eenzaamheid. Zij geloofde in zijn borst, waar haar hoofd +tegen-aan kon leggen, zij geloofde in zijn armen, die haar aan zijn +borst konden drukken, zij geloofde in zijn beenen, die naar haar konden +naderen, zij geloofde aan zijn hoofd, dichtbij het hare, met liefde in +de oogen en liefde in den mond, Zij geloofde, dat zij altijd samen +zouden zijn, altijd, altijd, zonder stoornis meer, allen dag en +allen nacht. + +En de melodie van haar geloof leefde nog dien avond in haar voort, tot +lang na dat zij naar bed was gegaan. Mathilde droomde dien nacht van +Ster. Zij zag hem heel vreemd loopen, in de lucht, zonder iets aan te +raken, en eindelijk in een der hooge iepen gaan zitten. Zij droomde ook +van Felix, dat die op het uiterste kantje stond van een steile +berghelling, terwijl Marie met een bal naar zijn hoofdje gooide. + +Eindelijk kwam de Zaterdagochtend, onder een donker bewolkten hemel, +zonder zon, zonder regen, zonder wind. Mathilde had moeite om uit haar +bed te komen. Ging haar hoofd even in de hoogte, dan trok het liggende +lichaam het weêr neêr. Daar was dan de Zaterdag, de laatste dag, koud en +onverbiddelijk in haar kamer geschoven. Wat waren die dagen +verschrikkelijk gauw voorbijgegaan! In haar hoofd werkte de stemming van +den vorigen avond nog voort, maar bekoeld en verlept, half wechgesmolten +in de koude zuivering van de slaap. Zij voelde zich leêg. Haar +verlangenleven der laatste dagen scheen haar gemoed te hebben +uitgebrand. In een lauwe onverschilligheid, met een in zich opnemen van +den dag als was die heel gewoon met een blinde botheid der zenuwen, die +voort bleven slapen, de kamers en de meubels langs ziende zonder ze te +zien, ging zij den ochtend door. Zij was naar, beverig, als onder den +invloed van een naderende ziekte, van een zware koû, die zij gevat zoû +hebben. Herhaaldelijk moest zij weêr in huis gaan. Zij vond den dag zeer +vervelend. Hij grijnsde haar toe met de wanhopige eentonigheid zijner +vormen en kleuren van altijd. Alles was grijs. De luchtgrijsheid kilde +over de paden en over het gras en flenste door de boomen. + +Om kwart over drieën werd zij door Marie in huis geroepen met +vertrouwlijke en te kennen gevende armgebaren. In de groote kamer vond +zij mevrouw van Borselen zitten, in een grijs satijn japonnetje onder +het groen dooroogde, lichtelijk doorkleurde vleesch van haar stijfjes +bekamde hoofd, midden tusschen de warse meubelen gezakt. Hoe zij het +maakte, hoe zij-zelve het maakte, dat zij haar in zoolang niet had mogen +zien, lieve omstreken, Mathildes buitentje mooyer gelegen dan het hare, +vlak aan den straatweg, gezellig leven, elkaâr veel bezoeken, Felix, +haar zoontjes, Jozef, het rijtuig, de spoor, de heer Ster, geen madera, +neen, nooit iets gebruiken voor den eten, nog eens Jozef, spoedig +te-rugzien, onaangenaam weêr. + +De woorden sprongen naar Mathilde, vielen om haar heen op den grond. Zij +andwoordde en sprak als met een hoofd, dat een eindje vóor haar +eigenlijke zoû wezen. Maar het woord "meneer" tikte op haar hersens, en +toen begonnen de woorden haar te slaan, op haar schouders, tegen haar +hals, tegen haar wangen, als de gepolijste gemeenplaatsen van het +onverschillige leven, dat ruw langs haar heen ging. Toen mevrouw v. +Borselen de tweede maal van Jozef sprak, schrok Mathilde. Het was een +tergende spaak in haar hersens, waaraan die vreemde vrouw roerde, iets +wat zij niet wilde, maar dat moest, een akelige macht, die wreed in haar +leven was. + +Mevrouw v. Borselen ging wech. Mathilde zag haar glimmend satijnen, +oogelozen rug heengaan door den gang, tot den romp de stoep afzakken en +voor 't laatst doezelen tusschen de boomen. Achter mevrouw v. Borselen +heen, het glanzig grijze wezen in den hollen dofferen dag, kromp de dag +zelf voort, zijn rondingen verdonkergrijzend en schemerneêrplattend in +den avond, droog en geruchtloos. + +De Zondag was mooi, een dartele dag, met een sterken zuiden-wind, die de +rozen deed wiebelen aan hun takjes. Marie was in een stijf gestreken +katoentje en vroeg: Hoe laat komt meneer? en over het stijfschoone +dekkertje op de tafel heen, zeî Mathilde: Ik denk om elf uur, zoo als +altijd. Zij was wrevelig gestemd dwars tegen den levensloop. Onder haar +oogen dachten stuursche wangen onverschilligheid Het ontstemde haar zich +voor niets zoo opgewonden te hebben. Zij zoû stellig nooit verstandig +worden. Het leven ging immers zoo eenvoudig en gewoon; nu was er weêr +een dag, net zoo as gistere, zoo meteen kwam haar man. Wat was daar nu +eigenlijk aan. Zij leek wel niet wijs. Zij leek wel een aktrice. Toen +hoorde zij een rijtuig aankomen en wist-voelde te-gelijk, dat het hét +rijtuig was. Toen was 't net of haar hersens in de war zouden gaan en er +heet bloed voor haar oogen zoû komen. Haar heele lichaam begon te beven. +Zij hield haar tanden op elkaâr; als zij 't vergat tikten zij op elkaâr +in een stootend geluid van haar hoofd. Haar handen werden koud aan de +toppen, vochtig aan den palm. Zij kon niet opstaan en zag van haar stoel +door het venster alles nauwkeurig. De hit voor het tentwagentje stond in +éens stil, zijn voorpooten als schuine staken naar voren op den grond. +De koetsier sprong van den eersten bank onder den kap uit; hij was jong, +hij had een rood gezicht en had een pet op. Het lage portiertje ging +moeyelijk open, maar met een duw van binnen lukte het. Toen zag zij +Jozef; die er langzaam uitstapte, in een lichtgrijs pak, zijn korte +jasje met twee rijen knoopen van voren, en zijn broek die wijd over zijn +lage schoenen afhing, met zijn linkerbeen op het ijzeren treêtje, toen +zijn rechter en linker bijna te-gelijk op den grond. Zijn hand kwam +boven de binnenhand van den koetsier, terwijl hij zijn kin een beetje +introk. Hij had een lagen licht-geelen strooyen hoed op en, toen hij +zich weêr had omgekeerd en den tuin inkwam, een erg lage boord, een +koerant en een paar gele handschoenen in zijn linker hand. Maar hij ging +achter de boomen en zij zag hem niet meer. + +Toen Jozef de kamer binnenkwam, hadden zij beiden in éen snelheid van +opkomen en vergaan, dezelfde gedachtewaarwording. + +--Daar ben ik! Hoe maak je 't Thilde? Je hebt in 't geheel niet +geschreve. En zijn glimlach naderde van de schuin-open deur, en slonk +wech toen hij haar bleek zag beven, en zijn oogen voelden: wat ziet ze +er vreeselijk vreemd uit, ze is stellig met een anderen man geweest, in +elk geval blijf Ãk kalm; en zijn glimlach dacht in haar voort, in éen +slag van uiterste angst, éen stuipende siddering van haar verstand, éen +vreeselijke stilstand van haar hart: dit is hij niet, dat is hij niet, +ik ben met een anderen man geweest. + +Zij voelde haar denken vernield, zij voelde zich wezenloos worden. Haar +voeten werden koud en zij waggelde, met een licht doorbuigen van haar +knieën. Maar de groote smart van haar verstand rukte haar te-rug in de +levende werkelijkheid der angst-licht vlammende kamer. En zij wist de +grootte van haar liefde en dat hij die liefde niet was. + +In het naderend uitsteken van zijn handen vroeg hij: Beê-je niet wel? +Wat scheelt je? Wat is er? Zij zeide Och nee, 't is al weêr over, dat +heb ik tusschenbeye tegenwoordig, ik weet niet wat het is. Zijn lippen +zoenden, de zoen gleed wech van haar rillende wang. Felix was +binnengekomen uit het rieten kabinetje en zijn hoofd stond over de tafel +heen te kijken naar die twee groote menschen, strak, zonder begrip. +Mathilde had Jozefs hand genomen, flauw tusschen de haren. Dat was een +vreemd gevoel, die koude hand. Zij zoende hem op zijn wang, die hard +was. Alle mannenwangen waren hard, zij wist het wel, ja, zij wist het +wel, zij had het altijd gehoord en altijd geweten.--Hè, ik moet even +tot bedaren komen, zeide zij, en zij ging zitten op haar stoel, een eind +van de tafel geschoven. Jozef ging aan de tafel zitten, zijn voorarmen +er op, de gevouwen koerant in zijn handen, zijn hoofd er over heen +gebogen en schuin naar Mathilde gekeerd, met een streelende deelnemende +uitdrukking. Hij zat maar stil te kijken, om te zien wat er +gebeuren zoû. + +Felix kwam naar hem toe: dag, vader. Jozef zeî tot Mathilde: wil je niet +iets drinken? ... of wil je misschien gaan leggen? Zij schudde van neen, +haar hoofd naar den grond. Toen keerde Jozef zich naar links, nam Felix +op zijn knie: dag, vent, hoe heb jij 't gemaakt? Niet stout geweest? +Toen temperde hij zijn stem: moeder is niet wel, he? We moeten een +beetje zachies spreken. Ben-je altijd lief tegen haar geweest? + +Mathilde voelde hen en hun spreken. Zij wist wel, dat zij buiten haar om +spraken, dat zij de haren niet waren, iets anders dan zij. Zij was +alleen, als een dwaasheid in het gemakkelijke gewone leven. Al haar +voelen duizelde in haar blikken over den grond, en stootte tegen de +tafel en stoelen, en vermartelde in het felle licht, dat de dag door de +vensters bij breede lachbuyen naar Jozef heensmeet. Over den grond +wipten de eile stalen licht-kwatelingen, schoten te voren uit het +behangsel, spiraalden neêr van het plafond, en te midden van de +huiverende kamer en den angstigen licht-dans was Jozefs stil bewegende +lichaam, waar van elke beweging in Mathilde schokte. + +Zij keek naar Jozef, en dan weêr niet, en dan weêr naar zijn strooyen +hoed, die plat op een stoel lag. Zij voelde als een plotselinge langzame +losschroeving van haar verbeelding-en gedachte-vermogens. Zijn lichaam +was daar toch, bij haar, vlak bij haar, tastbaar in zijn begrensde +vormen, met een ruimte er om heen, waarin zij gaan kon, waarin zij haar +armen kon bewegen, om ze te leggen om zijn hoofd, en haar lippen naar +voren duwen aan zijn mond. De liefde-bewegingen van haar armen en hoofd, +die zich onbewust onder de plannen van hetgeen zij hem zeggen zoû in +haar denken hadden voorbereid, leefden nu op in haar verbeelding; zij +zag vreemde armen gebaren maken, vreemde achterhoofden neigen en bukken +en zich vlijen. En daar achter, ver in haar voorstelling, zag zij een +donkere holte onder de sterrenlucht van Vrijdagavond, waarin wezenlooze +eilingen voortholden en verdwenen in den nacht, de mijmeringen, die het +denkbeeld van haar man in haar waren geweest, en die vernietigd werden +tegen zijn zittende levende lichaam. + +--Hoe gaat 't nu? Een beetje beeter? vroeg Jozef, haar effen bruin +aanziende, in ratelend tegen haar schedel slaande klanken. + +--Het gaat al beter, maar ik ben nog wat duizelig. + +--Komt de dokter vandaag nog? + +--Ik weet niet, hij is er de heele week niet geweest. + +--We moesten maar wat vroeg koffie drinken, zeî Jozef, ik heb honger. + +Mathilde stond op om 't zelf in de keuken te gaan zeggen. Toen zij haar +waarnemen in haar, hem, die stil bleef, zag naderen, en toen zij zag op +zijn hoofd, dat onder haar kwam, en zijn gezicht van boven af, begreep +zij zijn lichaam niet en begreep niet meer hoe zij hem kende. Maar toen +zij voorbij hem was gegaan en zijn vormen uit den hoek van haar oog +gestooten waren, ging er een tinteling door haar hoofd en een drift door +haar beenen, waarin haar oude voornemen te-rug gaan wilde en zich gooyen +over Jozef om hem te beminnen. Maar hij was achter haar hersens zoo als +ze hem gezien had en in trijterende schrikken ging zij voort en was +alleen met de wanden zonder het te weten. + +Uit de keuken ging Mathilde naar haar slaapkamer, nam Floridawater en +ging zitten voor de tafel, met den zakdoek onder haar hoofd. Op 't +zelfde oogenblik kwam Marie in de groote kamer om te dekken. Jozefs +oogen werden warm, Marie hoestte en keek vóor zich uit met de +bedeesdheid der wangen. + +--Is ie heel zoet geweest deze keer? vroeg Jozef terwijl hij gauw hevig +keek naar Marie en daarna Felix bij zijn kinnetje pakte en hem aanzag +met elders denkende oogen. + +--O ja, meneer, andwoordde Marie, ook schuin naar Felix ziende, heel +zoet, is 't niet, Fik? + +--Dat weet ik niet, zeî Felix, en douwde zijn gezichtje tegen Jozefs +schouder. + +--Dan heb ik wat moois voor je bij me, zeî Jozef en met +langzaam-voorzichtige gebaren, om Felix niet te laten vallen, haalde hij +een dun prentenboekje in een prachtbandje, uit zijn binnenzak. + +--Hè, zeî Felix, met een eensklaps aangestoken vroolijkheid, hè, da's +mooi! en hij gleed van Jozefs knie en ging, zonder verder te bedanken, +voor het venster zijn boekje bekijken. + +Daarna werd er koffie gedronken. Mathilde zag Jozefs bovenlijf vóor +haar, boven het witte tafelvlak, het op en neêrgaan zijner grijs zacht +omkokerde armen, bij de gladwitte schoteltjes, den bal van zijn hoofd +met de levende gaten en uitsteeksels, waarnaar zijn handen klommen met +het eten en drinken, de schouders van zijn jasje, die zwollen en +neerstreken bij de armbewegingen, zijn blinkende en knippende oogen, +zijn hoofd, dat telkens even boog en rees, zijn hakkenden en trekkenden +mond, zijn snor die van onderen nat werd en met een kruimeltje en die +hij afveegde met zijn vingerdoekje. Zij zag zijn hals met het diepe +kuiltje aan den boord, zijn ooren, die zoo mooi dicht aan zijn hoofd +stonden, zijn rechte neus, het fijne rood van zijn wangen, zijn haar, +dat even mooi zat als altijd. Zij keek, en het was haar alsof zij iets +zocht, iets dat zij vroeger altijd van hem gezien had en dat nu voor +altijd verdwenen was. En zij dacht, of zij dat lichaam had liefgehad, of +het zich niet had losgescheurd van iets anders, een wezen, een waas, zij +wist niet wat, dat alleen zij had bemind. Maar zijn lichamelijkheid +sloeg haar denken voortdurend en zij kon maar niet inzien, dat haar +eindelooze begeerte bij haar was. Nadat hij gegeten had en zijn zware +vale woorden over het brood en de boter en het vleesch boven de tafel +hadden gerold, neêrkletterend op haar rug met klamme streken, liet hij +haar vertellen hoe zij den laatsten tijd had doorgebracht, of mevrouw +van Borselen er al was, of de bloemen nog goed opkwamen in den tuin, of +zij al een wandelingetje verder dan de tuin had gemaakt, en hij zeide +herhaaldelijk dat zij erg bleek zag. + +Na de koffie deed hij een cigaret van voren in zijn mond en rookte. Hij +zeî: + +--Willen we ook een beetje in den tuin gaan? + +Zij gingen. Lief en goemoedig leî hij haar rechterarm in de kromming van +zijn linker. Zij stapten samen regelmatig voort, en hij blies zijn rook, +blauwetjes, van zijn hoofd, den anderen kant uit. Toen ze hem nu goed +raakte en voelde in de jubelende lucht van den waayenden tuin, leefde +stormend in eens in haar te-rug een gevoel van lang geleden. Als een +klaterend beeld in een spiegel waarde zij snel bij haar, de herinnering +van toen zij hem angstig-vreemd had gezien op den ochtend van hun +eersten zoen. Maar krachteloos viel de herinnering terug voor de eenmaal +zoo nauwkeurig en vast in haar gevormde gedachten der laatste dagen, die +onweêrstaanbaar opzetten naar de klanken en klanksmartten uit haar mond: + +--Ik zoû wel eens over iets met je willen spreken ... + +--Zoo waarover dan? + +--Ja, je zal het wel heel gek vinden, maar voor mij is het een ernstige +zaak. + +Hij keek haar over zijn schouder aan. Zij keek naar den zwarten grond, +zij was koud, zonder ontroering, zij deed niet, zij onderging de macht +van haar besluit, dat haar deed spreken buiten haar wil om. + +--Wat bedoel je dan? Ik begrijp het niet. + +Toen zeide zij hem kalm-koud: + +--Je houd niet van me. Wil je niet weêr van mij gaan houden? Anders weet +ik niet, hoe ik langer moet leven. + +Hun hoofden gingen voort, dicht bij elkaâr, met een stuk heestergroen er +tusschen en er boven wijd wech de wind-spelende wit-blauwige ruimte. In +zijn hoofd, naar voren gewend, was verwondering. Dáár begreep hij niets +van. Wat scheelde haar nu weêr in eens? In háar hoofd was de harde +gevoellooze koelte, maar een scherpe wrevel over de tegen haar wil in +gesproken woorden zwart-lemmette op en tegelijk begon een gloeying, +vreemd opkomend, van diep beneden. De wrevel hief haar arm een beetje en +deed hem bijna niet meer liggen in den zijnen, en zij kreeg ook een +goeddoend gevoel van gemak, van breede tevredenheid, van bedarende +opklaring van haar gemoed. Zijn beenen bewogen gelijk op met de hare, +zijn lang gewachte lichaam was hoog naast het hare, en zij dronk blijde +zijn tegenwoordigheid in al het waarneembare van zijn leven. De zomer +baadde hen bij lauwe vlaagjes, bestoeide hun opwippende haren, glom +tegen hun niet-ziende oogen. Jozef zeî in den licht-wind: Maar, lieve +kind, ben-je dwaas? Ik hoû nog altijd even veel van je, waar haal je dat +vandaan, dat ik niet meer van je zoû houën? + +Haar arm zeeg weêr neêr op den zijnen. De gloeying vlamde op in haar, +haar geest geheel vullend. Al de liefden, die in haar voor hem geweest +waren, rezen aan-éen, niet te temperen, en in een brand uit haar oogen +en over haar borst sproot uit haar splijtend gemoed een kletterende +op-een-volging van zware, doffe, heesche fluitende klankjes, waarin zij +hem zeide, wel te weten, dat hij dit zoû andwoorden, alles te weten, wat +hij nog meer zoû willen zeggen; maar dat dit alles niets beduidde, dat +hij, als hij zich maar eens goed wilde onderzoeken, wel zoû merken, dat +zij gelijk had met te zeggen, dat hij toch eigenlijk niets meer van haar +hield. Zij verweet hem al zijn verwaarlozingen zij vertelde hem van al +de dingen, die haar zijn verflauwing hadden doen weten. Maar zij klaagde +niet, zij was boos, en het voorgenomen smeeken verstijfde in een vergen +tusschen haar verdunnende lippen. Zij had zijn arm aan haar linker borst +gedrukt, haar hoofd dicht bij het zijne gedaan. Maar toen zij alles in +ééns gezegd en uitgesproken had, met zacht rood aan haar slapen en haar +voorhoofd, en hij andwoordde: maar, lieve kind, dat verbeel-je je +allemaal maar, je hebt de koorts, je moet wat kalmeeren,--toen liet zij +hem los en bekeek hem zoo als hij daar was met den tuin om hem heen, +zijn blanke voorhoofd en zijn stille korte haar, zijn kalme wangen, zijn +gewone oogen en grijze schouders. Hij tuurde voor zich uit met +hooggestreken wenkbrauwen als om in het dennen-boschje een oplossing van +de vreemde ziekte van zijn vrouw te vinden en hij drukte zijn bovenlip +over zijn onderlip. Haar armen krompen tegen haar lijf, haar hals kromde +een weinig om laag, in haar oogen kwamen roode spikkeltjes, zij zag +hem niet aan. + +--Kom, Thilde, zeî hij, laten we over iets anders spreken. En zij +spraken er over, om Ster en mevrouw v. Borselen ten eten te vragen, om +Felix op een bewaarschool te doen. Mathildes verbeelding voelde hem nu +niet meer, haar verstand dacht hem. Zij merkte zijn heele +persoonlijkheid, met al zijn doen en laten, als een kleinigheid in haar +grooten hartstocht. Zij voelde hem heelemaal te kunnen overzien. Hij was +een gewone, verstandige en mooye man. Hij had vroeger veel bij hen aan +huis verkeerd, daarna waren zij samen getrouwd, en hij had zich altijd +gedragen zoo als een fatsoenlijk man zich tegenover zijn vrouw gedraagt, +wat wilde zij toch eigenlijk nog meer? Toen zij ziek was geworden, +hadden zij natuurlijk niet zooveel samen kunnen zijn als vroeger. Haar +verdriet was, dat zij hem geheel waarnam, want eerst was er, behalve +zijn neigingen en gedachten, die zij wist, iets onbekends voor haar in +hem, een verborgen geheimzinnige kracht in zijn wezen, ondoorgrondbaar +en heerlijk,--het was de liefde, de zij voor haar in hem veronderstelde, +Zij zag hem nu zônder dat groote en diepe, met een hoofd leêg van haar, +leêg van wat zij wilde, zonder begrip. Zijn wezen was gering, hij had +niets dan zijn leden en zijn dagelijks zelfde hersens, waarin elken dag +de indrukken en gedachten van den vorigen zich herhaalden, zonder ooit +zoo'n vreemden droom, zonder ooit zoo'n onbegrijpelijk gevoel voor iets +hoogers, iets meers. En zij wist niet en vroeg zich, waarom zij zoo van +hem was gaan houden. Wat had zij eraan voortdurend aan dien man te +denken, wat hoefde zij zich ziek en ongelukkig te maken om zijnentwil? +Haar hersens werden hoe langer hoe kouder. Zij voelde zich een oogenblik +staan, als gelukkig in haar leven, buiten haar liefde. Zij dacht een +kalm, zuiver, geregeld, gezond dagelijksch bestaan, waarin zijn hoofd en +zijn schouders naast haar niet meer trilden, waarin hij niets was dan +haar gewone maatschappelijke echtgenoot, keurig en fatsoenlijk, zonder +die nutteloze bombarie van dwaze grillen en opwindingen. Wat was er niet +veel te doen in het leven, ook voor een vrouw! Wat zoû zij een mooye +handwerken kunnen maken, en koeranten en boeken lezen om op de hoogte te +zijn! Niet alleen zoû ze haar huishouden uiterst zorgzaam kunnen doen en +veel meer in de perfektie dan tegenwoordig, maar ze zoû b.v. ook voor +arme kinderen kunnen naayen, zooals andere dames deden. En dan, om het +voornaamste niet te vergeten, wat zoû zij veel meer moeite en +oplettendheid aan de opvoeding van Felix kunnen geven! Nu werd die voor +het meerendeel overgelaten aan Marie, en dat was eigenlijk volstrekt +niet zooals het hoorde. Verder, als zij dan ook weêr heelemaal gezond +zoû zijn, had zij voor uitspanning de konversatie met mevrouw v. +Borselen en met andere dames, waarvan zij de kennis kon maken. En, och +Heer, er waren nog zooveel andere dingen. Waarom moest zij zich ook zoo +afzonderen in de laatste jaren? En zij zag in eens een leven vol +verscheidenheden en kleine gelukjes, dat zij in haar bespottelijke +hersenkoorts geminacht had zonder nagedachte. + +Jozef meende daar het middel gevonden te hebben, om zijn vrouw tevreden +te stellen. + +--Wil ik, nu je weêr zooveel beter bent, eens een week of drie achter +elkaâr hier blijven? vroeg hij. + +Maar een onoverkomelijke warschheid klom tot aan haar mond. Zij zeide: + +--Ja, ik zoû 't wel heel graâg willen, want man en vrouw hooren bij +elkaâr, maar ik geloof wezenlijk, dat 't beter voor me is, dat ik +vooreerst nog maar alleen blijf, want als ik niet zooveel rust mogelijk +heb, kan ik niet slapen. + +--Dat spijt me, zeî hij, en glimlachte, haar liefweemoedig aanziende. + +Maar zijn glimlach werd vernederd en wrevelde wech op de strakheid van +haar gezicht. Zij gingen te-rug in huis en liepen wijder van elkaâr over +het pad, met schokjes van stuursche verlegenheid in hun armen en beenen. +Het witblauw van boven en het dartelende groen krioelde tot hun hoofden +en tusschen hun leden. + +Den volgenden ochtend, toen Mathilde mat opstond, met een moeheid van +het leven in haar beenen en in haar hoofd, zag zij haar fletse gezicht +in den spiegel, haar flauwe oogen, de vale plekjes er onder, en de lange +rimpels over haar voorhoofd. Zij voelde een grooten wrok tegen Jozefs +frissche lichaam. Zij zag, dat het buiten al-weêr een lichte dag was, +een uit dezelfde eentonige opvolging, die tot gisteren geduurd had en +die morgen en overmorgen en altijd weêr verder zoû duren. Weêr zag zij +den tuin door het venster, zonder iets buitengewoons, in zijn zelfde +aanzien van steeds, zij alleen verouderde intusschen en het erge +heerlijke van haar jeugdleven zoû verminderen en eindelijk heelemaal +wechblijven. Zij keek naar de voorwerpen die stil stonden om haar heen. +Wat was het nu? Ging zij naar een doel? of wat deed zij eigenlijk? Wat +gaf het? Zij, die dacht, dat er zooveel met haar gebeurde, wat +beteekende zij, wat gebeurde er met haar? niets. De dag van vandaag leek +precies op den dag van vijf, zes jaar geleden. Zij had eenvoudig haar +zenuwen, haar lichaam vermoeid en ziek gemaakt en zich voor altijd +berimpeld door zich allerlei dingen in te beelden waarvan niets bestond +en door het gewone leven te vergeten, dat toch eigenlijk alleen waarde +had. Maar hij was er de schuld van, hij, die man, die zich aan haar zij +had gedrongen. Aan hem had zij het beste, alles, gegeven wat zij had. +Hoe was 't mogelijk, dat zij zich in 't begin zoo gelukkig had gevoeld +door hem! Wat gaf zij nu om hem? Niets! Hij was daar met zijn +onverschillig-beminnelijke, koele, bekrompen wezen. Zij was mooi geweest +vroeger, zij had ten minste een lief gezicht, had iedereen gezeid. Nu +was ze het niet meer. Haar vader was alleen gestorven uit verdriet over +haar huwelijk. Neen, zij kon hem niet meer lijden, die man, die haar +gebruikt had, om een tijdje pleizier met haar te hebben, die haar +ongelukkig had gemaakt en dien zij nu verveelde. In de zweterige mufhe +van haar eerste op-zijn liep zij met driftige zwartgalligheid door +haar kamer. + +Jozef kwam haar goeyen dag zeggen. Hij moest wech met de diligence. + +--Nee, ik ben nog ongewasschen, zeî Mathilde, geef me maar alleen een +hand. + +--Dat kan mij ook wat schelen, zeî hij, daarvoor hoû ik te veel van je. + +Hij zoende haar voorhoofd, maar zij deed niets te-rug. + +--Zeg, hoe maakt Emilie Berlage het toch, daar heb ik heelemaal vergeten +je na te vragen. + +--O, ik geloof goed, maar ik heb der in lang niet gezien. + +--Nou, doe der me komplimenten as je der ziet ... + +--Nou, dag kind, aanstaanden Zondag kom ik weêr, hoor! + +--O, uitstekend! + +In een gevoellooze rust leefde Mathilde de zacht-grijze week die nu +volgde. Zij bleef zonder gewaar-wordingen en sprak bijna niet. Zij was, +na de vermoeying van haar te veel voelen der laatste tijden, in een +begeerteloze vrede met de stilte van elken dag. Zij had plotseling op +een dag oud naaiwerk voor arme kinderen uit de kast gehaald en was daar +met een niet-opzienden ijver aan gaan werken. Maar de week was al +voorbij en Jozef zat weêr tegenover haar aan tafel, vragende, waar zij +daar zoo druk aan bezig was. + +Hij stond op en ging eens bij het venster staan en daarna weêr zitten op +een stoel vlak bij Mathilde, met zijn ellebogen op zijn knieën en zijn +hoofd naar haar werk toe. Het was als snuffelde hij met de +vooruit-stekende gedeelten van zijn gezicht naar Mathilde en haar werk. +Een oogenblik later stond hij weêr aan de piano en bladerde in de +muziek. Hij keerde zich om, stond met zijn handen in zijn zij, keek op +Mathildes hoofd. + +--Kan je velen, dat ik piano speel? vroeg hij. + +--O ja, woû je iets spelen? Dat heb je in lang niet gedaan. + +--Ja, zeî hij, zijn woorden slepend, ik woû nog eens zien of ik dat nog +kon. + +--Wat? + +--Nies, zoo'n deuntje van Offenbach, dat ik vroeger uit mijn hoofd kon. + +En in eens, terwijl Jozefs lange nagels onaangenaam de toetsen tikten, +geluidde de piano los, met een verwondering der stilte in den hoek, waar +zij zoolang met haar gewone meubelstomheid gestaan had en een +geklinkklank door het hol-ziende huis, vervuld met de woordelooze +klanken van dat vreemde onbewegelijke beest uit de hoek van de groote +kamer. Felix kwam toegeloopen uit den tuin en door het open venster, +bleef staan in een zonnebegieting van zijn blauw pak en blonde haar. Een +boerenjongen die juist voorbij kwam op den weg bleef ook staan, kijkend +uit de verte. Mathilde werkte door, met gebogen hoofd, en zij begreep +niet, welke rare aandoening haar in eens overviel. Het was haar of zij +met haar smarten, vergeten was door het leven, waarvan zij eerst het +middenpunt was geweest. Buiten waren de boomen in de zon en de kalme +omtrek, hier binnen, de leêge kamer, Felix, en Jozef, die zijn luchtig +melodietje speelde, dat een uitlachende vroolijkheid langs de ruiten +deed gaan en dribbelen langs al de onverschillige muren. Met wibbelende +tredjes hakkelden de pianoklanken over haar breede lijden. Zij gold niet +meer, zij telde niet meer meê. Alles leefde buiten haar om. Haar +verdriet was vergeten en begraven. Het groen, buiten, was vol van glans. +Felix stond met rooye wangen van het loopen in den tuin, de kamer was +netjes in orde, en zij was getrouwd, zij waren immers getrouwd, zij was +immers een fatsoenlijke getrouwde vrouw, die een gelukkig en benijdbaar +leven had. Dát was zij en anders niet, maar dat was ook genoeg. En zij +was nÃet dat andere, die afgrond van lijden in haar wezen, waarin zij +niet woû zien, maar die zij open voelde vlak onder haar oogen. + +Mathilde voelde toch een stil genoegen, dat Jozef in haar bijzijn was. +Hij was voor haar een wezen, dat haar nog den vroegeren Jozef +herinnerde, maar waaruit dát gedeelte van zijn leven, dat hem tot haar +alles gemaakt had, voor altijd was verdwenen. + +Jozef was nog aan 't spelen, toen Marie binnenkwam om klaar te zetten. +Hij speelde gauw een paar slot-akkoorden, stond op, met éen knippenden +blik op Marie, waarin hij het laatst over haar nadacht, stak zijn handen +in zijn broekzakken, keek op Mathildes werk die voortdurend zat te +naayen. Hij keerde zich snel om, klapte in zijn handen vóor Felix, nam +hem onder zijn armpjes op en hield hem in de hoogte boven zijn hoofd, +lachende, en met zijn goedig-lichtzinnige uitdrukking, zeggende; kijk, +nou beê-je nog grooter als ik! En met Felix op zijn schouder ging hij in +den tuin om een roos voor zijn knoopsgat te plukken. 's Avonds dronk +Mathilde thee onder de warande en onder het stilletjes in den avond +wechkwijnende daglicht mijmerde zij over Jozef. Jozef was na den eten +dadelijk uitgegaan, om in de societeit een partij billard te spelen, met +een meneer uit het dorp, met wien hij kennis had gemaakt. + +Mathilde leunde in haar stoel, met een borduurwerk, dat zij roerloos op +haar schoot hield in haar linker hand. Zij had hem heen zien gaan over +den breeden weg, met het blauwe sigarenmistje om zijn hoofd, tusschen de +dikke boomenstammen. Zij was allen. Zij voelde zich leven in den +dof-blonden avond, die neêr-zachtte over de klagende slaapgebaren der +verdonkerende boomen. Maar zij leefde tegen den dommelenden avond in, +bóven den duisternis-spoelenden grond, met haar hoog hittende hoofd óp +onder de drijvende wolken, met haar droomenfonkelende oogen vóort door +de nachtende eenzaamheid. + +Het was wel plezierig zoo'n beetje stil te zitten 's avonds en niets te +doen dan denken. Daar had zij altijd veel van gehouden, ook toen zij nog +een jong-meisje was. Hê, het was drukkend warm van-avond. De warme lucht +werd haar als uit open monden om het hoofd geblazen. Die tijd was lang +voorbij, ja, heel lang. Waaraan dacht zij toen ter tijd ook weêr +zooveel, gedurende al die verdroomde uren? Ja, dat wist zij niet meer, +het waren wel mooye dingen, maar het was te lang geleden, dan dat zij 't +zich nog kon herinneren. Zij dacht aan het geluk, dat wist ze wel, en +zij had ook nog het vage gevoel, dat zij zich er onbegrijpelijk veel van +had voorgesteld, toen, van dat toekomstige levensgeluk. Wat was zij een +buitensporig en wild schepsel geweest, als kind. Dat was later al gauw +overgegaan. Wanneer men eenmaal een groot mensch is, beweegt men vanzelf +zijn leden minder onbesuisd en wordt het heele leven stemmiger. Waar was +toch het geluk? Het was niet boven haar, het was niet voor haar uit, het +was niet aan haar zij, zij kon het niet zien in de duistere warmte, die +dreigend naderde en ijlings week en ommewaarde in zwartgestaltende +zwenkingen. Neen, het was in haar. Als zij maar nadacht, dan kwam het +vanzelf te voorschijn. Zij dacht na ... Het was toen haar vader al lang +dood en begraven was, maar zij woonden toch nog in het oude huis. Zij +voelde zich op een avond leêggehuild en moe van droefheid, onverschillig +voor alles. + +Toen was Jozef bij haar gekomen en had heel lief tegen haar gedaan. + +Mathilde was in de zilverschemerende herinnering. Op de tafel lag een +opengevouwen koerant, die witterig opritselde in de lauwe donkerte en in +den wind een eindje voorschoot naar haar toe over de tafel. Haar oogen +sloegen wakker uit de mijmering en zij zeî zachtjes; wat is er toch?, +toen zij zich in eens te-rugvond in dezen avond. Hoog klom het tegen de +zwarte stijlen der warande, waarôm de klimop in warrelende donkere +rukken steeg, en vlakte met den grond onder haar voeten en drong in haar +bewustzijn, met de zielloze gekantheid der voorwerpen, het Tegenwoordige. +Zij wà s nú. Zij keek om zich heen: och, waar was toch de tijd, die +voorbij was gegaan? Zij wist het verledene niet. Zij wist den avond van +nu, en haar wachten. Maar was zij hier toch? Zij voelde zich als met een +plomp neêrgezet op haar stoel, van de hooge dragingen harer verre +mijmering. Hoe vreemd was het hier! Boven haar was de bekapping der +warande, daar naast de leêge kamers van het stille huis, en verder, +buiten, de groote ruimte, met de boomen zonder oogen, met de lage +heesters zonder mond, onder de behuiving der stommelende wolken, die +geen stemmen hadden. Aan d'overkant was licht achter de vensters. Daar +waren onbekende menschen, die niet wisten, dat zij hier zat. In haar +huis naast haar waren de meiden, vrouwen zoo als zij, die ook spreken +konden, maar zij wisten haar niet en waren met hun zelf, en het was ook +ver, van haar tot de keuken. Daar was veel donkere ruimte tusschen, +ruimte, die zij niet door kon gaan. Het was te ver, veel te ver. En toch +wilde zij het geluk weêr. Zij had het noodig. Zij kon er niet buiten, +nu, op 't oogenblik, zonder uitstel. + +Zij was alleen. Zij kon kijken rechts in de tuinruimte, er was niemant, +die naar haar toekwam, met voeten over den grond, zij kon kijken voor +zich uit, er waren geen menschenvormen, die zich schiepen uit de +donkerte. Niets dan haar warme leden, en haar handen, die als rare +blanke stukken uit de vale mouwen staken, zoo ver van haar willende +hoofd. + +Zij had hem zien gaan, haar man, haar geliefde, zij had hem langzaam +zien wechgaan, vóor de duisternis nog viel, onder de hooge boomen. En +zij zat hem te wachten, nietwaar, het was immers zoo? Zoo meteen kwam +hij te-rug. Maar hij moest toch wel ver zijn gegaan, want zij zag hem +niet meer, geen slipje van zijn mooye jas. En al die donkerte was +tusschen hen, breed en zwaar, ondoordringbaar. Haar verbeelding kon hem +wel zien, maar alleen van achteren, zijn beenen, die zij aan zijn lichte +broek kon herkennen in den zwarten nacht, en die wechliepen, altijd +verder, verder, verder. + +Zij hoorde een heel eind wech in het dorp, de kerkklok slaan, met kleine +stalen tikjes op de rillende duisternis. Hoe laat was het al? Het moest +al heel laat zijn. In de lucht werden de wolken dunner, maar het bleef +broeyend. Er waren even twee sterren, een groote geel-groene, een +kleine, verdere, donkerroode, die dadelijk weêr verdwenen. Zij ging naar +binnen en keek op de pendule. Het was tien uur. Was hij dan nog niet +thuis? Waar bleef hij toch? Zij ging loopen door den tuin, om hem af te +wachten. Zij was bang voor de zware warmte, die om haar leden bleef +hangen om haar te benauwen. Zij bleef staan bij het groote hek, aan den +dorpskant, waar hij vandaan moest komen. Zij zoû hem hooren aankomen in +de donkerte, dan zoû ze hem tegemoet gaan op den weg. 't Zou meteen voor +'t eerst zijn, dat zij buiten den tuin kwam. Maar nu was zij ook hersteld, +zeker, zij was gezond. Waar bleef hij nu toch? Wat duurde het lang. + +Plotseling hield haar denken op. Er gebeurde iets. Er was als een zwarte +dunne lange lijn in den hoogen wind boven haar geweest, die achter haar +om was geslagen in den hoek van haar oog. Er was een snelle beweging van +vormlooze verschrikking door de nacht-ruimte. Een laatste steenen koude +versteef Mathildes wezen, een doodslag, die in de stilte op haar liefde +viel. Zij keek naar hun rieten dak. Aan het eene venster Felix' kamertje, +was licht, het andere, waar Marie sliep, was donker. Zij dacht, dat +Marie zeker nog in de keuken zoû zijn. Zij ging langzaam, met stijve +stappen, naar binnen. Haar armen hingen als houten, zij voelde zich +hopeloos wechsterven. Toen zij onder aan de trap was, was Jozef bij +haar, die van boven kwam, zonder schoenen, en zijn haar aan den eenen +kant in de war. Hij keek haar aan en zag een vreemd zwart licht in haar +oogen, die als scheel zagen. Hij was met Marie geweest. Zij wist het. + +--Ik dacht, dat je nog niet thuis was, zeide zij. + +--Ja, ik ben even Felix goeye-nacht gaan zeggen. + +--Zoo? Wacht, je haar zit daar een beetje in de war ... Zij streek het in +orde met haar aan den arm geheven hand, maar meteen viel zij tegen hem +aan, brekend in een hijgend schreyen, met luide, lange toonen als een +kind. Haar eene hand stak uit boven zijn schouder, haar neus en kin waren +gedrukt tegen zijn beenen jasknoopen. + +Jans kwam uit de keukendeur, denkende dat Mathilde een ongeluk had +gekregen, Jozef, die zachtjes Mathilde naar de groote kamer bracht, zeî +tot Jans, dat zij was gevallen en erg geschrokken was. + +In de groote kamer, waar alles nog donker was, zeî Mathilde tot Jozef, +die zweeg, vlak voor zijn oor met haar lippen, met een zachte stem, die +diep uit haar binnenste scheen te komen, als had een ander wezen in +haar gesproken: + +--Weet u waarom ik zoo bedroefd ben? Jozef is dood, Jozef is dood!; ... +Dat was mijn man, weet u. En haar huilen droogde wech, in dorre +huivering, die door haar gezicht ging. + +Zij rukte zich nu in eens van hem los en liep gauw naar haar kamer, +waarvan zij de deur hevig dichtsloeg. + +Jozef stond alleen in de zwarte kamer, met zijn neêrhangende +besluitelooze armen, in een elegante houding. Hij was eerst bedremmeld +en keek naar het muurvak, waarachter Mathilde nu was. Toen ging hij naar +zijn slaapkamertje en trok zijn schoenen weêr aan. Hij had willen +voorwenden ze te hebben uitgedaan, om, als Felix sliep, hem niet wakker +te maken bij het goeye nacht-zoenen. + +Jans bracht de lamp in de groote kamer, bleef even staan, met bezorgde +oogkassen. + +--Wat is er toch met mevrouw gebeurd, meneer? + +--Ik weet het wezenlijk niet, zeî Jozef, ik geloof, dat zij vreeselijk +de koorts heeft. Laat Marie nog maar even naar den dokter gaan. Ik +begrijp ook niet, waarom die man niet méer komt. Wacht, ik zal zelf nog +'es gaan kijken. + +Mevrouw heeft de deur op slot gedaan, zeî Jans. Jozef klopte tegen het +hout van de deur, het bleef geluidbos er achter, hij woû door het +sleutelgat zien, de sleutel zat er van binnen in, Jozef zag zwart. Hij +ging op het straatje, zag licht aan de vensters, tikte, zonder andwoord. + +Toen Mathilde op haar kamer was gekomen, had zij van de wreede +ruischelende wanden een koele kalmte over zich voelen vallen. De +gewoonte had met haar handen bedaard de lamp opgestoken, als kwam zij +daar om naar bed te gaan. Zij trad langzaam over het tapijt, met zijn +verwonderde en lachende krullen, op en neêr. Het stuk leven van +daar-zoó, met dat andere mensch, dien zij had aangeraakt, met de +huilgeluiden van haar keel, het rillen van haar gezichtsvel, haar +armbewegingen, haar loopen en haar openen van de deur was voorbij haar +zintuigen geslagen als voor goed wech en achter haar, iets dat zij nooit +meer te-rug zoû beleven. Zij vond de kamer hier een stille, afgezonderde +plaats, als onder een kerk, een graf van rust, waar zij gekomen was, om +voor goed uit te huilen, en dan te slapen, te slapen, daar alles voor +haar toch voorbij was gegaan. + +Haar bewustzijn scheurde op. Dáar stond haar bed en de gordijnenschaduwen +beblond-donkerden de wanden. Het bed was altijd in haar leven geweest, +met zijn zwaar hangende gordijnen, allen stillen nacht, met hun breede +roerloze schaduwen. Wat had zij dan toch gedaan? Zij kon toch nog wel +denken? Die donkere man, tot wien zij gesproken had, maar dat was toch +háar man, den man, waarmeê zij getrouwd was, getrouwd, zoo als al die +andere vrouwen ook met hun mannen getrouwd zijn. Waarom had zij dan tot +hem gesproken van haar man, als hij 't niet zelf was? Maar hij wás 't +niet, dat lichaam was niet haar man. Zij werd nu als een ontbinding van +haar wezen gewaar. Zij wist niet meer waar zij dacht. Daalde haar +waarnemen niet onder haar hoofd? Zij voelde haar handen niet meer, als +tot haar éenheid behoorende. Zij voelde, dat haar oogen op dezelfde +hoogte bleven, maar wat ging het vreemd in haar hoofd, haar gedachten +holden als vale eilheden om, zich verdeelend en oplossend, zonder +vastheid, zonder tot geheelen te worden. Zij knoopte langzaam haar goed +en haar korset open en ging op het bed liggen, waarvan de gordijnen weêr +achter haar dichtvielen, eerst op haar rug, toen op haar rechter zij, +toen voor-over, met haar voor-armen onder het kussen, haar rechter wang +er langs aayend, op en neêr, en stil met haar heele lichaam. De +lampe-vlam gaf een warrige mat gouden glansplek in het gordijn, naar +haar hoofd. Daar viel een bekende gedachte als een vaal pakje door de +warreling harer gudsende hersens, en brak open en bloeide op, +hel-lichtend in den purperen kolk van haren waanzin. Zij zat in de +warande en was immers aan 't denken, aan 't denken aan het geluk? Hoe +was 'et ook weêr? In de kleine binnenkamer van het oude huis was haar +vader, hij bewoog zich, hij sprak, hij pakte haar bij haar arm, hij +zoende haar, och, wat zag hij bleek, hij ging dood, haar vader. Hij +wankelde en viel van zijn stoel op den grond. Hij sprak niet meer in de +binnenkamer, hij was dood, haar vader. Vader, vader, bent u dood? ... +Zij was nog een heel klein meisje, dat was haar nieuwe japon, dien zij +daar aan had ... Was hij niet mooi, haar nieuwe japon? Mooi, nietwaar? +Zij ging er meê trouwen, Zij was een groote dame, en ging trouwen ... +Met wien, wel met Jozef natuurlijk, met Jozef ... Hij was altijd bij +haar geweest, nu ging zij met hem trouwen ... Zij was nu een getrouwde +vrouw ... Zij gingen samen wandelen, heerlijk, de menschen keken om naar +zoo'n mooi gekleede en gelukkige man en ... Dat was weêr een benauwde +nacht, wat trokken zij toch haar lichaam uit elkaâr? moest zij dan zoo +gemarteld worden? ... Een stuk van haar lichaam, dat er zich van +afscheidde ... O, God, men had van haar lichaam afgescheurd, datgene, +waarom Jozef zooveel van haar hield ... Want nu bleef hij wech, zij zag +hem niet meer, hij bleef voor goed wech, ... Jozef, Jozef was dood ... +Het groeide op en werd hooger naast haar, het wezen, dat uit haar was +voortgekomen ... Jozefs gezicht was er in afgedrukt, maar altijd bleef +het tusschen haar en Jozef ... als een onoverkomelijke scheiding ... En +Jozef veranderde van trekken, hij leek niet meer op den vroegeren Jozef, +het was een vreemde man, het was Jozef niet meer ... Want hij was dood, +lang dood, wechgezonken onder den grond ... Zie, daar was zijn gezicht, +aan de zoldering, aan den wand, op de vloer. Het was een gezicht en +niets meer, een vage, ontastbare plek, maar de plek werd hoe langer hoe +grooter, de oogen flauwer en de deelen van het gezicht scheidden van +elkaâr, werden geheel onherkenbaar en verdwenen in de vloer, voor altijd. + +Mathilde huilde. Het lauwe water vloeide uit haar oogen en mond in het +kussen. Maar in eens sprong zij van haar bed, liep met haar armen in de +hoogte, in haar losse kleêren, naar den wand, en sloeg den wand, als om +er het geluk aan te doen ontspringen, die liefde, dat onbegrijpelijke en +eeuwig-zalige, dat zij wilde klommen in haar leêge armen, die zij wilde +drinken met haar drooge keel. Zij schreeuwde het uit, met rukken van +klagend krijschen, die de meiden en Jozef, met ernstige aangebogen, +luisterende hoofden bij-éen bracht in den gang, voor de gesloten kamer, +die Felix wakker maakten door het geklaag dat van onder den grond in +zijn eenzame kamertje boven, om zijne kleine lichaam steeg. Hij kwam +benauwd uit zijn slaap, en begon dadelijk ook te huilen om het onbekende +ongeluk, dat er was in het huis. Maar hij durfde zich niet verroeren, +doodelijk bang, dat er iets geheimzinnigs in zijn kamer mocht zijn. + +Mathilde ging weêr door haar kamer, van de deur naar de muur, van de +muur naar de deur. En de deur en de muur bleven haar sprakeloos +aanstaren. Een droef-gele drooge stilte hing van de zoldering over +Mathildes hoofd, waarin, boven het lichaam van week vleesch, de smart +sapte. Haar huiverende hersens zochten wat men haar altijd aangeduid had +als "geluk". Toen zij een tijdje getrouwd was geweest, had zij wel +gevoeld, dat dà t het was, als Jozef haar raakte, als Jozef haar aankeek, +met haar opgemaakte hoofd en haar kleêren over-dag, en 's nachts als zij +zich zelve niet herkende. Maar zij had wel dikwijls gedacht, dat dit nog +pas het begin was, en er iets anders volgen moest, later, later, altijd +later. Boven Jozefs persoonlijkheid uit had zij wel een anderen Jozef +gedroomd, die hij was, maar toch mooyer dan hij, grooter dan hij, een +die nog dieper in haar lichaam kon dringen, die haar heele wezen tot +zich kon nemen en het zijn maken, zoo, dat zij haar zelf niet meer voelde. + +De jaren en dagen van hun eerste huwelijksdag af holden door haar +herinnering, de lichte ochtenden in de stad, met het leven op straat en +niets dan huizen, de donkere avonden, hier, zonder gerucht en met het +groen, alleen, waarvan zij zooveel hield. En al die dagen waren gekomen +en gegaan, zonder het ongekende te brengen, dat zij wachtte. Nu was +alles gedaan. Zij zag het aan de rustige lamp en aan de platte wanden: +de minnaar, de geliefde, de vreemde man, dien zij zich niet kon +voorstellen, waarin haar mijmering haar gezegd had, dat Jozef eens zoû +veranderen, hij zoû nooit komen; al de liefde, die haar wezen verbruikt +had om hem te wenschen, was verloren gegaan, wechgegooid in den +onverschilligen gang van het vale leven. + +Toch moest er iets zijn. Van haar beenen, en over haar borst, van haar +mond en haar oogen steeg de begeerte naar bevrediging, die de +kamerwanden om de lamp heen vernauwde en vaalgeel de verstikking der +verlangens deed uitmisten. En uit haar eerste jeugd leefde de +herinnering op, een rust en een genoegdoening, die zij had gevonden op +de kostschool, als zij bedroefd was, God, het denkbeeld, dat nog een +enkele maal in haar later leven was ontwaakt. O, zij wist het nog wel. +Hij was de groote troost en de eeuwige vrede, voor die Hem kon +liefhebben was de droefheid nooit doodelijk, zoo als zij haar nu scheen. +Maar zij kende Hem niet meer. Wanneer haar vader een enkele maal van God +sprak, viel dat woord in haar als de naam van een persoon uit de oude +geschiedenis, die in de krant komt, als er sprake is van een dissertatie +of een examen en waarover men heenleest. Maar de tijd, dat zij ontroerde +bij het denken aan God was toen haar borsten uitzetten en zij aan +duizelingen leed, in de kapel van het pensionaat. Die aandoening wilde +zij herleven, en zocht haar, zocht haar door de dikke laag der +veroudering. Maar God was voor zoo weinig in haar volgroeide leven +geweest, zij vond zijn gelaat niet te-rug in haar verbeelding. Zij zag +weêr Jozefs twee bruine oogen, twee lichtpunten, die naar haar toe +schitterden, maar oogen van vroeger, de oogen van den doode, die niet +óok waren in dien man hier in huis. + +Zij ging weêr op haar bed liggen, met haar bonzende hoofd, in haar +koorts van wild begeeren. Zij richtte zich op en luisterde, als moest +zij hem van ver hooren naderen. Maar alles bleef stil, totdat zij éens +Jozef hoorde bewegen en hoesten, die achter den wand in zijn bed lag. +Was hij dat, was hij daar? Neen, dat was het andere, het namaaksel van +haar man. Dien moest zij niet hebben. En den heelen nacht eilde zij +door, in een half-wakenden, half-slapenden toestand, in verschrikkingen, +die het bed deden kantelen en de kamer instorten over haar hoofd, in +droomen van zware blokken, die over haar lijf vielen, en van een God den +Vader, een grijsaard met een langen baard en een kroon op het hoofd, die +zachtjes tot haar afdaalde, maar dan onvoelbaar werd als een geest en in +rook verwolkte om haar heen. + + + + +XIV. + + +De dokter, dien Marie niet thuis had gevonden, was den volgenden ochtend +gekomen, en had gezegd met zijn dikken mond, dat Mathilde een hevige +koorts had, dat zij vooral de grootst mogelijke rust moest houden. + +Toen Mathilde na drie weken weêr beter was, werd zij weêr opgenomen in +den gang van het gewoonte-leven der omgeving. Zij vond alles uitstekend +in de zwakke blijdschap van haar herstel. Alleen hinderde haar in 't +begin bijna elk geluid. Jozef was, toen zij zoo erg was, bijna elken dag +overgekomen; zij bleef er hem dankbaar voor; hij was een goeye man. + +Toen zij weêr voor 't eerst in den tuin kwam, vond zij, dat ze hier toch +wezenlijk een allerliefst buitentje hadden, maar zij had het vroeger nog +nooit goed gezien, ontdekte allerlei aangename en mooye plekjes, die +haar nieuw voorkwamen. + +Zij was in een zonderlingen geestestoestand geweest in den laatsten +tijd. Gelukkig, dat zij zich al die akelige gewaarwordingen niet meer +herinnerde. De dokter zeide, dat de koorts haar meer goed dan kwaad had +gedaan dezen keer, dat hij haar uitgebrand en gezuiverd had en dat +geloofde zij ook. + +Toen zij zes weken beter was, in het begin van Augustus, kwam Emilie +Berlage op een Zondag, dat Jozef er ook was, hen even bezoeken. Het +hinderde Mathilde volstrekt niet, dat Jozef en zij elkaâr zoo +vertrouwelijk aanzagen. Maar Marie hadden zij wechgedaan. Felix groeide +op en had nu meer een kinder-jufvrouw noodig, die zij kregen op een +advertentie in de koerant. + +Mathildes gezicht bolde aan tot dat van een gewone deftige dame. Zij had +een groote vriendschap voor Jozef, maar was er niet zoo erg op gesteld +hem altijd bij haar te zien. + +Toen zij einde Oktober weêr te-rug waren in Amsterdam hield zij niets +meer over van dien raren zomer buiten dan de slappe herinnering van een +droom. In April van het volgende jaar, beviel zij weêr, van een dochter. + +EINDE. + + + + + + + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Een liefde, by Lodewijk van Deyssel + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 10820 *** diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..2ab8317 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #10820 (https://www.gutenberg.org/ebooks/10820) diff --git a/old/10820-8.txt b/old/10820-8.txt new file mode 100644 index 0000000..6c82e98 --- /dev/null +++ b/old/10820-8.txt @@ -0,0 +1,12089 @@ +The Project Gutenberg EBook of Een liefde, by Lodewijk van Deyssel + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Een liefde + +Author: Lodewijk van Deyssel + +Release Date: January 24, 2004 [EBook #10820] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO Latin-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN LIEFDE *** + + + + +Produced by Marc D'Hooghe + + + + +EEN LIEFDE + +door + +LODEWIJK VAN DEYSSEL + + + +VOORBERICHT + + +De tweede uitgave van den roman EEN LIEFDE verschijnt zonder de +zogenaamd onvoegzame of onzedelijke uitdrukkingen, die in de eerste +uitgave voorkwamen. + +De belangstellende leidde daaruit niet af dat de meening van den +schrijver veranderd zoû zijn met betrekking tot de mate van vrijheid en +van onafhankelijkheid van algemeen geldende zienswijzen, die een +eigenschap der letterkunde moeten zijn. + +De reden, die tot wijziging deed besluiten, is deze, dat geene +gelegenheid werd gevonden eene nieuwe uitgave behoorlijk bezorgd te +zien, tenzij met wijzigingen. + +De vraag deed zich nu voor in hoeverre de verandering verantwoord kon +worden tegenover de kunstleer, waarvan de oorspronkelijke vrije text de +toepassing was. + +Ten eerste nu, kwamen, bij latere objektieve beoordeeling, sommige +onvoegzame of onzedelijke uitdrukkingen tevens voor fouten van +letterkundigen aard te zijn. Deze behielden voor den schrijver wel hunne +bekoring als bewijzen van felle leer-stelligheid, maar deden feitelijk +het wezen der roman-gedeelten, waar zij zich bevonden, geweld aan. + +Ten tweede echter, kwamen de letterkundig deugdelijke deelen te berde, +die toch wegens onvoegzaamheid of onzedelijkheid moesten verwijderd +worden. Dit was eene verdrietelijke scheiding. + +Een roman als deze is evenwel niet een Geheel van dien aard, dat hij, +--gelijk een beeld of een muziekstuk wel--bedorven zoude worden door +de uitneming van enkel kleine stukken. + +Aangenomen dat deze roman goed werk zij en gegeven de noodzakelijkheid +eener keuze als de zoo even aangeduidde,--zoo moest die zich wel +vestigen op het behoud van zoveel mogelijk van het werk, dat anders +geheel verdonkeremaand ware gebleven. + + +Zomer 1899. L. VAN DEYSSEL. + + + + +EEN LIEFDE + + + + +I. + + +--Doe nou de deur maar dicht, kind, anders vat-je kou. + +Mathilde deed 't. Eerst draaide zij de onderste helft toe, daarna de +bovenste, sloot die af met een dikken sleutel en hing den sleutel aan +een haak, midden aan de bovenste helft der deur, waar Jans, de meid, hem +vinden zoû. + +Met éen sprongetje was Mathilde weêr bij haar vader, die, meer achter in +den gang, wachtte; zij stak haar arm door den zijnen en de twee wandelden +terug naar het zaaltje. Zij hadden met hun tweeën de menschen, die dien +avond bij hen geweest waren, uitgelaten. Terwijl de heer de Stuwen +opmerkingen maakte over kleine voorvalletjes van den avond, stapte zijn +dochter op hakken naast hem, en keek zij, het hoofd gebogen, naar de +punten harer schoenen. Zij zeî niet veel. + +--Toen 't zoo geanimeerd werd, dacht ik niet, dat ze zoo vroeg heen +zouden gaan. + +--Nee, antwoordde Mathilde, dat was wel vreemd. In-eens herinnerde de +vader zich iets, iets dat hem getroffen had. Hij glimlachte, de oogen +neêr, schalksch: + +--Heb-je wel gemerkt, hoe verlegen of mevrouw van Borselen werd en dat +z'n 'n eindje met haar stoel van Louis Berlage vandaan schoof, toen ie +die anekdote vertelde van die jonge weduwe, die zoo graag weêr trouwen +woû? + +--Nee, daar heb ik niet op gelet ... + +--Van Wilden was weêr op zijn beau dire van-avond. + +--Ja. + +Mathilde moest nu den arm loslaten, want de ingang van het zaaltje was +niet breed genoeg voor beiden te gelijk. Zij liet haar vader binnengaan, +met gedachteloze blikken over zijn rug. + +Het zaaltje, in de war, bepoeteld, kleverig, vol klamme glansen in het +dik-gele lamplicht, luwde een volle warmte over hun gezichten, +doorsiepeld van glacéhandschoenen-en punchgeurtjes. Door het éene +groote venster, dat op de binnenplaats uitkwam, frischte, als uit een +mond van den nacht, de buitenlucht er tegen in. De stoelen stonden, +links en rechts, in een onvriendelijke wanorde. Voete-kussens lagen over +den vloer, wild weggeschoven. + +Mathilde ging naar de piano, krabde een droppel vet, die, van de kaarsen +gedropen, op een zwarten toets was gestolten, aan poeyer, spreidde de +groenwollen lap over de toetsen, sloot de klep dicht en borg de bladen +muziek in het kastje daarnaast. + +--Ja, zeì haar vader, die, langzaam met zijn laag kaal hoofdje, aan de +tafel was gaan zitten om nog een half uurtje de krant te lezen en haar +bezig zag, je heb wezenlijk uitstekend gespeeld, die sonate, oneindig +beter als laatst. + +--Och, zeî ze, en blies meteen de kaarsen uit. + +Met een soort van drift liep zij nu door het vertrek en zette de stoelen +en het speeltafeltje op hun plaats. Zij schelde; daarna slofte de meid +binnen. + +--Jans, breng de glazen en die twee flesschen nog even naar de keuken. +En ook de kopjes, die op het buffet staan, dan is dát weêr in orde. + +Mathilde zette den bruinen tonvormigen tabakspot met het meerschuimen +pijpje bij haar vader en zeî hem in een zoen in zijn voorhoofdrimpels +goeye-nacht. + +--Maar, kindlief, 't is pas kwart voor elleve, ga je nou al na boven? +vroeg de oude heer, goedig opziend haar omhelzingsgebaren. + +--Ja, vader, ik heb een beetje hoofdpijn, en ik woû morgen vroeg opstaan +om wat te teekenen. + +--Nou, slaap wel dan. + +--Insgelijks, papaatje. Jans zal je goed sluiten, ook raam hier, en ga +jij dan ook maar naar bed, hoor! + +--Jawel, jufvrouw, weest u maar heel gerust. Nacht, jufvrouw. + +Geregeld elken avond werd deze aanbeveling gegeven en zoo beantwoord, nu +al vier jaar lang, sinds Mathilde van kostschool terug was. + +Mathilde holde naar boven, alsof er brand was. Daar bedacht zij iets, +en, van het eerste portaal, riep zij luid: + +--Vader! + +--Wat is 't? riep hij door de zaaldeur. + +--Blijft u nu ook niet al te lang op! Denk aan uw rheumatiek! + +--Nee, kind, ik kom over een kwartiertje. Wel te ruste! + +--De jufvrouw is zeker weêr een beetje bang, zeide Jans. + +--Misschien wel, antwoordde de Stuwen, en stopte zijn pijpje. + +Mathilde sliep op de tweede verdieping, boven haar vader, in een kamer +aan de straat, twee ramen breed. Zij had in de gauwigheid vergeten een +licht meê te nemen en bewoog zenuwachtig rond in de donkerte. Wat een +akelige, nare kamer ook! Waar waren nu de lucifers? zij behandtastte met +zoekende vingers de kastjes en tafels. Eindelijk vond zij ze en stak +gauw het gas aan. Hoe heerlijk toch dat gas, dacht zij. Gelukkig, dat +mijn kamer ook met gas is, want als ik een lamp had, zoo als op het +zaaltje, dan kwam ik daar zeker nooit meê klaar. Toen het gas óp was, +ging zij tegenover de tafel zitten, in-ééns, met een schok van haar +lichaam, op een der vier stoelen aan den wand. Zij staarde voor zich +uit, en liet haar oogen langs de planten-figuren van het tafelkleed +gaan; haar armen hingen loom langs de heupen neêr. Daar omtrilde haar de +koele nukkende nachtstilte. Waarom maakte zij zoo'n haast? ze wist het +niet. Zij keek naar rechts en zag dat de venstergordijnen nog niet +neêrgelaten waren. De blauwzwarte lucht boven de boomen langs den +wallenkant, onder de franje der gordijnen, scheen een door de punten der +franje getande donkere lap goed, van gouden vonken doorstikt. Mathilde +maakte het touw los en roef! roef! klapten de gordijnen neêr. Toen begon +zij zich uit te kleeden, zij nam den kam uit het haar, die haar toch al +gedurende den avond had gehinderd, en liet het dikke zwarte haar over +den rug heen en weêr zwieren. Zij was opgewonden, voelde zich koortsig. +Haar borst daalde en steeg onder het ritselend korset. Ring! met éen +ruk knoopte zij haar groenzijden lijf los, trok het korset af en gooide +het op zij. Ja, zoo kon zij toch niet naar bed gaan! Ze zoû nooit +slapen! Met haastige groote stappen de handen op den rug als een jongen, +begon ze te loopen, van de ramen naar de deur en weêr te-rug. Haar +schedel en handenpalmen zweetten van opgewondenheid. Haar bovenhoofd +werd warmer. Telkens wanneer zij de tafel en het licht achter zich had. +zag zij haar schaduw op de gordijnen en op de muur verschijnen, een +wilde, warrige, wemelende schaduw: een hoofd met haren in grilligen +kroes, rechtopsprietend en in kronkelende lijnen, als een ruiker +grashalmen zonder kunst op het veld samengebonden zich vermengend, en +een openhangend jak, met vagen schouder en taillevorm, als een breede +bewegende japansche vaas daaronder. Als zij naderde werd de schaduw +grooter en verloor hoe langer hoe meer haar eersten vorm. Zij kon niet +ophouden met er naar te kijken, zij vond dat aardig, veel aardiger dan +gisteren en eergisteren, toen ook de schaduw op het gordijn had +bewogen.. Zij had er nooit zoo erg op gelet. Zij kreeg de gedachte den +ruiker en de vaas van vorm te doen veranderen. Zij stak haar hand in het +haar en streek het nog hooger naar boven, zij strengelde den langen bos, +die over haar rug hing, om den hals of wierp alles naar boven en liet +het terug vallen op haar schouders en over haar gezicht. Zij had er veel +plezier in, zij lachte hardop. Zij nam haar jak bij de tippen en sloeg +zóo naar twee kanten uit, zij gaf het den schijn van vleugels en maakte +er de beweging van vliegen mede, met zoo een geweld, dat het garneersel +kraakte aan de schouders. Zij sprong in de hoogte en danste door het +vertrek. Zij kwam er toe een balletdanseres na te doen, bracht de armen +samen boven het hoofd en strekte ze dan weêr horizontaal uit. Zij nam +haar rokken op in de breedte en walste zoo rondom de tafel, en zij ging +maar voort en wist niet welke gebaren maar te verzinnen om voor zichzelf +de Chineesche-schim te vertoonen. Haar bewegingen werden grilliger en +ongerijmder: zij zwaaide met de vingers, deed haar kanten zakdoekje +wapperen, draaide op éen voet rond als een tol en was op het punt naar +haar korset te grijpen om voor tamboerijn te dienen bij haar dansen, +toen haar blik tegen den spiegel aankwam, aan den wand. Zij vond op-éens +dat zij dwaas deed, kwam tot bedaren, in een akelig-leêg gevoel, leî +haar handen naast elkaâr even over de borst en zakte hijgend op den +stoel van zoo-even neêr. Zij voelde zich weêr een jong kind zijn in haar +dolle vreugde. Onwetend wat te doen, stak zij, uitrustende, de haren +tusschen haar tanden, en onttrok ze weêr met geweld aan haar eigen +beten. En hijgend neuriede zij melodiën uit de _Juive_, die zij den +vorigen Dinsdagavond had gehoord. Zij bond de haren in stevige knoopen +aan elkaâr. Zij trappelde met de voeten op den vloer, al maar niet +wetend wat te doen van blijdschap. + +--Ja, ik ben twee en twintig jaar! joedelde zij, sprekend en zingend, en +dat vind ik heerlijk, verrukkelijk, hemelsch, en hij houdt van me, want +hij heeft t' van avond zelf gezeid, en wij zullen samen trouwen, zoo +gauw mogelijk, en dat vind ik zalig! ... + +Achter de kamer knapten de trappetreden onder Jans, die beneden alles +nog opgeredderd had, en nu ook naar bed ging. Mathilde waakte even op +uit haar mijmeren, met luisterende oogen. Een beetje bedremmeld en +aarzel-lachend keek zij in de rondte. De stappen van Jans stierven uit +op de verdieping daarboven. Mathilde hoorde, als heel uit de verte, Jans +haar kamertje dichtdoen en het knipje voor de deur schuiven. Daarna was +alles stil in huis. Mathilde pakte haar gloeyende wangen tusschen de +handen. Langzaam peuterde zij de knoopen uit de haren los en gooide ze +allemaal naar achteren. Zij hoorde niets meer dan het gezuis van de +gasvlam vóór haar. Zij dacht er aan dat haar vader ook al naar bed moest +zijn gegaan. Zij keek naar de zoldering en zag de zware schaduw van haar +ledikant. Zij vond, dat van-avond de dingen op haar kamer zoo vreemd en +koud waren als anders nooit. De tafel bewoog niet, de kasten zeiden +niets en de stoelen waren leêg. Er daalde een benauwde warmte van het +plafon neêr. Alles in de rondte, wat niet in den gas-schijn was, stond +in een rare donkerte. Mathilde zag onbekende zwarte hoekjes, en een +vreemd soort ruischende stilte wasemde daaruit op, naar haar toe. + +Zij kreeg 't warm, zij streek met haar zakdoek over het vochtige +voorhoofd en den klammen hals. Zij deed haar jak uit. Zij had pijn aan +haar linkervoet. Zij duwde haar schoen uit. Zij had lichtgroene kousen +aan, en kreeg onder het ledikant haar zwart-zijden pantoffels. Toen +sidderde het dunne bedgordijn. Mathilde had een kleine huivering. Ze +draaide het gas hooger. Langzaam ging ze naar de waschtafel. Haar wangen +waren purperrood, haar hoofd boog naar den linker schouder, de zware +zwarte haren bosten in glimmende kronkelingen over den half blooten rug. +In het hoofd klopte de wildheid van zoo-even na. Zij deed een beetje +Floridawater op den handdoek en bette haar gezicht ... + +O God, hij hield van haar! ... Zij was bang duizelig te worden, als ze er +erg aan dacht. Haar handen leunden op de kanten van de waschtafel, haar +blikken zweefden langzaam over de kom met water. Zuchtend zij er weêr +van daan en zag besluiteloos rond. Het gaslicht brandde flikkerend hoog. +Zij had 't erg warm. Zij haakte haar groenen rok, die met een haakje en +oogje op den rug vast zat, los, en liet hem over haar voeten uit +glijden, en hing hem op in een muurkast, waaruit zij meteen haar langen +licht-grijzen peignoir, met zwart-fluweelen kraag en mouwopslagen te +voorschijn kreeg. Zij leî dien op de tafel en bleef daarvóor staan in +haar korte witte rokken, waaronder de groene gladde kousen in de +vloerdonkerte op-stonden. Het haar, ver naar voren aan weêrszijde, +verborg haar oogomkastingen in een schaduw, waar de oogen als zwarte +seinlichtjes in uitschenen en klapten open en dicht. In elken blik zag +zij het geheel van haar kamer, met dezelfde kleuren en vormen als elken +avond. En toch scheen alles zoo vreemd. Er was als een bizonder en +ongekend leven in de meubels, die haar geen kwartier geleden nog zoo oud +en levenloos hadden omgeven. Een geheimzinnig suizen, iets, als +schemerde daar een onzichtbaar waas van de zoldering naar beneden om +langzaam weêr op te trekken en als zweefde er een zwartige wolkige massa +van de wanden uit naar voren, om, door de ruimte van het vertrek heen, +over het huisraad te dwalen en zich daarmeê te vermengen of op eens in +zich zelf te verdwijnen. Het scheen, dat er straks een gedaante zoû +opkomen, die iets te fluisteren had aan Mathildes oor en dat er een +vreemde wind langs het behangsel woei, die zijn naderen voorspelde. Dan +was 't, als of onbekende menschen of vreemde wezens langs onzichtbare +telegraafdraden, boven door de kamer, stilletjes elkaâr allerlei dingen +zeiden. Keek zij vóor zich, dan bewoog daar iets links achter haar, maar +stil en zacht, zonder vijandige bedoeling, en keek ze naar den hoek, +waaruit de beweging scheen te komen, dan bewoog er weêr iets vóor haar +heen en wilde zij zich overtuigen, dan was alles stil en stom als toen +ze pas binnenkwam. Zij dacht, dat zij niet wél was en deed haar hand +tegen haar voorhoofd, de haren wechstrijkend, zoo dat het volle licht +haar in de oogen schoot en zij alles in de rondte van een grijzige mist +zag omwasemd. En weêr dwarrelden er klanken van de zoldering omlaag. +Jozef, ... suist het, Jozef, ... Zij deed haar oogen toe en zag in haar +verbeelding dien naam, en altijd, altijd dien naam, in drukletters voor +haar. En wech was weêr de naam, en Jozef van Wilden zelf stond te voeten +uit vlak voor haar, hij naderde nog meer en drukte zich tegen haar aan, +zijn gezicht vastgedrukt aan haar gezicht, en zijn oogen blonken in haar +oogen, zoo dicht bij, dat zij de lichtblauwe tint van het wit dier oogen +onderscheidde en de klare groen-blauwe balletjes der appels haar oogen +schenen te raken. Daarna weken zij te-rug en leunde het mooye, blanke, +aan de slapen afgeronde voorhoofd aan het hare. Mathilde schudde de +verschijning van haar gezicht af. Zij opende haar oogleden en voelde +zich een beetje bang. Zij durfde niet goed meer rondzien. Weêr bewoog er +iets links en rechts. Wat kreunde daar achter het kastje? En zij zag een +nevel weêr door de kamer dansen. Zij keerde haar hoofd rechts af en +wrong de handen samen, in een beweging van beklemdheid voor het lijf +uitgestrekt. Het was, als tintelde een gevoel door het vertrek en deelde +zich aan al de omgeving mede, één enkel gevoel van opperste bevreemding, +éen voorspelling van een onuitsprekelijk groot en nieuw geluk. Daar zag +zij weêr in den spiegel en keek er zich zelf in aan. Zij deed er een +stapje op toe en zag zich als een witte pop in de kamer staan. Eerst +bekeek zij nu aandachtig de kamer, en was verwonderd haar in den spiegel +zoo heel anders te zien. Alles had hier het oude, gewone voorkomen, dat +van gisteren, dat van altijd. De wanden en het huisraad deden zich hier +bedaard en juist voor, wezenloos en zonder geluid. Dat was zonderling, +wat een rare spiegel! Haar gezicht was ook hetzelfde als altoos, alleen +maar bizonder, erg, al te erg verhit. Wat stond zij daar gek, waarom zag +ze er zoo verwilderd uit, waarom gloeide haar hoofd zoo, waarom stond ze +zoo naakt, in haar ondergoed? Waarom was ze niet naar bed gegaan? Waarom +had ze anders haar peignoir niet aangedaan? Waar was die? ... Op de +tafel. Langzaam stak ze haar armen door de slappe mouwen, de dunne stof +streek haar over de leden. De zwart fluweelen rand scheerde langs haar +warmen hals. 't Is verschrikkelijk warm! zeide ze in zich zelf. Het +kookte haar door de aderen. Met haar zakdoek wuifde zij koelte haar +wangen. Haar hart klopte gauw achter mekaâr. Nu gooide zij nog eens +gedachteloos een blik in den spiegel en zij zag het bibberig glansende +vernis, dat de borst van haar moeders portret aan den wand, links +tegenover het gaslicht, bedekte. Maar boven die schitterende plek +bemerkte Mathilde de droevig-ernstige gelaatstrekken. En zij dacht even +aan haar moeder. Zij had haar zoo weinig gekend! Zij was nog zóo jong, +toen haar moeder dood was gegaan! Suffend draaide Mathilde naar het +portret toe. Haar oogen bedroomden het vol onbewuste gedachten. Zij werd +bang voor die geschilderde droefheid, zij ging naar het venster en trok +het gordijn op. Haar koortsigheid was heviger. Tevergeefs probeerde ze +op haar eigen gemoed in te denken. Haar blik schuimde over haar +werktafeltje af, vóor het venster heen. Midden-tusschen uitgeknepen +waterverffleschjes en lange penceelen, een glas vuil geel water, waarin +roode wolkjes dwarrelden, een blikken doos, met lankwerpige en +afgesleten stukjes verf, een paar licht-bruine potlooden, een stuk +kleverig gommelastiek en smoezelige papieren, lag er een aquarel, die +nog afgemaakt moest worden. Plotseling bedacht Mathilde, dat zij dat +van-avond had willen doen. In een drift over haar vergeeterigheid, nam +ze de teekening en de penceelen op, om ze over de groote ronde tafel te +spreiden onder het snerpende gaslicht. Haastig ging zij zitten, maar hoe +ze er zich ook over bukte, hoe ze zich in de werkstemming trachtte te +brengen, het landschap, dat voor haar oogen lag, warrelde alsof er een +wemelend vlies over gespannen was. Zij kon maar niet tot rede komen. Zij +liet het teekenen weêr in den steek en nam een duitsch boek van het +boekerekje, om wat te lezen. Maar dit lukte ook niet. Zij liet het +boekje liggen. Het bonsde aan haar slapen. Haar hoofd was vol van de +dolste gedachten. Eindelijk nam ze een besluit. Ze zoû naar bed gaan, +beproeven in slaap te komen. Ze zoû de vensters, of ten minste éen, +openzetten, want het was een zoele Julinacht. Zij deed het raam open +door de kruk in 't midden éens rond te schuiven; zonder leven gingen de +twee glazen deurtjes open. Het werktafeltje werd naar achteren geduwd en +Mathilde ging op de vensterbank zitten, haar beenen over elkaâr, den arm +geleund op het zwart ijzeren hekje. En zij wendde het hoofd naar buiten +in de lauwe zomerlucht. + +Het was een stille, hooge nacht. In korte spelingen woei zoetjes de wind +door de trillende blaâren der boomen, vlak bij Mathilde aan den +wallenkant en deed de haarsprietjes dansen tegen haar voorhoofd, en +vlaagde de angst wech uit de kamer, voorbij het onrustig vlammende gas. +Een groote kalmte daalde in Mathildes gemoed. Onder de wijde verte van +den vonkel-krielenden hemel en boven den dorren klank der +vér-geruchtende stads-nachtgeluiden, voelde zij het vreemde geluk in +haar hersenen en hart, maar zonder angstige drift, zachtjes, zachtjes, +als een dauw van zaligheid. Mathilde zag rond: een glimlach zweefde +overal. De straatkeyen, in het lantaarnlicht, wiebelden teeder-grijs +heen, smetteloos samenoogend, blaârenschaduwen plasvlekten in doezelige +warrelingen over de bruingele klinkers. Als hooge kerkkaarsen stonden de +slanke lantaarnpalen met hun van boven rossig gekartelde lichtjes, met +geelwasemingen in de boomfestoenen. Het donker-groene water stroopte +golfloos zachtjes voorbij. Boven de boomen uit zag Mathilde de bovenste +ramen en de daken aan d'overkant. Aan éen venster was nog licht, een +onbewegelijk dof licht, achter het vuil-gele gordijn. Maar hooger +klommen Mathildes blikken, hoog boven de blauwige en bleekroode daken, +boven de driehoekige en ovale geveltoppen uit, wijd-uit-turend, als +zoekend, in de goud-doorstikt lichtende lucht. + +Heerlijk, dacht zij, het hoofd op de hand, heerlijk zoo in den nacht te +zitten kijken! Zij had de verhitting van haar slapen voelen wijken en +een groote blijdschap, rose, wit, licht-geel, was over haar +neêrgevallen. Ik blijf hier op mijn gemak nog een beetje denken, dacht +zij, het duurt nog lang eer het morgen is. Zij leî haar handen in den +schoot en boog het hoofd voren. Lange vlassige streepen zwart haar +vielen aan weêrszijde, onder haar ooren, langs haar hals tusschen haar +borst. Haar oogen waren neêr, om zich te herinneren wat er gebeurd was. +Mathildes rijtjes van lange oogharen, als kleine ragfijne waayers, +verwarmden tint der onderoogleden met hun schaduw; twee gestolten tranen +glinsterden haar oogen er tusschen. Zij had een bloederige roodheid aan +de oogranden en fel-roode lippen. Haar neusvleugels trilden, als zij +iets sterk verlangde. Zóo was zij, zoo had Jozef van Wilden haar dien +avond gezien, toen hij haar zijn liefdesverklaring maar had meenen te +moeten doen. Daar zat zij nu over te denken, hier aan 't venster. Zij +wilde zich volstrekt alles te binnen brengen, elken trek van zijn +gezicht, elken toon van zijn stem, toen hij haar die woorden had gezegd; +zij wilde voor de tweede maal, nu in gedachten, die zaligheid door +maken. En met veel zekerheid rees de herinnering in haar op. Het was +in het zaaltje, achter, waar ze altijd zaten, als ze menschen kregen, +haar vader en zij; het zal zoo wat tien uur zijn geweest. Jans was juist +voor de tweede maal met wijn rond geweest. Mevrouw van Borselen had al +iets gezongen, Ster en Jozef hadden al wat voorgedragen, toen zij +begreep, dat nu de beurt aan háar zoû komen. Wezenlijk had haar vader +haar op zijn gewone goedaardige manier aangezien en gezeid: Mathilde, +laat jij je nu niet eens hooren? en allemaal hadden ze er op +aangedrongen. Zij had zich een beetje zenuwachtig gevoeld, want Jozef +gaf taal noch teeken. Zoû hij er wat tegen hebben, dat ik speel, had zij +toen gedacht, dan zal ik juist vreeselijk mijn best doen. Wat zal 't +zijn? vroeg haar vader. Zonder een sekonde te aarzelen had zij erg +bedaard en erg moedig geandwoord: de _Sonate pathétique_, als u 't +permiteert. De woorden waren er uit; nu moest ze 't ook doen. Sints een +paar weken had zij de sonate wel alledag geoefend en de laatste drie +dagen zelfs vlug gespeeld, maar nog nooit had ze zoo'n moeyelijk stuk +ondernomen in gezelschap. Maar zij hield verschrikkelijk veel van de +sonate en dacht, dat zij 'm met gevoel speelde. Zoo had zij dan, terwijl +de kaarsen spattend knapten onder het wachtend zwijgen van de menschen, +zich naar het muziekkastje gebukt, er het dikke kajee uitgenomen en was, +heelemaal klaar voor den strijd, aan de piano gaan zitten. Inéens hoorde +zij nu eene beweging achter haar en zag zij Jozef van Wilden, die +stilletjes dichterbij kwam, zijn oogen, waarin het kaarslicht +terugflikkerde, op haar muziek gericht, zijn snor tusschen de tanden. +Mag ik de bladen omslaan? had hij gevraagd, met een rare stem. Heel +graag, had zij, bizonder koel, geandwoord. Er sijpelde iets kouds door +haar handen; zonder dat zij het wilde tikte een van d'r vingers neêr op +een zwarten toets en flauwtjes weêrklonk een angstig hooge toon. Maar +zij haalde krachtig adem en was zich meester. Zij was toen zonder +aarzelen maar begonnen. Naarmate zij vorderde, ging het beter. Zij +voelde zich gloeyen onder het spelen. Zuiver, zonder éen fout, had zij +het stuk voleind, zij was vuurrood geworden en transpireerde er van. En +onophoudelijk had zij Jozefs warme adem langs haar oor voelen gaan. Zij +had gemerkt, dat die al sneller en sneller werd, naar mate zij +gelukkiger speelde. Zij zag de bladen bibberen in zijn hand bij het +keeren; eindelijk had ze hem tranen hooren slikken, ja, zij had het +duidelijk gehoord, hij had gehoest om niet te laten merken dat ie +huilde. Het laatste blad had zij zelf moeten omslaan, want hij vergat 't +en zij wist toen niet eens meer of hij nog achter haar stond. Maar toen +ze de slotakkoorden had neêrgestoten in volle vuur, en ze, met een +zekere koude door de leden, opstond en zich met een "dankje wel" naar +Jozef keerde, toen had ze hem bleek en aangedaan zóo vlak achter haar +vinden staan, dat haar haren langs zijn wang scheerden, en, onder het +handgeklap en de bravo's van de menschen, had hij heel zachtjes tegen +haar gezeid, dat hij zooveel van haar hield. + +En als een geur, die haar verder den geheelen avond bijbleef, had zij +die klanken meêgedragen in heur haar. Het had haar geschenen, als hoorde +zij die stem voortdurend met eindelooze teederheid aan haar oor, als was +er iemant die telkens zeî: mag ik je iets zeggen, Thilde, ik houd +zooveel van je, onbegrijpelijk veel, en altijd, altijd inniger en +doordringender. Toen de avond afgelopen was en de menschen kort na +mekaâr afscheid namen en ook Jozef vader en haar goeyendag zeî, had ze +hem niet aan durven zien en flauw zijn hand gedrukt. Maar zijn woorden +zongen in haar ooren. Bij haar naar bovengaan dreunden zij haar na op de +trap, omklonken haar van alle kanten en bonsden in haar hoofd ... + +Eindelijk dan, eindelijk had hij het gezegd. Wèl had zij lang gewacht, +wel had ze hem honderdmaal, als hij bij haar vader een visite maakte en +zoo kalm zat te praten, schijnbaar onverschillig aangezien, met de vraag +in de keel, die zij hem toe had willen roepen: Waarom hoû-je niet van +mij, die zooveel houd van jou, en, wil je mij en mij alleen, zooals ik +jou en jou alleen wil, waarom zeg je 't dan niet, waarom laat je dan +niets merken? Wèl had zij 's nachts, als ze maar niet slapen kôn, aldoor +maar met verschrikkelijk veel verdriet aan hem liggen denken. Wèl was +ze, onder het zingen ineens gaan huilen en had zij zoo bleek gezien, dat +vader zich bezorgd had gemaakt aan het eten 's middags. Ja, wél lang had +zij gewacht ... + +En, terwijl de stad vóor haar voortnachtte en de uren duurden ruischend +om haar hoofd, herdacht Mathilde, met zich zelf heelemaal alleen, het +begin van haar liefde voor Jozef, het aangroeyen van die liefde, het tot +hartstocht worden, de dagen van hoop en de wanhoopsvlagen door die +stille liefde over haar gebracht. + +Buiten stemde de wind de boomen al zachter en zachter, het water in den +val beneden haar scheen bijna bewegingloos en in de verre hoogte waren +de sterren gestadig. + +Toen zij nog heel klein was, speelde Jozef wel met haar, als hij met +zijn vader en moeder bij hun aan huis kwam. Hij was al een groote jongen +met een jas aan, zoo als een heer. In 't begin had zij erg tegen hem +opgezien. Hij sprak altijd meê met de groote menschen, en eens, toen +zij, op haar twaalfde jaar, ook iets heel ernstigs in 't midden had +willen brengen, was háar gezegd zich stil te houden. Naar Jozef +daarentegen werd altijd geluisterd. Dit had haar een zekeren eerbied +voor hem gegeven, maar die toch al gauw minder werd door zijn +vriendelijke en alles vergevende gemeenzaamheid. Als zij samen aan den +gang waren, aan 't spreken en lachen of spelen, gedroeg hij zich als +haar gelijke en behandelde haar als een goede kameraad. Eens op een +buitenpartijtje, toen zij in den tuin van een uitspanning aan 't +schommelen waren en hij haar, hoe of ze ook tegenstribbelde, veel te +hoog opzette, was ze heelemaal duizelig geworden. Ze was gaan huilen, en +toen Jozef eindelijk den schommel tot stilstand bracht, had zij hem, in +haar drift, pardoes een klap in zijn gezicht gegeven. Een kwartier +later, toen zij bedaard was en inwendig al spijt had van haar handeling, +was hij naar haar toe gekomen om haar te vragen of zij nog boos was. Zij +had bedeesd van neen geknikt. Hierop hadden zij elkaâr afgezoend en was +er over niets meer gesproken. Dit voorval maakte, dat zij veel van Jozef +begon te houden. Ze vond 't zoo lief van hem, dat hij haar niet af had +geranseld, want hij was toch zooveel sterker dan zij. Uren lang kon hij +zich dan ook met haar bezighouden, naar haar poppespelen kijken, haar +goeden raad geven voor haar borduurwerk en pianospel, en nooit was hij +boos, wanneer ze hem met een slecht humeur antwoordde. Zoo als hij haar +van haar derde tot haar zesde jaar op zijn schoot nam, haar liefkoosde +en sprookjes vertelde, zoo als hij toen eens heur haren had gekamd op de +manier zoo als hij zeî dat de mooiste jonge jufvrouwtjes in de groote +stad Parijs hun kapsel droegen, zoo als hij haar prenteboeken meêbracht, +met veel prachtiger plaatjes, dan die zij van vader kreeg, en eens zelfs +een echt gouden halskettinkje, zóo, met denzelfden goedigen glimlach, +met hetzelfde gemak en geduld, met hetzelfde onverstoorbare goede +humeur, had hij ook belang gesteld in haar vermaken van toen zij wat +ouder werd, en zich naar haar veranderde pleizieren met dezelfde +welwillendheid geschikt. Van haar tiende tot haar dertiende bijna +veertiende jaar, had hij haar allerlei gezelschapsspelen geleerd, die +haar te pas konden komen, wanneer ze met vriendinnetjes was of met +groote menschen meêspeelde: kien, het ganzebord, het dominospel, van +alles maakte hij haar de fijnheden duidelijk en onderwees haar in die +handgrepen, die hij zelf had weten te ontdekken om zonder moeite te +winnen. Hij had uren achtereen met haar zitten schaken en dammen, want +zij hield van zulke spelen, en klapte in haar handen, wanneer hij haar +liet winnen, zoo als dikwijls gebeurde, dan omhelsde ze hem en had hem +nog liever dan vroeger. Zij herinnerde zich nog als den dag van +gisteren, hoe eens, toen Jozef op een avond zoo aandachtig naar haar +onbeteekenende eerste pianostudies had geluisterd en hij wel een uur en +drie kwartier vlak naast haar was blijven zitten en haar een middeltje +had geleerd om gemakkelijk de handen wijd uit te spreiden, waarna zij, +toen al een groote meid van twalef jaar, op zijn knie was gesprongen om +hem te bedanken,--het schoot haar te binnen, hoe toen haar vader haar +had verweten, dat zij meer hield van Jozef van Wilden dan van hemzelf, +haar eigen vader, en hoe zij misschien veel liever Jozef tot papa zoû +hebben gehad. Dit was wel, neen volstrekt niet, in 't geheel niet waar. +Zij had er zelfs nooit of nimmer aan gedacht, maar om dat Jozef zich +zooveel met haar bemoeide en altijd haar liefhebberijen raadde, en +altijd graâg deed wat zij ook grâag deed, om dat Jozefs leeftijd in alle +geval met de hare zooveel meer gelijk stond dan die van haar vader, om +dat Jozef nooit knorde, ja haar zelfs nooit ernstig onderhield, kende +zij Jozef eigenlijk beter dan zij en haar vader elkaâr kenden, waren zij +ten minste vanzelf schijnbaar vertrouwelijker met mekaâr. Vader las +koeranten, waar zij niets van begreep, rookte pijpen, waarvan de +tabaksrook haar naar maakte, vader sprak zelden met haar, of 't moest +zijn om haar kleine godsdienstige vermaningen te geven, die nog minder +indruk op haar maakten, om dat hij ze zelf alleen als opvoedingsmiddel +gebruikte en zij niet uit zijn hart kwamen, dat had zij later wel +begrepen; vader vond haar gebonk op de piano vervelend en vluchtte naar +boven als zij begon. Er kwamen wel eens heeren vader spreken en dan zeî +hij aan Mathilde van wech te gaan; dit vernederde haar altijd erg, en +zoo meer. Jozef daarentegen had ook b.v. belang gesteld in haar eerste +zelfgekozen toiletjes, de eerste uitingen van haar aanstaande +jonge-meisjes-ijdelheid had hij met ontzaglijk veel plezier begroet en +ze aangemoedigd. Hij was verrukt geweest te zien, hoe zij langzamerhand +groote-dames-neigingen begon te vertoonen en hoe, met het voller +uitkomen van haar lichaamsvormen, waar zij zelve zich toen nog ongerust +over maakte, zij ook een beetje nuffiger en eleganter werd. Hij had +verteld van zijn reizen, van de groote zalen vol prachtig gekleede +dames, die hij had gezien, van de wereld daar buiten, van bals en +konserten en komedies. Hij had haar bizonder mooye kostumen van +hoogaanzienlijke vrouwen beschreven, die hij in hun heele volledigheid +op had genomen. En elken dag waren zij betere vrienden. + +Maar toen Mathilde volwassen werd wijzigde zich langzamerhand hun +verhouding heelemaal. Mathilde vroeg zich te vergeefs af waar 't 'm aan +lag, zij wist geen oplossing te geven. Maar dagelijks verkoelde de +vurige vriendschap tusschen haar en Jozef. Hij werd stiller, lachte +minder, en er werd in 't geheel niet meer gestoeid. Ook tegenover hem +voelde zij zich verlegen worden, dit scheen nog het meest raadselachtige +van alles. Zonder er bij te denken was zij hem nog eenmaal, toen zij +samen over borduren hadden gesproken en hij een haar nieuw patroon aan +de hand had gedaan, met plotselinge aandrift zooals vroeger, op de +knieën gesprongen en had haar arm om zijn hals geslagen. Hij was daar +zoo verwonderd over geweest, dat hij niet geweten had wat te doen, en +zij, met een verschrikkelijke verlegenheid onder een voorwendsel uit de +kamer was gegaan en een wandelingetje was gaan doen. Uit instinkt +maakten zij, toen hij een paar dagen later 's avonds bij hun was +geweest, geen van tweeën een beweging om elkaâr een zoen te geven bij +het afscheid, zoo als anders. Daar had zij den halven nacht toen over +liggen denken. Twee maanden na deze gebeurtenissen, kondigde haar vader +haar aan, dat hij haar op een kostschool in België zoû doen. Zij ging, +en, zoo ver van hem wech, dacht zij nog maar weinig aan Jozef. Eens had +hij haar een lieven brief geschreven, dien zij kort had beantwoord en +met de onderteekening "uw dienstwillige vriendin en dienares". Daarop +had hij niets meer van zich laten hooren. Haar medeleerlingen op de +kostschool verhaalden Mathilde veel van heeren die hun 't hof maakten. +Ja, daar had ze in Amsterdam ook wel van geweten. Als ze uit school kwam +liepen haar altijd jongens achterna en zoenden haar en de andere +meisjes, maar nu begon zij dat heel anders in te zien. En plotseling was +'t haar in de gedachte komen, dat Jozefs doel misschien was geweest +later met haar te trouwen. Dit stuitte haar tegen de borst en gaf haar +een soort van afkeer tegen hem, zoo als hij leefde in haar herinnering. +In de vakanties maakte haar vader reisjes met haar; éens maar was zij in +Amsterdam geweest, en toen was juist Jozef op reis. Zoo was zij vier en +een half jaar wech gebleven. En bij haar terugkomst voorgoed, had zij +Jozef weêr dadelijk gezien, die haar vriendelijk groette en haar +jufvrouw noemde. Na haar terugkomst kwam Jozef weêr hoe langer hoe meer +bij hun aan huis en uit de gewoonte van elkaâr twee, toen drie, toen +viermaal in de week geregeld te ontmoeten, was er langzamerhand weêr een +vriendschap ontstaan. Zij had hem teruggezien bijna net zoo als zij hem +vroeger had gekend. Alleen was zijn snor dikker en mooyer geworden en +waren er lichte kringen onder zijn oogen gekomen, die alleen merkbaar +werden, als hij van vermoeyenis sprak. + +Het was nu in deze jaren dat zij er zich hoofdzakelijk op toelegde het +huis voor haar vader zoo aangenaam en gezellig mogelijk te maken. Wat +haar bij haar vader vroeger tegen had gestaan, nam haar nu in. Zij +verzorgde hem, trachtte zich in te wijden in zijn liefhebberijen en +gewoonten, las de koeranten, en sprak over politiek. Zijn rooken vond +zij pleizierig, zij lette op alles en vervroolijkte zijn leven, door +haar pianospel en andere dingen. Zij had groote vorderingen gemaakt en +hij luisterde er graâg naar. Zij had geen vriendinnen, zooals dat veelal +gaat met meisjes die naar 't buitenland op kostschool zijn geweest. Die +van haar scholen in de stad vroeger, kende zij niet meer, met de +Belgische van de kostschool kon ze alleen korrespondentie onderhouden. +Alleen bij mevrouw Berlage, een oude vriendin van haar vader, maakte zij +wel eens een visitie, maar aan Emilie Hartse, een wees, het kennisje, +dat ook wel bij de Stuwen aan huis kwam, had Mathilde een hekel, om +Emilies geaffecteerd karakter. Dus was de persoon, waarmeê zij omging +naast haar vader, Jozef van Wilden alleen. Een heelen tijd bleef zij +"mijnheer" en hij "jufvrouw" zeggen, totdat haar vader zelf daaraan een +eind had gemaakt, omdat hij 't gek vond onder jongelieden die mekaâr zoo +dikwijls zagen. + +Onmerkbaar had Mathilde zich weêr tot den innemenden, beminnelijk +zachten en toch mannelijken, goed belezen met veel smaak en oordeel +pratenden man, dien zij Jozef noemde, aangetrokken gevoeld. Na een jaar +werd zij zich bewust, dat ze hem liefhad. Zij dacht dikwijls aan hem, +als ze alleen was, ze was blij als hij binnenkwam, vooral als bij haar +hartstochtelijk pianospel, en dit gebeurde dikwijls, zijn oogen geen +sekonde van haar afgingen. Het begon een genot voor haar te worden, +wanneer haar hand de zijne aanraakte, bij het goeyendag zeggen of het +aangeven van een kopje thee, of wanneer zij samen muziek doorbladerden. +Zij begon het een pleizierige gewaarwording te vinden als haar japon +over zijn voeten gleed, bij 't passeeren, als de weêrspannige haartjes +van zijn hoofd langs haar schouders wiebelden, wanneer zij samen over +een boek of teekening stonden gebukt. Want zij was druk aan 't teekenen +gegaan, ook door hem daartoe aangezet. Zij had 't in België goed geleerd +en zij scheen er wel talent voor te hebben, meende hij. + +Toen er nog een jaar was verloopen, begon ze in ernst over haar toekomst +na te denken, en bracht in haar gedachte hem daar altijd bij te pas. Zij +begon bepaald op hem te wachten, en als tweede helft van haar geheel +naar hem uit te zien, naar de woorden van liefde die hij eens moest +uitspreken, zij wist 't, en die ze hem wel van de lippen had willen +drukken. Zij kreeg aanvallen van jaloezie. Zij begon er over te denken +of hij ook misschien van een andere vrouw zoû houden. Zij was ongerust +en probeerde om aan zijn oogen te zien of er iets van waar was. + +Zoo waren de zaken geloopen tot zoowat een maand geleden. Toen was +Mathilde opéens heel ongelukkig geworden. Jozef had, zonder dat er ooit +te voren sprake van was geweest gezegd, dat hij van plan was een groote +reis te doen, voor zaken. En werkelijk, twee dagen later was hij naar +Frankrijk gegaan. Hij had niet kunnen zeggen, wanneer hij waarschijnlijk +terug zoû zijn. Mathilde huiverde in haar eenzaamheid. Zij drong zich +zelf op, dat 't niet zoo erg was, dat hij na een week of zes hoogstens +uit het buitenland terug zoû komen, en de zaken dan nog 't zelfde zouden +staan als nu. Wat had die reis te beteekenen? Even goed dan als nu kon +hij haar immers zijn liefdesverklaring doen, al had hij er tot nu toe +nog nooit op gezinspeeld? Dacht hij er niet aan haar te vragen om zijn +vrouw te worden, dan moest zijn afwezigheid haar eindelijk heel +onverschillig wezen, hield hij wél van haar zoo als zij het zoo zeker +hoopte, dan zoû die liefde in zoo'n korten tijd ook niet wechgaan, en +had zij nog alles te verwachten. Maar, wat haar verstand ook te berde +bracht en hoe ongerijmd zij het zelf vond, zij huilde in haar +verlatenheid en zij voelde zich verschrikkelijk alleen, nu ze hem niet +meer zien en hooren kon. Zij dacht, dat hij nu eeuwig wech zoû blijven, +en vooral het idee dat hij van een vrouw of meisje in het buitenland zoû +gaan houden en hij haar ontrouw zoû worden, maakte haar doodelijk +ongerust. Maar, hij was nog geen drie weken op reis, of zij, ja zij, +kreeg, buiten alle verwachting, een brief van hem, waarin hij haar +vertelde dat hij in Brussel en Parijs was geweest en wat hij daar had +gedaan. En hierbij maakte hij toespelingen op de reisverhalen, die hij +haar zo lang geleden als kind had gedaan. Hij sprak ook heel beleefd van +zijne eenzaamheid, en verklaarde, dat hij 't onmogelijk lang zoû kunnen +uithouden, ver van de lieve woning der familie de Stuwen, waar hij zulke +heerlijke uren had doorgebracht, vooral in 't gezelschap van zijn +allerliefste vriendin. De brief was erg beleefd, maar Mathilde wist er +zoo een verborgen liefde in te ontdekken, dat hij haar bizonder goed +deed en zij hem niet aan haar vader liet zien. Zij antwoordde een paar +dagen later, en tot haar zalige verbazing stond Jozef weêr twee dagen na +de afzending van het antwoord, in levenden lijve vóor haar, met zijn +fraayen knevel en lieve handen. Er was niets ongewoons aan hem te zien. + +Dit was eergisteren geweest. En nu, van-avond, kwam het tot eene +verklaring. Al die dingen uit haar jeugd en van de laatste jaren, +herinnerde Mathilde zich levendig. Wat een goddelijke gewaarwording was +'t nu, terwijl alles zoo zacht en stil was om haar heen, in dezen +zomernacht, aan de angsten en narigheden van vroeger te denken. Al die +treurige donkere uren, waarin zij zonder hoop was, al die +teleurstellingen en niet uitkomende verwachtingen, al die zuchten en +tranen, gingen nu óp in één juichende vreugde vol glorie en licht. Weêr +droomde Mathilde zich wech in wat van avond aan de piano was gebeurd. +Weêr en nog eens weêr liet zij het Jozef zeggen, dat hij zooveel, zóo +véel van haar hield, weêr voelde zij zijn adem langs hals gaan; zij +merkte dat haar hart zoo vol was, als het maar zijn kon, dat het +overliep, dat het geluk haar overstroomde. Zij had een behoefte om iets +te zeggen. Er drukte haar iets daar van binnen, dat zij niet omvatten +kon. Het klom haar tot hoog in de keel, het zwierde als een kramp door +haar vingers, het moest er uit, zij wilde het roepen tegen iedereen, zij +wilde het uitzingen aan de ooren van alle menschen die er in Amsterdam +leefden en die begrepen, wat geluk was. + +Zij stond op voor het open venster, en, over het ijzeren hekje leunend, +keek zij naar de straat beneden. Over de brug, die zij rechts in de +schuinte zag, stapte haastig een man voort, een heer, den kraag van zijn +overjas opgeslagen, want hij scheen het koud te hebben in Juli. Mathilde +kwam op de gedachte, dat het Jozef wel kon zijn, die nog eens voorbij +haar wilde gaan, om te zien of zij sliep of óp was. Zij bukte zich +gevaarlijk ver over het hekje om te kunnen onverscheiden. Maar zonder +dat ook maar het open venster een oogenblik zijn aandacht trok, liep de +meneer snel voort en verdween in de straat. Mathilde keek nu langs de +gevels en stoepen der huizen onder haar en aan d' overkant. Misschien +was Jozef wel ergens verscholen om dichtbij haar te zijn. Zij zag iets +zwarts, daar, links bij een kelderdeur. Maar neen, het waren stukken +hout, die daar opgestapeld lagen. Ze keek voor niets, alles was stil en +zonder menschen. Zij keek in de boomen, en elke opening, en elk +bladerenvak nam zijn gestalte aan. Overal lachte de schaduw van haar +mooyen Jozef haar tegen. Zoo duidelijk gonsde zijn stem om haar heen en +zoo dringend wenkten zijn armen uit de takken, dat zij er bang voor +werd. Langzamerhand was er een frischheid gekomen in de roerloosheid van +den nacht. En heel even schemerde er een vage, dof-witte glans tusschen +een spleet der daken, in het oosten, voor haar uit, midden boven de +zwartheid der huizen in de Hoogstraat. Maar Mathilde zag het niet. Zij +liet haar blikken weder langs de lantaarns gaan en telde de lichtjes. +Zij kon maar niet tot een eind komen. Zij zag de vlammetjes na de +vlammetjes komen en weêr anderen, en weêr anderen in de verte, zij zag +er meer en altijd meer. Zij brandden groen, kallem op, als bloemen van +vuur. Mathilde zag tot aan de uiterste lantaarn zij zag dóor tot aan den +horizont en, achter den laatsten gasvlam, een beetje hooger, gloeiden de +sterren aan den dalenden hemel. Mathilde telde de sterren, een voor een, +en haar oogen sponnen stralen van de eene groep overzwervend in de +andere, en altijd voort, over de heele luchtvlakte. Al die blauwzilveren +en roodgouden stralende sterren van de donkerblauwe lucht dalend op haar +hoofd, waren éen kleur en éen geflonker met haar ziel. In blinkende +kringen, in warrelingen van zilverend blauw en goudend rood en lichtend +groen dansten zij den rijdans van haar liefde. Maar Mathildes droomen +kwijnden in een duizeling. Zij zag niets als goud en zilver. Een +wemelende regen van helle vonken draaide er dooreen. Daalde haar blik +tot de boomen, dan zag zij de sterren nog onder de takken, door de +takken, overal in de rondte. En het gaslicht vlamde hoog daar tusschen +door. En al heviger werd het vuur. Alles kwam samen en tintelde wech in +elkaâr. Er was een val van diamanten in een geel en roode vlammenzee. +Toen, zich wechdenkend in dat visioen, tegenover dien hemel van goud, +die daar brandde, rees het woord op uit de diepste diepte van haar +gemoed, toen zeide zij aan de vlammende ruimte vóor haar, haar geheim, +en, de handen naar voren om te danken, zeî zij hardop: O God, o God, wat +ben ik gelukkig! + +Een grijs licht steeg in de rondte, de huizen schemerden droevig. +Mathilde, door de koelte verrast, deed haar ramen dicht. Zij kleedde +zich gauw verder uit en sliep kalm in op haar witte kussen. De brief van +Jozef, dien zij op haar borst droeg, stak hoog uit haar nachthemd op. + +En boven de huizen rees buiten een mooye dag, zonder wolken en zonder +wind. + + + + +II. + + +Een week later, in een zon-doorsijpelden ochtend om half tien, stond +Mathilde in de voorkamer, haar rug naar de straat, voor de kleine ronde +tafel met een half-vuil servetje, waaraan ze ontbeten hadden, de +blauw-gebloemde kopjes om te wasschen, terwijl haar vader, als naar +gewoonte, zijn morgenwandeling was gaan doen. Zij had een grijs +japonnetje aan, tot op den grond, zonder sleep, met smal zwart fluweel +lint afgezet, en dat in een eenvoudig plooisel haar hals omsloot, nog +een oude jurk van haar laatste kostschooljaar; die zij nu verder +versleet, als ze stil alleen thuis was. Haar zwarte haar, met een +scheiding in 't midden, hing in twee gordijntjes over haar voorhoofd, +boven de ooren heen van achteren opgehouden in een knoetje. Aan +weêrszijde sluikten vóor de ooren korte vlosjes vlassig naar beneden, +die de breedte der wangen braken. Maar een onrust drukte haar lippen +tegen elkaâr en schaduwde aan de mondhoeken. De wenkbrauwen waren een +beetje naar het midden boven den neus getrokken en haar oogen gingen met +een ongewonen ernst en aandacht van het eene kopje naar het andere. + +Zij had verschillende redenen om niet op haar gemak te zijn. Zij had +veel nagedacht na dien laatsten avond vol geluk. Er waren wijze maar +nare bedenkingen bij haar opgekomen ... Maar vooral kon zij zich niet +begrijpen, dat Jozef niets meer van zich had laten hooren. Hij had zich +in 't geheel niet meer vertoond, dit maakte haar bijna angstig. Waarom +zoû dat zijn? Hij kwam anders altijd ten minste tweemaal in de week eens +aan. Dit was dermate regel geworden, dat haar vader zich óok over zijn +wechblijven had verwonderd. Toen zij den eersten morgen na zijn +liefdesverklaring was wakker geworden, had zij gedacht, dat alles nu van +zelf goed zoû gaan. Zij had volstrekt aan de moeyelijkheden niet +gedacht. De behoefte aan de verwezenlijking van wat zij hoopte gaf haar +een vaag gevoel, een onberedeneerde zekerheid, dat de zaken verder +uitnemend moesten loopen. En daar gaf Jozef nu taal noch teeken. +Allerlei ideeën had zij nu daarover. Eerst vroeg zij zich af, of het +niet aan háar was den tweeden stap te doen, of hij niet wachtte op een +andwoord, rekenende zijn vraag te hebben gesteld, op een geschreven +bericht. Zoo-wat een uur lang was zij er zeker van, dat dit zoo het +gebruik was, en zij wilde haar map al krijgen om te schrijven. Maar in +éens viel 't haar in, dat 't heel goed mogelijk kon zijn, dat zij zich +totaal vergiste, dat Jozef in 't geheel nog niet gedacht had haar ten +huwelijk te vragen of zoo iets, dat zijn gevoel hem alleen was ontsnapt, +en hij misschien zich juist niet meer durfde te laten zien, om dat hij +verlegen was met zijn voorbarigheid en met den onberaden stap, dien hij +had gedaan. Ja, misschien was 't volstrekt zijn plan niet haar te +trouwen, en wilde hij een rijker meisje hebben. + +Het vraagstuk van het geld bleef haar nu voortdurend bezighouden. Al +meer dan éens in de laatste dagen, had zij haar vader naar een staat van +haar bruidschat willen vragen. Maar telkens had zij niet goed gedurfd; +zij kon zich over haar liefde tegen haar vader nog maar niet uitlaten. +Het vraagstuk van het geld werd ook weêr van minder belang door een +ander idee; Jozef's liefde stond namelijk natuurlijk te hoog om zich met +dergelijke beuzelarijen in te laten. Liefde voor iemant anders kon 't +toch ook eigenlijk niet wezen, die maakte dat Jozef nu zoo op zich liet +wachten, dáarvoor waren zijn woorden te gemeend geweest, dát had zij wel +gemerkt. Maar toch, juist omdat zij hem zoo een schitterende +persoonlijkheid vond, die ook voor zijn uiterlijk niet weinig zorgde en +heelemaal wel een beetje een wereldsch voorkomen had, kon 't best zijn, +dat er nog iets tusschen Jozef en andere vrouwen bestond. Mathilde had +daar een heel duistere voorstelling van. Zij was nooit ingewijd geweest +in de verboden praatjes van haar medeleerlingen op de kostschool. Zij +was altijd onder de oppassende kinderen geweest, en hier in de stad had +zij in het stille vaderlijk huis, met zoo weinig omgang en waar zoo +weinig vreemden kwamen, ook al niets gehoord. Haar hoofd schuin voorover +gebogen, een oude houding van haar, waardoor haar hals zich onder de kin +plooide, terwijl zij met de lange slanke vingers de blauw gebloemde +theekopjes in het lauwe water liet drijven en dansen en ze met een klank +als van dorpsklokgelui in de verte, tegen de wanden der porseleinen +omwaschkom aanschommelden, voelde zij zich van een groote langzaamheid +en lauwheid doordringen. Zij vond het plezierig te kijken zonder te +zien; de theedoek, met een bleekrood randje afgezet, hing slapjes over +haar arm. En in nevelige beelden zag zij inwendig vreemdsoortige +vrouwenfiguren opdoemen, de eene met een eeuwigen gouden glimlach om den +mond, de andere met een onverwelkbaren vreeselijk grooten bloemruiker +aan den boezem, weêr anderen van een ongekende zwier en statie, met +roode haren van vuur die tot ver over de purper-satijnen sleepen van hun +kleed vielen, met oogen van diamanten. Allen waren om Jozef heen en +wilden hem met zich meênemen. Zij waren allen op hem verliefd. En hij +stond te midden van hen, aarzelende. Dat waren de "slechte vrouwen" van +de wereld, die Mathilde in haar droom van den laatsten nacht had gezien. +Dit was de eenige manier waarop haar vage jaloezie voor den dag kwam. +Mathilde had iets duivelachtigs in den reuzenlach dier vrouwen gezien en +zij wilde dat Jozef naar háar kijken zoû en zij probeerde te glimlachen +met een liefde zoo groot, dat zij triomfeerde en Jozef naar haar toe kwam. + +En zij glimlachte werkelijk, want zij zag hem weêr vlak voor haar, en +zij kwam tot bezinning. Haar nare gedachten gingen wech. Haar liefde +verontschuldigde hem dadelijk en opperde alleen veronderstellingen, die +in haar voordeel waren. Hij bleef misschien wech, om dat hij van +aandoening over wat hij gezegd had ongesteld was geworden, misschien ook +had hij weêr ineens op reis gemoeten, of, wat ook mogelijk was, er +ontbrak misschien 't een of ander aan zijn uiterlijk, dat wilde laten +herstellen vóor hij Mathilde andwoord kwam vragen, in de gedachte dat +zij dan liever zoû wezen. Om dat zij in zijn plaats daar precies zoo meê +gehandeld zoû hebben, kwam deze gedachte van koketterie haar het +waarschijnlijkst voor en bleef zij er aan vasthouden. Zij ging nu na, of +alles niet heelemaal in orde was geweest aan zijn gezicht, handen en +kleêren, den laatsten avond. En zij bleef lang hieraan denken, daar zij, +zonder het zich zelve toe te geven, op deze manier de gelegenheid had, +om zijn uiterlijk, daar zij zooveel van hield, tot in kleinigheden na te +gaan. Zoû hij wachten tot zijn haar weêr wat langer was, wetende, dat +dit hem beter stond, of moesten zijn knevels weêr zoo lang worden, als +toen hij pas van de reis te-rug was? Zijn wangen, zijn voorhoofd en +oogen, waar maar geen schrampje, dat eerst zoû moeten herstellen, aan te +bekennen viel, werden onderzocht. Mathilde dacht zelfs over de nagels +van zijn vingers, en kwam toen plotseling op het idee, dat hij een nieuw +pak wachtte, waarover zij samen hadden gesproken een paar dagen geleden +en dat hij van die donkergroene stof zoû laten maken, die Mathilde vond +dat hem zoo goed stond. + +Maar op die manier kwam Mathilde niets vooruit. Jans slofte binnen, en +samen borgen zij het ontbijtgoed wech, door den gang, in een muurkast en +in een laag buffetje in de achterkamer. Jans zeî, dat 't vandaag mooi +weêr was, maar erg warm op straat. Verder beklaagde zij zich over den +bakker, die het fransche broodje voor meneer van-morgen weêr had vergeten, +zoo dat Jans zelf het in de buurt had moeten halen. + +U is te lichtzinnig in uw oordeel, had een jaar of drie geleden de oude +heer Berlage eens tegen Jozef gezegd, toen ze een heel ernstig gesprek +over staatszaken hadden en de diskussie een beetje hoog was geloopen. +Dit woord had Mathilde toen in haar oor geknoopt, onwillekeurig was 't +haar bijgebleven. Ook nu schoot 't haar, zonder de minste aanleiding, +weêr te binnen. En zij dacht in éens, dat Jozef wel een heel +onstandvastig en luchtig karakter kon hebben. En als ze dan eens met hem +trouwde, en eens heel ongelukkig werd? o, ongelukkig, ongelukkig met +hem? Nee, dat was volstrekt onmogelijk! Maar 't was toch een heel iets, +zoo voor je heele leven. Juist heerlijk, dat 't zoo lang duurde, daar 't +toch met hém was! Maar waarom bleef hij dan nu ook zoo lang wech? ... Er +kwam nog iets bij. Het was een groote kwestie of vader dit alles maar +zoo goed zoû vinden. Wanneer zij samen alleen zaten, had hij wel eens +over haar huwelijk gesproken, en hij had er altijd op gedrukt, dat 't +zoo plezierig voor hen allebêi was nog een heden tijd met mekaâr te +kunnen leven, want, zeî hij, als hij over een jaar of tien stierf, was +zij nog altijd jong genoeg om een goeye partij te doen ... En nu woû zij +zoo ontzettend graâg zoo dadelijk mogelijk met Jozef trouwen. O, zij +verlangde zoo naar hem. + +Zij ging voor het venster zitten met een borduurwerk, tegen de dagorde +in, want boven stond nog een heele bak met schoon linnengoed, dat +geborgen moest worden. Maar zij verwachtte Jozef iedere minuut. Telkens, +wanneer er iemant voorbijliep, keek ze op. Zij wilde niet gaan uit +zitten kijken in de richting, waar hij vandaan moest komen. Dit had zij +eergisteren bijna gedaan, maar ze was er gauw meê uitgescheiden, want +dit zoû al te vleyend voor hem zijn. Maar in de schuinte, terwijl haar +handen aan het borduurwerk bleven bewegen, liet zij haar blikken, half +wech schuilend achter de oogharen, over de straat gaan. Hoe of zij het +ook hoopte, toch was zij zenuwachtig beangst, dat hij komen zoû. +Tusschenbeide stond zij op en liep haastig het vertrek op en neêr, en +leî de handen voor zich uit tegen het behangsel, als om aan den wand te +vragen wat hij zeggen zoû en wat zij andwoorden. En ging dan plotseling +weêr zitten, zich dwingende om kalm te werken. + +Daar werd gehoest op straat vlak bij het venster. Schichtig keek +Mathilde op. 't Was Jozef, doodeenvoudig. Hij stond met een hoogen +glimmenden, prachtig glad gestreken hoed op, voor de deur en schelde. +Zijn zakdoek, met een rood randje, wapperde in den wind vóor zijn +gezicht. Hij stond met zijn rug naar het huis toe. Hij had Mathilde +stellig zien zitten en durfde uit verlegenheid niet naar binnen kijken. +Jans kwam aansloffen uit de keuken. Mathilde was met woede gaan +borduren. Alsof zij in den sneltrein zat en een andere sneltrein reed +dien voorbij, zóo snel en zoo ratelend gleed haar plotseling het idee +door de hersens om "niet thuis" te geven. En met een wreede blijdschap, +die geen sekonde duurde, dacht zij, hoe zij in dit oogenblik hem +misschien voor altijd van haar zoû kunnen vervreemden, door Jans "niet +thuis" te laten zeggen, nu hij haar al moest hebben gezien. Jans deed in +dien tijd de voordeur open. Mathilde had in een bibberende kalmte haar +werk in de vensterbank gelegd en was opgestaan, niet wetende wat te +doen. Zij werd rood en bleek en verschrikkelijk zenuwachtig, zij voelde +haar mond droog worden. Er steeg een kramp op uit haar maag tot boven in +de keel. Zij liep tot vlak bij de deur, die op een kier stond, om te +luisteren. Zij hoorde alles wat er gesproken werd, en toch scheen 't +haar, als hoorde zij niets; als een dof gebrom uit de verte klonken de +woorden, die Jozef en Jans zeiden. De adertjes aan haar slapen zwollen +tot fijne dofblauwe slangetjes; met een open mond, en haar handen in een +zenuwachtige beweging uitgestrekt naar achteren, het hoofd naar voren +gebogen, luisterde zij, terwijl haar oogen rood werden. Daarna werd zij +heel erg bleek en begon geducht over haar heele lichaam te beven, want +Jozef klopte op de deur. Heel zachtjes, heel zachtjes zeide zij +"binnen!" Met een driftigen stoot deed Jozef de deur open en weêr +dadelijk achter zich toe. Hij had geen handschoenen aan. Hij was óok +bleek en zijn oogleden sidderden. Hij zag Mathilde strak aan, zonder een +woord te zeggen. Zij had haar oogen neêrgedaan. Maar langzaam, met een +instinkmatige beweging, strekte zij haar armen half uit in de richting, +waar hij stond. Hij, dat ziende, zette haastig zijn hoed op de tafel, +die er afviel en over den vloer rolde, hij nam haar twee kouwige handen, +en trok haar zoo naar zich toe. Zij kwam zachtjes dichterbij. Toen hun +hoofden vlak bij elkaâr waren, keek Mathilde hem aan. Hun blikken gingen +in elkaâr. Zoo gaf Mathilde zich. In onbewuste beweging, kwam zij met +haar mond naar voren. Hij boog zich een beetje en zij zoenden elkaâr +lang, voor het eerst. Verwonderd over zich zelf, beschaamd, en hevig +aangedaan, huilde Mathilde nu, haar gezicht tegen zijn jas. Zij hadden +nog altijd niets gezegd. Jozef kreeg zijn batisten zakdoekje uit zijn +borstzak en droogde er zoowat haar tranen meê wech. Maar zij keerde zich +af, zij snikte stilletjes en bij langere tusschenpoozen; zij ging achter +in de kamer zitten, haar zakdoek voor de oogen. Jozef veegde zijn +gezicht af, keek naar zijn hoed om, raapte hem op, zette hem op een +stoel en schikte zijn zakdoekje in zijn borstzak. Toen wist hij +volstrekt niet meer wat te doen. Hij ging dus voor den spiegel staan en +peuterde aan zijn gekleurde das. Mathilde was weêr opgestaan, bleek, +maar tot bedaren gekomen. En zij vroeg, als dorst ze over hun liefde nog +niet te spreken, terwijl ze hem met nog natte oogen aanzag: + +--Weê-je ook iets drinken, Jozef? + +Hij, verwonderd over die vraag, andwoordde: + +--Nee, dank-je, het is nog zoo vroeg. + +Hij draaide zich naar haar toe, greep haar van achteren bij de armen zoo +dat zij met haar schouder tegen zijn borst kwam te staan. Hij behandelde +haar weêr als een klein meisje. Vroeger, vóor zij naar het kostsschool +was gegaan, hadden zij honderderd maal zoo gestaan. Hij boog zijn hoofd +tot naast het hare. Haar haren gingen langs zijn kin. + +--Je bent toch niet boos? vroeg hij, ik kon het niet langer inhouden. + +--Wat bedoel je? fluisterde zij. + +Wat ik verleden week bij de piano heb gezeid. Zij keek hem aan met +lachen en huilen om haar mond heen. Toen keek zij weêr voor zich en zeî: +Nee, ik ben niet boos. + +Hij zoende haar voorhoofd en liet haar los. + +--Mag ik nou nog wel hier blijven, nou je vader d'r niet is? Vroeg hij +weêr. + +--Vader mag er niets van weten. + +--Waarom niet? + +--Zij waren naast elkaâr op twee stoelen aan den wand gaan zitten, om te +praten. Het was bizonder licht en levendig in de kamer: een heldere dag. +Mathilde leì aan Jozef uit, hoe ze vooreerst niets van aan haar vader +zoû durven zeggen, want dat 't hem treffen zoû als een onverwachte slag. +Zij, zijn dochter, was zijn eenig gezelschap, zijn eenige steun, het +eenige, wat hij nog in zijn leven had. En nu begreep zij zelf heel goed, +dat hij niets graâg van haar scheiden zoû. Jozef moest dat ook inzien. +Zij zouden 't best doen met vooreerst te wachten, tot er zich van zelf +een gelegenheid zoû voordoen, om van hun plannen te spreken. Jozef had +haar handen in de zijnen genomen. Toen zij uitgesproken had, zeide hij +alleen: Thilde, wij zijn voor mekaâr gemaakt. Als om met haar volle +verstand er bij te zijn, zag zij nu klaar in zijn oogen, en antwoordde +bedaard: Ik hoû zôoveel van je, zôoveel, dat ik zonder jou nooit zoû +kunnen leven. Hij glimlachte en zoende haar handen. + +--Kom nog een beetje dichter bij me zitten, zeî hij, zijn arm om haar +hals leggend. Zij deed 't, haar hoofd gleed langs zijn schouder tot half +onder zijn kin. Zij zag naar hem op, en zij spraken verder, haar twee +handen steunden op zijn mooye linkerhand. Hij merkte, dat zij zich +heelemaal aan hem gegeven had en keek voortdurend op haar neêr, met een +vriendelijk gemak, zich nu al zeer thuis voelend in de nieuwe verhouding. +Mathilde verwonderde zich, dat wat daarzoo gebeurd was zoo eenvoudig in +zijn werk was gegaan. Zij voelde zich nu heerlijk rustig. + +--Zou 't dus nog lang moeten duren? vroeg hij, wij zijn al zóolang voor +mekaâr bestemd. Zij meende van ja, zij wist volstrekt geen middelen om +haar vader aan de gedachte van een scheiding te wennen. + +--Al duurt 't nu ook nog een tijdje, we zullen toch erg gelukkig zijn, +en we, ten minste ik, ik ben het nu al, zeî ze zachtjes. Zij maakte +meteen een knoop van zijn vest dicht, die los was gegaan, en schrok +daarbij van wat ze deed. + +--Ja, maar ik niet, andwoordde hij, of liever, ik zoû nog veel +gelukkiger worden dán ... Mathilde hield hem niet zoo vast meer. Het +maakte een naargeestige nieuwsgierigheid in haar gaande als er zoo over +het huwelijk gesproken werd. Zij wist wel dat 't iets heel groots moest +zijn, iets van lichaam en ziel vereenigd maar verder niet. Het maakte +haar ook erg verlegen: + +Jozef voelde iets als een koude verwijdering. Onder het voorwendsel aan +het raam iemant te willen zien, die op straat voorbijging aan d' overkant, +had Mathilde Jozefs armen van zich losgemaakt en was zij voor 't venster +gaan staan, den rug naar Jozef gekeerd, die bleef zitten, zonder te weten +waar zijn handen te laten. Met een linksche beweging stond ook hij op en +kwam naast haar staan. Zij keek naar buiten. + +--Wat blijft de modder op dat nieuwe soort zand lang liggen, zeî ze, als +in gedachte, zonder hem aan te zien, de oogen naar de Hoogstraat. + +--Ja, andwoordde hij, zonder haar weêr te durven aanraken, ze hadden +daar nooit meê moeten beginnen. + +Toen zeiden ze geen van beiden een woord meer. Mathilde keerde zich om +en drentelde door de kamer haar zakdoek met de handen vervouwende. Een +onverdrijfbare bevreemding vervulde haar over de zoo in-eens ontstane +nieuwe verhouding, waarin zij tot dien Jozef van Wilden was. Zij bekeek +zich zelf en hem en zag verwonderd door het vertrek, naar de +staalgravuren langs den wand en de bronzen pendule op den schoorsteen, +die stomme getuigen waren van dit zonderling voorval. Er was een strakke +stilte. Het scheen haar, als was Jozef een vreemdeling. Zij had dien man +jarenlang gekend, zij was altijd zijn vriendin en hij haar Vriend +geweest tot voor een week geleden nog, en nu waren zij plotseling +geëngageerden. Voor de verrassende gewaarwording der werkelijkheid van +het oogenblik, verdween de geheele geschiedenis van haar stille liefde, +het groote gevoel van bevrediging en geluk, dat zij dien avond toen hij +het gezegd had, had gehad. Hij stond in levenden lijve voor haar en ze +dorst niet meer naar hem omzien en begreep zich maar niet, wat haar +bewogen had om die man zoo-even te omhelzen en zich aan zijn borst te +houden. Vroeger zoû zij zoo iets nooit gedaan hebben. Zij zag de punten +van zijn knevel aan weêrszijde van zijn hoofd uitsteken. Hij beet juist +op zijn lippen. Zijn vond zijn onderlip nu leelijk dik. Zij zag dat hij +een scheiding op zijn achterhoofd droeg; dit was trouwens al jaren zijn +gewoonte, maar nooit had ze 't zoo opgemerkt als nu. Ze vond het +fatterig, maar zij zoû 't hem ook wel afleeren als zij maar eens +getrouwd waren. Zij vond zijn achterhoofd en de manier, waarop de +onderste haartjes over den rand van zijn staande witten boord heen en +weêr wipten, als hij zijn hoofd meer naar voren of naar achteren hield, +niets gracieus. Zij zag zijn mooye jas, en zij kon zich maar niet +voorstellen wat vijf minuten geleden gemaakt had dat zij haar wang op +die jas leî. Dat was bepaald onfatsoenlijk van haar geweest. Een +licht-rimpelende wreveltint kwam over haar gezicht. Zij ging de pendule +opwinden. Nu herinnerde zij zich duidelijk, dat zij gerooken had, toen +ze zoo dicht bij hem was, dat hij parfum op zijn jaslapel had met een +vage lucht van oude tabak. Zij kreeg haast een afkeer van dien man. Zij +was vroeger, toen ze nog goede kameraden waren, nog nooit zoo boos op +hem geweest als nu. + +Jozef draaide zich naar haar toe. Het viel haar op, dat hij er een +beetje plomp uitzag. + +--Ik geloof, dat ik er iets op weet, zeî hij; een heel eenvoudig middel. + +--Waarop? vroeg ze. + +--Om gauw te kunnen trouwen en toch vader geen verdriet te doen. + +--Wat dan? vroeg Mathilde. Dat "vader", zonder "jou" er voor, maakte +haar nog balooriger. + +Hij leî haar nu uit, dat niets gemakkelijker was, dan dat zij, na hun +huwelijkreis, met haar vader samen gingen wonen, en hij dus altijd in +hun gezelschap zoû zijn, en Mathildes zorg niet hoefde te verliezen, +integendeel, op die manier een gezelligen en vroolijken ouwen dag +zoû hebben. + +Maar zij was uit haar humeur: Wat spreek je al over al die dingen, over +huwelijksreizen, als of dat zoo maar morgen gebeuren kon, zeî ze, ik +dacht, dat daar altijd pas na maanden over gesproken werd. + +Nu was Jozef op zijn beurt ten hoogste verwonderd. Hij had integendeel +gedacht, dat 't haar heel aangenaam zoû zijn zoo gauw mogelijk met alles +klaar te komen en alles lang vooruit te bespreken en te bepalen. Hij had +haar nog nooit op zoo'n vreemden toon hooren spreken. + +--Maar, Mathilde, hoe kan je nu zoo wezen! Als ik je pas een paar +maanden kende of zoo, als ik je een het hof had gemaakt en ik woû je +daarna op manier ten huwelijk komen vragen, dan zoude wij misschien ... +of nee, dan zoû toch nog mijn eerste gedachte zijn, natuurlijk, over ons +huwelijk, de huwelijksreis en al die dingen, ... dat spreekt immers +vanzelf ... en hoeveel te eerder nú, wij kennen mekaâr al zoo lang, we +zijn als 't ware voor mekaâr geschapen en wat nu gebeurt is een +natuurlijk gevolg onzen heelen omgang van vroeger, ... nu is 't des te +natuurlijker, dat wij dadelijk over die zaken spreken. + +Maar zij liet zich niet overreden. En om nu over de zaak zelf te +spreken, zij had óok verstand van het leven. Wanneer ze dan eenmaal +gevestigd zouden zijn, zoû vader nooit bij hun in komen wonen; +schoonmoeders of schoonvaders in huis brachten nooit geluk. Vader zoû +zijn kleine gewoontes geëerbiedigd willen zien, die met hun levenswijze +niet stroken zoû. Vader was gewend aan stilte, aan rust, aan +eenzaamheid, aan zijn minste verlangens dadelijk te voldoen. En zij met +hun tweeën, ze begreep heel goed, dat ze veel uit zouden gaan, menschen +zien, partijtjes geven misschien en allerlei drukte hebben, waar vader +niet van hield. Mathilde telde een massa bezwaren op, het eene kwam +voort uit het andere, zij vond er een zeker pleizier in, in een hoop +woorden zich de toekomst zoo naar mogelijk voor te stellen. En in-éens +midden in al dat gepraat, kwam haar toekomstig moederschap voor den dag. +Zij zeide, en werd dadelijk vuurrood: En als er een kindje komt, wat +dan? Ze had Jans, de meid, dit wel eens hooren zeggen. En zij redeneerde +voort over het kindje. Als er een kindje kwam, wat dan? Dan zoû 't voor +vader niet meer om uit te houden zijn. Ten eerste het voortdurend +geschreeuw van het kindje, later zijn vermoedelijke wilde speelschheid, +ten tweede de onmogelijkheid voor haar, om zich verder veel met haar +vader bezig te houden. Dit zoû dan heelemaal onmogelijk worden. Neen, 't +kon niet, onmogelijk; zij moesten nooit een oogenblik denken, dat vader +bij hen in zoû komen wonen. + +Dood-bedaard had Jozef naar haar geluisterd. Hij vond haar allerliefst +in haar kriegligheid, die hij zich niet begreep. Het driftig bewegen van +haar lippen deed hem plezierig aan. Toen zij van 't kindje sprak, had +hij 't lastig gevonden haar aan te blijven kijken en was met snel +knippende luisterende oogen weêr uit het raam gaan kijken. Heel ernstig +vroeg hij: + +--Hoû-je van me, 'Thilde, is 't wezenlijk waar, zooals je het gezeid +heb? + +Haar goede gemoed kwam boven: Ja, wezenlijk heel veel. + +--Nou, laten we er dan maar niet meer over spreken. Als wij van mekaâr +houden, zal alles verder zich van zelf wel schikken. Ik zal over alles, +wat je gezeid heb, eens op mijn gemak nadenken. Jozef had de Stuwen, met +zijn zwak in-éengedoken gangetje, op straat aan zien komen en woû dus +een einde aan de diskussie maken. + +--Geef me dan nog een zoen, daar is je vader, zeî hij. De zoen werd +gegeven heel gauw, maar Mathilde hield haar mond op-zij en er bleef +eventjes een klein vochtig schaduwkringetje op haar wang. Toen haar +vader de stoep opkwam en Jozef hem groette met zijn hand, veegde haar +zakdoek 't stilletjes wech. + +'t Was half-twaalf geworden. De heer de Stuwen morrelde even met zijn +huissleutel in het slot, veegde zijn voeten af op de vloermat, en hing +zijn jas en hoed aan den kleinen standaard, zette zijn stok in den bak +en kwam binnen, met een groote witte linnen zakdoek zijn neus snuitende. +De twee heeren gaven mekaâr een hand. Hè, hè, 't is heerlijk weêr, zeî +de Stuwen. Van Wilden, waar kom jij van-daan? ik dacht dat je gestorven +was ... Zeker weêr op reis geweest ... Hè, hè, ik ben lang wechgebleven ... +Gaan we nog geen koffiedrinken, kind? Mathilde keek op haar horloge, +dat, met een dik zwart koordje in een knoopsgat van haar lijf vast zat. +Zij schrok, om dat 't al zoo laat was en ging gauw de kamer uit. Zij +kwam nog even te-rug. + +--Mag ik voor jou ook dekken, Jozef? + +--Nee, dank-je, ik zoû 't heel graâg doen, maar ik heb afgesproken om in +de club te komen. + +Wech was zij. Zij hoorden haar in de achterkamer bij het buffetje bezig. +Jozef kreeg donkergrijze handschoenen te voorschijn uit de pandzakken +van zijn jas en trok den linker aan. Hij streek zijn hoed glad met zijn +voorarm waarover hij met de hand het laken van zijn mouw strak gespannen +hield, en maakte een praatje met de Stuwen. Hij vroeg hem, of hij ook +gezien had, hoe of het stond op den Dam met het opbreken van de +gaspijpen vóor Hajenius, dat al zoo lang de passage had belemmerd. Zoo +spraken zij nog over eenige andere zaakjes.. Jozef nam daarna afscheid. +Nee, blijft u binnen, zeî hij, toen de heer de Stuwen hem wilde +uitlaten, ik zal er alleen wel uitkomen. De heer de Stuwen liet zich +gezeggen; hij was nog moe van de wandeling. Toen Jozef den knop van de +voordeur omdraaide, om het huis uit te gaan, kwam Mathilde gauw achter +uit den gang naar hem toe. Zij sprak gejaagd, terwijl zij hem met hevige +oogen aanzag: Ik heb zoo'n berouw over mijn stuurschheid van daar-zóo; +ben je d'er nog boos om? + +--Dat weet-je wel beter, zeî hij, en het was ook eigenlijk mijn schuld. +Maar hij moest het nog eens zeggen: + +--Wat zeg-je? + +--Dat ik volstrekt niet boos ben en dat ik nooit boos op jou zoû kunnen +zijn. + +--Zeg in allen geval nog niets aan vader, laat hem niets merken. Ik moet +het hem langzamerhand vertellen. En kom van avond te-rug, toe, zal je 't +doen, ja, toe, of uiterlijk morgenvroeg, dan ben ik weêr alleen, vóor de +koffie. + +--Goed, zeî hij en wilde haar voorhoofd zoenen. Maar zij ging achteruit. + +--Pas op voor Jans, zeî ze, die mag ook nog niets zien. + +Toen Mathilde weêr binnenkwam met het dekkertje en den witten broodzak, +zat haar vader uit te rusten in den leuningstoel, die in den hoek bij +het venster stond. + +--Als 't zulk mooi weêr is, zeî hij, hebben die ruiten een glans, +precies als van blinkend staal ... Ik had volstrekt niet gezien, dat van +Wilden hier was ... Was hij er al lang? ... + +--Nee, op zijn hoogst een kwartier, antwoordde Mathilde, wat ie eigenlijk +doen kwam, weet ik niet. + +--Och, hij kwam zeker maar een morgenpraatje maken vóor ie naar de club +ging. + +Mathilde zette klaar: den broodbak in het midden van de tafel met een +lankwerpig versch brood, niet aan den eenen kant een laag wit paperig +kruim, dat in een koker van korst was geborgen. Het hellende dak der +korst, van boven, was donker zwart bruin en ging, bij het zijwaards +afdalen van de korst, in een melkchocolade-kleurig bruin over, van daar +in lichter bruin, geel bruin, en de onderkant was grijzig geel, zwart +doorschemerend. Aan den éenen uithoek was ook weêr het kruim zichtbaar, +de andere was een geel bruinig rontetje, als de kin van een Indische +vrouw. Aan weêrszijde van de tafel werd een bord van glimmend wit +aardewerk gezet, een stalen tafelmesje met hard zwart-houten heft er +naast. Aan den linkerkant van Mathildes bordje schoof zij het chineesch +verlakte blaadje, waarop een flesch bessensap en twee bierglazen +stonden, een witte suikerpot en een ingeleid lepeldoosje. Vier witte +mekaar flankeerende schaaltjes, als vreeselijk groote verstijfde +rozebladen, om den broodbak heen. Op het eene was grijs onmachinaal +roggebrood, een stapeltje van zes dunne sneêtjes, want vader was er dol +op; op het tweede en stuk oranje-bruine stroopkoek, met een weeke zwarte +korst, van regelmatige ribben oversneden. Op het derde lag een log stuk +zoete-melksche kaas; op het vierde lagen zeven plakjes vettig blad-dun, +bleekrood, van gespikkeld goud beglansd gekookt rookvleesch. + +De heer de Stuwen voelde zich heerlijk thuis te midden van die kleine +burgerlijke spijzen. Hij zeî: Kom-an, laten we nu maar aan den gang +gaan. En hij ging op een door Mathilde klaar gezetten gewonen stoel +zitten, vóor het bordje. Hij was een erge liefhebber van brood en vond +het ook een aangenaam gevoel brooden te hanteeren. Hij nam het brood, +dat nu vóor hem lag dan ook uit den bak en sneed er het uit-einde af, na +er eerst met de punt van het mes een kruisje opgemaakt te hebben. Dit +was een gewoonte, die zijn vrouw hem geleerd had en die hij, ofschoon +hij niet aan de godsdienst deed, toch aan had gehouden. Hij dacht altijd +aan zijn vrouw, die streng katholiek was, als hij dit kruisje maakte. +Mathilde schonk de bessensap in. Zij wist van alles de maat voor haar +vader: zooveel suiker, zooveel bessensap en zooveel water. Door te +roeren loste zij de suiker op en gaf haar vader het glas aan. Deze vond +'t lekker koel en stelde voor een raam open te zetten, hetgeen Mathilde +deed. Een verward gegons, doormengd met een paar schrille schreeuwen van +koopvrouwen, woei naar binnen. Er rolden rijtuigen over de brug met +ratelend geraas en den matten paardenhoefslag. Muschgetjilp suizelde in +den zomerwind uit de boomen. De heer de Stuwen duwde een sneetje +roggebrood op zijn boterham, hield dezen vast met de linkerhand en sneed +hem aan vier gelijke reepjes, die hij, éen voor éen, met een tevredenheid +over het voldoen van deze zoo geoorloofde en gemoedelijke en bedaarde +lust, aan zijn mond hief. Daarna dronk hij zijn glas weekroode bessensap +tot aan den bodem leêg en vroeg om nog een glas aan Mathilde, die al met +haar hand zat uitgestrekt; terwijl een klein koeltje door het open venster +haar lichtste haren liet wuiven over haar voorhoofd, en haar bleek gezicht +beter liet zien. + +--Kind, wat zie-je bleek. + +--Ik weet niet, vader; dat is zeker om dat ik van morgen een beetje +hoofdpijn heb gehad. + +Eigenlijk was 't van geluk. Zij was wel een beetje boos op zich zelf, +over de onaangenaamheden, die zij, zij zelf kon zich nu niet begrijpen +hoe en waarom dat was gebeurd, aan Jozef gezegd had, maar dat hij +gekomen was, eindelijk na dat eeuwige wachten van die lange, lange week, +dat maakte haar erg blij. Zij wist weêr niet wat zij doen zoû van +plezier. Ze kwam op het idee, dat haar vader verbaasde, om hem, ter +gelegenheid van dit hun gewone koffidrinken, op iets extraas te +trakteeren van haar eigen geld. Zij zeî het hem; zij sprak van een +blikje sardines, een leverworst, een ommelet, een biefstukje, dat Jans +even kon halen bij den slager op den hoek van den steeg, enfin, wat hij +maar woû. De vader begreep er niets van. Hoe kwam 't in haar op? +Waarvoor die bizondere traktatie van-daag? Had ze een lotje uit de +loterij getrokken, of was 't maar een nieuw grilletje? In allen geval +bedankte hij, en zeide, dat als ze wilde, ter eere van het mooye weêr of +wat dan ook, zij voor het eten maar iets lekkers moest laten klaarmaken, +dan zouden zij samen weêr eens smullen. Nu vroeg Mathilde of de koffie +gedaan was. Zij had haast om alleen te zijn, stil boven op haar kamer. + +--Ik ga van middag naar _Artis_, Thilde, zorg dat je over een +kwartiertje klaar bent; + +--Ik woû liever thuisblijven, vader; ik heb boven nog zooveel te doen. +De heer de Stuwen was verwonderd. Het was voor het eerst van zijn leven, +dat hem zoû iets overkwam. Hé! ging ze niet meê! Maar waarom dan niet, +wat scheelde haar dan toch? Wat had zij dan nog te doen, wát? Den heele +bak met linnen te bergen, die er nog stond! Een mooye grap, kon dat dan +later niet gebeuren in plaats van vader alleen naar _Artis_ te laten +gaan, waar hij zich zeker vervelen zoû. Maar er was niets aan te doen. +Mathilde noemde nog tien andere zaken op, die volstrekt gebeuren +moesten. Vader ging alleen naar Artis. + +Mathilde was een te goede huisvrouw, om niet eerst het schoone goed, dat +al zoo lang in de stof stond, te bergen, vóor zij ging zitten teekenen +en denken op haar kamer. Terwijl ze éen voor éen de stapels lakens, +sloope en nachthemden, die nog een beetje vochtig áanvoelden en zwaar op +elkaâr lagen, in de ouderwetsche bruine kast, met een wit papier op +eiken plank, schikte, en daarna vaders overhemden een plank hooger +appart leî en zijn kousen nazag, of die ook gestopt moesten worden +misschien, dacht ze er aan, dat deze huishoudelijke drukte nog niets was +bij wat haar later te wachten stond als ze eens eenmaal getrouwd zoû +wezen. Ze woû dezelfde orde volgen, waaraan ze nu eenmaal gewoon was en +die op den duur het best beviel. Zij ging voort met na te denken over al +de groote pleizieren van het hebben en het bestieren van een eigen +huishouding. Zij deed 't nû ook wel bijna, maar 't was toch dát niet; +ten eerste moest alles gebeuren precies zoû als vader het woû, en al +dacht zij tusschenbeide heel anders als hij over allerlei dingen, zij +sprak er nooit van, maar deed, wat hij wilde; ten tweede was Jans er, +die haar had zien geboren worden en aan wie nooit in te prenten zoû +zijn, dat Thilde, die ze zoû dikwijls schoone luyers had aangedaan, en +die ze daarna zooveel jaren had zien spelen en springen door het huis, +dat Thilde nu heelemaal behandeld moest worden zoo als men het anders +een mevrouw deed; ja, Jans dorst op een heel wat hooger toon te spreken +tusschenbeide, dan Mathilde het de meiden, die zij later zoû nemen, zoû +laten doen. Zij wist wel, dat er nog in lang niet van komen zoû, maar +het zoû er toch éens van komen en ze vond 't hoogst prettig zich dat +alles nu al zoû levendig voor te stellen. Ze zouden bepaald twee meiden +houden, want Jozef zijn geld plus het hare, maakte dat zij best op zoo'n +voet zouden kunnen leven. Op deze manier zoû zij zelve ook meer tijd +krijgen voor piano-en teekenstudiën, dit hoofdzakelijk voor hem, om hem +het leven aangenaam te maken. Zij vond het zóo verschrikkelijk heerlijk +te denken aan hem, aan het leven met hem alleen, dat zij deze gedachte +voor een soort van opperst onthaal voor haar hart en hersenen bewaarde. +Zij ging namelijk door met zich in haar heele toekomstige leven in te +denken, maar zich alleen met al het bijkomende bezighoudende, met de +gracht, waar-zij een huis zouden kiezen, met de meubeleering van de +kamers, met de wasch, met de meiden, met de partijtjes, die zij geven +zouden, met den zolder, met den gootsteen, met de toiletten, waarin zij +gekleed zoû gaan en zoo meer. Een enkele keer liet zij even de gedachte +doorschemeren, die haar het meeste geluk gaf: het samenzijn en het +alleen-samenzijn met hem; zij bespaarde die stof, met glinsterende oogen +en zuchtende borst, en leî voorzichtig de overhemden van haar vader in +de linnenkast, evenals een kind eerst het bladderdeeg om een taartje +heen, opeet, om voor de laatste hap het genot van de konfituren te +bewaren. Eindelijk dan ook, toen alles geborgen was en netjes op zijn +plaats gelegd, toen Mathilde over alles had nagedacht, tot over Jozefs +garderobe en over de nieuwe soort heerenborstrokken, die mevrouw Berlage +zoo geprezen had en die Mathilde, als eenmaal de intimiteit groot genoeg +geworden zoû zijn, aan Jozef te dragen zoû geven, toen zij over de +mogelijkheid had gedacht om 's zomers naar buiten te gaan, om een hond +te houden, en ook over de brievenbus, die ze in haar voordeur zoû laten +maken, toen liet ze plotseling dat alles wech gaan, gooide al die +wezenloze dingen ver uit haar geest, dacht aan niets meer van de +omgeving, aan geen enkele bijzaak meer, maar aan hem, aan hem alleen, +aan de uren van onbeschrijfelijk geluk, die zij ver van de waereld, ver +van iedereen, tot ver van haar vader toe, in een achterkamer of zoo, +ergends, waar het ten minste schemerdonker was, waar geen geluid hen zoû +bereiken en ook de zon hen niet zoû kunnen verlichten, heelemaal alleen +samen zouden zijn. Zij voelde den stroom van het denken aan hem alleen, +die zij zoo lang mogelijk had tegengegaan, om hem de meeste kracht te +geven, met alle geweld langs alle kanten doorbreken en haar hart +overgolven. Zij wilde nu denken áan en door de kracht van haar gedachte +het nu al in den geest beleven, dat geluk van het alleen-samenzijn. +Daarbij kwam, dat er een onopgelost iets, een vraagstuk vol duisterheid, +iets, dat zij zich ten innigste bewust voelde zonder het te begrijpen, +verbonden was aan de bepeinzing van dit heerlijke onderwerp. Zij dacht +aan al wat ze hem zeggen zoû, als ze eens heel en al, zonder +te-rughouding, in volle oprechtheid, wat in haar hart omging voor hem +bloot zoû kunnen leggen en zich zonder voorbehoud van hem afhankelijk +stellen. Zij zinde er op, wat ze zoû doen, hoe ze zich zoû kunnen +gedragen, hoe zij haar eigen wezen zoû kunnen veranderen, zich +vervormen, zich liever en beter maken of wat of hoe ook ze in Godsnaam +zoû kunnen handelen, om een ongehoord bewijs, een heilige en +onbetwijfelbare bekentenis te geven van haar liefde. Wat moest ze +getuigen, wat had ze te openbaren, op dat die getuigenis en die +openbaring hem onweêrstaanbaar overtuigden, dat haar liefde zoo waar +was, dat zij het wel met haar bloed tegen een witte muur zoû willen +schrijven. Want zij had een angst. Zij twijfelde niet, geen minuut, aan +zijn liefde voor haar; die liefde moest bestaan, dit had zij al zoo lang +geweten vóor hij het zelf zeî; maar zij was er niet zeker van of hij wel +zeker was van haar liefde voor hem. Zoû haar stuurschheid van +van-ochtend niet gemaakt hebben, dat hij een beetje aan haar liefde was +gaan twijfelen? En tôch, al was dàt niet zoo, zoû ze het hem duidelijk +genoeg hebben te verstaan gegeven? Wie weet hoe of hij twijfelde, wie +weet wat een angst en verdriet of hij had. Zij vond ook zelf dat zij het +niet krachtig en duidelijk genoeg gezegd had, dat andwoord, dat hij was +komen vragen. En daarom zocht ze in haar verbeelding naar een middel om +haar liefde te zeggen, naar een daad van opoffering, die zij zoû kunnen +doen. Zij bekeek zich-zelf van top tot teen; daarna betastte zij zich. +Er moest een handeling zijn, een akte, een daad, waarin het heele +lichaam en de heele ziel zich ten innigste vereenigde om van liefde te +spreken, waarin het heele ik in al zijn onderdeelen onverdeeld zich +uitte en zeide: ik hoû van je, hier ben ik, ik hoor van jouw, heelemaal +en altijd. Zij kwam eindelijk tot het besluit, dat zij haar vader zoû +vragen, wat het huwelijk eigenlijk was. Maar dit durfde zij in 't geheel +niet zoo maar. + +Mathilde was op haar kamer gaan zitten, vóor de tafel, de handen aan +haar hoofd. Zij vroeg zich af, waarom ze zoo raar deed gedurende de +laatste week, waarom ze eigenlijk van Jozef van Wilden hield. Op haar +gemak zette zij hem in haar verbeelding en overwoog: wat er nu eigenlijk +áan hem was. Eén voor éen ontleedde zij de gedeelten van zijn gezicht en +van zijn lichaam en maakte de gevolgtrekking, dat zij niet wist wat het +was, maar dat zij alles even allerliefst vond. Hij droeg zijn haar heel +kort, met een scheiding aan den linker kant. Waar het de scheiding +bezoomde, had het een grijs-bruine kleur, die al donkerder werd, +naarmate het haar het midden van den schedel naderde. Midden boven het +hoofd was het heel donker, bijna zwart en glanzend, maar dun. Precies +zóo was 't aan den anderen kant van de scheiding. Boven zijn ooren was +het haar aan weêrszijden naar voren gekamd en rulde daar even, maar heel +even, het liet de slapen heelemaal open en leek niets op een saai +oude-vrijers-kapsel. De haargroei, vóor het oor, op die plek, waar de +blonde sprietjes bijna deden twijfelen, of zij bij het hoofdhaar +hoorden, of bij de bakkebaard, scheen daar zóo vlossig, dat het, als hij +op straat liep bij winderig wêer, leek op een uitgestrooiden zomerhalm, +zoo als men ze aan de korenvelden 's zomers op en neêr ziet gaan in den +wind. Er was een glans door het dunne haar tot over het gladde, blanke, +van twee lange, fijne, bijna onzichtbare rimpels horizontaal doorsneden +voorhoofd, en aan de slapen waren lichte schaduwen. Zijn bruin-blonde +wenkbrauwen, bewegelijk en dun, regel-matig gebogen, waren mooi over +zijn groen-blauwe oogen, waar hij Mathilde met zooveel liefde meê kon +aanzien. Zijn wangen dachten Mathilde bizonder mannelijk gekleurd met +hun somber-blanke tint, en het lichte rood onder de oogen. Zijn neus was +van voren even merkbaar in tweeën gesplitst, hij had groote +neusvleugels, tot aan de punt van den neus, die hevig bewogen toen hij +zich eens driftig had gemaakt op een avond, dat zijn geheugen hem in den +steek liet bij het voordragen van een gedicht, en ook nog eens, als zij +zich ten minste wél herinnerde, op een anderen avond, dat zij plotseling +merkte, hoe hij zonder verwikken of verwegen naar haar zat te turen. +Zijn snor was heel, heel mooi, door vergedreven verzorging schijnbaar +onverzorgd. Het was een dikke snor, die zijn heele bovenlip besloeg, +schuin naar beneden gestreken, den vorm der lip volgend en aan +weêrszijde in een groote krul naar boven gedraaid. Onder de snor was +alleen een dunne roode lijn van de onderlip te zien. Zijn mond had den +vorm van een breed naar weêrszijde uitgedrukt hart en was meestal een +beetje vochtig. Zijn kin was heel rond, al te rond, niet spits genoeg, +altijd helder geschoren. Jozef gebruikte lage liggende boorden, altijd +stijf gestreken en spierwit als postpapier. Zijn hals kwam daar fier en +flink uit naar boven, vanvoren blank, met den sterk uitkomenden +strottenbol, die Mathilde een teeken van groote mannelijkheid scheen, +half in de kinne-schaduw verborgen. Meer naar achteren werd het vel van +zijn hals rooder, tegen den drukkenden boord aan, die daar eigenlijk te +nauw was, om dat Jozef zijn hoofd altijd zoo mooi recht droeg. Hij had +nog-al breede schouders, waar zijn jas altijd heel glad en zonder éen +kreukel om heen zat, meestal zwart en donker-groen in den winter, grijs, +nu en dan lichtgrijs 's zomers. Hij droeg dassen van allerlei kleuren +maar nooit kakelbont, altijd goed en met smaak gekozen, altijd in +over-een-stemming met de kleur van zijn pak. Hij droeg heele wijde +manchetten, nooit bespat of besmet of hoe ook vies, zoo als de ingenieur +Ster ze bijv. wel eens áan had. De manchetten hingen tot laag over zijn +polsen, meestal met twee zilveren bolletjes aan een kettinkje vast. Maar +zijn handen, o, zijn handen, die had zij lief! Wat een zachte schok ging +er door haar leden, toen die handen, tintelend van liefde en +bescherming, haar schouders aanraakten of, langs haar armen strijkend, +haar polsen beetpakten, om die te omknellen, zoo als het van-ochtend was +gebeurd. Mathilde bekeek haar polsen; ze had haar braceletten nog niet +aan. Er was niets meer te bespeuren van Jozefs innigen druk. Zij had zoo +graâg gehad, dat er nog moeten te zien waren geweest. Jozef droeg +dikwijls naar voren openhangende fantasie-jasjes van uitstekenden snit. +Over zijn vest hing dan een gouden horlogekettinkje. Er was éen van zijn +vesten, waaraan zij een hooge voorkeur gaf, een vest van geel-grijs +piké, met roode, blauwe en gele spikkeltjes, met doffe paarlemoeren +knoopen. Dat vest pastte hem prachtig en stond hem zoo mooi en met maar +enkele plooyen heel van onderen. Van-morgen, toen ze bij mekaâr waren, +had Mathilde zich erg verleid gevoeld om haar arm over dat vest heen te +slaan, onder zijn jasje, en zoo zich beter aan hem te kunnen warmen en +zijn hart voor haar te hooren kloppen, maar zij had niet gedurfd. En dat +was ook beter, want zij moest zich een beetje koud toonen, meende zij. +Jozefs broekspijpen hingen wijd-uit tot dicht bij de punten van zijn +effen schoenen. Vooral de licht-grijze broek met het biesje op zij, +stond hem verschrikkelijk goed. Hij had een soort van kalm en waardig +gemak om zijn armen en beenen te bewegen. Mathilde voelde het, zij was +verliefd op zijn gang, op zijn tred, op zijn schreden; hij liep met een +losse regelmatigheid, die haar bekoorde, hij liep edeler dan haar vader, +edeler dan Ster, edeler dan alle andere heeren op straat. En dan de +manier waarop hij zijn armen bewoog! Met een eenvoudige en natuurlijke +gematigheid kon hij een deur sluiten, of een kaart op tafel gooyen, als +hij met haar vader ekarteerde! zijn stem klonk als een orgel, lief en +forsch tegelijk. Vroeger had zij over al die dingen nooit zoo gedacht, +dat was vreemd! Uit alles sprak een edel en teêrgevoel, en ook een +levensondervinding, die zeker was van zichzelf. Hij vond blijkbaar goed, +al wat hij deed, of liever, hij deed alleen dat, wat hij eerst had +goedgevonden te doen ... En hoe had hij altijd van haar gehouden ... nooit +was zij zoo ingenomen geweest met de manier, zoo als hij vroeger +tegenover haar gedaan had, toen hij uren-lang bij haar bleef, ofschoon +zij toch nog maar een kind was, en hem onmogelijk belang kon inboezemen, +wat haar inviel te zeggen. Mathilde overdreef den duur der uren die zij +samen hadden doorgebracht, zonder het te weten. Het kwam haar nu voor +als was Jozef bijna voortdurend bij haar geweest, haar kostschooltijd +uitgenomen. Hoe had hij haar geholpen met raad en daad, wat had hij een +kennis en een gave om die duidelijk in háar verstand over te planten. +Hij begreep de piano, het teekenen en het borduren; hij sprák niet +alleen over muziek, zoo als zooveel menschen, maar hij begréep ook de +muziek, hij wist haar meê te deelen, wat, van romans, de moeite waard +was voor haar om te lezen. Hij hield van dichters, zoo als zij, maar +meer van romans, zoo als zij. Zij hadden samen Walter Scott, Dickens en +een werk van Daudet doorgemaakt, en als hij voorlas, hoe hoorde zij dan +in de melodie van zijn stem, wat men bij den schrijver in den vorm van +zijn schrift zoû hebben ontdekt, had men zijn manuskript onder de oogen +gehad! Zij herinnerde zich, hoe ze op haar dertiende jaar al de groote +witte halve maan, die door het wechdrukken van het vel onderaan zijn +nagel zichtbaar werd, en de punt van dien nagel zoo blank als een stuk +ganzeveder, had bewonderd. Wat kon Jozef verder belangrijk praten, wat +had hij goede inzichten in de staatkunde van den dag! Ook droeg hij een +mooi gouden potloodje in zijn rechter vestzak, dat open en dicht werd +gehaald op een wijze, zoo als Mathilde het nog nooit had gezien. Zij had +haar vader Jozef zóo dikwijls hooren prijzen, en telkens deed haar dat +zoo'n goed! Vader vond hem een man van bekwaamheid in zijn vak, de +effekten, een ontwikkelden kop, en die later wat worden kon in de +maatschappij, die carriêre zoû maken. Vader noemde Jozefs kleeding wel +wat overdreven netjes, maar dat kwam alleen, om dat hij zelf nooit veel +smaak voor die zaken had gehad. Jozef had veel hart en veel verstand, +hij wist dat allebei goed te gebruiken wat kon men meer vragen van een +man, met wien men een gelukkig huwelijk aan wilde gaan? + +Zoo ging Jozef in Mathildes denken en verbeelden voorbij, en toen zij +hem weêr zoo duidelijk en innig bij zich had, hem naast zich voelde, hem +vóor zich zag, toen ze een kleur kreeg, om dat zoo wezenlijk zijn adem +over haar lippen ging, schrok ze op en ging met haast aan het teekenen, +waarvoor zij hier eigenlijk zat. Zij maakte gauw de stukjes verf áan met +water uit het altijd halfvuile glas en met een drift, die niet lang +duren kon, ging zij aan den gang met haar potlood en haar penceel. Zij +plooide haar lippen samen en stak er het uitgewasschen penceel tusschen, +om de gedweeë haartjes in een punt uit te doen loopen, om zoo fijne +plekjes kleur op het papier aan te kunnen brengen. Maar het schoot haar +te binnen en verraste haar onaangenaam. Jozef had haar dat likken aan +het penceel dikwijls afgeraden. Hij zeide, dat er nooit heel zeker géen +vergif onder de verf was gemengd en men dus niet kon weten. In een +begeerte, om in 't vervolg alleen te doen, wat hij graâg had, ook dan, +wanneer hij er niet bij was, nam zij het penceel tusschen haar lippen +uit, veegde die af met haar zakdoek en probeerde om tusschen haar +vingers het penceel te punten. Dit maakte haar heel tevreden over haar +zelf, en, een beetje bedaarder, kleurde zij voort. Maar zij had haar +uren verdroomd. Het sloeg half vijf op den toren in de Zandstraat en het +Paleis op den Dam begon juist te spelen. Door de zoele zomerlucht klonk +het klokkespel uit de verte haar pleizieriger tegen dan gewoonlijk. +Kling, klang, kling, klang, klang, klang, de zachttriomfantelijke wijs +van "De Koning leev', de Koning leev", speelde het klokkespel, hoog +boven de huizen. Mathildes hart klopte, want ze moest gauw gaan dekken +beneden voor het eten, en het was net of er in haar binnenste, in haar +hart, ook zoo een lief en luid klokkelied werd gespeeld. + +In de trapkast was alles doodstil. Heelemaal beneden gekomen, hoorde +Mathilde Jans rommelen met stoelen en borden. Zij slofte juist te +voorschijn. + +--Ik was maar gaan dekken, jufvrouw, zeî ze, ik dacht, dat u 't zeker te +druk had boven. + +--O, dank-je, laten we 't nou maar samen verder doen. + +Het siste in de keuken; een geur van gebraden ossevleesch zweefde door +den gang. Vader zat in de voorkamer In een boek te lezen. + +--Wil u van-middag ook maar weêr híer eten, vader? vroeg Mathilde, het +is hier veel lichter als achter. + +--Heel goed, kind, zoo als je wilt. + +En zij zaten samen in stillen vrede en genoegelijken kout, zoo als +altijd. Mathilde had het extra schoteltje vergeten. Buiten was het volle +dag, zoo licht, als om twee uur 's middags, maar de zonnehitte was +getemperd en zachte zomerkoeltjes dartelden met het tafellaken. De heer +de Stuwen vertelde van allerlei dingen, die hij in _Artis_ gezien had; +Mathilde was bizonder lief voor haar vader. Toen de heer de Stuwen naar +bed ging, om elf uur, dacht hij wat heb ik toch een aangenaam en +vreedzaam leven. Wat passen wij goed bij mekaâr, Mathilde en ik! + +Toen Jozef van Wilden van Mathilde van-daan-ging, was hij door de oude +Doelenstraat en de Damstraat naar de Club gegaan. Hij keek, onder den +naar vorengebogen rand van zijn zwart zijden glimmenden cylinder-hoed +door, recht voor zich uit, over de voorbijgangers heen. Tusschenbeide, +als hem een mooi gekleed meisje voorbijging, beblikte hij haar in de +schuinte en liep verder, met zijn kalmen, regelmatigen pas, de voeten +naar buiten buigend bij iederen stap. Het witte voorportaal van het +sociëteitsgebouw doorgaand en de trappen op, zonder gedruisch, voelde +hij duidelijk, dat hij veel van Mathilde hield. + +Hij was in der tijd, als jonge man van drie-en twintig jaar, bij den +dood van zijn vader, die hem het effektenkantoor had nagelaten, de +Stuwen, waar zijn vader hem al voor jaren meê in kennis had gebracht, +blijven bezoeken. Mevrouw de Stuwen leefde toen nog, en er werden nog al +eens gezelschapsavondjes gegeven. Hij was ook altijd aangetrokken +geweest door dat aardige kind, die Mathilde, die hem zoo graâg haar +vriend noemde en niet van hem af was te slaan, had hij eenmaal den +drempel van het huis op den Oudezijds Achterburgwal overschreden. Hij +hield van kinderen, tot van dertien-en veertienjarige jongens en +meisjes toe, maar ouder niet. Hij was een goede jongen, volstrekt geen +kwaad of menschenhatend charakter. Hij had zich laten overhalen tot een +"vasten en eeuwig durenden" vriendschapsband met Thildetje, die weinig +vriendinnen had. De de Stuwens waren zoo-wat de eenige familie, waar hij +aan huis kwam. Hij verkeerde niet in aanzienlijke kringen. Zijn +grootvader had al in effekten gedaan te Utrecht, zijn vader had het +kantoor van daar naar Amsterdam verplaatst, waar hij geen verwanten en +weinig kennissen had, maar beter kans zag om zijn zaak uit te breiden. +Dit was hoofdzakelijk gebeurd op aandringen van Jozefs moeder, die +stierf een week vóor zij voor goed naar Amsterdam zouden gaan. Het +verplaatsen van de zaak had niet veel gegeven, want de oude heer van +Wilden was een man zonder veel initiatief; deze eigenschap liet hij ook +zijn zoon erven, die de zaak, met den ouden vertrouwden boek-en +kashouder aan 't hoofd, op zijn gemak en op denzelfden voet bleef +drijven. Jozef had eenige vrienden onder de koffiehuis-jongelui gevonden, +was eindelijk lid geworden van de club. Nu ging hij meestal in den morgen +een groot uur naar het kantoor, griffelde daar het een en ander met zijn +gouden potloodje, bracht van kwart voor tweeën tot kwart voor drieën zijn +tijd op de beurs door, na op zijn bovenhuis of in de club gedejeuneerd te +hebben, bitterde dan, dineerde ergends en ging 's avonds naar de komedie, +naar een koncert, of biljarten, of bij een van zijn vrienden zitten praten. +Hij hield er een mentineetje op na, zoo om de twee jaar éen, heel kalm, +heel matig. Op 't oogenblik was hij met zijn huishoudster, een dertigjarige +gewone blondine, zonder uitstekende voortreffelijkheden. Eerst éens, toen +tweemaal in de week, ging hij de Stuwen 's avonds gezelschap houden, 't +werd namelijk tweemaal na den dood van mevrouw de Stuwen, toen de Stuwen- +zelf 't ook erg eenzaam had. De familie van Riet, kennissen van de Stuwen, +waar Emilie Hartsen, een wees, bij aan huis woonde, had hem ook gevraagd, +maar hij bedankte, hij had aan de Stuwen en Mathilde genoeg. Dat hij zoo +betrekkelijk dikwijls de Stuwens gezelschap opzocht kwam van de verveling, +die hij door-elkâar tweemaal in de week ondervond door het uitsluitend +omgaan met de clubleden. Van zijn vader had hij een hoeveelheid goedaardige +degelijkheid georven, die nu en dan bovenkwam. Hij ging dan praten met +de Stuwen die wel liberaal-katholiek was, zoo als hij zelf ook, maar +toch over allerhande zaken veel burgerlijker en ook veel zedelijker en +gematigder denkbeelden had dan de jongelui. Jozef praatte ook graâg eens +rustig en had hij een inlichting in zaken noodig, dan was Mathildes +vader de ware man, om zich toe te richten; eens zelfs had hij Jozef, die +een verkeerden slag geslagen had en daardoor lichtelijk in geldnood was, +bijgesprongen. Jozef sprak met de Stuwen alleen over heele zedige +uitgangetjes en andere pleizieren en wist zich met zijn bedaarde +gepozeerdheid bizonder degelijk voor te doen. Jozef was zich ook, in een +goede aandrift van zijn hart, hoe langer hoe meer met het moederloze +dochtertje van de Stuwen gaan bezighouden. Hij bezocht haar, ja dikwijls +uitsluitend háar, nu ook wel 's middags, en hielp haar voort met al haar +liefhebberijen en dingetjes. Jozef had een goeye opvoeding gehad. Ook +wist hij nog al wat van boeken en had hij een natuurlijke gave om het +een of andere idee, dat een jong meisje moest behagen, langs den meest +beminnelijken weg voor te stellen en ingang te doen vinden, meende hij. +Het waren geen diepzinnige vraagstukken van levensbeschouwing of +wijsbegeerte zoo zeer, die hij in zijn gesprekken met Mathilde te pas +bracht, toen zij wat ouder werd en vooral na haar te-rugkeer van de +kostschool, het waren veel meer allerlei zaken van gevoel en verbeelding, +hij wist de muziek uit te leggen, dat is te zeggen: aan te duiden welke +hartstochten of welke gedachten die en die melodie uitdrukten, hij wist +op de schoonheid der lijnen en kleuren van teekeningen en op de +bevalligheid van borduurpatronen te wijzen. Het waren ook allerlei dingen, +die zij om hen heen opgemerkt hadden, die zij elkaâr toevertrouwden; zij +nam alles altijd dadelijk aan, wat hij zeide, en zij lachten samen +dikwijls erg hardop. Zij hadden in het dagelijks leven, bij een wandeling +op straat of in de houding van huisgenoten of kennissen, dit of dat voor +het eerst gezien; zij dachten zus of zoo over het leven, over de liefde, +de angst, de droefheid, het vergaan of het eeuwig voortbestaan van dit +leven, enz. Zij lazen samen Allard Pierson, J.J.L. ten Kate, en zoo meer. +Het hechtte Jozef zelf aan ernstige bezigheden, ook buiten de zaak om, +dat verkeer met Mathilde. Hij merkte het wel. Buitendien, van een +anderen kant beschouwd, hield niemant zooveel als hij van luidruchtige +frissche jeugd en opbruisend leven; van toen zij nog heelemaal een kind +was af, was hij aan Mathilde gewoon geraakt en 't was een behoefte voor +hem geworden haar dikwijls te zien. Hij had haar ontwikkeling van 't +begin tot het einde bijgewoond. Toen ze als een jong-meisje van de +kostschool te-ruggekomen was, had hij wel zeer verbaasd staan te +kijken en was hun verhouding wel zeer verkoeld geweest, ook om dat ze +hem zoo weinig had geschreven, maar langzamerhand had de oude gewoonte +van gemeenzaam verkeer weêr ingang gevonden en de overhand gekregen Zij +waren gauw weêr de beste vrienden, ofschoon ze ook mekaâr in 't begin +halsstarrig "mijnheer" en "jufvrouw" bleven noemen. Er hadden nu ook bij +de Stuwen aan huis weêr de oude muzikale avondjes plaats, die bij het +overlijden van mevrouw de Stuwen òp hadden gehouden. Mathilde behaalde +bij dezen gelegenheden triomf op triomf door haar buitengewoon +ontwikkeld pianotalent. + +Jozef was eens op een goeyen morgen voor den spiegel gaan staan, was +gaan denken, dat hij in de dertig was, dat hij gisteravond toevallig een +betrekking had afgebroken, die hem toch al lang verveelde, en nu maar +volstrekt woû gaan trouwen. Hij wilde een rustig leven hebben en een +vriendelijke goede wettige vrouw. Hij wilde wel trouwen en getrouwd zijn +en een goeye huisvader worden, maar zijn vrouw moest een persoonlijkheid +wezen, die hem ruimschoots vergoedde, wat hij verloor. Het was een van +zijn lievelingsdenkbeelden een vrouw aan zijn zijde te zien van hooge +gestalte, niet te klein, die zich elegant kleedde, altijd gezond en +vroolijk was, geen bekrompen gedachten had over godsdienst, en het leven +in 't algemeen eenigszins breed opvatte; Buitendien moest ze een mooi +lichaam hebben, niet te mager, en veel zindelijkheid en al de +hoedanigheden van een aangename gastvrouw voor als ze eens een partijtje +gaven. Zij moest ook graâg uitgaan en graâg veel van het leven genieten, +zij moest iets Parijsachtigs over zich hebben en zich in alle opzichten +uitstekend weten te gedragen. Verder mocht liefhebberij voor muziek, wat +lectuur, enz., haar niet ontbreken. + +--Meermalen had Jozef voor zijn vrienden op die manier de vrouw +beschreven, van wie hij zeker wist een goede trouwe echtgenoot te zullen +zijn en met wie hij stellig een gelukkig leven zoû hebben. + +Het lag zoo verbazend voor de hand, dat Mathilde de Stuwen, daar hij +zooveel meê omging, het aan al deze eischen beandwoordende meisje was, +dat het hem nog nooit in was gevallen aan háar te denken. + +Maar langzamerhand was het hem uit alles, uit den toestand, waarin hij +en zij verkeerden zelf, duidelijk geworden, dat niemant anders dan +Mathilde toch zijn vrouw zoû kunnen worden. Toen hij daar het eerst aan +dacht, had hij een lichte kleur gekregen van pleizier over deze +gelukkige ontdekking. 't Was óok in de club geweest, hij zat ook juist, +zoo als op 't oogenblik, in de in dit vroege uur nog leêge groote +benedenzaal een halven biefstuk met gebakken aardappelen te eten, die +hem toen ook gebracht was door Henri, denzelfden knecht van nu. + +Toen Jozef eenmaal besloten had Mathilde het hof te maken, was hij zich +af gaan vragen, of hij van haar al niet vroeger-al gehouden had. Hij +dacht nu van ja: zonder 't zelf te weten, had hij haar liefgehad. Hij +nam zich dan voor die liefde zooveel mogelijk aan te wakkeren in zijn +eigen binnenste, en daarna aan de Stuwen Mathildes hand te vragen. Maar +toen hij er zoo over peinsde, of die liefde voor haar al vóor dien dag +bestaan had in zijn hart en van-já dacht om dat hij zich herinnerde, +hoe-of hij zich altijd tot dat huis van de de Stuwens aangetrokken had +gevoeld, trof het hem op-éens als iets heel zonderlings, dat hij nooit +in Mathildes gezelschap, al zat of stond hij vlak bij haar al raakte +zijn schouder haar schouder, zijn been haar japon, zijn arm haar rug, +zijn hand haar hand, dat hij nooit, al zaten ze uren lang met mekaâr aan +de een of andere bezigheid bij de kachel 's winters of 's zomers voor +het open raam, als buiten de zon gloeide, dat hij zich nooit erg naar +haar had voelen verlangen. Hij had zelfs nooit uitvoerig de +hoedanigheden van Mathildes lichaam overwogen, nooit in haar +gewaardeerd, wat hij en zijn vrienden, als ze over vrouwen spraken, +altijd in de eerste plaats bedoelden. Hij vond dit erg vreemd, maar was +overtuigd, dat het verlangen na zijn voornemen van hofmakerij, nu ook +wel komen zoû. En hij deed zich geweld aan. Hij probeerde haar op alle +manieren lief te krijgen en hij begon te merken, dat zij van hem +misschien al-lang hield, zonder er ooit iets van te laten merken. Als +hij nu bij haar was, probeerde hij door háar net zulke indrukken bij hem +te weeg te doen brengen, als de andere vrouwen deden. Wanneer zij, op +een avondpartijtje bij haar vader of soms 's zomers als het snik heet +was, een lager uitgesneden japon droeg, bleef hij naar haar hals kijken; +hij oefende er zich in haar kin en haar keel zóo te bekijken, dat hij +den wensch kreeg ze te betasten; hij wilde het zoover brengen, dat hij +al koud werd als hij haar hand in de zijne had. Hij leî er zich op toe +om door haar geheel ingepakt te worden. Hij bestudeerde haar, om uit te +vorschen, waar wel in haar wezen de begeerte-magneet zoû te vinden zijn, +hij zocht die als een verborgen kleinood in de boekjes van haar kleed, +tusschen de donkere plekjes van haar haar. Hij wilde dat als haar rok +over zijn schoenen ging er een tinteling door zijn dijen zoû gaan, dat, +als haar mouw over de zijne streek, er een vuur door zijn arm zoû +gloeyen. Maar, wat hij ook in 't werk stelde, het kwam niet. Maar juist +toen, dit had hij later wel ingezien, had zij haar invloed op hem +gekregen. Wanneer hij gedachteloos over den weg keek, was zij toch maar +in zijn verbeelding. En kon hij 's nachts niet slapen, dan scheen het +alsof zij in de kamer rondwandelde. En met klimmende zekerheid kwam er +begeerte naar haar in hem op, een begeerte, die weinig gemeen had met +zijn gewone wellusten. Hij begon een onweêrstaanbaar verlangen te +voelen, haar te omarmen, haar te bezitten zonder toch dat er een lager +gevoel bij hem aanwezig was. Hij wenschte iets als een gezonden en +innigen band, een hoogere en meer edele wellust. Hij werd zich bewust, +dat hij bij haar, ook haar ziel, haar hart zoû binnendringen. Dit deed +hem naar haar zuchten als naar een heilige bezitting. Zoo stelde hij +zichzelf de zaken voor. + +Hij vond haar ook zoo gezond en zoo levenslustig, dat hij zich een +uiterst aangenaam huwelijk met haar voorspelde, dat met-een een +gelukkigen ommekeer in zijn wel wat eentonig wordend jonge-heeren-leven +te weeg zoû brengen. + +Zoo was alles gegaan, zoo had hij haar onverhoeds, dien avond midden in +het gezelschap, zijn liefde verklaard. Van-morgen nu werd zijn vraag zoo +voldoende beandwoord, dat hij in een bizonder prettige stemming +tengevolge verkeerde. Hij dronk een extra half-fleschje wijn, bordoo. +Hij vond het mooi van haar en het verhoogde zijn genoegen, dat zij bij +al haar goede eigenschappen ook fierheid bleek te hebben, want het kwam +nu uit, anders had ze hem niet zóo aangedaan ontvangen, dat zij al-lang +van hem hield, en nooit had zij daar iets van laten merken. Dit was fier +gehandeld. En, zich verzadigend aan de overweging van den mooyen slag +door hem geslagen, zag hij door de spiegelruiten de onverschillige +menigte door de Kalverstraat op en neêr loopen. De zaal om hem heen was, +achter het waas van zijn gedachten heen, langzamerhand voller geworden, +levend van zachte praatgeruchten en stilgebarende lichamen. Jozef had +het beursuur laten voorbijgaan zonder te denken dat het al zoo laat was. + + + + +III. + +Stilletjes zomerden de dagen voort in het huis van de Stuwen. Jozef +bleef zijn gewoonte houden om twee-maal 's weeks daar een avondje door +te brengen. De gevoerde gesprekken waren dan schijnbaar hetzelfde +gebleven en betroffen dezelfde onderwerpen als vroeger; de heer de +Stuwen en Jozef voelden zich altijd even goede vrienden. Mathilde zat, +als zoo altijd, meestal zwijgend, nu en dan een enkel woord meêsprekend +bij de heeren, met haar borduurwerk of romans, thee zettend en wijn +schenkend. Er werden ook nog avondjes met meer menschen gegeven, maar +minder dan eerst; uit zich-zelf kwam de heer van Stuwen nooit op zulke +dingen en, en het bleek, dat Mathilde lang zoo erg niet meer op zulke +extraatjes was gesteld als vroeger. Zij wilde in den eersten tijd van +hun liefde Jozef zooveel mogelijk voor zich alléen houden. Wat een +ingrijpende en heerlijke verandering dan ook in de verhouding tusschen +Jozef en haar, heerlijk, juist om dat hun betrekking onveranderd in +denzelfden vorm scheen te blijven voortduren zoo als zij vroeger was. +Daar Mathilde nog volstrekt maar niet besluiten kon haar vader in 't +geheim te nemen en juist door het onophoudelijk denken over dezen +moeyelijken stap, dagelijks meer besefte, hoe innig haar vader en zij +aan-een-gesloten waren, had Jozef in geenerlei opzicht de gelegenheid +zich te gedragen zoo als een fatsoenlijk heer, die verliefd is en wiens +liefde door wederliefde beandwoord, pleegt te doen. Hij kon uiterst +zelden met zijn aan-staande alleen zijn, mocht haar nooit een cadeautje +maken en weken gingen voorbij, zonder dat hij zijn liefde anders kon +laten merken, dan in den langeren handdruk en in de ontmoeting van hun +oogen, die plotseling warm werden en vreemd en verlegen mekaâr aankeken +in oogenblikken, dat de heer de Stuwen even wech was gegaan of de +koerant las. Jozef beviel deze onthouding ondertusschen volstrekt niet, +zijn ongeduld vermeerderde met den dag. Hij begreep ook niet hoe deze +toestand een einde zoû nemen. Maar Mathilde was het nog in 't geheel +niet met zich-zelf eens geworden, wat haar te doen stond, om een +oplossing te verkrijgen. Als haar oogen, terwijl haar vader met Jozef +druk aan 't spreken was en over politiek of andere dingen van den dag +redeneerde, Jozefs oogen en voorhoofd kusten, dan wilde zij zich-zelf +dwingen in-éens een besluit te nemen, den knoop door te hakken, haren +vader alles te zeggen, en verder van de omstandigheden af laten hangen, +hoe de toekomst wezen zoû. Of vader met hun samen zoû komen wonen, dan +wel of zij ieder afzonderlijk zouden gaan wonen, dat kon zij nog niet +beslissen. Wie weet, dacht zij, wat er op gevonden zal worden. Wie weet, +welke uitnemende schikking er mogelijk zal blijken. En de woorden +dringen op haar tong naar voren en branden door haar lippen. Maar +plotseling bedacht zij zich weêr. Nee, het kon nog niet, onmogelijk. Zij +moest vooreerst wachten. Het sámenwonen mocht zij zich nu al als zeer +goed denkbaar voorstellen, zij wist wel, dat bij nadere nagedachte, toch +altijd de onhoudbaarheid er van bleek, om de redenen, die zij zich-zelf +al zoo dikwijls herhaald had, en toch weêr telkens wech wilde cijferen. +En dat vader alleen zoû wonen, daar kon zij zelfs geen oogenblik aan. +denken. Gedurende de laatste weken nog had hij geklaagd over een +pijnlijke stijfheid in zijn linkerarm en bijna door zijn heele linker +zij. Moest zij hem dan niet helpen, hem verzorgen op alle mogelijke +manieren, alles voor hem in orde maken en klaar zetten? Had hij niet +menigmaal gezegd, dat zij alleen er was als het zonnetje, om den avond +van zijn leven te vervroolijken? Neen, duizend maal, zij kon hem niet +aan zijn lot overlaten, het mocht niet, het ging niet, het zoû niet +zijn, hoe Jozef ook aandrong, wat hij ook zeî om haar te overtuigen. +Mathildes besluiteloosheid kwelde haar-zelf het meest. Was zij overdag +eens in haar eentje thuis, dan kon zij soms plotseling met een stofdoek +of borduurnaald in de hand vijf minuten lang in 't midden van de kamer +stil blijven staren, de oogen droomerig naar den wand, of wel bleven op +eens haar handen uitgebreid boven de toetsen liggen, midden in een +melodie, die zij speelde en dansten de muziekbalken voor haar gezicht. +Telkens deden in den zelfden vorm de zelfde vragen zich voor aan haar +verstand en telkens werden zij onopgelost weêr wechgezucht. Het maakte +haar moei, het maakte haar verdrietig, die eentonige hinderpaal voor +haar geluk. Was Jozef een enkele maal met háar alléen in aanraking, liet +zij hem in, als Jans de deur uit was, ontmoetten zij mekaâr onder aan de +trap of bij de deur van het zaaltje, dan vroeg zijn eerste blik altijd; +zijn wij nu nog geen stap verder gekomen? dan fluisterde hij haar +smeekend toe, dat zij moest bedenken, hoe zijn lot in haar handen was, +hoe ze hem niet langer zoo treurig en ongelukkig mocht laten. Andwoordde +zij hem dat er nog niets gebeurd was, dat zij niet wist wat te doen, dat +zij nadenken, dat zij zien zoû, dan drukte hij haar hand, leî zich +zachtzinnig bij haar voortdurend aarzelen neêr, maar zag haar aan met +een vaste hoop in den blik, dat zag zij duidelijk. En juist het +denkbeeld, dat ze hem de volgende maal weêr te leur te stellen zoû +hebben, dat hij er zoo onder leed en er toch zoo gelaten bij bleef en +zich nooit boos maakte, dit verergerde haar inwendigen strijd met den +dag en versterkte haar liefde. Zij stond onophoudelijk tusschen twee +vuren. Nog nooit had zij zoo'n hevigen inwendigen strijd gehad. 's Middags +had zij er wel eens hoofdpijn van. De gehechtheid aan haar vader +was meer een ingegroeid en onuitroeibaar plichtbewustzijn, dat zich niet +openbaarde door allerlei nieuwe en vurige gewaarwordingen, maar, als een +oud gedeelte van haar innigste natuur, onverstoorbaar zijn altijd even +zekeren invloed deed gelden, terwijl daarentegen haar hartstocht voor +Jozef als een heel nieuwe zijde van haar leven, aantrekkelijk en +machtig, zich vertoonde, overal door haar gemoed en haar verbeelding +heen. Alles wat zij voelde, dat er in het leven bevallig, lichtkleurig +en rijk was, ridderlijk, edel, schoon en zwierig, verpersoonlijkte zich +in Jozef. Sedert zijn liefdesverklaring was hij in haar heelemaal nieuw, +groot en heerlijk. Zij zag in hem de kracht en het vernuft, in hem dat +veelvoudig aanlokkelijk wezen, wien het haar als opperste roeping en +opperst genot zoû gegeven zijn haar leven ten offer te brengen. Het +denkbeeld van tot hem op te gaan, van tot hem in te gaan, van haar wezen +in zijn wezen te verliezen en haar zelf, door het zich vereenzelvigen +met hem vervormd, als een gedeelte van zijn individu, te-rug te vinden, +klampte zich vast aan haar hart, kankerde zich in een hoekje van haar +hersens en vermengde zich met haar bloed. Het verrukte haar, dat, +wanneer ze 't bedaard naging, hij geen enkele uitstekende eigenschap +had, hij niets buitengewoons gedaan had in de wereld, hij door geen +heldendaden bekend stond, geen epopeeën had gedicht, door geen +uitvinding zich naam had gemaakt, niemant hem voor een eersten denker +hield, geen sterveling hem een heilige zoû noemen, en dat zij toch zoo +oneindig en boven alles en allen van hem hield, en dat het háar toch +scheen, als was hij de grootste mensch, die ooit had bestaan en de +eerste van zijn tijdgenooten. Want, want hij had meer gedaan dan al de +helden en grooten, die zij had hooren prijzen, hij had háar liefgekregen, +zij was door hem gekozen tot zijn vrouw, en zij, dat was zij-zelf. Háar +had hij ontdekt, dat was zijn uitvinding, háar had hij veroverd, dat was +zijn heldenstuk, toen hij zeî: "ik heb je lief", en eergisteren: "wat +ben je mooi", maakte hij zijn groot gedicht. + +Haar verbeelding was altijd met hem bezig. Zooals zij over-dag over hem +nadacht, zoo droomde zij 's nacht van allerlei rare gevallen, waarbij +hij te pas kwam. Zij dacht altijd aan hem, zij voelde zich hoe langer +hoe meer door hem in bezit nemen. Wanneer zij tusschenbeide niet in +slaap kon komen, gingen er door haar lichaam vreemde huiveringen. Er +ging b.v. als een aangenaam vergift, dat heer bekroop, een koud gevoel +van haar voeten, door haar beenen, onderlijf en borst, tot in haar keel. +Soms, wanneer zij in haar droom in een teêre en zwaar-drukkende +omhelzing met hem was geweest, schrikte zij wakker, met een ongekend en +angstig hijgen; haar onderlijf kromde zich naar boven, tegen het +wezenloze dek. In andere uren weêr vulde hij haar denken als iets +ideaals, dat niemant aan kon raken, dat niet van stof was, een lichtend +waas, met een hoofd alleen van menschen-stof, een muziekvlaag, die doffe +en weelderige geluiden rondblies, een vreemdeling, die zij nog nooit had +gezien, maar haar plotseling als een ouden bekende voorkwam. + +Toen er altijd meer dagen voorbijgingen, altijd de zelfde, maakte Jozefs +wezen, dat altijd bij haar bleef, haar wezenlijk ongerust en beangst. +Als ze hem ontmoette, bij zijn regelmatige bezoeken, en zij hem alleen +sprak of in zijn oogen kon zien, was hij altijd even zacht en kalm, +altijd dezelfde vriendelijke blik, het zelfde geduld. Maar dat hij bij +haar was zonder dat zij arm in arm zaten, scheen haar toch ongehoord. En +om dat zij zelve zoo onder het onophoudelijke uitstel leed, verbeeldde +zij zich, dat hij 't was, wiens gezicht kenteekenen van stilzwijgend +ondergaan verdriet vertoonde. Zij dacht opkomende bronskleurige kringen +onder de oogleden te zien; hij was valer van kleur dan anders, dacht +zij. Maar toch, als hij bij haar was, stelde zij zich gerust, maar in +zijn afwezigheid, vooral als zij met zich-zelf alleen was, was zij bang, +bang voor hem. Liep zij in de donkerte de trap op, dan hoorde zij +plotseling zijn stem, die iets onverstaanbaars zeî. Zij zag om, en hij +was er niet. Kwam ze op haar kamer, dan hoorde zij zijn stap, zijn +lieven, welbekenden stap achter haar, zij zag om, en er was niemant. Zij +zag hem in haar slaap haar vermanen, haar de eene keer ernstig en +nederig, de andere keer driftig en met geweld, en dan weêr eens koortsig +en in razernij verzoeken, gebieden en dwingen hem gehoor te geven en +niet langer te dralen. Hij deed nu en dan zoo woest en wild tegen haar, +en maakte zoo een misbaar, als hem in werkelijkheid nooit gebeuren kon. +Soms naderde hij haar met opgeheven vinger en met een gezicht zoo akelig +wit en dreigend, dat zij te-rugschrok en op 't punt was hem alles toe te +geven. Een andere keer lag hij weêr op zijn knieën vóor haar, en keek +haar zoo teeder en zoo trouwhartig aan, dat zij niet langer aarzelen +kon. Wanneer zij hem dan weêr in levende lijve ontmoette, den dag +dikwijls, die volgde op zulk een akeligen nacht, of het uur volgende op +zoo een geheimzinnig uur, en hij kalm met haar vader zat te praten en +haar met zijn gewone eerbiedige liefde bejegende, dan verwonderde zij +zich, dan verzette zij zich met wrevel de overdrevenheid van haar hare +droomen. Dan nam zij weêr het besluit voorloopig haar lieven bejaarden +vader trouw te blijven. Daar zat hij met het goedaardige grijzende +hoofd, met de dunne fijne, licht-roode lippen, met zijn eenigszins laag +voorhoofd en bleeke blauwe oogen, met zijn magere, 's winters van +tallooze aârtjes doortrokken handen, niet zijn greinen huisjasje of +grijswollen sjamberloek, zijn hals een beetje naar voren gebogen, een +beetje beverig in zijn vingers bij de minste ontroering, zijn beenen +meestal over mekaâr, en met zijn groote witte linnen zakdoek, waarvan +een puntje uit een van de zakken van zijn pandjasje piepte. Hij had een +ouderwetsche gouden ketting over 't zwart-lakensche of donker-grijs +kamgaren vest hangen, een dunne gouden ring, zijn trouwring, aan zijn +rechter wijsvinger. Daar hij veel van zindelijk hield, deed hij elken +dag een schoonen boord en een paar schoone manchetten aan, van oud +model; onder den boord een frissche zwarte das; Mathilde kocht er om de +twee maanden een nieuwe voor haar vader. De heer de Stuwen had heele +mooye gave witte regelmatige tanden, maar die bijna nooit te zien +kwamen. Er was iets schalks in zijn rond neusje en in zijn wenkbrauwen. +Ook maakte hij een enkele keer een grapje: de een of andere opmerking +over personen of voorwerpen, die hij een beetje bespottelijk vond. Hij +was nu vier-en-zestig jaar, maar, om dat hij vroeg oud was geweest, had +Mathilde hem altijd gekend, zooals hij er nu uitzag, waaruit zij met +blijdschap opgemaakt had, dat haar vader maar niet verouderde. De heer +de Stuwen had, zoolang het haar heugde, iets hulpbehoevends over zich +gehad, hij was nooit graâg alleen, hij had een alles beheerschende +behoefte aan gezelschap, aan weinig, stil, hem toegedaan gezelschap. Hij +had ook iets vreesachtigs in zijn natuur; voor een kleine ongesteldheid +was hij bang als-of 'r een zware ziekte was. En zwierf Mathilde niet +onophoudelijk om hem heen, om hem van al te voorzien, dan klaagde hij +steen en been. Was hij gezond, dan kon hij meer aan zich zelf +overgelaten worden en ging hij uren alleen wandelen. Maar van zijn vader +had hij een soort verhardingszucht overgenomen, bij het schuchtere +gestel, dat hij van zijn moeder had, hem verkoudheden en rheumatiek deed +oploopen. Dan ging hij uit, tusschenbeide in 't midden van den winter, +met een demi-saison alleen aan, of heel in het begin van de lente, of +als de herfst al gevorderd was, zóo maar, in zijn gewoon huispakje. +Mathilde had dan al mooi knorren, hij gaf haar een zoen, maar beterde +zich niet. Hij was overigens in alles, een redelijk en punktueel man. +Hij was wel wat zuinig, maar nooit in 't belachelijke. Hij zorgde goed +voor zijn geld, ging met veel nauwkeurigheid den loop der effecten na en +knipte geregeld zijn koeponnetjes af. Hij las in zijn leêge uren Duitsche +klassieken en allerhande werken over natuurkunde. Hij was geabonneerd op +een matig-liberale koerant en op verscheiden geïllustreerde tijdschriften. +Ook kocht hij wel eens een prachtband, of teekende in op een uitgave, die +langzaam bij afleveringen verscheen en een kostbaar geheel zoû worden. +Van Mathilde hield hij verschrikkelijk veel. Zij was voor hem de levende +herinnering aan zijn vrouw, waarop Mathilde in-en uitwendig veel leek. +De dartele vroolijkheid, de luidruchtigheid, die Mathilde soms aan den +dag leî, haar zorgzaamheid en goede hart bracht hem altijd zijn vrouw in +herinnering. Hij dacht altijd zonder de levensvreugde en steun, die +Mathilde hem gaf, niet te kunnen leven, en hij hoopte maar te sterven, +vóor zij van mekaâr zouden scheiden. Deze gedachte vervulde hem vroeger +meer dan nu, toen Mathilde pas van kostschool kwam, met eenige wereldsche +ideeën, en gedurende de eerste zes weken van niets anders sprak dan van +trouwen met een mooyen en rijken meneer. Want Mathilde was, naast deze +trouwlust, toch dadelijk begonnen met zich aan hem te wijden. Maar na zes +maanden was zijn angst wech. En nu, sedert een jaar, kwam de gedachte aan +een mogelijk huwelijk van haar, uiterst zelden bij hem op; hij had zich +zoo aan haar gewoon gemaakt, dat het denkbeeld "scheiden" was verdwenen. + +Mathilde-zelf wist heel goed hoe of het met haar vader was op dit punt. +Zij wist alles en begreep alles. Zij zag dat oude leven aan haar jonge +leven aangeweven en in haar bestaan vastgevlochten. Zij besefte ten +innigste hoe weinig hij haar bijzijn missen kon. Als hij haar met zijn +zwakke oogen aankeek, dan zag zij daarin een verzoek om hem niet alleen +te laten, en flikkerden die zwakke oogen op van pleizier, als ze hem een +zoen gaf, dan zag zij daarin een dank, omdat zij nog niet was heengegaan. +Bovendien voelde Mathilde hoe haar heele verleden, haar heele jeugd haar +aan haar vader verbond. Jozef had zij ook wel altijd gekend, zelfs +wanneer zij aan de schitterendste uren dacht, die zij had doorgebracht, +was hij alléen daarbij te vinden; maar zij had toch nooit met hem in éen +huis gewoond. Dit gaf toch nog altijd iets vreemds, iets als niet van +dezelfde familie zijnde, tusschen hen beiden. Maar van haar vader hield +zij, om dat zij van zijn bloed was, om dat hij altijd en altijd daar had +gezeten in die achterkamer, als een dierbaar levend stuk huisraad. Zij +was zóo gewoon hem het eerste te zien 's ochtends en het laatste 's +avonds als zij naar bed ging, zij zoû voor geen geld van de wereld +hem geen morgen-en nachtzoen gegeven hebben! Daarbij kwam het +hulpbehoevende karakter van haar vader haar zucht om óp te passen en +zorg te besteden te gemoet. Jozef, zoo krachtig en zelfstandig, was een +heel ander man, Bij hem geen sprake van pantoffels warmen, sjamberloek +klaar leggen, bizondere spijsjes bereiden, denken of het niet te laat +werd of te druk om hem heen, tabak vochtig houden, peluw opschudden of +warm scheerwater naar boven sturen, bezigheden, die haar allen om 't +zeerst lief waren. Neen, zij zoû geen afscheid van haar vader kunnen +nemen, dat groote kind, dat haar heele moeder-natuur innam. + +Zoo verliep zachtjes de tijd en waren de eerste dagen van September +gekomen. Mathilde liep droomerig door het huis en met zuchten ging zij +de kamer uit en in. Zij zong weinig meer in haar eigen en haar +pianostudies waren nog maar werktuigelijk. + +Jozef was in den laatsten tijd vol attenties. Hij stuurde Mathilde +bloemen, ofschoon de bloementijd bijna gedaan was. + +Het was een van de laatste mooye herfstdagen. Behalve de bloemen had +Jozef tegenwoordig nog allerlei ideeën om Mathilde en haar vader +pleiziertjes aan te doen. Zoo kwam hij ook nu 's morgens om elf uur +aanschellen, en deed het voorstel om 's middags een rijtoer in een open +rijtuig te maken. Men moest nu van de laatste mooye dagen profiteeren. +Het zoû gauw slecht weêr worden en de zomertijd gedaan zijn. Hij wilde +'s middags om een uur of éen, half-twee, met een flinken landauer +vóorkomen, en dan langs den Amstel, over Onderkerk en Duyvendrecht, of +wel aan den anderen kant, door de Meer en tot Weesp een rit maken. Dit +zoû den ouden heer en Mathilde stellig veel goed doen. En zoo gebeurde +het ook: het voorstel werd aangenomen. + +Met kleine stapjes kwam de heer de Stuwen op de stoep. Hij had een dunne +overjas aan, zwart met een enkel grijs stipje er door heen; een lichte +foelaar van grijze zij had Mathilde om zijn hals gelegd en van voren in +zijn jas gestopt, boven de bovenste knoop. Een dikken bruinen wandelstok +met dikken ivoren knop, waarop een hertejacht gebeeldhouwd was, had hij +in zijn hand, even onder de knop. Hij had gerimpelde lubberige zwarte +glacé-handschoenen aan. Hij had een engen cylinder-hoed op, waar van +achteren zijn dunne grijzige haren als magere buigende waterstraaltjes +uit te voorschijn vielen. Een versch ontstoken dofbruine cigaar, met +twee gele rontetjes vlak bij de asch, was tusschen zijn lippen gedrukt, +die daardoor een beetje naar binnen bogen, om dat hij de cigaar stevig +vastklemmen wilde. Daar de wind van den anderen kant woei, warrelde vele +rookkrulletjes, lang en fijn, langs zijn wangen en onder zijn neus; zijn +lakensche dikke zwarte broek klepte over zijn te vierkante glimmend +gepoetste bobbelige schoenen. Hij bleef staan en zonder zich om te +keeren keek hij schuin naar binnen, of de jongelui nog niet kwamen. +Mathilde was nog even naar boven gegaan, om haar parasol te halen. Jozef +deed donker-groene handschoenen aan, bij den kleerenstandaard in den +gang. Hij droeg een kleinen rozeknop in zijn lapel-knoopsgat en hij kwam +naar de Stuwen toe. Hij bleef een trapje hooger in de post van de deur +staan en bekeek, heel bedaard, met tevredenheid over zijn keuze en +kennerschap, het rijtuig en de paarden, bijna zoo mooi als een +eigen-rijtuig, en hij keek of de koetsier, die hij met liverei had +gehuurd, wel de ware houding aannam, en de zweep recht op zijn knieën in +de hoogte hield. + +--'t Zal u toch niet te koud zijn? vroeg Jozef. + +--O, nee, 't is heerlijk weêr. + +Na een oogenblik drentelen, vroeg Jozef weêr: + +--Wil u er dan maar niet vast ingaan? + +--Ja, dat is goed. + +Jozef ondersteunde den heer de Stuwen hij het opstappen van de twee +treden, die onder het portier van 't rijtuig waren geslagen, door de +Stuwens rechter elleboog op den palm van zijn linkerhand te leggen, +terwijl de koetsier en het rechtsche paard even omkeken, daar hun +aandacht door het lichte kreunen van de kast bij het instijgen werde +gaande gemaakt. De heer de Stuwen liet zich in den linker hoek van de +achterbank neêrzijgen, en bleef over de ledige plaats naast den koetsier +op den bok heen voor zich uit staren. Juist kwam Mathilde aangeloopen. +Zij was blij van uit rijden te gaan. Zij zat in den laatsten tijd al te +veel thuis. Dit tochtje zoû haar verfrisschen. Met een rukje van haar +duim en wijsvinger maakte zij het onderste knoopje van haar handschoen +dicht, leî daarna gauw haar blauwe doekje over den linker arm, waar zij +ook de roomkleurige parasol meê droeg en wipte de stoep af. Jozef bracht +zijn arm naar voren om haar te helpen. Zij ging op de achterbank zitten +naast haar vader. Jozef, die heelemaal optrad als de eigenlijke heer van +het gezelschap, de leider van den pleiziertocht besprak nu met den +koetsier den weg, dien zij nemen zouden in verband met het uur, waarop +zij te-rug zouden moeten zijn. Zijn oogen en mond namen hierbij een +ernstige uitdrukking aan van gezag en plaatselijke kennis. Daarna klom +hij langzaam in het rijtuig, en schoof neêr op het vaal-gele kussen +tegenover Mathilde. Hij ging dadelijk een beetje naar haar toe gebogen +zitten, in een houding van gesprekvoering, want hij vond dat 't niet +goed stond, als zwijgende poppen door de straten te rijden en rond te +kijken. Dit was niet zoo als 't hoort. Zijn voeten stootten tegen +Mathildes voeten. Men moest zich wat schikken, anders was de ruimte +tusschen de twee banken te nauw. Mathilde duwde zich een beetje naar +voren, haar voeten tusschen de zijnen, haar knieën door zijn beenen +omsloten. De koetsier maakte gebaren met zijn armen en rug. Hij zeî: +alla, jongens! en siste met de tong; de paarden trappelden wat, met een +schokje ging men vooruit al ratelend over de steenen; door het hobbelen +bibberden de aangezichtsvellen, vooral het losse dunne van den ouden +heer, en Jozef kreeg jeuk in de hoekjes, waar zijn neusvleugels aan de +wang eindigden. Maar hij verdroeg dien, want onder Mathildes oogen wilde +hij zich niet krabben. Het denkbeeld dat zijn jeuk erger kon worden +maakte hem verlegen. Hij spitste dus zijn neusvleugels, als om de zwoele +lucht op te snuiven en wilde door deze spanning de jeuk verdrijven. De +rook van de Stuwens cigaar, die dikker werd, daar hij groote trekken +deed, woei tegen Mathildes gezicht aan. Dit hinderde Jozef, hij dacht, +dat 't haar onaangenaam moest zijn, maar hij kon er niets van zeggen, +ook wilde hij dat niet, om dat ie dacht, dat nu zijn gewoonte om nooit +in haar bijzijn te rooken meer nog gewaardeerd zoû worden door haar. +Plotseling deed nu Mathilde haar parasol neêr en werd het donkerder in +het rijtuig. Men reed de Hoogstraat in en zag niets dan zwarte en +donkerpaarse huisgevels aan beide zijden, verbonden door een reep +hel-blauwe lucht daarboven, terwijl de zon achterbleef op den +Kloveniersburgwal. Men was al lang begonnen te spreken. Jozef was midden +in een zin over het vieze en onwelriekende van het jodenkwartier, daar +zij straks doorheen zouden rijden; zijn woorden kwamen als +onverstaanbare schreeuwtjes uit de verte tot Mathilde, die uit goedheid +ja knikte. Daarna werd er niet meer gesproken. Een enkelen keer alleen +riepen ze mekaâr iets toe over wat ze op straat zagen, en vroeg Mathilde +luid aan haar vaders oor, of hij 't nu wezenlijk niet te koud had. De +heer de Stuwen, die volstrekt niet, zoo als Jozef, er over dacht, hoe +men zich in een rijtuig te houden had, keek met de meeste aandacht naar +het dooreen-griezelen van de joden in de rondte, daar al dat loopen en +babbelen in de voortdurende opgewondenheid zijn belangstelling van +Amsterdamsch burgerheer gaande maakte. Hij zag vuile kleine meisjes, die +op de hoeken van de zijstraten van de St. Antoniebreêstraat onoogelijke +waren ventten, koude of rookende, en hij-zelf rookte een beetje meer om +den stank niet in zijn neus te krijgen. Daar Mathilde ook om zich heen +keek en die arme jodenjongens met goedhartigheid beklaagde, met hun +bleeke ongewasschen gezichten en vieze zwarte, roode handen, en die op +allerlei nootjes of zij wist niet wát kauwden, en de meisjes toch wel +bizonder vond met hun breede lippen en chineesche wenkbrauwen, moest +Jozef er ook wel naar kijken. Hij deed 't maar heel even, zonder +hoofd, met zijn oogen alleen. Achter het geploeter gegil en gekrijt, +reden ze nu door de kalme Muyderstraat. + +De heer de Stuwen kuchte tusschenbeide stilletjes en zat, weifelend en +schuchter, met zijn handen op zijn knieën over zijn jas gegleden. Hij +zeî niets. In de Plantage werd alles weêr breeder, vroolijker en een +wijde hemel. Aan het einde van de laan was de Muyder Poort met zijn +koepelig torentje en wijzerplaat, waarop de cijfers van de uren blonken. +Het rijtuig ratelde hier erger over den weg, die hier en daar glooide +tusschen de rijtjes magere nietige boomen, die gele blaâren afstrooiden, +wuivend naar den dikken buik van de Poort, voor de groen door hen +bepoetelde huizen heen, en de oude heer danste met zijn heele lichaam. +Jozef zat Mathilde aan te kijken. Zij beglimlachten mekaâr eventjes +tusschenbeide. Mathilde had haar parasol weêr opgestoken en haar door de +warmte, het genoegen en de lucht, die er indrong, verlevendigd gezicht +had tinten van zoetrood, rose, wit en warm blank, schaduwplekjes en +glinsteringen, en kleine bewegingen van de wangen; haar oogharen klepten +vóor haar vloeyend zilver schijnende oogen op en neêr, als sprekende. +Haar gezicht kreeg zoo een bizonder waas, een geur van weemoed en +verlangen in het onder den parasol verzachte licht, in het door de +schijnende voering licht groen geverfde half-donker, dat Jozef haar met +verlangen zat te bekijken. Hij dacht over Mathilde en vergeleek haar met +haar vader, en prees in zijn eigen haar opoffering, die haar bij hem +deed blijven en haar wat een onrust bezorgde, terwijl het bejaarde +mannetje daar naast haar zat, zonder ook maar in 't minst te vermoeden, +waar die twee andere hoofden, vlak bij hem, aan dachten. + +Zij waren nu over de reels van den Rhijnspoorweg geschokt, en, met holle +galmen, door de Muyder Poort geholderdebolderd. Toen ze het gebouw van +Artis voorbij kwamen, had Jozef iets over den stijl daarvan gezegd, +waardoor hij weêr een goeyen indruk op de Stuwen maakte. Zonnige +stofwolken stegen achter de huizen van de nieuw aangelegde straten op, +waar het zand pas versch was aangedragen. Een wemeling van goudpoeyer +zweefde door de lucht, omhulde de daken van de huizen en stoof dan neêr +langs den straatweg in de Meer. Op de zachte, met laagjes hard zand +bedekte klinkers klonk de hoefslag van de paarden dof af, en van +tusschen de wriemelende boomenblaâren schoten zonnestralen over het +rijtuig, die dan weêr wechwoeyen voor de schaduwen van de deinende +takken. Rechts van den weg zag men, tusschen het heestergroen door, de +wit-blauwe grafzerken van de Ooster-begraafplaats blanker en nieuwer +schijnen in de zon. De heer de Stuwen was nu aan 't genieten. Hij werd +een beetje dronken van de warme najaarslucht; een loome en zoete +verdooving deed zijn boven-oogleden halverwege neêrstrijken; zijn +gezicht zette zich uit, een lammig waas wolkte om zijn persoon, een +begeerte om zijn eigen wezen, zijn kracht te verliezen en éen te worden +met die sterke lucht en die pittige atmosfeer, maakte zich van hem +meester. Hij had weinig gesproken en zweeg hoe langer hoe meer. Hij trok +traag en droomerig aan zijn cigaar. Jozef en Mathilde voelden ook de +buitenlucht door hun longen dringen, een gevoel van vrijheid en +natuurliefde overviel hen buiten de stad. Het weilandengroen en het +scherpe luchtblauw, waarin langzaam aan den horizont witte +wolkengroepjes naar boven klommen, kaatsten in teêre tinten op hun +gezichten af en stemden hen verweekelijkt en uitboezemens-gezind. Jozef +had zoetjes-aan zijn voeten tegen Mathilde de hare geschoven en nu +wreven zij er zachtjes tegen-aan. Nu kwamen zijn knieën ook altijd +dichter en dichter bij de hare. Telkens wanneer het rijtuig schokte door +de hobbeligheden van den weg en Jozefs knieën heen en weêr bewogen, +hield hij ze expres een beetje langer tegen de hare aan. Er vloden +aandoeningen van genoegen door zijn maag en vingers bij elke aanraking. +Men vorderde verder in de Meer en juist zette de koetsier de paarden aan +met de zweep om een oranje heerenwagentje voorbij te komen, toen men aan +het ouderwetsche landgoed Rozenburg rechts van den weg kwam, met zijn +oude boomen, verwaarloosde grasperken en stoffigen gevel. Uit het +schuimige slotenkroos, dat de straatweg van de buitenplaats afscheidde, +staken een wit mannen-en vrouwenbeeld omhoog, hun beenen in het eeuwig +stilstaand water. Zij stelden lang vergeten goden en godinnen voor. Zij +steunden het steenen bruggetje, dat de sloot overboogde met hun nu +verouderde en van spinnewebben omwemelde lichamen. De knieën van Jozef +en Mathilde sloten zich dichter aan-éen en drukten zich vaster samen, +terwijl de oude heer, in een dommel-roes, zijn kin over zijn foelaar +gebogen, en heerlijk genietend van de waayende warmte, zachtjes +verdoofde in de sterke lucht. + +Jozef begon in een soort van kinderlijke stemming te verkeeren. Hij was +blij te moede. Zijn zware cylinder hoed scheen hem van-daag bizonder +zwaar. Ook had hij, met een onoverdacht gebaar, zijn hoed een beetje +achterover gezet, o maar, zoo weinig, dat niet eens de lichtelijk in +zijn vel geperste streep zichtbaar werd, die, om dat zijn hoed altijd +juist op dezelfde hoogte zat, daar, vooral als het warm was, ontstond, +zoodra hij zijn hoed op zette. Jozefs oogen waren vriendelijk. Hij +voelde zich gelukkig en verlangend naar nog meer. Hij en zij leunden nu +allebei achterover tegen de ruggen van hun plaatsen. Zij hield +voortdurend, maar een beetje lager, een beetje gemakkelijker dan eerst, +haar parasol in de hoogte. Er leî zooveel gloed over haar gezicht, Jozef +zag, dat zij zoo niets liever verlangde dan op deze manier tegenover hem +te zitten en dan naar hem, dan naar de lucht en de boomen te kijken, dat +hij, in de onbestemde blijdschapsdriften, die naar zijn hersenen stegen, +haar pardoes, als een schooljongen, op allebei haar wangen had willen +zoenen, met haar schouders in zijn handen. Er was nu zoo'n heerlijke +geheime verstandhouding tusschen hen. Het was zoo pleizierig dat zij met +elkaâr zulk een dierbaar geheim hadden, waar vader nog niets van mocht +weten. Het hinderde wel de onmiddellijke verwezenlijking van hun +plannen, maar de blikken, waarmeê zij elkaâr nu konden aankijken en die +zij alléen begrepen, de fluisteringen, als zij alleen waren, de minste +handdrukken en aanrakingen, die beteekenissen kregen, dat alles gaf als +een zoete geur van verboden vrucht aan hun verhouding, ofschoon er niets +verbodens bestond. En deed het uitstellen om tot een oplossing te komen +minder zwaar vallen in de ruischende najaarslucht. + +Zij reden voort over Diemerbrug tot Weesp. Hier dronken zij iets en +kregen de paarden water en rogge-brood. Na ruim een half uur rusten, +reden ze te-rug. De koetsier kreeg order om tot Diemerbrug denzelfden +weg te nemen, en daar langs de vaart tot de Weesperzijde en daarlangs +weêr tot Amsterdam te gaan. + +Toen ze de Amstel te-rugreden, den Schollebrug op en af, over den hoogen +straatweg, in loggen draf door de paarden voortgesjord, was het al óver +half-zes geworden; Jans zoû wel boos zijn, nu ze zooveel te laat zouden +komen voor het eten. De oude heer had dit opgemerkt; hij was weêr +helderder van hoofd geworden in de verkoelende lucht. Hij keek met +welgevallen over de Amstel heen naar den overkant, waar wagentjes reden +en menschen liepen, of naar den hemel, waar de zon langzaam in 't +westen daalde. + +De heele hemel was wazig, wittig blauw, langzaam verduisterd. Voor hen +uit stond de koepeltoren van Paleis voor Volksvlijt omhoog met zijn +glazig grijzende kleuren, de magere spitse zwarte torens van de kerken +waren meer vanachteren en de nieuwe daken van de hooge huizen in de +Sarphatistraat staken zich op in een doffe dampenmassa, die zich boven +Amsterdam samenpakte. Zachtjes dreven uit het oosten nog licht-zwarte +wolkenbeetjes aan, heel in de laagte. Maar links van de huizendrommen, +in het westen, tusschen de tengere boomenstammen aan de +Utrechtsche-zijde, zonk de zon in de blauw-grijze verte, en spleten +goudroode kwispelende strepen de sombere wolken. Een helle vuurbol spoot +stralen er tusschen door. Een purperrood licht weêrkaatste in de +bovenste huizenruiten en éen rose teêrheid betintelde ruimte. In het +rijtuig werd de stilte stiller. Ieder zat voor zich-zelf te denken. +Mathilde voelde zich zonderling blij. Een smartelijke vreugde om zich +een onbestemde voorstelling te maken van wat toch niet wezen zoû, was in +haar. Overgegeven aan de veêren van den landauer om haar te wiegen, bij +kleine schokjes, en aan de warmte van de kussens, waarop zij nu al uren +had gerust, om haar rug en beenen te doordringen, en haar borst en +schoot koel in den avondwind, had zij haar hoofd naar achteren op-zij +laten glijven. Haar oogen waren bijna geheel dicht, zij betuurde door +een waas, tusschen haar lange ooghaartjes door, Jozef tegenover haar. +Maar zij zag hem als verkleind, in de verte, met een nauwkeurige +onderscheiding van zijn minste trekken. En door al de lucht, die +tusschen hen was en die zij voelde, heen, nam ze hem zoo op in haar +droomen. Zij liet zich gaan en hield zich geheel roerloos; nog altijd +omsloten zijn beenen warm de hare. Zij had haar parasol met twee handen +vast op haar schoot. Als door een onbekende heesche stem werd de +waarheid in haar oor gefluisterd, dat haar liefde altijd grooter werd en +nu gauw tot een voldoening moest komen. Al zóo lang was zij aan 't +wachten. En zoetjes, heel zoet en liefelijk, als een balsem die haar +huid en haar binnenste doordrong, liet zij zich door het denkbeeld +kussen, dat zij nu oogenblikkelijk de heerlijkheid, die zij wachtte, +tegemoet ging. In langzaamen dans, op de maat van den paardenhoefslag, +zuisden de hoopschijnsels door haar mijmeren. Zij droomde van een +vereeniging met hem, een eeuwig en alleen samenzijn. De geluiden van de +straat kwamen als verwarde en onverstaanbare kreten van onder den grond, +waarboven zij zweefde, op. Zij zag de hemeloneindigheid verduisterd om +haar heen, maar een onverdoofbare vlammende gelukzee in haar hart. Zij +wilde zich inbeelden, dat zij, terstond, nu dadelijk na het thuis komen, +van-avond in dezen laatsten zomeravond, dat verwachtte geluk zouden +hebben. En zij dacht dat 't anders nóoit gebeuren zoû, dat er na dezen +geen zomer meer te-rug kwam, en dat de lucht voor het laatst purpur was +geworden. Haar lippen werden nat. Zij wilde nu dadelijk drinken aan den +beker. Zij haakte naar die dronkenschap, dien roes van haar liefde. De +parasol viel uit haar handen, die half van haar japon wechvielen; zij +zwijmelde heen in hare verwachting. Het werd éen zachte rozengloed en +éen zaligheid voor haar oogen. Zij stak haar lippen vooruit, om Jozef, +wiens kus zij nu kende, voor goed te ontvangen. Toen dommelde zij wech +in een half slapende sluimering, na dat zij nog even een blauwen vonk, +de eerste ster, voor zich uit had gezien, dicht-bij, boven Jozefs +zwarten hoed. + +Diep uit haar doezel, schokte Mathilde wakker. En een stem, die haar +vreemd scheen, zij lachend luide: + +--Mathilde, wij zijn er ... Was-je in slaap gevallen? Zij kwam tot +zich-zelve, ernstig en kriegelig. Het was Jozef, die tegen haar sprak; +hij had zijn hand op haar knie gelegd, om haar wakker te maken. Zij keek +op; zij vond t' akelig donker, het was koud, het woei. Zij begreep niet, +wat er eigenlijk met haar gebeurd was. Zij drukte Jozefs hand te-rug, +die hij zelf niet gauw genoeg te-rug nam. Haar vader stond op om uit te +stappen; Jans hield, met een brommerig gezicht, de deur al open. De oude +heer hoestte erg. + +--O God, vader, u heeft stellig vreeselijk koû gevat. Wij hadden het ook +nooit moeten doen, nee nooit!, zeî Mathilde, die uit haar humeur was. +Zij sprong op den grond, vlak achter haar vader, voorbij Jozefs hand, +die haar steunen wilde. Zij drong zich naast haar vader in den gang, vol +onstuimig bezorgde vragen. Mankeerde hij nóg niet iets? Was hij niet +stijf, had hij nergens pijn? Ze hadden dien ongelukkigen toer nooit +moeten doen, 't was ook een vreemd idee geweest van Jozef nu de herfst +al in 't land kwam. Zij stootte haar vader zachtjes door de deur van de +achterkamer. Jans had ten minste voor wat vuur gezorgd; dat was goed. +Zij nam den oude heer zijn hoed en overjas en boeffante af en zette hem +in zijn leuningstoel hij de kachel. Daarna, nog met haar hoed op, rende +zij naar boven, kwam te-rug met zijn pantoffels en sjamberloek, trok +zelve zijn schoenen uit, hielp hem verder op zijn gemak. Toen dacht ze +er pas aan haar handschoenen en hoed af te doen en naar Jozef te kijken, +die stil in de kamer was komen staan, zijn hoed in zijn eene hand, de +andere in zijn broekzak frommelend, waar zijn beurs, waaruit hij den +koetsier een fooi had gegeven, maar niet plat wilde liggen. + +--Als vader zich maar geen ziekte op zijn hals heeft gehaald, zeî ze tot +Jozef, nu weêr wat kalmer. + +--Wel nee, andwoordde hij, geen kwestie van, zóo koud was 't niet. En +Jozef nam afscheid om in de club te gaan dineeren. De heer de Stuwen +bedankte hem hartelijk voor het ritje. Hij had veel genoten van de +buitenlucht. Maar men moest Mathilde haar gang maar laten gaan, dat +goede kind! + +Dien avond was Mathilde vol bizondere teederheid voor haar vader. +Ofschoon hij verzekerde niets te mankeeren, verzorgde zij hem op alle +mogelijke manieren. Zij liet hem warme grokjes drinken, liet hem vroeg +naar bed gaan, ging nog tweemaal voelen of zijn kruikje heet genoeg was, +en kwam nog eens kijken of hij zich wel wél voelde, een half uur na dat +hij naar boven was gegaan. + +Hij was nog niet heelemaal in slaap en ging rechtop zitten, toen zij +binnenkwam. Zij kwam hem nog eens een nachtzoen geven, zeide zij. + +Haar armen om zijn mager lichaam, vroeg zij, in een opbruising van +teederheid: + +--Zal u gezond blijven, zal u nooit, ten minste in de eerste twintig +jaar niet, sterven? O, vader, u is het eenige wat ik heb, als u sterft, +zoû ik zoo verlaten zijn en niemant hebben op de wereld. En zij zoende +hem nog eens hartstochtelijk en drukte haar hart tegen het magere +nachthemd van den ouden man en warmde hem aan haar jonge lijf. Daarna, +toen zij haar in het rijtuig opgekomen begeerte om liefde te besteden +had voldaan, sliep zij in. + +Den volgenden middag tegen vier uur begon de heer de Stuwen te bidderen, +hij kreeg het koud door al zijn leden, hij was ongesteld, om vijf uur +ging hij in zijn bed liggen. Mathilde, die doodelijk ongerust werd, +hielp hem; om zes uur kwam de dokter, dien Jans was gaan halen, dokter +Hansen, een klein rood-bruin-mager altijd veertigjarig mannetje achter +een gouden bril. Den volgenden morgen was de Stuwen stijf door zijn +heele linkerzij. Om éen uur kwam de dokter weêr en verklaarde, dat +Mathildes vader zware rheumatische koortsen onder de leden had, en dat +de ziekte, die lang en kort duren kon, zich nog al niet gemakkelijk liet +aanzien. Mathilde merkte dat er een heel nieuw soort leven voor haar +misschien zoû beginnen; tusschenbeide ten minste kwam deze gedachte als +een heel vreemd iets door haar hersens. Maar zij was veel te bezig den +heden dag, dan dat een oogenblik van gedachte door iets anders ingenomen +werd dan door vaders ziekte en de mogelijke uitkomsten. Zachtjes, voetje +voor voetje, liep zij de trappen op en neêr van den morgen tot den +avond. Op verzachten toon werden Jans allerlei dingen gezeid en allerlei +zaken opgedragen, die zij grommend over de drukte, opvolgde en +uitvoerde. Er was den god-ganschelijken dag een gefluister en glippen +van japontippen over de trap en een doodelijk stille bedrijvigheid door +het huis. Zachtjes klepten de deuren toe; Mathilde had een katoenen +lapje om de huisschel gewikkeld, wat de dokter zelf een overdreven +voorzorg noemde. Nu was de heer de Stuwen gelukkig een zwijgende, +geduldige zieke; een enkelen keer maar, vooral 's nachts, dreunde er een +dof gekreun door het huis, wat Jans aan spoken denken deed. Het uiten +van zijn pijn bestond bij den ouden heer in het kronkelen en wringen van +zijn stramme leden en het zwaar zuchten, hijgen, sidderen en kuchen. +Werd de pijn al te bar, dan sparde hij zijn oogen wijd open, zoodat het +wit over de randen scheen te zullen loopen. + +Gedurende de eerste zeven dagen van de ziekte was Mathilde niet uit haar +vaders slaapkamer te slaan. Den heelen dag had zij iets te doen, dan +hier, dan daar in de kamer. Zij had den tweeden dag al haar borduur-en +teekenwerk van boven gehaald en in een klein hoekje bij het venster +gelegd. Alleen om de atmosfeer niet te benauwen, ging zij beneden in de +achterkamer, driemaal per dag, even heel gauw eten. Den derden dag, toen +de ziekte met schrikbarende snelheid heviger werd, had zij, een eindje +voór haar vaders ledikant, een kermis bed met Jans opgericht, en daar +bracht zij nu de nachten door. Verder hielp zij haar vader met alles, +met een zenuwachtige en overdreven bezorgdheid. Zij alleen wilde +volstrekt alles doen en in orde maken. Sprak dokter Hansen van een +ziekenoppasser nemen, drong hij aan, noemde hij dat een noodzakelijken +maatregel, daar op den duur toch Mathildes krachten niet toereikend +zouden blijken, dan wilde zij van niets hooren, zij weigerde +halsstarrig. In haar gesprekken met den dokter maakte zij haar armen +bloot en wrikte haar schouders op en neêr, om te toonen hoe krachtig en +lenig zij was. Met Jozef had zij ook een hevige woordenwisseling. Als +zij hem, bij zijn dagelijksche bezoeken om naar den ouden heer te +vragen, uitliet, en hem, beneden in der haast fluisterend in den gang te +woord stond, verzekerde zij hem, dat zij 's nachts uitnemend rustte en +zelfs zwaar sliep, en dat dit ruimschoots opwoog tegen de gejaagdheid, +de angst en het werk van overdag. Hij kwam op het denkbeeld om van haar +liefde voor de piano gebruik te maken, om haar wat afleiding te doen +nemen. Op een middag wist hij haar naar het zaaltje te dringen, en haar +aandrift werd daar wezenlijk zoo sterk, dat zij samen weêr heelemaal een +ouderwetsch uurtje doorbrachten, zij op het krukje voor de piano haar +geliefde themaas aan 't spelen en hij er naast op een stoel, vlak bij +haar, kleine bedenkingen opperend, goedkeurend en toejuichend, den aard +van de melodiën met haar besprekend, over het gevoel, de bizondere +nuance, die in deze of gene noot te leggen was uitweidend. Toen was Jans +binnen komen sloffen, en kwam vragen, kompliment van mijnheer en of de +jufvrouw geen stukjes kon kiezen, die wat minder hard klonken, want dat +mijnheer het aan zijn hoofd niet goed kon verdragen. Mathilde stond op +met een bedaarde woede, die Jozef verwonderde, sloot de piano met +vastberadenheid en borg de muziekboeken wech. Zonder een woord te +spreken stapte zij naar boven. Haar vader, die eigenlijk erg lette op +nommero éen: verschrikkelijk bang om dood te gaan, had zich-zelf uit +zijn bed weten te werken en stond al bidderend bij de tafel zijn +terpentijn-drankje klaar te maken, om dat het uur van innemen al voorbij +was. Mathilde begon hierover te huilen, dat hij er meê uitscheê en 't +haar liet doen. Jozef had zich beneden uit de voeten gemaakt. Aan éen +stuk bleef Mathilde nu twintig uren boven bijna zonder te eten, zonder +te slapen. Toen zij eindelijk weêr in de achterkamer kwam, om bouillon +te eten, sloop zij op haar teenen naar het zaaltje, zocht naar het heele +kleine sleuteltje, waarmeê de pianoklep afgesloten worden, in het laadje +van 't paars-bruin muziekkastje er naast, vond het, sloot de piano dicht +met een ernstig gezicht, ging toen naar de voorkamer, maakte het venster +open en gooide onder een koortsigen glimlach het sleuteltje over de +gracht in de wal. + +De ziekte van den ouden heer was nu op zijn ergst geworden. Het begin, +de eerste hevige stooten waren voorbij, nu was zijn lichaam met kalme, +zware aanhoudende pijnen. Mathilde verzorgde hem voortdurend hetzelfde +en zonder ongeduld. Zij dacht veel aan Jozef, ook vooral als hij er niet +was, maar de telkens in denzelfden vorm opkomende gedachte, die telkens +weêr te-rugkwam als ze haar driftig had wech gestooten, zoo als de +altijd weêr verschijnende telegraafpalen, die men te niet zoû willen +kijken door het raampje van den sneltrein, maar die met een ruk weêr +aankomen, die gedachte bleef haar als een zoete kwaal met een onbestemde +heerlijke hoop vullen. Gelukte het haar 's avonds in te slapen, dan +voelde zij in den doezeltoestand, waarmeê haar slaap begon, in die +oogenblikken dat zij zelve niet wist of zij wakker was of sliep, en als +hij zich weêr heelemaal van haar denken had meester gemaakt, haar +vleesch koud, maar de hoop, zonder begeerte-voorstellingen, bleef +bestaan en regende door de vale duisternis van de ziekenkamer haar +zinnen binnen. Over-dag wilde zij niet aan hem denken, zij vond dien +hartstocht nu akelig wereldsch vergeleken bij den heiligen plicht, dien +zij vervulde. Dit was nu het leven, dit was nu de ware hooge roeping van +een vrouw, en het andere was wereldsch, was slecht, was uit den booze en +niets dan ijdelheid. + +Na vier weken was Mathilde half-ziek van afgematheid. Zij kon, zij kôn +doodeenvoudig niet meer. Wanneer zij niet oppaste zoû zij-zelf ziek +worden, en wat dan, dan kon zij toch zeker haar vader heelemaal geen +goed meer doen. Zij had zich-zélf zoo gemaakt, zij had het werk, dat zij +zich had opgelegd, overdreven. Zij had er een genoegen in gevonden zich +af te sloven, dát te doen, wat zij wist dat overbodig was. Zij had een +vaag verlangen gevoeld om zich zelf te vernietigen; zij wilde Jozef +vergeten, zij wilde zich dood sloven om haar vaders leven te behouden. +Het was de onbevredigde liefde voor Jozef, het onuitroeibaar onvoldaan +verlangen, de stormende en stijgende zucht om haar leven aan zijn doel +te geven, die zich in dezen hartstocht van verplegen een doorweg baande. +En voor een gedeelte was zij geslaagd, zij had zich-zelf zoo weten te +verzwakken, dat de dokter en Jans haar op een morgen met geweld aan de +ziekenkamer onttrokken en naar bed brachten. Toen sliep zij achttien uur +achter mekaâr. En zij voelde zich zoo krachteloos, dat zij zich wel +moest laten aanleunen, het verschijnen van een liefdezuster, beneden, +die men zich gehaast had te laten komen. Maar twee dagen later sukkelde +zij in haar grijzen peignoir, door Jans ondersteund, weêr de trap af; +zij wilde haar vader zien. Hij was nog hetzelfde; hij had zoo'n rillende +en huilende pijn, door al zijn leden, vooral door zijn linker zij, dat +men biezen hoepels om zijn matras had gespannen, om zijn dek op te +houden, daar hij zelfs de druk van de dunne lakens en van éen katoenen +deken over zijn beenen en borst niet velen kon. Hij jankte tusschenbeide +als een hond. + +Een week later bleef de pijn bij lange tusschenpoozen wech. Na nog een +week beterde hij merkbaar. Mathilde, die weêr aansterkte, zat in de +voorkamer beneden te teekenen en te borduren; elke tien minuten liep zij +de trap op om naar haar vader te kijken. + +Jozef kwam elken dag áan. Hij stuurde nu geregeld verfrisschinkjes voor +den ouden heer; en voor Mathilde de laatste bloemen van het jaar. +Mathilde vond 't heel mooi van hem, dat hij nooit vergat te komen. Zij +zag hem op de vaste uren, altijd netjes aangekleed, altijd even lief en +hartelijk, met zijn trouwe, nu beproefde, dacht zij, onveranderlijke +liefde. Hij bleef nu dikwijls een half uur alleen met haar in de +voorkamer, na boven den vader te hebben bezocht. Iederen ochtend zag zij +weêr met meer verlangen naar zijn komst uit. Zij begon bij zich-zelf te +redeneeren, dat vader waarschijnlijk, zoo hij al beterde, toch ziekelijk +blijven zoû, en heel hulpbehoevend zijn volgend leven. Zij zoû zich niet +van hem kunnen scheiden en hem moeten blijven verzorgen tot aan zijn +dood. En langzamerhand ofschoon zij eerst voor haar eigen weinige +zelfstandigheid te-rugdeinsde, werd zij gewaar, hoe zij zich neêrleî bij +het denkbeeld om Jozef te trouwen en vader in huis te nemen, met hun +drieën verder samen éen leven te leiden. Haar bezwaren van vroeger +kwamen nog zwakjes op, maar verbleekten en schenen vernietigd te zullen +worden. Weêr dacht zij aan de kinderen. Men moest verstandig zijn, men +moest, wilde men zoo een gewichtigen stap doen in het leven, niets over +het hoofd zien, alles wikken en wegen, alle bezwaren indachtig wezen. +Zij dacht dan, dat de kinderen misschien vooreerst niet zouden komen, +dat, al werden zij hun werkelijk gezonden, alles toch nog misschien +geschikt zoû kunnen worden. Alles wat vroeger een onoverkomelijke +hinderpaal scheen, werd nu makkelijk uit den weg te ruimen. In alle +gevallen bleek gemakkelijk te kunnen worden voorzien. Zij zouden dan +maar, zoo lang vader nog leefde, niet veel menschen zien en probeeren +het huis stil te houden. + +Eens op een Donderdag-middag waren de heer en mevr. Berlage een kaartje +komen poesseeren, de ingenieur Ster was er ook al verscheidene keeren +geweest, om deelneming in de ziekte van den huisheer te betuigen, maar +Mathilde ontving niemant, voorgevende zelf ook nog ongesteld te zijn. +Zij wilde alleen zijn met al haar gedachten. Die nacht, van Donderdag op +Vrijdag, deed zij bijna geen oog toe en lag zij aldoor aan Jozef te +denken. Vrijdagochtend tegen elf uur, den tijd, dat hij komen moest, was +zij zoo ontzettend verlangend naar hem, dat ze het venster van de +voorkamer open schoof en in de Oktober-koelte haar haren liet zwieren om +naar hem uit te zien. Zij reikte zoo ver mogelijk naar voren, dat haar +borst er zeer van deed. + +Toen hij kwam, maakte zij open: + +--Ben-je daar? Zij gaf hem stil een arm. Samen gingen zij naar boven. + +Na dat Mathilde Jozef zich had laten overtuigen, hoe-of vader beterde +met den dag, hoe opgewekt hij er weêr begon uit te zien en met hoeveel +pleizier hij zijn krantje las, en hoe lekker hij weêr brood at, stonden +zij op het portaaltje buiten de deur van de ziekekamer een oogenblik stil. + +--Ik ben boven aan een aquarel bezig, die nog al goedgaat, zeî Mathilde. +Ik zal hem eens even halen, dan kan-je zien. Zij ging twee treden van de +trap op en keerde zich toen om. In een wangenwarmte en een verlegen +lachje, zeide zij: Ja, hij zit eigenlijk strak gespannen, vast gestoken +op een houten bord ... Ik heb ook nog een heeleboel op mijn tafel liggen, +om je te laten zien. Wil-je niet even meêgaan? + +Het denkbeeld om Jozef haar kamer binnen te brengen en hem alles daar te +laten kijken bekoorde haar erg. Dat Jans iets zoû denken, viel niet in +haar; Jozef was een oude huisvriend. Toch een beetje aarzelend ging zij +hem vóor, en ze werd in-éens heel rood, toen zij zijn stap achter haar +hoorde, zoo hoog in het huis, de trap op. Maar de kleur bleekte zachtjes +op, toen zij haar deur openduwde. Het was buiten geen bizonder klare +dag, integendeel, het kon op regen uitdrayen. Zij wist niet waarom, maar +toch trok zij de gordijnen niet op. Hij trad op haar toe en nam haar bij +haar arm. Sints dien eenen zoen, op dien grooten morgen, hadden zij +mekaâr niet meer gezoend. Want een schijn van verkoeling had er +wezenlijk bestaan. Hij zoende haar dan even, zachtjes op haar wang. Zij +kleurde zijn gezicht met de liefde van haar oogen, maar zoende niet +te-rug. Zij vond den toestand toch wel een beetje vreemd, zoo, hier op +haar kamer. Op-éens merkte zij haar nachtjak, dat voor het bed op een +stoel lag. Zij gooide het jak gauw op haar bed en deed de gordijnen +zorgvuldig over mekaâr en de stoel er tegen aan, zoo dat er geen opening +meer zichtbaar bleef. + +--Ga nou maar even voor de tafel zitten, zeî ze, dan kom ik naast je +zitten. + +En samen bogen zij zich over de teekeningen en bezagen alles. Zij +vermeed zijn blikken en leì hem haar moeite en haar werk uit, haar oogen +naar de tafel. Plotseling zeiden zij geen van beiden een woord meer. In +de stilte keken zij allebei voor zich uit. Toen nam hij een besluit en +maakte een gauwe beweging. Hij deed zijn arm om haar middel en trok haar +naar zich toe, zijn hand aan haar borst. Een hitte steeg in haar op. Zij +ging achter over, haar hoofd op zijn schouder. Haar lichaam hijgde naar +boven in zijn armen. + +--O, fluisterde zij, zonder te weten wat zij bedoelde, ik kán nu niet +langer wachten ... Laten wij toch trouwen. + +En zij wrong zich naar hem toe, op zijn schoot, tegen hem aan. Hij viel +haast òm met stoel en al. Zij maakte zich tot een klein kind aan zijn +borst. Zij dook in-één in de houding, als toen zij, zoo lang geleden, +als klein kind speelde op zijn schoot en hem aaide. Zij nam zijn hoofd +tusschen haar handen; zijn haren sidderden onder haar vingers. + +--Wij zullen trouwen, nietwaar, gauw, zoû gauw mogelijk? + +En zij zoende zijn gezicht wit en hijgde heet over zijn wangen. En zij +streelde alles aan hem, zijn hoofd, zijn gezicht, zijn schouders, zijn +hals, zijn borst. Zij zoende zijn wenkbrauwen, zijn oogen, zijn lippen, +zijn voorhoofd, zijn das, alles wat van hém was. Jozef andwoordde zonder +te spreken, met te-rug te zoenen. Toen zonk zij met dichte oogen, haar +hoofd op zijn houder, haar handen achter zijn hals samengeklemd, tegen +hem neêr. En ze zeiden allebeî niets, hun hoofden waren heet in de +vreemd-warme kamer, Daarna gingen zij zachtjes samen weêr naar beneden. + + + + +IV. + +Jozef en Mathilde spraken af dat hij, zoodra de oude heer weêr heel +hersteld zoû zijn en beneden in huis weêr in zijn oude leventje, een +formeel huwelijksaanvraag doen zoû. Mathilde-zelf durfde er niet het +eerst over spreken. Zij doorwachtten nu het langzaam beteren van den +heer de Stuwen. Over een groote veertien dagen, had dokter Hansen +gezeid, zoû de vader zich weêr gemakkelijk bewegen kunnen en de trappen +op-en afloopen. Tot zoolang moest men geduld hebben, want Mathilde +bracht Jozef aan 't verstand, dat zij volstrekt niet gissen kon, wat +vader van de tijding denken zoû. Als hij weêr op zijn gemak den gewonen +levensloop volgde, moest men hem alles meêdeelen. + +Met dendag draaide nu de oude heer bij. Hij begon eerst wat beter te +eten, toen bleef hij even ópzitten met zijn koeranten, toen stopte hij +zijn pijpjes, toen begon hij pleizier in keuvelen te krijgen, en +eindelijk stapte hij de duffe ziekenkamer uit. Dit zal nu een dag of +tien geleden geweest zijn. + +De maand Oktober eindigde stil. Het was een heldere koele avond buiten. +Er passeerden weinig menschen op de gracht. De heer de Stuwen zat voor +de tafel in de binnenkamer. Het kolomkacheltje brandde flauwtjes. De +gasbekken waren boven het grijze hoofd ontstoken en hij las de krant +onder 't soppen van een tafelbeschuitje in een juist weêr volgeschonken +nagemaakt blauw Saksiesch theekopje. Tegenover zijn plaats aan tafel +stond een groot ouderwetsch bruin blad met opstaanden rand in koperen +beslag. Het vlammetje onder het oud-zilveren theepotje bewoog: zóo hoog +stond het ouderwetsch toestel, met de ketel met kokend water, dat de +stoom tegen het lichtje áankwam. De overgeblevene helft van een +manille-cigaar lag op het met asch en gestortte suiker bedekte +schoteltje, naast de linkerhand van den heer de Stuwen, waarmeê hij de +krant vasthield. + +Mathilde was juist wechgegaan om klarigheid te maken om met haar vader +naar de komedie te gaan. + +Daar werd hard aan de voordeur gescheld. Toen Jans bijna bij de voordeur +moest zijn, gingen de Stuwens blikken even luisterend links langs het +bedrukte blad, zijn mond ging op een kiertje staan: Wie, dacht hij, kan +daar zijn? + +Jozef was aan de deur. De Stuwen herkende zijn stem toen hij Jans +goeyen-avond zeî, en vond 't vervelend, dat hij juist nû kwam. + +--Zoo, van Wilden, ik had niet gehoopt je van-avond nog te zien. + +--Hoe maakt u 't, meneer de Stuwen? ... Ja, ik zal u zeggen ... ik woû u +graag eens spreken ... over ernstige zaken ... + +--Nou, kom binnen, kom binnen ... Jans, neem meneer z'n jas eens aan. + +--Nee, dank u, die zal ik maar aanhouwen ... Ik zal u niet lang +ophouden ... ik heb maar weinig tijd. + +--Ga zitten ... zoo, en wat heb je nu voor gewichtigs? + +De Stuwen was ook weêr gaan zitten. + +Jozef zat op de kleine kanapee, die tegen den wand stond. Zijn +cylinder-hoed stond naast hem op het karpet met de lichtrood zijden +voering naar boven. Zijn overjas hing open; zijn ellebogen stonden op +zijn knieën; zijn donkerbruine glacé-handschoenen kraakten sisten tegen +mekaâr; zoo krachtig poogde hij zijn handen te vouwen. Zijn hoofd hield +hij gebogen, zijn oogen neêr. Een enkelen keer dwong hij ze echter den +heer de Stuwen sterk aan te zien. Hij sprak boekachtig. + +--De stap die ik doe is wel een beetje onvoorbereid, meneer, ... maar wij +zijn toch al oude vrienden en daarom ben ik er des te gereeder toe +overgegaan ... Meneer, ik kom de hand van Mathilde vragen ... + +Jozef hoeste en keek den ouden heer lang, heel lang met zenuwachtig +trillende oogen aan. + +--Houdt zij van u? + +--Ja, meneer, dat weet ik ... Wij hebben samen al over ons hartsgeheim +gesproken ... Zij heeft mij wel lief en ik, ik haar onuitsprekelijk ... + +--Ik moet je ronduit bekennen, dat je me erg verrast. Ik had nooit aan +zoo iets tusschen jullie gedacht. Je scheelt, als ik wel heb, dertien +jaar met mijn dochter. Je karakter ken ik genoeg ... Maar wat praat ik? +Wat moet ik beginnen, als jij met mijn eenig kind gaat strijken? ... De +Stuwen huilde nu. Van Wilden, ik houd zooveel van dat kind, zij is 't +eenige, wat ik nog over heb ... Mag ik wel vragen, oprecht en vrij, +hoeveel inkomen je wel hebt, van Wilden, en hoe je je huishouden denkt +in te richten? ... Wezenlijk, je komt me zoo met je aanbod uit de lucht +vallen, dat ik er heelemaal door in de war ben ... Laat me d'r eens wat +over denken, hè? ... Kom dan over een week of zoo maar mijn antwoord +hooren ... Gut, jongen, van Wilden, geloof me, ik had zoo iets nooit +vermoed ... Ik houd van je, dat weet je, en 't geluk van Mathilde gaat +mij erg ter harte ... + +Jozef was opgestaan, beverig, klammerig. Boven in huis zong Mathilde het +liedje uit Faust van den koning van Thule; zij kwam de trap af. Toen zij +aan de onderste drie treden was, had ze juist haar handschoenen dicht +geknoopt en kwam nu met een sprongetje de achterkamer binnen: Vader, +is u klaar? + +Jozef had nog juist kunnen zeggen: + +--Mag ik u dan per schrift nog 't een en ander over mijn zaken +melden? ... Ik hoor Mathilde, bedenk u nu rustig ... ik wil ook niet dat +er in deze kwestie iets te overhaast of tegen uw goeddunken gebeuren +zal, ... maar ... vóor alles, ... houd in 't oog dat niemand haar ... in +staat is haar ... gelukkiger te maken, ik ... daar is ze, ... dat ik +oneindig veel van haar houd ... Tot ziens dan! + +Hij kwam Mathilde aan de deur tegen. Hij dorst niet tegen haar te +glimlachen. Zij zag ontsteltenis in zijn oogen. Zwijgend drukte hij haar +hand. Zijn hand beefde. Zij zag haar vader ook opgewonden. Zij begreep +dat Jozef alles had gezegd. Eén oogenblik had zij de gedachte haar vader +te omhelzen en hem zoo smeekend aan te zien, dat hij dadelijk zijn +permissie zoû geven ... éen oogenblik maar, want zij hield zich in en +ging stil in de kamer staan. De heer de Stuwen liet Jozef uit. De +buitenlucht koelde de gezichten van Jozef en de Stuwen af. Jozef nam +zijn hoed af en verdween in de schemering van 't lantaarnlicht aan den +wallenkant. + +Vijf minuten later ging de oude heer met Mathilde naar de komedie. Jans +liet ze uit en bleef verder in haar eenzaame keuken te-rug om naast de +poes in te dommelen zonder te merken dat de lamp knersend uitging. + +De Stuwen en Mathilde zeiden dien avond weinig tegen mekaâr. + + * * * * * + +Dien avond, een paar uur na dat hij bij de Stuwen geweest was, ging +Jozef naar de club. 't Was al over tienen. Het gas in de winkels vlamde, +de gordijnen voor de clubventers waren neêr. Jozef draaide den hoek om +en richtte zich naar de deur in gezelschap van twee andere elegant +gekleedde heeren. Beneden, van de keldervensters van het clubgebouw, +steeg een warme damp van gekruid eten op in de neuzen. + +De straathoek hier was vol loopende menschen. De lucht stond bewolkt en +de gezichten blonken geel in het gaslicht. De oogen blonken, als lichten +van diep uit de hoofden schijnend. Soms ging het geraas van rijtuig en +paard plotseling van de straatsteenen over in het doffe geklok van den +hoefslag op het asfalt. Schorre fruitventers-kreten, heesche +jodenschreeuwen een schel hondgejank riepen op onder de schuifelende +gebarende en gesprekken houdende menigte, donkere lijven in een ver +gebrom en een morrend gesuis tot de lucht. + +In hun baarden lachend wandelden Jozef en zijn kennissen langzaam. Boven +de fluweelen kragen van hun overjassen schemerden, in helder witte +boorden geklonken, hun roode door de pret vettige halzen. Er kwam een +donkere jufvrouw onder een breedgeranden rubenshoed achter hen aan. Zij +kuchte. Jozef keek om. Van weêrszijde werd toen giechelend gelachen. + +De groote zaal van de club was in lichte kleuren beschilderd: licht-rood, +lila en blauw; ovale vakken met bloem-en fonteinafbeeldingen, gescheiden +door half uit den muur gebouwde hoekige pilaren, die van boven en van +onderen zich in een opeenhoping van gouden krullen verloren. De +bloemvakken werden afgewisseld door geslepen spiegels. Midden in den +zaal stonden drie bieljarten, waar heeren met lekker-ruikende-baarden in +hun overhemdsmouwen om heen liepen; de lampekappen stortten het licht +over de bieljarten neêr, dat de spelden in de kleurige dassen deed +blinken, maar de gezichten in de schaduw liet; de heeren droegen de +keuën geweêrsgewijze over den schouder, de pomeranz, met krijt +besmerend. Achter in de zaal stond de lankwerpige groene leestafel, waar +meer bejaarde heeren kranten lazen; aan de vensters waren de zwart +ebbenhouten tafeltjes; kletsende, rookende heeren zaten er om heen +grokjes te drinken. + +Jozef kwam binnen met zijn vrienden. Een knecht vol blauwe liverei met +zilveren knoopen nam de over-jassen en de hoeden aan. Aan een tafeltje, +dicht-bij de deur, waar al drie jongeluî aan zaten, gingen zij ook. + +--Bonsoir, Hasman ... Dag, Piet, hoe maak jij 'et? D'Ablaincourt! ... +Zitten jullie hier al lang? + +--Nee, even maar, we hebben koffie gedronken in Suisse. + +--Was 't er vol? + +--Nee, och God, niemant. + +--Jawel, en Dobber van Rotterdam dan? Zeî Hasman. + +--O, was die d'r ook? Die heb ik t'r gisteren gezien, zeî Jozef. +Verbeel-je, hij proponeerde me om een spelletje ekartee te spelen, maar +dat kon ik niet doen, dat begrijp je, nee, zeg ik, dat gaat hier in +Amsterdam volstrekt niet, als de menschen mij hier na den eten ekartee +zagen spelen, zoû ik morgen aan de Beurs niets te doen hebben. + +--Nou, zoo erg geloof ik nou niet, dat het is, zeî Piet. + +--Asjeblieft, zeî Jozef, de menschen zijn hier nog verschrikkelijk +kleinstädtisch. Ik durf in geen publiek koffiehuis kaart te spelen. Dat +kunnen alleen renteniers doen en in geen geval jonge menschen, die in +effekten doen. + +D'Ablaincourt was met den knecht aan 't overleggen wat hij drinken zoû. + +--Mag ik je iets offreeren, van Wilden? + +--Ja, groc américain, heel graâg! + +--Jongens, ik heb vandaag zoo'n mooye meid gezien, zeî Hasman. + +--Ja? Waar? + +--Op de Heiligeweg. Ik ben d'r nog een tijdje nageloopen door de +Leidsche straat, maar 't duurde me te lang. + +--Ja, à propos, van Wilden, hoe staat 't met jouw Lucie? + +--Dank-je, heel goed; jammer, dat 't uit is tusschen ons ... maar van den +anderen kant toch niet jammer, want ik geloof dat 't heel goed is, dat +ik nu eindelijk eens ga trouwen. + +--Ja, maar, beste vrind, wat heb je aan een ongefortuneerde vrouw? + +--O, dat hangt er heelemaal van áf ... as je een meisje trouwt, mooi, en +die op je verliefd is, en als je dan de overtuiging hebt, dat je een +uitstekende getrouwde man zal zijn ... Ik zal veel van d'r houën en we +zullen 't heel goed met mekaâr kunnen vinden. + +--Jongen, jongen, wat ben jij toch 'n degelijk mensch ... en dan na een +jaar of zes zoo vijf kleine springertjes om je heen ... heel plezierig +nie-waar? Je bent tóch altijd zoo'n liefhebber van kinderen! + +--O, waarom niet, andwoordde Jozef, al sjouw je wat voor dat je trouwt, +daarom kan je later toch wel een goeye huisvader zijn. + +--Ja, en je leeft op 't oogenblik ook heel bedaard, dat is waar. + +--Wel zeker, heel bedaard, maar, beste jongen, dat heb ik altijd +gedaan ... ik leef altijd bedaard ... ik ga nu van-avond bijvoorbeeld +waarschijnlijk weêr eens dood bedaard naar Josephine uit den Haag. + +De knecht kwam nu met een platina blaadje, waarop drie grocs américain +stonden, die de heeren met een lucifer aanstaken, zoo als ze het in +Parijs hadden zien doen. + +--Op je aanstaande, Jozef! zeî een van de andere heeren, zijn glas in de +hoogte. + +--Blaas eerst de vlam uit, je zal je branden, riep een ander er +tusschendoor, om een aardigheid te zeggen. + +--Nou, en ik drink op Josephine! zeî Hasman. + +--Nee, profaneer niet, zeî Jozef, je moet geen dingen met mekaâr in +verband brengen, die niets met mekaâr te make hebbe. + +--Nee, dat moeten jullie ook niet doen, zeì de heer Blas, die tot nu toe +gezwegen had en voor een heel verstandig mensch doorging, maar, van +Wilden, ik zoû je toch wél eens iets willen vragen ... hoe of jij toch +eigenlijk de meisjes op je verliefd maakt, bijvoorbeeld, zonder +indieskreet te willen zijn, je aanstaan nu, die houdt nou toch bepaald +van je, nietwaar? + +--Ja wel, ik hoop het ten minste wel. + +--Hoe komt dat dan nou? Je bent altijd op de Beurs, op je kantoor, hier +in de club, en je neemt het leven verder nog al luchtig op, je bent +zelfs een beetje fatterig, hoe kan jij een meisje uit een stille +burgerlijke ingetogen familie zoo gecharmeerd op je maken? + +--Dat is nog al eenvoudig, andwoordde Jozef, ten eerste, omdat haar +vader en zij met weinig menschen omgaan en ik zoo wat de eenige jonge +man ben, dien zij kent, ten tweede om dat ík veel van haar hoû. + +De heeren zaten met hun ellebogen op de tafel, met de eene handen de +hoofden steunend of aan de glazen, de andere in de broekzakken en op +tafel trommelend, te luisteren; om hen heen leefde de zaal in het rollen +en klotsen van de bieljartballen, het applaudiseeren voor een mooyen +stoot met een licht geklop van de keuën op den vloer en het stemgegons +van de babbelende tafeltjes met een enkelen luiden schater; de rooknevel +van geurende cigaren steeg langzaam naar de zoldering. + +Na een uurtje begonnen Jozef en zijn vrienden zich te vervelen. Aan +andere tafeltjes spraken zij nog een paar vrienden aan, en groetten een +paar kennissen en gingen nog een beetje de straat op. + +Twee dagen later ontving de heer de Stuwen een dik zorgvuldig toegemaakt +koevert, dat hij ook op een avond, ook in zijn achterkamer, bij het nog +flauwer brandend kolomkacheltje, openmaakte. + +Jozef legde er zijn maatschappelijken toestand in bloot. Hij was +eigenaar en bestuurder van een effektenzaak, die jaarlijks een acht-à +tienduizend gulden afwierp. De omstandigheid, dat hij aan een bekwaam en +ijverig kashouder de leiding van het kantoor had toevertrouwd, stelde +hem in de gelegenheid zijn tijd, die niet aan het maatschappelijk +verkeer was gewijd, met lezen en studeeren door te brengen. Dikwijls was +hij maar een half uur per dag op zijn kantoor en zijn overigen tijd +thuis, of, zelden, in de club. Maar 't sprak dat hij voortaan al zijn +lidmaatschappen van sociëteiten en verdere celibatairs-genootschappen op +zoû zeggen, om met zijn vrouwtje, alleen voor en in zijn eigen huis te +leven. Hij wilde zich ook ernstiger nog als nu op de studie toeleggen, +een bezigheid, die, wilde zij vruchten dragen, op zich zelf al veel van +zijn vorderen zoû. + +Terwijl de Stuwen den brief weêr bij de andere papieren in den omslag +leî, dacht hij na over het besluit dat hij zoû nemen. Hij glimlachte. +Mathilde had sinds die paar dagen nauwelijks van Jozef durven spreken. +Alleen gisteren-avond, toen hij haar een beetje plechtig had afgevraagd, +of zij wezenlijk, in het volle besef van wat de toekomst zoû brengen, +van Wildens vrouw woû worden, had zij hem doen blijken, hoeveel zij van +Jozef hield. Zij verzekerde alles overwogen, over alles nagedacht te +hebben en tot het besluit te zijn gekomen, dat haar toekomst was aan de +zijde van dien man te leven en te sterven. + +Er was dus, dacht de Stuwen, niets tegen het huwelijk ... Hij had immers +zelf, hij, die Jozef misschien 't best van allen kende, toch nog de +laatste dagen hier daar in de stad naar de reputatie van zijn aanstaande +schoonzoon geïnformeerd en overal waren hem de beste berichten gegeven. +Vroeger had Jozef wel een beetje "gesjouwd", schreef een van de heeren, +dien hij inlichtingen had gevraagd, maar hij was toch altijd, vooral in +den laatsten tijd, een bedaarde jongen geweest. Hij zoû van Wilden dus +maar andwoorden en Mathilde, als zij thuis kwam,--zij was van-avond bij +mevrouw Berlage--gelukkig maken. + +Ja, Mathilde was uit. Hij zat hier alleen en kon dus dat zaakje nu juist +goed ten einde brengen. Plotseling dacht hij aan zich-zelf, hoe alleen +hij zich op 't oogenblik voelde; de kachel was aan 't uitgaan, zijn thee +werd koud. Mathilde was er ook niet om voor dat alles te zorgen. En in +éens voelde hij geheel de verlatenheid, waarin hij in 't vervolg zoû +zijn. Hoe was 't mogelijk! Nu pas dacht hij aan wien hem toch het naaste +was! Wat moest hij nu worden? Alleen zijn ouden dag tegemoet gaan, dat +was geen pleizierig idee. En was dat het lot van alle vaders in zijn +omstandigheden, in zijn noodzakelijke omstandigheden, dit besefte hij +wel. Zijn glimlach verdween en hij huilde. Hij voelde zich koud, hij +keek rond. Wat was het eenzaam hier in huis! 't Gebeurde wel meer, dat +Mathilde eens uit was 's avonds, maar nooit had de kamer hem zoo kil en +leeg geschenen als nu, ofschoon hij zeker wist, dat Mathilde op haar +gewonen tijd thuis zoû zijn om hem goeye nacht te zeggen, naar zijn warm +kruikje te zien en zijn kussen te schudden, en dat, al ging het huwelijk +ook door, zij toch minstens nog een maand of zes bij hem zoû zijn. + +Hierna vermande zich de heer de Stuwen. Hij stond op, sloot zachtjes de +deur en kreeg uit de zwaar mahoniehouten sekretaire, rechts van het +raam, dat op het binnenplaatsje uitzag, zijn schrijfgereedschap. Hij +schreef, met een beetje schuin uitloopende regels, aan Jozef, dat hij, +na lang over den stap nagedacht te hebben, besloten had zijne dochter te +permitteeren hem te trouwen, dat hij verder Jozef verzocht een dezer +dagen eens nader over deze aangelegenheden te komen spreken. De brief +was min of meer koel ingericht. De Stuwen voelde voor Jozef niet meer de +vriendschap van vroeger. Maar hij kon nu eenmaal niet anders, ofschoon +hij 't zelf onredelijk vond. + +Gedurende den tijd, die aan het huwelijk voorafging, veranderde de +Stuwen zichtbaar in de oogen van Mathilde. Meestal was Jozef 's avonds +bij hen, maar éen of twee maal in de week, als de Stuwen alleen zat met +Mathilde in den schemerschijn van 't lichtje onder de theepot, dan was +'t of hij niet meer op zijn woorden kon komen, zoo als vroeger, dan +gebeurde 't wel, dat er een uur verliep, terwijl de Stuwen zich in zijn +koerant verdiepte en Mathilde over haar borduurwerk gebogen zat, in +geheele stilzwijgendheid. En was Mathilde verwonderd over haar vader, +vroeg ze hem, of hem iets scheelde, of er soms iets aan zijn gezondheid +haperde, dan verbaasde hij zich over die vragen, dan zeî hij volstrekt +zelf niet te weten, haar anders, met minder hartelijkheid en +vertrouwelijkheid, te behandelen dan vroeger. Zij ging nu trouwen, dat +was heel, heel goed, dat was de weg, dien iedereen ging op haar jaren en +hij zoû wát trotsch zijn eenmaal in zijn dochter een mooye flinke +getrouwde vrouw te zien. Wat hem dan zoo stil maakte en afgetrokken, hij +wist 't zelf heusch niet, hij vertrouwde van Wilden geheel, hij was over +'t toekomstig lot van Thilde niet ongerust. Maar onbewust vulde hem het +voorgevoel van de verlatenheid, die hemzelf te wachten stond. Hij had +nooit veel vrienden gehad en sinds den dood van zijn vrouw, na zijn +langen rouw, had hij er in 't geheel niet aan gedacht zijn oude +kennissen weêr op te zoeken, nog minder nieuwe aan te knoopen. Hij was +altijd een huiselijk man geweest, die een stillen kleinen kring, rustig +'s morgens aan 't ontbijt, rustig 's avonds in het schemeruur, de +voorkeur gaf boven menschen-zien en vertooning-maken. Daar Mathildes +aard hierin nogal met den zijne over-een-stemde, hadden zij zich met hun +tweeën, hoe langer hoe meer buiten het algemeene, gedruismakende +maatschappelijke leven gesloten. Nu, nu het oogenblik van scheiding en +verandering in die huiselijke orde naderde, zag hij in gedachten eens +uit naar de jaren, die komen zouden. Zijn dochter ging wech, natuurlijk! +Ja, zij zoû wel altijd veel van hem blijven houden, veel van zijn uren +zoû hij nog in haar stil en aangenaam gezelschap kunnen slijten. Maar +hij wist heel goed, hij herinnerde zich nog wel deugdelijk uit de eerste +jaren van zijn eigen huwelijk, met wat een scheele oogen jonggetrouwden +aanzien, dat een derde zich in hun intieme leven mengt en dat hij een +tijdperk van ondragelijke eenzaamheid tegemoet ging, daar twijfelde hij +geen oogenblik aan, en deze gedachte maakte hem stil. Want even afkeerig +als hij was van veel en druk gezelschap, een even groote behoefte had +hij aan enkelen in zijn nabijheid, om zijn vertrouwelingen te wezen en +zijn gemoedsleven te deelen. Mathilde kwam er niet op te vermoeden, wat +de eigenlijke reden was voor de verandering in haar vaders manier van +zijn. Zij had al van alles verzonnen, maar wat haar in was gevallen, om +de onhoudbaarheid dadelijk weêr verworpen. Vroeg zij 't hem, dan bleef +hij maar andwoorden, dat hij daar zelf niets van merkte. Zij ook dacht +voortdurend alleen aan de toekomst. Maar 't kwam haar zoo natuurlijk en +zeker voor, dat vader bij hun in zoû komen wonen! Zij twijfelde daar zoo +weinig aan, dat niets haar meer verstomd zoû hebben als te hooren, dat +de onmogelijkheid van wat zij voor natuurlijk hield de eenige oorzaak +was van haar vaders droefgeestigheid. + +Eens op een avond, toen haar vader bizonder treurig voor zich uit zat te +turen, kwam zij weêr op iets: + +--Vader, is u zoo verdrietig, om dat ik trouwen ga? + +--Och, nee, dat is het niet. + +--Maar wat is er dan toch, wat dan in 's hemels naam, er moet toch iets +bizonders aan de hand zijn. Waaraan dacht u nu op 't oogenblik? Zegt u +dat nu eens oprecht. Het zal toch niet eenvoudig aan uw gestel liggen. +Ik heb ten minste nooit gehoord van een lichamelijke kwaal, die op zoo'n +manier aan den dag zoû komen. + +--Kind-lief, ik weet het zelf niet. + +--Maar het kan toch niet zijn om dat ik trouwen ga, want, lieve hemel, +dat doen alle meisjes op mijn leeftijd en het is nog nooit gezien, dat +een vader zich dat zoo erg aantrok. U houdt wel veel van me, dat weet ik +wel, maar ik kan toch niet gelooven, dat u zooveel van mij zoû houden, +dat u ziek wordt bij de gedachte, dat we een beetje van mekaâr moeten +gaan, dat zoû toch al te erg zijn. Dat zoû ziekelijk zijn en eenig in +zijn soort, en nee, en dat kan niet, dat is onmogelijk. Ik kan het mij +niet verbeelden ... Och toe, vader, doet u nu niet zoo raar ... Kan u er +zelf niets, niets aan doen? ... Vader, wil ik dan maar liever niet +gaan trouwen? + +--Nee, kind, ik verzeker je, dat is het niet, het moet iets lichamelijks +zijn. Ik zal er den dokter eens over spreken ... Denk je nog wel dikwijls +aan je moeder? vroeg de Stuwen plotseling. + +--Tusschenbeide. Ik kan eigenlijk niet goed aan d'r denken. Hoe wil ik +me iemant voorstellen, die ik mij nog maar zoo weinig herinner. + +--Je moeder was net zoo als jij, lieve kind, je bent haar sprekend +evenbeeld. Ze was net zoo opgewonden als jij wel zijn kan, en ook haar +uiterlijk had héel veel van het jouwe ... En weet je, waar ik nu eigenlek +bedrukt over ben? ... Als 't eens met jou ging, zoo als 't met haar is +gegaan ... Kind, je hebt zóoveel van d'r! + +--Maar, vader, hoe bedoelt u? Ik begrijp u niet; dat ik ook vroeg +sterven zoû? + +--Ja, kind, je kon niet weten. Laten we eens iets veronderstellen ... Als +jij ook een kindje kreeg en je stierf dan, zoû je dat niet +verschrikkelijk vinden? + +--Och, vader, ik weet niet, ik kan me daar volstrekt geen voorstelling +van maken. + +De heer de Stuwen was ongerust. Den volgenden dag, toen hij weêr een +uurtje alleen zat, kreeg hij hoofdpijn van het denken aan zijn vrouw en +aan Mathilde. Hij dacht aan Mathildes zwarte haar, aan haar donkere +oogen, die zij, zonder verandering bijna, van haar moeder had. En dan +haar levendigheid, haar vuur; dat hem vroeger juist zoo op zijn vrouw, +die maar zoo kort geleefd had, verliefd had gemaakt. Mathildes +levenslustigheid sloeg nu en dan in wildheid over. Dat maakte hem ook +bang. Nu, in den laatsten tijd met het huwelijk in 't vooruitzicht, was +dat wel beter geworden, maar vroeger, wat kon zij aangaan! Het was wel +gebeurd, dat zij stil alleen samen zaten en lazen, hij de koerant, zij +een roman. Dan was zij dikwijls niet van het boek af te krijgen geweest, +haar slapen gloeiden vlak boven de bladzijden, tot zij in-éens ontsteld +op-sprong, gejaagd de kamer rondliep en eindelijk tegen de muur ging +staan leunen, haar voorhoofd op den rand van een schilderij. Een +oogenblik duurde dat maar, dan keek ze om en proestte het uit van het +lachen over haar eigen kinderachtigheid. Met tranen nog in haar oogen, +liep zij dan naar haar vader, die verwonderd naar haar had zitten +kijken, en drukte hem bijna te pletter in een omhelzing. Wat kon zij +woest zijn! Wat kon zij op de piano dreunen en urenlang zitten spelen, +zonder ooit op te houden, zonder om te zien. Zij was bepaald een +vreemdsoortig meisje; haar moeder had ook wel zoo iets. Maar zij veel +meer. Wat kon ze met een hartstocht teekenen, uren lang, boven alleen op +haar kamer, zonder ooit voor 't venster te kijken naar de menschen +beneden langs de straat. En dan, die vlagen van godsdienstigheid +tusschenbeide! Daar begreep de Stuwen nog 't minst van. Hij was ook wel +naar de kerk gegaan in zijn jeugd en had veel preêken gehoord van een +vromen pastoor, maar met de jaren kwam de onverschilligheid en het vage, +geheimzinnige geloof van zijn vrouw, had hém juist nog meer doen +verflauwen. Hij was bepaald van de liberale partij geworden, hij las het +Handelsblad en was 't vrij wel eens met dominee Hugenholtz. Maar +Mathilde niet. Zij kende God, had zij dikwijls beweerd, en als ze iets +goeds deed, voelde ze duidelijk de zegening van God in haar binnenste. +Of pastoor Sluyter, die vroeger wel eens aan huis kwam, haar dat had +geleerd, dat wist de Stuwen niet. Maar hij merkte elken dag, hoe +gelukkig of haar geloof Mathilde maakte. Daarom sprak hij er zoo weinig +mogelijk met haar over. + +Ja, het geloof alleen maakte Mathilde vroeger gelukkig, zij wist het +zelf heel goed. + +Tot haar vijftiende jaar toe, had zij alleen den God van haar moeder en +van pastoor Sluyter gekend. Zij stelde zich hem voor als den oppersten +rechtvaardigen rechter, een bejaard eerbiedwaardig mannelijk wezen, met +langen sneeuwwitten baard, die haar zag en zijn wenkbrauwen fronste, als +ze kwaad deed of dacht, als ze ongehoorzaam was aan vader, lui was onder +'t werk of met een vriendinnetje lachte in de kerk of de japonnen van de +dames haar daar meer bezighielden dan Hij en Zijn Majesteit; die +welwillend op haar neêr zag en haar zegende, als zij braaf was, goed +werkte, en gedwee tegenover haar meerderen. + +Maar toen zij volwassen werd, het een en het ander gelezen had en haar +ziel groot voelde worden, toen had het gevoel over dien God +noodzakelijker en levendiger dan vroeger aan haar voorgedaan. Als ze 's +zomers 's morgens opstond en de zon goudgloed was in haar kamer, als ze, +even voor het venster staande, de blaadrenmassaas van de iepenboomen zag +waayen en ruischen en de lucht zoo blauw was boven de glinsterende +daken, vooral ook als ze eens buiten kon zijn en rondwandelen in de +vrije natuur, of als ze muziek hoorde of een prachtigen roman las, dan +rees er een onnoemlijke behoefte aan uitstorting en aan dank in haar +gemoed, dan richtte zij zich tot dien hoogen Persoon, uit Wien al dat +vreemde geluk moest voort komen. Dan dankte zij Hem voor de gave van +haar leven, voor haar genieting en voor de hoop op nog grooter geluk, +die zij in zich droeg. Zij wenschte ook zoo zeer geleid te zijn, een +raadgever te hebben. Nu besefte zij het: Hij zoû haar leider wezen! Zij +bad van Hem veel goeds te mogen doen in haar leven, zij dankte Hem, als +ze iets goeds had gedaan. Zij droomde ook van liefde. Daarom óok bad zij +aan den God van alle liefde. Het gebeurde wel, dat zij woorden vond om +Hem toe te spreken en Hem haar vereering te betuigen, net zoo als zij +tegen haar stoffelijken minnaar zoû zeggen, als die mocht komen. + +Toen ze van Jozef begon te houden, had zij gehuild van dankbaarheid in +haar gebed aan God. + + * * * * * + +Intusschen verliep de winter, een zachte winter. In 't voorjaar zouden +Jozef en Mathilde trouwen. Het engagement was publiek. Mathilde had zich +al gewend aan de pleizieren en aan de eentonigheid van zoo geengageerd +te zijn. Jozef hield nu zijn arm om haar middel geslagen en zoende haar +in het bijzijn van den ouden heer. Het kwam Mathilde voor, dat haar +liefde op dezelfde hoogte bleef staan. Dan zaten zij met hun drieën bij +mekaâr en bespraken plannen voor de toekomst. In weêrwil van zijn +afwijzingen was 't nu vast bepaald, dat de oude heer bij het jonge paar +in zoû komen wonen. Eens maar werd er nog een avondje met meer +menschen gegeven. + +Toen de tijd van het huwelijk kort op handen was, werd Mathilde +zenuwachtig. Haar stil genoegen van dagelijks met Jozef te zijn werd +vermengd met zekere nog nieuwe gewaarwordingen van gejaagdheid en angst. +Als ze soms op de kanapee in de binnenkamer naast mekaâr zaten en +praatten, terwijl de oude heer, op een stoel voor de tafel, goedig en +stil er opmerkingen tusschenvoegde, voelde Mathilde in-éenen met een +soort van bevreemding, van verwondering, dat zij daar nu zoo zat, in +dezen toestand en pratend over de inrichting voor haar volgend leven, +die zoo bizonder verschillend van de tegenwoordige wezen zoû en waarvan +zij nog zoo weinig wist. Als Jozef, op den heel gemeenzamen toon, waarop +hij deze onderwerpen behandelde, over de wenschelijkheid gesproken had +met zijn vrouwtje een huis op de Heerengracht te huren en haar vroeg, +wat zij dacht van de Heerengracht bij de Gasthuismolensteeg, om dat hij +zijn kantoor hield op het Cingel daar dicht in de buurt, dan kon zij hem +plotseling aanzien, alsof zij geschrokken was van wat hij zeide. Zij +keek ernstig en hield zich stil. Men hoorde het lichtje onder de theepot +branden. En dan sprak hij weêr voort, zonder iets te merken. Het +gebeurde wel, dat de oude heer indommelde midden-in de gesprekken +overdag of 's avonds. Als Mathilde dan Jozefs stem alleen voort hoorde +gaan, kwam het voor dat zij hem niet vertrouwelijk aan dorst zien, maar +een groote droefheid over zich voelde komen en haar blikken maar niet +van den slapenden vader afhouden kon. Zij zag de kamer rond en, 's +avonds of overdag, in de voor-of in de achterkamer, het was zóo donker, +dat zij kippenvel kreeg. Zij keek naar de wanden, een voor een, en +begreep maar niet, waarom zij die al-gauw voor andere, lichtere en +vroolijkere waarschijnlijk, verruilen zoû. Er kwam haar een weemoedige +vriendelijkheid van de vormen van de meubels, die tegen het behangsel +stonden, tegemoet. Het buffetje herinnerde aan de heerlijke oude dagen, +die voorbij waren voor altijd, de lijsten van de schilderijen +herinnerden, dat haar vader, na een schoonmaakdag, die altijd recht +hing, om dat de schoonmaakster ze schuin aan het driehoekig koord weêr +opgehangen had; zij dacht er over, dat haar vaders haren vroeger veel +minder grijs waren, en Jozefs stem klonk dan als heel uit de verte, als +het gelui van een stalen klok. 's Avonds naar haar slaapkamer gaande en +daar zijnde, onder het uitkleeden, had zij een gevoel van vagen angst +voor Jozef. Het was zoo donker overal. Hij kwam haar toch niet na op de +trap! Hij stond toch niet aan haar deur te tikken, na dat zij hem +afgesloten had? Hij had zich toch niet in de een of andere kast +verborgen, om haar te verschrikken of te verrassen? Hij zoû toch niet +van onder de tafel of het bed vandaan kruipen, om bij haar te zijn, al +te dicht bij haar, om haar aan te raken, vriendelijk, hartelijk, stevig, +om haar te omhelzen al te vurig, haar zeer te doen, om haar pijn te +doen, haar te knijpen, iets van haar te stelen, iets voor altijd van +haar wech te nemen, wat haar dierbaar was, iets innig van haar eigen? +Hij drong zich toch niet tegen haar aan, eischend dat zij iets af zoû +geven, wat zij niet missen kon? En in een groote haast ging zij naar +bed. Dáar verdwenen de onrustige gedachten en ging zij teeder aan hem +liggen denken, schikte zich gemakkelijk op de matras en de kussens, om +niets te voelen en zich niets te verbeelden dan hem en hem alleen, om in +haar éentje gemakkelijk en ongestoord van hem te houden. Zij had voor +dek een laken, een deken en een sprei. Zij sloeg die tusschenbeide +heelemaal uit over haar hoofd om zóo, in de pikke duisternis, Jozef +alleen te zien. Of wel, wanneer het haar te benauwd werd, vouwde zij het +dek om en trok het, zoo eens zoo dik, zoo hoog mogelijk onder haar kin +en dan, met dichte oogen, wreef zij zachtjes haar kin over dat dikke dek +heen en wêer; dan stond hij, in al de bizonderheden van zijn persoon, +zóo levendig voor haar geest, alsof hij wezenlijk in haar kamer was. +Maar zij hield er van haar eigen denken over hem na te pluizen. Hoe kwam +het, dat zij hem nu zoo erg zag? Gesteld eens, dat hij op dit oogenblik +wezenlijk was op de plek, waar zij zich nu verbeeldde hem te zien, in +welke houding zoû hij dan zijn? Stónd hij, gewoon rechtop? Neen, dan +moest hij op haar bed staan, zoû zich dus ten eerste niet stijf staande +kunnen houden op het weeke beddegoed, ten tweede zoû zijn hoofd tegen +den hemel stooten om dat hij zoo lang was, ten derde zag zij hem zoo van +dichttebij, dat zij te-gelijk zijn voeten en zijn haren zoû kunnen +aanraken, iets wat dán niet mogelijk zoû wezen. Lag hij dan naast haar +of op haar, stond hij buiten het ledikant? Neen. Stond zijn beeltenis +dan afgeschilderd ergends midden in haar hoofd? Dat moest zijn. Zij zag +hem uitkomen op een donkeren kleurlozen of naar het grijs-rood aardenden +achtergrond. Die beeltenis moest dan wel heel klein wezen, om daar +binnen geborgen te kunnen zijn. En toch zag zij hem levensgroot. Hij was +er en hij was er niet. Dat maakte haar weêr bang. Dan kwam daar nog bij +waarom sloop die vreemde gestalte zoo bij haar binnen en overmeesterde +al haar denken? Wat had die man een overdreven punten aan zijn snor, die +zij langs haar wang voelde scheren; een heele lichte, nauwelijks +merkbare onaangename geur kwam er rechts uit zijn boord op. De even +zichtbare kringvormige indruksels onder zijn oogen vond zij leelijk ... +En dan was hij haar weêr heelemaal vreemd. Wat kwam hij doen, wat wilde +hij toch van haar? Zij en hij waren toch twee verschillende menschen. +Hoe kon zij dan niet aan haar zelf denken zonder hem te zien? Waaróm +drong hij zich dan zoo aan haar op en ademde zij met hem samen? Hij +vervolgde haar; wat zoû hij haar doen? ... + +Dikwijls keek Mathilde in deze dagen weêr naar het portret van haar +moeder, droever en bleeker elken dag. De straffe rimpels van de +neusvleugels tot de mondhoeken prentten zich dieper in het gezicht van +de vroeg gestorvene. + +De laatste veertien dagen vóor het trouwen zorgde Mathilde met haar +modemaakster voor haar japonnen en met boodschapjes in de stad, die al +haar middagen vulden, voor haar verderen uitzet. Zij was ongeduldig. De +tijd moet nu maar gauw verloopen, nu alles toch eenmaal besloten was. +Maar heviger dan vroeger had zij aanvallen van berouw over hetgeen zij +ging beginnen. Zij zoû haar goeden, ouden, armen vader alleenlaten? Want +hij kon de huwelijksreis toch niet meêmaken, dat ging niet. Hoe had zij +daartoe kunnen besluiten? Maar hij kwam immers later bij hen inwonen? +Ja, ja, maar ondertusschen! Hij werd hoe langer hoe stiller en meer +in-één-gedoken. Wat zoû er van hem te-recht komen? + +Door allerlei zulke bespiegelingen heen, brak de huwelijksdag aan. Toen +Jozef haar dien avond, dien oppersten avond, meênam naar het station, +was alle gevoel in een verdooving ondergegaan. Het afscheid van haar +vader ging flauwtjes te werk. Zij had den heelen dag bijna niets gegeten +en alleen maar een paar glazen water gedronken. In den trein had zij de +koorts. Geen woord werd er gezegd. De bezorgdheden van Jozef, die haar +alles zoo gemakkelijk mogelijk maakte, merkte zij niet eens. Zij zat +daar, lijkwit. Een onbestemde nieuwsgierigheid drong huiverig door haar +verdooving heen. Zij dacht aan niets eigenlijk. Haar keel was droog. Het +was haar te moede, als stond zij in een dikken grijzen damp met een +ondoordringbaar verschiet in de rondte. In een nevel van onuitgedrukte +aandoeningen ging zij haar nieuwe leven in. + + + + +V. + + +Jozef en Mathilde waren voor den burgemeester getrouwd en voor den +pastoor. Dit laatste om dat de Stuwen het, voor de menschen, om niet af +te wijken van het gebruik, gewild had en zonder op Mathilde indruk te +maken. Zij was te erg wech geweest door al het andere. Haar vaag gevoel +als het 's zomers 's morgens heel mooi weêr was of boven een roman, dat +zij zich als haar geloof dacht, werd wel even een beetje opgewekt, maar +zij voelde zich eigenlijk geen echte, katholieke vrouw, zoo als haar +moeder geweest was. Maar toch, toen zij een week getrouwd was, begon zij +te denken meer dan zij vroeger had gedaan, dat 't van Jozef vreemd was +zoo aan niets bovennatuurlijks te gelooven. Buitendien had zij haar +liefde van verleden jaar nog niet voelen te-rugkomen. Zij was nog altijd +een beetje bang voor Jozef, hoofdzakelijk 's avonds en 's morgens vroeg. +Zij had geen verwondering in zich zelve gemerkt over wat er met haar +gebeurd was, maar zij had er Jozef niet liever om gekregen. Alles kwam +haar natuurlijk en toch vreemd voor. In vreemde omgevingen, onder +allerlei vreemde gewaarwordingen, leefde zij als een heel nieuw en +versch leven. Vele herinneringen van haar eerste halve jaar op het +kostschool vulden haar brein. Toen had zij ook zooveel ongekends beleefd +en had haar bestaan zich nieuw aan haar voorgedaan. Maar krachtiger dan +toen mengde zich nu de gedachte aan haar vader onder de andere. Hoe zoû +'t met hem gaan? Hoe zoû hij zijn dagen wel slijten? Zij schreef hem +alle dag en kreeg driemaal in de week antwoord. + +De huwelijksreis was door Jozef en den ouden heer na rijp beraad zoo +vastgesteld: Zij zouden den avond van hun vertrek gaan tot Arnhem, +verder naar Parijs: dan zouden zij langs de Middellandsche Zee naar Rome +gaan en de terugreis over Duitschland doen. Jozef voorspelde ontzaglijk +veel genot van zoo een groote reis. Hij was tóch een liefhebber en had +er in een helen tijd niet aan gedaan maar ook voor Mathildes +wereldkennis was de uitgestrektheid van de roete uitstekend. In +Valkenburg een dorp bij Maastricht, zouden zij een eerste halte maken +langer dan een dag, van een week waarschijnlijk. + +Daar waren zij aangekomen den vorigen avond en hadden er, met open +ramen, een rustigen nacht gehad. Het was nu zeven uur in den ochtend, de +tweede helft van Mei. + +Het hotel aan den landweg, waar een andere weg, die bergopwaarts ging, +daarin eindigde, blaakte zijne éene verdieping en aschgele gevels in de +zon. Van boven de onderste ramen van den voorgevel tot aan het +lila-kleurige hek, dat het stuk grond vol banken, stoelen en +donkergroene tafeltjes vóor de deur, omheinde, waren vale doeken +gespannen, om het er koel te houden. Maar gouden hittestralen spoten +door reten en beschilderden hel-geel den muur. Geen windje woei, maar +door de vroegte was het nog niet snikheet. Mathilde zat, zachtjes naar +achteren geleund, op een van de zwart-groene banken vlak aan het huis, +met hun geribde ruggen tegen de vensterbanken, rechts van de deur. Zij +was in een luchtig blauwen peignoir, met goedkoope, breede witte kant +afgezet. Zij hield haar handen op haar schoot, haar ééne duim tusschen +de bladen van een rood reisboek; en klein wondje, nog frisch, bloedde +aan haar wijsvinger, waarmeê zij een roos had geplukt, om die +zoo-met-een in Jozefs knoopsgat te steken. Zij las niet. Zij zat +roerloos, haar voeten in blauwe kousen en opengewerkte schoentjes, op +een versleten voetenbankje. De nauwheid van het witte plooisel maakte +haar hals een beetje rood. Zij sufte, haar blikken voor haar uit in de +heesters of opklimmend rechts langs den bergwand, met zijn zwarte, +paarse, bruine, donkerroode en gele aarde, beneden als zand-steen +uitgegraven en hooger-op met kleine boomengroepen. Boven in de lucht +verdreven wazige witheden in het belle hemelblauw. Mathilde droomde zich +heel wech, in een loomheid afgezonken. Haar oogvlakjes stonden +mat-mijmerend, drinkend de pleizierige kleuren voor haar uit. Een +weekelijkheid was door heel haar lichaam gedrongen. D'r haar was nog +maar half opgemaakt. Lange slappe vlokken, dof-zijig zwart, hingen naast +haar ooren neêr. Haar huid scheen haar als door een dunne laag was, +gevoelloos en zacht-prettig, bedekt. In de vensterbank, volgend op die, +waar zij vlak voor zat, had de logementhouder vier bloempotten laten +zetten, met roode en witte rozen, wier reuk zwaarzachtjes om Mathildes +hoofd kwam hangen. Een logge zandwagen knerste voorbij, rechts over den +weg, het zweepgeknal klitste, de wagen trok af en grommelde voort in de +verte. Vroege vliegjes wirrelden boven haar handen; twee heele kleine +bleven mekaâr halsstarrig op haar rechter wijsvinger vervolgen. Het +ochtendgepraat van een paar gezinnen, een eind verder onder het +zonnescherm aan het ontbijt, links van Mathilde, hoorde zij bijna niet. +Een stijve kellner kwam uit de deur loopen om de families te bedienen, +versleten zwarte blaadjes met gemeen wit aardewerk op de handen, borden +met groote ronde brooden aandragend. Soezelig fladderde een gedachte +door Mathildes hoofd: wat zoû vader graâg eens zulk brood proeven. En +zij overdacht haar vaders voorliefde voor brood. Twee blonde kinderen +huppelden nu naar buiten en bekeken Mathilde even met klare oogen. Maar +er waren zooveel gele tinten in de groene heesters, de zon smeet breed +lila over den bergwand rechts en er sprankten zooveel glansjes door de +sparreboompjes, dat Mathilde langzaam opstond, en terwijl haar korte +sleep, waar ook een wit strookje uit te voorschijn kwam, bevend over het +zand krulde, naar voren wandelde, het hek door, en op den weg staan +bleef om naar beneden, links in het dal, te kijken. De zon was schuin +achter haar; haar blikken dwarrelden door de wijde zilverblauwe lucht. +Voor haar uit streepte de weg neêr, breed, poeyerig, wit, altijd nauwer +wordend tusschen de ruigbestruikte lage bergglooying, in een hoog +kroeserig boschje verdwijnend. In de diepte zag zij een roerloos +watertje, sneeuwwitte huizen, kaal land, waarop poppetjes, dat menschen +waren, gebaren maakten en liepen. Maar effen lichtend blauw daalde de +hemel nauwelijks, heel beneden, blankend. Nog nooit had Mathilde zoo +weinig grijze nevel aan een horizont gezien. Hooger-op in de lucht stond +de heele ruimte in een laayend sidderen witblauw, goud-flonkerend. En +alles blankte schitterend. Een plekje gras en mos door-een-gegroeid, +vlak bij Mathilde, glansde van niet wechgedroogde dauw met kleuren van +paarlemoer. Er zongen vogels en Mathilde voelde van muziek die uit de +lichtzee van den hemel neêrruischte. De lucht was sterk. Mathilde +voelde, bij dit ontwaken vol wemelende stralen, haar oogen door een +donzig waas overtrokken. Sprakelooze onuitbare vreugde steeg er op van +haar hart. Zij zag golven van wit vuur uit de hoogte tot haar afkomen. +Haar oogen glommen dronken tegen het tintelend verschiet. Haar eene +been, waarop zij steunde, wankelde. Weêr langzaam ging zij te-rug naar +de bank, om op Jozef te wachten. Het roode reisboek was op den +grond gevallen. + +De families, links, waren druk aan 't kakelen geraakt. Een oude vrijster +schonk, met ernstig voorhoofd, koffie, en men knabbelde op beschuiten, +onder het getemperde licht van het spandoek. Juist kwam Jozef voor den +dag in een grijs dun pak. Mathildes blik verwarmde zich. Met een zachten +glimlach leî ze haar arm in de zijne en stak, voor hem heen buigend, het +rozeknopje in zijn knoopsgat. Zonder zich te bedenken, als sprak 't +van-zelf, wandelden zij dadelijk den weg op tot zij alleen waren en +niemant hen zien kon. Zwijgend gingen zij een heel eind voort, daalden +de bergglooying af, liepen hoe langer hoe langzamer tot zij aan een +boschje van pijnboomen kwamen. Zij gingen er in en bleven stilstaan. +Hier was schaduw en koelte. Zij gingen naast mêkaar liggen op den grond. +Jozef trok halmen stuk en beet ze klein. Hij vond den dag zoo mooi, +en zeî het. + +--'t Is heerlijk, zeî Mathilde, heerlijk! + +Jozef lag tegen den heuvel aan op zijn rug. Hij keek naar de bladen in +de hoogte. Mathilde zat naast hem en steunde zich met haar elleboog. Zij +keek naar het mos en zeide: Wat zullen wij gelukkig zijn samen. + +--Wij zíjn 't al, andwoordde hij. Zonder naar haar te kijken, liet hij +zijn voorarm over zijn elleboog heenbuigen en opende zijn mooye hand. +Zij leî er de hare in en zoo bleven zij een tijdje liggen. Het was +Mathilde wél te moede. Zij zagen geen van beiden om. Door de boomstammen +heen zagen zij alleen schemering van hel-witte lucht in de verte en hoog +boven hen sprankte een enkele maal het goud tusschen de groene massa. +Mathilde vond, dat het lichte grijze pak Jozef uitstekend stond, om dat +hij zoo'n geanimeerde kleur had op zijn wangen. + +--Wat zoû vader nu wel doen op 't oogenblik? vroeg zij. + +--Lieve kind, het is pas hallef nege. Je vader ... + +--Nu moet je zeggen "Vader", want nu is ie ook de jouwe. + +--Goed. Vader zal zoo wat juist opstaan. + +--En weêr lagen zij bewegingloos. Jozef gaapte nog eens even en rekte +zijn beenen uit. Met gemakkelijke gebaren aaide hij Mathildes wangen of +drukte zachtjes haar hals tusschen zijn wijsvinger en duim. Kwamen zijn +handen hij haar lippen, dan zoende zij ze even, zonder precies te +letten waar. + +Mathilde voelde zich langzamerhand weêr heelemaal zich-zelve worden. De +droomende stemming ging zoetjes voorbij. Zij ontwaakte onweêrstaanbaar +in het heerlijk ontwaken van haar liefde. Uit de doffigheid van haar +alleen-zijn openbaarde zich nu het bewustzijn van haar geluk. Zoo ging +dat bijna iederen morgen. Dit zalig-vreemde gevoel in deze vreemde +omgeving was zoo vol verrassingen, dat zij telkens dacht nu zoû het wel +op zijn heerlijkst zijn geweest. Iederen nacht sliep zij in met de +gedachte van-daag zooveel te hebben liefgehad, dat zij den volgenden +morgen zoû ondervinden, dat er een verkoeling in haar liefde was +gekomen. Maar bij het begin van den nieuwen dag, dan dacht zij nog meer +van Jozef te houden dan gisteren. Alleen dat haar vader zoo ver wech was +vond zij verschrikkelijk naar. Zij voelde zoo zich niet heelemaal aan +haar geluk te kunnen geven. Zij had dien goeden vader daar alleen thuis +achter gelaten. Als zij terugkwam in Amsterdam, zoû zij weêr erg voor +hem te zorgen hebben waarschijnlijk, en toch verlangde zij er naar. +'t Was nu maar te hopen, dat vader niet ziek werd gedurende haar +afwezigheid. Mathilde dacht nu na, over hetgeen Jozef in oogenblikken +als deze wel voelde. + +--Hoû-je van me? vroeg zij. Dit had zij al zoo dikwijls gevraagd. + +--Dat weet-je wel, heel veel. + +--Wezenlijk, heel veel? + +--Wezenlijk, zeî Jozef, maar hij lag te lekker den zomermorgen te +genieten, zoo op zijn rug, om haar voor dit gezegde in zijn armen te +nemen en te zoenen, zoo als zij het had gehoopt. + +--Ben-je dan niet blij, dat we nu zoo heel alleen samen zijn, dat ik nu +heelemaal voor jou ben, dat je met mij doen kunt, wat je wilt? Hij +andwoordde iets dat haar veel pleizier moest doen. En zij sprak weêr +voort: O, ik ook, ik begrijp mijn geluk nog niet heel goed, maar ik +voel, dat het er is. Ik ben zoo gelukkig, dat ik bang ben, dat het niet +lang meer duren zal. + +--O, waarom niet? + +--Ja, dat weet ik niet, maar het is zoo. Ik weet niet, maar alles is nog +zoo vreemd; ik ben er nog zoo weinig aan gewend, En ik ben zoo bang dat +vader iets zal overkomen. + +Hij stelde haar gerust. Waarom bang te zijn? Het weldadige seizoen zoû +ook vader goed doen. + +--Ik weet niet, zeî ze weêr, maar 't is net, of ik nog altijd een beetje +bang voor jou ook ben. + +--Ben-je bang voor me?, vroeg hij, hoe dan? + +En zij leî het hem uit. Hun verhouding, zoo als die nu al acht dagen +bestond, was zóo vreemd, zóo vreemd voor haar. Het hinderde haar, dat +hij zich zoo met het meeste gemak kon schikken in al die dingen, waaraan +zij zich nog gewoon moest maken. Hij behandelde haar op een manier, +zooals hij het vroeger nooit had gedaan. Hij was heel lief, maar op zoo +een innige manier, dat 't haar wel aangenaam was, maar dat zij er zich +toch iederen keer weêr over verbaasde. Het ging hem al te goed af, zij +waren hem al te eigen, die woorden en aanrakingen, die haar in 't eerst +tegen hadden gestaan, maar waarin zij langzamerhand een genot was +begonnen te vinden zich aan te onderwerpen. Maar toch, hij deed zooveel, +hij wist zooveel, en zij deed nog niets, zij wist nog niets. Waren alle +mannen nu zoo, of hij alleen? Zij voelde dat zij aan hem wech ging. Hij +was 't, die een vrouw van haar zoû maken. Wel voelde zij zich groeyen in +de innige samenleving met hem, maar zij voelde zich voor zich-zelve +verloren gaan in die liefde. Waar bleven haar eigen denkbeelden, die +kleine bespiegelingen over allerhande dingen in de wereld, waar zij +alleen voor zich-zelf pleizier in had. Waar bleven de indrukken, die zij +kreeg en die zij voor haar eigen gemoed alleen verwerkte en onthield? +Alles bleef wech. Zij gaf hém alles. Zonder het te zeggen of te +waarschuwen, maakte hij zich van alles meester. Zij kon aan niets anders +denken. Hem zag zij alleen in het leven, op hem kwam alles neêr. En zij +verweet hem deze waarheden zóo lief, dat hij op zijn knieën naast haar +ging zitten, haar bij haar schouders achter-over neêrdrukte, en haar +heele gezicht rood en warm zoende, elken keer met zijn hoofd +achteruitgaande om haar, een beetje verder af, goed te kunnen bekijken. +Hij vond alleen dit te zeggen jij bent mijn eenige en grootste schat. +Zij had zich hulpeloos prijs gegeven. Nu en dan bracht zij zwakjes haar +armen, die aan haar zijden waren neêrgevallen, naar boven om hem een +beetje af te weren. Maar zij liet hem begaan, en zoende te-rug, als zijn +gezicht niet te gauw wech was. Er kwam geen sterveling over den weg +achter hen en de heele omtrek bleef doodstil. Aan mekaâr geklemd, bleven +zij liggen. Keek Mathilde naar boven, dan daalde heel de hemel neêr, de +blaâren verwijdden zich boven hun hoofd, stralen van vuur schoten neêr; +het groen verdween en wolken van vuur en licht daalden altijd nader over +hen af. Begon het niet te waayen? Als de boomstammen met al de blaâren +ter zijde bogen, zouden zij bedolven worden door het regenend vuur, dat +boven hen ronddreef. Het bosch werd hoe langer hoe kleiner. Vlammende +winden woeyen wijd en zijd. Hijgende luchtstroomen zweefden tusschen de +stammen door altijd dichter en dichter bij. + +--Vader, waar is vader? zuchtte Mathilde, maar alles was gloed om haar +heen. In de bedwelmende lucht leefde zij voor het eerst vol haar liefde, +met opzwenkende leden en duizelende oogen. Zij zag Jozefs naakt gelaat +en zijn koortsige oogen. Was dat nu het leven? Was dat nu het getrouwd +zijn? De boomen ruischten haar huiveringen tegen. Haar oogleden trilden; +zij kreeg het koud aan de slapen. Zij viel te-rug op het mos, leî zich +met het gezicht naar beneden en, zonder iets te voelen of iets te zijn, +verborg zij haar oogen tegen den grond. + +Zij bleven nog een half uur liggen, zonder te spreken, zonder zich te +verroeren. Mathilde stond het eerst op. Ongearmd gingen zij naar het +hotel te-rug. Na een tijdje fluisterde Mathilde: Dat kan nooit duren, ik +zal gek worden, ik ben ál te gelukkig, of er zal iets anders gebeuren, +ik weet niet wat. Een lusteloosheid hing verder over Mathilde dien +heelen dag. In plaats van te gaan rijden, zoo als eerst het plan was +geweest, zat zij den heden dag op haar kamer of onder het spandoek. +Jozef, die begonnen was met te probeeren haar gezelschap te houden, toen +het hem niet gelukken mocht haar tot het ritje over te halen, moest +eindigen met in zijn eentje te gaan wandelen. Wat zij deed was zoo raar, +zij deed precies als vóor hun huwelijk wel. Zij durfde hem niet lang +achter mekaâr aankijken. Zij sprak maar over haar vader. Tegen den avond +schreef zij een brief naar Amsterdam, vol van de innigste teederheid, +vol van hartstochtelijke gehechtheidsbetuigingen. Zij schreef haar +vader, dat Jozef het heel goed maakte, dat zij zich wel gelukkig +voelden, maar dat zij toch o zoo verlangend was hem te-rug te zien. Zij +was nu pas een groote week op reis, schreef zij, maar toch telde zij nu +al de dagen, die moesten verloopen vóor hun te-rugkomst. De zekerheid, +dat vader zich goed verzorgde, zoû haar echter de afwezigheid +dragelijker maken. Hij moest haar dus daarover nog vele zaken, erg in +onderdeelen en breed onderschrapt, meêdeelen. Had hij geen pijn meer aan +den linkerkant? Niet de minste aandoening daarvan? Hoe was Jans? Bromde +zij niet, voorzag zij hem goed van alles, wat hij woû? Deed hij zonder +over te slaan, dagelijks geregeld zijn loopje? Hij moest dat toch vooral +nooit vergeten; de dokter had er zóo op gedrukt. Dus niet denken: de +lucht is van-daag wat betrokken, ik zal van-daag maar thuis blijven en +morgen een beetje langer wandelen, vooral niet, want van dat langer kwam +morgen toch niets. Regende het den heelen dag, dan moest hij een uurtje +afwachten dat de droppels minder zwaar vielen en dán gaan. Hij moest 's +avonds ook maar weêr eens menschen vragen en zich-zelf zoo wat afleiding +geven. Het woord "avond" en "afleiding" deed Mathilde aan haar piano +denken. Zij lachte in haar eigen, terwijl zij schreef: hoe maakt het de +piano? Die komt nu zeker nooit meer open? Zoo ging zij nu voort. Na haar +vader in al zijn kleine gewoonten en geliefde bezigheidjes herdacht te +hebben, was zij op de piano gekomen en zoo verder op nog andere stukken +huisraad. Zoo het theeblad en de broodmand, de leuningstoel in de +achterkamer, de mooye lampen van het zaaltje. Zij voelde zich wel een +eeuw al gescheiden van al die zaken, die zij een week te voren nog had +gezien. Toen zij de brief af had, kwam Jozef juist binnen, die haar een +boeketje veldbloemen gaf. Zij dankte hem zóo maar, zonder zoenen. Hij +vroeg haar, wat zij nu wilde gaan doen. Zij antwoordde: pianospelen. +Stellig zoû hier ook wel een piano wezen, voor het gebruik van de +logees. En Jozef liet haar weêr alleen. Zij wilde liever, dat hij niet +bleef luisteren, zeî ze. Nu begon hij zich bepaald te vervelen, hij +wandelde op en neêr voor en door het huis, hij zocht praatjes te maken +met het andere gezelschap, hij speelde met die lieve kleine meisjes, die +hier ook logeerden. Hij bladerde in zijn reisboek, hij rookte cigaren, +beneden bij de rozepotten, hij stond op en ging weêr zitten. Hij dronk +alleen thee, toen pons, toen wijn. Hij ondervroeg de kellners naar de +omstreek. Hij zat, met de ellebogen op de knieën en draaide zijn twee +duimen rond over elkaâr. De versleten pianotoon van Mathildes muziek +trilde boven door het venster voort in de avondlucht. Jozef kreeg zijn +wandelstok en ging kuiltjes wroeten in het zand. Daar hield Mathilde op +met spelen. Fluisterend vroeg zij hem uit het venster, of hij niet boven +woû komen. Hij ging naar boven. Zij stelde hem voor nog een beetje over +hun reisplannen te spreken, samen iets verfrisschends te drinken en dan +vroeg naar bed te gaan, want zij was moe, en dan zouden zij morgen vroeg +een lange wandeling kunnen maken, in een andere richting dan die van +eergisteren, om verder de mooye omstreken te leeren kennen. Zij deden +zoo als Mathilde het verlangde, maar zij bleef toch den heelen avond +stil en te-ruggetrokken. + +Den volgenden dag maakten zij de afgesproken lange wandeling. Zij gingen +tot heel ver, Jozef weêr in zijn licht-grijze pak en een groote strooyen +hoed op zijn hoofd, Mathilde in haar ruwe blauwe jurk. Zij liepen over +een weg vol zon en stof, wel anderhalf uur van Valkenburg af. Bij elken +stap dwarrelden vaalwitte wolkjes om hun voeten. Zij stapten langzaam +voort en lieten den rijweg tusschen hen in, terwijl zij ieder op het +smalle voetpaadje, dat voor hen uitreepte, aan weêrszijde liepen. Zij +hadden al wel een kwartier gezwegen, toen Mathilde over het geloof begon +te spreken. + +--Hè, zeî ze, de vrije natuur stemt me altijd geloovig ... Voel-jij nu +ook niet zoo iets in je binnenste? Hij andwoordde van ja, hij voelde wel +iets, maar kon zich toch volstrekt niets voorstellen. Zij vroeg, of hij +niet aan een schepper begon te denken, wanneer hij zoo'n prachtige +schepping om zich heen gewaar werd, een idee, dat zij zich van een preek +van pastoor Sluyter herinnerde. Neen, andwoordde Jozef, dat in 't geheel +niet. Hij was blij alles zoo mooi te zien, maar juist aan een persoon te +denken, die de natuur zoo vervaardigd zoû hebben, daaraan had hij geen +behoefte. Hij kwam op een dichterlijke gedachte. Alleen als hij háar +aanzag, verzekerde hij halflachend, kwam er een geloof aan een eeuwig +voortbestaan in hem op. Maar zij vond, dat hij haar, nu zij eenmaal +getrouwd waren, geen overdreven komplimenten behoefde te maken. Hij +verzette zich, hij meende het wel deugdelijk. Hij hield zóoveel van +haar, dat hij ijsde als hij dacht aan een eenmaal noodzakelijke eeuwige +scheiding. En was zij koud en onverschillig tegen hem, dan voelde hij +zich vreeselijk ongelukkig. Waarom was zij toch zoo? Hij sprak er nu +over, omdat zij-zelve het gesprek er op gebracht had. Maar zij +verklaarde in 't geheel niet koel tegen hem te zijn geweest. Zij was +misschien een beetje stiller; hoe dit kwam, kon zij niet uitleggen. +Eigenlijk, ja, eigenlijk vervreemde haar wel een beetje van hem, altijd +natuurlijk maar een heel klein beetje, zijn kalm ongeloof. Jozef vroeg +hierop, of hun liefde haar dan niet genoeg was, neen, dan hield zij ook +niet genoeg van hem. En buitendien, wát geloofde zij dan, hoe kon zij +haar geloof omschrijven, was zij katholiek? Neen, van die godsdienst +wist zij weinig meer en had zij nooit veel begrepen, maar zij voelde +iets in haar, dat haar zeî te aanbidden en te danken. En zoo voorts, zeî +Jozef. Maar zij sprak door. Zij wilde haar God aanbidden, daar buiten, +het gezicht naar de zon gekeerd en de voeten tusschen de bloemen. Zij +kon zich, evenmin als hij, goed vereenigen met het denkbeeld van een +God, die in schemerlicht of bij kaarsvlammen te vereeren zoû zijn. Maar +iets was er toch, zij drukte op dat woord "iets", iets moest er wezen. +Er moest iets zijn buiten de zichtbare wereld, oneindig grooter en beter +dan al het zichtbare. Maar hij hield niet van redeneeren met haar. Hij +had haar lief, dit wist zij en dat was genoeg voor haar en voor hem. Hij +liet haar de vrijheid, om te bidden en te denken zooveel zij woû. Daarin +moesten zij ieder maar hun eigen gang gaan. Maar zij was van een heel +andere meening. Het hinderde haar, dat hij zoo cyniesch was, waar het +bovennatuurlijke zaken gold. Vader geloofde toch ook aan een Opperwezen. +En het scheen haar, als ging er weêr een gedeelte van haar liefde van +Jozef op haar vader over, die zoo eenzaam in Amsterdam was achtergebleven. +Mathilde zweeg weêr stil en begon na te denken, en terwijl hij, altijd +met denzelfden langzamen tred, op denzelfden afstand van haar, naast haar +voortwandelde, onderzocht zij zich zelve nog eens, om te weten, hoe het +mogelijk was, dat zij voor altijd haar bestaan aan dien Jozef Wilden had +verbonden. En in wat voor een oogenblik van krankzinnigheid, van +bedwelmenden hartstocht, had zij, had zij gisteren in het bosch dat +gedaan, waarover zij zelf nog verlegen was. Hield zij dan wezenlijk +zóoveel van hem? Was toen haar ware aard boven gekomen? Of was dat +opwinding geweest, een gevolg van het heele nieuwe leven, dat zij sinds +acht dagen leefde, een opwinding zóo hevig als zij nooit te-rugkomen kon? +Waar bleef haar eerbied voor de majesteit van God in de natuur, toen zij +zoo had gedaan onder Zijn oog? Zij voelde een lichte koû in haar hart +dalen. Zouden haar droomen van toewijding aan Jozef nooit verwezenlijkt +worden? Zoû altijd God, de onbestemde persoonlijke heerlijke +aanbiddenswaarde natuurkracht, het opperste wezen, die alle schoonheid +aan de aarde gaf, tusschen hen beiden staan? Zoû ze van hem, Jozef nooit +naast en in dien God kunnen houden? Zoû hij nooit haar mede-aanbidder zijn +en zoû ze hem nooit ook óm zijn gebed liefhebben? Neen, nooit! Hij zoû +nooit bidden. Daarvoor was hij te veel een mooye man, een man van de +wereld, daarvoor was zijn haar te verzorgd en was zijn vest te nieuw. +Daarvoor stond hij ook te goed met zich-zelf. Hij liep zoo gerust en +ijdel, zoo zonder verdriet en met zooveel gemak rond op de wereld, dat +hij, om dat hem niets ontbrak, niet meer vroeg wie hem dat alles had +gegeven. + +Zoo dacht Mathilde voort. Alle godsdienstaandoeningen, die zij ooit in +haar leven had ondervonden herleefden in haar ziel. Zoû hij haar wel +ooit genoeg zijn, hij Jozef? Zoû zij werkelijk ooit alles, haar God en +heel haar zelf kunnen verlaten vóor hem alleen? Zou hij ooit het eenige +kunnen worden, waaraan zij zich hechtte? Zou hij zoo bezit van haar +nemen, dat al het andere haar niet meer aanging? Zij had dat wel gedacht +en gehoopt, verleden jaar, ja, maar sinds dien tijd? En nu, nu ze ver +met hem wech was gereisd en hém alléen zag en haar vader in 't geheel +niet meer, voelde zij zich nu wezenlijk minder alleen dan ooit, zooals +zij het zich altijd had gedacht? Zij keek hem even aan, onder haar +parasol. Hij wandelde altijd maar voort. Zijn gezicht was rood geworden +van de warmte. Een paar droppels zweet biggelden van zijn slapen. Zijn +grijze pak zat vol stof en zijn schoenen waren als met asch bedekt Zijn +hoed hield hij over zijn voorhoofd gedrukt, zijn armen bengelden +vermoeid aan zijn zijden. Zijn handschoenen waren met vlekken. Hij zag +naar den horizont, naar de wolken die stegen als schuimende +rotsgevaarten, hij kon den omtrek wel een uur ver waarnemen, en zijn +mooye voorhoofd dacht niet aan God, en in zijn mooye oogen was geen +geloof. De koude vermeerderde in Mathildes hart. Neen, neen, zij kon +zich aan hem niet heelemaal geven. Zij schrikte te-rug voor zijn kalmte +en zijn langzamen gang, terwijl er bij háar zooveel omging. + +Mathilde stelde voor óm te keeren, om dat het weêr slecht zoû worden. +Zonder ergens uit te rusten, zonder veel te spreken, terwijl de zon +verdween achter grijs zwarte wolkenpakken, wandelden zij naar het hotel +te-rug. Mathilde werd bepaald zenuwachtig. Waaróm had zij dien mooyen +man getrouwd? Wáarom had zij willekeurig afstand gedaan van haar +vrijheid, om hém te volgen? Waarom was zij niet bij haar ouden vader +alleen gebleven en met hem bij haar eenzame eigene gedachten, die haar +zoo dierbaar waren? Haar eigen-liefde was gekrenkt. Het griefde haar, +dat Jozef in stilte minachtte wat zij voor heilig hield. Er begonnen +zware droppels te vallen, toen zij weêr op hun kamer waren Jozef ging +zitten op een stoel, om uit te rusten. + +Eenige dagen later reisden zij verder; een waas van balorigheid lag over +Mathildes gezicht. Haar stemming veranderde bijna gedurende de geheele +reis niet meer. Zij wilde, om Jozef niet onaangenaam te zijn, er niet op +aandringen de reis te bekorten, maar zij verlangde eigenlijk +onophoudelijk naar huis. + +Het scheen haar, dat zij Jozef niet meer zoo lief had als vroeger. Er +was als een verwijdering tusschen hen gekomen. Vooral des nachts, als +zij zoo zeer alleen met hem was, voelde zij een wrevel omstijgen in haar +gemoed tegen zich-zelve, dat zij een onberaden stap had gedaan. Maar +andere keeren lachten zij er over, dat zij haar huwelijk zoo noemde. En +was zij een paar dagen achter elkaâr niet al te lief voor Jozef geweest, +dan had zij oogenblikken van berouw, als een kind, dan zoende zij zijn +hoofd en vroeg om vergeving. Maar de algemeene staat van haar liefde +bleef flauw. + +De verrassingen en ongewendheden, die al de bezochte vreemde streken op +haar afschudden, vermengden zich met de nieuwheid, waarin Jozef voor +haar was. Zij begon dat alles voor éen te houden: hun ruwerig leven van +dezen tijd, met al zijn rare bewegingen en gezichten, met, tot getuigen +van de manier waarop Jozefs lichaam haar behandelde, onvertrouwde +luchten, bosschen en bergen, niets dan ernstige en onverschillige +spoorwegwagens, hotelkamers, en museums niets dan onbekende en haar niet +kennende straten en pleinen. Nergends gemeenzaamheid, nergends rust. +Naar geen enkel kastje kon zij kijken van haar geluk, wech was haar +piano om tegen te droomen van heerlijk, wech het teekengerij om meê te +suffen van zaligheid. En zoo kwam zij er toe zich angstig af te vragen +of er wel geluk en heerlijk en zaligheid was. Jozef amuzeerde zich +bizonder, en zij begreep hem daarom niet meer. Hij beklaagde zich wel +bij haar over haar weinige levendigheid en opgeruimdheid, maar al het +wereldsche, al het schitterende en woelige, dat zij door-leefden, vond +hij even pleizierig als het háar mishaagde. Ook was hij onophoudelijk +vol allerliefste oplettendheden voor haar, hij zocht op alle mogelijke +manieren haar ook plezier te doen hebben. Zij ging wel overal met hem +meê, maar het bleef in het geheel dát niet. + +Mathilde droomde een paar maal van haar vader, telkens akelig. Zij +droomde eens, dat hij uitging om een wandeling te doen, dat er een zware +mist op kwam zetten, die hoe langer hoe dichter werd, dat vader niets +meer zien kon op 't laatst en in de gracht viel, zij droomde een anderen +keer, dat er een dief in huis was gekomen en zich onder het bed van den +ouden heer had verstopt. Haar vader stapte in bed, zij wilde hem +waarschuwen en stak haar hand uit; zij werd wakker met een schrik en had +Jozef in haar slaap aangestooten, die haar verwonderd vroeg, waar zij +zoo ongerust van droomde. + + * * * * * + +Toen zij al heel lang op reis waren en de reis gauw gedaan zoû zijn, +werd Mathildes neêrslachtigheid afgewisseld door hevige aanvallen van +liefde voor Jozef. Maar tot haar droefheid merkte zij juist dan, als zij +er over nadacht, dat zij eigenlijk lang zooveel niet meer van Jozef +hield als vroeger, en dat die verliefde buyen alleen korte te-ruglevingen +waren van haar hartstocht van vóor dat zij getrouwd waren. + + * * * * * + +Het was nu nog tien dagen vóor zij weêr thuis zouden zijn. Zij reisden +met een nachttrein door midden-Duitschland, zij zaten alléen samen in +den wagon. Om dat er over-dag niets dan vervelende boemel-treinen in den +spoorweggids stonden, hadden zij dezen trein genomen. Bevend-schemerend +daalde de schijn van het zolderinglampje, waarom de gele gordijntjes +waren toegehaald, over het donkerrood trijp van het rijtuig. Jozef en +Mathilde hadden afgesproken te slapen. Daar zij gezegd had liever in een +hoekje te blijven zitten dan op een bank te gaan liggen, deed hij uit +beleefdheid ook zoo. Zoo reden zij beiden vóoruit, éen armstoel was er +tusschen hen opengebleven. Mathildes grijs-gele stofjas hing open over +haar licht-grijze japon. Een boekètje lag op haar schoot van uit haar +opene handen met geel zemeleeren handschoenen. Haar hoofd, onder een +lichtkleurig kapot-hoedje, leunde tegen het donkerroode kussen. De +wiebelende schaduwen van de vooruitstekende boven in de netten geborgen +valiezen en reistaschjes bewogen over haar heen in de maat van het +dreunen van het rijtuig. Een zijige donker-blauwe voile hing juist tot +over haar bovenlip. Haar oogen vonkelden als zwarte stukjes glas. Zonder +te zien, keek zij voor zich uit. Zij hield haar hoofd een beetje op zij +met van ernst groezelige wangen. Roerloos-suffend zat zij na te denken +in de kreunende en bonzende stilte. Hoe het kwam, wist zij niet, maar +zij had zich nog nooit zoo alleen gevoeld met Jozef als in deze uren. +Was zij dan nog niet aan hem gewend? Zij wist het niet. Hield zij dan +niet van hem en was ze gelukkig alleen met haar geliefde te zijn, dus +alleen met haar eenigen, met haar alles? Zij wist het niet. Onrustig +dreven haar gedachten om. Zij stoomden den trein vooruit, ver, ver +vooruit en weêr naar haar vader, die alleen in Amsterdam zat. En dan +weêr te-rug naar Jozef, die daar te dommelen zat en naar wien zij haar +hand maar had uit te strekken om hem te raken. Het scheen haar dat zij +nu altijd duizend mijlen van haar vader gescheiden zoû blijven, dat zij +voor eeuwig opgesloten was in deze enge ruimte met Jozef, en, zoo +verschrikkelijk gauw, een oneindige ruimte met hem werd ingedreven naar +een altijd wijkenden horizont. Voor het eerste voelde zij, dat zij haar +vrijheid van vroeger niet meer had. Zij voelde, dat zij zich +overgeleverd had en haar lot nu was beslist. Vooruit nu in het leven, +vooruit en altijd met hem, altijd bij hem, altijd naast hem, hij altijd +haar nagaande met zijn eischenstellende liefde. + +En zij bestudeerde hem, bezag hem in zijn licht-grijze reispak, de +beenen uitgestrekt op de fauteuil vóor hem, met zijn lage schoenen en +elegante wit en rood gestreepte sokken. Zijn armen kruizelings over de +borst, dommelde hij, en zijn hoofd, onder een grijze reispet, zonk, bij +lichte knikjes, naar voren; zijn mond was even open gevallen. Wat had +hij toch een mooye snor en recht mannelijk profiel! Weêr gleden een +reeks van doezelige droevige voorgevoelens door haar brein. Zij hechtte +een blik op hem, die vroeg, wat er nu van haar worden zoû, van haar +toekomst, van haar heele leven, dat nu in zijn macht was, wat hij +daarvan zoû maken. Zal-je mij wezenlijk gelukkig maken, vroeg zij, +zul-je me weten te begrijpen? Zal-je van me blijven houden, zoo als je +zegt het nu te doen, zal-je van me houden, zooals ik het van jou doe en +toch eigenlijk wel voel het altijd te zullen blijven doen? Of ben-je +wispelturig en heb ik mij vergist, vreeselijk, vreeselijk? Plotseling +dacht zij dit hevig en zag hem strakker aan. Zij wilde een andwoord +weten. Zij wilde uit zijn persoon, uit zijn wezen, uit zijn houding, uit +zijn gezicht, een andwoord lezen. Maar zij ontdekte niets. Met kleine +schokjes volgde Jozefs lichaam de bewegingen van den trein en zijn +slapend hoofd schudde ja en neen, op alles ja, op alles neen. + +Zij bekeek hem voortdurend: hij zat daar als een kind en machteloos, en +niets dan tevredenheid en genoegen-neming met het leven sliep er in hem; +zij was met hem en waakte en allerlei zorgen en rustige overwegingen +gingen er door haar hersenen; en toen begon het haar te schijnen alsof +hij toch wel goed, wel goedig was, en het altijd zoû zijn. Zijn slapen +scheen haar iets klagends, iets hulpvragends tot haar te richten, scheen +een vertrouwen in haar te stellen, dat haar verteederde. Hij rekende op +haar; nu, hij kon gerust slapen: zij hield van hem! Een aandoening van +grenzelooze teederheid doorstroomde haar. Ja, hij kon vertrouwen, zij +had hem lief, zij zoû over hem waken Hij hoefde niet meer voortdurend +wakker te zijn om op de minste van haar bewegingen, de geringste van +haar wenschen te letten, vol attenties, vol bewijzen van eerbied, om +haar hart te veroveren. Want de verovering was geschied, de buit was hém +en zeker kon hij zichzelf vergeten en slapen bij zijn trouwe vrouw. + +Daar gilde de stoomfluit en woei het geluid, bij herhaalde kreten, langs +de wagens. Jozef deed zijn hoofd in de hoogte, smakte met zijn lippen, +kromde zijn éene been naar boven, om dat het moe was van de langdurige +uitstrekking, bleef een oogenblik weêr roerloos zitten, scheen zich toen +te bedenken, zuchtte en wreef met het blauwe gordijntje den wasem van de +ruit, die 't dichtst bij zijn gezicht was, en keek naar buiten in de +zwarte duisternis. Daarna wendde hij zijn hoofd om en keek even, heel +vluchtig, met bevende oogen naar Mathilde. Hij dacht blijkbaar, dat ook +zij sliep. Zij keken mekaâr aan. Zij glimlachte. + +--Ben-je wat uitgerust? vroeg zij. + +--Ja kind, andwoordde hij in den ernst van het ontwaken. De slaap zat +hem nog in zijn oogen en mond. Hij deed zijn oogen weêr toe, schoof zich +in de gemakkelijkste houding en bleef onbewegelijk. Alleen bewoog zich +tusschenbeide langzaam zijn arm en streek zijn hand over zijn kin of aan +zijn oor, terwijl hij inwendig geeuwde. Eindelijk hield alle beweging op +en bleef hij, alleen met aandachtig snel knippende oogleden, zitten +suffen. Mathilde was ook weêr in haar vórig gepeins wech. Zoo levendig, +als ware zij in zijn tegenwoordigheid geweest, kwam haar vader voor haar +geest: lieve, lieve vader. Wat had hij haar zegenend gezoend toen zij +heenging! Wat zoû zij probeeren hem nog verder gelukkig te maken, als +zij te-rug waren thuis! + +Maar Jozef was niet zoo rustig meer als eerst. Hij schoof zijn beenen op +en neêr, rekte zich uit en zag herhaaldelijk naar Mathilde, als had hij +een plan met haar. De wervelwind van de zucht naar het avontuurlijke, +naar het gewaagde, en een onweêrstaanbare begeerte deed het bloed achter +zijn ooren stijgen en gaf hem een lichte prikkeling onder de oogen. Hij +stond op, ging in de fauteuil naast Mathilde zitten, klepte den rood- +trijpen arm, die nog tusschen hen neêr was, naar de hoogte en nam haar +hand, die hij op zijn been liet liggen. + +--Wat zijn we in lang niet samen alleen geweest, zeî hij. + +--Hoe bedoel-je dat? vroeg zij; zij liet zich tegen zijn schouder +glijden. Van-daag den heden dag toch, en gisteren en van-nacht, zeî ze +heel eenvoudig. Hè, ik heb zoo aan vader zitten denken, daarzoo ... + +--Nou ja, maar over-dag zijn we eigenlijk nooit alleen geweest, altijd +met andere menschen, die ons zagen, we hebben bijna nooit intiem +kunnen zijn ... + +Hij drukte zijn lippen op haar lippen. Haar tanden deden pijn want de +zoen was een beetje hard. Zij ging weêr recht zitten, zij trok zich +te-rug, een beetje zenuwachtig. Zij was niets lief. Ernstig en +bedremmeld keek zij voor zich uit. Hij begreep haar niet. + +--Wat is 't nou? + +--Och, niets, andwoordde zij langzaam. Na een oogenblik zeî hij weêr: + +--Hoû-je niet van me? + +--Ja wel. + +Nu viel hij naar haar toe, hij kon zich niet inhouden, hij sloeg zijn +armen om haar middel en wilde haar aan zijn borst trekken. Maar zij +verzette zich. + +--Nee, zeî ze, nu niet ... wat wil-je toch? + +--Wat niet? Waarom niet? Waarom nu niet? vroeg hij en hij bezoende haar +heele gezicht. Zij verzette zich zachtjes. + +--Toe, Jozef, wat mankeert je nou toch? Laten we wat gaan slapen ... + +--Maar, waaróm niet? Zijn wij niet alleen? Wil ik het licht lager doen? + +--Nee, nee, och nee! + +--Maar, waaróm niet? + +--Dáarom niet, zeî ze koud en ernstig. + +Hij ging tegenover haar zitten, erg teleurgesteld. Eerst zweeg hij, keek +haar bij tusschenpoozen ongeduldig aan en dan weêr den anderen kant uit, +zijn armen kruiselings over de borst. Zij trok haar stofjas weêr in 't +fatsoen en raapte het boekètje op, dat gevallen was; zij hield haar oogen +neêr over haar heete bleeke wangen. + +Langzamerhand begon Jozef, bij korte stooten, te zeggen: + +--Wat beteekent dat nu? 't Is absurd! Vraag ik je niet iets heel gewoons, +ben ik je man niet, ik heb immers recht om je te vragen, wat ik vraag! + +Hij was heelemaal uit zijn humeur geraakt. + +--Zoo iets heb 'k nog nooit gehoord! Moet er dan volstrekt een +slaapkamer bij te pas komen, en een egyptische duisternis en zware +gordijnen en een dubbel gesloten deur ... Er zal hier geen kondukteur +meer in komen, de kaartjes zijn geknipt ... Vóor we aan het eerste +station komen, is 't nog wel twee uur. + +Zoo gromde hij voort, en naarmate hij zag, dat ze onder zijn berisping +bukte, werd hij heviger en trommelden zijn vingers op zijn knieën. + +--Wat is t'er ân? zeî hij verder. Ik ben geen minnaar, ik ben je man. +Ben ik je man niet? + +Na een paar minuten zwijgens en nagedachte, kwam weêr het +onbegrijpelijke van de weigering bij hem boven. Zacht zeî hij: + +--Zeg nou 'es, Thilde, wáarom wil-je niet? + +--Och, ik weet 't niet, ik weet 't niet, snikte zij en begon wrevelig te +huilen als een kind, zoo dat tranen kleine donkere vlekjes maakten op +haar gele stofjas. + +Nog erg boos, ging hij nu weêr op zijn oude plaats zitten. Maar hij kon +niet meer slapen. Hij nam zijn Baedeker en begon knorrig te studeeren op +het plattegrondje van een stad, die zij al lang achter den rug hadden, +zonder te weten wat hij las. + +De blauwe gordijntjes hingen slap langs de raampjes neêr en de vaal-gele +schijn van het duistere lampje aan de zoldering trilde hevig door den +jagenden en schokkenden wagon. Het begon er benauwd-warm te worden. + +Mathilde beefde in haar hoekje; een onbegrijpelijke angst had zich van +haar meester gemaakt. Zij begreep niet goed, waarom ze zoo bang was +geworden voor Jozef. Maar ze had een schrik van hem gekregen. Neen, aan +dien man had zij zich zelf niet heelemaal gegeven. Dat was maar schijn +geweest. Een ijzig gevoel van vervreemding huiverde door haar hersenen. +Zij was bang voor nu en voor later. Nu was hij te-rug-gegaan toen zij +weigerde, maar zoû dat altijd zoo zijn, zoû hij later nog wel niet eens +verder kunnen willen gaan, tegen haar tranen, tegen haar smeken in? Zoû +hij haar niet eens te lijf willen gaan, om haar kwaad te doen, haar pijn +te doen? Zij vreesde, ja, zij vreesde alles, maar wat dan, wat alles? Er +bestond geen reden voor haar angst. Mocht hij dan niet doen, wat hij +gewild had? Immers ja. Wat bezielde haar dan toch om op-eens zoo'n +afschrik te hebben? 't Was heel natuurlijk en gepermitteerd, wat hij +woû. Dat was het huwelijk, dat was de liefde. Alle mannen handelden zoo +tegenover hun vrouwen. En zij-zelf, wat had zij-zelf niet gedaan dien +morgen in het bosch? Wat scheelde er dan toch aan, wat maakte haar zoo +kriegelig, wat gaf haar dien onweêrstaanbaren weêrzin? Neen, zij begreep +zich-zelve niet meer. Zij was moe, zij was zenuwachtig. Het dansen van +den wagon om haar heen matte haar af. O, was 't maar gedaan! Waar was 'r +einde van de reis, van de lange, al te lange reis? Zij zuchtte en deed +haar handen voor zich uit in een wensch om verlossing, als om iets van +zich wech te duwen. + +De trein ging langzamer. Zij waren dicht bij een station. Zij zouden +even iets gaan eten. Jozef stond op, knoopte zijn jas dicht en zocht +zijn hoed. Toen hij voorbij Mathilde boog om het portierraampje open te +maken, hoorde hij haar snikken: "vader, vader!" + + + + +VI. + + +De table-d'hôte was juist begonnen in het hotel Belle Vue te Deutz, +over Keulen, aan den anderen Rhijnkant. Door de acht hooge vensters +helderlachte een zomer-zon binnen, straalde in de glazen vóor elk bord +geschaard, bevonkelde den wijn, deed het goud van de spiegellijsten en +de schoorsteenpendule blinken, verhelderde het witte tafellaken en de +sloofjes van de kellners, schemerde schijnsels van frischheid over de +fletse wanden, poeyerde stofgoud door de kroezige haren van de vrouwen. + +De pastijtjes werden binnengedragen. Een uitwaseming was over de tafel, +als bij felle koû 's winters in een dicht rijtuig, dat vol is. Een +soeplucht steeg naar de zoldering. De heeren veegden hun snorren en +kinnen schoon, zwaayend en duwend met de servetten. Heeren krabden zich +achter hun ooren, legden beide handen half toegeknepen, de zegelring +goed zichtbaar, aan weêrszijde op de tafel naast hun bord, keken rond, +schuin-smakkend met de lippen van voldoening over de gegeten soep, +schuin langs hun buurvrouwen naspeurend of er gevoeglijk een gesprek te +beginnen zoû zijn. Andere heeren snoten hun neuzen; eenige deden het met +hun rug naar de tafel en snoten half achter de ruggen van die naast hen +zaten; twee dames schrokken even. De jonge meisjes staarden vóor zich en +hielden de handen op elkaâr gedrukt achter het leêge soep-bord, andere +bekeken de bewegingen van het licht tegen de muren en namen den schijn +aan hun armbanden in orde te doen. De oudere dames kruimden een stukje +brood en groetten glimlachend, met lichten hoofdknik, de menschen die te +laat kwamen. Een oude vrijster kon haar grijze oogen maar niet van den +jongsten kellner afhouden, een blonden baardeloozen krullekop met dikke +korte lippen, die handig de pasteitjes tusschen de gasten in kon houden, +zonder ze ooit aan te raken of hen te noodzaken een beetje op zij te +buigen. De schuivende stappen van de kellners klonken droog en krakend +af op het zeil over de vloer. Dit geluid vermengde zich met den doffen +klank van de schoone borden, die den gasten voorgeschoven werden, op het +tafellaken, met het gekletter van stapels borden, die in een hoek van de +zaal werden neêrgezet, met het zilveren getik van de vorken en messen, +die sommige heeren naast hun bord tegen elkaâr lieten glijden of onder +het eten samentikten. + +Onder de soep had niemant een woord gesproken. + +Zachtjes werden er nu koele gesprekken begonnen. Beginnende glimlachjes +waren om enkele monden. Zij spraken, schor, en fluisterend, over het +mooye weêr, over de aangename ligging van het hotel, over het +muziekfeest gisteren-avond in Keulen, over hun reizen. Een jongen van +twintig jaar sprak tegen een meneer, die tegenover hem zat. Daarom klonk +zijn stem boven de anderen en keken de menschen, die dicht-bij hem +zaten, naar hem op. Een reuteligheid in zijn keel en het knippen van +zijn oogen was zijn verlegenheid. Links, aan het uiterste einde van de +tafel, zaten twee roode, vette Westfalers, hun servetten van-boven in +hun wijde boorden onder de ruig-roode onderkinnen, die over vette +varkensvleeschbereidingen gingen praten. Drie fatterige Berlijnsche +heeren naast hen bogen hun drie hoofden over hun borden bij elkaâr, +bespotten de Westfalers en spraken daarna heel zachtjes over een +zangeres, die deel had genomen aan het muziekfeest van gisteravond en +die om een andere reden nog-al erg over den tong ging. + +Na de pasteitjes, bij het rundvleesch, de wit-groene met kaneel bruin +bespikkelde bloemkool, en de rookende aardappelen, vermeerderde het +suizend stemmengegons aan tafel. Heeren bedienden de dames naast hen. +Een fijn blond tenger kantoorbediendetje uit Keulen, die wist, dat de +zwaarlijvige Hollandsche jongejufvrouw aan zijn linker kant altijd heel +weinig van alles gebruikte, lispte, in vlijmerig hollandsch: Jufvrouw, +mag ik u eens mikroskopiesch bedienen? De jufvrouw lachte met breede +lippen en zware witte tanden. Een lange magere heer voerde het woord +over politiek en meer bizonder over Bismarck. + +Jozef en Mathilde zaten bedaard en stil naast elkaâr te kijken. Zij +waren moe van de eerste huwelijksweken en van de reis, zij dachten er nu +maar aan zoo gauw mogelijk thuis te zijn. Zij zagen allebei een beetje +bleek. Mathildes gang en haar hand-en armgebaren waren flets van +gemakzucht, een gevolg van de uitputting. Jozef was ook stiller dan +gewoonlijk. Zij zaten zij aan zij, hij voortdurend in het licht-grijze +pak, zij in een licht-bruine japon, zonder veel garneering of kant, en +zij keken een beetje beteuterd om zich heen en konden den rechten +konversatietoon maar niet vatten. Tusschenbeide zeiden zij zachtjes een +eenzaam woord tegen elkaâr. + +--Zijn er van-morgen geen brieven gekomen? vroeg Jozef. + +--Nee, dat heb ik ook al vreemd gevonden. Ik had mevrouw Berlage toch +zóo gevraagd me te schrijven of alles thuis goed in orde was en ik heb +haar toch duidelijk gevraagd om me hier-na-toe te schrijven, om dat dit +het laatste adres op onze reis was. + +--Nou, misschien komt er van-avond nog wat. + +En hij gaf haar de sla aan, die, met den ròsen en glibberigen zalm het +volgend gerecht uitmaakte. + +--Zal u er ook wat peper bij nemen, mevrouw? vroeg een hollandsche stem +aan Mathildes linker kant. + +In de rondte was het gesprek aan tafel nu algemeen geworden. Allerlei +stemmen, doortruffeld van het vorkgepik op de borden en het geluid van +slikken, klonken door-een. Hier en daar begon men geanimeerd te worden. +Een roodachtig heer hoestte in zijn servet, een slok wijn was zijn +verkeerde keelgat ingegaan. Een oude dame, met witte muts en paarsen +linten er aan op het hoofd, draaide zich naar hem toe, wilde hem helpen. +Maar hij stelde haar gerust met zijne korte kleine hand. Hij nam een +slok water. Een paar plaatsen verder sloten nieuwe bekenden vriendschap. +Links had een diskussie plaats over politiek. Het begon warm te worden +in de zaal. De dame die zoo lang naar den jongen kellner had gestaard, +wenkte hem en verzocht hem minzaam de middendeur open te laten staan. +Door de vestibule heen zag men nu in het wuivende groen van den tuin, +die aan den anderen kant van het hotel was. Men beproefde ook door een +venster versche lucht te krijgen. Een oogenblik hoorde men den Rhijn in +zacht golfgeklots voorbij spoelen. Maar 't tochtte en op algemeen +verlangen werd het venster weêr gesloten. + +--Hè, ik woû, dat we al thuis waren zeî Mathilde. + +Het eten duurde voort. Twee oude jonge heeren veegden hun voorhoofden +af. Zij hadden zich bizonder te goed gedaan. Een bejaarde dame zuchtte +van benauwdheid. De kellners zagen oplettend na wie nog te bedienen was. +De zonneschijn was langzamerhand gedaald van de muren en van de stapels +borden op de dientafels, die er tegen aanstonden, was ook niet meer op +de gezichten van de eters, maar brandde nog alleen op de halzen en +ruggen van hen, die aan den vensterkant zaten. + +Zij gingen aan het dessert. Eerst kwam de moskovische taart. Een paar +heeren, die haast hadden, rolden hun servetten slordig op, keken vóor +zich, stonden op met stoelgekraak en een lichte beweging van de dames +aan hun zijden, bogen even, terwijl ze met iets zenuwachtigs in hun +oogen een blik over het gezelschap lieten gaan, dat hen een oogenblik +te-rugbekeek en waarvan heel ouden en heele jongen groetten gingen gauw +heen door de vestibule, namen daar hun gele strooye hoeden van den +breeden erg beladen kleerenstandaard, hun dunne wandelstokken uit den +bak er onder, en liepen schielijk de deur en den tuin uit. + +Door een andere deur, van op-zij, kwam nu de portier van het hotel +binnen, nam zijn breedbollige pet af en ging op zijn teenen naar Jozef. + +--Een telegram! zeî Mathilde. + +Uit beleefdheid deden de andere alsof er niets gaande was en spraken +voort. Jozef zeî niets maar zag bevreemd zijn naam aan en opende den +telegram met zijn dessertmesje. + +--Van huis? vroeg zij. + +Na twee sekonden vouwde Jozef het papier toe, frommelde het koevert, +waarin de telegram geweest was, in mekaâr, gooide de prop op den vloer +en zeî: 't Is niets, terwijl zijn gezicht heel effen stond. De anderen +kraakten nu noten in de rondte en zogen uit donzig vette druiven. De +jongelui waren goed aan 't drinken. Men bestelde nog een flesch wijn. De +dames hapten hun laatst hoopje vanielje-ijs op, dronken nog een slokje +spuitwater en maakten zich éen voor éen klaar om wech te gaan. Eenige +menschen kregen koffie. Een oude heer kreeg een cigaar uit zijn koker, +sneed er het puntje af en leî de cigaar op tafel, naar lucifers +rondziende. Twee andere heeren, met groote overhemdsborsten en breede +zwarte dassen, waren gemoedelijk familie-herinneringen aan 't op halen, +die hen nader tot elkaar brachten en slikten wat zij haast te veel +gezegd hadden wech in een langzaam bij kleine scheutjes koffie-slurpen, +terwijl er een met zijn lepeltje op zijn schoteltje tikte, als de andere +aan het woord was. + +--Wat is 't? fluisterde Mathilde. + +--Niets, herhaalde hij. + +Maar zij drong aan: + +--Toe, zeg 't nu maar. + +--Willen wij eens naar boven gaan? zeî Jozef een beetje harder. + +Zij stond gauw op, groette nauwelijks twee nog aanwezige dames en +wachtte Jozef in de vestibule bij de breede wenteltrap met zijn blinkend +gepolitoerde lage treden. Hij kwam ook aanloopen, kuchte luchtig en +zocht in zijn vestjeszak naar een tandestoker; de andere hand hield hij +in zijn broekzak. + +--Nu wat is 't? vroeg zij, hem aarzelend aanziende. + +--Ik zal 't je boven laten lezen. En zwijgend gingen zij de trap op. +Mathilde wist niet wat te denken, zij beet op haar onderlip en klapte +in haar handen om haar ongeduld te temperen. Boven in hun grijzige +logeerkamer, sprak Jozef nog geen woord: hij scheen in gedachten. +Zwijgend gaf hij haar den telegram over. Mathilde las 'm. + +--O, God, zeî ze, wat zullen we nu doen? + +--Niets, andwoordde hij, precies hetzelfde wat we anders gedaan zouden +hebben. + +--Laten we maar liever zoo gauw mogelijk afreizen. + +--En niet meer in Arnhem stil blijven? + +--Nee, natuurlijk niet, dadelijk naar huis gaan. Vader is erg ziek. + +--Zoo erg zal 't niet zijn. Hij heeft een sterk gestel. Laten we maar +eerste den brief afwachten. Dan kunnen we altijd nog zien. + +Mathilde wandelde de kamer op en af en dacht na. Jozef stond aan 't +venster geleund en trommelde tegen de ruiten. Hij kreeg een cigaret +uit zijn zak. + +--Ik ga maar vast pakken, zeî Mathilde. + +--Dat kun-je altijd doen, zeî hij, of nee, láat 't liever doen. Lieve +kind, je bent zoo moe. + +--Wat zoû vader schelen? zeî Mathilde, over den koffer gebukt. + +--Ja, dat weet ik niet. 't Kan natuurlijk van alles zijn, maar de brief +zal wel gauw komen, dan weten we 't. Jozef was bezig vóor den spiegel +zijn das recht te keeren en zijn snor op te krullen. Al zijn oude +vriendschap voor de Stuwen kwam boven; hij was ongerust. Ik ga nog even +in den tuin, zeî hij, win-je nou maar niet op, lieve kind, en laat me +waarschuwen als er nog iets komt. + +Beneden was de table d'hôte gedaan. + +Voortdurend klepte de buitendeur open en dicht, de luide en lachende +stemmen van de heengaanden klonken op, om wech te suizen in de open +lucht, zoodra de deur weêr dicht was geslagen, en gevolgd te worden door +andere, meer gemoedelijke stemmen, die langzaam opkwamen en uitstierven +en van slofferige voetstappen waren vergezeld, of door stemmen, die +klonken als kristallen glazen en door het geruisch van japonnen werden +omsisd. + +Jozef zoû juist de kamer uitgaan, toen een kellner de trap opkwam, een +telegram in zijn hand. Jozef duwde den man te-rug, om Mathilde niets te +laten merken en gaf hem een order over het ontbijt van morgenochtend, +als had hij hem daarvoor ontboden. Terwijl hij den nieuwen telegram +openmaakte, ging Jozef achter den kellner de trap af. + +De Stuwen was gestorven. Men wist niet waaraan. "Oorzaak onbekend" stond +er. Jozef werd verzocht zoo spoedig mogelijk te-rug te komen. Jozef vond +dit alles heel natuurlijk. Hij was niet gewoon licht te schrikken, hij +draaide in de vestibule even op éen hiel rond en ging toen weêr langzaam +naar boven, den telegram voor zich uit houdende. + +Mathilde was niet voortgegaan met pakken maar was gaan zitten op een +stoel bij het ledikant, om eens na te denken. Dat vader zoo gauw zoû +kunnen sterven! Wie had dat gedacht! Arme vader! Hoe teeder en met +hoeveel droefheid had hij haar omhelsd, toen zij wech ging, ver van hem +wech, op haar huwelijksreis! Wat had hij haar een aanbeveling gegeven +voor de toekomst, alsof hij haar nooit terug zoû zien! Wat had hij veel +gesproken van de eenzaamheid, die hij tegemoet ging! Och, och, hoe had +ze hem ook kunnen verlaten! Hij had 't zelf gewild, ja, maar ze had 't +toch niet moeten doen ze had het nooit moeten doen! Waarom was ze ook +getrouwd, waarôm was ze wech-gegaan uit zijn beschermende armen, die zij +verwarmde, die haar alléen nog konden omhelzen en zonder haar leêg en +slap neêrhingen. En nu dood, zuchte zij ... Maar ... dood? nee, hij was +niet dood, hij kon niet dood zijn! Hij was maar ongesteld; hij moest +toch wel erg ongesteld zijn, dat ze zoo telegrafeerden van huis! Of +misschien ook niet, misschien hadden ze den indruk willen verzwaren, om +te maken dat Jozef en zij gauw overkwamen, om geen last met den ouden +heer te hebben en te zorgen, dat hij in geen geval alleen stierf, dàt +dáar geen mogelijkheid voor zoû zijn. Ja, zoo moest het wezen. En zij +stond gauw op om verder door te pakken, met het vaste besluit dadelijk +naar huis te sporen. Jozef zoû wel toestemmen, hij vond alles goed, wat +zij woû. Daar stond Jozef weêr in-eens vóor haar. + +--Je vader is van-middag overleden, zeî hij bedaard en hoogst ernstig, +en hij hield haar den telegram voor. + +Zij nam dien niet aan, andwoordde niet, ging weêr op den stoel, waar ze +daar-zóo over alles had nagedacht zitten. Met wijd open oogen keek ze +Jozef strak in zijn gezicht. Twee dikke tranen vielen op haar licht +bruine japon. Zij huilde een oogenblik stil en hevig. Toen stond ze op +in een overgegeven houding, heel week: + +--Nou ben ik wél heelemaal voor jou en voor niemant anders op de wereld, +zeî ze. Zij legde haar armen om zijn hals. Hij sloeg zijn handen om haar +schouders. Hij kreeg ook tranen in zijn oogen en zag er haar zwarte haren +in golven aan zijn borst. En zij zagen mekaâr aan, beiden opgewonden door +den heftigen toestand. + +Toen Mathilde met de koffers klaar was gekomen, waschte zij haar oogen +en ging Jozef opzoeken in den tuin. Zij kwam in de vestibule en keek +naar de eetzaal. De zon daalde bedaard wech achter de huizen van Keulen, +zij bereikte de tafel niet meer. Een paar kellners liepen haastig af en +aan. De tafel was bijna heelemaal opgeredderd. Over het wijn-en +vetvlekkig tafellaken vlogen vliegen in korte kringen om de vergeten +broodkruimels heen. Een zware gemengde etensreuk benauwde de zaal. Op +de vloer was een stukje rotte appel en een druivenschil gevallen. De +stoelen stonden door elkaâr, een eind naar achteren geschoven de +servetten hingen er lusteloos en verkreukeld over heen. Er kwamen twee +meiden de glazen uitwasschen in een hoek van de zaal. Een kellner gooide +de eene met een perenschil. In platduitsch schold zij hem daarover uit, +terwijl de rook van haar warm water in de rondte dwarrelde. + +Mathilde stiet de voordeur open en ging naar Jozef, die, een cigaret in +zijn mond, voortdrentelde tusschen het groen in. + + + + +VII. + + +Den volgenden avond waren zij te-rug in Amsterdam. Zij reden gauw door +den regen naar huis. Jans deed al open voor er nog gescheld was, met een +doodsch gezicht. De tranen daalden over Mathildes wangen, toen zij den +gang doorging naar het zaaltje, tranen om het leven, dat wech gestorven +was uit het huis, het stille, bedaarde, goedaardige leven, met zijn +kalmen gang, zijn zacht neurieën, al zijn kleine gewoonten en al zijn +stille dingetjes. De stilte was nu zoo stil, dat het niet was om te +zeggen. De stilte van den dood ademde door het huis, een grijsheid +zweefde langs de muren en over de trappen, een warrelende schimmige +nevel waarde in de hoeken en stofte van de zoldering. Mathilde had Jans +bij het binnenkomen de hand gedrukt, zoo als het altijd in de familie +gebruikelijk was geweest aan de meiden te doen bij allergewichtigste +omstandigheden en treurige of aandoenlijke gelegenheden. Jans was nu de +jonge mevrouw, die zij in de onnadenkendheid der ontsteltenis telkens +nog jufvrouw noemde, naar het zaaltje gevolgd en hielp haar daar haar +reisgoed afdoen. + +--Hoe is 't nou gegaan, zoo in eens? vroeg Mathilde zachtjes; de tranen +drupten langzaam, zonder zenuwachtigheid, van haar wangen. + +--Ja, u zal wel erg geschrokken zijn? zeî Jans. + +--'t Is treurig, erg treurig voor me, 't is een heele steun die me +ontvalt. + +En 't is zoo gauw gegaan, toch zóo gauw, onbegrijpelijk, Meneer was dan, +zooals u weet, een beetje rhematiek-achtig nog altijd, maar och gut, +anders zoo gezond als 't maar kan. Hij at goed, zeker ... flink ... ten +minste behoorlijk, zooals altijd. Een dag of vier geleden begon hij een +beetje pijn te voelen hier, bij zijn maag, op zijn rug en in zijn hoofd. +Ik zeg: meneer gaat u na bed, zeg ik, dan zal 't morgen wel over zijn. +Den volgenden ochtend nog 't zelfde. Nou, toen zeg ik tegen meneer, +blijft u nou maar legge. Wil ik ook iets schrijven of zoo aan de +jufvrouw? Nee, zeit meneer, doe dat maar niet, ze komen toch over een +paar dagen thuis. Nou, toen deê ik 't dan niet, maar 's middags werd +meneer erger, hij had zoo'n pijn, dat ie 't niet uit kon houden. Och +God, en hij huilde zoo! Ik ben naar den dokter gegaan, die is dadelijk +gekomen, hij zeî, dat 't weêr de rhematiek was, dat meneer maar veel +rust moest hoûen. 's Avonds woû ik meneer wrijven, maar dat kon ie +onmogelijk velen en hij gilde het uit van de pijn. Nou, toen dacht ik, +dat 't geen rhematiek kon zijn. Ik zeê tegen meneer, of ie niet een +andere dokter gehaald woû hebben, of misschien een professor of zoo. +Maar meneer zeê, dat 't wel over zoû gaan, hij woû maar, dat ik hem met +rust zoû laten. Zoo duurde het vooreergisteren en eergisteren en vooral +gisteren-morgen werd meneer toch zoo naar, ja gisteren morgen was 't, ik +werd er wakker van, zoo als ie aan 't kermen was. Ik naar beneden, ik +vroeg meneer of ik ook een pap voor hem klaar woû maken, of hij ook iets +hebben woû, nee, ja, hij woû den dokter hebben. De dokter kwam en bleef +een uur bij meneer en ging heen zonder me iets te zeggen. Toen werd +meneer hoe langer hoe erger. Nou, toen ben ik naar meneer Berlage gegaan +en die heeft getelegrafeerd. Ik ben gisteren bijna aldoor bij meneer +gebleven, ik kon 't niet anzien, zoo als de man toch leê. Dan schudde ik +zijn kussens en leê zijn dek goed. Leê ie dan weêr een oogenblik rustig, +dan woû ie weêr in-éens opstaan, en, had ie even op een stoel gezeten, +dan verlangde 'n ie weêr na bed. Zoo ging het tot een uur of vier, toen +werd meneer inééns zoo akelig benauwd en blauw in z'n gezicht, dat ik +dacht, dat ie zóo dood bleef. Ik schrok er zoo van, dat ik niet wist wat +ik doen zoû. Ik bette meneer z'n gezicht met water want ik dacht, dat +zijn aren zouden bersten. Na een kwartier kwam ie weêr bij. Ik had +al-door geen oog van hem afgehad. Toen zeê ie zachies, o toch zoo +zachies: Jans, kom eens hier. Ik geloof, dat ik nu dood ga zeg et an de +jufvrouw, zeg et an de jufvrouw. Dit zeê ie precies zoo tweemaal achter +mekaâr. Toen ging ie weêr leggen, achterover op zijn kussen. En toen was +alles gedaan. + +Jans had het verhaal gedaan, op den ernstigen welvoegelijken toon van +een meid, die meegaat in de ongelukken van het huishouden. Mathilde had +naar haar staan te luisteren, haar hoed nog in een hand en éen +handschoen aan, bewegingloos en ontroerd. Jozef had den koetsier +betaald, na dat deze de koffers in den gang had gedragen. Daarna was hij +naast zijne vrouw komen staan, met veel belangstelling in zijn gezicht, +de armen slap langs het lichaam. + +--En heeft meneer anders niets gezeid? vroeg hij. + +--Nee, meneer. + +--In 't geheel niet, vroeg Mathilde, ook die paar dagen te voren niets? + +--Nee, jufvrouw, nies bizonders, andwoordde Jans nadenkend. + +--Is er al iemant geweest? vroeg Jozef. + +--Ja, de dokter is er van-daag nog geweest en meneer Berlage kwam vragen +of u al te-rug was. Anders nies. + +Dof-zwijgend ging Mathilde de trappen op, naar boven, Jozef stapte +achter haar aan. Toen zij tien treden gegaan was, kwam Mathilde in een +luid snikken los: och, mijn arme vader, mijn arme vader, huilde zij. +Had ik het niet gedacht? Heb ik het niet voorgevoeld? Hè, hè, 't is +verschrikkelijk! Wij hadden nooit op reis moeten gaan en hem alleen +laten! + +In een uiterst verdriet ging zij haar vaders slaapkamer binnen, haar +zakdoek voor haar gezicht. De gordijnen waren wechgeslagen voor het +ledikant van-daan. Twee kaarsen brandden er voor naast een zilveren +kruisbeeld. Daar had Jans voor gezorgd. Stijf en wit en doodelijk +verouderd lag de Stuwen onder zijn wit lijklaken gestrekt, zijn oogen +toe, zijn mond open. De bovenste rand van zijn onderste rij tanden was +zichtbaar. Het laken dekte hem tot onder zijn kin. Zijn korte grijze +haren waren glad gestreken. Een blauwige tint lag om zijn oogen en +voorhoofd en wangen, en schemerde loodkleurig door het vel. En hij was +zoo mager, zóo mager en hij had zulke diepe rimpels in zijn voorhoofd. +De gordijnen voor de straatvensters waren neêrgelaten en de kaarsen +schenen vaal met het verdoofde daglicht samen. + +Het lijk schrikte Mathilde af. Een beetje rillerig knielde zij neêr voor +het bed. Zij bad, en zag het lijk heftig aan. Zij huilde hard-op. Toen +kon zij zich de bewegingloosheid van haar vader maar niet begrijpen. Zij +schoof het laken zachtjes wech en tastte naar de hand van den doode. Die +hand lag recht-uit, grijzig-wit, het bloed was van onder de nagels wech +en Mathilde probeerde de hand goed beet te pakken. Het vleesch van het +lijk gaf niet meê. Die hand kon haar niet meer aayen en zoo innig de +hare drukken als vroeger, dacht zij. Vader, vader! riep Mathilde, o. +vader is u nu voor altijd van me wech? En, haar kin naar voren, haar +oogleden neêr, schudde zij haar hoofd, en zag wanhopend naar het lijk. +Daarna leî zij haar handen over zijn schouders en zoende het harde koude +voorhoofd. Maar zij kon niet wech gaan, zij kon hem niet alleen laten. +En weêr knielde zij en deed haar gezicht tegen het doodelaken, dat in +breede plooien van het bed afhing. + +Jozef wachtte, staande. Maar toen er geen eind aan kwam besloot hij bij +de tafel te gaan zitten en eenige niet te vergeten zaken die gedaan en +maatregelen die genomen moesten worden, te noteeren. Hij was ook iets +geroerd, door het groote verdriet van Mathilde en den dood van zijn +ouden vrind, maar hij moest zijn hoofd bij mekaâr houden om de drukte, +die nu natuurlijk volgen zoû. + +Toen hij daar een minuut of tien bezig was geweest en bij het ledikant +niets meer hoorde, zag hij om. Mathilde knielde rechtop daar naast en +bekeek het lijk. Daarna stond zij op en zoende Jozef lang met een +betraand gezicht en drukte zijn handen. Toen droogde zij haar tranen +wech, maar huilde dadelijk toch weêr met haar bleeke gezicht en liep +stilletjes naar beneden. De nacht was neêrgekomen en alles was zoo koud +op de trap en in de kamers, dat zij griezelde bij elke schaduw en bij +elken hoek. Jans vroeg of zij ook eten zouden. + +--Vraag 't maar aan meneer, of hij iets gebruiken wil. Meneer zit boven. +Ik heb geen trek. + +En zij drentelde troosteloos van de eene kamer in andere en bekeek alles +met haar treurende oogen: de piano in het zaaltje en de tafel en vaders +tabakspot en de kranten, die daar nog lagen, vier-vijf op mekaâr, +ongebruikt in denzelfden vorm waarin zij gekomen waren. Jans had zelfs +het licht in den gang vergeten op te steken. Nergends brandde een lamp. +Mathilde nam haar hoed en stofjas en liep naar boven, naar haar eigen +kamer. Toen zij voorbij de doodekamer kwam, waarvan de deur op een kier +stond en den zachten kaarsenglans door liet schijnen, hoorde zij +gauw-achter-mekaâr dof snikken en Jozef die heen en weêr liep. Zij ging +weêr binnen en zag Jozef, die voor het lijk was blijven staan, en te +vergeefs, ongeduldig over zijn eigen gevoeligheid, probeerde om niet te +huilen. Dit deed Mathilde ontzaglijk veel goed. Zij voelde zich-zelf er +een beetje door verlicht en zij omhelsde en zoende hem uit dankbaarheid. + +Boven op haar kamer was alles nog akeliger en duisterder dan +overal-anders. Maar zij was toch blij dat ze er was, in deze kamer, die +haar met al zijn oude kleuren zoo vriendelijk omwandde. Zij ging op haar +bed zitten, en een zachte, troostende warmte steeg door haar lichaam, +vol innigheid, vol herinnering, vol van het verleden, dat plotseling +hevig voortleefde om haar heen. Hoe vreemd en droevig-heerlijk, dit +te-rugzien van haar kamertje na haar huwelijksreis! Wat was zij +veranderd sints zij hier voor 't laatst was geweest! + +En zij sloot zich op, zoo als vroeger. Zij deed haar stoffige kleêren +uit en ging zoo voor de tafel zitten, en droomde. Daarna stak-zij het +gaslicht aan, ging buiten de deur en riep met gedoofde stem, als om den +doode niet te hinderen, dat Jans uit haar koffer haar peignoir moest +brengen. Meneer had de sleutel. Zij was zoo moe. Jans kwam boven met de +peignoir, Mathildes reismand, een een beetje eten: een stukje biefstuk, +wat princesseboonen en aardappelen. Meneer had gezegd, dat zij 't maar +aan mevrouw brengen moest, die 't wel eten zoû na de reis. + +--Zeg aan meneer, dat ik maar naar bed zal gaan, ik ben dood-, dood-moe. + +Zij probeerde om iets te eten, maar het woû bijna niet door haar keel. +Half ziek van het huilen en van al de aandoeningen, met een nevel van +vermoeyenis voor haar oogen en een razend gesuis in haar ooren, ging zij +naar bed, maar toch troostte haar de gedachte, dat zij niet heelemaal +alleen over was gebleven op de wereld, maar dat er beneden iemant was, +die haar steun en haar alles zoû zijn, bij wien zij haar toevlucht kon +zoeken, zoo als vroeger bij haar vader en waar zij nu toch eigenlijk +inniger bij hoorde. + +De volgende dagen met hun koortsige bezigheden, hun vermoeyenis, hun +droefheid, liepen Mathilde snel voorbij. De visites van vrienden, die +kwamen kondoleeren, het ceelen-maken, de zorgen voor de begrafenis en +voor de uitvaart, de verzorging van het lijk--zij was bij alles +tegenwoordig, deed alles meê, bemoeide zich met alles, stond met haar +treurigen ernst en een bedrijvigheid die gelatenheid insloot, Jozef in +alles ter zijde, spoorde hem aan, gaf hem raad, zeî haar meening. Zij +begreep wel, dat zij haar verlies later, als alle drukte voorbij zoû +zijn, pas volledig zoû voelen. Voorloopig maar niet te veel aan de +ledigheid gedacht, die zoû achterblijven, want er was van alles te doen: +brieven schrijven, meiden ontvangen, voor rouwgoed zorgen en zooveel +meer, en betraande oogen en bevende handen kunnen geen redelijk werk +verrichten. Jozef liet zich ook voor alles vinden, hij dacht letterlijk +om alles. Telkens zeî hij tegen Mathilde van rust nemen, zeggende, dat +hij 't alléen wel afkon. + +Van den morgen tot den avond klonk de huisbel door den gang. Dan was 't +mevrouw Berlage, de heer Ster, die kwamen kondoleeren, dan was 't de +mode-maakster, de koster van de kerk, een bediende van den circulaire- +drukker, de timmerman, of wel brieven van rouwbeklag, die aankwamen. + +Toen eindelijk de dag van de begrafenis voorbij was en Mathilde de stoet +uit had zien trekken en de deur van het oude huis voor goed achter haar +vader had zien sluiten, en zij 's avonds met Jozef boven alleen was op +haar kamer en Jans naar bed, zagen zij elkaâr aan, zij waren in deze +droefheid weêr nader tot mekaâr gekomen. Toen zij in bed naast mekaâr +lagen, huilden zij allebei nog. Maar Mathilde schikte zich heelemaal +tegen Jozef aan en sloeg zijn arm om haar hoofd. Hij zoû voortaan haar +eenige beschermer wezen. + +Er werd besloten, dat zij voorloopig het oude huis zouden blijven +bewonen, tot hun rouwtijd om was, had Jozef gedacht, en dan naar een +beter huis verhuizen. Uit de papieren bleek, dat Mathildes vader, +behalve dit en nog twee dergelijke huizen op den Oude Zijds +Achterburgwal, die samen twee-en-twintig honderd gulden huur opbrachten, +honderd dertig duizend gulden in effekten had nagelaten. Jozefs zaak +ging ook vooruit en leverde een acht duizend gulden in het jaar, zoo dat +zij te zamen een inkomen van zestien duizend zeven honderd gulden +hadden, waar vooreerst, zoo lang er geen kinderen waren, ruim van +geleefd kon worden in hun stand. Het bedrag van de Stuwens nalatenschap +had Jozef bizonder verrast. Hij had dan wel erg zuinig geleefd in zijn +klein huis en met zijn burger pot! Maar Jozef vond 't mooi van hem, daar +hij 't waarschijnlijk gedaan had om zijn dochter meer na te kunnen laten. + +Jozef richtte nu voorloopig zóo zijn dag in: Na het ontbijt ging hij om +half tien naar 't kantoor, kwam om éen uur thuis koffie drinken, ging +daarna naar de Beurs en kwam daarna thuis iets lezen. Dan schonk +Mathilde hem een glas port-wijn. Om half zes dineerden zij. En 's avonds +bleven zij weêr bij mekaâr zitten tot aan den nacht. Naar de club ging +Jozef vooreerst niet. Hij woû daar liever niet komen met den rouwband om +zijn hoed. En dan, had hij thuis niet zijn lieve vrouw zitten? Haar +gezelschap trok hem meer en meer aan. Uren lang zaten zij 's avonds bij +elkaar met de thee en praatten over de Stuwen en het verledene. Over de +toekomst spraken zij weinig. + +Gedurende de eerste dagen, die op de begrafenis volgden, had Mathilde +niet naar haar vaders kamer gewild en alles precies zoo laten liggen als +het was bij zijn sterven. Zij had eigenlijk de eerste week, die op de +drukte volgde, niets uitgevoerd den heelen dag dan de kopjes omwasschen +na het ontbijt en na de koffie en de glazen na het eten. Verder zat zij +maar, met haar handen over mekaâr, in de binnenkamer, waar zij zooveel +uren en uren met haar goeden ouden vader had gezeten. Dan tuurde zij in +de rondte, naar haar vaders leêgen leuningstoel, naar het buffet-kastje, +naar zijn tabakspot en pijpen, naar het boekenrekje aan den wand, waar +een paar boeken over natuurkunde op zwierven, die hij doorgestudeerd +had, en waar de koeranten lagen, die hij 't laatst had gelezen. Zij nam +ze van het plankje en las ze over en wilde uitmaken voor zich-zelve, +waar haar vader het aandachtigst gelezen zoû hebben. Zij zocht naar +vingerdrukken, naar een potloodstreepje aan den kant, en had zij iets +gevonden, dan toonde zij 't Jozef bij zijn thuiskomst: Kijk, zeî ze, dat +heeft vader nog met belangstelling gelezen. Dan bracht zij zich te +binnen, hoe hij, wat hem betrof bij het lezen van de koerant, vroeger +altijd voorlas en er zijn meening over zeî en de hare hooren wilde. + +Jozef en zij hadden besloten, dat Jans de keukenmeid waarover zij geen +klagen hadden, voorloopig in hun dienst zoû blijven. Mathilde liet Jans +dan 's ochtends, als zij zoo alleen zat, bij zich komen en haar +nauwkeurig al de laatste levensdagen van haar vader verhalen hoe hij dít +gedaan had, hoe hij dát gedaan had, wat hij gegeten had, of hij op zijn +gewone tijd naar bed was gegaan, of hij thee had gedronken zoo als +altijd, en zoo voords. Dan begon zij aan Jans te klagen over haar +verlies en liet haar met zich meê klagen. Mevrouw Berlage kwam ook haar +wel een paar keer bezoeken, maar, na haar trouwen, kon zij met deze +vrouw, die toch, toen zij nog een jong meisje was, haar beste vriendin +was geweest, lang zoo goed niet meer over-weg. Misschien wel, om dat +mevrouw Berlage haar nog altijd te veel als een jong-meisje behandelde +en het Mathilde hinderde, dat zij niet sprak als van getrouwde vrouw tot +getrouwde vrouw. + +In den namiddag, als Jozef thuis was, zaten zij meestal in het zaaltje +achter. Daar was het ruimer en een beetje lichter. Jozef had al licht +iets te schrijven of zoo, waar hij wat plaats voor noodig had. Maar +Mathilde deed niets. Zij kon haar oude handwerkjes niet hervatten, want +dat maakte haar onbeschrijfelijk melankoliek. De piano had zij met het +sleuteltje gesloten en zij wilde er niet eens naar kijken. Zij had zoo'n +trek eigenlijk om te spelen, droevige, zachte, sombere melodiën, maar +zij deed 't toch maar niet, om Jans en de buren niet te ergeren, en ook +om dat zij 't in zich zelf ongepast vond. Zij zat maar te droomen van +vroeger en naar haar vaders portret te kijken, dat aan den wand hing. +Dan dacht zij na,--en zij moest er bitter om lachen--wat 't haar een +strijd en een moeite had gekost om Jozef zijn huwelijksaanzoek niet te +weigeren, om dat het haar zoo hard was voorgekomen zich van haar vader +te scheiden, om dat zij zich niet had kunnen denken in een toekomst, +waarin zij niet altijd aan zijn zijde zoû zijn om hem te verzorgen en +hem nooit alleen te laten, om dat zij zich met afschrik had +voorgehouden, hoe, als zij trouwde, zij daar het zwakkelijke, goede, +oude mannetje alleen in zijn huisje zoû moeten achterlaten misschien. +Zij dacht er over na, dat zij in Jozefs vraag alleen had toegestemd op +uitdrukkelijke voorwaarde, dat haar vader bij hun in zoû komen wonen, +zij hem altijd zoû kunnen verzorgen en in zijn behoeften zoû kunnen +voorzien, altijd bij hem zoû kunnen zijn. En nu? Zij had zich wezenlijk +toen niet zoo bekommerd hoeven te maken! Nu bracht zij zich te binnen +wat zij zich al niet voorgenomen had te doen om in 't vervolg haar vader +het leven altijd aangenamer en aangenamer te maken. Zij herdacht den +zachten nieuwen leuningstoel, dien zij in de Kalverstraat voor een +winkelraam had zien staan en dien zij voor hem zoû hebben willen koopen, +en een bonten voetwarmer, dien zij aan had willen schaffen, een mooye +zware Duitsche pijp van dertig gulden, en het mutsje voor zijn lieve +oude hoofd, dat zij voor zijn verjaardag had willen borduuren en de +dikke wollen handschoenen, tegen den aanstaanden winter. Hoe had zij ook +door willen voeren, dat hij elken dag aan tafel een paar glazen zeer +ouden wijn zoû drinken en vóor de koffie, om twaalf uur, een flinke +eetlepel met flikjes zoû nemen. Hij hield zooveel van chocola! En wat +een plannen had zij gemaakt voor als zij met hun drieën samen zouden +wonen in een grooter huis, vader, Jozef en zij! Wat had zij er nog met +vader over gesproken dat zij de avondjes voort zoû zetten, die hij +begonnen was, dan natuurlijk hij háar aan huis, en hij, vader, op de +eereplaats! Zij zoû hem een ruime kamer gegeven hebben met alle denkbare +gemakken, en een schel onder zijn bereik, hoog van verdieping en op de +zon gelegen, waar hij zich zoo graag in koesterde. + +'s Avonds, als Mathilde met Jozef aan de thee zat, herinnerde zij zich +vooral de teederheden van haar vader voor haar. Terwijl de schemering +dwarrelde door de kamer en Jozef, aan den anderen kant van de tafel, +rookte en wechdook in de duisternis, schoot het vlammetje onder den +theepot stralen naar haar oog en tuurde zij er zoo lang met groote oogen +in, tot de stralen heen en weêr wipten en dansten en braken en de +thee-pot verdween in een warreling van gouden pijltjes en er stille +tranen spatten op haar japon. Al de herinneringen uit haar vroegste +jeugd en van later kwamen op in haar verbeelding, zachtjes na mekaâr. +Die goede vader, die zoo innig goed was, zoo iets wereldsch, zoo +plicht-getrouw, die zoo bedaard en eenvoudig het leven doorging en haar +zoo erg, met zoo een trouw, zoo oprecht en zonder bijbedoeling, had +liefgehad. Daar waren nooit plechtige oogenblikken tusschen haar en haar +vader geweest, er waren nooit hartstochtelijke dingen tusschen hen +gebeurd, er waren nooit van die uren geweest, waarin hij haar een +nadrukkelijk en opperst bewijs van een overgroote liefde zoû hebben +gegeven. Hij was altijd stil voor zich heen geweest, en kalm, hij +verdroeg zijn verdriet en genoot zijn pleizier zonder veel ophef. Toen +haar moeder gestorven was, had hij haar eenvoudig gezoend en hadden zijn +tranen over haar wangen gevloeid, toen zij naar 't kostschool ging en +zij dus voor een heden tijd scheidden, was precies hetzelfde gebeurd. +Dit waren de eenige oogenblikken, waarvan zij zich herinnerde, dat hij +een beetje ongewoon was geweest. Nooit had hij haar het leven gered, +nooit zelfs had hij haar in vervoering tegen zich aangedrukt. Maar toch, +wat voelde zij vreeselijk, dat hij er niet meer was, hij, de eenige +liefde van haar heele jeugd! Zij kon zich maar niet denken, dat hij +dood was. Zij kon zich in dit huis maar niet thuis voelen zonder hem. +Dan kwam zij een kamer binnen, wat, was vader er niet? Dan ging zij naar +boven, naar bed,--wat, had zij vergeten vader goeye-nacht te zeggen? +Waarom kwam zij hem, met zijn stille goedige gangetje, nooit meer tegen +op het portaal? Waarom bleef zijn plaats toch open aan het ontbijt en 's +middags aan tafel, wat was er toch iets vreemds, iets verlatens aan de +stoelen en tafels, aan de vloer en vooral aan den leuningstoel van de +binnenkamer! En al de meubels werden haar dierbaarder dan vroeger, om +dat hij ze had gebruikt, om dat zij, zonder te zien en te spreken, zijn +leven hadden bijgewoond en hem hadden helpen leven. Zij kon met een +aandacht kijken naar de kale plekjes op het tapijt en het een beetje +afgesletene van de stoelen hier en daar, om dat iemant ze door ze +herhaaldelijk te betreden kaal had gemaakt en iemant ze moest hebben +versleten. + +Zoo zat zij 's avonds te droomen in haar zwarte japon zonder garneersel. +Als de avond óm was ging zij met Jozef naar boven. Zij gaf hem zijn +nacht-zoen in het portaaltje, waarop hun kamers uitkwamen, want Jozef +sliep nu op het logeerkamertje, om dat zij zoo moe en zoo zwak en zoo +verdrietig was en beter kon liggen en rusten alléen in het éen-persoons +bed. Jozef had wel eerst de logeerkamer willen nemen, die boven het +zaaltje was, maar Mathilde had hem graâg dicht bij haar 's nachts en +buitendien, dat was alles van-zelf toevallig zoo gegaan. Zij hadden er +niet eens over gedacht of het wel redelijk was. Zij schenen in het leed +van den dood hun hartstocht in te sussen. Zij zoenden mekaâr goeden +morgen en goeden avond als twee vijf-en-twintig jaar getrouwden. Soms +leî Jozef zijn hand op haar schouder of streek haar over 't haar, maar +dan andwoordde zij met geen enkelen blik, met geen een beweging. Hij had +medelijden met haar droefheid; hij begon zich wel al te vervelen, maar +hij wilde zich in deze omstandigheid schikken. Hij las maar koeranten en +had ook zijn oude boeken over staathuishoudkunde weêr eens doorgebladerd. +Allerlei boeken waren hem door de handen gegaan, toen hij de nalatenschap +en beschikkingen van den ouden heer geregeld had. Zoo was hij daartoe +gekomen. + +Tot nu toe had Mathilde, na de begrafenis, nog niet in de slaapkamer van +haar vader durven gaan. Jans had alles daar een beetje opgeredderd en +schoongemaakt, maar verder was de deur gesloten gebleven. De sleutel +stak er wel op, maar niemant had sints een dag of veertien de licht- +bruine kruk bewogen. Maar Mathildes verdriet begon zich zoo te hechten +aan al de voorwerpen in huis, die haar vader het dikwijlst had aangeraakt, +dat zij eindigde met den wensch te hebben al de overblijfselen van zijn +meest innig en eigen bestaan weêr te zien, en, voor zoover zij ze nog niet +kende, te ontdekken en te betasten. Een droevige nieuwsgierigheid mengde +zich in haar doffe verdriet. Zij wilde nu die slaapkamer ingaan, en +zachtjes over den vloer loopen, die lucht inademen, die kleuren zien, +waarin hij had geleefd als hij alleen was. Zij wilde aan die ruimte, +waarin aan die zoldering waaronder hij zoo gauw was gestorven, vragen of +hij erg geleden had, of hij nog veel om haar had gedacht. Er mengde zich +nog angst voor de kamer in haar nieuwsgierigheid: zoû zij misschien de +doffe echo van zijn stem hooren, zoû niet zijn stap nog ergends treden, +achter het bed, bij de tafel? + +Een ochtend, dat Jozef naar 't kantoor was over tienen, liep zij +langzaam de trap op naar boven. Haar zwarte haar hing verdrietig over +haar vale voorhoofd, en haar zwarte kleed schoof zonder geluid over de +treden. Zij kwam binnen en sloot de deur achter zich. Een frischheid +kwam haar te gemoet, de buitenlucht waarin zich het geluid van de straat +oploste, drong om haar ooren en haar gezicht. Jans was waarschijnlijk +van-morgen nog hier geweest, want achter de neêrgelaten gele jaloeziën, +stond een van de twee vensters open. Het gegons en gebrom van de straat +woei naar binnen. Mathilde haastte zich het venster te sluiten. Zij trok +de jaloeziën allebei op. Toen keek zij rond. Wat een stilte, wat een +eenzaamheid! Den rug naar het venster gekeerd, rechtop, het bovenlijf en +het hoofd een beetje naar achteren gestrekt, de handen gevouwen naar +beneden gedrukt en naar onderen geopend bekeek zij lang alles wat er in +de rondte stond. De glans van het daglicht, die het zwart van haar japon +vergrijsde, had zich over haar rug gespreid in een glimmend ovaal, viel +in plooyen tot haar voeten en glimperde door de kroesige bosjes haar +rondom haar hoofd. Zij liep naar het ledikant en schoof gauw de witte +gordijnen op-zij. Zij keek er in. Er was niets. De kussens en peluw en +de dekens en sprei lagen in twee hoopjes op de matras gestapeld als in +een bed, dat niet meer gebruikt wordt, wachtende op een nieuwen +gebruiker. Zij schoof de gordijnen weêr dicht. Daar naast was de kleine +kast van haar vader in den muur. Verder was er een schrijfbureau, een +klein kastje, dat altijd het "apotheekje" genoemd werd, waarin allerlei +huishoudelijke medikamenten werden bewaard en geëtiketteerde fleschjes +en doosjes; voords nog een kast in den muur, die alleen door het +smoeselige bruin van het behangsel rondom het sleutelgat kenbaar was, +waar het linnengoed en de kousen van den doode in werden geborgen. +Eindelijk stond er een sjiefonjeire; hierin bewaarde de oude heer +allerlei voorwerpen en snuisterijen, herinneringen aan zijn vrouw, +eenige teekeningen van hem zelf uit zijn jeugd, papieren, ringen, +kadootjes, een kostbaren wandelstok, een heele kollektie van zijn eigen +oude zakportefeuilles, en zoo meer. + +Mathilde had aan het ontbijt de sleutels van Jozef gevraagd en begon met +de bovenste laâ van deze kast open te trekken. Met den arm, waarom de +enge zwarte japon rond gespannen zat, leunde zij op den kant van de laâ +en keek er in neêr. Al die voorwerpen, waarvan zij vele nooit had +gezien, en die met een soort van eerbied en achterhoudendheid door haar +vader buiten elks bereik werden gehouden, die hij alleen kende, waarvoor +hij alleen zorgde, waarom hij bepaald veel gaf, het gezicht daarvan deed +Mathilde bizonder aan. Met wat een genoegen moest vader dikwijls 's +avonds in zijn eentje die dingen hebben te voorschijn gekregen, ze +gehanteerd en bevoeld hebben! Zijn goedige, bedaarde, nederige, +huiselijke geest gaf haar nu een zeer sterken indruk. Vooreerst lagen +daar twee kerkboeken, een, zoo hoog en zoo breed als een mannen hand, +met zwart geworden zilveren sloten, stoffig en vergrijsd goud op sneê, +met gele spikkeltjes op het witte papier van-binnen: het was een kadoo +van de Stuwen-zelf aan zijn vrouw geweest. "Aan mijn dierbare vrouw, de +echte christin", stond als toewijding voor tegen het schut-blad +geschreven. Het andere kerkboek, een fransch, veel kleiner, was van de +Stuwen-zelf geweest, maar in jaren niet gebruikt. Daarnaast zag Mathilde +een zilveren horlogeketting. Maar zij besloot, met het pijnlijk +welbehagen, dat zij in deze bezigheid had, de laden eerst alle te openen +en in te zien, om daarna de dingen éen voor éen te betasten en te +bezichtigen. Knersend en haperend stommelden een paar laden open, als +verborgen zij zaken, die niet gaarne hadden; dat het daglicht tot hen +doordrong, andere gleden weêr gewillig meê en waren als met was +bestreken. Alle waren gevuld. Een schat van prullen, voor Mathilde van +de hoogste waarde, had zij nu onder haar oog, en zij bleef er op staren +en droomen. Zij vergat zich-zelf in den aanblik van al die doode +voorwerpen, die vroeger geleefd hadden in haar vaders handen zij snoof +de geur van verleden dagen op met graagte. Maar zij had zoo'n rijkdom, +dat ze niet wist waar te beginnen en zij had de tijd zoo vergeten, dat +Jans kwam zeggen: de koffie stond klaar en meneer zat beneden te wachten. + +Mathilde ging naar beneden. Zij had nu een bepaald onderwerp, waarmeê +haar geest zich bezig hield 't was of de droefheid een beetje, een klein +beetje maar toch iets, minder erg was. Zij deed aan Jozef verslag, van +hetgeen zij had gevonden en daarbij gevoeld. Zij was er heelemaal van +vervuld, zij sprak over niets anders. Zij zat met de ellebogen op tafel +en vertelde alles. Zij was verwonderd over dit, over dat. Die oude +beurs, die zij gezien had, die haar moeder nog voor haar vader gehaakt +moest hebben, met die gouden franje, herinnerde zij zich wel heel lang +geleden eens in de ouderlijke slaapkamer te hebben gezien, maar zij wist +volstrekt niet, dat haar vader die nog had. En dan die kerkboeken weêr, +och, hoe aardig! 't Was wel akelig al die reliquiën van vaders leven zoo +vóor zich te hebben, maar er was toch ook iets aangenaams in, zooveel +dingen te vinden, die zij nu natuurlijk in hun huishouden zouden +bewaren, en die hun onophoudelijk aan vader zouden herinneren. Jozef +vond het ook, die kleine onwillekeurige soeveniers hadden veel +aantrekkelijks. Zij zouden heilig opgeborgen en verzorgd blijven. +Mathilde sprak er weêr over voort of zweeg tusschenbeide en liet haar +zwarte armen rechtuit op het witte tafellaken liggen, terwijl haar oogen +er over heen droomden. Het kwam zelfs niet in Jozef op dan haar hand aan +te raken, die in de zijne te nemen of te aayen. Zij vertelde hem alles +en zag hem daarbij aan als een vriend, een vertrouweling, een broeder. +In geen tien dagen hadden zij van hun liefde gesproken. Het leek wel +alsof zij al tien jaar getrouwd waren. + +Zoo doorleefden zij de dagen. Telkens na het ontbijt en telkens na de +koffie ging Mathilde zachtjes naar boven. Zonder leven te maken was zij +al boven gekomen zonder dat Jozef of Jans het merkten. De tijd van de +kondolatievisites en van de visitekaartjes was voorbij. Het waren +rustige, doodelijk stille dagen, die gauw achter mekaâr kwamen. En +Mathilde maakte de uren, die zij met Jozef moest samen zijn, altijd nog +korter. Zij sprak op 't laatst weinig meer van haar dagelijksche +vondsten en gedachten. Het laatste had zij verteld van de intieme +brieven van haar vader, die zij allemaal, naar tijdsorde gerangschikt, +in het bureautje op de slaapkamer had vinden liggen. Jozef was eens met +haar meègegaan, hij had haar tegenwoordig leven willen deden, zich +aansluiten bij haar bezigheden. Maar na dat zij eenmaal samen waren +bovengekomen, was zij aan het bureau gaan zitten, zóo in 't midden dat +er geen plaats meer voor hem overbleef, en had al wat er onder haar +handen lag in beslag genomen. Hij, werkeloos, lusteloos en verlegen, +bleef er naast staan, niet wetende hoe zich te houden; hij had gebaren +gemaakt om iets aan te vatten of in te zien, die gebroken werden door +dat zij toevallig haar arm tusschen hem en het ding heen bewoog; hij had +met belangstelling iets gevraagd, waarop zij geen andwoord gaf, +heelemaal verdiept in haar studie. Hij was dus maar te-ruggeslopen naar +het zaaltje, waar hij gemakkelijk ging zitten, zijn beenen uitgestrekt, +en kranten las, en zich verveelde. + +Mathilde maakte ook haar nachten langer. Zij ging 's avonds vroeg naar +bed en stond laat op. Zij zeide zoo'n moeite te hebben om in slaap te +komen, door haar vermoeidheid en haar verdriet. Zij had zelfs ook na den +eten, gedurende den avond, haar napluizingen willen voortzetten en Jans +om een lamp gevraagd, maar daartegen had Jozef zich ten stelligste +verzet, zeggende, dat dat haar nog meer afmatten zoû en haar slaap nog +meer bemoeilijken. + +Vóor het oude bureautje gezeten, leefde dan Mathilde het leven der +herinneringen voort. Zij deed het met een altijd vermeerderende liefde, +met een inspanning, een drift en een volharding, die tot halsstarrigheid +werden en uit een onwrikbaar genomen besluit schenen voort te komen. Dit +besluit bestond dan ook. Het had zich langzaam, voetje voor voetje, in +haar ziel gedrongen en zich daar vastgehecht, zonder dat zij 't zich +zelf goed bewust was. Zij had besloten tóch zooveel voor haar vader te +doen als zij zich vóor haar huwelijk had ingeprent. Zij had zich +eenmaal, eer zij met Jozef op reis ging, voorgenomen, dat, bij hun +te-rugkomst, de innige verstandhouding tusschen haar vader en haar zoû +voort duren, ja nog inniger worden zoû. En zij wilde haar plan getrouw +blijven. Gedurende haar afwezigheid had zich zooveel teederheid en zorg +in haar hart opgestapeld, dat zij zich van dien voorraad, van die +kracht, niet inéens kon ontdoen of haar geheel in tranen kon laten +wechvloeyen. Zij had zich-zelf eenmaal beloofd dat, als zij eens +wezenlijk getrouwd, wezenlijk vrouw zoû zijn, zij beter dan ooit en nu +voor-goed aan haar vader vergelden zoû, wat zij voor het geluk van haar +heele jeugd aan hem te danken had. En nu gebeurde dat, buiten haar eigen +weten om. De eenzame ruimte van deze verlaten kamer trok haar meer en +meer aan. Hier ademde zij de gedachten en gemoedsbewegingen in, die uit +het oude verleden hier waren blijven hangen. Haar liefde sliep, zij +vergat zich zelve, zij vergat Jozef die beneden alleen zat. Als zij de +brieven van haar vader las en al die kleine zaakjes, die hij achter +gelaten had, hanteerde met een innige teederheid en behoedzaamheid, dan +was 't alsof zij zijn lotgevallen van vroeger deelde en als dochter hem +vereerde in deze geheime en bizondere kenteekenen van zijn goedhartig en +haar zoo dierbaar bestaan, dat nu op gehouden had voor altijd. Haar +jeugd verdoofde. Zij dacht niet meer aan het tegen woordige. Koud, als +een beeld, ging ze op en neêr door het huis, terwijl het warm was in +haar hoofd en de figuur van haar vader onophoudelijk door haar +verbeelding dwaalde. Uit al de woeligheid, de koortsige opvolging van +indrukken en gezichten, den rijkdom van de voortdurend wisselende +omgeving en den aandoeningenstorm van de huwelijksreis plotseling in de +grijze stilte, in de sombere kilheid en eentonigheid van het huis, waar +de doodslucht door heen had gewaaid, verplaatst, scheen ze zich er in te +zullen ziek-suffen en de diepe ontsteltenis, door het kontrast +veroorzaakt, niet te boven te kunnen komen. Het was te gauw gegaan, het +was te hevig geweest. Zij voelde nog voortdurend den eersten schrik. +Alle begoocheling was wech, wech de vrolijkheid, wech het brandende +leven. Terwijl de scherpte van het leed langzaam week, bleef ze +ongevoelig voor elke nieuwe levensprikkeling ook. + +Zoo kropen onder Jozefs voeten heen de dagen voorbij. In zijn altijd +sierlijk, nu donker-blauw pak, stapte hij 's morgens met een verveeld +gezicht de deur uit, en, daar hij nu anders niets te doen, aan niets +anders te denken had, leî hij zich met de borst op de kantoorzaken toe, +zich dieper naar zijn lessenaar buigende, werd ijverig, zocht zijn +inkomsten te vermeerderen. Hij droeg nu voortdurend, in plaats van zijn +gekleurde een eenvoudige, breede zwarte strikdas en een hoogen rouwband +om zijn hoed. Hij was er toe gekomen eenige studieboeken van vroeger, +die op zijn kantoor in de stof lagen en daar vergeten werden, naar zijn +huis te laten brengen. Hij had daar vroeger een tijd lang nog al +pleizier in gehad en, daar hij zich onmogelijk bij publieke +vermakelijkheden kon vertoonen en anders niets had om zijn ledige uren +meê door te brengen, kwam het genoegen te-rug en zette hij zich 's +middags en 's avonds aan de studie. Toch deed hij niet veel meer dan +lezen, met belangstelling. Hij maakte geen aanteekeningen. Het waren +werken van Quack, Heemskerk, de Pinto, staathuishoudkundige en +populair-rechtsgeleerde boeken. Nu ging hij ook nieuwe uitgaven over +dezelfde onderwerpen koopen, waar hij zich nu eenmaal meê bezig hield. +Verder las hij het Handelsblad, den Figaro en de Fransche romans van +George Sand en Feuillet. Dit alles in afwachting, dat Mathildes +droefheid en ziekelijke afgetrokkenheid zoû verdwijnen. Ook kreeg hij +'s middags wel eens bezoek van een club-vriend, D'Ablaincourt of Hasman, +die een uurtje bleef praten en een glaasje port met hem drinken. Een +enkele maal verscheen er een kantoorklerk, die iets te vragen had. +Overigens kwam er niemant. + +Er waren weêr twee weken voorbij. Het was op een zonnigen Donderdag, +vier uur, een uur voór het eten. De deur van het zaaltje stond open. +Jozef zat voor de met een rood en zwart tafelkleed overdekte tafel in 't +midden van het zaaltje, zijn hoofd over een boek gebogen, gesteund door +zijn blanke smalle hand, met een kleinen zegelring aan den pink. Een +half-uitgedronken glaasje portwijn stond voor hem. Verder lag er een +hoopje papieren. Er was een aangename dagheldere tint. In den gang was +alles kalm. Alleen het gekuch van Jans, het sissen van boter of het +geklater van borden, die op of van mekaâr geschoven, en het geklitter +van zilveren lepels en vorken, die bewogen werden, klonken in den gang. +Op-éens spande zich met een gepiep de ijzerdraad van de voordeurschel en +de klepel klepte, met een gebibber van de ijzerdraad en; de schel klonk +luid langs de witte muren met twee, telkens zachtere herhalingen. Jozef +zag niet op; alleen knipte hij even snel met zijn oogen. Men kon hem, in +de diepte van het zaaltje, van de straat af zien zitten, toen Jans de +deur open had gemaakt voor een juffrouw die zij niet kende. + +--Is mevrouw thuis? vroeg een hoog stemmetje. + +--Jawel, jufvrouw. + +--Zoû 'k mevrouw ook even kunnen zien? + +De oude Jans keerde zich om, en, terwijl zij haar hand om de kruk van de +voorkamerdeur schoof, andwoordde zij. + +--Och, wil u hier maar even binnenkomen, asjeblieft? + +Haar oogen op-zij, om Jozef niet te zien in de verte, stapte de ranke +elegante jufvrouw, op haar hooge bottines met verlakte puntjes, in de +voorkamer, waar Jans haar volgde. + +--Kan ik ook zeggen, wie der is? + +De jufvrouw reikte in de roestige hand van de keukenmeid, die deze zoo +juist aan haar boezelaar had afgeveegd, een klein dof-geel +visitekaartje: Emilie Hartse. + +Na een blik tegen de jufvrouw, als had zij dien naam meer gehoord, ging +Jans wech. Toen zij voorbij het zaaltje kwam, om Mathilde boven te +waarschuwen, riep Jozef haar binnen. + +--Laat eens zien, zeî hij, en daarna herkennend: o! Hij gaf Jans het +kaartje te-rug, waarna zij de trap opslofte. Jozef ging voort met lezen. +Na een paar minuten, draalde Jans te-rug, de trap af. + +--Zou mevrouw komen? + +Ja, meneer. + +Maar het duurde vijf minuten; Mathilde kwam niet. Jozef keek eens rond +en gaf er zich rekenschap van. Nog gingen er vijf minuten voorbij en +Jozef hoorde niets komen. Toen stond hij op en ging zelf naar de +voorkamer. + +Hij kwam binnen en groette beleefd. + +--Jufvrouw ik woû u niet langer laten wachten. + +--Dag, meneer van Wilden, hoe maakt u 'et? ... En hoe gaat 'et uw vrouw? + +Zij stak hem haar arm toe, die tot aan den elleboog in een zwart +glacé-en handschoen was. + +--Dank u, zij zal zoo wel komen ... En wat heeft men u in lang niet +gezien ... Dat zal wel een jaar of vier, vijf zijn! + +--Ja, ik ben verleden week pas te-ruggekomen in het land ... Er is heel +wat gebeurd in dien tijd, zeî zij, plotseling ernstig, bijna meêwarig. + +--Ja, ja, andwoordde Jozef, het is een groot verlies voor ons geweest. +Wij hielden zoo veel van hem! + +--Hoe houdt uw vrouw er zich onder? ... Och, ik begrijp heel goed, dat 't +haar een groot verdriet moet doen, maar daartegen is 't al weêr gelukkig, +dat zij nu zoo'n grooten steun heeft in ... in u. 't Zoû wat anders geweest +zijn om dat alleen te dragen. + +--Ja, zeî Jozef. + +Zij spraken er nog eenigen tijd over door. Toen vroeg hij na een kleine +pauze. + +--En is u al dien tijd in Parijs geweest? + +Bij deze vraag nam hij haar eens goed op. Zij was een lange vrouw, een +half hoofd grooter dan Mathilde. Zij droeg haar blond-rossig haar in een +doffe warrelend-krullende boeket van onder den hoed, die naar voren open +stond, tot even boven haar fijne als geel-gepenceelde wenkbrauwbogen. +Zij had erg klare scheIblauwe oogen in ruime kasten. Zij had een dunnen +vogelen-neus. Haar vel was erg blank, met een doorschijnend rood plekje +onder elk oog. + +--Altijd in Parijs, andwoordde zij, ja! + +En zij ging voort met over Parijs uit te weiden. Zij was er eerst op 't +pensionaat geweest, toen even te-ruggekeerd in Holland en daarna weêr +voor eenige jaren bij de familie van Riet, den holllandschen konsul in +Parijs, een broêr van den heer van Riet van Amsterdam. Een wees, zoo als +zij, vloog als een vogeltje dat geen eigen nest heeft, van den hak op +den tak, zeide zij. + +--En denkt u nu voorloopig in Amsterdam te blijven? vroeg Jozef. + +--Ja, zeî ze, tante wordt oud, ik kan haar nu goed gezelschap houden, en +buitendien, men verlangt toch altijd naar zijn eigen vaderland te-rug. + +Zoo zette zich het gesprek voort, maar Mathilde kwam maar niet. + +Eindelijk zeî Jozef: + +--Mathilde komt maar niet. Ik zal eens gaan hooren wat het is. + +--Och, doet u 'et niet, mevrouw kan misschien niet van haar bezigheden +af. + +--Ik begrijp 't wel half, andwoordde Jozef, waarom zij niet komt. U moet +het haar niet kwalijk nemen. Zij heeft zich het verlies van haar vader +vreeselijk aangetrokken, ál te erg, vind ik. Zij is in een soort van +doffen geestes-toestand geraakt, die ik mij niet goed begrijpen kan. Zij +zit den heelen-dag maar boven, op zijn kamer, om haar vader te treuren. +Ik laat haar maar stil haar gang gaan. De tijd zal het verdriet van-zelf +slijten. U zal haar dus exkuzeeren. En Jozef ging Mathilde maar niet +halen. Hij dacht dat zij misschien roodgehuilde oogen had en liever geen +vreemde menschen wilde ontmoeten. + +Emilie Hartse bleef uit beleefdheid, om niet dadelijk heen te gaan, nog +even. Haar betrekking tot Jozef bestond eigenlijk hierin, dat zij, die +een kennisje van Mathilde op de Amsterdamsche school was geweest en +daarna éen jaar op de zelfde kostschool met haar was geweest, later, bij +de Stuwen aan huis, waar die kennis voortgezet werd, Jozef nu en dan +had ontmoet. + +Toen Jozef haar nu, na wederzijdsche beleefdheids-betuigingen, +uitgelaten had, was hij verwonderd in den gang Jans te ontmoeten, die, +beladen met tafelborden en zilver, bezig was voor het eten te dekken. + +--Is het al zóo laat? vroeg zij. + +--Ja, meneer, zeî Jans, verwonderd over die vraag, kwart voor vijven. + +Toen Mathilde met haar bleeke droevig-droomende gezicht en strakke +wangen, aan tafel kwam, verweet Jozef haar zachtjes haar +menschenschuwheid. + +--Waarom ben-je niet even gekomen, lieve kind? Emilie Hartse was er. Ze +was erg verlangend je eens wéêr te zien na zoo'n langen tijd. + +--Och, ik ben haar al haast vergeten, en ik was boven zoo druk bezig. Ik +was niet gestemd. Ik zoû niet weten wat ik met haar zoû hebben moeten +spreken ... Blijft ze lang? + +--Ja, ik heb een heel tijdje met haar zitten praten. Ze is al door in +Parijs geweest, maar blijft nu voor goed hier. + +--Zoo! zeî Mathilde flauwtjes. En zij spraken nog enkele woorden over +andere onderwerpen. + +Na het eten ging Mathilde in het zaaltje zitten vóor het op de +binnenplaats uitziend raam, aan het lezen van een oud dik met vette +lettertjes volgekrabd schrijfboek. Het was het dagboek, door haar vader +in zijn jeugd gehouden, waarin hij al zijn zorgen en zijn vreugden op +nogal droge manier had neêrgeschreven, door Mathilde in een hoekje van +het bureau boven ontdekt, en dat ze nu geregeld 's avonds met warme +tranen beschreide. + +Zes dagen later werd er, zoo-wat op hetzelfde uur, op dezelfde manier +gescheld als dien dag. Het was Emilie Hartse, die vroeg of mevrouw nu +toch misschien te spreken was. Maar Jozef had Mathilde in zoo een +droefheid en dofheid na de koffie zien wech gaan, dat hij Jans zeide +Mathilde maar niet eens te gaan waarschuwen, en zelf weér een half +uurtje met jufvrouw Hartse ging praten. Deze verzekerde dat 't haar nu +verbazend speet, dat zij Mathilde zoo graâg had gezien om te probeeren +haar een beetje te troosten. Daarbij zeî ze ook, dat 't zoo'n groot +geluk voor haar zijn zoû de kennis met Mathilde, de vriendschap liever, +te vernieuwen. De menschen waren haar hier zoo vreemd geworden na haar +verblijf in het buitenland! Zij hield met bijna niemant omgang. En +Mathilde en zij hadden elkaâr vroeger toch zóo goed gekend! Hierna kwam +het gesprek op de familie van Riet, waar Emilie aan huis woonde. Jozef +vertelde, dat de heer en mevrouw van Riet, ongeveer een maand vóor +Mathilde en hij op reis waren gegaan, nog een avondje bij de Stuwen +hadden doorgebracht. Toen kwam van-zelf de muziek en de literatuur ter +sprake. Emilie kende veel fransche romans, van Feuillet, van George +Sand, enz. Maar Jozef verzekerde, dat er ook mooye nieuwe Duitsche +romans bestonden en Engelsche. Hier wist Emilie bijna niets van en zij +liet zich door hem een paar van die boeken leenen, om ze te lezen. + +'s Middags aan tafel vertelde Jozef, dat Emilie Hartse er weêr was +geweest, dat hij haar een boek geleend had. + +--Zoo! zeî Mathilde, glimlachte heel even, goedig, flauwtjes, en sprak +weêr over iets anders. + +De zomer verstreek. Tien dagen na haar vorige visite, kwam Emilie zelf +de boeken terugbrengen. Ze had nog wel nu en dan een woord in de +dictionnaire op moeten zoeken, maar overigens hadden de romans haar wel +bevallen. Nû bleef zij wel een uur praten. Jozef leende haar weêr andere +boeken en nog eens en nog eens, die zij telkens te-rug kwam brengen, dan +na een veertien dagen, dan na een week. Iedere keer werd er eerst veel +over boeken gesproken, daarna had Emilie heel wat te vertellen over de +familie van Riet, van de hoofdpijn en het water in de beenen, waaraan +mevrouw sukkelde en van de gezelligheid en de gemoedelijkheid van +mijnheer, maar die wel eens tot vervelendheid oversloeg in den omgang +zonder einde van het dagelijksche leven. Voorts deelde zij aan Jozef +haar indrukken over Amsterdam en de Amsterdamsche wereld mede, vergeleek +die bij de wereld van Parijs, sprak eindelijk over Jozef-zelf, over +Mathilde en over hun plannen. Jozef vond haar wel een aardig ... ja, hij +wist niet goed hoe hij haar voor zich-zelf noemen zoû. Emilie was een +jaar of vier-en-twintig en nog ongetrouwd, dus een meisje. Maar zij was +ontwikkeld en op de hoogte als een vrouw. Het waren Jozefs aangenaamste +uren, en die zijn onverdragelijke eenzaamheid het genoegelijkst +afwisselden, die hij met haar doorbracht. Oh 't laatst vergat hij wel +eens aan Mathilde verslag te doen, wanneer Emilie hem weêr een visite +had gemaakt. Te midden van de beleefde troostwoorden die hij dagelijks +nog tegen haar zeî, kon hij niet goed van zijn vroolijker gesprekken met +Emilie vertellen. + +Eens op een avond, dat zij het theegoed binnendroeg zeî Jans: + +--Der staat 'n parasol in den gang, menheer, die heeft zeker jufvrouw +Hartse vergeten? + +Nu trof het Mathilde voor het eerst. Toen Jans wech was, zeide zij + +--Is die er van-middag al weêr geweest? + +Zij zeide dit wel op haar gewonen toon van tegenwoordig, waar zoo weinig +belangstelling in was, maar ze zeide het toch. + +--Ja, andwoordde Jozef, zij kwam een boek te-rug-brengen. + +--Wat komt ze dikwijls! zeî Mathilde, nog onverschillig. + +--Och, ze leest graâg, en ze heeft weinig konversatie in de stad ... + +Dien avond zat Mathilde weêr te droomen achter het ouderwetsche theeblad, +terwijl het zaaltje zich in duisternis dompelde en Jozef op de kanapee +een cigaar rookte, Maar nu en dan, terwijl zij zich onbewegelijk hield, +richtte Mathilde de oogen naar den kant, waar hij zat, naar de gloeyende +punt van de cigaar. Zij scheen dan over iets na te denken, dat buiten haar +droefheid was. Jozef zag het wel, maar hij gaf er zich geen rekenschap van. + +--Hoe lang is vader nu al dood? vroeg Mathilde eens, als wist zij dat zelf +niet het beste. + +--Vier, vijf weken, kind, vijf en een halve week. + +'s Avonds, bij het goeye-nacht-zeggen, zeî Jozef. + +--Willen wij morgen nu niet eens een wandelingetje gaan maken, Thilde, +het zoû zoo goed voor je zijn ... + +--Och nee, nog niet, ik blijf maar liever thuis, ik ben bang voor de +straat ... + +--Kom! zeî hij, maar er was niets aan te doen. + +Eenige dagen later kwam Mathilde eens om drie uûr 's middags beneden en, +voorbij het zaaltje gaande, hoorde zij daar spreken. + +Stilletjes ging zij naar de keuken. + +--Wie is er bij meneer Jans? vroeg zij. + +--Jufvrouw Hartse, mevrouw. + +Zij vond 't onaangenaam. Haar doffe, wanhopige rust in de eenzaamheid +van haar vaders slaapkamer was verstoord. Zij kon vooreerst nog niet +scheiden van die kamer, maar zij was niet meer zoo onophoudelijk +verdiept in het denken aan haar vader. Zij zat als naar gewoonte voor +het bureau, maar betrapte er zich op somwijlen, dat haar blik van het +voor haar liggend brievenblad was wechgeweken en langs den rand van den +bovenkant van het bureau dwaalde en dat zij dacht aan Jozef en aan +Emilie, die misschien beneden samen zaten te praten. Maar dan, als ware +zij van haar plicht afgeweken ging zij weêr door met lezen met dubbelen +ijver. + +Een week later,--de deur van de dooden-kamer stond open--hoorde +Mathilde de huisdeurschel gaan. Zij herkende de bizondere trilling van +het geluid. Als was zij dat al lang van plan geweest, stond zij op en +ging, haar zakdoek in haar hand naar beneden. Jans deed juist open. +'t Was Emilie. Mathilde ging op haar toe en, met een eersten glimlach na +zes weken. + +--Wel jufvrouw, het doet me toch plezier u eindelijk eens te ontmoeten. + +Emilie zeî te gelijker tijd, met een meêwarig lachje, iets, dat niet +gehoord werd onder de woorden van Mathilde heen. + +--Ja, mevrouw, mag ik u nog wel kondoleeren ... + +--Dank u, u begrijpt ... + +Zij gingen de zijkamer binnen. + +--Ja, mevrouw, dat hoor ik ... + +Zij spraken voort. Mathilde verontschuldigde zich, dat zij zoo dikwijls +op zich had laten wachten. Zij sprak van haar groote droefheid, sprak +voords over het leenen van de boeken van Jozef, dat zij zeide heel +aardig te vinden, om toch vooral niet den schijn te hebben daar niets +van te weten. Toen kwam ook Jozef binnen. Het verraste hem Mathilde daar +te vinden. Het deed hem pleizier. + +Dien avond zaten Jozef en Mathilde onder de thee als gewoonlijk zwijgend +bij-mekaâr. Zij hadden heel weinig gesproken sinds Emilies vertrek, een +half uur voór den eten. Jozef dacht juist aan niets anders dan aan de +geur van zijn cigaar en aan het ongelijk dat hij gehad had met een vrouw +als Mathilde, die zoo lang bedroefd bleef, te trouwen, toen hij een snik +hoorde en het lichtje onder de theepot hevig zag waggelen en deinen. +Mathilde stond op, ging naar hem toe en zeî met een bevenden mond: + +--Och toe, ontvang d'r niet meer alleen, die Emilie. wees niet meer met +haar alleen! + +Zij drukte haar gezicht tegen het zijne, terwijl zij haar armen om zijn +schouders hield en zij morste een traan van haar wang op zijn snor. Maar +eer hij tijd had van zijn verwondering te bekomen en te-rug te zoenen, +was zij al van hem van-daan. Zij vluchtte de kamer uit, de trap op, als +riep een onweêrstaanbare stem haar naar boven, en sloot zich op in haar +vaders kamer. Daar bleef zij in donker boven het bureau huilen. + +Jozef wist niet wat te doen. Eerst wilde hij haar nagaan, maar hij +bedacht zich, hij bleef zitten, en ging weêr alleen naar bed. + +De dagen daarna leefde Mathilde in een veelkleurig peinzen en in een +wonderlijken tweestrijd. Langzaam, met groote macht, daalde de liefde +voor het leven, voor het jonge genietende leven in haar hart. Zij was +verschrikkelijk zenuwachtig. Het eene oogenblik zat zij voor het oude +bureautje, en wilde er niet van-daan gaan. Maar het volgende oogenblik +kon zij 't zoo niet langer houden. Zij stond op, liep naar de deur, maar +bedacht zich weêr, en viel af in lange droomerijen. En terwijl de tijd +verliep en de eene dag den anderen volgde, doemden daar voor haar geest, +midden-in de treurige verlatenheid om haar heen, al de indrukken te-rug +van haar liefdesgeschiedenis met Jozef, droomde zij dat leven over, van +den eersten avond van zijn verklaring en valt nog lang vóor dien tijd af +tot aan den laatsten avond van hun huwelijksreis. De tijd van haar +treuren kwam als vreeselijk lang voor haar. Was dat dan zoo lang +geweest, dat zij haar man, beneden vergeten had. Hoeveel gedachteloze +zoenen hadden zij mekaâr in dien tijd gegeven, wat een tijd was het +geleden, sinds zij mekaâr zoenden den heelen dag! Al de gezichten van +haar huwelijksreis kwamen op in haar verbeelding, en het kwam uit dat +zij maar gewaand had zich ongelukkig te voelen toen. Het was was niet +waar geweest, de bedwelming van dat schokkende nieuwe leven was er geen +verdoovende geweest, zoo als zij het zich toen gedacht had. Mathilde +kreeg een kleur van aandoening en begeerte, zij sloot het bureau dicht, +al de laden een voor een. Zij liep door de kamer heen en weêr, een glans +over haar voorhoofd. Dat was liet geluk geweest, die huwelijksreis, dat +de jeugd, dat het genot. Zij streek haar handen over haar wangen en over +haar zwarte japon, om zich alles goed te herinneren. Er ging een +prikkeling door haar leden. Een levensgloed schemerde door de doode-kamer. +Een rijkdom van kleuren, een vloed van onbegrepen genietingen dwarrelden +er door Mathildes hersens. Haar hoofd bonsde, een drift naar nieuw genot, +naar meerdere vreugde nog, vulde haar. O, vader, prevelde zij, o, Jozef, +Jozef, Jozef! + +Dien middag aan tafel merkte Jozef nog niets van de verandering in +Mathilde. Wel zag zij hem voortdurend aan en trachtte nu en dan zijn +blik op te vangen, om zich er eens rekenschap van te geven of zijn oog +nog 't zelfde stond als vroeger, als hij naar haar keek, wel waren haar +gebaren minder loom, maar hij zag 't niet. 's Avonds ook nog niet, maar +den volgenden morgen, na hun ontbijt van negen uur, waaraan Mathilde hem +verteld had, dat zij zoo heerlijk had geslapen, als in geen tijden, +vroeg zij: + +--Als je van-middag na de beurs thuis komt, gaan we dan een wandelingetje +doen? + +--Meen je 't wezenlijk? + +--Ik verlang er na, zeî ze, ik ben in zoo lang niet uitgeweest! + +Jozef bracht er, werkelijk waar, een heden blijden ochtend om door op +het kantoor. Hij was er gelukkig meê. + +Om drie uur gingen ze uit. Voor 't eerst had Mathilde haar rouwhoed op +met de lange kaper. Toen zij buiten kwam in het groote licht, in de +levende straat, duizelde haar hoofd. Maar zij nam Jozefs arm, die zoo +heerlijk steunde. Stil gingen zij voort. Mathilde keek naar haar voeten, +haar zwart-stoffen laarsjes, om te zien of zij wel precies gelijken pas +met Jozef hield. Maar het ging niet. Hij maakte te groote stappen. Zij +wandelden de Hoogstraat door, daarna langs den Kloveniersburgwal tot aan +den Amstel, tot aan de Hooge Sluis. Hier voelde Mathilde zich moe worden. +Zij wandelden denzelfden weg te-rug, nog langzamer. + +--Hè, zeî Mathilde, die goeye vader, wat hield hij ook van zoo'n loopje! + +Maar er klonk alleen nog maar melankolie in haar stem, de hartstochtelijke +droefheid was overgegaan in het smartelijk-plezierige van de herinnering. +Toen zij bij hun stoep te-ruggekeerd waren, drukte zij Jozefs arm innig +met den haren. En zij brachten een avond door zoo als vroeger. Hun levens +naderden elkaâr weêr zeer. + +Nu begonnen er dagen voor Mathilde, zoo gelukkig als zij ze nog niet had +gekend. Langzamerhand begon ze er vrede meê te krijgen haar vader niet +meer in haar nabijheid te zien. Zij verbeeldde zich, dat hij nu in een +hemel, in een soort bovenaardsche sfeer verkeerde en hij van omhoog op +haar neder glimlachte, als hij zag, dat zij niet zoo mistroostig meer +was. Haar gevoel dat altijd behoefte aan iets geheimzinnigs bovenaardsch +had, gaf haar volzinnen in over het nog bestaan en de zaligheid van haar +vader, die zij zich zelve herhaalde als de gedachte daaraan haar hinderde, +en die haar te vrede stelden zonder dat zij verder behoefte had er meer +over na te denken en er zich onophoudelijk meê bezig te houden. + +De anderhalf jaar van hun rouwtijd gingen Jozef en Mathilde kalm, zonder +gebeurtenissen, in altijd weêr vermeerderende liefde, voorbij. In den +eersten tijd, als Jozef van de Beurs thuis kwam en Mathilde zag hem dan +zijn boeken opzoeken en gaan zitten lezen en studeeren als een werkzaam +man, dan deed haar dat een onuitsprekelijk genoegen en had ze hem er nog +liever om. Zij kwam dan wel naast hem staan, leî haar hand op zijn +schouder en boog zich over hem heen om ook in het boek te kijken. Zij +las een paar zinnen met hem meê en vroeg dan, om zijnentwille, wat of +dit of dat beteekende. Wanneer hij 't haar verklaarde, begon zij tegen +hem aan te leunen en vroeg meer uitleggingen. Eindelijk zat zij op zijn +schoot, en het gebeurde dikwijls, dat zij zijn zinnen afbrak, door hem, +midden in hun ernstig gesprek, zoo te zoenen, dat hij niet verder spreken +kon. En dan vroeg zij zoenen te-rug, dan bleven zij zoo'n heelen middag +zitten vrijen als waren zij heel pas getrouwd. + +Jozef begon te voelen, dat hij dol veel hield van zijn vrouw, Als zij +niet bij hem was, was hij zoo gehoorzaam, dat hij 't niet harden kon. +Kwam zij een oogenblik te laat beneden aan 't ontbijt, een vijf minuten, +dan was hij ongerust, dan ging hij kijken. Had zij hoofdpijn, dan werd +hij bezorgd, dacht over middeltjes na, ging zelf naar den apteker. Hij +was gelukkig in deze afzondering met Mathilde, die zooveel van hem +hield. Hij verveelde zich niet meer. Hij dacht er den heelen dag aan om +zijn vrouwtje allerlei kleine pleizieren te doen. Hij had een prachtige +eikenhouten kist laten maken, met veel beeldhouwwerk er aan, em haar die +kadoo gemaakt, om er in de volgorde, die zij zelf zoû willen, den inhoud +van de latafel en van het bureau haars vaders in te verzamelen en te +schikken. Wat een stille blijdschap voor Mathilde, toen zij op een +morgen de kist vond staan in het zaaltje, en Jozef haar zeî wat er meê +gebeuren moest en haar vroeg, waar zij hem gezet wilde hebben, boven op +de slaapkamer of hier in het zaaltje. Zij verkoos het zaaltje. En, samen +met Jozef, besteedde zij er nu een paar dagen aan om de zaakjes over te +pakken, samen met Jozef besprak zij de volgorde, waarin zij de +voorwerpjes en papieren nu zouden bergen. Hij hielp haar nu met alles. +Al het egoïsme, de te-ruggetrokkenheid van haar droefheid was verdwenen. +Zij liet Jozef meêdoen in al de droevige vreugde, die zij van deze +nieuwe schikking had; telkens vertelde zij zachtjes van de gedachten, +die er door haar geest gingen onder deze bezigheden. Des ochtends ráakte +zij zelfs niet aan de kist of aan de reliquiën; zij vond er een zoet +genoegen in, hem te laten merken, dat zij op hem gewacht had, om samen +alles te doen, en hem over alles raad te vragen. De kist werd het +dierbaarste meubelstuk van het zaaltje en van het huis. In de morgenuren +deed Mathilde het huishouden, wat gedurende haar afzondering heelemaal +aan Jans was overgelaten geweest. Dan breide en borduurde zij ook. Zij +maakte een beurs voor Jozef, zij zag het linnengoed na en bemoeide zich +met zijn kleêren. Hierin vooral begon zij een bizondere liefhebberij te +krijgen: zich langzamerhand en hoe langer hoe inniger in de +bizonderheden en uitwendige eigenaardigheden van zijn persoon in te +wijden; zich er erkenschap van te geven, wat hij al zoo aan zijn lijf +had, den vorm van zijn boven-en van zijn onderkleêren na te gaan, zijn +kleine gewoonten te bespieden, uit te vorschen wat hij liever had dan +wat anders, wat hij verkoos voor hemdsknoopjes, voor halsboorden en +manchetten, hoe hij zijn jassen droeg, hoe zijn broek en zijn schoenen +waren ingericht en werden gebruikt. + +Zijn persoon werd het voorwerp van haar beoefening. Hem zoo volledig +mogelijk en in alle onderdeelen te kennen, werd haar doel. Zij wilde +zijn goede trouwe vrouw zijn en blijven, zij wilde alleen denken om zijn +geluk en hem gelukkig maken. Zijn mooye lichaam kende zij nu heelemaal; +zij had al die vormen en de manier, waarop zij zich bewogen, in haar +verstand opgenomen. Zij wist hoe zijn haar was, waar er rimpels waren op +zijn gezicht, wanneer hij naar zijn zin geschoren was en wanneer niet. +Zij wist wanneer en waar zijn wangen rood werden; al de schakeeringen +van schaduw en licht, van rood en wit en blauwig en grijzig, het geaderde, +het gladde van zijn gezicht had zij nagegaan, onwillekeurig en toch om +dat zij het wilde. Hoe kende zij zijn lach en het fronsen van zijn +voorhoofd; zij kende zijn tanden, groot en wit, zij kende de verschillende +glansen van zijn oogen, en hun kinderlijke goedige uitdrukking als hij +blij was, en hun doffen gloed als hij nadacht. Zij kende de aardige +manier, waarop hij zijn eene wenkbrauw optrok, als er een besluit genomen +moest worden. Zij kende zijn weinig behaarde armen, zijn zachte borst, +zijn middel, dat zij altijd met het hare vergeleek, zijn beenen, veel +langer dan de hare, zijn voeten met hun hooge wreef. En zij had dat alles +zoo lief, zij vermeide er zich in het als haar heilig eigendom te +beschouwen. Zijn flanellen verstelde zij zelf met een uiterste zorg. Hij +raadpleegde haar als er een vest versteld moest worden of een nieuwe das +gekocht, en over het strijken van zijn overhemden. + +Zij snuffelde in zijn kleerenkast. Hij had op hun reis bijna alleen zijn +grijze reispak gedragen en was na hun te-rugkomst natuurlijk altijd in +'t zwart en donker-blauw gekleed geweest. Zijn vele andere kleêren kende +zij alleen, om dat zij ze hem aan had zien hebben vóor hun huwelijk. +Maar ze nu zoo van-dichter-bij te kunnen beschouwen, ze te betasten, al +die kleedingstukken en die toiletzaken, die hij als ongetrouwd heer had +gebruikt en die nu allemaal in haar oude huis waren overgebracht dat +deed haar een groot pleizier. + +Maar zij wilde hem-zelf, zijn binnenste, nog beter kennen. Wanneer zij +zijn handen half dicht gehouden, vóor haar, op het kantje van de tafel +zag liggen, met den zegelring aan zijn pink, dan wilde zij weten, wat +die handen al deden en aanraakten buiten haar tegenwoordigheid, en wat, +toen zij haar nog niet mochten omhelzen en streden. Wanneer hij 's +avonds, wat hij dikwijls deed, in het zaaltje op en neêr liep, zijn +handen op zijn rug, en hij zijn hoofd zoo recht-op droeg, en hij, van de +hoogte van zijn oogen tot haar nederzag, terwijl zij achter 't theeblad +zat of aan de tafel te lezen, en dat gezicht hem ernstig en vol liefde +over haar na scheen te doen denken, dan wilde zij weten naar wat of naar +wien die blikken zoo gingen en die gedachten zich richtten in haar +afwezigheid, vóor en tijdens hun huwelijk, toen hij niets aan haar had +gehad. Zoo kwam zij hem over alles te ondervragen. Zij stelde belang in +zijn kantoorzaken, in de Beurs. Hij moest van-alles vertellen, om haar +te vrede te stellen: hoe zijn bedienden er uitzagen, hoe de boeken +werden gehouden, of hij pleizier had in de zaken, of het personeel hem +eerbiedig behandelde, of hij in zijn appart kabinet zat en van daaruit +de zaken bestuurde of hij een mooyen lessenaar bezat, of hij veel +visites kreeg op het kantoor, of er wel eens vrouwen kwamen. O, stellig, +als hun rouwtijd om was, zoû zij hem stellig daar komen opzoeken en zijn +omgeving eens goed bekijken. Emilie Hartse kwam er toch nooit, nietwaar, +nooit? Wel neen, andwoordde hij, hoe kon ze er aan denken, er kwam nooit +een vrouw Ik heb zoo'n groot vertrouwen in je, verzekerde ze hem wel, ik +weet niet hoe het komt, maar ik heb zoo'n groot vertrouwen in je, dat ik +eigenlijk maar weinig jaloersch ben. Hierna ondervroeg zij hem, met een +ontzachlijke nieuwsgierigheid, naar zijn levens-inrichting van vóor hun +huwelijk. Ja, zij wist er wel veel van, want, daar zij zooveel omgang +met elkaâr hadden gehad, altijd, had hij natuurlijk veel verhaald, maar +was alles wel waar geweest, wat hij vertelde? wat had hij verzwegen? +Och, hij kon nu gerust alles zeggen, nu waren zij toch getrouwd! En hij +zoende haar en deed de verlangde verhalen, tot in de minste onderdeden, +en telkens vroeg zij meer, telkens nadere bizonderheden tot dat zij het +zich volledig kon voorstellen. + + * * * * * + +Emilie Hartse kwam af en toe visites maken bij Jozef en Mathilde, en +Mathilde doorleefde een aangenaam kwartiertje, toen Emilie eens een heer +meêbracht, Louis Berlage met wien zij geëngageerd was. Mathilde was toen +bizonder hartelijk tegen Emilie en zij schenen groote vriendinnen. + +Maar het gelukkigste voelde zich Mathilde als zij en Jozef alleen waren. +En dat duurde maar voort, dag in dag uit. Mathilde was dronken van +geluk. Zij voelde het stijgen van haar hart tot in haar keel en zij kon +'t niet uitspreken, zóo overstelpte het haar. Al de warme liefde van hun +engagementstijd en al het onbeschrijfelijk genot van de huwelijksreis +schenen zich te vermengen en haar in een tweede natuur om te scheppen. +Zij had hem eindeloos lief! Zoo zoû 't altijd blijven bij haar, dat +voelde zij wel en zij schrok te-rug voor de macht van haar eigen gevoel. +Alleen maar als hij naderde, schoot er als een vlam naar haar hoofd, en +nam hij haar in zijn armen, dan leunde haar hoofd achterover tegen zijn +schouder en weende van zaligheid. Ze zoû altijd bij hem hebben willen +zijn, zij wilde altijd weten wat er in hem omging. Soms vroeg ze hem +in-éens, half bedroefd: waar denk-je aan?, als ze een tijdje zwijgend +bij elkaâr waren geweest. Dan deed 't haar verdriet van-zelf niet te +weten wat hij dacht. En 's nachts, als zij te slapen lag tegen zijn +borst, hief ze haar hoofd naar hem heen en fluisterde zoo zacht, zoo +zacht als de gedachte: hoû-je van me? Hij moest het vijf maal, zes maal +zeggen, dan vroeg ze hem om een zoen en sliep gerust in. En 's morgens, +als zij was opgestaan en hij nog doorsliep, en ze ging even voor het +venster kijken in de eerste frischheid van het ontwaken, dan, met de +herinnering van den vorigen avond en het vooruitzicht van een daggelijk +aan dien van gisteren, dan werd het haar te benauwd in haar gelukkig +hart, dan moest het venster open al was het koud, dan moest ze ruim +kunnen ademhalen, en de liefdevreugde, die blonk uit haar oogen, doen +uitstralen in de open lucht. + +Was zij vol kleine oplettendheden, zocht hij op allerlei manieren haar +pleizieren te doen, haar liefde was vindingrijker. Zij dacht over alles, +zij wist alles te raden en zijn wenschen te voorkomen. Zij ging 's +middags nu dikwijls wandelingetjes doen, door de Damstraat en den +Nieuwendijk en bracht iets voor hem meê, dat hij dan onder zijn servet +vond liggen, aan het eten. Zoo had hij allang verlangd naar een +horlogeketting. Zijn gouden had hij voor de rouw afgelegd. Nu had hij er +nog wel een van platina, maar die besloeg, en beviel hem niet. Hij +vergat maar altijd er zelf een te koopen of wel hij zag er alleen, die +niet van zijn smaak waren. Na lang rondkijken had zij er eindelijk een +uitgestald gezien en die gekocht: een breed zwart geribt lint, met +enkele dofzilveren versierselen. Thuisgekomen, bevestigde zij het met +haar slanke handjes aan zijn vest, en hij was er erg gelukkig meê. + +--Telkens als je nu op je horloge kijkt, zeide Mathilde, moet-je nog +eens speciaal aan mij denken, ... natuurlijk moet je altijd om mij +denken, om dat ik zooveel, zooveel van je hoû, maar dan nog eens +bizonder. Hij beloofde het. + +Mathilde had ook een uitgebreide studie gemaakt van zijn gelief-koosde +spijzen en dranken. Hij had niet graag, dat zij zelf veel in de keuken +kwam. Van zulke duitsche zeden hield hij niet, beweerde hij, die zaken +moesten aan de keukenmeid overgelaten blijven. Maar zij deed 't toch 's +morgens, als zij wist, dat hij niet thuis komen zoû, en onder beurstijd. +Hoorde zij dan maar even zijn huissleutel ritselen aan de voordeur, dan +haastte zij zich de keuken uit en liet Jans verder begaan. Er waren twee +soorten van pudding en éen manier om met kruiden ossevleesch te braden, +daar hij erg op gesteld was; dit had zij gemerkt, om dat hij dat op reis +zoo dikwijls had besteld. Telkens als deze spijzen nu op tafel kwamen, +zag zij duidelijk aan Jozef, dat hij haar verdacht van weêr in de keuken +te zijn geweest, maar zij ontkende ten stelligste, en na den eten kreeg +zij er toch een zoen voor. + +Zoo leefden zij, bijna onophoudelijk met hun tweeën alleen, het najaar +en den winter en daarna weêr den zomer door. Intieme kennissen hadden +zij niet; alleen van den ouden heer Berlage, den ingenieur Ster, mevrouw +van Borselen en Emilie Hartse kregen zij een paar visites. Maar Jozef, +die Mathilde zoo mooi vond en zoo dikwijls tegen haar zeî: wat ben +je toch mooi!, Jozef, die ijdel was en van vertoon hield, begon +langzamerhand naar meer menschen-zien te verlangen, om benijd te kunnen +zijn. + +Al dikwijls hadden Jozef en Mathilde over het nieuwe huis gesproken, dat +zij in een niet al te verwijderde toekomst zouden betrekken, over dat +huis, dat eigenlijk pas wezenlijk hun huis zoû zijn, heelemaal naar hun +idee ingericht en gemeubeld. Telkens werd er weêr over gesproken en +weêr. Mathilde volgde in alles Jozefs meening en Jozefs smaak, of wel +zij had een nieuwe opmerking, die hij met geestdrift aannam. Maar er was +nog niets besloten. Vooreerst werd de vraag behandeld, of men in de +Vondelstraat-buurten een huis zoude zoeken of aan een van de mooye +grachten, Heeren-of Keizersgracht. Mathilde, die verliefd was op alles +wat "buiten" en "vrije" natuur heette, was wel eerst voor de nabijheid +van het Vondelpark, maar, om dat Jozef van die meening was, vond ook zij +ten laatste de hoofdgrachten nog deftiger, stiller, rijker, aangenamer. + +Zij waren in de laatste zes weken van hun rouwtijd, in de lichte rouw, +toen er op een goeden dag besloten werd, dat Jans een rijtuig zoû +bestellen, waarmede Jozef en Mathilde huizen zouden gaan zien. Mathilde +had dagelijks uit de koerant opgeteekend waar er huizen te huur of te +koop stonden in de buurt, die zij hadden verkozen. Zij had dit lijstje +in haar zak gestoken. Vier, vijf dagen achter-mekaâr werd er gereden en +drentelden zij zich moê door vertrekken en portalen, trap op trap af in +die ontmeubelde en verlaten woningen, met hun kale trappen en kale +vensters en hier en daar vlekken op de vloer, die zoo een weemoedig +aanzien hadden en aan het leven deden denken, wat er voor altijd uit +wech was. Het gaf een heele beroering in hun stille samenleven. Mathilde +dacht meer dan gewoonlijk aan haar vader gedurende dezen tijd. + +Eindelijk was er een uitmundend huis gevonden op de Heerengracht bij de +Spiegelstraat. Jozef huurde het voor acht-en twintig honderd gulden. Van +toen af aan werd week aan week de drukte grooter. Dat waren maar van den +eenen dag op den anderen dag bezoeken van den makelaar, van den +timmerman, van den schilder, van den stucadoor, van den loodgieter. Dan +moest Mathilde, op Jozefs verlangen, zich plotseling gauw aankleeden om +meê te gaan overleggen over de veranderingen, die gemaakt zouden worden, +of over nieuwigheden in den gang, of in de verdeeling der kamers, in de +plafonds. Dán troonde hij haar weêr meê naar den behanger, naar den +meubelmaker, waar zij vooral haar oordeel moest zeggen en zij alleen +besluiten te nemen had. Dan weêr wandelden zij naar den winkel van +schoorsteen-ornamenten, naar het magazijn van keukengerei. Mathilde had +maar te bevelen en zij kóos en koos. Vroeg zij thuis aan Jozef +eenigszins bedeesd, of ze niet te duur gekozen had, dan legde hij haar +het zwijgen op. Over geldzaken zouden zij spreken, als ze eens goed en +wel een paar gepozeerde getrouwde menschen waren geworden en in hún huis +hun gezin hadden gevormd. + +Met kleine bevingen van hoop zag Mathilde, wanneer zij dagelijks dien +kant uitwandelde, de nieuwe woning zich in-en uitwendig voltooyen tot +een mooi huis, tot een gebouw, dat in alles, in de minste bizonderheden, +het huis van Jozef en haar zoû zijn, het huis van hun geluk. Zoo stelde +zij het zich voor. En als zij opmerkte hoe de versche kleuren blonken en +de spiegelruiten schitterden in de zon, dan zag zij er tegen op met een +onuitsprekelijk verlangen. Zij telde de dagen, die haar nog van het +nieuwe huis scheidden. Het was haar of zij Jozef nog niet genoeg liefhad, +of het heerlijkste nog komen moest. Haar hoop en haar verlangen +vermeerderden met den dag. + +Zoo ging weêr de tijd voorbij. Zij waren al een paar maanden uit de +rouw, toen eindelijk, eindelijk! het nieuwe huis werd betrokken. + + + + +VIII. + + +Een flink huis. Dat was me een drukte geweest, dat metselen en timmeren +en schilderen en behangen en meubelen! Jozef vond, dat alles er recht +goed in orde was, Mathilde vond het ook. Achter de hooge, zij 't ook +niet dubbele stoep, kwam men binnen in den breeden marmeren gang, waar +een gaslantaarn van matglas en koper nu een getemperd licht verspreidde. +Daar vond men terstond aan zijn linker hand, de deur van den salon, +Mathilde zeî "voorkamer", die op de straat uitzag. + +Deze kamer, met de fijn geschilderde wandvlakken en de gedekoreerde +zoldering, in lichte kleuren, met geelgouden randen, was vol frischheid +en jeugdig leven. De schoorsteen, juist tegenover de deur, was hoog van +dooraderd zwart marmer, met een rijkomlijste, uitstekend geslepen +spiegel, vast aan den muur, er boven. Op den mantel stonden twee dunne +pompadoer-vaasjes; in 't midden was er een half naakt herdertje in roode +klei, wiens fraai gebogen rug en zware lange lokken door den spiegel +werden weêrkaatst. Dunne lichtelijk versierde koperen gasarmen, die door +porseleinen kaarsen vlammetjes uitwierpen, en een zwierige rankgetakte, +aan een blauw satijnen strop hangende gaskroon van uit het hart der +zoldering dalend, gaf dezen avond lachende glansen door de kamer. Poeffen, +kleine divans en lage heelemaal gekapitonneerde leuningstoeltjes waren +in een behagelijke wanorde over het rozig-blauwe tapijt gezet. Er waren +stoelenzittingen van grijs-blauw satijn, met teedergetintte ruikertjes. +Een zwart ebbenhouten tafeltje was op glazen rolletjes tot nog al dicht +bij de ramen geschoven. Een koperen bloemvaasje dat zich delikaat en +statig naar de hoogte ontplooide met een theerozen-ruiker er in, stond +op die tafel. Breede dunne witte kanten strooken waren langs de ruiten +ontrold. Hier achter drapeerden zich kanten overgordijnen, op de helft +wechgeheven door zachtgouden banden en kwasten. Men zag op straat door +een netwerk van vreemde figuren heen. + +Een geur van feestelijke blijdschap en jonge hoop zwierde er door de +kamer, een vreugde straalde van al het huisraad. 't Was 16 April, Jozefs +verjaardag. Voor 't eerst dat Mathilde een partijtje gaf. Daar stond zij +nu, haar eene hand aan de tafel geleund; haar rechtervoet durfde zij +niet vast neêrzetten op de vloer, scheen 't, als knelde het schoentje +haar, ten minste zij wiebelde er zoo wat meê heen en weêr. Daar stond +zij nu, van licht-blauw satijn en witte kant omwikkeld, in het kostuum, +dat overeenkwam met de kleuren van de kamer, meesteresse in haar eigen +buis. Zoo als het satijn om haar lijf was gegleden waren er glansplekjes +op als schenen de zoenen er door die Jozef, met zijn minnaarsliefde, op +haar lichaam had gedrukt, en plooyen vol schaduw, die donker-blauw, haar +hals-en armen-kleur mooyer maakten. + +Jozef drentelde achter in de kamer, waar de piano stond, heen en weêr op +zijn hielen, langzaam het hoofd naar voren buigend, zijn tong tusschen +de lippen van pleizier. Hij was in zijn zwarten rok en witte das, +uitstekend in orde. Hij had aan zijn snor gelikt en zeî: + +--Nee, Thilde, als je zoo'n pijn hebt, dan dansen we maar niet. + +--Maar, man, zie je dan niet, dat ik hier expres blijf staan en niet ga +zitten, om je te laten zien dat mijn pijn heelemaal over is ... + +--Hoû-je van me, Thilde? laten we dan niet dansen, want je voet zoû er +stellig erger door worden ... + +--Gut, ik voel niets meer ... wezenlijk niet ... je moet bepaald +proponeeren om te dansen ... zal je 't nu doen? + +Neen, knikte Jozef. Toen moest Mathilde iets verzinnen. Zij leunde +plotseling niet meer op de tafel, en liep recht als een kaars, zonder +verwikken of verwegen, naar Jozef toe. Vlak vóor hem, bleef zij staan: + +--Ah, zoo! zie je 't? + +--Lieve kind, zonder jouw wil ik niet dansen, en zelf dansen kun-jij +toch niet, al loop je nu ook even door de kamer, met nog zooveel +schijnbaar gemak. + +Jozef hield ontzaglijk veel van dansen, dit wist zij. De laatste woorden +waren hem nog niet uit den mond, of ze was om hem heen aan 't springen +en huppelen over 't tapijt, zoo vlug als ze maar kon. Haar pijnlijke +voet raakte geweldig de vloer en dan rilde het heele been en ruischte de +satijn met een smartelijk gesis om haar leden. Hij bleef weigeren; maar +zij, hijgend nog van de beweging, leî ze haar handen op zijn borst, en +terwijl een wolkje van den boschviolen-geur, dien zij op haar zakdoek +had, tegen zijn gezicht zweefde, en van haar oogen uit scheen te waayen, +die als donkere violen waren, zweeg zij glimlachend. + +--Kindlief, wat ben ik trotsch op je, zeî Jozef! we zullen dansen als +razenden, want jij wilt 't om mij, en van-avond, als de menschen wech +zijn, zal ik je voeten zoenen, tot je niets geen pijn meer voelt. + +--Je bent goed ... ik hoû van je, ik hoû van je, andwoordde ze, en +dadelijk hierna: daar zijn ze eindelijk! Zij hoorde de gasten aankomen. + +In den gang wandelde een gehuurde knecht. Hij had een baard om zijn kin +en een gewoon burgermans-geen knechtenkapsel. Hij droeg katoenen witte +handschoenen, waarvan de knoopjes los hingen, om zijn boodschaphanden. +Zijn schoenen waren niet puntig, meer breed, van voren. Dientje, de +knappe werkmeid, was druk in de weêr. In de zaal, achter, stonden groote +blauwe schotels met zilveren handvatsels, waarin kleine gebakjes in +witte papiertjes met uitgeschulpte randjes, op de tafel zonder kleed. +Hiernaast blauwe schotels met zilveren handvatsels, waarop stapeltjes +boterhammetjes deels met galantine, deels met pâté de foie gras belegd; +een vijf-en-twintigtal laage, wijde champagneglazen, een 40-tal gewone, +mooi geslepen roode-wijn-en een 30-tal groene, antieke Rhijnwijn-glazen. +Verder flesschen, lange en korte, met zilveren papieren om den hals en +goud beletterde etiketten. Dientje met een helder voorschoot, in een +katoentje, en een paars feestmutsje op, liet zich door Frits den knecht, +terwijl hij in zijn te lange en lubbige vingertoppen kneep, verschillende +ongepaste aardigheden zeggen, wanneer ze van de keukentrap naar de zaal +ging en omgekeerd. Dan zorgde hij, dat hij bij de trap was, en als ze in +de zaal verdween, bleef hij haar, zijn hoofd naar den linker schouder +gebogen, met zijn kleine oogen glimlachend nastaren. Hij plukte dan eens +aan zijn baard en kuyerde naar zijn standplaats te-rug om het "volk" af +te wachten. + +Drie rijtuigen hielden bijna te-gelijk voor de deur stil. De menschen +verschenen met heele hoopjes bij mekaâr, als hadden zij 't afgesproken. +Met giegelend-gefluisterde groeten en beleefdheidsbetuigingen schoven de +dames, in sneeuwige mantels over de koude schouders en met hunne +versierde hoofden naar de achterkamer om hun mantels af te doen. Frits +wees den weg, na dat hij met zijn hoofd buiten de deur den koetsiers +"twee uur" als tijd om te-rug te komen had toegeroepen. De heeren wipten +achter hun dames snel de stoep op; hun glimmende schoenen kletsten en +kraakten piepend over de steenen treden. + +De heele achterkamer was in-éens vol beweging. Een gezwaai en geslinger +van schoudermanteltjes, wollen doeken en halsdasjes voor 't koû vatten +en een gegolf van sleepen, een bloeyen van ronde schouders en een +geflikker van goud en juweelen en een somber samenzinken van overjassen, +omwalmd door den reuk van versche, sterke haar-en zakdoekwatertjes, die +Frits en Dientje naar 't hoofd steeg. De dames bekeken elkaârs japonnen, +ze verheven zich, de eene achter de andere, voor den spiegel om hun haar +goed te doen of een roode bloem aan hun borst te verschikken. De heeren +klopten langs hun mouwen, spatten met den vinger een pluisje van hun +breede roklapellen. Een trok er zijn broek meer onder zijn vest. Frits +keek maar al naar Dientje, greep haar éens bij den schouder, +voorwendende achter haar heen te dringen zonder haar te hinderen, om +daar een heer te helpen, die zijn overjas niet uit kon krijgen. + +Weêr door den gang, brachten nu de heeren hunne dames naar voren. Een +warme pasteilucht kwam onbescheiden door de reet van een deur beneden, +want de oude Jans was nieuwsgierig naar de toiletten en keek om een +hoekje. + +Mathilde stond bij den ingang van de voorkamer. Het eerst kwam binnen: +de heer en mevrouw Berlage. Na hen Louis Berlage, hun zoon, die aan zijn +arm had mevrouw de weduwe van Borselen. Dan volgden de heer Ster, met +mejufvrouw Emilie Hartse. Hier achter kwamen glimlachend een viertal +jeugdige heeren, waarbij Hasman en d'Ablaincourt van de club ... + +--O, mevrouw, dank u, ik ben zoo gelukkig van uw invitatie gebruik te +kunnen maken. + +--'t Doet me heel veel pleizier, mevrouw meneer ... + +--Mevrouw van Wilden ... + +--Mevrouw ... + +--Meneer ... + +--Dag, van Wilden, gefeliciteerd niet je verjaardag. + +--Hoe gaat 't meneer Ster? + +--Jozef, nog vele jaren hoor. + +De heer Berlage was lang en mager en bleek: een spitse, stekelige kin en +neus, kleine flikkerende groene oogen en een doffe, logge wrat boven het +linker oog. Hij was rijk en aanzienlijk geworden door zijn huwelijk met +mejufvrouw van Wilvliet, nu een vijftigjarige vrouw, vriendelijk +uiterlijk, met hagelwitte tanden die voortdurend zichtbaar bleven, en +een ter neêr gebogen neusje. Ze droeg haar haar nog in fladderende +bochten afhangende op het voorhoofd tot maar heel even boven de oogen: +donkerbruin haar. Zij ging naast Mathilde zitten en gebruikte al +dadelijk haar groenen waayer. + +--Wel mevrouwtje, wat is u hier allerliefst geinstalleerd ... + +--Ja, mevrouw, zeî Mathilde, het huis bevalt mij wel. 't Was een heel +gelukje voor ons dat het juist te koop was en zoo heelemaal naar onzen +smaak. Mijn man heeft ook erg zijn best gedaan om alles netjes te +krijgen, en nu is 't zoo geworden, ziet u ... maar u, mevrouw, dat is +waar ook, hoe gaat 't u toch sinds uw laatste ongesteldheid ... daar men +'t eerst aan denken moest, ... maar hoe gaat 't u? En ze glimlachte. + +--Och, 't gaat nog al, dank u, langzaam maar zeker vooruit, zegt het +spreekwoord, en zoo hoop ik nu maar dat het met mijn persoontje ook +gaan zal. + +--En, zoo als ik zie, maakt meneer Louis het ook nog heel goed. + +--Ja, mevrouwtje, dat zoû ik u niet durven toegeven, de goeye jongen +heeft het zóo druk, zóo druk, u kunt er u geen idee van maken ... En dat +werkt wel een beetje op zijn gestel. Nu is hij weêr zijn zaak aan 't +uitbreiden door Parijsche relaties. 's Morgens voor dag en voor dauw +opstaan en dan nog in de dikke donkerte soms naar 't kantoor, welk weêr +het ook is ... + +--Maar als men de verwezenlijking van zijn illuziën in 't vooruitzicht +heeft ... + +--Ja, ja, u heeft wel gelijk, het aanstaande huwelijksbootje doet al +heel wat over 't hoofd zien, niet waar, Emilie? vroeg ze aan +jufvrouw Hartse. + +Mevrouw van Borselen was een beetje van de andere dames af in een +fauteuil gaan zitten. Meneer Ster kwam bij haar staan, om een praatje te +maken; hij hield zijn gibus op zijn rug en klepte er meê heen en weêr. + +Intusschen hoorde men weêr het geratel van rijtuigen over de +straatsteenen, dat op eens koud en hard werd als zij de Spiegelstraat +uitdraaiden en dan voor van Wildens deur staakte, terwijl de koetsier +ho! riep, als de wielen nog even langzaam voortgingen, en, zijn neus +ophalend, klak! van de bok sprong om zachtjes het portier te openen. De +andere menschen kwamen aan en de kamer was al gauw gevuld: een makelaar +met zijn vrouw en twee officieren, kennissen van Mathildes vader +zaliger, leden van de club met hun vrouwen, beurskollegaas van Jozef, +waarbij een, die zijn dochters, twee roode meisjes, meêbracht, en zo +verder. Toch waren alle menschen er nog niet. + +Jozef verontschuldigde zich bij de heeren, die een druk brommend gesprek +hadden aangegaan, en ging naar Mathilde bij de dames. + +--Ik begrijp niet, zeî hij, dat Karel Rietwijk en de dames Huf er nog +niet zijn. Als zij het maar begrepen hebben. + +--Misschien heeft uw bediende de andere invitaties vergeten te ... te ... +te doen, zeî meneer Ster, die juist naast mevrouw van Borselen stond, +verlegen, daar zij geen van beiden een woord spraken. + +--Maar, meneer Ster, andwoordde Mathilde, u schijnt geen groote gedachte +van ons dienstpersoneel te hebben. Frits heeft de briefjes rond gebracht +nietwaar Jô? + +--Ja, Frits, ik zal 'm toch 's even gaan vragen ... + +Na eenige minuten kwam Jozef weêr binnen: + +--Frits heeft doodeenvoudig de andere invitaties nog in zijn zak. Op den +laten avond zegt hij, heeft hij er wat van afgedaan, den volgenden +morgen werd hij voor een rijpartij (hij is koetsier en van alles) vroeg +opgescheld den heelen dag met studenten uit geweest, den volgenden dag +een begrafenis ... enfin, hij had de andere briefjes glad vergeten ... Nu +kunnen we, dunkt me, niet beter doen dan de vrinden wel ons exkuus te +maken, voor de te-leurstelling, en ons, zoo als we nu zijn, toch zoo +goed mogelijk te amuseeren ... wat dunkt u? + +Gemompel, lachjes, kwinkslagen, verschuiven van stoelen, opstaan, een +geruisch en geschommel. + +Toen alles weêr een beetje tot rust was gekomen en Dientje ten tweeden +male met de japansche theekopjes was rondgegaan, terwijl ze bloosde en +verbleekte, glimlachte en heel ernstig keek, ging Emilie Hartse in-éens +naar Jozef, die toevallig alleen stond. Zij was groot en rond. + +--Doet u nog aan de muziek, meneer van Wilden? + +--Nee, jufvrouw, dat is er met het huwelijksleven wel een beetje bij +ingeschoten ... Wat zal ik u zeggen ... Maar wat u daar vraagt brengt me +op een uitstekend denkbeeld. Zoû u ons niet eens op een lied willen +onthalen? ... ja, ja, dat moest u doen ... + +--O, meneer! ... + +--Jozef, zullen misschien de heeren daar (ze doelde op de oude heeren) +nu ook een partijtje willen gaan maken in de achterkamer, Whist of +Quadrille? vroeg Mathilde luid. + +--Ja, of zullen we eerst een beetje muziek maken en onze piano inwijden? +Ik proponeerde daar juist aan jufvrouw Emilie ... + +--Heel graâg, heel graâg, wat dunk u, mevrouw, en u, en u ...? + +Dit werd algemeen goedgekeurd, en zóo hevig, dat Louis Berlage +bedremmeld werd over het suukses dat Emilie hebben zoû, en om dit te +verbergen, met de grootste kalmte zijn kopje van den schoorsteenmantel +nam om eens te drinken en de helft van de thee over zijn overhemd, broek +en vest liet vallen. Mathilde en Jozef kwamen naar hem toe om hem te +helpen. Emilie begon hard te lachen en de anderen praatten luider, met +schuine blikken naar Louis. + +Emilie ging gauw naar de piano en juist was zij in een trillenden hoogen +toon een lied van Schubert begonnen te zingen, toen Louis van de keuken +te-rug-kwam, met een groote bruine vlek op zijn overhemd en verslagen +gezicht. Hij zag haar daar hel verlicht bij de piano. Wat is ze toch +lief! dacht hij. Wat is hij toch ordinair! dacht zij. Jozef +akkompaniëerde en zij bekeek tusschenbeide zijn profiel en zij dacht dat +haar stem om dat profiel zoo goed was van-avond, en ze dacht al na, en +o! wat een verschil tusschen die mannen, Jozef en Louis! En toch was +Louis zoo kwaad niet. Een jongensneus en in 't algemeen iets kinderlijks +kenmerkte hem, hoe knap hij ook zijn mocht in zijn vak. Maar dit was 't +juist, waarom zijn moeder hem zoo mocht lijden. Zoo onschuldig en zoo +knap! + +Het lied was uit en de menschen klapten een beetje in hun handen. Emilie +was gaan zitten naast Jozef. Toevallig zat Louis aan haar anderen kant. +Haar gezicht bleef naar Jozef gekeerd, die haar ook wel aardig vond, en +waagde Louis het even tegen haar te spreken, dan andwoordde zij kort en +stuursch, en dat vond hij heel lief van haar. Waarom, dat wist hij niet. + +De menschen waren nu weêr aan 't praten. Hasman en D'Ablaincourt hadden +een kennis aan mevrouw van Borselen voorgesteld, en deze drie vormden nu +een kringetje om haar heen. Eenige anderen hadden zich bij den +schoorsteen geschaard. Twee leunden met hun ellebogen op den mantel en +hadden hun handschoenen uitgetrokken. Een zeer jong een bedeesde +menheer, de jongste bediende van Jozefs kantoor, dien hij poesseeren +wilde maar nu zelfs nog had vergeten te groeten, had zich, bijna zonder +dat iemant het merkte, bij het gezelschap gevoegd. Hij was zonder rok, +maar droeg een gekleedde jas en zwarte das. Hij stond midden in de kamer +met een soort van droefheid vóor zich uit te staren en wreef zijn roode +heete handen op zijn rug zachtjes tegen mekaâr. Mathilde had hem al lang +in het oog en woû hem een beetje uit de verlegenheid helpen. Zij stond +op en ging, midden door de gasten, naar hem toe. Met glansjes van +welwillendheid in haar gezicht sprak ze hem aan. Hij nam een hand van +zijn rug en begon die aan zijn kin te houden, er kwam iets roods in zijn +oogen. Hij had blond haar, voor deze gelegenheid met bizondere zorg naar +de hoogte en achteren gestreken. + +De menschen spraken nu zachter in allerlei afzonderlijke gesprekken; +verscheiden heeren keken naar Mathilde in haar lange satijnen japon, +blinkend midden in de kamer, hel onder het gele licht. Jozef kwam ook +bij zijn vrouw en den bediende staan: + +--Hee, Marinus, ik had je nog niet eens opgemerkt, je bent ook zoo stil, +jongen. + +--Och, meneer! + +Mevrouw Berlage fluisterde tot mevrouw van Borselen achter haar waayer: +Wie toch Mathildes naaister is? + +Juist kwam Frits binnen, een groot blad vol glazen wijn en punch op zijn +handen, waar hij, ernstig en zorgzaam, meé rond ging. Mevrouw van +Borselen nam een glaasje rooden wijn. + +--Zullen we u nu niet eens genieten, mevrouw, vroeg Jozef hoffelijk. + +--Meneer, u weet niet, hoe 't me spijt, maar ik ben te verkouden. + +--Kom, kom, het zal toch wel gaan, probeert u maar eens. + +--Nee, wezenlijk! ... O, ik vind het zelf onaangenamer dan u denken +zoudt. + +--Kom, mevrouw, zeî mevrouw Berlage, doet u 't maar! en er kwamen van +achteren verscheiden heeren en dames die de blonde weduwe van Borselen +met smeekingen om toch iets te zingen overlaadden. + +--Dat mooie lied van Heine door Schubert gekomponeerd, dat u zoo +heerlijk voordraagt! + +--Toe mevrouwtje, laat u niet zoo bidden. + +Mevrouw van Borselen bleef weigeren. Zij kuchtte in haar neteldoekschen +zakdoek, bewoog haar waayer zenuwachtig. + +Een jonge dame, een bleek mager meisje, heel in 't zwart gekleed, zoû nu +iets doen. Deze maakte geen enkel exkuus, maar, na een paar heeren +verzocht te hebben een eindje op-zij te gaan staan, om dat ze dan vrijer +was in haar gebaren, begon ze met een hel stemmetje een burgerlijk deuntje: + + Wat is de liefde? + Ik weet 't niet, mijn kind. + Wat zegt de liefde? + Zij spreekt niet, zij bemint! + +Zonder de minste hapering bracht zij 't er af. Iedereen vond 'et bepaald +leelijk. Toen het laatste koeplet gedaan was zeî niemant een woord. De +dames, die in Jetjes, zoo heette het meisje, nabijheid zaten, prezen +haar zeer: O, jufvrouw, wat was dat allerliefst! Hasman, die als een +grappenmaker bekend stond, sprak zeer luid, een traan in zijn stem, van +den anderen kant van de kamer, waar hij op een kanapee zat: Jongen, ja, +jufvrouw, 't was heerlijk! U heeft me daar diep geroerd! Hasman was een +eenigszins dikke heer, met een rooden snor. De blonde jongeling snapte +zijn grap en wierp hem in al zijn verlegenheid een woedenden blik toe. +Jetje was de zuster van den blonden jongeling. Terwijl men hier en daar +een slokje wijn of limonade dronk en dan het glaasje weêr voorzichtig op +de tafel, den schoorsteen of op de piano neêrzette, droegen nu twee +officieren een samenspraak voor uit een fransch treurspel. Na hen kwam +Hasman aan het woord, die, met behulp van twee stoelen, vertoonde hoe +het in de Sint Anthonie-breêstraat toeging, wanneer een joodsche familie +uit rijden ging en ze met zen achten in éen vigelant gingen. + +--Die Hasman is onverbeterlijk, zeî Jozef en hij ging naar Hasman toe om +hem als bedankje de hand te drukken, toen 't was afgeloopen. + +Mathilde was weêr bij de dames Berlage en van Borselen gaan zitten. Zij +leunde achterover in haar fauteuil en tuurde rond, zij was nog niet +heelemaal te vrede. Zij was half en half bang, dat niet alle menschen +erg veel pleizier hadden. Ook waren er wel al aardige dingen gezongen en +gedeklameerd, maar er ontbrak blijkbaar nog iets, iets schitterends. Er +werd in de groeyende hitte, scheen 't haar, algemeen gewacht op het +glanspunt van de soiree. Het mooiste scheen zoo nog te moeten komen. +Datgene, waarvan de vermelding naderhand als men er over sprak, tot +herinneringsmiddel aan dezen avond zoû moeten dienen, was er nog niet +geweest. + +Jozef keek al-door naar Mathilde. Hij verveelde zich niet, hij had zich +van den beginne af aan pleizierig bezig gehouden, want hij dacht, naar +haar gezicht te oordeelen, dat Mathilde zich amuseerde. Hij merkte dat +hij dezen avond bizonder veel van zijn vrouw hield. Hij had haar in +langen tijd ook niet zóo mooi gezien, en zoo in 't oogloopend door een +elk, door al zijn vrienden bewonderd. + +Hij staarde haar aan, en daar kreeg hij de gedachte, dat zij volstrekt +ook iets moest doen, dat aan haar nu de beurt was. Hij wilde het zeggen, +maar hij begreep, gelukkig bij tijds, vond hij, dat het gepast was, als +iemant van de andere menschen, en niet hij zelf, zijn vrouw verzocht +iets van haar talent ten beste te geven. En plotseling nam hij het al +die heeren kwalijk, dat zij dat nog niet hadden gedaan. Als ze 't eens +vergaten! Neen, dat niet! Ze zoû, ze moest iets doen. Nu, hij zoû 't dan +toch zelf maar zeggen. Hij vond, dat het er wel door kon. + +--Mathilde, zeî hij, wil jij nu niet eens wat spelen? + +--Wel zeker, heel graâg. + +--O, ja! dat is heerlijk! riep Emilie, van uit het hoekje, waar Louis +haar nu voor zich alleen hield. + +--Zeker iets van Beethoven, mevrouw, vroeg mevrouw van Borselen, de +sonnate Pathétique, b.v.? + +--Dat heb ik zoo lang niet gespeeld, zeî Mathilde, wel in geen twee +jaar. Mijn vader leefde nog ... + +--Och toe, mevrouw, toe, het zal wel gaan ... + +En midden door de welopgevoede stilte, ging Mathilde naar de piano. + +Jozef ging vlak tegenover de piano aan de muur staan, bij de deur, zijn +rug tegen het geschilderde behangsel. Jozef gedroeg zich als moest hij +Mathilde nog het hof maken om haar te kunnen trouwen. Voortdurend keek +hij naar dat lieve zwarte hoofd. Mathilde bladerde een beetje +zenuwachtig door het muziekboek en zij keek waar 't begon, terwijl ze +het papier vlak bij de kaarsevlam hield. Daar had zij 't gevonden en +even keek zij Jozef aan. + +Mathilde hield haar vingers al uitgestrekt over de toetsen. De menschen +zaten in de rondte. Daar begon zij. Het was haar lievelingsstuk. Zij +speelde het graâg en goed. Andante was de eerste maat. Langzaam en +statig galmden de klanken aan. Klaar en helder tikte elke toets zijn +deun, die uit de diepte en van de hoogte samenrolden tot een plechtig +akkoord. Het scheen iets als een loflied, als een kerkgezang, als de +verheerlijking van iets edels en groots, van iets bovennatuurlijks, iets +als een hymne aan de eeuwige kuischheid en eenzaamheid. Mathilde zat +kalm en stil. Haar vingers bewogen regelmatig over de toetsen. De muziek +werd plotseling breeder, vol majesteit. Mathilde zag bleek en speelde +hard. Zij kwam er heelemaal in. In een hoek van de kamer werd nog +stilletjes door een paar heeren gefluisterd, en Jozef stond naar de +punten van zijn schoenen te staren. De andere menschen waren aandachtig +uit beleefdheid. Frits en Dientje waren aan de deur komen staan +luisteren. + +Toen was er in-éens in het muziekstuk, midden onder het zwaar-ernstig +orgelen van de piano, een jeugdige en zoete toon, als een teeder +fluitspel. Joedelend danste het een paar toonen ver en herhaalde zich +dan en neuriede onder de breedere harmoniën door, als een leeuwerik die +bij het einde van den nachtdienst, boven de donkere monnikken-hoofden +naar het kerkgewelf zoû opvliegen. En het zwakke geluid verdubbelde en +vermenigvuldigde zich en werd een geluid van groote teederheid en als in +de verte verdwenen de laatste zware toonen. Toen overkwam Mathilde iets +vreemds in haar hersens. Toen zij nog een kind was verbeeldde zij zich +wel van paleizen en prachtige zalen en trappen, waarin allerlei +wondermooye menschen in vreemd-rijke kleéren gingen. En als zij muziek +speelde en zij was er goed in, zag zij weêr altijd zulke zaken. Nu was +'t iets, dat als heel uit de verte tot haar naderde, gedragen door de +melodiën. Zij voelde iets in zich van te moeten huilen en zij wist niet +waarom. En het kwam nader en nader, stijgend in haar gedachte. Het was +iets, dat uit de diepte van haar herinnering aankwam, zonder toch een +gezicht uit de voorbijzijnde werkelijkheid te wezen. Het kwam in haar +verbeelding in den vorm van een mensch, omsluyerd, omwolkt, onherkenbaar. +Het was een poppetje, dat grooter en grooter werd, eindelijk zoo groot +als een mensch, met prachtige, schitterende kleêren aan. Waar had zij zoo +iets ooit gezien, in de komedie, gelezen in een boek, zij wist het niet. +Het was een ridder, een koning, in oud kostuum, zoo als zij zich als kind +altijd een koning had gedacht. Zij zag eerst zijden kousen en een broek +van blauw fluweel, toen een degen met diamanten van-boven, toen de borst +met gouden knoopen. En de purperen mantel zwaaide nog altijd voor het +gezicht. Haar benevelde oogen keken over de muziek heen en in den goud- +wasem van de kaarsen zag zij Jozefs gezicht alleen en zijn oogen, die haar +liefkoosden. Zij werd bang, vreeselijk bang; het was of haar hersens +braken. Zij speelde werktuigelijk voort, zij kende het stuk van buiten. +Jozef was de koning, dien zij zag; zij had het al zooveel gehoopt. En een +vreemde lach was over zijn gezicht, en over zijn hoofd, daar waren witte +veêren. Zacht en licht zuisten de wijsjes door de kamer. Maar zij werden +luider en feller in het allegro forte, en Mathilde hoorde de muziek als +had zij niet zelf gespeeld. Het was als stroomde jubelend een vloed van +zilveren golfjes uit de hoogte op haar neêr. De melodie was juichend en +sterk als het hoornblazen van groene jagers, zij ging hooger en forscher +als het trompetgeschal van de soldaten. Daar was hij dan, haar koning, +haar geliefde, en al de dagen van geluk had zij dan vroeger nooit gevoeld +en nu voelden zij ze allen samen. En voort, voort, werd het als uit een +diamanten prisma op haar neêrgegoten. Zij wist niet meer, zij voelde +zich niet zitten. + +De menschen zaten zwijgend in de rondte. Zij hadden niet gedacht, dat +het zoo mooi zoû zijn. De gashitte zweefde om hen heen. Zij zagen +MathiIde en dan weêr beurtelings elkaâr aan. De heeren knikten +goedkeurend. Hasman zeî zachtjes, dat Mathilde te opgewonden speelde. +De oude heer Berlage kreeg het te kwaad van de warmte en keek naar de +gaslichten, die aan zijn ooren sisten en in wier blauw middenpunt hij +onophoudelijk nieuwe lichtspatjes zag blikkeren. Louis keek voor zich +uit als een wezenloze. Drie heeren stonden als een zwarte versteende +groep vóor mevrouw Berlage, hun rug naar haar toe gekeerd. + +Er was een koorts in Mathilde gekomen, haar hoofd gloeide, haar oogen +waren heet. Geen herinneringen waren het meer in haar. Zij voelde het +tegenwoordige. Er waren geen vreemde verbeeldingen meer, het geluk was +tegenwoordig. Zij zag voor zich uit: hij stond er nog hij was er meer +dan ooit en zij staroogden naar elkaar. Haar spel werd sneller, luider, +woester, een onbesuisde wind vol liefdewoorden scheen haar om haar heen +te waayen. De maat werd impetuoso. Mathilde drukte de zware pedaal neêr; +de heele pianokast scheen te trillen. Wat was 't toch, wat gebeurde er +toch, hier van-avond, in de nieuwe blauwe kamer? Het was een storm +van-binnen en een vuur dat haar verbrandde. Zij zag Jozef vlak voor haar +staan in een wolk van lichtend blauw. Het was haar als gaf haar geest +hem schroeyende kussen van verre. O, haar liefde, o haar liefde, wat +deed het geluk een zeer! Maar al de menschen die daar waren, hadden haar +gehoord! Had zij niet gezegd, daar zoo-even, hard-op, tegen hen allen, +dat zij zooveel van Jozef hield? Ja, zij had het gezegd; zij had het +zich hooren zeggen! Maar, was zij dan gek geworden! Haar vingers +speelden de melodieën voort, zonder dat zij er bij dacht. Zij hadden de +oude geliefde sonnate niet vergeten De melodiën trilden voort hoog door +den walm der gaslichten, langs de vroolijk beschilderde wanden, en +weefden zich in al het lichte blauwe satijn van de kamer. Plotseling +hoorde Mathilde niets meer; zij zag haar vingers zonder beweging het +stuk was uit. + +Jozef vond dat Mathilde uitstekend had gespeeld en klapte in zijn +handen, met de anderen meê. Mathilde stond op, de pianokruk viel om, en +Jozef niet-eens ziende, wankelde ze hem voorbij en ging heel bleek op +haar oude plaats zitten naast de oude mevrouw Berlage. De dames spraken +erge komplimenten. + + * * * * * + +Van het kaartspelen van de heeren was niets gekomen. De oude heer +Berlage had zich verveeld en drentelde op en neêr, door niemant +aangesproken. De jonge blonde bediende, Marinus de Beer heette hij, +voelde zich heelemaal overbluft, en zat met als opengespalkte oogen naar +de piano te turen, als was daar iets heel bizonders meê gebeurd. + +Nu begon liet gezelschap te kuchen en zachtjes-aan weêr te praten. Het +was nu bepaald heet geworden. Er werd ijs gepresenteerd: wit +vanielje-ijs, als natte sneeuwballen in de ronde kelken gedrukt, rood +framboze-ijs, wat meer koekiger en zoetiger. In de zomerige stilte, +tusschen de kwijnende konversatie door, hoorde men het bescheiden happen +van de monden. Hasman kneep zijn oogen dicht om dat het ijs zoo koud +was. Links en rechts werden kleine zinnen gezegd over het ijs en over +het muziekstuk, als het eerste en schuchtere getjilp van musschen door +de boomen na storm en regen. + + * * * * * + +Mathilde werd zich zelve weêr. Zij keek naar Jozef, die nog bij de muur +stond, en glimlachte, en veegde met haar zakdoek haar mond af. Zij keek +daarna om zich heen naar al die vreemde menschen, die verwonderd naar +haar zagen om dat zij zoo bleek was. + +De avond verstreek, eenige heeren waren in de gang gaan staan om de +warmte en lachten daar, terwijl er een iets vertelde met luidruchtige +gestikulatie. Dientje schoof voorbij en werd opgemerkt. De deur van de +kamer bleef voortdurend open en de luidruchtigheid uit de gang ging +langzamerhand ook naar de kamer over. + +De dames dreven hun waayers, die ritselden en hijgden, voorbij hun +verhitte gezichten. Algemeen kwam de muziek ter sprake. Men misprees +Mathildes overdreven bescheidenheid, die de komplimenten afwees. Men +verhaalde kwinkslagen uit de loopbaan van virtuosen en allerhande +kunstenaars. Zoo kwam men weêr op de deklamatie. Het heele gezelschap +nam aan het gesprek deel. De meesten waren gaan zitten en vormden een +ovalen kring, Jozef was daar stilletjes tusschen gaan zitten. + +--Apropos, Marinus, vroeg hij aan den blonden bediende, heb je niets +meêgebracht? + +--Och, kom, er zal wel iets in uw overjas steken, zeî Mathilde van +d'overkant. Mag ik de knecht niet eens laten kijken? + +Marinus werd zenuwachtig. Hij keek naar Jetje, om te weten, wat zij er +van dacht. Deze, die nog verrukt was over de uitnemende ontvangst van +haar bijdrage, knikte goedkeurend en aanmoedigend. + +--Dan zal ik het zelf wel eventjes halen, meneer, zeî hij. + +Hij bleef even wech. Zoo'n goede jongen, mompelde men, maar hij is een +beetje bedeesd. Men maakte, dat Jetje het niet hoorde. + +Marinus trad binnen en, dadelijk, maakte een buiging na aan 't einde van +den kring te zijn gaan staan, en las iets voor. Hij hield een folio +regelmatig beschreven stuk papier in zijn hand, en veegde het zweet van +zijn voorhoofd. Het was een vers van hem zelf, dat hij voorlas. Het +onderwerp was de huwelijksmin van zijn patroon en dat het pad met rozen +bestrooid, hetwelk hij thans met mevrouw bewandelde, nimmer in een dorre +woestenij mocht veranderen, maar steeds bloeyender en geuriger mocht +worden tot aan het einde huns levens. + +De heeren leden van de club, met hun gepommadeerde snorren, kwamen +luisteren van uit de gang, en posteerden zich in zwierig-achteloze +houding bij elkaar aan de deur. Zij glimlachten tegen mekaâr over de +onbedreven onnoozelheid van den dichter. + +Zoo eindigde Mathildes partijtje. Een kwartiertje na Marinus' voordracht +kwamen de rijtuigen voor, en nog een kwartiertje later gingen de menschen, +eentonig-vriendelijk afscheid-nemend, wech. + +Frits en Dientje kregen samen 17.75 aan fooyen. Marinus en zijn zuster +hadden samen vijftien stuivers gegeven. + + + + +IX. + + +Vier dagen na het soireetje, zat Jozef om half negen 's ochtends in hun +ruime binnenkamer aan de ontbijttafel het Handelsblad te lezen. Het was +er hoog van verdieping en een reine, onbenauwde warmte werd door de +donker-porceleinen kachel verspreid. Jozef had uitstekend geslapen, was +heerlijk zacht geschoren, had een lauw bad genomen, zijn mond gespoeld +met Eau Botot, en was, in zijn gestreepte sjamberloek, op zijn dofblauwe +stijf-leeren, van korte hakken voorziene huis-schoenen naar beneden +gegaan, waar hij op Mathilde wachtte. Hij had zijn snor voor den spiegel +nog even zwierig opgedraaid en was nu aandachtig de koerant aan 't +lezen, zijn éene hand op het krakend-witte dekkertje, de andere voor +zich uit over de leuning van zijn stoel, waar hij een beetje schuin op +zat. Nu en dan dwaalde zijn blik ter zijde van de politieke artikelen of +van de telegrammen af, om met te-vredenheid de toppen van zijn duim en +wijsvinger te bekijken, met hun gladde licht-roode puntig-blank +versneden nagels. Hij was opgeruimd. Hij voelde zich doordrongen van een +aangename levenswarmte. Versche broodjes, kaas, melk stonden dicht-bij +hem klaar. De thee was gezet, een bleek-blauw doorzichtig dun kolommetje +stoom rees naar boven uit de tuit van de theepot en werd een +mistslangetje of wolkte wech in de kamer, als Jozef zijn koerant bewoog +of diep ademhaalde. In een hoek neuriede het theewater. Alles om hem +heen was nieuw, frisch, jeugdig en vol komfort: de gelakte kolen-en +turfbakken, de donker-bruine dubbele deur, waardoor men in de voorkamer +kwam, met haar gevlamde paneelen, de schrijftafel van Jozef, in den hoek +bij 't venster, een kadoo op zijn verjaardag van Mathilde, de glazen +boekenkast, die er naast stond, de zwarte pendule op den schoorsteen, +met een bronzen ruitertje er op. Jozef keek naar de kachel, leî de krant +even op de tafel over het brood en het theeservies heen, stond op; de +kwasten van zijn sjamberloek bengelden langs zijn beenen, en hij stookte +het vuur aan. Vier nog heelemaal heele koolen, van achteren zwarterig, +vormden het vuur in de kom van de kachel en wat korsterige stukjes +verbrokkelde kool lagen er om heen. Er knapperden vonken naar boven, in +den rossen gloed hoorde hij een blakerend getik. Jozef bleef, even, +aangenaam in het vuur kijken. Daarna stootte hij met den pook de +knersende koolen tot gruis en gooide een vollen schep vettige inktige +steenkolen er op neêr, die knetterend een dichten zwarten rook door de +kachel verspreidden. Daarna ging Jozef weêr zitten. Hij had er een gloed +van op zijn gezicht gekregen, die stil wechkoelde. Achter hem schenen +koude winterzonnestralen over de muren van de binnenplaats. Beneden, +door een venster dat daar uitkwam, zag hij Dientje bezig in de keuken +met het glimmend kopergoed. Er kwam geen enkel geluid van buiten. Er +reed op dit uur geen enkel rijtuig over dit gedeelte van de +Heerengracht. + +Daar bewoog de kruk van de deur, die zich met een licht gekraak opende. +Mathilde kwam binnen in haar licht-grijze huisjapon, met de breede +zwart-fluweelen hals-en handboorden. + +--Hè, hier is 't heerlijk, zeî ze en wreef haar handen tegen mekaâr, +waaraan toen de ringen schitterden, die zij van Jozef had gekregen. + +--Ja, vin-je niet? andwoordde hij, Mathilde zoende Jozefs voorhoofd, +terwijl hij zijn hand naar boven stak om de hare te vatten. Mathilde +bleef even staan achter het theeblad, om te zien of alles voor het +ontbijt in orde was. Zij schikte de kopjes op de schoteltjes en begon +er, het hoofd naar voren gebogen, suiker in te scheppen. Maar er waren +onrustige trekjes om haar mond en haar oogleden knipten ongewoon. Zij +had iets te zeggen, maar het kon er nog niet goed uit. Zij schonk voor +Jozef een van de witte kopjes met hun smal vergulden randjes vol thee, +daarna een wolkje melk er door heen, en gaf het hem aan. Maar, toen hij +het aannam en voor zijn bord neêrzette, deed zij schielijk een stap naar +hem toe. Zij ging naast hem staan en leî haar handen op zijn schouders. +Zij boog tot aan zijn oor en fluisterde: + +--Ik moet je nog altijd iets zeggen. + +--Zoo, wat dan, vroeg hij vriendelijk en belangstellend, en stuurde +aandachtig zijn oogen schuin langs haar heen naar den wand, om goed op +te letten. + +Haar haren, die nog niet heelemaal opgemaakt waren, maar slapjes over +haar voorhoofd hingen, raakten zijn wang. + +--Ja, maar ik durf niet goed ... zal je niet boos worden? + +--Wel nee, lieve kind, zeg 't maar gerust, heel hard-op! + +--Nou, zeî ze met een verlegen lachje, als om zich zelve te +verontschuldigen, en zij aarzelde nog, ... eindelijk, nog zachter: ik +geloof, dat we niet meer alleen met ons tweeën zullen blijven in 't +leven ... Zij keek hem aan, haar oogen dicht bij de zijnen, om te zien +of hij 't begreep, daarna sloeg zij ze neêr, dicht over haar hand die +op zijn schouder lag, als wilde zij haar vel nauwkeurig bekijken. + +--Wat bedoel-je? vroeg hij, maar, zich plotseling herinnerende: zoû 't +wezenlijk waar zijn? + +Hij stond op om haar eens goed te bekijken. Zij klapte in haar handen, +zich verlicht voelende, dat die tijding er uit was. Zij lachte. + +--Je weet wel, een jaar geleden hebben we d'r al over gesproken! +Heerlijk! Heerlijk! + +Zij danste haast van blijdschap. + +--O, heerlijk! zeî ze nog eens. + +Zij zag hem sterk aan, met van vreugde vochtige oogen: + +--We krijgen een kindje, wat zullen we gelukkig zijn, hè? + +Hij beaamde goedig wat zij zeide en zoende haar wangen met roode en +witte verdwijnende vlekjes. + +Dat was een pleizierige dag voor Mathilde! Zij bleef van den ochtend tot +het eten in de achterkamer lezen over opvoeding. Nu was 't dubbel +jammer, dat vader niet meer leefde! En wat haar zelf aanging, zij wist +het eigenlijk al lang, ten minste het vermoeden was zoo goed als weten +geweest, maar nu voelde zij zich pas heel gelukkig, nu Jozef het ook wist. + + * * * * * + +Intusschen scheen het gedurende den tijd van haar zwangerschap, dat haar +liefde voor Jozef groeide, groeide, groeide, samen met het kind onder +haar hart. Had zij Jozef niet lief, meer dan alles wat zij hoorde en zag +en ondervond, meer dan haar leven-zelf? Maar zij voelde zoo iets, als +was zij nu pas bezig het groote bewijs van haar liefde te geven, als zoû +dat wezentje, dat, zonder haar wil, zonder haar toestemming maar toch +door haar werd gemaakt, de levende getuigenis er van zijn, dat zij zich +voor altijd aan hem had wech gegeven. Ook beijverde zij zich om hem uren +achtereen sterk aan te zien en altijd zijn uiterlijk voor haar +verbeelding te hebben, als hij er niet was over-dag of 's nachts als het +donker was. Want zij wilde, dat het kind, het mocht dan een jongen of +een meisje worden, zoo veel mogelijk op hem lijken zoû. Als zij mekaâr +aan 't liefkozen waren, schoof Mathilde zich wel zachtjes op Jozefs +schoot, drukte haar voorhoofd tegen het zijne en liet zijn blikken +langen tijd in haar oogen rusten. Zij dacht, dat zij, zoo, veel van +zijn leven in zich op zoû nemen. Jozef trachtte hun leven in deze +omstandigheden zoo in te richten, dat Mathilde nooit het minste +verdriet, of zorg of inspanning, had. Toen zij in de vierde maand van +haar zwangerschap was, en de vijfde, en de zesde, zonderden zij zich met +hun tweeën heelemaal af. Jozefs bekommering werd overdreven; het begon +met dat hij volstrekt niet wilde, dat zij menschen bij hun vroegen; +later veroorloofde hij haar nog alleen kleine wandelingetjes te doen, +eindelijk verlangde hij, dat zij absolute rust nam. Tusschenbeide 's +avonds maakten zij nog een klein loopje samen, maar eindelijk dat ook +niet eens meer. Hij dreef het tot in het kinderachtige door. Als er iets +te krijgen was buiten de kamer waar zij zaten, dan deed hij het. Woû zij +iets hebben waar zij niet bij kon met haar handen, dan stond hij op, om +'t haar aan te geven. Om een haverklap werd de meid gescheld, en de +stal-houder had gedurende wel een negen weken een bizonder goeden klant +aan de Van Wildens. + +De aanstaande geboorte van zijn kind maakte Jozef niet blij. Hij gaf +daar weinig om, 't deed hem alleen een beetje pleizier, om dat hij zag, +hoe gelukkig het Mathilde maakte. Ondertusschen, al bekende hij 't zich +zelf nauwelijks, vond hij heel naar, dat er zoo'n verandering in zijn +huishouden zoû komen. Hij keurde het af, hij vond het vreemd, maar 't +wás waar, dat hij, voor hij wist niet hoeveel niet, gedurende dezen tijd +een van zijn vrienden in het gezelschap van Mathilde zoû gebracht +hebben. Als hij met haar samen was, in een van die oogenblikken, dat zij +in zijn arm stond met haar hoofd achterover, haar mond half open en hij +haar kuste eenmaal, tweemaal, tienmaal, vijftigmaal, en zij, half +bedwelmd, zich dan tegen hem aan liet vallen, dan schrikte hij, dan was +'t of plotseling zijn liefde hem ontzonk, of hij maar gezoend had om te +spelen. En dan kon hij haar nog alleen maar met een gemaakte zachtheid +van zich wechduwen en zelf de kamer uitgaan om ergens in een andere +kamer, boos, te gaan zitten en zich af te vragen, wat hem toch scheelde, +dat Mathilde toch lief en mooi was altijd, dat hij haar juist dankbaar +moest zijn, heel dankbaar, voor zoo veel goedheid, zoo veel toewijding, +zoo veel liefde, en voor de pijn, die zij waarschijnlijk nog te lijden +zoû hebben. Soms wist hij zich te overwinnen, dan gaf hij zich moeite om +al de liefde, die hij voor haar voelde, zijn denken te doen vullen en +dat andere gevoel te doen verdringen. Dan zag hij alleen haar oogen, +haar mond, hield van haar als altijd. Ook merkte zij niets van die +weêrzinbewegingen in zijn gemoed. Voor haar bleef hij dezelfde, dag in +dag uit, Vol voorkomendheid, vol zorg, vol teederheid. + +Mathilde hield in zich zelf eindelooze beschouwingen over de +waarschijnlijkheid van dat haar kind, naar liet uiterlijk of het +innerlijk, zus of zóo zoû wezen. Ook sprak zij er met Jozef over. Dan +waren dat gesprekken, die een, twee uren achter elkaâr duurden, vervuld +van illuzies, van lachende droomen, van rozige gedachten, van +hemelsblauwe veronderstellingen en schitterende voorspellingen. Zij +wilde bepaald een jongen hebben, een zoon, die heelemaal een kleine +Jozef zoû wezen, die haar van twee Jozeffen omgeven zoû doen zijn; de +eene groot, forsch, breed, in den bloei en de kracht van zijn leven, de +andere klein, teêr, tenger, met den bloesem van de jeugd op zijn +gezichtje, en die beiden toch maar éen Jozef zouden zijn, daar de éene +den anderen had gemaakt alleen in liefde voor haar. Hij zeide meer naar +een meisje te verlangen, nu al pleizier te hebben hij het idee van éens +te zullen kunnen zeggen: "mijn dochter doet dit, mijn dochter doet dat, +mag ik u mijn dochter voorstellen?" Maar hij verlangde lang zoo vurig +niet naar dat kind als zij; ook was zij, bij zulke gesprekken, bijna +voortdurend alleen aan 't woord, haar mond stond niet stil, en Jozef +werd eindelijk alleen verzocht telkens toe te stemmen, als zij hem iets +vroeg: niet waar?, hè?, vin-je ook niet? Hij knikte maar glimlachend ja +en gaf haar het grootste gelijk van de wereld. Hij vond het niet +vervelend haar zoo aan te hooren en verder niets te doen, maar om het +onderwerp van haar gesprek gaf hij minder dan om haar zelve. Hij nam met +genoegen waar, hoe vol zij was van hèt leven, hoe gezond en zacht +gelkeurd haar wangen er uitzagen, hoe zeer hij en zijn kindje, dat zoû +geboren worden, de eenige dingen waren, waarmeê haar lieve hoofd zich +bezighield, en hij dacht telkens: jongen, wat heb ik het toch goed +getroffen ik heb een allerliefste vrouw! Ondertusschen praatte zij +voort: de jongen zoû dus groote blauwe oogen hebben en bruin haar, +misschien een krullebol. Hij zoû stellig den mooyen neus en ooren +krijgen van zijn vader, maar vooreerst zoû daar nog wel weinig van te +bespeuren zijn. Hier kwam nu het gesprek op den toestand van een +pasgeboren kind. Mathilde had zoo iets nog nooit gezien; nu beduidde +Jozef haar, dat zij zich daarvan geen illuzies moest maken. Hij vertelde +haar hoe zoo'n wezentje was, met zijn rood rimpelig vel, zijn vreemde +oogjes, meestal gesloten, zijn hoofd zonder haar, zijn mondje zonder +tanden, bibberend en schreeuwend in de wereld komende. Maar zij wilde +hier eerst liever niet van hooren. Maar later verzekerde ze, dat, hoe +het kindje er ook uit mocht zien, zij er toch dadelijk vreeselijk veel +van zoû houden. Eéns voelde zij den schrik voor het viezige, het +wezenloze, het dierlijke van zoo'n pasgeboren kindje, maar zij was al +gauw weêr vol vertrouwen; als zij Jozef onophoudelijk en met zóo-veel +liefde aankeek en zijn uiterlijk voortdurend op nieuw in zich opnam, dan +zoû, dan moest het kindje mooi wezen van het eerste uur van zijn geboorte +af. Wat een heerlijke jaren zouden er nu voor haar komen! Door het leven +te gaan tusschen haar man en haar kind! Aan den eenen kant een knappe, +lieve man, die haar in alles steunde en beschermde, en raad gaf, aan den +anderen een blond jongetje, dat om haar heen dartelde en haar zijn lieve +moeder noemde. Wat zoû het goed staan tegenover de menschen, zoo'n familie +te zijn Eerst zoû het kindje, natuurlijk in de lange witte kleêren worden +gekleed. Zij was al bezig daarvoor te zorgen. Heele middagen zat zij er +aan te werken, en telkens klonk de vermanende stem van Jozef er door heen, +dat zij het zich niet te druk mocht maken. Terwijl zij, een zilveren +vingerhoedje om den middel-vinger van haar rechter hand, de slanke +glimmende naald tusschen haar wijsvinger en duim gedrukt hield, naaide +zij met regelmatige steken, op en neêr met haar hand, op en neêr. Wanneer +zij het linnen en batist, de wol en de kanten op die wijze hanteerde en +fatsoeneerde, stelde zij zich voor hoe, in een niet ver verschiet, die +dingen om de poezele blanke leedjes van haar kindje heen zouden gewikkeld +zijn, en zat zij met een heelen stapel wit goed op haar schoot, dat, door +elkaâr, in een berg van plooyen, tot aan haar kin kwam, dan verbeeldde zij +zich, daar al een rond ventje onder te hebben liggen, een huidje te voelen, +met een jonge, reine warmte. Jozef was er eerst tegen geweest, dat zij- +zelf al die kleêrtjes maken zoû, maar als hij haar nu, na dat zij het toch +doorgedreven had, aan den gang zag, en haar lieve gezicht boven al die +zuivere witheid uit zag komen, vond hij 't toch wel aardig. + +Later zoû het jongetje, want, neen, nu zonder gek-heid, het moest een +zoon wezen, zij was er zeker van, later dan zoû hij vooral het liefste +zijn--en over dezen tijd sprak zij het graâgst met Jozef--als hij zoû +kunnen spreken en zij, de ouders, zijn verstand langzamerhand voor den +dag zouden zien komen. Dan zoû Jozef hem, och heer, met allerlei +nietsjes, maar die een heele wereld in zich sluiten voor kinderooren, +inwijden in het begrip van de dingen van het dagelijksch leven, van zijn +omgeving. Zij zag hem al van hier aan Jozefs knieën staan, met groote +oogen aandachtig luisterend. Zij zoû hoofdzakelijk zorgen voor dat hij +braaf werd en gezond. Vóor alles zoû zij hem de liefde leeren voor zijn +vader. Zij zoû hem zeggen, hoe goed en lief Jozef is, hoe haar, zijn +moeder, niemant dierbaarder was, hoe hij alles aan zijn vader te danken +had, wat pleizierig voor hem was. Zij zoû vooral van haar zoon een +tweeden mensch vol liefde voor Jozef maken. + +De vraagstukken van opvoeding kwamen op in Jozef en Mathildes +gesprekken. Mathilde was bepaald en onveranderlijk voor een strenge +opvoeding. Zij was daar tegenwoordig 's avonds druk over aan 't lezen. +Op haar verlangen kocht Jozef, die daarmeê lachte, een paar nieuwe +boekwerken over opvoeding. Jozef was voor de zachte, toegeeflijke +methode. Hij vond, dat pakken slaag te geven en in een hoek te zetten +een kind niet beter maakte. Maar hij woû zich wel onderwerpen, zeî hij, +hij liet háar de beslissing over. "Zachte chirurgijns maken stinkende +wonden", zeî Mathilde iederen keer, waarop Jozef dan altijd begon met te +andwoorden, dat een gewonde en een chirurgijn in een heel andere +verhouding tot mekaâr staan als een ouder tot zijn kindje, dat alleen +het zooveel mogelijk vrijheid laten en het door redeneering fouten onder +het oog brengen een kind tot een waren man maakte, maar daartegen had +zij bizonder veel dingen te zeggen: dat een kind voor geen redeneering +vatbaar was, dat men zijn kind niet liefhad, zoo men het niet strafte, +dat alleen hij, die eens zelf door kastijding had leeren gehoorzamen, +later in staat was goed op te voeden, dat men anders onmogelijk een kind +braaf kon maken, onmogelijk, dat men, strafte men niet, de liefde en +eerbied voor de ouders zelf uit het gemoed van liet kind bande, dat men +op die manier zijn gezach verloor, en nog duizend redenen meer, zoo dat +hij ten laatste haar maar een zoen gaf, om er een einde aan te maken. +Maar zij hield niet op vóor hij zeî: je hebt gelijk. En dan was zij +eigenlijk nog niet te vrede, dan moest hij haar beloven, bepaald +plechtig beloven, dat hij streng zoû wezen. Hij begon te lachen, maar +zij bleef hoogst ernstig; ten slotte beloofde hij alles. + +Van God de Heer was weinig sprake als Mathilde dacht en sprak over haar +kind. Het was zonderling, maar alleen bij de gedachte aan haar vader +kwam er een God, haar God, te pas. Met haar laatste groote droefheid, +verflauwde ook haar godsdienstzin. Wanneer zij gelukkig was scheen zij +geen andere behoefte te hebben, dan die door het haar omgevende aardsche +werden vervuld. + +De laatste maand voor haar bevalling was Mathilde in een hijgende, +zenuwachtige afwachting. Haar kind, haar eerste kind zoû geboren worden. +O, wat ging die tijd langzaam! + +Jozef vond, dat het nu waarachtig langzamerhand lang genoeg begon te +duren. Hij woû maar, dat Mathilde gauw weêr elegant en slank zoû zijn, +dat hij zich weêr in 't publiek met haar zoû kunnen vertoonen, in de +komedie en op koncerten, en dat iedereen dan weêr zoû zeggen: wie is +toch die man, die heer daar, met die prachtige vrouw aan zijn arm. Hij +vond, stil voor zich, den toestand toch eigenlijk zoo lammelendig. +Intusschen hield hij haar trouw gezelschap tot het einde toe. Hij was +altijd op kantoor en thuis. Hij kocht een wieg voor haar. 's Avonds las +hij haar voor; zij gingen vroeg naar bed. + + + + +X. + + +'t Was in 't midden van een nacht, dat de bevalling gebeurde. De dokter +had Jozef, die zenuwachtig was, uit de slaapkamer laten gaan. Hij zoû +den vader wel komen waarschuwen, als het zoo ver was, had hij gezegd. +Jozef was, in zijn sjamberloek, beneden naar de zaal gegaan. Waarom +juist daar-na toe, dat wist hij zelf niet. Hij had een gaspit opgestoken +en drentelde in het zwakke licht heen en weêr over het dikke tapijt. Nu +eigenlijk scheen hij pas goed over hetgeen er boven ging gebeuren na te +denken. Hij vroeg zich af, wat er het gevolg van zoû wezen. Zijn blikken +gingen langs de lambrizeeringen, langs de zoldering en den vloer, over +de schilderijen, alsof dat nieuwigheden waren. Eigenlijk keek hij naar +niets, maar luisterde naar de geruchten die van boven kwamen. Die lieve, +goede Mathilde, wat stond zij misschien nu een pijn uit. Maar hij kon +haar niet helpen, men moest afwachten de dingen, die komen zouden. 't +Was een elllendig iets, dat kinderen krijgen! Hoe jammer, dat het niet +gemakkelijker kon en zonder zooveel schade! Hij hoopte nu maar in +Godsnaam, dat Mathildes lichaam er niet te veel onder lijden zoû. De +tijd ruîschte in de nacht-stilte om hem heen voorbij. Daar dacht hij aan +de namen, die hij met Mathilde afgesproken had, dat het kind zoû +krijgen. Was het een meisje, dan zoû zij Agnes heeten, naar zijn moeder, +die nu al vijftien jaar dood was. Werd er een jongen geboren, dan zoû 't +Bernard zijn, met nog een paar onverschillige namen er achter, naar háar +vader. Maar weêr schudde hij voor zelf neen! Hij had er zich niet meê +kunnen vereenigen. Bernard was veel te burgerlijk. Hij wilde zijn zoon +een voornamer, een buitengewonen naam geven. Iets van Felix of zoo. +Felix, dat was mooi, dat klonk. Kreeg de jongen later zijn eigen +visite-kaartjes, dan zoû daarop gegraveerd staan: Felix van Wilden, of +in 't fransch, nog beter: Mr. Félix, met den klemtoon op ix, Mr. Félix +van Wilden! Jozef zag zijn zoon al voor zich, in een elegant jasje, een +jonge man van twintig jaar, naast hem, ook nog jong, ook in een elegant +pak, misschien met enkele grijze haren, samen op straat, samen op +reis ... En hij vergat Mathilde voor een oogenblik. + +De dokter stapte door den gang, maakte de deur van de zaal open; op zijn +eenen voet vooroverbuigend, zijn hoofd door de opening, riep hij luid +naar binnen, opgewonden: Vadertje, geluk met je zoon, hoor! Hij sloot de +deur en ging gauw naar boven terug; Jozef hem na. + +De slaapkamer was langwerpig, met twee ramen naar de binnenplaats, +tegenover de deur. Het was er donker-groen: de venster-en bedgordijnen, +het tafelkleed en de stoelbekleeding waren donker-groen, ook de +ondergrond van het tapijt. Er stonden twee groote en twee kleinere +antieke kasten tegen de wanden. Een olielamp brandde nu op de tafel in +'t midden; voor het bed grilde de schaduw van den ovalen kapspiegel op +de tafel. Twee kaarsen tongevlamden op de latafel tegenover het +ledikant, voor het apotheek-kastje. Toen Jozef binnenkwam, was de baker +voor de tafel geknield. Zij hield het kind er boven in haar linkerhand +en wond hem met haar andere in witte en gele doekjes. Met haar zeer +klein hoofd, als geklonken in haar stijve kornet, leunde zij met haar +eene hand op de tafel, boven het kind gebogen, wiens hoofdje nu nog +alleen zichtbaar bleef. De baker stak haar vinger in den mond van het +kind, en, zeer op de hoogte met haar kleine grijze oogen, zeide zij, dat +er al een tand in het mondje zat en het kind dus met een tand was +geboren. Dit scheen den dokter, die, tegenover de vrouwen aan de tafel, +aan 't uitzoeken van het linnen-goed was, dat Mathilde nu eenigen tijd +moest dragen, niet te verwonderen. + +Na het kind even bekeken en bevoeld en zijn wangentjes gezoend te hebben, +ging Jozef zachtjes naar het bed, en draaide zich in de dichtgeschoven +gordijnen. Mathilde lag in de groene duisternis, stijf in de schoone +witte lakens. Zij hijgde zachtjes, haar haren, als een kronkelende zwarte +plas, veel en verward over het kussen. Zij zag erg wit. + +--Mathilde, ik dank je wel, fluisterde hij en hij kuste haar. + +Maar haar lippen beefden en waren koud, en hij dacht in-éens, hij wist +niet waarom, dat ze er wel eens van dood zoû kunnen gaan. Hij leî zijn +hand in haar haar op het kussen en vroeg: + +--Hoe voel-je je? + +--Uitgeput, erg uitgeput ... + +Zij bleef roerloos liggen en zeî daarna, hartelijk, angstig, langzaam, +de zeurige woorden, die pas bevallen vrouwen spreken: + +--Jos, ik weet niet hoe 't af zal loopen, maar mocht ik dood gaan, zorg +dan goed voor ons kind! Als ik kon, dan zoû ik het je knielend vragen. +Maar beloof 't me, Jozef, maak, dat hij godsdienst heeft ... Be-loof +'t me ... + +--Hoe kan je nu zoo spreken?, vroeg hij, ons leven begint nu pas goed en +je denkt om te sterven! + +--Ik voel dat ik heel goed van-nacht kan sterven, andwoordde zij. + +Toen werd ook hij vreeselijk zenuwachtig, beiden in de kinderlijke +aandoening van den hevigen toestand: nee, nee, dat kan niet! zeî hij +hard, en hij zoende fel haar gezicht, haar aan haar schouders vattende. +De dokter en de baker kwamen er bij. De dokter had het gordijn +wechgeschoven, hij trok Jozef bij zijn arm bedaard van het bed te-rug. +Maar Jozef rukte zich los en riep, huilend: + +--Maar, ze sterft! waarom heeft u me dat niet gezeid? O, God, o, God, +wat moet ik doen? Ze is koud, dokter, zoo koud als ijs, zeg ik u, en +kijkt u d'r oogen eens! + +--Maar, 't is niets, hoegenaamd niets, zeî de dokter, dat hebben +bevallen vrouwen altijd! + +--O, ja, zeî de baker, dat wil de natuur zoo. + +Zij stond op en hield het kind voor zich uit. + +--Hier, moedertje, kijk maar eens naar je jongen. + +Zij tilde het kind in bed, voor Mathildes gezicht. Maar Mathilde scheen +er niets van te merken. + +--Is het wezenlijk zoo? vroeg Jozef, zal ze beter worden? U moet me niet +foppen, meneer! + +--Absolute rust en kalmte om haar heen is noodzakelijk, zeî de dokter, +dan zal zij gauw weêr heelemaal in orde zijn. + +Jozef ging naar de baker, nam het kind op zijn handen en bekeek het +nauwkeurig. Mijn gezicht! zeî hij zachtjes, ofschoon daar nog volstrekt +niets van te zien was. Hij zoende het kind, en gaf het aan de baker +te-rug. Daarna ging hij naar de logeerkamer, waar hij nu de eerste +nachten zoû slapen. Hij was erg moei, maar hij kon toch niet in slaap +komen. Na een uur van onrust, toen zijn zenuwen een beetje tot bedaren +kwamen, ging hij nog toch eens op zijn kousen kijken, of Mathilde sliep. + +De lamp en een van de kaarsen waren uit in de kraamkamer en de andere +kaars stond op tafel, vanwaar zij een vaal licht door de kamer +verspreidde. Naast het ledikant stond het wiegje, waarin het kind sliep. +De vroedvrouw, die eigenlijk bij de verlossing niet geholpen had, en die +Jozef, ongewend aan bevallingsmaatregelen, er maar voor alle sekuriteit +bij genomen had, en ook om dat zij zoo goed waken kon met-een, zat in +een hoekje met strak open oogen, roer-loos-wakker. Jozef kwam aan het +bed, en, stil de gordijnen een beetje wechschuivende, boog hij zich over +de wieg heen en bespiedde Mathildes gezicht. Zij lag nog altijd +onbewegelijk in dezelfde houding, met dichte oogen; zij sliep. Hij +luisterde óplettend ... Haar ademhaling ging zachtjes en regelmatig. Noch +even bleef hij staan en bezag haar, teeder. + +Toen hij weêr in bed lag, gaf hij zich pas rekenschap van zijn +aandoeningen. Hij had Mathilde dan toch wèl lief. Hij bracht een nacht +vol angsten door. Neen, maar wat ging er nu gebeuren! Daar had hij +allerminst op gerekend, een zieke vrouw in huis! Hij sliep eindelijk +vermoeid in, om weêr met hoofdpijn wakker te worden, laat in den +volgenden morgen. + + * * * * * + +Gedurende den kraamtijd en nog weken daarna verveelde Jozef zich +gruwelijk in zijn huis. Mathilde was eenvoudig ziek en herstelde maar +niet. Dokter Hansen had om een konsult met professoren gevraagd, dat +gebeurd was. De uitslag was: Mathilde had een hart-ziekte opgedaan, +misschien voor altijd. Zij moest die al onder haar leden hebben gehad +en misschien van een van haar ouders of grootouders hebben overgeërfd. +Daarbij hadden hevige koortsen haar vreeselijk verzwakt. Zij had +kongesties naar haar hoofd, en duizelingen. Tweemaal daags werden er +ijskompressen boven op haar schedel gedrukt, om de gloeyingen te +bekoelen. Zij was zóo uitgeput, dat zij alleen heel zachtjes praten kon +en dadelijk weêr moest zwijgen na dat men begrepen had, wat zij +verlangde. In de ziekenkamer was een volte en een drukte. In de eerste +week had Mathilde volstrekt geweigerd het wiegje uit haar kamer te laten +wechnemen. Zij wilde haar kind onophoudelijk bij zich hebben. Het moest +liggen onder het bereik van haar blikken. Het kind schreeuwde nu +dikwijls lang achter mekaâr, als het niet sliep. Dan kwam Marie, het +boeren-meisje, dat als min aangenomen was, hief het kind op in haar +armen, drukte het aan haar borsten, suste en zoogde het. En telkens zeî +Mathilde, in de halsstarrigheid van haar koortsige gedachten, dat men +haar Felix, zoo was het kind toch genoemd, zoû geven, dat hij dan wel +dadelijk stil zoû zijn. Maar in de duisternis van het ledikant huilde +het kind zóo erg, dat Mathilde het aan haar ooren niet uit kon houden en +het dadelijk aan Marie te-ruggaf. Tweemaal per dag kwam de dokter, die +altijd heel veel leven maakte, allerlei raad gaf en stadsnieuwtjes +zonder einde te vertellen had. Jozef ging 's ochtends voor een paar uur +naar 't kantoor, maar was overigens zijn meeste uren in de ziekenkamer, +tusschen de wieg en het ledikant zittend, angstige blikken over Mathilde +gooyend, ongeduldig en mis-moedig, haar zóo dikwijls vragende of zij nog +geen beterschap voelde, dat het scheen, als wilde hij dáar-door de +ziekte doen wijken. Hij had zelf Mathilde met de medicijnen willen +helpen, inschenkend en aangevend. Elk half uur hoorde men hem het +fleschje en den lepel bewegen. Hoeveel druppels ook weêr, mompelde hij, +en noemde dan het aantal. Na dat zij den medicijn had ingenomen, staarde +hij Mathilde aan soms, over het bed gebogen, als moest er een +onmiddellijk uitwerking zichtbaar worden. + +Maar al gauw werd het Jozef te bar uren achtereen in de duffe atmosfeer +van de ziekenkamer onbewegelijk, stilzwijgend, hoorend allerlei vieze +geluiden, met die doffe drukte om hem heen, te wezen. En hij ging +wandelingetjes doen buiten, over de grachten, in de frissche lucht. Eens +kwam hij Hasman tegen, die hem toch al een visite had gemaakt. Hasman +wist hem meê te krijgen naar de club. Maar Jozef was de oude niet meer. +Hij kon niet meer zoo lachen, niet meer van die geestigheden zeggen, zoo +als vroeger. Eindelijk hield hij zich heelemaal stil aan het tafeltje, +waarom zij zaten, en wilde heen. Hij moest naar zijn vrouw, hij moest +naar de ziekenkamer. Wie weet wat er gebeurd kon, zijn, juist nu hij +wech was. Jozef had geen rust, als hij niet bij 't ledikant zat, en, +daar eenmaal zijnde, verveelde hij zich onbegrijpelijk erg. In een +middag, dat hij weêr zijn gapen moest onderdrukken, slenterde hij de +trap af naar beneden en ging zitten lezen. De glazen kast stond daar, +vol boeken, en zijn glansende schrijftafel, nog bijna ongebruikt. Eens +hield hij het zoo een vol uur uit. Toen kwam Marie: + +--Meneer, mevrouw heeft zoo'n pijn. Zij laat vragen, of u even boven wil +komen. + +In een zucht sloeg hij het boek dicht. + +--Och ... Jozef ... Jozef ... kom hier ... zeî Mathilde. + +--Maar wat is 'et dan? vroeg hij. + +--Zoo'n pijn, zoo'n pijn! hier ... + +--Waar? in je rug? + +--Nee hier,.... overal ... onder mijn borst ... en dan zoo'n akelig gevoel +in mijn hoofd ... Net of er allemaal geronnen bloed in mijn achterhoofd +zit ... En dan zoo'n pijn in mijn beenen. Mijn beenen zwellen op ... Ik +weet 't niet, wat 't is. Mijn heele lichaam is ziek. Kom eens hier, buig +je nog eens naar me toe. + +--Wat dan? Wat woû je dan? + +--Ik woû je een zoen geven. Och toe, och toe, blijf bij me zitten. + +Voor een halfuur was Jozef er weêr aan vast. Eindelijk besloot hij dáar +een boek meê te brengen en de kranten. + +Jozef wende er zich weêr aan, van éen uur 's middags af, voortdurend +thuis te zijn. Hij deed zijn schoenen uit en schoof door het huis op +pantoffels, als een ziekenoppasser. + +Een paar weken later, mocht Mathilde uit haar bed komen en in de +slaapkamer opzitten. + +Voor een van de kleinere kastjes, dat naar de logeer kamer was gebracht, +was een boeken-en teekenkast voor Mathilde, in de plaats gekomen. Een +van de dingen van haar ziekte was een lammerigheid van haar beenen, +waardoor zij niet kon loopen. Een uur per dag maar ging zij uit haar +kamer, dan werd die gelucht. Het sombere licht dat door de binnenplaats +hier binnen-stootte was het eenige waar haar oogen nog tegen konden. Uur +aan uur zat zij daar dan te lezen of wel te teekenen. Voor de groene +tafel in een donker-grijzen, met donker-rood afgezetten peignoir, heur +haren tot een zware vlecht samengebonden onder een donker-grijs, met +donker-rood afgezet mutsje, haar slanke linkerhand waarvan alleen de +duimtop door het porceleinen palet zichtbaar was op de tafel, met drie +penseelen er dwars uitstekend. In haar rechterhand had zij een penceel +of potlood en ze teekende en kleurde. Haar gezicht was erg vermagerd en +als de grove hand van de goedige Marie niet een zilveren lepel vol +licht-geel vocht, van het, nu overvolle, apotheekkastje naar haar +toekwam en ze haar hoofd in de hoogte deed, dan zag men hoe haar oogen +waren ingevallen, hoe de eerste eigenlijke rimpels op haar jong gezicht +waren, hoe in-mekaâr gezakt ze zat. Ze ging meestal om acht uur naar +bed, en stond om elf uur 's morgens op. Vooral 's nachts had zij veel +pijn en benauwdheden, zoo dat zij niet kon blijven liggen en de kussens +hoog achter haar werden opgestapeld. + +Toen Jozef haar voor 't eerst weêr eens vlak bij het venster, onder vel +daglicht zag, schrok hij. Zij merkte 't aan zijn oogen. + +--Ben ik zóo veranderd? vroeg zij. + +Hij vatte haar teeder bij haar schouders en zoende haar bleeke wangen. +Maar dien zoen voelde hij als op doode wangen. Onmerkbaar trilde er iets +in zijn oogen; er ging een koû door hem heen. + +--Je zult bepaald heel gauw weêr beter zijn, zeî hij. + +Zij gingen samen even zitten voor het venster, op twee stoelen vlak bij +elkaâr. Mathilde was nog in haar witte nachtgoed; haar gezicht was nog +witter. Er was een verlegen stilte. Jozef zat, een beetje naar haar toe +voorovergebogen, zijn eene elleboog op zijn been geleund, de handen +loshangend tusschen zijn beenen. Hij keek haar medelijdend en lief aan. +Haar blikken, vanachter een doffen glans van uitputting, zwierven door +de ruiten heen, over de zonnige plekken op de binnen-plaats, zonder +gedachten, in afwachting van wat hij zeggen zoû. Hij had iets: + +--Wil-je nu wezenlijk niet liever op de logeerkamer gaan en mij hier +laten slapen? vroeg hij, dan heb je ten minste nog een beetje afleiding +door het leven en alles wat er te zien is op straat. + +--Och nee, zeî ze, daar ben ik te zwak voor. Ik wil liever maar niets +zien ... het bevalt me hier 't best. + +Zij kuchtte stilletjes. Na een poosje, bewoog zij langzaam haar rechter +hand, streek er zachtjes meê over Jozets groote blanke hand, heen en +weêr, met haar dunne vingertopjes over het zachte vel, nauwelijks er aan +rakende. Toen zeî zij, met een bedaarde, klagendzachte stem, waar een +te-vredenheid in klonk, dat zij zoo met hem alleen was in haar ziekte: + +--Wat heb jij toch mooye handen! Eigenlijk veel te mooi voor een man. + +Daarna dacht ze weêr een tijdje. + +--Zie-je, zeî ze toen, als zeî zij het besluit van een lange inwendige +redeneering, het is onmogelijk, dat ik altijd zoo zoû blijven als ik nu +ben ... Een geluk, dat zoo groot is, kan niet in-éens uit zijn ... Ik zal +stellig weèr beter worden, heel zeker, ik weet 'et natuurlijk niet, maar +zie-je, ik voel 'et zoo, ik voel 'et. En je begrijpt wel, dat ik nu nog +vreeselijk veel meer van je hoû als vroeger, om ... hem, om Felix. + +Ze had dit gezegd, zonder Jozet aan te kijken, haar blikken mijmerig +voor zich uit; nu knipte zij haar oogen even snel dicht en deed ze naar +zijn kant weêr open, hem zóo vragend, hoe hij wel vond, wat ze daar +gezegd had. + +--Ja, andwoordde hij, stellig! Ik geloof 'et ook, bepaald. En, als had +hij zich nog niet krachtig genoeg uitgesproken: Daar is zelfs geen +sprake van, dat je niet beter zoû worden. Ik twijfel er geen oogenblik +aan. + +Mathilde zat achter in haar stoel, haar oogen neêr. Zij wreef met haar +rechter duim over haar linkerhand. + +--En Emilie Hartse is met Berlage getrouwd hè? vroeg zij, de woorden als +uit haar mond slepend. + +--Ja, ze zijn d'r gisteren geweest; ik heb hun kaartje beneden: meneer +en mevrouw Berlage-Hartse. + +--Hè, 't is een kokette, akelige vrouw, die Emilie, ik hou niets van +d'r! + +--Och! zeî Jozef verontschuldigend. + +Toen Mathilde dien avond om negen uur al lang in bed lag en alles rust +was in de kamer, terwijl het buiten onhoorbaar sneeuwde en de wind over +de binnenplaats aan de ruiten ritselde, zat Jozef daar nog altijd, voor +de tafel. De koeranten van den avond, een paar tijdschrift-afleveringen, +een boek, lagen voor hem. Hij las het Buitenlandsch Nieuws. Die Emilie +Hartse, mevrouw Berlage, was wel een aardig vrouwtje! Hij leî het blad +plat op tafel en streek de kreukels er uit om beter te kunnen lezen. Zij +was zoo vroolijk, zij was ook mooi, hij mocht haar wel. Hij las van de +onaangenaam-heden, die tusschen De Duitsche en Fransche regeeringen +aanhangig waren. Zij zouden nu in lang wel geen partijtjes kunnen geven, +waarop mevrouw Berlage zoû komen. Bismarck en Gambetta konfereerden door +bemiddeling van de ambassadeurs over de belangen van Europa. Hoe was het +mogelijk, dat zij dien dommen Berlage genomen had! In Rusland werd +dagelijks de vrees grooter voor uitbarstingen tusschen de joden en de +boeren. Zij had mooie rooye lippen, die Emilie. Het jonge Italië, dat ... + +--Ben je daar nog, Jos? kreunde fluisterend uit het bed. + +Jozef stond op. + +--Ja, wat woû-je, kind? + +--Mag ik een glas water asjeblieft! + +Hij gaf het en zoende haar klamme voorhoofd. + +--Probeer nou weêr te slapen, zeî hij, dat zal je goed doen. Ik ga nu +maar naar beneden nog wat lezen, dan heb je 't rustiger, en dan ga ik +ook naar bed. Wel te ruste! Tot morgen, misschien ben-je morgen wel +veel beter. + +--Ja, misschien; laat Marie met Felix nog eens hier komen, wil-je? + +Driemaal per dag kwam Marie, met het kind op haar arm, bij Mathilde; +Jozef ontmoette haar nu op de trap. Hij hield haar staande nam het kind +even van haar over, zoende het en ging verder. Alles was doodstil in +huis; alleen hoorde Jozef, toen hij in den gang kwam, eentonig de +keukenklok tikken. Hij veegde met zijn zakdoek zijn lippen af. Hij +zoende niet graâg zulke jonge kinderen. Die Marie is eigenlijk volstrekt +niet kwaad, dacht Jozef, een aardige meid! + +Toen Jozef het licht had opgestoken in de achter-kamer, en een boek, een +roman in een kalfslederen band gebonden, uit de kast wilde nemen, steeg +er plotseling een woede, de uitbarsting van een lang onderdrukt +ongeduld, in hem op. Hij maakte groote stappen door de kamer. + +--Dat duurt nu al maanden, zeî hij luid, het gaat niet meer, ik weet +niet, wat ik doen zal. + +Hij stak een zwaren cigaar op en bleef beweging-loos en dommelend den +heelen avond zitten. Een verzet was in zijn hart ontstaan. Hij verveelde +zich onhoudbaar. Het ging toch ook werkelijk niet op den duur! + +Gedurende de volgende dagen, dacht Jozef, koud, met zijn rede en zijn +gevoel van wereldsch mensch, na over zijn vrouw en zijn kind. Zij ging +erg achteruit. Wat moest er in Gods naam van komen? 't Was wel aardig +geweest, even na de geboorte, het denkbeeld van zijn eigen kind te +hebben, een voortbrengsel van zijn liefde, maar nu, een klein leelijk +rood, onooglijk, schreeuwend wicht, neen! 't was alles behalve +pleizierig. + + * * * * * + +Langzaam verstreken maanden. Mathilde bleef 't zelfde. In dezen tijd, +kon zij eens 's avonds niet in slaap komen. Zij had dien middag +onwillekeurig een paar uur gedommeld, en lag daarom nu wakker. Zij dacht +dat zij een beetje de koorts had. Haar oogen, wijd open, staarden naar +boven, naar den groenen hemel van het ledikant, zwartgroen in de zwakke +schemering van het nachtlicht, en die in stijve plooyen zich in een +middenpunt, een rozet, samentrok, waaruit een beddekwast nederdaalde, +roerloos als de slinger van een stilstaande klok. Het felle wit van het +dek, dat zich als harde sneeuw, over en om haar heen spreidde, +schreeuwde tegen de duisternis, scheen naar boven te dringen en stapelde +zich op, als een koude massa, midden in de zwarte tinten. Mathilde +dacht ... en bewoog haar lippen of streek er met haar tong tusschendoor, +van pleizier van zoo te liggen denken. Het suisde door haar hoofd; er +was een ijlheid in haar hersens. Haar zieke gestel gaf haar gedachten +een bizondere scherpte en levendigheid. Terwijl een nattigheid door haar +oogen sprankte lispte zij, en er ging iets droogs, iets kramperigs door +haar verhemelte ... O Jozef! ... o Jozef! ... Zij bewoog haar eene voet +even en schikte haar armen in een gemakkelijker rust op het bed, om nog +inniger en uitsluitender aan dat ééne onderwerp te kunnen denken. Zij +dacht er over, wat zij allemaal zouden doen, als zij weêr beter was. +Heerlijk! Heerlijke jaren zouden er komen! Wat een gelukkig en benijd +drietal zouden zij zijn! Zij had dat al zoo dikwijls gedacht, maar nooit +zoo hevig als nu. Zoolang zij alleen jonggetrouwden waren geweest, had +zij nog altijd iets gevoeld, zij wist niet precies hoe, maar als of zij +nog half en half niet getrouwd was, als of die man wel elk oogenblik +heen kon gaan, niet dat dat gebeuren zoû, maar dat 't ten minste +mógelijk was. En ook zoo voor de menschen. Als zij en Jozef menschen +ontmoetten, bij hun aan huis of op straat of bij anderen, dan was er in +'t "dag, meneer, dag, mevrouw" of in het "dag, Jozef, dag, Mathilde" +iets als of de menschen op dat oogenblik den indruk kregen van twee +alleenstaande wezens te ontmoeten, twee op zich zelf staande menschen, +die wel innig aan mekaâr verbonden waren, maar toch maar met hun tweeën +waren en elk oogenblik ieder een anderen weg konden gaan. Maar nu niets +van dat alles meer. Nu was zij niet alleen heelemaal vrouw, een jonge en +gepozeerde vrouw tegelijk, maar nu waren ze, zoo dacht zij, nog meer éen +samen, zij hoorde nog veel meer dan vroeger, ook voor de menschen, +onafscheidelijk bij mekaâr. Zij waren niet meer jonggetrouwden, neen, +hij was de vader, zij was de moeder. En wat een vreeselijke +heerlijkheid, op straat en overal in 't openbaar met elkaâr te zijn en +dan de menschen te zien of te hooren zeggen: "dat is de jonge mijnheer +en mevrouw van Wilden, ze zijn drie jaar getrouwd zoo wat, zij hebben +éen kindje, een allerliefste jongen". Maar, dat alles daargelaten, wat +zouden zij een stil en heimelijk geluk met hun drieên hebben in huis! +Hij daar, zij hier, en Felix in 't midden! Neen, maar 't was waar ook, +zij had volstrekt, na de geboorte niet al die ellende, over dit groote +geluk nog niet in onderdeelen nagedacht. En, terwijl de koude, als een +vale nevel, door de kamer, door het ledikant en over haar heen zweefde +en haar gezicht doortrok, bleef dat gezicht maar liggen staren naar +boven, en voelde Mathilde een warmte in haar oogen en in haar mond als +stroomde het geluk over en wilde naar buiten, dat, als een eindeloos +zacht zilveren vocht, door haar heele lichaam vloeide. Een enkele maal +wreef zij, onder het dek, haar handen tegen mekaâr van de eenzame +zaligheid, die haar zoo vervulde. Heerlijk! zij zag zich al weêr, +genezen en gezond, beneden in de huiskamer zitten, Jozef tegenover haar, +Felix op een hoogen kinderstoel, een rood puntje aan zijn neusje, twee +heele groote oogen, lachend, juichend, met zijn handjes bewegingen van +vreugde makend, tusschen hen in. Jozef aaide de wangetjes van het kind, +sneed het voor hem bestemde sneêtje brood zonder korst aan kleine +stukjes, gemakkelijk om in de melk te soppen. En Jozef keek dan +glimlachend naar haar, om te vragen, of ze het zoo niet goed vond, en om +dan samen van liefde te lachen, samen begeesterd door het jongetje, die +nog niet spreken kon. Liet Felixje iets op den grond vallen of morstte +hij, dan stond zij op om hem te helpen, en stopte hem met haar vinger +een stukje geweekt brood in zijn mond. Daarna zoû ze bij voorbeeld aan +Jozef vragen, of hij nog een kopje thee woû hebben. Hij zoû haar zijn +kopje overreiken en hun vingers zouden elkaâr aanraken boven de tafel, +voor het kind heen. Die kleine aanraking, hoe onuitsprekelijk gelukkig +zoû dat zijn! Zij die hem zoo goed kende, zij, die alle dag in de +innigste aanrakingen met hem geleefd had, verheugde zich nu al als op +iets buitengewoons, in het vooruitzicht van die aanraking van hun handen +boven de ontbijttafel. Ja, want dat zoû daar dan haar familie, haar +familie zijn. In háar huis, met háar man, met háar kind, zoû zij daar +zitten, aan haar levensdoel, tot het leven gekomen voor altijd. + +Er kraakte iets in de kamer. Het woei buiten. Een huivering ging door +het behangsel, het nachtlichtje bewoog, spatte even, langzaam verroerden +zich de zwarte schaduwen; een ritseling ruischte over de vloer laag +langs de kasten en stoelen. + +Was er iets? neen, er was niets. Mathilde kuchte van gerustheid. Zij +kuchte nog eens, langzaam, in haperende schorre tikjes. En het was of +zegenend de duisternis, in een dikken vlokken-mantel en de koude, als +oneindig veel scherpe sprietjes, haar naderde, om haar heen viel, haar +aaide en met haar geluk samen was. Toen dacht Mathilde aan dien eenen, +dien eersten grooten nacht, waarin zij, voor haar open venster in het +oude huis, over Jozef had gedacht, na dat hij 's avonds van zijn liefde +had gesproken. In de verte, als een bevende, bleeke herinnering, zag zij +nu inwendig haar vader voorbij gaan, voorbij ... voorbij. Zij merkte dat +zij hem vergeten was. + +De koorts werd erger, en Mathilde sliep in, met droge lippen, dronken +van het denken. + +Den volgenden Zondagmorgen, heel in de vroegte, was de min met Felix in +de kinderkamer, boven de logeerkamer, voor het venster gaan zitten en +liet het kind naar den dag kijken. Zij hield hem vlak voor de ruiten. +Langzamerhand was het acht uur, half negen geworden, en Marie keek met +een groote belangstelling op de stille gracht, waar na enkele +melkboeren, die er met hun witblaauwe emmers aan de versch geschuurde +koperen haken langs de huizen waren gegaan, om hard aan te schellen en +de meiden, in hun nachtjakken en met halfdichte oogen, te helpen, de +haastige en ingetogen kerkgangers liepen. Het waren burger-mannen met +bloote handen, dik en grof, met schoenen glimmende in de morgenzon op +de droge straat, met glimmende heele hooge hoeden op het glimmende van +achteren heel dikke en kort in den hals afgesneden haar als geplakt; +met borstelige nekken; met lange, zwarte jassen waaraan éen dikke en +bengelende achterzak en de andere dof gevuld; met wijde broeken van +effen zwart laken of heele dikke met bruine strepen. Dan meiden met +leelijke gezichten, helder gewasschen. Enkele met kornetten onder hun +hoeden, die de meesten met bruine of zwarte banden onder hun kinnen +hadden gestrikt. Andere hadden verouderde dameshoeden op, met veren en +pluimen en linten in donkere kleuren. + +Maar vooral had Marie schik in de oogen van het kind op haar schoot. Zoo +groot, zoo bruin, zoo zuiver vond zij ze, en zoo verstandig al. Zijn +wenkbrauwtjes kwamen al aan, donkere streepen boven de oogen. Wat zag +hij er mooi uit in zijn zondagspakje, met rokjes met kantjes, met die +fijne kousjes met dat lieve blauw en witte doekje waar zijn bovenlijfje +in gewikkeld was! + +Juist hield Marie het kind weêr voor de ruiten en liet het dansen op +haar knie, een zacht liedje neuriënd toen de deur openging, en Jozefs +lichaam, hoog in den klaren ochtend, binnenstapte. Marie bewonderde hem, +met zijn lichtbruin haar, altijd zoo mooi geschoren, zoo mooi gekleed, +en zoo vriendelijk. + +--Goeye morgen, Marie ... + +Zij andwoorde hem niet rechtstreeks. Zij vond hem haar weldoener, om dat +hij haar, als ongetrouwde min, wel had willen nemen, toen zij juist niet +wist wat er van haar worden zoû. Zij was erg verlegen tegenover hem. + +--Fik, Fik, daar is vader en ze liet Fik, zoo als zij hem het eerst had +genoemd, dansen op haar schoot; maar zij zag Jozef niet aan. Het kind +lachte tegen vader en kraaide 't uit van de pret en bewoog zijn heele +lichaampje zoo als kleine honden tegen hun meester doen. + +--Zoo jonge heer! en hoe maakt onze jonge heer 'et? vroeg Jozef. Hij +boog zich over het kind heen en gaf hem met zijn mooyen wijsvinger op de +bolle wangetjes een tikje. Marie, die nu rood werd, keek maar al naar +het kind en lachte tegen hem en schikte zijn mutsje en zijn kleertjes +eens goed met haar rechterhand: + +--O, heel goed, vader ... niet waar, Fik? ... Heel goed!, en ze zoende +het kind gauw en zachtjes en hield haar oogen maar neêr. Jozef nam een +fauteuil en ging vlak bij hen zitten. + +--Hebben jullie al ontbeten? zeî hij en keek in Maries oogen. + +--O ja, meneer, ... vóor zevenen al ... en ze knipte met haar oogen, keek +hem even aan en toen weér gauw uit 't venster en trommelde met twee +vingers op de voetjes van het kind. + +--Kom, geef hem nou eens hier ... Nu moet vader em eens hebben ... + +Nu wist Marie met haar armen en met haar heele houding geen weg. Zij +vouwde haar handen samen en drukte ze tusschen haar knieën; dan weêr leî +ze op iedere knie een hand; maar toen zij haar bruine bij Jozefs blanke +handen zag, deed zij ze onder haar boezelaar. Nu keek zij Jozef wat meer +aan, die heelemaal met het kind bezig scheen. Maar als hij haar dan weêr +aankeek, gingen haar blikken langs de staalgravures aan den wand en van +de staalgravures op de stoelen en van de stoelen op het tapijt en van +het tapijt op haar schoot en van haar schoot door 't venster op de +gracht. Ze wist niet hoe 't kwam, maar nu stond in-eens het huilen haar +nader dan het lachen. + +--En hoe bevalt je nu op den duur je nieuwe baantje, Marie? + +--Ik dank u d'r nog altijd wèl voor, meneer ...; 't bevalt me heel best, +meneer ... + +--Nou, nou, je hoeft er niet om te huilen ... hoor eens Marie ... Hij had +haar het kind te-ruggegeven, was opgestaan en had zijn linkerhand in +zijn broekzak gestoken, met de rechter gestikuleerende ... zal je nu goed +voor mijn jongen zorgen? ... zal je? ... Kijk me eens goed aan ... beloof +je 't me? ... + +--Ja, meneer, zeker, zeker, ... ik beloof 'et u ... + +Toen ging Jozef langzaam wech. + +'t Was negen uur geworden. + +Nu kwam Dientje de werkmeid binnen met een dampende kop koffie voor +Marie. Dientje had een breeden mond, dikke lippen en alles verder in +haar gezicht was dik en klein; zij was leelijk maar goedig. + +--Hier, Mietje, zeî ze, koffie, ze is sterk, hoor, ... Pas op, bran je +niet. + +Het kind lag in Maries rechter arm en met den linker slurpte ze de heete +koffie. + +--Doet je dat nou geen goed, mensch? Ja, koffie, dat is altijd een +heerlijke drank ... + +--Hoe laat drinken we koffie? vroeg Marie, terwijl ze den leegen kop aan +Dientje te-ruggaf. + +--Om twalef uur; ... je moet tegen 'n uur of ellef maar 'es met Fik naar +mevrouw gaan ... 't arme mensch. + +--Ja, wat is ze toch ongelukkig, hé? + +--Ze het wat uit te staan, hoor mensch, 'n ongeneesselijke kwaal, het de +dokter gezeid ... Nou, nou, 't is voor meneer ook een slag geweest hoor! + +Dientje was met haar handen haar boezelaar aan 't verfrommelen. Zij had +een groen japonnetje aan en een geur van schoon linnen bij zich. + +--Ja, zeî Marie, dat kan j'em dan ook nog wel aanzien ... + +--Och, hij houdt zooveel van mevrouw ... 't kon zoo'n best huwelijk +geweest hebben! Maar wat zal je d'r an doen, de mensch wikt, maar God +beschikt, zoo as ze zeggen ... + +--Ik zal nóu maar eens naar mevrouw toe gaan, zeî Marie. + +Mathilde zat op een leuningstoel aan de tafel, bij het raam. Haar +teekengerei stond vóor haar. Zij steunde haar hoofd op haar hand +en tuurde. + +--Binnen!, zeî ze, ... zoo, Mietje, ... + +--Hier is Fik, mevrouw ... Hij is al-door heel zoet geweest. + +--Geef 'em maar 'es hier, ik hoop dat ik 'm zal kunnen houden. Mathilde +schoof zich met éen voet wat van de tafel en met een inspanning zette +zij het kind op haar schoot en gaf hem flauwe zoenen. Zij hield hem lang +tegen zich aan gedrukt, in een stilte, en had hem lief, met groote +starre oogen. Zij had juist nu het gevoel van den dood, zoo als zij het +dikwijls had tegenwoordig. Haar gezicht, in een ernst die het +verouderde, dacht aan de toekomst. Zij had smartelijke gedachten, die +zij aangenaam vond als mooye liedjes. Zoo zag zij altijd tegenwoordig op +de binnenplaats vogels, die hun jongen verzorgden en voedden in den +winter, in muurgaten, en zij vond pijnlijk dat zij dat haar kind niet +ook kon doen. Zij dacht, of Jozef Felix wel goed zoû opvoeden en er een +braaf en flink man van maken na haar dood. Toen werd ze moe, leunde meer +in haar stoel, gaf het kind aan Marie te-rug. + +--Zie zoo, dag mevrouw ... + +--Kom je dan om een uur of vier van middag nog eens te-rug, Marie? + +--Ja zeker mevrouw, zeker. + +Mathilde hield er niet van in haar tegenwoordigheid door de menschen +beklaagd en achter haar rug bepraat te worden. Daarom wilde zij geen +visites hebben. Altijd werden de kennissen wechgestuurd met de +boodschap, dat mevrouw belet had, dat mevrouw te ziek was. Mathilde +wilde alleen zijn met haar ziekte. Later, als ze weêr gezond en flink +zoû zijn, zouden de menschen haar wel weêr zien. De kennissen deden dan +vergeefsche pogingen en bleven ten laatste van zelf wech. Alleen Marius, +de kantoorbediende van Jozef, die anderhalf jaar geleden toen ook op hun +feestje was geweest en dat gedicht op het huwelijk had voorgedragen, +liet zich niet ontmoedigen, maar drong er onophoudelijk bij Jozef op aan +toch éens het voorrecht te mogen hebben mevrouw in haar ongesteldheid te +bezoeken. Jozef sprak er Mathilde een paar maal over. Eerst woû zij +niet. Waarom die jongen eerder dan een ander? Jozef verhaalde dan, dat +Marius gezegd had, dat hij hoopte mevrouw, die zich wel erg moest +vervelen, misschien wat afleiding te kunnen bezorgen. Hij meende gemerkt +te hebben, dat het in der tijd door hem voorgedragen gedicht mevrouw wel +een beetje bevallen had; nu kon hij haar misschien nog iets voorlezen, +of zoo. Mathilde lachte hij dat idee. Waarom hield die Marius toch zoo +aan? Wat had hij toch? Had hij dan zoo'n medelijden met haar? +Goeye jongen! + +Een dinsdag-middag na de Beurs werd Marius toegelaten. Onhoorbaar, als +met een vinger van was, werd er op de deur van de ziekenkamer geklopt. +Binnen! De kruk van de deur bewoog aarzelend en opende zich zoetjes met +het geluid van een haastig, herhaald voeten-vegen. Zijn blonde hoofd een +beetje gebogen, in zijn daagsch jasje, een breede versleten zwarten das +onder een schoonen aan den hals rafelenden boord, kwam Marius met een +linkschen stap binnen. + +Mevr ... hij kuchte, ... mevrouw, ik ben zoo vrij, om ... + +--Ik dank u wel voor uw belangstelling, meneer Marius, gaat u even +zitten. + +--O, ... mevrouw ... + +Uit verlegenheid ging hij, langzaam neêrzijgend op een stoel, zich +schamend en rood wordend over een gaatje in zijn schoenen, vlak bij +Mathilde zitten. + +--Ja, mevrouw, ik woû eens komen vragen, hoe het met u gaat ... u is +altijd zoo lief en goed voor ons geweest, mijn zuster zoû ook wel komen, +als zij mocht ... + +--Ja, meneer, u begrijpt, ik heb veel rust noodig, en ... + +Hij viel haar in de rede: + +--O, mevrouw, maar ik zal heel zacht spreken, ziet u, ik begrijp heel +goed, dat u het anders ... als men ziek is, niet waar, dan hindert de +minste kleinigheid. + +De zin was er uit. Hij werd gloeyend rood om dat hij dat alles zoo juist +achter elkaâr had gezegd. Hij wist niet wat hem overkwam om zoo +plotseling met haar alleen te zijn. Hij trok zijn, van versletenheid aan +de randen scherpe, manchetten over zijn handen tot aan den ondersten +duimknokkel, dat hem pijn deed, om dat zijn handen daar ruw-rood waren +van den winter. Met zijn groote, wijde, licht-blauwe oogen, met in 't +midden van de appels een goud rontetje, iets als een verren vonk, bekeek +hij haar verwonderd, terwijl de verlegenheid van zijn voorhoofd tot +onder zijn haar steeg. Zij zag hem rustig aan en keek dan weêr naar het +handwerkje, waarmeê zij bezig was. + +--U is erg vermagerd, u moet veel hebben uitgestaan, zeî hij snel en +lachte bedeesd. + +--Ja, meneer, maar ik hoop, dat het nu gauw beter zal gaan. + +Hij keek om zich heen door de kamer, zonder iets te zien, als om zich te +bedenken. Daarna zeî hij luid: + +--Kan ik niets voor u doen? + +--Ik dank u wel, meneer, u is wél goed, maar nee, ik dank u ... ik heb +eigenlijk weinig noodig. + +Zij hielden zich allebeî stil. Mathilde begreep, dat zij nog iets zeggen +moest. Zij liet haar werkje even op haar schoot liggen en zeî, met een +welwillenden trek in haar gezicht: + +--Mijn man is erg te vrede over de bezigheden op het kantoor, ... ook erg +over u ... + +--O, mevrouw, andwoordde Marinus verontschuldigend. + +--Ja, zeker, hij zegt, dat u het beste werkt van allemaal. + +--U zit hier zoo zonder veel zon en 't is zoo stil op de +binnenplaats, ... mevrouw. + +--Ja, meneer, maar dat is juist het eenige, waarbij ik het kan +uithouden. Veel licht en veel leven hindert me. + +--Kan ik niets voor u doen? vroeg Marinus weêr, iets voorlezen, +bijvoorbeeld? + +--Ik wil zelf heel graâg iets lezen, als u mij iets leenen wil; +voorlezen zoû mij wezenlijk wat te veel vermoeyen. + +--Mag ik u dan nog eens iets komen brengen? + +--Heel graâg ... maar, wil u ook iets drinken, een glaasje port of zoo, +het is hier wel een treurig verblijf, waar als u wil ... + +Marinus stond op en, denkend te doen zoo als het hoort, bracht hij zijn +stoel een eindje verder tegen den wand, waar die nooit stond. + +--Nee, mevrouw, ik dank u wel, zeî hij, maar ik moet weêr wech, ... u +heeft ook rust noodig. + +--Nou, meneer, dan hoû ik me aanbevolen voor als u eens te-rug wil +komen. Troost en medelijden doen altijd goed. + +Zij stak haar hand naar hem uit. Hij nam die half, daar hij er niet te +ver in durfde gaan. Hierop boog hij tweemaal telkens op grooter afstand +van Mathilde. Hij schopte in zijn verwarring tegen de deur, waar een +klein butsje in kwam, en zeide: O, neem mij niet kwalijk, vaar wel, +beterschap, mevrouw, beterschap ... dag, ... mevrouw. + +En zijn blonde, hoog stijgende haar verdween plotseling uit de kamer. + + + + +XI. + + +De dokter en de twee professoren hadden gezegd, dat zij niet goed +wisten, wat eigenlijk de ziekte van Mathilde was. De geluiden, het +suizen in haar ooren, de opvloeyingen van het bloed naar het achterhoofd +en de hartkloppingen, waaraan zij leed, bewezen, dat zij iets aan het +hart had, waarschijnlijk een vergrooting, waarmede zij geboren was, maar +die na de bevalling zich pas ernstig openbaarde. Maar zij scheen ook een +kwaal in het ruggemerg te hebben; zij had hevige pijn in den rug en +zakte dan in-een, zonder recht te kunnen zitten. Er deed zich nog een +derde verschijnsel voor: soms, tegen het einde van haar korte daagjes, +als het weinige opzitten haar al zoo vermoeid had, vertoonden er zich +zwellingen in haar beenen, tusschen de knie en de enkels. Dit was +het water. + +--Waar zijn uw ouders aan gestorven? had de dokter eens, brutaal-wech, +gevraagd. + +--Mijn moeder had iets aan haar hart, heeft mijn vader mij altijd +verteld; waar hij-zelf aan gestorven is, weet ik niet precies. + +Mathilde werd zoo zwak, dat zij dikwijls weder dagen achter-een in bed +bleef, zonder kracht, zonder lust om op te staan. Zij steunde zich met +een appart hard kussentje in den rug, als zij overeind kwam om een +beetje te eten. De dokter had gezegd, dat zij den aanstaanden zomer maar +naar Scheveningen moest gaan; daarna had hij weêr van een hooge, een +fijne lucht, het Gooi, gesproken. Jozef hield niet veel van buiten. +Tegen den zomer, had hij gezegd, zouden ze er nog wel eens over spreken. + +Maar de kongesties naar het hoofd werden erger; zij veroorzaakten een +bedwelming, met allerlei schemeringen, Nauwe en groene en gele kringen +en vlekken voor Mathildes oogen. Als middel daartegen werden onder +anderen eerst kompressen met karbol, later met ijs gevulde blazen, die +verkoelden, gebruikt. Als het akelige stijgen van het bloed haar al te +veel overweldigde, greep Mathilde zelf een brok druipend ijs uit het +koperen emmertje, dat bij het ledikant stond, en drukte het stuk op haar +haren, dat haar vingertoppen rood en blauw werden van koude tinteling en +het water tappelings haar hoofd af in haar hals sijpelde. Maar Jozef was +hier een ware hulp in den nood. Heel handig wist hij haar te helpen. Met +zijn slanke, mooye vingers, kon hij de kompressen hanteeren, of haar met +zijn ééne hand recht-overeind houden en met de andere het ijs op het +hoofd drukken. Hij wist heel precies hoe hij haar moest behandelen, waar +hij haar moest aanraken, om haar geen pijn te doen. + +Eens op een ochtend kwam hij binnen. Mathilde lag nog in bed. Hij hield +een kleinen al opengemaakten brief in zijn hand. + +--Thilde, ben-je wakker? + +--Ja, wat is 'et? + +--Groot nieuws. + +--Wat dan? + +--Berlage is gister-avond gestorven. + +--De ouwe heer? + +--Nee, nee, Louis. + +-Och, heer, hoe is 't mogelijk! ... Hoe is dat zoo gekomen ... Nu is +Emilie ook gauw weduwe. + +--Ja, hij moet een ongeluk hebben gehad. Ik heb hier een briefje van +Emilie; waaraan hij gestorven is, zegt zij niet. + +--Ga dan maar dadelijk een visite maken ... + +--Ja, vin-je ook niet? Dat had ik ook gedacht. + +--Doe mijn komplimenten, hoor! Zeg, dat ik erg medelijden met d'r heb. + +--Ja. Wil ik je nog eerst even helpen? + +En hij verzorgde haar nog even vóor hij wechging, schikte de kussens +goed, gaf haar in, deed alles met ijver. + +Mathilde was dien ochtend als lam wakker geworden. Zij had een +onbegrijpelijk moe gevoel door haar hele lichaam. Toen Jozef te-rug was, +zeide hij: + +--Ze is nog al niet erg gedrukt onder haar verlies. Er is hem op straat +iets overkomen, een beroerte. Na den eten was ie gaan wandelen in het +Vondelpark ... en ze hebben zijn lijk thuis gebracht. + +--Hè, God, dat is verschrikkelijk! ... En ze is niet éens erg bedroefd? +Hè, ik ijs er van als ik er aan denk.. 't Is toch een vreeselijke vrouw, +die Emilie ... Ik geloof, dat ze niets geen hart heeft. + +--Ja, maar hij, denk eens aan hem. Hij is er 't minst pleizierig an toe. +Zoo jong te sterven. 't Is wel erg. + +--Ja, maar je weet niet hoe of me dat hindert, dat je zeit dat ze nog al +gelaten is ... Ik vin 'et onmenschelijk! Hè, ik ril er van ... Kom eens +even hier. + +Zij sloeg haar zwakke armen om zijn hals: + +--Jij zoû heel anders zijn als ik stierf, hè? + +--Wat een vraag ... En wat een gedachte! + +Gedurende eenige minuten omhelsden zij mekaâr. + + * * * * * + +Drie dagen later zat Jozef, nadat hij alleen op het zaaltje gegeten had, +in de binnenkamer, waar de groote glazen boekenkast stond, te rooken. +Hij leefde nu al maanden akelig en naar. Dat kon niet langer. De trek +naar al zijn jongeheeren-pleizieren van vroeger kwam dagelijks weêr meer +in hem op. Wat had hij er in 's hemelsnaam aan gehad om te trouwen! Ja, +hij had een geregelder en maatschappelijker leven willen gaan leiden. +Zijn te lang durende jeugd had hem verveeld, hij was verliefd geweest, +ja, en toen was hij getrouwd. En nu, daar zat hij nu, verlaten als een +kluizenaar in een woestijn in zijn huis! Wat had hij nu? Een +waarschijnlijk voor-goed zieke vrouw, van wier zuchtende en machteloze +liefde hij nu al meer dan genoeg had, een klein schreeuwerig wicht, dat +hem niet eens nog kende, met niets dan last en geen-een genoegen. Zijn +hersens dorstten naar het rumoer van de straat, naar hel verlichte +zalen, naar onverschillig eeuwig-grijns-lachende vrienden-gezichten. Hij +had een gevoel alsof het tegenwoordige leven hem langzamerhand heel +uitpompte en verdoofde. Hij maakte er zich driftig over. Hij was toch +waarachtig niet van plan als een oud stil heertje nu verder door te +leven tot alles gedaan zoû zijn! Hij keek denkend, zich bezinnend, in de +rondte, en zag alles leêg en levenloos in de kamer. Het gas wilde niet +eens branden. Dat was ook een ellende met die gasfabriek tegenwoordig! +Hij zoû morgen weêr reklameeren. + +Wat zoû hij nu doen? Hij nam in Gods naam maar een boek: een +geïllustreerd werk over China. Het verveelde hem. Hij sloot het dicht. + +Een week later, toen hij in de ziekenkamer de koerant zat te lezen, +zeide hij: + +--Zoû je 't naar vinden, als ik weêr eens uitging? + +--Wat bedoel-je? + +--Zoo 's avonds naar de opera of zo.... een enkele keer ... zie-je. + +--Welnee, Jos, ik heb 't je immers zelf wel 'es gevraagd, dat te doen, +ga gerust, dan heb je een beetje afleiding. + +Hij ging. Gedurende zijn afwezigheid was Mathilde bedroefd en bang, om +dat zij zoo alleen in huis was. Maar zij wilde er zich met kracht en +geweld tegen verzetten. Wel was 't haar goed, terwijl zij daar +machteloos en ziek lag, te weten dat hij dáar was, dáar haar +liefhebbende, hem daar onophoudelijk en vlak bij haar te voelen, altijd. +Maar zóo kon 't niet altijd blijven, zij wist 'et wel. En daarom was 't +maar goed, dat hij gegaan was, heel goed. Hij had wezenlijk niet aan +haar verdiend, dat ze hem zich nu zoo liet dood kniezen in den duffen +dampkring van haar slaapkamer. Een bewustzijn sloop nu haastig bij haar +binnen, dat zij schuld had aan haar ziekte. Zij verweet zich-zelve hun +beider ellendig bestaan van nu. Waarom was ze ook ziek geworden? Waarom +was zij ook in bed gaan liggen? Kom, het was misschien maar gekheid, +maar inbeelding. Wanneer zij zich er toe dwong, zoû ze misschien op +kunnen staan en in eenige dagen weêr gezond zijn, door dat sterk te +willen. Hij zoû dan niet alleen uit hoeven te gaan. Zij zoû altijd en +overal hij hem zijn, hem altijd, altijd vergezellen, zoo als het hoorde. +Zij wilde het dadelijk probeeren. Kom, het ging al. En, aan haar dwazen +inval toegevend, richtte zij zich met geweld op, door den steun van haar +armen. Krachteloos viel zij weêr neêr en lag van zwakte half te slapen +toen Jozef thuis kwam om twaalf uur. + +De kongesties, die naar Mathildes hoofd stegen, hielden nu zoo aan, dat +er soms een half uur achter mekaâr telkens nieuwe ijskompressen op +gebonden werden. Den eersten avond dat 'et gebeurde, deed de heftige +reaktie Mathilde zoo'n pijn en had zij zoo'n duizeling, dat zij met haar +handen de kompres naar beneden rukte, die Jozef voorzichtig op haar +hoofd had gelegd. In 't vervolg lieten zij nu Marie er ook bij komen, om +te helpen. + +Het was zeven uur in den avond. Jozef had, om zich van zijn groeyende +verveling te verstrooyen, aan tafel twee halve fleschjes fijnen, zwaren +wijn gedronken in plaats van éen. Mathilde zat op in bed, in een hevigen +aanval van hartklopping en koortsige bloedstijging. Haar gezicht was +lichtelijk rood gekleurd, haar oogen gloeiden, zij beefde sterk. Marie +stond rechts van het breede ledikant, aan den deurkant, Jozef stond +links, in het doorgangetje, tusschen het ledikant en het behangsel. Zij +hielpen Mathilde, schikten het beddegoed, deden haar nachtjapon goed, +werkten met de kompressen. Het lamplicht schoot telkens over Marie heen, +als zij weêr recht op ging staan en haar armen naar zich toenam, na over +het bed heengebogen te hebben, bewegingen makende, tastende om mevrouw +bij te staan. Jozef keek naar Marie, zoo als zij dan telkens in +blank-gele en licht-roode tinten door de lamp beschenen werd en zich dan +weder in de groenige duisternis van het ledikant bewoog. Een vreemde +lust beving hem. Hij voelde een komende stormwind opruischen door zijn +leden. Hij opende breed zijn oogen en staarde, werktuigelijk doorgaand +met het strikken van de doek, waaronder de kompres boven Mathildes hoofd +vastgemaakt werd. Marie hield met haar twee handen het hoofd stil en de +kompres er op. Jozef maakte den strik. Dan raakten zijn vingers Maries +pols. Een sekonde bezat hij zich zelf niet meer. De strik viel los. Hij +had met zijn hand Marie aangevat. Hij drukte zijn vingertoppen tegen +Maries arm. Marie schrok hijgend, verrast, wilde haar hand te-rugtrekken. + +--O, God, ik kan niet meer! zuchtte Mathilde, die in haar kussen +te-rugzonk. + +Oogenblikkelijk was Jozef weêr bij zijn zinnen. + +--Wat doe je nu toch, Marie? zeî hij, je houdt de kompres niet goed +vast. + +Marie liet niets merken en de kompres werd vastgestrikt. Marie had niets +begrepen; zij had zich zeker vergist, dacht zij. + +Mathilde had alles begrepen. Toen zij alleen was, bekende zij het +zichzelf. Haar gemoed was verbrijzeld. Zij begon met wezenloos rond te +zien en met haar handen haar hoofd te betasten. Hierop moest zij zich +langzaam, zoetjes aan, rekenschap probeeren te geven van wat er gebeurd +was ... Jozef stond dáar, Marie dáar, er was iets tusschen hen gebeurd. +Hij had haar aangeraakt. Hij was haar, Mathilde, ontrouw geweest. +Ontrouw? Ontrouw? Ja, dat was het woord, waarmede zij dikwijls in boeken +de handeling had genoemd gevonden, die Jozef nu daar-zóo tegen haar had +gepleegd. Neen, hoe was het ook weêr gegaan? Die man, wat toch "die +man"? Het was toch Jozef geweest! ... Jozef! ... Jozef! ... Een man had +daar gestaan, was met zijn hand over haar heen gegaan ... Een man ... O, +God, o, God, waar ben ik? wat is er! ... Ik word gek!... Wat was dat toch? +Een vreemde wind uit de hel, die voorbij is gegaan ... Er is iets wech, +er is iets van me wechgegaan! O, God, waar is 'et, waar is 't gebleven? +Er is iets leêg geworden, hier, van binnen in me, in-eens, heelemaal, +'t is wech, wech, mijn leven is wech ... voor altijd wech ... + +Als een krankzinnige sprak Mathilde luid in de eenzaamheid. Zij was +zonder het te weten uit haar bed opgestaan, en rilde over de vloer, +op haar bloote voeten. Zij wandelde door de kamer en bevoelde de +voorwerpen, om te weten of zij bestond. Zij ging zitten op een stoel, +als om bedaard over de een of andere zaak na te denken, die haar +bezig-hield. Zij stond weêr op en deed allerlei onverschillige dingen, +alles vergeten hebbende, als of zij plotseling, in een minuut, in een +andere vrouw was overgegaan, een gewone vrouw, die niets deerde, en die +de zaken van haar huis in orde schikte. Haar angst was volkomen; daarom +leî ze haar peignoir goed, die van den rug van een stoel was afgevallen, +bekeek de kleine dingetjes, die zij, als zij naar bed ging, altijd uit +de zakken van haar japon nam en op de tafel leî: een notitieboekje, een +goud potloodje, een speldekussen, bekeek ze een voor een, alsof het +geheimzinnige onbekende zaken waren, voorwerpen uit een andere wereld, +bekeek ze met een koel-opmerkzaam gezicht. Hierna ging zij bij de tafel +zitten, haar eene hand in haar haar, de andere onbewegelijk op haar +schoot. Als een van mensch tot beeld bevroren wezen, bleef zij roerloos. +Haar oogen knipten snel heen en weêr. Zij herkende de plaats niet, waar +zij was. Het scheen haar, als was ze daar plotseling in een kamer +neêrgegooid van een pas nieuw getimmerd huis, dat nog wrak stond, waarin +de wind vrij speling had, dat elk oogenblik in kon storten. Zij was +alleen, heel alleen. Zij sprak een taal, die niemant verstond. Zij +huilde tranen, en niemant wist waarom. Iedereen was haar vreemd; zij was +vreemd aan iedereen. Daar waren een massa menschen in de rondte, ver +beneden haar, die lachten en praatten, maar niemant, die haar zag. Die +man, die éene man, ging ook voorbij ... zij zag zijn achterhoofd ... hij +keek niet naar haar om. + +Nu begon Mathilde zachtjes te hijgen. Haar oogen draaiden dan naar +rechts, dan naar links over de tafel. Zij luisterde. Alles was stil. +Niet het minste gerucht steeg op over de trappen, naar boven. Allen +waren dus wechgeloopen en hadden haar alleen gelaten. Zij zag in haar +verbeelding Jozef de trap afgaan, hij keek niet, hij daalde altijd lager +de trap af, hij keek niet om; daar waren andere, onbekende trappen, die, +naar de laagte, voortdurend elkaâr opvolgden. Jozef daalde altijd +dieper, het werd klein, eng om hem heen; die trappen schenen in een +eindelozen koker in het diepste van de aarde uit te komen. De muren, die +om de trappen heen waren, werden grijs; een mist hing om Jozef heen. Hij +daalde voortdurend met denzelfden kalmen tred, zonder éens naar haar om +te zien, hij daalde, daalde altijd, Hij verdween in een ver-vreemd oord, +voor altijd van haar wech. Mathilde zag 't zóo duidelijk; daar, vlak +vóor zich, in haar onmiddellijke nabijheid. Zij had haar hand uit haar +haar genomen, en hield, met de elleboog op tafel steunend, haar hand, de +vingers wijd van-een, op eenigen afstand van haar over de figuren van +het tafelkleed brandende oogen, om haar verdriet te genieten; zoo als +een prentenliefhebber, die nauwkeurig een zeldzame plaat bekijkt. Daarna +stond zij op, ging bedaard weêr naar bed en sliep vast tien uur lang, +zonder éens wakker te worden. + +Mathilde zeî aan Jozef geen woord van haar ontdekking. Dat zij zoo +verbazend stilzwijgend werd, dacht hij dat van haar ziekte kwam. + +Mathilde beterde nu hoe langer hoe meer. De kwaal bleef, maar zij mocht +opzitten den heden dag, en kwam ten laatste zelfs beneden; maar den +eersten keer deed zij er vijf minuten over, om van de slaapkamer naar de +binnenkamer te komen. + + * * * * * + +In het begin van Maart was op verzoek van Jozef Emilie Berlage-Hartse op +de koffie gevraagd. Emilie voelde zich tegenwoordig zóo verlaten! In +haar rouwtijd kon zij niet uitgaan, zij, die zooveel hield van zich +overal in het publiek te vertoonen. Nu moest men haar zoo'n klein +pleiziertje aandoen, trachten haar een beetje te verstrooyen. Zooveel +práatte zij ook niet. Haar tegenwoordigheid zoû Mathilde niet vermoeyen. + +Jozef was weêr een tijd trouw thuis gebleven. Geregeld, als een +liefdezuster, stond hij Mathilde ter zijde. Hij had zich-zelf verwenscht +om dien éenen keer, dat hij Marie zoo had aangeraakt. Hij wilde het +boeten, en deed het. En vooral in deze dagen voelde Mathilde hoe vol +haar hart van hem was en wát zij leed. Het was twaalf uur. Tegen half +éen werd Emilie Berlage verwacht. Over de tafel lag een damasten servet +met franje. Twee karaffen, de eene met rooden wijn, de andere met blauw +en bleek water, stonden op zwarte flesschenbakjes met randen van +nagemaakt zilver, op de tafel. Een verlakte broodbak, met dof-gouden +ingedrukte bloemen en bladen, uit liet huis-houden van Mathildes vader +afkomstig, stond in 't midden. Verder zouden door Dientje twee warme +schotels op komforen worden binnengebracht; er stonden ook nog twee +schoteltjes met koud vleesch, éen met beschuitjes en éen met kaas. De +burgerlijkheid van de familie de Stuwen loste zich zoo op in de meerdere +voornaamheid, die door Jozef in het huishouden was gebracht. Mathilde +zat in haar ochtendjapon, haar haar zoo'n beetje opgemaakt, vóor de +tafel, botrammetjes te smeren. Jozef zoû zoo met-een van 't kantoor +komen. Dientje, met een ernstig opmerkzaam gezicht, kwam binnen om nog +'t een en ander in orde te brengen, te schikken: een vork, die zij naast +een bordje vergeten had, een vingerdoekje, dat scheef lag. Ook trok zij +herhaaldelijk, met een krachtige getemperde beweging van haar vingers, +aan den rand van de tafel, het servet naar zich naar zich toe, om de +rimpels er uit te krijgen. + +--Heeft u nou alles, mevrouw? vroeg zij. + +--Ja ... dan breng je het vleesch binnen, als wij beginnen, hè? + +--Jawel, mevrouw. + +Eer Jozef nog thuis was, kwam Emilie. Zij had wat borduursel beneden aan +den rok van haar effen zwarte japon. Zij was erg druk en erg lief. Al de +woorden, die zij gedurende de dagen van haar eenzaamheid niet had kunnen +spreken, daar zij niemant had ontmoet, stroomden nu uit haar mond. Hoe +aardig, hoe recht vriendelijk was 't van Mathilde, er aan gedacht te +hebben haar in haar droefheid een afleiding te bezorgen! En Mathilde-zelf, +hoe maakte zij het toch? Emilie had zooveel onrustbarende tijdingen over +haar gehoord, dat 't haar bepaald goed deed Mathilde eens in eigen persoon +te kunnen ontmoeten. Ging zij wezenlijk beter? Zoo, zoo! dat deed haar +ontzachlijk veel pleizier. Ja, de dood van den goeden Louis, Emilies man, +was als een plotselinge donderslag op haar neêr gekomen. Zij had zooveel +geschreid, dat zij geen tranen meer over had. 't Was iets verschrikkelijks +in den waren zin van het woord, zoo vroeg weduwe te worden Zij was bepaald +overstelpt geweest. Die goede Louis. och, die goede Louis! Wat bleef haar +nu over? Niets. Zij was alleen op de wereld. Dat was ook de titel van een +roman: "Alleen op de wereld!" had Mathilde dien wel eens gelezen? Zoo, +nooit? het was toch werkelijk een mooi boek. Wel de moeite waard. Och, +maar, aan zulke zaken dacht zij nu waarlijk in 't geheel niet. Zij +herinnerde zich het werk alleen van vroeger. Maar Jozef zoû het wel kennen. +Die beste meneer Jozef! Waar was hij? Zeker op 't kantoor? Ja, zoo'n +ijverig man. Altijd was hij in de weêr, van alles op de hoogte, voor alles +te vinden. Altijd tot dienst bereid. Iedereen hield veel van hem. Zij had +ook zeer geappreciëerd, dat hij haar zoo dadelijk na haar verlies een +visite was komen maken. Wat een mooi tafellaken had Mathilde hier! Zeker +nog uit den boedel van den ouden heer. Hoe aardig, van 't zelfde patroon +als de vingerdoekjes! Zij bleef voorloopig maar wonen in het tot nu toe +door haar man en haar bewoonde huis. Och, waarom ook niet? Het was wel wat +groot voor haar alleen, maar op die manier kon zij het meest en het best +in gedachte nog met den dierbaren afgestorvene verkeeren. + +Mathilde hoorde Emilie aan, zonder er iets tusschen te mengen, met +bleeke glimlachjes van bevestiging en deelneming, de ringen van haar +vingers op en neêr schuivend om Emilie niet bewegingloos aan te kijken. +Deze eerste rollende woordenroffel aan haar oor, na al de maanden van +stilte en afzondering, deden een hinderlijk gesuis in haar hoofd +ontstaan. Tusschenbeide voelde zij aan haar slapen iets kloppen, met +lichte tikjes. + +Toen Mathilde geen andwoord vond, wilde Emilie doorgaan. Zij had nog +duizenderlei dingen op haar hart, die zij behoefte had uit te storten, +maar juist kwam Dientje binnen, met het vleesch. + +Er was even onaangename stilte tusschen de dames, terwijl Emilie Dientje +bekeek. Mathilde zeide: + +--Je had 'et nog niet binnen moeten brengen, niet vóor meneer er was, +meende ik. + +Toen Dientje de deur open deed om weêr wech te gaan, hoorden de vrouwen +het sleuteltje van Jozef in het voordeur-slot bewegen. Met een slag en +een dreun, een lichte rilling van het voordeurglas en een kuch van +Jozef, trad hij door den gang. Zij hoorden nog het gemoffel van zijn +overjas, dien hij aan den kleerenstandaard hing, den stamp van zijn +paraplui dien hij daaronder zette. + +Emilies bovenlip en de gedeelten van haar gezicht om haar neus heen, +trilden onmerkbaar, zij keek, afwachtend, naar de kachel, die begon te +gloeyen, terwijl haar handen met haar zakdoek speelden. Een hoog +zongeschitter schoot van de binnenplaats af door het vertrek. Een +verfrissching huiverde door de kamer; langzaam, kalm, koel, +verscheen Jozef. + +--Kom ik te laat? + +--Juist bij tijds, zeide Mathilde. + +Jozef had nu een lichten lach. "Mevrouw!" zeî hij tegen Emilie en boog +even met zijn hoofd, met een voorwending van ernst om de droefheid van +Emilie. Daarna ging hij tot vlak bij Emilie, terwijl zijn voet stootte +tegen den poot van een stoel en Emilie half opstond om zijn hand te +drukken, warm van de pas uitgetrokken handschoen. Hij ging naar Mathilde +en zoende flauwtjes haar voorhoofd. + +--Hoe gaat 'et? vroeg hij met een lieve erg gemeenzame-stem. + +Nu dejeuneerden ze. Mathilde at bijna niets. Emilie vertelde wat een +last zij had van een kleinen hond, die Louis maar niet vergeten kon en +overal zijn meester zocht. Mathilde leî snel haar vork, met de tanden +naar beneden, op haar bord boven het plasje vettig-bruine saus, +waaromheen zich een dun rondje geel vet kringde, en te midden waarvan +een stukje hoog gezwollen roode biefstuk zich verhief. Zij stond op, zij +was onwel. Zij was nog te zwak, zeide zij. Emilie moet het niet kwalijk +nemen. Zij wilde naar haar slaapkamer te-rug. + +Jozef stond op, zijn handen aan de tafel, met zijn vingers zijn +vingerdoekje tot een knoest drukkend, aarzelend zonder besluit. + +--Drink 'es, zeî hij eindelijk. + +--Nee, dat is 'et niet. Ik heb alleen maar rust noodig. + +--Nee, mevrouw, maar, blijft u ... ik moest toch vroeg naar huis, zeide +Emilie. + +--Nee, nee, ik verzoek u te blijven, houd u mijn man nog een beetje +gezelschap. + +Mathilde was bleek van opkomende benauwdheid. Haar blikken dwaalden, +alsof zij ergens zocht, wat er nu met haar gebeuren zoû. + +Jozef bedacht zich, hij keek Emilie aan als om haar te vragen, wat zij +dacht, dat hij nu moest doen. Daarop wilde hij, dat Mathilde zijn arm +zoû nemen. + +--Steun op me, dan zal ik je naar boven brengen. + +Vijf minuten later was Jozef te-rug. Emilie gaf haar ontsteltenis te +kennen. Het was dan zoo erg! Dat had zij nooit kunnen denken. En zij +verhaalde, haar oogen op den biefstuk op haar bord, van een van haar +ooms, die twintig jaar lang heelemaal in afzondering had moeten leven, +om dat het minste geluid, het kalmste gesprek hem benauwde. Telkens had +zij een zweem van een onderdrukt lachje om haar mond, als zij haar oogen +opdeed en Jozefs blik ontmoette, die uit beleefdheid roerloos luisterde, +om hem met een gebaar iets duidelijk te maken in haar verhaal. + +Mathildes stoel stond scheef, een eindje van de tafel, geschoven, haar +vingerdoekje lag er verkreukeld op. Haar glas water en wijn stond half +vol voor haar bord; zachtjes lekten kringetjes vocht in het glas van den +rand naar onderen, omdat zij pas gedronken had. Er was een leegte +tusschen Mathildes plaats en de deur, alsof zij maar even was +heengegaan, om terstond te-rug te komen. De hitte van de kachel werd +erger. Er beefde een onvolledigheid door de kamer, die maakte, dat Jozef +en Emilie zich niet op hun gemak voelden. Als Jozef haar nog van de +spijzen aanbood en zij aannam of bedankte, als hij haar een schotel +overreikte of haar nog inschonk, was er iets kils, een haperende +zachtheid in hunne stemmen. Eens vatte zij een schotel niet handig +genoeg aan, waardoor er bijna iets gevallen was. Dit veroorzaakte een +verlegenheid tusschen hen beiden. Haar rouwkleed vervreemde hem +eenigszins van haar. Hij zag niet graâg dat zwarte achter zijn glansend +witte tafellaken. + +Toen zij eindelijk, in de wasemende stilte van het gedane déjeuner, met +een gekraak van haar stoel over de vloer, opstond om heen te gaan, zeide +hij zijn eerste beleefdheid: + +--Zou ik u nog eens mogen komen opzoeken? + +--O, dat zoû ik zoo graâg zien, andwoordde zij gemaakt luchtig, ik ben +zóo alleen. + +Haar rijtuig wachte al voor de stoep. Zij hield er niet van met dien +langen kaper te voet over straat te gaan. Zij reed ratelend wech. Jozef +stak zijn hoofd even in de kamer, waar zij zoo even gedéjeuneerd hadden, +als om te zien of zij niets vergeten had. Er was een geur van zwarte +glacé handschoenen en een doffe zakdoekreuk gebleven. Daarna ging hij +langzaam de trappen, op naar Mathilde. Hij dacht er over, dat Emilie +volstrekt niet naar Felix had gevraagd. + + + + +XII. + + +Jozefs verveling vermeerderde met den dag. Zij steeg tot in zijn keel. +Zijn eetlust zelfs verloor hij bijna. Dat was een geslenter en geslof +over de trappen, een even stilstaan in de gang en weêr in de binnenkamer +en er weêr uit, dat niet langer duren kon. Hij kreeg een zekere matheid +door zijn leden. Hij dacht aan zijn mijmerijen over huwelijksgeluk, die +zich een voor een hadden opgelost in de eentonigheid der witte muren van +den gang en in de donkerte van de ziekekamer. Een groote spijt over zijn +verloren vrijheid drong zoetjes bij hem binnen. Wat had hij toch +begonnen? Zoû zijn leven nu zóo voortgaan tot aan het einde? Zijn armen +hingen loom langs zijn lijf. Hij pruilde in eenzaamheid. 's Avonds voor +dat hij naar bed ging en 's nachts in zijn slaap spookte Marie door zijn +geest. Langzamerhand won de grijze verveling al de kleine dingen, waarin +hij, behalve in Mathilde, tot nu toe belang had gesteld. De +geïllustreerde tijdschriften, waarop hij zich geabonneerd had, bleven +onopengesneden liggen. Hij wilde zich dwingen met aandacht boeken over +natuurkunde, werken van dichters en romans te lezen, maar het ging niet. +Een ijlheid, een walging voer door zijn leden. Op die manier was het +leven onmogelijk. Alleen verdiepte hij zich nog in de aan zijn toilet +besteedde zorgen. Aan zich zelf overgelaten, groeide zijn ijdelheid. Hij +bestelde nieuwe pakken hij den kleermaker, stond zich voor zijn spiegel +te verstrooyen met het aanpassen van overhemden en boorden, bracht een +half uur door met de kleur van een das te overwegen. Eens kwam hij 's +middags op Mathildes kamer, en vond haar geknield liggen bidden. Toen +zij ophield om hem aan te kunnen hooren, zeide hij: + +--Ik dacht, dat je God vergeten was. + +--Zeg dat niet, Jozef, ik bid voor Felix. + +Hij was gaan zitten en keek, of de velletjes onderaan zijn nagels wel +genoeg naar beneden gedrukt waren. Toen sprak hij zijn voorhoofd +fronsend en zijn kin achteruit drukkend, half uit gekheid: + +--Ben-je nu van plan altijd ziek te blijven, lieve kind? + +--Dat weet ik immers niet, andwoordde zij, laten we het beste hopen. + +Naarmate Mathilde zich wendde aan haar ziekte, verlevendigde de gedachte +aan God zich in haar. Zij voelde zich langzaam, meer en meer zacht-vroom +gestemd worden. Zij voelde in haar wezen, terwijl zij haar pijnen +doorstond, dat God er was om haar te troosten. Hij was daar, achter +haar, boven haar hoofd, in de gordijnen en in den hemel van het +ledikant. Maar het was geen wezen, geen omlijnde persoonlijkheid meer +zoo als de God van haar jeugd. Het was iets onzichtbaars, iets als een +wolk, een trilling van eindeloze goedheid en opperste troost, die +zachtjes, bij kleine vermeerderingen, tot haar nederdaalde. Wanneer, met +een heftigen sprong, het denkbeeld in haar hersenen stootte om terstond +order te geven, dat Marie heen zoû gaan, was die God daar voor een +beletsel, onoverkomelijk. Marie moest blijven, Marie was goed voor +Felix, Jozef zoû geen kwaad meer doen. Wanneer zij in haar verbeelding +Jozef en Marie samen zag elkaâr liefkozend, en zij bij die samenkomst +heel vergeten werd, en zij zag hem haar aanpakken, haar zoenen, dan +straalde van dien God een ontkenning uit, voor de gestalten van Jozef en +Marie heen. Hoorde zij 's nachts in haar verbeelding iets als zachte +mannenstappen naar boven gaan over de trap, dan moest zij zich +vergissen. Jozef was alleen, Marie was alleen. Een troost, die van links +en rechts zachtjes aanwoei maakte haar kalm. Dan sprak zij die +wezenlooze beschermende macht aan met de woorden, die haar van vroeger +waren bij gebleven: O God, o Heer, o Jezus, ik dank u. + +Mathilde besloot het verdriet, dat zich door geen nieuwe vermoedens +verlevendigde en dat zich verkleinde, te verdragen. Zij zoû wachten tot +zij beter werd, om weêr op nieuw gelukkig te zijn. + +Het zoû langzamerhand lente worden. Dokter Hansen hield nu lange +gesprekken met Jozef over het naar buiten gaan van Mathilde. Na dat de +dokter, met zijn kort hondenneusje en rimpelig in-een-geduwde handjes, +allerlei raadgevende en verklarende bewegingen had gemaakt, was er +besloten, dat de zieke in Hilversum zoû gaan herstellen. Het dorp lag +hoog, de lucht was er fijn. In den omtrek waren wel geschikte huizen, +ook villaas, te koop of te huur. Dokter Hansen schreef aan den dokter in +Hilversum om naar een geschikte woning voor Jozef uit te zien. + +Mathilde woû eerst niet. Zij zoû 't nooit doen, nooit, of Jozef moest +zijn zaken aan kant doen en ook voorgoed daar komen wonen. Want, zich +van Jozef scheiden nooit! Jozef, die zich er altijd iets op voor liet +staan uitmuntend met vrouwen over weg te kunnen, had een heel krijgsplan +gevormd, om Mathilde over te halen. Hij begon met alles toe te geven, +wat zij woû. Neen, zij zouden samen voor goed daar gaan wonen, winter en +zomer. Hij sprak zelfs, al schertsend, van op die manier heelemaal een +landedelman te worden. Maar tegelijk, terwijl de tijd vorderde, kwam hij +minder geregeld thuis om één uur 's middags: de zaken breidden zich zóo +uit; hij moest noodzakelijk langer op het kantoor blijven zeide hij. In +Mathilde was gedurende haar ziekte een oude herinnering, een van haar +vader overgenomen belangstelling in geld, in aangelegenheden waarbij +rekenen te pas kwam, opgeleefd, en zij stelde meer dan vroeger belang in +de zaken van haar man. Zij vroeg wel: hoe gaat 'et op 't kantoor? Zijn +er vandaag weêr nieuwe kommissies gekomen? Toen het nog veertien dagen +was vóor zij naar buiten zoû gaan, stemde zij er in toe, dat Jozef zijn +zaak aanhield. Zij zoû dan probeeren éen zomer alleen in Hilversum door +te brengen, Jozef zoû elken dag met den Rhijnspoor-trein van drie uur +naar Vreeland komen, zoo dat hij vóor vijven in Hilversum kon zijn en +zoû elken ochtend om half acht met de diligence, die direct van +Hilversum op Amsterdam reed in een groote twee uur, weêr te-ruggaan. +Heel goed, uitstekend! ja, zoo zoû het gaan. + +In dien tijd maakte Jozef, met een netjes ingepakt boek in den binnenzak +van zijn overjas, een visite hij Emilie Berlage. Hij gaf haar het boek +te leen: een fraayen roman, waarvan de handeling in Egypte voorviel. Zij +moest in lektuur wat afleiding zoeken. Emilie was, terwijl zij hem zoo +in haar huis ontving, veel meer op haar gemak dan gedurende het +dejeuner. Zij las een brief voor, dien zij van den ouden heer van Riet, +haar voormaligen voogd, die na haar huwelijk met zijn vrouw in een +duitsche badplaats was gaan wonen, had gekregen en door de beide oude +lui van Riet onderteekend was. Jozef maakte de opmerking, dat 't wel +jammer was, dat zij hén nu ook miste, die haar in de gegeven +omstandigheden anders van zooveel troost had kunnen zijn. Emilie liet +aan Jozef haar hondje zien: een prachtig zij-harig wit en rose beest, +dat dadelijk Jozefs handen likte. Terwijl dit gebeurde kwam er een +warmte tusschen Jozef en Emilie. Zij zagen beiden naar den hond met +verliefde blikken. + +--Een aardig dier! zeî Emilie, en hij kan Louis maar niet vergeten. Zij +riep "Kastor" en aaide zijn rug, met een mooye buiging van haar hand. + +Dezer dagen kwam de tijding, dat door den dokter van Hilversum, een +buitentje voor Jozef gekocht was, heel aardig, gelegen aan den +'s-Gravelandschen weg, voor veertien duizend gulden. Jozef reisde nu +verscheiden malen heen en weêr, tot dat alles daar buiten in orde was, +altijd met de spoor naar het station Loenen-Vreeland, waar hem dan een +wagentje uit Hilversum kwam afhalen. Daar dokter Hansen altijd +nadrukkelijker verzekerde, dat Mathilde in de fijne hooge lucht van het +Gooi gauw herstellen zoû, bepaald spoedig, begon zij met een koortsige +drift naar dat buiten-zijn te verlangen. Vóor ze ging, kwam Emilie +Berlage haar een afscheidsvisite maken. De dag van het vertrek was een +van de eerste wezenlijke lentedagen. + +Om dat Mathilde te zwak was om de vermoeyenis van het gejaagde en het +schokken van de spoor te verdragen, was er besloten, dat zij de heele +reis van Amsterdam naar Hilversum per rijtuig zoû doen. Alleen Marie en +Felix gingen met haar meê. Jozef zoû wel denzelfden dag ook komen, maar +zij wilde volstrekt niet dat hij dien vervelenden langen tocht in het +rammelende rijtuig meê zoû maken. + +Om elf uur in den ochtend kwam het rijtuig voor. Het was een oude +barouchet, een van de weinige, die er nog in Amsterdam waren, maar +volgens den stalhouder was dit het zachtst rijdende van al zijn +rijtuigen. Mathilde, die in zóo lang niet in de frissche lucht was +geweest, kreeg op de stoep bijna een duizeling. Zij zag de heele +omgeving, de huizen aan d'overkant, het zwart-groene water van de +gracht, de boomen langs den wallekant met hun groote verwarring van pas +uitbottende aarzelend groene sprietjes, en het rijtuig met de twee +schonkige paarden, dat een leelijken donkeren prop scheen te midden van +de wasemende wit-en blauwheid van de lucht, zij zag alles in breede +lijnen golven, zoo als men over een erg warme kachel heen het de +voorwerpen in de kamer ziet doen. Het geruisch van de straat hier en het +doffe geraas van de drukke buurt uit de verte scheen door alle poriën +van haar huid te dringen, alsof het uit een emmer over haar heen +werd gestort. + +De mengeling van geluiden, die, hij het opengaan van de voordeur, haar +in-eens bedwelmde, verdoofde haar éene oor, zoo dat zij een inwendig +aanhoudend schel gefluit hoorde, als of; wél in haar hoofd, maar toch in +de verte, een lokomotief floot. Daarbij scheen 't als kwam er een +zegening uit de hooge lucht over haar, als ging zij een nieuw leven +tegemoet, als wuifde, in onzichtbare luchtdelen van den grond een +gelukstoestand naar haar op, onder haar rokken in haar lichaam dringend, +en uitwendig haar bekruipend tot aan haar hals, tot over haar gezicht. +Maar de lucht was sterk en zij moest haar oogen neêrdoen, waaronder nu +het bleeke blauw van de stoepsteenen, met zijn vele krijtige witte +vlekjes, scheen te dalen en te rijzen. Marie was vlak achter haar en +maakte, de armen vooruitstekende, bijna volvoerde gebaren, om haar te +steunen. Terwijl Mathilde haar dof-stoffen schoen zonder hakje op het +treetje van het rijtuig zette, vroeg de koetsier, die het portier +vasthield, met zijn groven, aan den toestand vreemden, toon, Mathilde +met zijn hand onder haar elleboog helpend, of de tollen nú of op zijn +te-rugrit betaald moesten worden Dientje had een kanapeekussen tegen den +rug van het rijtuig gelegd, op de achterbank. Hiertegen zeeg Mathilde +neêr, haar oogen dicht, om even te bekomen. Daarna tilde Dientje Felix +op de voorbank, waar Marie naast hem ging zitten. De witte schoenen van +het kind staken vooruit op de bank. Dientje zeide: + +--Nou, mevrouw, goeye reis, hoor, goeye reis! + +Zij bleef met haar stijf glimmend witte boezelaar, onbewegelijk +glimlachend, als een pop tegen de bruin-groene deur staan, tot dat de +barouchet wechreed. Hobbelend en kletterend ging het rijtuig voort. De +venstertjes in de portieren dansten in de schommeling van de rijtuigkast +op en neêr. De voordeuren, onderste vensters en reepen muur van de +huizen schoven in voortdurende opvolging voorbij als een reeks +aaneengevoegde tooneel-achtergronddoeken, van boven afgebroken door de +zoldering van het rijtuig. Op den hoek van het Koningsplein zag Mathilde +de versleten hoog-ronde hoed van Marinus de Beer, die erg keek en diep +groette; in de speling van het glas weekten de vormen van zijn haar +ineen, alsof het vloeibaar was. Toen deed Mathilde haar oogen weêr dicht +in de krachteloosheid, die haar beving en, mijmerend over Jozef, die +van-avond komen moest, sluimerde zij half. + +Buiten de Muiderpoort, over den weg naar Diemerbrug, hoste het rijtuig +vreeselijk. De boomstammen sprongen telkens te voren, aan weêrszijde. +Marie poogde Felix, op haar schoot, zoet en rustig te houden. De oogen +van het kind stonden wijd open, als begrepen zij de zaken, waarop Marie, +met een ter eere van de gelegenheid, heel helder, bijna feestelijk +geplooid gezicht, zijn aandacht vestigde. Zoo duurde het twee uur, tot +men door Weesp en door 's Gravenland gereden was, tot in de Leeuwelaan. +Om dat Mathilde geen koû zoû vatten, waren de raampjes toegelaten, maar +door de reten suizelde de lente binnen, éen wordend met de lauwe, doffe +lucht in het rijtuig. Mathilde, die het onbekende gras, de vijvers en de +bijna groenloze doorzichtige tuinen van de buitens van Six bekeek, links +en rechts, en, voor haar uit, naast het zakachtig lichaam van den +koetsier, een stuk hooge, tintelend-witte, over de samenbuigende +groengeknopte karkassen der groote boomen-opvolging als de zilverige +zoldering van een tooverpaleis zich uitstrekkenden hemel bestaarde, +voelde bij iedere reeks schokken van het rijtuig, zich ver van haar +verleden leven wechvoeren. Zij had in zóo lang zoo'n nieuwen, zich over +alles heenspreidenden zonnedag niet gezien. Door de vermoeyenis heen, +waarin zij ieder oogenblik, haar kin naar haar borst gedrukt, tegen den +rug van het rijtuig schokte, vulde haar een zucht om Jozef te vergeven +en een weder ontstaand vertrouwen. Maar tegelijk was 't haar, of zij +voor altijd van hem henen reed, naar een ver, vreemd land. De onbekende +stukken natuur, die van weêrszijden en van voren, door de vierkante +glazen vakken van het rijtuig, in haar oogen drongen, telkens +verdwijnend, zich telkens vernieuwend, met grijzig-blauwe, lila en +goud-witte tinten, waartegen de lage en hooge boomen en struiken, met +hun magere, kale, draayend-kronkelende armen en talloze akelig-spichtige +vingers, telkens dichter samengestoken, als de overgebleven geraamten +van een daar plotseling verkoold soldatenleger, zich roerloosdreigend +verhieven, schenen haar in een gelukloze toekomst te voeren, op den +maatgang van de trappelende paarden. + +Dan weêr sprongen de groene knopjes overal op, schoten overal te voren, +als jonge stemmen van een koor, dat hoop verkondigde, tusschen het +onverschillig hobbelen van het rijtuig en de vaalheid, het grijs-bruine +van het bosch. Een scheut zon geelde over het bloeyende hout heen en +kleurde de groene propjes teeder en verzilver-blauwde de stammen en +takken. Dan weêr verduisterde de zon, wolken schoven aan en weken. In +snelle overgangen werd alles grijs en alles weder glansend. Ten laatste +bleef alleen de glans over. Het was een voorjaars-middag. + +Het lage witte hek van een buiten, in de verte als een recht-opstaande +streep bevroren sneeuw, kroop nader. Eindelijk stootte het voorbij, +langzaam, met rukken, door het portierraampje, terwijl het grasveld en +het hooge zware gelig-witte heerenhuis, met duidelijk omlijnde +groezelige zonneplekken er achter bleven liggen voor altijd daar +bevestigd. + +Toen het rijtuig een eind voorbij den tol, den dalenden weg afreed, van +den molen tot aan haar nieuwe woning, zag Mathilde voor zich uit als in +een groot vreeselijk diep prieel. Door de vermoeyenis van het lange +rijden was zij in een uitputtende koortsige stemming geraakt en voelde +zij zich als of er ieder oogenblik iets in haar breken zoû. Zij kon niet +goed meer denken of zich rekenschap geven van de omgeving. Zij liet zich +gaan in de sussende beweging van het rollende rijtuig, terwijl door deze +gewaarwording de herinnering aan dien rijtoer van eenige jaren her, +langs den Amstel, toen haar vader nog leefde, werd opgewekt. En +plotseling zag zij, in de altijd wijdgeopende oogen van Felix op den +schoot van Marie tegenover haar, Jozef weêr, zoo als zij hem dien +vorigen avond in zich had opgenomen. De herinnering aan het verdriet +week, week al in een ver verschiet en daalde door haar achterhoofd naar +beneden. Zij zag Jozef in Felix en om hem heen schemerden met +schitteringen de boomen en huizen en alles in de rondte haar tegen. + +De weg had zich, bij den molen, plotseling verbreed. + +De straatweg vloeide nu, laag, in het midden vooruit, zoetjes naar +beneden; aan weêrszijden waren de breede hellende voetpaden van hard +donkergrijs zand. Verder nog er naast waren de strepen wintergras, als +de kortgeknipte schedel van een onderaardsche reus, afwisselend van éen +tot tien meter breed, waarbinnen de dikke stammen van de overgroote +iepen zich als knoestige zuilen in wijde rijen paalden. Achter de boomen +stonden, schraal, de ijzeren en houten hekken van de zes, zeven buitens +aan elken kant, tot aan het eigenlijke dorp. Rechts was eerst een +vergezicht opengegaan, hel wit over leêge akkers, te-ruggestooten door +de verheffingen van nieuw lichtgekleurde huizen, met platte en schuine +daken en van vaalroode huisjes in aanbouw, die ophardden tegen het wit +en blauw van den rondenden hemel. + +Maar het vergezicht werd dadelijk gesloten door tot aan den weg tredende +buitens aan beide zijden, met hun samengrenzende nog winterende tuinen, +dofglinsterend in hun door de nevel heen licht van boven vergoudde +grijsheid. Maar, dichter bij liet rijtuig, hoog boven de aarzelend +ontbottende beplanting van de tuinen, boogden de tegen den glooyend- +blauwen hemel opwassende iepen hun machtige groen herlevende twijgen +samen als de bedaking van den weg. Door hun uitgebreide, bladerloze, +ledige, buigende lichamen wemelde en tintelde het witte goud van de +lucht over de duizende in verwarring uitspruitende zacht-groene knopjes. +In den zwakken wind rilden en negen de twijgjes, en nog koele zonnevonken +dansten af in helle spartelingen. + +Mathilde was met moeite een beetje recht-op gaan zitten. Zij wilde den +omtrek goed zien. + +Er was bijna niemant over den weg te bekennen. + +De vensters van de villaas waren gesloten; de menschen waren nog niet +aangekomen. Hier en daar in de verte gingen de flodderige, plompe +gestalten van een man, van een vrouw. Voor Mathilde alleen was de eerste +lentedag van het Gooi. Een welkom suizelde haar nu tegen, toewemelend +uit alle lichten, links en rechts en overal. Zij kwam hier om weêr haar +geluk te-rug te krijgen. Jozef kwam van-avond. Zij vestigden zich hier +met hun tweeën. Al moest hij ook alle dagen voor de zaken naar de stad, +Hilversum werd zijn ware woonplaats. Zoo dacht zij voort. + +Mathilde was zóo uitgeput van de reis, dat zij achterover tegen het +kussen samenzakte, toen het rijtuig het als een dubbele deur geopende +hek binnenreed, waardoor men in de smalle achter het huis omliggende +oprijlaan kwam. Met een laatsten flauwen blik had zij het nieuwe huis +gezien. Bij het indraayen van de laan kraakten de wielen van het rijtuig +scherp, een van de wielen sjorde even kritterend over het uiteinde van +een met kiezelsteenen bevloerd pad, dat van voren langs het huis heen +liep, heuvelopwaards. Daarna reden ze langzaam, met een kort gekraak van +de kast en lange klachten van de wielen, tot midden achter het huis, +voor een oude stoep met door den regen versleten treden. + +Van den straatweg afgezien, stond Bagatelle, zoo heette het buitentje, +daar, van binnen en van buiten schoongemaakt en hersteld, dof wit, +blauwig-blank, met zijn vier spiegelende raamdeuren, zijn acht +opengestooten smalle lange jaloeziën, van zijn schuin-opgaand grasveld +gescheiden door het kiezelsteenenpad langs den voorgevel, met zijn dicht +blauw-bruin rieten dak tot even boven de raamdeuren neêrhangend, door +twee ronde in vooruitstekend omkastingen gesloten dakvensters gebroken, +en van boven vastgehouden door een schoorsteen aan elk der twee +uiteinden, gelukkig en kalm, te vrede in den zwakken zonneglans. + +Aan elke zijde hing aan het lijf van het huis een in zwart-groen +houtwerk getimmerde warande. Maar uit de verte zag men ze niet, bijna +niets van het heele huis; want een groep boomen, waarachter het +kiezelpad opslingerde, schaarde zich links en rechts, alleen het +grasveld, van ovale bloemperken doorstoken, tusschen hen in openlatend. +Uit de verte was alleen het lage hek zichtbaar: drie smalle strooken +loodkleurig hout, bij iedere meter lengte door paaltjes opgehouden, en +in drie afdeelingen gesplitst door de hoogere glimmend-groene, puntige +hekdeuren, die ieder tusschen twee lila hoekige palen, met ronde witte +bollen er op, zich door ijzeren schrenieren bewogen en zich konden +openen voor de oprijlaan. + +Het buitentje was niet weelderig. Marcheerden de zaken, zoo dacht Jozef, +dan kon men later zien iets meer chics te krijgen; maar, met zijn +uiterlijk van half Zwitschers landhuis, was het toch niet onaardig. + +Toen het rijtuig stilhield, was Jans, die met de vrouw uit het dorp, +waarmede zij de boel in orde had gemaakt, mevrouw wachtte, het stoepje +afgegaan en had het portier open gemaakt. Bij het te-rugzien van +Mathilde, ontstelde zij. Haar weeke wangen bibberden, een beetje bleek. + +--Is u daar, mevrouw? vroeg zij bezorgd, haar ruwe bloote voorarmen +uitstekend om Mathilde behulpzaam te zijn. + +Mathilde knikte, met een flauwe vriendelijkheid. Nauwelijks liet Jans +haar grijze blikken heel even over Felix rollen, maar, terwijl zij +Mathilde stutte, toen deze op het treêtje zonk met haar éen voet, +waardoor haar japon in het rijtuig haperde en een plek witte rok bloot +kwam, en Marie zich bukte om met haar hand de japon goed te doen, keek +Jans wrevelig naar Marie. Zij hielden niet van mekaâr. + +Mathilde zeî tot Jans, met een afwezige stem, alleen dit: + +--Meneer komt ook nog vandaag. Heb-je daarop gerekend? + +Mathilde werd dadelijk naar bed geholpen. De door Jans gedekte tafel in +de groote kamer bleef alleen staan, met zijn hard wit servet, stijf +geplooid, verlaten, afwachtend in de nieuwige en naar politoer riekende +frischheid van de pas schoongemaakte kamer. + +Tegen den avond kwam Jozef aan en at, eenzaam, midden in de +onverschilligheid van de vreemde kamer, als in een hotel, het half koude +eten, na dat door de vrouw uit het dorp de lamp opgestoken was en de +jaloeziën dicht gemaakt waren met een geluid als van valsche lage toonen +van een harmonika. + +Mathilde sliep voortdurend. Na zijn eten keek Jozef, aan iets denkend, +in de lampe-vlam en over de schaduwen en witte plekken van het +tafellaken. Op de vlakte van donker-wit lagen de tegen den draad in door +het linnen heen gestikte glimmend witte figuren. Hun helheid schitterde +zoo naar boven, dat al de overige deden van het laken er donker-grijs +bij werden. Het waren vierkante blokjes, met vier kleine vierkante gaten +in 't midden, als korte breede kruisbalkjes samengevoegd. Jozef, zijn +armen op zijn knieën, zijn borst tegen den tafelrand, staarde zonder te +zien over de figuren, terwijl door zijn neus regelmatig hijgend zijn +adem over het wit blies, als van iemant die wakend slaapt. + +Het was dood-stil in het huis. Jozef voelde een leêgheid door zijn +leden, om zijn armen, die er met koude kracht over heenzonk. Hij keek +eerst, een stukje melodie uit een operette van vier jaar geleden, die +hij zich nauwelijks herinnerde, tusschen zijn lippen blazend, bijna +fluitend, naar de zoldering, vanwaar, in de alles overvlekkende schaduw +der lampekap, het wit aarzelend nederschemerde. Hij hoorde daarboven +loopen, met schoffelende stappen, en stoelen verzetten met dreuningen, +waarvan het geluid ruw door de rustige schaduwen heendaalde. Hij stond +op om alles eens te bekijken, zoo als het nu geschikt was en voor het +hier te leiden leven pasklaar gemaakt. Hij zag het lichte nauwelijks met +groene en gele ruikertje bestrooide behangselpatroon, de oude uit een +dorpsboedel gekochte piano, verder de twee groene kanapeetjes van glad +leder, de stoelen aan de tafel en langs de wanden, rieten en leêren, het +buffetkastje, de drie deuren, waarvan die op den achtergrond in den +korten gang, de twee aan weêrszijden in kleinere aangrenzende vertrekjes +uitkwamen. Dunne, doorschijnende neteldoeksche gordijnen stonden, in een +zwevende houding gestolten, stijf van het strijken, van boven tot +beneden voor de vensterdeuren, hun onderste helft door magere witte +koordjes met kwastjes opgehouden. De donkere lattenopklimmingen der +jaloeziën hingen met wrevel tegen de ruiten aangedrukt. + +Jozef trad in het kamertje links, een kubus met een raam van voren een +in de warande. De vorige eigenaar noemde dit vertrek "het rieten +kabinetje". De tafels en stoelen waren van bruin-geel riet. Op het +tafelplat liep het riet uit een, de biezen uitstralend uit het +middenpunt als een ingelegde ster. De leuningen der stoelen waren ovaal, +peervormig, rijen omgebogen biezen samengebonden door touw-dunne soepele +rieten lintjes. Het kabinetje was vooral nuttig om een kast, diep als +een kamertje, in de muur, en die tot den kelder toegang gaf. Door het +donkere kamertje stapte Jozef, twee treêtjes op, een deur door, in een +hokkerig gedeelte van het huis links de luttele houten trap met een +dunnen looper belegd naar boven, rechts voor hem uit een kamertje met +een alkoof, links voor hem uit de keuken, onder hem het gesloten +kelderluik, met een ijzeren ring om het luik op te heffen, plat getrapt +in een zwartige voor. Alles was hier donker; een vage lucht van timmer- +en metselwerk en van werklui die daar geweest waren geurde van rechts. +De reet van de keukendeur werd bezet door een smalle lijn rossig licht. +Bij tusschenpoozen suizelden deelen reuk van gebraden eten en van +gekookt hebbend aardappelenwater er door heen, vervuld met stukken van +kalme volzinnen van een oude meid, die, met een na het eten smeujige +stem, babbelt. + +Jozef ging in het kamertje rechts. Hij had het voor logeerkamer laten +inrichten, maar een logeerkamer minder in rang dan de twee op de +zolderverdieping, wier vensters door het rieten dak heen op den breeden +weg uitzagen. Hij voelde naar lucifers in zijn zakken, toen, met een ruk +en een gewaai van vrouwenkleêren, de keukendeur openging, het portaaltje +plotseling donkerrossig verlichtende, en weêr dicht ging. Het was Marie, +die de trap opliep, om boven te zien of Felix wel sliep. Jozef had haar +gezien, zoo als haar lichaam zich donker afbeeldde op den achtergrond +van rossig keukenlicht, en in de duistere rondheid van haar hoofd had +hij haar lippen, donkerrood, de warm-blanke plekken van haar wangen en +kin, het glad-glansend-blauw van haar oogen zien schemeren. Zij had hem +niet gemerkt; maar nog, nadat het stappen van haar voeten al lang boven +was wechgebleekt, zag hij, in de duisternis kijkende, daar lichtende +vlekken dansen, waarin mollige stukken van Marie spookten, haar +schouders, haar hoofd, en enkele door het lamplicht verbruin-goude +halshaartjes. Jozef stond daar, de lucifers vergeten, die hij, met zijn +eene hand half in zijn broekzak, aan 't zoeken was, de duisternis +vergeten, zijn oogen bewegingloos, met een krampig gevoel er in, zonder +gedachte. + +Even later was hij weêr bij zijn zinnen. Hij vond in-éens dat hij in een +verschrikkelijk verlaten duisternis stond. Het was toch nog koud al was +het voorjaar! De gedachte viel over hem, dat hij weêr een kleurloos +leven ging beginnen, vernietigend, onmogelijk. Mathilde lag daar ginds, +voor hem verloren. Het was of hij haar van hier hoorde slapen, in een +vasten slaap, waaruit zij voor hem nooit weêr zoû ontwaken. + +Een paar uren later gleed hij, zijn lot verwenschend, onder zijn +eenzame, kille, bijna vochtige lakens. + +De volgende weken was het dag in dag uit hetzelfde eentonige leven. +Mathilde bleef hetzelfde, koortsen verzwakten haar onophoudelijk; een +paar uur per dag maar zat zij op. + + * * * * * + +Den eersten tijd, dat hij alleen in Amsterdam was, gedurende de +kantooruren, merkte Jozef weinig van de verandering in zijn toestand. +Hij mocht nu met zijn ziel onder zijn arm in het stille huis buiten +rondwandelen in plaats van in Amsterdam, dat was het heele verschil. +Maar langzamerhand, daar hij toch vastgesteld had nooit 's avonds vóor +zeven uur buiten te zullen komen omdat hij 's middags nog wel eens iets +op het kantoor te doen had, begon hij gedurende zijn vrijen tijd visites +bij Emilie Berlage te maken, altijd geregelder. + +De lente ging voort. Jozef zeide tot zich zelf dat het jaargetijde dezen +keer een buitengewoon merkbaren invloed op hem oefende. Zette hij zijn +raam open op het kantoor of buiten, over-dag of 's nachts, en de +lentelucht drong in zijn neus en in zijn ooren, dan voelde hij de +herinneringen aan zijn vroegere, zijn ongetrouwde leven met een zoetheid +in zich opleven, die hij vroeger van de werkelijkheid nooit had +ondervonden. Hij kon wel, zijn blik in de verre lucht, aan den tijd van +vóor zijn trouwen met weemoed te-rugdenken, als een droomer, zich niet +heugende hoe diezelfde tijd hem toen gewalgd had. + +In een zachten overgang, zonder den minsten strijd, zonder dat hij er +een besluit voor hoefde te nemen, maakte hij een middag het voornemen, +dien avond niet naar buiten, maar naar de club en daarna naar de opera +of zoo te gaan. De gelegenheid was nu beter dan ooit. Mathilde was er +niet om hem, door haar zwijgen of door een aanmoediging, die hij meende +averechtsch te moeten opvatten, te-rug te houden. Hij telegrafeerde om +vier uur twintig aan zijn vrouw: "Ben verhinderd, kom morgen". Daarna +ging hij bitteren in de club, waarvan hij nog altijd lid was gebleven, +en dineerde met drie vrienden, Hasman, d'Ablaincourt en een officier, +die hij, zoo als altijd, ook nu weêr in de club gevonden had, in het +blauwe bovenzaaltje van café Suisse. + +Een gevoel van verlatenheid, bevreemding, van afwijking van gewoonte, +loste zich over zijn schouders op in een blijde te-rugkeerende vrijheid. +Hij dronk zooveel wijn tot hij in een vroolijke stemming was; hij lachte +met zijn groote tanden, terwijl zijn breede snor dan telkens naar boven +sprong. Gewaarwordingen als van vier jaar her vulden hem. De +huwelijksjaren krompen samen, verdwenen. Hij was de oude. Hij had weêr +pleizier. De kellners schenen met de gewone eerbiediggemeenzame oogen +toe te zien, maar verrast en met kleine herkennings-glimlachjes +onderling. Tegen het dessert dronk hij veel achter mekaâr, om zich op te +winden, want het hanteeren van het hem vreemd geworden leelijke nare +restauratie-tafelzilver, de oppervlakkige koude feestelijkheid van de +witte gladheden der borden, de glazen, het gas, de gebaarde +heerengezichten, in dit alles scheen even een verwijt te trillen, 't +gezin, dat naar hem wenkte, ziek en jong, uit de verte. Hij voelde het +verwijt onder zijn haar opstijgen. Hij deed even zijn hand aan zijn +hoofd om het te verdrijven, in een verdoovenden glimlach, rondziende of +iemant ook iets over hem dacht. En hij, die gedacht had een gelukkig +echtgenoot te zijn en van het regelmatige en bedaarde genot van den +huiselijken haard! Hij voelde, dat hij veeleer op déze manier gelukkig +was. Hier was zijn plaats. Hij kon niet anders verlangen. Het andere was +onmogelijk voor hem gebleken. Hij merkte, dat hij weêr met het oude +gemak het stugge, weêrspannige, veel te stijf gestreken restaurant-servet +behandelde. Hij voelde zich achter tegen den rug van zijn stoel zitten, +zijn leden meer in mekaâr, terwijl zijn vleesch en geest zich heelemaal +overgaf in een neêrbuigen van zijn kin over zijn hals, terwijl van onder +zijn gladde voorhoofd, flikkerende in den gas-schijn, zijn oogen lachten +met de grappen van de vrienden. + +Toen Jozef, na het diner, weêr op den trottoir stond, ruischte het +verwijt weêr tegen hem aan uit de onverschillige grommeling van de +straat. En Mathilde? ... Mathilde? ... Zij moest den telegram al lang +gekregen hebben, Jozef zag naar den grijzen trottoir, waarover de +gasvloed uit de winkelkasten spoelde; zijn breede, wijde manchetten +vielen over zijn handen, de wijde pijpen van zijn lila-broek stonden, +als olifantspooten, tot bij de punten van de schoenen. Hij dacht aan +Mathilde en aan buiten, een angst klom in zijn keel en hij voelde zijn +hoed zijn hoofd als een klemmende ring omvatten. Daarna keek hij op, +zijn vrienden wachtend, die hij met stappen, kletsend in den gang van +Suisse, hoorde aankomen. De menschen, donker bewegende beelden, hoog en +laag, liepen schoffelend voorbij door het praatgesuis heen. De zwarte +lucht walmde neêr over de huizen. Eén minuut was 't Jozef als of al die +menschen in hun ruischend gebrom, met hun bewegende monden achter hun +haarden, allen over hetzelfde onderwerp spraken, een belangrijk, +aangrijpend onderwerp, dat allen bezighield. Allen waren ernstig, +afgemeten, hij ving schuinsche blikken op, in zijne richting gestuurd. +Zij spraken van hem, zij spraken van Mathilde, hoe ongelukkig zij was. + +Nu begreep hij plotseling, dat zij naar hem moest verlangen, dat zij aan +de waarheid van zijn telegram twijfelen zoû. Hij zag haar van hier voor +op haar ziekestoel zittend, onrustig, zonder te leunen, haar blikken zoo +vreemd, naar voren, zooals zij kijken kon in uren, dat zij een verdriet +voorzag en wel zeide dat te voelen naderen als een aankomende +krankzinnigheid. Zoo als hij haar gezien had na den dood van den ouden +de Stuwen, zóo moest zij nu dezen avond zijn, daar ver van hem +verwijderd, alleen in het ontbottende Gooi. + +Maar Jozef vermande zich. Gekheid! Hij zoû haar nooit ongelukkig maken. +Hoe kwam hij aan die gedachte? En hij beloofde aan zich zelf, dat, zoo +hij het vervelende eenzame leven al niet langer verdragen kon, zoo hij +zijn vrijheid in 't vervolg weêr wat minder opgesloten zoû houden hij +toch vooral zorgen zoû, dat Mathilde er niets van merkte en zij er in +'t minst niet onder leed. + +De heeren gingen nu naar de fransche opera in den Stadsschouwburg. In de +pauze zeî een van hen, bij die gedachte gebracht door het hooren van de +muziek, dat die muzikale avondjes nu wel gedaan zouden zijn bij Jozef. + +--Ja, andwoordde hij, zoolang als Mathilde niet beter is, dat begrijp-je. + +Er werd verder weêr over Mathilde gesproken; een lichte ironie trilde in +de rooyige gezichten. + +Toen Jozef om halt drie dien nacht met zijn kalmen regelmatigen tred +naar huis stapte, dacht hij voortdurend aan Mathilde. Een spijt sarde +hem, telkens opkomende, hij vlagen. Het scheen hem, dat hij haar een +groot leed had gedaan. Hij verzon nu, wat hij haar opgeven zoû als de +reden, waarom hij niet buiten was gekomen. De zaken natuurlijk. Dat was +het eeuwige voorwendsel, onweêrsprekelijk, Met de zaken bemoeide zij +zich zoo weinig, van de zaken wist zij eigenlijk niets af. + +En, den volgenden dag buiten, zittend vlak bij Mathilde, zijn knieën aan +haar knieën, de telegram open op tafel met het koude blauwe schrift van +den telegrafist, vertelde hij haar een heele geschiedenis. Hij had weêr +veel meer pleizier in de zaken gekregen dan vroeger, hij begon een +nieuwe onderneming, waar hij veel aan dacht en waarvoor hij veel werken +moest. En zij, met haar vage zieke oogen, geloofde hem als een kind, nu +zijn hand zoo vertrouwelijk lag op haar knie, bijna bloot onder de dunne +witte nachtjapon. + +Nu gleed Jozef zoetjes-aan heelemaal tot zijn vorige leven te-rug. Hij +vond het erg aangenaam met zijn gepozeerdheid van jong elegant getrouwd +man in zonnige middagen over den Dam, door de Kalverstraat, door de +Reguliersbreêstraat te wandelen, terwijl zijn vrouw op hun villa, buiten +was. Een anderen keer ging hij weêr eens over het Koningsplein, door de +Leidsche straten, naar het Vondelspark. Hij vond de oude manieren weêr +te-rug om zijn lichaam te bewegen en voor zich uit te zien, zoo dat de +dames hem bekeken met belanghebbende blikken. Zijn oude koketterie +steunde nu op een zekere hoogheid en te-ruggetrokkenheid, nu hij zich +als getrouwde door de nieuwsgierige oogen beschouwd voelde van de +juffertjes en de zusters van zijn kennissen. Hij deed weêr minder in +Emilie Berlage. Hij had een paar maal de ouders van den overleden +echtgenoot bij haar ontmoet, die hem op onaangenaam aandringende manier +naar Mathilde vroegen. Een buitendien maakte Emilie hem driftig, om dat +hij dacht, dat zij hem alleen maar zoo'n beetje voor den gek hield. + +Er openbaarde zich in hem een heftige reaktie tegen de jaren van +ingetogen huwelijkstrouw. Als iemant, die een vroeger geliefd huis, waar +hij in lang niet kwam, de trap opgaat, ging hij weêr heelemaal op in het +pleizier van matig uitgaan. De heele stad was nogmaals zijn terrein. De +beminnende onrustige vrouw was er niet meer als een spaak in het wiel. +Het was wel een aardige roman geweest, die enkele jaren van geheele +kalmte en maatschappelijke geregeldheid, met altijd dat zelfde lichaam +en die wijde donkere oogen, die zoo weinig wisten, om meê te zijn. En +nu, met de ziekte, zoo opgescheept als hij eerst met die nutteloze, +onbruikbare vrouw was geweest in de stad, zooveel genoegen, deed 't hem +nu te kunnen zeggen, dat hij zijn vrouw naar een villa in het Gooi had +gebracht, om van een bedroevende kwaal te herstellen. Hij had het nu +voortdurend over "zijn optrekje" en "ons optrekje". Hij sprak over +"Bagatelle" in een toon van: "Je weet wel, mijn buitentje, waar mijn +zieke vrouw woont". + +Jozef bleef nu herhaaldelijk 's nachts in Amsterdam. De maanden April en +Mei ontrolden zich met onafgebroken mooi weêr. Jozef die tegenwoordig +bijna geregeld naar de Beurs ging, betrapte zich, bij het uitgaan +dagelijks op wankelingen in zijn besluit om dien dag toch naar buiten te +gaan. Als hij 's morgens in het te breede ledikant in Amsterdam wakker +werd, het gemakkelijke huwelijksbed, dat hij, na Mathildes vertrek, met +schoone lakens weêr in gebruik had genomen, en hij hoorde en zag de +stille leêgheid, die alle verdiepingen, alle kamers en vooral hier hun +slaapkamer, vervulde, dan kwam er altijd een golf van teederheid over +hem. Hij stond op en in de frischheid van het aankleeden, in de bleeke +zonneschemering door de neêrgelaten gordijnen, op zijn kousen met dolle +stappen door de kamer loopend, zich bukkend om uit de lâ zijn boord en +zijn das te krijgen, alleen zijn eigen bewegingen hoorende, het geruisch +van zijn overhemd, het smakken van zijn ontwakenden mond, zijn kriegelig +gapen, zijn eerste stijvere stappen met de aangetrokken schoenen over de +vloer,--dan miste hij Mathilde. De nasmaak van de pleizieren van den +vorigen avond was bitter, was hij dan weêr een groen losbolletje +geworden? Gedurende het wasschen nam hij zich onherroepelijk voor in 't +vervolg geregeld naar buiten te gaan. Gedurende het afdroogen, achter de +klammerige sijpeligheid van zijn gezicht in den nieuwen dag, herinnerde +hij zich, hoe ze gister-avond gelachen hadden, en hij lachte, bij het +herdenken van de kleine overwinningen zijner ijdelheid, nog eens +stilletjes over, tegen den spiegel ziend om zijn haar, dun en zijig, te +kappen. Daarna tikte de barbier aan de deur. Hij maakte een praatje over +het weêr en Jozef dacht met genoegen aan de straat, waarop hij zich zoo +meteen weêr vertoonen zoû. Als hij geschoren en gekleed was, krulde hij +voor 't laatst zijn snor voor den spiegel, beschouwde zich met een +kalm-tevreden blik, en zijn voornemen om naar buiten te gaan werd minder. + +Als hij beneden ontbeet, had de dikke Dientje altijd een reden om in de +kamer te zijn. Dan vroeg zij of zij van-avond weêr op hem rekenen moest +met de deur, waar dan de ketting niet werd op gedaan. Hij andwoordde +onzeker. Dientje verzocht wel de komplimenten aan mevrouw. Daar had zij +altijd den mond vol van. Zij kon, dik en medelijdend, met een welgedaan, +gezond hart, onder de strakke paarse jurk, niet hebben, dat mijnheer +niet elken avond naar buiten ging. Telkens als hij van buiten +te-rug-kwam, en zij hem vóór kantoortijd even te spreken kreeg, vroeg +zij met drijvende oogappels en een deelnemende trek om den mond, hoe 't +ging met mevrouw. + +De kantoortijd was gauw voorbij. De bedaarde zaak ging haar geregeld +gangetje, zoo als zij het nu al veertig jaar lang had gedaan. Jozef zat +daar, krabbelde met zijn gouden potloodje over het korrekte koele +papier, kontroleerde eenige geschriften, dronk koffie en ging naar de +Beurs of dejeuneerde ergens anders en ging daar vandaan naar de Beurs. +Bij kleine buyen was te midden zijner verveling een lust door hem heen +getrokken, om zaakjes, kleine ondernemingen, te doen. Hij deed 't, maar +'t bleef bij het onbeduidende, eenige honderden gewonnen, eenige +honderden verloren, verder bleef de zaak op de oude klandizie drijven. + +Na de Beurs, als het in de jonge zon oplevend witte kleinen steenen veld +van den Dam zich om hem heen uitstrekte, terwijl zijn zintuigen links en +rechts door de glinsteringen en het gedruisch van de omgeving werden +aangedaan, gebeurde zijn groote aarzeling. Hij had een eigenlijk zwak +karakter. Hij wilde en bepaalde nooit vooruit wat hij zoû doen, zonder +dat hij op 't oogenblik van handelen er nog eens over dacht liever het +tegenovergestelde te doen. Dikwijls tusschen half drie en kwart voor +drieën op den Dam, werd hij dan woedend-driftig en werd zijn hals rood. +Nog eens was dus zijn levensinrichting vernietigd! Hoe had hij gehoopt +en gemeend nu het kalme fatsoenlijke genot-volle leven te hebben, tot +aan zijn dood. En daar stond hij op den Dam, als vijf, zes jaar geleden, +met zijn leêge handen, zonder hoûvast. De gevangen vogel was door zijn +vingers wechgevlogen. Hij was weêr alleen. Zijn rustige vriend de Stuwen +bestond zelfs niet meer, met wien hij over gewone levenszaken zoo graâg +op burgerlijke manier zat te praten. En de Stuwens dochter was daar +buiten, ook alleen, half dood eigenlijk voor haar man. Rechts voor hem, +vóor van Gend & Loos, vertrok de omnibus naar de Rhijnspoor. De klok +boven aan het Paleis wees aan, dat hij zich zoû moeten haasten. Maar hij +wilde niet, hij wilde zich niet haasten. Hij haastte zich nooit. Een +groot gedeelte van het gentlemanlike in zijn persoon, in zijn houding, +in alles was hij deed en naliet, bestond uit dat zich altijd meester +schijnen, uit dat voortdurend leven met ingehouden kracht, uit dat zich +nooit haasten. + +Wanneer de omnibus, het Rokin over, eenmaal uit 't gezicht was met zijn +op-en neêrgaanden kondukteur in het kader van de opening naar binnen, +viel er een drukkende lust uit Jozefs leden en scheen over de vierkante +gladde keyen wech te wolken, onwaarneembaar. Hij had dan niet langer te +wikken en te wegen en de langzame gewaarwording van het zich aan zijn +luiheid in de zelfregeering overgeven, verdrong zoetjes de +geestesspanning van zoo straks. Hij deed een paar stappen over den +harden stadsgrond, waar men ten minste over gaan kon zonder zijn +schoenen en broekspijpen te bestoffen zoo als in het zand, buiten. De +flauwe laatste openbaringen van zijn inwendigen twee-strijd waren de +gedachten aan de volgende treinen, waarmêe hij nog zoû kunnen +vertrekken, aan de rijtuigen, die dicht bij hem klaar stonden, waarmeê +hij dezen trein nog kon halen, die even door zijn hersenen glipten, maar +die verdampten in de onberedeneerde valsche zekerheid van dat dat +onmogelijk was. Hij liet zich gaan, drong zich gemakkelijk de overtuiging +op, dat het laatste middel om vandaag buiten te komen, niet meer bestond. +En hij had weêr een dag en een avond om zijn genietingen van vroeger te +herleven. + +Hij vond, zacht en weldoend in hun verbleektheid van herinnering, de +vroegere sensaties te-rug. Het bitteren in de club, de banale eeuwige +jeugd der vrienden, het eenigszins fijn dineeren, de altijd kittelende +herhalingen der zelfde gesprekken over rijke meisjes die onvermoede +huwelijken deden, over bankiersfaljieten, over wijnmerken, over spijzen, +over paard-rijden, over bals van den verloopen winter en bad-reisjes +voor den aanstaanden, zomer, vooral over de aanstaande van die en de +weduwe van die, over de allergewoonste zangeressen en over de eigenaars +van café-chantants, hij maakte ze weêr en weêr door, de oude verveling +was geweken, hij hoorde ze aan en sprak meê met zijn mooi bloeyend +gezicht, en lachende onder zijn prachtige snor. Hij ondervond, tot +overmaat van pleizierige bevreemding, weêr het genot van zoo gemeenzaam, +met het wijsheids-gemak, en de goedige onverschilligheid van den +ondervindingrijken man, die zijn wereldje kent, al die zaken te +behandelen. + +Vóor het diner maakte hij een enkele maal een toertje te paard, maar +zelden, héel veel hield hij er níet van. Na het dinee was het weêr een +komedie, een koncert in het Volkspaleis, een avondje doorgebracht bij +een oude vriendin. Maar kalm, alles bedaard, alles met de bedaardheid +van vroeger, vermeerderd en versterkt door zijn telkens meerdere +rijpheid. + +Den volgenden dag reisde hij trouw naar buiten. Hij vond Mathilde altijd +dezelfde, zwijgend, met haar zieke stem hem naar de zaken vragend, met +de eindeloze hoop op herstel. "Begrijp je, als ik weêr beter ben, +dan, ... begrijp je, als ik weêr beter ben" Altijd had zij andere +plannetjes voor de toekomst, allerlei kleine gelukjes, die zij samen +zouden hebben. Als hij twee, drie dagen achter-mekaâr buiten kwam, vond +hij haar vroolijker dan gewoonlijk. Maar als hij daarentegen eens +wechgebleven was, scheen ze dat toch niet zoo erg naar te vinden. En dit +stelde hem veel te vrede. Eene berustende, lijdende, gelijkmatige kalmte +was over haar gekomen. Eén ding was wel eens op hem gevallen. Was hij in +haar bijzijn, dan stonden haar blikken in zijn oogen, volgden zijn +minste bewegingen, drongen over zijn lichaam, met een vreemde volharding. +Dan vroeg hij haar bijvoorbeeld iets en andwoordde zij niet, zij scheen +hem niet te hooren, hem drinkende in haar starende, groeyende, zwijgende +oogen. Eens had hij gezegd, een beetje gedwongen: "Wat kijk je me raar +aan ...", zij zeide: "ik? ... ik? ... wat bedoel je? ... Wel neen, dat +verbeel-je je maar". + +Een andere keer als hij weêr, na de Beurs, op den Dam stond, van-zelf +naar de dommelende paarden van den omnibus kijkend, en hij was gisteren +pas buiten geweest, was het de last en het hinderlijke van de reis, die +hem deed besluiten in de stad te blijven. Onophoudelijk dat heen en weêr +trekken, in de stofterigheid of de smerigheid van de spoor en zoo, het +vervelende eentonige hossen, een paar uur lang, in zijn eentje, om als +belooning van zijn moeite in denzelfden afmattenden vreugdelozen +doodschen dampkring, buiten aan te komen, dat was heel onaangenaam. Als +hij den omnibus maar zag, voelde hij zich al hobbelen tusschen allerlei +burgermenschen in, met een door het dansen veroorzaakte tergende jeuk, +die hem noodzaakte aan zijn neus te wrijven elke vijf minuten, hij liep +al in de gedrongen haasterigheid van het stationsperron, hij voelde zich +het onbeduidende grijze landschap doorstoomen, verder de eenzame rit van +Vreeland, Kortenhoef en 's Gravenland in het gemeene tentwagentje, met +den viezen koetsiersjongen voor hem en den ouden hit, en dat alles om +zijn naren dag door een nog naarder avond te laten volgen, zonder zelfs +altijd bij Mathilde te kunnen zitten, korte woorden over het weêr en de +huishouding met de meiden wisselend,--neen, het was te akelig. Zijn +eenig genoegen was dan Marie te zien, zwaar en warmblank. Maar haar +verschijning prikkelde hem minder dan eerst, haar onnoozele +landelijkheid drong op den achtergrond zijner verbeelding, nu hij zijn +steedsche pleizieren juist weêr herleefde. + +Als Jozef naar buiten ging, zoo in een paar uur, uit het midden van +Amsterdam overgeplaats naar Hilyersum, steeg hij als uit een lauw bad +van geurend water in de koude ijzige lucht. Uit al de kleuren van +huizen, van winkelkasten met hun spiegelende ruiten, van de roepende +advertentieborden aan de muren, van de door gevellijsten afgelijnde +luchtvakken, waartegen het gerij, en gestap en geschreeuw opsteeg, van +het grommelend en witschitterende leven, waar hij met een stille genot +der gewoonte door heen wandelde, was hij ineens midden in de wezenloze +stilheid van het buitentje, waarvan de grijsheid en droefheid niet +opbloeiden in de lentezon, die het met vonken besprenkelde. + +Maar zijn grootste plaag was de rit 's morgens vroeg van Hilversum naar +Amsterdam met de dilligence. Daar hij volstrekt op het vaste uur--half +tien uiterlijk--op het kantoor wilde zijn, reden die treinen tusschen +Utrecht en Amsterdam, die te Vreeland stopten, allemaal te vroeg of te +laat. Ellendig! Dat was éerst een haastig aankleeden in het kleine +kamertje, hij sliep daar in een alkoof, waarvan het achterschot in twee +deuren geopend kon worden en dan uitkwam in de kamer van Mathilde. Hij +had daar willen slapen om vlak bij haar te zijn altijd. Er kon 's nachts +iets met haar gebeuren, had hij in het begin tegen den dokter gezegd, +nog niet wetende, dat hij niet alle nachten buiten zoû zijn. Nauwelijks +aangekleed, uit zijn humeur, moest hij ontbijten in de frissche vroegte +van de groote kamer. Marie was dan nog boven bij Felix; Jans had alles +maar half goed in orde gebracht, met slaperige oogen. Hij had zijn +koffie en zijn ei nog niet op, of uit de verte klonk het waarschuwend +getoeter van den diligence-kondukteur, snerpend en rauw langs de +vensters. Dan moest hij ijlings zijn overjas aantrekken, even, met een +gedruisch, in de klamme kalmte van Mathildes kamer dringen haar een +afscheidszoen geven op haar vermoeid gekleurde wangen na een pijnlijken +nacht, beloven dien middag te-rug te zijn voor het eten en--de oude +gele kast wachtte al in 't midden van den breeden grijs-gelen weg +in-éen-zakkend binnen zijn grove wielen. Binnen-in had hij 't niet uit +kunnen houden en maakte dus nu de tochten achter het vooruitspringende +bankje van den voerman, in de van voren uitgehouwen nis zittend, +waarover de met pakken en kisten beladen houten kap een eind heen stak, +tegen den regen. Er waren drie plaatsen op zijn bank, waarvan er twee +meestal door een groenteboer of paardenkoopman werden ingenomen En dan +begon de schommeling van twee en een half uur, terwijl de eene buurman +pruimde, kwijlde en spoog, de andere met den koetsier samen zijn gemeene +tabak rookte. Er waren geen gezichten van naderende lente ter wereld, +geen stille, bescheiden zonnestralen die zachtjes over zijn knieën +kwamen glansen, die hem vrede met zijn lot konden doen hebben. Meestal +trachtte hij te slapen, terwijl de ochtendwind zijn snorhaartjes +spartelen deed. Hij verachtte de gesprekken zijner buurlieden, trachtte +er niet op te letten. Hij vloekte in zich zelf om dat hij geen eigen +rijtuig had, dat hem, met twee onvermoeibare paarden, in de helft van +den tijd heen en weêr gebracht zoû hebben. En onbestemde oude lusten om +zich rijk te maken, om zaken te doen en zich binnen weinige jaren alle +weelde te kunnen veroorloven woei de lentewind door zijn hersenen bij +het aankomen in Amsterdam en met kletterend geraas en rollend gehobbel +door de Muiderpoort rijden. Hij zoû dadelijk beginnen, iets nieuws +verzinnen, speculeeren, een jonge onderneming, een maatschappij, een +premieleening op touw zetten. Maar op zijn kantoor, achter den kostbaren +lessenaar, die zich eeuwig verjeugdigde, eerst onder de ellebogen en +mouwen van zijn vader, nu onder de zijne, wolkten de plannen wech. Hij +was lui. Hij was bepaald geen man van zaken. Hij stelde zich weêr te +vrede met het betrekkelijke gemak, het tamelijke welzijn, dat hij nu al +genoot. Men mocht niet wagen, houden wat men had, dat was de hoofdzaak. +De voorzichtigheids-overtuigingen zijns vaders leefden in hem voort. Hij +voelde, in zijn kalme genoegdoening van mooyen man, met welbehagen de +beperktheid der cirkels van zijn begeerte en gedachten. + +Hetgeen Jozef weêr van-zelf zijn versmaad en vergeten leven van vroeger +deed beginnen, was de leegheid die van Mathildes kant vermeerderde. Hij +voelde Mathildes wezen uit zijn hart en uit zijn zinnen vervreemden, als +een stroom van 't een of ander, die daar langzaam uit zoû zijn +wechgevloeid. In Amsterdam, in huis, was zij niet. Hij liep langs de +bloementafel in den gang, langs de meubelen in de kamers, die daar op +haar verlangen zoo waren geplaatst. Er was niets, neen niets, noch de +looper op de trap, noch dat soort stoven in de binnenkamer, noch het +tapijt in de zaal, noch de pendule "voor", of zij hadden er samen over +gesproken, het samen uitgekozen. Aan alles was iets van haar en dat hem +haar voortdurend herinnerde, hij zag haar gaan, over hun woning te +vrede, met glimlachjes hem verzekerende, dat nu alles goed was. Hij kon +geen deur voorbijgaan, of hij zag het uiteinde van haar sleep daar +verdwijnen, terwijl zij zelve al binnen moest zijn om haar huishoudentje +te doen, een visite te ontvangen, hem op te wachten, haar huis, in een +woord, te bewonen. En nu! Wech was ze. Zij had het huis alleen gelaten. +Het verloor zijn bestemming. Hij herkende zachtjes-aan noch de +zolderingen, noch de wanden, noch de vloeren meer. Ja, het was toch wel +hetzelfde huis, maar het geen het vroeger maakte tot wat het was, was 'r +uit verdwenen. Was alles, al het omringend, de ruimten van den gang, van +de trapkast, van de kamers, vroeger dan beschilderd geweest met +tooverige voorstellingen, met verrukkelijke kleuren, was overal een +donzig en geurig behangsel wechgevallen? Neen, alleen een warme, +dof-roode tint moest alles omzweefd hebben en was nu wechgevaagd. Hij +scheen nu alle lijnen en hoeken, de afmetingen van den inwendigen bouw +van het huis, de grenzen der voorwerpen, beter, duidelijker te +onderscheiden. Een koude had de kleuren verminderd om de lijnen en +streepen duidelijker te maken. Hij zag alles naar voren komen, zich +afteekenen tegen den achtergrond, waarmede het vroeger meer éen scheen +te zijn. De ziel van het huis, de adem, was er uitgegaan. En hij zocht +in de stad het leven, dat hier weigerde zich aan hem voor te doen. + +Tusschenbeide, na dat hij weêr erg met vrienden in de stad samen was +geweest, joeg een dwaze begeerte hem met zekere snelheid naar buiten. +Een gejaagdheid sloop dan door zijn leden, die hun kalmte bijna +verloren. Zijn hand trilde bijna, als hij zijn kaartje nam aan 't +station. Hier stond hij met zijn leêge armen, met zijn verlaten borst, +voort! daar ginds was zij, die hem weêr dwingen zoû zijn armen om haar +schouders te slaan, zijn handen samen te vouwen over haar rug, haar +handen vlak uit tegen zijn borst en zich tegen hem aan drukkend. + +Als hij dan buiten kwam, week de waan geheel. Onveranderlijk zat zij +daar, eerst voortdurend in haar slaapkamer, later voortdurend in de +groote kamer, te zwak om hem bij zijn binnenkomst te gemoet te gaan, met +armen lam van uitputting, met beverige lippen, die hem nauwelijks +zoenden, hem altijd dezelfde vragen doende over hoe het ging in de stad, +over de zaken hem verhalende wat de dokter had gezegd, over het eten +sprekende: een geliefkoosde spijs, die gisteren voor hem was klaar +gemaakt, waarom hij toch niet gekomen was?, hetzelfde verschiet van hoop +in de toekomst openende, maar vager, met te-rugwijkingen van de stem, in +'t midden een volzin haar spreken stakende, en hem dan kalm, zonder +ontroering, zoo wonderlijk aanziende, dat hij, denkende met een +ziekte-verschijnsel te doen te hebben, het venster uitkeek en na een +poosje een opmerking maakte over het aangroeyende groen. + +Vóor den eten kwam Marie geregeld, als het mooi weêr was, met Felix van +een wandelingetje te-rug; als het slecht weêr was, van boven, om het +kind aan zijn vader en moeder te laten zien. Jozef vermeed Marie aan te +zien; Felix werd met gedwongen liefkozingen behandeld, terwijl er, met +dat kind tusschen hen beiden in, zijn blauwe oogen vragende wat de aarde +was, beurtelings naar hem en naar haar gericht, een wind van droefheid +snel, sidderend, tusschen hen uit heen woei, de glazige ruiten door, ver +over den weg naar buiten, en Mathilde wit werd, roerloos. Eens regende +het in een voorjaars-storm, vóor de komst van den zomer; in sabelende +scheuten kletsten de droppelen-massaas tegen het glas. Huiveringen +zwiepten langs den grond van kiezelsteenen, over het dunne opschietende +gras tot aan het hek. Het woud van kleine blaadjes in iederen machtigen +iepenboom, aan den grijzen weg, kromp ineen, fladderde als millioenen +vogelenvleugels, samen, buigend en wenkend, warrelend in angst. Het kind +kreet 't toen plotseling uit, in lange frissche geluiden uit de jonge +keel, zijn gezichtje wrong zich samen, verschrikt voor het naderende +leven. Daarna stond 't weêr effen, zonder een rimpel in het gladde vel. +Als Felix schreeuwde, droeg Marie hem wech, hem sussend, hem dansend in +haar armen. Jozef en Mathilde bekeken de lucht, ieder door een andere +ruit ziende, zwijgend, met lichte kuchjes en ademhalingen. + +Het gebeurde wel eens, dat de dokter zijn bezoek kwam brengen na Jozefs +aankomst, ofschoon hij meestal, in zijn tweewielig overkapt +dokterswagentje, 's ochtend vóor twaalven de ronde deed aan deze zijde +van het dorp. De dokter was een dik rooderig mannetje, bestaande uit +lagen vleesch en huid die op elkaâr zwabberden, een boerenzoon, die +gestudeerd had, het examen onder de oude wet had gedaan, en nu niet +zijn helle oogjes en mopsneusje zijn bewegelijkheid en bekrompen +levenswijsheid in een ruwheidsvoorwending uitstalde. Hij had een paar +brieven met zijn Amsterdamschen kollega over Mathilde gewisseld en +behandelde haar nu met zijn tergende flinkheid, zich onophoudelijk in +zijn verwachtingen bedriegende, onuitkomende voorspellingen doende, deze +koppige kwaal niet begrijpende. Wanneer het maar eerst zoo warm werd, +dat Mathilde bijna den heden dag in den tuin zoû kunnen doorbrengen en +wandelingetjes in den omtrek doen, dan zoû 't wel gaan. Jozef vond den +dokter een onaangenaam kereltje. Tegenover de wereldschheid van Jozefs +uiterlijk en manieren verborg hij zijn ergernis van boerenzoon onder +wantrouwende oog-opslagen en een soort van stugheid in de stem. Hij vond +zich belemmerd in zijn korte vette gebaren en in zijn driftig +plattelandsgeneesheers-gezach door de zwierig-bedaarde bewegingen en +kalme woorden van Jozef, die een hoofd grooter was dan hij. + +Terwijl de dokter dikwijls lang bleef zitten, Mathilde's onderworpenheid, +die zijn raadgevingen en gezegden aanvaardde, exploiteerende, stond Jozef, +die eerst meê gesproken had, in een hoekje aan den anderen kant van de +kamer, bladerend in een prachtwerk, ongeduldig onder zijn kalmte. + +Nu Mathilde haar dagen in de groote kamer leefde, dineerden zij daar +samen om vijf uur, als Jozef gekomen was. Om negen uur, half tien, ging +Mathilde naar bed, Jozef nam afscheid op haar slaapkamer, schoof +langzaam door het gangetje naar de groote kamer te-rug, na dat hij, door +de reet van de keukendeur, de warm rood blanke Marie gezien had, haar +roode vochtige lippen onder den lampeschijn, in den damp der kommetjes +koffie, tegenover Jans. + +Jozef ging ook vroeg naar bed, niet wetende wat te beginnen. Dan lag hij +dikwijls uren wakker en hoorde de stille ziekelijke woelingen van +Mathilde achter het schot. Hij hoorde haar hijgen, zacht opstaan, +drinken, en heen en weêr gaan met schuivende stappen, weêr gaan liggen, +zonder slaap, alles met de afgematte bewegingen van een eindigend +lichaam. Een woede steeg in hem op en maakte zijn hoofd heet, Wie, +verdomd, of wat, noodzaakte hem zich hier te liggen vervelen, in dezen +ellendigen uithoek van het Gooi! Welk leven had hij zich bereid, vier +jaren geleden! Allerlei denkbeelden en verwenschingen stegen op uit de +verste hoeken zijner hersens. Er was geen enkel in zijn jeugd wel eens +overwogen levensplan of het schoot hem nu weêr te binnen. Waarom niet +dit gedaan, waarom niet dat gedaan, in plaats van dat huwelijk! Waarom +was hij niet in Parijs gaan wonen of ergends in het buitenland, zoo als +hij zoo dikwijls had willen doen! Daar lag hij nu, zonder pleizier, +zonder iets! In wrevel spalkte hij nu zijn neusvleugels en hoorde het +heele losse huis kraken en inslapen om hem heen. + +Meestal in deze nachten, lag hij te luisteren naar de geruchten van de +eenige verdieping, boven zijn hoofd. Eerst hoorde hij de trap kreunen, +als Jans en Marie naar boven gingen. Jans sliep in een alkoof, van den +kleinen zolder uitgespaard, door een dun schot er van gescheiden, boven +Mathilde; Marie sliep op het tweede der logeerkamertjes, aan de +voorzijde van liet huis, juist boven Jozefs hoofd. Het huis was zoo +dun-netjes gebouwd, dat Jozef elke stap van de pantoffels der meiden +hoorde. Jans stapte licht, met haar magere oude beenen, Marie met zware +voeten, meer klotsend. Hij hoorde haar stilstaan, met een gespatter der +zolen, vóor Felix ledikantje. Daarna verder gaan, het getikker van haar +zaakjes, die zij op tafel leî, daarna een dof gemorrel, zij moest zich +uitkleeden, daarna: "nacht Jans, wel te ruste" en het bromde te-rug, van +achteren, veel verder af, als van iemant, die buikspreekt: "nacht, kind, +slaap wel"; hierop hoorde hij het zware liggen-gaan van Marie in bed. +Hierna was alles stil. Alleen een muis kraste achter het behangsel, en +sarde Jozef uit den slaap, tot hij herhaaldelijk was opgestaan, om hevig +te kloppen. + +Eens bleef hij vier dagen achter-mekaâr in Amsterdam, elken dag +telegrafeerende, dat hij te veel op het kantoor te doen had, om te +komen. Mathilde scheen niet verwonderd bij zijn te-rugkomst. Zij zoende +hem alleen flauwer, meende hij, en zag hem nog langer, nog wondelijker +aan, met haar wijde oogen, waar een vreemd iets in sprankte. Zij ging +een beetje beter, zeide zij. De heele beterschap zoû zoetjes naderen. + +Eens op een anderen nacht, tegen den ochtend, werd Jozef wakker. Hij +wist eerst niet wat hem wakker deed worden, wilde weêr inslapen, zijn +gezicht tegen den wand. Toen hoorde hij iets als blazen, ademen, iets +dat leefde vlak bij zijn hoofd, een wezen, een dier misschien. Hij +sprong op tot een zittende houding, draaide zijn hoofd boven zijn +schouders rechtsom, keek in de wemelende donkerte, luisterend, +onderzoekend. Het moest van achter het schot komen, uit Mathildes kamer. +Hij hield zijn oor tegen het-hout. Nu hoorde hij hijgen, iets als een +onhoorbaar schreyen, iets als een regelmatig kloppen van ver af, als op +een aanbeeld van uren afstands onder den grond. + +--Mathilde, riep hij, wat is dat? Is er iets in je kamer? Ben je wakker? + +Het geluid hield op. Hij kreeg geen andwoord. Hij hoorde zachte voeten, +wijkend, met het geruisch van een kleed er over heen. + +--Mathilde, ben je wakker? + +Nu sprak uit haar ledekant haar stem, zacht, gejaagd: + +--Ja, is er ies? + +--Hoor je niets in je kamer? + +--Ik? ...nee, nies ... + +--Is je licht aan? + +--Ja ... ik was zelf op, zoo met-een, om te drinken. + +--Zie je dan nies? + +--Ik? nee, nies ... + +--O, dan heb ik 't me zeker verbeeld, wel te ruste. + +Jozef sliep weêr in, zonder denken, niet begrijpend. De muis ratelde +voort achter het behangsel. + +Toen er anderhalve maand om was en Mathilde zich heelemaal aan het leven +buiten gewend had, bleef Jozef herhaaldelijk vijf, zes dagen achter- +mekaâr, eindelijk een week wech, eindelijk kwam hij drie keer na mekaâr +maar eens in de week over. + +Hij leefde weêr in het gemakkelijk leven van dadelijk genot. Mathilde +werd een voorwerp, waarmeê hij gedwongen was zich nu en dan bezig te +houden; een dame, die het lot nu eenmaal tot zijn verwante had gemaakt +en die hij genoodzaakt was tusschenbeide met beleefdheid, met +hartelijkheid te gaan bejegenen gedurende eenige uren. + +Jozef dacht er ook met ingenomenheid aan, dat men bezig was een +spoorbaan tusschen Amsterdam en Utrecht en Amsterdam-Amersfoort te +leggen, via Hilversum. Dat zoû de overtocht veel vergemakkelijken, +Intusschen dacht hij: als 't maar niet te laat is, dan! maar dit idee +verschrok hem niet veel: een levend of een dood lijk, daar was weinig +onderscheid tusschen. + + + + +XIII. + + +Twee maanden gingen voorbij. Het was het begin van Juni. Bagatelle +scheen, van den straatweg af gezien, hooger te zijn gestegen en rustte +nu, glansend bruin en wit in het zonnelicht, op zijn hellend voetstuk +van donker-groen zijig gras, dat de bloemperken, licht en zwaar roode, +omlijstte; de groote iepen langs den weg hadden van boom tot boom aan +weêrszijde hun bladeren saâmgevlochten, die in groote verwarde trossen +laag neêrhingen, vóor het huis. Alles bloeide, leefde, kwam tot +rijpheid. Zachte, goud-trillende windjes streelden de bladen, ruischten +rond met den zang van een vogel, heenstervend boven de schuinte van het +dak. De zon was overal. Bij de groep boomen, links van het huis, stond +een purper-bruine beuk, waarvan de bladen zich tintten als donker +paarlemoer, door den wind in de zon op en neêr wuivend. De sparren, in +boschjes, in de achterhelft van den tuin, aan weêrszijde, doften, morden +samen, zwart van groenheid. Vlak achter het huis, waar kastanjes, langs +de oprijlaan, hun pluimen van gedweëe, over elkaâr neêrvallende veêren +verhieven, mengde zich een strook droger, lichter groen tusschen de +donkere sparren. De vloer van den tuin was van streepen gras en kleine +grasvlakten tusschen de zwarte zandpaden en de witte kiezelsteenen. En +alom, over den grond en van de ruimten uit, hoog en laag, zag Mathilde +zich door een leven van groen omgeven, van goudgestraal doorschroeid of +uitgelegen in den zacht-gelenden glans. + +In dien tijd waren er in de meeste villaas in de rondte ook menschen +gekomen. Aan de eene zijde had Mathilde nu een oude dame, die daar een +leelijk vierkant geel huis, als een kast, bewoonde met een nicht; zij +waren streng protestant; zij hielden rijtuig. Als Mathilde 's nachts +niet slapen kon, hoorde zij het paard trappen op de steenen van mevrouw +Arlewijns stal, die door een gemeente-voetpad, van éen meter van +Bagatelles tuin gescheiden was. Aan de andere zijde dook tusschen het +gebladerte van zijn tuin, een nog lager huis wech, half +herbergiers-woning en oud, half societeit en nieuw. Achter Mathilde, van +haar tuin gescheiden door den nauwen, vies-klam-hobbeligen. Vaarderweg, +van vale aarde en stukjes steen, die altijd stil was, stumperde een +buitentje uit den grond, hokkerig, heelemaal van hout, ook met een +kleinen stal, op den hoek van den Vaarderweg en het melkpad met zijn +wijde akkers en verren gezichteinder, dat achterom, naar het dorp +streepte. Schuin tegenover Mathilde, aan de andere zijde van den breeden +straatweg, ijselijk wit, het andwoord gevend op de lachjes van +Bagatelles gevel, was de woning van mevrouw Rim, oude dame met groote +grijze krullen als klosjes garen aan haar slapen, met twee kleine +kinderen, en daarnaast, vlak tegenover Mathilde, bromden, vaal-grijs en +blauw, de hooge naakte muren tegen de lucht, van zweetend vlekkerige +steen gebouwd, van het eenige huis van twee verdiepingen in de +onmiddellijke nabijheid, vijf stokstijve vensters breed, de kostschool +der dames Streelink, die met hun vader, kreupel gepensionneerd officier, +daar hun brood verdienden. En verder volgden de villaas elkaâr op, +tusschen hun nu vol groen gewassen tuinen door, hun lichtgekleurde +voorgevels naar de zoo hoog groen bedaakte ruimten van den breeden weg +duwend. En niets dan boomen, planten en bloemen in de rondte. + +Als Mathilde voor het raam zat, in de groote kamer, reden er +eigen-rijtuigen, met opdampende stofwolken, den weg af naar het dorp en +omgekeerd; jonge meisjes in blauwe, witte en rose toiletjes, met +parasols, gingen voorbij. Oude dames, in het zwart, wandelden. Het was +een beweging en een stuk stadsleven door den zomer hier overgeplant. + +Mathilde had dien zomer langzaam zoo zien komen zoo zien worden om haar +heen, Als zij 's morgens opstond en de gordijnen voor de vensters +ophaalde, bloeiden er een lage lindeboom, links, dof, bleekgroen, en de +kastanjes voor haar uit. Links op den achtergrond, onder een groote plek +open hemel, schuilde een oud-Flora-borstbeeld, op een blauwsteenen +voetstuk, in een uitgebreide nis van bloemende boompjes, seringen, +jasmijnen, een gouden regen, wech. Twee seringenboompjes trosten hun +takken violette, licht-paarse ruikertjes over het Flora-beeld, met zijn +leege oogen, heen, en te midden van de groene heesters bloeiden aan +weêrszijde de gouden regen, met zijn uitstorting van innig-gele +bloemetjes, en de lage jasmijnen, met groenige warm-witte klokjes. +Daarboven, tusschen het netwerk der hoogste takjes en sprietjes uit, +daakte, heel ver en heel hoog, de tintelende blauwheid van den hemel. +Het was bijna aldoor mooi weêr; bijna elken ochtend had Mathilde dat +gezicht. Gedurende haar lange dagen, in de groote kamer, woonde zij de +wording van haar tuin verder bij, het gras, dat zich verdonsde en naar +boven schoof, de magere foksia-en geraniumplantjes, in de diep in het +zwarte zand gezonken vuiligroode potjes der bloembedden, eerst nog +bibberend van naaktheid in de voorjaarsbuyen, maar die later ontloken, +de geraniums met rood-stijf-fluweele blaadjes, als een regenscherm op +groene steeltjes uitgestoken, de foksiaas met gladde knoppen, scherp +gepunt als vogelsnavels. Voords de boomengroepen, waaraan aan beide +kanten het grasveld grensde, sparren en beuken met éen berk, waarvan de +krijtwitte stam als een lange gewrongen paal stond, en, als een magere +witte gedaante, Felix 's avonds bang maakte. En verder had Mathilde de +machtige iepen van den weg, en heel de overige natuur zien groeyen, de +bladen zich uitbreidend, zich aanéen-sluitend tot een dichte, wilde +grenzeloze massa, vol warmte en levensrommelende beweging, in ongelijke +samenhoopingen en bochten, met plotselinge openingen hier, dichte +samenknoopingen daar, onbeheerd, overal uitspattend en zich verdringend, +een onbeperkte warreling van groen. + +Mathildes uiterlijk eentonige leven van in de stad sloop hier verder +voort. Aan haar verminderende pijnen raakte zij eenigszins gewoon, zoo +dat die ook daardoor nog lichter schenen, zij voelde zich sterker +worden. Zij voelde de krampen in haar lendenen bij het oprichten zich +lenigen, maar de toestand van herstelling, waarvan de eerste teekenen +zich schenen te vertoonen, bracht met zich mede, verdovingen van haar +heele wezen, die uren duurden. Dan kende zij zich zelf niet en was als +schijndood, zoo als ze daar in bed lag of achterover in de luye stoel +geleund. Zij voelde niet, zij dacht niet. En anders, gedurende den tijd, +dat ze wél leefde, had zij maar éen bezigheid, die haar hersens en haar +hart deed werken: te denken aan Jozef, hem altijd, altijd, bij haar te +begeeren, hem altijd ver af te weten. + +Zij stond tegenwoordig om negen uur, half tien, op, in 't begin elken +morgen, in de nevelende ontwaking harer oogen, wéder verwonderd over de +felle frischheid der witte schemering van haar slaapkamer, vreemd en +akelig verschillend van de zachte donkerte, waaraan haar blikken in +Amsterdam gewoon waren. Eerst werd geregeld haar kacheltje aangelegd, +vóor zij opstond, met de harde tikkende en grommelende ijzergeluiden, +maar later, toen de zomer vorderde, gleed zij in de stilte der luwe +atmosfeer uit het ledikant, schelde Marie, deed haar peignoir aan, en +ging, een beetje moe, voor haar toilettafel zitten. Dan, met haar +nuchtere maag, overviel haar 't meest haar alleenheid, als zij zich te +binnen bracht, dat Jozef gisteren niet gekomen was. Een griezeling, een +klamheid streek, onder de kleêren, over haar huid tot aan haar voeten. +Marie kwam binnen en hielp haar wasschen, kappen en aankleeden. Mathilde +was toch nog zoo zwak, dat, als zij, haar hoofd naar voren buigend, haar +armen in de hoogte deed, driehoekig gebogen, de ellebogen naar buiten +gestrekt, om zelf een haarspeld te bevestigen of een propje te glijerig +binnen den vorm der chignon te dringen, er een tintelende vuurstroom van +lamheid door haar armen tot aan haar handen, tot door haar vingers klom, +en haar armen machteloos neêrzonken, in de witte kreukels van haar +schoot. Marie, wier armen bij het kappen links en rechts in de hoeken +van Mathildes half gesloten oogen stukken van verschrikkende gebaren +schenen te maken en wier stem met een hard-smartelijke klaarheid tegen +Mathildes schedel woei, vertelde altijd eerst van Felix, hoe hij +geslapen had, wat hij had gezegd, hoe hij hardop had gedroomd van de +heks uit het sprookje, dat zij hem den vorigen avond had verteld. Daarna +van Jans; Jans was wel zindelijk en verzorgde de keuken wel goed, maar +ze was een beetje ongeduldig van aard, zij knorde dadelijk als Marie +maar een paar minuten te laat beneden kwam, voor het eten of zoo. Verder +van een onaangenaamheid tusschen Jans en den slager; Jans beschuldigde +hem van niet het volle gewicht van het ossenvleesch gegeven te hebben. +Ja Mathilde had ook, nog half in slaap, dien morgen al luide stemmen +gehoord aan de deur. Dat was dát zeker geweest. Marie zeide daarna, dat +de melkvrouw altijd zoo vroeg kwam, en dat Jans hierom altijd zoo boos +was. De groenteboer was een beste man. Om nadruk op iets te leggen, +sprak Marie ook vlak in Mathildes gezicht, met de pas gedronken koffie +in haar stem. Mathilde nam in dien tijd, af en toe, met haar +ziek-bleeke, stilletjes bevende hand, het glas melk, dat voor haar +stond, het langzaam op en neêr bewegend, met kleine teugjes, die zij in +haar maag voelde killen, drinkend. Hoe was 't mogelijk, niet waar, nu +was men hier toch "buiten" en toch was de melk veel waterachtiger als in +de stad, zeî Marie. + +Aangekleed, ging Mathilde op een ochtend, zoo als gewoonlijk, bleek, +haar knieën bij elken stap de dunne wol van de peignoir in dadelijk weêr +verdwijnende sporen bol uitdrukkend, door het gangetje naar de groote +kamer. Als zij de deur van de slaapkamer open deed, om in den gang te +gaan, warrelden, van door de voordeur, die dikwijls openstond, of door +de keuken, waar de vensters hoog opgeschoven waren, wemelingen +zomerlucht over haar schouders, om haar hoofd, om haar handen, met +lichte streelingen, als zacht getinte geuren, en, als of zij haar borst +tegen een onzichtbaren balk stootte, die daar zoû zweven midden-in den +gang, dreunde een schok door haar lichaam, het plotselinge bewustzijn +van haar alleenheid, dat zich door alle zintuigen aan haar opdrong. Het +wrong zich door haar neusgaten, door haar ooren, door haar mond naar +binnen, naar haar keel, naar haar maag, het suizelde met de deeltjes +zomerlucht door de poriën van haar huid. Elken morgen schrok zij er van +en werd er nog moeyer van. De gesloten deur van de groote kamer, met het +éene glad-gele gevlamde stugge paneel, gaf haar daarop een +gewaarwording, die haar bijbleef tot zij de deur met de stroef-gillende +kruk had opengedraaid: Jozef was daar, achter die deur, achter dat +stugge gele houten vlak, dat den toegang versperde, nietwaar? Het was +donker, hij moest daar zijn. Hij zat daar als gewoonlijk in de groote +kamer, hij wachtte haar om haar mond aan den zijnen te drukken, zij zoû +nu dadelijk weêr een oogenblik staan met haar heele lichaam tegen hem +aangedrukt, haar beenen tegen zijn beenen, haar borst tegen zijn borst. +Hij was gekomen, gister-avond, van morgen, hij was gekomen om haar te +verrassen. Er was geen twijfel aan. Dat heele denkbeeld van zijn +wechblijven, van zijn verkoeling, was maar een akelige, benauwende droom +geweest, een pijn, die zij bij het wakker worden had kunnen afschudden. +En zij zag de omlijning van de deurpost, de hoeken, de duidelijke +afmeting van de gang-zoldering daar boven die neêrdeinde en opklom, met +zwaar-blanke trillingen. Hoorde zij hem daar niet hoesten? Hoorde zij +niet het kalm gefrommel van zijn koerant, het regelmatig gekraak van +zijn schoenen op de vloer? ... Van den gang, die van gedempter licht was +om het dikke hooge groen van den tuin er achter, kwam Mathilde, met +koele huivering over haar voorhoofd, de groote kamer binnen. Stroomen +helle blankheid, een algemeene siddering van glimmend, blakend wit; het +behangsel danste, de groote ruiten van de raamdeuren spiegelden, het +witgekalkte plafond steeg hooger, een witte zwakke luchtige jeugd was in +de rondte, eerst begrensd door de donkere kanten van de half opene deur, +daarna, toen Mathilde heelemaal binnengekomen was en de deur achter zich +dicht had gemaakt, alom, van, alle kanten, haar als ontvangend in een +bad van witheid. + +Mathilde liet zich op het effen glad groene kanapeetje zijgen, bevangen +door de helheid van de ochtendige kamer. Buiten, door de blauwig +spiegelende ruiten, bloeiden de roode bloemen van het groene grasveld in +haar oogen als heftig-roode stekende punten. En, daar achter, onder de +iepen door, strekte de breede geel-stoffige streep van den straatweg +zich voorbij, waarover gaauw, met een licht geraas, rijtuigen regelmatig +heen en weêr raderden in zwarte groepen bewegingen, bij langdurige +tusschenpoozen. Zóo bleef Mathilde langen tijd zonder gedachte staren. + +Zoodra zij zich sterk genoeg had gevoeld, had zij zelf 's morgens weêr +het huishoudentje willen doen, zoo als vóor haar ziekte in de stad. Dit +gebeurde om half elf, elf uur. Jans hield twee boekjes, dat van den +slager en het keukenboekje, dat zij nu binnenbracht met een mopperig +goeye morgen, knorrig in de drukte der eerste morgenuren. Jans ging +dadelijk weêr wech en Mathilde bleef alleen, over haar schrijfmap +gebogen, de witte schijn van haar gezicht met aarzelende rooderige +wolkjes er onder, bedolven onder het pak zwart vlossig haar. De peignoir +plooide zich op haar borst door het vooroverbukken. De velletjes papier +schoven tusschen haar kouwige vingers door, met zacht gefriemel en +schenen haar onvoelbaar dun. Zij las het keukenboekje. Over en door de +blauwe lijntjes van het papier stond geschreven in het doezelige +waggelende potloodschrift van de keukenmeid: brood zestien cent, +aardappelen dertig cent, arme vrouw twee cent, sleeper voor mijnheer een +gulden vijftig ... Nu sprongen er in eens tranen uit Mathildes oogen op +het schrift en bleven er in biggelende druppels op liggen, zóo +doorschijnend, dat de letters van Jans er doorheen nog herkenbaar waren: +brood, zooveel, aardappelen zooveel, arme vrouw ... En plotseling +scheeuwde alles in de rondte aan Mathilde de nutteloosheid van haar +leven tegen. Daar deed zij nu haar huishouden. En voor wie? Voor wie +zorgde zij eigenlijk zoo? Waar bleven de droomen van vroeger, de +heerlijke genoegdoening van alles zoo in orde te houden als bijdrage tot +zijn geluk! Een ontzetbaar verdriet, als een nog ongekende kracht van +haar binnenste, als een opperste bedreiging, die zich voltrok, rees op, +steeg naar Mathildes hoofd, daalde weêr neêr, vervulde haar, hing zwaar +over haar oogen, deed haar gezicht zwellen. Zij leunde tegen den rug van +haar stoel, wilde de smart doen wijken, en langzaam zien wechdrijven aan +den binnenwand van haar oogleden. Maar heete snikken bruisten op door +haar keel, een gloed van lijden vervulde haar wezen. Zij slikte nu +herhaaldelijk het water van haar mond in, om langzaam de smart te kunnen +genieten. Zij wilde zich herinneren, die heele geschiedenis van Jozefs +onverschilligheid nog eens in gedachten doorléven. En zij woonde weêr +alles bij, van het oogenblik af, toen hij Marie boven haar hoofd had +aangeraakt en zij hem had zien dalen, dalen langs den eindeloos +grijzigen trap. Zijn liefde was geweken in het verloop van den tijd, +telkens minder, telkens minder. En nu, nu was de liefde wech. Hij had de +blikken verloren, waarmeê hij haar kon aanzien, die zekere kracht en +buiging zijner armen, waarmeê hij haar kon omvatten. + +Maar neen, het kon, het kon niet zijn! Als zij weêr heelemaal beter zoû +zijn en hem weêr lief zoû kunnen hebben, volledig, zooals zij het zoo +graâg woû, dan zoû ook zijn liefde weêr opleven, die niet dood was, maar +alleen sliep. En toch, neen, wél was zijn liefde dood! Daar kwam een +huivering van uit de verte over Mathilde, door de ruiten, door het +behangsel. Zij hoorde Jozefs stem als heel ver wech praten, maar in een +anderen, onbekenden, een ijselijk vreemden toon. Het was zijn stem niet +meer. Zij zag hem gebaren maken, zijn mooye gestalte in een licht +zomerpak, zijn armen, zijn beenen bewogen; zij zag zijn groote +regelmatige tanden bij het bewegen der lippen onder den dikken knevel te +voorschijn komen; zijn fijne rijtjes oogharen bewogen op en neêr, hij +keek, als sprak hij ook met zijn oogen. Maar hij was het niet meer. Het +was een vreemdeling, die zijn gedaante had aangenomen. En toch wat was +alles om haar heen vol van hem, vol van zijn liefde. Was 't niet zijn +adem, waarin zij leefde? Had hij om haar lichaam en om haar geest niet +een sfeer geblazen, waarin alleen zij leven kon? + +Hoe wit was de kamer hier, hoe bloeide alles buiten in de zon! Maar in +wat voor een vreemde omgeving zat zij hier! Neen, zij kende deze kamer +niet, dit huis, zoo luchtig, zoo licht, dat men als een doos over haar +heen scheen te hebben gezet. Wat waren dat voor bloemen, zoo hoog, daar +buiten de ruiten? Waar was zij toch hier, wie had haar hier neêrgegooid, +zoo vreemd, zoo ver, hier "buiten"? Mathilde keek rond met groote oogen: +daarop streek zij met haar hand langs haar borst, om zich van haar eigen +bestaan te overtuigen. Zij wreef haar eene hand over de andere, drukte +de knieën samen. Daarop hief zij zich, nauwelijks, in zittende houding, +boven haar stoel, de borst en rug recht. Daarop leî zij kruiselings, +over de papieren van het huishouden heen, haar armen op elkaâr, kromde +zich, zonk inéen, drukte haar gezicht in haar armen en snikte, eerst +zachtjes, toen sneller, hijgende met een verdoofd kreunen, en eindelijk +met lange ademhalingen, uitgeput. Een vreeselijke leegte werd haar heele +wezen. Zij voelde alles wechgaan, alles haar verlaten. Zij schreide haar +ziel leêg. Nu eens huilde zij niet meer, zij scheen tot bedaren gekomen. +Maar dan, in haar dorst naar tranen, wekte zij weêr een herinnering op, +deed haar gedachte tot het bewustzijn van haar alleenheid terugkeeren en +borst op nieuw in snikken los. Zij zag haar heele bestaan vruchteloos, +al haar geloof, al haar hoop verbrijzeld. Zij was alleen, alleen; zij +deed haar handen aan beide kanten van haar hoofd, boven de ooren, om er +het begrip van haar alleenheid in te wringen, want haar hersenen wilden +niet begrijpen. Daarna stond zij op, bekoeld, rillerig, ging voor het +venster staan, haar voorhoofd tegen een ruit gedrukt boven haar moede +kwijnende oogen. De smalle strepen van haar tranen, die over haar wangen +afdropen, droogden in de van buiten komende warmte. Haar borst steeg en +daalde, terwijl zij een paar maal hevig zuchtte. Daarna keerde zij zich +om en ging, met haar oogen iets zoekende tusschen de papieren op tafel, +te-rug naar haar plaats. Zij nam een schrijfboekje op: het dagboek, dat +zij hield van Jozefs komen en wechblijven, En zij keek na: gisteren +"niet geweest", eergisteren "niet geweest", en verder "niet geweest", +"niet geweest". Toen dacht zij weêr na. Zes dagen! Waren het maar zes +dagen geweest? En al die tijd, dat zij alleen was geweest, ochtenden, +middagen, avonden, nachten, een eeuwigheid van bange gedachten, een +eindeloze angst, al die tijd, dat zij gestaan, gezeten, gelegen, +geknield had, haar blikken dwalende over de voorwerpen in de rondte, een +kastje, dat zij niet herkende, een hoek van de kamer die zoo +onbegrijpelijk leêg scheen! En vóor zijn laatste overkomst was Jozef +toch ook nog wel eens zes dagen wechgebleven. Kón zij er dan niet aan +wennen? Het was toch wel natuurlijk eigenlijk! + + * * * * * + +En het huishouden ging zijn gang met den onverschilligen tred van het +dagelijksch leven, als een vreemde koele man, die zonder te zien haar +gemoedsleven voorbijliep. Het was nu de tijd van koffiedrinken. Marie +kwam binnen, met haar blozende gezondheid en haar hoofd als een groote +appel, met Felix op haar arm. + +--Zeg dan: morgen, lieve moeder, goeye morgen! + +Het kind spande zijn oogjes, zonder wit, geheel door de blauwe bollen +gevuld, wijd open, hief zijn stukje arm, met de tengere vurig-roode +vingertjes naar boven, lachte schalks zoo als oude lieden kunnen lachen, +zonder wenkbrauwen, en herhaalde, terwijl de woorden zich oplosten in +het weeken van het ongevormd mondje: + +--Môye, liefe moede, goeye mô ... + +Mathilde, zwijgend, met een stijvigen glimlach, strekte de armen, nam +het kind op haar schoot. Marie, met het opengeschuif van laâtjes en een +gerinkink van zilver en glazen, zette klaar voor de koffie. Mathilde +zoende Felix op zijn dunne korte doorschijnende haar, zacht en glad als +hazewindenvel. Maar zij vond geen liefkozingen, die hem bezighielden; +hij draaide zijn groot bol hoofdje naar het venster, in geluidloze +verwondering over zijn moeder. + +Toen Marie even wech was gegaan om de kleine koffiekan uit de keuken te +halen, werd Mathilde weêr aangegrepen door het gevoel van daar alleen +koffie te gaan drinken, zoo dat het eten zeker in haar keel zoû blijven +steken. Haar alleenheid sloeg haar nu in den geest met de regelmatige +slagen der grijze scherpe eentonigheid. Het witte servet spreidde zijn +koude tergend voor haar uit, wierp zijn snijdende vierkantheid tegen +haar aan. Weêr begon zij te huilen. Haar armen hadden zich verlamd, zij +vergat Felix, die eensklaps zachtjes van haar schoot op de vloer gleed. + +Marie zette Felix' kleine tafeltje voor een venster. Uit een spanen +doosje werd een heel leger van kleine tinnen soldaatjes geschud. Felix +ging nu "opzetten" en in de stilte dronk Mathilde koffie. Zij at veel +brood, meer dan zij honger had, hopende haar leed er telkens bij in te +slikken; zij hield in die dagen meer dan vroeger van brood. Zijn +kruimerige droogheid en zijn brosse korst raakten haar gehemelte sober +en zedig, en brachten haar, met de herinnering aan haar vader, een +lichte zweem van zachte troost. + +Na de koffie deed Mathilde een wandelingetje in den tuin. In den gang +maakte ze een praatje met Jans over het weêr, heel even, en stapte +daarna met de zwakke treden van haar stoffen pantoffels op het straatje +en in de laan. Het was pas kort geleden dat de dokter permissie had +gegeven voor zulke tochtjes. Toen het heelemaal zomer werd, was zij +eerst gegaan een klein eindje, gesteund door Marie, toen weêr een eindje +verder, met haar wandelstokje bij zich, om uit te rusten. Zij ging nu +altijd naar de "hut", een prieël, een soort van wijdopenstaande rieten +kast, met een bank in de rondte tegen den wand en een vlekkerige +afgeschaafde groengele zwarterige ronde tafel in 't midden. In de hut +bleef Mathilde uren zitten breyen of lezen, tot aan het eten. Als zij +daar zat, zonder gedachte over de bladen van haar boek heen te turen, +moê van het droomen en treuren van al haar dagen en nachten, werd zij +onbewust het ruischen en leven van den tuin om haar heen gewaar en +vloeide de zomer door al haar zinnen binnen. Langs haar voeten, langs +haar schenen, haar knieën, haar dijen woelde de zomerlucht door haar +onderkleeren en zuchtte allerwege haar huid in. Zij voelde koude plekjes +aan haar beenen, als afgerond en zich plotseling op haar vel +neerdrukkend om haar uit haar mijmering te doen ontwaken. Zachte wind +wasemde met stille huiveringen door haar witte rokken, ritselde op langs +het kiezelpad van den bodem, deed den zoom van haar kleed op en neêr +gaan. Om haar heen had zij nu het grijsbruine licht, de ledige kleur der +rieten omkasting. Een rust ademde uit die beschermende kleur, van +achteren en van links en rechts, in de rondte. Boven haar hoofd had zij +de ernstige rieten kap, donkerder bruin, zwijgend en vooruitstekend, het +hemelblauw den weg afsnijdend om tot in haar oogen neêr te kaatsen. Maar +door de opening van de hut, die eindeloos scheen, voor haar uit, +zweefden alle kleuren en geuren, al het bloeyen en wasemen van den +heelen tuin met boomen, bloemen, lucht en aarde, met zijn geschitter en +geglans, zijn doffe en blinkende gedeelten, zijn jubelen, zijn beweging, +zijn warmte, zijn sidderingen, zijn liederen, op haar toe en omwemelde +haar gezicht. En zij werden krachtiger, de kleuren; zij wiegelden, zij +druischten, zij snelden, zij stormden op Mathilde aan, een koor van +kleuren, een wijd veld levende mozaiek, zij zongen harde, felle klanken +in haar oor. Toen, om de kleuren te verzachten, sloot zij half haar +oogen, de appels verflauwden zich achter den nevel der oogharen, haar +bleekroode lippen zegen zachtjes open, zoo dronk zij, haar hoofd even +naar achteren gebogen, den lauwigen zomer in met oogen en mond. De +zwakkere kleuren weken nu wech; alleen het donkere paars van een perk +rhododendrons, en het gelige en het sombere groen van het lichtelijk +golvende gras en van de zoetjes wuivende bladerenmassaas, de blankheid +van het huis, en de kleine plekjes van twee diep-purpere stamrozen, +bleven, vergoud door de tusschen het huis en de hut neêrvallende zon. En +het goud, het vloeyende goud, bleef de groote kleur, en wazig golfde het +heen naar Mathilde, haar oogen binnen. De teedere lauwe lucht drong in +haar keel, verdroogde haar mond, de geur van jasmijnen, in een +heesterboschje rechts van de hut, walmde op in haar neusgaten. Zoetjes +wiemelden pakjes lucht over haar voorhoofd, haar wangen en door haar +hals, neerhangende haarvlokjes in haar hals beefden stil heen en weêr. +En zij hoorde niets meer dan het kleine geruisch van de warmte. Zij gaf +zich over, zeeg naar achteren, haar hoofd over haar borst, haar handen +aan weêrszijde, tintelend en gevoelloos, van de bank afhangend; haar +vingers alleen maakten aarzelende, stervende bewegingen van uitrekken. +Een zalige wezenloosheid suizelde door haar hersenen. Hijgend nam zij +den zomer in zich op; windjes schenen van haar voorhoofd het bewustzijn +van het lijden wech te streelen. Maar dan begon zij eensklaps te hooren. +Een lijster sloeg klaterend klaar zijn geluid uit links, schuin boven +haar hoofd in het dennenboschje. En het schaterde door haar oor naar +binnen. Zij deed haar oogen in eens wijd open, richtte zich half op. Als +een slag van metaal vielen nu de zomerkleuren tegen haar aan, hel, +flikkerend, koud. Het purper, het groen, het wit, het goud, namen als +vierkante en driehoekige vormen aan. De kleuren werden lijnen, schenen +tastbaar. Dan week de slag en een loome droom als een onzichtbare +sluyer, suizelde van Mathildes hoofd en leden naar beneden. + +Tot aan het eten bleef zij in den tuin, tusschenbeide zachtjes aan een +beetje wandelende, telkens te-rugkeerende in de hut om uit te rusten. +Een enkele maal zag zij, naast een boschje groen of boven een bloem-perk +uit, Marie en Felix drentelen. Eens ontmoette zij hen in een nauw +voetpad. Marie en zij glimlachten vreemd en flauw tegen mekaâr, er was +als een onbewuste vijandelijkheid tusschen die twee monden, de eene +breed, grof, rood, vochtig, met zijn groote tanden, de andere flets en +verdund, waarvan de tanden niet kwamen te zien. Felix trapte in +speelschheid op Mathildes sleep, en lette verder niet op haar. + +Mathilde at eventjes over vijven, om dat Jans altijd een beetje te laat +klaar was, met Marie en Felix, in de groote kamer. Marie moest Felix +helpen, bond zijn servetje om zijn hals, sneed het vleesch op zijn bord +aan heele kleine stukjes, maakte de aardappelen fijn. Het servetje werd +onder zijn bord op tafel gelegd en Marie knorde op hem als er een lange +bruine of gele vlek op het servetje kwam, van zijn lepel of van zijn +mondje. Felix was tusschenbeide erreg wild en gooide de tinnen kroes, +waaruit hij water dronk op den grond. Dan zeî Marie: "ondeugende +jongen!" en kreeg Felix voor straf geen of heel weinig kersen aan het +dessert, Marie had verder aan Mathilde heel veel te zeggen; zij zat +altijd recht op haar stoel en leunde nooit terwijl zij aan tafel zaten, +om dat zij wel wist wat fatsoenlijk was. Zij schoof dan tusschenbeide +het eten naar een kant van haar mond en praatte met den anderen over de +buren en hun kinderen. Zij had gehoord, dat in het houten huis, achter, +aan den Vaarderweg, een dame kwam wonen, een weduwe met twee zoontjes, +die mevrouw van Borselen heette. Of dat diezelfde mevrouw van Borselen +zoû wezen, die Mathilde wel kende van vroeger uit de stad? Vrouw Steyer, +de huisbewaarster van de societeit, daarnaast, had het haar verteld, dat +zij gehoord had, dat 't een heele nette dame moest zijn, en de zoontjes +nog heel jong waren. Nu had Marie gedacht, dat dat dan misschien goede +kameraadjes voor Felix zouden worden. Want al lang keek zij eens rond of +er geen fatsoenlijke kinderen waren, jongetjes van zijn leeftijd, waar +Felix meê om kon gaan. Marie hield al sprekende, om het waarschijnlijk +te maken, dat wat zij zeide zeer goed bedacht was, haar vork rechtop +stijf op tafel gedrukt, terwijl Mathilde alles beaamde en alleen een +enkele maal flauw gesproken vraagjes over Felix deed, of hij goed had +opgepast, of hij flink had gespeeld. Daarna glimlachte zij goedkeurend +naar Felix bolle blauwe oogen met haar verdoofden lach of vermaande hem +gemaakt-onverschillig zoetjes, met een zwakke opheffing van haar +wijsvinger en een donkere ernst in haar oog. Felix lette weinig op de +gesprekken, maar keek voortdurend naar den straatweg, kraaide luid als +er iets voorbijkwam, dat hij herkende, en stak daarna uit verlegenheid +zijn vingers in zijn mond. + +Maar van-daag mijmerde Mathilde voortdurend zwijgend aan tafel voort, +nog onder den schrik harer gewaarwordingen van in den tuin. Zij voelde, +dat zij haar eigen verdriet dien middag in de kleuren had gezien, er was +iets gebroken in haar gemoed, de schelp van een inwendig oog was stuk +gebarsten. Nu kon zij beter dan vroeger waarnemen en rondwoelen in haar +eindeloos groot verdriet. Zij had al veel geklaagd en veel geweend, maar +zonder er op in te denken, en nu, nu zag zij zich zelve, maar zij +herkende zich zelve niet meer. Toen zij opstond van tafel, stond zij +verwonderd. Zij kon niet meer denken zoo als zij gewoonlijk dacht; het +bewustzijn van haar verdriet, het gewone, dat zij herkende, elken morgen +als het bij haar wakker worden in haar opkwam, en dat zij elken avond op +dezelfde manier in haar slaap zag verdwijnen, was wech; een ander, een +vreemd, een angstig benauwend, een hoog, een dreigend, was er voor in de +plaats gekomen. En zij was bang en verbleekte uit angst voor zich zelve. +Zij was bang en zag op tegen het hooge zwarte gevaarte, het gebouw der +gedachten en droomen, dat haar leed buiten haar om scheen te hebben +opgericht en dat straks op haar neêr zoû storten, zich verbrijzelend +over haar hoofd en haar hart in een eindelozen val van hooge donkere +brokken na elkaâr. + +Een half uur later zat Mathilde, terwijl Felix, eer hij naar bed +gebracht werd, zijn laatste wandelingetje liet doen, voor het eene raam +der groote kamer, haar handen gevouwen op den schoot, te wachten op den +naderenden avond. Het was nog helder dag, maar de zon, die 's middags +die klaarheid warm had gekleurd stond laag in de lucht, schuin achter de +iepen van den straatweg, en de klaarheid van den dag werd koeler, +onverschillig. Achter de dichtst bebladerde hoogten der boomen +verborgen, bescheen de zon den tuin niet meer, maar sprongen alleen +rood-gouden stralen van boven, tusschen de dichte takken door, als +snelle blikken van vuur, waarmeê die hooge boomen Mathilde bezagen zoo +als zij daar roerloos in stilte zat aan het venster. En de kleuren van +den tuin waren nu droger, duidelijker, niet meer verkracht en tot +brekens toe aangezet door de felle middagzon. De lucht was stil; alleen +in de hooge boomtoppen knikten klapperende blaadjes tegen het doffe +blauw van den hemel. In hun kalme waarheid hieven de kleuren van den +tuin zich opwaarts. Het groene gras was mat, overstroomd met de +wegduikende bleekgele boterbloempjes, bespat met de witte stippen der +madeliefjes, een stilstaande stroom, waarop de roode bloemenrondtes +neêrgespreid lagen. Het rood der geraniums was dof en dik, als gedroogde +bloedvlekken, de stamrozen schoten hoog te voren glansend zijig purper, +somber van schoonheid, de theerozen waren licht-gelig wit, +licht-groenerig wit, van een warme zuiverheid, de maandrozen slingerden +zich laag en verwilderd dooreen, met hun speelsch even blozende +blaadjes, dun en licht en uitgevallen als stukjes verscheurd geverfd +papier. De groepen boomen, aan weêrszijde van het grasveld, de sparren, +de beuken, duister groen, ernstig bruin, stonden nauw saâmgedrongen, als +zwijgende reuzenwezens, wachtend. De breede, stofferig-blanke weg van +voren, met enkele gele zonnevlekken, rustte, vlak, wijd, geruchtloos. De +boomen, de struiken, de huisblokken der omgeving waren dicht +samengeschoven, vast aan de aarde gedrukt, waar en koel. De schaduwen +waren bijna weg; alles scheen platter, zonder achtergrond, zonder +in-éen-smelting der kleuren, glad, effen, ijl, roerloos. Alles om +Mathilde heen stond als kunstmatig daar zoo pas in-éen-gezet, in de +bedaarde onbewegelijkheid van liggende en opstaande-legkaarten. + +Door de waterklare wit-blauwige vierkanten der ruiten, als een dunne +wand van gestolten licht zoo nabij Mathilde zich oprichtend, dat hun +stijve koelheid tegen haar bleeke hoofd scheen te stooten, bescheen de +kalmte der door de zon gebroken achtergelaten kleuren haar voorhoofd, +haar wangen, haar hals, weêrkaatste op haar gezicht, glipte bij +tusschenpoozen eerst onder haar half neêrgeslagen, zwaar hangende +oogleden door, trok die daarna op en vervulde dan telkens even haar +oogen geheel, helder en droog als een ontzachlijke plaat mat zilver met +regelmatig opkomen en verdwijnen aan haar voorbijgaande. Telkens als +haar oogleden open en dicht waayerden, vloden, als met langzame +wiekslagen, de wit-glimmende blankheid van daar buiten en de doffe +grijsheid der gesloten oogen van binnen na elkaâr voort; en wanneer haar +oogen zich sloten, hadden zij de vorm en de tint van wat zij gezien +hadden zich ingespiegeld en drukte deze zich weêr vaag af tegen den +geelbruinen achtergrond der oogleden. Zoo zweefde de witte breede wreede +kalmte in haar binnen en weefde zich in haar gemoed, zich samenspinnend +met al de draden harer verbeelding. + +Zij bedacht den geleefden dag. Zij zag hem in onbestemden indruk voor +zich als een geheel, vaag-vlottend-lankwerpig-omlijnd als het venster +binnen welks randen zij nu zijn vaal-blank einde waarnam, met het +hellere licht der hoogste ruiten van-boven. Maar hij was niet een vlak, +hij was een reeks vlakken na elkaâr, een koker van kleuren, de gang met +vreemde, onbekende, armigschuchter witte wanden in 't begin, rijk, +drukkend overstelpend goud, purper en groen in 't midden, en weêr kalm, +wijd, klaar blank aan het einde, de gang van tinten, waardoor zij zich +zag gaan, zachtjes levend den dag. En de zoldering, de zijwanden, de +vloer van den gang verkleinden zich, trokken samen. De zoldering daalde +tot op haar hoofd en schouders, de vloer was niet breeder dan haar +voeten, de zijwanden raakten haar armen en beenen. De dag verloor zijn +rechte lijnen, werd meer en meer de vorm van haar gestalte, de kleuren +golfden om haar leden, drongen zich over haar huid heen, het goud, het +groen, het rood, het purper hechtten zich aan haar vast van het hoofd +tot de voeten. De dag verloor zijn lengte, de witte uiteinden krompen +tot elkaâr, sloegen samen, een blanke gloed vermengde zich met de +donkere kleuren. De dag stolte zich om haar leden heen als een gloeyende +alles bedekkende tooi. Zij ging in een kleed van zomerkleuren. Van haar +schouders tot haar voeten was het goud en groen en purper, en om haar +hoofd hing een glinsterend witte sluyer en om haar voeten lag sneeuwige +satijn. Maar het kleed werd benauwend, het wrong zich aan haar op, het +huiverde haar huid binnen. En het kleurenkleed werd haar huid, werd haar +zelf. De dag werd éen met haar. En zij was gelukkig de dag te zijn. Zij +voelde zich niet meer; zij was van lucht zij was van licht. En altijd +zoû zij zijn, want de dag zoû nooit vergaan. Zij was in +eenzalig-roerlooze rust, in de onbewegelijke klaarheid der +omgeving opgegaan. + +En Mathilde droomde, zittend aan het venster; de ruiten, vaal-groenend +van naderende duisternis, lachten met een hollen glazigen lach. + +De zon was lager gevallen. Uit zijn donker-oranje-gloeyende rondheid, +hoog schuin, ver weg, zwierven nog rooyerig-gele stralen, als stukjes +regen van scherpe lijnen, door de heesters aan d'overkant van den weg +neêr, alsof zij gebroken in dat groen bleven hangen. Wijdweg, aan het +einde der platte velden achter de tuinen der buitens, was een laaye +gloed van blakend koper uit een zee van donkerder gloeyend goud +opgewasemd in de lucht, een brandende uitwolking van alle geeltinten, +van beneden af uit het warme bruinende vlammen-geel rijzend door het +vette okergeel, het scherpe citroengeel, het sombere hooigeel, het +dik-blanke roomgeel, het groenige geel van najaarsbladen, het droge +stroogeel, het bleeke duinzand-geel, tot een lichting van hel +zilverig-wemelend wit, vlottend omrand en doorsijpeld van gazig week +groen, blauwig-teêr violet, zachtglad bruin. Die gloed stuwde toe over +de platte velden, zich brekend tegen de beplantingen waarboven het +zilverwit vergrijsblauwde hoog in de lucht, tot Mathildes tuin luwend in +matte kwijnende klaarheid, achter de ruiten verzwakt tot een flauwen +schijn van wit-grijs, achter in de kamer stervend tot doffe schaduwen. + +Van den duister blauw-grijzen hemel daalde breed een donkere bleekheid, +de open ruimten vullend, de hooge ovaalheden der boomen, scherper +omlijnd, van elkaâr afzonderend, om de stammen heenstarend in wijde +open-grijze plekken, de bloemenkleuren verfletsend, het gras met zachte +deiningen van donker-groen versomberend, op den straatweg, over de +kiezel-steenen, tegen den gevel van Bagatelle, zich in onzichtbaar-ronde, +snel verdwijnende afdruksels verwittend. In een stillen, doodelijk-stillen +weemoed vergingen de dagkleuren. Een enkele maal vloden, als bewegingloze +windvlagen van verflensende herinneringen, strepen lichtschijn verwaterde +zonnestralen door de ademlooze droeve bleekheid. Een heele lichte wind, +als een kinderadem zoetjes rondwispelend, deed de bladeren der neernijgende +stamrozen even trillen; in de hooge boomen zusten de lichtste takjes en +blaadjes stilletjes heen en weêr, met een gerucht van verre snikjes. + +In de kamer wademden fijne, dunne zwarterige mist-tinten binnen. Boven +de piano, achter de stoelen, bezijden het kastje, onder de tafel, +strekten zich zware schaduwen. Zij streken doezelige randen om de +deur-posten en de lijsten der schilderijen, zij schuifelden in +driehoeken en schuine vierkanten tegen het plafond op, zij maakten de +wanden tot glansloze spiegels, waartegen de vaasjes, de beeldjes, de +hoeken van het kastje de leuningen en pooten der stoelen zich schetsten, +als kleine schimmetjes, vreemde figuurtjes, dof-grijze vlekken; zij +spreidden den donkeren schijn der stoelen-zittingen en van het +tafelkleed in lange stroken en flodderende plooyen over de vloer. Zij +ritselenden onhoorbaar voort, hun vormen steeds uitrekkende, +verbreedende, verdonkerende, als aanhoudende zware zuchten. Zij waren +als lange lage sombere fluisteringen van leed, die van de kamer uit naar +alle kanten door de wanden heendrongen. Zij werden weêr donkerder en +grooter, liepen als zwarte waterstralen langs het behangsel, vloeiden in +glansloze plassen over het tapijt, drongen als donkere wolkjes van boven +door het plafond. Dan verroerden zij weêr niet, bleven vast overal in +denzelfden vorm, als langdurige zachte echoos van den stillen +weemoedsklank van den avond. + +De dingen van de kamer waren hard-donker, zij drongen hun vormen uit, +scherper afgehoekt, van een inniger vastheid, als blokken en stukken +hard, ondoordringbaar hout en metaal. Aan den achterwand van de kamer +vergrootten twee kleine sofaas zich in een vermenging met hun schaduwen, +andere meubelen kregen bulten, warrige uitwassen, boller wordend, zich +uitzettend. De dingen leefden hun geheime leven, gewekt uit den kouden +dagslaap. Verbruind, vergrijsd en verzwart, schenen zij onmerkbaar te +bewegen in snel weêr rustende bevingen. Zij schenen sámen te leven, +zacht, met holle smartelijke uitingen in de diepe toonen hunner +schaduwen. + +Mathilde zat voor het venster, ingekrompen, als een klein wezen onder +den mateloozen avond, in-een-geslonken, samengestijfd tot een voorwerp, +een stuk van de kamer. Zij zat daar als een dof pak grijze stof, zij zat +daar als had zij zich tot steen verdroomd. De grijze plooyen van haar +kleed bleven in hun bochten, rondingen en gleuven onveranderd, als voor +altijd zoo gehouwen. De witte tegenkant van haar kleed tandde zich in de +schaduw in een lange gekartelde rand vergroot af en van den +wollig-zwarten schijn uit, die haar rokken op den grond maakten, sloop +de schaduw tegen haar gestalte omhoog, over de vlakke plekken van haar +kleed strijkend, binnen de voren van haar kleed glippend, haar gelaat +aan de eene zijde als tot dat van een schim vernevelend, haar bevangend +in een grijs-zwarte kleurenwade. Klagend zwart hing de kap van haar +loome haar over haar hoofd, waaronder alleen de bleeke plek der door de +ruiten vaal verlichte zijde van haar gelaat mat-wit uitscheen. Haar +leden waren lam uit-een-gezonken, haar oogen glommen zonder straal over +de zielloze handen op haar schoot. + +Buiten viel de zon wech aan den horizont. De gele gloed was lager +geweken, maar heel beneden over de aarde vloeide een stroom rijke roode +kleuren, opgolvend uit klompen rood-zwart, rood-bruin, rood-grijs, als +een heuvelrij aan elkaâr vast. Het bloedrood steeg door het +karmozijnrood, het rood van gloeyende kolen, het aardbeziën-rood, het +perziken-rood, tot een verteedering van roze, vol liefelijke kwijnende +lachjes, vol kusjes en kleine zoete vluchtige mijmeringen. Maar het roze +wemelde stilletjes wech, het was een zachte afscheidsgroet, de blik van +heengaande oogen, het laatste wuiven van een zakdoek bij het keeren van +den weg. En hooger in de lucht, tegen het verzwartende blauw-grijs, hoog +boven de boomen en den tuin, sloeg het rood van den gezichtseinder tegen +den hemel, het verpurperend tot een kerktint, tot een plechtige welving +van sombere kleur. + +Als een sneeuw van donker purper wemelde de schemering hoog in de lucht, +daalde, zich verpaarsend-tegen het boomengroen, in grijs-violette tinten +over de aarde neêrkleurend. Door de iepen langs den straat-weg voer de +wind, zij bogen hun toppen, en hieven ze weder en bogen nog eens met een +naar boven ruischend en zich daar los-kreunend geklitter der +gebladerten, als heenfladderend in de donkerte. Het grasveld stroomde +langzaam voort, donkerder, terwijl de bloemen-kleuren in zijn hooger +grommelende groene zwartheid verloren gingen. Het witte kiezelsteenen +pad, vlak voor de ruiten, vlood heen, giegelde ijlings weg onder de +zwarterige warreling die er bij scheutjes op neêr rookte en weêr +opwiemelde, kringend en krullend als stof om dansende voeten. De breede +weg gleed vooruit als in de verdroogde staalblauwe glansen van een +ijsbaan. Het purper verblauw-zwartte hoog in de lucht, het paars en het +violet werd bruin-zwart, groen-zwart, grijs-zwart. + +Langzaam, onmerkbaar langzaam en stil van alle kanten aanwolkend, dauwde +de schemering neér, Mathilde sluitend in een duisteren damp. Korte +schokken schoten, dadelijk weêr verstommend, onder haar kleed, als een +zwak hortend gestommel harer leden. Haar knieën naderden elkaâr en weken +weêr te-rug. Haar armen kromden zich nauwelijks uit naar ter zijde, +vielen weêr neêr. Haar saâmgevouwen handen ontbonden zich, de vingers +strekten zich in een bibbering even uit-éen; toen klamden haar handen +naast elkaâr neêr om de knieën. Toen raakte de koele duisternis haar +aan, het holle vaal grijs-bruin streek over haar slapen, haar wangen, +haar ooren, haar hals. En haar befloerste oogen rezen op, starend nog +zonder te zien, angstig omwimperd onder de samentrekkende zwarte +wenkbrauwenranden. En zij begreep nog niet. Haar keel trok zich samen, +een beklemming drukte haar verhemelte. Een gevoel van zich zelve niet te +zijn, de verwondering van een ziel, die niet weet hoe dat vreemde +lichaam om haar heen is gekomen, die niet weet, waarom die handen, daar +vooruit, de hare zijn, waarom zij de koude voelt van die voeten, zoo ver +beneden, ruischte op door haar hoofd, zette op in haar hersenen als een +wervelwind van naderende angsten. Het beeld van den dag wankelde in haar +hersens. Het verflauwde in iets dat er achter was, iets onbestemds +kleurloos, vol, diep, onpeilbaar. Was de dag dan niet meer? Verdween de +dag? De dag was toch zoo schoon geweest! En zij wilde niet, zij wilde +hem behouden. Zij wilde blijven zijn zoo als zij was geweest. Maar de +grijze wolk, waarin zij zich gehuld zag, wemelde uiteen. En de dag werd +haar onttrokken, sloop heen in de droeve vijandige duisternis. De +laatste stralen harer mijmering droomden als wazige donkere strepen uit +haar oogen wech. + +Zij bleef met ongebroken blikken staren op dezelfde plek aan den wand +voor haar uit, als was de dag daarin opgegaan, als wilde zij hem weêr +te-rugwenken naar zich toe of hem volgen in zijn vlucht door de +onmetelijke duisternis. Maar zij voelde haar blik omstooten door de +tinten der donkerte. Haar blik werd verslonden door de duisternis, die +zich tot in haar oogen stuwde, met harde slagen. En haar hoofd bewoog +zich voor het eerst, hief langzaam zich op, zwaar van het lange gepeins, +zich schuw voorzichtig draayende, als uit vrees van zich te bezeeren. +Zij onderzocht met schuinsche blikken de hoeken der kamer. Daarna zag +zij snel naar buiten in den tuin. Een schrik deed haar duizelen. En zij +richtte zich hoog op, en zij zat recht, het hoofd geheven, en zij zag +klaar in de duisternis, die onverbiddelijk om haar heen was gedaald, en +zij voelde zich als schokkend tegen den grond vallen, voelde plotseling +haar kleeren, haar stoel, de vloer met geweld haar raken. Zij voelde de +leuningen van haar stoel, die haar als koude armen schenen te omvatten, +den rug van de stoel met zijn twee dwarsplankjes en de openingen +daartusschen, die diepe leegten schenen. Toen zag zij de duisternis +grimmend, onbewegelijk. De schaduwen waren samengekweekt, bijna +verdwenen. De duisternis had zich tot dof-zwarte kristallen in de hoeken +samengedrukt, had de vormen der meubels aan den wand samen vermengd en +ze tot een groep vaag begrensde, donkere brokken en klompen gemaakt, die +als doode beesten met logge ruggen en stompe voorhoofden daar +neêrgezegen schenen. En onder liet plafond had de duisternis zich als +een tweede donkere zoldering vastgeklemd en over de vloer had zij zich +als een rouw-tapijt gespreid; zij beschimmelde het behangsel; de +schilderijen en platen aan den wand hingen als onder hoezen en als een +breede lage katafalk stond de lankwerpige tafel met haar afhangend kleed +in 't midden. + +Mathildes donkere oogen glansden door de kamer. Zij vroegen aan de +voorwerpen, waarom het zoo duister was geworden. Haar blikken dwaalde +over de vlakten der dobberende schemering naar buiten, zonder een +enkelen lichttint te zien. En zij voelde de afwezigheid van het geluk, +dat verloren was gegaan, verdronken, wech in de duisternis. Het zoû niet +weêrkeeren. Haar leven der laatste maanden schemerde als een eentonige +op-een-volging van donkergrijze smarten door haar geest. Zij zag zich +leven haar lichaam bewegen al die dagen. Haar voeten waren gegaan als in +een eindelooze leêgte zonder doel; haar armen hadden zich uitgestoken +zich geheven, zich gekromd, maar zonder ooit iets aan te raken, als in +de gebaren van een gek. Haar oogen hadden gezien, haar ooren hadden +gehoord, maar slechts ledige kleurloze ruimten en geluiden zonder klank. +En zij wilde het niet gelooven. Het kon, het kon niet zijn. Het was al +knakte er iets in haar hersens. Als een golf van vuur vloeide naar haar +hoofd. Zij zag op; en het kwam van buiten, van verre, als een gerucht +een voortdurend groeyend gedruisch, tot haar. Het bobbelde en wiebelde +en sprankte uiteen in de duizende grijze en zwarte belletjes en +balletjes van de ruischende duisternis. Zij huiverde te-rug en dompelde +haar blik weêr in de donkerder donkerte van de kamer. + +Zij zag dat zachtjes-aan de zwarte tinten begonnen te bewegen. Zij +maakten zich los uit de hoeken in wolkige kronkelende pakjes, +schuifelden langs de wanden en de zoldering, zweefden sidderend midden +door de kamer, weken weêr te-rug in de wanden en meubels, kwamen weêr te +voorschijn, sloten zich tot een wolk samen en losten zich op in een +ragfijne zwarte stofpoeyering. Zij waren als stillen droeve door +gebroken stemmen geneuriede melodieën, eerst zachtjes uitgebeefd, daarna +angstig verstommend, daarna samenklinkend in een doodelijk dof koor en +weêr vergaande in de sombere stilte. En zij kwamen van alle kanten te +voren! als slangetjes offerrook opwalmend van den grond, uit de wanden +schietend, onmiddellijk naast elkaâr, in verwarde rijen, van de +zoldering dalend al dikker en dikker, in de rondte wiebelend, dansend, +warrelend, voortvliegend als vogelenschaduwen, samenvloeyend tot een +regenlucht, zich uitstortend in zwarte druppelen. De melodiën werden +luider, zij klaagden hijgend, zij jammerden heesch. Zij waren de +herinneringen, die van alle zijden kwamen weenen om Mathildes hoofd. +Mathilde zag geen herinneringen, maar zij wist dat zij daar waren, +achter haar, voor haar, die schreiden, dat alles voorbij was gegaan Zij +zag ze komen van buiten, hoog uit de lucht, Zij hoorde ze naderen van +onder de boomen en uit de muren van het huis. Alle bloemen in den tuin +waren zwart geworden en in de wemelenden ruimten zag zij afgeronde +figuurtjes tuimelend dalen, zwevend stijgen, en roer-loos blijven, als +een uitstrooying van zwarte bloemen, die zich aan de voorwerpen +hechtten. In de kamer pakte zich de duisternis dichter samen. Tot een +zware donderwolk rolde zij onder het plafond ineen, bouwde zich langs de +wanden tot breede nevelzuilen op. De zwarte massaas daalden op haar +neêr, schoven naar haar heen, beklemden haar met hun grommelende donkerte. + +Zij stond op van haar stoel, met haar koude handen en haar zweetend +hoofd en het ruischende en razende bloed in haar ooren. Met haar kouden +voet struikelde zij tegen het voetenbankje. Zij bukte zich om haar voet +te betasten. Een wilde koude wriemeling ging door heur haren over haar +heete hoofd, een stroom van zwarte vlekken kwam voor haar oogen. Zij +stond weêr recht op, en zij was bang. Zij deed haar oogen dicht om niet +te zien, zij deed haar handen in de plooyen van haar kleed, om niet +aangeraakt te worden. En huiverend proefde zij de duisternis, terwijl +angstvlagen haar keel als met gloeyende koperen punten prikten, zich +rillend samenpersend in haar hersenen, haar wil verlammend. En zij bleef +alleen, schoorvoetend op en neêrgaande in de donkerte. De donkerte hing +in rechte strooken van de zoldering, bolderde tot zwarte rollen, die +tegen elkaar botsten en in elkaâr overrolden. Mathilde voelde de +afrondingen van haar lichaam als een tastbare levende vorm tegen de +duisternis ingerezen. Zij voelde den bol van haar gloeyend hoofd, zij +voelde de buigende vlakken harer koude schouders. De duisternis viel als +gesmolten lood, op haar hoofd heur haar verzwarend. Achter haar, dan +links, dan rechts, hoorde zij wijdgapende zwarte lachen, daarna een +giegeling van kleine hollende klaterende lachjes achter elkaâr. Daarna +het klotsend getik als van een tong, die in een mond op en neêr slaat. +Zij zag om zich heen en roerloos grijnsde de duisternis, maar, altijd +aan de andere zijde, draaide de donkerte haar woesten rondedans en +snikten de vreemde geluiden. En zij ging rond; zij wist immers wel, dat +zij niet alleen was! Er moest iemant zijn. Langzaam vorschte zij door de +kamer, schichtig voorover-buigend in de hoeken en boven de meubels, +meenende er een menschengedaante uit te zullen zien opdoemen. Maar er +was niemant. Zij betastte de stoelen en de tafel, maar de stoelen en de +tafel drongen pijnlijk hun harde levenloosheid in haar vingers. Maar er +moest toch iemant zijn, er was iemant in haar leven, die altijd bij haar +was. De armen naar voren en naar achteren uitslaande, met +uit-een-gestrekte vingers, liep zij rond over de vloer, van den eenen +wand naar den anderen, telkens door de zwarte eenzaamheid van den eenen +wand naar den anderen te-ruggeworpen, zich stootend aan de meubels, +stilstaand met gespannen oor, om naar de stem te hooren, die daar sprak, +heel ver weg, sneller voortloopend, met een wind om het hoofd, tienmaal +na elkaâr om de tafel heen, tien-maal langs de stoelen aan den +achterwand, in drift haar hand opheffend met een samenklemming der +tanden, stampend op den grond, hijgend door de neus-gaten, met +verglaasde oogen rondturend, eindelijk tegen den muur vallend, haar +armen boven haar hoofd, haar open mond in het behangsel gedrukt. Zij +keerde zich weêr om tot de duisternis en zij breidde haar armen uit als +om hulp te vragen. Maar de duisternis plofte neêr op haar schouders, +stroomde ruischend langs haar zijden naar beneden. Zij voelde den grond +niet meer onder haar voeten. En zij zag de vloer zinken en stijgen, in +breede schuine vlakken plotseling wijkend, zich weêr samenvoegend en in +vierkante blokken zich opstapelend om haar heen. De wanden trilden, +bewogen, schoven te-rug en naderden weêr met langzame wreedheid om haar +tegen hun groote platte vlakken te verpletteren. + +Mathilde strompelde naar de vensters, waar, als door groote gaten, de +grijze nacht van buiten vaal viel tegen de dichte kamerzwarte. En haar +oogen flikkerden en vlamden tegen den nacht, die van buiten op haar +toegolfde als een klimmende dampende gloed. Het grasveld vlak voor de +ruiten scheen hoog heen te stroomen, kwatelend en kabbelend in den wind, +die er van uit de schuddende hooge boomgevaarten wolken zwartheid op +nederwoei, met de golfkammen der nog als groen uitkomende hoogste +grassprietjes en de schuimvlokken der witte rozen. De zwarte vloed kwam +van verre, van allen kant, door de wuivende en buigende, zich in groepen +samenwringende en weêr losrijtende beplantingen om de huizen aan +d'overkant, van links en recht over den straatweg en door Mathildes tuin +aanspoelend met klotsend geweld, zich vermengend met de zware regens en +stortvloeden van zwartheid, die over Bagatelle's dak, en langs beide +zijden van de warandes, en van overal uit de lucht zich er in neêrgoten, +opzwalpend in vreemde druipende zwarte figuren en met een windvlaag +neêrzwierend in het hooge water. De breede donkergele streep van den +straatweg golfde onder den stroom door, zich in bochten opkronkelend, +zijn breede rug hoog opkrommend en weêr neerstrijkend, of zijn gele +effenheid verliezend, doorboord met wemelende puntjes en gaatjes als een +schelpenbodem onder den vloed. De iepen stuwden hun breede donkere +lijven tegen de zwarte lucht, zich als een bergketen samen-sluitend, +tusschen wiens toppen watervallen klaterende zwartheid naar beneden +gudsten, in een storm van droefheidsgebaren hun lange armen sidderend +losrukkend en er in een kramp van jammeren meê wijzend tegen den +donkeren hemel. De witte en grijsblauwe huizen aan d'overkant, met hun +kale muren, groeiden op uit den grond, hoog en naakt, als gesteenten van +geweldige droefheid, de donkerte der boomen en heester met hun breedte +vervullend, vooroverbuigend, zich splijtend en zich weêr samenvoegend, +zwaar en recht. Zij dreigden en voorspelden, zij waren ontzachlijke +steenen graven, stom en meêdoogenloos, langzaam waggelend op dezelfde +plaats in de zee van grauwheid. En zij naderden in hobbelende +zwenkingen, als met een heesch krijschen en een knersend gillen hunner +fondamenten, hun vervaarlijke blokken naar Mathilde heenbewegend in de +stormende zwartheid. Maar de geweldige stammen der hooge boomen aan den +weg schenen lichtelijk te verschuiven van hun standplaats, en zij +wankelden en zij rezen hooger en zij schreden tot elkaâr. Er barstten er +van-één, van hun wortels hagelde een warreling van zwarte vonken Op, +maar zij sloten weêr samen en als een troep ijzeren gedaanten drongen +zij naar voren. De bladeren en takken verstijfden en klonken zich samen, +schoten op in een vaart tot zwarte torens en zij bogen zich schuins, om +neêr te storten op Mathilde en op het huis. Maar de grauwe zee raasde +voort, hooger klimmend, woester stroomend. De boomen vielen er in wech, +verdronken, en steigerden als reuzige zwarte golven, hemelhoog er +weêr uit op. + +Mathilde zag naar boven, zag op zij. Zij zag zich ondergaan. Met de +groote blikloze star staande oogen, als van iemand die eindelijk +plotseling zijn leven ontdekt, stond zij voor het venster. En haar oogen +dronken de woedende macht met bevende begeerte. De zwarte vloed sloeg +tegen de muren van het huis, dat er straks in wech zoû zinken. De muren +dreunden, schudden in een aarzeling. In den storm bolden de muren zich +uit, vielen weér plat, heen en weêr zwiepend als linnen +tooneeldekoraties. Als een dorre, verstikkende kreet steende langs het +gewelf van Mathildes hart naar haar hoofd. En de muren van het huis +scheurden en de grond spleet open, En, zinneloos, voelde zij zich +wringen en in een afgrond sleuren, steeds vallend in steeds dieper +zwartheid, de leden geprangd in nauwe klemmen, het hoofd bonzend tegen +de vooruitstekende punten der in-een-stortende omgeving. Een wind van +ijs en een zwarte watervloed voeren over haar heen. Mathilde viel neêr +voor het venster. + +Maar zij deed haar oogen open; zij zag dat alles stiller was geworden. +Er was niets dan éen groote wijde grauwheid om haar heen, waarin de +muren der onbeweeglijk staande huizen aan d'overkant afbrokkelden, en de +steenen in klompen en brokken geluidloos wechvielen. Als na een hevigen +brand bleven stukken muur hoog opstaan in de ledige ruimte. Van de hooge +boomen vielen de takken en bladeren bij vakken wech; de stammen +vermolmden met wijde gaten. In de kamer braken de zwarte meubelen wech +zonder gerucht, samenvallend tot ongelijke hoopjes. Alles viel langzaam +neêr in een afbraak der heele omgeving. En zij voelde als brak ook haar +eigen wezen zachtjes van elkaâr, ontbonden door de grauwheid, zonder +smart. Het was zoo duister, dat zij haar lichaam niet meer in zijn +geheel kon onderscheiden, het was als lagen haar leden gebroken, van +elkaar wechgespreid. En haar verbeelding, opgebouwd van herinneringen +aan het verledene en droomen voor de toekomst, stortte in één, vallend +in een grauwe gedachteloze leegte. Er was niets meer, niets. Zij voelde +alles geëindigd, haar gemoed uitgedoofd, haar ziel gestorven. Zoo bleef +zij liggen, het hoofd tegen den rand van het venster. + +Mathilde werd opgeschrikt door stemmen en een geklepper van deuren, dat +van het rieten kabinetje kwam. Als een koude wind, die om haar hoofd +sloeg, in haar schedel klinkend met den langen naklank van een +stemsleutel, raakte het geluid van het onverschillige leven haar aan. +Het was Marie, die met de lamp in haar eene hand en Felix aan haar +andere hand binnenkwam. Felix moest goeye nacht zeggen. De kap van de +lamp, waardoor de wanden en de zoldering der kamer plotseling met een +blanke schaduw werden bedekt, de meubels en de vloer geel verlicht +werden, daalde tot even boven Maries mond, zoodat het onderste helft van +haar hoofd warm beschenen werd Marie zeî "Wel mevrouw, ik wist gerust +niet, dat u hier in donker zat, ik dacht, dat Jans u de lamp al lang +gebracht had". En zij glimlachte. Als het hart van een opengesneden +vrucht blonk het vochtige wit van haar tanden midden in het glinsterend +sap van haar tandvleesch en lippen. De huidplekjes onder de uithoeken +van haar mond waren van blankgeel perziken-fluweel. De lampenschijn +wierp plooyen van koud en warm blank in haar hals en verguldde er de +onderste verwarde haartjes. Maries mond scheen te lachen om de +duisternis in de kamer. + +Felix was naar Mathilde geloopen en riep: + +--Nacht, moeder, wel te ruste. + +Mathilde, die naar Marie had gekeken, boog zich tot Felix. Maar toen zij +boog, zag ze hem aan en ze zag hem zoo als ze hem nog nooit had gezien. +Want hij stond met zijn hoofd een beetje naar den rechterschouder +neigend en steunend op zijn rechter been, met een zekeren lieven blik in +zijn oogen, heelemaal als de verkinderlijking van de houding en den blik +waarmeê ze Jozef zoo graâg zag. Felix leek zóo erg op zijn vader. Er +ging een trilling onder Mathildes gezicht, haar neus-vleugels beefden, +haar oogen bibberden half toe. Zij knielde bij Felix neêr. Zij drukte +zijn hoofd tusschen haar koude handen. Zij kust hem, dat haar tanden er +pijn van deden, op zijn voorhoofd, op zijn haar. Zij streelde zijn +oortjes, zijn wangen, wild en hard. Zij fluisterde hem toe op een +heeschen toon; "goeye nacht!" + +Marie stond glimlachend-wachtend te kijken, hoe mevrouw Felix zoo +hartelijk goeye-nacht kuste. + +Toen Mathilde weêr alleen was, deed zij het eene venster open. Zij ging +in den tuin en liep haastig voort, als moest zij iemant aantreffen. +Achter in den tuin, dicht bij het Flora-beeld, bleef zij staan. Zij was +hier-heen gesneld om zoo gauw mogelijk ongezien de eenzame wellust te +kunnen genieten van het besluiten tot een gesprek met Jozef, waarover +zij mijmerde. Haar oogen knipten, om niet afgeleid te worden bij het +bekijken van haar gedachten, en zij slikte murmelend, om met aandacht +het genot van haar besluit te proeven; er kwam, in een warmte om haar +voorhoofd en wangen, het besef, dat zij slagen zoû in wat zij wilde, en +het liep als een zoete prikkeling over haar hoofd. Het was zoo +gemakkelijk, wat zij had bedacht. Zij zoû van haar benauwdheid uit tot +Jozef gaan, hem al haar verdriet zeggen en hem vragen of hij weêr van +haar woû gaan houden. Vroeger had zij wel gedacht, dat als Jozefs liefde +wech was, die door geen woorden ter wereld weêr op te wekken zoû zijn en +het dus maar beter was te zwijgen, maar nu voelde zij haar wangen +gloeyen van een koorts van woorden, die zij tot hem spreken zoû. + +Zij wandelde zachtjes heen en weêr, haar hoofd gebogen onder den +nachtwind, haar gloeyende oogen over het zwarte pad. Waarom zij tot nu +toe niet had gesproken, wist zij niet. Zij had niet gedurfd, zij had +niet gekund. Hij zoû geandwoord hebben, dat hij daar niets van wist, dat +hij van haar hield, zoo als vroeger. Maar als hij haar dit nu +andwoordde, zoû ze hem zeggen, dat hij loog, maar dat zij hem wel weêr +van haar zoû doen houden, dat zij zich zoo gezond en weêr zoo mooi zoû +maken, dat zij zóolang alles beproeven zoû, tot hij weêr veel, veel van +haar hield. Zij was heet van verlangen naar de tijd, dat zij hem spreken +en overwinnen zoû. + +Door de lucht, die een plaat van donkerblauw metaal scheen boven den +tuin, gloeiden de groene, blauwe zilveren en gouden punten der sterren, +met een veraf blakerend gezuis. In de blauwe duisternis schaarden de +boomen hun donkere pyramidale lichamen om Mathilde heen en deinden heen +en weêr, ruischend in den kleinen nachtwind. Als een vrouw, die, met +genietende oogen, haar hoofd opheft tot haar man, om bezien en gekust en +gestreeld te worden, hief Mathilde haar hoofd naar den nacht. En de +nachtwind drukte zich tegen haar borst, gleed langs haar hals en haar +wangen, kuste haar mond. De sterrenhemel, zacht en goud, daalde neêr, +bescheen haar witte gezicht met stille glansen. Maar plotseling vielen +sterren in haar oogen langs schichtige stralen. En heur haren woeyen op, +als zwarte vlammen om haar hoofd. + +En de hoop, de laatste hoop leefde in Mathilde, schoot in haar wezen als +een hooge plant, die, zich wortelend in haar hart, het bewegen en +kloppen deed onder haar kleed, die zijn takken in de vreemde +kronkelingen van droomerijen en gedachten over een gelukkige toekomst +door haar hersenen slingerde, die eerst glansend bloesemde in de blikken +vol licht, die haar oogen door het huis wierpen, die daarna teedere +bloemen voortbracht in het schuchtere rood, dat een enkele maal door +haar wangen kwam. Zij begreep niet, wat haar zoo gauw had doen +veranderen. Zij ging door het huis, met een lichten, vluggen tred van +iemant, die onbezorgd is. Zij deed haar huishoudentje met een +opmerkzaam, nauwkeurig gezicht en met armgebaren vol blijde haast, als +een pasgetrouwde vrouw verheugd over het haar toevertrouwd beheer. Als +zij alleen was lachte haar bleeke mond plotseling. Zij keerde dan haar +gezicht bijna geheel naar het plafond. De lachjes kruiden op uit haar +keel, lachjes, waarin de ha-klank rolde door haar mond, eerst in diepe +toonen, later in hoogere toonen over haar lippen dansend, opkrinkelend +tegen het plafond, waarop Mathilde heerlijke toekomst-beelden scheen +afgeschilderd te zien. En daarna lachte zij weêr in zich zelve met +gesloten mond, met denkende oogen over de vloer, terwijl de lach met +rukken uit haar schuddende borst opsteeg, met een gekreun door haar +keel, als een wind uit haar neusgaten wech woei. + +Zij kon zich nog niet van Zich zelf losmaken en op een afstand haar +eigen ik en haar toestand beschouwen. Zij was nog geheel in zich zelve. +Zij voelde, dat zij, om te bestaan, Jozefs liefde noodig had, en daarom +wist zij, dat die te-rug moest komen, dat de toekomst goed zoû zijn. + +Zij bleef in Felix Jozef zien, een tweeden Jozef, een kleinen Jozef heel +klein, heel vreemd. Zij merkte, als Felix lachte, trekken om zijn mond +als die van Jozef, zij zag sommige rose plekken aan zijn ooren, juist +zoo als Jozef er had. Zij omgaf zich van Felix. Zij voelde niets +moederlijks voor hem, zij voelde zich bijna als zijn vrouw, met een +wondere angstige, koortsige, voor haar zelf onbegrijpelijke hartstocht. +Als zij 's middags door den tuin wandelde, liet ze hem naast haar loopen +aan haar hand, en ze liet hem niet los, maar klemde zijn handjes in de +hare; haar oogen straalden met wijde ongebroken blikken over zijn hoofd +en zijn lichaampje heen. Zij drukte zijn handje vaster, opdat hij naar +haar op zoû zien. Haar oogen goten heete stralen over hem uit. Wanneer +ze in de hut zat stoeide ze met hem, liet hem op haar schoot zitten, leî +hem rechtuit over haar knieën, gleed met haar oogen van zijn voetjes tot +zijn hoofd, hechtte haar blikken aan zijn leden, drukte haar blikken +over zijn gezichtje, verdronk hem in haar oogenspiegeling, zelve dronken +van hem te zien. Zij betastte zijn lichaampje met teêre neêrzijgingen +harer vingers om zijn armen, om zijn beentjes heen. Zij streelde zijn +hoofdje met bevende liefde-handen. Zij leî, hem zacht omvattend, haar +handen over zijn schoudertjes en drukte hem tegen haar aan, zijn hoofdje +onder haar hoofd. Zij wilde, dat hij spreken zoû, omdat zij Jozefs stem +wilde hooren. Zij vroeg hem, of hij van haar hield, of hij van zijn +vader hield, of hij zijn vader wel kende, of hij zoo groot zoû worden +als zijn vader. Als het kind niet andwoordde, bracht zij haar oor aan +zijn mond, opdat hij daarin ademen zoû en zij uit zijn adem klanken op +zoû vangen. Zij bracht haar mond aan zijn mond om zijn adem in te +ademen; zij hield haar oogen voor zijn mond, opdat hij ze bewasemen zoû. +En als Felix tegenspartelde en bang was en wech wilde, dan schudde zij +hem, tikte hem op zijn handjes, zag hem boos aan. Als het kind dan +huilde en zijn roode armpjes voor zijn oogen bracht, zette ze hem op den +grond, boog zich naast hem neêr, hem in de ronding van haar arm nemend, +en, haar hoofd naast het zijne, tegen het zijne aan, huilde zij meê. Zij +huilden met hun tweeên in den stillen zomer. Hun tranen drupten op de +kiezelsteenen van de hut. + +'s Avonds, vóor Felix naar bed ging, moest hij bij Mathildes stoel +staan. Dan zoende ze hem zachtjes zonder ophouden op zijn voorhoofd, op +zijn haar, op zijn handjes. Als het oogenblik van goeye-nachtzeggen was +gekomen, hief ze hem hoog op, tot vlak boven haar hoofd, bracht daarna +zijn gezichtje vlak voor het hare, staarde in zijn oogen tot die +dichtvielen en deed vreemde vragen: "Waarom ben je vader niet? Ben-jij +Felix, ben-jij niet Jozef?" Als hij weêr op de vloer stond, kuste zij +hem op zijn wangen goede nacht, langen tijd, haar mond aan zijn gezicht, +Het gebeurde, dat zij, later in den avond, nog niet was voldaan, dat zij +niet slapen kón. Dan sloop zij naar boven door den stijgen-den nacht der +trappetreden. Zij stond voor Felix bedje, als Marie al sliep. Zij bleef +een half uur staan staren over het witte dek en het gladde hoofdje, met +de roode rondte van zijn open mondje, dat er boven uit lag. + +Jozef was er nu in negen dagen niet geweest. Den Zondag, den dag, dat +hij toch altijd kwam, had hij nu ook overgeslagen. Dinsdag 's morgens, +tien minuten over half elf, toen Mathilde aan haar huishouden Zat, +bracht Jans een brief van Jozef binnen. Het was een vierkante enveloppe, +van gelig oud-Hollandsch papier, dat mooye papier, waar Jozef altijd op +schreef. Jans leî den brief op tafel en draaide, drukkend, er haar +wijsvinger half op om, als wilde zij den brief beletten wech te vliegen, +en, zich omkeerende om heen te gaan, zag zij, van onder den strengen +boog van haar kornet, nog met twee zorgzaam-ernstige blikken naar den +brief, zeggende: + +--Die brief is gekomme, mefrouw. + +Voortschrijvende aan haar huishoudenboek, nam Mathilde, met een korte +koude verplaatsing harer blikken onontroerd, als een gewoon en verwacht +ding, het gelige vierkant van den brief in haar oogen op. De brief lag +daar, alleen, hoog op het stijve tafelzeiltje. Hij lag daar, als een +vreemd licht voorwerp, door zijn pasaangekomenheid als een vierkantje +nieuwe frischheid opwittend uit het zwaardere, in zijn gewoonheid oudere +kleurenwezen der kamer. Terwijl Mathilde voortschreef en naar haar +schrift keek, bleef de brief, links in de schuinte, als een scherp +omlijnd wit vlakje van de tafel, in haar oog liggen, als een klein +vormpje door zijn ongeknotte gladheid en verscheid in een hoogen witten +klank roepende, dat hij zoo even hier nog niet was. + +Mathilde nam den brief op, waardoor hij haar oog naderde en heel +lichtelijk grooter en zwaarder werd. Jozef verontschuldigde zich, zoo +als altijd, dat hij verleden Zondag niet gekomen was en dat hij vóor +aanstaanden Zondag ook niet zoû komen. Het opengevouwen bladje strekte +zich dun-stug tusschen Mathildes bleeke vingers met het gerekte geritsel +als van verflauwde gewrichtsverbuiging en zij had heel even het +grijs-bleeke gevoel der kille leegte die van het papieren vlaktetje over +haar wangen steeg, dat zij altijd na het lezen van zijn briefjes had, +maar nu heel vluchtig, zich terstond oplossend in de lichtblauwe +breedheden van hoop, waarin haar denken waadde. + +Jozef zoû dus Zondag komen. Dat de dag nu bepaald was, waarop het +gewichtige gesprek, zoû plaats hebben, verergde Mathildes +zenuwachtigheid, en maakte haar vertrouwen op de uitkomst +nadrukkelijker. Zij voelde zich verjeugdigen in de gejaagdheid, waarmeê +zij den dag tegemoet zag. De soort prikkelingen, die van haar voeten tot +haar hoofd als regens van speldeprikken liepen, die van haar hart uit +door haar keel stegen, als een inwendige kreet van begroeting en een +roepen om nader te komen, herinnerde zij zich alleen van lang geleden, +toen zij nog niet getrouwd was en zij Jozef wachtte, die andwoord moest +komen vragen op zijn gedaan verzoek. Maar snel, als raakte de vleugel +van een voorbijvliegenden ouden grijzen verlepten vogel haar achterhoofd +aan, wipte het gezicht van de kamer op den Oudezijds-Voorburgwal, en +Jozef, die de stoep opkwam, en hun eerste kus, door haar gedachten, en +wech was het weêr, vernietigd onder het beeld van den aanstaanden dag, +dat haar gelijk de prijsuitdeeling den scholier, als een vaag, groot, +zwaar donker lichaam, als een in haar verbeelding gewrongen balk, onder +zich neêrdrukte. Daarna werd zij den dag weêr gewaar als een donker +blok, maar er om heen waren stukjes planten-en bloemengroei en gele +randen zonneschijn, omdat zij den dag zag in den tuin, waar ze hem met +Jozef leven zoû. + +En zij liep door het ledige huis, En het zilveren licht van haar +verlangende oogen straalde tot de wanden en zolderingen en bleef er +hangen in zilverschijnende plekken. En het huis wachtte met haar samen +op den geluksdag, die nu eens langzaam aan scheen te komen waren uit de +verte, in breede rollen van wit en blauw en goud met hoog geboogde +luchten en wijde bloemende grondvlakten, die dan weder in de verte +achter een hoogen poort vol ruischende glansen op haar scheen te +wachten, tot de tijd haar tot hem heen zoû hebben gevoerd. Jozef zoû +Zondag komen. Stroomden door alle vensters niet licht en kleuren naar +binnen; openden zich de ramen en deuren niet tot aan den grond om hem +binnen te laten? En de stilte van het ledige huis vulde zich immers met +ruikers van zonnekleuren, omdat hij komen zoû? En zij liep door het +huis. Haar voeten wiegelden vluchtig over de blijde vloeren. De vloeren +gleden voort onder haar voeten, niet de matte kleuren der tapijten als +open gebroken door de wit-gouden rondtes van zonnelicht, waarin enkele +bladerenschaduwen stilletjes wenkten. + +Zij zag zich treden door de deurposten in de ruimten der kamers, en de +wit-omlijste beperking der deur-posten sprong te-rug om haar heen, om +dat die tastbaar was, maar de ontastbare ruimten vol waren van goud-en +wit-wemelende hoop, die Mathilde omvloeide. Zij zag zich gaan langs de +wanden, en de wanden schoven haar voorbij, stil wit-lachend vlak en +recht. Het was haar of zij altijd verder zoû gaan, het hoofd naar voren, +den dag zoekende, die in de verte stond. Als zij een stuk wand zag, was +het alweêr achter haar. Kwam zij aan een hoek waar twee wanden elkaâr +raakten, dan kon zij niet verder gaan. De eene wand leidde haar naar den +anderen, maar allen waren zij met lichte kleuren, en zij zag hen aan, en +zij spreidden zich uit, blank en breed; glimlachjes speelden in de +figuren van het behangsel. Mathilde zag door het huis en zij zag, dat +het mooi was. Maar als zij in den tuin keek, was overal weêr de +gezichteinder, de grens van haar blik, die zij zich niet begrijpen kon. +Zij wilde dieper zien, was er nergens een verre, verre opening? maar de +kleurvakken van den tuin naderden, hechtten zich als schilderijen in de +lijsten der ruiten. En snelheden van zacht-gele tevredenheid suisten +over Mathildes borst door haar gemoed. + +Mathilde wandelde door het huis, deur in, deur uit, en ook naar boven. +Zij zag de omkastingen der vertrekken en portalen, met hun ongebogen +steeds elkaâr voortzettende lijnen, haar overhuiven, naast haar opstaan, +over haar heen vlakken, haar beschutten in hun onverstoorde effenheid. +Het huis was het weldoende verblijf, waar zij Jozef zoû ontvangen. Zij +voelde, haar hand wijd uitgespreid als een halve ster tegen de muren +leggend, hun liefdadige hardheid. Want zij beschermden haar tegen den +tuin. De tuin was zoo vol van een kleurenoverstelping, de geestdriften +en verrukkingen van het diepe zomergoud zonken met zulk een bevende +vaart neder over de juichende tuinkleuren, dat Mathilde bang was voor +den tuin. Maar de vloeren droegen haar hoog heen, en de branding van +buiten kon haar nog niet bereiken. De meubels omstonden haar met de rust +en tevredenstelling hunner bruin-kalme onbewegelijkheid. Zij waren goed, +zij waren fraai, zij waren trouw. En als om hen te streelen, zoo als een +bruid op den arm des geliefden leunt om een derde iets te vragen, zoo +leunden Mathildes handen op de randen der meubels, wanneer Zij zich naar +voren boog om gedachteloos de namen der makers te lezen onder de platen +aan de muur. Want zij had van die plotselinge nieuwsgierigheden voor de +kleinste kleinigheden, die drentelende afwachtingen van heugelijke +gebeurtenissen in menschenoogen doen ontstaan, en die Mathilde eensklaps +de nog ongeziene krul van een behangsel-figuur deden ontleden, of haar +een klein barstje in de lambrizeering lieten ontdekken en nagaan. + +Zoo ging de Dinsdag en Woensdag voorbij. Mathilde dacht aan het gesprek +met Jozef als aan iets, dat buiten haar om zoo bepaald was, als aan een +gelegenheid, die zich nu voordeed om haar geluk te herstellen. Zij +bedacht niet, dat de heele zaak van haar was uitgegaan en nog wel +toevallig nu pas, dat zij hem even goed twee maanden geleden hetzelfde +had kunnen zeggen. Zij dacht er ook niet aan, dat Jozef op 't oogenblik +voelen moest als altijd, dat hij nog van niets wist. Neen, zij had een +gevoel als bereidde hij van zijn kant zich in Amsterdam op den strijd +voor, die zoû plaats hebben, terwijl zij 't zich hier deed. En zij +maakte haar plannen, nauwkeurig, in onderdeelen. Zij zoû beginnen met +het feit te zeggen zoo als het was: zijn liefde voor haar was niet zoo +groot meer als vroeger. Dan zoû hij zeggen--ze kende hem er goed genoeg +voor om dat zeker te weten--: 't was volstrekt niet waar, hij hield nog +altijd even veel van haar. Maar dan zoû zij hem bewijzen, dat 't niet +zoo was. Want, zoû zij vragen, hoe handel jij in den laatsten tijd +tegenover mij en hoe doet een man die wezenlijk veel van zijn vrouw +houdt? Zij zoû het onderscheid laten voelen. Dan zoû hij misschien +toegeven ... En dan, en dan ... Mathilde lachte en trad voort, zij voelde +haar plan worden in de huppelende blijdschap van haar lachjes. De +woorden verzamelden zich langzaam in haar heerlijk zeker. Als bijna +lijnen, die elkaâr naderden en zich samenvoegden, waarden de gedachten +om haar heen door de huisruimten. Haar lachjes zweefden op, +verzilverkrulden de lijnen: zilverwitte onzichtbaarheden luwden in +lichte wolkjes om haar heen, wierookten tot haar voorhoofd en deinden +weêr terug, beglipten haar hals, suisten weêr op door heur haren, +glanspuntend, paerlend, sterrelend boven haar been. En zij liep voort; +haar gedachten, in gele, rose en blauwe draden, weefden aan het plan. En +in de zachte bewegingen dier ongeziene gelukskleuren, begon zij te +neuriën, maar zachtjes, voor haar zelf onhoorbaar zachtjes. Kwam er een +bedenking, vlotte het plan niet geregeld, dan haperde de stille +neuriënde gedachtenstem, heel even, maar als het bezwaar bijna +overwonnen was, begon zij weder, nog zachter, altijd zachter. + +Zoo ging zij door haar slaapkamer om te zien, of alles goed opgeredderd +was, maakte de kleerenkast open, hing haar japonnen op hun plaats en +keek of haar lijven, tegen de stof, wel met de voeringen naar buiten +hingen; zij zette het speldekussen recht voor het toiletje, sloeg de +gordijnen voor het bed over elkaâr, en nam nog hier en daar de stof af, +want Marie deed alles niet precies genoeg. En alles moest toch heel goed +in orde zijn voor als Jozef kwam. Zoo ging zij door de keuken, liet Jans +haar toonen wat gebroken was, onderzocht of de tinnen zaken en de +koperen glazewaschpomp, de raspen, de zeeften en de beschuittrommel wel +op hun plaats aan de muur hingen, of het fornuis wel goed schoon was. +Als Marie en Felix uit waren, ging zij zien of er op de planken der +kasten boven wel overal schoon papier lag, of Felix kleeren netjes +opgevouwen waren. In het rieten kabinetje streek zij een verkeerde plooi +uit een venstergordijn en schikte de stoelen in de stipste orde om de +tafel. In de groote kamer liet zij de vuile voeten van Felix wegvegen, +die daar van gister-avond nog stonden, en beknorde Jans, dat zij zoo +slordig geschuyerd had. Zij trok een kreukel uit het tafelkleed, leî de +muziek op de piano tot een regelmatig hoopje. Maar, door het rustelooze +op-en neêrgaan, verflauwde de innigheid harer gedachten, eindelijk +dacht zij er niet meer aan dat zij aan 't denken was, en, ontevreden, +bleef zij staan om kalmer haar plan verder te maken. + +Zij stond, rustende op haar rechter been, de teêr-grijze wol strak +gespannen over de ronding der uit-gezette heup. Haar linkerhand morrelde +aan de knoopen van den peignoir. Aan de rechter, boven den tegen haar +borst gedrukten arm, wreef zij haar kin heen en weêr; haar blikloze +oogen lijnden, van haar langzaam ja-knikkend hoofd uit, strak op +hetzelfde punt van den vloer neêr. Of zij streek haar handen van haar +voorhoofd tegen haar wangen neder, die dan tot rose kussentjes onder +haar oogen zwollen; en zoo, haar hoofd in de handen gevat, terwijl een +aarzeling van klamheid over haar schedel trok en de aderslangetjes aan +haar slapen zich even verdonkerblauwden, liet zij haar oogen den +aanstaanden dag tegenglinsteren, met kleine dartelende blauw-zilveren +vonkjes. + +Als hij dan toegegeven had, dat hij niet meer zooveel van haar hield als +vroeger, zoû ze hem zeggen, dat hij zeker zelf niet wist hoe dat kwam, +maar dat zij 't hem kon uitleggen: zij was ziek geworden, had daardoor +van-zelf niet zoo lief meer voor hem kunnen zijn als vroeger, en hij was +nu eenmaal iemant, die er behoefte aan had, dat een ander onophoudelijk +de grootste liefde voor hem toonde. Maar het zoû weêr te-rugkomen, als +hij maar zeî, dat hij nog een heel, heel klein beetje van haar hield, +och maar zoó weinig, zóo weinig, als een stofje tusschen vinger en +duim ... Als zij dit gezegd had, zoû ze naar hem kijken, hij zoû zeker +een beetje zenuwachtig geworden zijn en hij zoû zeggen ja!, dat hij nog +werkelijk van haar hield, dan zoû zij hem omhelzen, en dan; ... O, 't zoû +heerlijk zijn! ... zij zag zich al met hem loopen in de zon, haar arm in +den zijnen als toen zij pâs getrouwd waren ... + +Mathilde stond dicht bij het venster. Achter het neteldoeksche gordijn +speelden zes vliegen tegen de ruit, als zwarte stipjes op en neêr +wippend, met lichte tikjes tegen de ruit rakend, tegen elkaâr +aangiggelend, op elkaârs ruggen klimmend, zich badend in een paar dunne +zonnestraaltjes, twee aan twee in kringetjes rondwirrelend, stilblijvend +tegen het neteldoek. Eens vloeg er een op Mathildes voorhoofd, liep snel +rond tot bij de wenkbrauwen, sprong toen op haar hand, liep op en neêr, +sleep zijn voorste pootjes tegen elkaar en liep weêr op en neêr. +Mathildes oogen, moe van het turen, knipten wakker. Zij had zóo innig +aan hem gedacht, dat een lichte koû over haar heenging, onder haar kin +tegen haar hoofd op. Het was als had zijn gestalte, warmend, vlak voor +haar gestaan, als had zij tegen zijn borst gestaard, tusschen haar en +den wand, als was hij nu met onhoorbaren tred wechgegaan. Zij zag om, +met angst glimlachend. Hij was er niet, neen, zij zag hem niet gaan. +Toen door 't venster ziende, was 't haar, of hij elk oogenblik om den +hoek zoû verschijnen, en van de heete tuinkleuren uit, tot haar heen +treden, met zijn armen, met zijn schouders, zijn voeten nog in de zon. + +Maar haar mijmering stierf uit en zij dacht: als hij werkelijk eens vóor +Zondag kwam. Dat was wél heel onwaarschijnlijk. Maar zij haastte zich +toch met haar kleine voorzorgen, omdat hij elk oogenblik komen kôn. De +deuren van het rieten kabinetje en van Jozefs slaapkamertje stonden +open. Door de vijf ramen geelden, zich naar onderen verbreedend, zware +kokers stofwemelend zonnelicht naar binnen. Schreed Mathilde voorbij de +ramen, dan brandde plotseling een plekje van heur haar, haar oog werd +blind geschitterd, zag zij haar kleed goud-grijs en weêr donker worden, +was haar hand op eens schel verlicht. Het klaterende goud-groen van den +tuin brandde door de tintelende ruiten. Hetzelfde eentonige deuntje +neuriënd, nu en dan eensklaps luider, als wilde zij er iets meê dwingen, +deed Mathilde verder haar zaakjes. De stilte, die als een warm blanke +doorzichtigheid over Mathilde hing, werd alleen verscheurd, een enkele +maal, door de keukengeluiden van een steenen pan, door Jans op de +marmeren rechtbank gezet of het bingebangerend ijzergerommel van het +fornuis-opstoken, die door den wand heenbraken. + +Later op den dag,--het was al Donderdag,--werkten Mathildes hersens +voort aan haar plan. Zij zat in de groote kamer, de ellebogen op de +tafel geleund, met de kouwige half in het haar wechgedoken handen de +huid aan de slapen zóo naar boven strijkend, dat haar oogen werden als +die van een chineesche vrouw. Bij de hoeken der neusgaten trilden de +zenuwen van haar gezicht. Haar huid scheen te schokken van de +geluksgedachten, waar zij vol van was; haar oogen verdoften om alleen +naar binnen te zien. Met een rukje zonk nu en dan even haar hoofd lager. +De hiel van haar linker voet klopte snel zachtjes op de vloer. + +Zoû zij wezenlijk durven? Als hij daar heel gewoon en met zijn kalmte +naast haar stond en ze over onverschillige dingen spraken, zoû zij dan +in eens de soort van spanning die er nu al sinds maanden tusschen hen +bestond, durven verbreken? O ja, zij zoû durven, wat er ook gebeuren +mocht, zij zoû spreken. En dadelijk zoû zij er over beginnen, als hij +aangekomen was ... Na dat zij elkaâr dan omhelsd zouden hebben, zoû ze +hem al haar verdriet vertellen ... O maar, wat een heerlijk idee, de +stilte tusschen hen zoû verdwenen zijn; zij zouden weêr samen praten +uren achtereen, zonder ooit uitgepraat te zijn. Het zoû net zijn, of +Jozef van een lange reis was teruggekeerd, als of zij mekaâr weêrvonden +na een lange scheiding ... Al wat zij uitgestaan had, zoû zij hem in +onderdeelen haarfijn zeggen ... Allemaal natuurlijk om te maken, dat hij +weêr meer van haar hield. Of was 't beter zich niet zoo bloot te geven, +zoû hij daar misschien te trotsch van worden? ... O Heer! daar wist zij +in eens iets veel beters. Zij zoû hem niet omhelzen, zij zoû volstrekt +zoo lief niet tegen hem zijn. Neen, zelf trotsch en koel zijn, hem +rekenschap vragen van zijn gedrag, dát was het middel ... En neen, ... en +ja ... Ja, ja, zij zoû voorwenden boos op hem te zijn ... Dan zoû hij om +dat weêr goed te maken ... en dan ... hoe 't ook gaan mocht, zij zouden in +elk geval tot een verklaring komen, die niet anders dan gelukkig +kon wezen. + +Mathildes verbeelding zag zijn ontroering al, en haar ontroering. Hij +zoû vlak bij haar wezen wanneer zij hem dit alles zeggen zoû, en +hij--geheel, zijn hoofd en zijn handen en zijn voeten, en zijn oogen, al +zijn leden, die zij liefhad, al zijn blikken, waarnaar zij verlangde. +Zij zoû hem zien, zij zoû hem hooren, zij zoû hem betasten kunnen. Zij +zoû zijn gezicht wel weêr van liefde doen branden; en als hij zijn hoofd +dan boog, en als hun monden dan tot mekaâr kwamen ... Zij zag de zon al +gaan over zijne kleéren, ... en zij zoû hem brengen naar het huis, waar +ze hem behouden wilde, zoo als vroeger ... + +Mathildes hoofd was lager gedaald, tot even boven de tafel. Haar armen +lagen er voor te rusten. Zij was wech in haar gedachten. Nu deed zij +haar hoofd een beetje naar de hoogte, met wijde, als verbaasde oogen, +die zich daarna tot aandacht samentrokken. Een waas van vervreemding was +om haar heen; een schrik prikte in haar achterhoofd. En zij meende in de +ronding van haar linker arm, waaronder, diep, de vloer warrelde, zijn +arm te hebben zien steken. Zij had het gevoeld. Zij had zijn hand, zijn +blanke hand, op haar voorarm voelen liggen, de vingers allen naast +elkaâr, teeder drukkend. Zie, daar was de hand weêr, bezijde de tafel +plotseling opkomend, warend door de kamer, dalend, verdwijnend. In de +hoeken, aan de muren, zag zij onzichtbare zijden van zijn lichaam, de +rechterzijde zonder het hoofd, zijn been, dat bewoog. Toen, door de +ronding van haar onbewegelijken arm weêr naar de vloer kijkend, zag zij, +in vlottenden trechtervorm, lapjes nevel, donkere stipjes, zwarte +vlakjes, waarin Jozef klein en groot, daalde en opkwam, als een pop, die +zich uitzette. Maar zij overwon het gezicht; haar verschrikking +verteederde weder tot de lachende aandoening van het plannen maken. + +...Als zij zich boos toonde, zoû hij haar misschien vergeving vragen ... +maar dát zoû zij in geen geval willen ... maar wanneer hij nu eens niet +deemoedig was bij haar trots ... 't Was waar ook, het was ook eigenlijk +maar beter niet trotsch te zijn. Als zij zich als de minste voordeed, +als zij smeekte en bad, dán bereikte zij stellig haar doel, zij zoû dus +eerst dit zeggen, dan dat, dan zoû hij ... en dan zij ... en dan zoû zij +nauwkeurig bepalen, wat zij graâg had, dat hij deed: elken dag +overkomen, enz.... + +Jans was de jaloeziën dicht komen maken. Mathilde zat in de +zwaar-breed-goud-blank-doffe zomermiddagschaduw, waarin de kamer stond. +In de gleuven der jaloezieën was de rijke warmte der tuinkleuren +neêrgedrukt door de schuine latten. Van boven door de jaloeziën snelden +alleen nog enkele zonnestralen in de kamer neêr, die op de meubels +lichtend vlekten. De stilte was van een vergulde bleekheid, als van door +matglas verdoofd gloeiend goud, waar in aarzelingen van teeder blauwe, +geel-rose, blank-grijze tinten zwierven. Fijne, schuchtere dartelingen +van stervend zilver en kwijnend rood lispelden. Een luchteile wade van +verwelkende glansjes lauwde. In de broeyerig-kleverige roerloosheid van +de kamer gleden en streepten Mathildes gedachten uit haar heele wezen +over de donzige kleuren. Uit haar oogen ruischte haar denken. In hel +gouden pijltjes naast mekaâr, die opsprongen en neêrkletterden, met +zilveren pijltjes schuin er boven en er door heen, schitterde haar +driftige mijmering ... Als hij zeide, dat 't met de zaken onmogelijk was +om zoo dikwijls over te komen ... als hij sprak van de verveling van de +reis, en dat zij toch weinig aan hem hebben zoû ..., o, zij zoû hem niet +uit laten spreken, zij zoû hem Felix voorhouden, maar vooral altijd +zich zelve ... + +Haar plannen vorderden; zij voelde zeker te zijn van haar zaak. Haar +betoog sloot samen; er kon niets tusschen. De gedachteplannen zetten +zich om in vormen voor haar uit, op de vloer: in rechte lijnen en +vierkanten, bevend, rillend, maar steeds elkaâr naderende, met een dak +van schuine lijnen er boven, als een geheel. + +Zij leunde nu tegen haar stoel en keek rond, in de lichte bedaring van +haar gedachtekoorts. Zij voelde met welbehagen het ongerimpelde lachen +van haar gezicht. Uitstekend! dat hij nog niet gekomen was. Alle stoelen +stonden leêg om haar heen. Hij was niet in de kamer. Zij kon heerlijk +alleen eerst op haar gemak alles wikken en wegen en samenstellen, voór +hij kwam ... + +Zij stond op en bracht, kalmer dan eerst, een flesch Florida-water op +zijn kamertje. Zij sleep het scheermes, dat in de waschtafellâ lag, iets +wat zij nog nooit had gedaan; zij schikte de sprei glad over zijn bed. +Zij was moe. Haar denken verflauwde steeds. + +Zoo ging de dag voorbij. + +Na den eten rustte Mathilde op het eene kanapeetje. Nu zoo goed als +klaar met haar voornemens, lag zij zalig moe voor zich uit te turen. +Haar eene hand steunde haar kalm liggende hoofd, de andere lag +onbewegelijk over haar schoot. Zij was stil droef blij. De oude +gedachten van den dag, de vondsten, die zij al lief had gekregen, +zweefden zachtjes door haar brein. Reeksen gedachten, groote stukken der +plannen kwamen in lange, licht zwart-fluweele langzaamheden over haar +lichaam aanwaren naar haar oogen; enkele kleine donkerwitte +bizonderheden, een trek, die Jozefs gezicht zoû hebben, zeker uitstekend +woord, dat zij zeggen zoû, kwamen van ter zijde haar hoofd springen en +er weêr uit glippen, door de groote gedachten-drommen heen. + +En zij voelde zich tot alles in staat, geheel aan haar liefde +overgegeven, zonder trots. Als hij niet toegaf, zoû zij zich vernederen, +zich zoo lang en zoo diep vernederen, tot hij overwonnen was. Zij zoû +weenen, weenen zooveel, dat hij haar om haar tranen weêr lief zoû moeten +hebben. Zij zal hem beloven en hem influisteren, dat zij alles zal doen, +wat hij wil. + +Onder het langzaam vallen van dezen blijden dag voelde zij zich +verzwakken tot alle offers, zij voelde zich wiegen door de rust van de +kamer in een weldoende vergetelheid van zich zelve. Zij wist nu wel +waarom zij vroeger niet gesproken had tot Jozef en altijd maar gewacht; +het was door haar trots geweest; zij had niet gewild. Maar nu was zij +nederig; zij zoû kruipen aan zijn voeten. Zij hoorde zich zachtjes +ademen tot de vriendschap der stille kamer, heel zachtjes. In haar oor +suisde heel licht de vermoeyenis. Zij zoû hem beloven zich opzichtiger +te kleeden; zij zal hem beloven meer met hem uit te gaan. Zij zal nacht +en dag klaar staan om zijn wensch te doen. Zij wil nu wel veel reizen +later. Felix zal ponniehaar dragen en op een kostschool gedaan worden. + +Zij hoefde nu niet meer te denken. Zij kon rustig slapen van-nacht. De +zwijgende wanden, met hun hooge, ernstige voorhoofden, hadden haar plan +in zich af laten drukken. Zij zoû het in hen morgen weêrvinden; zij kon +het nu veilig vergeten en aan niets meer denken ... + +Mathilde richtte zich plotseling op, te midden der strakstaande wanden. +Zij voelde als een bodem van zekerheid uit haar bewustzijn wechzinken. +Als zij zich morgen eens niet herinnerde wat zij Jozef zeggen zoû, als +zij de woorden eens verloren had, voor altijd verloren! Als haar plan +eens wech was, en als ze het zelf eens niet meer wilde, en als ze niet +meer zoû weten wat te doen ... Maar deze schrik, die heenvlood uit haar +wezen en rende door de kamer en opratelde tegen de ruiten en schuurde +langs het behangsel en weêr te-rugkronkelde in haar wezen, verbreede +zich tot een gevoel, donker, hopeloos bruin, dat lang bleef hangen op +dezelfde plaats: als Jozef eens koel bleef, als, na alles wat zij +bedacht en gezegd zoû hebben, hij eens dezelfde bleef der laatste +maanden, dezelfde, blank koud dezelfde, als hij haar eens niet begreep, +en met een zwijgenden glimlach vroeg wat zij bedoelde ... + +Maar, in de laagte, met hun grond en één opstaanden wand, schoven +stukken tuin en stukken kamer voor haar verbeelding, met Felix er in. En +zij zag hem, een afgerond levend wezen, zich bewegend, geluid gevend, +met licht in zijn oogen en een rooden mond. Dat was Felix. Dat was haar +kind, hun kind. Als Jozef achter hem stond, dan reikte hij tot Jozefs +middel. En zij keken met hun oogen op dezelfde manier. Felix was als uit +Jozef gekomen. Uit Jozefs wezen neêrgestooten op de aarde. Felix was, +dus moest Jozef zijn. + +En wat was dat "Jozef"? Dat was een hooge gevormdheid, het was datgene, +wat alleen zij zien woû, wat alleen zij hooren woû, wat alleen zij wilde +aanraken, een man, nietwaar, haar man, dat was die man, die haar lief +had gehad, die haar liefhad ... O maar, met zijn oogen, nietwaar, en met +zijn voorhoofd en met zijn mond en met zijn handen, wás hij ... O, o, +wat zoû die toekomst gelukkig zijn! + +Mathilde stond weêr, rechtop in de kamer. Zij wreef in haar handen, om +dat haar zaken zoo goed stonden. Met den zegevierenden blik van iemant +die, het hoofd omhoog, naar aanstaande blijde tijden uitkijkt, zag zij, +door het venster, de komende schemering tegemoet. Zij lachte verheugd, +zij lachte zooveel; in een wordend lachje bleef haar gezicht eensklaps +stil, om verwonderd te zijn over het dwaze verdriet, dat zij zoo lang +had gehad. De behoefte om te loopen bewoog haar weêr door het huis. Zij +ging, met een licht deinen van haar schouders, haar hoofd bewoog heel +langzaam op de maat van haar gang; haar borst ademde op en neêr, haar +heupen ovaalden grijs uit onder het kleed; de wrong harer voeten steeg +en daalde regelmatig over de bevloering. Haar armen weken van haar +zijden en vielen er zachtjes weêr tegen aan. Zij drentelde, afgemat en +rusteloos. Het lichte kraken van haar schoenen, het gekreuk en geschuif +van de kleedstof om haar armen en beenen, het geluid van haar stappen en +van haar ademen ritselden glijend door het huis. + +Zij voelde zich loopen en in de muziek van haar gang alle denken te loor +gaan. Zij voelde het tintelen van haar teenen en hielen, het gewrichten +van haar knieên, haar trillende dijen, waarlangs het kleed bij elken +stap neêrwoei. Zij voelde strakheden van haar broek en haar onderlijfje +tusschen haar beenen en onder haar armen; haar ondergoed, dat de halve +bollen van haar borst raakte, de kraag van het kleed, die tegen haar +hals duwde. Zij voelde haar moeye hals en de hitte van haar achterhoofd, +de zwaarte harer armen, die de schouders lager trokken, haar klamme +handen, haar lippen, die, vóór de ongesloten tanden, bevend +samendrukten. + +Zij waadde door de schemering, die het huisomsluyerde en een slaap +bracht in de kamers. Door de zwartigheid, wist zij nog vaag haar lichte +droomen in de verte, voor den volgenden morgen. Haar donkere gedaante +bewoog steeds rechtop door de verflauwende huisvormen. In de +blauw-zwarte spiegels zag zij haar witte hoofd alleen nog naderen, +waarover een stervende glimlach stond. Zij ging, bewusteloos, weêr ook +de trap op en af, zonder meer iets aan te raken. De gedachten van den +dag leefden zonder haar in haar voort, nog even stilletjes aanspoelend, +zachtjes-aan wechdoovend. En toen begon zij weêr van zelf het wijsje van +dien morgen te zingen. + +Marie en Felix kwamen thuis van hun wandelingetje. Het wachtende huis +stond witterig en zwart-schuin tusschen de boomen. De vensters keken +lankwerpig wemelend grijs en zwart. Van onder de warande, waar een +venster openstond, hoorde Marie en Felix het gezang van het huis, luid +en zacht vlak-bij in de donkerte. Dan ging het verder in het huis, +verzwakte, verzwakte en beefde wech. Dan naderde het weêr onder de +opstaande huisvormen. Het was nu neuriën geworden, maar in eens klonk +het heel uit de verte, als achter een dikke muur; toen hoorden zij het +weêr duidelijker, zachter, boven onder het dak, voortgaan, zachter +worden, en te-rugkeeren, luider. En ophouden in de doorzichtig-zwart- +grijze stilte. Toen druppelde een fijne regen eensklaps stilruischend +in den avond op het huis en op de bladeren neêr. + +Den nacht van Donderdag op Vrijdag sliep Mathilde vast, maar om zeven +uur was zij al op. Den vorigen avond had zij, vóor haar bed staande om +er in te gaan, haar bloote voeten gezien. Zij was er naar blijven +kijken, haar hoofd gebogen onder een nieuwe gedachte, die door haar +hersens druischte. Zij had haar nachtjapon tot aan de knieën +opgetrokken, mijmerende, dat die lichaamsbouw, met die blanke huid, +onder haar witte goed nu zoo doorging in de hoogte, tot haar middel, tot +haar borst, tot haar hoofd en daar eindigde en dat zij dat nu was, zij. +Zij had even met haar eene voet een tikje tegen het andere been gegeven. + +Zij was verwonderd èn aan den voet èn aan het been te voelen. Zij was in +bed gaan liggen, op haar rug, haar armen aan weêrszijde langs zich +uitgestrekt. Zij leî haar handen op haar dijen en er weêr af, verbaasd +over haar tastbaarheid. Zoolang ze wakker was, had ze liggen denken aan +haar lichaam. Haar huiverende beenen samendrukkend, had zij toen +bedacht, dat Jozef haar lichaam liefhad, want zij was haar lichaam. Nu +liep zij, in het helder vroolijke ochtendgeel, dat door de warme ruiten +en ophaalgordijnen zwierf, blootsvoets door de lengte van de kamer, door +de opengerukte bovenste knoopen van de nachtjapon, door de gleuf van het +hemd en van het flanelletje heen, haar hals te bevoelen, er griezelige +koude plekjes makende met haar saamgesloten vingertoppen, diep in +gedachte. Toen trok zij haar nachtjapon uit en ging weêr in bed, met +haar beide handen voelde zij over het lichaam, van de knieën tot de +hals, als wilde zij er verborgenheden in opsporen. + +Om kwart voor achten kwam Marie. Mathilde sloeg gauw het dek om zich +heen en lag onbewegelijk. Zij zeî Marie de kachel aan te leggen. + +Om kwart over achten was het heel warm in de kamer. Mathilde gleed uit +het bed en ging zitten voor haar toiletje. Zij had nu haar hoofd en haar +schouders vóor zich in het spiegeltje. Aan de bovenlip en aan de eene +wang, zwol haar gezicht er in op, door oneffenheden van het glas. Zij +nam de spelden uit haar haar en liet het over haar rug vallen. Langzaam +streek zij er de schildpadden kam door, boven het rechter oor beginnend +en telkens tot op de helft der lengte van het bosje haar doorgaand, het +daar met de linkerhand aanvattend om verder de aan het eind verwarde +haren uit te kammen, zonder zich zeer te doen. Het blauw zwarte haar +golfde hoog over haar hoofd heen, met sprietjes glans er tusschen door. +Het streek door de kammetanden heen, scheerde onder de kam door, telkens +glijend en weêr rustend. Als een in zijn golving verstijfde zwarte vloed +bleef het eindelijk stil, boven het achterhoofd, in een dikken krul zich +hoog oprichtend, met zijn vlassige diepten achter de ooren, droog en mat +neerhangend over Mathildes middel. Er was éen puntig pijltje haren, vlak +bij het voorhoofd dat op en neêr wiebelde bij de minste beweging van het +hoofd. De haren leefden en wachtten. Als Mathilde rechts of links keek +of ging verzitten, streelden zij haar hals in een zijige buiging, +trosten gazig over haar ooren, dansten vlinderend over haar voorhoofd. +Zij waren het stuk innige staal zwarte kleur in de zonnebeprekenkelde +kamer. Mathilde drupte eau végétae over het haar en wreef het er door en +kamde ze weêr gelijk. Een blos van glans ging over de haren, die +voortkrinkelden donker-zilver-blauw-zwart. Als zij voorbij de reten der +gordijnen ging, lachten de haren met met een zonnestraaltje even hun +glimmend-gouden lach. + +Daarna nam zij een spons met enkelt Florida water en waschte haar +gezicht en keek in den spiegel, of het er nu niet mooyer uit zag, en +waschte weêr en keek weêr en nog eens en nog eens. Toen trok de +zomer-ochtend Mathilde naar buiten. In zóolang was zij niet in den +tuin geweest. + +Het was half elf. Mathilde kwam op het straatje. Zware witte wolken +hingen in de lucht, laag boven de kastanjeboomen, waarvan de +hooguitstekende bladeren zich in het dikke wollige stoomwit schenen te +doopen. Zij reiden hun in 't midden en aan de randen water-zwart- +schemerende ovaalheden samen en voeren heel langzaam voort, naar den +kant van het dorp. Plekken roerlooze hemel rondden tusschen hen door, +door de verblauwmarmerende overrastering der witte wolkspiertjes. +Aan de open hemelruimte boven het Florabeeld was de laatste wolk eener +rij, wit-goud en glinsterend rose berand, door een wijde plek eerst +zilverblauw, wit-blauw, grijzig-blauw, dan stil dof donker-blauw, van de +volgende wolken gescheiden, die aanzweefden in wit en grijs gepropte +samenkoppelingen, als scharen witte omkrulde hoofdvormen, met opduwende +schouderblankingen, zich zachtjes samenvleyend, langzaam in elkaâr +overbollend, altijd breeder oplangzamend, in statige vluchten, bij +rondvervleugelde groepen uit het neêrwelvende oosten opkalmend, altijd +doorblikt van wit-bedraadde of effen turende blauwingen. Zij teederden +voort geluidloos hun warrige uitwassige sneeuwvachten zuchtend-zachtjes +over de stil-groene boomen verder schuivend. + +Mathilde ging de stoep af, daalde onder de donkerder groene zwaarte van +de overbladeringen der oprijlaan. Zij zag in de breede beheestering +tusschen de oprijlaan en den Vaarderweg. De te dichte samenplantingen +stonden grijs-bruin en zwart-groen, glansloos, verslond. Toen zij zich +omdraaide, hingen uit een keukenraam twee vaatdoeken te droogen. In het +groote bemodderdspatte regenwatervat, links van dat keukenraam, drupte +de nachtregen uit de goot nog af en toe neêr. Aan de lichtblauw-grijze +muur van den achtergevel waren dunne vlekken, de deur van het +tuinloodsje stond open en er lag morsigheid over de vloer tot op het +straatje. Aan de sparre-en palmboompjes, op de helling tusschen de +oprijlaan en het straatje, zag zij voor altijd verdorde grijsbruine +takjes Voor haar uit, in de wijde opening, waarover van de wolkendikten +grijze lichting neêrdroefde, was het stoffige Florabeeld, met zijn +ongewasschen gezicht, met zwarterigheid in de oogen en aan de borsten. +Al uitgebloeide seringetakjes waren er boven. De gouden regen en de +jasmijnen geelden en witten in-één geslapt van den regen. Alleen de +krans van aardbeziënplantjes over den grond puntte frisscher rood onder +de dekkende blaadjes. + +Mathilde ging vooruit over den natterig zwarteren grond, waar kastanjes, +dorre bladen van verleden jaar en dennennaalden aan de kanten vuilden. + +Plotseling aarzelde de zon bleek neêr, schuchtere glansen breedden over +de bladen, wijd uit; daarna geelde zij, geler, en geler, geel-lachend +over de treurige boomen, toen glimmend, warmend, goud-bruin strijkend +langs de stammen, goud-zwart over den grond. En alle bladeren +glinsterden een oogenblik. + +Mathilde trad voort, bezijden het huis naar voren. Maar nauwelijks had +zij op de kiezelsteenen, op het grasveld en tegen den gevel der dames +Streelink de gele uitspreidsels gezien, of de zon werd opgeslorpt door +de treuring van een voorbijtrekkende wolk, bleekte heen, met schokjes +telkens eiler wordend, als de vreugde die wechkrimpt van een gelaat. De +donkere tint zeeg weêr neêr uit de onrustige lucht. + +De paden en het gras strekten zich onder Mathildes voeten met hun na den +regen hard zwart en hard groen; scherpe, luide tinten prikten en riepen +in de bloemen en bladeren. De breede straatweg was donker-grijs, plat, +zonder opstuivend zand. De lauwe weeke geur der natterigheid schonk de +wind in haar neus en mond. En de tuin verrastte haar smartelijk. Er had +zich, zonder haar verbeelding, gedurende de dagen, dat zij in huis was +gebleven, en zij den zomer had zien groepen en gloeyen door de ruiten, +een vage gedachte van den tuin in haar gevormd, die geslagen en gedood +werd door het koude zwart en groen. De kleuren, die anders haar oogen +kusten, waren er niet meer; de tuin was veranderd, vreemd geworden, haar +onbekend. Het booze zwart en groen sloeg de teleurstelling over haar +gezicht, door haar achterhoofd, om haar schouders. De lucht was vol +rare, vijandige ritselingen en geluiden. De hut stond rechts, donker en +leêg, viezerig. De bloemen waren gewoon en er schenen er veel te weinig +te zijn. Een lichte vaalheid hing van uit de boomenblaren naar beneden. +En Mathilde zag plotseling de tuin klein en leelijk. Met half gesloten +oogen, haar gezicht te-ruggedoken in het zwart kanten doekje om haar +hoofd, ging zij naar de hut. Marie en Felix kwamen juist uit het +dennenboschje. Felix had een groote gekleurde bal, die hij tegen den +grond wierp, dan op liet springen een heel eind boven zijn hoofd, om hem +daarna weêr te vangen. Hij gooide de bal ook tegen Maries rokken, die +eerst omkeek en lachte, maar boos werd, toen hij 't nog eens deed. Marie +drentelde te breyen. + +--Hè, mefrouw, wat 'n naar weêr, vindt u niet? + +--Ja, der is niet veel zon vandaag. + +--Maar ik denk toch, dat 'et nog wel weêr op zal klare ... tegen twalef +uur of zoo. Regenen zal 't niet meer doen. + +Toen Mathilde in de hut zat, kwam Marie weêr even praten, snel +voortbreyende, haar oogen over haar werk, haar ellebogen op de heupen, +bij de belangrijkste punten van haar spreken een breinaald tegen haar +borst vooruitduwend door de steken, haar neus afvegend met den rug van +haar rechterhand. + +--Der zijn van-morgen-vroeg al groote wagens gekomen uit Amsterdam voor +hier achter, voor mefrouw van Borsele, die daar komt te wone, u weet +wel ... ze heeft der goed vooruit gestuurd ... Der zijn prachtige meubels +bij ... Vrouw Steyer vertelde 't ook ... kanepees met rood fluweel en ik +weet al niet, wat ze gezien had ... + +--Zoo, zoo, dat zal aardig zijn, als die mevrouw hier toch komt wone ... + +Marie vertelde verder, haalde tusschenbeide haar neus op, kromde haar +bovenlip om haar tanden heen en krabde zich er dan eventjes met een +breinaald. + +Telkens na een poosje waterde de zon neêr en trok weêr op. Eens bleef +hij langer, waardoor de vrouwen er bijna aan gewend raakten. Felix +speelde met zijn bal achter in den tuin. Hij liet hem nu van den grond +tot de hoogte van zijn hand opspringen en gaf hem dan telkens een losse +klap, waardoor hij met een doffen dsjieng klank als van ver-af-metaal +tegen de aarde klakte en weêr opsprong. Om het spelletje af te wisselen +gooide hij hem ook eenvoudig maar voor zich uit zoo hoog als ie kon in +de lucht en ging hem dan oprapen, tusschen het hut en het huis. Eens +gooide hij de bal juist op, toen de zon doorschoot; daardoor kon hij de +bal niet nakijken, die met een bons te-rugviel op zijn schouder. Bij +elken worp sprong zijn heele lichaampje op en met een open mond +kreun-zuchtte hij van inspanning, terwijl zijn armpjes, beide opgeheven, +beide te-rugvielen naast het rompje. Hij wilde de bal wel tegen de +wolken gooyen, maar de bal ging niet hooger dan twee meter. + +--Ik voel toch, dat ik veel beter ga, zeî Mathilde. + +--Zoo, mefrouw? Ja, och, as 't maar weêr eerst heelemaal zomer is. + +Boven den tuin bewoog de hemel voort. De kleine wolkenbrokken waren tot +effener, grooter, zwaarwittingen samengeplompt, die hun +damp-krul-omrande rompen wentelden onder de wijd-blauwe verheid. Zij +waren nu weiniger, breeder, en bakten zich aan elkaâr en reten van één, +en vielen verder en draaiden rond, zich verdikkend en weêr +opensplijtend, zonder vaart, in witte kalming langs de breed-ziende +velden van het diepe blauw, schulpten zich uit, om de blauwlieden te +vergrooten en kudden weêr samen om de blauwing te dooden, en zwierven +verder hun randen verdwazend in pluisjes. De zon glansgoudde door hun +buiken en woei naar beneden, roosterde het dak van het huis en +schitterschimde door den somberen tuin, sprankelend over de bloemen, +glijend over den rug van Marie, schrijnend naar Mathildes oogen, die +groot open stonden, die wachtten in zwartbrandende begeerten. + +Er kwam een korte windbui; de zon bleekte wech; de wind scheen +somberheid uit over de paden en het gras, suizel-wapperde door het +dennenboschje links, ril-dartele door de hooge iepen rechts, omkoelde de +kuiten der vrouwen, schokschouderde door Mathilde en behuiverde haar +hersens met binnenshuis-verlangens. Maar de zon zoog weêr neêr door den +wind, lichtte vaaltjes over den grond en smeet de breede lichte schaduw +van Maries zware bouwsel in de hut, over Mathildes schoot en handen. + +Marie stond in haar eene muiltje, de hiel van haar andere voet stond +omhoog, opgekarteld uit bedeesdheid door haar spreken met mevrouw. Zij +voelde de hiel warmen. + +--Nu wordt 't toch mooi weêr, zeî ze, en zij draaide haar hoofd schuin +op, tegen de sterke lucht in, die er prikkelend in afsloeg. + +Mathilde voelde zich verblijden in den zonnewind, die haar omleefde. Zij +had een boek voor zich op tafel liggen, mejonkvrouw de Mauléon, roman +van Bosboom-Toussaint. Terwijl zij las, verglansde de zon de bovenste +helft der bladzijde, de wind snerpte stil een blaadje op. De wind soesde +om haar neus, over haar wangen, in zachte koeling, streek frischheid +over haar oogledenranden, die naar de zon mondden, bebeefde haar heete +hoofd met kil-prikkelingen, onder de haren door. De zachte wind kwam +door haar mouwen, onder haar onderbroek en door de spleten van haar +ochtendjapon van voren tusschen de knoopen, naar haar huid en plekte +stil-frisch. + +Marie was wechgewandeld, om te zien, wat Felix uitvoerde achter in den +tuin. De wolken verdunden en gingen hooger, verder, in golvend bezoomde +scharen zwalkend langs de zon. De lucht in het westen en heel-hoog +boven, blauwde vrij. Donker-geel en zwarte stukjes, in wespen en +paardevliegen, puntten voorbij, op een afstand. Mathilde bleef, zonder +menschen, wier vormen en geluiden haar voelen braken, en vrije +alleenheid, en het zuivere geloof, eenzaam en geheel, leefde in haar op; +het kwam zachtjes over het bezonde geel-zwarte pad tot haar, het lachte +in de zonne-wind-tintelingen in de rondte, het vloeide op over het +getimmer aan d'overkant van den weg, over het klakkend gerommel van een +rijtuig, over een ver hondgeblaf, het wolkte in het windgelach tot haar +hoofd, het sneeuwde, sneeuwde in stille lichtdruppels van de deinende +bladeren. Haar lichaam voelde zij als een vale warmte onder een koele +bedekking. Zij deed haar armen een beetje in de hoogte, om de wind tegen +haar oksels te hebben. Er was geen-een herinnering. Er waren haar +wachtende wangen in den zomer, leêg en effen; er waren haar oogen, die +zij niet voelde, waar al de zomer zwijmelend tegen verzotte; er waren +haar voeten, die zich over elkaâr legden, om het geluk in haar wezen +dicht samen te drukken. Er was een helle leêgte, achter in haar +verbeelding, de angst-afwezigheid. + +Marie kwam weêr naar de hut, met Felix aan haar rechter hand, die met +zijn beentjes naar achteren sloeg en zijn hoofdje achterover hield. + +--Drinkt u hier koffie, mefrouw? + +--Ja, dat wil ik wel. 't Is nu heerlijk weêr geworden. + +Felix bleef in de hut, hij lachte aldoór. Zijn lijfje werkte zich op de +bank naast Mathilde hij zat op zijn éene been, hij leî zijn vuile +handtje tegen Mathildes wang: + +--Lieve moeder ... moeder-lief ... + +--Dag jongetje, dag, ventje, heb-je goed gespeeld? + +Felix' hoofdje ging heen en weêr, zijn oogen blonken, zijn hangend +beentje slingerde op en neêr, de armpjes bewogen vóor de strakstaande +rieten muur van de hut, het haar ripte bij vlokjes naar hoven, de +gezichtshuid verroerde en opende zich aan zijn mond; uit het hoofdtje +naast haar borst geluidden de klanken in Mathildes hoofd. Zij zag het +bewegende leven vóor het zwart van de bank, het vaal van den grond, het +licht-bruin van de muur, die wasemden heel even, en tóen wist zij +gedurende de heele mènschloze stilte der kleuren vóor haar uit, dat +Jozefs leven naast haar leefde in den zomer. Zij dacht niet, zij +verbeeldde zich. Het zwart, het groen, het glansende geel van voren +bewogen als dof glimmend gespannen elastiek voor haar zien, om dat haar +vage geluksverbeelding over haar oogen gloeide, ze heerlijk vervalschend +in den waanzin van het geloof. Het was boven haar verhemelte, waar de +neus in de keel overgaat, het steeg in een onstoffelijken damp door haar +hersens naar boven. Zij voelde een drukking en een ijlheid. + +Marie kwam klaar zetten. Zij liep door Mathildes blik, door al de +zomerkleuren, die ruischend achter haar aangloeiden, vlak voor de tafel +ze wechplompend met haar dikke lijf tegen hen slaande met de +drie-hoekige gebaren harer klaarzettende armen. Maar Mathilde bleef ze +zien, boven het ritselend uit-duwen van de servet-vlakte, boven het +rinkelend gestoot der uit Maries handen dalende en bewegenloos blijvende +schotels, naast Maries rokken, tusschen haar armen en haar bovenlijf, om +haar hoofd heen. + +Marie ging weêr wech, haar hoofd en rug in gloei-geel, haar rokken +krul-wapperend om de bruine kuiten, een korte, als vertikaal in den +grond het onderste boven tegen haar voeten aanloopende schaduw onder +haar hielden. + +Felix verzette de schaaltjes, trok aan een lapje rookvleesch. + +--Niet ankomme; niet an de schaaltjes komme! zeî Mathilde, je moest nu +nog eerst even naar Marie gaan en vragen of ze je handen wil wasschen, +vóor we gaan koffie drinken. + +Felix bewoog wech onder de stille zonneschittering; met een geslinger en +gedriehoek zijner jong-jubelende armen en beenen, een floddering van +zijn gestreepte kiel. Mathilde was alleen. De wind verminderde; de +wachtende kleurenpracht verroerloosde. Met de witte zuiverheids-tinteling +harer kalmte over het gelaat, behandelde zij de bordjes, een mes, het +brood, de boter, die haar vreemd-gewoon de vingers raakten. Wat was er +dan toch; zij wist het niet. In eens zag zij in de hoogte van haar over +de tafel geslagen blik, twee naderende heeren-broekspijpen. Een +schrikvlaag berimpelde haar voorhoofd, haar handen bleven bewusteloos +staan op de tafel. Zij hief het hoofd, zij zag, met een rilling door het +achterhoofd, in de pijnlijke gaping der verbaasde oogen, den ingenieur +Ster, dik, blond, zweterig, in een verslonsd grijs pak, die naderde. Zij +had even gemeend, dat het Jozef kon zijn. Hij groette haar met zijn hoed +en kwam dichterbij. Voor de hut staande, nam hij nog eens zijn hoed af, +maakte met zijn bovenlijf een dikke-mansbuiginkje, zeide "mevrouw, ik +kom u eens opzoeken" en zette zijn hoed weêr op. Hij gaf Mathilde, die +was opgestaan, een dikke, harderige, natterige hand. Mathilde besproeide +hem met blinkende verbaasd-bedeesde blikken, zwarte vonken uit het +midden van haar gloeyende oogenwit, blinkend in de blondwiegelende +schaduw van de hut. Mathilde bevoelde haar zakdoek, beide handen tegen +zich aan. De hut was plotseling geheel vol met Ster; zij zag zich zelve +niet meer. + +--Gaat u zitte ... Komt u óok Hilversum us bezoeke? + +Ja, zeî Ster, hij zoû in 't vervolg herhaaldelijk hier moeten komen, +want hij was voor een gedeelte belast met de inspectie van de werken van +de nieuw opgerichte Ooster-spoorwegmaatschappij, die te Hilversum een +hoofd-station zoû hebben. Het werk vorderde goed; de rails lagen al tot +voorbij Bussum. Ja, hij was hier ook gekomen vandaag juist, om mevrouw +van Borselen, die als vrouw alleen was, een handje te helpen met het in +orde maken van haar buitentje. Zij was vandaag ook gekomen, ja. + +--Hoe gaat het u? vroeg hij. + +--Zoo, zoo, de buitenlucht doet mij natuurlijk veel goed. + +--U woont hier wezenlijk allerliefst. Ik kom nu juist van mevrouw van +Borselen. Zij hoopt u ook gauw een visite te komen maken ... Ik ben +heelemaal de hoek daar omgeloopen, ... maar de meid zeî, dat ik ook +achter in den tuin had kunnen komen ... toen heeft ze me den weg +gewezen naar de "hut" ... 't is hier heel aardig ... en een prachtige +tuin ... u heeft mooye bloemen ... + +Op de tafel leunende met haar voorarmen, het hoofd even schuin gebogen, +zat zij naar hem te luisteren, met een nauwelijks geopenden mond, hem +voortdurend aanziend, terwijl hij in de rondte keek of op zijn knieën, +alleen haar blikken te-ruggooyend op de tafel, wanneer hij, bij een +vraag en bij het eind van een volzin, háar aanzag. Het scheen haar, dat +hij een ouden zeer innigen vriend van haar was, die kwam van een lang +geleden en voor altijd door haar verlaten wereld. Hij kwam van de stad, +die zoo vreeselijk ver was; hingen er nog niet weêrkaatsingen van die +grachten en straten, waar haar gedachte leefde, in het fletse grijs van +zijn jasje? En haar oogen trokken de woorden tusschen zijn lippen uit; +zijn groenige tanden, die zijn grove stemklanken naar haar heen beten, +schenen lief, gezellig, goedig, vol van herlevende herinnering, vol van +haar weêrkeerend geluk. + +--Ik dacht van-ochtend niet, dat 't nog zulk mooi weêr zoû worden, zeî +hij. + +Toen spraken ze over Jozef. + +--Ik heb meneer gisteren nog gesproken ... + +--Zoo? ... Ja, ik verwacht hem over-morgen weêr ... Hij komt meestal eens +in de week over ... och, u begrijpt, met zijn zaken, is 't al heel lastig +om meer te komen, maar als de spoor er zijn zal, zal dat wel +beter gaan ... + +O, hij sprak over Jozef! Lachjes over haar wangen glans-groetten, haar +oogen begloeiden de tafel. Zij slikte, zij voelde zich weêr vreemd in +haar hoofd, haar handen vervochtigden, zij streek de blaârtjes zweet +wech van de haarzoom op het voorhoofd. Het was net, of er iets bewoog +boven haar oogleden, in de tuinmassa van voren, bij rukken van kleur en +licht, van links naar rechts. Ster zeî niet meer en keek in de rondte, +Mathildes oogen bleven neêrgedompeld als in een diep donker water, waar +zij vreemde gelukschatten konden grijpen. Plotseling beefden haar +oogleden op, de tuinkleuren schemerden en schitterden, vervaalden in +vlekken en joelden op in vonken en bleven, hevig vooruitglansend, in de +verte sidderend en dwingend, de warmte warrelde over haar schouders; zij +zag Ster zitten, vlak hij haar, met een groote wasemende leêgte van +zwart en van groen achter hem. Zij zag hem zitten in de heerlijk-intieme +grofheid zijner overvoedde onder het grijze kamgaren opbolderende +vormen, in de rood-vetterige slaperigheid van zijn haar onvermoedende +gezicht. Zij zag hem in een dikke kleurennis, tegen een opstaand bed van +levendige donzige glansen, van goudscherpte en zwart-groen-dofheid. De +woorden scheurden stotterend uit haar mond: + +--Is hij nog wél? vroeg zij. + +--Hoe bedoelt u? Uw man? ... Ja, heel wél, geloof ik. Was hij ongesteld, +toen ie 't laatst hier was? + +Mathilde wist niet goed meer wat zij zeî. + +--Ja,..., ja, hij had hoofdpijn ... en hij heeft er verder niets meer over +geschreven, loog zij. + +Felix' lijfje en Maries lichaam kwamen-aan, met bewegingen van buiten en +versche standen, die het wezen der groep vernieuwden. + +--Mag ik u ook iets aanbieden? Wilt u niet met ons blijven +koffiedrinken? vroeg Mathilde. + +Ster bedankte. Hij nam Felix tusschen zijn beenen en vroeg:--Zoo, zoo, +jongeneer, zijn we zoo groot geworden? maar Felix was bang van zijn met +felle kleuren volgeploeterd gezicht. Ster deed net of het beedeesde kind +hem wél pleizierig vond, hij nam Felix' zachte gezichtje op zijn hand: +je kent me niet, hè, baasje? We hebben mekaâr ook nog pas eens gezien, +en toen was je ook al te jong. Toen Ster hem weêr los had gelaten, begon +Felix te eten, zijn gezichtje naar het bord melksoep gedrukt. Iedere +keer, als de lepel in zijn mond schoof, beklommen zijn blikken het hoofd +van Ster, om te zien, of die hem niet aankeek. + +Ster nam afscheid, met een bad van Mathildes hand in de zijne, met een +zware legging van zijn hand op Felix hoofd. + +Mathilde had hem niet leelijk gezien. Zij zag zijn dikke lichaam blonken +in de kleuren, het mannen-lichaam, dat altijd verder van haar afging +door den tuin, verder, verder, eindelijk geheel opgeslorpt door de hoek +van de laan. Het weêr was mooyer nog geworden om hem heen. Enkele +gebeitelde groepjes wolkenkrullen waren dooorschijnend-vlokkerig ver in +het zuiden, enkele lange tot bleek-witte krampen verstijfde +wolken-zenuwen lagen over de lucht gestrekt. Een strakke zon +begoud-feestte den tuin. + +Mathilde at bijna niet; de boel was al weêr wechgenomen, toen zij nog +aan Ster zat te denken, hoe hij daar geweest was, sprekend van Jozef uit +zijn dikke gezicht, hoe er nu een vragende leêgte was boven de stoel, +waar zijn romp op gestaan had, en hoe hij zich bewogen had, wech, wech, +in de kleuren. + +Zij keek om zich heen in de heete middagstilte, en het geloof steeg +hooger, over haar lichaam, tusschen haar vallende handen op; zij had een +gevoel in zich als een kreet, die zij moest uitschreeuwen; in haar +tintelende hoofd zetten de zieleduizelingen op, die geen voorstellingen +vormden in haar verbeelding, die niet dachten in haar verstand, maar die +haar dronken maakten als een donker druppelende drank in haar +achterhoofd gegoten. Zij zag naar de somber-staande hutwanden, of zij +niet spraken, wat zij waren, wat zij wilden tegen haar bewustzijn, wat +zij meenden met het vreemde gevoel, dat zij haar inspraken. Toen kwam er +inéens een vink, die, vóor haar onbewegelijkheid heen, wipte en tripte, +wit, bruin, grijs, over den zonnigen grond, met zijn glad gestreken +kopje haar bekijkend en in éens wegvliegend in een hoogen boom aan den +weg. Mathilde ging slenteren door den tuin; de warme wind nam haar +haren, en speelde ze wech uit haar gezicht, de zon walmde neêr op haar +hoofd; de kleuren lachten vlak uit om haar heen. + +In de om haar hoofd vlagende heete wemelingen bewoog Mathildes teedere +vleesch boven den grond, in de weeke rijzing der onder het grijs +deinende leden. Hoog naast haar donker-glansde het dennenboschje; +merelklanken zilverkrulden in de zware hittelagen, die zwalkten in +groen-geel smeulende zwenkingen door de ruimten. Zij voelde zich loopen +hoog op het licht-zwarte pad, haar oogen doorvoelden, tusschen den hard +vlakken grond en haar zieke droomenhoofd, den afstand, vol van zwart en +glans-gele stukjes krulrinkeling, wasem-warrelend op en neêr, rillend +van haar eindeloos verlangen. De kleine dennen stonden hoog in de lucht +boven haar uit en verritselden hun bladering, proppelend, stippelend +tegen de lucht, wuifbuigend naar Mathilde; het grasveld, rechts, groende +zit vlakte uit, stijf-zijig, met de donkere ondersten en de lichtere +uitpuntingen der sprietjes, het ging verder en verder, met de gegleden +gebogenheidjes en de ranke opzwiepingen der grasjes, een vooruitgang van +dribbelende, schubbige lachjes, breeder en meer, groen, donker groen, +geel-groen, goud-groen, lang en ver, wijkend, zoo dat haar armen het +niet konden overreiken, en het strekte heen, oneindig klein en oneindig +veel, éen goud-groene lach, die opsloeg en zijn ligging wechschaterde +tegen de wijdwijkende blauwte: Jozef! Jozef! + +Mathilde voerde het uit haar oogen wazemde in haar goud-warm verbeelden +heenbruisende verlangen langs het hek bij den breeden straatweg. Zij zag +de groote iepen haar langzaam voorbijgaan. Zij knikte een boerenmeisje +goeyen dag, dat daar liep met haar koe. Zij zag het kind loopen boven +den grond, maar hóog hielden de iepen hun bladerenzwaarte op de lange +breede nekken der stammen geheven, en stootten hun groene +ontzachlijkheden naar den hemel en wierpen hun jubelende groeningen tot +de blauwe effenheid en smeten hun takken uit naar alle kanten, in +krampen van bloeying, in een rumoerig warrellied van stijgend en +woest-willend verlangen: Jozef! Jozef! + +Mathilde ging te-rug, de statig zijgende sparren-groep, bij de waranda, +met zijn verspitsende betorening van neêrgeschuinde stekeltakjes, met +zijn stil-blinkende groentinteling en zijn innige binnen-duisternis, +naderde, naar haar heenschuivend met den warm-gevenden grond, en de +glans-armpjes suizelden heete fluisteringen en trilden op in de rondte, +bijna allen, heel even, en toen weêr, en toen weêr, boven holen van +zwartheid; als glimwormen glommen takjes en sprankten in de zon uit als +stukjes glas en van de schuinende neêrveêring rolden en ruischten +parelende klankjes voor Mathildes voeten: Jozef! Jozef! + +Onder haar voeten licht-zwartte de pad-breedte voort. Haar blikken +vlotte neêr, maar de grond trok ze vooruit, breed-zwart vooruit, +glans-zwart vooruit, heen-zwartend tusschen het stijgende gras-groen, +voort-atstandend tot achter in den tuin. Zij was bang voor de ruimte +tusschen haar en den afstand; liep zij, dan voelde zij den grond weêr +achter haar, ver, wech, wech onder haar voeten, en de ruischende ruimte +van licht-lucht en de zwaar-roerloosheden der opstanden. Maar het pad +trok haar geloovende oogen verder, over een kabbeling van gelig-zwart +voort, tot zij stuitten tegen den opsteigerenden gezichteinder; daar +dwarrelden de verre hooge heesters omhoog, en joegen door-een, en dansen +van groen, licht-groen op springend en borend hun spelende wildheid door +het lage neerdruischende blauw: Jozef! Jozef! + +Mathilde keek langzaam in de rondte, met verfletsende oogen. Alle +boomen stonden luid in de hoogte, in heftend opstamping gestooten naar +de lucht. Alle heesters krioelden hun groene zenuwnetten in dikke +dof-verstijfde groenvlammen tusschen de boomen door, schuin tegen elkaâr +in stijgend, op-schreeuwend tegen den blauwen middag, maar hoog van de +boomentoppen wemelde in hitte-zilveringen, een kokende goud-geel-waseming +tot de gloeyende blauwbekapping, waarin de laatste wolkendradingen +wechsluyerden En over de buigende boomen gleden en beefden de +goudblauwingen tot Mathilde. En achter haar, van de verre geelstoffing +van den weg, waarin, door de gaten der hooge groenmassaas pakken +hittelicht neêrsidderden en doodreutelden op het platgebrande wit van +den grond, kwamen, omstuwd door de breede kreten van het woestdartelende +heestergroen om de blank-glansen de stukken huizengevels, de hooge iepen +op haar aan, klein in de verte, maar grooter, grooter wordend, man aan +man met hun dikke, warme stammen, grooter breede, hooger, en eindelijk +opstaand achter haar, bij haar, aan haar, in éen geweld van geluidbos +leven, éen staan van groene krachten, éen gestolten klimming van wil en +van daad. En de hoogheden der boomen en de heete begeerten, die +aanrolden kletterend geel over den weg, drongen Mathilde, vóor de +sparrengoep heen, op het groote grasveld vóor het huis. + +O, het was een feest van lichten. De witte muur van het huis, éen +staande vlakte van hellicht, samengedrukt door de daling van het +goud-bruine daklicht, perste zich in-een en smeet het hevige +zonne-weêrlicht uit de ruiten met de klaterkaatsingen der witte +muurvlakken neêr tegen den groenen grond, tegen de iepenstammen, door de +openheden tusschen de stammen, verder over den weg. Mathildes oogen +bedroomden het huis, zoo als het opstond in zijn lichting, in zijn +heerlijkheid van wit, tot vastheid opgerezen hittelicht, zij geloofde in +het huis, zoo als het glansde hooge en breed. En het grasveld helde op +naar het huis, een spreidsel van zacht groen licht, doorstikt met de +teeder fonkelende steenen der roode bloemen, maar dat steeg in zijn +breedheid, sidderend gespannen, schemeringen van lichter groen in de +hoogte ademend. Op hun zuilen van bruin licht waren de miljoenen groene +vlammetjes der iepenblâren ontstoken, en in de bevende licht-zee boven +het grasveld, waadde Mathilde, met drooge dwaas-verglansde oogen. + +Maar zij keek naar boven, en het viel op haar als een tintelende sneeuw +van verukking. Al het wit was ingeslurpt door het blakende, daverende +hemel blauw, dat gloeyend glinsterde in neêrwarrelingen van +zwartgoud-poeyering en als een ziedende zee met donkere blauwbulten en +lichtere blauwheffingen, daalde en steeg, daalde, daalde, zijn +zonnevlakten neêrbreedend om den hettenden vuurkolom van de stortende +zon, die een regen van bliksems los stookte over de schroeyend vermoorde +uitstrekking der zich openwentelende en heen-spreidende tuinvlakten. +Breede slangen laayend blauw wimpelden af van de lucht, in een foltering +van blauw tusschen het schuin wegkrimpend boomengroen zijgend, +goud-blauw over de buitenste bladeren brandend, een doffe +krijt-goud-gloed over de midden-bladeren drukkend, in gouden grillen +windtrillend, vonkend, spuitend, uitspruitend, neêrsprietend, +heensprankend om de hijgende takjes, bosjes gouden naalden schietend in +de diep-groene boomenharten. Zware afblauwsels goudden neêr over het +dak, over de boomen en heesterhoogten in de verte, van alle zijden +naderend en zich rond neêrdrukkend in éen vlammende vuurschittering. +Golvenwolken van witte hitte zwalkten door de ruimten, tusschen de +openingen glijend en voort stoom-dwarrelend in de verheid. En het werd +gedragen door alle lagen der ruimte, in éen begeestering van heete +kleuren, éen vervlamming van het heete leven, en Mathilde voelde zich +juichend onder haar kleeren beven, en in haar gouden weten, dat zij +gelukkig zoû zijn, werd zij getrokken naar de groensombering +der warande. + +Verbijsterd in haar snikkende bedwelming, vroeg wat het was. Wat was die +gouden lichtruimte voor haar uit? En al de takken, die naar haar heen +reikten? En al die verdere plannen van bleekere lichtstrekking en +kleurenstand voor haar uit? De kleine gezicht-einders waren +samengebakken en smolten zich vast aan den hemel. Zij was in een groote +zaal vol vreemd leven, vol rare vervoerende dingen. Er waren geen +menschen bij haar, achter haar. Niets was achter haar, geen stemmen, +geen gerucht. Zij wist van geen verleden, van geen vroegere gedachte; +haar leven was dit oogenblik. Zij wist van geen afstand en ruimte; de +eenige wereld was hier bij haar. Langzaam, terwijl alle kleuren vonkten +en naderden naar haar oogen, loste haar bewustzijn zich op in de +lichtkrachten die kleursidderden over haar heen. Haar leden zonken +samen, achter tegen haar stoel. Zij zag wel, door de verblinding, die +over haar gezicht was neêrgeschitterd heen, dat de blauwe lucht was +losgebarsten en er kokende stroomen gloeyend goud gudsten over de +vlakte, klotsend op haar toe. En verder, in de rondte, hagelslingerden +gouden vonkenvlagen neêr over de wechbleekende groenheden, botsgolvend +tot elkaâr, opzwiepend om haar hoofd, neêrzijpelend door haar lichaam, +haar beenen. Hoog stormden de iepen hun vrachten vlas-groene +dronkenschap op tegen de neêrbruisende gouding, de bruingouden stammen, +los en week, gloeiden op en neêr, als zuilen van vloeyend goud hun +lijven hoog en laag kristallend door de ruimte. De bloemen kleurden door +het vuur, vliegend, schietend, hoog in de lucht, laag op den grond. + +Mathilde voelde zich heffen en zich wechgaan, heen-gedragen door de +kleurenverbijstering. Haar oogen doofden uit. Eén even onstaken zij +weêr. Toen zag zij alles met wit-krullende wit-blauwe gazen en vlekken +glans blauw beneveld. Haar oogen snikten hun heete tranen uit, die als +zoute druppels in de hoeken van haar mond vloeiden. + +En langzaam sliep zij in met openhangende mond. De zomerhitte verdroogde +haar verhemelte en tintelde over haar bovenhoofd. + +Mathilde sliep twee uur lang; toen Felix haar kwam wekken, even voor het +eten, voelde zij zich als na een koortsnacht, loom, dof, zwak; Marie +zeî, dat zij erg bleek zag. + +Na den eten zat Mathilde op de kanapee en sliep weêr. De dag wentelde +zijn zware kleurenvlakten voort. De middagkleuren koelden op, teederden +uit in de rooye groeyingen, van de stervende zon. Zij dronk laat thee. +Felix was al naar bed, toen zij weêr alleen zat in de groote kamer. Zij +had gezegd, dat de lamp niet hoefde, om dat zij liever woû schemeren. In +haar afgematheid, speelde het lichtje onder de theepot met haar oogen, +lange stralen schietend heen en weêr door de vredige zacht-zwart staande +duisternis van de kamer, Mathilde voelde het ruischen van den tijd zij +voelde zich heengeduwd naar den wachtenden dag op de regelmatige +tik-tak-begeleiding van de duistere pendule, die als de stille radeling +was der kracht van haar leven, haar voortuitvoerende naar het geluk. Het +eene venster stond wijd open voor den stillen mooyen avond van buiten. +Mathilde dronk haar lauwe thee met weeken slurpenden mond, en, +daarboven, samentrekkende proevende oogen. + +Zij was zoo wech in haar stille afwachtings-stemming dat het geschuif +van haar stoel over de vloer haar een vreemd hard geluid klonk toen zij +opstond, om vlak voor het venster te gaan zitten met haar kopje. In de +teêr-grijze duisternis was het groen in een zware donkerte tot rust +samengevallen. Maar hoog en ver, in een oneindige wijdheid, was de +sterrenhemel opgeslagen over den tuin. Alles was zeer stil. Mathildes +verslapte blikken klommen over de zwarte bladerenmassaas naar de +sterren, die verward boven de bladeren lagen en er door en er over +neêrhingen in een fonkelende bepuntering. Zij keek, en een sussende +weemoed zweefde stil door haar moede gemoed. En zwerm lijnloze droomen +steeg langzaam in haar gedachte. Al wat zij haar leven-lang mooi had +gevonden en gehoord had, dat mooi was, in de sterren, waarde als een +vaag gevoel door haar bewustheid. Het waren oude melodiën van toen zij +nog niet getrouwd waren, kleine refreintjes van de straatorgels uit haar +jeugd, een liedje, uit zijn jeugd, dat haar vader wel eens neuriede, het +waren alle kleine oogenblikken van kleine teêre aandoening, een +buitengewoon innige handdruk van haar vader op een avond, het op straat +ontmoeten van een meisje, dat zij langgeleden had gekend, het terugzien +van dezelfde huizengevels van vroeger na een lange afwezigheid, de +eerste boeket van Jozef, eens, toen zij jarig was, een mooye bladzijde +uit een mooi leesboek, de oprechte hartelijkheid van Jans in zekere +omstandigheid, die, zonder tot herinnering te worden, een dierbaren +nevelgrond spreidden onder haar mijmering. Zij voelde haar bewustzijn +gedragen door het leven als door een lagen wiegelenden leuningstoel. De +kuische duisternis met haar oneindige ruimte, onder de verre sterren, +weekte lange aandoeningen van oneindige liefheid en gedachtenzwemen van +eeuwig geluk, zalig-zacht rein-te-vreden, in haar voelen los. Het was +als een warme zachte hand die over haar wangen ging, over haar bleeke +wangen, met lange zwijgende streelingen. Zij stak haar gezicht schuin +omhoog en uit de diepste schuilhoeken van haar gemoedsleven kwamen, van +heel, heel lang geleden, vreemde bewegingen van hoop, trillingen van +geluk en vertrouwen, naar boven, die zij eerst niet herkende, maar die +langzaam uit hun verflensing nauwkeuriger opleefden. Uit al de vage +stukken van het vroeger met teêre genieting waargenomene, die nu in haar +verbeelding kwamen schemeren, drong Jozefs figuur naar voren en bleef +alleen, alleen in haar verbeelding, die was als een vreemde schilderij +zonder afmeting in den roerloos ritselenden zilvergrijzen nacht, en +stond hoog omhoog als een vast lichaam vol heerlijke zekerheid van leven +en liefde. In hem had zij altijd geloofd, aan hem had zij zooveel +gedacht in eenzaamheid. Zij geloofde in zijn borst, waar haar hoofd +tegen-aan kon leggen, zij geloofde in zijn armen, die haar aan zijn +borst konden drukken, zij geloofde in zijn beenen, die naar haar konden +naderen, zij geloofde aan zijn hoofd, dichtbij het hare, met liefde in +de oogen en liefde in den mond, Zij geloofde, dat zij altijd samen +zouden zijn, altijd, altijd, zonder stoornis meer, allen dag en +allen nacht. + +En de melodie van haar geloof leefde nog dien avond in haar voort, tot +lang na dat zij naar bed was gegaan. Mathilde droomde dien nacht van +Ster. Zij zag hem heel vreemd loopen, in de lucht, zonder iets aan te +raken, en eindelijk in een der hooge iepen gaan zitten. Zij droomde ook +van Felix, dat die op het uiterste kantje stond van een steile +berghelling, terwijl Marie met een bal naar zijn hoofdje gooide. + +Eindelijk kwam de Zaterdagochtend, onder een donker bewolkten hemel, +zonder zon, zonder regen, zonder wind. Mathilde had moeite om uit haar +bed te komen. Ging haar hoofd even in de hoogte, dan trok het liggende +lichaam het weêr neêr. Daar was dan de Zaterdag, de laatste dag, koud en +onverbiddelijk in haar kamer geschoven. Wat waren die dagen +verschrikkelijk gauw voorbijgegaan! In haar hoofd werkte de stemming van +den vorigen avond nog voort, maar bekoeld en verlept, half wechgesmolten +in de koude zuivering van de slaap. Zij voelde zich leêg. Haar +verlangenleven der laatste dagen scheen haar gemoed te hebben +uitgebrand. In een lauwe onverschilligheid, met een in zich opnemen van +den dag als was die heel gewoon met een blinde botheid der zenuwen, die +voort bleven slapen, de kamers en de meubels langs ziende zonder ze te +zien, ging zij den ochtend door. Zij was naar, beverig, als onder den +invloed van een naderende ziekte, van een zware koû, die zij gevat zoû +hebben. Herhaaldelijk moest zij weêr in huis gaan. Zij vond den dag zeer +vervelend. Hij grijnsde haar toe met de wanhopige eentonigheid zijner +vormen en kleuren van altijd. Alles was grijs. De luchtgrijsheid kilde +over de paden en over het gras en flenste door de boomen. + +Om kwart over drieën werd zij door Marie in huis geroepen met +vertrouwlijke en te kennen gevende armgebaren. In de groote kamer vond +zij mevrouw van Borselen zitten, in een grijs satijn japonnetje onder +het groen dooroogde, lichtelijk doorkleurde vleesch van haar stijfjes +bekamde hoofd, midden tusschen de warse meubelen gezakt. Hoe zij het +maakte, hoe zij-zelve het maakte, dat zij haar in zoolang niet had mogen +zien, lieve omstreken, Mathildes buitentje mooyer gelegen dan het hare, +vlak aan den straatweg, gezellig leven, elkaâr veel bezoeken, Felix, +haar zoontjes, Jozef, het rijtuig, de spoor, de heer Ster, geen madera, +neen, nooit iets gebruiken voor den eten, nog eens Jozef, spoedig +te-rugzien, onaangenaam weêr. + +De woorden sprongen naar Mathilde, vielen om haar heen op den grond. Zij +andwoordde en sprak als met een hoofd, dat een eindje vóor haar +eigenlijke zoû wezen. Maar het woord "meneer" tikte op haar hersens, en +toen begonnen de woorden haar te slaan, op haar schouders, tegen haar +hals, tegen haar wangen, als de gepolijste gemeenplaatsen van het +onverschillige leven, dat ruw langs haar heen ging. Toen mevrouw v. +Borselen de tweede maal van Jozef sprak, schrok Mathilde. Het was een +tergende spaak in haar hersens, waaraan die vreemde vrouw roerde, iets +wat zij niet wilde, maar dat moest, een akelige macht, die wreed in haar +leven was. + +Mevrouw v. Borselen ging wech. Mathilde zag haar glimmend satijnen, +oogelozen rug heengaan door den gang, tot den romp de stoep afzakken en +voor 't laatst doezelen tusschen de boomen. Achter mevrouw v. Borselen +heen, het glanzig grijze wezen in den hollen dofferen dag, kromp de dag +zelf voort, zijn rondingen verdonkergrijzend en schemerneêrplattend in +den avond, droog en geruchtloos. + +De Zondag was mooi, een dartele dag, met een sterken zuiden-wind, die de +rozen deed wiebelen aan hun takjes. Marie was in een stijf gestreken +katoentje en vroeg: Hoe laat komt meneer? en over het stijfschoone +dekkertje op de tafel heen, zeî Mathilde: Ik denk om elf uur, zoo als +altijd. Zij was wrevelig gestemd dwars tegen den levensloop. Onder haar +oogen dachten stuursche wangen onverschilligheid Het ontstemde haar zich +voor niets zoo opgewonden te hebben. Zij zoû stellig nooit verstandig +worden. Het leven ging immers zoo eenvoudig en gewoon; nu was er weêr +een dag, net zoo as gistere, zoo meteen kwam haar man. Wat was daar nu +eigenlijk aan. Zij leek wel niet wijs. Zij leek wel een aktrice. Toen +hoorde zij een rijtuig aankomen en wist-voelde te-gelijk, dat het hét +rijtuig was. Toen was 't net of haar hersens in de war zouden gaan en er +heet bloed voor haar oogen zoû komen. Haar heele lichaam begon te beven. +Zij hield haar tanden op elkaâr; als zij 't vergat tikten zij op elkaâr +in een stootend geluid van haar hoofd. Haar handen werden koud aan de +toppen, vochtig aan den palm. Zij kon niet opstaan en zag van haar stoel +door het venster alles nauwkeurig. De hit voor het tentwagentje stond in +éens stil, zijn voorpooten als schuine staken naar voren op den grond. +De koetsier sprong van den eersten bank onder den kap uit; hij was jong, +hij had een rood gezicht en had een pet op. Het lage portiertje ging +moeyelijk open, maar met een duw van binnen lukte het. Toen zag zij +Jozef; die er langzaam uitstapte, in een lichtgrijs pak, zijn korte +jasje met twee rijen knoopen van voren, en zijn broek die wijd over zijn +lage schoenen afhing, met zijn linkerbeen op het ijzeren treêtje, toen +zijn rechter en linker bijna te-gelijk op den grond. Zijn hand kwam +boven de binnenhand van den koetsier, terwijl hij zijn kin een beetje +introk. Hij had een lagen licht-geelen strooyen hoed op en, toen hij +zich weêr had omgekeerd en den tuin inkwam, een erg lage boord, een +koerant en een paar gele handschoenen in zijn linker hand. Maar hij ging +achter de boomen en zij zag hem niet meer. + +Toen Jozef de kamer binnenkwam, hadden zij beiden in éen snelheid van +opkomen en vergaan, dezelfde gedachtewaarwording. + +--Daar ben ik! Hoe maak je 't Thilde? Je hebt in 't geheel niet +geschreve. En zijn glimlach naderde van de schuin-open deur, en slonk +wech toen hij haar bleek zag beven, en zijn oogen voelden: wat ziet ze +er vreeselijk vreemd uit, ze is stellig met een anderen man geweest, in +elk geval blijf ík kalm; en zijn glimlach dacht in haar voort, in éen +slag van uiterste angst, éen stuipende siddering van haar verstand, éen +vreeselijke stilstand van haar hart: dit is hij niet, dat is hij niet, +ik ben met een anderen man geweest. + +Zij voelde haar denken vernield, zij voelde zich wezenloos worden. Haar +voeten werden koud en zij waggelde, met een licht doorbuigen van haar +knieën. Maar de groote smart van haar verstand rukte haar te-rug in de +levende werkelijkheid der angst-licht vlammende kamer. En zij wist de +grootte van haar liefde en dat hij die liefde niet was. + +In het naderend uitsteken van zijn handen vroeg hij: Beê-je niet wel? +Wat scheelt je? Wat is er? Zij zeide Och nee, 't is al weêr over, dat +heb ik tusschenbeye tegenwoordig, ik weet niet wat het is. Zijn lippen +zoenden, de zoen gleed wech van haar rillende wang. Felix was +binnengekomen uit het rieten kabinetje en zijn hoofd stond over de tafel +heen te kijken naar die twee groote menschen, strak, zonder begrip. +Mathilde had Jozefs hand genomen, flauw tusschen de haren. Dat was een +vreemd gevoel, die koude hand. Zij zoende hem op zijn wang, die hard +was. Alle mannenwangen waren hard, zij wist het wel, ja, zij wist het +wel, zij had het altijd gehoord en altijd geweten.--Hè, ik moet even +tot bedaren komen, zeide zij, en zij ging zitten op haar stoel, een eind +van de tafel geschoven. Jozef ging aan de tafel zitten, zijn voorarmen +er op, de gevouwen koerant in zijn handen, zijn hoofd er over heen +gebogen en schuin naar Mathilde gekeerd, met een streelende deelnemende +uitdrukking. Hij zat maar stil te kijken, om te zien wat er +gebeuren zoû. + +Felix kwam naar hem toe: dag, vader. Jozef zeî tot Mathilde: wil je niet +iets drinken? ... of wil je misschien gaan leggen? Zij schudde van neen, +haar hoofd naar den grond. Toen keerde Jozef zich naar links, nam Felix +op zijn knie: dag, vent, hoe heb jij 't gemaakt? Niet stout geweest? +Toen temperde hij zijn stem: moeder is niet wel, he? We moeten een +beetje zachies spreken. Ben-je altijd lief tegen haar geweest? + +Mathilde voelde hen en hun spreken. Zij wist wel, dat zij buiten haar om +spraken, dat zij de haren niet waren, iets anders dan zij. Zij was +alleen, als een dwaasheid in het gemakkelijke gewone leven. Al haar +voelen duizelde in haar blikken over den grond, en stootte tegen de +tafel en stoelen, en vermartelde in het felle licht, dat de dag door de +vensters bij breede lachbuyen naar Jozef heensmeet. Over den grond +wipten de eile stalen licht-kwatelingen, schoten te voren uit het +behangsel, spiraalden neêr van het plafond, en te midden van de +huiverende kamer en den angstigen licht-dans was Jozefs stil bewegende +lichaam, waar van elke beweging in Mathilde schokte. + +Zij keek naar Jozef, en dan weêr niet, en dan weêr naar zijn strooyen +hoed, die plat op een stoel lag. Zij voelde als een plotselinge langzame +losschroeving van haar verbeelding-en gedachte-vermogens. Zijn lichaam +was daar toch, bij haar, vlak bij haar, tastbaar in zijn begrensde +vormen, met een ruimte er om heen, waarin zij gaan kon, waarin zij haar +armen kon bewegen, om ze te leggen om zijn hoofd, en haar lippen naar +voren duwen aan zijn mond. De liefde-bewegingen van haar armen en hoofd, +die zich onbewust onder de plannen van hetgeen zij hem zeggen zoû in +haar denken hadden voorbereid, leefden nu op in haar verbeelding; zij +zag vreemde armen gebaren maken, vreemde achterhoofden neigen en bukken +en zich vlijen. En daar achter, ver in haar voorstelling, zag zij een +donkere holte onder de sterrenlucht van Vrijdagavond, waarin wezenlooze +eilingen voortholden en verdwenen in den nacht, de mijmeringen, die het +denkbeeld van haar man in haar waren geweest, en die vernietigd werden +tegen zijn zittende levende lichaam. + +--Hoe gaat 't nu? Een beetje beeter? vroeg Jozef, haar effen bruin +aanziende, in ratelend tegen haar schedel slaande klanken. + +--Het gaat al beter, maar ik ben nog wat duizelig. + +--Komt de dokter vandaag nog? + +--Ik weet niet, hij is er de heele week niet geweest. + +--We moesten maar wat vroeg koffie drinken, zeî Jozef, ik heb honger. + +Mathilde stond op om 't zelf in de keuken te gaan zeggen. Toen zij haar +waarnemen in haar, hem, die stil bleef, zag naderen, en toen zij zag op +zijn hoofd, dat onder haar kwam, en zijn gezicht van boven af, begreep +zij zijn lichaam niet en begreep niet meer hoe zij hem kende. Maar toen +zij voorbij hem was gegaan en zijn vormen uit den hoek van haar oog +gestooten waren, ging er een tinteling door haar hoofd en een drift door +haar beenen, waarin haar oude voornemen te-rug gaan wilde en zich gooyen +over Jozef om hem te beminnen. Maar hij was achter haar hersens zoo als +ze hem gezien had en in trijterende schrikken ging zij voort en was +alleen met de wanden zonder het te weten. + +Uit de keuken ging Mathilde naar haar slaapkamer, nam Floridawater en +ging zitten voor de tafel, met den zakdoek onder haar hoofd. Op 't +zelfde oogenblik kwam Marie in de groote kamer om te dekken. Jozefs +oogen werden warm, Marie hoestte en keek vóor zich uit met de +bedeesdheid der wangen. + +--Is ie heel zoet geweest deze keer? vroeg Jozef terwijl hij gauw hevig +keek naar Marie en daarna Felix bij zijn kinnetje pakte en hem aanzag +met elders denkende oogen. + +--O ja, meneer, andwoordde Marie, ook schuin naar Felix ziende, heel +zoet, is 't niet, Fik? + +--Dat weet ik niet, zeî Felix, en douwde zijn gezichtje tegen Jozefs +schouder. + +--Dan heb ik wat moois voor je bij me, zeî Jozef en met +langzaam-voorzichtige gebaren, om Felix niet te laten vallen, haalde hij +een dun prentenboekje in een prachtbandje, uit zijn binnenzak. + +--Hè, zeî Felix, met een eensklaps aangestoken vroolijkheid, hè, da's +mooi! en hij gleed van Jozefs knie en ging, zonder verder te bedanken, +voor het venster zijn boekje bekijken. + +Daarna werd er koffie gedronken. Mathilde zag Jozefs bovenlijf vóor +haar, boven het witte tafelvlak, het op en neêrgaan zijner grijs zacht +omkokerde armen, bij de gladwitte schoteltjes, den bal van zijn hoofd +met de levende gaten en uitsteeksels, waarnaar zijn handen klommen met +het eten en drinken, de schouders van zijn jasje, die zwollen en +neerstreken bij de armbewegingen, zijn blinkende en knippende oogen, +zijn hoofd, dat telkens even boog en rees, zijn hakkenden en trekkenden +mond, zijn snor die van onderen nat werd en met een kruimeltje en die +hij afveegde met zijn vingerdoekje. Zij zag zijn hals met het diepe +kuiltje aan den boord, zijn ooren, die zoo mooi dicht aan zijn hoofd +stonden, zijn rechte neus, het fijne rood van zijn wangen, zijn haar, +dat even mooi zat als altijd. Zij keek, en het was haar alsof zij iets +zocht, iets dat zij vroeger altijd van hem gezien had en dat nu voor +altijd verdwenen was. En zij dacht, of zij dat lichaam had liefgehad, of +het zich niet had losgescheurd van iets anders, een wezen, een waas, zij +wist niet wat, dat alleen zij had bemind. Maar zijn lichamelijkheid +sloeg haar denken voortdurend en zij kon maar niet inzien, dat haar +eindelooze begeerte bij haar was. Nadat hij gegeten had en zijn zware +vale woorden over het brood en de boter en het vleesch boven de tafel +hadden gerold, neêrkletterend op haar rug met klamme streken, liet hij +haar vertellen hoe zij den laatsten tijd had doorgebracht, of mevrouw +van Borselen er al was, of de bloemen nog goed opkwamen in den tuin, of +zij al een wandelingetje verder dan de tuin had gemaakt, en hij zeide +herhaaldelijk dat zij erg bleek zag. + +Na de koffie deed hij een cigaret van voren in zijn mond en rookte. Hij +zeî: + +--Willen we ook een beetje in den tuin gaan? + +Zij gingen. Lief en goemoedig leî hij haar rechterarm in de kromming van +zijn linker. Zij stapten samen regelmatig voort, en hij blies zijn rook, +blauwetjes, van zijn hoofd, den anderen kant uit. Toen ze hem nu goed +raakte en voelde in de jubelende lucht van den waayenden tuin, leefde +stormend in eens in haar te-rug een gevoel van lang geleden. Als een +klaterend beeld in een spiegel waarde zij snel bij haar, de herinnering +van toen zij hem angstig-vreemd had gezien op den ochtend van hun +eersten zoen. Maar krachteloos viel de herinnering terug voor de eenmaal +zoo nauwkeurig en vast in haar gevormde gedachten der laatste dagen, die +onweêrstaanbaar opzetten naar de klanken en klanksmartten uit haar mond: + +--Ik zoû wel eens over iets met je willen spreken ... + +--Zoo waarover dan? + +--Ja, je zal het wel heel gek vinden, maar voor mij is het een ernstige +zaak. + +Hij keek haar over zijn schouder aan. Zij keek naar den zwarten grond, +zij was koud, zonder ontroering, zij deed niet, zij onderging de macht +van haar besluit, dat haar deed spreken buiten haar wil om. + +--Wat bedoel je dan? Ik begrijp het niet. + +Toen zeide zij hem kalm-koud: + +--Je houd niet van me. Wil je niet weêr van mij gaan houden? Anders weet +ik niet, hoe ik langer moet leven. + +Hun hoofden gingen voort, dicht bij elkaâr, met een stuk heestergroen er +tusschen en er boven wijd wech de wind-spelende wit-blauwige ruimte. In +zijn hoofd, naar voren gewend, was verwondering. Dáár begreep hij niets +van. Wat scheelde haar nu weêr in eens? In háar hoofd was de harde +gevoellooze koelte, maar een scherpe wrevel over de tegen haar wil in +gesproken woorden zwart-lemmette op en tegelijk begon een gloeying, +vreemd opkomend, van diep beneden. De wrevel hief haar arm een beetje en +deed hem bijna niet meer liggen in den zijnen, en zij kreeg ook een +goeddoend gevoel van gemak, van breede tevredenheid, van bedarende +opklaring van haar gemoed. Zijn beenen bewogen gelijk op met de hare, +zijn lang gewachte lichaam was hoog naast het hare, en zij dronk blijde +zijn tegenwoordigheid in al het waarneembare van zijn leven. De zomer +baadde hen bij lauwe vlaagjes, bestoeide hun opwippende haren, glom +tegen hun niet-ziende oogen. Jozef zeî in den licht-wind: Maar, lieve +kind, ben-je dwaas? Ik hoû nog altijd even veel van je, waar haal je dat +vandaan, dat ik niet meer van je zoû houën? + +Haar arm zeeg weêr neêr op den zijnen. De gloeying vlamde op in haar, +haar geest geheel vullend. Al de liefden, die in haar voor hem geweest +waren, rezen aan-éen, niet te temperen, en in een brand uit haar oogen +en over haar borst sproot uit haar splijtend gemoed een kletterende +op-een-volging van zware, doffe, heesche fluitende klankjes, waarin zij +hem zeide, wel te weten, dat hij dit zoû andwoorden, alles te weten, wat +hij nog meer zoû willen zeggen; maar dat dit alles niets beduidde, dat +hij, als hij zich maar eens goed wilde onderzoeken, wel zoû merken, dat +zij gelijk had met te zeggen, dat hij toch eigenlijk niets meer van haar +hield. Zij verweet hem al zijn verwaarlozingen zij vertelde hem van al +de dingen, die haar zijn verflauwing hadden doen weten. Maar zij klaagde +niet, zij was boos, en het voorgenomen smeeken verstijfde in een vergen +tusschen haar verdunnende lippen. Zij had zijn arm aan haar linker borst +gedrukt, haar hoofd dicht bij het zijne gedaan. Maar toen zij alles in +ééns gezegd en uitgesproken had, met zacht rood aan haar slapen en haar +voorhoofd, en hij andwoordde: maar, lieve kind, dat verbeel-je je +allemaal maar, je hebt de koorts, je moet wat kalmeeren,--toen liet zij +hem los en bekeek hem zoo als hij daar was met den tuin om hem heen, +zijn blanke voorhoofd en zijn stille korte haar, zijn kalme wangen, zijn +gewone oogen en grijze schouders. Hij tuurde voor zich uit met +hooggestreken wenkbrauwen als om in het dennen-boschje een oplossing van +de vreemde ziekte van zijn vrouw te vinden en hij drukte zijn bovenlip +over zijn onderlip. Haar armen krompen tegen haar lijf, haar hals kromde +een weinig om laag, in haar oogen kwamen roode spikkeltjes, zij zag +hem niet aan. + +--Kom, Thilde, zeî hij, laten we over iets anders spreken. En zij +spraken er over, om Ster en mevrouw v. Borselen ten eten te vragen, om +Felix op een bewaarschool te doen. Mathildes verbeelding voelde hem nu +niet meer, haar verstand dacht hem. Zij merkte zijn heele +persoonlijkheid, met al zijn doen en laten, als een kleinigheid in haar +grooten hartstocht. Zij voelde hem heelemaal te kunnen overzien. Hij was +een gewone, verstandige en mooye man. Hij had vroeger veel bij hen aan +huis verkeerd, daarna waren zij samen getrouwd, en hij had zich altijd +gedragen zoo als een fatsoenlijk man zich tegenover zijn vrouw gedraagt, +wat wilde zij toch eigenlijk nog meer? Toen zij ziek was geworden, +hadden zij natuurlijk niet zooveel samen kunnen zijn als vroeger. Haar +verdriet was, dat zij hem geheel waarnam, want eerst was er, behalve +zijn neigingen en gedachten, die zij wist, iets onbekends voor haar in +hem, een verborgen geheimzinnige kracht in zijn wezen, ondoorgrondbaar +en heerlijk,--het was de liefde, de zij voor haar in hem veronderstelde, +Zij zag hem nu zônder dat groote en diepe, met een hoofd leêg van haar, +leêg van wat zij wilde, zonder begrip. Zijn wezen was gering, hij had +niets dan zijn leden en zijn dagelijks zelfde hersens, waarin elken dag +de indrukken en gedachten van den vorigen zich herhaalden, zonder ooit +zoo'n vreemden droom, zonder ooit zoo'n onbegrijpelijk gevoel voor iets +hoogers, iets meers. En zij wist niet en vroeg zich, waarom zij zoo van +hem was gaan houden. Wat had zij eraan voortdurend aan dien man te +denken, wat hoefde zij zich ziek en ongelukkig te maken om zijnentwil? +Haar hersens werden hoe langer hoe kouder. Zij voelde zich een oogenblik +staan, als gelukkig in haar leven, buiten haar liefde. Zij dacht een +kalm, zuiver, geregeld, gezond dagelijksch bestaan, waarin zijn hoofd en +zijn schouders naast haar niet meer trilden, waarin hij niets was dan +haar gewone maatschappelijke echtgenoot, keurig en fatsoenlijk, zonder +die nutteloze bombarie van dwaze grillen en opwindingen. Wat was er niet +veel te doen in het leven, ook voor een vrouw! Wat zoû zij een mooye +handwerken kunnen maken, en koeranten en boeken lezen om op de hoogte te +zijn! Niet alleen zoû ze haar huishouden uiterst zorgzaam kunnen doen en +veel meer in de perfektie dan tegenwoordig, maar ze zoû b.v. ook voor +arme kinderen kunnen naayen, zooals andere dames deden. En dan, om het +voornaamste niet te vergeten, wat zoû zij veel meer moeite en +oplettendheid aan de opvoeding van Felix kunnen geven! Nu werd die voor +het meerendeel overgelaten aan Marie, en dat was eigenlijk volstrekt +niet zooals het hoorde. Verder, als zij dan ook weêr heelemaal gezond +zoû zijn, had zij voor uitspanning de konversatie met mevrouw v. +Borselen en met andere dames, waarvan zij de kennis kon maken. En, och +Heer, er waren nog zooveel andere dingen. Waarom moest zij zich ook zoo +afzonderen in de laatste jaren? En zij zag in eens een leven vol +verscheidenheden en kleine gelukjes, dat zij in haar bespottelijke +hersenkoorts geminacht had zonder nagedachte. + +Jozef meende daar het middel gevonden te hebben, om zijn vrouw tevreden +te stellen. + +--Wil ik, nu je weêr zooveel beter bent, eens een week of drie achter +elkaâr hier blijven? vroeg hij. + +Maar een onoverkomelijke warschheid klom tot aan haar mond. Zij zeide: + +--Ja, ik zoû 't wel heel graâg willen, want man en vrouw hooren bij +elkaâr, maar ik geloof wezenlijk, dat 't beter voor me is, dat ik +vooreerst nog maar alleen blijf, want als ik niet zooveel rust mogelijk +heb, kan ik niet slapen. + +--Dat spijt me, zeî hij, en glimlachte, haar liefweemoedig aanziende. + +Maar zijn glimlach werd vernederd en wrevelde wech op de strakheid van +haar gezicht. Zij gingen te-rug in huis en liepen wijder van elkaâr over +het pad, met schokjes van stuursche verlegenheid in hun armen en beenen. +Het witblauw van boven en het dartelende groen krioelde tot hun hoofden +en tusschen hun leden. + +Den volgenden ochtend, toen Mathilde mat opstond, met een moeheid van +het leven in haar beenen en in haar hoofd, zag zij haar fletse gezicht +in den spiegel, haar flauwe oogen, de vale plekjes er onder, en de lange +rimpels over haar voorhoofd. Zij voelde een grooten wrok tegen Jozefs +frissche lichaam. Zij zag, dat het buiten al-weêr een lichte dag was, +een uit dezelfde eentonige opvolging, die tot gisteren geduurd had en +die morgen en overmorgen en altijd weêr verder zoû duren. Weêr zag zij +den tuin door het venster, zonder iets buitengewoons, in zijn zelfde +aanzien van steeds, zij alleen verouderde intusschen en het erge +heerlijke van haar jeugdleven zoû verminderen en eindelijk heelemaal +wechblijven. Zij keek naar de voorwerpen die stil stonden om haar heen. +Wat was het nu? Ging zij naar een doel? of wat deed zij eigenlijk? Wat +gaf het? Zij, die dacht, dat er zooveel met haar gebeurde, wat +beteekende zij, wat gebeurde er met haar? niets. De dag van vandaag leek +precies op den dag van vijf, zes jaar geleden. Zij had eenvoudig haar +zenuwen, haar lichaam vermoeid en ziek gemaakt en zich voor altijd +berimpeld door zich allerlei dingen in te beelden waarvan niets bestond +en door het gewone leven te vergeten, dat toch eigenlijk alleen waarde +had. Maar hij was er de schuld van, hij, die man, die zich aan haar zij +had gedrongen. Aan hem had zij het beste, alles, gegeven wat zij had. +Hoe was 't mogelijk, dat zij zich in 't begin zoo gelukkig had gevoeld +door hem! Wat gaf zij nu om hem? Niets! Hij was daar met zijn +onverschillig-beminnelijke, koele, bekrompen wezen. Zij was mooi geweest +vroeger, zij had ten minste een lief gezicht, had iedereen gezeid. Nu +was ze het niet meer. Haar vader was alleen gestorven uit verdriet over +haar huwelijk. Neen, zij kon hem niet meer lijden, die man, die haar +gebruikt had, om een tijdje pleizier met haar te hebben, die haar +ongelukkig had gemaakt en dien zij nu verveelde. In de zweterige mufhe +van haar eerste op-zijn liep zij met driftige zwartgalligheid door +haar kamer. + +Jozef kwam haar goeyen dag zeggen. Hij moest wech met de diligence. + +--Nee, ik ben nog ongewasschen, zeî Mathilde, geef me maar alleen een +hand. + +--Dat kan mij ook wat schelen, zeî hij, daarvoor hoû ik te veel van je. + +Hij zoende haar voorhoofd, maar zij deed niets te-rug. + +--Zeg, hoe maakt Emilie Berlage het toch, daar heb ik heelemaal vergeten +je na te vragen. + +--O, ik geloof goed, maar ik heb der in lang niet gezien. + +--Nou, doe der me komplimenten as je der ziet ... + +--Nou, dag kind, aanstaanden Zondag kom ik weêr, hoor! + +--O, uitstekend! + +In een gevoellooze rust leefde Mathilde de zacht-grijze week die nu +volgde. Zij bleef zonder gewaar-wordingen en sprak bijna niet. Zij was, +na de vermoeying van haar te veel voelen der laatste tijden, in een +begeerteloze vrede met de stilte van elken dag. Zij had plotseling op +een dag oud naaiwerk voor arme kinderen uit de kast gehaald en was daar +met een niet-opzienden ijver aan gaan werken. Maar de week was al +voorbij en Jozef zat weêr tegenover haar aan tafel, vragende, waar zij +daar zoo druk aan bezig was. + +Hij stond op en ging eens bij het venster staan en daarna weêr zitten op +een stoel vlak bij Mathilde, met zijn ellebogen op zijn knieën en zijn +hoofd naar haar werk toe. Het was als snuffelde hij met de +vooruit-stekende gedeelten van zijn gezicht naar Mathilde en haar werk. +Een oogenblik later stond hij weêr aan de piano en bladerde in de +muziek. Hij keerde zich om, stond met zijn handen in zijn zij, keek op +Mathildes hoofd. + +--Kan je velen, dat ik piano speel? vroeg hij. + +--O ja, woû je iets spelen? Dat heb je in lang niet gedaan. + +--Ja, zeî hij, zijn woorden slepend, ik woû nog eens zien of ik dat nog +kon. + +--Wat? + +--Nies, zoo'n deuntje van Offenbach, dat ik vroeger uit mijn hoofd kon. + +En in eens, terwijl Jozefs lange nagels onaangenaam de toetsen tikten, +geluidde de piano los, met een verwondering der stilte in den hoek, waar +zij zoolang met haar gewone meubelstomheid gestaan had en een +geklinkklank door het hol-ziende huis, vervuld met de woordelooze +klanken van dat vreemde onbewegelijke beest uit de hoek van de groote +kamer. Felix kwam toegeloopen uit den tuin en door het open venster, +bleef staan in een zonnebegieting van zijn blauw pak en blonde haar. Een +boerenjongen die juist voorbij kwam op den weg bleef ook staan, kijkend +uit de verte. Mathilde werkte door, met gebogen hoofd, en zij begreep +niet, welke rare aandoening haar in eens overviel. Het was haar of zij +met haar smarten, vergeten was door het leven, waarvan zij eerst het +middenpunt was geweest. Buiten waren de boomen in de zon en de kalme +omtrek, hier binnen, de leêge kamer, Felix, en Jozef, die zijn luchtig +melodietje speelde, dat een uitlachende vroolijkheid langs de ruiten +deed gaan en dribbelen langs al de onverschillige muren. Met wibbelende +tredjes hakkelden de pianoklanken over haar breede lijden. Zij gold niet +meer, zij telde niet meer meê. Alles leefde buiten haar om. Haar +verdriet was vergeten en begraven. Het groen, buiten, was vol van glans. +Felix stond met rooye wangen van het loopen in den tuin, de kamer was +netjes in orde, en zij was getrouwd, zij waren immers getrouwd, zij was +immers een fatsoenlijke getrouwde vrouw, die een gelukkig en benijdbaar +leven had. Dát was zij en anders niet, maar dat was ook genoeg. En zij +was níet dat andere, die afgrond van lijden in haar wezen, waarin zij +niet woû zien, maar die zij open voelde vlak onder haar oogen. + +Mathilde voelde toch een stil genoegen, dat Jozef in haar bijzijn was. +Hij was voor haar een wezen, dat haar nog den vroegeren Jozef +herinnerde, maar waaruit dát gedeelte van zijn leven, dat hem tot haar +alles gemaakt had, voor altijd was verdwenen. + +Jozef was nog aan 't spelen, toen Marie binnenkwam om klaar te zetten. +Hij speelde gauw een paar slot-akkoorden, stond op, met éen knippenden +blik op Marie, waarin hij het laatst over haar nadacht, stak zijn handen +in zijn broekzakken, keek op Mathildes werk die voortdurend zat te +naayen. Hij keerde zich snel om, klapte in zijn handen vóor Felix, nam +hem onder zijn armpjes op en hield hem in de hoogte boven zijn hoofd, +lachende, en met zijn goedig-lichtzinnige uitdrukking, zeggende; kijk, +nou beê-je nog grooter als ik! En met Felix op zijn schouder ging hij in +den tuin om een roos voor zijn knoopsgat te plukken. 's Avonds dronk +Mathilde thee onder de warande en onder het stilletjes in den avond +wechkwijnende daglicht mijmerde zij over Jozef. Jozef was na den eten +dadelijk uitgegaan, om in de societeit een partij billard te spelen, met +een meneer uit het dorp, met wien hij kennis had gemaakt. + +Mathilde leunde in haar stoel, met een borduurwerk, dat zij roerloos op +haar schoot hield in haar linker hand. Zij had hem heen zien gaan over +den breeden weg, met het blauwe sigarenmistje om zijn hoofd, tusschen de +dikke boomenstammen. Zij was allen. Zij voelde zich leven in den +dof-blonden avond, die neêr-zachtte over de klagende slaapgebaren der +verdonkerende boomen. Maar zij leefde tegen den dommelenden avond in, +bóven den duisternis-spoelenden grond, met haar hoog hittende hoofd óp +onder de drijvende wolken, met haar droomenfonkelende oogen vóort door +de nachtende eenzaamheid. + +Het was wel plezierig zoo'n beetje stil te zitten 's avonds en niets te +doen dan denken. Daar had zij altijd veel van gehouden, ook toen zij nog +een jong-meisje was. Hê, het was drukkend warm van-avond. De warme lucht +werd haar als uit open monden om het hoofd geblazen. Die tijd was lang +voorbij, ja, heel lang. Waaraan dacht zij toen ter tijd ook weêr +zooveel, gedurende al die verdroomde uren? Ja, dat wist zij niet meer, +het waren wel mooye dingen, maar het was te lang geleden, dan dat zij 't +zich nog kon herinneren. Zij dacht aan het geluk, dat wist ze wel, en +zij had ook nog het vage gevoel, dat zij zich er onbegrijpelijk veel van +had voorgesteld, toen, van dat toekomstige levensgeluk. Wat was zij een +buitensporig en wild schepsel geweest, als kind. Dat was later al gauw +overgegaan. Wanneer men eenmaal een groot mensch is, beweegt men vanzelf +zijn leden minder onbesuisd en wordt het heele leven stemmiger. Waar was +toch het geluk? Het was niet boven haar, het was niet voor haar uit, het +was niet aan haar zij, zij kon het niet zien in de duistere warmte, die +dreigend naderde en ijlings week en ommewaarde in zwartgestaltende +zwenkingen. Neen, het was in haar. Als zij maar nadacht, dan kwam het +vanzelf te voorschijn. Zij dacht na ... Het was toen haar vader al lang +dood en begraven was, maar zij woonden toch nog in het oude huis. Zij +voelde zich op een avond leêggehuild en moe van droefheid, onverschillig +voor alles. + +Toen was Jozef bij haar gekomen en had heel lief tegen haar gedaan. + +Mathilde was in de zilverschemerende herinnering. Op de tafel lag een +opengevouwen koerant, die witterig opritselde in de lauwe donkerte en in +den wind een eindje voorschoot naar haar toe over de tafel. Haar oogen +sloegen wakker uit de mijmering en zij zeî zachtjes; wat is er toch?, +toen zij zich in eens te-rugvond in dezen avond. Hoog klom het tegen de +zwarte stijlen der warande, waarôm de klimop in warrelende donkere +rukken steeg, en vlakte met den grond onder haar voeten en drong in haar +bewustzijn, met de zielloze gekantheid der voorwerpen, het Tegenwoordige. +Zij wàs nú. Zij keek om zich heen: och, waar was toch de tijd, die +voorbij was gegaan? Zij wist het verledene niet. Zij wist den avond van +nu, en haar wachten. Maar was zij hier toch? Zij voelde zich als met een +plomp neêrgezet op haar stoel, van de hooge dragingen harer verre +mijmering. Hoe vreemd was het hier! Boven haar was de bekapping der +warande, daar naast de leêge kamers van het stille huis, en verder, +buiten, de groote ruimte, met de boomen zonder oogen, met de lage +heesters zonder mond, onder de behuiving der stommelende wolken, die +geen stemmen hadden. Aan d'overkant was licht achter de vensters. Daar +waren onbekende menschen, die niet wisten, dat zij hier zat. In haar +huis naast haar waren de meiden, vrouwen zoo als zij, die ook spreken +konden, maar zij wisten haar niet en waren met hun zelf, en het was ook +ver, van haar tot de keuken. Daar was veel donkere ruimte tusschen, +ruimte, die zij niet door kon gaan. Het was te ver, veel te ver. En toch +wilde zij het geluk weêr. Zij had het noodig. Zij kon er niet buiten, +nu, op 't oogenblik, zonder uitstel. + +Zij was alleen. Zij kon kijken rechts in de tuinruimte, er was niemant, +die naar haar toekwam, met voeten over den grond, zij kon kijken voor +zich uit, er waren geen menschenvormen, die zich schiepen uit de +donkerte. Niets dan haar warme leden, en haar handen, die als rare +blanke stukken uit de vale mouwen staken, zoo ver van haar willende +hoofd. + +Zij had hem zien gaan, haar man, haar geliefde, zij had hem langzaam +zien wechgaan, vóor de duisternis nog viel, onder de hooge boomen. En +zij zat hem te wachten, nietwaar, het was immers zoo? Zoo meteen kwam +hij te-rug. Maar hij moest toch wel ver zijn gegaan, want zij zag hem +niet meer, geen slipje van zijn mooye jas. En al die donkerte was +tusschen hen, breed en zwaar, ondoordringbaar. Haar verbeelding kon hem +wel zien, maar alleen van achteren, zijn beenen, die zij aan zijn lichte +broek kon herkennen in den zwarten nacht, en die wechliepen, altijd +verder, verder, verder. + +Zij hoorde een heel eind wech in het dorp, de kerkklok slaan, met kleine +stalen tikjes op de rillende duisternis. Hoe laat was het al? Het moest +al heel laat zijn. In de lucht werden de wolken dunner, maar het bleef +broeyend. Er waren even twee sterren, een groote geel-groene, een +kleine, verdere, donkerroode, die dadelijk weêr verdwenen. Zij ging naar +binnen en keek op de pendule. Het was tien uur. Was hij dan nog niet +thuis? Waar bleef hij toch? Zij ging loopen door den tuin, om hem af te +wachten. Zij was bang voor de zware warmte, die om haar leden bleef +hangen om haar te benauwen. Zij bleef staan bij het groote hek, aan den +dorpskant, waar hij vandaan moest komen. Zij zoû hem hooren aankomen in +de donkerte, dan zoû ze hem tegemoet gaan op den weg. 't Zou meteen voor +'t eerst zijn, dat zij buiten den tuin kwam. Maar nu was zij ook hersteld, +zeker, zij was gezond. Waar bleef hij nu toch? Wat duurde het lang. + +Plotseling hield haar denken op. Er gebeurde iets. Er was als een zwarte +dunne lange lijn in den hoogen wind boven haar geweest, die achter haar +om was geslagen in den hoek van haar oog. Er was een snelle beweging van +vormlooze verschrikking door de nacht-ruimte. Een laatste steenen koude +versteef Mathildes wezen, een doodslag, die in de stilte op haar liefde +viel. Zij keek naar hun rieten dak. Aan het eene venster Felix' kamertje, +was licht, het andere, waar Marie sliep, was donker. Zij dacht, dat +Marie zeker nog in de keuken zoû zijn. Zij ging langzaam, met stijve +stappen, naar binnen. Haar armen hingen als houten, zij voelde zich +hopeloos wechsterven. Toen zij onder aan de trap was, was Jozef bij +haar, die van boven kwam, zonder schoenen, en zijn haar aan den eenen +kant in de war. Hij keek haar aan en zag een vreemd zwart licht in haar +oogen, die als scheel zagen. Hij was met Marie geweest. Zij wist het. + +--Ik dacht, dat je nog niet thuis was, zeide zij. + +--Ja, ik ben even Felix goeye-nacht gaan zeggen. + +--Zoo? Wacht, je haar zit daar een beetje in de war ... Zij streek het in +orde met haar aan den arm geheven hand, maar meteen viel zij tegen hem +aan, brekend in een hijgend schreyen, met luide, lange toonen als een +kind. Haar eene hand stak uit boven zijn schouder, haar neus en kin waren +gedrukt tegen zijn beenen jasknoopen. + +Jans kwam uit de keukendeur, denkende dat Mathilde een ongeluk had +gekregen, Jozef, die zachtjes Mathilde naar de groote kamer bracht, zeî +tot Jans, dat zij was gevallen en erg geschrokken was. + +In de groote kamer, waar alles nog donker was, zeî Mathilde tot Jozef, +die zweeg, vlak voor zijn oor met haar lippen, met een zachte stem, die +diep uit haar binnenste scheen te komen, als had een ander wezen in +haar gesproken: + +--Weet u waarom ik zoo bedroefd ben? Jozef is dood, Jozef is dood!; ... +Dat was mijn man, weet u. En haar huilen droogde wech, in dorre +huivering, die door haar gezicht ging. + +Zij rukte zich nu in eens van hem los en liep gauw naar haar kamer, +waarvan zij de deur hevig dichtsloeg. + +Jozef stond alleen in de zwarte kamer, met zijn neêrhangende +besluitelooze armen, in een elegante houding. Hij was eerst bedremmeld +en keek naar het muurvak, waarachter Mathilde nu was. Toen ging hij naar +zijn slaapkamertje en trok zijn schoenen weêr aan. Hij had willen +voorwenden ze te hebben uitgedaan, om, als Felix sliep, hem niet wakker +te maken bij het goeye nacht-zoenen. + +Jans bracht de lamp in de groote kamer, bleef even staan, met bezorgde +oogkassen. + +--Wat is er toch met mevrouw gebeurd, meneer? + +--Ik weet het wezenlijk niet, zeî Jozef, ik geloof, dat zij vreeselijk +de koorts heeft. Laat Marie nog maar even naar den dokter gaan. Ik +begrijp ook niet, waarom die man niet méer komt. Wacht, ik zal zelf nog +'es gaan kijken. + +Mevrouw heeft de deur op slot gedaan, zeî Jans. Jozef klopte tegen het +hout van de deur, het bleef geluidbos er achter, hij woû door het +sleutelgat zien, de sleutel zat er van binnen in, Jozef zag zwart. Hij +ging op het straatje, zag licht aan de vensters, tikte, zonder andwoord. + +Toen Mathilde op haar kamer was gekomen, had zij van de wreede +ruischelende wanden een koele kalmte over zich voelen vallen. De +gewoonte had met haar handen bedaard de lamp opgestoken, als kwam zij +daar om naar bed te gaan. Zij trad langzaam over het tapijt, met zijn +verwonderde en lachende krullen, op en neêr. Het stuk leven van +daar-zoó, met dat andere mensch, dien zij had aangeraakt, met de +huilgeluiden van haar keel, het rillen van haar gezichtsvel, haar +armbewegingen, haar loopen en haar openen van de deur was voorbij haar +zintuigen geslagen als voor goed wech en achter haar, iets dat zij nooit +meer te-rug zoû beleven. Zij vond de kamer hier een stille, afgezonderde +plaats, als onder een kerk, een graf van rust, waar zij gekomen was, om +voor goed uit te huilen, en dan te slapen, te slapen, daar alles voor +haar toch voorbij was gegaan. + +Haar bewustzijn scheurde op. Dáar stond haar bed en de gordijnenschaduwen +beblond-donkerden de wanden. Het bed was altijd in haar leven geweest, +met zijn zwaar hangende gordijnen, allen stillen nacht, met hun breede +roerloze schaduwen. Wat had zij dan toch gedaan? Zij kon toch nog wel +denken? Die donkere man, tot wien zij gesproken had, maar dat was toch +háar man, den man, waarmeê zij getrouwd was, getrouwd, zoo als al die +andere vrouwen ook met hun mannen getrouwd zijn. Waarom had zij dan tot +hem gesproken van haar man, als hij 't niet zelf was? Maar hij wás 't +niet, dat lichaam was niet haar man. Zij werd nu als een ontbinding van +haar wezen gewaar. Zij wist niet meer waar zij dacht. Daalde haar +waarnemen niet onder haar hoofd? Zij voelde haar handen niet meer, als +tot haar éenheid behoorende. Zij voelde, dat haar oogen op dezelfde +hoogte bleven, maar wat ging het vreemd in haar hoofd, haar gedachten +holden als vale eilheden om, zich verdeelend en oplossend, zonder +vastheid, zonder tot geheelen te worden. Zij knoopte langzaam haar goed +en haar korset open en ging op het bed liggen, waarvan de gordijnen weêr +achter haar dichtvielen, eerst op haar rug, toen op haar rechter zij, +toen voor-over, met haar voor-armen onder het kussen, haar rechter wang +er langs aayend, op en neêr, en stil met haar heele lichaam. De +lampe-vlam gaf een warrige mat gouden glansplek in het gordijn, naar +haar hoofd. Daar viel een bekende gedachte als een vaal pakje door de +warreling harer gudsende hersens, en brak open en bloeide op, +hel-lichtend in den purperen kolk van haren waanzin. Zij zat in de +warande en was immers aan 't denken, aan 't denken aan het geluk? Hoe +was 'et ook weêr? In de kleine binnenkamer van het oude huis was haar +vader, hij bewoog zich, hij sprak, hij pakte haar bij haar arm, hij +zoende haar, och, wat zag hij bleek, hij ging dood, haar vader. Hij +wankelde en viel van zijn stoel op den grond. Hij sprak niet meer in de +binnenkamer, hij was dood, haar vader. Vader, vader, bent u dood? ... +Zij was nog een heel klein meisje, dat was haar nieuwe japon, dien zij +daar aan had ... Was hij niet mooi, haar nieuwe japon? Mooi, nietwaar? +Zij ging er meê trouwen, Zij was een groote dame, en ging trouwen ... +Met wien, wel met Jozef natuurlijk, met Jozef ... Hij was altijd bij +haar geweest, nu ging zij met hem trouwen ... Zij was nu een getrouwde +vrouw ... Zij gingen samen wandelen, heerlijk, de menschen keken om naar +zoo'n mooi gekleede en gelukkige man en ... Dat was weêr een benauwde +nacht, wat trokken zij toch haar lichaam uit elkaâr? moest zij dan zoo +gemarteld worden? ... Een stuk van haar lichaam, dat er zich van +afscheidde ... O, God, men had van haar lichaam afgescheurd, datgene, +waarom Jozef zooveel van haar hield ... Want nu bleef hij wech, zij zag +hem niet meer, hij bleef voor goed wech, ... Jozef, Jozef was dood ... +Het groeide op en werd hooger naast haar, het wezen, dat uit haar was +voortgekomen ... Jozefs gezicht was er in afgedrukt, maar altijd bleef +het tusschen haar en Jozef ... als een onoverkomelijke scheiding ... En +Jozef veranderde van trekken, hij leek niet meer op den vroegeren Jozef, +het was een vreemde man, het was Jozef niet meer ... Want hij was dood, +lang dood, wechgezonken onder den grond ... Zie, daar was zijn gezicht, +aan de zoldering, aan den wand, op de vloer. Het was een gezicht en +niets meer, een vage, ontastbare plek, maar de plek werd hoe langer hoe +grooter, de oogen flauwer en de deelen van het gezicht scheidden van +elkaâr, werden geheel onherkenbaar en verdwenen in de vloer, voor altijd. + +Mathilde huilde. Het lauwe water vloeide uit haar oogen en mond in het +kussen. Maar in eens sprong zij van haar bed, liep met haar armen in de +hoogte, in haar losse kleêren, naar den wand, en sloeg den wand, als om +er het geluk aan te doen ontspringen, die liefde, dat onbegrijpelijke en +eeuwig-zalige, dat zij wilde klommen in haar leêge armen, die zij wilde +drinken met haar drooge keel. Zij schreeuwde het uit, met rukken van +klagend krijschen, die de meiden en Jozef, met ernstige aangebogen, +luisterende hoofden bij-éen bracht in den gang, voor de gesloten kamer, +die Felix wakker maakten door het geklaag dat van onder den grond in +zijn eenzame kamertje boven, om zijne kleine lichaam steeg. Hij kwam +benauwd uit zijn slaap, en begon dadelijk ook te huilen om het onbekende +ongeluk, dat er was in het huis. Maar hij durfde zich niet verroeren, +doodelijk bang, dat er iets geheimzinnigs in zijn kamer mocht zijn. + +Mathilde ging weêr door haar kamer, van de deur naar de muur, van de +muur naar de deur. En de deur en de muur bleven haar sprakeloos +aanstaren. Een droef-gele drooge stilte hing van de zoldering over +Mathildes hoofd, waarin, boven het lichaam van week vleesch, de smart +sapte. Haar huiverende hersens zochten wat men haar altijd aangeduid had +als "geluk". Toen zij een tijdje getrouwd was geweest, had zij wel +gevoeld, dat dàt het was, als Jozef haar raakte, als Jozef haar aankeek, +met haar opgemaakte hoofd en haar kleêren over-dag, en 's nachts als zij +zich zelve niet herkende. Maar zij had wel dikwijls gedacht, dat dit nog +pas het begin was, en er iets anders volgen moest, later, later, altijd +later. Boven Jozefs persoonlijkheid uit had zij wel een anderen Jozef +gedroomd, die hij was, maar toch mooyer dan hij, grooter dan hij, een +die nog dieper in haar lichaam kon dringen, die haar heele wezen tot +zich kon nemen en het zijn maken, zoo, dat zij haar zelf niet meer voelde. + +De jaren en dagen van hun eerste huwelijksdag af holden door haar +herinnering, de lichte ochtenden in de stad, met het leven op straat en +niets dan huizen, de donkere avonden, hier, zonder gerucht en met het +groen, alleen, waarvan zij zooveel hield. En al die dagen waren gekomen +en gegaan, zonder het ongekende te brengen, dat zij wachtte. Nu was +alles gedaan. Zij zag het aan de rustige lamp en aan de platte wanden: +de minnaar, de geliefde, de vreemde man, dien zij zich niet kon +voorstellen, waarin haar mijmering haar gezegd had, dat Jozef eens zoû +veranderen, hij zoû nooit komen; al de liefde, die haar wezen verbruikt +had om hem te wenschen, was verloren gegaan, wechgegooid in den +onverschilligen gang van het vale leven. + +Toch moest er iets zijn. Van haar beenen, en over haar borst, van haar +mond en haar oogen steeg de begeerte naar bevrediging, die de +kamerwanden om de lamp heen vernauwde en vaalgeel de verstikking der +verlangens deed uitmisten. En uit haar eerste jeugd leefde de +herinnering op, een rust en een genoegdoening, die zij had gevonden op +de kostschool, als zij bedroefd was, God, het denkbeeld, dat nog een +enkele maal in haar later leven was ontwaakt. O, zij wist het nog wel. +Hij was de groote troost en de eeuwige vrede, voor die Hem kon +liefhebben was de droefheid nooit doodelijk, zoo als zij haar nu scheen. +Maar zij kende Hem niet meer. Wanneer haar vader een enkele maal van God +sprak, viel dat woord in haar als de naam van een persoon uit de oude +geschiedenis, die in de krant komt, als er sprake is van een dissertatie +of een examen en waarover men heenleest. Maar de tijd, dat zij ontroerde +bij het denken aan God was toen haar borsten uitzetten en zij aan +duizelingen leed, in de kapel van het pensionaat. Die aandoening wilde +zij herleven, en zocht haar, zocht haar door de dikke laag der +veroudering. Maar God was voor zoo weinig in haar volgroeide leven +geweest, zij vond zijn gelaat niet te-rug in haar verbeelding. Zij zag +weêr Jozefs twee bruine oogen, twee lichtpunten, die naar haar toe +schitterden, maar oogen van vroeger, de oogen van den doode, die niet +óok waren in dien man hier in huis. + +Zij ging weêr op haar bed liggen, met haar bonzende hoofd, in haar +koorts van wild begeeren. Zij richtte zich op en luisterde, als moest +zij hem van ver hooren naderen. Maar alles bleef stil, totdat zij éens +Jozef hoorde bewegen en hoesten, die achter den wand in zijn bed lag. +Was hij dat, was hij daar? Neen, dat was het andere, het namaaksel van +haar man. Dien moest zij niet hebben. En den heelen nacht eilde zij +door, in een half-wakenden, half-slapenden toestand, in verschrikkingen, +die het bed deden kantelen en de kamer instorten over haar hoofd, in +droomen van zware blokken, die over haar lijf vielen, en van een God den +Vader, een grijsaard met een langen baard en een kroon op het hoofd, die +zachtjes tot haar afdaalde, maar dan onvoelbaar werd als een geest en in +rook verwolkte om haar heen. + + + + +XIV. + + +De dokter, dien Marie niet thuis had gevonden, was den volgenden ochtend +gekomen, en had gezegd met zijn dikken mond, dat Mathilde een hevige +koorts had, dat zij vooral de grootst mogelijke rust moest houden. + +Toen Mathilde na drie weken weêr beter was, werd zij weêr opgenomen in +den gang van het gewoonte-leven der omgeving. Zij vond alles uitstekend +in de zwakke blijdschap van haar herstel. Alleen hinderde haar in 't +begin bijna elk geluid. Jozef was, toen zij zoo erg was, bijna elken dag +overgekomen; zij bleef er hem dankbaar voor; hij was een goeye man. + +Toen zij weêr voor 't eerst in den tuin kwam, vond zij, dat ze hier toch +wezenlijk een allerliefst buitentje hadden, maar zij had het vroeger nog +nooit goed gezien, ontdekte allerlei aangename en mooye plekjes, die +haar nieuw voorkwamen. + +Zij was in een zonderlingen geestestoestand geweest in den laatsten +tijd. Gelukkig, dat zij zich al die akelige gewaarwordingen niet meer +herinnerde. De dokter zeide, dat de koorts haar meer goed dan kwaad had +gedaan dezen keer, dat hij haar uitgebrand en gezuiverd had en dat +geloofde zij ook. + +Toen zij zes weken beter was, in het begin van Augustus, kwam Emilie +Berlage op een Zondag, dat Jozef er ook was, hen even bezoeken. Het +hinderde Mathilde volstrekt niet, dat Jozef en zij elkaâr zoo +vertrouwelijk aanzagen. Maar Marie hadden zij wechgedaan. Felix groeide +op en had nu meer een kinder-jufvrouw noodig, die zij kregen op een +advertentie in de koerant. + +Mathildes gezicht bolde aan tot dat van een gewone deftige dame. Zij had +een groote vriendschap voor Jozef, maar was er niet zoo erg op gesteld +hem altijd bij haar te zien. + +Toen zij einde Oktober weêr te-rug waren in Amsterdam hield zij niets +meer over van dien raren zomer buiten dan de slappe herinnering van een +droom. In April van het volgende jaar, beviel zij weêr, van een dochter. + +EINDE. + + + + + + + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Een liefde, by Lodewijk van Deyssel + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN LIEFDE *** + +***** This file should be named 10820-8.txt or 10820-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/0/8/2/10820/ + +Produced by Marc D'Hooghe + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS," WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + +Each eBook is in a subdirectory of the same number as the eBook's +eBook number, often in several formats including plain vanilla ASCII, +compressed (zipped), HTML and others. + +Corrected EDITIONS of our eBooks replace the old file and take over +the old filename and etext number. The replaced older file is renamed. +VERSIONS based on separate sources are treated as new eBooks receiving +new filenames and etext numbers. + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + +EBooks posted prior to November 2003, with eBook numbers BELOW #10000, +are filed in directories based on their release date. If you want to +download any of these eBooks directly, rather than using the regular +search system you may utilize the following addresses and just +download by the etext year. + + https://www.gutenberg.org/etext06 + + (Or /etext 05, 04, 03, 02, 01, 00, 99, + 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90) + +EBooks posted since November 2003, with etext numbers OVER #10000, are +filed in a different way. The year of a release date is no longer part +of the directory path. The path is based on the etext number (which is +identical to the filename). The path to the file is made up of single +digits corresponding to all but the last digit in the filename. For +example an eBook of filename 10234 would be found at: + + https://www.gutenberg.org/1/0/2/3/10234 + +or filename 24689 would be found at: + https://www.gutenberg.org/2/4/6/8/24689 + +An alternative method of locating eBooks: + https://www.gutenberg.org/GUTINDEX.ALL + + diff --git a/old/10820-8.zip b/old/10820-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..fbd0d5a --- /dev/null +++ b/old/10820-8.zip diff --git a/old/10820.txt b/old/10820.txt new file mode 100644 index 0000000..5e14250 --- /dev/null +++ b/old/10820.txt @@ -0,0 +1,12089 @@ +The Project Gutenberg EBook of Een liefde, by Lodewijk van Deyssel + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Een liefde + +Author: Lodewijk van Deyssel + +Release Date: January 24, 2004 [EBook #10820] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO Latin-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN LIEFDE *** + + + + +Produced by Marc D'Hooghe + + + + +EEN LIEFDE + +door + +LODEWIJK VAN DEYSSEL + + + +VOORBERICHT + + +De tweede uitgave van den roman EEN LIEFDE verschijnt zonder de +zogenaamd onvoegzame of onzedelijke uitdrukkingen, die in de eerste +uitgave voorkwamen. + +De belangstellende leidde daaruit niet af dat de meening van den +schrijver veranderd zou zijn met betrekking tot de mate van vrijheid en +van onafhankelijkheid van algemeen geldende zienswijzen, die een +eigenschap der letterkunde moeten zijn. + +De reden, die tot wijziging deed besluiten, is deze, dat geene +gelegenheid werd gevonden eene nieuwe uitgave behoorlijk bezorgd te +zien, tenzij met wijzigingen. + +De vraag deed zich nu voor in hoeverre de verandering verantwoord kon +worden tegenover de kunstleer, waarvan de oorspronkelijke vrije text de +toepassing was. + +Ten eerste nu, kwamen, bij latere objektieve beoordeeling, sommige +onvoegzame of onzedelijke uitdrukkingen tevens voor fouten van +letterkundigen aard te zijn. Deze behielden voor den schrijver wel hunne +bekoring als bewijzen van felle leer-stelligheid, maar deden feitelijk +het wezen der roman-gedeelten, waar zij zich bevonden, geweld aan. + +Ten tweede echter, kwamen de letterkundig deugdelijke deelen te berde, +die toch wegens onvoegzaamheid of onzedelijkheid moesten verwijderd +worden. Dit was eene verdrietelijke scheiding. + +Een roman als deze is evenwel niet een Geheel van dien aard, dat hij, +--gelijk een beeld of een muziekstuk wel--bedorven zoude worden door +de uitneming van enkel kleine stukken. + +Aangenomen dat deze roman goed werk zij en gegeven de noodzakelijkheid +eener keuze als de zoo even aangeduidde,--zoo moest die zich wel +vestigen op het behoud van zoveel mogelijk van het werk, dat anders +geheel verdonkeremaand ware gebleven. + + +Zomer 1899. L. VAN DEYSSEL. + + + + +EEN LIEFDE + + + + +I. + + +--Doe nou de deur maar dicht, kind, anders vat-je kou. + +Mathilde deed 't. Eerst draaide zij de onderste helft toe, daarna de +bovenste, sloot die af met een dikken sleutel en hing den sleutel aan +een haak, midden aan de bovenste helft der deur, waar Jans, de meid, hem +vinden zou. + +Met een sprongetje was Mathilde weer bij haar vader, die, meer achter in +den gang, wachtte; zij stak haar arm door den zijnen en de twee wandelden +terug naar het zaaltje. Zij hadden met hun tweeen de menschen, die dien +avond bij hen geweest waren, uitgelaten. Terwijl de heer de Stuwen +opmerkingen maakte over kleine voorvalletjes van den avond, stapte zijn +dochter op hakken naast hem, en keek zij, het hoofd gebogen, naar de +punten harer schoenen. Zij zei niet veel. + +--Toen 't zoo geanimeerd werd, dacht ik niet, dat ze zoo vroeg heen +zouden gaan. + +--Nee, antwoordde Mathilde, dat was wel vreemd. In-eens herinnerde de +vader zich iets, iets dat hem getroffen had. Hij glimlachte, de oogen +neer, schalksch: + +--Heb-je wel gemerkt, hoe verlegen of mevrouw van Borselen werd en dat +z'n 'n eindje met haar stoel van Louis Berlage vandaan schoof, toen ie +die anekdote vertelde van die jonge weduwe, die zoo graag weer trouwen +wou? + +--Nee, daar heb ik niet op gelet ... + +--Van Wilden was weer op zijn beau dire van-avond. + +--Ja. + +Mathilde moest nu den arm loslaten, want de ingang van het zaaltje was +niet breed genoeg voor beiden te gelijk. Zij liet haar vader binnengaan, +met gedachteloze blikken over zijn rug. + +Het zaaltje, in de war, bepoeteld, kleverig, vol klamme glansen in het +dik-gele lamplicht, luwde een volle warmte over hun gezichten, +doorsiepeld van glacehandschoenen-en punchgeurtjes. Door het eene +groote venster, dat op de binnenplaats uitkwam, frischte, als uit een +mond van den nacht, de buitenlucht er tegen in. De stoelen stonden, +links en rechts, in een onvriendelijke wanorde. Voete-kussens lagen over +den vloer, wild weggeschoven. + +Mathilde ging naar de piano, krabde een droppel vet, die, van de kaarsen +gedropen, op een zwarten toets was gestolten, aan poeyer, spreidde de +groenwollen lap over de toetsen, sloot de klep dicht en borg de bladen +muziek in het kastje daarnaast. + +--Ja, zei haar vader, die, langzaam met zijn laag kaal hoofdje, aan de +tafel was gaan zitten om nog een half uurtje de krant te lezen en haar +bezig zag, je heb wezenlijk uitstekend gespeeld, die sonate, oneindig +beter als laatst. + +--Och, zei ze, en blies meteen de kaarsen uit. + +Met een soort van drift liep zij nu door het vertrek en zette de stoelen +en het speeltafeltje op hun plaats. Zij schelde; daarna slofte de meid +binnen. + +--Jans, breng de glazen en die twee flesschen nog even naar de keuken. +En ook de kopjes, die op het buffet staan, dan is dat weer in orde. + +Mathilde zette den bruinen tonvormigen tabakspot met het meerschuimen +pijpje bij haar vader en zei hem in een zoen in zijn voorhoofdrimpels +goeye-nacht. + +--Maar, kindlief, 't is pas kwart voor elleve, ga je nou al na boven? +vroeg de oude heer, goedig opziend haar omhelzingsgebaren. + +--Ja, vader, ik heb een beetje hoofdpijn, en ik wou morgen vroeg opstaan +om wat te teekenen. + +--Nou, slaap wel dan. + +--Insgelijks, papaatje. Jans zal je goed sluiten, ook raam hier, en ga +jij dan ook maar naar bed, hoor! + +--Jawel, jufvrouw, weest u maar heel gerust. Nacht, jufvrouw. + +Geregeld elken avond werd deze aanbeveling gegeven en zoo beantwoord, nu +al vier jaar lang, sinds Mathilde van kostschool terug was. + +Mathilde holde naar boven, alsof er brand was. Daar bedacht zij iets, +en, van het eerste portaal, riep zij luid: + +--Vader! + +--Wat is 't? riep hij door de zaaldeur. + +--Blijft u nu ook niet al te lang op! Denk aan uw rheumatiek! + +--Nee, kind, ik kom over een kwartiertje. Wel te ruste! + +--De jufvrouw is zeker weer een beetje bang, zeide Jans. + +--Misschien wel, antwoordde de Stuwen, en stopte zijn pijpje. + +Mathilde sliep op de tweede verdieping, boven haar vader, in een kamer +aan de straat, twee ramen breed. Zij had in de gauwigheid vergeten een +licht mee te nemen en bewoog zenuwachtig rond in de donkerte. Wat een +akelige, nare kamer ook! Waar waren nu de lucifers? zij behandtastte met +zoekende vingers de kastjes en tafels. Eindelijk vond zij ze en stak +gauw het gas aan. Hoe heerlijk toch dat gas, dacht zij. Gelukkig, dat +mijn kamer ook met gas is, want als ik een lamp had, zoo als op het +zaaltje, dan kwam ik daar zeker nooit mee klaar. Toen het gas op was, +ging zij tegenover de tafel zitten, in-eens, met een schok van haar +lichaam, op een der vier stoelen aan den wand. Zij staarde voor zich +uit, en liet haar oogen langs de planten-figuren van het tafelkleed +gaan; haar armen hingen loom langs de heupen neer. Daar omtrilde haar de +koele nukkende nachtstilte. Waarom maakte zij zoo'n haast? ze wist het +niet. Zij keek naar rechts en zag dat de venstergordijnen nog niet +neergelaten waren. De blauwzwarte lucht boven de boomen langs den +wallenkant, onder de franje der gordijnen, scheen een door de punten der +franje getande donkere lap goed, van gouden vonken doorstikt. Mathilde +maakte het touw los en roef! roef! klapten de gordijnen neer. Toen begon +zij zich uit te kleeden, zij nam den kam uit het haar, die haar toch al +gedurende den avond had gehinderd, en liet het dikke zwarte haar over +den rug heen en weer zwieren. Zij was opgewonden, voelde zich koortsig. +Haar borst daalde en steeg onder het ritselend korset. Ring! met een +ruk knoopte zij haar groenzijden lijf los, trok het korset af en gooide +het op zij. Ja, zoo kon zij toch niet naar bed gaan! Ze zou nooit +slapen! Met haastige groote stappen de handen op den rug als een jongen, +begon ze te loopen, van de ramen naar de deur en weer te-rug. Haar +schedel en handenpalmen zweetten van opgewondenheid. Haar bovenhoofd +werd warmer. Telkens wanneer zij de tafel en het licht achter zich had. +zag zij haar schaduw op de gordijnen en op de muur verschijnen, een +wilde, warrige, wemelende schaduw: een hoofd met haren in grilligen +kroes, rechtopsprietend en in kronkelende lijnen, als een ruiker +grashalmen zonder kunst op het veld samengebonden zich vermengend, en +een openhangend jak, met vagen schouder en taillevorm, als een breede +bewegende japansche vaas daaronder. Als zij naderde werd de schaduw +grooter en verloor hoe langer hoe meer haar eersten vorm. Zij kon niet +ophouden met er naar te kijken, zij vond dat aardig, veel aardiger dan +gisteren en eergisteren, toen ook de schaduw op het gordijn had +bewogen.. Zij had er nooit zoo erg op gelet. Zij kreeg de gedachte den +ruiker en de vaas van vorm te doen veranderen. Zij stak haar hand in het +haar en streek het nog hooger naar boven, zij strengelde den langen bos, +die over haar rug hing, om den hals of wierp alles naar boven en liet +het terug vallen op haar schouders en over haar gezicht. Zij had er veel +plezier in, zij lachte hardop. Zij nam haar jak bij de tippen en sloeg +zoo naar twee kanten uit, zij gaf het den schijn van vleugels en maakte +er de beweging van vliegen mede, met zoo een geweld, dat het garneersel +kraakte aan de schouders. Zij sprong in de hoogte en danste door het +vertrek. Zij kwam er toe een balletdanseres na te doen, bracht de armen +samen boven het hoofd en strekte ze dan weer horizontaal uit. Zij nam +haar rokken op in de breedte en walste zoo rondom de tafel, en zij ging +maar voort en wist niet welke gebaren maar te verzinnen om voor zichzelf +de Chineesche-schim te vertoonen. Haar bewegingen werden grilliger en +ongerijmder: zij zwaaide met de vingers, deed haar kanten zakdoekje +wapperen, draaide op een voet rond als een tol en was op het punt naar +haar korset te grijpen om voor tamboerijn te dienen bij haar dansen, +toen haar blik tegen den spiegel aankwam, aan den wand. Zij vond op-eens +dat zij dwaas deed, kwam tot bedaren, in een akelig-leeg gevoel, lei +haar handen naast elkaar even over de borst en zakte hijgend op den +stoel van zoo-even neer. Zij voelde zich weer een jong kind zijn in haar +dolle vreugde. Onwetend wat te doen, stak zij, uitrustende, de haren +tusschen haar tanden, en onttrok ze weer met geweld aan haar eigen +beten. En hijgend neuriede zij melodien uit de _Juive_, die zij den +vorigen Dinsdagavond had gehoord. Zij bond de haren in stevige knoopen +aan elkaar. Zij trappelde met de voeten op den vloer, al maar niet +wetend wat te doen van blijdschap. + +--Ja, ik ben twee en twintig jaar! joedelde zij, sprekend en zingend, en +dat vind ik heerlijk, verrukkelijk, hemelsch, en hij houdt van me, want +hij heeft t' van avond zelf gezeid, en wij zullen samen trouwen, zoo +gauw mogelijk, en dat vind ik zalig! ... + +Achter de kamer knapten de trappetreden onder Jans, die beneden alles +nog opgeredderd had, en nu ook naar bed ging. Mathilde waakte even op +uit haar mijmeren, met luisterende oogen. Een beetje bedremmeld en +aarzel-lachend keek zij in de rondte. De stappen van Jans stierven uit +op de verdieping daarboven. Mathilde hoorde, als heel uit de verte, Jans +haar kamertje dichtdoen en het knipje voor de deur schuiven. Daarna was +alles stil in huis. Mathilde pakte haar gloeyende wangen tusschen de +handen. Langzaam peuterde zij de knoopen uit de haren los en gooide ze +allemaal naar achteren. Zij hoorde niets meer dan het gezuis van de +gasvlam voor haar. Zij dacht er aan dat haar vader ook al naar bed moest +zijn gegaan. Zij keek naar de zoldering en zag de zware schaduw van haar +ledikant. Zij vond, dat van-avond de dingen op haar kamer zoo vreemd en +koud waren als anders nooit. De tafel bewoog niet, de kasten zeiden +niets en de stoelen waren leeg. Er daalde een benauwde warmte van het +plafon neer. Alles in de rondte, wat niet in den gas-schijn was, stond +in een rare donkerte. Mathilde zag onbekende zwarte hoekjes, en een +vreemd soort ruischende stilte wasemde daaruit op, naar haar toe. + +Zij kreeg 't warm, zij streek met haar zakdoek over het vochtige +voorhoofd en den klammen hals. Zij deed haar jak uit. Zij had pijn aan +haar linkervoet. Zij duwde haar schoen uit. Zij had lichtgroene kousen +aan, en kreeg onder het ledikant haar zwart-zijden pantoffels. Toen +sidderde het dunne bedgordijn. Mathilde had een kleine huivering. Ze +draaide het gas hooger. Langzaam ging ze naar de waschtafel. Haar wangen +waren purperrood, haar hoofd boog naar den linker schouder, de zware +zwarte haren bosten in glimmende kronkelingen over den half blooten rug. +In het hoofd klopte de wildheid van zoo-even na. Zij deed een beetje +Floridawater op den handdoek en bette haar gezicht ... + +O God, hij hield van haar! ... Zij was bang duizelig te worden, als ze er +erg aan dacht. Haar handen leunden op de kanten van de waschtafel, haar +blikken zweefden langzaam over de kom met water. Zuchtend zij er weer +van daan en zag besluiteloos rond. Het gaslicht brandde flikkerend hoog. +Zij had 't erg warm. Zij haakte haar groenen rok, die met een haakje en +oogje op den rug vast zat, los, en liet hem over haar voeten uit +glijden, en hing hem op in een muurkast, waaruit zij meteen haar langen +licht-grijzen peignoir, met zwart-fluweelen kraag en mouwopslagen te +voorschijn kreeg. Zij lei dien op de tafel en bleef daarvoor staan in +haar korte witte rokken, waaronder de groene gladde kousen in de +vloerdonkerte op-stonden. Het haar, ver naar voren aan weerszijde, +verborg haar oogomkastingen in een schaduw, waar de oogen als zwarte +seinlichtjes in uitschenen en klapten open en dicht. In elken blik zag +zij het geheel van haar kamer, met dezelfde kleuren en vormen als elken +avond. En toch scheen alles zoo vreemd. Er was als een bizonder en +ongekend leven in de meubels, die haar geen kwartier geleden nog zoo oud +en levenloos hadden omgeven. Een geheimzinnig suizen, iets, als +schemerde daar een onzichtbaar waas van de zoldering naar beneden om +langzaam weer op te trekken en als zweefde er een zwartige wolkige massa +van de wanden uit naar voren, om, door de ruimte van het vertrek heen, +over het huisraad te dwalen en zich daarmee te vermengen of op eens in +zich zelf te verdwijnen. Het scheen, dat er straks een gedaante zou +opkomen, die iets te fluisteren had aan Mathildes oor en dat er een +vreemde wind langs het behangsel woei, die zijn naderen voorspelde. Dan +was 't, als of onbekende menschen of vreemde wezens langs onzichtbare +telegraafdraden, boven door de kamer, stilletjes elkaar allerlei dingen +zeiden. Keek zij voor zich, dan bewoog daar iets links achter haar, maar +stil en zacht, zonder vijandige bedoeling, en keek ze naar den hoek, +waaruit de beweging scheen te komen, dan bewoog er weer iets voor haar +heen en wilde zij zich overtuigen, dan was alles stil en stom als toen +ze pas binnenkwam. Zij dacht, dat zij niet wel was en deed haar hand +tegen haar voorhoofd, de haren wechstrijkend, zoo dat het volle licht +haar in de oogen schoot en zij alles in de rondte van een grijzige mist +zag omwasemd. En weer dwarrelden er klanken van de zoldering omlaag. +Jozef, ... suist het, Jozef, ... Zij deed haar oogen toe en zag in haar +verbeelding dien naam, en altijd, altijd dien naam, in drukletters voor +haar. En wech was weer de naam, en Jozef van Wilden zelf stond te voeten +uit vlak voor haar, hij naderde nog meer en drukte zich tegen haar aan, +zijn gezicht vastgedrukt aan haar gezicht, en zijn oogen blonken in haar +oogen, zoo dicht bij, dat zij de lichtblauwe tint van het wit dier oogen +onderscheidde en de klare groen-blauwe balletjes der appels haar oogen +schenen te raken. Daarna weken zij te-rug en leunde het mooye, blanke, +aan de slapen afgeronde voorhoofd aan het hare. Mathilde schudde de +verschijning van haar gezicht af. Zij opende haar oogleden en voelde +zich een beetje bang. Zij durfde niet goed meer rondzien. Weer bewoog er +iets links en rechts. Wat kreunde daar achter het kastje? En zij zag een +nevel weer door de kamer dansen. Zij keerde haar hoofd rechts af en +wrong de handen samen, in een beweging van beklemdheid voor het lijf +uitgestrekt. Het was, als tintelde een gevoel door het vertrek en deelde +zich aan al de omgeving mede, een enkel gevoel van opperste bevreemding, +een voorspelling van een onuitsprekelijk groot en nieuw geluk. Daar zag +zij weer in den spiegel en keek er zich zelf in aan. Zij deed er een +stapje op toe en zag zich als een witte pop in de kamer staan. Eerst +bekeek zij nu aandachtig de kamer, en was verwonderd haar in den spiegel +zoo heel anders te zien. Alles had hier het oude, gewone voorkomen, dat +van gisteren, dat van altijd. De wanden en het huisraad deden zich hier +bedaard en juist voor, wezenloos en zonder geluid. Dat was zonderling, +wat een rare spiegel! Haar gezicht was ook hetzelfde als altoos, alleen +maar bizonder, erg, al te erg verhit. Wat stond zij daar gek, waarom zag +ze er zoo verwilderd uit, waarom gloeide haar hoofd zoo, waarom stond ze +zoo naakt, in haar ondergoed? Waarom was ze niet naar bed gegaan? Waarom +had ze anders haar peignoir niet aangedaan? Waar was die? ... Op de +tafel. Langzaam stak ze haar armen door de slappe mouwen, de dunne stof +streek haar over de leden. De zwart fluweelen rand scheerde langs haar +warmen hals. 't Is verschrikkelijk warm! zeide ze in zich zelf. Het +kookte haar door de aderen. Met haar zakdoek wuifde zij koelte haar +wangen. Haar hart klopte gauw achter mekaar. Nu gooide zij nog eens +gedachteloos een blik in den spiegel en zij zag het bibberig glansende +vernis, dat de borst van haar moeders portret aan den wand, links +tegenover het gaslicht, bedekte. Maar boven die schitterende plek +bemerkte Mathilde de droevig-ernstige gelaatstrekken. En zij dacht even +aan haar moeder. Zij had haar zoo weinig gekend! Zij was nog zoo jong, +toen haar moeder dood was gegaan! Suffend draaide Mathilde naar het +portret toe. Haar oogen bedroomden het vol onbewuste gedachten. Zij werd +bang voor die geschilderde droefheid, zij ging naar het venster en trok +het gordijn op. Haar koortsigheid was heviger. Tevergeefs probeerde ze +op haar eigen gemoed in te denken. Haar blik schuimde over haar +werktafeltje af, voor het venster heen. Midden-tusschen uitgeknepen +waterverffleschjes en lange penceelen, een glas vuil geel water, waarin +roode wolkjes dwarrelden, een blikken doos, met lankwerpige en +afgesleten stukjes verf, een paar licht-bruine potlooden, een stuk +kleverig gommelastiek en smoezelige papieren, lag er een aquarel, die +nog afgemaakt moest worden. Plotseling bedacht Mathilde, dat zij dat +van-avond had willen doen. In een drift over haar vergeeterigheid, nam +ze de teekening en de penceelen op, om ze over de groote ronde tafel te +spreiden onder het snerpende gaslicht. Haastig ging zij zitten, maar hoe +ze er zich ook over bukte, hoe ze zich in de werkstemming trachtte te +brengen, het landschap, dat voor haar oogen lag, warrelde alsof er een +wemelend vlies over gespannen was. Zij kon maar niet tot rede komen. Zij +liet het teekenen weer in den steek en nam een duitsch boek van het +boekerekje, om wat te lezen. Maar dit lukte ook niet. Zij liet het +boekje liggen. Het bonsde aan haar slapen. Haar hoofd was vol van de +dolste gedachten. Eindelijk nam ze een besluit. Ze zou naar bed gaan, +beproeven in slaap te komen. Ze zou de vensters, of ten minste een, +openzetten, want het was een zoele Julinacht. Zij deed het raam open +door de kruk in 't midden eens rond te schuiven; zonder leven gingen de +twee glazen deurtjes open. Het werktafeltje werd naar achteren geduwd en +Mathilde ging op de vensterbank zitten, haar beenen over elkaar, den arm +geleund op het zwart ijzeren hekje. En zij wendde het hoofd naar buiten +in de lauwe zomerlucht. + +Het was een stille, hooge nacht. In korte spelingen woei zoetjes de wind +door de trillende blaaren der boomen, vlak bij Mathilde aan den +wallenkant en deed de haarsprietjes dansen tegen haar voorhoofd, en +vlaagde de angst wech uit de kamer, voorbij het onrustig vlammende gas. +Een groote kalmte daalde in Mathildes gemoed. Onder de wijde verte van +den vonkel-krielenden hemel en boven den dorren klank der +ver-geruchtende stads-nachtgeluiden, voelde zij het vreemde geluk in +haar hersenen en hart, maar zonder angstige drift, zachtjes, zachtjes, +als een dauw van zaligheid. Mathilde zag rond: een glimlach zweefde +overal. De straatkeyen, in het lantaarnlicht, wiebelden teeder-grijs +heen, smetteloos samenoogend, blaarenschaduwen plasvlekten in doezelige +warrelingen over de bruingele klinkers. Als hooge kerkkaarsen stonden de +slanke lantaarnpalen met hun van boven rossig gekartelde lichtjes, met +geelwasemingen in de boomfestoenen. Het donker-groene water stroopte +golfloos zachtjes voorbij. Boven de boomen uit zag Mathilde de bovenste +ramen en de daken aan d'overkant. Aan een venster was nog licht, een +onbewegelijk dof licht, achter het vuil-gele gordijn. Maar hooger +klommen Mathildes blikken, hoog boven de blauwige en bleekroode daken, +boven de driehoekige en ovale geveltoppen uit, wijd-uit-turend, als +zoekend, in de goud-doorstikt lichtende lucht. + +Heerlijk, dacht zij, het hoofd op de hand, heerlijk zoo in den nacht te +zitten kijken! Zij had de verhitting van haar slapen voelen wijken en +een groote blijdschap, rose, wit, licht-geel, was over haar +neergevallen. Ik blijf hier op mijn gemak nog een beetje denken, dacht +zij, het duurt nog lang eer het morgen is. Zij lei haar handen in den +schoot en boog het hoofd voren. Lange vlassige streepen zwart haar +vielen aan weerszijde, onder haar ooren, langs haar hals tusschen haar +borst. Haar oogen waren neer, om zich te herinneren wat er gebeurd was. +Mathildes rijtjes van lange oogharen, als kleine ragfijne waayers, +verwarmden tint der onderoogleden met hun schaduw; twee gestolten tranen +glinsterden haar oogen er tusschen. Zij had een bloederige roodheid aan +de oogranden en fel-roode lippen. Haar neusvleugels trilden, als zij +iets sterk verlangde. Zoo was zij, zoo had Jozef van Wilden haar dien +avond gezien, toen hij haar zijn liefdesverklaring maar had meenen te +moeten doen. Daar zat zij nu over te denken, hier aan 't venster. Zij +wilde zich volstrekt alles te binnen brengen, elken trek van zijn +gezicht, elken toon van zijn stem, toen hij haar die woorden had gezegd; +zij wilde voor de tweede maal, nu in gedachten, die zaligheid door +maken. En met veel zekerheid rees de herinnering in haar op. Het was +in het zaaltje, achter, waar ze altijd zaten, als ze menschen kregen, +haar vader en zij; het zal zoo wat tien uur zijn geweest. Jans was juist +voor de tweede maal met wijn rond geweest. Mevrouw van Borselen had al +iets gezongen, Ster en Jozef hadden al wat voorgedragen, toen zij +begreep, dat nu de beurt aan haar zou komen. Wezenlijk had haar vader +haar op zijn gewone goedaardige manier aangezien en gezeid: Mathilde, +laat jij je nu niet eens hooren? en allemaal hadden ze er op +aangedrongen. Zij had zich een beetje zenuwachtig gevoeld, want Jozef +gaf taal noch teeken. Zou hij er wat tegen hebben, dat ik speel, had zij +toen gedacht, dan zal ik juist vreeselijk mijn best doen. Wat zal 't +zijn? vroeg haar vader. Zonder een sekonde te aarzelen had zij erg +bedaard en erg moedig geandwoord: de _Sonate pathetique_, als u 't +permiteert. De woorden waren er uit; nu moest ze 't ook doen. Sints een +paar weken had zij de sonate wel alledag geoefend en de laatste drie +dagen zelfs vlug gespeeld, maar nog nooit had ze zoo'n moeyelijk stuk +ondernomen in gezelschap. Maar zij hield verschrikkelijk veel van de +sonate en dacht, dat zij 'm met gevoel speelde. Zoo had zij dan, terwijl +de kaarsen spattend knapten onder het wachtend zwijgen van de menschen, +zich naar het muziekkastje gebukt, er het dikke kajee uitgenomen en was, +heelemaal klaar voor den strijd, aan de piano gaan zitten. Ineens hoorde +zij nu eene beweging achter haar en zag zij Jozef van Wilden, die +stilletjes dichterbij kwam, zijn oogen, waarin het kaarslicht +terugflikkerde, op haar muziek gericht, zijn snor tusschen de tanden. +Mag ik de bladen omslaan? had hij gevraagd, met een rare stem. Heel +graag, had zij, bizonder koel, geandwoord. Er sijpelde iets kouds door +haar handen; zonder dat zij het wilde tikte een van d'r vingers neer op +een zwarten toets en flauwtjes weerklonk een angstig hooge toon. Maar +zij haalde krachtig adem en was zich meester. Zij was toen zonder +aarzelen maar begonnen. Naarmate zij vorderde, ging het beter. Zij +voelde zich gloeyen onder het spelen. Zuiver, zonder een fout, had zij +het stuk voleind, zij was vuurrood geworden en transpireerde er van. En +onophoudelijk had zij Jozefs warme adem langs haar oor voelen gaan. Zij +had gemerkt, dat die al sneller en sneller werd, naar mate zij +gelukkiger speelde. Zij zag de bladen bibberen in zijn hand bij het +keeren; eindelijk had ze hem tranen hooren slikken, ja, zij had het +duidelijk gehoord, hij had gehoest om niet te laten merken dat ie +huilde. Het laatste blad had zij zelf moeten omslaan, want hij vergat 't +en zij wist toen niet eens meer of hij nog achter haar stond. Maar toen +ze de slotakkoorden had neergestoten in volle vuur, en ze, met een +zekere koude door de leden, opstond en zich met een "dankje wel" naar +Jozef keerde, toen had ze hem bleek en aangedaan zoo vlak achter haar +vinden staan, dat haar haren langs zijn wang scheerden, en, onder het +handgeklap en de bravo's van de menschen, had hij heel zachtjes tegen +haar gezeid, dat hij zooveel van haar hield. + +En als een geur, die haar verder den geheelen avond bijbleef, had zij +die klanken meegedragen in heur haar. Het had haar geschenen, als hoorde +zij die stem voortdurend met eindelooze teederheid aan haar oor, als was +er iemant die telkens zei: mag ik je iets zeggen, Thilde, ik houd +zooveel van je, onbegrijpelijk veel, en altijd, altijd inniger en +doordringender. Toen de avond afgelopen was en de menschen kort na +mekaar afscheid namen en ook Jozef vader en haar goeyendag zei, had ze +hem niet aan durven zien en flauw zijn hand gedrukt. Maar zijn woorden +zongen in haar ooren. Bij haar naar bovengaan dreunden zij haar na op de +trap, omklonken haar van alle kanten en bonsden in haar hoofd ... + +Eindelijk dan, eindelijk had hij het gezegd. Wel had zij lang gewacht, +wel had ze hem honderdmaal, als hij bij haar vader een visite maakte en +zoo kalm zat te praten, schijnbaar onverschillig aangezien, met de vraag +in de keel, die zij hem toe had willen roepen: Waarom hou-je niet van +mij, die zooveel houd van jou, en, wil je mij en mij alleen, zooals ik +jou en jou alleen wil, waarom zeg je 't dan niet, waarom laat je dan +niets merken? Wel had zij 's nachts, als ze maar niet slapen kon, aldoor +maar met verschrikkelijk veel verdriet aan hem liggen denken. Wel was +ze, onder het zingen ineens gaan huilen en had zij zoo bleek gezien, dat +vader zich bezorgd had gemaakt aan het eten 's middags. Ja, wel lang had +zij gewacht ... + +En, terwijl de stad voor haar voortnachtte en de uren duurden ruischend +om haar hoofd, herdacht Mathilde, met zich zelf heelemaal alleen, het +begin van haar liefde voor Jozef, het aangroeyen van die liefde, het tot +hartstocht worden, de dagen van hoop en de wanhoopsvlagen door die +stille liefde over haar gebracht. + +Buiten stemde de wind de boomen al zachter en zachter, het water in den +val beneden haar scheen bijna bewegingloos en in de verre hoogte waren +de sterren gestadig. + +Toen zij nog heel klein was, speelde Jozef wel met haar, als hij met +zijn vader en moeder bij hun aan huis kwam. Hij was al een groote jongen +met een jas aan, zoo als een heer. In 't begin had zij erg tegen hem +opgezien. Hij sprak altijd mee met de groote menschen, en eens, toen +zij, op haar twaalfde jaar, ook iets heel ernstigs in 't midden had +willen brengen, was haar gezegd zich stil te houden. Naar Jozef +daarentegen werd altijd geluisterd. Dit had haar een zekeren eerbied +voor hem gegeven, maar die toch al gauw minder werd door zijn +vriendelijke en alles vergevende gemeenzaamheid. Als zij samen aan den +gang waren, aan 't spreken en lachen of spelen, gedroeg hij zich als +haar gelijke en behandelde haar als een goede kameraad. Eens op een +buitenpartijtje, toen zij in den tuin van een uitspanning aan 't +schommelen waren en hij haar, hoe of ze ook tegenstribbelde, veel te +hoog opzette, was ze heelemaal duizelig geworden. Ze was gaan huilen, en +toen Jozef eindelijk den schommel tot stilstand bracht, had zij hem, in +haar drift, pardoes een klap in zijn gezicht gegeven. Een kwartier +later, toen zij bedaard was en inwendig al spijt had van haar handeling, +was hij naar haar toe gekomen om haar te vragen of zij nog boos was. Zij +had bedeesd van neen geknikt. Hierop hadden zij elkaar afgezoend en was +er over niets meer gesproken. Dit voorval maakte, dat zij veel van Jozef +begon te houden. Ze vond 't zoo lief van hem, dat hij haar niet af had +geranseld, want hij was toch zooveel sterker dan zij. Uren lang kon hij +zich dan ook met haar bezighouden, naar haar poppespelen kijken, haar +goeden raad geven voor haar borduurwerk en pianospel, en nooit was hij +boos, wanneer ze hem met een slecht humeur antwoordde. Zoo als hij haar +van haar derde tot haar zesde jaar op zijn schoot nam, haar liefkoosde +en sprookjes vertelde, zoo als hij toen eens heur haren had gekamd op de +manier zoo als hij zei dat de mooiste jonge jufvrouwtjes in de groote +stad Parijs hun kapsel droegen, zoo als hij haar prenteboeken meebracht, +met veel prachtiger plaatjes, dan die zij van vader kreeg, en eens zelfs +een echt gouden halskettinkje, zoo, met denzelfden goedigen glimlach, +met hetzelfde gemak en geduld, met hetzelfde onverstoorbare goede +humeur, had hij ook belang gesteld in haar vermaken van toen zij wat +ouder werd, en zich naar haar veranderde pleizieren met dezelfde +welwillendheid geschikt. Van haar tiende tot haar dertiende bijna +veertiende jaar, had hij haar allerlei gezelschapsspelen geleerd, die +haar te pas konden komen, wanneer ze met vriendinnetjes was of met +groote menschen meespeelde: kien, het ganzebord, het dominospel, van +alles maakte hij haar de fijnheden duidelijk en onderwees haar in die +handgrepen, die hij zelf had weten te ontdekken om zonder moeite te +winnen. Hij had uren achtereen met haar zitten schaken en dammen, want +zij hield van zulke spelen, en klapte in haar handen, wanneer hij haar +liet winnen, zoo als dikwijls gebeurde, dan omhelsde ze hem en had hem +nog liever dan vroeger. Zij herinnerde zich nog als den dag van +gisteren, hoe eens, toen Jozef op een avond zoo aandachtig naar haar +onbeteekenende eerste pianostudies had geluisterd en hij wel een uur en +drie kwartier vlak naast haar was blijven zitten en haar een middeltje +had geleerd om gemakkelijk de handen wijd uit te spreiden, waarna zij, +toen al een groote meid van twalef jaar, op zijn knie was gesprongen om +hem te bedanken,--het schoot haar te binnen, hoe toen haar vader haar +had verweten, dat zij meer hield van Jozef van Wilden dan van hemzelf, +haar eigen vader, en hoe zij misschien veel liever Jozef tot papa zou +hebben gehad. Dit was wel, neen volstrekt niet, in 't geheel niet waar. +Zij had er zelfs nooit of nimmer aan gedacht, maar om dat Jozef zich +zooveel met haar bemoeide en altijd haar liefhebberijen raadde, en +altijd graag deed wat zij ook graag deed, om dat Jozefs leeftijd in alle +geval met de hare zooveel meer gelijk stond dan die van haar vader, om +dat Jozef nooit knorde, ja haar zelfs nooit ernstig onderhield, kende +zij Jozef eigenlijk beter dan zij en haar vader elkaar kenden, waren zij +ten minste vanzelf schijnbaar vertrouwelijker met mekaar. Vader las +koeranten, waar zij niets van begreep, rookte pijpen, waarvan de +tabaksrook haar naar maakte, vader sprak zelden met haar, of 't moest +zijn om haar kleine godsdienstige vermaningen te geven, die nog minder +indruk op haar maakten, om dat hij ze zelf alleen als opvoedingsmiddel +gebruikte en zij niet uit zijn hart kwamen, dat had zij later wel +begrepen; vader vond haar gebonk op de piano vervelend en vluchtte naar +boven als zij begon. Er kwamen wel eens heeren vader spreken en dan zei +hij aan Mathilde van wech te gaan; dit vernederde haar altijd erg, en +zoo meer. Jozef daarentegen had ook b.v. belang gesteld in haar eerste +zelfgekozen toiletjes, de eerste uitingen van haar aanstaande +jonge-meisjes-ijdelheid had hij met ontzaglijk veel plezier begroet en +ze aangemoedigd. Hij was verrukt geweest te zien, hoe zij langzamerhand +groote-dames-neigingen begon te vertoonen en hoe, met het voller +uitkomen van haar lichaamsvormen, waar zij zelve zich toen nog ongerust +over maakte, zij ook een beetje nuffiger en eleganter werd. Hij had +verteld van zijn reizen, van de groote zalen vol prachtig gekleede +dames, die hij had gezien, van de wereld daar buiten, van bals en +konserten en komedies. Hij had haar bizonder mooye kostumen van +hoogaanzienlijke vrouwen beschreven, die hij in hun heele volledigheid +op had genomen. En elken dag waren zij betere vrienden. + +Maar toen Mathilde volwassen werd wijzigde zich langzamerhand hun +verhouding heelemaal. Mathilde vroeg zich te vergeefs af waar 't 'm aan +lag, zij wist geen oplossing te geven. Maar dagelijks verkoelde de +vurige vriendschap tusschen haar en Jozef. Hij werd stiller, lachte +minder, en er werd in 't geheel niet meer gestoeid. Ook tegenover hem +voelde zij zich verlegen worden, dit scheen nog het meest raadselachtige +van alles. Zonder er bij te denken was zij hem nog eenmaal, toen zij +samen over borduren hadden gesproken en hij een haar nieuw patroon aan +de hand had gedaan, met plotselinge aandrift zooals vroeger, op de +knieen gesprongen en had haar arm om zijn hals geslagen. Hij was daar +zoo verwonderd over geweest, dat hij niet geweten had wat te doen, en +zij, met een verschrikkelijke verlegenheid onder een voorwendsel uit de +kamer was gegaan en een wandelingetje was gaan doen. Uit instinkt +maakten zij, toen hij een paar dagen later 's avonds bij hun was +geweest, geen van tweeen een beweging om elkaar een zoen te geven bij +het afscheid, zoo als anders. Daar had zij den halven nacht toen over +liggen denken. Twee maanden na deze gebeurtenissen, kondigde haar vader +haar aan, dat hij haar op een kostschool in Belgie zou doen. Zij ging, +en, zoo ver van hem wech, dacht zij nog maar weinig aan Jozef. Eens had +hij haar een lieven brief geschreven, dien zij kort had beantwoord en +met de onderteekening "uw dienstwillige vriendin en dienares". Daarop +had hij niets meer van zich laten hooren. Haar medeleerlingen op de +kostschool verhaalden Mathilde veel van heeren die hun 't hof maakten. +Ja, daar had ze in Amsterdam ook wel van geweten. Als ze uit school kwam +liepen haar altijd jongens achterna en zoenden haar en de andere +meisjes, maar nu begon zij dat heel anders in te zien. En plotseling was +'t haar in de gedachte komen, dat Jozefs doel misschien was geweest +later met haar te trouwen. Dit stuitte haar tegen de borst en gaf haar +een soort van afkeer tegen hem, zoo als hij leefde in haar herinnering. +In de vakanties maakte haar vader reisjes met haar; eens maar was zij in +Amsterdam geweest, en toen was juist Jozef op reis. Zoo was zij vier en +een half jaar wech gebleven. En bij haar terugkomst voorgoed, had zij +Jozef weer dadelijk gezien, die haar vriendelijk groette en haar +jufvrouw noemde. Na haar terugkomst kwam Jozef weer hoe langer hoe meer +bij hun aan huis en uit de gewoonte van elkaar twee, toen drie, toen +viermaal in de week geregeld te ontmoeten, was er langzamerhand weer een +vriendschap ontstaan. Zij had hem teruggezien bijna net zoo als zij hem +vroeger had gekend. Alleen was zijn snor dikker en mooyer geworden en +waren er lichte kringen onder zijn oogen gekomen, die alleen merkbaar +werden, als hij van vermoeyenis sprak. + +Het was nu in deze jaren dat zij er zich hoofdzakelijk op toelegde het +huis voor haar vader zoo aangenaam en gezellig mogelijk te maken. Wat +haar bij haar vader vroeger tegen had gestaan, nam haar nu in. Zij +verzorgde hem, trachtte zich in te wijden in zijn liefhebberijen en +gewoonten, las de koeranten, en sprak over politiek. Zijn rooken vond +zij pleizierig, zij lette op alles en vervroolijkte zijn leven, door +haar pianospel en andere dingen. Zij had groote vorderingen gemaakt en +hij luisterde er graag naar. Zij had geen vriendinnen, zooals dat veelal +gaat met meisjes die naar 't buitenland op kostschool zijn geweest. Die +van haar scholen in de stad vroeger, kende zij niet meer, met de +Belgische van de kostschool kon ze alleen korrespondentie onderhouden. +Alleen bij mevrouw Berlage, een oude vriendin van haar vader, maakte zij +wel eens een visitie, maar aan Emilie Hartse, een wees, het kennisje, +dat ook wel bij de Stuwen aan huis kwam, had Mathilde een hekel, om +Emilies geaffecteerd karakter. Dus was de persoon, waarmee zij omging +naast haar vader, Jozef van Wilden alleen. Een heelen tijd bleef zij +"mijnheer" en hij "jufvrouw" zeggen, totdat haar vader zelf daaraan een +eind had gemaakt, omdat hij 't gek vond onder jongelieden die mekaar zoo +dikwijls zagen. + +Onmerkbaar had Mathilde zich weer tot den innemenden, beminnelijk +zachten en toch mannelijken, goed belezen met veel smaak en oordeel +pratenden man, dien zij Jozef noemde, aangetrokken gevoeld. Na een jaar +werd zij zich bewust, dat ze hem liefhad. Zij dacht dikwijls aan hem, +als ze alleen was, ze was blij als hij binnenkwam, vooral als bij haar +hartstochtelijk pianospel, en dit gebeurde dikwijls, zijn oogen geen +sekonde van haar afgingen. Het begon een genot voor haar te worden, +wanneer haar hand de zijne aanraakte, bij het goeyendag zeggen of het +aangeven van een kopje thee, of wanneer zij samen muziek doorbladerden. +Zij begon het een pleizierige gewaarwording te vinden als haar japon +over zijn voeten gleed, bij 't passeeren, als de weerspannige haartjes +van zijn hoofd langs haar schouders wiebelden, wanneer zij samen over +een boek of teekening stonden gebukt. Want zij was druk aan 't teekenen +gegaan, ook door hem daartoe aangezet. Zij had 't in Belgie goed geleerd +en zij scheen er wel talent voor te hebben, meende hij. + +Toen er nog een jaar was verloopen, begon ze in ernst over haar toekomst +na te denken, en bracht in haar gedachte hem daar altijd bij te pas. Zij +begon bepaald op hem te wachten, en als tweede helft van haar geheel +naar hem uit te zien, naar de woorden van liefde die hij eens moest +uitspreken, zij wist 't, en die ze hem wel van de lippen had willen +drukken. Zij kreeg aanvallen van jaloezie. Zij begon er over te denken +of hij ook misschien van een andere vrouw zou houden. Zij was ongerust +en probeerde om aan zijn oogen te zien of er iets van waar was. + +Zoo waren de zaken geloopen tot zoowat een maand geleden. Toen was +Mathilde opeens heel ongelukkig geworden. Jozef had, zonder dat er ooit +te voren sprake van was geweest gezegd, dat hij van plan was een groote +reis te doen, voor zaken. En werkelijk, twee dagen later was hij naar +Frankrijk gegaan. Hij had niet kunnen zeggen, wanneer hij waarschijnlijk +terug zou zijn. Mathilde huiverde in haar eenzaamheid. Zij drong zich +zelf op, dat 't niet zoo erg was, dat hij na een week of zes hoogstens +uit het buitenland terug zou komen, en de zaken dan nog 't zelfde zouden +staan als nu. Wat had die reis te beteekenen? Even goed dan als nu kon +hij haar immers zijn liefdesverklaring doen, al had hij er tot nu toe +nog nooit op gezinspeeld? Dacht hij er niet aan haar te vragen om zijn +vrouw te worden, dan moest zijn afwezigheid haar eindelijk heel +onverschillig wezen, hield hij wel van haar zoo als zij het zoo zeker +hoopte, dan zou die liefde in zoo'n korten tijd ook niet wechgaan, en +had zij nog alles te verwachten. Maar, wat haar verstand ook te berde +bracht en hoe ongerijmd zij het zelf vond, zij huilde in haar +verlatenheid en zij voelde zich verschrikkelijk alleen, nu ze hem niet +meer zien en hooren kon. Zij dacht, dat hij nu eeuwig wech zou blijven, +en vooral het idee dat hij van een vrouw of meisje in het buitenland zou +gaan houden en hij haar ontrouw zou worden, maakte haar doodelijk +ongerust. Maar, hij was nog geen drie weken op reis, of zij, ja zij, +kreeg, buiten alle verwachting, een brief van hem, waarin hij haar +vertelde dat hij in Brussel en Parijs was geweest en wat hij daar had +gedaan. En hierbij maakte hij toespelingen op de reisverhalen, die hij +haar zo lang geleden als kind had gedaan. Hij sprak ook heel beleefd van +zijne eenzaamheid, en verklaarde, dat hij 't onmogelijk lang zou kunnen +uithouden, ver van de lieve woning der familie de Stuwen, waar hij zulke +heerlijke uren had doorgebracht, vooral in 't gezelschap van zijn +allerliefste vriendin. De brief was erg beleefd, maar Mathilde wist er +zoo een verborgen liefde in te ontdekken, dat hij haar bizonder goed +deed en zij hem niet aan haar vader liet zien. Zij antwoordde een paar +dagen later, en tot haar zalige verbazing stond Jozef weer twee dagen na +de afzending van het antwoord, in levenden lijve voor haar, met zijn +fraayen knevel en lieve handen. Er was niets ongewoons aan hem te zien. + +Dit was eergisteren geweest. En nu, van-avond, kwam het tot eene +verklaring. Al die dingen uit haar jeugd en van de laatste jaren, +herinnerde Mathilde zich levendig. Wat een goddelijke gewaarwording was +'t nu, terwijl alles zoo zacht en stil was om haar heen, in dezen +zomernacht, aan de angsten en narigheden van vroeger te denken. Al die +treurige donkere uren, waarin zij zonder hoop was, al die +teleurstellingen en niet uitkomende verwachtingen, al die zuchten en +tranen, gingen nu op in een juichende vreugde vol glorie en licht. Weer +droomde Mathilde zich wech in wat van avond aan de piano was gebeurd. +Weer en nog eens weer liet zij het Jozef zeggen, dat hij zooveel, zoo +veel van haar hield, weer voelde zij zijn adem langs hals gaan; zij +merkte dat haar hart zoo vol was, als het maar zijn kon, dat het +overliep, dat het geluk haar overstroomde. Zij had een behoefte om iets +te zeggen. Er drukte haar iets daar van binnen, dat zij niet omvatten +kon. Het klom haar tot hoog in de keel, het zwierde als een kramp door +haar vingers, het moest er uit, zij wilde het roepen tegen iedereen, zij +wilde het uitzingen aan de ooren van alle menschen die er in Amsterdam +leefden en die begrepen, wat geluk was. + +Zij stond op voor het open venster, en, over het ijzeren hekje leunend, +keek zij naar de straat beneden. Over de brug, die zij rechts in de +schuinte zag, stapte haastig een man voort, een heer, den kraag van zijn +overjas opgeslagen, want hij scheen het koud te hebben in Juli. Mathilde +kwam op de gedachte, dat het Jozef wel kon zijn, die nog eens voorbij +haar wilde gaan, om te zien of zij sliep of op was. Zij bukte zich +gevaarlijk ver over het hekje om te kunnen onverscheiden. Maar zonder +dat ook maar het open venster een oogenblik zijn aandacht trok, liep de +meneer snel voort en verdween in de straat. Mathilde keek nu langs de +gevels en stoepen der huizen onder haar en aan d' overkant. Misschien +was Jozef wel ergens verscholen om dichtbij haar te zijn. Zij zag iets +zwarts, daar, links bij een kelderdeur. Maar neen, het waren stukken +hout, die daar opgestapeld lagen. Ze keek voor niets, alles was stil en +zonder menschen. Zij keek in de boomen, en elke opening, en elk +bladerenvak nam zijn gestalte aan. Overal lachte de schaduw van haar +mooyen Jozef haar tegen. Zoo duidelijk gonsde zijn stem om haar heen en +zoo dringend wenkten zijn armen uit de takken, dat zij er bang voor +werd. Langzamerhand was er een frischheid gekomen in de roerloosheid van +den nacht. En heel even schemerde er een vage, dof-witte glans tusschen +een spleet der daken, in het oosten, voor haar uit, midden boven de +zwartheid der huizen in de Hoogstraat. Maar Mathilde zag het niet. Zij +liet haar blikken weder langs de lantaarns gaan en telde de lichtjes. +Zij kon maar niet tot een eind komen. Zij zag de vlammetjes na de +vlammetjes komen en weer anderen, en weer anderen in de verte, zij zag +er meer en altijd meer. Zij brandden groen, kallem op, als bloemen van +vuur. Mathilde zag tot aan de uiterste lantaarn zij zag door tot aan den +horizont en, achter den laatsten gasvlam, een beetje hooger, gloeiden de +sterren aan den dalenden hemel. Mathilde telde de sterren, een voor een, +en haar oogen sponnen stralen van de eene groep overzwervend in de +andere, en altijd voort, over de heele luchtvlakte. Al die blauwzilveren +en roodgouden stralende sterren van de donkerblauwe lucht dalend op haar +hoofd, waren een kleur en een geflonker met haar ziel. In blinkende +kringen, in warrelingen van zilverend blauw en goudend rood en lichtend +groen dansten zij den rijdans van haar liefde. Maar Mathildes droomen +kwijnden in een duizeling. Zij zag niets als goud en zilver. Een +wemelende regen van helle vonken draaide er dooreen. Daalde haar blik +tot de boomen, dan zag zij de sterren nog onder de takken, door de +takken, overal in de rondte. En het gaslicht vlamde hoog daar tusschen +door. En al heviger werd het vuur. Alles kwam samen en tintelde wech in +elkaar. Er was een val van diamanten in een geel en roode vlammenzee. +Toen, zich wechdenkend in dat visioen, tegenover dien hemel van goud, +die daar brandde, rees het woord op uit de diepste diepte van haar +gemoed, toen zeide zij aan de vlammende ruimte voor haar, haar geheim, +en, de handen naar voren om te danken, zei zij hardop: O God, o God, wat +ben ik gelukkig! + +Een grijs licht steeg in de rondte, de huizen schemerden droevig. +Mathilde, door de koelte verrast, deed haar ramen dicht. Zij kleedde +zich gauw verder uit en sliep kalm in op haar witte kussen. De brief van +Jozef, dien zij op haar borst droeg, stak hoog uit haar nachthemd op. + +En boven de huizen rees buiten een mooye dag, zonder wolken en zonder +wind. + + + + +II. + + +Een week later, in een zon-doorsijpelden ochtend om half tien, stond +Mathilde in de voorkamer, haar rug naar de straat, voor de kleine ronde +tafel met een half-vuil servetje, waaraan ze ontbeten hadden, de +blauw-gebloemde kopjes om te wasschen, terwijl haar vader, als naar +gewoonte, zijn morgenwandeling was gaan doen. Zij had een grijs +japonnetje aan, tot op den grond, zonder sleep, met smal zwart fluweel +lint afgezet, en dat in een eenvoudig plooisel haar hals omsloot, nog +een oude jurk van haar laatste kostschooljaar; die zij nu verder +versleet, als ze stil alleen thuis was. Haar zwarte haar, met een +scheiding in 't midden, hing in twee gordijntjes over haar voorhoofd, +boven de ooren heen van achteren opgehouden in een knoetje. Aan +weerszijde sluikten voor de ooren korte vlosjes vlassig naar beneden, +die de breedte der wangen braken. Maar een onrust drukte haar lippen +tegen elkaar en schaduwde aan de mondhoeken. De wenkbrauwen waren een +beetje naar het midden boven den neus getrokken en haar oogen gingen met +een ongewonen ernst en aandacht van het eene kopje naar het andere. + +Zij had verschillende redenen om niet op haar gemak te zijn. Zij had +veel nagedacht na dien laatsten avond vol geluk. Er waren wijze maar +nare bedenkingen bij haar opgekomen ... Maar vooral kon zij zich niet +begrijpen, dat Jozef niets meer van zich had laten hooren. Hij had zich +in 't geheel niet meer vertoond, dit maakte haar bijna angstig. Waarom +zou dat zijn? Hij kwam anders altijd ten minste tweemaal in de week eens +aan. Dit was dermate regel geworden, dat haar vader zich ook over zijn +wechblijven had verwonderd. Toen zij den eersten morgen na zijn +liefdesverklaring was wakker geworden, had zij gedacht, dat alles nu van +zelf goed zou gaan. Zij had volstrekt aan de moeyelijkheden niet +gedacht. De behoefte aan de verwezenlijking van wat zij hoopte gaf haar +een vaag gevoel, een onberedeneerde zekerheid, dat de zaken verder +uitnemend moesten loopen. En daar gaf Jozef nu taal noch teeken. +Allerlei ideeen had zij nu daarover. Eerst vroeg zij zich af, of het +niet aan haar was den tweeden stap te doen, of hij niet wachtte op een +andwoord, rekenende zijn vraag te hebben gesteld, op een geschreven +bericht. Zoo-wat een uur lang was zij er zeker van, dat dit zoo het +gebruik was, en zij wilde haar map al krijgen om te schrijven. Maar in +eens viel 't haar in, dat 't heel goed mogelijk kon zijn, dat zij zich +totaal vergiste, dat Jozef in 't geheel nog niet gedacht had haar ten +huwelijk te vragen of zoo iets, dat zijn gevoel hem alleen was ontsnapt, +en hij misschien zich juist niet meer durfde te laten zien, om dat hij +verlegen was met zijn voorbarigheid en met den onberaden stap, dien hij +had gedaan. Ja, misschien was 't volstrekt zijn plan niet haar te +trouwen, en wilde hij een rijker meisje hebben. + +Het vraagstuk van het geld bleef haar nu voortdurend bezighouden. Al +meer dan eens in de laatste dagen, had zij haar vader naar een staat van +haar bruidschat willen vragen. Maar telkens had zij niet goed gedurfd; +zij kon zich over haar liefde tegen haar vader nog maar niet uitlaten. +Het vraagstuk van het geld werd ook weer van minder belang door een +ander idee; Jozef's liefde stond namelijk natuurlijk te hoog om zich met +dergelijke beuzelarijen in te laten. Liefde voor iemant anders kon 't +toch ook eigenlijk niet wezen, die maakte dat Jozef nu zoo op zich liet +wachten, daarvoor waren zijn woorden te gemeend geweest, dat had zij wel +gemerkt. Maar toch, juist omdat zij hem zoo een schitterende +persoonlijkheid vond, die ook voor zijn uiterlijk niet weinig zorgde en +heelemaal wel een beetje een wereldsch voorkomen had, kon 't best zijn, +dat er nog iets tusschen Jozef en andere vrouwen bestond. Mathilde had +daar een heel duistere voorstelling van. Zij was nooit ingewijd geweest +in de verboden praatjes van haar medeleerlingen op de kostschool. Zij +was altijd onder de oppassende kinderen geweest, en hier in de stad had +zij in het stille vaderlijk huis, met zoo weinig omgang en waar zoo +weinig vreemden kwamen, ook al niets gehoord. Haar hoofd schuin voorover +gebogen, een oude houding van haar, waardoor haar hals zich onder de kin +plooide, terwijl zij met de lange slanke vingers de blauw gebloemde +theekopjes in het lauwe water liet drijven en dansen en ze met een klank +als van dorpsklokgelui in de verte, tegen de wanden der porseleinen +omwaschkom aanschommelden, voelde zij zich van een groote langzaamheid +en lauwheid doordringen. Zij vond het plezierig te kijken zonder te +zien; de theedoek, met een bleekrood randje afgezet, hing slapjes over +haar arm. En in nevelige beelden zag zij inwendig vreemdsoortige +vrouwenfiguren opdoemen, de eene met een eeuwigen gouden glimlach om den +mond, de andere met een onverwelkbaren vreeselijk grooten bloemruiker +aan den boezem, weer anderen van een ongekende zwier en statie, met +roode haren van vuur die tot ver over de purper-satijnen sleepen van hun +kleed vielen, met oogen van diamanten. Allen waren om Jozef heen en +wilden hem met zich meenemen. Zij waren allen op hem verliefd. En hij +stond te midden van hen, aarzelende. Dat waren de "slechte vrouwen" van +de wereld, die Mathilde in haar droom van den laatsten nacht had gezien. +Dit was de eenige manier waarop haar vage jaloezie voor den dag kwam. +Mathilde had iets duivelachtigs in den reuzenlach dier vrouwen gezien en +zij wilde dat Jozef naar haar kijken zou en zij probeerde te glimlachen +met een liefde zoo groot, dat zij triomfeerde en Jozef naar haar toe kwam. + +En zij glimlachte werkelijk, want zij zag hem weer vlak voor haar, en +zij kwam tot bezinning. Haar nare gedachten gingen wech. Haar liefde +verontschuldigde hem dadelijk en opperde alleen veronderstellingen, die +in haar voordeel waren. Hij bleef misschien wech, om dat hij van +aandoening over wat hij gezegd had ongesteld was geworden, misschien ook +had hij weer ineens op reis gemoeten, of, wat ook mogelijk was, er +ontbrak misschien 't een of ander aan zijn uiterlijk, dat wilde laten +herstellen voor hij Mathilde andwoord kwam vragen, in de gedachte dat +zij dan liever zou wezen. Om dat zij in zijn plaats daar precies zoo mee +gehandeld zou hebben, kwam deze gedachte van koketterie haar het +waarschijnlijkst voor en bleef zij er aan vasthouden. Zij ging nu na, of +alles niet heelemaal in orde was geweest aan zijn gezicht, handen en +kleeren, den laatsten avond. En zij bleef lang hieraan denken, daar zij, +zonder het zich zelve toe te geven, op deze manier de gelegenheid had, +om zijn uiterlijk, daar zij zooveel van hield, tot in kleinigheden na te +gaan. Zou hij wachten tot zijn haar weer wat langer was, wetende, dat +dit hem beter stond, of moesten zijn knevels weer zoo lang worden, als +toen hij pas van de reis te-rug was? Zijn wangen, zijn voorhoofd en +oogen, waar maar geen schrampje, dat eerst zou moeten herstellen, aan te +bekennen viel, werden onderzocht. Mathilde dacht zelfs over de nagels +van zijn vingers, en kwam toen plotseling op het idee, dat hij een nieuw +pak wachtte, waarover zij samen hadden gesproken een paar dagen geleden +en dat hij van die donkergroene stof zou laten maken, die Mathilde vond +dat hem zoo goed stond. + +Maar op die manier kwam Mathilde niets vooruit. Jans slofte binnen, en +samen borgen zij het ontbijtgoed wech, door den gang, in een muurkast en +in een laag buffetje in de achterkamer. Jans zei, dat 't vandaag mooi +weer was, maar erg warm op straat. Verder beklaagde zij zich over den +bakker, die het fransche broodje voor meneer van-morgen weer had vergeten, +zoo dat Jans zelf het in de buurt had moeten halen. + +U is te lichtzinnig in uw oordeel, had een jaar of drie geleden de oude +heer Berlage eens tegen Jozef gezegd, toen ze een heel ernstig gesprek +over staatszaken hadden en de diskussie een beetje hoog was geloopen. +Dit woord had Mathilde toen in haar oor geknoopt, onwillekeurig was 't +haar bijgebleven. Ook nu schoot 't haar, zonder de minste aanleiding, +weer te binnen. En zij dacht in eens, dat Jozef wel een heel +onstandvastig en luchtig karakter kon hebben. En als ze dan eens met hem +trouwde, en eens heel ongelukkig werd? o, ongelukkig, ongelukkig met +hem? Nee, dat was volstrekt onmogelijk! Maar 't was toch een heel iets, +zoo voor je heele leven. Juist heerlijk, dat 't zoo lang duurde, daar 't +toch met hem was! Maar waarom bleef hij dan nu ook zoo lang wech? ... Er +kwam nog iets bij. Het was een groote kwestie of vader dit alles maar +zoo goed zou vinden. Wanneer zij samen alleen zaten, had hij wel eens +over haar huwelijk gesproken, en hij had er altijd op gedrukt, dat 't +zoo plezierig voor hen allebei was nog een heden tijd met mekaar te +kunnen leven, want, zei hij, als hij over een jaar of tien stierf, was +zij nog altijd jong genoeg om een goeye partij te doen ... En nu wou zij +zoo ontzettend graag zoo dadelijk mogelijk met Jozef trouwen. O, zij +verlangde zoo naar hem. + +Zij ging voor het venster zitten met een borduurwerk, tegen de dagorde +in, want boven stond nog een heele bak met schoon linnengoed, dat +geborgen moest worden. Maar zij verwachtte Jozef iedere minuut. Telkens, +wanneer er iemant voorbijliep, keek ze op. Zij wilde niet gaan uit +zitten kijken in de richting, waar hij vandaan moest komen. Dit had zij +eergisteren bijna gedaan, maar ze was er gauw mee uitgescheiden, want +dit zou al te vleyend voor hem zijn. Maar in de schuinte, terwijl haar +handen aan het borduurwerk bleven bewegen, liet zij haar blikken, half +wech schuilend achter de oogharen, over de straat gaan. Hoe of zij het +ook hoopte, toch was zij zenuwachtig beangst, dat hij komen zou. +Tusschenbeide stond zij op en liep haastig het vertrek op en neer, en +lei de handen voor zich uit tegen het behangsel, als om aan den wand te +vragen wat hij zeggen zou en wat zij andwoorden. En ging dan plotseling +weer zitten, zich dwingende om kalm te werken. + +Daar werd gehoest op straat vlak bij het venster. Schichtig keek +Mathilde op. 't Was Jozef, doodeenvoudig. Hij stond met een hoogen +glimmenden, prachtig glad gestreken hoed op, voor de deur en schelde. +Zijn zakdoek, met een rood randje, wapperde in den wind voor zijn +gezicht. Hij stond met zijn rug naar het huis toe. Hij had Mathilde +stellig zien zitten en durfde uit verlegenheid niet naar binnen kijken. +Jans kwam aansloffen uit de keuken. Mathilde was met woede gaan +borduren. Alsof zij in den sneltrein zat en een andere sneltrein reed +dien voorbij, zoo snel en zoo ratelend gleed haar plotseling het idee +door de hersens om "niet thuis" te geven. En met een wreede blijdschap, +die geen sekonde duurde, dacht zij, hoe zij in dit oogenblik hem +misschien voor altijd van haar zou kunnen vervreemden, door Jans "niet +thuis" te laten zeggen, nu hij haar al moest hebben gezien. Jans deed in +dien tijd de voordeur open. Mathilde had in een bibberende kalmte haar +werk in de vensterbank gelegd en was opgestaan, niet wetende wat te +doen. Zij werd rood en bleek en verschrikkelijk zenuwachtig, zij voelde +haar mond droog worden. Er steeg een kramp op uit haar maag tot boven in +de keel. Zij liep tot vlak bij de deur, die op een kier stond, om te +luisteren. Zij hoorde alles wat er gesproken werd, en toch scheen 't +haar, als hoorde zij niets; als een dof gebrom uit de verte klonken de +woorden, die Jozef en Jans zeiden. De adertjes aan haar slapen zwollen +tot fijne dofblauwe slangetjes; met een open mond, en haar handen in een +zenuwachtige beweging uitgestrekt naar achteren, het hoofd naar voren +gebogen, luisterde zij, terwijl haar oogen rood werden. Daarna werd zij +heel erg bleek en begon geducht over haar heele lichaam te beven, want +Jozef klopte op de deur. Heel zachtjes, heel zachtjes zeide zij +"binnen!" Met een driftigen stoot deed Jozef de deur open en weer +dadelijk achter zich toe. Hij had geen handschoenen aan. Hij was ook +bleek en zijn oogleden sidderden. Hij zag Mathilde strak aan, zonder een +woord te zeggen. Zij had haar oogen neergedaan. Maar langzaam, met een +instinkmatige beweging, strekte zij haar armen half uit in de richting, +waar hij stond. Hij, dat ziende, zette haastig zijn hoed op de tafel, +die er afviel en over den vloer rolde, hij nam haar twee kouwige handen, +en trok haar zoo naar zich toe. Zij kwam zachtjes dichterbij. Toen hun +hoofden vlak bij elkaar waren, keek Mathilde hem aan. Hun blikken gingen +in elkaar. Zoo gaf Mathilde zich. In onbewuste beweging, kwam zij met +haar mond naar voren. Hij boog zich een beetje en zij zoenden elkaar +lang, voor het eerst. Verwonderd over zich zelf, beschaamd, en hevig +aangedaan, huilde Mathilde nu, haar gezicht tegen zijn jas. Zij hadden +nog altijd niets gezegd. Jozef kreeg zijn batisten zakdoekje uit zijn +borstzak en droogde er zoowat haar tranen mee wech. Maar zij keerde zich +af, zij snikte stilletjes en bij langere tusschenpoozen; zij ging achter +in de kamer zitten, haar zakdoek voor de oogen. Jozef veegde zijn +gezicht af, keek naar zijn hoed om, raapte hem op, zette hem op een +stoel en schikte zijn zakdoekje in zijn borstzak. Toen wist hij +volstrekt niet meer wat te doen. Hij ging dus voor den spiegel staan en +peuterde aan zijn gekleurde das. Mathilde was weer opgestaan, bleek, +maar tot bedaren gekomen. En zij vroeg, als dorst ze over hun liefde nog +niet te spreken, terwijl ze hem met nog natte oogen aanzag: + +--Wee-je ook iets drinken, Jozef? + +Hij, verwonderd over die vraag, andwoordde: + +--Nee, dank-je, het is nog zoo vroeg. + +Hij draaide zich naar haar toe, greep haar van achteren bij de armen zoo +dat zij met haar schouder tegen zijn borst kwam te staan. Hij behandelde +haar weer als een klein meisje. Vroeger, voor zij naar het kostsschool +was gegaan, hadden zij honderderd maal zoo gestaan. Hij boog zijn hoofd +tot naast het hare. Haar haren gingen langs zijn kin. + +--Je bent toch niet boos? vroeg hij, ik kon het niet langer inhouden. + +--Wat bedoel je? fluisterde zij. + +Wat ik verleden week bij de piano heb gezeid. Zij keek hem aan met +lachen en huilen om haar mond heen. Toen keek zij weer voor zich en zei: +Nee, ik ben niet boos. + +Hij zoende haar voorhoofd en liet haar los. + +--Mag ik nou nog wel hier blijven, nou je vader d'r niet is? Vroeg hij +weer. + +--Vader mag er niets van weten. + +--Waarom niet? + +--Zij waren naast elkaar op twee stoelen aan den wand gaan zitten, om te +praten. Het was bizonder licht en levendig in de kamer: een heldere dag. +Mathilde lei aan Jozef uit, hoe ze vooreerst niets van aan haar vader +zou durven zeggen, want dat 't hem treffen zou als een onverwachte slag. +Zij, zijn dochter, was zijn eenig gezelschap, zijn eenige steun, het +eenige, wat hij nog in zijn leven had. En nu begreep zij zelf heel goed, +dat hij niets graag van haar scheiden zou. Jozef moest dat ook inzien. +Zij zouden 't best doen met vooreerst te wachten, tot er zich van zelf +een gelegenheid zou voordoen, om van hun plannen te spreken. Jozef had +haar handen in de zijnen genomen. Toen zij uitgesproken had, zeide hij +alleen: Thilde, wij zijn voor mekaar gemaakt. Als om met haar volle +verstand er bij te zijn, zag zij nu klaar in zijn oogen, en antwoordde +bedaard: Ik hou zooveel van je, zooveel, dat ik zonder jou nooit zou +kunnen leven. Hij glimlachte en zoende haar handen. + +--Kom nog een beetje dichter bij me zitten, zei hij, zijn arm om haar +hals leggend. Zij deed 't, haar hoofd gleed langs zijn schouder tot half +onder zijn kin. Zij zag naar hem op, en zij spraken verder, haar twee +handen steunden op zijn mooye linkerhand. Hij merkte, dat zij zich +heelemaal aan hem gegeven had en keek voortdurend op haar neer, met een +vriendelijk gemak, zich nu al zeer thuis voelend in de nieuwe verhouding. +Mathilde verwonderde zich, dat wat daarzoo gebeurd was zoo eenvoudig in +zijn werk was gegaan. Zij voelde zich nu heerlijk rustig. + +--Zou 't dus nog lang moeten duren? vroeg hij, wij zijn al zoolang voor +mekaar bestemd. Zij meende van ja, zij wist volstrekt geen middelen om +haar vader aan de gedachte van een scheiding te wennen. + +--Al duurt 't nu ook nog een tijdje, we zullen toch erg gelukkig zijn, +en we, ten minste ik, ik ben het nu al, zei ze zachtjes. Zij maakte +meteen een knoop van zijn vest dicht, die los was gegaan, en schrok +daarbij van wat ze deed. + +--Ja, maar ik niet, andwoordde hij, of liever, ik zou nog veel +gelukkiger worden dan ... Mathilde hield hem niet zoo vast meer. Het +maakte een naargeestige nieuwsgierigheid in haar gaande als er zoo over +het huwelijk gesproken werd. Zij wist wel dat 't iets heel groots moest +zijn, iets van lichaam en ziel vereenigd maar verder niet. Het maakte +haar ook erg verlegen: + +Jozef voelde iets als een koude verwijdering. Onder het voorwendsel aan +het raam iemant te willen zien, die op straat voorbijging aan d' overkant, +had Mathilde Jozefs armen van zich losgemaakt en was zij voor 't venster +gaan staan, den rug naar Jozef gekeerd, die bleef zitten, zonder te weten +waar zijn handen te laten. Met een linksche beweging stond ook hij op en +kwam naast haar staan. Zij keek naar buiten. + +--Wat blijft de modder op dat nieuwe soort zand lang liggen, zei ze, als +in gedachte, zonder hem aan te zien, de oogen naar de Hoogstraat. + +--Ja, andwoordde hij, zonder haar weer te durven aanraken, ze hadden +daar nooit mee moeten beginnen. + +Toen zeiden ze geen van beiden een woord meer. Mathilde keerde zich om +en drentelde door de kamer haar zakdoek met de handen vervouwende. Een +onverdrijfbare bevreemding vervulde haar over de zoo in-eens ontstane +nieuwe verhouding, waarin zij tot dien Jozef van Wilden was. Zij bekeek +zich zelf en hem en zag verwonderd door het vertrek, naar de +staalgravuren langs den wand en de bronzen pendule op den schoorsteen, +die stomme getuigen waren van dit zonderling voorval. Er was een strakke +stilte. Het scheen haar, als was Jozef een vreemdeling. Zij had dien man +jarenlang gekend, zij was altijd zijn vriendin en hij haar Vriend +geweest tot voor een week geleden nog, en nu waren zij plotseling +geengageerden. Voor de verrassende gewaarwording der werkelijkheid van +het oogenblik, verdween de geheele geschiedenis van haar stille liefde, +het groote gevoel van bevrediging en geluk, dat zij dien avond toen hij +het gezegd had, had gehad. Hij stond in levenden lijve voor haar en ze +dorst niet meer naar hem omzien en begreep zich maar niet, wat haar +bewogen had om die man zoo-even te omhelzen en zich aan zijn borst te +houden. Vroeger zou zij zoo iets nooit gedaan hebben. Zij zag de punten +van zijn knevel aan weerszijde van zijn hoofd uitsteken. Hij beet juist +op zijn lippen. Zijn vond zijn onderlip nu leelijk dik. Zij zag dat hij +een scheiding op zijn achterhoofd droeg; dit was trouwens al jaren zijn +gewoonte, maar nooit had ze 't zoo opgemerkt als nu. Ze vond het +fatterig, maar zij zou 't hem ook wel afleeren als zij maar eens +getrouwd waren. Zij vond zijn achterhoofd en de manier, waarop de +onderste haartjes over den rand van zijn staande witten boord heen en +weer wipten, als hij zijn hoofd meer naar voren of naar achteren hield, +niets gracieus. Zij zag zijn mooye jas, en zij kon zich maar niet +voorstellen wat vijf minuten geleden gemaakt had dat zij haar wang op +die jas lei. Dat was bepaald onfatsoenlijk van haar geweest. Een +licht-rimpelende wreveltint kwam over haar gezicht. Zij ging de pendule +opwinden. Nu herinnerde zij zich duidelijk, dat zij gerooken had, toen +ze zoo dicht bij hem was, dat hij parfum op zijn jaslapel had met een +vage lucht van oude tabak. Zij kreeg haast een afkeer van dien man. Zij +was vroeger, toen ze nog goede kameraden waren, nog nooit zoo boos op +hem geweest als nu. + +Jozef draaide zich naar haar toe. Het viel haar op, dat hij er een +beetje plomp uitzag. + +--Ik geloof, dat ik er iets op weet, zei hij; een heel eenvoudig middel. + +--Waarop? vroeg ze. + +--Om gauw te kunnen trouwen en toch vader geen verdriet te doen. + +--Wat dan? vroeg Mathilde. Dat "vader", zonder "jou" er voor, maakte +haar nog balooriger. + +Hij lei haar nu uit, dat niets gemakkelijker was, dan dat zij, na hun +huwelijkreis, met haar vader samen gingen wonen, en hij dus altijd in +hun gezelschap zou zijn, en Mathildes zorg niet hoefde te verliezen, +integendeel, op die manier een gezelligen en vroolijken ouwen dag +zou hebben. + +Maar zij was uit haar humeur: Wat spreek je al over al die dingen, over +huwelijksreizen, als of dat zoo maar morgen gebeuren kon, zei ze, ik +dacht, dat daar altijd pas na maanden over gesproken werd. + +Nu was Jozef op zijn beurt ten hoogste verwonderd. Hij had integendeel +gedacht, dat 't haar heel aangenaam zou zijn zoo gauw mogelijk met alles +klaar te komen en alles lang vooruit te bespreken en te bepalen. Hij had +haar nog nooit op zoo'n vreemden toon hooren spreken. + +--Maar, Mathilde, hoe kan je nu zoo wezen! Als ik je pas een paar +maanden kende of zoo, als ik je een het hof had gemaakt en ik wou je +daarna op manier ten huwelijk komen vragen, dan zoude wij misschien ... +of nee, dan zou toch nog mijn eerste gedachte zijn, natuurlijk, over ons +huwelijk, de huwelijksreis en al die dingen, ... dat spreekt immers +vanzelf ... en hoeveel te eerder nu, wij kennen mekaar al zoo lang, we +zijn als 't ware voor mekaar geschapen en wat nu gebeurt is een +natuurlijk gevolg onzen heelen omgang van vroeger, ... nu is 't des te +natuurlijker, dat wij dadelijk over die zaken spreken. + +Maar zij liet zich niet overreden. En om nu over de zaak zelf te +spreken, zij had ook verstand van het leven. Wanneer ze dan eenmaal +gevestigd zouden zijn, zou vader nooit bij hun in komen wonen; +schoonmoeders of schoonvaders in huis brachten nooit geluk. Vader zou +zijn kleine gewoontes geeerbiedigd willen zien, die met hun levenswijze +niet stroken zou. Vader was gewend aan stilte, aan rust, aan +eenzaamheid, aan zijn minste verlangens dadelijk te voldoen. En zij met +hun tweeen, ze begreep heel goed, dat ze veel uit zouden gaan, menschen +zien, partijtjes geven misschien en allerlei drukte hebben, waar vader +niet van hield. Mathilde telde een massa bezwaren op, het eene kwam +voort uit het andere, zij vond er een zeker pleizier in, in een hoop +woorden zich de toekomst zoo naar mogelijk voor te stellen. En in-eens +midden in al dat gepraat, kwam haar toekomstig moederschap voor den dag. +Zij zeide, en werd dadelijk vuurrood: En als er een kindje komt, wat +dan? Ze had Jans, de meid, dit wel eens hooren zeggen. En zij redeneerde +voort over het kindje. Als er een kindje kwam, wat dan? Dan zou 't voor +vader niet meer om uit te houden zijn. Ten eerste het voortdurend +geschreeuw van het kindje, later zijn vermoedelijke wilde speelschheid, +ten tweede de onmogelijkheid voor haar, om zich verder veel met haar +vader bezig te houden. Dit zou dan heelemaal onmogelijk worden. Neen, 't +kon niet, onmogelijk; zij moesten nooit een oogenblik denken, dat vader +bij hen in zou komen wonen. + +Dood-bedaard had Jozef naar haar geluisterd. Hij vond haar allerliefst +in haar kriegligheid, die hij zich niet begreep. Het driftig bewegen van +haar lippen deed hem plezierig aan. Toen zij van 't kindje sprak, had +hij 't lastig gevonden haar aan te blijven kijken en was met snel +knippende luisterende oogen weer uit het raam gaan kijken. Heel ernstig +vroeg hij: + +--Hou-je van me, 'Thilde, is 't wezenlijk waar, zooals je het gezeid +heb? + +Haar goede gemoed kwam boven: Ja, wezenlijk heel veel. + +--Nou, laten we er dan maar niet meer over spreken. Als wij van mekaar +houden, zal alles verder zich van zelf wel schikken. Ik zal over alles, +wat je gezeid heb, eens op mijn gemak nadenken. Jozef had de Stuwen, met +zijn zwak in-eengedoken gangetje, op straat aan zien komen en wou dus +een einde aan de diskussie maken. + +--Geef me dan nog een zoen, daar is je vader, zei hij. De zoen werd +gegeven heel gauw, maar Mathilde hield haar mond op-zij en er bleef +eventjes een klein vochtig schaduwkringetje op haar wang. Toen haar +vader de stoep opkwam en Jozef hem groette met zijn hand, veegde haar +zakdoek 't stilletjes wech. + +'t Was half-twaalf geworden. De heer de Stuwen morrelde even met zijn +huissleutel in het slot, veegde zijn voeten af op de vloermat, en hing +zijn jas en hoed aan den kleinen standaard, zette zijn stok in den bak +en kwam binnen, met een groote witte linnen zakdoek zijn neus snuitende. +De twee heeren gaven mekaar een hand. He, he, 't is heerlijk weer, zei +de Stuwen. Van Wilden, waar kom jij van-daan? ik dacht dat je gestorven +was ... Zeker weer op reis geweest ... He, he, ik ben lang wechgebleven ... +Gaan we nog geen koffiedrinken, kind? Mathilde keek op haar horloge, +dat, met een dik zwart koordje in een knoopsgat van haar lijf vast zat. +Zij schrok, om dat 't al zoo laat was en ging gauw de kamer uit. Zij +kwam nog even te-rug. + +--Mag ik voor jou ook dekken, Jozef? + +--Nee, dank-je, ik zou 't heel graag doen, maar ik heb afgesproken om in +de club te komen. + +Wech was zij. Zij hoorden haar in de achterkamer bij het buffetje bezig. +Jozef kreeg donkergrijze handschoenen te voorschijn uit de pandzakken +van zijn jas en trok den linker aan. Hij streek zijn hoed glad met zijn +voorarm waarover hij met de hand het laken van zijn mouw strak gespannen +hield, en maakte een praatje met de Stuwen. Hij vroeg hem, of hij ook +gezien had, hoe of het stond op den Dam met het opbreken van de +gaspijpen voor Hajenius, dat al zoo lang de passage had belemmerd. Zoo +spraken zij nog over eenige andere zaakjes.. Jozef nam daarna afscheid. +Nee, blijft u binnen, zei hij, toen de heer de Stuwen hem wilde +uitlaten, ik zal er alleen wel uitkomen. De heer de Stuwen liet zich +gezeggen; hij was nog moe van de wandeling. Toen Jozef den knop van de +voordeur omdraaide, om het huis uit te gaan, kwam Mathilde gauw achter +uit den gang naar hem toe. Zij sprak gejaagd, terwijl zij hem met hevige +oogen aanzag: Ik heb zoo'n berouw over mijn stuurschheid van daar-zoo; +ben je d'er nog boos om? + +--Dat weet-je wel beter, zei hij, en het was ook eigenlijk mijn schuld. +Maar hij moest het nog eens zeggen: + +--Wat zeg-je? + +--Dat ik volstrekt niet boos ben en dat ik nooit boos op jou zou kunnen +zijn. + +--Zeg in allen geval nog niets aan vader, laat hem niets merken. Ik moet +het hem langzamerhand vertellen. En kom van avond te-rug, toe, zal je 't +doen, ja, toe, of uiterlijk morgenvroeg, dan ben ik weer alleen, voor de +koffie. + +--Goed, zei hij en wilde haar voorhoofd zoenen. Maar zij ging achteruit. + +--Pas op voor Jans, zei ze, die mag ook nog niets zien. + +Toen Mathilde weer binnenkwam met het dekkertje en den witten broodzak, +zat haar vader uit te rusten in den leuningstoel, die in den hoek bij +het venster stond. + +--Als 't zulk mooi weer is, zei hij, hebben die ruiten een glans, +precies als van blinkend staal ... Ik had volstrekt niet gezien, dat van +Wilden hier was ... Was hij er al lang? ... + +--Nee, op zijn hoogst een kwartier, antwoordde Mathilde, wat ie eigenlijk +doen kwam, weet ik niet. + +--Och, hij kwam zeker maar een morgenpraatje maken voor ie naar de club +ging. + +Mathilde zette klaar: den broodbak in het midden van de tafel met een +lankwerpig versch brood, niet aan den eenen kant een laag wit paperig +kruim, dat in een koker van korst was geborgen. Het hellende dak der +korst, van boven, was donker zwart bruin en ging, bij het zijwaards +afdalen van de korst, in een melkchocolade-kleurig bruin over, van daar +in lichter bruin, geel bruin, en de onderkant was grijzig geel, zwart +doorschemerend. Aan den eenen uithoek was ook weer het kruim zichtbaar, +de andere was een geel bruinig rontetje, als de kin van een Indische +vrouw. Aan weerszijde van de tafel werd een bord van glimmend wit +aardewerk gezet, een stalen tafelmesje met hard zwart-houten heft er +naast. Aan den linkerkant van Mathildes bordje schoof zij het chineesch +verlakte blaadje, waarop een flesch bessensap en twee bierglazen +stonden, een witte suikerpot en een ingeleid lepeldoosje. Vier witte +mekaar flankeerende schaaltjes, als vreeselijk groote verstijfde +rozebladen, om den broodbak heen. Op het eene was grijs onmachinaal +roggebrood, een stapeltje van zes dunne sneetjes, want vader was er dol +op; op het tweede en stuk oranje-bruine stroopkoek, met een weeke zwarte +korst, van regelmatige ribben oversneden. Op het derde lag een log stuk +zoete-melksche kaas; op het vierde lagen zeven plakjes vettig blad-dun, +bleekrood, van gespikkeld goud beglansd gekookt rookvleesch. + +De heer de Stuwen voelde zich heerlijk thuis te midden van die kleine +burgerlijke spijzen. Hij zei: Kom-an, laten we nu maar aan den gang +gaan. En hij ging op een door Mathilde klaar gezetten gewonen stoel +zitten, voor het bordje. Hij was een erge liefhebber van brood en vond +het ook een aangenaam gevoel brooden te hanteeren. Hij nam het brood, +dat nu voor hem lag dan ook uit den bak en sneed er het uit-einde af, na +er eerst met de punt van het mes een kruisje opgemaakt te hebben. Dit +was een gewoonte, die zijn vrouw hem geleerd had en die hij, ofschoon +hij niet aan de godsdienst deed, toch aan had gehouden. Hij dacht altijd +aan zijn vrouw, die streng katholiek was, als hij dit kruisje maakte. +Mathilde schonk de bessensap in. Zij wist van alles de maat voor haar +vader: zooveel suiker, zooveel bessensap en zooveel water. Door te +roeren loste zij de suiker op en gaf haar vader het glas aan. Deze vond +'t lekker koel en stelde voor een raam open te zetten, hetgeen Mathilde +deed. Een verward gegons, doormengd met een paar schrille schreeuwen van +koopvrouwen, woei naar binnen. Er rolden rijtuigen over de brug met +ratelend geraas en den matten paardenhoefslag. Muschgetjilp suizelde in +den zomerwind uit de boomen. De heer de Stuwen duwde een sneetje +roggebrood op zijn boterham, hield dezen vast met de linkerhand en sneed +hem aan vier gelijke reepjes, die hij, een voor een, met een tevredenheid +over het voldoen van deze zoo geoorloofde en gemoedelijke en bedaarde +lust, aan zijn mond hief. Daarna dronk hij zijn glas weekroode bessensap +tot aan den bodem leeg en vroeg om nog een glas aan Mathilde, die al met +haar hand zat uitgestrekt; terwijl een klein koeltje door het open venster +haar lichtste haren liet wuiven over haar voorhoofd, en haar bleek gezicht +beter liet zien. + +--Kind, wat zie-je bleek. + +--Ik weet niet, vader; dat is zeker om dat ik van morgen een beetje +hoofdpijn heb gehad. + +Eigenlijk was 't van geluk. Zij was wel een beetje boos op zich zelf, +over de onaangenaamheden, die zij, zij zelf kon zich nu niet begrijpen +hoe en waarom dat was gebeurd, aan Jozef gezegd had, maar dat hij +gekomen was, eindelijk na dat eeuwige wachten van die lange, lange week, +dat maakte haar erg blij. Zij wist weer niet wat zij doen zou van +plezier. Ze kwam op het idee, dat haar vader verbaasde, om hem, ter +gelegenheid van dit hun gewone koffidrinken, op iets extraas te +trakteeren van haar eigen geld. Zij zei het hem; zij sprak van een +blikje sardines, een leverworst, een ommelet, een biefstukje, dat Jans +even kon halen bij den slager op den hoek van den steeg, enfin, wat hij +maar wou. De vader begreep er niets van. Hoe kwam 't in haar op? +Waarvoor die bizondere traktatie van-daag? Had ze een lotje uit de +loterij getrokken, of was 't maar een nieuw grilletje? In allen geval +bedankte hij, en zeide, dat als ze wilde, ter eere van het mooye weer of +wat dan ook, zij voor het eten maar iets lekkers moest laten klaarmaken, +dan zouden zij samen weer eens smullen. Nu vroeg Mathilde of de koffie +gedaan was. Zij had haast om alleen te zijn, stil boven op haar kamer. + +--Ik ga van middag naar _Artis_, Thilde, zorg dat je over een +kwartiertje klaar bent; + +--Ik wou liever thuisblijven, vader; ik heb boven nog zooveel te doen. +De heer de Stuwen was verwonderd. Het was voor het eerst van zijn leven, +dat hem zou iets overkwam. He! ging ze niet mee! Maar waarom dan niet, +wat scheelde haar dan toch? Wat had zij dan nog te doen, wat? Den heele +bak met linnen te bergen, die er nog stond! Een mooye grap, kon dat dan +later niet gebeuren in plaats van vader alleen naar _Artis_ te laten +gaan, waar hij zich zeker vervelen zou. Maar er was niets aan te doen. +Mathilde noemde nog tien andere zaken op, die volstrekt gebeuren +moesten. Vader ging alleen naar Artis. + +Mathilde was een te goede huisvrouw, om niet eerst het schoone goed, dat +al zoo lang in de stof stond, te bergen, voor zij ging zitten teekenen +en denken op haar kamer. Terwijl ze een voor een de stapels lakens, +sloope en nachthemden, die nog een beetje vochtig aanvoelden en zwaar op +elkaar lagen, in de ouderwetsche bruine kast, met een wit papier op +eiken plank, schikte, en daarna vaders overhemden een plank hooger +appart lei en zijn kousen nazag, of die ook gestopt moesten worden +misschien, dacht ze er aan, dat deze huishoudelijke drukte nog niets was +bij wat haar later te wachten stond als ze eens eenmaal getrouwd zou +wezen. Ze wou dezelfde orde volgen, waaraan ze nu eenmaal gewoon was en +die op den duur het best beviel. Zij ging voort met na te denken over al +de groote pleizieren van het hebben en het bestieren van een eigen +huishouding. Zij deed 't nu ook wel bijna, maar 't was toch dat niet; +ten eerste moest alles gebeuren precies zou als vader het wou, en al +dacht zij tusschenbeide heel anders als hij over allerlei dingen, zij +sprak er nooit van, maar deed, wat hij wilde; ten tweede was Jans er, +die haar had zien geboren worden en aan wie nooit in te prenten zou +zijn, dat Thilde, die ze zou dikwijls schoone luyers had aangedaan, en +die ze daarna zooveel jaren had zien spelen en springen door het huis, +dat Thilde nu heelemaal behandeld moest worden zoo als men het anders +een mevrouw deed; ja, Jans dorst op een heel wat hooger toon te spreken +tusschenbeide, dan Mathilde het de meiden, die zij later zou nemen, zou +laten doen. Zij wist wel, dat er nog in lang niet van komen zou, maar +het zou er toch eens van komen en ze vond 't hoogst prettig zich dat +alles nu al zou levendig voor te stellen. Ze zouden bepaald twee meiden +houden, want Jozef zijn geld plus het hare, maakte dat zij best op zoo'n +voet zouden kunnen leven. Op deze manier zou zij zelve ook meer tijd +krijgen voor piano-en teekenstudien, dit hoofdzakelijk voor hem, om hem +het leven aangenaam te maken. Zij vond het zoo verschrikkelijk heerlijk +te denken aan hem, aan het leven met hem alleen, dat zij deze gedachte +voor een soort van opperst onthaal voor haar hart en hersenen bewaarde. +Zij ging namelijk door met zich in haar heele toekomstige leven in te +denken, maar zich alleen met al het bijkomende bezighoudende, met de +gracht, waar-zij een huis zouden kiezen, met de meubeleering van de +kamers, met de wasch, met de meiden, met de partijtjes, die zij geven +zouden, met den zolder, met den gootsteen, met de toiletten, waarin zij +gekleed zou gaan en zoo meer. Een enkele keer liet zij even de gedachte +doorschemeren, die haar het meeste geluk gaf: het samenzijn en het +alleen-samenzijn met hem; zij bespaarde die stof, met glinsterende oogen +en zuchtende borst, en lei voorzichtig de overhemden van haar vader in +de linnenkast, evenals een kind eerst het bladderdeeg om een taartje +heen, opeet, om voor de laatste hap het genot van de konfituren te +bewaren. Eindelijk dan ook, toen alles geborgen was en netjes op zijn +plaats gelegd, toen Mathilde over alles had nagedacht, tot over Jozefs +garderobe en over de nieuwe soort heerenborstrokken, die mevrouw Berlage +zoo geprezen had en die Mathilde, als eenmaal de intimiteit groot genoeg +geworden zou zijn, aan Jozef te dragen zou geven, toen zij over de +mogelijkheid had gedacht om 's zomers naar buiten te gaan, om een hond +te houden, en ook over de brievenbus, die ze in haar voordeur zou laten +maken, toen liet ze plotseling dat alles wech gaan, gooide al die +wezenloze dingen ver uit haar geest, dacht aan niets meer van de +omgeving, aan geen enkele bijzaak meer, maar aan hem, aan hem alleen, +aan de uren van onbeschrijfelijk geluk, die zij ver van de waereld, ver +van iedereen, tot ver van haar vader toe, in een achterkamer of zoo, +ergends, waar het ten minste schemerdonker was, waar geen geluid hen zou +bereiken en ook de zon hen niet zou kunnen verlichten, heelemaal alleen +samen zouden zijn. Zij voelde den stroom van het denken aan hem alleen, +die zij zoo lang mogelijk had tegengegaan, om hem de meeste kracht te +geven, met alle geweld langs alle kanten doorbreken en haar hart +overgolven. Zij wilde nu denken aan en door de kracht van haar gedachte +het nu al in den geest beleven, dat geluk van het alleen-samenzijn. +Daarbij kwam, dat er een onopgelost iets, een vraagstuk vol duisterheid, +iets, dat zij zich ten innigste bewust voelde zonder het te begrijpen, +verbonden was aan de bepeinzing van dit heerlijke onderwerp. Zij dacht +aan al wat ze hem zeggen zou, als ze eens heel en al, zonder +te-rughouding, in volle oprechtheid, wat in haar hart omging voor hem +bloot zou kunnen leggen en zich zonder voorbehoud van hem afhankelijk +stellen. Zij zinde er op, wat ze zou doen, hoe ze zich zou kunnen +gedragen, hoe zij haar eigen wezen zou kunnen veranderen, zich +vervormen, zich liever en beter maken of wat of hoe ook ze in Godsnaam +zou kunnen handelen, om een ongehoord bewijs, een heilige en +onbetwijfelbare bekentenis te geven van haar liefde. Wat moest ze +getuigen, wat had ze te openbaren, op dat die getuigenis en die +openbaring hem onweerstaanbaar overtuigden, dat haar liefde zoo waar +was, dat zij het wel met haar bloed tegen een witte muur zou willen +schrijven. Want zij had een angst. Zij twijfelde niet, geen minuut, aan +zijn liefde voor haar; die liefde moest bestaan, dit had zij al zoo lang +geweten voor hij het zelf zei; maar zij was er niet zeker van of hij wel +zeker was van haar liefde voor hem. Zou haar stuurschheid van +van-ochtend niet gemaakt hebben, dat hij een beetje aan haar liefde was +gaan twijfelen? En toch, al was dat niet zoo, zou ze het hem duidelijk +genoeg hebben te verstaan gegeven? Wie weet hoe of hij twijfelde, wie +weet wat een angst en verdriet of hij had. Zij vond ook zelf dat zij het +niet krachtig en duidelijk genoeg gezegd had, dat andwoord, dat hij was +komen vragen. En daarom zocht ze in haar verbeelding naar een middel om +haar liefde te zeggen, naar een daad van opoffering, die zij zou kunnen +doen. Zij bekeek zich-zelf van top tot teen; daarna betastte zij zich. +Er moest een handeling zijn, een akte, een daad, waarin het heele +lichaam en de heele ziel zich ten innigste vereenigde om van liefde te +spreken, waarin het heele ik in al zijn onderdeelen onverdeeld zich +uitte en zeide: ik hou van je, hier ben ik, ik hoor van jouw, heelemaal +en altijd. Zij kwam eindelijk tot het besluit, dat zij haar vader zou +vragen, wat het huwelijk eigenlijk was. Maar dit durfde zij in 't geheel +niet zoo maar. + +Mathilde was op haar kamer gaan zitten, voor de tafel, de handen aan +haar hoofd. Zij vroeg zich af, waarom ze zoo raar deed gedurende de +laatste week, waarom ze eigenlijk van Jozef van Wilden hield. Op haar +gemak zette zij hem in haar verbeelding en overwoog: wat er nu eigenlijk +aan hem was. Een voor een ontleedde zij de gedeelten van zijn gezicht en +van zijn lichaam en maakte de gevolgtrekking, dat zij niet wist wat het +was, maar dat zij alles even allerliefst vond. Hij droeg zijn haar heel +kort, met een scheiding aan den linker kant. Waar het de scheiding +bezoomde, had het een grijs-bruine kleur, die al donkerder werd, +naarmate het haar het midden van den schedel naderde. Midden boven het +hoofd was het heel donker, bijna zwart en glanzend, maar dun. Precies +zoo was 't aan den anderen kant van de scheiding. Boven zijn ooren was +het haar aan weerszijden naar voren gekamd en rulde daar even, maar heel +even, het liet de slapen heelemaal open en leek niets op een saai +oude-vrijers-kapsel. De haargroei, voor het oor, op die plek, waar de +blonde sprietjes bijna deden twijfelen, of zij bij het hoofdhaar +hoorden, of bij de bakkebaard, scheen daar zoo vlossig, dat het, als hij +op straat liep bij winderig weer, leek op een uitgestrooiden zomerhalm, +zoo als men ze aan de korenvelden 's zomers op en neer ziet gaan in den +wind. Er was een glans door het dunne haar tot over het gladde, blanke, +van twee lange, fijne, bijna onzichtbare rimpels horizontaal doorsneden +voorhoofd, en aan de slapen waren lichte schaduwen. Zijn bruin-blonde +wenkbrauwen, bewegelijk en dun, regel-matig gebogen, waren mooi over +zijn groen-blauwe oogen, waar hij Mathilde met zooveel liefde mee kon +aanzien. Zijn wangen dachten Mathilde bizonder mannelijk gekleurd met +hun somber-blanke tint, en het lichte rood onder de oogen. Zijn neus was +van voren even merkbaar in tweeen gesplitst, hij had groote +neusvleugels, tot aan de punt van den neus, die hevig bewogen toen hij +zich eens driftig had gemaakt op een avond, dat zijn geheugen hem in den +steek liet bij het voordragen van een gedicht, en ook nog eens, als zij +zich ten minste wel herinnerde, op een anderen avond, dat zij plotseling +merkte, hoe hij zonder verwikken of verwegen naar haar zat te turen. +Zijn snor was heel, heel mooi, door vergedreven verzorging schijnbaar +onverzorgd. Het was een dikke snor, die zijn heele bovenlip besloeg, +schuin naar beneden gestreken, den vorm der lip volgend en aan +weerszijde in een groote krul naar boven gedraaid. Onder de snor was +alleen een dunne roode lijn van de onderlip te zien. Zijn mond had den +vorm van een breed naar weerszijde uitgedrukt hart en was meestal een +beetje vochtig. Zijn kin was heel rond, al te rond, niet spits genoeg, +altijd helder geschoren. Jozef gebruikte lage liggende boorden, altijd +stijf gestreken en spierwit als postpapier. Zijn hals kwam daar fier en +flink uit naar boven, vanvoren blank, met den sterk uitkomenden +strottenbol, die Mathilde een teeken van groote mannelijkheid scheen, +half in de kinne-schaduw verborgen. Meer naar achteren werd het vel van +zijn hals rooder, tegen den drukkenden boord aan, die daar eigenlijk te +nauw was, om dat Jozef zijn hoofd altijd zoo mooi recht droeg. Hij had +nog-al breede schouders, waar zijn jas altijd heel glad en zonder een +kreukel om heen zat, meestal zwart en donker-groen in den winter, grijs, +nu en dan lichtgrijs 's zomers. Hij droeg dassen van allerlei kleuren +maar nooit kakelbont, altijd goed en met smaak gekozen, altijd in +over-een-stemming met de kleur van zijn pak. Hij droeg heele wijde +manchetten, nooit bespat of besmet of hoe ook vies, zoo als de ingenieur +Ster ze bijv. wel eens aan had. De manchetten hingen tot laag over zijn +polsen, meestal met twee zilveren bolletjes aan een kettinkje vast. Maar +zijn handen, o, zijn handen, die had zij lief! Wat een zachte schok ging +er door haar leden, toen die handen, tintelend van liefde en +bescherming, haar schouders aanraakten of, langs haar armen strijkend, +haar polsen beetpakten, om die te omknellen, zoo als het van-ochtend was +gebeurd. Mathilde bekeek haar polsen; ze had haar braceletten nog niet +aan. Er was niets meer te bespeuren van Jozefs innigen druk. Zij had zoo +graag gehad, dat er nog moeten te zien waren geweest. Jozef droeg +dikwijls naar voren openhangende fantasie-jasjes van uitstekenden snit. +Over zijn vest hing dan een gouden horlogekettinkje. Er was een van zijn +vesten, waaraan zij een hooge voorkeur gaf, een vest van geel-grijs +pike, met roode, blauwe en gele spikkeltjes, met doffe paarlemoeren +knoopen. Dat vest pastte hem prachtig en stond hem zoo mooi en met maar +enkele plooyen heel van onderen. Van-morgen, toen ze bij mekaar waren, +had Mathilde zich erg verleid gevoeld om haar arm over dat vest heen te +slaan, onder zijn jasje, en zoo zich beter aan hem te kunnen warmen en +zijn hart voor haar te hooren kloppen, maar zij had niet gedurfd. En dat +was ook beter, want zij moest zich een beetje koud toonen, meende zij. +Jozefs broekspijpen hingen wijd-uit tot dicht bij de punten van zijn +effen schoenen. Vooral de licht-grijze broek met het biesje op zij, +stond hem verschrikkelijk goed. Hij had een soort van kalm en waardig +gemak om zijn armen en beenen te bewegen. Mathilde voelde het, zij was +verliefd op zijn gang, op zijn tred, op zijn schreden; hij liep met een +losse regelmatigheid, die haar bekoorde, hij liep edeler dan haar vader, +edeler dan Ster, edeler dan alle andere heeren op straat. En dan de +manier waarop hij zijn armen bewoog! Met een eenvoudige en natuurlijke +gematigheid kon hij een deur sluiten, of een kaart op tafel gooyen, als +hij met haar vader ekarteerde! zijn stem klonk als een orgel, lief en +forsch tegelijk. Vroeger had zij over al die dingen nooit zoo gedacht, +dat was vreemd! Uit alles sprak een edel en teergevoel, en ook een +levensondervinding, die zeker was van zichzelf. Hij vond blijkbaar goed, +al wat hij deed, of liever, hij deed alleen dat, wat hij eerst had +goedgevonden te doen ... En hoe had hij altijd van haar gehouden ... nooit +was zij zoo ingenomen geweest met de manier, zoo als hij vroeger +tegenover haar gedaan had, toen hij uren-lang bij haar bleef, ofschoon +zij toch nog maar een kind was, en hem onmogelijk belang kon inboezemen, +wat haar inviel te zeggen. Mathilde overdreef den duur der uren die zij +samen hadden doorgebracht, zonder het te weten. Het kwam haar nu voor +als was Jozef bijna voortdurend bij haar geweest, haar kostschooltijd +uitgenomen. Hoe had hij haar geholpen met raad en daad, wat had hij een +kennis en een gave om die duidelijk in haar verstand over te planten. +Hij begreep de piano, het teekenen en het borduren; hij sprak niet +alleen over muziek, zoo als zooveel menschen, maar hij begreep ook de +muziek, hij wist haar mee te deelen, wat, van romans, de moeite waard +was voor haar om te lezen. Hij hield van dichters, zoo als zij, maar +meer van romans, zoo als zij. Zij hadden samen Walter Scott, Dickens en +een werk van Daudet doorgemaakt, en als hij voorlas, hoe hoorde zij dan +in de melodie van zijn stem, wat men bij den schrijver in den vorm van +zijn schrift zou hebben ontdekt, had men zijn manuskript onder de oogen +gehad! Zij herinnerde zich, hoe ze op haar dertiende jaar al de groote +witte halve maan, die door het wechdrukken van het vel onderaan zijn +nagel zichtbaar werd, en de punt van dien nagel zoo blank als een stuk +ganzeveder, had bewonderd. Wat kon Jozef verder belangrijk praten, wat +had hij goede inzichten in de staatkunde van den dag! Ook droeg hij een +mooi gouden potloodje in zijn rechter vestzak, dat open en dicht werd +gehaald op een wijze, zoo als Mathilde het nog nooit had gezien. Zij had +haar vader Jozef zoo dikwijls hooren prijzen, en telkens deed haar dat +zoo'n goed! Vader vond hem een man van bekwaamheid in zijn vak, de +effekten, een ontwikkelden kop, en die later wat worden kon in de +maatschappij, die carriere zou maken. Vader noemde Jozefs kleeding wel +wat overdreven netjes, maar dat kwam alleen, om dat hij zelf nooit veel +smaak voor die zaken had gehad. Jozef had veel hart en veel verstand, +hij wist dat allebei goed te gebruiken wat kon men meer vragen van een +man, met wien men een gelukkig huwelijk aan wilde gaan? + +Zoo ging Jozef in Mathildes denken en verbeelden voorbij, en toen zij +hem weer zoo duidelijk en innig bij zich had, hem naast zich voelde, hem +voor zich zag, toen ze een kleur kreeg, om dat zoo wezenlijk zijn adem +over haar lippen ging, schrok ze op en ging met haast aan het teekenen, +waarvoor zij hier eigenlijk zat. Zij maakte gauw de stukjes verf aan met +water uit het altijd halfvuile glas en met een drift, die niet lang +duren kon, ging zij aan den gang met haar potlood en haar penceel. Zij +plooide haar lippen samen en stak er het uitgewasschen penceel tusschen, +om de gedweee haartjes in een punt uit te doen loopen, om zoo fijne +plekjes kleur op het papier aan te kunnen brengen. Maar het schoot haar +te binnen en verraste haar onaangenaam. Jozef had haar dat likken aan +het penceel dikwijls afgeraden. Hij zeide, dat er nooit heel zeker geen +vergif onder de verf was gemengd en men dus niet kon weten. In een +begeerte, om in 't vervolg alleen te doen, wat hij graag had, ook dan, +wanneer hij er niet bij was, nam zij het penceel tusschen haar lippen +uit, veegde die af met haar zakdoek en probeerde om tusschen haar +vingers het penceel te punten. Dit maakte haar heel tevreden over haar +zelf, en, een beetje bedaarder, kleurde zij voort. Maar zij had haar +uren verdroomd. Het sloeg half vijf op den toren in de Zandstraat en het +Paleis op den Dam begon juist te spelen. Door de zoele zomerlucht klonk +het klokkespel uit de verte haar pleizieriger tegen dan gewoonlijk. +Kling, klang, kling, klang, klang, klang, de zachttriomfantelijke wijs +van "De Koning leev', de Koning leev", speelde het klokkespel, hoog +boven de huizen. Mathildes hart klopte, want ze moest gauw gaan dekken +beneden voor het eten, en het was net of er in haar binnenste, in haar +hart, ook zoo een lief en luid klokkelied werd gespeeld. + +In de trapkast was alles doodstil. Heelemaal beneden gekomen, hoorde +Mathilde Jans rommelen met stoelen en borden. Zij slofte juist te +voorschijn. + +--Ik was maar gaan dekken, jufvrouw, zei ze, ik dacht, dat u 't zeker te +druk had boven. + +--O, dank-je, laten we 't nou maar samen verder doen. + +Het siste in de keuken; een geur van gebraden ossevleesch zweefde door +den gang. Vader zat in de voorkamer In een boek te lezen. + +--Wil u van-middag ook maar weer hier eten, vader? vroeg Mathilde, het +is hier veel lichter als achter. + +--Heel goed, kind, zoo als je wilt. + +En zij zaten samen in stillen vrede en genoegelijken kout, zoo als +altijd. Mathilde had het extra schoteltje vergeten. Buiten was het volle +dag, zoo licht, als om twee uur 's middags, maar de zonnehitte was +getemperd en zachte zomerkoeltjes dartelden met het tafellaken. De heer +de Stuwen vertelde van allerlei dingen, die hij in _Artis_ gezien had; +Mathilde was bizonder lief voor haar vader. Toen de heer de Stuwen naar +bed ging, om elf uur, dacht hij wat heb ik toch een aangenaam en +vreedzaam leven. Wat passen wij goed bij mekaar, Mathilde en ik! + +Toen Jozef van Wilden van Mathilde van-daan-ging, was hij door de oude +Doelenstraat en de Damstraat naar de Club gegaan. Hij keek, onder den +naar vorengebogen rand van zijn zwart zijden glimmenden cylinder-hoed +door, recht voor zich uit, over de voorbijgangers heen. Tusschenbeide, +als hem een mooi gekleed meisje voorbijging, beblikte hij haar in de +schuinte en liep verder, met zijn kalmen, regelmatigen pas, de voeten +naar buiten buigend bij iederen stap. Het witte voorportaal van het +societeitsgebouw doorgaand en de trappen op, zonder gedruisch, voelde +hij duidelijk, dat hij veel van Mathilde hield. + +Hij was in der tijd, als jonge man van drie-en twintig jaar, bij den +dood van zijn vader, die hem het effektenkantoor had nagelaten, de +Stuwen, waar zijn vader hem al voor jaren mee in kennis had gebracht, +blijven bezoeken. Mevrouw de Stuwen leefde toen nog, en er werden nog al +eens gezelschapsavondjes gegeven. Hij was ook altijd aangetrokken +geweest door dat aardige kind, die Mathilde, die hem zoo graag haar +vriend noemde en niet van hem af was te slaan, had hij eenmaal den +drempel van het huis op den Oudezijds Achterburgwal overschreden. Hij +hield van kinderen, tot van dertien-en veertienjarige jongens en +meisjes toe, maar ouder niet. Hij was een goede jongen, volstrekt geen +kwaad of menschenhatend charakter. Hij had zich laten overhalen tot een +"vasten en eeuwig durenden" vriendschapsband met Thildetje, die weinig +vriendinnen had. De de Stuwens waren zoo-wat de eenige familie, waar hij +aan huis kwam. Hij verkeerde niet in aanzienlijke kringen. Zijn +grootvader had al in effekten gedaan te Utrecht, zijn vader had het +kantoor van daar naar Amsterdam verplaatst, waar hij geen verwanten en +weinig kennissen had, maar beter kans zag om zijn zaak uit te breiden. +Dit was hoofdzakelijk gebeurd op aandringen van Jozefs moeder, die +stierf een week voor zij voor goed naar Amsterdam zouden gaan. Het +verplaatsen van de zaak had niet veel gegeven, want de oude heer van +Wilden was een man zonder veel initiatief; deze eigenschap liet hij ook +zijn zoon erven, die de zaak, met den ouden vertrouwden boek-en +kashouder aan 't hoofd, op zijn gemak en op denzelfden voet bleef +drijven. Jozef had eenige vrienden onder de koffiehuis-jongelui gevonden, +was eindelijk lid geworden van de club. Nu ging hij meestal in den morgen +een groot uur naar het kantoor, griffelde daar het een en ander met zijn +gouden potloodje, bracht van kwart voor tweeen tot kwart voor drieen zijn +tijd op de beurs door, na op zijn bovenhuis of in de club gedejeuneerd te +hebben, bitterde dan, dineerde ergends en ging 's avonds naar de komedie, +naar een koncert, of biljarten, of bij een van zijn vrienden zitten praten. +Hij hield er een mentineetje op na, zoo om de twee jaar een, heel kalm, +heel matig. Op 't oogenblik was hij met zijn huishoudster, een dertigjarige +gewone blondine, zonder uitstekende voortreffelijkheden. Eerst eens, toen +tweemaal in de week, ging hij de Stuwen 's avonds gezelschap houden, 't +werd namelijk tweemaal na den dood van mevrouw de Stuwen, toen de Stuwen- +zelf 't ook erg eenzaam had. De familie van Riet, kennissen van de Stuwen, +waar Emilie Hartsen, een wees, bij aan huis woonde, had hem ook gevraagd, +maar hij bedankte, hij had aan de Stuwen en Mathilde genoeg. Dat hij zoo +betrekkelijk dikwijls de Stuwens gezelschap opzocht kwam van de verveling, +die hij door-elkaar tweemaal in de week ondervond door het uitsluitend +omgaan met de clubleden. Van zijn vader had hij een hoeveelheid goedaardige +degelijkheid georven, die nu en dan bovenkwam. Hij ging dan praten met +de Stuwen die wel liberaal-katholiek was, zoo als hij zelf ook, maar +toch over allerhande zaken veel burgerlijker en ook veel zedelijker en +gematigder denkbeelden had dan de jongelui. Jozef praatte ook graag eens +rustig en had hij een inlichting in zaken noodig, dan was Mathildes +vader de ware man, om zich toe te richten; eens zelfs had hij Jozef, die +een verkeerden slag geslagen had en daardoor lichtelijk in geldnood was, +bijgesprongen. Jozef sprak met de Stuwen alleen over heele zedige +uitgangetjes en andere pleizieren en wist zich met zijn bedaarde +gepozeerdheid bizonder degelijk voor te doen. Jozef was zich ook, in een +goede aandrift van zijn hart, hoe langer hoe meer met het moederloze +dochtertje van de Stuwen gaan bezighouden. Hij bezocht haar, ja dikwijls +uitsluitend haar, nu ook wel 's middags, en hielp haar voort met al haar +liefhebberijen en dingetjes. Jozef had een goeye opvoeding gehad. Ook +wist hij nog al wat van boeken en had hij een natuurlijke gave om het +een of andere idee, dat een jong meisje moest behagen, langs den meest +beminnelijken weg voor te stellen en ingang te doen vinden, meende hij. +Het waren geen diepzinnige vraagstukken van levensbeschouwing of +wijsbegeerte zoo zeer, die hij in zijn gesprekken met Mathilde te pas +bracht, toen zij wat ouder werd en vooral na haar te-rugkeer van de +kostschool, het waren veel meer allerlei zaken van gevoel en verbeelding, +hij wist de muziek uit te leggen, dat is te zeggen: aan te duiden welke +hartstochten of welke gedachten die en die melodie uitdrukten, hij wist +op de schoonheid der lijnen en kleuren van teekeningen en op de +bevalligheid van borduurpatronen te wijzen. Het waren ook allerlei dingen, +die zij om hen heen opgemerkt hadden, die zij elkaar toevertrouwden; zij +nam alles altijd dadelijk aan, wat hij zeide, en zij lachten samen +dikwijls erg hardop. Zij hadden in het dagelijks leven, bij een wandeling +op straat of in de houding van huisgenoten of kennissen, dit of dat voor +het eerst gezien; zij dachten zus of zoo over het leven, over de liefde, +de angst, de droefheid, het vergaan of het eeuwig voortbestaan van dit +leven, enz. Zij lazen samen Allard Pierson, J.J.L. ten Kate, en zoo meer. +Het hechtte Jozef zelf aan ernstige bezigheden, ook buiten de zaak om, +dat verkeer met Mathilde. Hij merkte het wel. Buitendien, van een +anderen kant beschouwd, hield niemant zooveel als hij van luidruchtige +frissche jeugd en opbruisend leven; van toen zij nog heelemaal een kind +was af, was hij aan Mathilde gewoon geraakt en 't was een behoefte voor +hem geworden haar dikwijls te zien. Hij had haar ontwikkeling van 't +begin tot het einde bijgewoond. Toen ze als een jong-meisje van de +kostschool te-ruggekomen was, had hij wel zeer verbaasd staan te +kijken en was hun verhouding wel zeer verkoeld geweest, ook om dat ze +hem zoo weinig had geschreven, maar langzamerhand had de oude gewoonte +van gemeenzaam verkeer weer ingang gevonden en de overhand gekregen Zij +waren gauw weer de beste vrienden, ofschoon ze ook mekaar in 't begin +halsstarrig "mijnheer" en "jufvrouw" bleven noemen. Er hadden nu ook bij +de Stuwen aan huis weer de oude muzikale avondjes plaats, die bij het +overlijden van mevrouw de Stuwen op hadden gehouden. Mathilde behaalde +bij dezen gelegenheden triomf op triomf door haar buitengewoon +ontwikkeld pianotalent. + +Jozef was eens op een goeyen morgen voor den spiegel gaan staan, was +gaan denken, dat hij in de dertig was, dat hij gisteravond toevallig een +betrekking had afgebroken, die hem toch al lang verveelde, en nu maar +volstrekt wou gaan trouwen. Hij wilde een rustig leven hebben en een +vriendelijke goede wettige vrouw. Hij wilde wel trouwen en getrouwd zijn +en een goeye huisvader worden, maar zijn vrouw moest een persoonlijkheid +wezen, die hem ruimschoots vergoedde, wat hij verloor. Het was een van +zijn lievelingsdenkbeelden een vrouw aan zijn zijde te zien van hooge +gestalte, niet te klein, die zich elegant kleedde, altijd gezond en +vroolijk was, geen bekrompen gedachten had over godsdienst, en het leven +in 't algemeen eenigszins breed opvatte; Buitendien moest ze een mooi +lichaam hebben, niet te mager, en veel zindelijkheid en al de +hoedanigheden van een aangename gastvrouw voor als ze eens een partijtje +gaven. Zij moest ook graag uitgaan en graag veel van het leven genieten, +zij moest iets Parijsachtigs over zich hebben en zich in alle opzichten +uitstekend weten te gedragen. Verder mocht liefhebberij voor muziek, wat +lectuur, enz., haar niet ontbreken. + +--Meermalen had Jozef voor zijn vrienden op die manier de vrouw +beschreven, van wie hij zeker wist een goede trouwe echtgenoot te zullen +zijn en met wie hij stellig een gelukkig leven zou hebben. + +Het lag zoo verbazend voor de hand, dat Mathilde de Stuwen, daar hij +zooveel mee omging, het aan al deze eischen beandwoordende meisje was, +dat het hem nog nooit in was gevallen aan haar te denken. + +Maar langzamerhand was het hem uit alles, uit den toestand, waarin hij +en zij verkeerden zelf, duidelijk geworden, dat niemant anders dan +Mathilde toch zijn vrouw zou kunnen worden. Toen hij daar het eerst aan +dacht, had hij een lichte kleur gekregen van pleizier over deze +gelukkige ontdekking. 't Was ook in de club geweest, hij zat ook juist, +zoo als op 't oogenblik, in de in dit vroege uur nog leege groote +benedenzaal een halven biefstuk met gebakken aardappelen te eten, die +hem toen ook gebracht was door Henri, denzelfden knecht van nu. + +Toen Jozef eenmaal besloten had Mathilde het hof te maken, was hij zich +af gaan vragen, of hij van haar al niet vroeger-al gehouden had. Hij +dacht nu van ja: zonder 't zelf te weten, had hij haar liefgehad. Hij +nam zich dan voor die liefde zooveel mogelijk aan te wakkeren in zijn +eigen binnenste, en daarna aan de Stuwen Mathildes hand te vragen. Maar +toen hij er zoo over peinsde, of die liefde voor haar al voor dien dag +bestaan had in zijn hart en van-ja dacht om dat hij zich herinnerde, +hoe-of hij zich altijd tot dat huis van de de Stuwens aangetrokken had +gevoeld, trof het hem op-eens als iets heel zonderlings, dat hij nooit +in Mathildes gezelschap, al zat of stond hij vlak bij haar al raakte +zijn schouder haar schouder, zijn been haar japon, zijn arm haar rug, +zijn hand haar hand, dat hij nooit, al zaten ze uren lang met mekaar aan +de een of andere bezigheid bij de kachel 's winters of 's zomers voor +het open raam, als buiten de zon gloeide, dat hij zich nooit erg naar +haar had voelen verlangen. Hij had zelfs nooit uitvoerig de +hoedanigheden van Mathildes lichaam overwogen, nooit in haar +gewaardeerd, wat hij en zijn vrienden, als ze over vrouwen spraken, +altijd in de eerste plaats bedoelden. Hij vond dit erg vreemd, maar was +overtuigd, dat het verlangen na zijn voornemen van hofmakerij, nu ook +wel komen zou. En hij deed zich geweld aan. Hij probeerde haar op alle +manieren lief te krijgen en hij begon te merken, dat zij van hem +misschien al-lang hield, zonder er ooit iets van te laten merken. Als +hij nu bij haar was, probeerde hij door haar net zulke indrukken bij hem +te weeg te doen brengen, als de andere vrouwen deden. Wanneer zij, op +een avondpartijtje bij haar vader of soms 's zomers als het snik heet +was, een lager uitgesneden japon droeg, bleef hij naar haar hals kijken; +hij oefende er zich in haar kin en haar keel zoo te bekijken, dat hij +den wensch kreeg ze te betasten; hij wilde het zoover brengen, dat hij +al koud werd als hij haar hand in de zijne had. Hij lei er zich op toe +om door haar geheel ingepakt te worden. Hij bestudeerde haar, om uit te +vorschen, waar wel in haar wezen de begeerte-magneet zou te vinden zijn, +hij zocht die als een verborgen kleinood in de boekjes van haar kleed, +tusschen de donkere plekjes van haar haar. Hij wilde dat als haar rok +over zijn schoenen ging er een tinteling door zijn dijen zou gaan, dat, +als haar mouw over de zijne streek, er een vuur door zijn arm zou +gloeyen. Maar, wat hij ook in 't werk stelde, het kwam niet. Maar juist +toen, dit had hij later wel ingezien, had zij haar invloed op hem +gekregen. Wanneer hij gedachteloos over den weg keek, was zij toch maar +in zijn verbeelding. En kon hij 's nachts niet slapen, dan scheen het +alsof zij in de kamer rondwandelde. En met klimmende zekerheid kwam er +begeerte naar haar in hem op, een begeerte, die weinig gemeen had met +zijn gewone wellusten. Hij begon een onweerstaanbaar verlangen te +voelen, haar te omarmen, haar te bezitten zonder toch dat er een lager +gevoel bij hem aanwezig was. Hij wenschte iets als een gezonden en +innigen band, een hoogere en meer edele wellust. Hij werd zich bewust, +dat hij bij haar, ook haar ziel, haar hart zou binnendringen. Dit deed +hem naar haar zuchten als naar een heilige bezitting. Zoo stelde hij +zichzelf de zaken voor. + +Hij vond haar ook zoo gezond en zoo levenslustig, dat hij zich een +uiterst aangenaam huwelijk met haar voorspelde, dat met-een een +gelukkigen ommekeer in zijn wel wat eentonig wordend jonge-heeren-leven +te weeg zou brengen. + +Zoo was alles gegaan, zoo had hij haar onverhoeds, dien avond midden in +het gezelschap, zijn liefde verklaard. Van-morgen nu werd zijn vraag zoo +voldoende beandwoord, dat hij in een bizonder prettige stemming +tengevolge verkeerde. Hij dronk een extra half-fleschje wijn, bordoo. +Hij vond het mooi van haar en het verhoogde zijn genoegen, dat zij bij +al haar goede eigenschappen ook fierheid bleek te hebben, want het kwam +nu uit, anders had ze hem niet zoo aangedaan ontvangen, dat zij al-lang +van hem hield, en nooit had zij daar iets van laten merken. Dit was fier +gehandeld. En, zich verzadigend aan de overweging van den mooyen slag +door hem geslagen, zag hij door de spiegelruiten de onverschillige +menigte door de Kalverstraat op en neer loopen. De zaal om hem heen was, +achter het waas van zijn gedachten heen, langzamerhand voller geworden, +levend van zachte praatgeruchten en stilgebarende lichamen. Jozef had +het beursuur laten voorbijgaan zonder te denken dat het al zoo laat was. + + + + +III. + +Stilletjes zomerden de dagen voort in het huis van de Stuwen. Jozef +bleef zijn gewoonte houden om twee-maal 's weeks daar een avondje door +te brengen. De gevoerde gesprekken waren dan schijnbaar hetzelfde +gebleven en betroffen dezelfde onderwerpen als vroeger; de heer de +Stuwen en Jozef voelden zich altijd even goede vrienden. Mathilde zat, +als zoo altijd, meestal zwijgend, nu en dan een enkel woord meesprekend +bij de heeren, met haar borduurwerk of romans, thee zettend en wijn +schenkend. Er werden ook nog avondjes met meer menschen gegeven, maar +minder dan eerst; uit zich-zelf kwam de heer van Stuwen nooit op zulke +dingen en, en het bleek, dat Mathilde lang zoo erg niet meer op zulke +extraatjes was gesteld als vroeger. Zij wilde in den eersten tijd van +hun liefde Jozef zooveel mogelijk voor zich alleen houden. Wat een +ingrijpende en heerlijke verandering dan ook in de verhouding tusschen +Jozef en haar, heerlijk, juist om dat hun betrekking onveranderd in +denzelfden vorm scheen te blijven voortduren zoo als zij vroeger was. +Daar Mathilde nog volstrekt maar niet besluiten kon haar vader in 't +geheim te nemen en juist door het onophoudelijk denken over dezen +moeyelijken stap, dagelijks meer besefte, hoe innig haar vader en zij +aan-een-gesloten waren, had Jozef in geenerlei opzicht de gelegenheid +zich te gedragen zoo als een fatsoenlijk heer, die verliefd is en wiens +liefde door wederliefde beandwoord, pleegt te doen. Hij kon uiterst +zelden met zijn aan-staande alleen zijn, mocht haar nooit een cadeautje +maken en weken gingen voorbij, zonder dat hij zijn liefde anders kon +laten merken, dan in den langeren handdruk en in de ontmoeting van hun +oogen, die plotseling warm werden en vreemd en verlegen mekaar aankeken +in oogenblikken, dat de heer de Stuwen even wech was gegaan of de +koerant las. Jozef beviel deze onthouding ondertusschen volstrekt niet, +zijn ongeduld vermeerderde met den dag. Hij begreep ook niet hoe deze +toestand een einde zou nemen. Maar Mathilde was het nog in 't geheel +niet met zich-zelf eens geworden, wat haar te doen stond, om een +oplossing te verkrijgen. Als haar oogen, terwijl haar vader met Jozef +druk aan 't spreken was en over politiek of andere dingen van den dag +redeneerde, Jozefs oogen en voorhoofd kusten, dan wilde zij zich-zelf +dwingen in-eens een besluit te nemen, den knoop door te hakken, haren +vader alles te zeggen, en verder van de omstandigheden af laten hangen, +hoe de toekomst wezen zou. Of vader met hun samen zou komen wonen, dan +wel of zij ieder afzonderlijk zouden gaan wonen, dat kon zij nog niet +beslissen. Wie weet, dacht zij, wat er op gevonden zal worden. Wie weet, +welke uitnemende schikking er mogelijk zal blijken. En de woorden +dringen op haar tong naar voren en branden door haar lippen. Maar +plotseling bedacht zij zich weer. Nee, het kon nog niet, onmogelijk. Zij +moest vooreerst wachten. Het samenwonen mocht zij zich nu al als zeer +goed denkbaar voorstellen, zij wist wel, dat bij nadere nagedachte, toch +altijd de onhoudbaarheid er van bleek, om de redenen, die zij zich-zelf +al zoo dikwijls herhaald had, en toch weer telkens wech wilde cijferen. +En dat vader alleen zou wonen, daar kon zij zelfs geen oogenblik aan. +denken. Gedurende de laatste weken nog had hij geklaagd over een +pijnlijke stijfheid in zijn linkerarm en bijna door zijn heele linker +zij. Moest zij hem dan niet helpen, hem verzorgen op alle mogelijke +manieren, alles voor hem in orde maken en klaar zetten? Had hij niet +menigmaal gezegd, dat zij alleen er was als het zonnetje, om den avond +van zijn leven te vervroolijken? Neen, duizend maal, zij kon hem niet +aan zijn lot overlaten, het mocht niet, het ging niet, het zou niet +zijn, hoe Jozef ook aandrong, wat hij ook zei om haar te overtuigen. +Mathildes besluiteloosheid kwelde haar-zelf het meest. Was zij overdag +eens in haar eentje thuis, dan kon zij soms plotseling met een stofdoek +of borduurnaald in de hand vijf minuten lang in 't midden van de kamer +stil blijven staren, de oogen droomerig naar den wand, of wel bleven op +eens haar handen uitgebreid boven de toetsen liggen, midden in een +melodie, die zij speelde en dansten de muziekbalken voor haar gezicht. +Telkens deden in den zelfden vorm de zelfde vragen zich voor aan haar +verstand en telkens werden zij onopgelost weer wechgezucht. Het maakte +haar moei, het maakte haar verdrietig, die eentonige hinderpaal voor +haar geluk. Was Jozef een enkele maal met haar alleen in aanraking, liet +zij hem in, als Jans de deur uit was, ontmoetten zij mekaar onder aan de +trap of bij de deur van het zaaltje, dan vroeg zijn eerste blik altijd; +zijn wij nu nog geen stap verder gekomen? dan fluisterde hij haar +smeekend toe, dat zij moest bedenken, hoe zijn lot in haar handen was, +hoe ze hem niet langer zoo treurig en ongelukkig mocht laten. Andwoordde +zij hem dat er nog niets gebeurd was, dat zij niet wist wat te doen, dat +zij nadenken, dat zij zien zou, dan drukte hij haar hand, lei zich +zachtzinnig bij haar voortdurend aarzelen neer, maar zag haar aan met +een vaste hoop in den blik, dat zag zij duidelijk. En juist het +denkbeeld, dat ze hem de volgende maal weer te leur te stellen zou +hebben, dat hij er zoo onder leed en er toch zoo gelaten bij bleef en +zich nooit boos maakte, dit verergerde haar inwendigen strijd met den +dag en versterkte haar liefde. Zij stond onophoudelijk tusschen twee +vuren. Nog nooit had zij zoo'n hevigen inwendigen strijd gehad. 's Middags +had zij er wel eens hoofdpijn van. De gehechtheid aan haar vader +was meer een ingegroeid en onuitroeibaar plichtbewustzijn, dat zich niet +openbaarde door allerlei nieuwe en vurige gewaarwordingen, maar, als een +oud gedeelte van haar innigste natuur, onverstoorbaar zijn altijd even +zekeren invloed deed gelden, terwijl daarentegen haar hartstocht voor +Jozef als een heel nieuwe zijde van haar leven, aantrekkelijk en +machtig, zich vertoonde, overal door haar gemoed en haar verbeelding +heen. Alles wat zij voelde, dat er in het leven bevallig, lichtkleurig +en rijk was, ridderlijk, edel, schoon en zwierig, verpersoonlijkte zich +in Jozef. Sedert zijn liefdesverklaring was hij in haar heelemaal nieuw, +groot en heerlijk. Zij zag in hem de kracht en het vernuft, in hem dat +veelvoudig aanlokkelijk wezen, wien het haar als opperste roeping en +opperst genot zou gegeven zijn haar leven ten offer te brengen. Het +denkbeeld van tot hem op te gaan, van tot hem in te gaan, van haar wezen +in zijn wezen te verliezen en haar zelf, door het zich vereenzelvigen +met hem vervormd, als een gedeelte van zijn individu, te-rug te vinden, +klampte zich vast aan haar hart, kankerde zich in een hoekje van haar +hersens en vermengde zich met haar bloed. Het verrukte haar, dat, +wanneer ze 't bedaard naging, hij geen enkele uitstekende eigenschap +had, hij niets buitengewoons gedaan had in de wereld, hij door geen +heldendaden bekend stond, geen epopeeen had gedicht, door geen +uitvinding zich naam had gemaakt, niemant hem voor een eersten denker +hield, geen sterveling hem een heilige zou noemen, en dat zij toch zoo +oneindig en boven alles en allen van hem hield, en dat het haar toch +scheen, als was hij de grootste mensch, die ooit had bestaan en de +eerste van zijn tijdgenooten. Want, want hij had meer gedaan dan al de +helden en grooten, die zij had hooren prijzen, hij had haar liefgekregen, +zij was door hem gekozen tot zijn vrouw, en zij, dat was zij-zelf. Haar +had hij ontdekt, dat was zijn uitvinding, haar had hij veroverd, dat was +zijn heldenstuk, toen hij zei: "ik heb je lief", en eergisteren: "wat +ben je mooi", maakte hij zijn groot gedicht. + +Haar verbeelding was altijd met hem bezig. Zooals zij over-dag over hem +nadacht, zoo droomde zij 's nacht van allerlei rare gevallen, waarbij +hij te pas kwam. Zij dacht altijd aan hem, zij voelde zich hoe langer +hoe meer door hem in bezit nemen. Wanneer zij tusschenbeide niet in +slaap kon komen, gingen er door haar lichaam vreemde huiveringen. Er +ging b.v. als een aangenaam vergift, dat heer bekroop, een koud gevoel +van haar voeten, door haar beenen, onderlijf en borst, tot in haar keel. +Soms, wanneer zij in haar droom in een teere en zwaar-drukkende +omhelzing met hem was geweest, schrikte zij wakker, met een ongekend en +angstig hijgen; haar onderlijf kromde zich naar boven, tegen het +wezenloze dek. In andere uren weer vulde hij haar denken als iets +ideaals, dat niemant aan kon raken, dat niet van stof was, een lichtend +waas, met een hoofd alleen van menschen-stof, een muziekvlaag, die doffe +en weelderige geluiden rondblies, een vreemdeling, die zij nog nooit had +gezien, maar haar plotseling als een ouden bekende voorkwam. + +Toen er altijd meer dagen voorbijgingen, altijd de zelfde, maakte Jozefs +wezen, dat altijd bij haar bleef, haar wezenlijk ongerust en beangst. +Als ze hem ontmoette, bij zijn regelmatige bezoeken, en zij hem alleen +sprak of in zijn oogen kon zien, was hij altijd even zacht en kalm, +altijd dezelfde vriendelijke blik, het zelfde geduld. Maar dat hij bij +haar was zonder dat zij arm in arm zaten, scheen haar toch ongehoord. En +om dat zij zelve zoo onder het onophoudelijke uitstel leed, verbeeldde +zij zich, dat hij 't was, wiens gezicht kenteekenen van stilzwijgend +ondergaan verdriet vertoonde. Zij dacht opkomende bronskleurige kringen +onder de oogleden te zien; hij was valer van kleur dan anders, dacht +zij. Maar toch, als hij bij haar was, stelde zij zich gerust, maar in +zijn afwezigheid, vooral als zij met zich-zelf alleen was, was zij bang, +bang voor hem. Liep zij in de donkerte de trap op, dan hoorde zij +plotseling zijn stem, die iets onverstaanbaars zei. Zij zag om, en hij +was er niet. Kwam ze op haar kamer, dan hoorde zij zijn stap, zijn +lieven, welbekenden stap achter haar, zij zag om, en er was niemant. Zij +zag hem in haar slaap haar vermanen, haar de eene keer ernstig en +nederig, de andere keer driftig en met geweld, en dan weer eens koortsig +en in razernij verzoeken, gebieden en dwingen hem gehoor te geven en +niet langer te dralen. Hij deed nu en dan zoo woest en wild tegen haar, +en maakte zoo een misbaar, als hem in werkelijkheid nooit gebeuren kon. +Soms naderde hij haar met opgeheven vinger en met een gezicht zoo akelig +wit en dreigend, dat zij te-rugschrok en op 't punt was hem alles toe te +geven. Een andere keer lag hij weer op zijn knieen voor haar, en keek +haar zoo teeder en zoo trouwhartig aan, dat zij niet langer aarzelen +kon. Wanneer zij hem dan weer in levende lijve ontmoette, den dag +dikwijls, die volgde op zulk een akeligen nacht, of het uur volgende op +zoo een geheimzinnig uur, en hij kalm met haar vader zat te praten en +haar met zijn gewone eerbiedige liefde bejegende, dan verwonderde zij +zich, dan verzette zij zich met wrevel de overdrevenheid van haar hare +droomen. Dan nam zij weer het besluit voorloopig haar lieven bejaarden +vader trouw te blijven. Daar zat hij met het goedaardige grijzende +hoofd, met de dunne fijne, licht-roode lippen, met zijn eenigszins laag +voorhoofd en bleeke blauwe oogen, met zijn magere, 's winters van +tallooze aartjes doortrokken handen, niet zijn greinen huisjasje of +grijswollen sjamberloek, zijn hals een beetje naar voren gebogen, een +beetje beverig in zijn vingers bij de minste ontroering, zijn beenen +meestal over mekaar, en met zijn groote witte linnen zakdoek, waarvan +een puntje uit een van de zakken van zijn pandjasje piepte. Hij had een +ouderwetsche gouden ketting over 't zwart-lakensche of donker-grijs +kamgaren vest hangen, een dunne gouden ring, zijn trouwring, aan zijn +rechter wijsvinger. Daar hij veel van zindelijk hield, deed hij elken +dag een schoonen boord en een paar schoone manchetten aan, van oud +model; onder den boord een frissche zwarte das; Mathilde kocht er om de +twee maanden een nieuwe voor haar vader. De heer de Stuwen had heele +mooye gave witte regelmatige tanden, maar die bijna nooit te zien +kwamen. Er was iets schalks in zijn rond neusje en in zijn wenkbrauwen. +Ook maakte hij een enkele keer een grapje: de een of andere opmerking +over personen of voorwerpen, die hij een beetje bespottelijk vond. Hij +was nu vier-en-zestig jaar, maar, om dat hij vroeg oud was geweest, had +Mathilde hem altijd gekend, zooals hij er nu uitzag, waaruit zij met +blijdschap opgemaakt had, dat haar vader maar niet verouderde. De heer +de Stuwen had, zoolang het haar heugde, iets hulpbehoevends over zich +gehad, hij was nooit graag alleen, hij had een alles beheerschende +behoefte aan gezelschap, aan weinig, stil, hem toegedaan gezelschap. Hij +had ook iets vreesachtigs in zijn natuur; voor een kleine ongesteldheid +was hij bang als-of 'r een zware ziekte was. En zwierf Mathilde niet +onophoudelijk om hem heen, om hem van al te voorzien, dan klaagde hij +steen en been. Was hij gezond, dan kon hij meer aan zich zelf +overgelaten worden en ging hij uren alleen wandelen. Maar van zijn vader +had hij een soort verhardingszucht overgenomen, bij het schuchtere +gestel, dat hij van zijn moeder had, hem verkoudheden en rheumatiek deed +oploopen. Dan ging hij uit, tusschenbeide in 't midden van den winter, +met een demi-saison alleen aan, of heel in het begin van de lente, of +als de herfst al gevorderd was, zoo maar, in zijn gewoon huispakje. +Mathilde had dan al mooi knorren, hij gaf haar een zoen, maar beterde +zich niet. Hij was overigens in alles, een redelijk en punktueel man. +Hij was wel wat zuinig, maar nooit in 't belachelijke. Hij zorgde goed +voor zijn geld, ging met veel nauwkeurigheid den loop der effecten na en +knipte geregeld zijn koeponnetjes af. Hij las in zijn leege uren Duitsche +klassieken en allerhande werken over natuurkunde. Hij was geabonneerd op +een matig-liberale koerant en op verscheiden geillustreerde tijdschriften. +Ook kocht hij wel eens een prachtband, of teekende in op een uitgave, die +langzaam bij afleveringen verscheen en een kostbaar geheel zou worden. +Van Mathilde hield hij verschrikkelijk veel. Zij was voor hem de levende +herinnering aan zijn vrouw, waarop Mathilde in-en uitwendig veel leek. +De dartele vroolijkheid, de luidruchtigheid, die Mathilde soms aan den +dag lei, haar zorgzaamheid en goede hart bracht hem altijd zijn vrouw in +herinnering. Hij dacht altijd zonder de levensvreugde en steun, die +Mathilde hem gaf, niet te kunnen leven, en hij hoopte maar te sterven, +voor zij van mekaar zouden scheiden. Deze gedachte vervulde hem vroeger +meer dan nu, toen Mathilde pas van kostschool kwam, met eenige wereldsche +ideeen, en gedurende de eerste zes weken van niets anders sprak dan van +trouwen met een mooyen en rijken meneer. Want Mathilde was, naast deze +trouwlust, toch dadelijk begonnen met zich aan hem te wijden. Maar na zes +maanden was zijn angst wech. En nu, sedert een jaar, kwam de gedachte aan +een mogelijk huwelijk van haar, uiterst zelden bij hem op; hij had zich +zoo aan haar gewoon gemaakt, dat het denkbeeld "scheiden" was verdwenen. + +Mathilde-zelf wist heel goed hoe of het met haar vader was op dit punt. +Zij wist alles en begreep alles. Zij zag dat oude leven aan haar jonge +leven aangeweven en in haar bestaan vastgevlochten. Zij besefte ten +innigste hoe weinig hij haar bijzijn missen kon. Als hij haar met zijn +zwakke oogen aankeek, dan zag zij daarin een verzoek om hem niet alleen +te laten, en flikkerden die zwakke oogen op van pleizier, als ze hem een +zoen gaf, dan zag zij daarin een dank, omdat zij nog niet was heengegaan. +Bovendien voelde Mathilde hoe haar heele verleden, haar heele jeugd haar +aan haar vader verbond. Jozef had zij ook wel altijd gekend, zelfs +wanneer zij aan de schitterendste uren dacht, die zij had doorgebracht, +was hij alleen daarbij te vinden; maar zij had toch nooit met hem in een +huis gewoond. Dit gaf toch nog altijd iets vreemds, iets als niet van +dezelfde familie zijnde, tusschen hen beiden. Maar van haar vader hield +zij, om dat zij van zijn bloed was, om dat hij altijd en altijd daar had +gezeten in die achterkamer, als een dierbaar levend stuk huisraad. Zij +was zoo gewoon hem het eerste te zien 's ochtends en het laatste 's +avonds als zij naar bed ging, zij zou voor geen geld van de wereld +hem geen morgen-en nachtzoen gegeven hebben! Daarbij kwam het +hulpbehoevende karakter van haar vader haar zucht om op te passen en +zorg te besteden te gemoet. Jozef, zoo krachtig en zelfstandig, was een +heel ander man, Bij hem geen sprake van pantoffels warmen, sjamberloek +klaar leggen, bizondere spijsjes bereiden, denken of het niet te laat +werd of te druk om hem heen, tabak vochtig houden, peluw opschudden of +warm scheerwater naar boven sturen, bezigheden, die haar allen om 't +zeerst lief waren. Neen, zij zou geen afscheid van haar vader kunnen +nemen, dat groote kind, dat haar heele moeder-natuur innam. + +Zoo verliep zachtjes de tijd en waren de eerste dagen van September +gekomen. Mathilde liep droomerig door het huis en met zuchten ging zij +de kamer uit en in. Zij zong weinig meer in haar eigen en haar +pianostudies waren nog maar werktuigelijk. + +Jozef was in den laatsten tijd vol attenties. Hij stuurde Mathilde +bloemen, ofschoon de bloementijd bijna gedaan was. + +Het was een van de laatste mooye herfstdagen. Behalve de bloemen had +Jozef tegenwoordig nog allerlei ideeen om Mathilde en haar vader +pleiziertjes aan te doen. Zoo kwam hij ook nu 's morgens om elf uur +aanschellen, en deed het voorstel om 's middags een rijtoer in een open +rijtuig te maken. Men moest nu van de laatste mooye dagen profiteeren. +Het zou gauw slecht weer worden en de zomertijd gedaan zijn. Hij wilde +'s middags om een uur of een, half-twee, met een flinken landauer +voorkomen, en dan langs den Amstel, over Onderkerk en Duyvendrecht, of +wel aan den anderen kant, door de Meer en tot Weesp een rit maken. Dit +zou den ouden heer en Mathilde stellig veel goed doen. En zoo gebeurde +het ook: het voorstel werd aangenomen. + +Met kleine stapjes kwam de heer de Stuwen op de stoep. Hij had een dunne +overjas aan, zwart met een enkel grijs stipje er door heen; een lichte +foelaar van grijze zij had Mathilde om zijn hals gelegd en van voren in +zijn jas gestopt, boven de bovenste knoop. Een dikken bruinen wandelstok +met dikken ivoren knop, waarop een hertejacht gebeeldhouwd was, had hij +in zijn hand, even onder de knop. Hij had gerimpelde lubberige zwarte +glace-handschoenen aan. Hij had een engen cylinder-hoed op, waar van +achteren zijn dunne grijzige haren als magere buigende waterstraaltjes +uit te voorschijn vielen. Een versch ontstoken dofbruine cigaar, met +twee gele rontetjes vlak bij de asch, was tusschen zijn lippen gedrukt, +die daardoor een beetje naar binnen bogen, om dat hij de cigaar stevig +vastklemmen wilde. Daar de wind van den anderen kant woei, warrelde vele +rookkrulletjes, lang en fijn, langs zijn wangen en onder zijn neus; zijn +lakensche dikke zwarte broek klepte over zijn te vierkante glimmend +gepoetste bobbelige schoenen. Hij bleef staan en zonder zich om te +keeren keek hij schuin naar binnen, of de jongelui nog niet kwamen. +Mathilde was nog even naar boven gegaan, om haar parasol te halen. Jozef +deed donker-groene handschoenen aan, bij den kleerenstandaard in den +gang. Hij droeg een kleinen rozeknop in zijn lapel-knoopsgat en hij kwam +naar de Stuwen toe. Hij bleef een trapje hooger in de post van de deur +staan en bekeek, heel bedaard, met tevredenheid over zijn keuze en +kennerschap, het rijtuig en de paarden, bijna zoo mooi als een +eigen-rijtuig, en hij keek of de koetsier, die hij met liverei had +gehuurd, wel de ware houding aannam, en de zweep recht op zijn knieen in +de hoogte hield. + +--'t Zal u toch niet te koud zijn? vroeg Jozef. + +--O, nee, 't is heerlijk weer. + +Na een oogenblik drentelen, vroeg Jozef weer: + +--Wil u er dan maar niet vast ingaan? + +--Ja, dat is goed. + +Jozef ondersteunde den heer de Stuwen hij het opstappen van de twee +treden, die onder het portier van 't rijtuig waren geslagen, door de +Stuwens rechter elleboog op den palm van zijn linkerhand te leggen, +terwijl de koetsier en het rechtsche paard even omkeken, daar hun +aandacht door het lichte kreunen van de kast bij het instijgen werde +gaande gemaakt. De heer de Stuwen liet zich in den linker hoek van de +achterbank neerzijgen, en bleef over de ledige plaats naast den koetsier +op den bok heen voor zich uit staren. Juist kwam Mathilde aangeloopen. +Zij was blij van uit rijden te gaan. Zij zat in den laatsten tijd al te +veel thuis. Dit tochtje zou haar verfrisschen. Met een rukje van haar +duim en wijsvinger maakte zij het onderste knoopje van haar handschoen +dicht, lei daarna gauw haar blauwe doekje over den linker arm, waar zij +ook de roomkleurige parasol mee droeg en wipte de stoep af. Jozef bracht +zijn arm naar voren om haar te helpen. Zij ging op de achterbank zitten +naast haar vader. Jozef, die heelemaal optrad als de eigenlijke heer van +het gezelschap, de leider van den pleiziertocht besprak nu met den +koetsier den weg, dien zij nemen zouden in verband met het uur, waarop +zij te-rug zouden moeten zijn. Zijn oogen en mond namen hierbij een +ernstige uitdrukking aan van gezag en plaatselijke kennis. Daarna klom +hij langzaam in het rijtuig, en schoof neer op het vaal-gele kussen +tegenover Mathilde. Hij ging dadelijk een beetje naar haar toe gebogen +zitten, in een houding van gesprekvoering, want hij vond dat 't niet +goed stond, als zwijgende poppen door de straten te rijden en rond te +kijken. Dit was niet zoo als 't hoort. Zijn voeten stootten tegen +Mathildes voeten. Men moest zich wat schikken, anders was de ruimte +tusschen de twee banken te nauw. Mathilde duwde zich een beetje naar +voren, haar voeten tusschen de zijnen, haar knieen door zijn beenen +omsloten. De koetsier maakte gebaren met zijn armen en rug. Hij zei: +alla, jongens! en siste met de tong; de paarden trappelden wat, met een +schokje ging men vooruit al ratelend over de steenen; door het hobbelen +bibberden de aangezichtsvellen, vooral het losse dunne van den ouden +heer, en Jozef kreeg jeuk in de hoekjes, waar zijn neusvleugels aan de +wang eindigden. Maar hij verdroeg dien, want onder Mathildes oogen wilde +hij zich niet krabben. Het denkbeeld dat zijn jeuk erger kon worden +maakte hem verlegen. Hij spitste dus zijn neusvleugels, als om de zwoele +lucht op te snuiven en wilde door deze spanning de jeuk verdrijven. De +rook van de Stuwens cigaar, die dikker werd, daar hij groote trekken +deed, woei tegen Mathildes gezicht aan. Dit hinderde Jozef, hij dacht, +dat 't haar onaangenaam moest zijn, maar hij kon er niets van zeggen, +ook wilde hij dat niet, om dat ie dacht, dat nu zijn gewoonte om nooit +in haar bijzijn te rooken meer nog gewaardeerd zou worden door haar. +Plotseling deed nu Mathilde haar parasol neer en werd het donkerder in +het rijtuig. Men reed de Hoogstraat in en zag niets dan zwarte en +donkerpaarse huisgevels aan beide zijden, verbonden door een reep +hel-blauwe lucht daarboven, terwijl de zon achterbleef op den +Kloveniersburgwal. Men was al lang begonnen te spreken. Jozef was midden +in een zin over het vieze en onwelriekende van het jodenkwartier, daar +zij straks doorheen zouden rijden; zijn woorden kwamen als +onverstaanbare schreeuwtjes uit de verte tot Mathilde, die uit goedheid +ja knikte. Daarna werd er niet meer gesproken. Een enkelen keer alleen +riepen ze mekaar iets toe over wat ze op straat zagen, en vroeg Mathilde +luid aan haar vaders oor, of hij 't nu wezenlijk niet te koud had. De +heer de Stuwen, die volstrekt niet, zoo als Jozef, er over dacht, hoe +men zich in een rijtuig te houden had, keek met de meeste aandacht naar +het dooreen-griezelen van de joden in de rondte, daar al dat loopen en +babbelen in de voortdurende opgewondenheid zijn belangstelling van +Amsterdamsch burgerheer gaande maakte. Hij zag vuile kleine meisjes, die +op de hoeken van de zijstraten van de St. Antoniebreestraat onoogelijke +waren ventten, koude of rookende, en hij-zelf rookte een beetje meer om +den stank niet in zijn neus te krijgen. Daar Mathilde ook om zich heen +keek en die arme jodenjongens met goedhartigheid beklaagde, met hun +bleeke ongewasschen gezichten en vieze zwarte, roode handen, en die op +allerlei nootjes of zij wist niet wat kauwden, en de meisjes toch wel +bizonder vond met hun breede lippen en chineesche wenkbrauwen, moest +Jozef er ook wel naar kijken. Hij deed 't maar heel even, zonder +hoofd, met zijn oogen alleen. Achter het geploeter gegil en gekrijt, +reden ze nu door de kalme Muyderstraat. + +De heer de Stuwen kuchte tusschenbeide stilletjes en zat, weifelend en +schuchter, met zijn handen op zijn knieen over zijn jas gegleden. Hij +zei niets. In de Plantage werd alles weer breeder, vroolijker en een +wijde hemel. Aan het einde van de laan was de Muyder Poort met zijn +koepelig torentje en wijzerplaat, waarop de cijfers van de uren blonken. +Het rijtuig ratelde hier erger over den weg, die hier en daar glooide +tusschen de rijtjes magere nietige boomen, die gele blaaren afstrooiden, +wuivend naar den dikken buik van de Poort, voor de groen door hen +bepoetelde huizen heen, en de oude heer danste met zijn heele lichaam. +Jozef zat Mathilde aan te kijken. Zij beglimlachten mekaar eventjes +tusschenbeide. Mathilde had haar parasol weer opgestoken en haar door de +warmte, het genoegen en de lucht, die er indrong, verlevendigd gezicht +had tinten van zoetrood, rose, wit en warm blank, schaduwplekjes en +glinsteringen, en kleine bewegingen van de wangen; haar oogharen klepten +voor haar vloeyend zilver schijnende oogen op en neer, als sprekende. +Haar gezicht kreeg zoo een bizonder waas, een geur van weemoed en +verlangen in het onder den parasol verzachte licht, in het door de +schijnende voering licht groen geverfde half-donker, dat Jozef haar met +verlangen zat te bekijken. Hij dacht over Mathilde en vergeleek haar met +haar vader, en prees in zijn eigen haar opoffering, die haar bij hem +deed blijven en haar wat een onrust bezorgde, terwijl het bejaarde +mannetje daar naast haar zat, zonder ook maar in 't minst te vermoeden, +waar die twee andere hoofden, vlak bij hem, aan dachten. + +Zij waren nu over de reels van den Rhijnspoorweg geschokt, en, met holle +galmen, door de Muyder Poort geholderdebolderd. Toen ze het gebouw van +Artis voorbij kwamen, had Jozef iets over den stijl daarvan gezegd, +waardoor hij weer een goeyen indruk op de Stuwen maakte. Zonnige +stofwolken stegen achter de huizen van de nieuw aangelegde straten op, +waar het zand pas versch was aangedragen. Een wemeling van goudpoeyer +zweefde door de lucht, omhulde de daken van de huizen en stoof dan neer +langs den straatweg in de Meer. Op de zachte, met laagjes hard zand +bedekte klinkers klonk de hoefslag van de paarden dof af, en van +tusschen de wriemelende boomenblaaren schoten zonnestralen over het +rijtuig, die dan weer wechwoeyen voor de schaduwen van de deinende +takken. Rechts van den weg zag men, tusschen het heestergroen door, de +wit-blauwe grafzerken van de Ooster-begraafplaats blanker en nieuwer +schijnen in de zon. De heer de Stuwen was nu aan 't genieten. Hij werd +een beetje dronken van de warme najaarslucht; een loome en zoete +verdooving deed zijn boven-oogleden halverwege neerstrijken; zijn +gezicht zette zich uit, een lammig waas wolkte om zijn persoon, een +begeerte om zijn eigen wezen, zijn kracht te verliezen en een te worden +met die sterke lucht en die pittige atmosfeer, maakte zich van hem +meester. Hij had weinig gesproken en zweeg hoe langer hoe meer. Hij trok +traag en droomerig aan zijn cigaar. Jozef en Mathilde voelden ook de +buitenlucht door hun longen dringen, een gevoel van vrijheid en +natuurliefde overviel hen buiten de stad. Het weilandengroen en het +scherpe luchtblauw, waarin langzaam aan den horizont witte +wolkengroepjes naar boven klommen, kaatsten in teere tinten op hun +gezichten af en stemden hen verweekelijkt en uitboezemens-gezind. Jozef +had zoetjes-aan zijn voeten tegen Mathilde de hare geschoven en nu +wreven zij er zachtjes tegen-aan. Nu kwamen zijn knieen ook altijd +dichter en dichter bij de hare. Telkens wanneer het rijtuig schokte door +de hobbeligheden van den weg en Jozefs knieen heen en weer bewogen, +hield hij ze expres een beetje langer tegen de hare aan. Er vloden +aandoeningen van genoegen door zijn maag en vingers bij elke aanraking. +Men vorderde verder in de Meer en juist zette de koetsier de paarden aan +met de zweep om een oranje heerenwagentje voorbij te komen, toen men aan +het ouderwetsche landgoed Rozenburg rechts van den weg kwam, met zijn +oude boomen, verwaarloosde grasperken en stoffigen gevel. Uit het +schuimige slotenkroos, dat de straatweg van de buitenplaats afscheidde, +staken een wit mannen-en vrouwenbeeld omhoog, hun beenen in het eeuwig +stilstaand water. Zij stelden lang vergeten goden en godinnen voor. Zij +steunden het steenen bruggetje, dat de sloot overboogde met hun nu +verouderde en van spinnewebben omwemelde lichamen. De knieen van Jozef +en Mathilde sloten zich dichter aan-een en drukten zich vaster samen, +terwijl de oude heer, in een dommel-roes, zijn kin over zijn foelaar +gebogen, en heerlijk genietend van de waayende warmte, zachtjes +verdoofde in de sterke lucht. + +Jozef begon in een soort van kinderlijke stemming te verkeeren. Hij was +blij te moede. Zijn zware cylinder hoed scheen hem van-daag bizonder +zwaar. Ook had hij, met een onoverdacht gebaar, zijn hoed een beetje +achterover gezet, o maar, zoo weinig, dat niet eens de lichtelijk in +zijn vel geperste streep zichtbaar werd, die, om dat zijn hoed altijd +juist op dezelfde hoogte zat, daar, vooral als het warm was, ontstond, +zoodra hij zijn hoed op zette. Jozefs oogen waren vriendelijk. Hij +voelde zich gelukkig en verlangend naar nog meer. Hij en zij leunden nu +allebei achterover tegen de ruggen van hun plaatsen. Zij hield +voortdurend, maar een beetje lager, een beetje gemakkelijker dan eerst, +haar parasol in de hoogte. Er lei zooveel gloed over haar gezicht, Jozef +zag, dat zij zoo niets liever verlangde dan op deze manier tegenover hem +te zitten en dan naar hem, dan naar de lucht en de boomen te kijken, dat +hij, in de onbestemde blijdschapsdriften, die naar zijn hersenen stegen, +haar pardoes, als een schooljongen, op allebei haar wangen had willen +zoenen, met haar schouders in zijn handen. Er was nu zoo'n heerlijke +geheime verstandhouding tusschen hen. Het was zoo pleizierig dat zij met +elkaar zulk een dierbaar geheim hadden, waar vader nog niets van mocht +weten. Het hinderde wel de onmiddellijke verwezenlijking van hun +plannen, maar de blikken, waarmee zij elkaar nu konden aankijken en die +zij alleen begrepen, de fluisteringen, als zij alleen waren, de minste +handdrukken en aanrakingen, die beteekenissen kregen, dat alles gaf als +een zoete geur van verboden vrucht aan hun verhouding, ofschoon er niets +verbodens bestond. En deed het uitstellen om tot een oplossing te komen +minder zwaar vallen in de ruischende najaarslucht. + +Zij reden voort over Diemerbrug tot Weesp. Hier dronken zij iets en +kregen de paarden water en rogge-brood. Na ruim een half uur rusten, +reden ze te-rug. De koetsier kreeg order om tot Diemerbrug denzelfden +weg te nemen, en daar langs de vaart tot de Weesperzijde en daarlangs +weer tot Amsterdam te gaan. + +Toen ze de Amstel te-rugreden, den Schollebrug op en af, over den hoogen +straatweg, in loggen draf door de paarden voortgesjord, was het al over +half-zes geworden; Jans zou wel boos zijn, nu ze zooveel te laat zouden +komen voor het eten. De oude heer had dit opgemerkt; hij was weer +helderder van hoofd geworden in de verkoelende lucht. Hij keek met +welgevallen over de Amstel heen naar den overkant, waar wagentjes reden +en menschen liepen, of naar den hemel, waar de zon langzaam in 't +westen daalde. + +De heele hemel was wazig, wittig blauw, langzaam verduisterd. Voor hen +uit stond de koepeltoren van Paleis voor Volksvlijt omhoog met zijn +glazig grijzende kleuren, de magere spitse zwarte torens van de kerken +waren meer vanachteren en de nieuwe daken van de hooge huizen in de +Sarphatistraat staken zich op in een doffe dampenmassa, die zich boven +Amsterdam samenpakte. Zachtjes dreven uit het oosten nog licht-zwarte +wolkenbeetjes aan, heel in de laagte. Maar links van de huizendrommen, +in het westen, tusschen de tengere boomenstammen aan de +Utrechtsche-zijde, zonk de zon in de blauw-grijze verte, en spleten +goudroode kwispelende strepen de sombere wolken. Een helle vuurbol spoot +stralen er tusschen door. Een purperrood licht weerkaatste in de +bovenste huizenruiten en een rose teerheid betintelde ruimte. In het +rijtuig werd de stilte stiller. Ieder zat voor zich-zelf te denken. +Mathilde voelde zich zonderling blij. Een smartelijke vreugde om zich +een onbestemde voorstelling te maken van wat toch niet wezen zou, was in +haar. Overgegeven aan de veeren van den landauer om haar te wiegen, bij +kleine schokjes, en aan de warmte van de kussens, waarop zij nu al uren +had gerust, om haar rug en beenen te doordringen, en haar borst en +schoot koel in den avondwind, had zij haar hoofd naar achteren op-zij +laten glijven. Haar oogen waren bijna geheel dicht, zij betuurde door +een waas, tusschen haar lange ooghaartjes door, Jozef tegenover haar. +Maar zij zag hem als verkleind, in de verte, met een nauwkeurige +onderscheiding van zijn minste trekken. En door al de lucht, die +tusschen hen was en die zij voelde, heen, nam ze hem zoo op in haar +droomen. Zij liet zich gaan en hield zich geheel roerloos; nog altijd +omsloten zijn beenen warm de hare. Zij had haar parasol met twee handen +vast op haar schoot. Als door een onbekende heesche stem werd de +waarheid in haar oor gefluisterd, dat haar liefde altijd grooter werd en +nu gauw tot een voldoening moest komen. Al zoo lang was zij aan 't +wachten. En zoetjes, heel zoet en liefelijk, als een balsem die haar +huid en haar binnenste doordrong, liet zij zich door het denkbeeld +kussen, dat zij nu oogenblikkelijk de heerlijkheid, die zij wachtte, +tegemoet ging. In langzaamen dans, op de maat van den paardenhoefslag, +zuisden de hoopschijnsels door haar mijmeren. Zij droomde van een +vereeniging met hem, een eeuwig en alleen samenzijn. De geluiden van de +straat kwamen als verwarde en onverstaanbare kreten van onder den grond, +waarboven zij zweefde, op. Zij zag de hemeloneindigheid verduisterd om +haar heen, maar een onverdoofbare vlammende gelukzee in haar hart. Zij +wilde zich inbeelden, dat zij, terstond, nu dadelijk na het thuis komen, +van-avond in dezen laatsten zomeravond, dat verwachtte geluk zouden +hebben. En zij dacht dat 't anders nooit gebeuren zou, dat er na dezen +geen zomer meer te-rug kwam, en dat de lucht voor het laatst purpur was +geworden. Haar lippen werden nat. Zij wilde nu dadelijk drinken aan den +beker. Zij haakte naar die dronkenschap, dien roes van haar liefde. De +parasol viel uit haar handen, die half van haar japon wechvielen; zij +zwijmelde heen in hare verwachting. Het werd een zachte rozengloed en +een zaligheid voor haar oogen. Zij stak haar lippen vooruit, om Jozef, +wiens kus zij nu kende, voor goed te ontvangen. Toen dommelde zij wech +in een half slapende sluimering, na dat zij nog even een blauwen vonk, +de eerste ster, voor zich uit had gezien, dicht-bij, boven Jozefs +zwarten hoed. + +Diep uit haar doezel, schokte Mathilde wakker. En een stem, die haar +vreemd scheen, zij lachend luide: + +--Mathilde, wij zijn er ... Was-je in slaap gevallen? Zij kwam tot +zich-zelve, ernstig en kriegelig. Het was Jozef, die tegen haar sprak; +hij had zijn hand op haar knie gelegd, om haar wakker te maken. Zij keek +op; zij vond t' akelig donker, het was koud, het woei. Zij begreep niet, +wat er eigenlijk met haar gebeurd was. Zij drukte Jozefs hand te-rug, +die hij zelf niet gauw genoeg te-rug nam. Haar vader stond op om uit te +stappen; Jans hield, met een brommerig gezicht, de deur al open. De oude +heer hoestte erg. + +--O God, vader, u heeft stellig vreeselijk kou gevat. Wij hadden het ook +nooit moeten doen, nee nooit!, zei Mathilde, die uit haar humeur was. +Zij sprong op den grond, vlak achter haar vader, voorbij Jozefs hand, +die haar steunen wilde. Zij drong zich naast haar vader in den gang, vol +onstuimig bezorgde vragen. Mankeerde hij nog niet iets? Was hij niet +stijf, had hij nergens pijn? Ze hadden dien ongelukkigen toer nooit +moeten doen, 't was ook een vreemd idee geweest van Jozef nu de herfst +al in 't land kwam. Zij stootte haar vader zachtjes door de deur van de +achterkamer. Jans had ten minste voor wat vuur gezorgd; dat was goed. +Zij nam den oude heer zijn hoed en overjas en boeffante af en zette hem +in zijn leuningstoel hij de kachel. Daarna, nog met haar hoed op, rende +zij naar boven, kwam te-rug met zijn pantoffels en sjamberloek, trok +zelve zijn schoenen uit, hielp hem verder op zijn gemak. Toen dacht ze +er pas aan haar handschoenen en hoed af te doen en naar Jozef te kijken, +die stil in de kamer was komen staan, zijn hoed in zijn eene hand, de +andere in zijn broekzak frommelend, waar zijn beurs, waaruit hij den +koetsier een fooi had gegeven, maar niet plat wilde liggen. + +--Als vader zich maar geen ziekte op zijn hals heeft gehaald, zei ze tot +Jozef, nu weer wat kalmer. + +--Wel nee, andwoordde hij, geen kwestie van, zoo koud was 't niet. En +Jozef nam afscheid om in de club te gaan dineeren. De heer de Stuwen +bedankte hem hartelijk voor het ritje. Hij had veel genoten van de +buitenlucht. Maar men moest Mathilde haar gang maar laten gaan, dat +goede kind! + +Dien avond was Mathilde vol bizondere teederheid voor haar vader. +Ofschoon hij verzekerde niets te mankeeren, verzorgde zij hem op alle +mogelijke manieren. Zij liet hem warme grokjes drinken, liet hem vroeg +naar bed gaan, ging nog tweemaal voelen of zijn kruikje heet genoeg was, +en kwam nog eens kijken of hij zich wel wel voelde, een half uur na dat +hij naar boven was gegaan. + +Hij was nog niet heelemaal in slaap en ging rechtop zitten, toen zij +binnenkwam. Zij kwam hem nog eens een nachtzoen geven, zeide zij. + +Haar armen om zijn mager lichaam, vroeg zij, in een opbruising van +teederheid: + +--Zal u gezond blijven, zal u nooit, ten minste in de eerste twintig +jaar niet, sterven? O, vader, u is het eenige wat ik heb, als u sterft, +zou ik zoo verlaten zijn en niemant hebben op de wereld. En zij zoende +hem nog eens hartstochtelijk en drukte haar hart tegen het magere +nachthemd van den ouden man en warmde hem aan haar jonge lijf. Daarna, +toen zij haar in het rijtuig opgekomen begeerte om liefde te besteden +had voldaan, sliep zij in. + +Den volgenden middag tegen vier uur begon de heer de Stuwen te bidderen, +hij kreeg het koud door al zijn leden, hij was ongesteld, om vijf uur +ging hij in zijn bed liggen. Mathilde, die doodelijk ongerust werd, +hielp hem; om zes uur kwam de dokter, dien Jans was gaan halen, dokter +Hansen, een klein rood-bruin-mager altijd veertigjarig mannetje achter +een gouden bril. Den volgenden morgen was de Stuwen stijf door zijn +heele linkerzij. Om een uur kwam de dokter weer en verklaarde, dat +Mathildes vader zware rheumatische koortsen onder de leden had, en dat +de ziekte, die lang en kort duren kon, zich nog al niet gemakkelijk liet +aanzien. Mathilde merkte dat er een heel nieuw soort leven voor haar +misschien zou beginnen; tusschenbeide ten minste kwam deze gedachte als +een heel vreemd iets door haar hersens. Maar zij was veel te bezig den +heden dag, dan dat een oogenblik van gedachte door iets anders ingenomen +werd dan door vaders ziekte en de mogelijke uitkomsten. Zachtjes, voetje +voor voetje, liep zij de trappen op en neer van den morgen tot den +avond. Op verzachten toon werden Jans allerlei dingen gezeid en allerlei +zaken opgedragen, die zij grommend over de drukte, opvolgde en +uitvoerde. Er was den god-ganschelijken dag een gefluister en glippen +van japontippen over de trap en een doodelijk stille bedrijvigheid door +het huis. Zachtjes klepten de deuren toe; Mathilde had een katoenen +lapje om de huisschel gewikkeld, wat de dokter zelf een overdreven +voorzorg noemde. Nu was de heer de Stuwen gelukkig een zwijgende, +geduldige zieke; een enkelen keer maar, vooral 's nachts, dreunde er een +dof gekreun door het huis, wat Jans aan spoken denken deed. Het uiten +van zijn pijn bestond bij den ouden heer in het kronkelen en wringen van +zijn stramme leden en het zwaar zuchten, hijgen, sidderen en kuchen. +Werd de pijn al te bar, dan sparde hij zijn oogen wijd open, zoodat het +wit over de randen scheen te zullen loopen. + +Gedurende de eerste zeven dagen van de ziekte was Mathilde niet uit haar +vaders slaapkamer te slaan. Den heelen dag had zij iets te doen, dan +hier, dan daar in de kamer. Zij had den tweeden dag al haar borduur-en +teekenwerk van boven gehaald en in een klein hoekje bij het venster +gelegd. Alleen om de atmosfeer niet te benauwen, ging zij beneden in de +achterkamer, driemaal per dag, even heel gauw eten. Den derden dag, toen +de ziekte met schrikbarende snelheid heviger werd, had zij, een eindje +voor haar vaders ledikant, een kermis bed met Jans opgericht, en daar +bracht zij nu de nachten door. Verder hielp zij haar vader met alles, +met een zenuwachtige en overdreven bezorgdheid. Zij alleen wilde +volstrekt alles doen en in orde maken. Sprak dokter Hansen van een +ziekenoppasser nemen, drong hij aan, noemde hij dat een noodzakelijken +maatregel, daar op den duur toch Mathildes krachten niet toereikend +zouden blijken, dan wilde zij van niets hooren, zij weigerde +halsstarrig. In haar gesprekken met den dokter maakte zij haar armen +bloot en wrikte haar schouders op en neer, om te toonen hoe krachtig en +lenig zij was. Met Jozef had zij ook een hevige woordenwisseling. Als +zij hem, bij zijn dagelijksche bezoeken om naar den ouden heer te +vragen, uitliet, en hem, beneden in der haast fluisterend in den gang te +woord stond, verzekerde zij hem, dat zij 's nachts uitnemend rustte en +zelfs zwaar sliep, en dat dit ruimschoots opwoog tegen de gejaagdheid, +de angst en het werk van overdag. Hij kwam op het denkbeeld om van haar +liefde voor de piano gebruik te maken, om haar wat afleiding te doen +nemen. Op een middag wist hij haar naar het zaaltje te dringen, en haar +aandrift werd daar wezenlijk zoo sterk, dat zij samen weer heelemaal een +ouderwetsch uurtje doorbrachten, zij op het krukje voor de piano haar +geliefde themaas aan 't spelen en hij er naast op een stoel, vlak bij +haar, kleine bedenkingen opperend, goedkeurend en toejuichend, den aard +van de melodien met haar besprekend, over het gevoel, de bizondere +nuance, die in deze of gene noot te leggen was uitweidend. Toen was Jans +binnen komen sloffen, en kwam vragen, kompliment van mijnheer en of de +jufvrouw geen stukjes kon kiezen, die wat minder hard klonken, want dat +mijnheer het aan zijn hoofd niet goed kon verdragen. Mathilde stond op +met een bedaarde woede, die Jozef verwonderde, sloot de piano met +vastberadenheid en borg de muziekboeken wech. Zonder een woord te +spreken stapte zij naar boven. Haar vader, die eigenlijk erg lette op +nommero een: verschrikkelijk bang om dood te gaan, had zich-zelf uit +zijn bed weten te werken en stond al bidderend bij de tafel zijn +terpentijn-drankje klaar te maken, om dat het uur van innemen al voorbij +was. Mathilde begon hierover te huilen, dat hij er mee uitschee en 't +haar liet doen. Jozef had zich beneden uit de voeten gemaakt. Aan een +stuk bleef Mathilde nu twintig uren boven bijna zonder te eten, zonder +te slapen. Toen zij eindelijk weer in de achterkamer kwam, om bouillon +te eten, sloop zij op haar teenen naar het zaaltje, zocht naar het heele +kleine sleuteltje, waarmee de pianoklep afgesloten worden, in het laadje +van 't paars-bruin muziekkastje er naast, vond het, sloot de piano dicht +met een ernstig gezicht, ging toen naar de voorkamer, maakte het venster +open en gooide onder een koortsigen glimlach het sleuteltje over de +gracht in de wal. + +De ziekte van den ouden heer was nu op zijn ergst geworden. Het begin, +de eerste hevige stooten waren voorbij, nu was zijn lichaam met kalme, +zware aanhoudende pijnen. Mathilde verzorgde hem voortdurend hetzelfde +en zonder ongeduld. Zij dacht veel aan Jozef, ook vooral als hij er niet +was, maar de telkens in denzelfden vorm opkomende gedachte, die telkens +weer te-rugkwam als ze haar driftig had wech gestooten, zoo als de +altijd weer verschijnende telegraafpalen, die men te niet zou willen +kijken door het raampje van den sneltrein, maar die met een ruk weer +aankomen, die gedachte bleef haar als een zoete kwaal met een onbestemde +heerlijke hoop vullen. Gelukte het haar 's avonds in te slapen, dan +voelde zij in den doezeltoestand, waarmee haar slaap begon, in die +oogenblikken dat zij zelve niet wist of zij wakker was of sliep, en als +hij zich weer heelemaal van haar denken had meester gemaakt, haar +vleesch koud, maar de hoop, zonder begeerte-voorstellingen, bleef +bestaan en regende door de vale duisternis van de ziekenkamer haar +zinnen binnen. Over-dag wilde zij niet aan hem denken, zij vond dien +hartstocht nu akelig wereldsch vergeleken bij den heiligen plicht, dien +zij vervulde. Dit was nu het leven, dit was nu de ware hooge roeping van +een vrouw, en het andere was wereldsch, was slecht, was uit den booze en +niets dan ijdelheid. + +Na vier weken was Mathilde half-ziek van afgematheid. Zij kon, zij kon +doodeenvoudig niet meer. Wanneer zij niet oppaste zou zij-zelf ziek +worden, en wat dan, dan kon zij toch zeker haar vader heelemaal geen +goed meer doen. Zij had zich-zelf zoo gemaakt, zij had het werk, dat zij +zich had opgelegd, overdreven. Zij had er een genoegen in gevonden zich +af te sloven, dat te doen, wat zij wist dat overbodig was. Zij had een +vaag verlangen gevoeld om zich zelf te vernietigen; zij wilde Jozef +vergeten, zij wilde zich dood sloven om haar vaders leven te behouden. +Het was de onbevredigde liefde voor Jozef, het onuitroeibaar onvoldaan +verlangen, de stormende en stijgende zucht om haar leven aan zijn doel +te geven, die zich in dezen hartstocht van verplegen een doorweg baande. +En voor een gedeelte was zij geslaagd, zij had zich-zelf zoo weten te +verzwakken, dat de dokter en Jans haar op een morgen met geweld aan de +ziekenkamer onttrokken en naar bed brachten. Toen sliep zij achttien uur +achter mekaar. En zij voelde zich zoo krachteloos, dat zij zich wel +moest laten aanleunen, het verschijnen van een liefdezuster, beneden, +die men zich gehaast had te laten komen. Maar twee dagen later sukkelde +zij in haar grijzen peignoir, door Jans ondersteund, weer de trap af; +zij wilde haar vader zien. Hij was nog hetzelfde; hij had zoo'n rillende +en huilende pijn, door al zijn leden, vooral door zijn linker zij, dat +men biezen hoepels om zijn matras had gespannen, om zijn dek op te +houden, daar hij zelfs de druk van de dunne lakens en van een katoenen +deken over zijn beenen en borst niet velen kon. Hij jankte tusschenbeide +als een hond. + +Een week later bleef de pijn bij lange tusschenpoozen wech. Na nog een +week beterde hij merkbaar. Mathilde, die weer aansterkte, zat in de +voorkamer beneden te teekenen en te borduren; elke tien minuten liep zij +de trap op om naar haar vader te kijken. + +Jozef kwam elken dag aan. Hij stuurde nu geregeld verfrisschinkjes voor +den ouden heer; en voor Mathilde de laatste bloemen van het jaar. +Mathilde vond 't heel mooi van hem, dat hij nooit vergat te komen. Zij +zag hem op de vaste uren, altijd netjes aangekleed, altijd even lief en +hartelijk, met zijn trouwe, nu beproefde, dacht zij, onveranderlijke +liefde. Hij bleef nu dikwijls een half uur alleen met haar in de +voorkamer, na boven den vader te hebben bezocht. Iederen ochtend zag zij +weer met meer verlangen naar zijn komst uit. Zij begon bij zich-zelf te +redeneeren, dat vader waarschijnlijk, zoo hij al beterde, toch ziekelijk +blijven zou, en heel hulpbehoevend zijn volgend leven. Zij zou zich niet +van hem kunnen scheiden en hem moeten blijven verzorgen tot aan zijn +dood. En langzamerhand ofschoon zij eerst voor haar eigen weinige +zelfstandigheid te-rugdeinsde, werd zij gewaar, hoe zij zich neerlei bij +het denkbeeld om Jozef te trouwen en vader in huis te nemen, met hun +drieen verder samen een leven te leiden. Haar bezwaren van vroeger +kwamen nog zwakjes op, maar verbleekten en schenen vernietigd te zullen +worden. Weer dacht zij aan de kinderen. Men moest verstandig zijn, men +moest, wilde men zoo een gewichtigen stap doen in het leven, niets over +het hoofd zien, alles wikken en wegen, alle bezwaren indachtig wezen. +Zij dacht dan, dat de kinderen misschien vooreerst niet zouden komen, +dat, al werden zij hun werkelijk gezonden, alles toch nog misschien +geschikt zou kunnen worden. Alles wat vroeger een onoverkomelijke +hinderpaal scheen, werd nu makkelijk uit den weg te ruimen. In alle +gevallen bleek gemakkelijk te kunnen worden voorzien. Zij zouden dan +maar, zoo lang vader nog leefde, niet veel menschen zien en probeeren +het huis stil te houden. + +Eens op een Donderdag-middag waren de heer en mevr. Berlage een kaartje +komen poesseeren, de ingenieur Ster was er ook al verscheidene keeren +geweest, om deelneming in de ziekte van den huisheer te betuigen, maar +Mathilde ontving niemant, voorgevende zelf ook nog ongesteld te zijn. +Zij wilde alleen zijn met al haar gedachten. Die nacht, van Donderdag op +Vrijdag, deed zij bijna geen oog toe en lag zij aldoor aan Jozef te +denken. Vrijdagochtend tegen elf uur, den tijd, dat hij komen moest, was +zij zoo ontzettend verlangend naar hem, dat ze het venster van de +voorkamer open schoof en in de Oktober-koelte haar haren liet zwieren om +naar hem uit te zien. Zij reikte zoo ver mogelijk naar voren, dat haar +borst er zeer van deed. + +Toen hij kwam, maakte zij open: + +--Ben-je daar? Zij gaf hem stil een arm. Samen gingen zij naar boven. + +Na dat Mathilde Jozef zich had laten overtuigen, hoe-of vader beterde +met den dag, hoe opgewekt hij er weer begon uit te zien en met hoeveel +pleizier hij zijn krantje las, en hoe lekker hij weer brood at, stonden +zij op het portaaltje buiten de deur van de ziekekamer een oogenblik stil. + +--Ik ben boven aan een aquarel bezig, die nog al goedgaat, zei Mathilde. +Ik zal hem eens even halen, dan kan-je zien. Zij ging twee treden van de +trap op en keerde zich toen om. In een wangenwarmte en een verlegen +lachje, zeide zij: Ja, hij zit eigenlijk strak gespannen, vast gestoken +op een houten bord ... Ik heb ook nog een heeleboel op mijn tafel liggen, +om je te laten zien. Wil-je niet even meegaan? + +Het denkbeeld om Jozef haar kamer binnen te brengen en hem alles daar te +laten kijken bekoorde haar erg. Dat Jans iets zou denken, viel niet in +haar; Jozef was een oude huisvriend. Toch een beetje aarzelend ging zij +hem voor, en ze werd in-eens heel rood, toen zij zijn stap achter haar +hoorde, zoo hoog in het huis, de trap op. Maar de kleur bleekte zachtjes +op, toen zij haar deur openduwde. Het was buiten geen bizonder klare +dag, integendeel, het kon op regen uitdrayen. Zij wist niet waarom, maar +toch trok zij de gordijnen niet op. Hij trad op haar toe en nam haar bij +haar arm. Sints dien eenen zoen, op dien grooten morgen, hadden zij +mekaar niet meer gezoend. Want een schijn van verkoeling had er +wezenlijk bestaan. Hij zoende haar dan even, zachtjes op haar wang. Zij +kleurde zijn gezicht met de liefde van haar oogen, maar zoende niet +te-rug. Zij vond den toestand toch wel een beetje vreemd, zoo, hier op +haar kamer. Op-eens merkte zij haar nachtjak, dat voor het bed op een +stoel lag. Zij gooide het jak gauw op haar bed en deed de gordijnen +zorgvuldig over mekaar en de stoel er tegen aan, zoo dat er geen opening +meer zichtbaar bleef. + +--Ga nou maar even voor de tafel zitten, zei ze, dan kom ik naast je +zitten. + +En samen bogen zij zich over de teekeningen en bezagen alles. Zij +vermeed zijn blikken en lei hem haar moeite en haar werk uit, haar oogen +naar de tafel. Plotseling zeiden zij geen van beiden een woord meer. In +de stilte keken zij allebei voor zich uit. Toen nam hij een besluit en +maakte een gauwe beweging. Hij deed zijn arm om haar middel en trok haar +naar zich toe, zijn hand aan haar borst. Een hitte steeg in haar op. Zij +ging achter over, haar hoofd op zijn schouder. Haar lichaam hijgde naar +boven in zijn armen. + +--O, fluisterde zij, zonder te weten wat zij bedoelde, ik kan nu niet +langer wachten ... Laten wij toch trouwen. + +En zij wrong zich naar hem toe, op zijn schoot, tegen hem aan. Hij viel +haast om met stoel en al. Zij maakte zich tot een klein kind aan zijn +borst. Zij dook in-een in de houding, als toen zij, zoo lang geleden, +als klein kind speelde op zijn schoot en hem aaide. Zij nam zijn hoofd +tusschen haar handen; zijn haren sidderden onder haar vingers. + +--Wij zullen trouwen, nietwaar, gauw, zou gauw mogelijk? + +En zij zoende zijn gezicht wit en hijgde heet over zijn wangen. En zij +streelde alles aan hem, zijn hoofd, zijn gezicht, zijn schouders, zijn +hals, zijn borst. Zij zoende zijn wenkbrauwen, zijn oogen, zijn lippen, +zijn voorhoofd, zijn das, alles wat van hem was. Jozef andwoordde zonder +te spreken, met te-rug te zoenen. Toen zonk zij met dichte oogen, haar +hoofd op zijn houder, haar handen achter zijn hals samengeklemd, tegen +hem neer. En ze zeiden allebei niets, hun hoofden waren heet in de +vreemd-warme kamer, Daarna gingen zij zachtjes samen weer naar beneden. + + + + +IV. + +Jozef en Mathilde spraken af dat hij, zoodra de oude heer weer heel +hersteld zou zijn en beneden in huis weer in zijn oude leventje, een +formeel huwelijksaanvraag doen zou. Mathilde-zelf durfde er niet het +eerst over spreken. Zij doorwachtten nu het langzaam beteren van den +heer de Stuwen. Over een groote veertien dagen, had dokter Hansen +gezeid, zou de vader zich weer gemakkelijk bewegen kunnen en de trappen +op-en afloopen. Tot zoolang moest men geduld hebben, want Mathilde +bracht Jozef aan 't verstand, dat zij volstrekt niet gissen kon, wat +vader van de tijding denken zou. Als hij weer op zijn gemak den gewonen +levensloop volgde, moest men hem alles meedeelen. + +Met dendag draaide nu de oude heer bij. Hij begon eerst wat beter te +eten, toen bleef hij even opzitten met zijn koeranten, toen stopte hij +zijn pijpjes, toen begon hij pleizier in keuvelen te krijgen, en +eindelijk stapte hij de duffe ziekenkamer uit. Dit zal nu een dag of +tien geleden geweest zijn. + +De maand Oktober eindigde stil. Het was een heldere koele avond buiten. +Er passeerden weinig menschen op de gracht. De heer de Stuwen zat voor +de tafel in de binnenkamer. Het kolomkacheltje brandde flauwtjes. De +gasbekken waren boven het grijze hoofd ontstoken en hij las de krant +onder 't soppen van een tafelbeschuitje in een juist weer volgeschonken +nagemaakt blauw Saksiesch theekopje. Tegenover zijn plaats aan tafel +stond een groot ouderwetsch bruin blad met opstaanden rand in koperen +beslag. Het vlammetje onder het oud-zilveren theepotje bewoog: zoo hoog +stond het ouderwetsch toestel, met de ketel met kokend water, dat de +stoom tegen het lichtje aankwam. De overgeblevene helft van een +manille-cigaar lag op het met asch en gestortte suiker bedekte +schoteltje, naast de linkerhand van den heer de Stuwen, waarmee hij de +krant vasthield. + +Mathilde was juist wechgegaan om klarigheid te maken om met haar vader +naar de komedie te gaan. + +Daar werd hard aan de voordeur gescheld. Toen Jans bijna bij de voordeur +moest zijn, gingen de Stuwens blikken even luisterend links langs het +bedrukte blad, zijn mond ging op een kiertje staan: Wie, dacht hij, kan +daar zijn? + +Jozef was aan de deur. De Stuwen herkende zijn stem toen hij Jans +goeyen-avond zei, en vond 't vervelend, dat hij juist nu kwam. + +--Zoo, van Wilden, ik had niet gehoopt je van-avond nog te zien. + +--Hoe maakt u 't, meneer de Stuwen? ... Ja, ik zal u zeggen ... ik wou u +graag eens spreken ... over ernstige zaken ... + +--Nou, kom binnen, kom binnen ... Jans, neem meneer z'n jas eens aan. + +--Nee, dank u, die zal ik maar aanhouwen ... Ik zal u niet lang +ophouden ... ik heb maar weinig tijd. + +--Ga zitten ... zoo, en wat heb je nu voor gewichtigs? + +De Stuwen was ook weer gaan zitten. + +Jozef zat op de kleine kanapee, die tegen den wand stond. Zijn +cylinder-hoed stond naast hem op het karpet met de lichtrood zijden +voering naar boven. Zijn overjas hing open; zijn ellebogen stonden op +zijn knieen; zijn donkerbruine glace-handschoenen kraakten sisten tegen +mekaar; zoo krachtig poogde hij zijn handen te vouwen. Zijn hoofd hield +hij gebogen, zijn oogen neer. Een enkelen keer dwong hij ze echter den +heer de Stuwen sterk aan te zien. Hij sprak boekachtig. + +--De stap die ik doe is wel een beetje onvoorbereid, meneer, ... maar wij +zijn toch al oude vrienden en daarom ben ik er des te gereeder toe +overgegaan ... Meneer, ik kom de hand van Mathilde vragen ... + +Jozef hoeste en keek den ouden heer lang, heel lang met zenuwachtig +trillende oogen aan. + +--Houdt zij van u? + +--Ja, meneer, dat weet ik ... Wij hebben samen al over ons hartsgeheim +gesproken ... Zij heeft mij wel lief en ik, ik haar onuitsprekelijk ... + +--Ik moet je ronduit bekennen, dat je me erg verrast. Ik had nooit aan +zoo iets tusschen jullie gedacht. Je scheelt, als ik wel heb, dertien +jaar met mijn dochter. Je karakter ken ik genoeg ... Maar wat praat ik? +Wat moet ik beginnen, als jij met mijn eenig kind gaat strijken? ... De +Stuwen huilde nu. Van Wilden, ik houd zooveel van dat kind, zij is 't +eenige, wat ik nog over heb ... Mag ik wel vragen, oprecht en vrij, +hoeveel inkomen je wel hebt, van Wilden, en hoe je je huishouden denkt +in te richten? ... Wezenlijk, je komt me zoo met je aanbod uit de lucht +vallen, dat ik er heelemaal door in de war ben ... Laat me d'r eens wat +over denken, he? ... Kom dan over een week of zoo maar mijn antwoord +hooren ... Gut, jongen, van Wilden, geloof me, ik had zoo iets nooit +vermoed ... Ik houd van je, dat weet je, en 't geluk van Mathilde gaat +mij erg ter harte ... + +Jozef was opgestaan, beverig, klammerig. Boven in huis zong Mathilde het +liedje uit Faust van den koning van Thule; zij kwam de trap af. Toen zij +aan de onderste drie treden was, had ze juist haar handschoenen dicht +geknoopt en kwam nu met een sprongetje de achterkamer binnen: Vader, +is u klaar? + +Jozef had nog juist kunnen zeggen: + +--Mag ik u dan per schrift nog 't een en ander over mijn zaken +melden? ... Ik hoor Mathilde, bedenk u nu rustig ... ik wil ook niet dat +er in deze kwestie iets te overhaast of tegen uw goeddunken gebeuren +zal, ... maar ... voor alles, ... houd in 't oog dat niemand haar ... in +staat is haar ... gelukkiger te maken, ik ... daar is ze, ... dat ik +oneindig veel van haar houd ... Tot ziens dan! + +Hij kwam Mathilde aan de deur tegen. Hij dorst niet tegen haar te +glimlachen. Zij zag ontsteltenis in zijn oogen. Zwijgend drukte hij haar +hand. Zijn hand beefde. Zij zag haar vader ook opgewonden. Zij begreep +dat Jozef alles had gezegd. Een oogenblik had zij de gedachte haar vader +te omhelzen en hem zoo smeekend aan te zien, dat hij dadelijk zijn +permissie zou geven ... een oogenblik maar, want zij hield zich in en +ging stil in de kamer staan. De heer de Stuwen liet Jozef uit. De +buitenlucht koelde de gezichten van Jozef en de Stuwen af. Jozef nam +zijn hoed af en verdween in de schemering van 't lantaarnlicht aan den +wallenkant. + +Vijf minuten later ging de oude heer met Mathilde naar de komedie. Jans +liet ze uit en bleef verder in haar eenzaame keuken te-rug om naast de +poes in te dommelen zonder te merken dat de lamp knersend uitging. + +De Stuwen en Mathilde zeiden dien avond weinig tegen mekaar. + + * * * * * + +Dien avond, een paar uur na dat hij bij de Stuwen geweest was, ging +Jozef naar de club. 't Was al over tienen. Het gas in de winkels vlamde, +de gordijnen voor de clubventers waren neer. Jozef draaide den hoek om +en richtte zich naar de deur in gezelschap van twee andere elegant +gekleedde heeren. Beneden, van de keldervensters van het clubgebouw, +steeg een warme damp van gekruid eten op in de neuzen. + +De straathoek hier was vol loopende menschen. De lucht stond bewolkt en +de gezichten blonken geel in het gaslicht. De oogen blonken, als lichten +van diep uit de hoofden schijnend. Soms ging het geraas van rijtuig en +paard plotseling van de straatsteenen over in het doffe geklok van den +hoefslag op het asfalt. Schorre fruitventers-kreten, heesche +jodenschreeuwen een schel hondgejank riepen op onder de schuifelende +gebarende en gesprekken houdende menigte, donkere lijven in een ver +gebrom en een morrend gesuis tot de lucht. + +In hun baarden lachend wandelden Jozef en zijn kennissen langzaam. Boven +de fluweelen kragen van hun overjassen schemerden, in helder witte +boorden geklonken, hun roode door de pret vettige halzen. Er kwam een +donkere jufvrouw onder een breedgeranden rubenshoed achter hen aan. Zij +kuchte. Jozef keek om. Van weerszijde werd toen giechelend gelachen. + +De groote zaal van de club was in lichte kleuren beschilderd: licht-rood, +lila en blauw; ovale vakken met bloem-en fonteinafbeeldingen, gescheiden +door half uit den muur gebouwde hoekige pilaren, die van boven en van +onderen zich in een opeenhoping van gouden krullen verloren. De +bloemvakken werden afgewisseld door geslepen spiegels. Midden in den +zaal stonden drie bieljarten, waar heeren met lekker-ruikende-baarden in +hun overhemdsmouwen om heen liepen; de lampekappen stortten het licht +over de bieljarten neer, dat de spelden in de kleurige dassen deed +blinken, maar de gezichten in de schaduw liet; de heeren droegen de +keuen geweersgewijze over den schouder, de pomeranz, met krijt +besmerend. Achter in de zaal stond de lankwerpige groene leestafel, waar +meer bejaarde heeren kranten lazen; aan de vensters waren de zwart +ebbenhouten tafeltjes; kletsende, rookende heeren zaten er om heen +grokjes te drinken. + +Jozef kwam binnen met zijn vrienden. Een knecht vol blauwe liverei met +zilveren knoopen nam de over-jassen en de hoeden aan. Aan een tafeltje, +dicht-bij de deur, waar al drie jongelui aan zaten, gingen zij ook. + +--Bonsoir, Hasman ... Dag, Piet, hoe maak jij 'et? D'Ablaincourt! ... +Zitten jullie hier al lang? + +--Nee, even maar, we hebben koffie gedronken in Suisse. + +--Was 't er vol? + +--Nee, och God, niemant. + +--Jawel, en Dobber van Rotterdam dan? Zei Hasman. + +--O, was die d'r ook? Die heb ik t'r gisteren gezien, zei Jozef. +Verbeel-je, hij proponeerde me om een spelletje ekartee te spelen, maar +dat kon ik niet doen, dat begrijp je, nee, zeg ik, dat gaat hier in +Amsterdam volstrekt niet, als de menschen mij hier na den eten ekartee +zagen spelen, zou ik morgen aan de Beurs niets te doen hebben. + +--Nou, zoo erg geloof ik nou niet, dat het is, zei Piet. + +--Asjeblieft, zei Jozef, de menschen zijn hier nog verschrikkelijk +kleinstaedtisch. Ik durf in geen publiek koffiehuis kaart te spelen. Dat +kunnen alleen renteniers doen en in geen geval jonge menschen, die in +effekten doen. + +D'Ablaincourt was met den knecht aan 't overleggen wat hij drinken zou. + +--Mag ik je iets offreeren, van Wilden? + +--Ja, groc americain, heel graag! + +--Jongens, ik heb vandaag zoo'n mooye meid gezien, zei Hasman. + +--Ja? Waar? + +--Op de Heiligeweg. Ik ben d'r nog een tijdje nageloopen door de +Leidsche straat, maar 't duurde me te lang. + +--Ja, a propos, van Wilden, hoe staat 't met jouw Lucie? + +--Dank-je, heel goed; jammer, dat 't uit is tusschen ons ... maar van den +anderen kant toch niet jammer, want ik geloof dat 't heel goed is, dat +ik nu eindelijk eens ga trouwen. + +--Ja, maar, beste vrind, wat heb je aan een ongefortuneerde vrouw? + +--O, dat hangt er heelemaal van af ... as je een meisje trouwt, mooi, en +die op je verliefd is, en als je dan de overtuiging hebt, dat je een +uitstekende getrouwde man zal zijn ... Ik zal veel van d'r houen en we +zullen 't heel goed met mekaar kunnen vinden. + +--Jongen, jongen, wat ben jij toch 'n degelijk mensch ... en dan na een +jaar of zes zoo vijf kleine springertjes om je heen ... heel plezierig +nie-waar? Je bent toch altijd zoo'n liefhebber van kinderen! + +--O, waarom niet, andwoordde Jozef, al sjouw je wat voor dat je trouwt, +daarom kan je later toch wel een goeye huisvader zijn. + +--Ja, en je leeft op 't oogenblik ook heel bedaard, dat is waar. + +--Wel zeker, heel bedaard, maar, beste jongen, dat heb ik altijd +gedaan ... ik leef altijd bedaard ... ik ga nu van-avond bijvoorbeeld +waarschijnlijk weer eens dood bedaard naar Josephine uit den Haag. + +De knecht kwam nu met een platina blaadje, waarop drie grocs americain +stonden, die de heeren met een lucifer aanstaken, zoo als ze het in +Parijs hadden zien doen. + +--Op je aanstaande, Jozef! zei een van de andere heeren, zijn glas in de +hoogte. + +--Blaas eerst de vlam uit, je zal je branden, riep een ander er +tusschendoor, om een aardigheid te zeggen. + +--Nou, en ik drink op Josephine! zei Hasman. + +--Nee, profaneer niet, zei Jozef, je moet geen dingen met mekaar in +verband brengen, die niets met mekaar te make hebbe. + +--Nee, dat moeten jullie ook niet doen, zei de heer Blas, die tot nu toe +gezwegen had en voor een heel verstandig mensch doorging, maar, van +Wilden, ik zou je toch wel eens iets willen vragen ... hoe of jij toch +eigenlijk de meisjes op je verliefd maakt, bijvoorbeeld, zonder +indieskreet te willen zijn, je aanstaan nu, die houdt nou toch bepaald +van je, nietwaar? + +--Ja wel, ik hoop het ten minste wel. + +--Hoe komt dat dan nou? Je bent altijd op de Beurs, op je kantoor, hier +in de club, en je neemt het leven verder nog al luchtig op, je bent +zelfs een beetje fatterig, hoe kan jij een meisje uit een stille +burgerlijke ingetogen familie zoo gecharmeerd op je maken? + +--Dat is nog al eenvoudig, andwoordde Jozef, ten eerste, omdat haar +vader en zij met weinig menschen omgaan en ik zoo wat de eenige jonge +man ben, dien zij kent, ten tweede om dat ik veel van haar hou. + +De heeren zaten met hun ellebogen op de tafel, met de eene handen de +hoofden steunend of aan de glazen, de andere in de broekzakken en op +tafel trommelend, te luisteren; om hen heen leefde de zaal in het rollen +en klotsen van de bieljartballen, het applaudiseeren voor een mooyen +stoot met een licht geklop van de keuen op den vloer en het stemgegons +van de babbelende tafeltjes met een enkelen luiden schater; de rooknevel +van geurende cigaren steeg langzaam naar de zoldering. + +Na een uurtje begonnen Jozef en zijn vrienden zich te vervelen. Aan +andere tafeltjes spraken zij nog een paar vrienden aan, en groetten een +paar kennissen en gingen nog een beetje de straat op. + +Twee dagen later ontving de heer de Stuwen een dik zorgvuldig toegemaakt +koevert, dat hij ook op een avond, ook in zijn achterkamer, bij het nog +flauwer brandend kolomkacheltje, openmaakte. + +Jozef legde er zijn maatschappelijken toestand in bloot. Hij was +eigenaar en bestuurder van een effektenzaak, die jaarlijks een acht-a +tienduizend gulden afwierp. De omstandigheid, dat hij aan een bekwaam en +ijverig kashouder de leiding van het kantoor had toevertrouwd, stelde +hem in de gelegenheid zijn tijd, die niet aan het maatschappelijk +verkeer was gewijd, met lezen en studeeren door te brengen. Dikwijls was +hij maar een half uur per dag op zijn kantoor en zijn overigen tijd +thuis, of, zelden, in de club. Maar 't sprak dat hij voortaan al zijn +lidmaatschappen van societeiten en verdere celibatairs-genootschappen op +zou zeggen, om met zijn vrouwtje, alleen voor en in zijn eigen huis te +leven. Hij wilde zich ook ernstiger nog als nu op de studie toeleggen, +een bezigheid, die, wilde zij vruchten dragen, op zich zelf al veel van +zijn vorderen zou. + +Terwijl de Stuwen den brief weer bij de andere papieren in den omslag +lei, dacht hij na over het besluit dat hij zou nemen. Hij glimlachte. +Mathilde had sinds die paar dagen nauwelijks van Jozef durven spreken. +Alleen gisteren-avond, toen hij haar een beetje plechtig had afgevraagd, +of zij wezenlijk, in het volle besef van wat de toekomst zou brengen, +van Wildens vrouw wou worden, had zij hem doen blijken, hoeveel zij van +Jozef hield. Zij verzekerde alles overwogen, over alles nagedacht te +hebben en tot het besluit te zijn gekomen, dat haar toekomst was aan de +zijde van dien man te leven en te sterven. + +Er was dus, dacht de Stuwen, niets tegen het huwelijk ... Hij had immers +zelf, hij, die Jozef misschien 't best van allen kende, toch nog de +laatste dagen hier daar in de stad naar de reputatie van zijn aanstaande +schoonzoon geinformeerd en overal waren hem de beste berichten gegeven. +Vroeger had Jozef wel een beetje "gesjouwd", schreef een van de heeren, +dien hij inlichtingen had gevraagd, maar hij was toch altijd, vooral in +den laatsten tijd, een bedaarde jongen geweest. Hij zou van Wilden dus +maar andwoorden en Mathilde, als zij thuis kwam,--zij was van-avond bij +mevrouw Berlage--gelukkig maken. + +Ja, Mathilde was uit. Hij zat hier alleen en kon dus dat zaakje nu juist +goed ten einde brengen. Plotseling dacht hij aan zich-zelf, hoe alleen +hij zich op 't oogenblik voelde; de kachel was aan 't uitgaan, zijn thee +werd koud. Mathilde was er ook niet om voor dat alles te zorgen. En in +eens voelde hij geheel de verlatenheid, waarin hij in 't vervolg zou +zijn. Hoe was 't mogelijk! Nu pas dacht hij aan wien hem toch het naaste +was! Wat moest hij nu worden? Alleen zijn ouden dag tegemoet gaan, dat +was geen pleizierig idee. En was dat het lot van alle vaders in zijn +omstandigheden, in zijn noodzakelijke omstandigheden, dit besefte hij +wel. Zijn glimlach verdween en hij huilde. Hij voelde zich koud, hij +keek rond. Wat was het eenzaam hier in huis! 't Gebeurde wel meer, dat +Mathilde eens uit was 's avonds, maar nooit had de kamer hem zoo kil en +leeg geschenen als nu, ofschoon hij zeker wist, dat Mathilde op haar +gewonen tijd thuis zou zijn om hem goeye nacht te zeggen, naar zijn warm +kruikje te zien en zijn kussen te schudden, en dat, al ging het huwelijk +ook door, zij toch minstens nog een maand of zes bij hem zou zijn. + +Hierna vermande zich de heer de Stuwen. Hij stond op, sloot zachtjes de +deur en kreeg uit de zwaar mahoniehouten sekretaire, rechts van het +raam, dat op het binnenplaatsje uitzag, zijn schrijfgereedschap. Hij +schreef, met een beetje schuin uitloopende regels, aan Jozef, dat hij, +na lang over den stap nagedacht te hebben, besloten had zijne dochter te +permitteeren hem te trouwen, dat hij verder Jozef verzocht een dezer +dagen eens nader over deze aangelegenheden te komen spreken. De brief +was min of meer koel ingericht. De Stuwen voelde voor Jozef niet meer de +vriendschap van vroeger. Maar hij kon nu eenmaal niet anders, ofschoon +hij 't zelf onredelijk vond. + +Gedurende den tijd, die aan het huwelijk voorafging, veranderde de +Stuwen zichtbaar in de oogen van Mathilde. Meestal was Jozef 's avonds +bij hen, maar een of twee maal in de week, als de Stuwen alleen zat met +Mathilde in den schemerschijn van 't lichtje onder de theepot, dan was +'t of hij niet meer op zijn woorden kon komen, zoo als vroeger, dan +gebeurde 't wel, dat er een uur verliep, terwijl de Stuwen zich in zijn +koerant verdiepte en Mathilde over haar borduurwerk gebogen zat, in +geheele stilzwijgendheid. En was Mathilde verwonderd over haar vader, +vroeg ze hem, of hem iets scheelde, of er soms iets aan zijn gezondheid +haperde, dan verbaasde hij zich over die vragen, dan zei hij volstrekt +zelf niet te weten, haar anders, met minder hartelijkheid en +vertrouwelijkheid, te behandelen dan vroeger. Zij ging nu trouwen, dat +was heel, heel goed, dat was de weg, dien iedereen ging op haar jaren en +hij zou wat trotsch zijn eenmaal in zijn dochter een mooye flinke +getrouwde vrouw te zien. Wat hem dan zoo stil maakte en afgetrokken, hij +wist 't zelf heusch niet, hij vertrouwde van Wilden geheel, hij was over +'t toekomstig lot van Thilde niet ongerust. Maar onbewust vulde hem het +voorgevoel van de verlatenheid, die hemzelf te wachten stond. Hij had +nooit veel vrienden gehad en sinds den dood van zijn vrouw, na zijn +langen rouw, had hij er in 't geheel niet aan gedacht zijn oude +kennissen weer op te zoeken, nog minder nieuwe aan te knoopen. Hij was +altijd een huiselijk man geweest, die een stillen kleinen kring, rustig +'s morgens aan 't ontbijt, rustig 's avonds in het schemeruur, de +voorkeur gaf boven menschen-zien en vertooning-maken. Daar Mathildes +aard hierin nogal met den zijne over-een-stemde, hadden zij zich met hun +tweeen, hoe langer hoe meer buiten het algemeene, gedruismakende +maatschappelijke leven gesloten. Nu, nu het oogenblik van scheiding en +verandering in die huiselijke orde naderde, zag hij in gedachten eens +uit naar de jaren, die komen zouden. Zijn dochter ging wech, natuurlijk! +Ja, zij zou wel altijd veel van hem blijven houden, veel van zijn uren +zou hij nog in haar stil en aangenaam gezelschap kunnen slijten. Maar +hij wist heel goed, hij herinnerde zich nog wel deugdelijk uit de eerste +jaren van zijn eigen huwelijk, met wat een scheele oogen jonggetrouwden +aanzien, dat een derde zich in hun intieme leven mengt en dat hij een +tijdperk van ondragelijke eenzaamheid tegemoet ging, daar twijfelde hij +geen oogenblik aan, en deze gedachte maakte hem stil. Want even afkeerig +als hij was van veel en druk gezelschap, een even groote behoefte had +hij aan enkelen in zijn nabijheid, om zijn vertrouwelingen te wezen en +zijn gemoedsleven te deelen. Mathilde kwam er niet op te vermoeden, wat +de eigenlijke reden was voor de verandering in haar vaders manier van +zijn. Zij had al van alles verzonnen, maar wat haar in was gevallen, om +de onhoudbaarheid dadelijk weer verworpen. Vroeg zij 't hem, dan bleef +hij maar andwoorden, dat hij daar zelf niets van merkte. Zij ook dacht +voortdurend alleen aan de toekomst. Maar 't kwam haar zoo natuurlijk en +zeker voor, dat vader bij hun in zou komen wonen! Zij twijfelde daar zoo +weinig aan, dat niets haar meer verstomd zou hebben als te hooren, dat +de onmogelijkheid van wat zij voor natuurlijk hield de eenige oorzaak +was van haar vaders droefgeestigheid. + +Eens op een avond, toen haar vader bizonder treurig voor zich uit zat te +turen, kwam zij weer op iets: + +--Vader, is u zoo verdrietig, om dat ik trouwen ga? + +--Och, nee, dat is het niet. + +--Maar wat is er dan toch, wat dan in 's hemels naam, er moet toch iets +bizonders aan de hand zijn. Waaraan dacht u nu op 't oogenblik? Zegt u +dat nu eens oprecht. Het zal toch niet eenvoudig aan uw gestel liggen. +Ik heb ten minste nooit gehoord van een lichamelijke kwaal, die op zoo'n +manier aan den dag zou komen. + +--Kind-lief, ik weet het zelf niet. + +--Maar het kan toch niet zijn om dat ik trouwen ga, want, lieve hemel, +dat doen alle meisjes op mijn leeftijd en het is nog nooit gezien, dat +een vader zich dat zoo erg aantrok. U houdt wel veel van me, dat weet ik +wel, maar ik kan toch niet gelooven, dat u zooveel van mij zou houden, +dat u ziek wordt bij de gedachte, dat we een beetje van mekaar moeten +gaan, dat zou toch al te erg zijn. Dat zou ziekelijk zijn en eenig in +zijn soort, en nee, en dat kan niet, dat is onmogelijk. Ik kan het mij +niet verbeelden ... Och toe, vader, doet u nu niet zoo raar ... Kan u er +zelf niets, niets aan doen? ... Vader, wil ik dan maar liever niet +gaan trouwen? + +--Nee, kind, ik verzeker je, dat is het niet, het moet iets lichamelijks +zijn. Ik zal er den dokter eens over spreken ... Denk je nog wel dikwijls +aan je moeder? vroeg de Stuwen plotseling. + +--Tusschenbeide. Ik kan eigenlijk niet goed aan d'r denken. Hoe wil ik +me iemant voorstellen, die ik mij nog maar zoo weinig herinner. + +--Je moeder was net zoo als jij, lieve kind, je bent haar sprekend +evenbeeld. Ze was net zoo opgewonden als jij wel zijn kan, en ook haar +uiterlijk had heel veel van het jouwe ... En weet je, waar ik nu eigenlek +bedrukt over ben? ... Als 't eens met jou ging, zoo als 't met haar is +gegaan ... Kind, je hebt zooveel van d'r! + +--Maar, vader, hoe bedoelt u? Ik begrijp u niet; dat ik ook vroeg +sterven zou? + +--Ja, kind, je kon niet weten. Laten we eens iets veronderstellen ... Als +jij ook een kindje kreeg en je stierf dan, zou je dat niet +verschrikkelijk vinden? + +--Och, vader, ik weet niet, ik kan me daar volstrekt geen voorstelling +van maken. + +De heer de Stuwen was ongerust. Den volgenden dag, toen hij weer een +uurtje alleen zat, kreeg hij hoofdpijn van het denken aan zijn vrouw en +aan Mathilde. Hij dacht aan Mathildes zwarte haar, aan haar donkere +oogen, die zij, zonder verandering bijna, van haar moeder had. En dan +haar levendigheid, haar vuur; dat hem vroeger juist zoo op zijn vrouw, +die maar zoo kort geleefd had, verliefd had gemaakt. Mathildes +levenslustigheid sloeg nu en dan in wildheid over. Dat maakte hem ook +bang. Nu, in den laatsten tijd met het huwelijk in 't vooruitzicht, was +dat wel beter geworden, maar vroeger, wat kon zij aangaan! Het was wel +gebeurd, dat zij stil alleen samen zaten en lazen, hij de koerant, zij +een roman. Dan was zij dikwijls niet van het boek af te krijgen geweest, +haar slapen gloeiden vlak boven de bladzijden, tot zij in-eens ontsteld +op-sprong, gejaagd de kamer rondliep en eindelijk tegen de muur ging +staan leunen, haar voorhoofd op den rand van een schilderij. Een +oogenblik duurde dat maar, dan keek ze om en proestte het uit van het +lachen over haar eigen kinderachtigheid. Met tranen nog in haar oogen, +liep zij dan naar haar vader, die verwonderd naar haar had zitten +kijken, en drukte hem bijna te pletter in een omhelzing. Wat kon zij +woest zijn! Wat kon zij op de piano dreunen en urenlang zitten spelen, +zonder ooit op te houden, zonder om te zien. Zij was bepaald een +vreemdsoortig meisje; haar moeder had ook wel zoo iets. Maar zij veel +meer. Wat kon ze met een hartstocht teekenen, uren lang, boven alleen op +haar kamer, zonder ooit voor 't venster te kijken naar de menschen +beneden langs de straat. En dan, die vlagen van godsdienstigheid +tusschenbeide! Daar begreep de Stuwen nog 't minst van. Hij was ook wel +naar de kerk gegaan in zijn jeugd en had veel preeken gehoord van een +vromen pastoor, maar met de jaren kwam de onverschilligheid en het vage, +geheimzinnige geloof van zijn vrouw, had hem juist nog meer doen +verflauwen. Hij was bepaald van de liberale partij geworden, hij las het +Handelsblad en was 't vrij wel eens met dominee Hugenholtz. Maar +Mathilde niet. Zij kende God, had zij dikwijls beweerd, en als ze iets +goeds deed, voelde ze duidelijk de zegening van God in haar binnenste. +Of pastoor Sluyter, die vroeger wel eens aan huis kwam, haar dat had +geleerd, dat wist de Stuwen niet. Maar hij merkte elken dag, hoe +gelukkig of haar geloof Mathilde maakte. Daarom sprak hij er zoo weinig +mogelijk met haar over. + +Ja, het geloof alleen maakte Mathilde vroeger gelukkig, zij wist het +zelf heel goed. + +Tot haar vijftiende jaar toe, had zij alleen den God van haar moeder en +van pastoor Sluyter gekend. Zij stelde zich hem voor als den oppersten +rechtvaardigen rechter, een bejaard eerbiedwaardig mannelijk wezen, met +langen sneeuwwitten baard, die haar zag en zijn wenkbrauwen fronste, als +ze kwaad deed of dacht, als ze ongehoorzaam was aan vader, lui was onder +'t werk of met een vriendinnetje lachte in de kerk of de japonnen van de +dames haar daar meer bezighielden dan Hij en Zijn Majesteit; die +welwillend op haar neer zag en haar zegende, als zij braaf was, goed +werkte, en gedwee tegenover haar meerderen. + +Maar toen zij volwassen werd, het een en het ander gelezen had en haar +ziel groot voelde worden, toen had het gevoel over dien God +noodzakelijker en levendiger dan vroeger aan haar voorgedaan. Als ze 's +zomers 's morgens opstond en de zon goudgloed was in haar kamer, als ze, +even voor het venster staande, de blaadrenmassaas van de iepenboomen zag +waayen en ruischen en de lucht zoo blauw was boven de glinsterende +daken, vooral ook als ze eens buiten kon zijn en rondwandelen in de +vrije natuur, of als ze muziek hoorde of een prachtigen roman las, dan +rees er een onnoemlijke behoefte aan uitstorting en aan dank in haar +gemoed, dan richtte zij zich tot dien hoogen Persoon, uit Wien al dat +vreemde geluk moest voort komen. Dan dankte zij Hem voor de gave van +haar leven, voor haar genieting en voor de hoop op nog grooter geluk, +die zij in zich droeg. Zij wenschte ook zoo zeer geleid te zijn, een +raadgever te hebben. Nu besefte zij het: Hij zou haar leider wezen! Zij +bad van Hem veel goeds te mogen doen in haar leven, zij dankte Hem, als +ze iets goeds had gedaan. Zij droomde ook van liefde. Daarom ook bad zij +aan den God van alle liefde. Het gebeurde wel, dat zij woorden vond om +Hem toe te spreken en Hem haar vereering te betuigen, net zoo als zij +tegen haar stoffelijken minnaar zou zeggen, als die mocht komen. + +Toen ze van Jozef begon te houden, had zij gehuild van dankbaarheid in +haar gebed aan God. + + * * * * * + +Intusschen verliep de winter, een zachte winter. In 't voorjaar zouden +Jozef en Mathilde trouwen. Het engagement was publiek. Mathilde had zich +al gewend aan de pleizieren en aan de eentonigheid van zoo geengageerd +te zijn. Jozef hield nu zijn arm om haar middel geslagen en zoende haar +in het bijzijn van den ouden heer. Het kwam Mathilde voor, dat haar +liefde op dezelfde hoogte bleef staan. Dan zaten zij met hun drieen bij +mekaar en bespraken plannen voor de toekomst. In weerwil van zijn +afwijzingen was 't nu vast bepaald, dat de oude heer bij het jonge paar +in zou komen wonen. Eens maar werd er nog een avondje met meer +menschen gegeven. + +Toen de tijd van het huwelijk kort op handen was, werd Mathilde +zenuwachtig. Haar stil genoegen van dagelijks met Jozef te zijn werd +vermengd met zekere nog nieuwe gewaarwordingen van gejaagdheid en angst. +Als ze soms op de kanapee in de binnenkamer naast mekaar zaten en +praatten, terwijl de oude heer, op een stoel voor de tafel, goedig en +stil er opmerkingen tusschenvoegde, voelde Mathilde in-eenen met een +soort van bevreemding, van verwondering, dat zij daar nu zoo zat, in +dezen toestand en pratend over de inrichting voor haar volgend leven, +die zoo bizonder verschillend van de tegenwoordige wezen zou en waarvan +zij nog zoo weinig wist. Als Jozef, op den heel gemeenzamen toon, waarop +hij deze onderwerpen behandelde, over de wenschelijkheid gesproken had +met zijn vrouwtje een huis op de Heerengracht te huren en haar vroeg, +wat zij dacht van de Heerengracht bij de Gasthuismolensteeg, om dat hij +zijn kantoor hield op het Cingel daar dicht in de buurt, dan kon zij hem +plotseling aanzien, alsof zij geschrokken was van wat hij zeide. Zij +keek ernstig en hield zich stil. Men hoorde het lichtje onder de theepot +branden. En dan sprak hij weer voort, zonder iets te merken. Het +gebeurde wel, dat de oude heer indommelde midden-in de gesprekken +overdag of 's avonds. Als Mathilde dan Jozefs stem alleen voort hoorde +gaan, kwam het voor dat zij hem niet vertrouwelijk aan dorst zien, maar +een groote droefheid over zich voelde komen en haar blikken maar niet +van den slapenden vader afhouden kon. Zij zag de kamer rond en, 's +avonds of overdag, in de voor-of in de achterkamer, het was zoo donker, +dat zij kippenvel kreeg. Zij keek naar de wanden, een voor een, en +begreep maar niet, waarom zij die al-gauw voor andere, lichtere en +vroolijkere waarschijnlijk, verruilen zou. Er kwam haar een weemoedige +vriendelijkheid van de vormen van de meubels, die tegen het behangsel +stonden, tegemoet. Het buffetje herinnerde aan de heerlijke oude dagen, +die voorbij waren voor altijd, de lijsten van de schilderijen +herinnerden, dat haar vader, na een schoonmaakdag, die altijd recht +hing, om dat de schoonmaakster ze schuin aan het driehoekig koord weer +opgehangen had; zij dacht er over, dat haar vaders haren vroeger veel +minder grijs waren, en Jozefs stem klonk dan als heel uit de verte, als +het gelui van een stalen klok. 's Avonds naar haar slaapkamer gaande en +daar zijnde, onder het uitkleeden, had zij een gevoel van vagen angst +voor Jozef. Het was zoo donker overal. Hij kwam haar toch niet na op de +trap! Hij stond toch niet aan haar deur te tikken, na dat zij hem +afgesloten had? Hij had zich toch niet in de een of andere kast +verborgen, om haar te verschrikken of te verrassen? Hij zou toch niet +van onder de tafel of het bed vandaan kruipen, om bij haar te zijn, al +te dicht bij haar, om haar aan te raken, vriendelijk, hartelijk, stevig, +om haar te omhelzen al te vurig, haar zeer te doen, om haar pijn te +doen, haar te knijpen, iets van haar te stelen, iets voor altijd van +haar wech te nemen, wat haar dierbaar was, iets innig van haar eigen? +Hij drong zich toch niet tegen haar aan, eischend dat zij iets af zou +geven, wat zij niet missen kon? En in een groote haast ging zij naar +bed. Daar verdwenen de onrustige gedachten en ging zij teeder aan hem +liggen denken, schikte zich gemakkelijk op de matras en de kussens, om +niets te voelen en zich niets te verbeelden dan hem en hem alleen, om in +haar eentje gemakkelijk en ongestoord van hem te houden. Zij had voor +dek een laken, een deken en een sprei. Zij sloeg die tusschenbeide +heelemaal uit over haar hoofd om zoo, in de pikke duisternis, Jozef +alleen te zien. Of wel, wanneer het haar te benauwd werd, vouwde zij het +dek om en trok het, zoo eens zoo dik, zoo hoog mogelijk onder haar kin +en dan, met dichte oogen, wreef zij zachtjes haar kin over dat dikke dek +heen en weer; dan stond hij, in al de bizonderheden van zijn persoon, +zoo levendig voor haar geest, alsof hij wezenlijk in haar kamer was. +Maar zij hield er van haar eigen denken over hem na te pluizen. Hoe kwam +het, dat zij hem nu zoo erg zag? Gesteld eens, dat hij op dit oogenblik +wezenlijk was op de plek, waar zij zich nu verbeeldde hem te zien, in +welke houding zou hij dan zijn? Stond hij, gewoon rechtop? Neen, dan +moest hij op haar bed staan, zou zich dus ten eerste niet stijf staande +kunnen houden op het weeke beddegoed, ten tweede zou zijn hoofd tegen +den hemel stooten om dat hij zoo lang was, ten derde zag zij hem zoo van +dichttebij, dat zij te-gelijk zijn voeten en zijn haren zou kunnen +aanraken, iets wat dan niet mogelijk zou wezen. Lag hij dan naast haar +of op haar, stond hij buiten het ledikant? Neen. Stond zijn beeltenis +dan afgeschilderd ergends midden in haar hoofd? Dat moest zijn. Zij zag +hem uitkomen op een donkeren kleurlozen of naar het grijs-rood aardenden +achtergrond. Die beeltenis moest dan wel heel klein wezen, om daar +binnen geborgen te kunnen zijn. En toch zag zij hem levensgroot. Hij was +er en hij was er niet. Dat maakte haar weer bang. Dan kwam daar nog bij +waarom sloop die vreemde gestalte zoo bij haar binnen en overmeesterde +al haar denken? Wat had die man een overdreven punten aan zijn snor, die +zij langs haar wang voelde scheren; een heele lichte, nauwelijks +merkbare onaangename geur kwam er rechts uit zijn boord op. De even +zichtbare kringvormige indruksels onder zijn oogen vond zij leelijk ... +En dan was hij haar weer heelemaal vreemd. Wat kwam hij doen, wat wilde +hij toch van haar? Zij en hij waren toch twee verschillende menschen. +Hoe kon zij dan niet aan haar zelf denken zonder hem te zien? Waarom +drong hij zich dan zoo aan haar op en ademde zij met hem samen? Hij +vervolgde haar; wat zou hij haar doen? ... + +Dikwijls keek Mathilde in deze dagen weer naar het portret van haar +moeder, droever en bleeker elken dag. De straffe rimpels van de +neusvleugels tot de mondhoeken prentten zich dieper in het gezicht van +de vroeg gestorvene. + +De laatste veertien dagen voor het trouwen zorgde Mathilde met haar +modemaakster voor haar japonnen en met boodschapjes in de stad, die al +haar middagen vulden, voor haar verderen uitzet. Zij was ongeduldig. De +tijd moet nu maar gauw verloopen, nu alles toch eenmaal besloten was. +Maar heviger dan vroeger had zij aanvallen van berouw over hetgeen zij +ging beginnen. Zij zou haar goeden, ouden, armen vader alleenlaten? Want +hij kon de huwelijksreis toch niet meemaken, dat ging niet. Hoe had zij +daartoe kunnen besluiten? Maar hij kwam immers later bij hen inwonen? +Ja, ja, maar ondertusschen! Hij werd hoe langer hoe stiller en meer +in-een-gedoken. Wat zou er van hem te-recht komen? + +Door allerlei zulke bespiegelingen heen, brak de huwelijksdag aan. Toen +Jozef haar dien avond, dien oppersten avond, meenam naar het station, +was alle gevoel in een verdooving ondergegaan. Het afscheid van haar +vader ging flauwtjes te werk. Zij had den heelen dag bijna niets gegeten +en alleen maar een paar glazen water gedronken. In den trein had zij de +koorts. Geen woord werd er gezegd. De bezorgdheden van Jozef, die haar +alles zoo gemakkelijk mogelijk maakte, merkte zij niet eens. Zij zat +daar, lijkwit. Een onbestemde nieuwsgierigheid drong huiverig door haar +verdooving heen. Zij dacht aan niets eigenlijk. Haar keel was droog. Het +was haar te moede, als stond zij in een dikken grijzen damp met een +ondoordringbaar verschiet in de rondte. In een nevel van onuitgedrukte +aandoeningen ging zij haar nieuwe leven in. + + + + +V. + + +Jozef en Mathilde waren voor den burgemeester getrouwd en voor den +pastoor. Dit laatste om dat de Stuwen het, voor de menschen, om niet af +te wijken van het gebruik, gewild had en zonder op Mathilde indruk te +maken. Zij was te erg wech geweest door al het andere. Haar vaag gevoel +als het 's zomers 's morgens heel mooi weer was of boven een roman, dat +zij zich als haar geloof dacht, werd wel even een beetje opgewekt, maar +zij voelde zich eigenlijk geen echte, katholieke vrouw, zoo als haar +moeder geweest was. Maar toch, toen zij een week getrouwd was, begon zij +te denken meer dan zij vroeger had gedaan, dat 't van Jozef vreemd was +zoo aan niets bovennatuurlijks te gelooven. Buitendien had zij haar +liefde van verleden jaar nog niet voelen te-rugkomen. Zij was nog altijd +een beetje bang voor Jozef, hoofdzakelijk 's avonds en 's morgens vroeg. +Zij had geen verwondering in zich zelve gemerkt over wat er met haar +gebeurd was, maar zij had er Jozef niet liever om gekregen. Alles kwam +haar natuurlijk en toch vreemd voor. In vreemde omgevingen, onder +allerlei vreemde gewaarwordingen, leefde zij als een heel nieuw en +versch leven. Vele herinneringen van haar eerste halve jaar op het +kostschool vulden haar brein. Toen had zij ook zooveel ongekends beleefd +en had haar bestaan zich nieuw aan haar voorgedaan. Maar krachtiger dan +toen mengde zich nu de gedachte aan haar vader onder de andere. Hoe zou +'t met hem gaan? Hoe zou hij zijn dagen wel slijten? Zij schreef hem +alle dag en kreeg driemaal in de week antwoord. + +De huwelijksreis was door Jozef en den ouden heer na rijp beraad zoo +vastgesteld: Zij zouden den avond van hun vertrek gaan tot Arnhem, +verder naar Parijs: dan zouden zij langs de Middellandsche Zee naar Rome +gaan en de terugreis over Duitschland doen. Jozef voorspelde ontzaglijk +veel genot van zoo een groote reis. Hij was toch een liefhebber en had +er in een helen tijd niet aan gedaan maar ook voor Mathildes +wereldkennis was de uitgestrektheid van de roete uitstekend. In +Valkenburg een dorp bij Maastricht, zouden zij een eerste halte maken +langer dan een dag, van een week waarschijnlijk. + +Daar waren zij aangekomen den vorigen avond en hadden er, met open +ramen, een rustigen nacht gehad. Het was nu zeven uur in den ochtend, de +tweede helft van Mei. + +Het hotel aan den landweg, waar een andere weg, die bergopwaarts ging, +daarin eindigde, blaakte zijne eene verdieping en aschgele gevels in de +zon. Van boven de onderste ramen van den voorgevel tot aan het +lila-kleurige hek, dat het stuk grond vol banken, stoelen en +donkergroene tafeltjes voor de deur, omheinde, waren vale doeken +gespannen, om het er koel te houden. Maar gouden hittestralen spoten +door reten en beschilderden hel-geel den muur. Geen windje woei, maar +door de vroegte was het nog niet snikheet. Mathilde zat, zachtjes naar +achteren geleund, op een van de zwart-groene banken vlak aan het huis, +met hun geribde ruggen tegen de vensterbanken, rechts van de deur. Zij +was in een luchtig blauwen peignoir, met goedkoope, breede witte kant +afgezet. Zij hield haar handen op haar schoot, haar eene duim tusschen +de bladen van een rood reisboek; en klein wondje, nog frisch, bloedde +aan haar wijsvinger, waarmee zij een roos had geplukt, om die +zoo-met-een in Jozefs knoopsgat te steken. Zij las niet. Zij zat +roerloos, haar voeten in blauwe kousen en opengewerkte schoentjes, op +een versleten voetenbankje. De nauwheid van het witte plooisel maakte +haar hals een beetje rood. Zij sufte, haar blikken voor haar uit in de +heesters of opklimmend rechts langs den bergwand, met zijn zwarte, +paarse, bruine, donkerroode en gele aarde, beneden als zand-steen +uitgegraven en hooger-op met kleine boomengroepen. Boven in de lucht +verdreven wazige witheden in het belle hemelblauw. Mathilde droomde zich +heel wech, in een loomheid afgezonken. Haar oogvlakjes stonden +mat-mijmerend, drinkend de pleizierige kleuren voor haar uit. Een +weekelijkheid was door heel haar lichaam gedrongen. D'r haar was nog +maar half opgemaakt. Lange slappe vlokken, dof-zijig zwart, hingen naast +haar ooren neer. Haar huid scheen haar als door een dunne laag was, +gevoelloos en zacht-prettig, bedekt. In de vensterbank, volgend op die, +waar zij vlak voor zat, had de logementhouder vier bloempotten laten +zetten, met roode en witte rozen, wier reuk zwaarzachtjes om Mathildes +hoofd kwam hangen. Een logge zandwagen knerste voorbij, rechts over den +weg, het zweepgeknal klitste, de wagen trok af en grommelde voort in de +verte. Vroege vliegjes wirrelden boven haar handen; twee heele kleine +bleven mekaar halsstarrig op haar rechter wijsvinger vervolgen. Het +ochtendgepraat van een paar gezinnen, een eind verder onder het +zonnescherm aan het ontbijt, links van Mathilde, hoorde zij bijna niet. +Een stijve kellner kwam uit de deur loopen om de families te bedienen, +versleten zwarte blaadjes met gemeen wit aardewerk op de handen, borden +met groote ronde brooden aandragend. Soezelig fladderde een gedachte +door Mathildes hoofd: wat zou vader graag eens zulk brood proeven. En +zij overdacht haar vaders voorliefde voor brood. Twee blonde kinderen +huppelden nu naar buiten en bekeken Mathilde even met klare oogen. Maar +er waren zooveel gele tinten in de groene heesters, de zon smeet breed +lila over den bergwand rechts en er sprankten zooveel glansjes door de +sparreboompjes, dat Mathilde langzaam opstond, en terwijl haar korte +sleep, waar ook een wit strookje uit te voorschijn kwam, bevend over het +zand krulde, naar voren wandelde, het hek door, en op den weg staan +bleef om naar beneden, links in het dal, te kijken. De zon was schuin +achter haar; haar blikken dwarrelden door de wijde zilverblauwe lucht. +Voor haar uit streepte de weg neer, breed, poeyerig, wit, altijd nauwer +wordend tusschen de ruigbestruikte lage bergglooying, in een hoog +kroeserig boschje verdwijnend. In de diepte zag zij een roerloos +watertje, sneeuwwitte huizen, kaal land, waarop poppetjes, dat menschen +waren, gebaren maakten en liepen. Maar effen lichtend blauw daalde de +hemel nauwelijks, heel beneden, blankend. Nog nooit had Mathilde zoo +weinig grijze nevel aan een horizont gezien. Hooger-op in de lucht stond +de heele ruimte in een laayend sidderen witblauw, goud-flonkerend. En +alles blankte schitterend. Een plekje gras en mos door-een-gegroeid, +vlak bij Mathilde, glansde van niet wechgedroogde dauw met kleuren van +paarlemoer. Er zongen vogels en Mathilde voelde van muziek die uit de +lichtzee van den hemel neerruischte. De lucht was sterk. Mathilde +voelde, bij dit ontwaken vol wemelende stralen, haar oogen door een +donzig waas overtrokken. Sprakelooze onuitbare vreugde steeg er op van +haar hart. Zij zag golven van wit vuur uit de hoogte tot haar afkomen. +Haar oogen glommen dronken tegen het tintelend verschiet. Haar eene +been, waarop zij steunde, wankelde. Weer langzaam ging zij te-rug naar +de bank, om op Jozef te wachten. Het roode reisboek was op den +grond gevallen. + +De families, links, waren druk aan 't kakelen geraakt. Een oude vrijster +schonk, met ernstig voorhoofd, koffie, en men knabbelde op beschuiten, +onder het getemperde licht van het spandoek. Juist kwam Jozef voor den +dag in een grijs dun pak. Mathildes blik verwarmde zich. Met een zachten +glimlach lei ze haar arm in de zijne en stak, voor hem heen buigend, het +rozeknopje in zijn knoopsgat. Zonder zich te bedenken, als sprak 't +van-zelf, wandelden zij dadelijk den weg op tot zij alleen waren en +niemant hen zien kon. Zwijgend gingen zij een heel eind voort, daalden +de bergglooying af, liepen hoe langer hoe langzamer tot zij aan een +boschje van pijnboomen kwamen. Zij gingen er in en bleven stilstaan. +Hier was schaduw en koelte. Zij gingen naast mekaar liggen op den grond. +Jozef trok halmen stuk en beet ze klein. Hij vond den dag zoo mooi, +en zei het. + +--'t Is heerlijk, zei Mathilde, heerlijk! + +Jozef lag tegen den heuvel aan op zijn rug. Hij keek naar de bladen in +de hoogte. Mathilde zat naast hem en steunde zich met haar elleboog. Zij +keek naar het mos en zeide: Wat zullen wij gelukkig zijn samen. + +--Wij zijn 't al, andwoordde hij. Zonder naar haar te kijken, liet hij +zijn voorarm over zijn elleboog heenbuigen en opende zijn mooye hand. +Zij lei er de hare in en zoo bleven zij een tijdje liggen. Het was +Mathilde wel te moede. Zij zagen geen van beiden om. Door de boomstammen +heen zagen zij alleen schemering van hel-witte lucht in de verte en hoog +boven hen sprankte een enkele maal het goud tusschen de groene massa. +Mathilde vond, dat het lichte grijze pak Jozef uitstekend stond, om dat +hij zoo'n geanimeerde kleur had op zijn wangen. + +--Wat zou vader nu wel doen op 't oogenblik? vroeg zij. + +--Lieve kind, het is pas hallef nege. Je vader ... + +--Nu moet je zeggen "Vader", want nu is ie ook de jouwe. + +--Goed. Vader zal zoo wat juist opstaan. + +--En weer lagen zij bewegingloos. Jozef gaapte nog eens even en rekte +zijn beenen uit. Met gemakkelijke gebaren aaide hij Mathildes wangen of +drukte zachtjes haar hals tusschen zijn wijsvinger en duim. Kwamen zijn +handen hij haar lippen, dan zoende zij ze even, zonder precies te +letten waar. + +Mathilde voelde zich langzamerhand weer heelemaal zich-zelve worden. De +droomende stemming ging zoetjes voorbij. Zij ontwaakte onweerstaanbaar +in het heerlijk ontwaken van haar liefde. Uit de doffigheid van haar +alleen-zijn openbaarde zich nu het bewustzijn van haar geluk. Zoo ging +dat bijna iederen morgen. Dit zalig-vreemde gevoel in deze vreemde +omgeving was zoo vol verrassingen, dat zij telkens dacht nu zou het wel +op zijn heerlijkst zijn geweest. Iederen nacht sliep zij in met de +gedachte van-daag zooveel te hebben liefgehad, dat zij den volgenden +morgen zou ondervinden, dat er een verkoeling in haar liefde was +gekomen. Maar bij het begin van den nieuwen dag, dan dacht zij nog meer +van Jozef te houden dan gisteren. Alleen dat haar vader zoo ver wech was +vond zij verschrikkelijk naar. Zij voelde zoo zich niet heelemaal aan +haar geluk te kunnen geven. Zij had dien goeden vader daar alleen thuis +achter gelaten. Als zij terugkwam in Amsterdam, zou zij weer erg voor +hem te zorgen hebben waarschijnlijk, en toch verlangde zij er naar. +'t Was nu maar te hopen, dat vader niet ziek werd gedurende haar +afwezigheid. Mathilde dacht nu na, over hetgeen Jozef in oogenblikken +als deze wel voelde. + +--Hou-je van me? vroeg zij. Dit had zij al zoo dikwijls gevraagd. + +--Dat weet-je wel, heel veel. + +--Wezenlijk, heel veel? + +--Wezenlijk, zei Jozef, maar hij lag te lekker den zomermorgen te +genieten, zoo op zijn rug, om haar voor dit gezegde in zijn armen te +nemen en te zoenen, zoo als zij het had gehoopt. + +--Ben-je dan niet blij, dat we nu zoo heel alleen samen zijn, dat ik nu +heelemaal voor jou ben, dat je met mij doen kunt, wat je wilt? Hij +andwoordde iets dat haar veel pleizier moest doen. En zij sprak weer +voort: O, ik ook, ik begrijp mijn geluk nog niet heel goed, maar ik +voel, dat het er is. Ik ben zoo gelukkig, dat ik bang ben, dat het niet +lang meer duren zal. + +--O, waarom niet? + +--Ja, dat weet ik niet, maar het is zoo. Ik weet niet, maar alles is nog +zoo vreemd; ik ben er nog zoo weinig aan gewend, En ik ben zoo bang dat +vader iets zal overkomen. + +Hij stelde haar gerust. Waarom bang te zijn? Het weldadige seizoen zou +ook vader goed doen. + +--Ik weet niet, zei ze weer, maar 't is net, of ik nog altijd een beetje +bang voor jou ook ben. + +--Ben-je bang voor me?, vroeg hij, hoe dan? + +En zij lei het hem uit. Hun verhouding, zoo als die nu al acht dagen +bestond, was zoo vreemd, zoo vreemd voor haar. Het hinderde haar, dat +hij zich zoo met het meeste gemak kon schikken in al die dingen, waaraan +zij zich nog gewoon moest maken. Hij behandelde haar op een manier, +zooals hij het vroeger nooit had gedaan. Hij was heel lief, maar op zoo +een innige manier, dat 't haar wel aangenaam was, maar dat zij er zich +toch iederen keer weer over verbaasde. Het ging hem al te goed af, zij +waren hem al te eigen, die woorden en aanrakingen, die haar in 't eerst +tegen hadden gestaan, maar waarin zij langzamerhand een genot was +begonnen te vinden zich aan te onderwerpen. Maar toch, hij deed zooveel, +hij wist zooveel, en zij deed nog niets, zij wist nog niets. Waren alle +mannen nu zoo, of hij alleen? Zij voelde dat zij aan hem wech ging. Hij +was 't, die een vrouw van haar zou maken. Wel voelde zij zich groeyen in +de innige samenleving met hem, maar zij voelde zich voor zich-zelve +verloren gaan in die liefde. Waar bleven haar eigen denkbeelden, die +kleine bespiegelingen over allerhande dingen in de wereld, waar zij +alleen voor zich-zelf pleizier in had. Waar bleven de indrukken, die zij +kreeg en die zij voor haar eigen gemoed alleen verwerkte en onthield? +Alles bleef wech. Zij gaf hem alles. Zonder het te zeggen of te +waarschuwen, maakte hij zich van alles meester. Zij kon aan niets anders +denken. Hem zag zij alleen in het leven, op hem kwam alles neer. En zij +verweet hem deze waarheden zoo lief, dat hij op zijn knieen naast haar +ging zitten, haar bij haar schouders achter-over neerdrukte, en haar +heele gezicht rood en warm zoende, elken keer met zijn hoofd +achteruitgaande om haar, een beetje verder af, goed te kunnen bekijken. +Hij vond alleen dit te zeggen jij bent mijn eenige en grootste schat. +Zij had zich hulpeloos prijs gegeven. Nu en dan bracht zij zwakjes haar +armen, die aan haar zijden waren neergevallen, naar boven om hem een +beetje af te weren. Maar zij liet hem begaan, en zoende te-rug, als zijn +gezicht niet te gauw wech was. Er kwam geen sterveling over den weg +achter hen en de heele omtrek bleef doodstil. Aan mekaar geklemd, bleven +zij liggen. Keek Mathilde naar boven, dan daalde heel de hemel neer, de +blaaren verwijdden zich boven hun hoofd, stralen van vuur schoten neer; +het groen verdween en wolken van vuur en licht daalden altijd nader over +hen af. Begon het niet te waayen? Als de boomstammen met al de blaaren +ter zijde bogen, zouden zij bedolven worden door het regenend vuur, dat +boven hen ronddreef. Het bosch werd hoe langer hoe kleiner. Vlammende +winden woeyen wijd en zijd. Hijgende luchtstroomen zweefden tusschen de +stammen door altijd dichter en dichter bij. + +--Vader, waar is vader? zuchtte Mathilde, maar alles was gloed om haar +heen. In de bedwelmende lucht leefde zij voor het eerst vol haar liefde, +met opzwenkende leden en duizelende oogen. Zij zag Jozefs naakt gelaat +en zijn koortsige oogen. Was dat nu het leven? Was dat nu het getrouwd +zijn? De boomen ruischten haar huiveringen tegen. Haar oogleden trilden; +zij kreeg het koud aan de slapen. Zij viel te-rug op het mos, lei zich +met het gezicht naar beneden en, zonder iets te voelen of iets te zijn, +verborg zij haar oogen tegen den grond. + +Zij bleven nog een half uur liggen, zonder te spreken, zonder zich te +verroeren. Mathilde stond het eerst op. Ongearmd gingen zij naar het +hotel te-rug. Na een tijdje fluisterde Mathilde: Dat kan nooit duren, ik +zal gek worden, ik ben al te gelukkig, of er zal iets anders gebeuren, +ik weet niet wat. Een lusteloosheid hing verder over Mathilde dien +heelen dag. In plaats van te gaan rijden, zoo als eerst het plan was +geweest, zat zij den heden dag op haar kamer of onder het spandoek. +Jozef, die begonnen was met te probeeren haar gezelschap te houden, toen +het hem niet gelukken mocht haar tot het ritje over te halen, moest +eindigen met in zijn eentje te gaan wandelen. Wat zij deed was zoo raar, +zij deed precies als voor hun huwelijk wel. Zij durfde hem niet lang +achter mekaar aankijken. Zij sprak maar over haar vader. Tegen den avond +schreef zij een brief naar Amsterdam, vol van de innigste teederheid, +vol van hartstochtelijke gehechtheidsbetuigingen. Zij schreef haar +vader, dat Jozef het heel goed maakte, dat zij zich wel gelukkig +voelden, maar dat zij toch o zoo verlangend was hem te-rug te zien. Zij +was nu pas een groote week op reis, schreef zij, maar toch telde zij nu +al de dagen, die moesten verloopen voor hun te-rugkomst. De zekerheid, +dat vader zich goed verzorgde, zou haar echter de afwezigheid +dragelijker maken. Hij moest haar dus daarover nog vele zaken, erg in +onderdeelen en breed onderschrapt, meedeelen. Had hij geen pijn meer aan +den linkerkant? Niet de minste aandoening daarvan? Hoe was Jans? Bromde +zij niet, voorzag zij hem goed van alles, wat hij wou? Deed hij zonder +over te slaan, dagelijks geregeld zijn loopje? Hij moest dat toch vooral +nooit vergeten; de dokter had er zoo op gedrukt. Dus niet denken: de +lucht is van-daag wat betrokken, ik zal van-daag maar thuis blijven en +morgen een beetje langer wandelen, vooral niet, want van dat langer kwam +morgen toch niets. Regende het den heelen dag, dan moest hij een uurtje +afwachten dat de droppels minder zwaar vielen en dan gaan. Hij moest 's +avonds ook maar weer eens menschen vragen en zich-zelf zoo wat afleiding +geven. Het woord "avond" en "afleiding" deed Mathilde aan haar piano +denken. Zij lachte in haar eigen, terwijl zij schreef: hoe maakt het de +piano? Die komt nu zeker nooit meer open? Zoo ging zij nu voort. Na haar +vader in al zijn kleine gewoonten en geliefde bezigheidjes herdacht te +hebben, was zij op de piano gekomen en zoo verder op nog andere stukken +huisraad. Zoo het theeblad en de broodmand, de leuningstoel in de +achterkamer, de mooye lampen van het zaaltje. Zij voelde zich wel een +eeuw al gescheiden van al die zaken, die zij een week te voren nog had +gezien. Toen zij de brief af had, kwam Jozef juist binnen, die haar een +boeketje veldbloemen gaf. Zij dankte hem zoo maar, zonder zoenen. Hij +vroeg haar, wat zij nu wilde gaan doen. Zij antwoordde: pianospelen. +Stellig zou hier ook wel een piano wezen, voor het gebruik van de +logees. En Jozef liet haar weer alleen. Zij wilde liever, dat hij niet +bleef luisteren, zei ze. Nu begon hij zich bepaald te vervelen, hij +wandelde op en neer voor en door het huis, hij zocht praatjes te maken +met het andere gezelschap, hij speelde met die lieve kleine meisjes, die +hier ook logeerden. Hij bladerde in zijn reisboek, hij rookte cigaren, +beneden bij de rozepotten, hij stond op en ging weer zitten. Hij dronk +alleen thee, toen pons, toen wijn. Hij ondervroeg de kellners naar de +omstreek. Hij zat, met de ellebogen op de knieen en draaide zijn twee +duimen rond over elkaar. De versleten pianotoon van Mathildes muziek +trilde boven door het venster voort in de avondlucht. Jozef kreeg zijn +wandelstok en ging kuiltjes wroeten in het zand. Daar hield Mathilde op +met spelen. Fluisterend vroeg zij hem uit het venster, of hij niet boven +wou komen. Hij ging naar boven. Zij stelde hem voor nog een beetje over +hun reisplannen te spreken, samen iets verfrisschends te drinken en dan +vroeg naar bed te gaan, want zij was moe, en dan zouden zij morgen vroeg +een lange wandeling kunnen maken, in een andere richting dan die van +eergisteren, om verder de mooye omstreken te leeren kennen. Zij deden +zoo als Mathilde het verlangde, maar zij bleef toch den heelen avond +stil en te-ruggetrokken. + +Den volgenden dag maakten zij de afgesproken lange wandeling. Zij gingen +tot heel ver, Jozef weer in zijn licht-grijze pak en een groote strooyen +hoed op zijn hoofd, Mathilde in haar ruwe blauwe jurk. Zij liepen over +een weg vol zon en stof, wel anderhalf uur van Valkenburg af. Bij elken +stap dwarrelden vaalwitte wolkjes om hun voeten. Zij stapten langzaam +voort en lieten den rijweg tusschen hen in, terwijl zij ieder op het +smalle voetpaadje, dat voor hen uitreepte, aan weerszijde liepen. Zij +hadden al wel een kwartier gezwegen, toen Mathilde over het geloof begon +te spreken. + +--He, zei ze, de vrije natuur stemt me altijd geloovig ... Voel-jij nu +ook niet zoo iets in je binnenste? Hij andwoordde van ja, hij voelde wel +iets, maar kon zich toch volstrekt niets voorstellen. Zij vroeg, of hij +niet aan een schepper begon te denken, wanneer hij zoo'n prachtige +schepping om zich heen gewaar werd, een idee, dat zij zich van een preek +van pastoor Sluyter herinnerde. Neen, andwoordde Jozef, dat in 't geheel +niet. Hij was blij alles zoo mooi te zien, maar juist aan een persoon te +denken, die de natuur zoo vervaardigd zou hebben, daaraan had hij geen +behoefte. Hij kwam op een dichterlijke gedachte. Alleen als hij haar +aanzag, verzekerde hij halflachend, kwam er een geloof aan een eeuwig +voortbestaan in hem op. Maar zij vond, dat hij haar, nu zij eenmaal +getrouwd waren, geen overdreven komplimenten behoefde te maken. Hij +verzette zich, hij meende het wel deugdelijk. Hij hield zooveel van +haar, dat hij ijsde als hij dacht aan een eenmaal noodzakelijke eeuwige +scheiding. En was zij koud en onverschillig tegen hem, dan voelde hij +zich vreeselijk ongelukkig. Waarom was zij toch zoo? Hij sprak er nu +over, omdat zij-zelve het gesprek er op gebracht had. Maar zij +verklaarde in 't geheel niet koel tegen hem te zijn geweest. Zij was +misschien een beetje stiller; hoe dit kwam, kon zij niet uitleggen. +Eigenlijk, ja, eigenlijk vervreemde haar wel een beetje van hem, altijd +natuurlijk maar een heel klein beetje, zijn kalm ongeloof. Jozef vroeg +hierop, of hun liefde haar dan niet genoeg was, neen, dan hield zij ook +niet genoeg van hem. En buitendien, wat geloofde zij dan, hoe kon zij +haar geloof omschrijven, was zij katholiek? Neen, van die godsdienst +wist zij weinig meer en had zij nooit veel begrepen, maar zij voelde +iets in haar, dat haar zei te aanbidden en te danken. En zoo voorts, zei +Jozef. Maar zij sprak door. Zij wilde haar God aanbidden, daar buiten, +het gezicht naar de zon gekeerd en de voeten tusschen de bloemen. Zij +kon zich, evenmin als hij, goed vereenigen met het denkbeeld van een +God, die in schemerlicht of bij kaarsvlammen te vereeren zou zijn. Maar +iets was er toch, zij drukte op dat woord "iets", iets moest er wezen. +Er moest iets zijn buiten de zichtbare wereld, oneindig grooter en beter +dan al het zichtbare. Maar hij hield niet van redeneeren met haar. Hij +had haar lief, dit wist zij en dat was genoeg voor haar en voor hem. Hij +liet haar de vrijheid, om te bidden en te denken zooveel zij wou. Daarin +moesten zij ieder maar hun eigen gang gaan. Maar zij was van een heel +andere meening. Het hinderde haar, dat hij zoo cyniesch was, waar het +bovennatuurlijke zaken gold. Vader geloofde toch ook aan een Opperwezen. +En het scheen haar, als ging er weer een gedeelte van haar liefde van +Jozef op haar vader over, die zoo eenzaam in Amsterdam was achtergebleven. +Mathilde zweeg weer stil en begon na te denken, en terwijl hij, altijd +met denzelfden langzamen tred, op denzelfden afstand van haar, naast haar +voortwandelde, onderzocht zij zich zelve nog eens, om te weten, hoe het +mogelijk was, dat zij voor altijd haar bestaan aan dien Jozef Wilden had +verbonden. En in wat voor een oogenblik van krankzinnigheid, van +bedwelmenden hartstocht, had zij, had zij gisteren in het bosch dat +gedaan, waarover zij zelf nog verlegen was. Hield zij dan wezenlijk +zooveel van hem? Was toen haar ware aard boven gekomen? Of was dat +opwinding geweest, een gevolg van het heele nieuwe leven, dat zij sinds +acht dagen leefde, een opwinding zoo hevig als zij nooit te-rugkomen kon? +Waar bleef haar eerbied voor de majesteit van God in de natuur, toen zij +zoo had gedaan onder Zijn oog? Zij voelde een lichte kou in haar hart +dalen. Zouden haar droomen van toewijding aan Jozef nooit verwezenlijkt +worden? Zou altijd God, de onbestemde persoonlijke heerlijke +aanbiddenswaarde natuurkracht, het opperste wezen, die alle schoonheid +aan de aarde gaf, tusschen hen beiden staan? Zou ze van hem, Jozef nooit +naast en in dien God kunnen houden? Zou hij nooit haar mede-aanbidder zijn +en zou ze hem nooit ook om zijn gebed liefhebben? Neen, nooit! Hij zou +nooit bidden. Daarvoor was hij te veel een mooye man, een man van de +wereld, daarvoor was zijn haar te verzorgd en was zijn vest te nieuw. +Daarvoor stond hij ook te goed met zich-zelf. Hij liep zoo gerust en +ijdel, zoo zonder verdriet en met zooveel gemak rond op de wereld, dat +hij, om dat hem niets ontbrak, niet meer vroeg wie hem dat alles had +gegeven. + +Zoo dacht Mathilde voort. Alle godsdienstaandoeningen, die zij ooit in +haar leven had ondervonden herleefden in haar ziel. Zou hij haar wel +ooit genoeg zijn, hij Jozef? Zou zij werkelijk ooit alles, haar God en +heel haar zelf kunnen verlaten voor hem alleen? Zou hij ooit het eenige +kunnen worden, waaraan zij zich hechtte? Zou hij zoo bezit van haar +nemen, dat al het andere haar niet meer aanging? Zij had dat wel gedacht +en gehoopt, verleden jaar, ja, maar sinds dien tijd? En nu, nu ze ver +met hem wech was gereisd en hem alleen zag en haar vader in 't geheel +niet meer, voelde zij zich nu wezenlijk minder alleen dan ooit, zooals +zij het zich altijd had gedacht? Zij keek hem even aan, onder haar +parasol. Hij wandelde altijd maar voort. Zijn gezicht was rood geworden +van de warmte. Een paar droppels zweet biggelden van zijn slapen. Zijn +grijze pak zat vol stof en zijn schoenen waren als met asch bedekt Zijn +hoed hield hij over zijn voorhoofd gedrukt, zijn armen bengelden +vermoeid aan zijn zijden. Zijn handschoenen waren met vlekken. Hij zag +naar den horizont, naar de wolken die stegen als schuimende +rotsgevaarten, hij kon den omtrek wel een uur ver waarnemen, en zijn +mooye voorhoofd dacht niet aan God, en in zijn mooye oogen was geen +geloof. De koude vermeerderde in Mathildes hart. Neen, neen, zij kon +zich aan hem niet heelemaal geven. Zij schrikte te-rug voor zijn kalmte +en zijn langzamen gang, terwijl er bij haar zooveel omging. + +Mathilde stelde voor om te keeren, om dat het weer slecht zou worden. +Zonder ergens uit te rusten, zonder veel te spreken, terwijl de zon +verdween achter grijs zwarte wolkenpakken, wandelden zij naar het hotel +te-rug. Mathilde werd bepaald zenuwachtig. Waarom had zij dien mooyen +man getrouwd? Waarom had zij willekeurig afstand gedaan van haar +vrijheid, om hem te volgen? Waarom was zij niet bij haar ouden vader +alleen gebleven en met hem bij haar eenzame eigene gedachten, die haar +zoo dierbaar waren? Haar eigen-liefde was gekrenkt. Het griefde haar, +dat Jozef in stilte minachtte wat zij voor heilig hield. Er begonnen +zware droppels te vallen, toen zij weer op hun kamer waren Jozef ging +zitten op een stoel, om uit te rusten. + +Eenige dagen later reisden zij verder; een waas van balorigheid lag over +Mathildes gezicht. Haar stemming veranderde bijna gedurende de geheele +reis niet meer. Zij wilde, om Jozef niet onaangenaam te zijn, er niet op +aandringen de reis te bekorten, maar zij verlangde eigenlijk +onophoudelijk naar huis. + +Het scheen haar, dat zij Jozef niet meer zoo lief had als vroeger. Er +was als een verwijdering tusschen hen gekomen. Vooral des nachts, als +zij zoo zeer alleen met hem was, voelde zij een wrevel omstijgen in haar +gemoed tegen zich-zelve, dat zij een onberaden stap had gedaan. Maar +andere keeren lachten zij er over, dat zij haar huwelijk zoo noemde. En +was zij een paar dagen achter elkaar niet al te lief voor Jozef geweest, +dan had zij oogenblikken van berouw, als een kind, dan zoende zij zijn +hoofd en vroeg om vergeving. Maar de algemeene staat van haar liefde +bleef flauw. + +De verrassingen en ongewendheden, die al de bezochte vreemde streken op +haar afschudden, vermengden zich met de nieuwheid, waarin Jozef voor +haar was. Zij begon dat alles voor een te houden: hun ruwerig leven van +dezen tijd, met al zijn rare bewegingen en gezichten, met, tot getuigen +van de manier waarop Jozefs lichaam haar behandelde, onvertrouwde +luchten, bosschen en bergen, niets dan ernstige en onverschillige +spoorwegwagens, hotelkamers, en museums niets dan onbekende en haar niet +kennende straten en pleinen. Nergends gemeenzaamheid, nergends rust. +Naar geen enkel kastje kon zij kijken van haar geluk, wech was haar +piano om tegen te droomen van heerlijk, wech het teekengerij om mee te +suffen van zaligheid. En zoo kwam zij er toe zich angstig af te vragen +of er wel geluk en heerlijk en zaligheid was. Jozef amuzeerde zich +bizonder, en zij begreep hem daarom niet meer. Hij beklaagde zich wel +bij haar over haar weinige levendigheid en opgeruimdheid, maar al het +wereldsche, al het schitterende en woelige, dat zij door-leefden, vond +hij even pleizierig als het haar mishaagde. Ook was hij onophoudelijk +vol allerliefste oplettendheden voor haar, hij zocht op alle mogelijke +manieren haar ook plezier te doen hebben. Zij ging wel overal met hem +mee, maar het bleef in het geheel dat niet. + +Mathilde droomde een paar maal van haar vader, telkens akelig. Zij +droomde eens, dat hij uitging om een wandeling te doen, dat er een zware +mist op kwam zetten, die hoe langer hoe dichter werd, dat vader niets +meer zien kon op 't laatst en in de gracht viel, zij droomde een anderen +keer, dat er een dief in huis was gekomen en zich onder het bed van den +ouden heer had verstopt. Haar vader stapte in bed, zij wilde hem +waarschuwen en stak haar hand uit; zij werd wakker met een schrik en had +Jozef in haar slaap aangestooten, die haar verwonderd vroeg, waar zij +zoo ongerust van droomde. + + * * * * * + +Toen zij al heel lang op reis waren en de reis gauw gedaan zou zijn, +werd Mathildes neerslachtigheid afgewisseld door hevige aanvallen van +liefde voor Jozef. Maar tot haar droefheid merkte zij juist dan, als zij +er over nadacht, dat zij eigenlijk lang zooveel niet meer van Jozef +hield als vroeger, en dat die verliefde buyen alleen korte te-ruglevingen +waren van haar hartstocht van voor dat zij getrouwd waren. + + * * * * * + +Het was nu nog tien dagen voor zij weer thuis zouden zijn. Zij reisden +met een nachttrein door midden-Duitschland, zij zaten alleen samen in +den wagon. Om dat er over-dag niets dan vervelende boemel-treinen in den +spoorweggids stonden, hadden zij dezen trein genomen. Bevend-schemerend +daalde de schijn van het zolderinglampje, waarom de gele gordijntjes +waren toegehaald, over het donkerrood trijp van het rijtuig. Jozef en +Mathilde hadden afgesproken te slapen. Daar zij gezegd had liever in een +hoekje te blijven zitten dan op een bank te gaan liggen, deed hij uit +beleefdheid ook zoo. Zoo reden zij beiden vooruit, een armstoel was er +tusschen hen opengebleven. Mathildes grijs-gele stofjas hing open over +haar licht-grijze japon. Een boeketje lag op haar schoot van uit haar +opene handen met geel zemeleeren handschoenen. Haar hoofd, onder een +lichtkleurig kapot-hoedje, leunde tegen het donkerroode kussen. De +wiebelende schaduwen van de vooruitstekende boven in de netten geborgen +valiezen en reistaschjes bewogen over haar heen in de maat van het +dreunen van het rijtuig. Een zijige donker-blauwe voile hing juist tot +over haar bovenlip. Haar oogen vonkelden als zwarte stukjes glas. Zonder +te zien, keek zij voor zich uit. Zij hield haar hoofd een beetje op zij +met van ernst groezelige wangen. Roerloos-suffend zat zij na te denken +in de kreunende en bonzende stilte. Hoe het kwam, wist zij niet, maar +zij had zich nog nooit zoo alleen gevoeld met Jozef als in deze uren. +Was zij dan nog niet aan hem gewend? Zij wist het niet. Hield zij dan +niet van hem en was ze gelukkig alleen met haar geliefde te zijn, dus +alleen met haar eenigen, met haar alles? Zij wist het niet. Onrustig +dreven haar gedachten om. Zij stoomden den trein vooruit, ver, ver +vooruit en weer naar haar vader, die alleen in Amsterdam zat. En dan +weer te-rug naar Jozef, die daar te dommelen zat en naar wien zij haar +hand maar had uit te strekken om hem te raken. Het scheen haar dat zij +nu altijd duizend mijlen van haar vader gescheiden zou blijven, dat zij +voor eeuwig opgesloten was in deze enge ruimte met Jozef, en, zoo +verschrikkelijk gauw, een oneindige ruimte met hem werd ingedreven naar +een altijd wijkenden horizont. Voor het eerste voelde zij, dat zij haar +vrijheid van vroeger niet meer had. Zij voelde, dat zij zich +overgeleverd had en haar lot nu was beslist. Vooruit nu in het leven, +vooruit en altijd met hem, altijd bij hem, altijd naast hem, hij altijd +haar nagaande met zijn eischenstellende liefde. + +En zij bestudeerde hem, bezag hem in zijn licht-grijze reispak, de +beenen uitgestrekt op de fauteuil voor hem, met zijn lage schoenen en +elegante wit en rood gestreepte sokken. Zijn armen kruizelings over de +borst, dommelde hij, en zijn hoofd, onder een grijze reispet, zonk, bij +lichte knikjes, naar voren; zijn mond was even open gevallen. Wat had +hij toch een mooye snor en recht mannelijk profiel! Weer gleden een +reeks van doezelige droevige voorgevoelens door haar brein. Zij hechtte +een blik op hem, die vroeg, wat er nu van haar worden zou, van haar +toekomst, van haar heele leven, dat nu in zijn macht was, wat hij +daarvan zou maken. Zal-je mij wezenlijk gelukkig maken, vroeg zij, +zul-je me weten te begrijpen? Zal-je van me blijven houden, zoo als je +zegt het nu te doen, zal-je van me houden, zooals ik het van jou doe en +toch eigenlijk wel voel het altijd te zullen blijven doen? Of ben-je +wispelturig en heb ik mij vergist, vreeselijk, vreeselijk? Plotseling +dacht zij dit hevig en zag hem strakker aan. Zij wilde een andwoord +weten. Zij wilde uit zijn persoon, uit zijn wezen, uit zijn houding, uit +zijn gezicht, een andwoord lezen. Maar zij ontdekte niets. Met kleine +schokjes volgde Jozefs lichaam de bewegingen van den trein en zijn +slapend hoofd schudde ja en neen, op alles ja, op alles neen. + +Zij bekeek hem voortdurend: hij zat daar als een kind en machteloos, en +niets dan tevredenheid en genoegen-neming met het leven sliep er in hem; +zij was met hem en waakte en allerlei zorgen en rustige overwegingen +gingen er door haar hersenen; en toen begon het haar te schijnen alsof +hij toch wel goed, wel goedig was, en het altijd zou zijn. Zijn slapen +scheen haar iets klagends, iets hulpvragends tot haar te richten, scheen +een vertrouwen in haar te stellen, dat haar verteederde. Hij rekende op +haar; nu, hij kon gerust slapen: zij hield van hem! Een aandoening van +grenzelooze teederheid doorstroomde haar. Ja, hij kon vertrouwen, zij +had hem lief, zij zou over hem waken Hij hoefde niet meer voortdurend +wakker te zijn om op de minste van haar bewegingen, de geringste van +haar wenschen te letten, vol attenties, vol bewijzen van eerbied, om +haar hart te veroveren. Want de verovering was geschied, de buit was hem +en zeker kon hij zichzelf vergeten en slapen bij zijn trouwe vrouw. + +Daar gilde de stoomfluit en woei het geluid, bij herhaalde kreten, langs +de wagens. Jozef deed zijn hoofd in de hoogte, smakte met zijn lippen, +kromde zijn eene been naar boven, om dat het moe was van de langdurige +uitstrekking, bleef een oogenblik weer roerloos zitten, scheen zich toen +te bedenken, zuchtte en wreef met het blauwe gordijntje den wasem van de +ruit, die 't dichtst bij zijn gezicht was, en keek naar buiten in de +zwarte duisternis. Daarna wendde hij zijn hoofd om en keek even, heel +vluchtig, met bevende oogen naar Mathilde. Hij dacht blijkbaar, dat ook +zij sliep. Zij keken mekaar aan. Zij glimlachte. + +--Ben-je wat uitgerust? vroeg zij. + +--Ja kind, andwoordde hij in den ernst van het ontwaken. De slaap zat +hem nog in zijn oogen en mond. Hij deed zijn oogen weer toe, schoof zich +in de gemakkelijkste houding en bleef onbewegelijk. Alleen bewoog zich +tusschenbeide langzaam zijn arm en streek zijn hand over zijn kin of aan +zijn oor, terwijl hij inwendig geeuwde. Eindelijk hield alle beweging op +en bleef hij, alleen met aandachtig snel knippende oogleden, zitten +suffen. Mathilde was ook weer in haar vorig gepeins wech. Zoo levendig, +als ware zij in zijn tegenwoordigheid geweest, kwam haar vader voor haar +geest: lieve, lieve vader. Wat had hij haar zegenend gezoend toen zij +heenging! Wat zou zij probeeren hem nog verder gelukkig te maken, als +zij te-rug waren thuis! + +Maar Jozef was niet zoo rustig meer als eerst. Hij schoof zijn beenen op +en neer, rekte zich uit en zag herhaaldelijk naar Mathilde, als had hij +een plan met haar. De wervelwind van de zucht naar het avontuurlijke, +naar het gewaagde, en een onweerstaanbare begeerte deed het bloed achter +zijn ooren stijgen en gaf hem een lichte prikkeling onder de oogen. Hij +stond op, ging in de fauteuil naast Mathilde zitten, klepte den rood- +trijpen arm, die nog tusschen hen neer was, naar de hoogte en nam haar +hand, die hij op zijn been liet liggen. + +--Wat zijn we in lang niet samen alleen geweest, zei hij. + +--Hoe bedoel-je dat? vroeg zij; zij liet zich tegen zijn schouder +glijden. Van-daag den heden dag toch, en gisteren en van-nacht, zei ze +heel eenvoudig. He, ik heb zoo aan vader zitten denken, daarzoo ... + +--Nou ja, maar over-dag zijn we eigenlijk nooit alleen geweest, altijd +met andere menschen, die ons zagen, we hebben bijna nooit intiem +kunnen zijn ... + +Hij drukte zijn lippen op haar lippen. Haar tanden deden pijn want de +zoen was een beetje hard. Zij ging weer recht zitten, zij trok zich +te-rug, een beetje zenuwachtig. Zij was niets lief. Ernstig en +bedremmeld keek zij voor zich uit. Hij begreep haar niet. + +--Wat is 't nou? + +--Och, niets, andwoordde zij langzaam. Na een oogenblik zei hij weer: + +--Hou-je niet van me? + +--Ja wel. + +Nu viel hij naar haar toe, hij kon zich niet inhouden, hij sloeg zijn +armen om haar middel en wilde haar aan zijn borst trekken. Maar zij +verzette zich. + +--Nee, zei ze, nu niet ... wat wil-je toch? + +--Wat niet? Waarom niet? Waarom nu niet? vroeg hij en hij bezoende haar +heele gezicht. Zij verzette zich zachtjes. + +--Toe, Jozef, wat mankeert je nou toch? Laten we wat gaan slapen ... + +--Maar, waarom niet? Zijn wij niet alleen? Wil ik het licht lager doen? + +--Nee, nee, och nee! + +--Maar, waarom niet? + +--Daarom niet, zei ze koud en ernstig. + +Hij ging tegenover haar zitten, erg teleurgesteld. Eerst zweeg hij, keek +haar bij tusschenpoozen ongeduldig aan en dan weer den anderen kant uit, +zijn armen kruiselings over de borst. Zij trok haar stofjas weer in 't +fatsoen en raapte het boeketje op, dat gevallen was; zij hield haar oogen +neer over haar heete bleeke wangen. + +Langzamerhand begon Jozef, bij korte stooten, te zeggen: + +--Wat beteekent dat nu? 't Is absurd! Vraag ik je niet iets heel gewoons, +ben ik je man niet, ik heb immers recht om je te vragen, wat ik vraag! + +Hij was heelemaal uit zijn humeur geraakt. + +--Zoo iets heb 'k nog nooit gehoord! Moet er dan volstrekt een +slaapkamer bij te pas komen, en een egyptische duisternis en zware +gordijnen en een dubbel gesloten deur ... Er zal hier geen kondukteur +meer in komen, de kaartjes zijn geknipt ... Voor we aan het eerste +station komen, is 't nog wel twee uur. + +Zoo gromde hij voort, en naarmate hij zag, dat ze onder zijn berisping +bukte, werd hij heviger en trommelden zijn vingers op zijn knieen. + +--Wat is t'er an? zei hij verder. Ik ben geen minnaar, ik ben je man. +Ben ik je man niet? + +Na een paar minuten zwijgens en nagedachte, kwam weer het +onbegrijpelijke van de weigering bij hem boven. Zacht zei hij: + +--Zeg nou 'es, Thilde, waarom wil-je niet? + +--Och, ik weet 't niet, ik weet 't niet, snikte zij en begon wrevelig te +huilen als een kind, zoo dat tranen kleine donkere vlekjes maakten op +haar gele stofjas. + +Nog erg boos, ging hij nu weer op zijn oude plaats zitten. Maar hij kon +niet meer slapen. Hij nam zijn Baedeker en begon knorrig te studeeren op +het plattegrondje van een stad, die zij al lang achter den rug hadden, +zonder te weten wat hij las. + +De blauwe gordijntjes hingen slap langs de raampjes neer en de vaal-gele +schijn van het duistere lampje aan de zoldering trilde hevig door den +jagenden en schokkenden wagon. Het begon er benauwd-warm te worden. + +Mathilde beefde in haar hoekje; een onbegrijpelijke angst had zich van +haar meester gemaakt. Zij begreep niet goed, waarom ze zoo bang was +geworden voor Jozef. Maar ze had een schrik van hem gekregen. Neen, aan +dien man had zij zich zelf niet heelemaal gegeven. Dat was maar schijn +geweest. Een ijzig gevoel van vervreemding huiverde door haar hersenen. +Zij was bang voor nu en voor later. Nu was hij te-rug-gegaan toen zij +weigerde, maar zou dat altijd zoo zijn, zou hij later nog wel niet eens +verder kunnen willen gaan, tegen haar tranen, tegen haar smeken in? Zou +hij haar niet eens te lijf willen gaan, om haar kwaad te doen, haar pijn +te doen? Zij vreesde, ja, zij vreesde alles, maar wat dan, wat alles? Er +bestond geen reden voor haar angst. Mocht hij dan niet doen, wat hij +gewild had? Immers ja. Wat bezielde haar dan toch om op-eens zoo'n +afschrik te hebben? 't Was heel natuurlijk en gepermitteerd, wat hij +wou. Dat was het huwelijk, dat was de liefde. Alle mannen handelden zoo +tegenover hun vrouwen. En zij-zelf, wat had zij-zelf niet gedaan dien +morgen in het bosch? Wat scheelde er dan toch aan, wat maakte haar zoo +kriegelig, wat gaf haar dien onweerstaanbaren weerzin? Neen, zij begreep +zich-zelve niet meer. Zij was moe, zij was zenuwachtig. Het dansen van +den wagon om haar heen matte haar af. O, was 't maar gedaan! Waar was 'r +einde van de reis, van de lange, al te lange reis? Zij zuchtte en deed +haar handen voor zich uit in een wensch om verlossing, als om iets van +zich wech te duwen. + +De trein ging langzamer. Zij waren dicht bij een station. Zij zouden +even iets gaan eten. Jozef stond op, knoopte zijn jas dicht en zocht +zijn hoed. Toen hij voorbij Mathilde boog om het portierraampje open te +maken, hoorde hij haar snikken: "vader, vader!" + + + + +VI. + + +De table-d'hote was juist begonnen in het hotel Belle Vue te Deutz, +over Keulen, aan den anderen Rhijnkant. Door de acht hooge vensters +helderlachte een zomer-zon binnen, straalde in de glazen voor elk bord +geschaard, bevonkelde den wijn, deed het goud van de spiegellijsten en +de schoorsteenpendule blinken, verhelderde het witte tafellaken en de +sloofjes van de kellners, schemerde schijnsels van frischheid over de +fletse wanden, poeyerde stofgoud door de kroezige haren van de vrouwen. + +De pastijtjes werden binnengedragen. Een uitwaseming was over de tafel, +als bij felle kou 's winters in een dicht rijtuig, dat vol is. Een +soeplucht steeg naar de zoldering. De heeren veegden hun snorren en +kinnen schoon, zwaayend en duwend met de servetten. Heeren krabden zich +achter hun ooren, legden beide handen half toegeknepen, de zegelring +goed zichtbaar, aan weerszijde op de tafel naast hun bord, keken rond, +schuin-smakkend met de lippen van voldoening over de gegeten soep, +schuin langs hun buurvrouwen naspeurend of er gevoeglijk een gesprek te +beginnen zou zijn. Andere heeren snoten hun neuzen; eenige deden het met +hun rug naar de tafel en snoten half achter de ruggen van die naast hen +zaten; twee dames schrokken even. De jonge meisjes staarden voor zich en +hielden de handen op elkaar gedrukt achter het leege soep-bord, andere +bekeken de bewegingen van het licht tegen de muren en namen den schijn +aan hun armbanden in orde te doen. De oudere dames kruimden een stukje +brood en groetten glimlachend, met lichten hoofdknik, de menschen die te +laat kwamen. Een oude vrijster kon haar grijze oogen maar niet van den +jongsten kellner afhouden, een blonden baardeloozen krullekop met dikke +korte lippen, die handig de pasteitjes tusschen de gasten in kon houden, +zonder ze ooit aan te raken of hen te noodzaken een beetje op zij te +buigen. De schuivende stappen van de kellners klonken droog en krakend +af op het zeil over de vloer. Dit geluid vermengde zich met den doffen +klank van de schoone borden, die den gasten voorgeschoven werden, op het +tafellaken, met het gekletter van stapels borden, die in een hoek van de +zaal werden neergezet, met het zilveren getik van de vorken en messen, +die sommige heeren naast hun bord tegen elkaar lieten glijden of onder +het eten samentikten. + +Onder de soep had niemant een woord gesproken. + +Zachtjes werden er nu koele gesprekken begonnen. Beginnende glimlachjes +waren om enkele monden. Zij spraken, schor, en fluisterend, over het +mooye weer, over de aangename ligging van het hotel, over het +muziekfeest gisteren-avond in Keulen, over hun reizen. Een jongen van +twintig jaar sprak tegen een meneer, die tegenover hem zat. Daarom klonk +zijn stem boven de anderen en keken de menschen, die dicht-bij hem +zaten, naar hem op. Een reuteligheid in zijn keel en het knippen van +zijn oogen was zijn verlegenheid. Links, aan het uiterste einde van de +tafel, zaten twee roode, vette Westfalers, hun servetten van-boven in +hun wijde boorden onder de ruig-roode onderkinnen, die over vette +varkensvleeschbereidingen gingen praten. Drie fatterige Berlijnsche +heeren naast hen bogen hun drie hoofden over hun borden bij elkaar, +bespotten de Westfalers en spraken daarna heel zachtjes over een +zangeres, die deel had genomen aan het muziekfeest van gisteravond en +die om een andere reden nog-al erg over den tong ging. + +Na de pasteitjes, bij het rundvleesch, de wit-groene met kaneel bruin +bespikkelde bloemkool, en de rookende aardappelen, vermeerderde het +suizend stemmengegons aan tafel. Heeren bedienden de dames naast hen. +Een fijn blond tenger kantoorbediendetje uit Keulen, die wist, dat de +zwaarlijvige Hollandsche jongejufvrouw aan zijn linker kant altijd heel +weinig van alles gebruikte, lispte, in vlijmerig hollandsch: Jufvrouw, +mag ik u eens mikroskopiesch bedienen? De jufvrouw lachte met breede +lippen en zware witte tanden. Een lange magere heer voerde het woord +over politiek en meer bizonder over Bismarck. + +Jozef en Mathilde zaten bedaard en stil naast elkaar te kijken. Zij +waren moe van de eerste huwelijksweken en van de reis, zij dachten er nu +maar aan zoo gauw mogelijk thuis te zijn. Zij zagen allebei een beetje +bleek. Mathildes gang en haar hand-en armgebaren waren flets van +gemakzucht, een gevolg van de uitputting. Jozef was ook stiller dan +gewoonlijk. Zij zaten zij aan zij, hij voortdurend in het licht-grijze +pak, zij in een licht-bruine japon, zonder veel garneering of kant, en +zij keken een beetje beteuterd om zich heen en konden den rechten +konversatietoon maar niet vatten. Tusschenbeide zeiden zij zachtjes een +eenzaam woord tegen elkaar. + +--Zijn er van-morgen geen brieven gekomen? vroeg Jozef. + +--Nee, dat heb ik ook al vreemd gevonden. Ik had mevrouw Berlage toch +zoo gevraagd me te schrijven of alles thuis goed in orde was en ik heb +haar toch duidelijk gevraagd om me hier-na-toe te schrijven, om dat dit +het laatste adres op onze reis was. + +--Nou, misschien komt er van-avond nog wat. + +En hij gaf haar de sla aan, die, met den rosen en glibberigen zalm het +volgend gerecht uitmaakte. + +--Zal u er ook wat peper bij nemen, mevrouw? vroeg een hollandsche stem +aan Mathildes linker kant. + +In de rondte was het gesprek aan tafel nu algemeen geworden. Allerlei +stemmen, doortruffeld van het vorkgepik op de borden en het geluid van +slikken, klonken door-een. Hier en daar begon men geanimeerd te worden. +Een roodachtig heer hoestte in zijn servet, een slok wijn was zijn +verkeerde keelgat ingegaan. Een oude dame, met witte muts en paarsen +linten er aan op het hoofd, draaide zich naar hem toe, wilde hem helpen. +Maar hij stelde haar gerust met zijne korte kleine hand. Hij nam een +slok water. Een paar plaatsen verder sloten nieuwe bekenden vriendschap. +Links had een diskussie plaats over politiek. Het begon warm te worden +in de zaal. De dame die zoo lang naar den jongen kellner had gestaard, +wenkte hem en verzocht hem minzaam de middendeur open te laten staan. +Door de vestibule heen zag men nu in het wuivende groen van den tuin, +die aan den anderen kant van het hotel was. Men beproefde ook door een +venster versche lucht te krijgen. Een oogenblik hoorde men den Rhijn in +zacht golfgeklots voorbij spoelen. Maar 't tochtte en op algemeen +verlangen werd het venster weer gesloten. + +--He, ik wou, dat we al thuis waren zei Mathilde. + +Het eten duurde voort. Twee oude jonge heeren veegden hun voorhoofden +af. Zij hadden zich bizonder te goed gedaan. Een bejaarde dame zuchtte +van benauwdheid. De kellners zagen oplettend na wie nog te bedienen was. +De zonneschijn was langzamerhand gedaald van de muren en van de stapels +borden op de dientafels, die er tegen aanstonden, was ook niet meer op +de gezichten van de eters, maar brandde nog alleen op de halzen en +ruggen van hen, die aan den vensterkant zaten. + +Zij gingen aan het dessert. Eerst kwam de moskovische taart. Een paar +heeren, die haast hadden, rolden hun servetten slordig op, keken voor +zich, stonden op met stoelgekraak en een lichte beweging van de dames +aan hun zijden, bogen even, terwijl ze met iets zenuwachtigs in hun +oogen een blik over het gezelschap lieten gaan, dat hen een oogenblik +te-rugbekeek en waarvan heel ouden en heele jongen groetten gingen gauw +heen door de vestibule, namen daar hun gele strooye hoeden van den +breeden erg beladen kleerenstandaard, hun dunne wandelstokken uit den +bak er onder, en liepen schielijk de deur en den tuin uit. + +Door een andere deur, van op-zij, kwam nu de portier van het hotel +binnen, nam zijn breedbollige pet af en ging op zijn teenen naar Jozef. + +--Een telegram! zei Mathilde. + +Uit beleefdheid deden de andere alsof er niets gaande was en spraken +voort. Jozef zei niets maar zag bevreemd zijn naam aan en opende den +telegram met zijn dessertmesje. + +--Van huis? vroeg zij. + +Na twee sekonden vouwde Jozef het papier toe, frommelde het koevert, +waarin de telegram geweest was, in mekaar, gooide de prop op den vloer +en zei: 't Is niets, terwijl zijn gezicht heel effen stond. De anderen +kraakten nu noten in de rondte en zogen uit donzig vette druiven. De +jongelui waren goed aan 't drinken. Men bestelde nog een flesch wijn. De +dames hapten hun laatst hoopje vanielje-ijs op, dronken nog een slokje +spuitwater en maakten zich een voor een klaar om wech te gaan. Eenige +menschen kregen koffie. Een oude heer kreeg een cigaar uit zijn koker, +sneed er het puntje af en lei de cigaar op tafel, naar lucifers +rondziende. Twee andere heeren, met groote overhemdsborsten en breede +zwarte dassen, waren gemoedelijk familie-herinneringen aan 't op halen, +die hen nader tot elkaar brachten en slikten wat zij haast te veel +gezegd hadden wech in een langzaam bij kleine scheutjes koffie-slurpen, +terwijl er een met zijn lepeltje op zijn schoteltje tikte, als de andere +aan het woord was. + +--Wat is 't? fluisterde Mathilde. + +--Niets, herhaalde hij. + +Maar zij drong aan: + +--Toe, zeg 't nu maar. + +--Willen wij eens naar boven gaan? zei Jozef een beetje harder. + +Zij stond gauw op, groette nauwelijks twee nog aanwezige dames en +wachtte Jozef in de vestibule bij de breede wenteltrap met zijn blinkend +gepolitoerde lage treden. Hij kwam ook aanloopen, kuchte luchtig en +zocht in zijn vestjeszak naar een tandestoker; de andere hand hield hij +in zijn broekzak. + +--Nu wat is 't? vroeg zij, hem aarzelend aanziende. + +--Ik zal 't je boven laten lezen. En zwijgend gingen zij de trap op. +Mathilde wist niet wat te denken, zij beet op haar onderlip en klapte +in haar handen om haar ongeduld te temperen. Boven in hun grijzige +logeerkamer, sprak Jozef nog geen woord: hij scheen in gedachten. +Zwijgend gaf hij haar den telegram over. Mathilde las 'm. + +--O, God, zei ze, wat zullen we nu doen? + +--Niets, andwoordde hij, precies hetzelfde wat we anders gedaan zouden +hebben. + +--Laten we maar liever zoo gauw mogelijk afreizen. + +--En niet meer in Arnhem stil blijven? + +--Nee, natuurlijk niet, dadelijk naar huis gaan. Vader is erg ziek. + +--Zoo erg zal 't niet zijn. Hij heeft een sterk gestel. Laten we maar +eerste den brief afwachten. Dan kunnen we altijd nog zien. + +Mathilde wandelde de kamer op en af en dacht na. Jozef stond aan 't +venster geleund en trommelde tegen de ruiten. Hij kreeg een cigaret +uit zijn zak. + +--Ik ga maar vast pakken, zei Mathilde. + +--Dat kun-je altijd doen, zei hij, of nee, laat 't liever doen. Lieve +kind, je bent zoo moe. + +--Wat zou vader schelen? zei Mathilde, over den koffer gebukt. + +--Ja, dat weet ik niet. 't Kan natuurlijk van alles zijn, maar de brief +zal wel gauw komen, dan weten we 't. Jozef was bezig voor den spiegel +zijn das recht te keeren en zijn snor op te krullen. Al zijn oude +vriendschap voor de Stuwen kwam boven; hij was ongerust. Ik ga nog even +in den tuin, zei hij, win-je nou maar niet op, lieve kind, en laat me +waarschuwen als er nog iets komt. + +Beneden was de table d'hote gedaan. + +Voortdurend klepte de buitendeur open en dicht, de luide en lachende +stemmen van de heengaanden klonken op, om wech te suizen in de open +lucht, zoodra de deur weer dicht was geslagen, en gevolgd te worden door +andere, meer gemoedelijke stemmen, die langzaam opkwamen en uitstierven +en van slofferige voetstappen waren vergezeld, of door stemmen, die +klonken als kristallen glazen en door het geruisch van japonnen werden +omsisd. + +Jozef zou juist de kamer uitgaan, toen een kellner de trap opkwam, een +telegram in zijn hand. Jozef duwde den man te-rug, om Mathilde niets te +laten merken en gaf hem een order over het ontbijt van morgenochtend, +als had hij hem daarvoor ontboden. Terwijl hij den nieuwen telegram +openmaakte, ging Jozef achter den kellner de trap af. + +De Stuwen was gestorven. Men wist niet waaraan. "Oorzaak onbekend" stond +er. Jozef werd verzocht zoo spoedig mogelijk te-rug te komen. Jozef vond +dit alles heel natuurlijk. Hij was niet gewoon licht te schrikken, hij +draaide in de vestibule even op een hiel rond en ging toen weer langzaam +naar boven, den telegram voor zich uit houdende. + +Mathilde was niet voortgegaan met pakken maar was gaan zitten op een +stoel bij het ledikant, om eens na te denken. Dat vader zoo gauw zou +kunnen sterven! Wie had dat gedacht! Arme vader! Hoe teeder en met +hoeveel droefheid had hij haar omhelsd, toen zij wech ging, ver van hem +wech, op haar huwelijksreis! Wat had hij haar een aanbeveling gegeven +voor de toekomst, alsof hij haar nooit terug zou zien! Wat had hij veel +gesproken van de eenzaamheid, die hij tegemoet ging! Och, och, hoe had +ze hem ook kunnen verlaten! Hij had 't zelf gewild, ja, maar ze had 't +toch niet moeten doen ze had het nooit moeten doen! Waarom was ze ook +getrouwd, waarom was ze wech-gegaan uit zijn beschermende armen, die zij +verwarmde, die haar alleen nog konden omhelzen en zonder haar leeg en +slap neerhingen. En nu dood, zuchte zij ... Maar ... dood? nee, hij was +niet dood, hij kon niet dood zijn! Hij was maar ongesteld; hij moest +toch wel erg ongesteld zijn, dat ze zoo telegrafeerden van huis! Of +misschien ook niet, misschien hadden ze den indruk willen verzwaren, om +te maken dat Jozef en zij gauw overkwamen, om geen last met den ouden +heer te hebben en te zorgen, dat hij in geen geval alleen stierf, dat +daar geen mogelijkheid voor zou zijn. Ja, zoo moest het wezen. En zij +stond gauw op om verder door te pakken, met het vaste besluit dadelijk +naar huis te sporen. Jozef zou wel toestemmen, hij vond alles goed, wat +zij wou. Daar stond Jozef weer in-eens voor haar. + +--Je vader is van-middag overleden, zei hij bedaard en hoogst ernstig, +en hij hield haar den telegram voor. + +Zij nam dien niet aan, andwoordde niet, ging weer op den stoel, waar ze +daar-zoo over alles had nagedacht zitten. Met wijd open oogen keek ze +Jozef strak in zijn gezicht. Twee dikke tranen vielen op haar licht +bruine japon. Zij huilde een oogenblik stil en hevig. Toen stond ze op +in een overgegeven houding, heel week: + +--Nou ben ik wel heelemaal voor jou en voor niemant anders op de wereld, +zei ze. Zij legde haar armen om zijn hals. Hij sloeg zijn handen om haar +schouders. Hij kreeg ook tranen in zijn oogen en zag er haar zwarte haren +in golven aan zijn borst. En zij zagen mekaar aan, beiden opgewonden door +den heftigen toestand. + +Toen Mathilde met de koffers klaar was gekomen, waschte zij haar oogen +en ging Jozef opzoeken in den tuin. Zij kwam in de vestibule en keek +naar de eetzaal. De zon daalde bedaard wech achter de huizen van Keulen, +zij bereikte de tafel niet meer. Een paar kellners liepen haastig af en +aan. De tafel was bijna heelemaal opgeredderd. Over het wijn-en +vetvlekkig tafellaken vlogen vliegen in korte kringen om de vergeten +broodkruimels heen. Een zware gemengde etensreuk benauwde de zaal. Op +de vloer was een stukje rotte appel en een druivenschil gevallen. De +stoelen stonden door elkaar, een eind naar achteren geschoven de +servetten hingen er lusteloos en verkreukeld over heen. Er kwamen twee +meiden de glazen uitwasschen in een hoek van de zaal. Een kellner gooide +de eene met een perenschil. In platduitsch schold zij hem daarover uit, +terwijl de rook van haar warm water in de rondte dwarrelde. + +Mathilde stiet de voordeur open en ging naar Jozef, die, een cigaret in +zijn mond, voortdrentelde tusschen het groen in. + + + + +VII. + + +Den volgenden avond waren zij te-rug in Amsterdam. Zij reden gauw door +den regen naar huis. Jans deed al open voor er nog gescheld was, met een +doodsch gezicht. De tranen daalden over Mathildes wangen, toen zij den +gang doorging naar het zaaltje, tranen om het leven, dat wech gestorven +was uit het huis, het stille, bedaarde, goedaardige leven, met zijn +kalmen gang, zijn zacht neurieen, al zijn kleine gewoonten en al zijn +stille dingetjes. De stilte was nu zoo stil, dat het niet was om te +zeggen. De stilte van den dood ademde door het huis, een grijsheid +zweefde langs de muren en over de trappen, een warrelende schimmige +nevel waarde in de hoeken en stofte van de zoldering. Mathilde had Jans +bij het binnenkomen de hand gedrukt, zoo als het altijd in de familie +gebruikelijk was geweest aan de meiden te doen bij allergewichtigste +omstandigheden en treurige of aandoenlijke gelegenheden. Jans was nu de +jonge mevrouw, die zij in de onnadenkendheid der ontsteltenis telkens +nog jufvrouw noemde, naar het zaaltje gevolgd en hielp haar daar haar +reisgoed afdoen. + +--Hoe is 't nou gegaan, zoo in eens? vroeg Mathilde zachtjes; de tranen +drupten langzaam, zonder zenuwachtigheid, van haar wangen. + +--Ja, u zal wel erg geschrokken zijn? zei Jans. + +--'t Is treurig, erg treurig voor me, 't is een heele steun die me +ontvalt. + +En 't is zoo gauw gegaan, toch zoo gauw, onbegrijpelijk, Meneer was dan, +zooals u weet, een beetje rhematiek-achtig nog altijd, maar och gut, +anders zoo gezond als 't maar kan. Hij at goed, zeker ... flink ... ten +minste behoorlijk, zooals altijd. Een dag of vier geleden begon hij een +beetje pijn te voelen hier, bij zijn maag, op zijn rug en in zijn hoofd. +Ik zeg: meneer gaat u na bed, zeg ik, dan zal 't morgen wel over zijn. +Den volgenden ochtend nog 't zelfde. Nou, toen zeg ik tegen meneer, +blijft u nou maar legge. Wil ik ook iets schrijven of zoo aan de +jufvrouw? Nee, zeit meneer, doe dat maar niet, ze komen toch over een +paar dagen thuis. Nou, toen dee ik 't dan niet, maar 's middags werd +meneer erger, hij had zoo'n pijn, dat ie 't niet uit kon houden. Och +God, en hij huilde zoo! Ik ben naar den dokter gegaan, die is dadelijk +gekomen, hij zei, dat 't weer de rhematiek was, dat meneer maar veel +rust moest houen. 's Avonds wou ik meneer wrijven, maar dat kon ie +onmogelijk velen en hij gilde het uit van de pijn. Nou, toen dacht ik, +dat 't geen rhematiek kon zijn. Ik zee tegen meneer, of ie niet een +andere dokter gehaald wou hebben, of misschien een professor of zoo. +Maar meneer zee, dat 't wel over zou gaan, hij wou maar, dat ik hem met +rust zou laten. Zoo duurde het vooreergisteren en eergisteren en vooral +gisteren-morgen werd meneer toch zoo naar, ja gisteren morgen was 't, ik +werd er wakker van, zoo als ie aan 't kermen was. Ik naar beneden, ik +vroeg meneer of ik ook een pap voor hem klaar wou maken, of hij ook iets +hebben wou, nee, ja, hij wou den dokter hebben. De dokter kwam en bleef +een uur bij meneer en ging heen zonder me iets te zeggen. Toen werd +meneer hoe langer hoe erger. Nou, toen ben ik naar meneer Berlage gegaan +en die heeft getelegrafeerd. Ik ben gisteren bijna aldoor bij meneer +gebleven, ik kon 't niet anzien, zoo als de man toch lee. Dan schudde ik +zijn kussens en lee zijn dek goed. Lee ie dan weer een oogenblik rustig, +dan wou ie weer in-eens opstaan, en, had ie even op een stoel gezeten, +dan verlangde 'n ie weer na bed. Zoo ging het tot een uur of vier, toen +werd meneer ineens zoo akelig benauwd en blauw in z'n gezicht, dat ik +dacht, dat ie zoo dood bleef. Ik schrok er zoo van, dat ik niet wist wat +ik doen zou. Ik bette meneer z'n gezicht met water want ik dacht, dat +zijn aren zouden bersten. Na een kwartier kwam ie weer bij. Ik had +al-door geen oog van hem afgehad. Toen zee ie zachies, o toch zoo +zachies: Jans, kom eens hier. Ik geloof, dat ik nu dood ga zeg et an de +jufvrouw, zeg et an de jufvrouw. Dit zee ie precies zoo tweemaal achter +mekaar. Toen ging ie weer leggen, achterover op zijn kussen. En toen was +alles gedaan. + +Jans had het verhaal gedaan, op den ernstigen welvoegelijken toon van +een meid, die meegaat in de ongelukken van het huishouden. Mathilde had +naar haar staan te luisteren, haar hoed nog in een hand en een +handschoen aan, bewegingloos en ontroerd. Jozef had den koetsier +betaald, na dat deze de koffers in den gang had gedragen. Daarna was hij +naast zijne vrouw komen staan, met veel belangstelling in zijn gezicht, +de armen slap langs het lichaam. + +--En heeft meneer anders niets gezeid? vroeg hij. + +--Nee, meneer. + +--In 't geheel niet, vroeg Mathilde, ook die paar dagen te voren niets? + +--Nee, jufvrouw, nies bizonders, andwoordde Jans nadenkend. + +--Is er al iemant geweest? vroeg Jozef. + +--Ja, de dokter is er van-daag nog geweest en meneer Berlage kwam vragen +of u al te-rug was. Anders nies. + +Dof-zwijgend ging Mathilde de trappen op, naar boven, Jozef stapte +achter haar aan. Toen zij tien treden gegaan was, kwam Mathilde in een +luid snikken los: och, mijn arme vader, mijn arme vader, huilde zij. +Had ik het niet gedacht? Heb ik het niet voorgevoeld? He, he, 't is +verschrikkelijk! Wij hadden nooit op reis moeten gaan en hem alleen +laten! + +In een uiterst verdriet ging zij haar vaders slaapkamer binnen, haar +zakdoek voor haar gezicht. De gordijnen waren wechgeslagen voor het +ledikant van-daan. Twee kaarsen brandden er voor naast een zilveren +kruisbeeld. Daar had Jans voor gezorgd. Stijf en wit en doodelijk +verouderd lag de Stuwen onder zijn wit lijklaken gestrekt, zijn oogen +toe, zijn mond open. De bovenste rand van zijn onderste rij tanden was +zichtbaar. Het laken dekte hem tot onder zijn kin. Zijn korte grijze +haren waren glad gestreken. Een blauwige tint lag om zijn oogen en +voorhoofd en wangen, en schemerde loodkleurig door het vel. En hij was +zoo mager, zoo mager en hij had zulke diepe rimpels in zijn voorhoofd. +De gordijnen voor de straatvensters waren neergelaten en de kaarsen +schenen vaal met het verdoofde daglicht samen. + +Het lijk schrikte Mathilde af. Een beetje rillerig knielde zij neer voor +het bed. Zij bad, en zag het lijk heftig aan. Zij huilde hard-op. Toen +kon zij zich de bewegingloosheid van haar vader maar niet begrijpen. Zij +schoof het laken zachtjes wech en tastte naar de hand van den doode. Die +hand lag recht-uit, grijzig-wit, het bloed was van onder de nagels wech +en Mathilde probeerde de hand goed beet te pakken. Het vleesch van het +lijk gaf niet mee. Die hand kon haar niet meer aayen en zoo innig de +hare drukken als vroeger, dacht zij. Vader, vader! riep Mathilde, o. +vader is u nu voor altijd van me wech? En, haar kin naar voren, haar +oogleden neer, schudde zij haar hoofd, en zag wanhopend naar het lijk. +Daarna lei zij haar handen over zijn schouders en zoende het harde koude +voorhoofd. Maar zij kon niet wech gaan, zij kon hem niet alleen laten. +En weer knielde zij en deed haar gezicht tegen het doodelaken, dat in +breede plooien van het bed afhing. + +Jozef wachtte, staande. Maar toen er geen eind aan kwam besloot hij bij +de tafel te gaan zitten en eenige niet te vergeten zaken die gedaan en +maatregelen die genomen moesten worden, te noteeren. Hij was ook iets +geroerd, door het groote verdriet van Mathilde en den dood van zijn +ouden vrind, maar hij moest zijn hoofd bij mekaar houden om de drukte, +die nu natuurlijk volgen zou. + +Toen hij daar een minuut of tien bezig was geweest en bij het ledikant +niets meer hoorde, zag hij om. Mathilde knielde rechtop daar naast en +bekeek het lijk. Daarna stond zij op en zoende Jozef lang met een +betraand gezicht en drukte zijn handen. Toen droogde zij haar tranen +wech, maar huilde dadelijk toch weer met haar bleeke gezicht en liep +stilletjes naar beneden. De nacht was neergekomen en alles was zoo koud +op de trap en in de kamers, dat zij griezelde bij elke schaduw en bij +elken hoek. Jans vroeg of zij ook eten zouden. + +--Vraag 't maar aan meneer, of hij iets gebruiken wil. Meneer zit boven. +Ik heb geen trek. + +En zij drentelde troosteloos van de eene kamer in andere en bekeek alles +met haar treurende oogen: de piano in het zaaltje en de tafel en vaders +tabakspot en de kranten, die daar nog lagen, vier-vijf op mekaar, +ongebruikt in denzelfden vorm waarin zij gekomen waren. Jans had zelfs +het licht in den gang vergeten op te steken. Nergends brandde een lamp. +Mathilde nam haar hoed en stofjas en liep naar boven, naar haar eigen +kamer. Toen zij voorbij de doodekamer kwam, waarvan de deur op een kier +stond en den zachten kaarsenglans door liet schijnen, hoorde zij +gauw-achter-mekaar dof snikken en Jozef die heen en weer liep. Zij ging +weer binnen en zag Jozef, die voor het lijk was blijven staan, en te +vergeefs, ongeduldig over zijn eigen gevoeligheid, probeerde om niet te +huilen. Dit deed Mathilde ontzaglijk veel goed. Zij voelde zich-zelf er +een beetje door verlicht en zij omhelsde en zoende hem uit dankbaarheid. + +Boven op haar kamer was alles nog akeliger en duisterder dan +overal-anders. Maar zij was toch blij dat ze er was, in deze kamer, die +haar met al zijn oude kleuren zoo vriendelijk omwandde. Zij ging op haar +bed zitten, en een zachte, troostende warmte steeg door haar lichaam, +vol innigheid, vol herinnering, vol van het verleden, dat plotseling +hevig voortleefde om haar heen. Hoe vreemd en droevig-heerlijk, dit +te-rugzien van haar kamertje na haar huwelijksreis! Wat was zij +veranderd sints zij hier voor 't laatst was geweest! + +En zij sloot zich op, zoo als vroeger. Zij deed haar stoffige kleeren +uit en ging zoo voor de tafel zitten, en droomde. Daarna stak-zij het +gaslicht aan, ging buiten de deur en riep met gedoofde stem, als om den +doode niet te hinderen, dat Jans uit haar koffer haar peignoir moest +brengen. Meneer had de sleutel. Zij was zoo moe. Jans kwam boven met de +peignoir, Mathildes reismand, een een beetje eten: een stukje biefstuk, +wat princesseboonen en aardappelen. Meneer had gezegd, dat zij 't maar +aan mevrouw brengen moest, die 't wel eten zou na de reis. + +--Zeg aan meneer, dat ik maar naar bed zal gaan, ik ben dood-, dood-moe. + +Zij probeerde om iets te eten, maar het wou bijna niet door haar keel. +Half ziek van het huilen en van al de aandoeningen, met een nevel van +vermoeyenis voor haar oogen en een razend gesuis in haar ooren, ging zij +naar bed, maar toch troostte haar de gedachte, dat zij niet heelemaal +alleen over was gebleven op de wereld, maar dat er beneden iemant was, +die haar steun en haar alles zou zijn, bij wien zij haar toevlucht kon +zoeken, zoo als vroeger bij haar vader en waar zij nu toch eigenlijk +inniger bij hoorde. + +De volgende dagen met hun koortsige bezigheden, hun vermoeyenis, hun +droefheid, liepen Mathilde snel voorbij. De visites van vrienden, die +kwamen kondoleeren, het ceelen-maken, de zorgen voor de begrafenis en +voor de uitvaart, de verzorging van het lijk--zij was bij alles +tegenwoordig, deed alles mee, bemoeide zich met alles, stond met haar +treurigen ernst en een bedrijvigheid die gelatenheid insloot, Jozef in +alles ter zijde, spoorde hem aan, gaf hem raad, zei haar meening. Zij +begreep wel, dat zij haar verlies later, als alle drukte voorbij zou +zijn, pas volledig zou voelen. Voorloopig maar niet te veel aan de +ledigheid gedacht, die zou achterblijven, want er was van alles te doen: +brieven schrijven, meiden ontvangen, voor rouwgoed zorgen en zooveel +meer, en betraande oogen en bevende handen kunnen geen redelijk werk +verrichten. Jozef liet zich ook voor alles vinden, hij dacht letterlijk +om alles. Telkens zei hij tegen Mathilde van rust nemen, zeggende, dat +hij 't alleen wel afkon. + +Van den morgen tot den avond klonk de huisbel door den gang. Dan was 't +mevrouw Berlage, de heer Ster, die kwamen kondoleeren, dan was 't de +mode-maakster, de koster van de kerk, een bediende van den circulaire- +drukker, de timmerman, of wel brieven van rouwbeklag, die aankwamen. + +Toen eindelijk de dag van de begrafenis voorbij was en Mathilde de stoet +uit had zien trekken en de deur van het oude huis voor goed achter haar +vader had zien sluiten, en zij 's avonds met Jozef boven alleen was op +haar kamer en Jans naar bed, zagen zij elkaar aan, zij waren in deze +droefheid weer nader tot mekaar gekomen. Toen zij in bed naast mekaar +lagen, huilden zij allebei nog. Maar Mathilde schikte zich heelemaal +tegen Jozef aan en sloeg zijn arm om haar hoofd. Hij zou voortaan haar +eenige beschermer wezen. + +Er werd besloten, dat zij voorloopig het oude huis zouden blijven +bewonen, tot hun rouwtijd om was, had Jozef gedacht, en dan naar een +beter huis verhuizen. Uit de papieren bleek, dat Mathildes vader, +behalve dit en nog twee dergelijke huizen op den Oude Zijds +Achterburgwal, die samen twee-en-twintig honderd gulden huur opbrachten, +honderd dertig duizend gulden in effekten had nagelaten. Jozefs zaak +ging ook vooruit en leverde een acht duizend gulden in het jaar, zoo dat +zij te zamen een inkomen van zestien duizend zeven honderd gulden +hadden, waar vooreerst, zoo lang er geen kinderen waren, ruim van +geleefd kon worden in hun stand. Het bedrag van de Stuwens nalatenschap +had Jozef bizonder verrast. Hij had dan wel erg zuinig geleefd in zijn +klein huis en met zijn burger pot! Maar Jozef vond 't mooi van hem, daar +hij 't waarschijnlijk gedaan had om zijn dochter meer na te kunnen laten. + +Jozef richtte nu voorloopig zoo zijn dag in: Na het ontbijt ging hij om +half tien naar 't kantoor, kwam om een uur thuis koffie drinken, ging +daarna naar de Beurs en kwam daarna thuis iets lezen. Dan schonk +Mathilde hem een glas port-wijn. Om half zes dineerden zij. En 's avonds +bleven zij weer bij mekaar zitten tot aan den nacht. Naar de club ging +Jozef vooreerst niet. Hij wou daar liever niet komen met den rouwband om +zijn hoed. En dan, had hij thuis niet zijn lieve vrouw zitten? Haar +gezelschap trok hem meer en meer aan. Uren lang zaten zij 's avonds bij +elkaar met de thee en praatten over de Stuwen en het verledene. Over de +toekomst spraken zij weinig. + +Gedurende de eerste dagen, die op de begrafenis volgden, had Mathilde +niet naar haar vaders kamer gewild en alles precies zoo laten liggen als +het was bij zijn sterven. Zij had eigenlijk de eerste week, die op de +drukte volgde, niets uitgevoerd den heelen dag dan de kopjes omwasschen +na het ontbijt en na de koffie en de glazen na het eten. Verder zat zij +maar, met haar handen over mekaar, in de binnenkamer, waar zij zooveel +uren en uren met haar goeden ouden vader had gezeten. Dan tuurde zij in +de rondte, naar haar vaders leegen leuningstoel, naar het buffet-kastje, +naar zijn tabakspot en pijpen, naar het boekenrekje aan den wand, waar +een paar boeken over natuurkunde op zwierven, die hij doorgestudeerd +had, en waar de koeranten lagen, die hij 't laatst had gelezen. Zij nam +ze van het plankje en las ze over en wilde uitmaken voor zich-zelve, +waar haar vader het aandachtigst gelezen zou hebben. Zij zocht naar +vingerdrukken, naar een potloodstreepje aan den kant, en had zij iets +gevonden, dan toonde zij 't Jozef bij zijn thuiskomst: Kijk, zei ze, dat +heeft vader nog met belangstelling gelezen. Dan bracht zij zich te +binnen, hoe hij, wat hem betrof bij het lezen van de koerant, vroeger +altijd voorlas en er zijn meening over zei en de hare hooren wilde. + +Jozef en zij hadden besloten, dat Jans de keukenmeid waarover zij geen +klagen hadden, voorloopig in hun dienst zou blijven. Mathilde liet Jans +dan 's ochtends, als zij zoo alleen zat, bij zich komen en haar +nauwkeurig al de laatste levensdagen van haar vader verhalen hoe hij dit +gedaan had, hoe hij dat gedaan had, wat hij gegeten had, of hij op zijn +gewone tijd naar bed was gegaan, of hij thee had gedronken zoo als +altijd, en zoo voords. Dan begon zij aan Jans te klagen over haar +verlies en liet haar met zich mee klagen. Mevrouw Berlage kwam ook haar +wel een paar keer bezoeken, maar, na haar trouwen, kon zij met deze +vrouw, die toch, toen zij nog een jong meisje was, haar beste vriendin +was geweest, lang zoo goed niet meer over-weg. Misschien wel, om dat +mevrouw Berlage haar nog altijd te veel als een jong-meisje behandelde +en het Mathilde hinderde, dat zij niet sprak als van getrouwde vrouw tot +getrouwde vrouw. + +In den namiddag, als Jozef thuis was, zaten zij meestal in het zaaltje +achter. Daar was het ruimer en een beetje lichter. Jozef had al licht +iets te schrijven of zoo, waar hij wat plaats voor noodig had. Maar +Mathilde deed niets. Zij kon haar oude handwerkjes niet hervatten, want +dat maakte haar onbeschrijfelijk melankoliek. De piano had zij met het +sleuteltje gesloten en zij wilde er niet eens naar kijken. Zij had zoo'n +trek eigenlijk om te spelen, droevige, zachte, sombere melodien, maar +zij deed 't toch maar niet, om Jans en de buren niet te ergeren, en ook +om dat zij 't in zich zelf ongepast vond. Zij zat maar te droomen van +vroeger en naar haar vaders portret te kijken, dat aan den wand hing. +Dan dacht zij na,--en zij moest er bitter om lachen--wat 't haar een +strijd en een moeite had gekost om Jozef zijn huwelijksaanzoek niet te +weigeren, om dat het haar zoo hard was voorgekomen zich van haar vader +te scheiden, om dat zij zich niet had kunnen denken in een toekomst, +waarin zij niet altijd aan zijn zijde zou zijn om hem te verzorgen en +hem nooit alleen te laten, om dat zij zich met afschrik had +voorgehouden, hoe, als zij trouwde, zij daar het zwakkelijke, goede, +oude mannetje alleen in zijn huisje zou moeten achterlaten misschien. +Zij dacht er over na, dat zij in Jozefs vraag alleen had toegestemd op +uitdrukkelijke voorwaarde, dat haar vader bij hun in zou komen wonen, +zij hem altijd zou kunnen verzorgen en in zijn behoeften zou kunnen +voorzien, altijd bij hem zou kunnen zijn. En nu? Zij had zich wezenlijk +toen niet zoo bekommerd hoeven te maken! Nu bracht zij zich te binnen +wat zij zich al niet voorgenomen had te doen om in 't vervolg haar vader +het leven altijd aangenamer en aangenamer te maken. Zij herdacht den +zachten nieuwen leuningstoel, dien zij in de Kalverstraat voor een +winkelraam had zien staan en dien zij voor hem zou hebben willen koopen, +en een bonten voetwarmer, dien zij aan had willen schaffen, een mooye +zware Duitsche pijp van dertig gulden, en het mutsje voor zijn lieve +oude hoofd, dat zij voor zijn verjaardag had willen borduuren en de +dikke wollen handschoenen, tegen den aanstaanden winter. Hoe had zij ook +door willen voeren, dat hij elken dag aan tafel een paar glazen zeer +ouden wijn zou drinken en voor de koffie, om twaalf uur, een flinke +eetlepel met flikjes zou nemen. Hij hield zooveel van chocola! En wat +een plannen had zij gemaakt voor als zij met hun drieen samen zouden +wonen in een grooter huis, vader, Jozef en zij! Wat had zij er nog met +vader over gesproken dat zij de avondjes voort zou zetten, die hij +begonnen was, dan natuurlijk hij haar aan huis, en hij, vader, op de +eereplaats! Zij zou hem een ruime kamer gegeven hebben met alle denkbare +gemakken, en een schel onder zijn bereik, hoog van verdieping en op de +zon gelegen, waar hij zich zoo graag in koesterde. + +'s Avonds, als Mathilde met Jozef aan de thee zat, herinnerde zij zich +vooral de teederheden van haar vader voor haar. Terwijl de schemering +dwarrelde door de kamer en Jozef, aan den anderen kant van de tafel, +rookte en wechdook in de duisternis, schoot het vlammetje onder den +theepot stralen naar haar oog en tuurde zij er zoo lang met groote oogen +in, tot de stralen heen en weer wipten en dansten en braken en de +thee-pot verdween in een warreling van gouden pijltjes en er stille +tranen spatten op haar japon. Al de herinneringen uit haar vroegste +jeugd en van later kwamen op in haar verbeelding, zachtjes na mekaar. +Die goede vader, die zoo innig goed was, zoo iets wereldsch, zoo +plicht-getrouw, die zoo bedaard en eenvoudig het leven doorging en haar +zoo erg, met zoo een trouw, zoo oprecht en zonder bijbedoeling, had +liefgehad. Daar waren nooit plechtige oogenblikken tusschen haar en haar +vader geweest, er waren nooit hartstochtelijke dingen tusschen hen +gebeurd, er waren nooit van die uren geweest, waarin hij haar een +nadrukkelijk en opperst bewijs van een overgroote liefde zou hebben +gegeven. Hij was altijd stil voor zich heen geweest, en kalm, hij +verdroeg zijn verdriet en genoot zijn pleizier zonder veel ophef. Toen +haar moeder gestorven was, had hij haar eenvoudig gezoend en hadden zijn +tranen over haar wangen gevloeid, toen zij naar 't kostschool ging en +zij dus voor een heden tijd scheidden, was precies hetzelfde gebeurd. +Dit waren de eenige oogenblikken, waarvan zij zich herinnerde, dat hij +een beetje ongewoon was geweest. Nooit had hij haar het leven gered, +nooit zelfs had hij haar in vervoering tegen zich aangedrukt. Maar toch, +wat voelde zij vreeselijk, dat hij er niet meer was, hij, de eenige +liefde van haar heele jeugd! Zij kon zich maar niet denken, dat hij +dood was. Zij kon zich in dit huis maar niet thuis voelen zonder hem. +Dan kwam zij een kamer binnen, wat, was vader er niet? Dan ging zij naar +boven, naar bed,--wat, had zij vergeten vader goeye-nacht te zeggen? +Waarom kwam zij hem, met zijn stille goedige gangetje, nooit meer tegen +op het portaal? Waarom bleef zijn plaats toch open aan het ontbijt en 's +middags aan tafel, wat was er toch iets vreemds, iets verlatens aan de +stoelen en tafels, aan de vloer en vooral aan den leuningstoel van de +binnenkamer! En al de meubels werden haar dierbaarder dan vroeger, om +dat hij ze had gebruikt, om dat zij, zonder te zien en te spreken, zijn +leven hadden bijgewoond en hem hadden helpen leven. Zij kon met een +aandacht kijken naar de kale plekjes op het tapijt en het een beetje +afgesletene van de stoelen hier en daar, om dat iemant ze door ze +herhaaldelijk te betreden kaal had gemaakt en iemant ze moest hebben +versleten. + +Zoo zat zij 's avonds te droomen in haar zwarte japon zonder garneersel. +Als de avond om was ging zij met Jozef naar boven. Zij gaf hem zijn +nacht-zoen in het portaaltje, waarop hun kamers uitkwamen, want Jozef +sliep nu op het logeerkamertje, om dat zij zoo moe en zoo zwak en zoo +verdrietig was en beter kon liggen en rusten alleen in het een-persoons +bed. Jozef had wel eerst de logeerkamer willen nemen, die boven het +zaaltje was, maar Mathilde had hem graag dicht bij haar 's nachts en +buitendien, dat was alles van-zelf toevallig zoo gegaan. Zij hadden er +niet eens over gedacht of het wel redelijk was. Zij schenen in het leed +van den dood hun hartstocht in te sussen. Zij zoenden mekaar goeden +morgen en goeden avond als twee vijf-en-twintig jaar getrouwden. Soms +lei Jozef zijn hand op haar schouder of streek haar over 't haar, maar +dan andwoordde zij met geen enkelen blik, met geen een beweging. Hij had +medelijden met haar droefheid; hij begon zich wel al te vervelen, maar +hij wilde zich in deze omstandigheid schikken. Hij las maar koeranten en +had ook zijn oude boeken over staathuishoudkunde weer eens doorgebladerd. +Allerlei boeken waren hem door de handen gegaan, toen hij de nalatenschap +en beschikkingen van den ouden heer geregeld had. Zoo was hij daartoe +gekomen. + +Tot nu toe had Mathilde, na de begrafenis, nog niet in de slaapkamer van +haar vader durven gaan. Jans had alles daar een beetje opgeredderd en +schoongemaakt, maar verder was de deur gesloten gebleven. De sleutel +stak er wel op, maar niemant had sints een dag of veertien de licht- +bruine kruk bewogen. Maar Mathildes verdriet begon zich zoo te hechten +aan al de voorwerpen in huis, die haar vader het dikwijlst had aangeraakt, +dat zij eindigde met den wensch te hebben al de overblijfselen van zijn +meest innig en eigen bestaan weer te zien, en, voor zoover zij ze nog niet +kende, te ontdekken en te betasten. Een droevige nieuwsgierigheid mengde +zich in haar doffe verdriet. Zij wilde nu die slaapkamer ingaan, en +zachtjes over den vloer loopen, die lucht inademen, die kleuren zien, +waarin hij had geleefd als hij alleen was. Zij wilde aan die ruimte, +waarin aan die zoldering waaronder hij zoo gauw was gestorven, vragen of +hij erg geleden had, of hij nog veel om haar had gedacht. Er mengde zich +nog angst voor de kamer in haar nieuwsgierigheid: zou zij misschien de +doffe echo van zijn stem hooren, zou niet zijn stap nog ergends treden, +achter het bed, bij de tafel? + +Een ochtend, dat Jozef naar 't kantoor was over tienen, liep zij +langzaam de trap op naar boven. Haar zwarte haar hing verdrietig over +haar vale voorhoofd, en haar zwarte kleed schoof zonder geluid over de +treden. Zij kwam binnen en sloot de deur achter zich. Een frischheid +kwam haar te gemoet, de buitenlucht waarin zich het geluid van de straat +oploste, drong om haar ooren en haar gezicht. Jans was waarschijnlijk +van-morgen nog hier geweest, want achter de neergelaten gele jaloezien, +stond een van de twee vensters open. Het gegons en gebrom van de straat +woei naar binnen. Mathilde haastte zich het venster te sluiten. Zij trok +de jaloezien allebei op. Toen keek zij rond. Wat een stilte, wat een +eenzaamheid! Den rug naar het venster gekeerd, rechtop, het bovenlijf en +het hoofd een beetje naar achteren gestrekt, de handen gevouwen naar +beneden gedrukt en naar onderen geopend bekeek zij lang alles wat er in +de rondte stond. De glans van het daglicht, die het zwart van haar japon +vergrijsde, had zich over haar rug gespreid in een glimmend ovaal, viel +in plooyen tot haar voeten en glimperde door de kroesige bosjes haar +rondom haar hoofd. Zij liep naar het ledikant en schoof gauw de witte +gordijnen op-zij. Zij keek er in. Er was niets. De kussens en peluw en +de dekens en sprei lagen in twee hoopjes op de matras gestapeld als in +een bed, dat niet meer gebruikt wordt, wachtende op een nieuwen +gebruiker. Zij schoof de gordijnen weer dicht. Daar naast was de kleine +kast van haar vader in den muur. Verder was er een schrijfbureau, een +klein kastje, dat altijd het "apotheekje" genoemd werd, waarin allerlei +huishoudelijke medikamenten werden bewaard en geetiketteerde fleschjes +en doosjes; voords nog een kast in den muur, die alleen door het +smoeselige bruin van het behangsel rondom het sleutelgat kenbaar was, +waar het linnengoed en de kousen van den doode in werden geborgen. +Eindelijk stond er een sjiefonjeire; hierin bewaarde de oude heer +allerlei voorwerpen en snuisterijen, herinneringen aan zijn vrouw, +eenige teekeningen van hem zelf uit zijn jeugd, papieren, ringen, +kadootjes, een kostbaren wandelstok, een heele kollektie van zijn eigen +oude zakportefeuilles, en zoo meer. + +Mathilde had aan het ontbijt de sleutels van Jozef gevraagd en begon met +de bovenste laa van deze kast open te trekken. Met den arm, waarom de +enge zwarte japon rond gespannen zat, leunde zij op den kant van de laa +en keek er in neer. Al die voorwerpen, waarvan zij vele nooit had +gezien, en die met een soort van eerbied en achterhoudendheid door haar +vader buiten elks bereik werden gehouden, die hij alleen kende, waarvoor +hij alleen zorgde, waarom hij bepaald veel gaf, het gezicht daarvan deed +Mathilde bizonder aan. Met wat een genoegen moest vader dikwijls 's +avonds in zijn eentje die dingen hebben te voorschijn gekregen, ze +gehanteerd en bevoeld hebben! Zijn goedige, bedaarde, nederige, +huiselijke geest gaf haar nu een zeer sterken indruk. Vooreerst lagen +daar twee kerkboeken, een, zoo hoog en zoo breed als een mannen hand, +met zwart geworden zilveren sloten, stoffig en vergrijsd goud op snee, +met gele spikkeltjes op het witte papier van-binnen: het was een kadoo +van de Stuwen-zelf aan zijn vrouw geweest. "Aan mijn dierbare vrouw, de +echte christin", stond als toewijding voor tegen het schut-blad +geschreven. Het andere kerkboek, een fransch, veel kleiner, was van de +Stuwen-zelf geweest, maar in jaren niet gebruikt. Daarnaast zag Mathilde +een zilveren horlogeketting. Maar zij besloot, met het pijnlijk +welbehagen, dat zij in deze bezigheid had, de laden eerst alle te openen +en in te zien, om daarna de dingen een voor een te betasten en te +bezichtigen. Knersend en haperend stommelden een paar laden open, als +verborgen zij zaken, die niet gaarne hadden; dat het daglicht tot hen +doordrong, andere gleden weer gewillig mee en waren als met was +bestreken. Alle waren gevuld. Een schat van prullen, voor Mathilde van +de hoogste waarde, had zij nu onder haar oog, en zij bleef er op staren +en droomen. Zij vergat zich-zelf in den aanblik van al die doode +voorwerpen, die vroeger geleefd hadden in haar vaders handen zij snoof +de geur van verleden dagen op met graagte. Maar zij had zoo'n rijkdom, +dat ze niet wist waar te beginnen en zij had de tijd zoo vergeten, dat +Jans kwam zeggen: de koffie stond klaar en meneer zat beneden te wachten. + +Mathilde ging naar beneden. Zij had nu een bepaald onderwerp, waarmee +haar geest zich bezig hield 't was of de droefheid een beetje, een klein +beetje maar toch iets, minder erg was. Zij deed aan Jozef verslag, van +hetgeen zij had gevonden en daarbij gevoeld. Zij was er heelemaal van +vervuld, zij sprak over niets anders. Zij zat met de ellebogen op tafel +en vertelde alles. Zij was verwonderd over dit, over dat. Die oude +beurs, die zij gezien had, die haar moeder nog voor haar vader gehaakt +moest hebben, met die gouden franje, herinnerde zij zich wel heel lang +geleden eens in de ouderlijke slaapkamer te hebben gezien, maar zij wist +volstrekt niet, dat haar vader die nog had. En dan die kerkboeken weer, +och, hoe aardig! 't Was wel akelig al die reliquien van vaders leven zoo +voor zich te hebben, maar er was toch ook iets aangenaams in, zooveel +dingen te vinden, die zij nu natuurlijk in hun huishouden zouden +bewaren, en die hun onophoudelijk aan vader zouden herinneren. Jozef +vond het ook, die kleine onwillekeurige soeveniers hadden veel +aantrekkelijks. Zij zouden heilig opgeborgen en verzorgd blijven. +Mathilde sprak er weer over voort of zweeg tusschenbeide en liet haar +zwarte armen rechtuit op het witte tafellaken liggen, terwijl haar oogen +er over heen droomden. Het kwam zelfs niet in Jozef op dan haar hand aan +te raken, die in de zijne te nemen of te aayen. Zij vertelde hem alles +en zag hem daarbij aan als een vriend, een vertrouweling, een broeder. +In geen tien dagen hadden zij van hun liefde gesproken. Het leek wel +alsof zij al tien jaar getrouwd waren. + +Zoo doorleefden zij de dagen. Telkens na het ontbijt en telkens na de +koffie ging Mathilde zachtjes naar boven. Zonder leven te maken was zij +al boven gekomen zonder dat Jozef of Jans het merkten. De tijd van de +kondolatievisites en van de visitekaartjes was voorbij. Het waren +rustige, doodelijk stille dagen, die gauw achter mekaar kwamen. En +Mathilde maakte de uren, die zij met Jozef moest samen zijn, altijd nog +korter. Zij sprak op 't laatst weinig meer van haar dagelijksche +vondsten en gedachten. Het laatste had zij verteld van de intieme +brieven van haar vader, die zij allemaal, naar tijdsorde gerangschikt, +in het bureautje op de slaapkamer had vinden liggen. Jozef was eens met +haar meegegaan, hij had haar tegenwoordig leven willen deden, zich +aansluiten bij haar bezigheden. Maar na dat zij eenmaal samen waren +bovengekomen, was zij aan het bureau gaan zitten, zoo in 't midden dat +er geen plaats meer voor hem overbleef, en had al wat er onder haar +handen lag in beslag genomen. Hij, werkeloos, lusteloos en verlegen, +bleef er naast staan, niet wetende hoe zich te houden; hij had gebaren +gemaakt om iets aan te vatten of in te zien, die gebroken werden door +dat zij toevallig haar arm tusschen hem en het ding heen bewoog; hij had +met belangstelling iets gevraagd, waarop zij geen andwoord gaf, +heelemaal verdiept in haar studie. Hij was dus maar te-ruggeslopen naar +het zaaltje, waar hij gemakkelijk ging zitten, zijn beenen uitgestrekt, +en kranten las, en zich verveelde. + +Mathilde maakte ook haar nachten langer. Zij ging 's avonds vroeg naar +bed en stond laat op. Zij zeide zoo'n moeite te hebben om in slaap te +komen, door haar vermoeidheid en haar verdriet. Zij had zelfs ook na den +eten, gedurende den avond, haar napluizingen willen voortzetten en Jans +om een lamp gevraagd, maar daartegen had Jozef zich ten stelligste +verzet, zeggende, dat dat haar nog meer afmatten zou en haar slaap nog +meer bemoeilijken. + +Voor het oude bureautje gezeten, leefde dan Mathilde het leven der +herinneringen voort. Zij deed het met een altijd vermeerderende liefde, +met een inspanning, een drift en een volharding, die tot halsstarrigheid +werden en uit een onwrikbaar genomen besluit schenen voort te komen. Dit +besluit bestond dan ook. Het had zich langzaam, voetje voor voetje, in +haar ziel gedrongen en zich daar vastgehecht, zonder dat zij 't zich +zelf goed bewust was. Zij had besloten toch zooveel voor haar vader te +doen als zij zich voor haar huwelijk had ingeprent. Zij had zich +eenmaal, eer zij met Jozef op reis ging, voorgenomen, dat, bij hun +te-rugkomst, de innige verstandhouding tusschen haar vader en haar zou +voort duren, ja nog inniger worden zou. En zij wilde haar plan getrouw +blijven. Gedurende haar afwezigheid had zich zooveel teederheid en zorg +in haar hart opgestapeld, dat zij zich van dien voorraad, van die +kracht, niet ineens kon ontdoen of haar geheel in tranen kon laten +wechvloeyen. Zij had zich-zelf eenmaal beloofd dat, als zij eens +wezenlijk getrouwd, wezenlijk vrouw zou zijn, zij beter dan ooit en nu +voor-goed aan haar vader vergelden zou, wat zij voor het geluk van haar +heele jeugd aan hem te danken had. En nu gebeurde dat, buiten haar eigen +weten om. De eenzame ruimte van deze verlaten kamer trok haar meer en +meer aan. Hier ademde zij de gedachten en gemoedsbewegingen in, die uit +het oude verleden hier waren blijven hangen. Haar liefde sliep, zij +vergat zich zelve, zij vergat Jozef die beneden alleen zat. Als zij de +brieven van haar vader las en al die kleine zaakjes, die hij achter +gelaten had, hanteerde met een innige teederheid en behoedzaamheid, dan +was 't alsof zij zijn lotgevallen van vroeger deelde en als dochter hem +vereerde in deze geheime en bizondere kenteekenen van zijn goedhartig en +haar zoo dierbaar bestaan, dat nu op gehouden had voor altijd. Haar +jeugd verdoofde. Zij dacht niet meer aan het tegen woordige. Koud, als +een beeld, ging ze op en neer door het huis, terwijl het warm was in +haar hoofd en de figuur van haar vader onophoudelijk door haar +verbeelding dwaalde. Uit al de woeligheid, de koortsige opvolging van +indrukken en gezichten, den rijkdom van de voortdurend wisselende +omgeving en den aandoeningenstorm van de huwelijksreis plotseling in de +grijze stilte, in de sombere kilheid en eentonigheid van het huis, waar +de doodslucht door heen had gewaaid, verplaatst, scheen ze zich er in te +zullen ziek-suffen en de diepe ontsteltenis, door het kontrast +veroorzaakt, niet te boven te kunnen komen. Het was te gauw gegaan, het +was te hevig geweest. Zij voelde nog voortdurend den eersten schrik. +Alle begoocheling was wech, wech de vrolijkheid, wech het brandende +leven. Terwijl de scherpte van het leed langzaam week, bleef ze +ongevoelig voor elke nieuwe levensprikkeling ook. + +Zoo kropen onder Jozefs voeten heen de dagen voorbij. In zijn altijd +sierlijk, nu donker-blauw pak, stapte hij 's morgens met een verveeld +gezicht de deur uit, en, daar hij nu anders niets te doen, aan niets +anders te denken had, lei hij zich met de borst op de kantoorzaken toe, +zich dieper naar zijn lessenaar buigende, werd ijverig, zocht zijn +inkomsten te vermeerderen. Hij droeg nu voortdurend, in plaats van zijn +gekleurde een eenvoudige, breede zwarte strikdas en een hoogen rouwband +om zijn hoed. Hij was er toe gekomen eenige studieboeken van vroeger, +die op zijn kantoor in de stof lagen en daar vergeten werden, naar zijn +huis te laten brengen. Hij had daar vroeger een tijd lang nog al +pleizier in gehad en, daar hij zich onmogelijk bij publieke +vermakelijkheden kon vertoonen en anders niets had om zijn ledige uren +mee door te brengen, kwam het genoegen te-rug en zette hij zich 's +middags en 's avonds aan de studie. Toch deed hij niet veel meer dan +lezen, met belangstelling. Hij maakte geen aanteekeningen. Het waren +werken van Quack, Heemskerk, de Pinto, staathuishoudkundige en +populair-rechtsgeleerde boeken. Nu ging hij ook nieuwe uitgaven over +dezelfde onderwerpen koopen, waar hij zich nu eenmaal mee bezig hield. +Verder las hij het Handelsblad, den Figaro en de Fransche romans van +George Sand en Feuillet. Dit alles in afwachting, dat Mathildes +droefheid en ziekelijke afgetrokkenheid zou verdwijnen. Ook kreeg hij +'s middags wel eens bezoek van een club-vriend, D'Ablaincourt of Hasman, +die een uurtje bleef praten en een glaasje port met hem drinken. Een +enkele maal verscheen er een kantoorklerk, die iets te vragen had. +Overigens kwam er niemant. + +Er waren weer twee weken voorbij. Het was op een zonnigen Donderdag, +vier uur, een uur voor het eten. De deur van het zaaltje stond open. +Jozef zat voor de met een rood en zwart tafelkleed overdekte tafel in 't +midden van het zaaltje, zijn hoofd over een boek gebogen, gesteund door +zijn blanke smalle hand, met een kleinen zegelring aan den pink. Een +half-uitgedronken glaasje portwijn stond voor hem. Verder lag er een +hoopje papieren. Er was een aangename dagheldere tint. In den gang was +alles kalm. Alleen het gekuch van Jans, het sissen van boter of het +geklater van borden, die op of van mekaar geschoven, en het geklitter +van zilveren lepels en vorken, die bewogen werden, klonken in den gang. +Op-eens spande zich met een gepiep de ijzerdraad van de voordeurschel en +de klepel klepte, met een gebibber van de ijzerdraad en; de schel klonk +luid langs de witte muren met twee, telkens zachtere herhalingen. Jozef +zag niet op; alleen knipte hij even snel met zijn oogen. Men kon hem, in +de diepte van het zaaltje, van de straat af zien zitten, toen Jans de +deur open had gemaakt voor een juffrouw die zij niet kende. + +--Is mevrouw thuis? vroeg een hoog stemmetje. + +--Jawel, jufvrouw. + +--Zou 'k mevrouw ook even kunnen zien? + +De oude Jans keerde zich om, en, terwijl zij haar hand om de kruk van de +voorkamerdeur schoof, andwoordde zij. + +--Och, wil u hier maar even binnenkomen, asjeblieft? + +Haar oogen op-zij, om Jozef niet te zien in de verte, stapte de ranke +elegante jufvrouw, op haar hooge bottines met verlakte puntjes, in de +voorkamer, waar Jans haar volgde. + +--Kan ik ook zeggen, wie der is? + +De jufvrouw reikte in de roestige hand van de keukenmeid, die deze zoo +juist aan haar boezelaar had afgeveegd, een klein dof-geel +visitekaartje: Emilie Hartse. + +Na een blik tegen de jufvrouw, als had zij dien naam meer gehoord, ging +Jans wech. Toen zij voorbij het zaaltje kwam, om Mathilde boven te +waarschuwen, riep Jozef haar binnen. + +--Laat eens zien, zei hij, en daarna herkennend: o! Hij gaf Jans het +kaartje te-rug, waarna zij de trap opslofte. Jozef ging voort met lezen. +Na een paar minuten, draalde Jans te-rug, de trap af. + +--Zou mevrouw komen? + +Ja, meneer. + +Maar het duurde vijf minuten; Mathilde kwam niet. Jozef keek eens rond +en gaf er zich rekenschap van. Nog gingen er vijf minuten voorbij en +Jozef hoorde niets komen. Toen stond hij op en ging zelf naar de +voorkamer. + +Hij kwam binnen en groette beleefd. + +--Jufvrouw ik wou u niet langer laten wachten. + +--Dag, meneer van Wilden, hoe maakt u 'et? ... En hoe gaat 'et uw vrouw? + +Zij stak hem haar arm toe, die tot aan den elleboog in een zwart +glace-en handschoen was. + +--Dank u, zij zal zoo wel komen ... En wat heeft men u in lang niet +gezien ... Dat zal wel een jaar of vier, vijf zijn! + +--Ja, ik ben verleden week pas te-ruggekomen in het land ... Er is heel +wat gebeurd in dien tijd, zei zij, plotseling ernstig, bijna meewarig. + +--Ja, ja, andwoordde Jozef, het is een groot verlies voor ons geweest. +Wij hielden zoo veel van hem! + +--Hoe houdt uw vrouw er zich onder? ... Och, ik begrijp heel goed, dat 't +haar een groot verdriet moet doen, maar daartegen is 't al weer gelukkig, +dat zij nu zoo'n grooten steun heeft in ... in u. 't Zou wat anders geweest +zijn om dat alleen te dragen. + +--Ja, zei Jozef. + +Zij spraken er nog eenigen tijd over door. Toen vroeg hij na een kleine +pauze. + +--En is u al dien tijd in Parijs geweest? + +Bij deze vraag nam hij haar eens goed op. Zij was een lange vrouw, een +half hoofd grooter dan Mathilde. Zij droeg haar blond-rossig haar in een +doffe warrelend-krullende boeket van onder den hoed, die naar voren open +stond, tot even boven haar fijne als geel-gepenceelde wenkbrauwbogen. +Zij had erg klare scheIblauwe oogen in ruime kasten. Zij had een dunnen +vogelen-neus. Haar vel was erg blank, met een doorschijnend rood plekje +onder elk oog. + +--Altijd in Parijs, andwoordde zij, ja! + +En zij ging voort met over Parijs uit te weiden. Zij was er eerst op 't +pensionaat geweest, toen even te-ruggekeerd in Holland en daarna weer +voor eenige jaren bij de familie van Riet, den holllandschen konsul in +Parijs, een broer van den heer van Riet van Amsterdam. Een wees, zoo als +zij, vloog als een vogeltje dat geen eigen nest heeft, van den hak op +den tak, zeide zij. + +--En denkt u nu voorloopig in Amsterdam te blijven? vroeg Jozef. + +--Ja, zei ze, tante wordt oud, ik kan haar nu goed gezelschap houden, en +buitendien, men verlangt toch altijd naar zijn eigen vaderland te-rug. + +Zoo zette zich het gesprek voort, maar Mathilde kwam maar niet. + +Eindelijk zei Jozef: + +--Mathilde komt maar niet. Ik zal eens gaan hooren wat het is. + +--Och, doet u 'et niet, mevrouw kan misschien niet van haar bezigheden +af. + +--Ik begrijp 't wel half, andwoordde Jozef, waarom zij niet komt. U moet +het haar niet kwalijk nemen. Zij heeft zich het verlies van haar vader +vreeselijk aangetrokken, al te erg, vind ik. Zij is in een soort van +doffen geestes-toestand geraakt, die ik mij niet goed begrijpen kan. Zij +zit den heelen-dag maar boven, op zijn kamer, om haar vader te treuren. +Ik laat haar maar stil haar gang gaan. De tijd zal het verdriet van-zelf +slijten. U zal haar dus exkuzeeren. En Jozef ging Mathilde maar niet +halen. Hij dacht dat zij misschien roodgehuilde oogen had en liever geen +vreemde menschen wilde ontmoeten. + +Emilie Hartse bleef uit beleefdheid, om niet dadelijk heen te gaan, nog +even. Haar betrekking tot Jozef bestond eigenlijk hierin, dat zij, die +een kennisje van Mathilde op de Amsterdamsche school was geweest en +daarna een jaar op de zelfde kostschool met haar was geweest, later, bij +de Stuwen aan huis, waar die kennis voortgezet werd, Jozef nu en dan +had ontmoet. + +Toen Jozef haar nu, na wederzijdsche beleefdheids-betuigingen, +uitgelaten had, was hij verwonderd in den gang Jans te ontmoeten, die, +beladen met tafelborden en zilver, bezig was voor het eten te dekken. + +--Is het al zoo laat? vroeg zij. + +--Ja, meneer, zei Jans, verwonderd over die vraag, kwart voor vijven. + +Toen Mathilde met haar bleeke droevig-droomende gezicht en strakke +wangen, aan tafel kwam, verweet Jozef haar zachtjes haar +menschenschuwheid. + +--Waarom ben-je niet even gekomen, lieve kind? Emilie Hartse was er. Ze +was erg verlangend je eens weer te zien na zoo'n langen tijd. + +--Och, ik ben haar al haast vergeten, en ik was boven zoo druk bezig. Ik +was niet gestemd. Ik zou niet weten wat ik met haar zou hebben moeten +spreken ... Blijft ze lang? + +--Ja, ik heb een heel tijdje met haar zitten praten. Ze is al door in +Parijs geweest, maar blijft nu voor goed hier. + +--Zoo! zei Mathilde flauwtjes. En zij spraken nog enkele woorden over +andere onderwerpen. + +Na het eten ging Mathilde in het zaaltje zitten voor het op de +binnenplaats uitziend raam, aan het lezen van een oud dik met vette +lettertjes volgekrabd schrijfboek. Het was het dagboek, door haar vader +in zijn jeugd gehouden, waarin hij al zijn zorgen en zijn vreugden op +nogal droge manier had neergeschreven, door Mathilde in een hoekje van +het bureau boven ontdekt, en dat ze nu geregeld 's avonds met warme +tranen beschreide. + +Zes dagen later werd er, zoo-wat op hetzelfde uur, op dezelfde manier +gescheld als dien dag. Het was Emilie Hartse, die vroeg of mevrouw nu +toch misschien te spreken was. Maar Jozef had Mathilde in zoo een +droefheid en dofheid na de koffie zien wech gaan, dat hij Jans zeide +Mathilde maar niet eens te gaan waarschuwen, en zelf weer een half +uurtje met jufvrouw Hartse ging praten. Deze verzekerde dat 't haar nu +verbazend speet, dat zij Mathilde zoo graag had gezien om te probeeren +haar een beetje te troosten. Daarbij zei ze ook, dat 't zoo'n groot +geluk voor haar zijn zou de kennis met Mathilde, de vriendschap liever, +te vernieuwen. De menschen waren haar hier zoo vreemd geworden na haar +verblijf in het buitenland! Zij hield met bijna niemant omgang. En +Mathilde en zij hadden elkaar vroeger toch zoo goed gekend! Hierna kwam +het gesprek op de familie van Riet, waar Emilie aan huis woonde. Jozef +vertelde, dat de heer en mevrouw van Riet, ongeveer een maand voor +Mathilde en hij op reis waren gegaan, nog een avondje bij de Stuwen +hadden doorgebracht. Toen kwam van-zelf de muziek en de literatuur ter +sprake. Emilie kende veel fransche romans, van Feuillet, van George +Sand, enz. Maar Jozef verzekerde, dat er ook mooye nieuwe Duitsche +romans bestonden en Engelsche. Hier wist Emilie bijna niets van en zij +liet zich door hem een paar van die boeken leenen, om ze te lezen. + +'s Middags aan tafel vertelde Jozef, dat Emilie Hartse er weer was +geweest, dat hij haar een boek geleend had. + +--Zoo! zei Mathilde, glimlachte heel even, goedig, flauwtjes, en sprak +weer over iets anders. + +De zomer verstreek. Tien dagen na haar vorige visite, kwam Emilie zelf +de boeken terugbrengen. Ze had nog wel nu en dan een woord in de +dictionnaire op moeten zoeken, maar overigens hadden de romans haar wel +bevallen. Nu bleef zij wel een uur praten. Jozef leende haar weer andere +boeken en nog eens en nog eens, die zij telkens te-rug kwam brengen, dan +na een veertien dagen, dan na een week. Iedere keer werd er eerst veel +over boeken gesproken, daarna had Emilie heel wat te vertellen over de +familie van Riet, van de hoofdpijn en het water in de beenen, waaraan +mevrouw sukkelde en van de gezelligheid en de gemoedelijkheid van +mijnheer, maar die wel eens tot vervelendheid oversloeg in den omgang +zonder einde van het dagelijksche leven. Voorts deelde zij aan Jozef +haar indrukken over Amsterdam en de Amsterdamsche wereld mede, vergeleek +die bij de wereld van Parijs, sprak eindelijk over Jozef-zelf, over +Mathilde en over hun plannen. Jozef vond haar wel een aardig ... ja, hij +wist niet goed hoe hij haar voor zich-zelf noemen zou. Emilie was een +jaar of vier-en-twintig en nog ongetrouwd, dus een meisje. Maar zij was +ontwikkeld en op de hoogte als een vrouw. Het waren Jozefs aangenaamste +uren, en die zijn onverdragelijke eenzaamheid het genoegelijkst +afwisselden, die hij met haar doorbracht. Oh 't laatst vergat hij wel +eens aan Mathilde verslag te doen, wanneer Emilie hem weer een visite +had gemaakt. Te midden van de beleefde troostwoorden die hij dagelijks +nog tegen haar zei, kon hij niet goed van zijn vroolijker gesprekken met +Emilie vertellen. + +Eens op een avond, dat zij het theegoed binnendroeg zei Jans: + +--Der staat 'n parasol in den gang, menheer, die heeft zeker jufvrouw +Hartse vergeten? + +Nu trof het Mathilde voor het eerst. Toen Jans wech was, zeide zij + +--Is die er van-middag al weer geweest? + +Zij zeide dit wel op haar gewonen toon van tegenwoordig, waar zoo weinig +belangstelling in was, maar ze zeide het toch. + +--Ja, andwoordde Jozef, zij kwam een boek te-rug-brengen. + +--Wat komt ze dikwijls! zei Mathilde, nog onverschillig. + +--Och, ze leest graag, en ze heeft weinig konversatie in de stad ... + +Dien avond zat Mathilde weer te droomen achter het ouderwetsche theeblad, +terwijl het zaaltje zich in duisternis dompelde en Jozef op de kanapee +een cigaar rookte, Maar nu en dan, terwijl zij zich onbewegelijk hield, +richtte Mathilde de oogen naar den kant, waar hij zat, naar de gloeyende +punt van de cigaar. Zij scheen dan over iets na te denken, dat buiten haar +droefheid was. Jozef zag het wel, maar hij gaf er zich geen rekenschap van. + +--Hoe lang is vader nu al dood? vroeg Mathilde eens, als wist zij dat zelf +niet het beste. + +--Vier, vijf weken, kind, vijf en een halve week. + +'s Avonds, bij het goeye-nacht-zeggen, zei Jozef. + +--Willen wij morgen nu niet eens een wandelingetje gaan maken, Thilde, +het zou zoo goed voor je zijn ... + +--Och nee, nog niet, ik blijf maar liever thuis, ik ben bang voor de +straat ... + +--Kom! zei hij, maar er was niets aan te doen. + +Eenige dagen later kwam Mathilde eens om drie uur 's middags beneden en, +voorbij het zaaltje gaande, hoorde zij daar spreken. + +Stilletjes ging zij naar de keuken. + +--Wie is er bij meneer Jans? vroeg zij. + +--Jufvrouw Hartse, mevrouw. + +Zij vond 't onaangenaam. Haar doffe, wanhopige rust in de eenzaamheid +van haar vaders slaapkamer was verstoord. Zij kon vooreerst nog niet +scheiden van die kamer, maar zij was niet meer zoo onophoudelijk +verdiept in het denken aan haar vader. Zij zat als naar gewoonte voor +het bureau, maar betrapte er zich op somwijlen, dat haar blik van het +voor haar liggend brievenblad was wechgeweken en langs den rand van den +bovenkant van het bureau dwaalde en dat zij dacht aan Jozef en aan +Emilie, die misschien beneden samen zaten te praten. Maar dan, als ware +zij van haar plicht afgeweken ging zij weer door met lezen met dubbelen +ijver. + +Een week later,--de deur van de dooden-kamer stond open--hoorde +Mathilde de huisdeurschel gaan. Zij herkende de bizondere trilling van +het geluid. Als was zij dat al lang van plan geweest, stond zij op en +ging, haar zakdoek in haar hand naar beneden. Jans deed juist open. +'t Was Emilie. Mathilde ging op haar toe en, met een eersten glimlach na +zes weken. + +--Wel jufvrouw, het doet me toch plezier u eindelijk eens te ontmoeten. + +Emilie zei te gelijker tijd, met een meewarig lachje, iets, dat niet +gehoord werd onder de woorden van Mathilde heen. + +--Ja, mevrouw, mag ik u nog wel kondoleeren ... + +--Dank u, u begrijpt ... + +Zij gingen de zijkamer binnen. + +--Ja, mevrouw, dat hoor ik ... + +Zij spraken voort. Mathilde verontschuldigde zich, dat zij zoo dikwijls +op zich had laten wachten. Zij sprak van haar groote droefheid, sprak +voords over het leenen van de boeken van Jozef, dat zij zeide heel +aardig te vinden, om toch vooral niet den schijn te hebben daar niets +van te weten. Toen kwam ook Jozef binnen. Het verraste hem Mathilde daar +te vinden. Het deed hem pleizier. + +Dien avond zaten Jozef en Mathilde onder de thee als gewoonlijk zwijgend +bij-mekaar. Zij hadden heel weinig gesproken sinds Emilies vertrek, een +half uur voor den eten. Jozef dacht juist aan niets anders dan aan de +geur van zijn cigaar en aan het ongelijk dat hij gehad had met een vrouw +als Mathilde, die zoo lang bedroefd bleef, te trouwen, toen hij een snik +hoorde en het lichtje onder de theepot hevig zag waggelen en deinen. +Mathilde stond op, ging naar hem toe en zei met een bevenden mond: + +--Och toe, ontvang d'r niet meer alleen, die Emilie. wees niet meer met +haar alleen! + +Zij drukte haar gezicht tegen het zijne, terwijl zij haar armen om zijn +schouders hield en zij morste een traan van haar wang op zijn snor. Maar +eer hij tijd had van zijn verwondering te bekomen en te-rug te zoenen, +was zij al van hem van-daan. Zij vluchtte de kamer uit, de trap op, als +riep een onweerstaanbare stem haar naar boven, en sloot zich op in haar +vaders kamer. Daar bleef zij in donker boven het bureau huilen. + +Jozef wist niet wat te doen. Eerst wilde hij haar nagaan, maar hij +bedacht zich, hij bleef zitten, en ging weer alleen naar bed. + +De dagen daarna leefde Mathilde in een veelkleurig peinzen en in een +wonderlijken tweestrijd. Langzaam, met groote macht, daalde de liefde +voor het leven, voor het jonge genietende leven in haar hart. Zij was +verschrikkelijk zenuwachtig. Het eene oogenblik zat zij voor het oude +bureautje, en wilde er niet van-daan gaan. Maar het volgende oogenblik +kon zij 't zoo niet langer houden. Zij stond op, liep naar de deur, maar +bedacht zich weer, en viel af in lange droomerijen. En terwijl de tijd +verliep en de eene dag den anderen volgde, doemden daar voor haar geest, +midden-in de treurige verlatenheid om haar heen, al de indrukken te-rug +van haar liefdesgeschiedenis met Jozef, droomde zij dat leven over, van +den eersten avond van zijn verklaring en valt nog lang voor dien tijd af +tot aan den laatsten avond van hun huwelijksreis. De tijd van haar +treuren kwam als vreeselijk lang voor haar. Was dat dan zoo lang +geweest, dat zij haar man, beneden vergeten had. Hoeveel gedachteloze +zoenen hadden zij mekaar in dien tijd gegeven, wat een tijd was het +geleden, sinds zij mekaar zoenden den heelen dag! Al de gezichten van +haar huwelijksreis kwamen op in haar verbeelding, en het kwam uit dat +zij maar gewaand had zich ongelukkig te voelen toen. Het was was niet +waar geweest, de bedwelming van dat schokkende nieuwe leven was er geen +verdoovende geweest, zoo als zij het zich toen gedacht had. Mathilde +kreeg een kleur van aandoening en begeerte, zij sloot het bureau dicht, +al de laden een voor een. Zij liep door de kamer heen en weer, een glans +over haar voorhoofd. Dat was liet geluk geweest, die huwelijksreis, dat +de jeugd, dat het genot. Zij streek haar handen over haar wangen en over +haar zwarte japon, om zich alles goed te herinneren. Er ging een +prikkeling door haar leden. Een levensgloed schemerde door de doode-kamer. +Een rijkdom van kleuren, een vloed van onbegrepen genietingen dwarrelden +er door Mathildes hersens. Haar hoofd bonsde, een drift naar nieuw genot, +naar meerdere vreugde nog, vulde haar. O, vader, prevelde zij, o, Jozef, +Jozef, Jozef! + +Dien middag aan tafel merkte Jozef nog niets van de verandering in +Mathilde. Wel zag zij hem voortdurend aan en trachtte nu en dan zijn +blik op te vangen, om zich er eens rekenschap van te geven of zijn oog +nog 't zelfde stond als vroeger, als hij naar haar keek, wel waren haar +gebaren minder loom, maar hij zag 't niet. 's Avonds ook nog niet, maar +den volgenden morgen, na hun ontbijt van negen uur, waaraan Mathilde hem +verteld had, dat zij zoo heerlijk had geslapen, als in geen tijden, +vroeg zij: + +--Als je van-middag na de beurs thuis komt, gaan we dan een wandelingetje +doen? + +--Meen je 't wezenlijk? + +--Ik verlang er na, zei ze, ik ben in zoo lang niet uitgeweest! + +Jozef bracht er, werkelijk waar, een heden blijden ochtend om door op +het kantoor. Hij was er gelukkig mee. + +Om drie uur gingen ze uit. Voor 't eerst had Mathilde haar rouwhoed op +met de lange kaper. Toen zij buiten kwam in het groote licht, in de +levende straat, duizelde haar hoofd. Maar zij nam Jozefs arm, die zoo +heerlijk steunde. Stil gingen zij voort. Mathilde keek naar haar voeten, +haar zwart-stoffen laarsjes, om te zien of zij wel precies gelijken pas +met Jozef hield. Maar het ging niet. Hij maakte te groote stappen. Zij +wandelden de Hoogstraat door, daarna langs den Kloveniersburgwal tot aan +den Amstel, tot aan de Hooge Sluis. Hier voelde Mathilde zich moe worden. +Zij wandelden denzelfden weg te-rug, nog langzamer. + +--He, zei Mathilde, die goeye vader, wat hield hij ook van zoo'n loopje! + +Maar er klonk alleen nog maar melankolie in haar stem, de hartstochtelijke +droefheid was overgegaan in het smartelijk-plezierige van de herinnering. +Toen zij bij hun stoep te-ruggekeerd waren, drukte zij Jozefs arm innig +met den haren. En zij brachten een avond door zoo als vroeger. Hun levens +naderden elkaar weer zeer. + +Nu begonnen er dagen voor Mathilde, zoo gelukkig als zij ze nog niet had +gekend. Langzamerhand begon ze er vrede mee te krijgen haar vader niet +meer in haar nabijheid te zien. Zij verbeeldde zich, dat hij nu in een +hemel, in een soort bovenaardsche sfeer verkeerde en hij van omhoog op +haar neder glimlachte, als hij zag, dat zij niet zoo mistroostig meer +was. Haar gevoel dat altijd behoefte aan iets geheimzinnigs bovenaardsch +had, gaf haar volzinnen in over het nog bestaan en de zaligheid van haar +vader, die zij zich zelve herhaalde als de gedachte daaraan haar hinderde, +en die haar te vrede stelden zonder dat zij verder behoefte had er meer +over na te denken en er zich onophoudelijk mee bezig te houden. + +De anderhalf jaar van hun rouwtijd gingen Jozef en Mathilde kalm, zonder +gebeurtenissen, in altijd weer vermeerderende liefde, voorbij. In den +eersten tijd, als Jozef van de Beurs thuis kwam en Mathilde zag hem dan +zijn boeken opzoeken en gaan zitten lezen en studeeren als een werkzaam +man, dan deed haar dat een onuitsprekelijk genoegen en had ze hem er nog +liever om. Zij kwam dan wel naast hem staan, lei haar hand op zijn +schouder en boog zich over hem heen om ook in het boek te kijken. Zij +las een paar zinnen met hem mee en vroeg dan, om zijnentwille, wat of +dit of dat beteekende. Wanneer hij 't haar verklaarde, begon zij tegen +hem aan te leunen en vroeg meer uitleggingen. Eindelijk zat zij op zijn +schoot, en het gebeurde dikwijls, dat zij zijn zinnen afbrak, door hem, +midden in hun ernstig gesprek, zoo te zoenen, dat hij niet verder spreken +kon. En dan vroeg zij zoenen te-rug, dan bleven zij zoo'n heelen middag +zitten vrijen als waren zij heel pas getrouwd. + +Jozef begon te voelen, dat hij dol veel hield van zijn vrouw, Als zij +niet bij hem was, was hij zoo gehoorzaam, dat hij 't niet harden kon. +Kwam zij een oogenblik te laat beneden aan 't ontbijt, een vijf minuten, +dan was hij ongerust, dan ging hij kijken. Had zij hoofdpijn, dan werd +hij bezorgd, dacht over middeltjes na, ging zelf naar den apteker. Hij +was gelukkig in deze afzondering met Mathilde, die zooveel van hem +hield. Hij verveelde zich niet meer. Hij dacht er den heelen dag aan om +zijn vrouwtje allerlei kleine pleizieren te doen. Hij had een prachtige +eikenhouten kist laten maken, met veel beeldhouwwerk er aan, em haar die +kadoo gemaakt, om er in de volgorde, die zij zelf zou willen, den inhoud +van de latafel en van het bureau haars vaders in te verzamelen en te +schikken. Wat een stille blijdschap voor Mathilde, toen zij op een +morgen de kist vond staan in het zaaltje, en Jozef haar zei wat er mee +gebeuren moest en haar vroeg, waar zij hem gezet wilde hebben, boven op +de slaapkamer of hier in het zaaltje. Zij verkoos het zaaltje. En, samen +met Jozef, besteedde zij er nu een paar dagen aan om de zaakjes over te +pakken, samen met Jozef besprak zij de volgorde, waarin zij de +voorwerpjes en papieren nu zouden bergen. Hij hielp haar nu met alles. +Al het egoisme, de te-ruggetrokkenheid van haar droefheid was verdwenen. +Zij liet Jozef meedoen in al de droevige vreugde, die zij van deze +nieuwe schikking had; telkens vertelde zij zachtjes van de gedachten, +die er door haar geest gingen onder deze bezigheden. Des ochtends raakte +zij zelfs niet aan de kist of aan de reliquien; zij vond er een zoet +genoegen in, hem te laten merken, dat zij op hem gewacht had, om samen +alles te doen, en hem over alles raad te vragen. De kist werd het +dierbaarste meubelstuk van het zaaltje en van het huis. In de morgenuren +deed Mathilde het huishouden, wat gedurende haar afzondering heelemaal +aan Jans was overgelaten geweest. Dan breide en borduurde zij ook. Zij +maakte een beurs voor Jozef, zij zag het linnengoed na en bemoeide zich +met zijn kleeren. Hierin vooral begon zij een bizondere liefhebberij te +krijgen: zich langzamerhand en hoe langer hoe inniger in de +bizonderheden en uitwendige eigenaardigheden van zijn persoon in te +wijden; zich er erkenschap van te geven, wat hij al zoo aan zijn lijf +had, den vorm van zijn boven-en van zijn onderkleeren na te gaan, zijn +kleine gewoonten te bespieden, uit te vorschen wat hij liever had dan +wat anders, wat hij verkoos voor hemdsknoopjes, voor halsboorden en +manchetten, hoe hij zijn jassen droeg, hoe zijn broek en zijn schoenen +waren ingericht en werden gebruikt. + +Zijn persoon werd het voorwerp van haar beoefening. Hem zoo volledig +mogelijk en in alle onderdeelen te kennen, werd haar doel. Zij wilde +zijn goede trouwe vrouw zijn en blijven, zij wilde alleen denken om zijn +geluk en hem gelukkig maken. Zijn mooye lichaam kende zij nu heelemaal; +zij had al die vormen en de manier, waarop zij zich bewogen, in haar +verstand opgenomen. Zij wist hoe zijn haar was, waar er rimpels waren op +zijn gezicht, wanneer hij naar zijn zin geschoren was en wanneer niet. +Zij wist wanneer en waar zijn wangen rood werden; al de schakeeringen +van schaduw en licht, van rood en wit en blauwig en grijzig, het geaderde, +het gladde van zijn gezicht had zij nagegaan, onwillekeurig en toch om +dat zij het wilde. Hoe kende zij zijn lach en het fronsen van zijn +voorhoofd; zij kende zijn tanden, groot en wit, zij kende de verschillende +glansen van zijn oogen, en hun kinderlijke goedige uitdrukking als hij +blij was, en hun doffen gloed als hij nadacht. Zij kende de aardige +manier, waarop hij zijn eene wenkbrauw optrok, als er een besluit genomen +moest worden. Zij kende zijn weinig behaarde armen, zijn zachte borst, +zijn middel, dat zij altijd met het hare vergeleek, zijn beenen, veel +langer dan de hare, zijn voeten met hun hooge wreef. En zij had dat alles +zoo lief, zij vermeide er zich in het als haar heilig eigendom te +beschouwen. Zijn flanellen verstelde zij zelf met een uiterste zorg. Hij +raadpleegde haar als er een vest versteld moest worden of een nieuwe das +gekocht, en over het strijken van zijn overhemden. + +Zij snuffelde in zijn kleerenkast. Hij had op hun reis bijna alleen zijn +grijze reispak gedragen en was na hun te-rugkomst natuurlijk altijd in +'t zwart en donker-blauw gekleed geweest. Zijn vele andere kleeren kende +zij alleen, om dat zij ze hem aan had zien hebben voor hun huwelijk. +Maar ze nu zoo van-dichter-bij te kunnen beschouwen, ze te betasten, al +die kleedingstukken en die toiletzaken, die hij als ongetrouwd heer had +gebruikt en die nu allemaal in haar oude huis waren overgebracht dat +deed haar een groot pleizier. + +Maar zij wilde hem-zelf, zijn binnenste, nog beter kennen. Wanneer zij +zijn handen half dicht gehouden, voor haar, op het kantje van de tafel +zag liggen, met den zegelring aan zijn pink, dan wilde zij weten, wat +die handen al deden en aanraakten buiten haar tegenwoordigheid, en wat, +toen zij haar nog niet mochten omhelzen en streden. Wanneer hij 's +avonds, wat hij dikwijls deed, in het zaaltje op en neer liep, zijn +handen op zijn rug, en hij zijn hoofd zoo recht-op droeg, en hij, van de +hoogte van zijn oogen tot haar nederzag, terwijl zij achter 't theeblad +zat of aan de tafel te lezen, en dat gezicht hem ernstig en vol liefde +over haar na scheen te doen denken, dan wilde zij weten naar wat of naar +wien die blikken zoo gingen en die gedachten zich richtten in haar +afwezigheid, voor en tijdens hun huwelijk, toen hij niets aan haar had +gehad. Zoo kwam zij hem over alles te ondervragen. Zij stelde belang in +zijn kantoorzaken, in de Beurs. Hij moest van-alles vertellen, om haar +te vrede te stellen: hoe zijn bedienden er uitzagen, hoe de boeken +werden gehouden, of hij pleizier had in de zaken, of het personeel hem +eerbiedig behandelde, of hij in zijn appart kabinet zat en van daaruit +de zaken bestuurde of hij een mooyen lessenaar bezat, of hij veel +visites kreeg op het kantoor, of er wel eens vrouwen kwamen. O, stellig, +als hun rouwtijd om was, zou zij hem stellig daar komen opzoeken en zijn +omgeving eens goed bekijken. Emilie Hartse kwam er toch nooit, nietwaar, +nooit? Wel neen, andwoordde hij, hoe kon ze er aan denken, er kwam nooit +een vrouw Ik heb zoo'n groot vertrouwen in je, verzekerde ze hem wel, ik +weet niet hoe het komt, maar ik heb zoo'n groot vertrouwen in je, dat ik +eigenlijk maar weinig jaloersch ben. Hierna ondervroeg zij hem, met een +ontzachlijke nieuwsgierigheid, naar zijn levens-inrichting van voor hun +huwelijk. Ja, zij wist er wel veel van, want, daar zij zooveel omgang +met elkaar hadden gehad, altijd, had hij natuurlijk veel verhaald, maar +was alles wel waar geweest, wat hij vertelde? wat had hij verzwegen? +Och, hij kon nu gerust alles zeggen, nu waren zij toch getrouwd! En hij +zoende haar en deed de verlangde verhalen, tot in de minste onderdeden, +en telkens vroeg zij meer, telkens nadere bizonderheden tot dat zij het +zich volledig kon voorstellen. + + * * * * * + +Emilie Hartse kwam af en toe visites maken bij Jozef en Mathilde, en +Mathilde doorleefde een aangenaam kwartiertje, toen Emilie eens een heer +meebracht, Louis Berlage met wien zij geengageerd was. Mathilde was toen +bizonder hartelijk tegen Emilie en zij schenen groote vriendinnen. + +Maar het gelukkigste voelde zich Mathilde als zij en Jozef alleen waren. +En dat duurde maar voort, dag in dag uit. Mathilde was dronken van +geluk. Zij voelde het stijgen van haar hart tot in haar keel en zij kon +'t niet uitspreken, zoo overstelpte het haar. Al de warme liefde van hun +engagementstijd en al het onbeschrijfelijk genot van de huwelijksreis +schenen zich te vermengen en haar in een tweede natuur om te scheppen. +Zij had hem eindeloos lief! Zoo zou 't altijd blijven bij haar, dat +voelde zij wel en zij schrok te-rug voor de macht van haar eigen gevoel. +Alleen maar als hij naderde, schoot er als een vlam naar haar hoofd, en +nam hij haar in zijn armen, dan leunde haar hoofd achterover tegen zijn +schouder en weende van zaligheid. Ze zou altijd bij hem hebben willen +zijn, zij wilde altijd weten wat er in hem omging. Soms vroeg ze hem +in-eens, half bedroefd: waar denk-je aan?, als ze een tijdje zwijgend +bij elkaar waren geweest. Dan deed 't haar verdriet van-zelf niet te +weten wat hij dacht. En 's nachts, als zij te slapen lag tegen zijn +borst, hief ze haar hoofd naar hem heen en fluisterde zoo zacht, zoo +zacht als de gedachte: hou-je van me? Hij moest het vijf maal, zes maal +zeggen, dan vroeg ze hem om een zoen en sliep gerust in. En 's morgens, +als zij was opgestaan en hij nog doorsliep, en ze ging even voor het +venster kijken in de eerste frischheid van het ontwaken, dan, met de +herinnering van den vorigen avond en het vooruitzicht van een daggelijk +aan dien van gisteren, dan werd het haar te benauwd in haar gelukkig +hart, dan moest het venster open al was het koud, dan moest ze ruim +kunnen ademhalen, en de liefdevreugde, die blonk uit haar oogen, doen +uitstralen in de open lucht. + +Was zij vol kleine oplettendheden, zocht hij op allerlei manieren haar +pleizieren te doen, haar liefde was vindingrijker. Zij dacht over alles, +zij wist alles te raden en zijn wenschen te voorkomen. Zij ging 's +middags nu dikwijls wandelingetjes doen, door de Damstraat en den +Nieuwendijk en bracht iets voor hem mee, dat hij dan onder zijn servet +vond liggen, aan het eten. Zoo had hij allang verlangd naar een +horlogeketting. Zijn gouden had hij voor de rouw afgelegd. Nu had hij er +nog wel een van platina, maar die besloeg, en beviel hem niet. Hij +vergat maar altijd er zelf een te koopen of wel hij zag er alleen, die +niet van zijn smaak waren. Na lang rondkijken had zij er eindelijk een +uitgestald gezien en die gekocht: een breed zwart geribt lint, met +enkele dofzilveren versierselen. Thuisgekomen, bevestigde zij het met +haar slanke handjes aan zijn vest, en hij was er erg gelukkig mee. + +--Telkens als je nu op je horloge kijkt, zeide Mathilde, moet-je nog +eens speciaal aan mij denken, ... natuurlijk moet je altijd om mij +denken, om dat ik zooveel, zooveel van je hou, maar dan nog eens +bizonder. Hij beloofde het. + +Mathilde had ook een uitgebreide studie gemaakt van zijn gelief-koosde +spijzen en dranken. Hij had niet graag, dat zij zelf veel in de keuken +kwam. Van zulke duitsche zeden hield hij niet, beweerde hij, die zaken +moesten aan de keukenmeid overgelaten blijven. Maar zij deed 't toch 's +morgens, als zij wist, dat hij niet thuis komen zou, en onder beurstijd. +Hoorde zij dan maar even zijn huissleutel ritselen aan de voordeur, dan +haastte zij zich de keuken uit en liet Jans verder begaan. Er waren twee +soorten van pudding en een manier om met kruiden ossevleesch te braden, +daar hij erg op gesteld was; dit had zij gemerkt, om dat hij dat op reis +zoo dikwijls had besteld. Telkens als deze spijzen nu op tafel kwamen, +zag zij duidelijk aan Jozef, dat hij haar verdacht van weer in de keuken +te zijn geweest, maar zij ontkende ten stelligste, en na den eten kreeg +zij er toch een zoen voor. + +Zoo leefden zij, bijna onophoudelijk met hun tweeen alleen, het najaar +en den winter en daarna weer den zomer door. Intieme kennissen hadden +zij niet; alleen van den ouden heer Berlage, den ingenieur Ster, mevrouw +van Borselen en Emilie Hartse kregen zij een paar visites. Maar Jozef, +die Mathilde zoo mooi vond en zoo dikwijls tegen haar zei: wat ben +je toch mooi!, Jozef, die ijdel was en van vertoon hield, begon +langzamerhand naar meer menschen-zien te verlangen, om benijd te kunnen +zijn. + +Al dikwijls hadden Jozef en Mathilde over het nieuwe huis gesproken, dat +zij in een niet al te verwijderde toekomst zouden betrekken, over dat +huis, dat eigenlijk pas wezenlijk hun huis zou zijn, heelemaal naar hun +idee ingericht en gemeubeld. Telkens werd er weer over gesproken en +weer. Mathilde volgde in alles Jozefs meening en Jozefs smaak, of wel +zij had een nieuwe opmerking, die hij met geestdrift aannam. Maar er was +nog niets besloten. Vooreerst werd de vraag behandeld, of men in de +Vondelstraat-buurten een huis zoude zoeken of aan een van de mooye +grachten, Heeren-of Keizersgracht. Mathilde, die verliefd was op alles +wat "buiten" en "vrije" natuur heette, was wel eerst voor de nabijheid +van het Vondelpark, maar, om dat Jozef van die meening was, vond ook zij +ten laatste de hoofdgrachten nog deftiger, stiller, rijker, aangenamer. + +Zij waren in de laatste zes weken van hun rouwtijd, in de lichte rouw, +toen er op een goeden dag besloten werd, dat Jans een rijtuig zou +bestellen, waarmede Jozef en Mathilde huizen zouden gaan zien. Mathilde +had dagelijks uit de koerant opgeteekend waar er huizen te huur of te +koop stonden in de buurt, die zij hadden verkozen. Zij had dit lijstje +in haar zak gestoken. Vier, vijf dagen achter-mekaar werd er gereden en +drentelden zij zich moe door vertrekken en portalen, trap op trap af in +die ontmeubelde en verlaten woningen, met hun kale trappen en kale +vensters en hier en daar vlekken op de vloer, die zoo een weemoedig +aanzien hadden en aan het leven deden denken, wat er voor altijd uit +wech was. Het gaf een heele beroering in hun stille samenleven. Mathilde +dacht meer dan gewoonlijk aan haar vader gedurende dezen tijd. + +Eindelijk was er een uitmundend huis gevonden op de Heerengracht bij de +Spiegelstraat. Jozef huurde het voor acht-en twintig honderd gulden. Van +toen af aan werd week aan week de drukte grooter. Dat waren maar van den +eenen dag op den anderen dag bezoeken van den makelaar, van den +timmerman, van den schilder, van den stucadoor, van den loodgieter. Dan +moest Mathilde, op Jozefs verlangen, zich plotseling gauw aankleeden om +mee te gaan overleggen over de veranderingen, die gemaakt zouden worden, +of over nieuwigheden in den gang, of in de verdeeling der kamers, in de +plafonds. Dan troonde hij haar weer mee naar den behanger, naar den +meubelmaker, waar zij vooral haar oordeel moest zeggen en zij alleen +besluiten te nemen had. Dan weer wandelden zij naar den winkel van +schoorsteen-ornamenten, naar het magazijn van keukengerei. Mathilde had +maar te bevelen en zij koos en koos. Vroeg zij thuis aan Jozef +eenigszins bedeesd, of ze niet te duur gekozen had, dan legde hij haar +het zwijgen op. Over geldzaken zouden zij spreken, als ze eens goed en +wel een paar gepozeerde getrouwde menschen waren geworden en in hun huis +hun gezin hadden gevormd. + +Met kleine bevingen van hoop zag Mathilde, wanneer zij dagelijks dien +kant uitwandelde, de nieuwe woning zich in-en uitwendig voltooyen tot +een mooi huis, tot een gebouw, dat in alles, in de minste bizonderheden, +het huis van Jozef en haar zou zijn, het huis van hun geluk. Zoo stelde +zij het zich voor. En als zij opmerkte hoe de versche kleuren blonken en +de spiegelruiten schitterden in de zon, dan zag zij er tegen op met een +onuitsprekelijk verlangen. Zij telde de dagen, die haar nog van het +nieuwe huis scheidden. Het was haar of zij Jozef nog niet genoeg liefhad, +of het heerlijkste nog komen moest. Haar hoop en haar verlangen +vermeerderden met den dag. + +Zoo ging weer de tijd voorbij. Zij waren al een paar maanden uit de +rouw, toen eindelijk, eindelijk! het nieuwe huis werd betrokken. + + + + +VIII. + + +Een flink huis. Dat was me een drukte geweest, dat metselen en timmeren +en schilderen en behangen en meubelen! Jozef vond, dat alles er recht +goed in orde was, Mathilde vond het ook. Achter de hooge, zij 't ook +niet dubbele stoep, kwam men binnen in den breeden marmeren gang, waar +een gaslantaarn van matglas en koper nu een getemperd licht verspreidde. +Daar vond men terstond aan zijn linker hand, de deur van den salon, +Mathilde zei "voorkamer", die op de straat uitzag. + +Deze kamer, met de fijn geschilderde wandvlakken en de gedekoreerde +zoldering, in lichte kleuren, met geelgouden randen, was vol frischheid +en jeugdig leven. De schoorsteen, juist tegenover de deur, was hoog van +dooraderd zwart marmer, met een rijkomlijste, uitstekend geslepen +spiegel, vast aan den muur, er boven. Op den mantel stonden twee dunne +pompadoer-vaasjes; in 't midden was er een half naakt herdertje in roode +klei, wiens fraai gebogen rug en zware lange lokken door den spiegel +werden weerkaatst. Dunne lichtelijk versierde koperen gasarmen, die door +porseleinen kaarsen vlammetjes uitwierpen, en een zwierige rankgetakte, +aan een blauw satijnen strop hangende gaskroon van uit het hart der +zoldering dalend, gaf dezen avond lachende glansen door de kamer. Poeffen, +kleine divans en lage heelemaal gekapitonneerde leuningstoeltjes waren +in een behagelijke wanorde over het rozig-blauwe tapijt gezet. Er waren +stoelenzittingen van grijs-blauw satijn, met teedergetintte ruikertjes. +Een zwart ebbenhouten tafeltje was op glazen rolletjes tot nog al dicht +bij de ramen geschoven. Een koperen bloemvaasje dat zich delikaat en +statig naar de hoogte ontplooide met een theerozen-ruiker er in, stond +op die tafel. Breede dunne witte kanten strooken waren langs de ruiten +ontrold. Hier achter drapeerden zich kanten overgordijnen, op de helft +wechgeheven door zachtgouden banden en kwasten. Men zag op straat door +een netwerk van vreemde figuren heen. + +Een geur van feestelijke blijdschap en jonge hoop zwierde er door de +kamer, een vreugde straalde van al het huisraad. 't Was 16 April, Jozefs +verjaardag. Voor 't eerst dat Mathilde een partijtje gaf. Daar stond zij +nu, haar eene hand aan de tafel geleund; haar rechtervoet durfde zij +niet vast neerzetten op de vloer, scheen 't, als knelde het schoentje +haar, ten minste zij wiebelde er zoo wat mee heen en weer. Daar stond +zij nu, van licht-blauw satijn en witte kant omwikkeld, in het kostuum, +dat overeenkwam met de kleuren van de kamer, meesteresse in haar eigen +buis. Zoo als het satijn om haar lijf was gegleden waren er glansplekjes +op als schenen de zoenen er door die Jozef, met zijn minnaarsliefde, op +haar lichaam had gedrukt, en plooyen vol schaduw, die donker-blauw, haar +hals-en armen-kleur mooyer maakten. + +Jozef drentelde achter in de kamer, waar de piano stond, heen en weer op +zijn hielen, langzaam het hoofd naar voren buigend, zijn tong tusschen +de lippen van pleizier. Hij was in zijn zwarten rok en witte das, +uitstekend in orde. Hij had aan zijn snor gelikt en zei: + +--Nee, Thilde, als je zoo'n pijn hebt, dan dansen we maar niet. + +--Maar, man, zie je dan niet, dat ik hier expres blijf staan en niet ga +zitten, om je te laten zien dat mijn pijn heelemaal over is ... + +--Hou-je van me, Thilde? laten we dan niet dansen, want je voet zou er +stellig erger door worden ... + +--Gut, ik voel niets meer ... wezenlijk niet ... je moet bepaald +proponeeren om te dansen ... zal je 't nu doen? + +Neen, knikte Jozef. Toen moest Mathilde iets verzinnen. Zij leunde +plotseling niet meer op de tafel, en liep recht als een kaars, zonder +verwikken of verwegen, naar Jozef toe. Vlak voor hem, bleef zij staan: + +--Ah, zoo! zie je 't? + +--Lieve kind, zonder jouw wil ik niet dansen, en zelf dansen kun-jij +toch niet, al loop je nu ook even door de kamer, met nog zooveel +schijnbaar gemak. + +Jozef hield ontzaglijk veel van dansen, dit wist zij. De laatste woorden +waren hem nog niet uit den mond, of ze was om hem heen aan 't springen +en huppelen over 't tapijt, zoo vlug als ze maar kon. Haar pijnlijke +voet raakte geweldig de vloer en dan rilde het heele been en ruischte de +satijn met een smartelijk gesis om haar leden. Hij bleef weigeren; maar +zij, hijgend nog van de beweging, lei ze haar handen op zijn borst, en +terwijl een wolkje van den boschviolen-geur, dien zij op haar zakdoek +had, tegen zijn gezicht zweefde, en van haar oogen uit scheen te waayen, +die als donkere violen waren, zweeg zij glimlachend. + +--Kindlief, wat ben ik trotsch op je, zei Jozef! we zullen dansen als +razenden, want jij wilt 't om mij, en van-avond, als de menschen wech +zijn, zal ik je voeten zoenen, tot je niets geen pijn meer voelt. + +--Je bent goed ... ik hou van je, ik hou van je, andwoordde ze, en +dadelijk hierna: daar zijn ze eindelijk! Zij hoorde de gasten aankomen. + +In den gang wandelde een gehuurde knecht. Hij had een baard om zijn kin +en een gewoon burgermans-geen knechtenkapsel. Hij droeg katoenen witte +handschoenen, waarvan de knoopjes los hingen, om zijn boodschaphanden. +Zijn schoenen waren niet puntig, meer breed, van voren. Dientje, de +knappe werkmeid, was druk in de weer. In de zaal, achter, stonden groote +blauwe schotels met zilveren handvatsels, waarin kleine gebakjes in +witte papiertjes met uitgeschulpte randjes, op de tafel zonder kleed. +Hiernaast blauwe schotels met zilveren handvatsels, waarop stapeltjes +boterhammetjes deels met galantine, deels met pate de foie gras belegd; +een vijf-en-twintigtal laage, wijde champagneglazen, een 40-tal gewone, +mooi geslepen roode-wijn-en een 30-tal groene, antieke Rhijnwijn-glazen. +Verder flesschen, lange en korte, met zilveren papieren om den hals en +goud beletterde etiketten. Dientje met een helder voorschoot, in een +katoentje, en een paars feestmutsje op, liet zich door Frits den knecht, +terwijl hij in zijn te lange en lubbige vingertoppen kneep, verschillende +ongepaste aardigheden zeggen, wanneer ze van de keukentrap naar de zaal +ging en omgekeerd. Dan zorgde hij, dat hij bij de trap was, en als ze in +de zaal verdween, bleef hij haar, zijn hoofd naar den linker schouder +gebogen, met zijn kleine oogen glimlachend nastaren. Hij plukte dan eens +aan zijn baard en kuyerde naar zijn standplaats te-rug om het "volk" af +te wachten. + +Drie rijtuigen hielden bijna te-gelijk voor de deur stil. De menschen +verschenen met heele hoopjes bij mekaar, als hadden zij 't afgesproken. +Met giegelend-gefluisterde groeten en beleefdheidsbetuigingen schoven de +dames, in sneeuwige mantels over de koude schouders en met hunne +versierde hoofden naar de achterkamer om hun mantels af te doen. Frits +wees den weg, na dat hij met zijn hoofd buiten de deur den koetsiers +"twee uur" als tijd om te-rug te komen had toegeroepen. De heeren wipten +achter hun dames snel de stoep op; hun glimmende schoenen kletsten en +kraakten piepend over de steenen treden. + +De heele achterkamer was in-eens vol beweging. Een gezwaai en geslinger +van schoudermanteltjes, wollen doeken en halsdasjes voor 't kou vatten +en een gegolf van sleepen, een bloeyen van ronde schouders en een +geflikker van goud en juweelen en een somber samenzinken van overjassen, +omwalmd door den reuk van versche, sterke haar-en zakdoekwatertjes, die +Frits en Dientje naar 't hoofd steeg. De dames bekeken elkaars japonnen, +ze verheven zich, de eene achter de andere, voor den spiegel om hun haar +goed te doen of een roode bloem aan hun borst te verschikken. De heeren +klopten langs hun mouwen, spatten met den vinger een pluisje van hun +breede roklapellen. Een trok er zijn broek meer onder zijn vest. Frits +keek maar al naar Dientje, greep haar eens bij den schouder, +voorwendende achter haar heen te dringen zonder haar te hinderen, om +daar een heer te helpen, die zijn overjas niet uit kon krijgen. + +Weer door den gang, brachten nu de heeren hunne dames naar voren. Een +warme pasteilucht kwam onbescheiden door de reet van een deur beneden, +want de oude Jans was nieuwsgierig naar de toiletten en keek om een +hoekje. + +Mathilde stond bij den ingang van de voorkamer. Het eerst kwam binnen: +de heer en mevrouw Berlage. Na hen Louis Berlage, hun zoon, die aan zijn +arm had mevrouw de weduwe van Borselen. Dan volgden de heer Ster, met +mejufvrouw Emilie Hartse. Hier achter kwamen glimlachend een viertal +jeugdige heeren, waarbij Hasman en d'Ablaincourt van de club ... + +--O, mevrouw, dank u, ik ben zoo gelukkig van uw invitatie gebruik te +kunnen maken. + +--'t Doet me heel veel pleizier, mevrouw meneer ... + +--Mevrouw van Wilden ... + +--Mevrouw ... + +--Meneer ... + +--Dag, van Wilden, gefeliciteerd niet je verjaardag. + +--Hoe gaat 't meneer Ster? + +--Jozef, nog vele jaren hoor. + +De heer Berlage was lang en mager en bleek: een spitse, stekelige kin en +neus, kleine flikkerende groene oogen en een doffe, logge wrat boven het +linker oog. Hij was rijk en aanzienlijk geworden door zijn huwelijk met +mejufvrouw van Wilvliet, nu een vijftigjarige vrouw, vriendelijk +uiterlijk, met hagelwitte tanden die voortdurend zichtbaar bleven, en +een ter neer gebogen neusje. Ze droeg haar haar nog in fladderende +bochten afhangende op het voorhoofd tot maar heel even boven de oogen: +donkerbruin haar. Zij ging naast Mathilde zitten en gebruikte al +dadelijk haar groenen waayer. + +--Wel mevrouwtje, wat is u hier allerliefst geinstalleerd ... + +--Ja, mevrouw, zei Mathilde, het huis bevalt mij wel. 't Was een heel +gelukje voor ons dat het juist te koop was en zoo heelemaal naar onzen +smaak. Mijn man heeft ook erg zijn best gedaan om alles netjes te +krijgen, en nu is 't zoo geworden, ziet u ... maar u, mevrouw, dat is +waar ook, hoe gaat 't u toch sinds uw laatste ongesteldheid ... daar men +'t eerst aan denken moest, ... maar hoe gaat 't u? En ze glimlachte. + +--Och, 't gaat nog al, dank u, langzaam maar zeker vooruit, zegt het +spreekwoord, en zoo hoop ik nu maar dat het met mijn persoontje ook +gaan zal. + +--En, zoo als ik zie, maakt meneer Louis het ook nog heel goed. + +--Ja, mevrouwtje, dat zou ik u niet durven toegeven, de goeye jongen +heeft het zoo druk, zoo druk, u kunt er u geen idee van maken ... En dat +werkt wel een beetje op zijn gestel. Nu is hij weer zijn zaak aan 't +uitbreiden door Parijsche relaties. 's Morgens voor dag en voor dauw +opstaan en dan nog in de dikke donkerte soms naar 't kantoor, welk weer +het ook is ... + +--Maar als men de verwezenlijking van zijn illuzien in 't vooruitzicht +heeft ... + +--Ja, ja, u heeft wel gelijk, het aanstaande huwelijksbootje doet al +heel wat over 't hoofd zien, niet waar, Emilie? vroeg ze aan +jufvrouw Hartse. + +Mevrouw van Borselen was een beetje van de andere dames af in een +fauteuil gaan zitten. Meneer Ster kwam bij haar staan, om een praatje te +maken; hij hield zijn gibus op zijn rug en klepte er mee heen en weer. + +Intusschen hoorde men weer het geratel van rijtuigen over de +straatsteenen, dat op eens koud en hard werd als zij de Spiegelstraat +uitdraaiden en dan voor van Wildens deur staakte, terwijl de koetsier +ho! riep, als de wielen nog even langzaam voortgingen, en, zijn neus +ophalend, klak! van de bok sprong om zachtjes het portier te openen. De +andere menschen kwamen aan en de kamer was al gauw gevuld: een makelaar +met zijn vrouw en twee officieren, kennissen van Mathildes vader +zaliger, leden van de club met hun vrouwen, beurskollegaas van Jozef, +waarbij een, die zijn dochters, twee roode meisjes, meebracht, en zo +verder. Toch waren alle menschen er nog niet. + +Jozef verontschuldigde zich bij de heeren, die een druk brommend gesprek +hadden aangegaan, en ging naar Mathilde bij de dames. + +--Ik begrijp niet, zei hij, dat Karel Rietwijk en de dames Huf er nog +niet zijn. Als zij het maar begrepen hebben. + +--Misschien heeft uw bediende de andere invitaties vergeten te ... te ... +te doen, zei meneer Ster, die juist naast mevrouw van Borselen stond, +verlegen, daar zij geen van beiden een woord spraken. + +--Maar, meneer Ster, andwoordde Mathilde, u schijnt geen groote gedachte +van ons dienstpersoneel te hebben. Frits heeft de briefjes rond gebracht +nietwaar Jo? + +--Ja, Frits, ik zal 'm toch 's even gaan vragen ... + +Na eenige minuten kwam Jozef weer binnen: + +--Frits heeft doodeenvoudig de andere invitaties nog in zijn zak. Op den +laten avond zegt hij, heeft hij er wat van afgedaan, den volgenden +morgen werd hij voor een rijpartij (hij is koetsier en van alles) vroeg +opgescheld den heelen dag met studenten uit geweest, den volgenden dag +een begrafenis ... enfin, hij had de andere briefjes glad vergeten ... Nu +kunnen we, dunkt me, niet beter doen dan de vrinden wel ons exkuus te +maken, voor de te-leurstelling, en ons, zoo als we nu zijn, toch zoo +goed mogelijk te amuseeren ... wat dunkt u? + +Gemompel, lachjes, kwinkslagen, verschuiven van stoelen, opstaan, een +geruisch en geschommel. + +Toen alles weer een beetje tot rust was gekomen en Dientje ten tweeden +male met de japansche theekopjes was rondgegaan, terwijl ze bloosde en +verbleekte, glimlachte en heel ernstig keek, ging Emilie Hartse in-eens +naar Jozef, die toevallig alleen stond. Zij was groot en rond. + +--Doet u nog aan de muziek, meneer van Wilden? + +--Nee, jufvrouw, dat is er met het huwelijksleven wel een beetje bij +ingeschoten ... Wat zal ik u zeggen ... Maar wat u daar vraagt brengt me +op een uitstekend denkbeeld. Zou u ons niet eens op een lied willen +onthalen? ... ja, ja, dat moest u doen ... + +--O, meneer! ... + +--Jozef, zullen misschien de heeren daar (ze doelde op de oude heeren) +nu ook een partijtje willen gaan maken in de achterkamer, Whist of +Quadrille? vroeg Mathilde luid. + +--Ja, of zullen we eerst een beetje muziek maken en onze piano inwijden? +Ik proponeerde daar juist aan jufvrouw Emilie ... + +--Heel graag, heel graag, wat dunk u, mevrouw, en u, en u ...? + +Dit werd algemeen goedgekeurd, en zoo hevig, dat Louis Berlage +bedremmeld werd over het suukses dat Emilie hebben zou, en om dit te +verbergen, met de grootste kalmte zijn kopje van den schoorsteenmantel +nam om eens te drinken en de helft van de thee over zijn overhemd, broek +en vest liet vallen. Mathilde en Jozef kwamen naar hem toe om hem te +helpen. Emilie begon hard te lachen en de anderen praatten luider, met +schuine blikken naar Louis. + +Emilie ging gauw naar de piano en juist was zij in een trillenden hoogen +toon een lied van Schubert begonnen te zingen, toen Louis van de keuken +te-rug-kwam, met een groote bruine vlek op zijn overhemd en verslagen +gezicht. Hij zag haar daar hel verlicht bij de piano. Wat is ze toch +lief! dacht hij. Wat is hij toch ordinair! dacht zij. Jozef +akkompanieerde en zij bekeek tusschenbeide zijn profiel en zij dacht dat +haar stem om dat profiel zoo goed was van-avond, en ze dacht al na, en +o! wat een verschil tusschen die mannen, Jozef en Louis! En toch was +Louis zoo kwaad niet. Een jongensneus en in 't algemeen iets kinderlijks +kenmerkte hem, hoe knap hij ook zijn mocht in zijn vak. Maar dit was 't +juist, waarom zijn moeder hem zoo mocht lijden. Zoo onschuldig en zoo +knap! + +Het lied was uit en de menschen klapten een beetje in hun handen. Emilie +was gaan zitten naast Jozef. Toevallig zat Louis aan haar anderen kant. +Haar gezicht bleef naar Jozef gekeerd, die haar ook wel aardig vond, en +waagde Louis het even tegen haar te spreken, dan andwoordde zij kort en +stuursch, en dat vond hij heel lief van haar. Waarom, dat wist hij niet. + +De menschen waren nu weer aan 't praten. Hasman en D'Ablaincourt hadden +een kennis aan mevrouw van Borselen voorgesteld, en deze drie vormden nu +een kringetje om haar heen. Eenige anderen hadden zich bij den +schoorsteen geschaard. Twee leunden met hun ellebogen op den mantel en +hadden hun handschoenen uitgetrokken. Een zeer jong een bedeesde +menheer, de jongste bediende van Jozefs kantoor, dien hij poesseeren +wilde maar nu zelfs nog had vergeten te groeten, had zich, bijna zonder +dat iemant het merkte, bij het gezelschap gevoegd. Hij was zonder rok, +maar droeg een gekleedde jas en zwarte das. Hij stond midden in de kamer +met een soort van droefheid voor zich uit te staren en wreef zijn roode +heete handen op zijn rug zachtjes tegen mekaar. Mathilde had hem al lang +in het oog en wou hem een beetje uit de verlegenheid helpen. Zij stond +op en ging, midden door de gasten, naar hem toe. Met glansjes van +welwillendheid in haar gezicht sprak ze hem aan. Hij nam een hand van +zijn rug en begon die aan zijn kin te houden, er kwam iets roods in zijn +oogen. Hij had blond haar, voor deze gelegenheid met bizondere zorg naar +de hoogte en achteren gestreken. + +De menschen spraken nu zachter in allerlei afzonderlijke gesprekken; +verscheiden heeren keken naar Mathilde in haar lange satijnen japon, +blinkend midden in de kamer, hel onder het gele licht. Jozef kwam ook +bij zijn vrouw en den bediende staan: + +--Hee, Marinus, ik had je nog niet eens opgemerkt, je bent ook zoo stil, +jongen. + +--Och, meneer! + +Mevrouw Berlage fluisterde tot mevrouw van Borselen achter haar waayer: +Wie toch Mathildes naaister is? + +Juist kwam Frits binnen, een groot blad vol glazen wijn en punch op zijn +handen, waar hij, ernstig en zorgzaam, mee rond ging. Mevrouw van +Borselen nam een glaasje rooden wijn. + +--Zullen we u nu niet eens genieten, mevrouw, vroeg Jozef hoffelijk. + +--Meneer, u weet niet, hoe 't me spijt, maar ik ben te verkouden. + +--Kom, kom, het zal toch wel gaan, probeert u maar eens. + +--Nee, wezenlijk! ... O, ik vind het zelf onaangenamer dan u denken +zoudt. + +--Kom, mevrouw, zei mevrouw Berlage, doet u 't maar! en er kwamen van +achteren verscheiden heeren en dames die de blonde weduwe van Borselen +met smeekingen om toch iets te zingen overlaadden. + +--Dat mooie lied van Heine door Schubert gekomponeerd, dat u zoo +heerlijk voordraagt! + +--Toe mevrouwtje, laat u niet zoo bidden. + +Mevrouw van Borselen bleef weigeren. Zij kuchtte in haar neteldoekschen +zakdoek, bewoog haar waayer zenuwachtig. + +Een jonge dame, een bleek mager meisje, heel in 't zwart gekleed, zou nu +iets doen. Deze maakte geen enkel exkuus, maar, na een paar heeren +verzocht te hebben een eindje op-zij te gaan staan, om dat ze dan vrijer +was in haar gebaren, begon ze met een hel stemmetje een burgerlijk deuntje: + + Wat is de liefde? + Ik weet 't niet, mijn kind. + Wat zegt de liefde? + Zij spreekt niet, zij bemint! + +Zonder de minste hapering bracht zij 't er af. Iedereen vond 'et bepaald +leelijk. Toen het laatste koeplet gedaan was zei niemant een woord. De +dames, die in Jetjes, zoo heette het meisje, nabijheid zaten, prezen +haar zeer: O, jufvrouw, wat was dat allerliefst! Hasman, die als een +grappenmaker bekend stond, sprak zeer luid, een traan in zijn stem, van +den anderen kant van de kamer, waar hij op een kanapee zat: Jongen, ja, +jufvrouw, 't was heerlijk! U heeft me daar diep geroerd! Hasman was een +eenigszins dikke heer, met een rooden snor. De blonde jongeling snapte +zijn grap en wierp hem in al zijn verlegenheid een woedenden blik toe. +Jetje was de zuster van den blonden jongeling. Terwijl men hier en daar +een slokje wijn of limonade dronk en dan het glaasje weer voorzichtig op +de tafel, den schoorsteen of op de piano neerzette, droegen nu twee +officieren een samenspraak voor uit een fransch treurspel. Na hen kwam +Hasman aan het woord, die, met behulp van twee stoelen, vertoonde hoe +het in de Sint Anthonie-breestraat toeging, wanneer een joodsche familie +uit rijden ging en ze met zen achten in een vigelant gingen. + +--Die Hasman is onverbeterlijk, zei Jozef en hij ging naar Hasman toe om +hem als bedankje de hand te drukken, toen 't was afgeloopen. + +Mathilde was weer bij de dames Berlage en van Borselen gaan zitten. Zij +leunde achterover in haar fauteuil en tuurde rond, zij was nog niet +heelemaal te vrede. Zij was half en half bang, dat niet alle menschen +erg veel pleizier hadden. Ook waren er wel al aardige dingen gezongen en +gedeklameerd, maar er ontbrak blijkbaar nog iets, iets schitterends. Er +werd in de groeyende hitte, scheen 't haar, algemeen gewacht op het +glanspunt van de soiree. Het mooiste scheen zoo nog te moeten komen. +Datgene, waarvan de vermelding naderhand als men er over sprak, tot +herinneringsmiddel aan dezen avond zou moeten dienen, was er nog niet +geweest. + +Jozef keek al-door naar Mathilde. Hij verveelde zich niet, hij had zich +van den beginne af aan pleizierig bezig gehouden, want hij dacht, naar +haar gezicht te oordeelen, dat Mathilde zich amuseerde. Hij merkte dat +hij dezen avond bizonder veel van zijn vrouw hield. Hij had haar in +langen tijd ook niet zoo mooi gezien, en zoo in 't oogloopend door een +elk, door al zijn vrienden bewonderd. + +Hij staarde haar aan, en daar kreeg hij de gedachte, dat zij volstrekt +ook iets moest doen, dat aan haar nu de beurt was. Hij wilde het zeggen, +maar hij begreep, gelukkig bij tijds, vond hij, dat het gepast was, als +iemant van de andere menschen, en niet hij zelf, zijn vrouw verzocht +iets van haar talent ten beste te geven. En plotseling nam hij het al +die heeren kwalijk, dat zij dat nog niet hadden gedaan. Als ze 't eens +vergaten! Neen, dat niet! Ze zou, ze moest iets doen. Nu, hij zou 't dan +toch zelf maar zeggen. Hij vond, dat het er wel door kon. + +--Mathilde, zei hij, wil jij nu niet eens wat spelen? + +--Wel zeker, heel graag. + +--O, ja! dat is heerlijk! riep Emilie, van uit het hoekje, waar Louis +haar nu voor zich alleen hield. + +--Zeker iets van Beethoven, mevrouw, vroeg mevrouw van Borselen, de +sonnate Pathetique, b.v.? + +--Dat heb ik zoo lang niet gespeeld, zei Mathilde, wel in geen twee +jaar. Mijn vader leefde nog ... + +--Och toe, mevrouw, toe, het zal wel gaan ... + +En midden door de welopgevoede stilte, ging Mathilde naar de piano. + +Jozef ging vlak tegenover de piano aan de muur staan, bij de deur, zijn +rug tegen het geschilderde behangsel. Jozef gedroeg zich als moest hij +Mathilde nog het hof maken om haar te kunnen trouwen. Voortdurend keek +hij naar dat lieve zwarte hoofd. Mathilde bladerde een beetje +zenuwachtig door het muziekboek en zij keek waar 't begon, terwijl ze +het papier vlak bij de kaarsevlam hield. Daar had zij 't gevonden en +even keek zij Jozef aan. + +Mathilde hield haar vingers al uitgestrekt over de toetsen. De menschen +zaten in de rondte. Daar begon zij. Het was haar lievelingsstuk. Zij +speelde het graag en goed. Andante was de eerste maat. Langzaam en +statig galmden de klanken aan. Klaar en helder tikte elke toets zijn +deun, die uit de diepte en van de hoogte samenrolden tot een plechtig +akkoord. Het scheen iets als een loflied, als een kerkgezang, als de +verheerlijking van iets edels en groots, van iets bovennatuurlijks, iets +als een hymne aan de eeuwige kuischheid en eenzaamheid. Mathilde zat +kalm en stil. Haar vingers bewogen regelmatig over de toetsen. De muziek +werd plotseling breeder, vol majesteit. Mathilde zag bleek en speelde +hard. Zij kwam er heelemaal in. In een hoek van de kamer werd nog +stilletjes door een paar heeren gefluisterd, en Jozef stond naar de +punten van zijn schoenen te staren. De andere menschen waren aandachtig +uit beleefdheid. Frits en Dientje waren aan de deur komen staan +luisteren. + +Toen was er in-eens in het muziekstuk, midden onder het zwaar-ernstig +orgelen van de piano, een jeugdige en zoete toon, als een teeder +fluitspel. Joedelend danste het een paar toonen ver en herhaalde zich +dan en neuriede onder de breedere harmonien door, als een leeuwerik die +bij het einde van den nachtdienst, boven de donkere monnikken-hoofden +naar het kerkgewelf zou opvliegen. En het zwakke geluid verdubbelde en +vermenigvuldigde zich en werd een geluid van groote teederheid en als in +de verte verdwenen de laatste zware toonen. Toen overkwam Mathilde iets +vreemds in haar hersens. Toen zij nog een kind was verbeeldde zij zich +wel van paleizen en prachtige zalen en trappen, waarin allerlei +wondermooye menschen in vreemd-rijke kleeren gingen. En als zij muziek +speelde en zij was er goed in, zag zij weer altijd zulke zaken. Nu was +'t iets, dat als heel uit de verte tot haar naderde, gedragen door de +melodien. Zij voelde iets in zich van te moeten huilen en zij wist niet +waarom. En het kwam nader en nader, stijgend in haar gedachte. Het was +iets, dat uit de diepte van haar herinnering aankwam, zonder toch een +gezicht uit de voorbijzijnde werkelijkheid te wezen. Het kwam in haar +verbeelding in den vorm van een mensch, omsluyerd, omwolkt, onherkenbaar. +Het was een poppetje, dat grooter en grooter werd, eindelijk zoo groot +als een mensch, met prachtige, schitterende kleeren aan. Waar had zij zoo +iets ooit gezien, in de komedie, gelezen in een boek, zij wist het niet. +Het was een ridder, een koning, in oud kostuum, zoo als zij zich als kind +altijd een koning had gedacht. Zij zag eerst zijden kousen en een broek +van blauw fluweel, toen een degen met diamanten van-boven, toen de borst +met gouden knoopen. En de purperen mantel zwaaide nog altijd voor het +gezicht. Haar benevelde oogen keken over de muziek heen en in den goud- +wasem van de kaarsen zag zij Jozefs gezicht alleen en zijn oogen, die haar +liefkoosden. Zij werd bang, vreeselijk bang; het was of haar hersens +braken. Zij speelde werktuigelijk voort, zij kende het stuk van buiten. +Jozef was de koning, dien zij zag; zij had het al zooveel gehoopt. En een +vreemde lach was over zijn gezicht, en over zijn hoofd, daar waren witte +veeren. Zacht en licht zuisten de wijsjes door de kamer. Maar zij werden +luider en feller in het allegro forte, en Mathilde hoorde de muziek als +had zij niet zelf gespeeld. Het was als stroomde jubelend een vloed van +zilveren golfjes uit de hoogte op haar neer. De melodie was juichend en +sterk als het hoornblazen van groene jagers, zij ging hooger en forscher +als het trompetgeschal van de soldaten. Daar was hij dan, haar koning, +haar geliefde, en al de dagen van geluk had zij dan vroeger nooit gevoeld +en nu voelden zij ze allen samen. En voort, voort, werd het als uit een +diamanten prisma op haar neergegoten. Zij wist niet meer, zij voelde +zich niet zitten. + +De menschen zaten zwijgend in de rondte. Zij hadden niet gedacht, dat +het zoo mooi zou zijn. De gashitte zweefde om hen heen. Zij zagen +MathiIde en dan weer beurtelings elkaar aan. De heeren knikten +goedkeurend. Hasman zei zachtjes, dat Mathilde te opgewonden speelde. +De oude heer Berlage kreeg het te kwaad van de warmte en keek naar de +gaslichten, die aan zijn ooren sisten en in wier blauw middenpunt hij +onophoudelijk nieuwe lichtspatjes zag blikkeren. Louis keek voor zich +uit als een wezenloze. Drie heeren stonden als een zwarte versteende +groep voor mevrouw Berlage, hun rug naar haar toe gekeerd. + +Er was een koorts in Mathilde gekomen, haar hoofd gloeide, haar oogen +waren heet. Geen herinneringen waren het meer in haar. Zij voelde het +tegenwoordige. Er waren geen vreemde verbeeldingen meer, het geluk was +tegenwoordig. Zij zag voor zich uit: hij stond er nog hij was er meer +dan ooit en zij staroogden naar elkaar. Haar spel werd sneller, luider, +woester, een onbesuisde wind vol liefdewoorden scheen haar om haar heen +te waayen. De maat werd impetuoso. Mathilde drukte de zware pedaal neer; +de heele pianokast scheen te trillen. Wat was 't toch, wat gebeurde er +toch, hier van-avond, in de nieuwe blauwe kamer? Het was een storm +van-binnen en een vuur dat haar verbrandde. Zij zag Jozef vlak voor haar +staan in een wolk van lichtend blauw. Het was haar als gaf haar geest +hem schroeyende kussen van verre. O, haar liefde, o haar liefde, wat +deed het geluk een zeer! Maar al de menschen die daar waren, hadden haar +gehoord! Had zij niet gezegd, daar zoo-even, hard-op, tegen hen allen, +dat zij zooveel van Jozef hield? Ja, zij had het gezegd; zij had het +zich hooren zeggen! Maar, was zij dan gek geworden! Haar vingers +speelden de melodieen voort, zonder dat zij er bij dacht. Zij hadden de +oude geliefde sonnate niet vergeten De melodien trilden voort hoog door +den walm der gaslichten, langs de vroolijk beschilderde wanden, en +weefden zich in al het lichte blauwe satijn van de kamer. Plotseling +hoorde Mathilde niets meer; zij zag haar vingers zonder beweging het +stuk was uit. + +Jozef vond dat Mathilde uitstekend had gespeeld en klapte in zijn +handen, met de anderen mee. Mathilde stond op, de pianokruk viel om, en +Jozef niet-eens ziende, wankelde ze hem voorbij en ging heel bleek op +haar oude plaats zitten naast de oude mevrouw Berlage. De dames spraken +erge komplimenten. + + * * * * * + +Van het kaartspelen van de heeren was niets gekomen. De oude heer +Berlage had zich verveeld en drentelde op en neer, door niemant +aangesproken. De jonge blonde bediende, Marinus de Beer heette hij, +voelde zich heelemaal overbluft, en zat met als opengespalkte oogen naar +de piano te turen, als was daar iets heel bizonders mee gebeurd. + +Nu begon liet gezelschap te kuchen en zachtjes-aan weer te praten. Het +was nu bepaald heet geworden. Er werd ijs gepresenteerd: wit +vanielje-ijs, als natte sneeuwballen in de ronde kelken gedrukt, rood +framboze-ijs, wat meer koekiger en zoetiger. In de zomerige stilte, +tusschen de kwijnende konversatie door, hoorde men het bescheiden happen +van de monden. Hasman kneep zijn oogen dicht om dat het ijs zoo koud +was. Links en rechts werden kleine zinnen gezegd over het ijs en over +het muziekstuk, als het eerste en schuchtere getjilp van musschen door +de boomen na storm en regen. + + * * * * * + +Mathilde werd zich zelve weer. Zij keek naar Jozef, die nog bij de muur +stond, en glimlachte, en veegde met haar zakdoek haar mond af. Zij keek +daarna om zich heen naar al die vreemde menschen, die verwonderd naar +haar zagen om dat zij zoo bleek was. + +De avond verstreek, eenige heeren waren in de gang gaan staan om de +warmte en lachten daar, terwijl er een iets vertelde met luidruchtige +gestikulatie. Dientje schoof voorbij en werd opgemerkt. De deur van de +kamer bleef voortdurend open en de luidruchtigheid uit de gang ging +langzamerhand ook naar de kamer over. + +De dames dreven hun waayers, die ritselden en hijgden, voorbij hun +verhitte gezichten. Algemeen kwam de muziek ter sprake. Men misprees +Mathildes overdreven bescheidenheid, die de komplimenten afwees. Men +verhaalde kwinkslagen uit de loopbaan van virtuosen en allerhande +kunstenaars. Zoo kwam men weer op de deklamatie. Het heele gezelschap +nam aan het gesprek deel. De meesten waren gaan zitten en vormden een +ovalen kring, Jozef was daar stilletjes tusschen gaan zitten. + +--Apropos, Marinus, vroeg hij aan den blonden bediende, heb je niets +meegebracht? + +--Och, kom, er zal wel iets in uw overjas steken, zei Mathilde van +d'overkant. Mag ik de knecht niet eens laten kijken? + +Marinus werd zenuwachtig. Hij keek naar Jetje, om te weten, wat zij er +van dacht. Deze, die nog verrukt was over de uitnemende ontvangst van +haar bijdrage, knikte goedkeurend en aanmoedigend. + +--Dan zal ik het zelf wel eventjes halen, meneer, zei hij. + +Hij bleef even wech. Zoo'n goede jongen, mompelde men, maar hij is een +beetje bedeesd. Men maakte, dat Jetje het niet hoorde. + +Marinus trad binnen en, dadelijk, maakte een buiging na aan 't einde van +den kring te zijn gaan staan, en las iets voor. Hij hield een folio +regelmatig beschreven stuk papier in zijn hand, en veegde het zweet van +zijn voorhoofd. Het was een vers van hem zelf, dat hij voorlas. Het +onderwerp was de huwelijksmin van zijn patroon en dat het pad met rozen +bestrooid, hetwelk hij thans met mevrouw bewandelde, nimmer in een dorre +woestenij mocht veranderen, maar steeds bloeyender en geuriger mocht +worden tot aan het einde huns levens. + +De heeren leden van de club, met hun gepommadeerde snorren, kwamen +luisteren van uit de gang, en posteerden zich in zwierig-achteloze +houding bij elkaar aan de deur. Zij glimlachten tegen mekaar over de +onbedreven onnoozelheid van den dichter. + +Zoo eindigde Mathildes partijtje. Een kwartiertje na Marinus' voordracht +kwamen de rijtuigen voor, en nog een kwartiertje later gingen de menschen, +eentonig-vriendelijk afscheid-nemend, wech. + +Frits en Dientje kregen samen 17.75 aan fooyen. Marinus en zijn zuster +hadden samen vijftien stuivers gegeven. + + + + +IX. + + +Vier dagen na het soireetje, zat Jozef om half negen 's ochtends in hun +ruime binnenkamer aan de ontbijttafel het Handelsblad te lezen. Het was +er hoog van verdieping en een reine, onbenauwde warmte werd door de +donker-porceleinen kachel verspreid. Jozef had uitstekend geslapen, was +heerlijk zacht geschoren, had een lauw bad genomen, zijn mond gespoeld +met Eau Botot, en was, in zijn gestreepte sjamberloek, op zijn dofblauwe +stijf-leeren, van korte hakken voorziene huis-schoenen naar beneden +gegaan, waar hij op Mathilde wachtte. Hij had zijn snor voor den spiegel +nog even zwierig opgedraaid en was nu aandachtig de koerant aan 't +lezen, zijn eene hand op het krakend-witte dekkertje, de andere voor +zich uit over de leuning van zijn stoel, waar hij een beetje schuin op +zat. Nu en dan dwaalde zijn blik ter zijde van de politieke artikelen of +van de telegrammen af, om met te-vredenheid de toppen van zijn duim en +wijsvinger te bekijken, met hun gladde licht-roode puntig-blank +versneden nagels. Hij was opgeruimd. Hij voelde zich doordrongen van een +aangename levenswarmte. Versche broodjes, kaas, melk stonden dicht-bij +hem klaar. De thee was gezet, een bleek-blauw doorzichtig dun kolommetje +stoom rees naar boven uit de tuit van de theepot en werd een +mistslangetje of wolkte wech in de kamer, als Jozef zijn koerant bewoog +of diep ademhaalde. In een hoek neuriede het theewater. Alles om hem +heen was nieuw, frisch, jeugdig en vol komfort: de gelakte kolen-en +turfbakken, de donker-bruine dubbele deur, waardoor men in de voorkamer +kwam, met haar gevlamde paneelen, de schrijftafel van Jozef, in den hoek +bij 't venster, een kadoo op zijn verjaardag van Mathilde, de glazen +boekenkast, die er naast stond, de zwarte pendule op den schoorsteen, +met een bronzen ruitertje er op. Jozef keek naar de kachel, lei de krant +even op de tafel over het brood en het theeservies heen, stond op; de +kwasten van zijn sjamberloek bengelden langs zijn beenen, en hij stookte +het vuur aan. Vier nog heelemaal heele koolen, van achteren zwarterig, +vormden het vuur in de kom van de kachel en wat korsterige stukjes +verbrokkelde kool lagen er om heen. Er knapperden vonken naar boven, in +den rossen gloed hoorde hij een blakerend getik. Jozef bleef, even, +aangenaam in het vuur kijken. Daarna stootte hij met den pook de +knersende koolen tot gruis en gooide een vollen schep vettige inktige +steenkolen er op neer, die knetterend een dichten zwarten rook door de +kachel verspreidden. Daarna ging Jozef weer zitten. Hij had er een gloed +van op zijn gezicht gekregen, die stil wechkoelde. Achter hem schenen +koude winterzonnestralen over de muren van de binnenplaats. Beneden, +door een venster dat daar uitkwam, zag hij Dientje bezig in de keuken +met het glimmend kopergoed. Er kwam geen enkel geluid van buiten. Er +reed op dit uur geen enkel rijtuig over dit gedeelte van de +Heerengracht. + +Daar bewoog de kruk van de deur, die zich met een licht gekraak opende. +Mathilde kwam binnen in haar licht-grijze huisjapon, met de breede +zwart-fluweelen hals-en handboorden. + +--He, hier is 't heerlijk, zei ze en wreef haar handen tegen mekaar, +waaraan toen de ringen schitterden, die zij van Jozef had gekregen. + +--Ja, vin-je niet? andwoordde hij, Mathilde zoende Jozefs voorhoofd, +terwijl hij zijn hand naar boven stak om de hare te vatten. Mathilde +bleef even staan achter het theeblad, om te zien of alles voor het +ontbijt in orde was. Zij schikte de kopjes op de schoteltjes en begon +er, het hoofd naar voren gebogen, suiker in te scheppen. Maar er waren +onrustige trekjes om haar mond en haar oogleden knipten ongewoon. Zij +had iets te zeggen, maar het kon er nog niet goed uit. Zij schonk voor +Jozef een van de witte kopjes met hun smal vergulden randjes vol thee, +daarna een wolkje melk er door heen, en gaf het hem aan. Maar, toen hij +het aannam en voor zijn bord neerzette, deed zij schielijk een stap naar +hem toe. Zij ging naast hem staan en lei haar handen op zijn schouders. +Zij boog tot aan zijn oor en fluisterde: + +--Ik moet je nog altijd iets zeggen. + +--Zoo, wat dan, vroeg hij vriendelijk en belangstellend, en stuurde +aandachtig zijn oogen schuin langs haar heen naar den wand, om goed op +te letten. + +Haar haren, die nog niet heelemaal opgemaakt waren, maar slapjes over +haar voorhoofd hingen, raakten zijn wang. + +--Ja, maar ik durf niet goed ... zal je niet boos worden? + +--Wel nee, lieve kind, zeg 't maar gerust, heel hard-op! + +--Nou, zei ze met een verlegen lachje, als om zich zelve te +verontschuldigen, en zij aarzelde nog, ... eindelijk, nog zachter: ik +geloof, dat we niet meer alleen met ons tweeen zullen blijven in 't +leven ... Zij keek hem aan, haar oogen dicht bij de zijnen, om te zien +of hij 't begreep, daarna sloeg zij ze neer, dicht over haar hand die +op zijn schouder lag, als wilde zij haar vel nauwkeurig bekijken. + +--Wat bedoel-je? vroeg hij, maar, zich plotseling herinnerende: zou 't +wezenlijk waar zijn? + +Hij stond op om haar eens goed te bekijken. Zij klapte in haar handen, +zich verlicht voelende, dat die tijding er uit was. Zij lachte. + +--Je weet wel, een jaar geleden hebben we d'r al over gesproken! +Heerlijk! Heerlijk! + +Zij danste haast van blijdschap. + +--O, heerlijk! zei ze nog eens. + +Zij zag hem sterk aan, met van vreugde vochtige oogen: + +--We krijgen een kindje, wat zullen we gelukkig zijn, he? + +Hij beaamde goedig wat zij zeide en zoende haar wangen met roode en +witte verdwijnende vlekjes. + +Dat was een pleizierige dag voor Mathilde! Zij bleef van den ochtend tot +het eten in de achterkamer lezen over opvoeding. Nu was 't dubbel +jammer, dat vader niet meer leefde! En wat haar zelf aanging, zij wist +het eigenlijk al lang, ten minste het vermoeden was zoo goed als weten +geweest, maar nu voelde zij zich pas heel gelukkig, nu Jozef het ook wist. + + * * * * * + +Intusschen scheen het gedurende den tijd van haar zwangerschap, dat haar +liefde voor Jozef groeide, groeide, groeide, samen met het kind onder +haar hart. Had zij Jozef niet lief, meer dan alles wat zij hoorde en zag +en ondervond, meer dan haar leven-zelf? Maar zij voelde zoo iets, als +was zij nu pas bezig het groote bewijs van haar liefde te geven, als zou +dat wezentje, dat, zonder haar wil, zonder haar toestemming maar toch +door haar werd gemaakt, de levende getuigenis er van zijn, dat zij zich +voor altijd aan hem had wech gegeven. Ook beijverde zij zich om hem uren +achtereen sterk aan te zien en altijd zijn uiterlijk voor haar +verbeelding te hebben, als hij er niet was over-dag of 's nachts als het +donker was. Want zij wilde, dat het kind, het mocht dan een jongen of +een meisje worden, zoo veel mogelijk op hem lijken zou. Als zij mekaar +aan 't liefkozen waren, schoof Mathilde zich wel zachtjes op Jozefs +schoot, drukte haar voorhoofd tegen het zijne en liet zijn blikken +langen tijd in haar oogen rusten. Zij dacht, dat zij, zoo, veel van +zijn leven in zich op zou nemen. Jozef trachtte hun leven in deze +omstandigheden zoo in te richten, dat Mathilde nooit het minste +verdriet, of zorg of inspanning, had. Toen zij in de vierde maand van +haar zwangerschap was, en de vijfde, en de zesde, zonderden zij zich met +hun tweeen heelemaal af. Jozefs bekommering werd overdreven; het begon +met dat hij volstrekt niet wilde, dat zij menschen bij hun vroegen; +later veroorloofde hij haar nog alleen kleine wandelingetjes te doen, +eindelijk verlangde hij, dat zij absolute rust nam. Tusschenbeide 's +avonds maakten zij nog een klein loopje samen, maar eindelijk dat ook +niet eens meer. Hij dreef het tot in het kinderachtige door. Als er iets +te krijgen was buiten de kamer waar zij zaten, dan deed hij het. Wou zij +iets hebben waar zij niet bij kon met haar handen, dan stond hij op, om +'t haar aan te geven. Om een haverklap werd de meid gescheld, en de +stal-houder had gedurende wel een negen weken een bizonder goeden klant +aan de Van Wildens. + +De aanstaande geboorte van zijn kind maakte Jozef niet blij. Hij gaf +daar weinig om, 't deed hem alleen een beetje pleizier, om dat hij zag, +hoe gelukkig het Mathilde maakte. Ondertusschen, al bekende hij 't zich +zelf nauwelijks, vond hij heel naar, dat er zoo'n verandering in zijn +huishouden zou komen. Hij keurde het af, hij vond het vreemd, maar 't +was waar, dat hij, voor hij wist niet hoeveel niet, gedurende dezen tijd +een van zijn vrienden in het gezelschap van Mathilde zou gebracht +hebben. Als hij met haar samen was, in een van die oogenblikken, dat zij +in zijn arm stond met haar hoofd achterover, haar mond half open en hij +haar kuste eenmaal, tweemaal, tienmaal, vijftigmaal, en zij, half +bedwelmd, zich dan tegen hem aan liet vallen, dan schrikte hij, dan was +'t of plotseling zijn liefde hem ontzonk, of hij maar gezoend had om te +spelen. En dan kon hij haar nog alleen maar met een gemaakte zachtheid +van zich wechduwen en zelf de kamer uitgaan om ergens in een andere +kamer, boos, te gaan zitten en zich af te vragen, wat hem toch scheelde, +dat Mathilde toch lief en mooi was altijd, dat hij haar juist dankbaar +moest zijn, heel dankbaar, voor zoo veel goedheid, zoo veel toewijding, +zoo veel liefde, en voor de pijn, die zij waarschijnlijk nog te lijden +zou hebben. Soms wist hij zich te overwinnen, dan gaf hij zich moeite om +al de liefde, die hij voor haar voelde, zijn denken te doen vullen en +dat andere gevoel te doen verdringen. Dan zag hij alleen haar oogen, +haar mond, hield van haar als altijd. Ook merkte zij niets van die +weerzinbewegingen in zijn gemoed. Voor haar bleef hij dezelfde, dag in +dag uit, Vol voorkomendheid, vol zorg, vol teederheid. + +Mathilde hield in zich zelf eindelooze beschouwingen over de +waarschijnlijkheid van dat haar kind, naar liet uiterlijk of het +innerlijk, zus of zoo zou wezen. Ook sprak zij er met Jozef over. Dan +waren dat gesprekken, die een, twee uren achter elkaar duurden, vervuld +van illuzies, van lachende droomen, van rozige gedachten, van +hemelsblauwe veronderstellingen en schitterende voorspellingen. Zij +wilde bepaald een jongen hebben, een zoon, die heelemaal een kleine +Jozef zou wezen, die haar van twee Jozeffen omgeven zou doen zijn; de +eene groot, forsch, breed, in den bloei en de kracht van zijn leven, de +andere klein, teer, tenger, met den bloesem van de jeugd op zijn +gezichtje, en die beiden toch maar een Jozef zouden zijn, daar de eene +den anderen had gemaakt alleen in liefde voor haar. Hij zeide meer naar +een meisje te verlangen, nu al pleizier te hebben hij het idee van eens +te zullen kunnen zeggen: "mijn dochter doet dit, mijn dochter doet dat, +mag ik u mijn dochter voorstellen?" Maar hij verlangde lang zoo vurig +niet naar dat kind als zij; ook was zij, bij zulke gesprekken, bijna +voortdurend alleen aan 't woord, haar mond stond niet stil, en Jozef +werd eindelijk alleen verzocht telkens toe te stemmen, als zij hem iets +vroeg: niet waar?, he?, vin-je ook niet? Hij knikte maar glimlachend ja +en gaf haar het grootste gelijk van de wereld. Hij vond het niet +vervelend haar zoo aan te hooren en verder niets te doen, maar om het +onderwerp van haar gesprek gaf hij minder dan om haar zelve. Hij nam met +genoegen waar, hoe vol zij was van het leven, hoe gezond en zacht +gelkeurd haar wangen er uitzagen, hoe zeer hij en zijn kindje, dat zou +geboren worden, de eenige dingen waren, waarmee haar lieve hoofd zich +bezighield, en hij dacht telkens: jongen, wat heb ik het toch goed +getroffen ik heb een allerliefste vrouw! Ondertusschen praatte zij +voort: de jongen zou dus groote blauwe oogen hebben en bruin haar, +misschien een krullebol. Hij zou stellig den mooyen neus en ooren +krijgen van zijn vader, maar vooreerst zou daar nog wel weinig van te +bespeuren zijn. Hier kwam nu het gesprek op den toestand van een +pasgeboren kind. Mathilde had zoo iets nog nooit gezien; nu beduidde +Jozef haar, dat zij zich daarvan geen illuzies moest maken. Hij vertelde +haar hoe zoo'n wezentje was, met zijn rood rimpelig vel, zijn vreemde +oogjes, meestal gesloten, zijn hoofd zonder haar, zijn mondje zonder +tanden, bibberend en schreeuwend in de wereld komende. Maar zij wilde +hier eerst liever niet van hooren. Maar later verzekerde ze, dat, hoe +het kindje er ook uit mocht zien, zij er toch dadelijk vreeselijk veel +van zou houden. Eens voelde zij den schrik voor het viezige, het +wezenloze, het dierlijke van zoo'n pasgeboren kindje, maar zij was al +gauw weer vol vertrouwen; als zij Jozef onophoudelijk en met zoo-veel +liefde aankeek en zijn uiterlijk voortdurend op nieuw in zich opnam, dan +zou, dan moest het kindje mooi wezen van het eerste uur van zijn geboorte +af. Wat een heerlijke jaren zouden er nu voor haar komen! Door het leven +te gaan tusschen haar man en haar kind! Aan den eenen kant een knappe, +lieve man, die haar in alles steunde en beschermde, en raad gaf, aan den +anderen een blond jongetje, dat om haar heen dartelde en haar zijn lieve +moeder noemde. Wat zou het goed staan tegenover de menschen, zoo'n familie +te zijn Eerst zou het kindje, natuurlijk in de lange witte kleeren worden +gekleed. Zij was al bezig daarvoor te zorgen. Heele middagen zat zij er +aan te werken, en telkens klonk de vermanende stem van Jozef er door heen, +dat zij het zich niet te druk mocht maken. Terwijl zij, een zilveren +vingerhoedje om den middel-vinger van haar rechter hand, de slanke +glimmende naald tusschen haar wijsvinger en duim gedrukt hield, naaide +zij met regelmatige steken, op en neer met haar hand, op en neer. Wanneer +zij het linnen en batist, de wol en de kanten op die wijze hanteerde en +fatsoeneerde, stelde zij zich voor hoe, in een niet ver verschiet, die +dingen om de poezele blanke leedjes van haar kindje heen zouden gewikkeld +zijn, en zat zij met een heelen stapel wit goed op haar schoot, dat, door +elkaar, in een berg van plooyen, tot aan haar kin kwam, dan verbeeldde zij +zich, daar al een rond ventje onder te hebben liggen, een huidje te voelen, +met een jonge, reine warmte. Jozef was er eerst tegen geweest, dat zij- +zelf al die kleertjes maken zou, maar als hij haar nu, na dat zij het toch +doorgedreven had, aan den gang zag, en haar lieve gezicht boven al die +zuivere witheid uit zag komen, vond hij 't toch wel aardig. + +Later zou het jongetje, want, neen, nu zonder gek-heid, het moest een +zoon wezen, zij was er zeker van, later dan zou hij vooral het liefste +zijn--en over dezen tijd sprak zij het graagst met Jozef--als hij zou +kunnen spreken en zij, de ouders, zijn verstand langzamerhand voor den +dag zouden zien komen. Dan zou Jozef hem, och heer, met allerlei +nietsjes, maar die een heele wereld in zich sluiten voor kinderooren, +inwijden in het begrip van de dingen van het dagelijksch leven, van zijn +omgeving. Zij zag hem al van hier aan Jozefs knieen staan, met groote +oogen aandachtig luisterend. Zij zou hoofdzakelijk zorgen voor dat hij +braaf werd en gezond. Voor alles zou zij hem de liefde leeren voor zijn +vader. Zij zou hem zeggen, hoe goed en lief Jozef is, hoe haar, zijn +moeder, niemant dierbaarder was, hoe hij alles aan zijn vader te danken +had, wat pleizierig voor hem was. Zij zou vooral van haar zoon een +tweeden mensch vol liefde voor Jozef maken. + +De vraagstukken van opvoeding kwamen op in Jozef en Mathildes +gesprekken. Mathilde was bepaald en onveranderlijk voor een strenge +opvoeding. Zij was daar tegenwoordig 's avonds druk over aan 't lezen. +Op haar verlangen kocht Jozef, die daarmee lachte, een paar nieuwe +boekwerken over opvoeding. Jozef was voor de zachte, toegeeflijke +methode. Hij vond, dat pakken slaag te geven en in een hoek te zetten +een kind niet beter maakte. Maar hij wou zich wel onderwerpen, zei hij, +hij liet haar de beslissing over. "Zachte chirurgijns maken stinkende +wonden", zei Mathilde iederen keer, waarop Jozef dan altijd begon met te +andwoorden, dat een gewonde en een chirurgijn in een heel andere +verhouding tot mekaar staan als een ouder tot zijn kindje, dat alleen +het zooveel mogelijk vrijheid laten en het door redeneering fouten onder +het oog brengen een kind tot een waren man maakte, maar daartegen had +zij bizonder veel dingen te zeggen: dat een kind voor geen redeneering +vatbaar was, dat men zijn kind niet liefhad, zoo men het niet strafte, +dat alleen hij, die eens zelf door kastijding had leeren gehoorzamen, +later in staat was goed op te voeden, dat men anders onmogelijk een kind +braaf kon maken, onmogelijk, dat men, strafte men niet, de liefde en +eerbied voor de ouders zelf uit het gemoed van liet kind bande, dat men +op die manier zijn gezach verloor, en nog duizend redenen meer, zoo dat +hij ten laatste haar maar een zoen gaf, om er een einde aan te maken. +Maar zij hield niet op voor hij zei: je hebt gelijk. En dan was zij +eigenlijk nog niet te vrede, dan moest hij haar beloven, bepaald +plechtig beloven, dat hij streng zou wezen. Hij begon te lachen, maar +zij bleef hoogst ernstig; ten slotte beloofde hij alles. + +Van God de Heer was weinig sprake als Mathilde dacht en sprak over haar +kind. Het was zonderling, maar alleen bij de gedachte aan haar vader +kwam er een God, haar God, te pas. Met haar laatste groote droefheid, +verflauwde ook haar godsdienstzin. Wanneer zij gelukkig was scheen zij +geen andere behoefte te hebben, dan die door het haar omgevende aardsche +werden vervuld. + +De laatste maand voor haar bevalling was Mathilde in een hijgende, +zenuwachtige afwachting. Haar kind, haar eerste kind zou geboren worden. +O, wat ging die tijd langzaam! + +Jozef vond, dat het nu waarachtig langzamerhand lang genoeg begon te +duren. Hij wou maar, dat Mathilde gauw weer elegant en slank zou zijn, +dat hij zich weer in 't publiek met haar zou kunnen vertoonen, in de +komedie en op koncerten, en dat iedereen dan weer zou zeggen: wie is +toch die man, die heer daar, met die prachtige vrouw aan zijn arm. Hij +vond, stil voor zich, den toestand toch eigenlijk zoo lammelendig. +Intusschen hield hij haar trouw gezelschap tot het einde toe. Hij was +altijd op kantoor en thuis. Hij kocht een wieg voor haar. 's Avonds las +hij haar voor; zij gingen vroeg naar bed. + + + + +X. + + +'t Was in 't midden van een nacht, dat de bevalling gebeurde. De dokter +had Jozef, die zenuwachtig was, uit de slaapkamer laten gaan. Hij zou +den vader wel komen waarschuwen, als het zoo ver was, had hij gezegd. +Jozef was, in zijn sjamberloek, beneden naar de zaal gegaan. Waarom +juist daar-na toe, dat wist hij zelf niet. Hij had een gaspit opgestoken +en drentelde in het zwakke licht heen en weer over het dikke tapijt. Nu +eigenlijk scheen hij pas goed over hetgeen er boven ging gebeuren na te +denken. Hij vroeg zich af, wat er het gevolg van zou wezen. Zijn blikken +gingen langs de lambrizeeringen, langs de zoldering en den vloer, over +de schilderijen, alsof dat nieuwigheden waren. Eigenlijk keek hij naar +niets, maar luisterde naar de geruchten die van boven kwamen. Die lieve, +goede Mathilde, wat stond zij misschien nu een pijn uit. Maar hij kon +haar niet helpen, men moest afwachten de dingen, die komen zouden. 't +Was een elllendig iets, dat kinderen krijgen! Hoe jammer, dat het niet +gemakkelijker kon en zonder zooveel schade! Hij hoopte nu maar in +Godsnaam, dat Mathildes lichaam er niet te veel onder lijden zou. De +tijd ruischte in de nacht-stilte om hem heen voorbij. Daar dacht hij aan +de namen, die hij met Mathilde afgesproken had, dat het kind zou +krijgen. Was het een meisje, dan zou zij Agnes heeten, naar zijn moeder, +die nu al vijftien jaar dood was. Werd er een jongen geboren, dan zou 't +Bernard zijn, met nog een paar onverschillige namen er achter, naar haar +vader. Maar weer schudde hij voor zelf neen! Hij had er zich niet mee +kunnen vereenigen. Bernard was veel te burgerlijk. Hij wilde zijn zoon +een voornamer, een buitengewonen naam geven. Iets van Felix of zoo. +Felix, dat was mooi, dat klonk. Kreeg de jongen later zijn eigen +visite-kaartjes, dan zou daarop gegraveerd staan: Felix van Wilden, of +in 't fransch, nog beter: Mr. Felix, met den klemtoon op ix, Mr. Felix +van Wilden! Jozef zag zijn zoon al voor zich, in een elegant jasje, een +jonge man van twintig jaar, naast hem, ook nog jong, ook in een elegant +pak, misschien met enkele grijze haren, samen op straat, samen op +reis ... En hij vergat Mathilde voor een oogenblik. + +De dokter stapte door den gang, maakte de deur van de zaal open; op zijn +eenen voet vooroverbuigend, zijn hoofd door de opening, riep hij luid +naar binnen, opgewonden: Vadertje, geluk met je zoon, hoor! Hij sloot de +deur en ging gauw naar boven terug; Jozef hem na. + +De slaapkamer was langwerpig, met twee ramen naar de binnenplaats, +tegenover de deur. Het was er donker-groen: de venster-en bedgordijnen, +het tafelkleed en de stoelbekleeding waren donker-groen, ook de +ondergrond van het tapijt. Er stonden twee groote en twee kleinere +antieke kasten tegen de wanden. Een olielamp brandde nu op de tafel in +'t midden; voor het bed grilde de schaduw van den ovalen kapspiegel op +de tafel. Twee kaarsen tongevlamden op de latafel tegenover het +ledikant, voor het apotheek-kastje. Toen Jozef binnenkwam, was de baker +voor de tafel geknield. Zij hield het kind er boven in haar linkerhand +en wond hem met haar andere in witte en gele doekjes. Met haar zeer +klein hoofd, als geklonken in haar stijve kornet, leunde zij met haar +eene hand op de tafel, boven het kind gebogen, wiens hoofdje nu nog +alleen zichtbaar bleef. De baker stak haar vinger in den mond van het +kind, en, zeer op de hoogte met haar kleine grijze oogen, zeide zij, dat +er al een tand in het mondje zat en het kind dus met een tand was +geboren. Dit scheen den dokter, die, tegenover de vrouwen aan de tafel, +aan 't uitzoeken van het linnen-goed was, dat Mathilde nu eenigen tijd +moest dragen, niet te verwonderen. + +Na het kind even bekeken en bevoeld en zijn wangentjes gezoend te hebben, +ging Jozef zachtjes naar het bed, en draaide zich in de dichtgeschoven +gordijnen. Mathilde lag in de groene duisternis, stijf in de schoone +witte lakens. Zij hijgde zachtjes, haar haren, als een kronkelende zwarte +plas, veel en verward over het kussen. Zij zag erg wit. + +--Mathilde, ik dank je wel, fluisterde hij en hij kuste haar. + +Maar haar lippen beefden en waren koud, en hij dacht in-eens, hij wist +niet waarom, dat ze er wel eens van dood zou kunnen gaan. Hij lei zijn +hand in haar haar op het kussen en vroeg: + +--Hoe voel-je je? + +--Uitgeput, erg uitgeput ... + +Zij bleef roerloos liggen en zei daarna, hartelijk, angstig, langzaam, +de zeurige woorden, die pas bevallen vrouwen spreken: + +--Jos, ik weet niet hoe 't af zal loopen, maar mocht ik dood gaan, zorg +dan goed voor ons kind! Als ik kon, dan zou ik het je knielend vragen. +Maar beloof 't me, Jozef, maak, dat hij godsdienst heeft ... Be-loof +'t me ... + +--Hoe kan je nu zoo spreken?, vroeg hij, ons leven begint nu pas goed en +je denkt om te sterven! + +--Ik voel dat ik heel goed van-nacht kan sterven, andwoordde zij. + +Toen werd ook hij vreeselijk zenuwachtig, beiden in de kinderlijke +aandoening van den hevigen toestand: nee, nee, dat kan niet! zei hij +hard, en hij zoende fel haar gezicht, haar aan haar schouders vattende. +De dokter en de baker kwamen er bij. De dokter had het gordijn +wechgeschoven, hij trok Jozef bij zijn arm bedaard van het bed te-rug. +Maar Jozef rukte zich los en riep, huilend: + +--Maar, ze sterft! waarom heeft u me dat niet gezeid? O, God, o, God, +wat moet ik doen? Ze is koud, dokter, zoo koud als ijs, zeg ik u, en +kijkt u d'r oogen eens! + +--Maar, 't is niets, hoegenaamd niets, zei de dokter, dat hebben +bevallen vrouwen altijd! + +--O, ja, zei de baker, dat wil de natuur zoo. + +Zij stond op en hield het kind voor zich uit. + +--Hier, moedertje, kijk maar eens naar je jongen. + +Zij tilde het kind in bed, voor Mathildes gezicht. Maar Mathilde scheen +er niets van te merken. + +--Is het wezenlijk zoo? vroeg Jozef, zal ze beter worden? U moet me niet +foppen, meneer! + +--Absolute rust en kalmte om haar heen is noodzakelijk, zei de dokter, +dan zal zij gauw weer heelemaal in orde zijn. + +Jozef ging naar de baker, nam het kind op zijn handen en bekeek het +nauwkeurig. Mijn gezicht! zei hij zachtjes, ofschoon daar nog volstrekt +niets van te zien was. Hij zoende het kind, en gaf het aan de baker +te-rug. Daarna ging hij naar de logeerkamer, waar hij nu de eerste +nachten zou slapen. Hij was erg moei, maar hij kon toch niet in slaap +komen. Na een uur van onrust, toen zijn zenuwen een beetje tot bedaren +kwamen, ging hij nog toch eens op zijn kousen kijken, of Mathilde sliep. + +De lamp en een van de kaarsen waren uit in de kraamkamer en de andere +kaars stond op tafel, vanwaar zij een vaal licht door de kamer +verspreidde. Naast het ledikant stond het wiegje, waarin het kind sliep. +De vroedvrouw, die eigenlijk bij de verlossing niet geholpen had, en die +Jozef, ongewend aan bevallingsmaatregelen, er maar voor alle sekuriteit +bij genomen had, en ook om dat zij zoo goed waken kon met-een, zat in +een hoekje met strak open oogen, roer-loos-wakker. Jozef kwam aan het +bed, en, stil de gordijnen een beetje wechschuivende, boog hij zich over +de wieg heen en bespiedde Mathildes gezicht. Zij lag nog altijd +onbewegelijk in dezelfde houding, met dichte oogen; zij sliep. Hij +luisterde oplettend ... Haar ademhaling ging zachtjes en regelmatig. Noch +even bleef hij staan en bezag haar, teeder. + +Toen hij weer in bed lag, gaf hij zich pas rekenschap van zijn +aandoeningen. Hij had Mathilde dan toch wel lief. Hij bracht een nacht +vol angsten door. Neen, maar wat ging er nu gebeuren! Daar had hij +allerminst op gerekend, een zieke vrouw in huis! Hij sliep eindelijk +vermoeid in, om weer met hoofdpijn wakker te worden, laat in den +volgenden morgen. + + * * * * * + +Gedurende den kraamtijd en nog weken daarna verveelde Jozef zich +gruwelijk in zijn huis. Mathilde was eenvoudig ziek en herstelde maar +niet. Dokter Hansen had om een konsult met professoren gevraagd, dat +gebeurd was. De uitslag was: Mathilde had een hart-ziekte opgedaan, +misschien voor altijd. Zij moest die al onder haar leden hebben gehad +en misschien van een van haar ouders of grootouders hebben overgeerfd. +Daarbij hadden hevige koortsen haar vreeselijk verzwakt. Zij had +kongesties naar haar hoofd, en duizelingen. Tweemaal daags werden er +ijskompressen boven op haar schedel gedrukt, om de gloeyingen te +bekoelen. Zij was zoo uitgeput, dat zij alleen heel zachtjes praten kon +en dadelijk weer moest zwijgen na dat men begrepen had, wat zij +verlangde. In de ziekenkamer was een volte en een drukte. In de eerste +week had Mathilde volstrekt geweigerd het wiegje uit haar kamer te laten +wechnemen. Zij wilde haar kind onophoudelijk bij zich hebben. Het moest +liggen onder het bereik van haar blikken. Het kind schreeuwde nu +dikwijls lang achter mekaar, als het niet sliep. Dan kwam Marie, het +boeren-meisje, dat als min aangenomen was, hief het kind op in haar +armen, drukte het aan haar borsten, suste en zoogde het. En telkens zei +Mathilde, in de halsstarrigheid van haar koortsige gedachten, dat men +haar Felix, zoo was het kind toch genoemd, zou geven, dat hij dan wel +dadelijk stil zou zijn. Maar in de duisternis van het ledikant huilde +het kind zoo erg, dat Mathilde het aan haar ooren niet uit kon houden en +het dadelijk aan Marie te-ruggaf. Tweemaal per dag kwam de dokter, die +altijd heel veel leven maakte, allerlei raad gaf en stadsnieuwtjes +zonder einde te vertellen had. Jozef ging 's ochtends voor een paar uur +naar 't kantoor, maar was overigens zijn meeste uren in de ziekenkamer, +tusschen de wieg en het ledikant zittend, angstige blikken over Mathilde +gooyend, ongeduldig en mis-moedig, haar zoo dikwijls vragende of zij nog +geen beterschap voelde, dat het scheen, als wilde hij daar-door de +ziekte doen wijken. Hij had zelf Mathilde met de medicijnen willen +helpen, inschenkend en aangevend. Elk half uur hoorde men hem het +fleschje en den lepel bewegen. Hoeveel druppels ook weer, mompelde hij, +en noemde dan het aantal. Na dat zij den medicijn had ingenomen, staarde +hij Mathilde aan soms, over het bed gebogen, als moest er een +onmiddellijk uitwerking zichtbaar worden. + +Maar al gauw werd het Jozef te bar uren achtereen in de duffe atmosfeer +van de ziekenkamer onbewegelijk, stilzwijgend, hoorend allerlei vieze +geluiden, met die doffe drukte om hem heen, te wezen. En hij ging +wandelingetjes doen buiten, over de grachten, in de frissche lucht. Eens +kwam hij Hasman tegen, die hem toch al een visite had gemaakt. Hasman +wist hem mee te krijgen naar de club. Maar Jozef was de oude niet meer. +Hij kon niet meer zoo lachen, niet meer van die geestigheden zeggen, zoo +als vroeger. Eindelijk hield hij zich heelemaal stil aan het tafeltje, +waarom zij zaten, en wilde heen. Hij moest naar zijn vrouw, hij moest +naar de ziekenkamer. Wie weet wat er gebeurd kon, zijn, juist nu hij +wech was. Jozef had geen rust, als hij niet bij 't ledikant zat, en, +daar eenmaal zijnde, verveelde hij zich onbegrijpelijk erg. In een +middag, dat hij weer zijn gapen moest onderdrukken, slenterde hij de +trap af naar beneden en ging zitten lezen. De glazen kast stond daar, +vol boeken, en zijn glansende schrijftafel, nog bijna ongebruikt. Eens +hield hij het zoo een vol uur uit. Toen kwam Marie: + +--Meneer, mevrouw heeft zoo'n pijn. Zij laat vragen, of u even boven wil +komen. + +In een zucht sloeg hij het boek dicht. + +--Och ... Jozef ... Jozef ... kom hier ... zei Mathilde. + +--Maar wat is 'et dan? vroeg hij. + +--Zoo'n pijn, zoo'n pijn! hier ... + +--Waar? in je rug? + +--Nee hier,.... overal ... onder mijn borst ... en dan zoo'n akelig gevoel +in mijn hoofd ... Net of er allemaal geronnen bloed in mijn achterhoofd +zit ... En dan zoo'n pijn in mijn beenen. Mijn beenen zwellen op ... Ik +weet 't niet, wat 't is. Mijn heele lichaam is ziek. Kom eens hier, buig +je nog eens naar me toe. + +--Wat dan? Wat wou je dan? + +--Ik wou je een zoen geven. Och toe, och toe, blijf bij me zitten. + +Voor een halfuur was Jozef er weer aan vast. Eindelijk besloot hij daar +een boek mee te brengen en de kranten. + +Jozef wende er zich weer aan, van een uur 's middags af, voortdurend +thuis te zijn. Hij deed zijn schoenen uit en schoof door het huis op +pantoffels, als een ziekenoppasser. + +Een paar weken later, mocht Mathilde uit haar bed komen en in de +slaapkamer opzitten. + +Voor een van de kleinere kastjes, dat naar de logeer kamer was gebracht, +was een boeken-en teekenkast voor Mathilde, in de plaats gekomen. Een +van de dingen van haar ziekte was een lammerigheid van haar beenen, +waardoor zij niet kon loopen. Een uur per dag maar ging zij uit haar +kamer, dan werd die gelucht. Het sombere licht dat door de binnenplaats +hier binnen-stootte was het eenige waar haar oogen nog tegen konden. Uur +aan uur zat zij daar dan te lezen of wel te teekenen. Voor de groene +tafel in een donker-grijzen, met donker-rood afgezetten peignoir, heur +haren tot een zware vlecht samengebonden onder een donker-grijs, met +donker-rood afgezet mutsje, haar slanke linkerhand waarvan alleen de +duimtop door het porceleinen palet zichtbaar was op de tafel, met drie +penseelen er dwars uitstekend. In haar rechterhand had zij een penceel +of potlood en ze teekende en kleurde. Haar gezicht was erg vermagerd en +als de grove hand van de goedige Marie niet een zilveren lepel vol +licht-geel vocht, van het, nu overvolle, apotheekkastje naar haar +toekwam en ze haar hoofd in de hoogte deed, dan zag men hoe haar oogen +waren ingevallen, hoe de eerste eigenlijke rimpels op haar jong gezicht +waren, hoe in-mekaar gezakt ze zat. Ze ging meestal om acht uur naar +bed, en stond om elf uur 's morgens op. Vooral 's nachts had zij veel +pijn en benauwdheden, zoo dat zij niet kon blijven liggen en de kussens +hoog achter haar werden opgestapeld. + +Toen Jozef haar voor 't eerst weer eens vlak bij het venster, onder vel +daglicht zag, schrok hij. Zij merkte 't aan zijn oogen. + +--Ben ik zoo veranderd? vroeg zij. + +Hij vatte haar teeder bij haar schouders en zoende haar bleeke wangen. +Maar dien zoen voelde hij als op doode wangen. Onmerkbaar trilde er iets +in zijn oogen; er ging een kou door hem heen. + +--Je zult bepaald heel gauw weer beter zijn, zei hij. + +Zij gingen samen even zitten voor het venster, op twee stoelen vlak bij +elkaar. Mathilde was nog in haar witte nachtgoed; haar gezicht was nog +witter. Er was een verlegen stilte. Jozef zat, een beetje naar haar toe +voorovergebogen, zijn eene elleboog op zijn been geleund, de handen +loshangend tusschen zijn beenen. Hij keek haar medelijdend en lief aan. +Haar blikken, vanachter een doffen glans van uitputting, zwierven door +de ruiten heen, over de zonnige plekken op de binnen-plaats, zonder +gedachten, in afwachting van wat hij zeggen zou. Hij had iets: + +--Wil-je nu wezenlijk niet liever op de logeerkamer gaan en mij hier +laten slapen? vroeg hij, dan heb je ten minste nog een beetje afleiding +door het leven en alles wat er te zien is op straat. + +--Och nee, zei ze, daar ben ik te zwak voor. Ik wil liever maar niets +zien ... het bevalt me hier 't best. + +Zij kuchtte stilletjes. Na een poosje, bewoog zij langzaam haar rechter +hand, streek er zachtjes mee over Jozets groote blanke hand, heen en +weer, met haar dunne vingertopjes over het zachte vel, nauwelijks er aan +rakende. Toen zei zij, met een bedaarde, klagendzachte stem, waar een +te-vredenheid in klonk, dat zij zoo met hem alleen was in haar ziekte: + +--Wat heb jij toch mooye handen! Eigenlijk veel te mooi voor een man. + +Daarna dacht ze weer een tijdje. + +--Zie-je, zei ze toen, als zei zij het besluit van een lange inwendige +redeneering, het is onmogelijk, dat ik altijd zoo zou blijven als ik nu +ben ... Een geluk, dat zoo groot is, kan niet in-eens uit zijn ... Ik zal +stellig weer beter worden, heel zeker, ik weet 'et natuurlijk niet, maar +zie-je, ik voel 'et zoo, ik voel 'et. En je begrijpt wel, dat ik nu nog +vreeselijk veel meer van je hou als vroeger, om ... hem, om Felix. + +Ze had dit gezegd, zonder Jozet aan te kijken, haar blikken mijmerig +voor zich uit; nu knipte zij haar oogen even snel dicht en deed ze naar +zijn kant weer open, hem zoo vragend, hoe hij wel vond, wat ze daar +gezegd had. + +--Ja, andwoordde hij, stellig! Ik geloof 'et ook, bepaald. En, als had +hij zich nog niet krachtig genoeg uitgesproken: Daar is zelfs geen +sprake van, dat je niet beter zou worden. Ik twijfel er geen oogenblik +aan. + +Mathilde zat achter in haar stoel, haar oogen neer. Zij wreef met haar +rechter duim over haar linkerhand. + +--En Emilie Hartse is met Berlage getrouwd he? vroeg zij, de woorden als +uit haar mond slepend. + +--Ja, ze zijn d'r gisteren geweest; ik heb hun kaartje beneden: meneer +en mevrouw Berlage-Hartse. + +--He, 't is een kokette, akelige vrouw, die Emilie, ik hou niets van +d'r! + +--Och! zei Jozef verontschuldigend. + +Toen Mathilde dien avond om negen uur al lang in bed lag en alles rust +was in de kamer, terwijl het buiten onhoorbaar sneeuwde en de wind over +de binnenplaats aan de ruiten ritselde, zat Jozef daar nog altijd, voor +de tafel. De koeranten van den avond, een paar tijdschrift-afleveringen, +een boek, lagen voor hem. Hij las het Buitenlandsch Nieuws. Die Emilie +Hartse, mevrouw Berlage, was wel een aardig vrouwtje! Hij lei het blad +plat op tafel en streek de kreukels er uit om beter te kunnen lezen. Zij +was zoo vroolijk, zij was ook mooi, hij mocht haar wel. Hij las van de +onaangenaam-heden, die tusschen De Duitsche en Fransche regeeringen +aanhangig waren. Zij zouden nu in lang wel geen partijtjes kunnen geven, +waarop mevrouw Berlage zou komen. Bismarck en Gambetta konfereerden door +bemiddeling van de ambassadeurs over de belangen van Europa. Hoe was het +mogelijk, dat zij dien dommen Berlage genomen had! In Rusland werd +dagelijks de vrees grooter voor uitbarstingen tusschen de joden en de +boeren. Zij had mooie rooye lippen, die Emilie. Het jonge Italie, dat ... + +--Ben je daar nog, Jos? kreunde fluisterend uit het bed. + +Jozef stond op. + +--Ja, wat wou-je, kind? + +--Mag ik een glas water asjeblieft! + +Hij gaf het en zoende haar klamme voorhoofd. + +--Probeer nou weer te slapen, zei hij, dat zal je goed doen. Ik ga nu +maar naar beneden nog wat lezen, dan heb je 't rustiger, en dan ga ik +ook naar bed. Wel te ruste! Tot morgen, misschien ben-je morgen wel +veel beter. + +--Ja, misschien; laat Marie met Felix nog eens hier komen, wil-je? + +Driemaal per dag kwam Marie, met het kind op haar arm, bij Mathilde; +Jozef ontmoette haar nu op de trap. Hij hield haar staande nam het kind +even van haar over, zoende het en ging verder. Alles was doodstil in +huis; alleen hoorde Jozef, toen hij in den gang kwam, eentonig de +keukenklok tikken. Hij veegde met zijn zakdoek zijn lippen af. Hij +zoende niet graag zulke jonge kinderen. Die Marie is eigenlijk volstrekt +niet kwaad, dacht Jozef, een aardige meid! + +Toen Jozef het licht had opgestoken in de achter-kamer, en een boek, een +roman in een kalfslederen band gebonden, uit de kast wilde nemen, steeg +er plotseling een woede, de uitbarsting van een lang onderdrukt +ongeduld, in hem op. Hij maakte groote stappen door de kamer. + +--Dat duurt nu al maanden, zei hij luid, het gaat niet meer, ik weet +niet, wat ik doen zal. + +Hij stak een zwaren cigaar op en bleef beweging-loos en dommelend den +heelen avond zitten. Een verzet was in zijn hart ontstaan. Hij verveelde +zich onhoudbaar. Het ging toch ook werkelijk niet op den duur! + +Gedurende de volgende dagen, dacht Jozef, koud, met zijn rede en zijn +gevoel van wereldsch mensch, na over zijn vrouw en zijn kind. Zij ging +erg achteruit. Wat moest er in Gods naam van komen? 't Was wel aardig +geweest, even na de geboorte, het denkbeeld van zijn eigen kind te +hebben, een voortbrengsel van zijn liefde, maar nu, een klein leelijk +rood, onooglijk, schreeuwend wicht, neen! 't was alles behalve +pleizierig. + + * * * * * + +Langzaam verstreken maanden. Mathilde bleef 't zelfde. In dezen tijd, +kon zij eens 's avonds niet in slaap komen. Zij had dien middag +onwillekeurig een paar uur gedommeld, en lag daarom nu wakker. Zij dacht +dat zij een beetje de koorts had. Haar oogen, wijd open, staarden naar +boven, naar den groenen hemel van het ledikant, zwartgroen in de zwakke +schemering van het nachtlicht, en die in stijve plooyen zich in een +middenpunt, een rozet, samentrok, waaruit een beddekwast nederdaalde, +roerloos als de slinger van een stilstaande klok. Het felle wit van het +dek, dat zich als harde sneeuw, over en om haar heen spreidde, +schreeuwde tegen de duisternis, scheen naar boven te dringen en stapelde +zich op, als een koude massa, midden in de zwarte tinten. Mathilde +dacht ... en bewoog haar lippen of streek er met haar tong tusschendoor, +van pleizier van zoo te liggen denken. Het suisde door haar hoofd; er +was een ijlheid in haar hersens. Haar zieke gestel gaf haar gedachten +een bizondere scherpte en levendigheid. Terwijl een nattigheid door haar +oogen sprankte lispte zij, en er ging iets droogs, iets kramperigs door +haar verhemelte ... O Jozef! ... o Jozef! ... Zij bewoog haar eene voet +even en schikte haar armen in een gemakkelijker rust op het bed, om nog +inniger en uitsluitender aan dat eene onderwerp te kunnen denken. Zij +dacht er over, wat zij allemaal zouden doen, als zij weer beter was. +Heerlijk! Heerlijke jaren zouden er komen! Wat een gelukkig en benijd +drietal zouden zij zijn! Zij had dat al zoo dikwijls gedacht, maar nooit +zoo hevig als nu. Zoolang zij alleen jonggetrouwden waren geweest, had +zij nog altijd iets gevoeld, zij wist niet precies hoe, maar als of zij +nog half en half niet getrouwd was, als of die man wel elk oogenblik +heen kon gaan, niet dat dat gebeuren zou, maar dat 't ten minste +mogelijk was. En ook zoo voor de menschen. Als zij en Jozef menschen +ontmoetten, bij hun aan huis of op straat of bij anderen, dan was er in +'t "dag, meneer, dag, mevrouw" of in het "dag, Jozef, dag, Mathilde" +iets als of de menschen op dat oogenblik den indruk kregen van twee +alleenstaande wezens te ontmoeten, twee op zich zelf staande menschen, +die wel innig aan mekaar verbonden waren, maar toch maar met hun tweeen +waren en elk oogenblik ieder een anderen weg konden gaan. Maar nu niets +van dat alles meer. Nu was zij niet alleen heelemaal vrouw, een jonge en +gepozeerde vrouw tegelijk, maar nu waren ze, zoo dacht zij, nog meer een +samen, zij hoorde nog veel meer dan vroeger, ook voor de menschen, +onafscheidelijk bij mekaar. Zij waren niet meer jonggetrouwden, neen, +hij was de vader, zij was de moeder. En wat een vreeselijke +heerlijkheid, op straat en overal in 't openbaar met elkaar te zijn en +dan de menschen te zien of te hooren zeggen: "dat is de jonge mijnheer +en mevrouw van Wilden, ze zijn drie jaar getrouwd zoo wat, zij hebben +een kindje, een allerliefste jongen". Maar, dat alles daargelaten, wat +zouden zij een stil en heimelijk geluk met hun drieen hebben in huis! +Hij daar, zij hier, en Felix in 't midden! Neen, maar 't was waar ook, +zij had volstrekt, na de geboorte niet al die ellende, over dit groote +geluk nog niet in onderdeelen nagedacht. En, terwijl de koude, als een +vale nevel, door de kamer, door het ledikant en over haar heen zweefde +en haar gezicht doortrok, bleef dat gezicht maar liggen staren naar +boven, en voelde Mathilde een warmte in haar oogen en in haar mond als +stroomde het geluk over en wilde naar buiten, dat, als een eindeloos +zacht zilveren vocht, door haar heele lichaam vloeide. Een enkele maal +wreef zij, onder het dek, haar handen tegen mekaar van de eenzame +zaligheid, die haar zoo vervulde. Heerlijk! zij zag zich al weer, +genezen en gezond, beneden in de huiskamer zitten, Jozef tegenover haar, +Felix op een hoogen kinderstoel, een rood puntje aan zijn neusje, twee +heele groote oogen, lachend, juichend, met zijn handjes bewegingen van +vreugde makend, tusschen hen in. Jozef aaide de wangetjes van het kind, +sneed het voor hem bestemde sneetje brood zonder korst aan kleine +stukjes, gemakkelijk om in de melk te soppen. En Jozef keek dan +glimlachend naar haar, om te vragen, of ze het zoo niet goed vond, en om +dan samen van liefde te lachen, samen begeesterd door het jongetje, die +nog niet spreken kon. Liet Felixje iets op den grond vallen of morstte +hij, dan stond zij op om hem te helpen, en stopte hem met haar vinger +een stukje geweekt brood in zijn mond. Daarna zou ze bij voorbeeld aan +Jozef vragen, of hij nog een kopje thee wou hebben. Hij zou haar zijn +kopje overreiken en hun vingers zouden elkaar aanraken boven de tafel, +voor het kind heen. Die kleine aanraking, hoe onuitsprekelijk gelukkig +zou dat zijn! Zij die hem zoo goed kende, zij, die alle dag in de +innigste aanrakingen met hem geleefd had, verheugde zich nu al als op +iets buitengewoons, in het vooruitzicht van die aanraking van hun handen +boven de ontbijttafel. Ja, want dat zou daar dan haar familie, haar +familie zijn. In haar huis, met haar man, met haar kind, zou zij daar +zitten, aan haar levensdoel, tot het leven gekomen voor altijd. + +Er kraakte iets in de kamer. Het woei buiten. Een huivering ging door +het behangsel, het nachtlichtje bewoog, spatte even, langzaam verroerden +zich de zwarte schaduwen; een ritseling ruischte over de vloer laag +langs de kasten en stoelen. + +Was er iets? neen, er was niets. Mathilde kuchte van gerustheid. Zij +kuchte nog eens, langzaam, in haperende schorre tikjes. En het was of +zegenend de duisternis, in een dikken vlokken-mantel en de koude, als +oneindig veel scherpe sprietjes, haar naderde, om haar heen viel, haar +aaide en met haar geluk samen was. Toen dacht Mathilde aan dien eenen, +dien eersten grooten nacht, waarin zij, voor haar open venster in het +oude huis, over Jozef had gedacht, na dat hij 's avonds van zijn liefde +had gesproken. In de verte, als een bevende, bleeke herinnering, zag zij +nu inwendig haar vader voorbij gaan, voorbij ... voorbij. Zij merkte dat +zij hem vergeten was. + +De koorts werd erger, en Mathilde sliep in, met droge lippen, dronken +van het denken. + +Den volgenden Zondagmorgen, heel in de vroegte, was de min met Felix in +de kinderkamer, boven de logeerkamer, voor het venster gaan zitten en +liet het kind naar den dag kijken. Zij hield hem vlak voor de ruiten. +Langzamerhand was het acht uur, half negen geworden, en Marie keek met +een groote belangstelling op de stille gracht, waar na enkele +melkboeren, die er met hun witblaauwe emmers aan de versch geschuurde +koperen haken langs de huizen waren gegaan, om hard aan te schellen en +de meiden, in hun nachtjakken en met halfdichte oogen, te helpen, de +haastige en ingetogen kerkgangers liepen. Het waren burger-mannen met +bloote handen, dik en grof, met schoenen glimmende in de morgenzon op +de droge straat, met glimmende heele hooge hoeden op het glimmende van +achteren heel dikke en kort in den hals afgesneden haar als geplakt; +met borstelige nekken; met lange, zwarte jassen waaraan een dikke en +bengelende achterzak en de andere dof gevuld; met wijde broeken van +effen zwart laken of heele dikke met bruine strepen. Dan meiden met +leelijke gezichten, helder gewasschen. Enkele met kornetten onder hun +hoeden, die de meesten met bruine of zwarte banden onder hun kinnen +hadden gestrikt. Andere hadden verouderde dameshoeden op, met veren en +pluimen en linten in donkere kleuren. + +Maar vooral had Marie schik in de oogen van het kind op haar schoot. Zoo +groot, zoo bruin, zoo zuiver vond zij ze, en zoo verstandig al. Zijn +wenkbrauwtjes kwamen al aan, donkere streepen boven de oogen. Wat zag +hij er mooi uit in zijn zondagspakje, met rokjes met kantjes, met die +fijne kousjes met dat lieve blauw en witte doekje waar zijn bovenlijfje +in gewikkeld was! + +Juist hield Marie het kind weer voor de ruiten en liet het dansen op +haar knie, een zacht liedje neuriend toen de deur openging, en Jozefs +lichaam, hoog in den klaren ochtend, binnenstapte. Marie bewonderde hem, +met zijn lichtbruin haar, altijd zoo mooi geschoren, zoo mooi gekleed, +en zoo vriendelijk. + +--Goeye morgen, Marie ... + +Zij andwoorde hem niet rechtstreeks. Zij vond hem haar weldoener, om dat +hij haar, als ongetrouwde min, wel had willen nemen, toen zij juist niet +wist wat er van haar worden zou. Zij was erg verlegen tegenover hem. + +--Fik, Fik, daar is vader en ze liet Fik, zoo als zij hem het eerst had +genoemd, dansen op haar schoot; maar zij zag Jozef niet aan. Het kind +lachte tegen vader en kraaide 't uit van de pret en bewoog zijn heele +lichaampje zoo als kleine honden tegen hun meester doen. + +--Zoo jonge heer! en hoe maakt onze jonge heer 'et? vroeg Jozef. Hij +boog zich over het kind heen en gaf hem met zijn mooyen wijsvinger op de +bolle wangetjes een tikje. Marie, die nu rood werd, keek maar al naar +het kind en lachte tegen hem en schikte zijn mutsje en zijn kleertjes +eens goed met haar rechterhand: + +--O, heel goed, vader ... niet waar, Fik? ... Heel goed!, en ze zoende +het kind gauw en zachtjes en hield haar oogen maar neer. Jozef nam een +fauteuil en ging vlak bij hen zitten. + +--Hebben jullie al ontbeten? zei hij en keek in Maries oogen. + +--O ja, meneer, ... voor zevenen al ... en ze knipte met haar oogen, keek +hem even aan en toen weer gauw uit 't venster en trommelde met twee +vingers op de voetjes van het kind. + +--Kom, geef hem nou eens hier ... Nu moet vader em eens hebben ... + +Nu wist Marie met haar armen en met haar heele houding geen weg. Zij +vouwde haar handen samen en drukte ze tusschen haar knieen; dan weer lei +ze op iedere knie een hand; maar toen zij haar bruine bij Jozefs blanke +handen zag, deed zij ze onder haar boezelaar. Nu keek zij Jozef wat meer +aan, die heelemaal met het kind bezig scheen. Maar als hij haar dan weer +aankeek, gingen haar blikken langs de staalgravures aan den wand en van +de staalgravures op de stoelen en van de stoelen op het tapijt en van +het tapijt op haar schoot en van haar schoot door 't venster op de +gracht. Ze wist niet hoe 't kwam, maar nu stond in-eens het huilen haar +nader dan het lachen. + +--En hoe bevalt je nu op den duur je nieuwe baantje, Marie? + +--Ik dank u d'r nog altijd wel voor, meneer ...; 't bevalt me heel best, +meneer ... + +--Nou, nou, je hoeft er niet om te huilen ... hoor eens Marie ... Hij had +haar het kind te-ruggegeven, was opgestaan en had zijn linkerhand in +zijn broekzak gestoken, met de rechter gestikuleerende ... zal je nu goed +voor mijn jongen zorgen? ... zal je? ... Kijk me eens goed aan ... beloof +je 't me? ... + +--Ja, meneer, zeker, zeker, ... ik beloof 'et u ... + +Toen ging Jozef langzaam wech. + +'t Was negen uur geworden. + +Nu kwam Dientje de werkmeid binnen met een dampende kop koffie voor +Marie. Dientje had een breeden mond, dikke lippen en alles verder in +haar gezicht was dik en klein; zij was leelijk maar goedig. + +--Hier, Mietje, zei ze, koffie, ze is sterk, hoor, ... Pas op, bran je +niet. + +Het kind lag in Maries rechter arm en met den linker slurpte ze de heete +koffie. + +--Doet je dat nou geen goed, mensch? Ja, koffie, dat is altijd een +heerlijke drank ... + +--Hoe laat drinken we koffie? vroeg Marie, terwijl ze den leegen kop aan +Dientje te-ruggaf. + +--Om twalef uur; ... je moet tegen 'n uur of ellef maar 'es met Fik naar +mevrouw gaan ... 't arme mensch. + +--Ja, wat is ze toch ongelukkig, he? + +--Ze het wat uit te staan, hoor mensch, 'n ongeneesselijke kwaal, het de +dokter gezeid ... Nou, nou, 't is voor meneer ook een slag geweest hoor! + +Dientje was met haar handen haar boezelaar aan 't verfrommelen. Zij had +een groen japonnetje aan en een geur van schoon linnen bij zich. + +--Ja, zei Marie, dat kan j'em dan ook nog wel aanzien ... + +--Och, hij houdt zooveel van mevrouw ... 't kon zoo'n best huwelijk +geweest hebben! Maar wat zal je d'r an doen, de mensch wikt, maar God +beschikt, zoo as ze zeggen ... + +--Ik zal nou maar eens naar mevrouw toe gaan, zei Marie. + +Mathilde zat op een leuningstoel aan de tafel, bij het raam. Haar +teekengerei stond voor haar. Zij steunde haar hoofd op haar hand +en tuurde. + +--Binnen!, zei ze, ... zoo, Mietje, ... + +--Hier is Fik, mevrouw ... Hij is al-door heel zoet geweest. + +--Geef 'em maar 'es hier, ik hoop dat ik 'm zal kunnen houden. Mathilde +schoof zich met een voet wat van de tafel en met een inspanning zette +zij het kind op haar schoot en gaf hem flauwe zoenen. Zij hield hem lang +tegen zich aan gedrukt, in een stilte, en had hem lief, met groote +starre oogen. Zij had juist nu het gevoel van den dood, zoo als zij het +dikwijls had tegenwoordig. Haar gezicht, in een ernst die het +verouderde, dacht aan de toekomst. Zij had smartelijke gedachten, die +zij aangenaam vond als mooye liedjes. Zoo zag zij altijd tegenwoordig op +de binnenplaats vogels, die hun jongen verzorgden en voedden in den +winter, in muurgaten, en zij vond pijnlijk dat zij dat haar kind niet +ook kon doen. Zij dacht, of Jozef Felix wel goed zou opvoeden en er een +braaf en flink man van maken na haar dood. Toen werd ze moe, leunde meer +in haar stoel, gaf het kind aan Marie te-rug. + +--Zie zoo, dag mevrouw ... + +--Kom je dan om een uur of vier van middag nog eens te-rug, Marie? + +--Ja zeker mevrouw, zeker. + +Mathilde hield er niet van in haar tegenwoordigheid door de menschen +beklaagd en achter haar rug bepraat te worden. Daarom wilde zij geen +visites hebben. Altijd werden de kennissen wechgestuurd met de +boodschap, dat mevrouw belet had, dat mevrouw te ziek was. Mathilde +wilde alleen zijn met haar ziekte. Later, als ze weer gezond en flink +zou zijn, zouden de menschen haar wel weer zien. De kennissen deden dan +vergeefsche pogingen en bleven ten laatste van zelf wech. Alleen Marius, +de kantoorbediende van Jozef, die anderhalf jaar geleden toen ook op hun +feestje was geweest en dat gedicht op het huwelijk had voorgedragen, +liet zich niet ontmoedigen, maar drong er onophoudelijk bij Jozef op aan +toch eens het voorrecht te mogen hebben mevrouw in haar ongesteldheid te +bezoeken. Jozef sprak er Mathilde een paar maal over. Eerst wou zij +niet. Waarom die jongen eerder dan een ander? Jozef verhaalde dan, dat +Marius gezegd had, dat hij hoopte mevrouw, die zich wel erg moest +vervelen, misschien wat afleiding te kunnen bezorgen. Hij meende gemerkt +te hebben, dat het in der tijd door hem voorgedragen gedicht mevrouw wel +een beetje bevallen had; nu kon hij haar misschien nog iets voorlezen, +of zoo. Mathilde lachte hij dat idee. Waarom hield die Marius toch zoo +aan? Wat had hij toch? Had hij dan zoo'n medelijden met haar? +Goeye jongen! + +Een dinsdag-middag na de Beurs werd Marius toegelaten. Onhoorbaar, als +met een vinger van was, werd er op de deur van de ziekenkamer geklopt. +Binnen! De kruk van de deur bewoog aarzelend en opende zich zoetjes met +het geluid van een haastig, herhaald voeten-vegen. Zijn blonde hoofd een +beetje gebogen, in zijn daagsch jasje, een breede versleten zwarten das +onder een schoonen aan den hals rafelenden boord, kwam Marius met een +linkschen stap binnen. + +Mevr ... hij kuchte, ... mevrouw, ik ben zoo vrij, om ... + +--Ik dank u wel voor uw belangstelling, meneer Marius, gaat u even +zitten. + +--O, ... mevrouw ... + +Uit verlegenheid ging hij, langzaam neerzijgend op een stoel, zich +schamend en rood wordend over een gaatje in zijn schoenen, vlak bij +Mathilde zitten. + +--Ja, mevrouw, ik wou eens komen vragen, hoe het met u gaat ... u is +altijd zoo lief en goed voor ons geweest, mijn zuster zou ook wel komen, +als zij mocht ... + +--Ja, meneer, u begrijpt, ik heb veel rust noodig, en ... + +Hij viel haar in de rede: + +--O, mevrouw, maar ik zal heel zacht spreken, ziet u, ik begrijp heel +goed, dat u het anders ... als men ziek is, niet waar, dan hindert de +minste kleinigheid. + +De zin was er uit. Hij werd gloeyend rood om dat hij dat alles zoo juist +achter elkaar had gezegd. Hij wist niet wat hem overkwam om zoo +plotseling met haar alleen te zijn. Hij trok zijn, van versletenheid aan +de randen scherpe, manchetten over zijn handen tot aan den ondersten +duimknokkel, dat hem pijn deed, om dat zijn handen daar ruw-rood waren +van den winter. Met zijn groote, wijde, licht-blauwe oogen, met in 't +midden van de appels een goud rontetje, iets als een verren vonk, bekeek +hij haar verwonderd, terwijl de verlegenheid van zijn voorhoofd tot +onder zijn haar steeg. Zij zag hem rustig aan en keek dan weer naar het +handwerkje, waarmee zij bezig was. + +--U is erg vermagerd, u moet veel hebben uitgestaan, zei hij snel en +lachte bedeesd. + +--Ja, meneer, maar ik hoop, dat het nu gauw beter zal gaan. + +Hij keek om zich heen door de kamer, zonder iets te zien, als om zich te +bedenken. Daarna zei hij luid: + +--Kan ik niets voor u doen? + +--Ik dank u wel, meneer, u is wel goed, maar nee, ik dank u ... ik heb +eigenlijk weinig noodig. + +Zij hielden zich allebei stil. Mathilde begreep, dat zij nog iets zeggen +moest. Zij liet haar werkje even op haar schoot liggen en zei, met een +welwillenden trek in haar gezicht: + +--Mijn man is erg te vrede over de bezigheden op het kantoor, ... ook erg +over u ... + +--O, mevrouw, andwoordde Marinus verontschuldigend. + +--Ja, zeker, hij zegt, dat u het beste werkt van allemaal. + +--U zit hier zoo zonder veel zon en 't is zoo stil op de +binnenplaats, ... mevrouw. + +--Ja, meneer, maar dat is juist het eenige, waarbij ik het kan +uithouden. Veel licht en veel leven hindert me. + +--Kan ik niets voor u doen? vroeg Marinus weer, iets voorlezen, +bijvoorbeeld? + +--Ik wil zelf heel graag iets lezen, als u mij iets leenen wil; +voorlezen zou mij wezenlijk wat te veel vermoeyen. + +--Mag ik u dan nog eens iets komen brengen? + +--Heel graag ... maar, wil u ook iets drinken, een glaasje port of zoo, +het is hier wel een treurig verblijf, waar als u wil ... + +Marinus stond op en, denkend te doen zoo als het hoort, bracht hij zijn +stoel een eindje verder tegen den wand, waar die nooit stond. + +--Nee, mevrouw, ik dank u wel, zei hij, maar ik moet weer wech, ... u +heeft ook rust noodig. + +--Nou, meneer, dan hou ik me aanbevolen voor als u eens te-rug wil +komen. Troost en medelijden doen altijd goed. + +Zij stak haar hand naar hem uit. Hij nam die half, daar hij er niet te +ver in durfde gaan. Hierop boog hij tweemaal telkens op grooter afstand +van Mathilde. Hij schopte in zijn verwarring tegen de deur, waar een +klein butsje in kwam, en zeide: O, neem mij niet kwalijk, vaar wel, +beterschap, mevrouw, beterschap ... dag, ... mevrouw. + +En zijn blonde, hoog stijgende haar verdween plotseling uit de kamer. + + + + +XI. + + +De dokter en de twee professoren hadden gezegd, dat zij niet goed +wisten, wat eigenlijk de ziekte van Mathilde was. De geluiden, het +suizen in haar ooren, de opvloeyingen van het bloed naar het achterhoofd +en de hartkloppingen, waaraan zij leed, bewezen, dat zij iets aan het +hart had, waarschijnlijk een vergrooting, waarmede zij geboren was, maar +die na de bevalling zich pas ernstig openbaarde. Maar zij scheen ook een +kwaal in het ruggemerg te hebben; zij had hevige pijn in den rug en +zakte dan in-een, zonder recht te kunnen zitten. Er deed zich nog een +derde verschijnsel voor: soms, tegen het einde van haar korte daagjes, +als het weinige opzitten haar al zoo vermoeid had, vertoonden er zich +zwellingen in haar beenen, tusschen de knie en de enkels. Dit was +het water. + +--Waar zijn uw ouders aan gestorven? had de dokter eens, brutaal-wech, +gevraagd. + +--Mijn moeder had iets aan haar hart, heeft mijn vader mij altijd +verteld; waar hij-zelf aan gestorven is, weet ik niet precies. + +Mathilde werd zoo zwak, dat zij dikwijls weder dagen achter-een in bed +bleef, zonder kracht, zonder lust om op te staan. Zij steunde zich met +een appart hard kussentje in den rug, als zij overeind kwam om een +beetje te eten. De dokter had gezegd, dat zij den aanstaanden zomer maar +naar Scheveningen moest gaan; daarna had hij weer van een hooge, een +fijne lucht, het Gooi, gesproken. Jozef hield niet veel van buiten. +Tegen den zomer, had hij gezegd, zouden ze er nog wel eens over spreken. + +Maar de kongesties naar het hoofd werden erger; zij veroorzaakten een +bedwelming, met allerlei schemeringen, Nauwe en groene en gele kringen +en vlekken voor Mathildes oogen. Als middel daartegen werden onder +anderen eerst kompressen met karbol, later met ijs gevulde blazen, die +verkoelden, gebruikt. Als het akelige stijgen van het bloed haar al te +veel overweldigde, greep Mathilde zelf een brok druipend ijs uit het +koperen emmertje, dat bij het ledikant stond, en drukte het stuk op haar +haren, dat haar vingertoppen rood en blauw werden van koude tinteling en +het water tappelings haar hoofd af in haar hals sijpelde. Maar Jozef was +hier een ware hulp in den nood. Heel handig wist hij haar te helpen. Met +zijn slanke, mooye vingers, kon hij de kompressen hanteeren, of haar met +zijn eene hand recht-overeind houden en met de andere het ijs op het +hoofd drukken. Hij wist heel precies hoe hij haar moest behandelen, waar +hij haar moest aanraken, om haar geen pijn te doen. + +Eens op een ochtend kwam hij binnen. Mathilde lag nog in bed. Hij hield +een kleinen al opengemaakten brief in zijn hand. + +--Thilde, ben-je wakker? + +--Ja, wat is 'et? + +--Groot nieuws. + +--Wat dan? + +--Berlage is gister-avond gestorven. + +--De ouwe heer? + +--Nee, nee, Louis. + +-Och, heer, hoe is 't mogelijk! ... Hoe is dat zoo gekomen ... Nu is +Emilie ook gauw weduwe. + +--Ja, hij moet een ongeluk hebben gehad. Ik heb hier een briefje van +Emilie; waaraan hij gestorven is, zegt zij niet. + +--Ga dan maar dadelijk een visite maken ... + +--Ja, vin-je ook niet? Dat had ik ook gedacht. + +--Doe mijn komplimenten, hoor! Zeg, dat ik erg medelijden met d'r heb. + +--Ja. Wil ik je nog eerst even helpen? + +En hij verzorgde haar nog even voor hij wechging, schikte de kussens +goed, gaf haar in, deed alles met ijver. + +Mathilde was dien ochtend als lam wakker geworden. Zij had een +onbegrijpelijk moe gevoel door haar hele lichaam. Toen Jozef te-rug was, +zeide hij: + +--Ze is nog al niet erg gedrukt onder haar verlies. Er is hem op straat +iets overkomen, een beroerte. Na den eten was ie gaan wandelen in het +Vondelpark ... en ze hebben zijn lijk thuis gebracht. + +--He, God, dat is verschrikkelijk! ... En ze is niet eens erg bedroefd? +He, ik ijs er van als ik er aan denk.. 't Is toch een vreeselijke vrouw, +die Emilie ... Ik geloof, dat ze niets geen hart heeft. + +--Ja, maar hij, denk eens aan hem. Hij is er 't minst pleizierig an toe. +Zoo jong te sterven. 't Is wel erg. + +--Ja, maar je weet niet hoe of me dat hindert, dat je zeit dat ze nog al +gelaten is ... Ik vin 'et onmenschelijk! He, ik ril er van ... Kom eens +even hier. + +Zij sloeg haar zwakke armen om zijn hals: + +--Jij zou heel anders zijn als ik stierf, he? + +--Wat een vraag ... En wat een gedachte! + +Gedurende eenige minuten omhelsden zij mekaar. + + * * * * * + +Drie dagen later zat Jozef, nadat hij alleen op het zaaltje gegeten had, +in de binnenkamer, waar de groote glazen boekenkast stond, te rooken. +Hij leefde nu al maanden akelig en naar. Dat kon niet langer. De trek +naar al zijn jongeheeren-pleizieren van vroeger kwam dagelijks weer meer +in hem op. Wat had hij er in 's hemelsnaam aan gehad om te trouwen! Ja, +hij had een geregelder en maatschappelijker leven willen gaan leiden. +Zijn te lang durende jeugd had hem verveeld, hij was verliefd geweest, +ja, en toen was hij getrouwd. En nu, daar zat hij nu, verlaten als een +kluizenaar in een woestijn in zijn huis! Wat had hij nu? Een +waarschijnlijk voor-goed zieke vrouw, van wier zuchtende en machteloze +liefde hij nu al meer dan genoeg had, een klein schreeuwerig wicht, dat +hem niet eens nog kende, met niets dan last en geen-een genoegen. Zijn +hersens dorstten naar het rumoer van de straat, naar hel verlichte +zalen, naar onverschillig eeuwig-grijns-lachende vrienden-gezichten. Hij +had een gevoel alsof het tegenwoordige leven hem langzamerhand heel +uitpompte en verdoofde. Hij maakte er zich driftig over. Hij was toch +waarachtig niet van plan als een oud stil heertje nu verder door te +leven tot alles gedaan zou zijn! Hij keek denkend, zich bezinnend, in de +rondte, en zag alles leeg en levenloos in de kamer. Het gas wilde niet +eens branden. Dat was ook een ellende met die gasfabriek tegenwoordig! +Hij zou morgen weer reklameeren. + +Wat zou hij nu doen? Hij nam in Gods naam maar een boek: een +geillustreerd werk over China. Het verveelde hem. Hij sloot het dicht. + +Een week later, toen hij in de ziekenkamer de koerant zat te lezen, +zeide hij: + +--Zou je 't naar vinden, als ik weer eens uitging? + +--Wat bedoel-je? + +--Zoo 's avonds naar de opera of zo.... een enkele keer ... zie-je. + +--Welnee, Jos, ik heb 't je immers zelf wel 'es gevraagd, dat te doen, +ga gerust, dan heb je een beetje afleiding. + +Hij ging. Gedurende zijn afwezigheid was Mathilde bedroefd en bang, om +dat zij zoo alleen in huis was. Maar zij wilde er zich met kracht en +geweld tegen verzetten. Wel was 't haar goed, terwijl zij daar +machteloos en ziek lag, te weten dat hij daar was, daar haar +liefhebbende, hem daar onophoudelijk en vlak bij haar te voelen, altijd. +Maar zoo kon 't niet altijd blijven, zij wist 'et wel. En daarom was 't +maar goed, dat hij gegaan was, heel goed. Hij had wezenlijk niet aan +haar verdiend, dat ze hem zich nu zoo liet dood kniezen in den duffen +dampkring van haar slaapkamer. Een bewustzijn sloop nu haastig bij haar +binnen, dat zij schuld had aan haar ziekte. Zij verweet zich-zelve hun +beider ellendig bestaan van nu. Waarom was ze ook ziek geworden? Waarom +was zij ook in bed gaan liggen? Kom, het was misschien maar gekheid, +maar inbeelding. Wanneer zij zich er toe dwong, zou ze misschien op +kunnen staan en in eenige dagen weer gezond zijn, door dat sterk te +willen. Hij zou dan niet alleen uit hoeven te gaan. Zij zou altijd en +overal hij hem zijn, hem altijd, altijd vergezellen, zoo als het hoorde. +Zij wilde het dadelijk probeeren. Kom, het ging al. En, aan haar dwazen +inval toegevend, richtte zij zich met geweld op, door den steun van haar +armen. Krachteloos viel zij weer neer en lag van zwakte half te slapen +toen Jozef thuis kwam om twaalf uur. + +De kongesties, die naar Mathildes hoofd stegen, hielden nu zoo aan, dat +er soms een half uur achter mekaar telkens nieuwe ijskompressen op +gebonden werden. Den eersten avond dat 'et gebeurde, deed de heftige +reaktie Mathilde zoo'n pijn en had zij zoo'n duizeling, dat zij met haar +handen de kompres naar beneden rukte, die Jozef voorzichtig op haar +hoofd had gelegd. In 't vervolg lieten zij nu Marie er ook bij komen, om +te helpen. + +Het was zeven uur in den avond. Jozef had, om zich van zijn groeyende +verveling te verstrooyen, aan tafel twee halve fleschjes fijnen, zwaren +wijn gedronken in plaats van een. Mathilde zat op in bed, in een hevigen +aanval van hartklopping en koortsige bloedstijging. Haar gezicht was +lichtelijk rood gekleurd, haar oogen gloeiden, zij beefde sterk. Marie +stond rechts van het breede ledikant, aan den deurkant, Jozef stond +links, in het doorgangetje, tusschen het ledikant en het behangsel. Zij +hielpen Mathilde, schikten het beddegoed, deden haar nachtjapon goed, +werkten met de kompressen. Het lamplicht schoot telkens over Marie heen, +als zij weer recht op ging staan en haar armen naar zich toenam, na over +het bed heengebogen te hebben, bewegingen makende, tastende om mevrouw +bij te staan. Jozef keek naar Marie, zoo als zij dan telkens in +blank-gele en licht-roode tinten door de lamp beschenen werd en zich dan +weder in de groenige duisternis van het ledikant bewoog. Een vreemde +lust beving hem. Hij voelde een komende stormwind opruischen door zijn +leden. Hij opende breed zijn oogen en staarde, werktuigelijk doorgaand +met het strikken van de doek, waaronder de kompres boven Mathildes hoofd +vastgemaakt werd. Marie hield met haar twee handen het hoofd stil en de +kompres er op. Jozef maakte den strik. Dan raakten zijn vingers Maries +pols. Een sekonde bezat hij zich zelf niet meer. De strik viel los. Hij +had met zijn hand Marie aangevat. Hij drukte zijn vingertoppen tegen +Maries arm. Marie schrok hijgend, verrast, wilde haar hand te-rugtrekken. + +--O, God, ik kan niet meer! zuchtte Mathilde, die in haar kussen +te-rugzonk. + +Oogenblikkelijk was Jozef weer bij zijn zinnen. + +--Wat doe je nu toch, Marie? zei hij, je houdt de kompres niet goed +vast. + +Marie liet niets merken en de kompres werd vastgestrikt. Marie had niets +begrepen; zij had zich zeker vergist, dacht zij. + +Mathilde had alles begrepen. Toen zij alleen was, bekende zij het +zichzelf. Haar gemoed was verbrijzeld. Zij begon met wezenloos rond te +zien en met haar handen haar hoofd te betasten. Hierop moest zij zich +langzaam, zoetjes aan, rekenschap probeeren te geven van wat er gebeurd +was ... Jozef stond daar, Marie daar, er was iets tusschen hen gebeurd. +Hij had haar aangeraakt. Hij was haar, Mathilde, ontrouw geweest. +Ontrouw? Ontrouw? Ja, dat was het woord, waarmede zij dikwijls in boeken +de handeling had genoemd gevonden, die Jozef nu daar-zoo tegen haar had +gepleegd. Neen, hoe was het ook weer gegaan? Die man, wat toch "die +man"? Het was toch Jozef geweest! ... Jozef! ... Jozef! ... Een man had +daar gestaan, was met zijn hand over haar heen gegaan ... Een man ... O, +God, o, God, waar ben ik? wat is er! ... Ik word gek!... Wat was dat toch? +Een vreemde wind uit de hel, die voorbij is gegaan ... Er is iets wech, +er is iets van me wechgegaan! O, God, waar is 'et, waar is 't gebleven? +Er is iets leeg geworden, hier, van binnen in me, in-eens, heelemaal, +'t is wech, wech, mijn leven is wech ... voor altijd wech ... + +Als een krankzinnige sprak Mathilde luid in de eenzaamheid. Zij was +zonder het te weten uit haar bed opgestaan, en rilde over de vloer, +op haar bloote voeten. Zij wandelde door de kamer en bevoelde de +voorwerpen, om te weten of zij bestond. Zij ging zitten op een stoel, +als om bedaard over de een of andere zaak na te denken, die haar +bezig-hield. Zij stond weer op en deed allerlei onverschillige dingen, +alles vergeten hebbende, als of zij plotseling, in een minuut, in een +andere vrouw was overgegaan, een gewone vrouw, die niets deerde, en die +de zaken van haar huis in orde schikte. Haar angst was volkomen; daarom +lei ze haar peignoir goed, die van den rug van een stoel was afgevallen, +bekeek de kleine dingetjes, die zij, als zij naar bed ging, altijd uit +de zakken van haar japon nam en op de tafel lei: een notitieboekje, een +goud potloodje, een speldekussen, bekeek ze een voor een, alsof het +geheimzinnige onbekende zaken waren, voorwerpen uit een andere wereld, +bekeek ze met een koel-opmerkzaam gezicht. Hierna ging zij bij de tafel +zitten, haar eene hand in haar haar, de andere onbewegelijk op haar +schoot. Als een van mensch tot beeld bevroren wezen, bleef zij roerloos. +Haar oogen knipten snel heen en weer. Zij herkende de plaats niet, waar +zij was. Het scheen haar, als was ze daar plotseling in een kamer +neergegooid van een pas nieuw getimmerd huis, dat nog wrak stond, waarin +de wind vrij speling had, dat elk oogenblik in kon storten. Zij was +alleen, heel alleen. Zij sprak een taal, die niemant verstond. Zij +huilde tranen, en niemant wist waarom. Iedereen was haar vreemd; zij was +vreemd aan iedereen. Daar waren een massa menschen in de rondte, ver +beneden haar, die lachten en praatten, maar niemant, die haar zag. Die +man, die eene man, ging ook voorbij ... zij zag zijn achterhoofd ... hij +keek niet naar haar om. + +Nu begon Mathilde zachtjes te hijgen. Haar oogen draaiden dan naar +rechts, dan naar links over de tafel. Zij luisterde. Alles was stil. +Niet het minste gerucht steeg op over de trappen, naar boven. Allen +waren dus wechgeloopen en hadden haar alleen gelaten. Zij zag in haar +verbeelding Jozef de trap afgaan, hij keek niet, hij daalde altijd lager +de trap af, hij keek niet om; daar waren andere, onbekende trappen, die, +naar de laagte, voortdurend elkaar opvolgden. Jozef daalde altijd +dieper, het werd klein, eng om hem heen; die trappen schenen in een +eindelozen koker in het diepste van de aarde uit te komen. De muren, die +om de trappen heen waren, werden grijs; een mist hing om Jozef heen. Hij +daalde voortdurend met denzelfden kalmen tred, zonder eens naar haar om +te zien, hij daalde, daalde altijd, Hij verdween in een ver-vreemd oord, +voor altijd van haar wech. Mathilde zag 't zoo duidelijk; daar, vlak +voor zich, in haar onmiddellijke nabijheid. Zij had haar hand uit haar +haar genomen, en hield, met de elleboog op tafel steunend, haar hand, de +vingers wijd van-een, op eenigen afstand van haar over de figuren van +het tafelkleed brandende oogen, om haar verdriet te genieten; zoo als +een prentenliefhebber, die nauwkeurig een zeldzame plaat bekijkt. Daarna +stond zij op, ging bedaard weer naar bed en sliep vast tien uur lang, +zonder eens wakker te worden. + +Mathilde zei aan Jozef geen woord van haar ontdekking. Dat zij zoo +verbazend stilzwijgend werd, dacht hij dat van haar ziekte kwam. + +Mathilde beterde nu hoe langer hoe meer. De kwaal bleef, maar zij mocht +opzitten den heden dag, en kwam ten laatste zelfs beneden; maar den +eersten keer deed zij er vijf minuten over, om van de slaapkamer naar de +binnenkamer te komen. + + * * * * * + +In het begin van Maart was op verzoek van Jozef Emilie Berlage-Hartse op +de koffie gevraagd. Emilie voelde zich tegenwoordig zoo verlaten! In +haar rouwtijd kon zij niet uitgaan, zij, die zooveel hield van zich +overal in het publiek te vertoonen. Nu moest men haar zoo'n klein +pleiziertje aandoen, trachten haar een beetje te verstrooyen. Zooveel +praatte zij ook niet. Haar tegenwoordigheid zou Mathilde niet vermoeyen. + +Jozef was weer een tijd trouw thuis gebleven. Geregeld, als een +liefdezuster, stond hij Mathilde ter zijde. Hij had zich-zelf verwenscht +om dien eenen keer, dat hij Marie zoo had aangeraakt. Hij wilde het +boeten, en deed het. En vooral in deze dagen voelde Mathilde hoe vol +haar hart van hem was en wat zij leed. Het was twaalf uur. Tegen half +een werd Emilie Berlage verwacht. Over de tafel lag een damasten servet +met franje. Twee karaffen, de eene met rooden wijn, de andere met blauw +en bleek water, stonden op zwarte flesschenbakjes met randen van +nagemaakt zilver, op de tafel. Een verlakte broodbak, met dof-gouden +ingedrukte bloemen en bladen, uit liet huis-houden van Mathildes vader +afkomstig, stond in 't midden. Verder zouden door Dientje twee warme +schotels op komforen worden binnengebracht; er stonden ook nog twee +schoteltjes met koud vleesch, een met beschuitjes en een met kaas. De +burgerlijkheid van de familie de Stuwen loste zich zoo op in de meerdere +voornaamheid, die door Jozef in het huishouden was gebracht. Mathilde +zat in haar ochtendjapon, haar haar zoo'n beetje opgemaakt, voor de +tafel, botrammetjes te smeren. Jozef zou zoo met-een van 't kantoor +komen. Dientje, met een ernstig opmerkzaam gezicht, kwam binnen om nog +'t een en ander in orde te brengen, te schikken: een vork, die zij naast +een bordje vergeten had, een vingerdoekje, dat scheef lag. Ook trok zij +herhaaldelijk, met een krachtige getemperde beweging van haar vingers, +aan den rand van de tafel, het servet naar zich naar zich toe, om de +rimpels er uit te krijgen. + +--Heeft u nou alles, mevrouw? vroeg zij. + +--Ja ... dan breng je het vleesch binnen, als wij beginnen, he? + +--Jawel, mevrouw. + +Eer Jozef nog thuis was, kwam Emilie. Zij had wat borduursel beneden aan +den rok van haar effen zwarte japon. Zij was erg druk en erg lief. Al de +woorden, die zij gedurende de dagen van haar eenzaamheid niet had kunnen +spreken, daar zij niemant had ontmoet, stroomden nu uit haar mond. Hoe +aardig, hoe recht vriendelijk was 't van Mathilde, er aan gedacht te +hebben haar in haar droefheid een afleiding te bezorgen! En Mathilde-zelf, +hoe maakte zij het toch? Emilie had zooveel onrustbarende tijdingen over +haar gehoord, dat 't haar bepaald goed deed Mathilde eens in eigen persoon +te kunnen ontmoeten. Ging zij wezenlijk beter? Zoo, zoo! dat deed haar +ontzachlijk veel pleizier. Ja, de dood van den goeden Louis, Emilies man, +was als een plotselinge donderslag op haar neer gekomen. Zij had zooveel +geschreid, dat zij geen tranen meer over had. 't Was iets verschrikkelijks +in den waren zin van het woord, zoo vroeg weduwe te worden Zij was bepaald +overstelpt geweest. Die goede Louis. och, die goede Louis! Wat bleef haar +nu over? Niets. Zij was alleen op de wereld. Dat was ook de titel van een +roman: "Alleen op de wereld!" had Mathilde dien wel eens gelezen? Zoo, +nooit? het was toch werkelijk een mooi boek. Wel de moeite waard. Och, +maar, aan zulke zaken dacht zij nu waarlijk in 't geheel niet. Zij +herinnerde zich het werk alleen van vroeger. Maar Jozef zou het wel kennen. +Die beste meneer Jozef! Waar was hij? Zeker op 't kantoor? Ja, zoo'n +ijverig man. Altijd was hij in de weer, van alles op de hoogte, voor alles +te vinden. Altijd tot dienst bereid. Iedereen hield veel van hem. Zij had +ook zeer geapprecieerd, dat hij haar zoo dadelijk na haar verlies een +visite was komen maken. Wat een mooi tafellaken had Mathilde hier! Zeker +nog uit den boedel van den ouden heer. Hoe aardig, van 't zelfde patroon +als de vingerdoekjes! Zij bleef voorloopig maar wonen in het tot nu toe +door haar man en haar bewoonde huis. Och, waarom ook niet? Het was wel wat +groot voor haar alleen, maar op die manier kon zij het meest en het best +in gedachte nog met den dierbaren afgestorvene verkeeren. + +Mathilde hoorde Emilie aan, zonder er iets tusschen te mengen, met +bleeke glimlachjes van bevestiging en deelneming, de ringen van haar +vingers op en neer schuivend om Emilie niet bewegingloos aan te kijken. +Deze eerste rollende woordenroffel aan haar oor, na al de maanden van +stilte en afzondering, deden een hinderlijk gesuis in haar hoofd +ontstaan. Tusschenbeide voelde zij aan haar slapen iets kloppen, met +lichte tikjes. + +Toen Mathilde geen andwoord vond, wilde Emilie doorgaan. Zij had nog +duizenderlei dingen op haar hart, die zij behoefte had uit te storten, +maar juist kwam Dientje binnen, met het vleesch. + +Er was even onaangename stilte tusschen de dames, terwijl Emilie Dientje +bekeek. Mathilde zeide: + +--Je had 'et nog niet binnen moeten brengen, niet voor meneer er was, +meende ik. + +Toen Dientje de deur open deed om weer wech te gaan, hoorden de vrouwen +het sleuteltje van Jozef in het voordeur-slot bewegen. Met een slag en +een dreun, een lichte rilling van het voordeurglas en een kuch van +Jozef, trad hij door den gang. Zij hoorden nog het gemoffel van zijn +overjas, dien hij aan den kleerenstandaard hing, den stamp van zijn +paraplui dien hij daaronder zette. + +Emilies bovenlip en de gedeelten van haar gezicht om haar neus heen, +trilden onmerkbaar, zij keek, afwachtend, naar de kachel, die begon te +gloeyen, terwijl haar handen met haar zakdoek speelden. Een hoog +zongeschitter schoot van de binnenplaats af door het vertrek. Een +verfrissching huiverde door de kamer; langzaam, kalm, koel, +verscheen Jozef. + +--Kom ik te laat? + +--Juist bij tijds, zeide Mathilde. + +Jozef had nu een lichten lach. "Mevrouw!" zei hij tegen Emilie en boog +even met zijn hoofd, met een voorwending van ernst om de droefheid van +Emilie. Daarna ging hij tot vlak bij Emilie, terwijl zijn voet stootte +tegen den poot van een stoel en Emilie half opstond om zijn hand te +drukken, warm van de pas uitgetrokken handschoen. Hij ging naar Mathilde +en zoende flauwtjes haar voorhoofd. + +--Hoe gaat 'et? vroeg hij met een lieve erg gemeenzame-stem. + +Nu dejeuneerden ze. Mathilde at bijna niets. Emilie vertelde wat een +last zij had van een kleinen hond, die Louis maar niet vergeten kon en +overal zijn meester zocht. Mathilde lei snel haar vork, met de tanden +naar beneden, op haar bord boven het plasje vettig-bruine saus, +waaromheen zich een dun rondje geel vet kringde, en te midden waarvan +een stukje hoog gezwollen roode biefstuk zich verhief. Zij stond op, zij +was onwel. Zij was nog te zwak, zeide zij. Emilie moet het niet kwalijk +nemen. Zij wilde naar haar slaapkamer te-rug. + +Jozef stond op, zijn handen aan de tafel, met zijn vingers zijn +vingerdoekje tot een knoest drukkend, aarzelend zonder besluit. + +--Drink 'es, zei hij eindelijk. + +--Nee, dat is 'et niet. Ik heb alleen maar rust noodig. + +--Nee, mevrouw, maar, blijft u ... ik moest toch vroeg naar huis, zeide +Emilie. + +--Nee, nee, ik verzoek u te blijven, houd u mijn man nog een beetje +gezelschap. + +Mathilde was bleek van opkomende benauwdheid. Haar blikken dwaalden, +alsof zij ergens zocht, wat er nu met haar gebeuren zou. + +Jozef bedacht zich, hij keek Emilie aan als om haar te vragen, wat zij +dacht, dat hij nu moest doen. Daarop wilde hij, dat Mathilde zijn arm +zou nemen. + +--Steun op me, dan zal ik je naar boven brengen. + +Vijf minuten later was Jozef te-rug. Emilie gaf haar ontsteltenis te +kennen. Het was dan zoo erg! Dat had zij nooit kunnen denken. En zij +verhaalde, haar oogen op den biefstuk op haar bord, van een van haar +ooms, die twintig jaar lang heelemaal in afzondering had moeten leven, +om dat het minste geluid, het kalmste gesprek hem benauwde. Telkens had +zij een zweem van een onderdrukt lachje om haar mond, als zij haar oogen +opdeed en Jozefs blik ontmoette, die uit beleefdheid roerloos luisterde, +om hem met een gebaar iets duidelijk te maken in haar verhaal. + +Mathildes stoel stond scheef, een eindje van de tafel, geschoven, haar +vingerdoekje lag er verkreukeld op. Haar glas water en wijn stond half +vol voor haar bord; zachtjes lekten kringetjes vocht in het glas van den +rand naar onderen, omdat zij pas gedronken had. Er was een leegte +tusschen Mathildes plaats en de deur, alsof zij maar even was +heengegaan, om terstond te-rug te komen. De hitte van de kachel werd +erger. Er beefde een onvolledigheid door de kamer, die maakte, dat Jozef +en Emilie zich niet op hun gemak voelden. Als Jozef haar nog van de +spijzen aanbood en zij aannam of bedankte, als hij haar een schotel +overreikte of haar nog inschonk, was er iets kils, een haperende +zachtheid in hunne stemmen. Eens vatte zij een schotel niet handig +genoeg aan, waardoor er bijna iets gevallen was. Dit veroorzaakte een +verlegenheid tusschen hen beiden. Haar rouwkleed vervreemde hem +eenigszins van haar. Hij zag niet graag dat zwarte achter zijn glansend +witte tafellaken. + +Toen zij eindelijk, in de wasemende stilte van het gedane dejeuner, met +een gekraak van haar stoel over de vloer, opstond om heen te gaan, zeide +hij zijn eerste beleefdheid: + +--Zou ik u nog eens mogen komen opzoeken? + +--O, dat zou ik zoo graag zien, andwoordde zij gemaakt luchtig, ik ben +zoo alleen. + +Haar rijtuig wachte al voor de stoep. Zij hield er niet van met dien +langen kaper te voet over straat te gaan. Zij reed ratelend wech. Jozef +stak zijn hoofd even in de kamer, waar zij zoo even gedejeuneerd hadden, +als om te zien of zij niets vergeten had. Er was een geur van zwarte +glace handschoenen en een doffe zakdoekreuk gebleven. Daarna ging hij +langzaam de trappen, op naar Mathilde. Hij dacht er over, dat Emilie +volstrekt niet naar Felix had gevraagd. + + + + +XII. + + +Jozefs verveling vermeerderde met den dag. Zij steeg tot in zijn keel. +Zijn eetlust zelfs verloor hij bijna. Dat was een geslenter en geslof +over de trappen, een even stilstaan in de gang en weer in de binnenkamer +en er weer uit, dat niet langer duren kon. Hij kreeg een zekere matheid +door zijn leden. Hij dacht aan zijn mijmerijen over huwelijksgeluk, die +zich een voor een hadden opgelost in de eentonigheid der witte muren van +den gang en in de donkerte van de ziekekamer. Een groote spijt over zijn +verloren vrijheid drong zoetjes bij hem binnen. Wat had hij toch +begonnen? Zou zijn leven nu zoo voortgaan tot aan het einde? Zijn armen +hingen loom langs zijn lijf. Hij pruilde in eenzaamheid. 's Avonds voor +dat hij naar bed ging en 's nachts in zijn slaap spookte Marie door zijn +geest. Langzamerhand won de grijze verveling al de kleine dingen, waarin +hij, behalve in Mathilde, tot nu toe belang had gesteld. De +geillustreerde tijdschriften, waarop hij zich geabonneerd had, bleven +onopengesneden liggen. Hij wilde zich dwingen met aandacht boeken over +natuurkunde, werken van dichters en romans te lezen, maar het ging niet. +Een ijlheid, een walging voer door zijn leden. Op die manier was het +leven onmogelijk. Alleen verdiepte hij zich nog in de aan zijn toilet +besteedde zorgen. Aan zich zelf overgelaten, groeide zijn ijdelheid. Hij +bestelde nieuwe pakken hij den kleermaker, stond zich voor zijn spiegel +te verstrooyen met het aanpassen van overhemden en boorden, bracht een +half uur door met de kleur van een das te overwegen. Eens kwam hij 's +middags op Mathildes kamer, en vond haar geknield liggen bidden. Toen +zij ophield om hem aan te kunnen hooren, zeide hij: + +--Ik dacht, dat je God vergeten was. + +--Zeg dat niet, Jozef, ik bid voor Felix. + +Hij was gaan zitten en keek, of de velletjes onderaan zijn nagels wel +genoeg naar beneden gedrukt waren. Toen sprak hij zijn voorhoofd +fronsend en zijn kin achteruit drukkend, half uit gekheid: + +--Ben-je nu van plan altijd ziek te blijven, lieve kind? + +--Dat weet ik immers niet, andwoordde zij, laten we het beste hopen. + +Naarmate Mathilde zich wendde aan haar ziekte, verlevendigde de gedachte +aan God zich in haar. Zij voelde zich langzaam, meer en meer zacht-vroom +gestemd worden. Zij voelde in haar wezen, terwijl zij haar pijnen +doorstond, dat God er was om haar te troosten. Hij was daar, achter +haar, boven haar hoofd, in de gordijnen en in den hemel van het +ledikant. Maar het was geen wezen, geen omlijnde persoonlijkheid meer +zoo als de God van haar jeugd. Het was iets onzichtbaars, iets als een +wolk, een trilling van eindeloze goedheid en opperste troost, die +zachtjes, bij kleine vermeerderingen, tot haar nederdaalde. Wanneer, met +een heftigen sprong, het denkbeeld in haar hersenen stootte om terstond +order te geven, dat Marie heen zou gaan, was die God daar voor een +beletsel, onoverkomelijk. Marie moest blijven, Marie was goed voor +Felix, Jozef zou geen kwaad meer doen. Wanneer zij in haar verbeelding +Jozef en Marie samen zag elkaar liefkozend, en zij bij die samenkomst +heel vergeten werd, en zij zag hem haar aanpakken, haar zoenen, dan +straalde van dien God een ontkenning uit, voor de gestalten van Jozef en +Marie heen. Hoorde zij 's nachts in haar verbeelding iets als zachte +mannenstappen naar boven gaan over de trap, dan moest zij zich +vergissen. Jozef was alleen, Marie was alleen. Een troost, die van links +en rechts zachtjes aanwoei maakte haar kalm. Dan sprak zij die +wezenlooze beschermende macht aan met de woorden, die haar van vroeger +waren bij gebleven: O God, o Heer, o Jezus, ik dank u. + +Mathilde besloot het verdriet, dat zich door geen nieuwe vermoedens +verlevendigde en dat zich verkleinde, te verdragen. Zij zou wachten tot +zij beter werd, om weer op nieuw gelukkig te zijn. + +Het zou langzamerhand lente worden. Dokter Hansen hield nu lange +gesprekken met Jozef over het naar buiten gaan van Mathilde. Na dat de +dokter, met zijn kort hondenneusje en rimpelig in-een-geduwde handjes, +allerlei raadgevende en verklarende bewegingen had gemaakt, was er +besloten, dat de zieke in Hilversum zou gaan herstellen. Het dorp lag +hoog, de lucht was er fijn. In den omtrek waren wel geschikte huizen, +ook villaas, te koop of te huur. Dokter Hansen schreef aan den dokter in +Hilversum om naar een geschikte woning voor Jozef uit te zien. + +Mathilde wou eerst niet. Zij zou 't nooit doen, nooit, of Jozef moest +zijn zaken aan kant doen en ook voorgoed daar komen wonen. Want, zich +van Jozef scheiden nooit! Jozef, die zich er altijd iets op voor liet +staan uitmuntend met vrouwen over weg te kunnen, had een heel krijgsplan +gevormd, om Mathilde over te halen. Hij begon met alles toe te geven, +wat zij wou. Neen, zij zouden samen voor goed daar gaan wonen, winter en +zomer. Hij sprak zelfs, al schertsend, van op die manier heelemaal een +landedelman te worden. Maar tegelijk, terwijl de tijd vorderde, kwam hij +minder geregeld thuis om een uur 's middags: de zaken breidden zich zoo +uit; hij moest noodzakelijk langer op het kantoor blijven zeide hij. In +Mathilde was gedurende haar ziekte een oude herinnering, een van haar +vader overgenomen belangstelling in geld, in aangelegenheden waarbij +rekenen te pas kwam, opgeleefd, en zij stelde meer dan vroeger belang in +de zaken van haar man. Zij vroeg wel: hoe gaat 'et op 't kantoor? Zijn +er vandaag weer nieuwe kommissies gekomen? Toen het nog veertien dagen +was voor zij naar buiten zou gaan, stemde zij er in toe, dat Jozef zijn +zaak aanhield. Zij zou dan probeeren een zomer alleen in Hilversum door +te brengen, Jozef zou elken dag met den Rhijnspoor-trein van drie uur +naar Vreeland komen, zoo dat hij voor vijven in Hilversum kon zijn en +zou elken ochtend om half acht met de diligence, die direct van +Hilversum op Amsterdam reed in een groote twee uur, weer te-ruggaan. +Heel goed, uitstekend! ja, zoo zou het gaan. + +In dien tijd maakte Jozef, met een netjes ingepakt boek in den binnenzak +van zijn overjas, een visite hij Emilie Berlage. Hij gaf haar het boek +te leen: een fraayen roman, waarvan de handeling in Egypte voorviel. Zij +moest in lektuur wat afleiding zoeken. Emilie was, terwijl zij hem zoo +in haar huis ontving, veel meer op haar gemak dan gedurende het +dejeuner. Zij las een brief voor, dien zij van den ouden heer van Riet, +haar voormaligen voogd, die na haar huwelijk met zijn vrouw in een +duitsche badplaats was gaan wonen, had gekregen en door de beide oude +lui van Riet onderteekend was. Jozef maakte de opmerking, dat 't wel +jammer was, dat zij hen nu ook miste, die haar in de gegeven +omstandigheden anders van zooveel troost had kunnen zijn. Emilie liet +aan Jozef haar hondje zien: een prachtig zij-harig wit en rose beest, +dat dadelijk Jozefs handen likte. Terwijl dit gebeurde kwam er een +warmte tusschen Jozef en Emilie. Zij zagen beiden naar den hond met +verliefde blikken. + +--Een aardig dier! zei Emilie, en hij kan Louis maar niet vergeten. Zij +riep "Kastor" en aaide zijn rug, met een mooye buiging van haar hand. + +Dezer dagen kwam de tijding, dat door den dokter van Hilversum, een +buitentje voor Jozef gekocht was, heel aardig, gelegen aan den +'s-Gravelandschen weg, voor veertien duizend gulden. Jozef reisde nu +verscheiden malen heen en weer, tot dat alles daar buiten in orde was, +altijd met de spoor naar het station Loenen-Vreeland, waar hem dan een +wagentje uit Hilversum kwam afhalen. Daar dokter Hansen altijd +nadrukkelijker verzekerde, dat Mathilde in de fijne hooge lucht van het +Gooi gauw herstellen zou, bepaald spoedig, begon zij met een koortsige +drift naar dat buiten-zijn te verlangen. Voor ze ging, kwam Emilie +Berlage haar een afscheidsvisite maken. De dag van het vertrek was een +van de eerste wezenlijke lentedagen. + +Om dat Mathilde te zwak was om de vermoeyenis van het gejaagde en het +schokken van de spoor te verdragen, was er besloten, dat zij de heele +reis van Amsterdam naar Hilversum per rijtuig zou doen. Alleen Marie en +Felix gingen met haar mee. Jozef zou wel denzelfden dag ook komen, maar +zij wilde volstrekt niet dat hij dien vervelenden langen tocht in het +rammelende rijtuig mee zou maken. + +Om elf uur in den ochtend kwam het rijtuig voor. Het was een oude +barouchet, een van de weinige, die er nog in Amsterdam waren, maar +volgens den stalhouder was dit het zachtst rijdende van al zijn +rijtuigen. Mathilde, die in zoo lang niet in de frissche lucht was +geweest, kreeg op de stoep bijna een duizeling. Zij zag de heele +omgeving, de huizen aan d'overkant, het zwart-groene water van de +gracht, de boomen langs den wallekant met hun groote verwarring van pas +uitbottende aarzelend groene sprietjes, en het rijtuig met de twee +schonkige paarden, dat een leelijken donkeren prop scheen te midden van +de wasemende wit-en blauwheid van de lucht, zij zag alles in breede +lijnen golven, zoo als men over een erg warme kachel heen het de +voorwerpen in de kamer ziet doen. Het geruisch van de straat hier en het +doffe geraas van de drukke buurt uit de verte scheen door alle porien +van haar huid te dringen, alsof het uit een emmer over haar heen +werd gestort. + +De mengeling van geluiden, die, hij het opengaan van de voordeur, haar +in-eens bedwelmde, verdoofde haar eene oor, zoo dat zij een inwendig +aanhoudend schel gefluit hoorde, als of; wel in haar hoofd, maar toch in +de verte, een lokomotief floot. Daarbij scheen 't als kwam er een +zegening uit de hooge lucht over haar, als ging zij een nieuw leven +tegemoet, als wuifde, in onzichtbare luchtdelen van den grond een +gelukstoestand naar haar op, onder haar rokken in haar lichaam dringend, +en uitwendig haar bekruipend tot aan haar hals, tot over haar gezicht. +Maar de lucht was sterk en zij moest haar oogen neerdoen, waaronder nu +het bleeke blauw van de stoepsteenen, met zijn vele krijtige witte +vlekjes, scheen te dalen en te rijzen. Marie was vlak achter haar en +maakte, de armen vooruitstekende, bijna volvoerde gebaren, om haar te +steunen. Terwijl Mathilde haar dof-stoffen schoen zonder hakje op het +treetje van het rijtuig zette, vroeg de koetsier, die het portier +vasthield, met zijn groven, aan den toestand vreemden, toon, Mathilde +met zijn hand onder haar elleboog helpend, of de tollen nu of op zijn +te-rugrit betaald moesten worden Dientje had een kanapeekussen tegen den +rug van het rijtuig gelegd, op de achterbank. Hiertegen zeeg Mathilde +neer, haar oogen dicht, om even te bekomen. Daarna tilde Dientje Felix +op de voorbank, waar Marie naast hem ging zitten. De witte schoenen van +het kind staken vooruit op de bank. Dientje zeide: + +--Nou, mevrouw, goeye reis, hoor, goeye reis! + +Zij bleef met haar stijf glimmend witte boezelaar, onbewegelijk +glimlachend, als een pop tegen de bruin-groene deur staan, tot dat de +barouchet wechreed. Hobbelend en kletterend ging het rijtuig voort. De +venstertjes in de portieren dansten in de schommeling van de rijtuigkast +op en neer. De voordeuren, onderste vensters en reepen muur van de +huizen schoven in voortdurende opvolging voorbij als een reeks +aaneengevoegde tooneel-achtergronddoeken, van boven afgebroken door de +zoldering van het rijtuig. Op den hoek van het Koningsplein zag Mathilde +de versleten hoog-ronde hoed van Marinus de Beer, die erg keek en diep +groette; in de speling van het glas weekten de vormen van zijn haar +ineen, alsof het vloeibaar was. Toen deed Mathilde haar oogen weer dicht +in de krachteloosheid, die haar beving en, mijmerend over Jozef, die +van-avond komen moest, sluimerde zij half. + +Buiten de Muiderpoort, over den weg naar Diemerbrug, hoste het rijtuig +vreeselijk. De boomstammen sprongen telkens te voren, aan weerszijde. +Marie poogde Felix, op haar schoot, zoet en rustig te houden. De oogen +van het kind stonden wijd open, als begrepen zij de zaken, waarop Marie, +met een ter eere van de gelegenheid, heel helder, bijna feestelijk +geplooid gezicht, zijn aandacht vestigde. Zoo duurde het twee uur, tot +men door Weesp en door 's Gravenland gereden was, tot in de Leeuwelaan. +Om dat Mathilde geen kou zou vatten, waren de raampjes toegelaten, maar +door de reten suizelde de lente binnen, een wordend met de lauwe, doffe +lucht in het rijtuig. Mathilde, die het onbekende gras, de vijvers en de +bijna groenloze doorzichtige tuinen van de buitens van Six bekeek, links +en rechts, en, voor haar uit, naast het zakachtig lichaam van den +koetsier, een stuk hooge, tintelend-witte, over de samenbuigende +groengeknopte karkassen der groote boomen-opvolging als de zilverige +zoldering van een tooverpaleis zich uitstrekkenden hemel bestaarde, +voelde bij iedere reeks schokken van het rijtuig, zich ver van haar +verleden leven wechvoeren. Zij had in zoo lang zoo'n nieuwen, zich over +alles heenspreidenden zonnedag niet gezien. Door de vermoeyenis heen, +waarin zij ieder oogenblik, haar kin naar haar borst gedrukt, tegen den +rug van het rijtuig schokte, vulde haar een zucht om Jozef te vergeven +en een weder ontstaand vertrouwen. Maar tegelijk was 't haar, of zij +voor altijd van hem henen reed, naar een ver, vreemd land. De onbekende +stukken natuur, die van weerszijden en van voren, door de vierkante +glazen vakken van het rijtuig, in haar oogen drongen, telkens +verdwijnend, zich telkens vernieuwend, met grijzig-blauwe, lila en +goud-witte tinten, waartegen de lage en hooge boomen en struiken, met +hun magere, kale, draayend-kronkelende armen en talloze akelig-spichtige +vingers, telkens dichter samengestoken, als de overgebleven geraamten +van een daar plotseling verkoold soldatenleger, zich roerloosdreigend +verhieven, schenen haar in een gelukloze toekomst te voeren, op den +maatgang van de trappelende paarden. + +Dan weer sprongen de groene knopjes overal op, schoten overal te voren, +als jonge stemmen van een koor, dat hoop verkondigde, tusschen het +onverschillig hobbelen van het rijtuig en de vaalheid, het grijs-bruine +van het bosch. Een scheut zon geelde over het bloeyende hout heen en +kleurde de groene propjes teeder en verzilver-blauwde de stammen en +takken. Dan weer verduisterde de zon, wolken schoven aan en weken. In +snelle overgangen werd alles grijs en alles weder glansend. Ten laatste +bleef alleen de glans over. Het was een voorjaars-middag. + +Het lage witte hek van een buiten, in de verte als een recht-opstaande +streep bevroren sneeuw, kroop nader. Eindelijk stootte het voorbij, +langzaam, met rukken, door het portierraampje, terwijl het grasveld en +het hooge zware gelig-witte heerenhuis, met duidelijk omlijnde +groezelige zonneplekken er achter bleven liggen voor altijd daar +bevestigd. + +Toen het rijtuig een eind voorbij den tol, den dalenden weg afreed, van +den molen tot aan haar nieuwe woning, zag Mathilde voor zich uit als in +een groot vreeselijk diep prieel. Door de vermoeyenis van het lange +rijden was zij in een uitputtende koortsige stemming geraakt en voelde +zij zich als of er ieder oogenblik iets in haar breken zou. Zij kon niet +goed meer denken of zich rekenschap geven van de omgeving. Zij liet zich +gaan in de sussende beweging van het rollende rijtuig, terwijl door deze +gewaarwording de herinnering aan dien rijtoer van eenige jaren her, +langs den Amstel, toen haar vader nog leefde, werd opgewekt. En +plotseling zag zij, in de altijd wijdgeopende oogen van Felix op den +schoot van Marie tegenover haar, Jozef weer, zoo als zij hem dien +vorigen avond in zich had opgenomen. De herinnering aan het verdriet +week, week al in een ver verschiet en daalde door haar achterhoofd naar +beneden. Zij zag Jozef in Felix en om hem heen schemerden met +schitteringen de boomen en huizen en alles in de rondte haar tegen. + +De weg had zich, bij den molen, plotseling verbreed. + +De straatweg vloeide nu, laag, in het midden vooruit, zoetjes naar +beneden; aan weerszijden waren de breede hellende voetpaden van hard +donkergrijs zand. Verder nog er naast waren de strepen wintergras, als +de kortgeknipte schedel van een onderaardsche reus, afwisselend van een +tot tien meter breed, waarbinnen de dikke stammen van de overgroote +iepen zich als knoestige zuilen in wijde rijen paalden. Achter de boomen +stonden, schraal, de ijzeren en houten hekken van de zes, zeven buitens +aan elken kant, tot aan het eigenlijke dorp. Rechts was eerst een +vergezicht opengegaan, hel wit over leege akkers, te-ruggestooten door +de verheffingen van nieuw lichtgekleurde huizen, met platte en schuine +daken en van vaalroode huisjes in aanbouw, die ophardden tegen het wit +en blauw van den rondenden hemel. + +Maar het vergezicht werd dadelijk gesloten door tot aan den weg tredende +buitens aan beide zijden, met hun samengrenzende nog winterende tuinen, +dofglinsterend in hun door de nevel heen licht van boven vergoudde +grijsheid. Maar, dichter bij liet rijtuig, hoog boven de aarzelend +ontbottende beplanting van de tuinen, boogden de tegen den glooyend- +blauwen hemel opwassende iepen hun machtige groen herlevende twijgen +samen als de bedaking van den weg. Door hun uitgebreide, bladerloze, +ledige, buigende lichamen wemelde en tintelde het witte goud van de +lucht over de duizende in verwarring uitspruitende zacht-groene knopjes. +In den zwakken wind rilden en negen de twijgjes, en nog koele zonnevonken +dansten af in helle spartelingen. + +Mathilde was met moeite een beetje recht-op gaan zitten. Zij wilde den +omtrek goed zien. + +Er was bijna niemant over den weg te bekennen. + +De vensters van de villaas waren gesloten; de menschen waren nog niet +aangekomen. Hier en daar in de verte gingen de flodderige, plompe +gestalten van een man, van een vrouw. Voor Mathilde alleen was de eerste +lentedag van het Gooi. Een welkom suizelde haar nu tegen, toewemelend +uit alle lichten, links en rechts en overal. Zij kwam hier om weer haar +geluk te-rug te krijgen. Jozef kwam van-avond. Zij vestigden zich hier +met hun tweeen. Al moest hij ook alle dagen voor de zaken naar de stad, +Hilversum werd zijn ware woonplaats. Zoo dacht zij voort. + +Mathilde was zoo uitgeput van de reis, dat zij achterover tegen het +kussen samenzakte, toen het rijtuig het als een dubbele deur geopende +hek binnenreed, waardoor men in de smalle achter het huis omliggende +oprijlaan kwam. Met een laatsten flauwen blik had zij het nieuwe huis +gezien. Bij het indraayen van de laan kraakten de wielen van het rijtuig +scherp, een van de wielen sjorde even kritterend over het uiteinde van +een met kiezelsteenen bevloerd pad, dat van voren langs het huis heen +liep, heuvelopwaards. Daarna reden ze langzaam, met een kort gekraak van +de kast en lange klachten van de wielen, tot midden achter het huis, +voor een oude stoep met door den regen versleten treden. + +Van den straatweg afgezien, stond Bagatelle, zoo heette het buitentje, +daar, van binnen en van buiten schoongemaakt en hersteld, dof wit, +blauwig-blank, met zijn vier spiegelende raamdeuren, zijn acht +opengestooten smalle lange jaloezien, van zijn schuin-opgaand grasveld +gescheiden door het kiezelsteenenpad langs den voorgevel, met zijn dicht +blauw-bruin rieten dak tot even boven de raamdeuren neerhangend, door +twee ronde in vooruitstekend omkastingen gesloten dakvensters gebroken, +en van boven vastgehouden door een schoorsteen aan elk der twee +uiteinden, gelukkig en kalm, te vrede in den zwakken zonneglans. + +Aan elke zijde hing aan het lijf van het huis een in zwart-groen +houtwerk getimmerde warande. Maar uit de verte zag men ze niet, bijna +niets van het heele huis; want een groep boomen, waarachter het +kiezelpad opslingerde, schaarde zich links en rechts, alleen het +grasveld, van ovale bloemperken doorstoken, tusschen hen in openlatend. +Uit de verte was alleen het lage hek zichtbaar: drie smalle strooken +loodkleurig hout, bij iedere meter lengte door paaltjes opgehouden, en +in drie afdeelingen gesplitst door de hoogere glimmend-groene, puntige +hekdeuren, die ieder tusschen twee lila hoekige palen, met ronde witte +bollen er op, zich door ijzeren schrenieren bewogen en zich konden +openen voor de oprijlaan. + +Het buitentje was niet weelderig. Marcheerden de zaken, zoo dacht Jozef, +dan kon men later zien iets meer chics te krijgen; maar, met zijn +uiterlijk van half Zwitschers landhuis, was het toch niet onaardig. + +Toen het rijtuig stilhield, was Jans, die met de vrouw uit het dorp, +waarmede zij de boel in orde had gemaakt, mevrouw wachtte, het stoepje +afgegaan en had het portier open gemaakt. Bij het te-rugzien van +Mathilde, ontstelde zij. Haar weeke wangen bibberden, een beetje bleek. + +--Is u daar, mevrouw? vroeg zij bezorgd, haar ruwe bloote voorarmen +uitstekend om Mathilde behulpzaam te zijn. + +Mathilde knikte, met een flauwe vriendelijkheid. Nauwelijks liet Jans +haar grijze blikken heel even over Felix rollen, maar, terwijl zij +Mathilde stutte, toen deze op het treetje zonk met haar een voet, +waardoor haar japon in het rijtuig haperde en een plek witte rok bloot +kwam, en Marie zich bukte om met haar hand de japon goed te doen, keek +Jans wrevelig naar Marie. Zij hielden niet van mekaar. + +Mathilde zei tot Jans, met een afwezige stem, alleen dit: + +--Meneer komt ook nog vandaag. Heb-je daarop gerekend? + +Mathilde werd dadelijk naar bed geholpen. De door Jans gedekte tafel in +de groote kamer bleef alleen staan, met zijn hard wit servet, stijf +geplooid, verlaten, afwachtend in de nieuwige en naar politoer riekende +frischheid van de pas schoongemaakte kamer. + +Tegen den avond kwam Jozef aan en at, eenzaam, midden in de +onverschilligheid van de vreemde kamer, als in een hotel, het half koude +eten, na dat door de vrouw uit het dorp de lamp opgestoken was en de +jaloezien dicht gemaakt waren met een geluid als van valsche lage toonen +van een harmonika. + +Mathilde sliep voortdurend. Na zijn eten keek Jozef, aan iets denkend, +in de lampe-vlam en over de schaduwen en witte plekken van het +tafellaken. Op de vlakte van donker-wit lagen de tegen den draad in door +het linnen heen gestikte glimmend witte figuren. Hun helheid schitterde +zoo naar boven, dat al de overige deden van het laken er donker-grijs +bij werden. Het waren vierkante blokjes, met vier kleine vierkante gaten +in 't midden, als korte breede kruisbalkjes samengevoegd. Jozef, zijn +armen op zijn knieen, zijn borst tegen den tafelrand, staarde zonder te +zien over de figuren, terwijl door zijn neus regelmatig hijgend zijn +adem over het wit blies, als van iemant die wakend slaapt. + +Het was dood-stil in het huis. Jozef voelde een leegheid door zijn +leden, om zijn armen, die er met koude kracht over heenzonk. Hij keek +eerst, een stukje melodie uit een operette van vier jaar geleden, die +hij zich nauwelijks herinnerde, tusschen zijn lippen blazend, bijna +fluitend, naar de zoldering, vanwaar, in de alles overvlekkende schaduw +der lampekap, het wit aarzelend nederschemerde. Hij hoorde daarboven +loopen, met schoffelende stappen, en stoelen verzetten met dreuningen, +waarvan het geluid ruw door de rustige schaduwen heendaalde. Hij stond +op om alles eens te bekijken, zoo als het nu geschikt was en voor het +hier te leiden leven pasklaar gemaakt. Hij zag het lichte nauwelijks met +groene en gele ruikertje bestrooide behangselpatroon, de oude uit een +dorpsboedel gekochte piano, verder de twee groene kanapeetjes van glad +leder, de stoelen aan de tafel en langs de wanden, rieten en leeren, het +buffetkastje, de drie deuren, waarvan die op den achtergrond in den +korten gang, de twee aan weerszijden in kleinere aangrenzende vertrekjes +uitkwamen. Dunne, doorschijnende neteldoeksche gordijnen stonden, in een +zwevende houding gestolten, stijf van het strijken, van boven tot +beneden voor de vensterdeuren, hun onderste helft door magere witte +koordjes met kwastjes opgehouden. De donkere lattenopklimmingen der +jaloezien hingen met wrevel tegen de ruiten aangedrukt. + +Jozef trad in het kamertje links, een kubus met een raam van voren een +in de warande. De vorige eigenaar noemde dit vertrek "het rieten +kabinetje". De tafels en stoelen waren van bruin-geel riet. Op het +tafelplat liep het riet uit een, de biezen uitstralend uit het +middenpunt als een ingelegde ster. De leuningen der stoelen waren ovaal, +peervormig, rijen omgebogen biezen samengebonden door touw-dunne soepele +rieten lintjes. Het kabinetje was vooral nuttig om een kast, diep als +een kamertje, in de muur, en die tot den kelder toegang gaf. Door het +donkere kamertje stapte Jozef, twee treetjes op, een deur door, in een +hokkerig gedeelte van het huis links de luttele houten trap met een +dunnen looper belegd naar boven, rechts voor hem uit een kamertje met +een alkoof, links voor hem uit de keuken, onder hem het gesloten +kelderluik, met een ijzeren ring om het luik op te heffen, plat getrapt +in een zwartige voor. Alles was hier donker; een vage lucht van timmer- +en metselwerk en van werklui die daar geweest waren geurde van rechts. +De reet van de keukendeur werd bezet door een smalle lijn rossig licht. +Bij tusschenpoozen suizelden deelen reuk van gebraden eten en van +gekookt hebbend aardappelenwater er door heen, vervuld met stukken van +kalme volzinnen van een oude meid, die, met een na het eten smeujige +stem, babbelt. + +Jozef ging in het kamertje rechts. Hij had het voor logeerkamer laten +inrichten, maar een logeerkamer minder in rang dan de twee op de +zolderverdieping, wier vensters door het rieten dak heen op den breeden +weg uitzagen. Hij voelde naar lucifers in zijn zakken, toen, met een ruk +en een gewaai van vrouwenkleeren, de keukendeur openging, het portaaltje +plotseling donkerrossig verlichtende, en weer dicht ging. Het was Marie, +die de trap opliep, om boven te zien of Felix wel sliep. Jozef had haar +gezien, zoo als haar lichaam zich donker afbeeldde op den achtergrond +van rossig keukenlicht, en in de duistere rondheid van haar hoofd had +hij haar lippen, donkerrood, de warm-blanke plekken van haar wangen en +kin, het glad-glansend-blauw van haar oogen zien schemeren. Zij had hem +niet gemerkt; maar nog, nadat het stappen van haar voeten al lang boven +was wechgebleekt, zag hij, in de duisternis kijkende, daar lichtende +vlekken dansen, waarin mollige stukken van Marie spookten, haar +schouders, haar hoofd, en enkele door het lamplicht verbruin-goude +halshaartjes. Jozef stond daar, de lucifers vergeten, die hij, met zijn +eene hand half in zijn broekzak, aan 't zoeken was, de duisternis +vergeten, zijn oogen bewegingloos, met een krampig gevoel er in, zonder +gedachte. + +Even later was hij weer bij zijn zinnen. Hij vond in-eens dat hij in een +verschrikkelijk verlaten duisternis stond. Het was toch nog koud al was +het voorjaar! De gedachte viel over hem, dat hij weer een kleurloos +leven ging beginnen, vernietigend, onmogelijk. Mathilde lag daar ginds, +voor hem verloren. Het was of hij haar van hier hoorde slapen, in een +vasten slaap, waaruit zij voor hem nooit weer zou ontwaken. + +Een paar uren later gleed hij, zijn lot verwenschend, onder zijn +eenzame, kille, bijna vochtige lakens. + +De volgende weken was het dag in dag uit hetzelfde eentonige leven. +Mathilde bleef hetzelfde, koortsen verzwakten haar onophoudelijk; een +paar uur per dag maar zat zij op. + + * * * * * + +Den eersten tijd, dat hij alleen in Amsterdam was, gedurende de +kantooruren, merkte Jozef weinig van de verandering in zijn toestand. +Hij mocht nu met zijn ziel onder zijn arm in het stille huis buiten +rondwandelen in plaats van in Amsterdam, dat was het heele verschil. +Maar langzamerhand, daar hij toch vastgesteld had nooit 's avonds voor +zeven uur buiten te zullen komen omdat hij 's middags nog wel eens iets +op het kantoor te doen had, begon hij gedurende zijn vrijen tijd visites +bij Emilie Berlage te maken, altijd geregelder. + +De lente ging voort. Jozef zeide tot zich zelf dat het jaargetijde dezen +keer een buitengewoon merkbaren invloed op hem oefende. Zette hij zijn +raam open op het kantoor of buiten, over-dag of 's nachts, en de +lentelucht drong in zijn neus en in zijn ooren, dan voelde hij de +herinneringen aan zijn vroegere, zijn ongetrouwde leven met een zoetheid +in zich opleven, die hij vroeger van de werkelijkheid nooit had +ondervonden. Hij kon wel, zijn blik in de verre lucht, aan den tijd van +voor zijn trouwen met weemoed te-rugdenken, als een droomer, zich niet +heugende hoe diezelfde tijd hem toen gewalgd had. + +In een zachten overgang, zonder den minsten strijd, zonder dat hij er +een besluit voor hoefde te nemen, maakte hij een middag het voornemen, +dien avond niet naar buiten, maar naar de club en daarna naar de opera +of zoo te gaan. De gelegenheid was nu beter dan ooit. Mathilde was er +niet om hem, door haar zwijgen of door een aanmoediging, die hij meende +averechtsch te moeten opvatten, te-rug te houden. Hij telegrafeerde om +vier uur twintig aan zijn vrouw: "Ben verhinderd, kom morgen". Daarna +ging hij bitteren in de club, waarvan hij nog altijd lid was gebleven, +en dineerde met drie vrienden, Hasman, d'Ablaincourt en een officier, +die hij, zoo als altijd, ook nu weer in de club gevonden had, in het +blauwe bovenzaaltje van cafe Suisse. + +Een gevoel van verlatenheid, bevreemding, van afwijking van gewoonte, +loste zich over zijn schouders op in een blijde te-rugkeerende vrijheid. +Hij dronk zooveel wijn tot hij in een vroolijke stemming was; hij lachte +met zijn groote tanden, terwijl zijn breede snor dan telkens naar boven +sprong. Gewaarwordingen als van vier jaar her vulden hem. De +huwelijksjaren krompen samen, verdwenen. Hij was de oude. Hij had weer +pleizier. De kellners schenen met de gewone eerbiediggemeenzame oogen +toe te zien, maar verrast en met kleine herkennings-glimlachjes +onderling. Tegen het dessert dronk hij veel achter mekaar, om zich op te +winden, want het hanteeren van het hem vreemd geworden leelijke nare +restauratie-tafelzilver, de oppervlakkige koude feestelijkheid van de +witte gladheden der borden, de glazen, het gas, de gebaarde +heerengezichten, in dit alles scheen even een verwijt te trillen, 't +gezin, dat naar hem wenkte, ziek en jong, uit de verte. Hij voelde het +verwijt onder zijn haar opstijgen. Hij deed even zijn hand aan zijn +hoofd om het te verdrijven, in een verdoovenden glimlach, rondziende of +iemant ook iets over hem dacht. En hij, die gedacht had een gelukkig +echtgenoot te zijn en van het regelmatige en bedaarde genot van den +huiselijken haard! Hij voelde, dat hij veeleer op deze manier gelukkig +was. Hier was zijn plaats. Hij kon niet anders verlangen. Het andere was +onmogelijk voor hem gebleken. Hij merkte, dat hij weer met het oude +gemak het stugge, weerspannige, veel te stijf gestreken restaurant-servet +behandelde. Hij voelde zich achter tegen den rug van zijn stoel zitten, +zijn leden meer in mekaar, terwijl zijn vleesch en geest zich heelemaal +overgaf in een neerbuigen van zijn kin over zijn hals, terwijl van onder +zijn gladde voorhoofd, flikkerende in den gas-schijn, zijn oogen lachten +met de grappen van de vrienden. + +Toen Jozef, na het diner, weer op den trottoir stond, ruischte het +verwijt weer tegen hem aan uit de onverschillige grommeling van de +straat. En Mathilde? ... Mathilde? ... Zij moest den telegram al lang +gekregen hebben, Jozef zag naar den grijzen trottoir, waarover de +gasvloed uit de winkelkasten spoelde; zijn breede, wijde manchetten +vielen over zijn handen, de wijde pijpen van zijn lila-broek stonden, +als olifantspooten, tot bij de punten van de schoenen. Hij dacht aan +Mathilde en aan buiten, een angst klom in zijn keel en hij voelde zijn +hoed zijn hoofd als een klemmende ring omvatten. Daarna keek hij op, +zijn vrienden wachtend, die hij met stappen, kletsend in den gang van +Suisse, hoorde aankomen. De menschen, donker bewegende beelden, hoog en +laag, liepen schoffelend voorbij door het praatgesuis heen. De zwarte +lucht walmde neer over de huizen. Een minuut was 't Jozef als of al die +menschen in hun ruischend gebrom, met hun bewegende monden achter hun +haarden, allen over hetzelfde onderwerp spraken, een belangrijk, +aangrijpend onderwerp, dat allen bezighield. Allen waren ernstig, +afgemeten, hij ving schuinsche blikken op, in zijne richting gestuurd. +Zij spraken van hem, zij spraken van Mathilde, hoe ongelukkig zij was. + +Nu begreep hij plotseling, dat zij naar hem moest verlangen, dat zij aan +de waarheid van zijn telegram twijfelen zou. Hij zag haar van hier voor +op haar ziekestoel zittend, onrustig, zonder te leunen, haar blikken zoo +vreemd, naar voren, zooals zij kijken kon in uren, dat zij een verdriet +voorzag en wel zeide dat te voelen naderen als een aankomende +krankzinnigheid. Zoo als hij haar gezien had na den dood van den ouden +de Stuwen, zoo moest zij nu dezen avond zijn, daar ver van hem +verwijderd, alleen in het ontbottende Gooi. + +Maar Jozef vermande zich. Gekheid! Hij zou haar nooit ongelukkig maken. +Hoe kwam hij aan die gedachte? En hij beloofde aan zich zelf, dat, zoo +hij het vervelende eenzame leven al niet langer verdragen kon, zoo hij +zijn vrijheid in 't vervolg weer wat minder opgesloten zou houden hij +toch vooral zorgen zou, dat Mathilde er niets van merkte en zij er in +'t minst niet onder leed. + +De heeren gingen nu naar de fransche opera in den Stadsschouwburg. In de +pauze zei een van hen, bij die gedachte gebracht door het hooren van de +muziek, dat die muzikale avondjes nu wel gedaan zouden zijn bij Jozef. + +--Ja, andwoordde hij, zoolang als Mathilde niet beter is, dat begrijp-je. + +Er werd verder weer over Mathilde gesproken; een lichte ironie trilde in +de rooyige gezichten. + +Toen Jozef om halt drie dien nacht met zijn kalmen regelmatigen tred +naar huis stapte, dacht hij voortdurend aan Mathilde. Een spijt sarde +hem, telkens opkomende, hij vlagen. Het scheen hem, dat hij haar een +groot leed had gedaan. Hij verzon nu, wat hij haar opgeven zou als de +reden, waarom hij niet buiten was gekomen. De zaken natuurlijk. Dat was +het eeuwige voorwendsel, onweersprekelijk, Met de zaken bemoeide zij +zich zoo weinig, van de zaken wist zij eigenlijk niets af. + +En, den volgenden dag buiten, zittend vlak bij Mathilde, zijn knieen aan +haar knieen, de telegram open op tafel met het koude blauwe schrift van +den telegrafist, vertelde hij haar een heele geschiedenis. Hij had weer +veel meer pleizier in de zaken gekregen dan vroeger, hij begon een +nieuwe onderneming, waar hij veel aan dacht en waarvoor hij veel werken +moest. En zij, met haar vage zieke oogen, geloofde hem als een kind, nu +zijn hand zoo vertrouwelijk lag op haar knie, bijna bloot onder de dunne +witte nachtjapon. + +Nu gleed Jozef zoetjes-aan heelemaal tot zijn vorige leven te-rug. Hij +vond het erg aangenaam met zijn gepozeerdheid van jong elegant getrouwd +man in zonnige middagen over den Dam, door de Kalverstraat, door de +Reguliersbreestraat te wandelen, terwijl zijn vrouw op hun villa, buiten +was. Een anderen keer ging hij weer eens over het Koningsplein, door de +Leidsche straten, naar het Vondelspark. Hij vond de oude manieren weer +te-rug om zijn lichaam te bewegen en voor zich uit te zien, zoo dat de +dames hem bekeken met belanghebbende blikken. Zijn oude koketterie +steunde nu op een zekere hoogheid en te-ruggetrokkenheid, nu hij zich +als getrouwde door de nieuwsgierige oogen beschouwd voelde van de +juffertjes en de zusters van zijn kennissen. Hij deed weer minder in +Emilie Berlage. Hij had een paar maal de ouders van den overleden +echtgenoot bij haar ontmoet, die hem op onaangenaam aandringende manier +naar Mathilde vroegen. Een buitendien maakte Emilie hem driftig, om dat +hij dacht, dat zij hem alleen maar zoo'n beetje voor den gek hield. + +Er openbaarde zich in hem een heftige reaktie tegen de jaren van +ingetogen huwelijkstrouw. Als iemant, die een vroeger geliefd huis, waar +hij in lang niet kwam, de trap opgaat, ging hij weer heelemaal op in het +pleizier van matig uitgaan. De heele stad was nogmaals zijn terrein. De +beminnende onrustige vrouw was er niet meer als een spaak in het wiel. +Het was wel een aardige roman geweest, die enkele jaren van geheele +kalmte en maatschappelijke geregeldheid, met altijd dat zelfde lichaam +en die wijde donkere oogen, die zoo weinig wisten, om mee te zijn. En +nu, met de ziekte, zoo opgescheept als hij eerst met die nutteloze, +onbruikbare vrouw was geweest in de stad, zooveel genoegen, deed 't hem +nu te kunnen zeggen, dat hij zijn vrouw naar een villa in het Gooi had +gebracht, om van een bedroevende kwaal te herstellen. Hij had het nu +voortdurend over "zijn optrekje" en "ons optrekje". Hij sprak over +"Bagatelle" in een toon van: "Je weet wel, mijn buitentje, waar mijn +zieke vrouw woont". + +Jozef bleef nu herhaaldelijk 's nachts in Amsterdam. De maanden April en +Mei ontrolden zich met onafgebroken mooi weer. Jozef die tegenwoordig +bijna geregeld naar de Beurs ging, betrapte zich, bij het uitgaan +dagelijks op wankelingen in zijn besluit om dien dag toch naar buiten te +gaan. Als hij 's morgens in het te breede ledikant in Amsterdam wakker +werd, het gemakkelijke huwelijksbed, dat hij, na Mathildes vertrek, met +schoone lakens weer in gebruik had genomen, en hij hoorde en zag de +stille leegheid, die alle verdiepingen, alle kamers en vooral hier hun +slaapkamer, vervulde, dan kwam er altijd een golf van teederheid over +hem. Hij stond op en in de frischheid van het aankleeden, in de bleeke +zonneschemering door de neergelaten gordijnen, op zijn kousen met dolle +stappen door de kamer loopend, zich bukkend om uit de la zijn boord en +zijn das te krijgen, alleen zijn eigen bewegingen hoorende, het geruisch +van zijn overhemd, het smakken van zijn ontwakenden mond, zijn kriegelig +gapen, zijn eerste stijvere stappen met de aangetrokken schoenen over de +vloer,--dan miste hij Mathilde. De nasmaak van de pleizieren van den +vorigen avond was bitter, was hij dan weer een groen losbolletje +geworden? Gedurende het wasschen nam hij zich onherroepelijk voor in 't +vervolg geregeld naar buiten te gaan. Gedurende het afdroogen, achter de +klammerige sijpeligheid van zijn gezicht in den nieuwen dag, herinnerde +hij zich, hoe ze gister-avond gelachen hadden, en hij lachte, bij het +herdenken van de kleine overwinningen zijner ijdelheid, nog eens +stilletjes over, tegen den spiegel ziend om zijn haar, dun en zijig, te +kappen. Daarna tikte de barbier aan de deur. Hij maakte een praatje over +het weer en Jozef dacht met genoegen aan de straat, waarop hij zich zoo +meteen weer vertoonen zou. Als hij geschoren en gekleed was, krulde hij +voor 't laatst zijn snor voor den spiegel, beschouwde zich met een +kalm-tevreden blik, en zijn voornemen om naar buiten te gaan werd minder. + +Als hij beneden ontbeet, had de dikke Dientje altijd een reden om in de +kamer te zijn. Dan vroeg zij of zij van-avond weer op hem rekenen moest +met de deur, waar dan de ketting niet werd op gedaan. Hij andwoordde +onzeker. Dientje verzocht wel de komplimenten aan mevrouw. Daar had zij +altijd den mond vol van. Zij kon, dik en medelijdend, met een welgedaan, +gezond hart, onder de strakke paarse jurk, niet hebben, dat mijnheer +niet elken avond naar buiten ging. Telkens als hij van buiten +te-rug-kwam, en zij hem voor kantoortijd even te spreken kreeg, vroeg +zij met drijvende oogappels en een deelnemende trek om den mond, hoe 't +ging met mevrouw. + +De kantoortijd was gauw voorbij. De bedaarde zaak ging haar geregeld +gangetje, zoo als zij het nu al veertig jaar lang had gedaan. Jozef zat +daar, krabbelde met zijn gouden potloodje over het korrekte koele +papier, kontroleerde eenige geschriften, dronk koffie en ging naar de +Beurs of dejeuneerde ergens anders en ging daar vandaan naar de Beurs. +Bij kleine buyen was te midden zijner verveling een lust door hem heen +getrokken, om zaakjes, kleine ondernemingen, te doen. Hij deed 't, maar +'t bleef bij het onbeduidende, eenige honderden gewonnen, eenige +honderden verloren, verder bleef de zaak op de oude klandizie drijven. + +Na de Beurs, als het in de jonge zon oplevend witte kleinen steenen veld +van den Dam zich om hem heen uitstrekte, terwijl zijn zintuigen links en +rechts door de glinsteringen en het gedruisch van de omgeving werden +aangedaan, gebeurde zijn groote aarzeling. Hij had een eigenlijk zwak +karakter. Hij wilde en bepaalde nooit vooruit wat hij zou doen, zonder +dat hij op 't oogenblik van handelen er nog eens over dacht liever het +tegenovergestelde te doen. Dikwijls tusschen half drie en kwart voor +drieen op den Dam, werd hij dan woedend-driftig en werd zijn hals rood. +Nog eens was dus zijn levensinrichting vernietigd! Hoe had hij gehoopt +en gemeend nu het kalme fatsoenlijke genot-volle leven te hebben, tot +aan zijn dood. En daar stond hij op den Dam, als vijf, zes jaar geleden, +met zijn leege handen, zonder houvast. De gevangen vogel was door zijn +vingers wechgevlogen. Hij was weer alleen. Zijn rustige vriend de Stuwen +bestond zelfs niet meer, met wien hij over gewone levenszaken zoo graag +op burgerlijke manier zat te praten. En de Stuwens dochter was daar +buiten, ook alleen, half dood eigenlijk voor haar man. Rechts voor hem, +voor van Gend & Loos, vertrok de omnibus naar de Rhijnspoor. De klok +boven aan het Paleis wees aan, dat hij zich zou moeten haasten. Maar hij +wilde niet, hij wilde zich niet haasten. Hij haastte zich nooit. Een +groot gedeelte van het gentlemanlike in zijn persoon, in zijn houding, +in alles was hij deed en naliet, bestond uit dat zich altijd meester +schijnen, uit dat voortdurend leven met ingehouden kracht, uit dat zich +nooit haasten. + +Wanneer de omnibus, het Rokin over, eenmaal uit 't gezicht was met zijn +op-en neergaanden kondukteur in het kader van de opening naar binnen, +viel er een drukkende lust uit Jozefs leden en scheen over de vierkante +gladde keyen wech te wolken, onwaarneembaar. Hij had dan niet langer te +wikken en te wegen en de langzame gewaarwording van het zich aan zijn +luiheid in de zelfregeering overgeven, verdrong zoetjes de +geestesspanning van zoo straks. Hij deed een paar stappen over den +harden stadsgrond, waar men ten minste over gaan kon zonder zijn +schoenen en broekspijpen te bestoffen zoo als in het zand, buiten. De +flauwe laatste openbaringen van zijn inwendigen twee-strijd waren de +gedachten aan de volgende treinen, waarmee hij nog zou kunnen +vertrekken, aan de rijtuigen, die dicht bij hem klaar stonden, waarmee +hij dezen trein nog kon halen, die even door zijn hersenen glipten, maar +die verdampten in de onberedeneerde valsche zekerheid van dat dat +onmogelijk was. Hij liet zich gaan, drong zich gemakkelijk de overtuiging +op, dat het laatste middel om vandaag buiten te komen, niet meer bestond. +En hij had weer een dag en een avond om zijn genietingen van vroeger te +herleven. + +Hij vond, zacht en weldoend in hun verbleektheid van herinnering, de +vroegere sensaties te-rug. Het bitteren in de club, de banale eeuwige +jeugd der vrienden, het eenigszins fijn dineeren, de altijd kittelende +herhalingen der zelfde gesprekken over rijke meisjes die onvermoede +huwelijken deden, over bankiersfaljieten, over wijnmerken, over spijzen, +over paard-rijden, over bals van den verloopen winter en bad-reisjes +voor den aanstaanden, zomer, vooral over de aanstaande van die en de +weduwe van die, over de allergewoonste zangeressen en over de eigenaars +van cafe-chantants, hij maakte ze weer en weer door, de oude verveling +was geweken, hij hoorde ze aan en sprak mee met zijn mooi bloeyend +gezicht, en lachende onder zijn prachtige snor. Hij ondervond, tot +overmaat van pleizierige bevreemding, weer het genot van zoo gemeenzaam, +met het wijsheids-gemak, en de goedige onverschilligheid van den +ondervindingrijken man, die zijn wereldje kent, al die zaken te +behandelen. + +Voor het diner maakte hij een enkele maal een toertje te paard, maar +zelden, heel veel hield hij er niet van. Na het dinee was het weer een +komedie, een koncert in het Volkspaleis, een avondje doorgebracht bij +een oude vriendin. Maar kalm, alles bedaard, alles met de bedaardheid +van vroeger, vermeerderd en versterkt door zijn telkens meerdere +rijpheid. + +Den volgenden dag reisde hij trouw naar buiten. Hij vond Mathilde altijd +dezelfde, zwijgend, met haar zieke stem hem naar de zaken vragend, met +de eindeloze hoop op herstel. "Begrijp je, als ik weer beter ben, +dan, ... begrijp je, als ik weer beter ben" Altijd had zij andere +plannetjes voor de toekomst, allerlei kleine gelukjes, die zij samen +zouden hebben. Als hij twee, drie dagen achter-mekaar buiten kwam, vond +hij haar vroolijker dan gewoonlijk. Maar als hij daarentegen eens +wechgebleven was, scheen ze dat toch niet zoo erg naar te vinden. En dit +stelde hem veel te vrede. Eene berustende, lijdende, gelijkmatige kalmte +was over haar gekomen. Een ding was wel eens op hem gevallen. Was hij in +haar bijzijn, dan stonden haar blikken in zijn oogen, volgden zijn +minste bewegingen, drongen over zijn lichaam, met een vreemde volharding. +Dan vroeg hij haar bijvoorbeeld iets en andwoordde zij niet, zij scheen +hem niet te hooren, hem drinkende in haar starende, groeyende, zwijgende +oogen. Eens had hij gezegd, een beetje gedwongen: "Wat kijk je me raar +aan ...", zij zeide: "ik? ... ik? ... wat bedoel je? ... Wel neen, dat +verbeel-je je maar". + +Een andere keer als hij weer, na de Beurs, op den Dam stond, van-zelf +naar de dommelende paarden van den omnibus kijkend, en hij was gisteren +pas buiten geweest, was het de last en het hinderlijke van de reis, die +hem deed besluiten in de stad te blijven. Onophoudelijk dat heen en weer +trekken, in de stofterigheid of de smerigheid van de spoor en zoo, het +vervelende eentonige hossen, een paar uur lang, in zijn eentje, om als +belooning van zijn moeite in denzelfden afmattenden vreugdelozen +doodschen dampkring, buiten aan te komen, dat was heel onaangenaam. Als +hij den omnibus maar zag, voelde hij zich al hobbelen tusschen allerlei +burgermenschen in, met een door het dansen veroorzaakte tergende jeuk, +die hem noodzaakte aan zijn neus te wrijven elke vijf minuten, hij liep +al in de gedrongen haasterigheid van het stationsperron, hij voelde zich +het onbeduidende grijze landschap doorstoomen, verder de eenzame rit van +Vreeland, Kortenhoef en 's Gravenland in het gemeene tentwagentje, met +den viezen koetsiersjongen voor hem en den ouden hit, en dat alles om +zijn naren dag door een nog naarder avond te laten volgen, zonder zelfs +altijd bij Mathilde te kunnen zitten, korte woorden over het weer en de +huishouding met de meiden wisselend,--neen, het was te akelig. Zijn +eenig genoegen was dan Marie te zien, zwaar en warmblank. Maar haar +verschijning prikkelde hem minder dan eerst, haar onnoozele +landelijkheid drong op den achtergrond zijner verbeelding, nu hij zijn +steedsche pleizieren juist weer herleefde. + +Als Jozef naar buiten ging, zoo in een paar uur, uit het midden van +Amsterdam overgeplaats naar Hilyersum, steeg hij als uit een lauw bad +van geurend water in de koude ijzige lucht. Uit al de kleuren van +huizen, van winkelkasten met hun spiegelende ruiten, van de roepende +advertentieborden aan de muren, van de door gevellijsten afgelijnde +luchtvakken, waartegen het gerij, en gestap en geschreeuw opsteeg, van +het grommelend en witschitterende leven, waar hij met een stille genot +der gewoonte door heen wandelde, was hij ineens midden in de wezenloze +stilheid van het buitentje, waarvan de grijsheid en droefheid niet +opbloeiden in de lentezon, die het met vonken besprenkelde. + +Maar zijn grootste plaag was de rit 's morgens vroeg van Hilversum naar +Amsterdam met de dilligence. Daar hij volstrekt op het vaste uur--half +tien uiterlijk--op het kantoor wilde zijn, reden die treinen tusschen +Utrecht en Amsterdam, die te Vreeland stopten, allemaal te vroeg of te +laat. Ellendig! Dat was eerst een haastig aankleeden in het kleine +kamertje, hij sliep daar in een alkoof, waarvan het achterschot in twee +deuren geopend kon worden en dan uitkwam in de kamer van Mathilde. Hij +had daar willen slapen om vlak bij haar te zijn altijd. Er kon 's nachts +iets met haar gebeuren, had hij in het begin tegen den dokter gezegd, +nog niet wetende, dat hij niet alle nachten buiten zou zijn. Nauwelijks +aangekleed, uit zijn humeur, moest hij ontbijten in de frissche vroegte +van de groote kamer. Marie was dan nog boven bij Felix; Jans had alles +maar half goed in orde gebracht, met slaperige oogen. Hij had zijn +koffie en zijn ei nog niet op, of uit de verte klonk het waarschuwend +getoeter van den diligence-kondukteur, snerpend en rauw langs de +vensters. Dan moest hij ijlings zijn overjas aantrekken, even, met een +gedruisch, in de klamme kalmte van Mathildes kamer dringen haar een +afscheidszoen geven op haar vermoeid gekleurde wangen na een pijnlijken +nacht, beloven dien middag te-rug te zijn voor het eten en--de oude +gele kast wachtte al in 't midden van den breeden grijs-gelen weg +in-een-zakkend binnen zijn grove wielen. Binnen-in had hij 't niet uit +kunnen houden en maakte dus nu de tochten achter het vooruitspringende +bankje van den voerman, in de van voren uitgehouwen nis zittend, +waarover de met pakken en kisten beladen houten kap een eind heen stak, +tegen den regen. Er waren drie plaatsen op zijn bank, waarvan er twee +meestal door een groenteboer of paardenkoopman werden ingenomen En dan +begon de schommeling van twee en een half uur, terwijl de eene buurman +pruimde, kwijlde en spoog, de andere met den koetsier samen zijn gemeene +tabak rookte. Er waren geen gezichten van naderende lente ter wereld, +geen stille, bescheiden zonnestralen die zachtjes over zijn knieen +kwamen glansen, die hem vrede met zijn lot konden doen hebben. Meestal +trachtte hij te slapen, terwijl de ochtendwind zijn snorhaartjes +spartelen deed. Hij verachtte de gesprekken zijner buurlieden, trachtte +er niet op te letten. Hij vloekte in zich zelf om dat hij geen eigen +rijtuig had, dat hem, met twee onvermoeibare paarden, in de helft van +den tijd heen en weer gebracht zou hebben. En onbestemde oude lusten om +zich rijk te maken, om zaken te doen en zich binnen weinige jaren alle +weelde te kunnen veroorloven woei de lentewind door zijn hersenen bij +het aankomen in Amsterdam en met kletterend geraas en rollend gehobbel +door de Muiderpoort rijden. Hij zou dadelijk beginnen, iets nieuws +verzinnen, speculeeren, een jonge onderneming, een maatschappij, een +premieleening op touw zetten. Maar op zijn kantoor, achter den kostbaren +lessenaar, die zich eeuwig verjeugdigde, eerst onder de ellebogen en +mouwen van zijn vader, nu onder de zijne, wolkten de plannen wech. Hij +was lui. Hij was bepaald geen man van zaken. Hij stelde zich weer te +vrede met het betrekkelijke gemak, het tamelijke welzijn, dat hij nu al +genoot. Men mocht niet wagen, houden wat men had, dat was de hoofdzaak. +De voorzichtigheids-overtuigingen zijns vaders leefden in hem voort. Hij +voelde, in zijn kalme genoegdoening van mooyen man, met welbehagen de +beperktheid der cirkels van zijn begeerte en gedachten. + +Hetgeen Jozef weer van-zelf zijn versmaad en vergeten leven van vroeger +deed beginnen, was de leegheid die van Mathildes kant vermeerderde. Hij +voelde Mathildes wezen uit zijn hart en uit zijn zinnen vervreemden, als +een stroom van 't een of ander, die daar langzaam uit zou zijn +wechgevloeid. In Amsterdam, in huis, was zij niet. Hij liep langs de +bloementafel in den gang, langs de meubelen in de kamers, die daar op +haar verlangen zoo waren geplaatst. Er was niets, neen niets, noch de +looper op de trap, noch dat soort stoven in de binnenkamer, noch het +tapijt in de zaal, noch de pendule "voor", of zij hadden er samen over +gesproken, het samen uitgekozen. Aan alles was iets van haar en dat hem +haar voortdurend herinnerde, hij zag haar gaan, over hun woning te +vrede, met glimlachjes hem verzekerende, dat nu alles goed was. Hij kon +geen deur voorbijgaan, of hij zag het uiteinde van haar sleep daar +verdwijnen, terwijl zij zelve al binnen moest zijn om haar huishoudentje +te doen, een visite te ontvangen, hem op te wachten, haar huis, in een +woord, te bewonen. En nu! Wech was ze. Zij had het huis alleen gelaten. +Het verloor zijn bestemming. Hij herkende zachtjes-aan noch de +zolderingen, noch de wanden, noch de vloeren meer. Ja, het was toch wel +hetzelfde huis, maar het geen het vroeger maakte tot wat het was, was 'r +uit verdwenen. Was alles, al het omringend, de ruimten van den gang, van +de trapkast, van de kamers, vroeger dan beschilderd geweest met +tooverige voorstellingen, met verrukkelijke kleuren, was overal een +donzig en geurig behangsel wechgevallen? Neen, alleen een warme, +dof-roode tint moest alles omzweefd hebben en was nu wechgevaagd. Hij +scheen nu alle lijnen en hoeken, de afmetingen van den inwendigen bouw +van het huis, de grenzen der voorwerpen, beter, duidelijker te +onderscheiden. Een koude had de kleuren verminderd om de lijnen en +streepen duidelijker te maken. Hij zag alles naar voren komen, zich +afteekenen tegen den achtergrond, waarmede het vroeger meer een scheen +te zijn. De ziel van het huis, de adem, was er uitgegaan. En hij zocht +in de stad het leven, dat hier weigerde zich aan hem voor te doen. + +Tusschenbeide, na dat hij weer erg met vrienden in de stad samen was +geweest, joeg een dwaze begeerte hem met zekere snelheid naar buiten. +Een gejaagdheid sloop dan door zijn leden, die hun kalmte bijna +verloren. Zijn hand trilde bijna, als hij zijn kaartje nam aan 't +station. Hier stond hij met zijn leege armen, met zijn verlaten borst, +voort! daar ginds was zij, die hem weer dwingen zou zijn armen om haar +schouders te slaan, zijn handen samen te vouwen over haar rug, haar +handen vlak uit tegen zijn borst en zich tegen hem aan drukkend. + +Als hij dan buiten kwam, week de waan geheel. Onveranderlijk zat zij +daar, eerst voortdurend in haar slaapkamer, later voortdurend in de +groote kamer, te zwak om hem bij zijn binnenkomst te gemoet te gaan, met +armen lam van uitputting, met beverige lippen, die hem nauwelijks +zoenden, hem altijd dezelfde vragen doende over hoe het ging in de stad, +over de zaken hem verhalende wat de dokter had gezegd, over het eten +sprekende: een geliefkoosde spijs, die gisteren voor hem was klaar +gemaakt, waarom hij toch niet gekomen was?, hetzelfde verschiet van hoop +in de toekomst openende, maar vager, met te-rugwijkingen van de stem, in +'t midden een volzin haar spreken stakende, en hem dan kalm, zonder +ontroering, zoo wonderlijk aanziende, dat hij, denkende met een +ziekte-verschijnsel te doen te hebben, het venster uitkeek en na een +poosje een opmerking maakte over het aangroeyende groen. + +Voor den eten kwam Marie geregeld, als het mooi weer was, met Felix van +een wandelingetje te-rug; als het slecht weer was, van boven, om het +kind aan zijn vader en moeder te laten zien. Jozef vermeed Marie aan te +zien; Felix werd met gedwongen liefkozingen behandeld, terwijl er, met +dat kind tusschen hen beiden in, zijn blauwe oogen vragende wat de aarde +was, beurtelings naar hem en naar haar gericht, een wind van droefheid +snel, sidderend, tusschen hen uit heen woei, de glazige ruiten door, ver +over den weg naar buiten, en Mathilde wit werd, roerloos. Eens regende +het in een voorjaars-storm, voor de komst van den zomer; in sabelende +scheuten kletsten de droppelen-massaas tegen het glas. Huiveringen +zwiepten langs den grond van kiezelsteenen, over het dunne opschietende +gras tot aan het hek. Het woud van kleine blaadjes in iederen machtigen +iepenboom, aan den grijzen weg, kromp ineen, fladderde als millioenen +vogelenvleugels, samen, buigend en wenkend, warrelend in angst. Het kind +kreet 't toen plotseling uit, in lange frissche geluiden uit de jonge +keel, zijn gezichtje wrong zich samen, verschrikt voor het naderende +leven. Daarna stond 't weer effen, zonder een rimpel in het gladde vel. +Als Felix schreeuwde, droeg Marie hem wech, hem sussend, hem dansend in +haar armen. Jozef en Mathilde bekeken de lucht, ieder door een andere +ruit ziende, zwijgend, met lichte kuchjes en ademhalingen. + +Het gebeurde wel eens, dat de dokter zijn bezoek kwam brengen na Jozefs +aankomst, ofschoon hij meestal, in zijn tweewielig overkapt +dokterswagentje, 's ochtend voor twaalven de ronde deed aan deze zijde +van het dorp. De dokter was een dik rooderig mannetje, bestaande uit +lagen vleesch en huid die op elkaar zwabberden, een boerenzoon, die +gestudeerd had, het examen onder de oude wet had gedaan, en nu niet +zijn helle oogjes en mopsneusje zijn bewegelijkheid en bekrompen +levenswijsheid in een ruwheidsvoorwending uitstalde. Hij had een paar +brieven met zijn Amsterdamschen kollega over Mathilde gewisseld en +behandelde haar nu met zijn tergende flinkheid, zich onophoudelijk in +zijn verwachtingen bedriegende, onuitkomende voorspellingen doende, deze +koppige kwaal niet begrijpende. Wanneer het maar eerst zoo warm werd, +dat Mathilde bijna den heden dag in den tuin zou kunnen doorbrengen en +wandelingetjes in den omtrek doen, dan zou 't wel gaan. Jozef vond den +dokter een onaangenaam kereltje. Tegenover de wereldschheid van Jozefs +uiterlijk en manieren verborg hij zijn ergernis van boerenzoon onder +wantrouwende oog-opslagen en een soort van stugheid in de stem. Hij vond +zich belemmerd in zijn korte vette gebaren en in zijn driftig +plattelandsgeneesheers-gezach door de zwierig-bedaarde bewegingen en +kalme woorden van Jozef, die een hoofd grooter was dan hij. + +Terwijl de dokter dikwijls lang bleef zitten, Mathilde's onderworpenheid, +die zijn raadgevingen en gezegden aanvaardde, exploiteerende, stond Jozef, +die eerst mee gesproken had, in een hoekje aan den anderen kant van de +kamer, bladerend in een prachtwerk, ongeduldig onder zijn kalmte. + +Nu Mathilde haar dagen in de groote kamer leefde, dineerden zij daar +samen om vijf uur, als Jozef gekomen was. Om negen uur, half tien, ging +Mathilde naar bed, Jozef nam afscheid op haar slaapkamer, schoof +langzaam door het gangetje naar de groote kamer te-rug, na dat hij, door +de reet van de keukendeur, de warm rood blanke Marie gezien had, haar +roode vochtige lippen onder den lampeschijn, in den damp der kommetjes +koffie, tegenover Jans. + +Jozef ging ook vroeg naar bed, niet wetende wat te beginnen. Dan lag hij +dikwijls uren wakker en hoorde de stille ziekelijke woelingen van +Mathilde achter het schot. Hij hoorde haar hijgen, zacht opstaan, +drinken, en heen en weer gaan met schuivende stappen, weer gaan liggen, +zonder slaap, alles met de afgematte bewegingen van een eindigend +lichaam. Een woede steeg in hem op en maakte zijn hoofd heet, Wie, +verdomd, of wat, noodzaakte hem zich hier te liggen vervelen, in dezen +ellendigen uithoek van het Gooi! Welk leven had hij zich bereid, vier +jaren geleden! Allerlei denkbeelden en verwenschingen stegen op uit de +verste hoeken zijner hersens. Er was geen enkel in zijn jeugd wel eens +overwogen levensplan of het schoot hem nu weer te binnen. Waarom niet +dit gedaan, waarom niet dat gedaan, in plaats van dat huwelijk! Waarom +was hij niet in Parijs gaan wonen of ergends in het buitenland, zoo als +hij zoo dikwijls had willen doen! Daar lag hij nu, zonder pleizier, +zonder iets! In wrevel spalkte hij nu zijn neusvleugels en hoorde het +heele losse huis kraken en inslapen om hem heen. + +Meestal in deze nachten, lag hij te luisteren naar de geruchten van de +eenige verdieping, boven zijn hoofd. Eerst hoorde hij de trap kreunen, +als Jans en Marie naar boven gingen. Jans sliep in een alkoof, van den +kleinen zolder uitgespaard, door een dun schot er van gescheiden, boven +Mathilde; Marie sliep op het tweede der logeerkamertjes, aan de +voorzijde van liet huis, juist boven Jozefs hoofd. Het huis was zoo +dun-netjes gebouwd, dat Jozef elke stap van de pantoffels der meiden +hoorde. Jans stapte licht, met haar magere oude beenen, Marie met zware +voeten, meer klotsend. Hij hoorde haar stilstaan, met een gespatter der +zolen, voor Felix ledikantje. Daarna verder gaan, het getikker van haar +zaakjes, die zij op tafel lei, daarna een dof gemorrel, zij moest zich +uitkleeden, daarna: "nacht Jans, wel te ruste" en het bromde te-rug, van +achteren, veel verder af, als van iemant, die buikspreekt: "nacht, kind, +slaap wel"; hierop hoorde hij het zware liggen-gaan van Marie in bed. +Hierna was alles stil. Alleen een muis kraste achter het behangsel, en +sarde Jozef uit den slaap, tot hij herhaaldelijk was opgestaan, om hevig +te kloppen. + +Eens bleef hij vier dagen achter-mekaar in Amsterdam, elken dag +telegrafeerende, dat hij te veel op het kantoor te doen had, om te +komen. Mathilde scheen niet verwonderd bij zijn te-rugkomst. Zij zoende +hem alleen flauwer, meende hij, en zag hem nog langer, nog wondelijker +aan, met haar wijde oogen, waar een vreemd iets in sprankte. Zij ging +een beetje beter, zeide zij. De heele beterschap zou zoetjes naderen. + +Eens op een anderen nacht, tegen den ochtend, werd Jozef wakker. Hij +wist eerst niet wat hem wakker deed worden, wilde weer inslapen, zijn +gezicht tegen den wand. Toen hoorde hij iets als blazen, ademen, iets +dat leefde vlak bij zijn hoofd, een wezen, een dier misschien. Hij +sprong op tot een zittende houding, draaide zijn hoofd boven zijn +schouders rechtsom, keek in de wemelende donkerte, luisterend, +onderzoekend. Het moest van achter het schot komen, uit Mathildes kamer. +Hij hield zijn oor tegen het-hout. Nu hoorde hij hijgen, iets als een +onhoorbaar schreyen, iets als een regelmatig kloppen van ver af, als op +een aanbeeld van uren afstands onder den grond. + +--Mathilde, riep hij, wat is dat? Is er iets in je kamer? Ben je wakker? + +Het geluid hield op. Hij kreeg geen andwoord. Hij hoorde zachte voeten, +wijkend, met het geruisch van een kleed er over heen. + +--Mathilde, ben je wakker? + +Nu sprak uit haar ledekant haar stem, zacht, gejaagd: + +--Ja, is er ies? + +--Hoor je niets in je kamer? + +--Ik? ...nee, nies ... + +--Is je licht aan? + +--Ja ... ik was zelf op, zoo met-een, om te drinken. + +--Zie je dan nies? + +--Ik? nee, nies ... + +--O, dan heb ik 't me zeker verbeeld, wel te ruste. + +Jozef sliep weer in, zonder denken, niet begrijpend. De muis ratelde +voort achter het behangsel. + +Toen er anderhalve maand om was en Mathilde zich heelemaal aan het leven +buiten gewend had, bleef Jozef herhaaldelijk vijf, zes dagen achter- +mekaar, eindelijk een week wech, eindelijk kwam hij drie keer na mekaar +maar eens in de week over. + +Hij leefde weer in het gemakkelijk leven van dadelijk genot. Mathilde +werd een voorwerp, waarmee hij gedwongen was zich nu en dan bezig te +houden; een dame, die het lot nu eenmaal tot zijn verwante had gemaakt +en die hij genoodzaakt was tusschenbeide met beleefdheid, met +hartelijkheid te gaan bejegenen gedurende eenige uren. + +Jozef dacht er ook met ingenomenheid aan, dat men bezig was een +spoorbaan tusschen Amsterdam en Utrecht en Amsterdam-Amersfoort te +leggen, via Hilversum. Dat zou de overtocht veel vergemakkelijken, +Intusschen dacht hij: als 't maar niet te laat is, dan! maar dit idee +verschrok hem niet veel: een levend of een dood lijk, daar was weinig +onderscheid tusschen. + + + + +XIII. + + +Twee maanden gingen voorbij. Het was het begin van Juni. Bagatelle +scheen, van den straatweg af gezien, hooger te zijn gestegen en rustte +nu, glansend bruin en wit in het zonnelicht, op zijn hellend voetstuk +van donker-groen zijig gras, dat de bloemperken, licht en zwaar roode, +omlijstte; de groote iepen langs den weg hadden van boom tot boom aan +weerszijde hun bladeren saamgevlochten, die in groote verwarde trossen +laag neerhingen, voor het huis. Alles bloeide, leefde, kwam tot +rijpheid. Zachte, goud-trillende windjes streelden de bladen, ruischten +rond met den zang van een vogel, heenstervend boven de schuinte van het +dak. De zon was overal. Bij de groep boomen, links van het huis, stond +een purper-bruine beuk, waarvan de bladen zich tintten als donker +paarlemoer, door den wind in de zon op en neer wuivend. De sparren, in +boschjes, in de achterhelft van den tuin, aan weerszijde, doften, morden +samen, zwart van groenheid. Vlak achter het huis, waar kastanjes, langs +de oprijlaan, hun pluimen van gedweee, over elkaar neervallende veeren +verhieven, mengde zich een strook droger, lichter groen tusschen de +donkere sparren. De vloer van den tuin was van streepen gras en kleine +grasvlakten tusschen de zwarte zandpaden en de witte kiezelsteenen. En +alom, over den grond en van de ruimten uit, hoog en laag, zag Mathilde +zich door een leven van groen omgeven, van goudgestraal doorschroeid of +uitgelegen in den zacht-gelenden glans. + +In dien tijd waren er in de meeste villaas in de rondte ook menschen +gekomen. Aan de eene zijde had Mathilde nu een oude dame, die daar een +leelijk vierkant geel huis, als een kast, bewoonde met een nicht; zij +waren streng protestant; zij hielden rijtuig. Als Mathilde 's nachts +niet slapen kon, hoorde zij het paard trappen op de steenen van mevrouw +Arlewijns stal, die door een gemeente-voetpad, van een meter van +Bagatelles tuin gescheiden was. Aan de andere zijde dook tusschen het +gebladerte van zijn tuin, een nog lager huis wech, half +herbergiers-woning en oud, half societeit en nieuw. Achter Mathilde, van +haar tuin gescheiden door den nauwen, vies-klam-hobbeligen. Vaarderweg, +van vale aarde en stukjes steen, die altijd stil was, stumperde een +buitentje uit den grond, hokkerig, heelemaal van hout, ook met een +kleinen stal, op den hoek van den Vaarderweg en het melkpad met zijn +wijde akkers en verren gezichteinder, dat achterom, naar het dorp +streepte. Schuin tegenover Mathilde, aan de andere zijde van den breeden +straatweg, ijselijk wit, het andwoord gevend op de lachjes van +Bagatelles gevel, was de woning van mevrouw Rim, oude dame met groote +grijze krullen als klosjes garen aan haar slapen, met twee kleine +kinderen, en daarnaast, vlak tegenover Mathilde, bromden, vaal-grijs en +blauw, de hooge naakte muren tegen de lucht, van zweetend vlekkerige +steen gebouwd, van het eenige huis van twee verdiepingen in de +onmiddellijke nabijheid, vijf stokstijve vensters breed, de kostschool +der dames Streelink, die met hun vader, kreupel gepensionneerd officier, +daar hun brood verdienden. En verder volgden de villaas elkaar op, +tusschen hun nu vol groen gewassen tuinen door, hun lichtgekleurde +voorgevels naar de zoo hoog groen bedaakte ruimten van den breeden weg +duwend. En niets dan boomen, planten en bloemen in de rondte. + +Als Mathilde voor het raam zat, in de groote kamer, reden er +eigen-rijtuigen, met opdampende stofwolken, den weg af naar het dorp en +omgekeerd; jonge meisjes in blauwe, witte en rose toiletjes, met +parasols, gingen voorbij. Oude dames, in het zwart, wandelden. Het was +een beweging en een stuk stadsleven door den zomer hier overgeplant. + +Mathilde had dien zomer langzaam zoo zien komen zoo zien worden om haar +heen, Als zij 's morgens opstond en de gordijnen voor de vensters +ophaalde, bloeiden er een lage lindeboom, links, dof, bleekgroen, en de +kastanjes voor haar uit. Links op den achtergrond, onder een groote plek +open hemel, schuilde een oud-Flora-borstbeeld, op een blauwsteenen +voetstuk, in een uitgebreide nis van bloemende boompjes, seringen, +jasmijnen, een gouden regen, wech. Twee seringenboompjes trosten hun +takken violette, licht-paarse ruikertjes over het Flora-beeld, met zijn +leege oogen, heen, en te midden van de groene heesters bloeiden aan +weerszijde de gouden regen, met zijn uitstorting van innig-gele +bloemetjes, en de lage jasmijnen, met groenige warm-witte klokjes. +Daarboven, tusschen het netwerk der hoogste takjes en sprietjes uit, +daakte, heel ver en heel hoog, de tintelende blauwheid van den hemel. +Het was bijna aldoor mooi weer; bijna elken ochtend had Mathilde dat +gezicht. Gedurende haar lange dagen, in de groote kamer, woonde zij de +wording van haar tuin verder bij, het gras, dat zich verdonsde en naar +boven schoof, de magere foksia-en geraniumplantjes, in de diep in het +zwarte zand gezonken vuiligroode potjes der bloembedden, eerst nog +bibberend van naaktheid in de voorjaarsbuyen, maar die later ontloken, +de geraniums met rood-stijf-fluweele blaadjes, als een regenscherm op +groene steeltjes uitgestoken, de foksiaas met gladde knoppen, scherp +gepunt als vogelsnavels. Voords de boomengroepen, waaraan aan beide +kanten het grasveld grensde, sparren en beuken met een berk, waarvan de +krijtwitte stam als een lange gewrongen paal stond, en, als een magere +witte gedaante, Felix 's avonds bang maakte. En verder had Mathilde de +machtige iepen van den weg, en heel de overige natuur zien groeyen, de +bladen zich uitbreidend, zich aaneen-sluitend tot een dichte, wilde +grenzeloze massa, vol warmte en levensrommelende beweging, in ongelijke +samenhoopingen en bochten, met plotselinge openingen hier, dichte +samenknoopingen daar, onbeheerd, overal uitspattend en zich verdringend, +een onbeperkte warreling van groen. + +Mathildes uiterlijk eentonige leven van in de stad sloop hier verder +voort. Aan haar verminderende pijnen raakte zij eenigszins gewoon, zoo +dat die ook daardoor nog lichter schenen, zij voelde zich sterker +worden. Zij voelde de krampen in haar lendenen bij het oprichten zich +lenigen, maar de toestand van herstelling, waarvan de eerste teekenen +zich schenen te vertoonen, bracht met zich mede, verdovingen van haar +heele wezen, die uren duurden. Dan kende zij zich zelf niet en was als +schijndood, zoo als ze daar in bed lag of achterover in de luye stoel +geleund. Zij voelde niet, zij dacht niet. En anders, gedurende den tijd, +dat ze wel leefde, had zij maar een bezigheid, die haar hersens en haar +hart deed werken: te denken aan Jozef, hem altijd, altijd, bij haar te +begeeren, hem altijd ver af te weten. + +Zij stond tegenwoordig om negen uur, half tien, op, in 't begin elken +morgen, in de nevelende ontwaking harer oogen, weder verwonderd over de +felle frischheid der witte schemering van haar slaapkamer, vreemd en +akelig verschillend van de zachte donkerte, waaraan haar blikken in +Amsterdam gewoon waren. Eerst werd geregeld haar kacheltje aangelegd, +voor zij opstond, met de harde tikkende en grommelende ijzergeluiden, +maar later, toen de zomer vorderde, gleed zij in de stilte der luwe +atmosfeer uit het ledikant, schelde Marie, deed haar peignoir aan, en +ging, een beetje moe, voor haar toilettafel zitten. Dan, met haar +nuchtere maag, overviel haar 't meest haar alleenheid, als zij zich te +binnen bracht, dat Jozef gisteren niet gekomen was. Een griezeling, een +klamheid streek, onder de kleeren, over haar huid tot aan haar voeten. +Marie kwam binnen en hielp haar wasschen, kappen en aankleeden. Mathilde +was toch nog zoo zwak, dat, als zij, haar hoofd naar voren buigend, haar +armen in de hoogte deed, driehoekig gebogen, de ellebogen naar buiten +gestrekt, om zelf een haarspeld te bevestigen of een propje te glijerig +binnen den vorm der chignon te dringen, er een tintelende vuurstroom van +lamheid door haar armen tot aan haar handen, tot door haar vingers klom, +en haar armen machteloos neerzonken, in de witte kreukels van haar +schoot. Marie, wier armen bij het kappen links en rechts in de hoeken +van Mathildes half gesloten oogen stukken van verschrikkende gebaren +schenen te maken en wier stem met een hard-smartelijke klaarheid tegen +Mathildes schedel woei, vertelde altijd eerst van Felix, hoe hij +geslapen had, wat hij had gezegd, hoe hij hardop had gedroomd van de +heks uit het sprookje, dat zij hem den vorigen avond had verteld. Daarna +van Jans; Jans was wel zindelijk en verzorgde de keuken wel goed, maar +ze was een beetje ongeduldig van aard, zij knorde dadelijk als Marie +maar een paar minuten te laat beneden kwam, voor het eten of zoo. Verder +van een onaangenaamheid tusschen Jans en den slager; Jans beschuldigde +hem van niet het volle gewicht van het ossenvleesch gegeven te hebben. +Ja Mathilde had ook, nog half in slaap, dien morgen al luide stemmen +gehoord aan de deur. Dat was dat zeker geweest. Marie zeide daarna, dat +de melkvrouw altijd zoo vroeg kwam, en dat Jans hierom altijd zoo boos +was. De groenteboer was een beste man. Om nadruk op iets te leggen, +sprak Marie ook vlak in Mathildes gezicht, met de pas gedronken koffie +in haar stem. Mathilde nam in dien tijd, af en toe, met haar +ziek-bleeke, stilletjes bevende hand, het glas melk, dat voor haar +stond, het langzaam op en neer bewegend, met kleine teugjes, die zij in +haar maag voelde killen, drinkend. Hoe was 't mogelijk, niet waar, nu +was men hier toch "buiten" en toch was de melk veel waterachtiger als in +de stad, zei Marie. + +Aangekleed, ging Mathilde op een ochtend, zoo als gewoonlijk, bleek, +haar knieen bij elken stap de dunne wol van de peignoir in dadelijk weer +verdwijnende sporen bol uitdrukkend, door het gangetje naar de groote +kamer. Als zij de deur van de slaapkamer open deed, om in den gang te +gaan, warrelden, van door de voordeur, die dikwijls openstond, of door +de keuken, waar de vensters hoog opgeschoven waren, wemelingen +zomerlucht over haar schouders, om haar hoofd, om haar handen, met +lichte streelingen, als zacht getinte geuren, en, als of zij haar borst +tegen een onzichtbaren balk stootte, die daar zou zweven midden-in den +gang, dreunde een schok door haar lichaam, het plotselinge bewustzijn +van haar alleenheid, dat zich door alle zintuigen aan haar opdrong. Het +wrong zich door haar neusgaten, door haar ooren, door haar mond naar +binnen, naar haar keel, naar haar maag, het suizelde met de deeltjes +zomerlucht door de porien van haar huid. Elken morgen schrok zij er van +en werd er nog moeyer van. De gesloten deur van de groote kamer, met het +eene glad-gele gevlamde stugge paneel, gaf haar daarop een +gewaarwording, die haar bijbleef tot zij de deur met de stroef-gillende +kruk had opengedraaid: Jozef was daar, achter die deur, achter dat +stugge gele houten vlak, dat den toegang versperde, nietwaar? Het was +donker, hij moest daar zijn. Hij zat daar als gewoonlijk in de groote +kamer, hij wachtte haar om haar mond aan den zijnen te drukken, zij zou +nu dadelijk weer een oogenblik staan met haar heele lichaam tegen hem +aangedrukt, haar beenen tegen zijn beenen, haar borst tegen zijn borst. +Hij was gekomen, gister-avond, van morgen, hij was gekomen om haar te +verrassen. Er was geen twijfel aan. Dat heele denkbeeld van zijn +wechblijven, van zijn verkoeling, was maar een akelige, benauwende droom +geweest, een pijn, die zij bij het wakker worden had kunnen afschudden. +En zij zag de omlijning van de deurpost, de hoeken, de duidelijke +afmeting van de gang-zoldering daar boven die neerdeinde en opklom, met +zwaar-blanke trillingen. Hoorde zij hem daar niet hoesten? Hoorde zij +niet het kalm gefrommel van zijn koerant, het regelmatig gekraak van +zijn schoenen op de vloer? ... Van den gang, die van gedempter licht was +om het dikke hooge groen van den tuin er achter, kwam Mathilde, met +koele huivering over haar voorhoofd, de groote kamer binnen. Stroomen +helle blankheid, een algemeene siddering van glimmend, blakend wit; het +behangsel danste, de groote ruiten van de raamdeuren spiegelden, het +witgekalkte plafond steeg hooger, een witte zwakke luchtige jeugd was in +de rondte, eerst begrensd door de donkere kanten van de half opene deur, +daarna, toen Mathilde heelemaal binnengekomen was en de deur achter zich +dicht had gemaakt, alom, van, alle kanten, haar als ontvangend in een +bad van witheid. + +Mathilde liet zich op het effen glad groene kanapeetje zijgen, bevangen +door de helheid van de ochtendige kamer. Buiten, door de blauwig +spiegelende ruiten, bloeiden de roode bloemen van het groene grasveld in +haar oogen als heftig-roode stekende punten. En, daar achter, onder de +iepen door, strekte de breede geel-stoffige streep van den straatweg +zich voorbij, waarover gaauw, met een licht geraas, rijtuigen regelmatig +heen en weer raderden in zwarte groepen bewegingen, bij langdurige +tusschenpoozen. Zoo bleef Mathilde langen tijd zonder gedachte staren. + +Zoodra zij zich sterk genoeg had gevoeld, had zij zelf 's morgens weer +het huishoudentje willen doen, zoo als voor haar ziekte in de stad. Dit +gebeurde om half elf, elf uur. Jans hield twee boekjes, dat van den +slager en het keukenboekje, dat zij nu binnenbracht met een mopperig +goeye morgen, knorrig in de drukte der eerste morgenuren. Jans ging +dadelijk weer wech en Mathilde bleef alleen, over haar schrijfmap +gebogen, de witte schijn van haar gezicht met aarzelende rooderige +wolkjes er onder, bedolven onder het pak zwart vlossig haar. De peignoir +plooide zich op haar borst door het vooroverbukken. De velletjes papier +schoven tusschen haar kouwige vingers door, met zacht gefriemel en +schenen haar onvoelbaar dun. Zij las het keukenboekje. Over en door de +blauwe lijntjes van het papier stond geschreven in het doezelige +waggelende potloodschrift van de keukenmeid: brood zestien cent, +aardappelen dertig cent, arme vrouw twee cent, sleeper voor mijnheer een +gulden vijftig ... Nu sprongen er in eens tranen uit Mathildes oogen op +het schrift en bleven er in biggelende druppels op liggen, zoo +doorschijnend, dat de letters van Jans er doorheen nog herkenbaar waren: +brood, zooveel, aardappelen zooveel, arme vrouw ... En plotseling +scheeuwde alles in de rondte aan Mathilde de nutteloosheid van haar +leven tegen. Daar deed zij nu haar huishouden. En voor wie? Voor wie +zorgde zij eigenlijk zoo? Waar bleven de droomen van vroeger, de +heerlijke genoegdoening van alles zoo in orde te houden als bijdrage tot +zijn geluk! Een ontzetbaar verdriet, als een nog ongekende kracht van +haar binnenste, als een opperste bedreiging, die zich voltrok, rees op, +steeg naar Mathildes hoofd, daalde weer neer, vervulde haar, hing zwaar +over haar oogen, deed haar gezicht zwellen. Zij leunde tegen den rug van +haar stoel, wilde de smart doen wijken, en langzaam zien wechdrijven aan +den binnenwand van haar oogleden. Maar heete snikken bruisten op door +haar keel, een gloed van lijden vervulde haar wezen. Zij slikte nu +herhaaldelijk het water van haar mond in, om langzaam de smart te kunnen +genieten. Zij wilde zich herinneren, die heele geschiedenis van Jozefs +onverschilligheid nog eens in gedachten doorleven. En zij woonde weer +alles bij, van het oogenblik af, toen hij Marie boven haar hoofd had +aangeraakt en zij hem had zien dalen, dalen langs den eindeloos +grijzigen trap. Zijn liefde was geweken in het verloop van den tijd, +telkens minder, telkens minder. En nu, nu was de liefde wech. Hij had de +blikken verloren, waarmee hij haar kon aanzien, die zekere kracht en +buiging zijner armen, waarmee hij haar kon omvatten. + +Maar neen, het kon, het kon niet zijn! Als zij weer heelemaal beter zou +zijn en hem weer lief zou kunnen hebben, volledig, zooals zij het zoo +graag wou, dan zou ook zijn liefde weer opleven, die niet dood was, maar +alleen sliep. En toch, neen, wel was zijn liefde dood! Daar kwam een +huivering van uit de verte over Mathilde, door de ruiten, door het +behangsel. Zij hoorde Jozefs stem als heel ver wech praten, maar in een +anderen, onbekenden, een ijselijk vreemden toon. Het was zijn stem niet +meer. Zij zag hem gebaren maken, zijn mooye gestalte in een licht +zomerpak, zijn armen, zijn beenen bewogen; zij zag zijn groote +regelmatige tanden bij het bewegen der lippen onder den dikken knevel te +voorschijn komen; zijn fijne rijtjes oogharen bewogen op en neer, hij +keek, als sprak hij ook met zijn oogen. Maar hij was het niet meer. Het +was een vreemdeling, die zijn gedaante had aangenomen. En toch wat was +alles om haar heen vol van hem, vol van zijn liefde. Was 't niet zijn +adem, waarin zij leefde? Had hij om haar lichaam en om haar geest niet +een sfeer geblazen, waarin alleen zij leven kon? + +Hoe wit was de kamer hier, hoe bloeide alles buiten in de zon! Maar in +wat voor een vreemde omgeving zat zij hier! Neen, zij kende deze kamer +niet, dit huis, zoo luchtig, zoo licht, dat men als een doos over haar +heen scheen te hebben gezet. Wat waren dat voor bloemen, zoo hoog, daar +buiten de ruiten? Waar was zij toch hier, wie had haar hier neergegooid, +zoo vreemd, zoo ver, hier "buiten"? Mathilde keek rond met groote oogen: +daarop streek zij met haar hand langs haar borst, om zich van haar eigen +bestaan te overtuigen. Zij wreef haar eene hand over de andere, drukte +de knieen samen. Daarop hief zij zich, nauwelijks, in zittende houding, +boven haar stoel, de borst en rug recht. Daarop lei zij kruiselings, +over de papieren van het huishouden heen, haar armen op elkaar, kromde +zich, zonk ineen, drukte haar gezicht in haar armen en snikte, eerst +zachtjes, toen sneller, hijgende met een verdoofd kreunen, en eindelijk +met lange ademhalingen, uitgeput. Een vreeselijke leegte werd haar heele +wezen. Zij voelde alles wechgaan, alles haar verlaten. Zij schreide haar +ziel leeg. Nu eens huilde zij niet meer, zij scheen tot bedaren gekomen. +Maar dan, in haar dorst naar tranen, wekte zij weer een herinnering op, +deed haar gedachte tot het bewustzijn van haar alleenheid terugkeeren en +borst op nieuw in snikken los. Zij zag haar heele bestaan vruchteloos, +al haar geloof, al haar hoop verbrijzeld. Zij was alleen, alleen; zij +deed haar handen aan beide kanten van haar hoofd, boven de ooren, om er +het begrip van haar alleenheid in te wringen, want haar hersenen wilden +niet begrijpen. Daarna stond zij op, bekoeld, rillerig, ging voor het +venster staan, haar voorhoofd tegen een ruit gedrukt boven haar moede +kwijnende oogen. De smalle strepen van haar tranen, die over haar wangen +afdropen, droogden in de van buiten komende warmte. Haar borst steeg en +daalde, terwijl zij een paar maal hevig zuchtte. Daarna keerde zij zich +om en ging, met haar oogen iets zoekende tusschen de papieren op tafel, +te-rug naar haar plaats. Zij nam een schrijfboekje op: het dagboek, dat +zij hield van Jozefs komen en wechblijven, En zij keek na: gisteren +"niet geweest", eergisteren "niet geweest", en verder "niet geweest", +"niet geweest". Toen dacht zij weer na. Zes dagen! Waren het maar zes +dagen geweest? En al die tijd, dat zij alleen was geweest, ochtenden, +middagen, avonden, nachten, een eeuwigheid van bange gedachten, een +eindeloze angst, al die tijd, dat zij gestaan, gezeten, gelegen, +geknield had, haar blikken dwalende over de voorwerpen in de rondte, een +kastje, dat zij niet herkende, een hoek van de kamer die zoo +onbegrijpelijk leeg scheen! En voor zijn laatste overkomst was Jozef +toch ook nog wel eens zes dagen wechgebleven. Kon zij er dan niet aan +wennen? Het was toch wel natuurlijk eigenlijk! + + * * * * * + +En het huishouden ging zijn gang met den onverschilligen tred van het +dagelijksch leven, als een vreemde koele man, die zonder te zien haar +gemoedsleven voorbijliep. Het was nu de tijd van koffiedrinken. Marie +kwam binnen, met haar blozende gezondheid en haar hoofd als een groote +appel, met Felix op haar arm. + +--Zeg dan: morgen, lieve moeder, goeye morgen! + +Het kind spande zijn oogjes, zonder wit, geheel door de blauwe bollen +gevuld, wijd open, hief zijn stukje arm, met de tengere vurig-roode +vingertjes naar boven, lachte schalks zoo als oude lieden kunnen lachen, +zonder wenkbrauwen, en herhaalde, terwijl de woorden zich oplosten in +het weeken van het ongevormd mondje: + +--Moye, liefe moede, goeye mo ... + +Mathilde, zwijgend, met een stijvigen glimlach, strekte de armen, nam +het kind op haar schoot. Marie, met het opengeschuif van laatjes en een +gerinkink van zilver en glazen, zette klaar voor de koffie. Mathilde +zoende Felix op zijn dunne korte doorschijnende haar, zacht en glad als +hazewindenvel. Maar zij vond geen liefkozingen, die hem bezighielden; +hij draaide zijn groot bol hoofdje naar het venster, in geluidloze +verwondering over zijn moeder. + +Toen Marie even wech was gegaan om de kleine koffiekan uit de keuken te +halen, werd Mathilde weer aangegrepen door het gevoel van daar alleen +koffie te gaan drinken, zoo dat het eten zeker in haar keel zou blijven +steken. Haar alleenheid sloeg haar nu in den geest met de regelmatige +slagen der grijze scherpe eentonigheid. Het witte servet spreidde zijn +koude tergend voor haar uit, wierp zijn snijdende vierkantheid tegen +haar aan. Weer begon zij te huilen. Haar armen hadden zich verlamd, zij +vergat Felix, die eensklaps zachtjes van haar schoot op de vloer gleed. + +Marie zette Felix' kleine tafeltje voor een venster. Uit een spanen +doosje werd een heel leger van kleine tinnen soldaatjes geschud. Felix +ging nu "opzetten" en in de stilte dronk Mathilde koffie. Zij at veel +brood, meer dan zij honger had, hopende haar leed er telkens bij in te +slikken; zij hield in die dagen meer dan vroeger van brood. Zijn +kruimerige droogheid en zijn brosse korst raakten haar gehemelte sober +en zedig, en brachten haar, met de herinnering aan haar vader, een +lichte zweem van zachte troost. + +Na de koffie deed Mathilde een wandelingetje in den tuin. In den gang +maakte ze een praatje met Jans over het weer, heel even, en stapte +daarna met de zwakke treden van haar stoffen pantoffels op het straatje +en in de laan. Het was pas kort geleden dat de dokter permissie had +gegeven voor zulke tochtjes. Toen het heelemaal zomer werd, was zij +eerst gegaan een klein eindje, gesteund door Marie, toen weer een eindje +verder, met haar wandelstokje bij zich, om uit te rusten. Zij ging nu +altijd naar de "hut", een prieel, een soort van wijdopenstaande rieten +kast, met een bank in de rondte tegen den wand en een vlekkerige +afgeschaafde groengele zwarterige ronde tafel in 't midden. In de hut +bleef Mathilde uren zitten breyen of lezen, tot aan het eten. Als zij +daar zat, zonder gedachte over de bladen van haar boek heen te turen, +moe van het droomen en treuren van al haar dagen en nachten, werd zij +onbewust het ruischen en leven van den tuin om haar heen gewaar en +vloeide de zomer door al haar zinnen binnen. Langs haar voeten, langs +haar schenen, haar knieen, haar dijen woelde de zomerlucht door haar +onderkleeren en zuchtte allerwege haar huid in. Zij voelde koude plekjes +aan haar beenen, als afgerond en zich plotseling op haar vel +neerdrukkend om haar uit haar mijmering te doen ontwaken. Zachte wind +wasemde met stille huiveringen door haar witte rokken, ritselde op langs +het kiezelpad van den bodem, deed den zoom van haar kleed op en neer +gaan. Om haar heen had zij nu het grijsbruine licht, de ledige kleur der +rieten omkasting. Een rust ademde uit die beschermende kleur, van +achteren en van links en rechts, in de rondte. Boven haar hoofd had zij +de ernstige rieten kap, donkerder bruin, zwijgend en vooruitstekend, het +hemelblauw den weg afsnijdend om tot in haar oogen neer te kaatsen. Maar +door de opening van de hut, die eindeloos scheen, voor haar uit, +zweefden alle kleuren en geuren, al het bloeyen en wasemen van den +heelen tuin met boomen, bloemen, lucht en aarde, met zijn geschitter en +geglans, zijn doffe en blinkende gedeelten, zijn jubelen, zijn beweging, +zijn warmte, zijn sidderingen, zijn liederen, op haar toe en omwemelde +haar gezicht. En zij werden krachtiger, de kleuren; zij wiegelden, zij +druischten, zij snelden, zij stormden op Mathilde aan, een koor van +kleuren, een wijd veld levende mozaiek, zij zongen harde, felle klanken +in haar oor. Toen, om de kleuren te verzachten, sloot zij half haar +oogen, de appels verflauwden zich achter den nevel der oogharen, haar +bleekroode lippen zegen zachtjes open, zoo dronk zij, haar hoofd even +naar achteren gebogen, den lauwigen zomer in met oogen en mond. De +zwakkere kleuren weken nu wech; alleen het donkere paars van een perk +rhododendrons, en het gelige en het sombere groen van het lichtelijk +golvende gras en van de zoetjes wuivende bladerenmassaas, de blankheid +van het huis, en de kleine plekjes van twee diep-purpere stamrozen, +bleven, vergoud door de tusschen het huis en de hut neervallende zon. En +het goud, het vloeyende goud, bleef de groote kleur, en wazig golfde het +heen naar Mathilde, haar oogen binnen. De teedere lauwe lucht drong in +haar keel, verdroogde haar mond, de geur van jasmijnen, in een +heesterboschje rechts van de hut, walmde op in haar neusgaten. Zoetjes +wiemelden pakjes lucht over haar voorhoofd, haar wangen en door haar +hals, neerhangende haarvlokjes in haar hals beefden stil heen en weer. +En zij hoorde niets meer dan het kleine geruisch van de warmte. Zij gaf +zich over, zeeg naar achteren, haar hoofd over haar borst, haar handen +aan weerszijde, tintelend en gevoelloos, van de bank afhangend; haar +vingers alleen maakten aarzelende, stervende bewegingen van uitrekken. +Een zalige wezenloosheid suizelde door haar hersenen. Hijgend nam zij +den zomer in zich op; windjes schenen van haar voorhoofd het bewustzijn +van het lijden wech te streelen. Maar dan begon zij eensklaps te hooren. +Een lijster sloeg klaterend klaar zijn geluid uit links, schuin boven +haar hoofd in het dennenboschje. En het schaterde door haar oor naar +binnen. Zij deed haar oogen in eens wijd open, richtte zich half op. Als +een slag van metaal vielen nu de zomerkleuren tegen haar aan, hel, +flikkerend, koud. Het purper, het groen, het wit, het goud, namen als +vierkante en driehoekige vormen aan. De kleuren werden lijnen, schenen +tastbaar. Dan week de slag en een loome droom als een onzichtbare +sluyer, suizelde van Mathildes hoofd en leden naar beneden. + +Tot aan het eten bleef zij in den tuin, tusschenbeide zachtjes aan een +beetje wandelende, telkens te-rugkeerende in de hut om uit te rusten. +Een enkele maal zag zij, naast een boschje groen of boven een bloem-perk +uit, Marie en Felix drentelen. Eens ontmoette zij hen in een nauw +voetpad. Marie en zij glimlachten vreemd en flauw tegen mekaar, er was +als een onbewuste vijandelijkheid tusschen die twee monden, de eene +breed, grof, rood, vochtig, met zijn groote tanden, de andere flets en +verdund, waarvan de tanden niet kwamen te zien. Felix trapte in +speelschheid op Mathildes sleep, en lette verder niet op haar. + +Mathilde at eventjes over vijven, om dat Jans altijd een beetje te laat +klaar was, met Marie en Felix, in de groote kamer. Marie moest Felix +helpen, bond zijn servetje om zijn hals, sneed het vleesch op zijn bord +aan heele kleine stukjes, maakte de aardappelen fijn. Het servetje werd +onder zijn bord op tafel gelegd en Marie knorde op hem als er een lange +bruine of gele vlek op het servetje kwam, van zijn lepel of van zijn +mondje. Felix was tusschenbeide erreg wild en gooide de tinnen kroes, +waaruit hij water dronk op den grond. Dan zei Marie: "ondeugende +jongen!" en kreeg Felix voor straf geen of heel weinig kersen aan het +dessert, Marie had verder aan Mathilde heel veel te zeggen; zij zat +altijd recht op haar stoel en leunde nooit terwijl zij aan tafel zaten, +om dat zij wel wist wat fatsoenlijk was. Zij schoof dan tusschenbeide +het eten naar een kant van haar mond en praatte met den anderen over de +buren en hun kinderen. Zij had gehoord, dat in het houten huis, achter, +aan den Vaarderweg, een dame kwam wonen, een weduwe met twee zoontjes, +die mevrouw van Borselen heette. Of dat diezelfde mevrouw van Borselen +zou wezen, die Mathilde wel kende van vroeger uit de stad? Vrouw Steyer, +de huisbewaarster van de societeit, daarnaast, had het haar verteld, dat +zij gehoord had, dat 't een heele nette dame moest zijn, en de zoontjes +nog heel jong waren. Nu had Marie gedacht, dat dat dan misschien goede +kameraadjes voor Felix zouden worden. Want al lang keek zij eens rond of +er geen fatsoenlijke kinderen waren, jongetjes van zijn leeftijd, waar +Felix mee om kon gaan. Marie hield al sprekende, om het waarschijnlijk +te maken, dat wat zij zeide zeer goed bedacht was, haar vork rechtop +stijf op tafel gedrukt, terwijl Mathilde alles beaamde en alleen een +enkele maal flauw gesproken vraagjes over Felix deed, of hij goed had +opgepast, of hij flink had gespeeld. Daarna glimlachte zij goedkeurend +naar Felix bolle blauwe oogen met haar verdoofden lach of vermaande hem +gemaakt-onverschillig zoetjes, met een zwakke opheffing van haar +wijsvinger en een donkere ernst in haar oog. Felix lette weinig op de +gesprekken, maar keek voortdurend naar den straatweg, kraaide luid als +er iets voorbijkwam, dat hij herkende, en stak daarna uit verlegenheid +zijn vingers in zijn mond. + +Maar van-daag mijmerde Mathilde voortdurend zwijgend aan tafel voort, +nog onder den schrik harer gewaarwordingen van in den tuin. Zij voelde, +dat zij haar eigen verdriet dien middag in de kleuren had gezien, er was +iets gebroken in haar gemoed, de schelp van een inwendig oog was stuk +gebarsten. Nu kon zij beter dan vroeger waarnemen en rondwoelen in haar +eindeloos groot verdriet. Zij had al veel geklaagd en veel geweend, maar +zonder er op in te denken, en nu, nu zag zij zich zelve, maar zij +herkende zich zelve niet meer. Toen zij opstond van tafel, stond zij +verwonderd. Zij kon niet meer denken zoo als zij gewoonlijk dacht; het +bewustzijn van haar verdriet, het gewone, dat zij herkende, elken morgen +als het bij haar wakker worden in haar opkwam, en dat zij elken avond op +dezelfde manier in haar slaap zag verdwijnen, was wech; een ander, een +vreemd, een angstig benauwend, een hoog, een dreigend, was er voor in de +plaats gekomen. En zij was bang en verbleekte uit angst voor zich zelve. +Zij was bang en zag op tegen het hooge zwarte gevaarte, het gebouw der +gedachten en droomen, dat haar leed buiten haar om scheen te hebben +opgericht en dat straks op haar neer zou storten, zich verbrijzelend +over haar hoofd en haar hart in een eindelozen val van hooge donkere +brokken na elkaar. + +Een half uur later zat Mathilde, terwijl Felix, eer hij naar bed +gebracht werd, zijn laatste wandelingetje liet doen, voor het eene raam +der groote kamer, haar handen gevouwen op den schoot, te wachten op den +naderenden avond. Het was nog helder dag, maar de zon, die 's middags +die klaarheid warm had gekleurd stond laag in de lucht, schuin achter de +iepen van den straatweg, en de klaarheid van den dag werd koeler, +onverschillig. Achter de dichtst bebladerde hoogten der boomen +verborgen, bescheen de zon den tuin niet meer, maar sprongen alleen +rood-gouden stralen van boven, tusschen de dichte takken door, als +snelle blikken van vuur, waarmee die hooge boomen Mathilde bezagen zoo +als zij daar roerloos in stilte zat aan het venster. En de kleuren van +den tuin waren nu droger, duidelijker, niet meer verkracht en tot +brekens toe aangezet door de felle middagzon. De lucht was stil; alleen +in de hooge boomtoppen knikten klapperende blaadjes tegen het doffe +blauw van den hemel. In hun kalme waarheid hieven de kleuren van den +tuin zich opwaarts. Het groene gras was mat, overstroomd met de +wegduikende bleekgele boterbloempjes, bespat met de witte stippen der +madeliefjes, een stilstaande stroom, waarop de roode bloemenrondtes +neergespreid lagen. Het rood der geraniums was dof en dik, als gedroogde +bloedvlekken, de stamrozen schoten hoog te voren glansend zijig purper, +somber van schoonheid, de theerozen waren licht-gelig wit, +licht-groenerig wit, van een warme zuiverheid, de maandrozen slingerden +zich laag en verwilderd dooreen, met hun speelsch even blozende +blaadjes, dun en licht en uitgevallen als stukjes verscheurd geverfd +papier. De groepen boomen, aan weerszijde van het grasveld, de sparren, +de beuken, duister groen, ernstig bruin, stonden nauw saamgedrongen, als +zwijgende reuzenwezens, wachtend. De breede, stofferig-blanke weg van +voren, met enkele gele zonnevlekken, rustte, vlak, wijd, geruchtloos. De +boomen, de struiken, de huisblokken der omgeving waren dicht +samengeschoven, vast aan de aarde gedrukt, waar en koel. De schaduwen +waren bijna weg; alles scheen platter, zonder achtergrond, zonder +in-een-smelting der kleuren, glad, effen, ijl, roerloos. Alles om +Mathilde heen stond als kunstmatig daar zoo pas in-een-gezet, in de +bedaarde onbewegelijkheid van liggende en opstaande-legkaarten. + +Door de waterklare wit-blauwige vierkanten der ruiten, als een dunne +wand van gestolten licht zoo nabij Mathilde zich oprichtend, dat hun +stijve koelheid tegen haar bleeke hoofd scheen te stooten, bescheen de +kalmte der door de zon gebroken achtergelaten kleuren haar voorhoofd, +haar wangen, haar hals, weerkaatste op haar gezicht, glipte bij +tusschenpoozen eerst onder haar half neergeslagen, zwaar hangende +oogleden door, trok die daarna op en vervulde dan telkens even haar +oogen geheel, helder en droog als een ontzachlijke plaat mat zilver met +regelmatig opkomen en verdwijnen aan haar voorbijgaande. Telkens als +haar oogleden open en dicht waayerden, vloden, als met langzame +wiekslagen, de wit-glimmende blankheid van daar buiten en de doffe +grijsheid der gesloten oogen van binnen na elkaar voort; en wanneer haar +oogen zich sloten, hadden zij de vorm en de tint van wat zij gezien +hadden zich ingespiegeld en drukte deze zich weer vaag af tegen den +geelbruinen achtergrond der oogleden. Zoo zweefde de witte breede wreede +kalmte in haar binnen en weefde zich in haar gemoed, zich samenspinnend +met al de draden harer verbeelding. + +Zij bedacht den geleefden dag. Zij zag hem in onbestemden indruk voor +zich als een geheel, vaag-vlottend-lankwerpig-omlijnd als het venster +binnen welks randen zij nu zijn vaal-blank einde waarnam, met het +hellere licht der hoogste ruiten van-boven. Maar hij was niet een vlak, +hij was een reeks vlakken na elkaar, een koker van kleuren, de gang met +vreemde, onbekende, armigschuchter witte wanden in 't begin, rijk, +drukkend overstelpend goud, purper en groen in 't midden, en weer kalm, +wijd, klaar blank aan het einde, de gang van tinten, waardoor zij zich +zag gaan, zachtjes levend den dag. En de zoldering, de zijwanden, de +vloer van den gang verkleinden zich, trokken samen. De zoldering daalde +tot op haar hoofd en schouders, de vloer was niet breeder dan haar +voeten, de zijwanden raakten haar armen en beenen. De dag verloor zijn +rechte lijnen, werd meer en meer de vorm van haar gestalte, de kleuren +golfden om haar leden, drongen zich over haar huid heen, het goud, het +groen, het rood, het purper hechtten zich aan haar vast van het hoofd +tot de voeten. De dag verloor zijn lengte, de witte uiteinden krompen +tot elkaar, sloegen samen, een blanke gloed vermengde zich met de +donkere kleuren. De dag stolte zich om haar leden heen als een gloeyende +alles bedekkende tooi. Zij ging in een kleed van zomerkleuren. Van haar +schouders tot haar voeten was het goud en groen en purper, en om haar +hoofd hing een glinsterend witte sluyer en om haar voeten lag sneeuwige +satijn. Maar het kleed werd benauwend, het wrong zich aan haar op, het +huiverde haar huid binnen. En het kleurenkleed werd haar huid, werd haar +zelf. De dag werd een met haar. En zij was gelukkig de dag te zijn. Zij +voelde zich niet meer; zij was van lucht zij was van licht. En altijd +zou zij zijn, want de dag zou nooit vergaan. Zij was in +eenzalig-roerlooze rust, in de onbewegelijke klaarheid der +omgeving opgegaan. + +En Mathilde droomde, zittend aan het venster; de ruiten, vaal-groenend +van naderende duisternis, lachten met een hollen glazigen lach. + +De zon was lager gevallen. Uit zijn donker-oranje-gloeyende rondheid, +hoog schuin, ver weg, zwierven nog rooyerig-gele stralen, als stukjes +regen van scherpe lijnen, door de heesters aan d'overkant van den weg +neer, alsof zij gebroken in dat groen bleven hangen. Wijdweg, aan het +einde der platte velden achter de tuinen der buitens, was een laaye +gloed van blakend koper uit een zee van donkerder gloeyend goud +opgewasemd in de lucht, een brandende uitwolking van alle geeltinten, +van beneden af uit het warme bruinende vlammen-geel rijzend door het +vette okergeel, het scherpe citroengeel, het sombere hooigeel, het +dik-blanke roomgeel, het groenige geel van najaarsbladen, het droge +stroogeel, het bleeke duinzand-geel, tot een lichting van hel +zilverig-wemelend wit, vlottend omrand en doorsijpeld van gazig week +groen, blauwig-teer violet, zachtglad bruin. Die gloed stuwde toe over +de platte velden, zich brekend tegen de beplantingen waarboven het +zilverwit vergrijsblauwde hoog in de lucht, tot Mathildes tuin luwend in +matte kwijnende klaarheid, achter de ruiten verzwakt tot een flauwen +schijn van wit-grijs, achter in de kamer stervend tot doffe schaduwen. + +Van den duister blauw-grijzen hemel daalde breed een donkere bleekheid, +de open ruimten vullend, de hooge ovaalheden der boomen, scherper +omlijnd, van elkaar afzonderend, om de stammen heenstarend in wijde +open-grijze plekken, de bloemenkleuren verfletsend, het gras met zachte +deiningen van donker-groen versomberend, op den straatweg, over de +kiezel-steenen, tegen den gevel van Bagatelle, zich in onzichtbaar-ronde, +snel verdwijnende afdruksels verwittend. In een stillen, doodelijk-stillen +weemoed vergingen de dagkleuren. Een enkele maal vloden, als bewegingloze +windvlagen van verflensende herinneringen, strepen lichtschijn verwaterde +zonnestralen door de ademlooze droeve bleekheid. Een heele lichte wind, +als een kinderadem zoetjes rondwispelend, deed de bladeren der neernijgende +stamrozen even trillen; in de hooge boomen zusten de lichtste takjes en +blaadjes stilletjes heen en weer, met een gerucht van verre snikjes. + +In de kamer wademden fijne, dunne zwarterige mist-tinten binnen. Boven +de piano, achter de stoelen, bezijden het kastje, onder de tafel, +strekten zich zware schaduwen. Zij streken doezelige randen om de +deur-posten en de lijsten der schilderijen, zij schuifelden in +driehoeken en schuine vierkanten tegen het plafond op, zij maakten de +wanden tot glansloze spiegels, waartegen de vaasjes, de beeldjes, de +hoeken van het kastje de leuningen en pooten der stoelen zich schetsten, +als kleine schimmetjes, vreemde figuurtjes, dof-grijze vlekken; zij +spreidden den donkeren schijn der stoelen-zittingen en van het +tafelkleed in lange stroken en flodderende plooyen over de vloer. Zij +ritselenden onhoorbaar voort, hun vormen steeds uitrekkende, +verbreedende, verdonkerende, als aanhoudende zware zuchten. Zij waren +als lange lage sombere fluisteringen van leed, die van de kamer uit naar +alle kanten door de wanden heendrongen. Zij werden weer donkerder en +grooter, liepen als zwarte waterstralen langs het behangsel, vloeiden in +glansloze plassen over het tapijt, drongen als donkere wolkjes van boven +door het plafond. Dan verroerden zij weer niet, bleven vast overal in +denzelfden vorm, als langdurige zachte echoos van den stillen +weemoedsklank van den avond. + +De dingen van de kamer waren hard-donker, zij drongen hun vormen uit, +scherper afgehoekt, van een inniger vastheid, als blokken en stukken +hard, ondoordringbaar hout en metaal. Aan den achterwand van de kamer +vergrootten twee kleine sofaas zich in een vermenging met hun schaduwen, +andere meubelen kregen bulten, warrige uitwassen, boller wordend, zich +uitzettend. De dingen leefden hun geheime leven, gewekt uit den kouden +dagslaap. Verbruind, vergrijsd en verzwart, schenen zij onmerkbaar te +bewegen in snel weer rustende bevingen. Zij schenen samen te leven, +zacht, met holle smartelijke uitingen in de diepe toonen hunner +schaduwen. + +Mathilde zat voor het venster, ingekrompen, als een klein wezen onder +den mateloozen avond, in-een-geslonken, samengestijfd tot een voorwerp, +een stuk van de kamer. Zij zat daar als een dof pak grijze stof, zij zat +daar als had zij zich tot steen verdroomd. De grijze plooyen van haar +kleed bleven in hun bochten, rondingen en gleuven onveranderd, als voor +altijd zoo gehouwen. De witte tegenkant van haar kleed tandde zich in de +schaduw in een lange gekartelde rand vergroot af en van den +wollig-zwarten schijn uit, die haar rokken op den grond maakten, sloop +de schaduw tegen haar gestalte omhoog, over de vlakke plekken van haar +kleed strijkend, binnen de voren van haar kleed glippend, haar gelaat +aan de eene zijde als tot dat van een schim vernevelend, haar bevangend +in een grijs-zwarte kleurenwade. Klagend zwart hing de kap van haar +loome haar over haar hoofd, waaronder alleen de bleeke plek der door de +ruiten vaal verlichte zijde van haar gelaat mat-wit uitscheen. Haar +leden waren lam uit-een-gezonken, haar oogen glommen zonder straal over +de zielloze handen op haar schoot. + +Buiten viel de zon wech aan den horizont. De gele gloed was lager +geweken, maar heel beneden over de aarde vloeide een stroom rijke roode +kleuren, opgolvend uit klompen rood-zwart, rood-bruin, rood-grijs, als +een heuvelrij aan elkaar vast. Het bloedrood steeg door het +karmozijnrood, het rood van gloeyende kolen, het aardbezien-rood, het +perziken-rood, tot een verteedering van roze, vol liefelijke kwijnende +lachjes, vol kusjes en kleine zoete vluchtige mijmeringen. Maar het roze +wemelde stilletjes wech, het was een zachte afscheidsgroet, de blik van +heengaande oogen, het laatste wuiven van een zakdoek bij het keeren van +den weg. En hooger in de lucht, tegen het verzwartende blauw-grijs, hoog +boven de boomen en den tuin, sloeg het rood van den gezichtseinder tegen +den hemel, het verpurperend tot een kerktint, tot een plechtige welving +van sombere kleur. + +Als een sneeuw van donker purper wemelde de schemering hoog in de lucht, +daalde, zich verpaarsend-tegen het boomengroen, in grijs-violette tinten +over de aarde neerkleurend. Door de iepen langs den straat-weg voer de +wind, zij bogen hun toppen, en hieven ze weder en bogen nog eens met een +naar boven ruischend en zich daar los-kreunend geklitter der +gebladerten, als heenfladderend in de donkerte. Het grasveld stroomde +langzaam voort, donkerder, terwijl de bloemen-kleuren in zijn hooger +grommelende groene zwartheid verloren gingen. Het witte kiezelsteenen +pad, vlak voor de ruiten, vlood heen, giegelde ijlings weg onder de +zwarterige warreling die er bij scheutjes op neer rookte en weer +opwiemelde, kringend en krullend als stof om dansende voeten. De breede +weg gleed vooruit als in de verdroogde staalblauwe glansen van een +ijsbaan. Het purper verblauw-zwartte hoog in de lucht, het paars en het +violet werd bruin-zwart, groen-zwart, grijs-zwart. + +Langzaam, onmerkbaar langzaam en stil van alle kanten aanwolkend, dauwde +de schemering neer, Mathilde sluitend in een duisteren damp. Korte +schokken schoten, dadelijk weer verstommend, onder haar kleed, als een +zwak hortend gestommel harer leden. Haar knieen naderden elkaar en weken +weer te-rug. Haar armen kromden zich nauwelijks uit naar ter zijde, +vielen weer neer. Haar saamgevouwen handen ontbonden zich, de vingers +strekten zich in een bibbering even uit-een; toen klamden haar handen +naast elkaar neer om de knieen. Toen raakte de koele duisternis haar +aan, het holle vaal grijs-bruin streek over haar slapen, haar wangen, +haar ooren, haar hals. En haar befloerste oogen rezen op, starend nog +zonder te zien, angstig omwimperd onder de samentrekkende zwarte +wenkbrauwenranden. En zij begreep nog niet. Haar keel trok zich samen, +een beklemming drukte haar verhemelte. Een gevoel van zich zelve niet te +zijn, de verwondering van een ziel, die niet weet hoe dat vreemde +lichaam om haar heen is gekomen, die niet weet, waarom die handen, daar +vooruit, de hare zijn, waarom zij de koude voelt van die voeten, zoo ver +beneden, ruischte op door haar hoofd, zette op in haar hersenen als een +wervelwind van naderende angsten. Het beeld van den dag wankelde in haar +hersens. Het verflauwde in iets dat er achter was, iets onbestemds +kleurloos, vol, diep, onpeilbaar. Was de dag dan niet meer? Verdween de +dag? De dag was toch zoo schoon geweest! En zij wilde niet, zij wilde +hem behouden. Zij wilde blijven zijn zoo als zij was geweest. Maar de +grijze wolk, waarin zij zich gehuld zag, wemelde uiteen. En de dag werd +haar onttrokken, sloop heen in de droeve vijandige duisternis. De +laatste stralen harer mijmering droomden als wazige donkere strepen uit +haar oogen wech. + +Zij bleef met ongebroken blikken staren op dezelfde plek aan den wand +voor haar uit, als was de dag daarin opgegaan, als wilde zij hem weer +te-rugwenken naar zich toe of hem volgen in zijn vlucht door de +onmetelijke duisternis. Maar zij voelde haar blik omstooten door de +tinten der donkerte. Haar blik werd verslonden door de duisternis, die +zich tot in haar oogen stuwde, met harde slagen. En haar hoofd bewoog +zich voor het eerst, hief langzaam zich op, zwaar van het lange gepeins, +zich schuw voorzichtig draayende, als uit vrees van zich te bezeeren. +Zij onderzocht met schuinsche blikken de hoeken der kamer. Daarna zag +zij snel naar buiten in den tuin. Een schrik deed haar duizelen. En zij +richtte zich hoog op, en zij zat recht, het hoofd geheven, en zij zag +klaar in de duisternis, die onverbiddelijk om haar heen was gedaald, en +zij voelde zich als schokkend tegen den grond vallen, voelde plotseling +haar kleeren, haar stoel, de vloer met geweld haar raken. Zij voelde de +leuningen van haar stoel, die haar als koude armen schenen te omvatten, +den rug van de stoel met zijn twee dwarsplankjes en de openingen +daartusschen, die diepe leegten schenen. Toen zag zij de duisternis +grimmend, onbewegelijk. De schaduwen waren samengekweekt, bijna +verdwenen. De duisternis had zich tot dof-zwarte kristallen in de hoeken +samengedrukt, had de vormen der meubels aan den wand samen vermengd en +ze tot een groep vaag begrensde, donkere brokken en klompen gemaakt, die +als doode beesten met logge ruggen en stompe voorhoofden daar +neergezegen schenen. En onder liet plafond had de duisternis zich als +een tweede donkere zoldering vastgeklemd en over de vloer had zij zich +als een rouw-tapijt gespreid; zij beschimmelde het behangsel; de +schilderijen en platen aan den wand hingen als onder hoezen en als een +breede lage katafalk stond de lankwerpige tafel met haar afhangend kleed +in 't midden. + +Mathildes donkere oogen glansden door de kamer. Zij vroegen aan de +voorwerpen, waarom het zoo duister was geworden. Haar blikken dwaalde +over de vlakten der dobberende schemering naar buiten, zonder een +enkelen lichttint te zien. En zij voelde de afwezigheid van het geluk, +dat verloren was gegaan, verdronken, wech in de duisternis. Het zou niet +weerkeeren. Haar leven der laatste maanden schemerde als een eentonige +op-een-volging van donkergrijze smarten door haar geest. Zij zag zich +leven haar lichaam bewegen al die dagen. Haar voeten waren gegaan als in +een eindelooze leegte zonder doel; haar armen hadden zich uitgestoken +zich geheven, zich gekromd, maar zonder ooit iets aan te raken, als in +de gebaren van een gek. Haar oogen hadden gezien, haar ooren hadden +gehoord, maar slechts ledige kleurloze ruimten en geluiden zonder klank. +En zij wilde het niet gelooven. Het kon, het kon niet zijn. Het was al +knakte er iets in haar hersens. Als een golf van vuur vloeide naar haar +hoofd. Zij zag op; en het kwam van buiten, van verre, als een gerucht +een voortdurend groeyend gedruisch, tot haar. Het bobbelde en wiebelde +en sprankte uiteen in de duizende grijze en zwarte belletjes en +balletjes van de ruischende duisternis. Zij huiverde te-rug en dompelde +haar blik weer in de donkerder donkerte van de kamer. + +Zij zag dat zachtjes-aan de zwarte tinten begonnen te bewegen. Zij +maakten zich los uit de hoeken in wolkige kronkelende pakjes, +schuifelden langs de wanden en de zoldering, zweefden sidderend midden +door de kamer, weken weer te-rug in de wanden en meubels, kwamen weer te +voorschijn, sloten zich tot een wolk samen en losten zich op in een +ragfijne zwarte stofpoeyering. Zij waren als stillen droeve door +gebroken stemmen geneuriede melodieen, eerst zachtjes uitgebeefd, daarna +angstig verstommend, daarna samenklinkend in een doodelijk dof koor en +weer vergaande in de sombere stilte. En zij kwamen van alle kanten te +voren! als slangetjes offerrook opwalmend van den grond, uit de wanden +schietend, onmiddellijk naast elkaar, in verwarde rijen, van de +zoldering dalend al dikker en dikker, in de rondte wiebelend, dansend, +warrelend, voortvliegend als vogelenschaduwen, samenvloeyend tot een +regenlucht, zich uitstortend in zwarte druppelen. De melodien werden +luider, zij klaagden hijgend, zij jammerden heesch. Zij waren de +herinneringen, die van alle zijden kwamen weenen om Mathildes hoofd. +Mathilde zag geen herinneringen, maar zij wist dat zij daar waren, +achter haar, voor haar, die schreiden, dat alles voorbij was gegaan Zij +zag ze komen van buiten, hoog uit de lucht, Zij hoorde ze naderen van +onder de boomen en uit de muren van het huis. Alle bloemen in den tuin +waren zwart geworden en in de wemelenden ruimten zag zij afgeronde +figuurtjes tuimelend dalen, zwevend stijgen, en roer-loos blijven, als +een uitstrooying van zwarte bloemen, die zich aan de voorwerpen +hechtten. In de kamer pakte zich de duisternis dichter samen. Tot een +zware donderwolk rolde zij onder het plafond ineen, bouwde zich langs de +wanden tot breede nevelzuilen op. De zwarte massaas daalden op haar +neer, schoven naar haar heen, beklemden haar met hun grommelende donkerte. + +Zij stond op van haar stoel, met haar koude handen en haar zweetend +hoofd en het ruischende en razende bloed in haar ooren. Met haar kouden +voet struikelde zij tegen het voetenbankje. Zij bukte zich om haar voet +te betasten. Een wilde koude wriemeling ging door heur haren over haar +heete hoofd, een stroom van zwarte vlekken kwam voor haar oogen. Zij +stond weer recht op, en zij was bang. Zij deed haar oogen dicht om niet +te zien, zij deed haar handen in de plooyen van haar kleed, om niet +aangeraakt te worden. En huiverend proefde zij de duisternis, terwijl +angstvlagen haar keel als met gloeyende koperen punten prikten, zich +rillend samenpersend in haar hersenen, haar wil verlammend. En zij bleef +alleen, schoorvoetend op en neergaande in de donkerte. De donkerte hing +in rechte strooken van de zoldering, bolderde tot zwarte rollen, die +tegen elkaar botsten en in elkaar overrolden. Mathilde voelde de +afrondingen van haar lichaam als een tastbare levende vorm tegen de +duisternis ingerezen. Zij voelde den bol van haar gloeyend hoofd, zij +voelde de buigende vlakken harer koude schouders. De duisternis viel als +gesmolten lood, op haar hoofd heur haar verzwarend. Achter haar, dan +links, dan rechts, hoorde zij wijdgapende zwarte lachen, daarna een +giegeling van kleine hollende klaterende lachjes achter elkaar. Daarna +het klotsend getik als van een tong, die in een mond op en neer slaat. +Zij zag om zich heen en roerloos grijnsde de duisternis, maar, altijd +aan de andere zijde, draaide de donkerte haar woesten rondedans en +snikten de vreemde geluiden. En zij ging rond; zij wist immers wel, dat +zij niet alleen was! Er moest iemant zijn. Langzaam vorschte zij door de +kamer, schichtig voorover-buigend in de hoeken en boven de meubels, +meenende er een menschengedaante uit te zullen zien opdoemen. Maar er +was niemant. Zij betastte de stoelen en de tafel, maar de stoelen en de +tafel drongen pijnlijk hun harde levenloosheid in haar vingers. Maar er +moest toch iemant zijn, er was iemant in haar leven, die altijd bij haar +was. De armen naar voren en naar achteren uitslaande, met +uit-een-gestrekte vingers, liep zij rond over de vloer, van den eenen +wand naar den anderen, telkens door de zwarte eenzaamheid van den eenen +wand naar den anderen te-ruggeworpen, zich stootend aan de meubels, +stilstaand met gespannen oor, om naar de stem te hooren, die daar sprak, +heel ver weg, sneller voortloopend, met een wind om het hoofd, tienmaal +na elkaar om de tafel heen, tien-maal langs de stoelen aan den +achterwand, in drift haar hand opheffend met een samenklemming der +tanden, stampend op den grond, hijgend door de neus-gaten, met +verglaasde oogen rondturend, eindelijk tegen den muur vallend, haar +armen boven haar hoofd, haar open mond in het behangsel gedrukt. Zij +keerde zich weer om tot de duisternis en zij breidde haar armen uit als +om hulp te vragen. Maar de duisternis plofte neer op haar schouders, +stroomde ruischend langs haar zijden naar beneden. Zij voelde den grond +niet meer onder haar voeten. En zij zag de vloer zinken en stijgen, in +breede schuine vlakken plotseling wijkend, zich weer samenvoegend en in +vierkante blokken zich opstapelend om haar heen. De wanden trilden, +bewogen, schoven te-rug en naderden weer met langzame wreedheid om haar +tegen hun groote platte vlakken te verpletteren. + +Mathilde strompelde naar de vensters, waar, als door groote gaten, de +grijze nacht van buiten vaal viel tegen de dichte kamerzwarte. En haar +oogen flikkerden en vlamden tegen den nacht, die van buiten op haar +toegolfde als een klimmende dampende gloed. Het grasveld vlak voor de +ruiten scheen hoog heen te stroomen, kwatelend en kabbelend in den wind, +die er van uit de schuddende hooge boomgevaarten wolken zwartheid op +nederwoei, met de golfkammen der nog als groen uitkomende hoogste +grassprietjes en de schuimvlokken der witte rozen. De zwarte vloed kwam +van verre, van allen kant, door de wuivende en buigende, zich in groepen +samenwringende en weer losrijtende beplantingen om de huizen aan +d'overkant, van links en recht over den straatweg en door Mathildes tuin +aanspoelend met klotsend geweld, zich vermengend met de zware regens en +stortvloeden van zwartheid, die over Bagatelle's dak, en langs beide +zijden van de warandes, en van overal uit de lucht zich er in neergoten, +opzwalpend in vreemde druipende zwarte figuren en met een windvlaag +neerzwierend in het hooge water. De breede donkergele streep van den +straatweg golfde onder den stroom door, zich in bochten opkronkelend, +zijn breede rug hoog opkrommend en weer neerstrijkend, of zijn gele +effenheid verliezend, doorboord met wemelende puntjes en gaatjes als een +schelpenbodem onder den vloed. De iepen stuwden hun breede donkere +lijven tegen de zwarte lucht, zich als een bergketen samen-sluitend, +tusschen wiens toppen watervallen klaterende zwartheid naar beneden +gudsten, in een storm van droefheidsgebaren hun lange armen sidderend +losrukkend en er in een kramp van jammeren mee wijzend tegen den +donkeren hemel. De witte en grijsblauwe huizen aan d'overkant, met hun +kale muren, groeiden op uit den grond, hoog en naakt, als gesteenten van +geweldige droefheid, de donkerte der boomen en heester met hun breedte +vervullend, vooroverbuigend, zich splijtend en zich weer samenvoegend, +zwaar en recht. Zij dreigden en voorspelden, zij waren ontzachlijke +steenen graven, stom en meedoogenloos, langzaam waggelend op dezelfde +plaats in de zee van grauwheid. En zij naderden in hobbelende +zwenkingen, als met een heesch krijschen en een knersend gillen hunner +fondamenten, hun vervaarlijke blokken naar Mathilde heenbewegend in de +stormende zwartheid. Maar de geweldige stammen der hooge boomen aan den +weg schenen lichtelijk te verschuiven van hun standplaats, en zij +wankelden en zij rezen hooger en zij schreden tot elkaar. Er barstten er +van-een, van hun wortels hagelde een warreling van zwarte vonken Op, +maar zij sloten weer samen en als een troep ijzeren gedaanten drongen +zij naar voren. De bladeren en takken verstijfden en klonken zich samen, +schoten op in een vaart tot zwarte torens en zij bogen zich schuins, om +neer te storten op Mathilde en op het huis. Maar de grauwe zee raasde +voort, hooger klimmend, woester stroomend. De boomen vielen er in wech, +verdronken, en steigerden als reuzige zwarte golven, hemelhoog er +weer uit op. + +Mathilde zag naar boven, zag op zij. Zij zag zich ondergaan. Met de +groote blikloze star staande oogen, als van iemand die eindelijk +plotseling zijn leven ontdekt, stond zij voor het venster. En haar oogen +dronken de woedende macht met bevende begeerte. De zwarte vloed sloeg +tegen de muren van het huis, dat er straks in wech zou zinken. De muren +dreunden, schudden in een aarzeling. In den storm bolden de muren zich +uit, vielen weer plat, heen en weer zwiepend als linnen +tooneeldekoraties. Als een dorre, verstikkende kreet steende langs het +gewelf van Mathildes hart naar haar hoofd. En de muren van het huis +scheurden en de grond spleet open, En, zinneloos, voelde zij zich +wringen en in een afgrond sleuren, steeds vallend in steeds dieper +zwartheid, de leden geprangd in nauwe klemmen, het hoofd bonzend tegen +de vooruitstekende punten der in-een-stortende omgeving. Een wind van +ijs en een zwarte watervloed voeren over haar heen. Mathilde viel neer +voor het venster. + +Maar zij deed haar oogen open; zij zag dat alles stiller was geworden. +Er was niets dan een groote wijde grauwheid om haar heen, waarin de +muren der onbeweeglijk staande huizen aan d'overkant afbrokkelden, en de +steenen in klompen en brokken geluidloos wechvielen. Als na een hevigen +brand bleven stukken muur hoog opstaan in de ledige ruimte. Van de hooge +boomen vielen de takken en bladeren bij vakken wech; de stammen +vermolmden met wijde gaten. In de kamer braken de zwarte meubelen wech +zonder gerucht, samenvallend tot ongelijke hoopjes. Alles viel langzaam +neer in een afbraak der heele omgeving. En zij voelde als brak ook haar +eigen wezen zachtjes van elkaar, ontbonden door de grauwheid, zonder +smart. Het was zoo duister, dat zij haar lichaam niet meer in zijn +geheel kon onderscheiden, het was als lagen haar leden gebroken, van +elkaar wechgespreid. En haar verbeelding, opgebouwd van herinneringen +aan het verledene en droomen voor de toekomst, stortte in een, vallend +in een grauwe gedachteloze leegte. Er was niets meer, niets. Zij voelde +alles geeindigd, haar gemoed uitgedoofd, haar ziel gestorven. Zoo bleef +zij liggen, het hoofd tegen den rand van het venster. + +Mathilde werd opgeschrikt door stemmen en een geklepper van deuren, dat +van het rieten kabinetje kwam. Als een koude wind, die om haar hoofd +sloeg, in haar schedel klinkend met den langen naklank van een +stemsleutel, raakte het geluid van het onverschillige leven haar aan. +Het was Marie, die met de lamp in haar eene hand en Felix aan haar +andere hand binnenkwam. Felix moest goeye nacht zeggen. De kap van de +lamp, waardoor de wanden en de zoldering der kamer plotseling met een +blanke schaduw werden bedekt, de meubels en de vloer geel verlicht +werden, daalde tot even boven Maries mond, zoodat het onderste helft van +haar hoofd warm beschenen werd Marie zei "Wel mevrouw, ik wist gerust +niet, dat u hier in donker zat, ik dacht, dat Jans u de lamp al lang +gebracht had". En zij glimlachte. Als het hart van een opengesneden +vrucht blonk het vochtige wit van haar tanden midden in het glinsterend +sap van haar tandvleesch en lippen. De huidplekjes onder de uithoeken +van haar mond waren van blankgeel perziken-fluweel. De lampenschijn +wierp plooyen van koud en warm blank in haar hals en verguldde er de +onderste verwarde haartjes. Maries mond scheen te lachen om de +duisternis in de kamer. + +Felix was naar Mathilde geloopen en riep: + +--Nacht, moeder, wel te ruste. + +Mathilde, die naar Marie had gekeken, boog zich tot Felix. Maar toen zij +boog, zag ze hem aan en ze zag hem zoo als ze hem nog nooit had gezien. +Want hij stond met zijn hoofd een beetje naar den rechterschouder +neigend en steunend op zijn rechter been, met een zekeren lieven blik in +zijn oogen, heelemaal als de verkinderlijking van de houding en den blik +waarmee ze Jozef zoo graag zag. Felix leek zoo erg op zijn vader. Er +ging een trilling onder Mathildes gezicht, haar neus-vleugels beefden, +haar oogen bibberden half toe. Zij knielde bij Felix neer. Zij drukte +zijn hoofd tusschen haar koude handen. Zij kust hem, dat haar tanden er +pijn van deden, op zijn voorhoofd, op zijn haar. Zij streelde zijn +oortjes, zijn wangen, wild en hard. Zij fluisterde hem toe op een +heeschen toon; "goeye nacht!" + +Marie stond glimlachend-wachtend te kijken, hoe mevrouw Felix zoo +hartelijk goeye-nacht kuste. + +Toen Mathilde weer alleen was, deed zij het eene venster open. Zij ging +in den tuin en liep haastig voort, als moest zij iemant aantreffen. +Achter in den tuin, dicht bij het Flora-beeld, bleef zij staan. Zij was +hier-heen gesneld om zoo gauw mogelijk ongezien de eenzame wellust te +kunnen genieten van het besluiten tot een gesprek met Jozef, waarover +zij mijmerde. Haar oogen knipten, om niet afgeleid te worden bij het +bekijken van haar gedachten, en zij slikte murmelend, om met aandacht +het genot van haar besluit te proeven; er kwam, in een warmte om haar +voorhoofd en wangen, het besef, dat zij slagen zou in wat zij wilde, en +het liep als een zoete prikkeling over haar hoofd. Het was zoo +gemakkelijk, wat zij had bedacht. Zij zou van haar benauwdheid uit tot +Jozef gaan, hem al haar verdriet zeggen en hem vragen of hij weer van +haar wou gaan houden. Vroeger had zij wel gedacht, dat als Jozefs liefde +wech was, die door geen woorden ter wereld weer op te wekken zou zijn en +het dus maar beter was te zwijgen, maar nu voelde zij haar wangen +gloeyen van een koorts van woorden, die zij tot hem spreken zou. + +Zij wandelde zachtjes heen en weer, haar hoofd gebogen onder den +nachtwind, haar gloeyende oogen over het zwarte pad. Waarom zij tot nu +toe niet had gesproken, wist zij niet. Zij had niet gedurfd, zij had +niet gekund. Hij zou geandwoord hebben, dat hij daar niets van wist, dat +hij van haar hield, zoo als vroeger. Maar als hij haar dit nu +andwoordde, zou ze hem zeggen, dat hij loog, maar dat zij hem wel weer +van haar zou doen houden, dat zij zich zoo gezond en weer zoo mooi zou +maken, dat zij zoolang alles beproeven zou, tot hij weer veel, veel van +haar hield. Zij was heet van verlangen naar de tijd, dat zij hem spreken +en overwinnen zou. + +Door de lucht, die een plaat van donkerblauw metaal scheen boven den +tuin, gloeiden de groene, blauwe zilveren en gouden punten der sterren, +met een veraf blakerend gezuis. In de blauwe duisternis schaarden de +boomen hun donkere pyramidale lichamen om Mathilde heen en deinden heen +en weer, ruischend in den kleinen nachtwind. Als een vrouw, die, met +genietende oogen, haar hoofd opheft tot haar man, om bezien en gekust en +gestreeld te worden, hief Mathilde haar hoofd naar den nacht. En de +nachtwind drukte zich tegen haar borst, gleed langs haar hals en haar +wangen, kuste haar mond. De sterrenhemel, zacht en goud, daalde neer, +bescheen haar witte gezicht met stille glansen. Maar plotseling vielen +sterren in haar oogen langs schichtige stralen. En heur haren woeyen op, +als zwarte vlammen om haar hoofd. + +En de hoop, de laatste hoop leefde in Mathilde, schoot in haar wezen als +een hooge plant, die, zich wortelend in haar hart, het bewegen en +kloppen deed onder haar kleed, die zijn takken in de vreemde +kronkelingen van droomerijen en gedachten over een gelukkige toekomst +door haar hersenen slingerde, die eerst glansend bloesemde in de blikken +vol licht, die haar oogen door het huis wierpen, die daarna teedere +bloemen voortbracht in het schuchtere rood, dat een enkele maal door +haar wangen kwam. Zij begreep niet, wat haar zoo gauw had doen +veranderen. Zij ging door het huis, met een lichten, vluggen tred van +iemant, die onbezorgd is. Zij deed haar huishoudentje met een +opmerkzaam, nauwkeurig gezicht en met armgebaren vol blijde haast, als +een pasgetrouwde vrouw verheugd over het haar toevertrouwd beheer. Als +zij alleen was lachte haar bleeke mond plotseling. Zij keerde dan haar +gezicht bijna geheel naar het plafond. De lachjes kruiden op uit haar +keel, lachjes, waarin de ha-klank rolde door haar mond, eerst in diepe +toonen, later in hoogere toonen over haar lippen dansend, opkrinkelend +tegen het plafond, waarop Mathilde heerlijke toekomst-beelden scheen +afgeschilderd te zien. En daarna lachte zij weer in zich zelve met +gesloten mond, met denkende oogen over de vloer, terwijl de lach met +rukken uit haar schuddende borst opsteeg, met een gekreun door haar +keel, als een wind uit haar neusgaten wech woei. + +Zij kon zich nog niet van Zich zelf losmaken en op een afstand haar +eigen ik en haar toestand beschouwen. Zij was nog geheel in zich zelve. +Zij voelde, dat zij, om te bestaan, Jozefs liefde noodig had, en daarom +wist zij, dat die te-rug moest komen, dat de toekomst goed zou zijn. + +Zij bleef in Felix Jozef zien, een tweeden Jozef, een kleinen Jozef heel +klein, heel vreemd. Zij merkte, als Felix lachte, trekken om zijn mond +als die van Jozef, zij zag sommige rose plekken aan zijn ooren, juist +zoo als Jozef er had. Zij omgaf zich van Felix. Zij voelde niets +moederlijks voor hem, zij voelde zich bijna als zijn vrouw, met een +wondere angstige, koortsige, voor haar zelf onbegrijpelijke hartstocht. +Als zij 's middags door den tuin wandelde, liet ze hem naast haar loopen +aan haar hand, en ze liet hem niet los, maar klemde zijn handjes in de +hare; haar oogen straalden met wijde ongebroken blikken over zijn hoofd +en zijn lichaampje heen. Zij drukte zijn handje vaster, opdat hij naar +haar op zou zien. Haar oogen goten heete stralen over hem uit. Wanneer +ze in de hut zat stoeide ze met hem, liet hem op haar schoot zitten, lei +hem rechtuit over haar knieen, gleed met haar oogen van zijn voetjes tot +zijn hoofd, hechtte haar blikken aan zijn leden, drukte haar blikken +over zijn gezichtje, verdronk hem in haar oogenspiegeling, zelve dronken +van hem te zien. Zij betastte zijn lichaampje met teere neerzijgingen +harer vingers om zijn armen, om zijn beentjes heen. Zij streelde zijn +hoofdje met bevende liefde-handen. Zij lei, hem zacht omvattend, haar +handen over zijn schoudertjes en drukte hem tegen haar aan, zijn hoofdje +onder haar hoofd. Zij wilde, dat hij spreken zou, omdat zij Jozefs stem +wilde hooren. Zij vroeg hem, of hij van haar hield, of hij van zijn +vader hield, of hij zijn vader wel kende, of hij zoo groot zou worden +als zijn vader. Als het kind niet andwoordde, bracht zij haar oor aan +zijn mond, opdat hij daarin ademen zou en zij uit zijn adem klanken op +zou vangen. Zij bracht haar mond aan zijn mond om zijn adem in te +ademen; zij hield haar oogen voor zijn mond, opdat hij ze bewasemen zou. +En als Felix tegenspartelde en bang was en wech wilde, dan schudde zij +hem, tikte hem op zijn handjes, zag hem boos aan. Als het kind dan +huilde en zijn roode armpjes voor zijn oogen bracht, zette ze hem op den +grond, boog zich naast hem neer, hem in de ronding van haar arm nemend, +en, haar hoofd naast het zijne, tegen het zijne aan, huilde zij mee. Zij +huilden met hun tweeen in den stillen zomer. Hun tranen drupten op de +kiezelsteenen van de hut. + +'s Avonds, voor Felix naar bed ging, moest hij bij Mathildes stoel +staan. Dan zoende ze hem zachtjes zonder ophouden op zijn voorhoofd, op +zijn haar, op zijn handjes. Als het oogenblik van goeye-nachtzeggen was +gekomen, hief ze hem hoog op, tot vlak boven haar hoofd, bracht daarna +zijn gezichtje vlak voor het hare, staarde in zijn oogen tot die +dichtvielen en deed vreemde vragen: "Waarom ben je vader niet? Ben-jij +Felix, ben-jij niet Jozef?" Als hij weer op de vloer stond, kuste zij +hem op zijn wangen goede nacht, langen tijd, haar mond aan zijn gezicht, +Het gebeurde, dat zij, later in den avond, nog niet was voldaan, dat zij +niet slapen kon. Dan sloop zij naar boven door den stijgen-den nacht der +trappetreden. Zij stond voor Felix bedje, als Marie al sliep. Zij bleef +een half uur staan staren over het witte dek en het gladde hoofdje, met +de roode rondte van zijn open mondje, dat er boven uit lag. + +Jozef was er nu in negen dagen niet geweest. Den Zondag, den dag, dat +hij toch altijd kwam, had hij nu ook overgeslagen. Dinsdag 's morgens, +tien minuten over half elf, toen Mathilde aan haar huishouden Zat, +bracht Jans een brief van Jozef binnen. Het was een vierkante enveloppe, +van gelig oud-Hollandsch papier, dat mooye papier, waar Jozef altijd op +schreef. Jans lei den brief op tafel en draaide, drukkend, er haar +wijsvinger half op om, als wilde zij den brief beletten wech te vliegen, +en, zich omkeerende om heen te gaan, zag zij, van onder den strengen +boog van haar kornet, nog met twee zorgzaam-ernstige blikken naar den +brief, zeggende: + +--Die brief is gekomme, mefrouw. + +Voortschrijvende aan haar huishoudenboek, nam Mathilde, met een korte +koude verplaatsing harer blikken onontroerd, als een gewoon en verwacht +ding, het gelige vierkant van den brief in haar oogen op. De brief lag +daar, alleen, hoog op het stijve tafelzeiltje. Hij lag daar, als een +vreemd licht voorwerp, door zijn pasaangekomenheid als een vierkantje +nieuwe frischheid opwittend uit het zwaardere, in zijn gewoonheid oudere +kleurenwezen der kamer. Terwijl Mathilde voortschreef en naar haar +schrift keek, bleef de brief, links in de schuinte, als een scherp +omlijnd wit vlakje van de tafel, in haar oog liggen, als een klein +vormpje door zijn ongeknotte gladheid en verscheid in een hoogen witten +klank roepende, dat hij zoo even hier nog niet was. + +Mathilde nam den brief op, waardoor hij haar oog naderde en heel +lichtelijk grooter en zwaarder werd. Jozef verontschuldigde zich, zoo +als altijd, dat hij verleden Zondag niet gekomen was en dat hij voor +aanstaanden Zondag ook niet zou komen. Het opengevouwen bladje strekte +zich dun-stug tusschen Mathildes bleeke vingers met het gerekte geritsel +als van verflauwde gewrichtsverbuiging en zij had heel even het +grijs-bleeke gevoel der kille leegte die van het papieren vlaktetje over +haar wangen steeg, dat zij altijd na het lezen van zijn briefjes had, +maar nu heel vluchtig, zich terstond oplossend in de lichtblauwe +breedheden van hoop, waarin haar denken waadde. + +Jozef zou dus Zondag komen. Dat de dag nu bepaald was, waarop het +gewichtige gesprek, zou plaats hebben, verergde Mathildes +zenuwachtigheid, en maakte haar vertrouwen op de uitkomst +nadrukkelijker. Zij voelde zich verjeugdigen in de gejaagdheid, waarmee +zij den dag tegemoet zag. De soort prikkelingen, die van haar voeten tot +haar hoofd als regens van speldeprikken liepen, die van haar hart uit +door haar keel stegen, als een inwendige kreet van begroeting en een +roepen om nader te komen, herinnerde zij zich alleen van lang geleden, +toen zij nog niet getrouwd was en zij Jozef wachtte, die andwoord moest +komen vragen op zijn gedaan verzoek. Maar snel, als raakte de vleugel +van een voorbijvliegenden ouden grijzen verlepten vogel haar achterhoofd +aan, wipte het gezicht van de kamer op den Oudezijds-Voorburgwal, en +Jozef, die de stoep opkwam, en hun eerste kus, door haar gedachten, en +wech was het weer, vernietigd onder het beeld van den aanstaanden dag, +dat haar gelijk de prijsuitdeeling den scholier, als een vaag, groot, +zwaar donker lichaam, als een in haar verbeelding gewrongen balk, onder +zich neerdrukte. Daarna werd zij den dag weer gewaar als een donker +blok, maar er om heen waren stukjes planten-en bloemengroei en gele +randen zonneschijn, omdat zij den dag zag in den tuin, waar ze hem met +Jozef leven zou. + +En zij liep door het ledige huis, En het zilveren licht van haar +verlangende oogen straalde tot de wanden en zolderingen en bleef er +hangen in zilverschijnende plekken. En het huis wachtte met haar samen +op den geluksdag, die nu eens langzaam aan scheen te komen waren uit de +verte, in breede rollen van wit en blauw en goud met hoog geboogde +luchten en wijde bloemende grondvlakten, die dan weder in de verte +achter een hoogen poort vol ruischende glansen op haar scheen te +wachten, tot de tijd haar tot hem heen zou hebben gevoerd. Jozef zou +Zondag komen. Stroomden door alle vensters niet licht en kleuren naar +binnen; openden zich de ramen en deuren niet tot aan den grond om hem +binnen te laten? En de stilte van het ledige huis vulde zich immers met +ruikers van zonnekleuren, omdat hij komen zou? En zij liep door het +huis. Haar voeten wiegelden vluchtig over de blijde vloeren. De vloeren +gleden voort onder haar voeten, niet de matte kleuren der tapijten als +open gebroken door de wit-gouden rondtes van zonnelicht, waarin enkele +bladerenschaduwen stilletjes wenkten. + +Zij zag zich treden door de deurposten in de ruimten der kamers, en de +wit-omlijste beperking der deur-posten sprong te-rug om haar heen, om +dat die tastbaar was, maar de ontastbare ruimten vol waren van goud-en +wit-wemelende hoop, die Mathilde omvloeide. Zij zag zich gaan langs de +wanden, en de wanden schoven haar voorbij, stil wit-lachend vlak en +recht. Het was haar of zij altijd verder zou gaan, het hoofd naar voren, +den dag zoekende, die in de verte stond. Als zij een stuk wand zag, was +het alweer achter haar. Kwam zij aan een hoek waar twee wanden elkaar +raakten, dan kon zij niet verder gaan. De eene wand leidde haar naar den +anderen, maar allen waren zij met lichte kleuren, en zij zag hen aan, en +zij spreidden zich uit, blank en breed; glimlachjes speelden in de +figuren van het behangsel. Mathilde zag door het huis en zij zag, dat +het mooi was. Maar als zij in den tuin keek, was overal weer de +gezichteinder, de grens van haar blik, die zij zich niet begrijpen kon. +Zij wilde dieper zien, was er nergens een verre, verre opening? maar de +kleurvakken van den tuin naderden, hechtten zich als schilderijen in de +lijsten der ruiten. En snelheden van zacht-gele tevredenheid suisten +over Mathildes borst door haar gemoed. + +Mathilde wandelde door het huis, deur in, deur uit, en ook naar boven. +Zij zag de omkastingen der vertrekken en portalen, met hun ongebogen +steeds elkaar voortzettende lijnen, haar overhuiven, naast haar opstaan, +over haar heen vlakken, haar beschutten in hun onverstoorde effenheid. +Het huis was het weldoende verblijf, waar zij Jozef zou ontvangen. Zij +voelde, haar hand wijd uitgespreid als een halve ster tegen de muren +leggend, hun liefdadige hardheid. Want zij beschermden haar tegen den +tuin. De tuin was zoo vol van een kleurenoverstelping, de geestdriften +en verrukkingen van het diepe zomergoud zonken met zulk een bevende +vaart neder over de juichende tuinkleuren, dat Mathilde bang was voor +den tuin. Maar de vloeren droegen haar hoog heen, en de branding van +buiten kon haar nog niet bereiken. De meubels omstonden haar met de rust +en tevredenstelling hunner bruin-kalme onbewegelijkheid. Zij waren goed, +zij waren fraai, zij waren trouw. En als om hen te streelen, zoo als een +bruid op den arm des geliefden leunt om een derde iets te vragen, zoo +leunden Mathildes handen op de randen der meubels, wanneer Zij zich naar +voren boog om gedachteloos de namen der makers te lezen onder de platen +aan de muur. Want zij had van die plotselinge nieuwsgierigheden voor de +kleinste kleinigheden, die drentelende afwachtingen van heugelijke +gebeurtenissen in menschenoogen doen ontstaan, en die Mathilde eensklaps +de nog ongeziene krul van een behangsel-figuur deden ontleden, of haar +een klein barstje in de lambrizeering lieten ontdekken en nagaan. + +Zoo ging de Dinsdag en Woensdag voorbij. Mathilde dacht aan het gesprek +met Jozef als aan iets, dat buiten haar om zoo bepaald was, als aan een +gelegenheid, die zich nu voordeed om haar geluk te herstellen. Zij +bedacht niet, dat de heele zaak van haar was uitgegaan en nog wel +toevallig nu pas, dat zij hem even goed twee maanden geleden hetzelfde +had kunnen zeggen. Zij dacht er ook niet aan, dat Jozef op 't oogenblik +voelen moest als altijd, dat hij nog van niets wist. Neen, zij had een +gevoel als bereidde hij van zijn kant zich in Amsterdam op den strijd +voor, die zou plaats hebben, terwijl zij 't zich hier deed. En zij +maakte haar plannen, nauwkeurig, in onderdeelen. Zij zou beginnen met +het feit te zeggen zoo als het was: zijn liefde voor haar was niet zoo +groot meer als vroeger. Dan zou hij zeggen--ze kende hem er goed genoeg +voor om dat zeker te weten--: 't was volstrekt niet waar, hij hield nog +altijd even veel van haar. Maar dan zou zij hem bewijzen, dat 't niet +zoo was. Want, zou zij vragen, hoe handel jij in den laatsten tijd +tegenover mij en hoe doet een man die wezenlijk veel van zijn vrouw +houdt? Zij zou het onderscheid laten voelen. Dan zou hij misschien +toegeven ... En dan, en dan ... Mathilde lachte en trad voort, zij voelde +haar plan worden in de huppelende blijdschap van haar lachjes. De +woorden verzamelden zich langzaam in haar heerlijk zeker. Als bijna +lijnen, die elkaar naderden en zich samenvoegden, waarden de gedachten +om haar heen door de huisruimten. Haar lachjes zweefden op, +verzilverkrulden de lijnen: zilverwitte onzichtbaarheden luwden in +lichte wolkjes om haar heen, wierookten tot haar voorhoofd en deinden +weer terug, beglipten haar hals, suisten weer op door heur haren, +glanspuntend, paerlend, sterrelend boven haar been. En zij liep voort; +haar gedachten, in gele, rose en blauwe draden, weefden aan het plan. En +in de zachte bewegingen dier ongeziene gelukskleuren, begon zij te +neurien, maar zachtjes, voor haar zelf onhoorbaar zachtjes. Kwam er een +bedenking, vlotte het plan niet geregeld, dan haperde de stille +neuriende gedachtenstem, heel even, maar als het bezwaar bijna +overwonnen was, begon zij weder, nog zachter, altijd zachter. + +Zoo ging zij door haar slaapkamer om te zien, of alles goed opgeredderd +was, maakte de kleerenkast open, hing haar japonnen op hun plaats en +keek of haar lijven, tegen de stof, wel met de voeringen naar buiten +hingen; zij zette het speldekussen recht voor het toiletje, sloeg de +gordijnen voor het bed over elkaar, en nam nog hier en daar de stof af, +want Marie deed alles niet precies genoeg. En alles moest toch heel goed +in orde zijn voor als Jozef kwam. Zoo ging zij door de keuken, liet Jans +haar toonen wat gebroken was, onderzocht of de tinnen zaken en de +koperen glazewaschpomp, de raspen, de zeeften en de beschuittrommel wel +op hun plaats aan de muur hingen, of het fornuis wel goed schoon was. +Als Marie en Felix uit waren, ging zij zien of er op de planken der +kasten boven wel overal schoon papier lag, of Felix kleeren netjes +opgevouwen waren. In het rieten kabinetje streek zij een verkeerde plooi +uit een venstergordijn en schikte de stoelen in de stipste orde om de +tafel. In de groote kamer liet zij de vuile voeten van Felix wegvegen, +die daar van gister-avond nog stonden, en beknorde Jans, dat zij zoo +slordig geschuyerd had. Zij trok een kreukel uit het tafelkleed, lei de +muziek op de piano tot een regelmatig hoopje. Maar, door het rustelooze +op-en neergaan, verflauwde de innigheid harer gedachten, eindelijk +dacht zij er niet meer aan dat zij aan 't denken was, en, ontevreden, +bleef zij staan om kalmer haar plan verder te maken. + +Zij stond, rustende op haar rechter been, de teer-grijze wol strak +gespannen over de ronding der uit-gezette heup. Haar linkerhand morrelde +aan de knoopen van den peignoir. Aan de rechter, boven den tegen haar +borst gedrukten arm, wreef zij haar kin heen en weer; haar blikloze +oogen lijnden, van haar langzaam ja-knikkend hoofd uit, strak op +hetzelfde punt van den vloer neer. Of zij streek haar handen van haar +voorhoofd tegen haar wangen neder, die dan tot rose kussentjes onder +haar oogen zwollen; en zoo, haar hoofd in de handen gevat, terwijl een +aarzeling van klamheid over haar schedel trok en de aderslangetjes aan +haar slapen zich even verdonkerblauwden, liet zij haar oogen den +aanstaanden dag tegenglinsteren, met kleine dartelende blauw-zilveren +vonkjes. + +Als hij dan toegegeven had, dat hij niet meer zooveel van haar hield als +vroeger, zou ze hem zeggen, dat hij zeker zelf niet wist hoe dat kwam, +maar dat zij 't hem kon uitleggen: zij was ziek geworden, had daardoor +van-zelf niet zoo lief meer voor hem kunnen zijn als vroeger, en hij was +nu eenmaal iemant, die er behoefte aan had, dat een ander onophoudelijk +de grootste liefde voor hem toonde. Maar het zou weer te-rugkomen, als +hij maar zei, dat hij nog een heel, heel klein beetje van haar hield, +och maar zoo weinig, zoo weinig, als een stofje tusschen vinger en +duim ... Als zij dit gezegd had, zou ze naar hem kijken, hij zou zeker +een beetje zenuwachtig geworden zijn en hij zou zeggen ja!, dat hij nog +werkelijk van haar hield, dan zou zij hem omhelzen, en dan; ... O, 't zou +heerlijk zijn! ... zij zag zich al met hem loopen in de zon, haar arm in +den zijnen als toen zij pas getrouwd waren ... + +Mathilde stond dicht bij het venster. Achter het neteldoeksche gordijn +speelden zes vliegen tegen de ruit, als zwarte stipjes op en neer +wippend, met lichte tikjes tegen de ruit rakend, tegen elkaar +aangiggelend, op elkaars ruggen klimmend, zich badend in een paar dunne +zonnestraaltjes, twee aan twee in kringetjes rondwirrelend, stilblijvend +tegen het neteldoek. Eens vloeg er een op Mathildes voorhoofd, liep snel +rond tot bij de wenkbrauwen, sprong toen op haar hand, liep op en neer, +sleep zijn voorste pootjes tegen elkaar en liep weer op en neer. +Mathildes oogen, moe van het turen, knipten wakker. Zij had zoo innig +aan hem gedacht, dat een lichte kou over haar heenging, onder haar kin +tegen haar hoofd op. Het was als had zijn gestalte, warmend, vlak voor +haar gestaan, als had zij tegen zijn borst gestaard, tusschen haar en +den wand, als was hij nu met onhoorbaren tred wechgegaan. Zij zag om, +met angst glimlachend. Hij was er niet, neen, zij zag hem niet gaan. +Toen door 't venster ziende, was 't haar, of hij elk oogenblik om den +hoek zou verschijnen, en van de heete tuinkleuren uit, tot haar heen +treden, met zijn armen, met zijn schouders, zijn voeten nog in de zon. + +Maar haar mijmering stierf uit en zij dacht: als hij werkelijk eens voor +Zondag kwam. Dat was wel heel onwaarschijnlijk. Maar zij haastte zich +toch met haar kleine voorzorgen, omdat hij elk oogenblik komen kon. De +deuren van het rieten kabinetje en van Jozefs slaapkamertje stonden +open. Door de vijf ramen geelden, zich naar onderen verbreedend, zware +kokers stofwemelend zonnelicht naar binnen. Schreed Mathilde voorbij de +ramen, dan brandde plotseling een plekje van heur haar, haar oog werd +blind geschitterd, zag zij haar kleed goud-grijs en weer donker worden, +was haar hand op eens schel verlicht. Het klaterende goud-groen van den +tuin brandde door de tintelende ruiten. Hetzelfde eentonige deuntje +neuriend, nu en dan eensklaps luider, als wilde zij er iets mee dwingen, +deed Mathilde verder haar zaakjes. De stilte, die als een warm blanke +doorzichtigheid over Mathilde hing, werd alleen verscheurd, een enkele +maal, door de keukengeluiden van een steenen pan, door Jans op de +marmeren rechtbank gezet of het bingebangerend ijzergerommel van het +fornuis-opstoken, die door den wand heenbraken. + +Later op den dag,--het was al Donderdag,--werkten Mathildes hersens +voort aan haar plan. Zij zat in de groote kamer, de ellebogen op de +tafel geleund, met de kouwige half in het haar wechgedoken handen de +huid aan de slapen zoo naar boven strijkend, dat haar oogen werden als +die van een chineesche vrouw. Bij de hoeken der neusgaten trilden de +zenuwen van haar gezicht. Haar huid scheen te schokken van de +geluksgedachten, waar zij vol van was; haar oogen verdoften om alleen +naar binnen te zien. Met een rukje zonk nu en dan even haar hoofd lager. +De hiel van haar linker voet klopte snel zachtjes op de vloer. + +Zou zij wezenlijk durven? Als hij daar heel gewoon en met zijn kalmte +naast haar stond en ze over onverschillige dingen spraken, zou zij dan +in eens de soort van spanning die er nu al sinds maanden tusschen hen +bestond, durven verbreken? O ja, zij zou durven, wat er ook gebeuren +mocht, zij zou spreken. En dadelijk zou zij er over beginnen, als hij +aangekomen was ... Na dat zij elkaar dan omhelsd zouden hebben, zou ze +hem al haar verdriet vertellen ... O maar, wat een heerlijk idee, de +stilte tusschen hen zou verdwenen zijn; zij zouden weer samen praten +uren achtereen, zonder ooit uitgepraat te zijn. Het zou net zijn, of +Jozef van een lange reis was teruggekeerd, als of zij mekaar weervonden +na een lange scheiding ... Al wat zij uitgestaan had, zou zij hem in +onderdeelen haarfijn zeggen ... Allemaal natuurlijk om te maken, dat hij +weer meer van haar hield. Of was 't beter zich niet zoo bloot te geven, +zou hij daar misschien te trotsch van worden? ... O Heer! daar wist zij +in eens iets veel beters. Zij zou hem niet omhelzen, zij zou volstrekt +zoo lief niet tegen hem zijn. Neen, zelf trotsch en koel zijn, hem +rekenschap vragen van zijn gedrag, dat was het middel ... En neen, ... en +ja ... Ja, ja, zij zou voorwenden boos op hem te zijn ... Dan zou hij om +dat weer goed te maken ... en dan ... hoe 't ook gaan mocht, zij zouden in +elk geval tot een verklaring komen, die niet anders dan gelukkig +kon wezen. + +Mathildes verbeelding zag zijn ontroering al, en haar ontroering. Hij +zou vlak bij haar wezen wanneer zij hem dit alles zeggen zou, en +hij--geheel, zijn hoofd en zijn handen en zijn voeten, en zijn oogen, al +zijn leden, die zij liefhad, al zijn blikken, waarnaar zij verlangde. +Zij zou hem zien, zij zou hem hooren, zij zou hem betasten kunnen. Zij +zou zijn gezicht wel weer van liefde doen branden; en als hij zijn hoofd +dan boog, en als hun monden dan tot mekaar kwamen ... Zij zag de zon al +gaan over zijne kleeren, ... en zij zou hem brengen naar het huis, waar +ze hem behouden wilde, zoo als vroeger ... + +Mathildes hoofd was lager gedaald, tot even boven de tafel. Haar armen +lagen er voor te rusten. Zij was wech in haar gedachten. Nu deed zij +haar hoofd een beetje naar de hoogte, met wijde, als verbaasde oogen, +die zich daarna tot aandacht samentrokken. Een waas van vervreemding was +om haar heen; een schrik prikte in haar achterhoofd. En zij meende in de +ronding van haar linker arm, waaronder, diep, de vloer warrelde, zijn +arm te hebben zien steken. Zij had het gevoeld. Zij had zijn hand, zijn +blanke hand, op haar voorarm voelen liggen, de vingers allen naast +elkaar, teeder drukkend. Zie, daar was de hand weer, bezijde de tafel +plotseling opkomend, warend door de kamer, dalend, verdwijnend. In de +hoeken, aan de muren, zag zij onzichtbare zijden van zijn lichaam, de +rechterzijde zonder het hoofd, zijn been, dat bewoog. Toen, door de +ronding van haar onbewegelijken arm weer naar de vloer kijkend, zag zij, +in vlottenden trechtervorm, lapjes nevel, donkere stipjes, zwarte +vlakjes, waarin Jozef klein en groot, daalde en opkwam, als een pop, die +zich uitzette. Maar zij overwon het gezicht; haar verschrikking +verteederde weder tot de lachende aandoening van het plannen maken. + +...Als zij zich boos toonde, zou hij haar misschien vergeving vragen ... +maar dat zou zij in geen geval willen ... maar wanneer hij nu eens niet +deemoedig was bij haar trots ... 't Was waar ook, het was ook eigenlijk +maar beter niet trotsch te zijn. Als zij zich als de minste voordeed, +als zij smeekte en bad, dan bereikte zij stellig haar doel, zij zou dus +eerst dit zeggen, dan dat, dan zou hij ... en dan zij ... en dan zou zij +nauwkeurig bepalen, wat zij graag had, dat hij deed: elken dag +overkomen, enz.... + +Jans was de jaloezien dicht komen maken. Mathilde zat in de +zwaar-breed-goud-blank-doffe zomermiddagschaduw, waarin de kamer stond. +In de gleuven der jaloezieen was de rijke warmte der tuinkleuren +neergedrukt door de schuine latten. Van boven door de jaloezien snelden +alleen nog enkele zonnestralen in de kamer neer, die op de meubels +lichtend vlekten. De stilte was van een vergulde bleekheid, als van door +matglas verdoofd gloeiend goud, waar in aarzelingen van teeder blauwe, +geel-rose, blank-grijze tinten zwierven. Fijne, schuchtere dartelingen +van stervend zilver en kwijnend rood lispelden. Een luchteile wade van +verwelkende glansjes lauwde. In de broeyerig-kleverige roerloosheid van +de kamer gleden en streepten Mathildes gedachten uit haar heele wezen +over de donzige kleuren. Uit haar oogen ruischte haar denken. In hel +gouden pijltjes naast mekaar, die opsprongen en neerkletterden, met +zilveren pijltjes schuin er boven en er door heen, schitterde haar +driftige mijmering ... Als hij zeide, dat 't met de zaken onmogelijk was +om zoo dikwijls over te komen ... als hij sprak van de verveling van de +reis, en dat zij toch weinig aan hem hebben zou ..., o, zij zou hem niet +uit laten spreken, zij zou hem Felix voorhouden, maar vooral altijd +zich zelve ... + +Haar plannen vorderden; zij voelde zeker te zijn van haar zaak. Haar +betoog sloot samen; er kon niets tusschen. De gedachteplannen zetten +zich om in vormen voor haar uit, op de vloer: in rechte lijnen en +vierkanten, bevend, rillend, maar steeds elkaar naderende, met een dak +van schuine lijnen er boven, als een geheel. + +Zij leunde nu tegen haar stoel en keek rond, in de lichte bedaring van +haar gedachtekoorts. Zij voelde met welbehagen het ongerimpelde lachen +van haar gezicht. Uitstekend! dat hij nog niet gekomen was. Alle stoelen +stonden leeg om haar heen. Hij was niet in de kamer. Zij kon heerlijk +alleen eerst op haar gemak alles wikken en wegen en samenstellen, voor +hij kwam ... + +Zij stond op en bracht, kalmer dan eerst, een flesch Florida-water op +zijn kamertje. Zij sleep het scheermes, dat in de waschtafella lag, iets +wat zij nog nooit had gedaan; zij schikte de sprei glad over zijn bed. +Zij was moe. Haar denken verflauwde steeds. + +Zoo ging de dag voorbij. + +Na den eten rustte Mathilde op het eene kanapeetje. Nu zoo goed als +klaar met haar voornemens, lag zij zalig moe voor zich uit te turen. +Haar eene hand steunde haar kalm liggende hoofd, de andere lag +onbewegelijk over haar schoot. Zij was stil droef blij. De oude +gedachten van den dag, de vondsten, die zij al lief had gekregen, +zweefden zachtjes door haar brein. Reeksen gedachten, groote stukken der +plannen kwamen in lange, licht zwart-fluweele langzaamheden over haar +lichaam aanwaren naar haar oogen; enkele kleine donkerwitte +bizonderheden, een trek, die Jozefs gezicht zou hebben, zeker uitstekend +woord, dat zij zeggen zou, kwamen van ter zijde haar hoofd springen en +er weer uit glippen, door de groote gedachten-drommen heen. + +En zij voelde zich tot alles in staat, geheel aan haar liefde +overgegeven, zonder trots. Als hij niet toegaf, zou zij zich vernederen, +zich zoo lang en zoo diep vernederen, tot hij overwonnen was. Zij zou +weenen, weenen zooveel, dat hij haar om haar tranen weer lief zou moeten +hebben. Zij zal hem beloven en hem influisteren, dat zij alles zal doen, +wat hij wil. + +Onder het langzaam vallen van dezen blijden dag voelde zij zich +verzwakken tot alle offers, zij voelde zich wiegen door de rust van de +kamer in een weldoende vergetelheid van zich zelve. Zij wist nu wel +waarom zij vroeger niet gesproken had tot Jozef en altijd maar gewacht; +het was door haar trots geweest; zij had niet gewild. Maar nu was zij +nederig; zij zou kruipen aan zijn voeten. Zij hoorde zich zachtjes +ademen tot de vriendschap der stille kamer, heel zachtjes. In haar oor +suisde heel licht de vermoeyenis. Zij zou hem beloven zich opzichtiger +te kleeden; zij zal hem beloven meer met hem uit te gaan. Zij zal nacht +en dag klaar staan om zijn wensch te doen. Zij wil nu wel veel reizen +later. Felix zal ponniehaar dragen en op een kostschool gedaan worden. + +Zij hoefde nu niet meer te denken. Zij kon rustig slapen van-nacht. De +zwijgende wanden, met hun hooge, ernstige voorhoofden, hadden haar plan +in zich af laten drukken. Zij zou het in hen morgen weervinden; zij kon +het nu veilig vergeten en aan niets meer denken ... + +Mathilde richtte zich plotseling op, te midden der strakstaande wanden. +Zij voelde als een bodem van zekerheid uit haar bewustzijn wechzinken. +Als zij zich morgen eens niet herinnerde wat zij Jozef zeggen zou, als +zij de woorden eens verloren had, voor altijd verloren! Als haar plan +eens wech was, en als ze het zelf eens niet meer wilde, en als ze niet +meer zou weten wat te doen ... Maar deze schrik, die heenvlood uit haar +wezen en rende door de kamer en opratelde tegen de ruiten en schuurde +langs het behangsel en weer te-rugkronkelde in haar wezen, verbreede +zich tot een gevoel, donker, hopeloos bruin, dat lang bleef hangen op +dezelfde plaats: als Jozef eens koel bleef, als, na alles wat zij +bedacht en gezegd zou hebben, hij eens dezelfde bleef der laatste +maanden, dezelfde, blank koud dezelfde, als hij haar eens niet begreep, +en met een zwijgenden glimlach vroeg wat zij bedoelde ... + +Maar, in de laagte, met hun grond en een opstaanden wand, schoven +stukken tuin en stukken kamer voor haar verbeelding, met Felix er in. En +zij zag hem, een afgerond levend wezen, zich bewegend, geluid gevend, +met licht in zijn oogen en een rooden mond. Dat was Felix. Dat was haar +kind, hun kind. Als Jozef achter hem stond, dan reikte hij tot Jozefs +middel. En zij keken met hun oogen op dezelfde manier. Felix was als uit +Jozef gekomen. Uit Jozefs wezen neergestooten op de aarde. Felix was, +dus moest Jozef zijn. + +En wat was dat "Jozef"? Dat was een hooge gevormdheid, het was datgene, +wat alleen zij zien wou, wat alleen zij hooren wou, wat alleen zij wilde +aanraken, een man, nietwaar, haar man, dat was die man, die haar lief +had gehad, die haar liefhad ... O maar, met zijn oogen, nietwaar, en met +zijn voorhoofd en met zijn mond en met zijn handen, was hij ... O, o, +wat zou die toekomst gelukkig zijn! + +Mathilde stond weer, rechtop in de kamer. Zij wreef in haar handen, om +dat haar zaken zoo goed stonden. Met den zegevierenden blik van iemant +die, het hoofd omhoog, naar aanstaande blijde tijden uitkijkt, zag zij, +door het venster, de komende schemering tegemoet. Zij lachte verheugd, +zij lachte zooveel; in een wordend lachje bleef haar gezicht eensklaps +stil, om verwonderd te zijn over het dwaze verdriet, dat zij zoo lang +had gehad. De behoefte om te loopen bewoog haar weer door het huis. Zij +ging, met een licht deinen van haar schouders, haar hoofd bewoog heel +langzaam op de maat van haar gang; haar borst ademde op en neer, haar +heupen ovaalden grijs uit onder het kleed; de wrong harer voeten steeg +en daalde regelmatig over de bevloering. Haar armen weken van haar +zijden en vielen er zachtjes weer tegen aan. Zij drentelde, afgemat en +rusteloos. Het lichte kraken van haar schoenen, het gekreuk en geschuif +van de kleedstof om haar armen en beenen, het geluid van haar stappen en +van haar ademen ritselden glijend door het huis. + +Zij voelde zich loopen en in de muziek van haar gang alle denken te loor +gaan. Zij voelde het tintelen van haar teenen en hielen, het gewrichten +van haar knieen, haar trillende dijen, waarlangs het kleed bij elken +stap neerwoei. Zij voelde strakheden van haar broek en haar onderlijfje +tusschen haar beenen en onder haar armen; haar ondergoed, dat de halve +bollen van haar borst raakte, de kraag van het kleed, die tegen haar +hals duwde. Zij voelde haar moeye hals en de hitte van haar achterhoofd, +de zwaarte harer armen, die de schouders lager trokken, haar klamme +handen, haar lippen, die, voor de ongesloten tanden, bevend +samendrukten. + +Zij waadde door de schemering, die het huisomsluyerde en een slaap +bracht in de kamers. Door de zwartigheid, wist zij nog vaag haar lichte +droomen in de verte, voor den volgenden morgen. Haar donkere gedaante +bewoog steeds rechtop door de verflauwende huisvormen. In de +blauw-zwarte spiegels zag zij haar witte hoofd alleen nog naderen, +waarover een stervende glimlach stond. Zij ging, bewusteloos, weer ook +de trap op en af, zonder meer iets aan te raken. De gedachten van den +dag leefden zonder haar in haar voort, nog even stilletjes aanspoelend, +zachtjes-aan wechdoovend. En toen begon zij weer van zelf het wijsje van +dien morgen te zingen. + +Marie en Felix kwamen thuis van hun wandelingetje. Het wachtende huis +stond witterig en zwart-schuin tusschen de boomen. De vensters keken +lankwerpig wemelend grijs en zwart. Van onder de warande, waar een +venster openstond, hoorde Marie en Felix het gezang van het huis, luid +en zacht vlak-bij in de donkerte. Dan ging het verder in het huis, +verzwakte, verzwakte en beefde wech. Dan naderde het weer onder de +opstaande huisvormen. Het was nu neurien geworden, maar in eens klonk +het heel uit de verte, als achter een dikke muur; toen hoorden zij het +weer duidelijker, zachter, boven onder het dak, voortgaan, zachter +worden, en te-rugkeeren, luider. En ophouden in de doorzichtig-zwart- +grijze stilte. Toen druppelde een fijne regen eensklaps stilruischend +in den avond op het huis en op de bladeren neer. + +Den nacht van Donderdag op Vrijdag sliep Mathilde vast, maar om zeven +uur was zij al op. Den vorigen avond had zij, voor haar bed staande om +er in te gaan, haar bloote voeten gezien. Zij was er naar blijven +kijken, haar hoofd gebogen onder een nieuwe gedachte, die door haar +hersens druischte. Zij had haar nachtjapon tot aan de knieen +opgetrokken, mijmerende, dat die lichaamsbouw, met die blanke huid, +onder haar witte goed nu zoo doorging in de hoogte, tot haar middel, tot +haar borst, tot haar hoofd en daar eindigde en dat zij dat nu was, zij. +Zij had even met haar eene voet een tikje tegen het andere been gegeven. + +Zij was verwonderd en aan den voet en aan het been te voelen. Zij was in +bed gaan liggen, op haar rug, haar armen aan weerszijde langs zich +uitgestrekt. Zij lei haar handen op haar dijen en er weer af, verbaasd +over haar tastbaarheid. Zoolang ze wakker was, had ze liggen denken aan +haar lichaam. Haar huiverende beenen samendrukkend, had zij toen +bedacht, dat Jozef haar lichaam liefhad, want zij was haar lichaam. Nu +liep zij, in het helder vroolijke ochtendgeel, dat door de warme ruiten +en ophaalgordijnen zwierf, blootsvoets door de lengte van de kamer, door +de opengerukte bovenste knoopen van de nachtjapon, door de gleuf van het +hemd en van het flanelletje heen, haar hals te bevoelen, er griezelige +koude plekjes makende met haar saamgesloten vingertoppen, diep in +gedachte. Toen trok zij haar nachtjapon uit en ging weer in bed, met +haar beide handen voelde zij over het lichaam, van de knieen tot de +hals, als wilde zij er verborgenheden in opsporen. + +Om kwart voor achten kwam Marie. Mathilde sloeg gauw het dek om zich +heen en lag onbewegelijk. Zij zei Marie de kachel aan te leggen. + +Om kwart over achten was het heel warm in de kamer. Mathilde gleed uit +het bed en ging zitten voor haar toiletje. Zij had nu haar hoofd en haar +schouders voor zich in het spiegeltje. Aan de bovenlip en aan de eene +wang, zwol haar gezicht er in op, door oneffenheden van het glas. Zij +nam de spelden uit haar haar en liet het over haar rug vallen. Langzaam +streek zij er de schildpadden kam door, boven het rechter oor beginnend +en telkens tot op de helft der lengte van het bosje haar doorgaand, het +daar met de linkerhand aanvattend om verder de aan het eind verwarde +haren uit te kammen, zonder zich zeer te doen. Het blauw zwarte haar +golfde hoog over haar hoofd heen, met sprietjes glans er tusschen door. +Het streek door de kammetanden heen, scheerde onder de kam door, telkens +glijend en weer rustend. Als een in zijn golving verstijfde zwarte vloed +bleef het eindelijk stil, boven het achterhoofd, in een dikken krul zich +hoog oprichtend, met zijn vlassige diepten achter de ooren, droog en mat +neerhangend over Mathildes middel. Er was een puntig pijltje haren, vlak +bij het voorhoofd dat op en neer wiebelde bij de minste beweging van het +hoofd. De haren leefden en wachtten. Als Mathilde rechts of links keek +of ging verzitten, streelden zij haar hals in een zijige buiging, +trosten gazig over haar ooren, dansten vlinderend over haar voorhoofd. +Zij waren het stuk innige staal zwarte kleur in de zonnebeprekenkelde +kamer. Mathilde drupte eau vegetae over het haar en wreef het er door en +kamde ze weer gelijk. Een blos van glans ging over de haren, die +voortkrinkelden donker-zilver-blauw-zwart. Als zij voorbij de reten der +gordijnen ging, lachten de haren met met een zonnestraaltje even hun +glimmend-gouden lach. + +Daarna nam zij een spons met enkelt Florida water en waschte haar +gezicht en keek in den spiegel, of het er nu niet mooyer uit zag, en +waschte weer en keek weer en nog eens en nog eens. Toen trok de +zomer-ochtend Mathilde naar buiten. In zoolang was zij niet in den +tuin geweest. + +Het was half elf. Mathilde kwam op het straatje. Zware witte wolken +hingen in de lucht, laag boven de kastanjeboomen, waarvan de +hooguitstekende bladeren zich in het dikke wollige stoomwit schenen te +doopen. Zij reiden hun in 't midden en aan de randen water-zwart- +schemerende ovaalheden samen en voeren heel langzaam voort, naar den +kant van het dorp. Plekken roerlooze hemel rondden tusschen hen door, +door de verblauwmarmerende overrastering der witte wolkspiertjes. +Aan de open hemelruimte boven het Florabeeld was de laatste wolk eener +rij, wit-goud en glinsterend rose berand, door een wijde plek eerst +zilverblauw, wit-blauw, grijzig-blauw, dan stil dof donker-blauw, van de +volgende wolken gescheiden, die aanzweefden in wit en grijs gepropte +samenkoppelingen, als scharen witte omkrulde hoofdvormen, met opduwende +schouderblankingen, zich zachtjes samenvleyend, langzaam in elkaar +overbollend, altijd breeder oplangzamend, in statige vluchten, bij +rondvervleugelde groepen uit het neerwelvende oosten opkalmend, altijd +doorblikt van wit-bedraadde of effen turende blauwingen. Zij teederden +voort geluidloos hun warrige uitwassige sneeuwvachten zuchtend-zachtjes +over de stil-groene boomen verder schuivend. + +Mathilde ging de stoep af, daalde onder de donkerder groene zwaarte van +de overbladeringen der oprijlaan. Zij zag in de breede beheestering +tusschen de oprijlaan en den Vaarderweg. De te dichte samenplantingen +stonden grijs-bruin en zwart-groen, glansloos, verslond. Toen zij zich +omdraaide, hingen uit een keukenraam twee vaatdoeken te droogen. In het +groote bemodderdspatte regenwatervat, links van dat keukenraam, drupte +de nachtregen uit de goot nog af en toe neer. Aan de lichtblauw-grijze +muur van den achtergevel waren dunne vlekken, de deur van het +tuinloodsje stond open en er lag morsigheid over de vloer tot op het +straatje. Aan de sparre-en palmboompjes, op de helling tusschen de +oprijlaan en het straatje, zag zij voor altijd verdorde grijsbruine +takjes Voor haar uit, in de wijde opening, waarover van de wolkendikten +grijze lichting neerdroefde, was het stoffige Florabeeld, met zijn +ongewasschen gezicht, met zwarterigheid in de oogen en aan de borsten. +Al uitgebloeide seringetakjes waren er boven. De gouden regen en de +jasmijnen geelden en witten in-een geslapt van den regen. Alleen de +krans van aardbezienplantjes over den grond puntte frisscher rood onder +de dekkende blaadjes. + +Mathilde ging vooruit over den natterig zwarteren grond, waar kastanjes, +dorre bladen van verleden jaar en dennennaalden aan de kanten vuilden. + +Plotseling aarzelde de zon bleek neer, schuchtere glansen breedden over +de bladen, wijd uit; daarna geelde zij, geler, en geler, geel-lachend +over de treurige boomen, toen glimmend, warmend, goud-bruin strijkend +langs de stammen, goud-zwart over den grond. En alle bladeren +glinsterden een oogenblik. + +Mathilde trad voort, bezijden het huis naar voren. Maar nauwelijks had +zij op de kiezelsteenen, op het grasveld en tegen den gevel der dames +Streelink de gele uitspreidsels gezien, of de zon werd opgeslorpt door +de treuring van een voorbijtrekkende wolk, bleekte heen, met schokjes +telkens eiler wordend, als de vreugde die wechkrimpt van een gelaat. De +donkere tint zeeg weer neer uit de onrustige lucht. + +De paden en het gras strekten zich onder Mathildes voeten met hun na den +regen hard zwart en hard groen; scherpe, luide tinten prikten en riepen +in de bloemen en bladeren. De breede straatweg was donker-grijs, plat, +zonder opstuivend zand. De lauwe weeke geur der natterigheid schonk de +wind in haar neus en mond. En de tuin verrastte haar smartelijk. Er had +zich, zonder haar verbeelding, gedurende de dagen, dat zij in huis was +gebleven, en zij den zomer had zien groepen en gloeyen door de ruiten, +een vage gedachte van den tuin in haar gevormd, die geslagen en gedood +werd door het koude zwart en groen. De kleuren, die anders haar oogen +kusten, waren er niet meer; de tuin was veranderd, vreemd geworden, haar +onbekend. Het booze zwart en groen sloeg de teleurstelling over haar +gezicht, door haar achterhoofd, om haar schouders. De lucht was vol +rare, vijandige ritselingen en geluiden. De hut stond rechts, donker en +leeg, viezerig. De bloemen waren gewoon en er schenen er veel te weinig +te zijn. Een lichte vaalheid hing van uit de boomenblaren naar beneden. +En Mathilde zag plotseling de tuin klein en leelijk. Met half gesloten +oogen, haar gezicht te-ruggedoken in het zwart kanten doekje om haar +hoofd, ging zij naar de hut. Marie en Felix kwamen juist uit het +dennenboschje. Felix had een groote gekleurde bal, die hij tegen den +grond wierp, dan op liet springen een heel eind boven zijn hoofd, om hem +daarna weer te vangen. Hij gooide de bal ook tegen Maries rokken, die +eerst omkeek en lachte, maar boos werd, toen hij 't nog eens deed. Marie +drentelde te breyen. + +--He, mefrouw, wat 'n naar weer, vindt u niet? + +--Ja, der is niet veel zon vandaag. + +--Maar ik denk toch, dat 'et nog wel weer op zal klare ... tegen twalef +uur of zoo. Regenen zal 't niet meer doen. + +Toen Mathilde in de hut zat, kwam Marie weer even praten, snel +voortbreyende, haar oogen over haar werk, haar ellebogen op de heupen, +bij de belangrijkste punten van haar spreken een breinaald tegen haar +borst vooruitduwend door de steken, haar neus afvegend met den rug van +haar rechterhand. + +--Der zijn van-morgen-vroeg al groote wagens gekomen uit Amsterdam voor +hier achter, voor mefrouw van Borsele, die daar komt te wone, u weet +wel ... ze heeft der goed vooruit gestuurd ... Der zijn prachtige meubels +bij ... Vrouw Steyer vertelde 't ook ... kanepees met rood fluweel en ik +weet al niet, wat ze gezien had ... + +--Zoo, zoo, dat zal aardig zijn, als die mevrouw hier toch komt wone ... + +Marie vertelde verder, haalde tusschenbeide haar neus op, kromde haar +bovenlip om haar tanden heen en krabde zich er dan eventjes met een +breinaald. + +Telkens na een poosje waterde de zon neer en trok weer op. Eens bleef +hij langer, waardoor de vrouwen er bijna aan gewend raakten. Felix +speelde met zijn bal achter in den tuin. Hij liet hem nu van den grond +tot de hoogte van zijn hand opspringen en gaf hem dan telkens een losse +klap, waardoor hij met een doffen dsjieng klank als van ver-af-metaal +tegen de aarde klakte en weer opsprong. Om het spelletje af te wisselen +gooide hij hem ook eenvoudig maar voor zich uit zoo hoog als ie kon in +de lucht en ging hem dan oprapen, tusschen het hut en het huis. Eens +gooide hij de bal juist op, toen de zon doorschoot; daardoor kon hij de +bal niet nakijken, die met een bons te-rugviel op zijn schouder. Bij +elken worp sprong zijn heele lichaampje op en met een open mond +kreun-zuchtte hij van inspanning, terwijl zijn armpjes, beide opgeheven, +beide te-rugvielen naast het rompje. Hij wilde de bal wel tegen de +wolken gooyen, maar de bal ging niet hooger dan twee meter. + +--Ik voel toch, dat ik veel beter ga, zei Mathilde. + +--Zoo, mefrouw? Ja, och, as 't maar weer eerst heelemaal zomer is. + +Boven den tuin bewoog de hemel voort. De kleine wolkenbrokken waren tot +effener, grooter, zwaarwittingen samengeplompt, die hun +damp-krul-omrande rompen wentelden onder de wijd-blauwe verheid. Zij +waren nu weiniger, breeder, en bakten zich aan elkaar en reten van een, +en vielen verder en draaiden rond, zich verdikkend en weer +opensplijtend, zonder vaart, in witte kalming langs de breed-ziende +velden van het diepe blauw, schulpten zich uit, om de blauwlieden te +vergrooten en kudden weer samen om de blauwing te dooden, en zwierven +verder hun randen verdwazend in pluisjes. De zon glansgoudde door hun +buiken en woei naar beneden, roosterde het dak van het huis en +schitterschimde door den somberen tuin, sprankelend over de bloemen, +glijend over den rug van Marie, schrijnend naar Mathildes oogen, die +groot open stonden, die wachtten in zwartbrandende begeerten. + +Er kwam een korte windbui; de zon bleekte wech; de wind scheen +somberheid uit over de paden en het gras, suizel-wapperde door het +dennenboschje links, ril-dartele door de hooge iepen rechts, omkoelde de +kuiten der vrouwen, schokschouderde door Mathilde en behuiverde haar +hersens met binnenshuis-verlangens. Maar de zon zoog weer neer door den +wind, lichtte vaaltjes over den grond en smeet de breede lichte schaduw +van Maries zware bouwsel in de hut, over Mathildes schoot en handen. + +Marie stond in haar eene muiltje, de hiel van haar andere voet stond +omhoog, opgekarteld uit bedeesdheid door haar spreken met mevrouw. Zij +voelde de hiel warmen. + +--Nu wordt 't toch mooi weer, zei ze, en zij draaide haar hoofd schuin +op, tegen de sterke lucht in, die er prikkelend in afsloeg. + +Mathilde voelde zich verblijden in den zonnewind, die haar omleefde. Zij +had een boek voor zich op tafel liggen, mejonkvrouw de Mauleon, roman +van Bosboom-Toussaint. Terwijl zij las, verglansde de zon de bovenste +helft der bladzijde, de wind snerpte stil een blaadje op. De wind soesde +om haar neus, over haar wangen, in zachte koeling, streek frischheid +over haar oogledenranden, die naar de zon mondden, bebeefde haar heete +hoofd met kil-prikkelingen, onder de haren door. De zachte wind kwam +door haar mouwen, onder haar onderbroek en door de spleten van haar +ochtendjapon van voren tusschen de knoopen, naar haar huid en plekte +stil-frisch. + +Marie was wechgewandeld, om te zien, wat Felix uitvoerde achter in den +tuin. De wolken verdunden en gingen hooger, verder, in golvend bezoomde +scharen zwalkend langs de zon. De lucht in het westen en heel-hoog +boven, blauwde vrij. Donker-geel en zwarte stukjes, in wespen en +paardevliegen, puntten voorbij, op een afstand. Mathilde bleef, zonder +menschen, wier vormen en geluiden haar voelen braken, en vrije +alleenheid, en het zuivere geloof, eenzaam en geheel, leefde in haar op; +het kwam zachtjes over het bezonde geel-zwarte pad tot haar, het lachte +in de zonne-wind-tintelingen in de rondte, het vloeide op over het +getimmer aan d'overkant van den weg, over het klakkend gerommel van een +rijtuig, over een ver hondgeblaf, het wolkte in het windgelach tot haar +hoofd, het sneeuwde, sneeuwde in stille lichtdruppels van de deinende +bladeren. Haar lichaam voelde zij als een vale warmte onder een koele +bedekking. Zij deed haar armen een beetje in de hoogte, om de wind tegen +haar oksels te hebben. Er was geen-een herinnering. Er waren haar +wachtende wangen in den zomer, leeg en effen; er waren haar oogen, die +zij niet voelde, waar al de zomer zwijmelend tegen verzotte; er waren +haar voeten, die zich over elkaar legden, om het geluk in haar wezen +dicht samen te drukken. Er was een helle leegte, achter in haar +verbeelding, de angst-afwezigheid. + +Marie kwam weer naar de hut, met Felix aan haar rechter hand, die met +zijn beentjes naar achteren sloeg en zijn hoofdje achterover hield. + +--Drinkt u hier koffie, mefrouw? + +--Ja, dat wil ik wel. 't Is nu heerlijk weer geworden. + +Felix bleef in de hut, hij lachte aldoor. Zijn lijfje werkte zich op de +bank naast Mathilde hij zat op zijn eene been, hij lei zijn vuile +handtje tegen Mathildes wang: + +--Lieve moeder ... moeder-lief ... + +--Dag jongetje, dag, ventje, heb-je goed gespeeld? + +Felix' hoofdje ging heen en weer, zijn oogen blonken, zijn hangend +beentje slingerde op en neer, de armpjes bewogen voor de strakstaande +rieten muur van de hut, het haar ripte bij vlokjes naar hoven, de +gezichtshuid verroerde en opende zich aan zijn mond; uit het hoofdtje +naast haar borst geluidden de klanken in Mathildes hoofd. Zij zag het +bewegende leven voor het zwart van de bank, het vaal van den grond, het +licht-bruin van de muur, die wasemden heel even, en toen wist zij +gedurende de heele menschloze stilte der kleuren voor haar uit, dat +Jozefs leven naast haar leefde in den zomer. Zij dacht niet, zij +verbeeldde zich. Het zwart, het groen, het glansende geel van voren +bewogen als dof glimmend gespannen elastiek voor haar zien, om dat haar +vage geluksverbeelding over haar oogen gloeide, ze heerlijk vervalschend +in den waanzin van het geloof. Het was boven haar verhemelte, waar de +neus in de keel overgaat, het steeg in een onstoffelijken damp door haar +hersens naar boven. Zij voelde een drukking en een ijlheid. + +Marie kwam klaar zetten. Zij liep door Mathildes blik, door al de +zomerkleuren, die ruischend achter haar aangloeiden, vlak voor de tafel +ze wechplompend met haar dikke lijf tegen hen slaande met de +drie-hoekige gebaren harer klaarzettende armen. Maar Mathilde bleef ze +zien, boven het ritselend uit-duwen van de servet-vlakte, boven het +rinkelend gestoot der uit Maries handen dalende en bewegenloos blijvende +schotels, naast Maries rokken, tusschen haar armen en haar bovenlijf, om +haar hoofd heen. + +Marie ging weer wech, haar hoofd en rug in gloei-geel, haar rokken +krul-wapperend om de bruine kuiten, een korte, als vertikaal in den +grond het onderste boven tegen haar voeten aanloopende schaduw onder +haar hielden. + +Felix verzette de schaaltjes, trok aan een lapje rookvleesch. + +--Niet ankomme; niet an de schaaltjes komme! zei Mathilde, je moest nu +nog eerst even naar Marie gaan en vragen of ze je handen wil wasschen, +voor we gaan koffie drinken. + +Felix bewoog wech onder de stille zonneschittering; met een geslinger en +gedriehoek zijner jong-jubelende armen en beenen, een floddering van +zijn gestreepte kiel. Mathilde was alleen. De wind verminderde; de +wachtende kleurenpracht verroerloosde. Met de witte zuiverheids-tinteling +harer kalmte over het gelaat, behandelde zij de bordjes, een mes, het +brood, de boter, die haar vreemd-gewoon de vingers raakten. Wat was er +dan toch; zij wist het niet. In eens zag zij in de hoogte van haar over +de tafel geslagen blik, twee naderende heeren-broekspijpen. Een +schrikvlaag berimpelde haar voorhoofd, haar handen bleven bewusteloos +staan op de tafel. Zij hief het hoofd, zij zag, met een rilling door het +achterhoofd, in de pijnlijke gaping der verbaasde oogen, den ingenieur +Ster, dik, blond, zweterig, in een verslonsd grijs pak, die naderde. Zij +had even gemeend, dat het Jozef kon zijn. Hij groette haar met zijn hoed +en kwam dichterbij. Voor de hut staande, nam hij nog eens zijn hoed af, +maakte met zijn bovenlijf een dikke-mansbuiginkje, zeide "mevrouw, ik +kom u eens opzoeken" en zette zijn hoed weer op. Hij gaf Mathilde, die +was opgestaan, een dikke, harderige, natterige hand. Mathilde besproeide +hem met blinkende verbaasd-bedeesde blikken, zwarte vonken uit het +midden van haar gloeyende oogenwit, blinkend in de blondwiegelende +schaduw van de hut. Mathilde bevoelde haar zakdoek, beide handen tegen +zich aan. De hut was plotseling geheel vol met Ster; zij zag zich zelve +niet meer. + +--Gaat u zitte ... Komt u ook Hilversum us bezoeke? + +Ja, zei Ster, hij zou in 't vervolg herhaaldelijk hier moeten komen, +want hij was voor een gedeelte belast met de inspectie van de werken van +de nieuw opgerichte Ooster-spoorwegmaatschappij, die te Hilversum een +hoofd-station zou hebben. Het werk vorderde goed; de rails lagen al tot +voorbij Bussum. Ja, hij was hier ook gekomen vandaag juist, om mevrouw +van Borselen, die als vrouw alleen was, een handje te helpen met het in +orde maken van haar buitentje. Zij was vandaag ook gekomen, ja. + +--Hoe gaat het u? vroeg hij. + +--Zoo, zoo, de buitenlucht doet mij natuurlijk veel goed. + +--U woont hier wezenlijk allerliefst. Ik kom nu juist van mevrouw van +Borselen. Zij hoopt u ook gauw een visite te komen maken ... Ik ben +heelemaal de hoek daar omgeloopen, ... maar de meid zei, dat ik ook +achter in den tuin had kunnen komen ... toen heeft ze me den weg +gewezen naar de "hut" ... 't is hier heel aardig ... en een prachtige +tuin ... u heeft mooye bloemen ... + +Op de tafel leunende met haar voorarmen, het hoofd even schuin gebogen, +zat zij naar hem te luisteren, met een nauwelijks geopenden mond, hem +voortdurend aanziend, terwijl hij in de rondte keek of op zijn knieen, +alleen haar blikken te-ruggooyend op de tafel, wanneer hij, bij een +vraag en bij het eind van een volzin, haar aanzag. Het scheen haar, dat +hij een ouden zeer innigen vriend van haar was, die kwam van een lang +geleden en voor altijd door haar verlaten wereld. Hij kwam van de stad, +die zoo vreeselijk ver was; hingen er nog niet weerkaatsingen van die +grachten en straten, waar haar gedachte leefde, in het fletse grijs van +zijn jasje? En haar oogen trokken de woorden tusschen zijn lippen uit; +zijn groenige tanden, die zijn grove stemklanken naar haar heen beten, +schenen lief, gezellig, goedig, vol van herlevende herinnering, vol van +haar weerkeerend geluk. + +--Ik dacht van-ochtend niet, dat 't nog zulk mooi weer zou worden, zei +hij. + +Toen spraken ze over Jozef. + +--Ik heb meneer gisteren nog gesproken ... + +--Zoo? ... Ja, ik verwacht hem over-morgen weer ... Hij komt meestal eens +in de week over ... och, u begrijpt, met zijn zaken, is 't al heel lastig +om meer te komen, maar als de spoor er zijn zal, zal dat wel +beter gaan ... + +O, hij sprak over Jozef! Lachjes over haar wangen glans-groetten, haar +oogen begloeiden de tafel. Zij slikte, zij voelde zich weer vreemd in +haar hoofd, haar handen vervochtigden, zij streek de blaartjes zweet +wech van de haarzoom op het voorhoofd. Het was net, of er iets bewoog +boven haar oogleden, in de tuinmassa van voren, bij rukken van kleur en +licht, van links naar rechts. Ster zei niet meer en keek in de rondte, +Mathildes oogen bleven neergedompeld als in een diep donker water, waar +zij vreemde gelukschatten konden grijpen. Plotseling beefden haar +oogleden op, de tuinkleuren schemerden en schitterden, vervaalden in +vlekken en joelden op in vonken en bleven, hevig vooruitglansend, in de +verte sidderend en dwingend, de warmte warrelde over haar schouders; zij +zag Ster zitten, vlak hij haar, met een groote wasemende leegte van +zwart en van groen achter hem. Zij zag hem zitten in de heerlijk-intieme +grofheid zijner overvoedde onder het grijze kamgaren opbolderende +vormen, in de rood-vetterige slaperigheid van zijn haar onvermoedende +gezicht. Zij zag hem in een dikke kleurennis, tegen een opstaand bed van +levendige donzige glansen, van goudscherpte en zwart-groen-dofheid. De +woorden scheurden stotterend uit haar mond: + +--Is hij nog wel? vroeg zij. + +--Hoe bedoelt u? Uw man? ... Ja, heel wel, geloof ik. Was hij ongesteld, +toen ie 't laatst hier was? + +Mathilde wist niet goed meer wat zij zei. + +--Ja,..., ja, hij had hoofdpijn ... en hij heeft er verder niets meer over +geschreven, loog zij. + +Felix' lijfje en Maries lichaam kwamen-aan, met bewegingen van buiten en +versche standen, die het wezen der groep vernieuwden. + +--Mag ik u ook iets aanbieden? Wilt u niet met ons blijven +koffiedrinken? vroeg Mathilde. + +Ster bedankte. Hij nam Felix tusschen zijn beenen en vroeg:--Zoo, zoo, +jongeneer, zijn we zoo groot geworden? maar Felix was bang van zijn met +felle kleuren volgeploeterd gezicht. Ster deed net of het beedeesde kind +hem wel pleizierig vond, hij nam Felix' zachte gezichtje op zijn hand: +je kent me niet, he, baasje? We hebben mekaar ook nog pas eens gezien, +en toen was je ook al te jong. Toen Ster hem weer los had gelaten, begon +Felix te eten, zijn gezichtje naar het bord melksoep gedrukt. Iedere +keer, als de lepel in zijn mond schoof, beklommen zijn blikken het hoofd +van Ster, om te zien, of die hem niet aankeek. + +Ster nam afscheid, met een bad van Mathildes hand in de zijne, met een +zware legging van zijn hand op Felix hoofd. + +Mathilde had hem niet leelijk gezien. Zij zag zijn dikke lichaam blonken +in de kleuren, het mannen-lichaam, dat altijd verder van haar afging +door den tuin, verder, verder, eindelijk geheel opgeslorpt door de hoek +van de laan. Het weer was mooyer nog geworden om hem heen. Enkele +gebeitelde groepjes wolkenkrullen waren dooorschijnend-vlokkerig ver in +het zuiden, enkele lange tot bleek-witte krampen verstijfde +wolken-zenuwen lagen over de lucht gestrekt. Een strakke zon +begoud-feestte den tuin. + +Mathilde at bijna niet; de boel was al weer wechgenomen, toen zij nog +aan Ster zat te denken, hoe hij daar geweest was, sprekend van Jozef uit +zijn dikke gezicht, hoe er nu een vragende leegte was boven de stoel, +waar zijn romp op gestaan had, en hoe hij zich bewogen had, wech, wech, +in de kleuren. + +Zij keek om zich heen in de heete middagstilte, en het geloof steeg +hooger, over haar lichaam, tusschen haar vallende handen op; zij had een +gevoel in zich als een kreet, die zij moest uitschreeuwen; in haar +tintelende hoofd zetten de zieleduizelingen op, die geen voorstellingen +vormden in haar verbeelding, die niet dachten in haar verstand, maar die +haar dronken maakten als een donker druppelende drank in haar +achterhoofd gegoten. Zij zag naar de somber-staande hutwanden, of zij +niet spraken, wat zij waren, wat zij wilden tegen haar bewustzijn, wat +zij meenden met het vreemde gevoel, dat zij haar inspraken. Toen kwam er +ineens een vink, die, voor haar onbewegelijkheid heen, wipte en tripte, +wit, bruin, grijs, over den zonnigen grond, met zijn glad gestreken +kopje haar bekijkend en in eens wegvliegend in een hoogen boom aan den +weg. Mathilde ging slenteren door den tuin; de warme wind nam haar +haren, en speelde ze wech uit haar gezicht, de zon walmde neer op haar +hoofd; de kleuren lachten vlak uit om haar heen. + +In de om haar hoofd vlagende heete wemelingen bewoog Mathildes teedere +vleesch boven den grond, in de weeke rijzing der onder het grijs +deinende leden. Hoog naast haar donker-glansde het dennenboschje; +merelklanken zilverkrulden in de zware hittelagen, die zwalkten in +groen-geel smeulende zwenkingen door de ruimten. Zij voelde zich loopen +hoog op het licht-zwarte pad, haar oogen doorvoelden, tusschen den hard +vlakken grond en haar zieke droomenhoofd, den afstand, vol van zwart en +glans-gele stukjes krulrinkeling, wasem-warrelend op en neer, rillend +van haar eindeloos verlangen. De kleine dennen stonden hoog in de lucht +boven haar uit en verritselden hun bladering, proppelend, stippelend +tegen de lucht, wuifbuigend naar Mathilde; het grasveld, rechts, groende +zit vlakte uit, stijf-zijig, met de donkere ondersten en de lichtere +uitpuntingen der sprietjes, het ging verder en verder, met de gegleden +gebogenheidjes en de ranke opzwiepingen der grasjes, een vooruitgang van +dribbelende, schubbige lachjes, breeder en meer, groen, donker groen, +geel-groen, goud-groen, lang en ver, wijkend, zoo dat haar armen het +niet konden overreiken, en het strekte heen, oneindig klein en oneindig +veel, een goud-groene lach, die opsloeg en zijn ligging wechschaterde +tegen de wijdwijkende blauwte: Jozef! Jozef! + +Mathilde voerde het uit haar oogen wazemde in haar goud-warm verbeelden +heenbruisende verlangen langs het hek bij den breeden straatweg. Zij zag +de groote iepen haar langzaam voorbijgaan. Zij knikte een boerenmeisje +goeyen dag, dat daar liep met haar koe. Zij zag het kind loopen boven +den grond, maar hoog hielden de iepen hun bladerenzwaarte op de lange +breede nekken der stammen geheven, en stootten hun groene +ontzachlijkheden naar den hemel en wierpen hun jubelende groeningen tot +de blauwe effenheid en smeten hun takken uit naar alle kanten, in +krampen van bloeying, in een rumoerig warrellied van stijgend en +woest-willend verlangen: Jozef! Jozef! + +Mathilde ging te-rug, de statig zijgende sparren-groep, bij de waranda, +met zijn verspitsende betorening van neergeschuinde stekeltakjes, met +zijn stil-blinkende groentinteling en zijn innige binnen-duisternis, +naderde, naar haar heenschuivend met den warm-gevenden grond, en de +glans-armpjes suizelden heete fluisteringen en trilden op in de rondte, +bijna allen, heel even, en toen weer, en toen weer, boven holen van +zwartheid; als glimwormen glommen takjes en sprankten in de zon uit als +stukjes glas en van de schuinende neerveering rolden en ruischten +parelende klankjes voor Mathildes voeten: Jozef! Jozef! + +Onder haar voeten licht-zwartte de pad-breedte voort. Haar blikken +vlotte neer, maar de grond trok ze vooruit, breed-zwart vooruit, +glans-zwart vooruit, heen-zwartend tusschen het stijgende gras-groen, +voort-atstandend tot achter in den tuin. Zij was bang voor de ruimte +tusschen haar en den afstand; liep zij, dan voelde zij den grond weer +achter haar, ver, wech, wech onder haar voeten, en de ruischende ruimte +van licht-lucht en de zwaar-roerloosheden der opstanden. Maar het pad +trok haar geloovende oogen verder, over een kabbeling van gelig-zwart +voort, tot zij stuitten tegen den opsteigerenden gezichteinder; daar +dwarrelden de verre hooge heesters omhoog, en joegen door-een, en dansen +van groen, licht-groen op springend en borend hun spelende wildheid door +het lage neerdruischende blauw: Jozef! Jozef! + +Mathilde keek langzaam in de rondte, met verfletsende oogen. Alle +boomen stonden luid in de hoogte, in heftend opstamping gestooten naar +de lucht. Alle heesters krioelden hun groene zenuwnetten in dikke +dof-verstijfde groenvlammen tusschen de boomen door, schuin tegen elkaar +in stijgend, op-schreeuwend tegen den blauwen middag, maar hoog van de +boomentoppen wemelde in hitte-zilveringen, een kokende goud-geel-waseming +tot de gloeyende blauwbekapping, waarin de laatste wolkendradingen +wechsluyerden En over de buigende boomen gleden en beefden de +goudblauwingen tot Mathilde. En achter haar, van de verre geelstoffing +van den weg, waarin, door de gaten der hooge groenmassaas pakken +hittelicht neersidderden en doodreutelden op het platgebrande wit van +den grond, kwamen, omstuwd door de breede kreten van het woestdartelende +heestergroen om de blank-glansen de stukken huizengevels, de hooge iepen +op haar aan, klein in de verte, maar grooter, grooter wordend, man aan +man met hun dikke, warme stammen, grooter breede, hooger, en eindelijk +opstaand achter haar, bij haar, aan haar, in een geweld van geluidbos +leven, een staan van groene krachten, een gestolten klimming van wil en +van daad. En de hoogheden der boomen en de heete begeerten, die +aanrolden kletterend geel over den weg, drongen Mathilde, voor de +sparrengoep heen, op het groote grasveld voor het huis. + +O, het was een feest van lichten. De witte muur van het huis, een +staande vlakte van hellicht, samengedrukt door de daling van het +goud-bruine daklicht, perste zich in-een en smeet het hevige +zonne-weerlicht uit de ruiten met de klaterkaatsingen der witte +muurvlakken neer tegen den groenen grond, tegen de iepenstammen, door de +openheden tusschen de stammen, verder over den weg. Mathildes oogen +bedroomden het huis, zoo als het opstond in zijn lichting, in zijn +heerlijkheid van wit, tot vastheid opgerezen hittelicht, zij geloofde in +het huis, zoo als het glansde hooge en breed. En het grasveld helde op +naar het huis, een spreidsel van zacht groen licht, doorstikt met de +teeder fonkelende steenen der roode bloemen, maar dat steeg in zijn +breedheid, sidderend gespannen, schemeringen van lichter groen in de +hoogte ademend. Op hun zuilen van bruin licht waren de miljoenen groene +vlammetjes der iepenblaren ontstoken, en in de bevende licht-zee boven +het grasveld, waadde Mathilde, met drooge dwaas-verglansde oogen. + +Maar zij keek naar boven, en het viel op haar als een tintelende sneeuw +van verukking. Al het wit was ingeslurpt door het blakende, daverende +hemel blauw, dat gloeyend glinsterde in neerwarrelingen van +zwartgoud-poeyering en als een ziedende zee met donkere blauwbulten en +lichtere blauwheffingen, daalde en steeg, daalde, daalde, zijn +zonnevlakten neerbreedend om den hettenden vuurkolom van de stortende +zon, die een regen van bliksems los stookte over de schroeyend vermoorde +uitstrekking der zich openwentelende en heen-spreidende tuinvlakten. +Breede slangen laayend blauw wimpelden af van de lucht, in een foltering +van blauw tusschen het schuin wegkrimpend boomengroen zijgend, +goud-blauw over de buitenste bladeren brandend, een doffe +krijt-goud-gloed over de midden-bladeren drukkend, in gouden grillen +windtrillend, vonkend, spuitend, uitspruitend, neersprietend, +heensprankend om de hijgende takjes, bosjes gouden naalden schietend in +de diep-groene boomenharten. Zware afblauwsels goudden neer over het +dak, over de boomen en heesterhoogten in de verte, van alle zijden +naderend en zich rond neerdrukkend in een vlammende vuurschittering. +Golvenwolken van witte hitte zwalkten door de ruimten, tusschen de +openingen glijend en voort stoom-dwarrelend in de verheid. En het werd +gedragen door alle lagen der ruimte, in een begeestering van heete +kleuren, een vervlamming van het heete leven, en Mathilde voelde zich +juichend onder haar kleeren beven, en in haar gouden weten, dat zij +gelukkig zou zijn, werd zij getrokken naar de groensombering +der warande. + +Verbijsterd in haar snikkende bedwelming, vroeg wat het was. Wat was die +gouden lichtruimte voor haar uit? En al de takken, die naar haar heen +reikten? En al die verdere plannen van bleekere lichtstrekking en +kleurenstand voor haar uit? De kleine gezicht-einders waren +samengebakken en smolten zich vast aan den hemel. Zij was in een groote +zaal vol vreemd leven, vol rare vervoerende dingen. Er waren geen +menschen bij haar, achter haar. Niets was achter haar, geen stemmen, +geen gerucht. Zij wist van geen verleden, van geen vroegere gedachte; +haar leven was dit oogenblik. Zij wist van geen afstand en ruimte; de +eenige wereld was hier bij haar. Langzaam, terwijl alle kleuren vonkten +en naderden naar haar oogen, loste haar bewustzijn zich op in de +lichtkrachten die kleursidderden over haar heen. Haar leden zonken +samen, achter tegen haar stoel. Zij zag wel, door de verblinding, die +over haar gezicht was neergeschitterd heen, dat de blauwe lucht was +losgebarsten en er kokende stroomen gloeyend goud gudsten over de +vlakte, klotsend op haar toe. En verder, in de rondte, hagelslingerden +gouden vonkenvlagen neer over de wechbleekende groenheden, botsgolvend +tot elkaar, opzwiepend om haar hoofd, neerzijpelend door haar lichaam, +haar beenen. Hoog stormden de iepen hun vrachten vlas-groene +dronkenschap op tegen de neerbruisende gouding, de bruingouden stammen, +los en week, gloeiden op en neer, als zuilen van vloeyend goud hun +lijven hoog en laag kristallend door de ruimte. De bloemen kleurden door +het vuur, vliegend, schietend, hoog in de lucht, laag op den grond. + +Mathilde voelde zich heffen en zich wechgaan, heen-gedragen door de +kleurenverbijstering. Haar oogen doofden uit. Een even onstaken zij +weer. Toen zag zij alles met wit-krullende wit-blauwe gazen en vlekken +glans blauw beneveld. Haar oogen snikten hun heete tranen uit, die als +zoute druppels in de hoeken van haar mond vloeiden. + +En langzaam sliep zij in met openhangende mond. De zomerhitte verdroogde +haar verhemelte en tintelde over haar bovenhoofd. + +Mathilde sliep twee uur lang; toen Felix haar kwam wekken, even voor het +eten, voelde zij zich als na een koortsnacht, loom, dof, zwak; Marie +zei, dat zij erg bleek zag. + +Na den eten zat Mathilde op de kanapee en sliep weer. De dag wentelde +zijn zware kleurenvlakten voort. De middagkleuren koelden op, teederden +uit in de rooye groeyingen, van de stervende zon. Zij dronk laat thee. +Felix was al naar bed, toen zij weer alleen zat in de groote kamer. Zij +had gezegd, dat de lamp niet hoefde, om dat zij liever wou schemeren. In +haar afgematheid, speelde het lichtje onder de theepot met haar oogen, +lange stralen schietend heen en weer door de vredige zacht-zwart staande +duisternis van de kamer, Mathilde voelde het ruischen van den tijd zij +voelde zich heengeduwd naar den wachtenden dag op de regelmatige +tik-tak-begeleiding van de duistere pendule, die als de stille radeling +was der kracht van haar leven, haar voortuitvoerende naar het geluk. Het +eene venster stond wijd open voor den stillen mooyen avond van buiten. +Mathilde dronk haar lauwe thee met weeken slurpenden mond, en, +daarboven, samentrekkende proevende oogen. + +Zij was zoo wech in haar stille afwachtings-stemming dat het geschuif +van haar stoel over de vloer haar een vreemd hard geluid klonk toen zij +opstond, om vlak voor het venster te gaan zitten met haar kopje. In de +teer-grijze duisternis was het groen in een zware donkerte tot rust +samengevallen. Maar hoog en ver, in een oneindige wijdheid, was de +sterrenhemel opgeslagen over den tuin. Alles was zeer stil. Mathildes +verslapte blikken klommen over de zwarte bladerenmassaas naar de +sterren, die verward boven de bladeren lagen en er door en er over +neerhingen in een fonkelende bepuntering. Zij keek, en een sussende +weemoed zweefde stil door haar moede gemoed. En zwerm lijnloze droomen +steeg langzaam in haar gedachte. Al wat zij haar leven-lang mooi had +gevonden en gehoord had, dat mooi was, in de sterren, waarde als een +vaag gevoel door haar bewustheid. Het waren oude melodien van toen zij +nog niet getrouwd waren, kleine refreintjes van de straatorgels uit haar +jeugd, een liedje, uit zijn jeugd, dat haar vader wel eens neuriede, het +waren alle kleine oogenblikken van kleine teere aandoening, een +buitengewoon innige handdruk van haar vader op een avond, het op straat +ontmoeten van een meisje, dat zij langgeleden had gekend, het terugzien +van dezelfde huizengevels van vroeger na een lange afwezigheid, de +eerste boeket van Jozef, eens, toen zij jarig was, een mooye bladzijde +uit een mooi leesboek, de oprechte hartelijkheid van Jans in zekere +omstandigheid, die, zonder tot herinnering te worden, een dierbaren +nevelgrond spreidden onder haar mijmering. Zij voelde haar bewustzijn +gedragen door het leven als door een lagen wiegelenden leuningstoel. De +kuische duisternis met haar oneindige ruimte, onder de verre sterren, +weekte lange aandoeningen van oneindige liefheid en gedachtenzwemen van +eeuwig geluk, zalig-zacht rein-te-vreden, in haar voelen los. Het was +als een warme zachte hand die over haar wangen ging, over haar bleeke +wangen, met lange zwijgende streelingen. Zij stak haar gezicht schuin +omhoog en uit de diepste schuilhoeken van haar gemoedsleven kwamen, van +heel, heel lang geleden, vreemde bewegingen van hoop, trillingen van +geluk en vertrouwen, naar boven, die zij eerst niet herkende, maar die +langzaam uit hun verflensing nauwkeuriger opleefden. Uit al de vage +stukken van het vroeger met teere genieting waargenomene, die nu in haar +verbeelding kwamen schemeren, drong Jozefs figuur naar voren en bleef +alleen, alleen in haar verbeelding, die was als een vreemde schilderij +zonder afmeting in den roerloos ritselenden zilvergrijzen nacht, en +stond hoog omhoog als een vast lichaam vol heerlijke zekerheid van leven +en liefde. In hem had zij altijd geloofd, aan hem had zij zooveel +gedacht in eenzaamheid. Zij geloofde in zijn borst, waar haar hoofd +tegen-aan kon leggen, zij geloofde in zijn armen, die haar aan zijn +borst konden drukken, zij geloofde in zijn beenen, die naar haar konden +naderen, zij geloofde aan zijn hoofd, dichtbij het hare, met liefde in +de oogen en liefde in den mond, Zij geloofde, dat zij altijd samen +zouden zijn, altijd, altijd, zonder stoornis meer, allen dag en +allen nacht. + +En de melodie van haar geloof leefde nog dien avond in haar voort, tot +lang na dat zij naar bed was gegaan. Mathilde droomde dien nacht van +Ster. Zij zag hem heel vreemd loopen, in de lucht, zonder iets aan te +raken, en eindelijk in een der hooge iepen gaan zitten. Zij droomde ook +van Felix, dat die op het uiterste kantje stond van een steile +berghelling, terwijl Marie met een bal naar zijn hoofdje gooide. + +Eindelijk kwam de Zaterdagochtend, onder een donker bewolkten hemel, +zonder zon, zonder regen, zonder wind. Mathilde had moeite om uit haar +bed te komen. Ging haar hoofd even in de hoogte, dan trok het liggende +lichaam het weer neer. Daar was dan de Zaterdag, de laatste dag, koud en +onverbiddelijk in haar kamer geschoven. Wat waren die dagen +verschrikkelijk gauw voorbijgegaan! In haar hoofd werkte de stemming van +den vorigen avond nog voort, maar bekoeld en verlept, half wechgesmolten +in de koude zuivering van de slaap. Zij voelde zich leeg. Haar +verlangenleven der laatste dagen scheen haar gemoed te hebben +uitgebrand. In een lauwe onverschilligheid, met een in zich opnemen van +den dag als was die heel gewoon met een blinde botheid der zenuwen, die +voort bleven slapen, de kamers en de meubels langs ziende zonder ze te +zien, ging zij den ochtend door. Zij was naar, beverig, als onder den +invloed van een naderende ziekte, van een zware kou, die zij gevat zou +hebben. Herhaaldelijk moest zij weer in huis gaan. Zij vond den dag zeer +vervelend. Hij grijnsde haar toe met de wanhopige eentonigheid zijner +vormen en kleuren van altijd. Alles was grijs. De luchtgrijsheid kilde +over de paden en over het gras en flenste door de boomen. + +Om kwart over drieen werd zij door Marie in huis geroepen met +vertrouwlijke en te kennen gevende armgebaren. In de groote kamer vond +zij mevrouw van Borselen zitten, in een grijs satijn japonnetje onder +het groen dooroogde, lichtelijk doorkleurde vleesch van haar stijfjes +bekamde hoofd, midden tusschen de warse meubelen gezakt. Hoe zij het +maakte, hoe zij-zelve het maakte, dat zij haar in zoolang niet had mogen +zien, lieve omstreken, Mathildes buitentje mooyer gelegen dan het hare, +vlak aan den straatweg, gezellig leven, elkaar veel bezoeken, Felix, +haar zoontjes, Jozef, het rijtuig, de spoor, de heer Ster, geen madera, +neen, nooit iets gebruiken voor den eten, nog eens Jozef, spoedig +te-rugzien, onaangenaam weer. + +De woorden sprongen naar Mathilde, vielen om haar heen op den grond. Zij +andwoordde en sprak als met een hoofd, dat een eindje voor haar +eigenlijke zou wezen. Maar het woord "meneer" tikte op haar hersens, en +toen begonnen de woorden haar te slaan, op haar schouders, tegen haar +hals, tegen haar wangen, als de gepolijste gemeenplaatsen van het +onverschillige leven, dat ruw langs haar heen ging. Toen mevrouw v. +Borselen de tweede maal van Jozef sprak, schrok Mathilde. Het was een +tergende spaak in haar hersens, waaraan die vreemde vrouw roerde, iets +wat zij niet wilde, maar dat moest, een akelige macht, die wreed in haar +leven was. + +Mevrouw v. Borselen ging wech. Mathilde zag haar glimmend satijnen, +oogelozen rug heengaan door den gang, tot den romp de stoep afzakken en +voor 't laatst doezelen tusschen de boomen. Achter mevrouw v. Borselen +heen, het glanzig grijze wezen in den hollen dofferen dag, kromp de dag +zelf voort, zijn rondingen verdonkergrijzend en schemerneerplattend in +den avond, droog en geruchtloos. + +De Zondag was mooi, een dartele dag, met een sterken zuiden-wind, die de +rozen deed wiebelen aan hun takjes. Marie was in een stijf gestreken +katoentje en vroeg: Hoe laat komt meneer? en over het stijfschoone +dekkertje op de tafel heen, zei Mathilde: Ik denk om elf uur, zoo als +altijd. Zij was wrevelig gestemd dwars tegen den levensloop. Onder haar +oogen dachten stuursche wangen onverschilligheid Het ontstemde haar zich +voor niets zoo opgewonden te hebben. Zij zou stellig nooit verstandig +worden. Het leven ging immers zoo eenvoudig en gewoon; nu was er weer +een dag, net zoo as gistere, zoo meteen kwam haar man. Wat was daar nu +eigenlijk aan. Zij leek wel niet wijs. Zij leek wel een aktrice. Toen +hoorde zij een rijtuig aankomen en wist-voelde te-gelijk, dat het het +rijtuig was. Toen was 't net of haar hersens in de war zouden gaan en er +heet bloed voor haar oogen zou komen. Haar heele lichaam begon te beven. +Zij hield haar tanden op elkaar; als zij 't vergat tikten zij op elkaar +in een stootend geluid van haar hoofd. Haar handen werden koud aan de +toppen, vochtig aan den palm. Zij kon niet opstaan en zag van haar stoel +door het venster alles nauwkeurig. De hit voor het tentwagentje stond in +eens stil, zijn voorpooten als schuine staken naar voren op den grond. +De koetsier sprong van den eersten bank onder den kap uit; hij was jong, +hij had een rood gezicht en had een pet op. Het lage portiertje ging +moeyelijk open, maar met een duw van binnen lukte het. Toen zag zij +Jozef; die er langzaam uitstapte, in een lichtgrijs pak, zijn korte +jasje met twee rijen knoopen van voren, en zijn broek die wijd over zijn +lage schoenen afhing, met zijn linkerbeen op het ijzeren treetje, toen +zijn rechter en linker bijna te-gelijk op den grond. Zijn hand kwam +boven de binnenhand van den koetsier, terwijl hij zijn kin een beetje +introk. Hij had een lagen licht-geelen strooyen hoed op en, toen hij +zich weer had omgekeerd en den tuin inkwam, een erg lage boord, een +koerant en een paar gele handschoenen in zijn linker hand. Maar hij ging +achter de boomen en zij zag hem niet meer. + +Toen Jozef de kamer binnenkwam, hadden zij beiden in een snelheid van +opkomen en vergaan, dezelfde gedachtewaarwording. + +--Daar ben ik! Hoe maak je 't Thilde? Je hebt in 't geheel niet +geschreve. En zijn glimlach naderde van de schuin-open deur, en slonk +wech toen hij haar bleek zag beven, en zijn oogen voelden: wat ziet ze +er vreeselijk vreemd uit, ze is stellig met een anderen man geweest, in +elk geval blijf ik kalm; en zijn glimlach dacht in haar voort, in een +slag van uiterste angst, een stuipende siddering van haar verstand, een +vreeselijke stilstand van haar hart: dit is hij niet, dat is hij niet, +ik ben met een anderen man geweest. + +Zij voelde haar denken vernield, zij voelde zich wezenloos worden. Haar +voeten werden koud en zij waggelde, met een licht doorbuigen van haar +knieen. Maar de groote smart van haar verstand rukte haar te-rug in de +levende werkelijkheid der angst-licht vlammende kamer. En zij wist de +grootte van haar liefde en dat hij die liefde niet was. + +In het naderend uitsteken van zijn handen vroeg hij: Bee-je niet wel? +Wat scheelt je? Wat is er? Zij zeide Och nee, 't is al weer over, dat +heb ik tusschenbeye tegenwoordig, ik weet niet wat het is. Zijn lippen +zoenden, de zoen gleed wech van haar rillende wang. Felix was +binnengekomen uit het rieten kabinetje en zijn hoofd stond over de tafel +heen te kijken naar die twee groote menschen, strak, zonder begrip. +Mathilde had Jozefs hand genomen, flauw tusschen de haren. Dat was een +vreemd gevoel, die koude hand. Zij zoende hem op zijn wang, die hard +was. Alle mannenwangen waren hard, zij wist het wel, ja, zij wist het +wel, zij had het altijd gehoord en altijd geweten.--He, ik moet even +tot bedaren komen, zeide zij, en zij ging zitten op haar stoel, een eind +van de tafel geschoven. Jozef ging aan de tafel zitten, zijn voorarmen +er op, de gevouwen koerant in zijn handen, zijn hoofd er over heen +gebogen en schuin naar Mathilde gekeerd, met een streelende deelnemende +uitdrukking. Hij zat maar stil te kijken, om te zien wat er +gebeuren zou. + +Felix kwam naar hem toe: dag, vader. Jozef zei tot Mathilde: wil je niet +iets drinken? ... of wil je misschien gaan leggen? Zij schudde van neen, +haar hoofd naar den grond. Toen keerde Jozef zich naar links, nam Felix +op zijn knie: dag, vent, hoe heb jij 't gemaakt? Niet stout geweest? +Toen temperde hij zijn stem: moeder is niet wel, he? We moeten een +beetje zachies spreken. Ben-je altijd lief tegen haar geweest? + +Mathilde voelde hen en hun spreken. Zij wist wel, dat zij buiten haar om +spraken, dat zij de haren niet waren, iets anders dan zij. Zij was +alleen, als een dwaasheid in het gemakkelijke gewone leven. Al haar +voelen duizelde in haar blikken over den grond, en stootte tegen de +tafel en stoelen, en vermartelde in het felle licht, dat de dag door de +vensters bij breede lachbuyen naar Jozef heensmeet. Over den grond +wipten de eile stalen licht-kwatelingen, schoten te voren uit het +behangsel, spiraalden neer van het plafond, en te midden van de +huiverende kamer en den angstigen licht-dans was Jozefs stil bewegende +lichaam, waar van elke beweging in Mathilde schokte. + +Zij keek naar Jozef, en dan weer niet, en dan weer naar zijn strooyen +hoed, die plat op een stoel lag. Zij voelde als een plotselinge langzame +losschroeving van haar verbeelding-en gedachte-vermogens. Zijn lichaam +was daar toch, bij haar, vlak bij haar, tastbaar in zijn begrensde +vormen, met een ruimte er om heen, waarin zij gaan kon, waarin zij haar +armen kon bewegen, om ze te leggen om zijn hoofd, en haar lippen naar +voren duwen aan zijn mond. De liefde-bewegingen van haar armen en hoofd, +die zich onbewust onder de plannen van hetgeen zij hem zeggen zou in +haar denken hadden voorbereid, leefden nu op in haar verbeelding; zij +zag vreemde armen gebaren maken, vreemde achterhoofden neigen en bukken +en zich vlijen. En daar achter, ver in haar voorstelling, zag zij een +donkere holte onder de sterrenlucht van Vrijdagavond, waarin wezenlooze +eilingen voortholden en verdwenen in den nacht, de mijmeringen, die het +denkbeeld van haar man in haar waren geweest, en die vernietigd werden +tegen zijn zittende levende lichaam. + +--Hoe gaat 't nu? Een beetje beeter? vroeg Jozef, haar effen bruin +aanziende, in ratelend tegen haar schedel slaande klanken. + +--Het gaat al beter, maar ik ben nog wat duizelig. + +--Komt de dokter vandaag nog? + +--Ik weet niet, hij is er de heele week niet geweest. + +--We moesten maar wat vroeg koffie drinken, zei Jozef, ik heb honger. + +Mathilde stond op om 't zelf in de keuken te gaan zeggen. Toen zij haar +waarnemen in haar, hem, die stil bleef, zag naderen, en toen zij zag op +zijn hoofd, dat onder haar kwam, en zijn gezicht van boven af, begreep +zij zijn lichaam niet en begreep niet meer hoe zij hem kende. Maar toen +zij voorbij hem was gegaan en zijn vormen uit den hoek van haar oog +gestooten waren, ging er een tinteling door haar hoofd en een drift door +haar beenen, waarin haar oude voornemen te-rug gaan wilde en zich gooyen +over Jozef om hem te beminnen. Maar hij was achter haar hersens zoo als +ze hem gezien had en in trijterende schrikken ging zij voort en was +alleen met de wanden zonder het te weten. + +Uit de keuken ging Mathilde naar haar slaapkamer, nam Floridawater en +ging zitten voor de tafel, met den zakdoek onder haar hoofd. Op 't +zelfde oogenblik kwam Marie in de groote kamer om te dekken. Jozefs +oogen werden warm, Marie hoestte en keek voor zich uit met de +bedeesdheid der wangen. + +--Is ie heel zoet geweest deze keer? vroeg Jozef terwijl hij gauw hevig +keek naar Marie en daarna Felix bij zijn kinnetje pakte en hem aanzag +met elders denkende oogen. + +--O ja, meneer, andwoordde Marie, ook schuin naar Felix ziende, heel +zoet, is 't niet, Fik? + +--Dat weet ik niet, zei Felix, en douwde zijn gezichtje tegen Jozefs +schouder. + +--Dan heb ik wat moois voor je bij me, zei Jozef en met +langzaam-voorzichtige gebaren, om Felix niet te laten vallen, haalde hij +een dun prentenboekje in een prachtbandje, uit zijn binnenzak. + +--He, zei Felix, met een eensklaps aangestoken vroolijkheid, he, da's +mooi! en hij gleed van Jozefs knie en ging, zonder verder te bedanken, +voor het venster zijn boekje bekijken. + +Daarna werd er koffie gedronken. Mathilde zag Jozefs bovenlijf voor +haar, boven het witte tafelvlak, het op en neergaan zijner grijs zacht +omkokerde armen, bij de gladwitte schoteltjes, den bal van zijn hoofd +met de levende gaten en uitsteeksels, waarnaar zijn handen klommen met +het eten en drinken, de schouders van zijn jasje, die zwollen en +neerstreken bij de armbewegingen, zijn blinkende en knippende oogen, +zijn hoofd, dat telkens even boog en rees, zijn hakkenden en trekkenden +mond, zijn snor die van onderen nat werd en met een kruimeltje en die +hij afveegde met zijn vingerdoekje. Zij zag zijn hals met het diepe +kuiltje aan den boord, zijn ooren, die zoo mooi dicht aan zijn hoofd +stonden, zijn rechte neus, het fijne rood van zijn wangen, zijn haar, +dat even mooi zat als altijd. Zij keek, en het was haar alsof zij iets +zocht, iets dat zij vroeger altijd van hem gezien had en dat nu voor +altijd verdwenen was. En zij dacht, of zij dat lichaam had liefgehad, of +het zich niet had losgescheurd van iets anders, een wezen, een waas, zij +wist niet wat, dat alleen zij had bemind. Maar zijn lichamelijkheid +sloeg haar denken voortdurend en zij kon maar niet inzien, dat haar +eindelooze begeerte bij haar was. Nadat hij gegeten had en zijn zware +vale woorden over het brood en de boter en het vleesch boven de tafel +hadden gerold, neerkletterend op haar rug met klamme streken, liet hij +haar vertellen hoe zij den laatsten tijd had doorgebracht, of mevrouw +van Borselen er al was, of de bloemen nog goed opkwamen in den tuin, of +zij al een wandelingetje verder dan de tuin had gemaakt, en hij zeide +herhaaldelijk dat zij erg bleek zag. + +Na de koffie deed hij een cigaret van voren in zijn mond en rookte. Hij +zei: + +--Willen we ook een beetje in den tuin gaan? + +Zij gingen. Lief en goemoedig lei hij haar rechterarm in de kromming van +zijn linker. Zij stapten samen regelmatig voort, en hij blies zijn rook, +blauwetjes, van zijn hoofd, den anderen kant uit. Toen ze hem nu goed +raakte en voelde in de jubelende lucht van den waayenden tuin, leefde +stormend in eens in haar te-rug een gevoel van lang geleden. Als een +klaterend beeld in een spiegel waarde zij snel bij haar, de herinnering +van toen zij hem angstig-vreemd had gezien op den ochtend van hun +eersten zoen. Maar krachteloos viel de herinnering terug voor de eenmaal +zoo nauwkeurig en vast in haar gevormde gedachten der laatste dagen, die +onweerstaanbaar opzetten naar de klanken en klanksmartten uit haar mond: + +--Ik zou wel eens over iets met je willen spreken ... + +--Zoo waarover dan? + +--Ja, je zal het wel heel gek vinden, maar voor mij is het een ernstige +zaak. + +Hij keek haar over zijn schouder aan. Zij keek naar den zwarten grond, +zij was koud, zonder ontroering, zij deed niet, zij onderging de macht +van haar besluit, dat haar deed spreken buiten haar wil om. + +--Wat bedoel je dan? Ik begrijp het niet. + +Toen zeide zij hem kalm-koud: + +--Je houd niet van me. Wil je niet weer van mij gaan houden? Anders weet +ik niet, hoe ik langer moet leven. + +Hun hoofden gingen voort, dicht bij elkaar, met een stuk heestergroen er +tusschen en er boven wijd wech de wind-spelende wit-blauwige ruimte. In +zijn hoofd, naar voren gewend, was verwondering. Daar begreep hij niets +van. Wat scheelde haar nu weer in eens? In haar hoofd was de harde +gevoellooze koelte, maar een scherpe wrevel over de tegen haar wil in +gesproken woorden zwart-lemmette op en tegelijk begon een gloeying, +vreemd opkomend, van diep beneden. De wrevel hief haar arm een beetje en +deed hem bijna niet meer liggen in den zijnen, en zij kreeg ook een +goeddoend gevoel van gemak, van breede tevredenheid, van bedarende +opklaring van haar gemoed. Zijn beenen bewogen gelijk op met de hare, +zijn lang gewachte lichaam was hoog naast het hare, en zij dronk blijde +zijn tegenwoordigheid in al het waarneembare van zijn leven. De zomer +baadde hen bij lauwe vlaagjes, bestoeide hun opwippende haren, glom +tegen hun niet-ziende oogen. Jozef zei in den licht-wind: Maar, lieve +kind, ben-je dwaas? Ik hou nog altijd even veel van je, waar haal je dat +vandaan, dat ik niet meer van je zou houen? + +Haar arm zeeg weer neer op den zijnen. De gloeying vlamde op in haar, +haar geest geheel vullend. Al de liefden, die in haar voor hem geweest +waren, rezen aan-een, niet te temperen, en in een brand uit haar oogen +en over haar borst sproot uit haar splijtend gemoed een kletterende +op-een-volging van zware, doffe, heesche fluitende klankjes, waarin zij +hem zeide, wel te weten, dat hij dit zou andwoorden, alles te weten, wat +hij nog meer zou willen zeggen; maar dat dit alles niets beduidde, dat +hij, als hij zich maar eens goed wilde onderzoeken, wel zou merken, dat +zij gelijk had met te zeggen, dat hij toch eigenlijk niets meer van haar +hield. Zij verweet hem al zijn verwaarlozingen zij vertelde hem van al +de dingen, die haar zijn verflauwing hadden doen weten. Maar zij klaagde +niet, zij was boos, en het voorgenomen smeeken verstijfde in een vergen +tusschen haar verdunnende lippen. Zij had zijn arm aan haar linker borst +gedrukt, haar hoofd dicht bij het zijne gedaan. Maar toen zij alles in +eens gezegd en uitgesproken had, met zacht rood aan haar slapen en haar +voorhoofd, en hij andwoordde: maar, lieve kind, dat verbeel-je je +allemaal maar, je hebt de koorts, je moet wat kalmeeren,--toen liet zij +hem los en bekeek hem zoo als hij daar was met den tuin om hem heen, +zijn blanke voorhoofd en zijn stille korte haar, zijn kalme wangen, zijn +gewone oogen en grijze schouders. Hij tuurde voor zich uit met +hooggestreken wenkbrauwen als om in het dennen-boschje een oplossing van +de vreemde ziekte van zijn vrouw te vinden en hij drukte zijn bovenlip +over zijn onderlip. Haar armen krompen tegen haar lijf, haar hals kromde +een weinig om laag, in haar oogen kwamen roode spikkeltjes, zij zag +hem niet aan. + +--Kom, Thilde, zei hij, laten we over iets anders spreken. En zij +spraken er over, om Ster en mevrouw v. Borselen ten eten te vragen, om +Felix op een bewaarschool te doen. Mathildes verbeelding voelde hem nu +niet meer, haar verstand dacht hem. Zij merkte zijn heele +persoonlijkheid, met al zijn doen en laten, als een kleinigheid in haar +grooten hartstocht. Zij voelde hem heelemaal te kunnen overzien. Hij was +een gewone, verstandige en mooye man. Hij had vroeger veel bij hen aan +huis verkeerd, daarna waren zij samen getrouwd, en hij had zich altijd +gedragen zoo als een fatsoenlijk man zich tegenover zijn vrouw gedraagt, +wat wilde zij toch eigenlijk nog meer? Toen zij ziek was geworden, +hadden zij natuurlijk niet zooveel samen kunnen zijn als vroeger. Haar +verdriet was, dat zij hem geheel waarnam, want eerst was er, behalve +zijn neigingen en gedachten, die zij wist, iets onbekends voor haar in +hem, een verborgen geheimzinnige kracht in zijn wezen, ondoorgrondbaar +en heerlijk,--het was de liefde, de zij voor haar in hem veronderstelde, +Zij zag hem nu zonder dat groote en diepe, met een hoofd leeg van haar, +leeg van wat zij wilde, zonder begrip. Zijn wezen was gering, hij had +niets dan zijn leden en zijn dagelijks zelfde hersens, waarin elken dag +de indrukken en gedachten van den vorigen zich herhaalden, zonder ooit +zoo'n vreemden droom, zonder ooit zoo'n onbegrijpelijk gevoel voor iets +hoogers, iets meers. En zij wist niet en vroeg zich, waarom zij zoo van +hem was gaan houden. Wat had zij eraan voortdurend aan dien man te +denken, wat hoefde zij zich ziek en ongelukkig te maken om zijnentwil? +Haar hersens werden hoe langer hoe kouder. Zij voelde zich een oogenblik +staan, als gelukkig in haar leven, buiten haar liefde. Zij dacht een +kalm, zuiver, geregeld, gezond dagelijksch bestaan, waarin zijn hoofd en +zijn schouders naast haar niet meer trilden, waarin hij niets was dan +haar gewone maatschappelijke echtgenoot, keurig en fatsoenlijk, zonder +die nutteloze bombarie van dwaze grillen en opwindingen. Wat was er niet +veel te doen in het leven, ook voor een vrouw! Wat zou zij een mooye +handwerken kunnen maken, en koeranten en boeken lezen om op de hoogte te +zijn! Niet alleen zou ze haar huishouden uiterst zorgzaam kunnen doen en +veel meer in de perfektie dan tegenwoordig, maar ze zou b.v. ook voor +arme kinderen kunnen naayen, zooals andere dames deden. En dan, om het +voornaamste niet te vergeten, wat zou zij veel meer moeite en +oplettendheid aan de opvoeding van Felix kunnen geven! Nu werd die voor +het meerendeel overgelaten aan Marie, en dat was eigenlijk volstrekt +niet zooals het hoorde. Verder, als zij dan ook weer heelemaal gezond +zou zijn, had zij voor uitspanning de konversatie met mevrouw v. +Borselen en met andere dames, waarvan zij de kennis kon maken. En, och +Heer, er waren nog zooveel andere dingen. Waarom moest zij zich ook zoo +afzonderen in de laatste jaren? En zij zag in eens een leven vol +verscheidenheden en kleine gelukjes, dat zij in haar bespottelijke +hersenkoorts geminacht had zonder nagedachte. + +Jozef meende daar het middel gevonden te hebben, om zijn vrouw tevreden +te stellen. + +--Wil ik, nu je weer zooveel beter bent, eens een week of drie achter +elkaar hier blijven? vroeg hij. + +Maar een onoverkomelijke warschheid klom tot aan haar mond. Zij zeide: + +--Ja, ik zou 't wel heel graag willen, want man en vrouw hooren bij +elkaar, maar ik geloof wezenlijk, dat 't beter voor me is, dat ik +vooreerst nog maar alleen blijf, want als ik niet zooveel rust mogelijk +heb, kan ik niet slapen. + +--Dat spijt me, zei hij, en glimlachte, haar liefweemoedig aanziende. + +Maar zijn glimlach werd vernederd en wrevelde wech op de strakheid van +haar gezicht. Zij gingen te-rug in huis en liepen wijder van elkaar over +het pad, met schokjes van stuursche verlegenheid in hun armen en beenen. +Het witblauw van boven en het dartelende groen krioelde tot hun hoofden +en tusschen hun leden. + +Den volgenden ochtend, toen Mathilde mat opstond, met een moeheid van +het leven in haar beenen en in haar hoofd, zag zij haar fletse gezicht +in den spiegel, haar flauwe oogen, de vale plekjes er onder, en de lange +rimpels over haar voorhoofd. Zij voelde een grooten wrok tegen Jozefs +frissche lichaam. Zij zag, dat het buiten al-weer een lichte dag was, +een uit dezelfde eentonige opvolging, die tot gisteren geduurd had en +die morgen en overmorgen en altijd weer verder zou duren. Weer zag zij +den tuin door het venster, zonder iets buitengewoons, in zijn zelfde +aanzien van steeds, zij alleen verouderde intusschen en het erge +heerlijke van haar jeugdleven zou verminderen en eindelijk heelemaal +wechblijven. Zij keek naar de voorwerpen die stil stonden om haar heen. +Wat was het nu? Ging zij naar een doel? of wat deed zij eigenlijk? Wat +gaf het? Zij, die dacht, dat er zooveel met haar gebeurde, wat +beteekende zij, wat gebeurde er met haar? niets. De dag van vandaag leek +precies op den dag van vijf, zes jaar geleden. Zij had eenvoudig haar +zenuwen, haar lichaam vermoeid en ziek gemaakt en zich voor altijd +berimpeld door zich allerlei dingen in te beelden waarvan niets bestond +en door het gewone leven te vergeten, dat toch eigenlijk alleen waarde +had. Maar hij was er de schuld van, hij, die man, die zich aan haar zij +had gedrongen. Aan hem had zij het beste, alles, gegeven wat zij had. +Hoe was 't mogelijk, dat zij zich in 't begin zoo gelukkig had gevoeld +door hem! Wat gaf zij nu om hem? Niets! Hij was daar met zijn +onverschillig-beminnelijke, koele, bekrompen wezen. Zij was mooi geweest +vroeger, zij had ten minste een lief gezicht, had iedereen gezeid. Nu +was ze het niet meer. Haar vader was alleen gestorven uit verdriet over +haar huwelijk. Neen, zij kon hem niet meer lijden, die man, die haar +gebruikt had, om een tijdje pleizier met haar te hebben, die haar +ongelukkig had gemaakt en dien zij nu verveelde. In de zweterige mufhe +van haar eerste op-zijn liep zij met driftige zwartgalligheid door +haar kamer. + +Jozef kwam haar goeyen dag zeggen. Hij moest wech met de diligence. + +--Nee, ik ben nog ongewasschen, zei Mathilde, geef me maar alleen een +hand. + +--Dat kan mij ook wat schelen, zei hij, daarvoor hou ik te veel van je. + +Hij zoende haar voorhoofd, maar zij deed niets te-rug. + +--Zeg, hoe maakt Emilie Berlage het toch, daar heb ik heelemaal vergeten +je na te vragen. + +--O, ik geloof goed, maar ik heb der in lang niet gezien. + +--Nou, doe der me komplimenten as je der ziet ... + +--Nou, dag kind, aanstaanden Zondag kom ik weer, hoor! + +--O, uitstekend! + +In een gevoellooze rust leefde Mathilde de zacht-grijze week die nu +volgde. Zij bleef zonder gewaar-wordingen en sprak bijna niet. Zij was, +na de vermoeying van haar te veel voelen der laatste tijden, in een +begeerteloze vrede met de stilte van elken dag. Zij had plotseling op +een dag oud naaiwerk voor arme kinderen uit de kast gehaald en was daar +met een niet-opzienden ijver aan gaan werken. Maar de week was al +voorbij en Jozef zat weer tegenover haar aan tafel, vragende, waar zij +daar zoo druk aan bezig was. + +Hij stond op en ging eens bij het venster staan en daarna weer zitten op +een stoel vlak bij Mathilde, met zijn ellebogen op zijn knieen en zijn +hoofd naar haar werk toe. Het was als snuffelde hij met de +vooruit-stekende gedeelten van zijn gezicht naar Mathilde en haar werk. +Een oogenblik later stond hij weer aan de piano en bladerde in de +muziek. Hij keerde zich om, stond met zijn handen in zijn zij, keek op +Mathildes hoofd. + +--Kan je velen, dat ik piano speel? vroeg hij. + +--O ja, wou je iets spelen? Dat heb je in lang niet gedaan. + +--Ja, zei hij, zijn woorden slepend, ik wou nog eens zien of ik dat nog +kon. + +--Wat? + +--Nies, zoo'n deuntje van Offenbach, dat ik vroeger uit mijn hoofd kon. + +En in eens, terwijl Jozefs lange nagels onaangenaam de toetsen tikten, +geluidde de piano los, met een verwondering der stilte in den hoek, waar +zij zoolang met haar gewone meubelstomheid gestaan had en een +geklinkklank door het hol-ziende huis, vervuld met de woordelooze +klanken van dat vreemde onbewegelijke beest uit de hoek van de groote +kamer. Felix kwam toegeloopen uit den tuin en door het open venster, +bleef staan in een zonnebegieting van zijn blauw pak en blonde haar. Een +boerenjongen die juist voorbij kwam op den weg bleef ook staan, kijkend +uit de verte. Mathilde werkte door, met gebogen hoofd, en zij begreep +niet, welke rare aandoening haar in eens overviel. Het was haar of zij +met haar smarten, vergeten was door het leven, waarvan zij eerst het +middenpunt was geweest. Buiten waren de boomen in de zon en de kalme +omtrek, hier binnen, de leege kamer, Felix, en Jozef, die zijn luchtig +melodietje speelde, dat een uitlachende vroolijkheid langs de ruiten +deed gaan en dribbelen langs al de onverschillige muren. Met wibbelende +tredjes hakkelden de pianoklanken over haar breede lijden. Zij gold niet +meer, zij telde niet meer mee. Alles leefde buiten haar om. Haar +verdriet was vergeten en begraven. Het groen, buiten, was vol van glans. +Felix stond met rooye wangen van het loopen in den tuin, de kamer was +netjes in orde, en zij was getrouwd, zij waren immers getrouwd, zij was +immers een fatsoenlijke getrouwde vrouw, die een gelukkig en benijdbaar +leven had. Dat was zij en anders niet, maar dat was ook genoeg. En zij +was niet dat andere, die afgrond van lijden in haar wezen, waarin zij +niet wou zien, maar die zij open voelde vlak onder haar oogen. + +Mathilde voelde toch een stil genoegen, dat Jozef in haar bijzijn was. +Hij was voor haar een wezen, dat haar nog den vroegeren Jozef +herinnerde, maar waaruit dat gedeelte van zijn leven, dat hem tot haar +alles gemaakt had, voor altijd was verdwenen. + +Jozef was nog aan 't spelen, toen Marie binnenkwam om klaar te zetten. +Hij speelde gauw een paar slot-akkoorden, stond op, met een knippenden +blik op Marie, waarin hij het laatst over haar nadacht, stak zijn handen +in zijn broekzakken, keek op Mathildes werk die voortdurend zat te +naayen. Hij keerde zich snel om, klapte in zijn handen voor Felix, nam +hem onder zijn armpjes op en hield hem in de hoogte boven zijn hoofd, +lachende, en met zijn goedig-lichtzinnige uitdrukking, zeggende; kijk, +nou bee-je nog grooter als ik! En met Felix op zijn schouder ging hij in +den tuin om een roos voor zijn knoopsgat te plukken. 's Avonds dronk +Mathilde thee onder de warande en onder het stilletjes in den avond +wechkwijnende daglicht mijmerde zij over Jozef. Jozef was na den eten +dadelijk uitgegaan, om in de societeit een partij billard te spelen, met +een meneer uit het dorp, met wien hij kennis had gemaakt. + +Mathilde leunde in haar stoel, met een borduurwerk, dat zij roerloos op +haar schoot hield in haar linker hand. Zij had hem heen zien gaan over +den breeden weg, met het blauwe sigarenmistje om zijn hoofd, tusschen de +dikke boomenstammen. Zij was allen. Zij voelde zich leven in den +dof-blonden avond, die neer-zachtte over de klagende slaapgebaren der +verdonkerende boomen. Maar zij leefde tegen den dommelenden avond in, +boven den duisternis-spoelenden grond, met haar hoog hittende hoofd op +onder de drijvende wolken, met haar droomenfonkelende oogen voort door +de nachtende eenzaamheid. + +Het was wel plezierig zoo'n beetje stil te zitten 's avonds en niets te +doen dan denken. Daar had zij altijd veel van gehouden, ook toen zij nog +een jong-meisje was. He, het was drukkend warm van-avond. De warme lucht +werd haar als uit open monden om het hoofd geblazen. Die tijd was lang +voorbij, ja, heel lang. Waaraan dacht zij toen ter tijd ook weer +zooveel, gedurende al die verdroomde uren? Ja, dat wist zij niet meer, +het waren wel mooye dingen, maar het was te lang geleden, dan dat zij 't +zich nog kon herinneren. Zij dacht aan het geluk, dat wist ze wel, en +zij had ook nog het vage gevoel, dat zij zich er onbegrijpelijk veel van +had voorgesteld, toen, van dat toekomstige levensgeluk. Wat was zij een +buitensporig en wild schepsel geweest, als kind. Dat was later al gauw +overgegaan. Wanneer men eenmaal een groot mensch is, beweegt men vanzelf +zijn leden minder onbesuisd en wordt het heele leven stemmiger. Waar was +toch het geluk? Het was niet boven haar, het was niet voor haar uit, het +was niet aan haar zij, zij kon het niet zien in de duistere warmte, die +dreigend naderde en ijlings week en ommewaarde in zwartgestaltende +zwenkingen. Neen, het was in haar. Als zij maar nadacht, dan kwam het +vanzelf te voorschijn. Zij dacht na ... Het was toen haar vader al lang +dood en begraven was, maar zij woonden toch nog in het oude huis. Zij +voelde zich op een avond leeggehuild en moe van droefheid, onverschillig +voor alles. + +Toen was Jozef bij haar gekomen en had heel lief tegen haar gedaan. + +Mathilde was in de zilverschemerende herinnering. Op de tafel lag een +opengevouwen koerant, die witterig opritselde in de lauwe donkerte en in +den wind een eindje voorschoot naar haar toe over de tafel. Haar oogen +sloegen wakker uit de mijmering en zij zei zachtjes; wat is er toch?, +toen zij zich in eens te-rugvond in dezen avond. Hoog klom het tegen de +zwarte stijlen der warande, waarom de klimop in warrelende donkere +rukken steeg, en vlakte met den grond onder haar voeten en drong in haar +bewustzijn, met de zielloze gekantheid der voorwerpen, het Tegenwoordige. +Zij was nu. Zij keek om zich heen: och, waar was toch de tijd, die +voorbij was gegaan? Zij wist het verledene niet. Zij wist den avond van +nu, en haar wachten. Maar was zij hier toch? Zij voelde zich als met een +plomp neergezet op haar stoel, van de hooge dragingen harer verre +mijmering. Hoe vreemd was het hier! Boven haar was de bekapping der +warande, daar naast de leege kamers van het stille huis, en verder, +buiten, de groote ruimte, met de boomen zonder oogen, met de lage +heesters zonder mond, onder de behuiving der stommelende wolken, die +geen stemmen hadden. Aan d'overkant was licht achter de vensters. Daar +waren onbekende menschen, die niet wisten, dat zij hier zat. In haar +huis naast haar waren de meiden, vrouwen zoo als zij, die ook spreken +konden, maar zij wisten haar niet en waren met hun zelf, en het was ook +ver, van haar tot de keuken. Daar was veel donkere ruimte tusschen, +ruimte, die zij niet door kon gaan. Het was te ver, veel te ver. En toch +wilde zij het geluk weer. Zij had het noodig. Zij kon er niet buiten, +nu, op 't oogenblik, zonder uitstel. + +Zij was alleen. Zij kon kijken rechts in de tuinruimte, er was niemant, +die naar haar toekwam, met voeten over den grond, zij kon kijken voor +zich uit, er waren geen menschenvormen, die zich schiepen uit de +donkerte. Niets dan haar warme leden, en haar handen, die als rare +blanke stukken uit de vale mouwen staken, zoo ver van haar willende +hoofd. + +Zij had hem zien gaan, haar man, haar geliefde, zij had hem langzaam +zien wechgaan, voor de duisternis nog viel, onder de hooge boomen. En +zij zat hem te wachten, nietwaar, het was immers zoo? Zoo meteen kwam +hij te-rug. Maar hij moest toch wel ver zijn gegaan, want zij zag hem +niet meer, geen slipje van zijn mooye jas. En al die donkerte was +tusschen hen, breed en zwaar, ondoordringbaar. Haar verbeelding kon hem +wel zien, maar alleen van achteren, zijn beenen, die zij aan zijn lichte +broek kon herkennen in den zwarten nacht, en die wechliepen, altijd +verder, verder, verder. + +Zij hoorde een heel eind wech in het dorp, de kerkklok slaan, met kleine +stalen tikjes op de rillende duisternis. Hoe laat was het al? Het moest +al heel laat zijn. In de lucht werden de wolken dunner, maar het bleef +broeyend. Er waren even twee sterren, een groote geel-groene, een +kleine, verdere, donkerroode, die dadelijk weer verdwenen. Zij ging naar +binnen en keek op de pendule. Het was tien uur. Was hij dan nog niet +thuis? Waar bleef hij toch? Zij ging loopen door den tuin, om hem af te +wachten. Zij was bang voor de zware warmte, die om haar leden bleef +hangen om haar te benauwen. Zij bleef staan bij het groote hek, aan den +dorpskant, waar hij vandaan moest komen. Zij zou hem hooren aankomen in +de donkerte, dan zou ze hem tegemoet gaan op den weg. 't Zou meteen voor +'t eerst zijn, dat zij buiten den tuin kwam. Maar nu was zij ook hersteld, +zeker, zij was gezond. Waar bleef hij nu toch? Wat duurde het lang. + +Plotseling hield haar denken op. Er gebeurde iets. Er was als een zwarte +dunne lange lijn in den hoogen wind boven haar geweest, die achter haar +om was geslagen in den hoek van haar oog. Er was een snelle beweging van +vormlooze verschrikking door de nacht-ruimte. Een laatste steenen koude +versteef Mathildes wezen, een doodslag, die in de stilte op haar liefde +viel. Zij keek naar hun rieten dak. Aan het eene venster Felix' kamertje, +was licht, het andere, waar Marie sliep, was donker. Zij dacht, dat +Marie zeker nog in de keuken zou zijn. Zij ging langzaam, met stijve +stappen, naar binnen. Haar armen hingen als houten, zij voelde zich +hopeloos wechsterven. Toen zij onder aan de trap was, was Jozef bij +haar, die van boven kwam, zonder schoenen, en zijn haar aan den eenen +kant in de war. Hij keek haar aan en zag een vreemd zwart licht in haar +oogen, die als scheel zagen. Hij was met Marie geweest. Zij wist het. + +--Ik dacht, dat je nog niet thuis was, zeide zij. + +--Ja, ik ben even Felix goeye-nacht gaan zeggen. + +--Zoo? Wacht, je haar zit daar een beetje in de war ... Zij streek het in +orde met haar aan den arm geheven hand, maar meteen viel zij tegen hem +aan, brekend in een hijgend schreyen, met luide, lange toonen als een +kind. Haar eene hand stak uit boven zijn schouder, haar neus en kin waren +gedrukt tegen zijn beenen jasknoopen. + +Jans kwam uit de keukendeur, denkende dat Mathilde een ongeluk had +gekregen, Jozef, die zachtjes Mathilde naar de groote kamer bracht, zei +tot Jans, dat zij was gevallen en erg geschrokken was. + +In de groote kamer, waar alles nog donker was, zei Mathilde tot Jozef, +die zweeg, vlak voor zijn oor met haar lippen, met een zachte stem, die +diep uit haar binnenste scheen te komen, als had een ander wezen in +haar gesproken: + +--Weet u waarom ik zoo bedroefd ben? Jozef is dood, Jozef is dood!; ... +Dat was mijn man, weet u. En haar huilen droogde wech, in dorre +huivering, die door haar gezicht ging. + +Zij rukte zich nu in eens van hem los en liep gauw naar haar kamer, +waarvan zij de deur hevig dichtsloeg. + +Jozef stond alleen in de zwarte kamer, met zijn neerhangende +besluitelooze armen, in een elegante houding. Hij was eerst bedremmeld +en keek naar het muurvak, waarachter Mathilde nu was. Toen ging hij naar +zijn slaapkamertje en trok zijn schoenen weer aan. Hij had willen +voorwenden ze te hebben uitgedaan, om, als Felix sliep, hem niet wakker +te maken bij het goeye nacht-zoenen. + +Jans bracht de lamp in de groote kamer, bleef even staan, met bezorgde +oogkassen. + +--Wat is er toch met mevrouw gebeurd, meneer? + +--Ik weet het wezenlijk niet, zei Jozef, ik geloof, dat zij vreeselijk +de koorts heeft. Laat Marie nog maar even naar den dokter gaan. Ik +begrijp ook niet, waarom die man niet meer komt. Wacht, ik zal zelf nog +'es gaan kijken. + +Mevrouw heeft de deur op slot gedaan, zei Jans. Jozef klopte tegen het +hout van de deur, het bleef geluidbos er achter, hij wou door het +sleutelgat zien, de sleutel zat er van binnen in, Jozef zag zwart. Hij +ging op het straatje, zag licht aan de vensters, tikte, zonder andwoord. + +Toen Mathilde op haar kamer was gekomen, had zij van de wreede +ruischelende wanden een koele kalmte over zich voelen vallen. De +gewoonte had met haar handen bedaard de lamp opgestoken, als kwam zij +daar om naar bed te gaan. Zij trad langzaam over het tapijt, met zijn +verwonderde en lachende krullen, op en neer. Het stuk leven van +daar-zoo, met dat andere mensch, dien zij had aangeraakt, met de +huilgeluiden van haar keel, het rillen van haar gezichtsvel, haar +armbewegingen, haar loopen en haar openen van de deur was voorbij haar +zintuigen geslagen als voor goed wech en achter haar, iets dat zij nooit +meer te-rug zou beleven. Zij vond de kamer hier een stille, afgezonderde +plaats, als onder een kerk, een graf van rust, waar zij gekomen was, om +voor goed uit te huilen, en dan te slapen, te slapen, daar alles voor +haar toch voorbij was gegaan. + +Haar bewustzijn scheurde op. Daar stond haar bed en de gordijnenschaduwen +beblond-donkerden de wanden. Het bed was altijd in haar leven geweest, +met zijn zwaar hangende gordijnen, allen stillen nacht, met hun breede +roerloze schaduwen. Wat had zij dan toch gedaan? Zij kon toch nog wel +denken? Die donkere man, tot wien zij gesproken had, maar dat was toch +haar man, den man, waarmee zij getrouwd was, getrouwd, zoo als al die +andere vrouwen ook met hun mannen getrouwd zijn. Waarom had zij dan tot +hem gesproken van haar man, als hij 't niet zelf was? Maar hij was 't +niet, dat lichaam was niet haar man. Zij werd nu als een ontbinding van +haar wezen gewaar. Zij wist niet meer waar zij dacht. Daalde haar +waarnemen niet onder haar hoofd? Zij voelde haar handen niet meer, als +tot haar eenheid behoorende. Zij voelde, dat haar oogen op dezelfde +hoogte bleven, maar wat ging het vreemd in haar hoofd, haar gedachten +holden als vale eilheden om, zich verdeelend en oplossend, zonder +vastheid, zonder tot geheelen te worden. Zij knoopte langzaam haar goed +en haar korset open en ging op het bed liggen, waarvan de gordijnen weer +achter haar dichtvielen, eerst op haar rug, toen op haar rechter zij, +toen voor-over, met haar voor-armen onder het kussen, haar rechter wang +er langs aayend, op en neer, en stil met haar heele lichaam. De +lampe-vlam gaf een warrige mat gouden glansplek in het gordijn, naar +haar hoofd. Daar viel een bekende gedachte als een vaal pakje door de +warreling harer gudsende hersens, en brak open en bloeide op, +hel-lichtend in den purperen kolk van haren waanzin. Zij zat in de +warande en was immers aan 't denken, aan 't denken aan het geluk? Hoe +was 'et ook weer? In de kleine binnenkamer van het oude huis was haar +vader, hij bewoog zich, hij sprak, hij pakte haar bij haar arm, hij +zoende haar, och, wat zag hij bleek, hij ging dood, haar vader. Hij +wankelde en viel van zijn stoel op den grond. Hij sprak niet meer in de +binnenkamer, hij was dood, haar vader. Vader, vader, bent u dood? ... +Zij was nog een heel klein meisje, dat was haar nieuwe japon, dien zij +daar aan had ... Was hij niet mooi, haar nieuwe japon? Mooi, nietwaar? +Zij ging er mee trouwen, Zij was een groote dame, en ging trouwen ... +Met wien, wel met Jozef natuurlijk, met Jozef ... Hij was altijd bij +haar geweest, nu ging zij met hem trouwen ... Zij was nu een getrouwde +vrouw ... Zij gingen samen wandelen, heerlijk, de menschen keken om naar +zoo'n mooi gekleede en gelukkige man en ... Dat was weer een benauwde +nacht, wat trokken zij toch haar lichaam uit elkaar? moest zij dan zoo +gemarteld worden? ... Een stuk van haar lichaam, dat er zich van +afscheidde ... O, God, men had van haar lichaam afgescheurd, datgene, +waarom Jozef zooveel van haar hield ... Want nu bleef hij wech, zij zag +hem niet meer, hij bleef voor goed wech, ... Jozef, Jozef was dood ... +Het groeide op en werd hooger naast haar, het wezen, dat uit haar was +voortgekomen ... Jozefs gezicht was er in afgedrukt, maar altijd bleef +het tusschen haar en Jozef ... als een onoverkomelijke scheiding ... En +Jozef veranderde van trekken, hij leek niet meer op den vroegeren Jozef, +het was een vreemde man, het was Jozef niet meer ... Want hij was dood, +lang dood, wechgezonken onder den grond ... Zie, daar was zijn gezicht, +aan de zoldering, aan den wand, op de vloer. Het was een gezicht en +niets meer, een vage, ontastbare plek, maar de plek werd hoe langer hoe +grooter, de oogen flauwer en de deelen van het gezicht scheidden van +elkaar, werden geheel onherkenbaar en verdwenen in de vloer, voor altijd. + +Mathilde huilde. Het lauwe water vloeide uit haar oogen en mond in het +kussen. Maar in eens sprong zij van haar bed, liep met haar armen in de +hoogte, in haar losse kleeren, naar den wand, en sloeg den wand, als om +er het geluk aan te doen ontspringen, die liefde, dat onbegrijpelijke en +eeuwig-zalige, dat zij wilde klommen in haar leege armen, die zij wilde +drinken met haar drooge keel. Zij schreeuwde het uit, met rukken van +klagend krijschen, die de meiden en Jozef, met ernstige aangebogen, +luisterende hoofden bij-een bracht in den gang, voor de gesloten kamer, +die Felix wakker maakten door het geklaag dat van onder den grond in +zijn eenzame kamertje boven, om zijne kleine lichaam steeg. Hij kwam +benauwd uit zijn slaap, en begon dadelijk ook te huilen om het onbekende +ongeluk, dat er was in het huis. Maar hij durfde zich niet verroeren, +doodelijk bang, dat er iets geheimzinnigs in zijn kamer mocht zijn. + +Mathilde ging weer door haar kamer, van de deur naar de muur, van de +muur naar de deur. En de deur en de muur bleven haar sprakeloos +aanstaren. Een droef-gele drooge stilte hing van de zoldering over +Mathildes hoofd, waarin, boven het lichaam van week vleesch, de smart +sapte. Haar huiverende hersens zochten wat men haar altijd aangeduid had +als "geluk". Toen zij een tijdje getrouwd was geweest, had zij wel +gevoeld, dat dat het was, als Jozef haar raakte, als Jozef haar aankeek, +met haar opgemaakte hoofd en haar kleeren over-dag, en 's nachts als zij +zich zelve niet herkende. Maar zij had wel dikwijls gedacht, dat dit nog +pas het begin was, en er iets anders volgen moest, later, later, altijd +later. Boven Jozefs persoonlijkheid uit had zij wel een anderen Jozef +gedroomd, die hij was, maar toch mooyer dan hij, grooter dan hij, een +die nog dieper in haar lichaam kon dringen, die haar heele wezen tot +zich kon nemen en het zijn maken, zoo, dat zij haar zelf niet meer voelde. + +De jaren en dagen van hun eerste huwelijksdag af holden door haar +herinnering, de lichte ochtenden in de stad, met het leven op straat en +niets dan huizen, de donkere avonden, hier, zonder gerucht en met het +groen, alleen, waarvan zij zooveel hield. En al die dagen waren gekomen +en gegaan, zonder het ongekende te brengen, dat zij wachtte. Nu was +alles gedaan. Zij zag het aan de rustige lamp en aan de platte wanden: +de minnaar, de geliefde, de vreemde man, dien zij zich niet kon +voorstellen, waarin haar mijmering haar gezegd had, dat Jozef eens zou +veranderen, hij zou nooit komen; al de liefde, die haar wezen verbruikt +had om hem te wenschen, was verloren gegaan, wechgegooid in den +onverschilligen gang van het vale leven. + +Toch moest er iets zijn. Van haar beenen, en over haar borst, van haar +mond en haar oogen steeg de begeerte naar bevrediging, die de +kamerwanden om de lamp heen vernauwde en vaalgeel de verstikking der +verlangens deed uitmisten. En uit haar eerste jeugd leefde de +herinnering op, een rust en een genoegdoening, die zij had gevonden op +de kostschool, als zij bedroefd was, God, het denkbeeld, dat nog een +enkele maal in haar later leven was ontwaakt. O, zij wist het nog wel. +Hij was de groote troost en de eeuwige vrede, voor die Hem kon +liefhebben was de droefheid nooit doodelijk, zoo als zij haar nu scheen. +Maar zij kende Hem niet meer. Wanneer haar vader een enkele maal van God +sprak, viel dat woord in haar als de naam van een persoon uit de oude +geschiedenis, die in de krant komt, als er sprake is van een dissertatie +of een examen en waarover men heenleest. Maar de tijd, dat zij ontroerde +bij het denken aan God was toen haar borsten uitzetten en zij aan +duizelingen leed, in de kapel van het pensionaat. Die aandoening wilde +zij herleven, en zocht haar, zocht haar door de dikke laag der +veroudering. Maar God was voor zoo weinig in haar volgroeide leven +geweest, zij vond zijn gelaat niet te-rug in haar verbeelding. Zij zag +weer Jozefs twee bruine oogen, twee lichtpunten, die naar haar toe +schitterden, maar oogen van vroeger, de oogen van den doode, die niet +ook waren in dien man hier in huis. + +Zij ging weer op haar bed liggen, met haar bonzende hoofd, in haar +koorts van wild begeeren. Zij richtte zich op en luisterde, als moest +zij hem van ver hooren naderen. Maar alles bleef stil, totdat zij eens +Jozef hoorde bewegen en hoesten, die achter den wand in zijn bed lag. +Was hij dat, was hij daar? Neen, dat was het andere, het namaaksel van +haar man. Dien moest zij niet hebben. En den heelen nacht eilde zij +door, in een half-wakenden, half-slapenden toestand, in verschrikkingen, +die het bed deden kantelen en de kamer instorten over haar hoofd, in +droomen van zware blokken, die over haar lijf vielen, en van een God den +Vader, een grijsaard met een langen baard en een kroon op het hoofd, die +zachtjes tot haar afdaalde, maar dan onvoelbaar werd als een geest en in +rook verwolkte om haar heen. + + + + +XIV. + + +De dokter, dien Marie niet thuis had gevonden, was den volgenden ochtend +gekomen, en had gezegd met zijn dikken mond, dat Mathilde een hevige +koorts had, dat zij vooral de grootst mogelijke rust moest houden. + +Toen Mathilde na drie weken weer beter was, werd zij weer opgenomen in +den gang van het gewoonte-leven der omgeving. Zij vond alles uitstekend +in de zwakke blijdschap van haar herstel. Alleen hinderde haar in 't +begin bijna elk geluid. Jozef was, toen zij zoo erg was, bijna elken dag +overgekomen; zij bleef er hem dankbaar voor; hij was een goeye man. + +Toen zij weer voor 't eerst in den tuin kwam, vond zij, dat ze hier toch +wezenlijk een allerliefst buitentje hadden, maar zij had het vroeger nog +nooit goed gezien, ontdekte allerlei aangename en mooye plekjes, die +haar nieuw voorkwamen. + +Zij was in een zonderlingen geestestoestand geweest in den laatsten +tijd. Gelukkig, dat zij zich al die akelige gewaarwordingen niet meer +herinnerde. De dokter zeide, dat de koorts haar meer goed dan kwaad had +gedaan dezen keer, dat hij haar uitgebrand en gezuiverd had en dat +geloofde zij ook. + +Toen zij zes weken beter was, in het begin van Augustus, kwam Emilie +Berlage op een Zondag, dat Jozef er ook was, hen even bezoeken. Het +hinderde Mathilde volstrekt niet, dat Jozef en zij elkaar zoo +vertrouwelijk aanzagen. Maar Marie hadden zij wechgedaan. Felix groeide +op en had nu meer een kinder-jufvrouw noodig, die zij kregen op een +advertentie in de koerant. + +Mathildes gezicht bolde aan tot dat van een gewone deftige dame. Zij had +een groote vriendschap voor Jozef, maar was er niet zoo erg op gesteld +hem altijd bij haar te zien. + +Toen zij einde Oktober weer te-rug waren in Amsterdam hield zij niets +meer over van dien raren zomer buiten dan de slappe herinnering van een +droom. In April van het volgende jaar, beviel zij weer, van een dochter. + +EINDE. + + + + + + + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Een liefde, by Lodewijk van Deyssel + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN LIEFDE *** + +***** This file should be named 10820.txt or 10820.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/0/8/2/10820/ + +Produced by Marc D'Hooghe + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS," WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + +Each eBook is in a subdirectory of the same number as the eBook's +eBook number, often in several formats including plain vanilla ASCII, +compressed (zipped), HTML and others. + +Corrected EDITIONS of our eBooks replace the old file and take over +the old filename and etext number. The replaced older file is renamed. +VERSIONS based on separate sources are treated as new eBooks receiving +new filenames and etext numbers. + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + +EBooks posted prior to November 2003, with eBook numbers BELOW #10000, +are filed in directories based on their release date. If you want to +download any of these eBooks directly, rather than using the regular +search system you may utilize the following addresses and just +download by the etext year. + + https://www.gutenberg.org/etext06 + + (Or /etext 05, 04, 03, 02, 01, 00, 99, + 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90) + +EBooks posted since November 2003, with etext numbers OVER #10000, are +filed in a different way. The year of a release date is no longer part +of the directory path. The path is based on the etext number (which is +identical to the filename). The path to the file is made up of single +digits corresponding to all but the last digit in the filename. For +example an eBook of filename 10234 would be found at: + + https://www.gutenberg.org/1/0/2/3/10234 + +or filename 24689 would be found at: + https://www.gutenberg.org/2/4/6/8/24689 + +An alternative method of locating eBooks: + https://www.gutenberg.org/GUTINDEX.ALL + + diff --git a/old/10820.zip b/old/10820.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..f174bde --- /dev/null +++ b/old/10820.zip |
