summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--10819-0.txt4901
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/10819-8.txt5319
-rw-r--r--old/10819-8.zipbin0 -> 93323 bytes
-rw-r--r--old/10819.txt5319
-rw-r--r--old/10819.zipbin0 -> 93156 bytes
8 files changed, 15555 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/10819-0.txt b/10819-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..08097b5
--- /dev/null
+++ b/10819-0.txt
@@ -0,0 +1,4901 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 10819 ***
+
+DE KLEINE JOHANNES
+
+van
+
+FREDERIK VAN EEDEN
+
+
+
+Aan mijn vrouw
+
+
+
+
+I
+
+
+Ik zal u iets van den kleinen Johannes vertellen. Het heeft veel van een
+sprookje, mijn verhaal, maar het is toch alles werkelijk zoo gebeurd.
+Zoodra gij het niet meer gelooft, moet ge niet verder lezen, want dan
+schrijf ik niet voor u. Ook moogt ge er den kleinen Johannes nooit over
+spreken, als ge hem soms ontmoet, want dat zou hem verdriet doen en het
+zou mij spijten, u dit alles verteld te hebben.
+
+Johannes woonde in een oud huis met een grooten tuin. Het was er
+moeilijk den weg te vinden, want in het huis waren veel donkere
+portaaltjes, trappen, kamertjes en ruime rommelzolders, en in den tuin
+waren overal schuttingen en broeikasten. Het was een heele wereld voor
+Johannes. Hij kon er verre tochten in maken en hij gaf namen aan alles
+wat hij ontdekte.
+
+Voor het huis had hij namen uit het dierenrijk: de rupsenzolder, omdat
+hij er rupsen groot bracht; het kippenkamertje, omdat hij daar eens een
+kip gevonden had. Die was er niet van zelve gekomen, maar daar door
+Johannes' moeder te broeien gezet. In den tuin koos hij namen uit het
+plantenrijk, en lette daarbij vooral op de voortbrengselen, die voor hem
+van belang waren. Zoo onderscheidde hij een frambozenberg, een
+dirkjesbosch en een aardbeiëndal. Heel achter was een plekje, dat hij
+het paradijs noemde en daar was het natuurlijk erg heerlijk. Daar was
+een groot water, een vijver, waar witte waterleliën dreven en het riet
+lange fluisterende gesprekken hield met den wind. Aan de overzijde lagen
+de duinen. Het paradijs zelf was een klein grasveldje aan dezen oever,
+omringd door kreupelhout, waartusschen het nachtegaalskruid hoog
+opschoot. Daar lag Johannes dikwijls in het dichte gras en tuurde
+tusschen de schuifelende rietbladen door naar de duintoppen over het
+water. Op warme zomeravonden was hij daar altijd en lag uren te staren,
+zonder zich ooit te vervelen. Hij dacht aan de diepte van het stille,
+heldere water voor zich, hoe gezellig het daar moest zijn, tusschen die
+waterplanten, in dat vreemde schemerlicht, en dan weer aan de verre,
+prachtig gekleurde wolken, die boven de duinen zweefden, wat daar wel
+achter zou zijn en of het heerlijk zou zijn daarheen te kunnen vliegen.
+Als de zon juist was ondergegaan, stapelden de wolken zich daar zóó
+opeen, dat ze den ingang van eene grot schenen te vormen en in de diepte
+van die grot schitterde het dan van zachtrood licht. Dat was wat
+Johannes verlangde. Kon ik daarin vliegen! dacht hij dan. Wat zou daar
+wel achter zijn? Zou ik daar eenmaal, eenmaal kunnen komen ...
+
+Maar hoe dikwijls hij dat wenschte, telkens viel de grot in vale,
+donkere wolkjes uiteen, zonder dat hij er dichter bij konde komen. Dan
+werd het koud en vochtig aan den vijver en hij moest weer zijn donker
+slaapkamertje in het oude huis gaan opzoeken.
+
+Hij woonde daar niet geheel alleen; hij had een vader, die hem goed
+verzorgde, een hond die Presto en een kat die Simon heette. Natuurlijk
+hield hij van zijn vader het meest, maar Presto en Simon achtte hij
+volstrekt niet zooveel beneden hem, als een groot mensch dat zou doen.
+Hij vertrouwde zelfs meer geheimen aan Presto dan aan zijn vader, en
+voor Simon gevoelde hij een eerbiedig ontzag. Nu, dat was geen wonder!
+Simon was een groote kat met glanzig zwart vel en een dikken staart. Men
+kon hem aanzien, dat hij volkomen overtuigd was van zijn eigen grootheid
+en wijsheid. Hij bleef altijd even deftig en voornaam, zelfs als hij
+zich verwaardigde even met een rollende kurk te spelen, of achter een
+boom een vergeten haringkop op te knauwen. Bij de dolle uitgelatenheid
+van Presto kneep hij minachtend de groene oogen toe en dacht: Nu ja! Die
+honden weten niet beter.
+
+Begrijpt ge nu, dat Johannes ontzag voor hem had? Met den kleinen
+bruinen Presto ging hij heel vertrouwelijk om. Het was geen mooi of
+voornaam, maar een bizonder goedig en schrander hondje, dat nimmer
+verder dan twee pas van Johannes weg te krijgen was en geduldig zat te
+luisteren naar de mededeelingen van zijn meester. Ik behoef u niet te
+zeggen, hoeveel Johannes van Presto hield. Maar hij had toch ook heel
+wat ruimte in zijn hart voor anderen over. Vindt ge het vreemd, dat zijn
+donker slaapkamertje met de kleine ruitjes daar ook een groote plaats
+innam? Hij hield van het behangsel met de groote bloemfiguren, waarin
+hij gezichten zag en waarvan hij de vormen zoo dikwijls bestudeerd had,
+als bij ziek was of 's morgens wakker lag, hij hield van het eene
+schilderijtje dat er hing, waarop stijve wandelaars waren afgebeeld, die
+in een nog stijver tuin wandelden langs gladde vijvers, waarin
+hemelhooge fonteinen spoten en kokette zwanen zwommen; het meest hield
+hij echter van de hangklok. Hij wond die altijd met zorg en aandacht op
+en hield het voor een noodzakelijke beleefdheid naar haar te kijken als
+zij sloeg. Dat ging natuurlijk alleen zoolang Johannes niet sliep. Was
+de klok door een verzuim stil blijven staan, dan voelde Johannes zich
+zeer schuldig en vroeg haar duizendmaal vergeving. Gij zoudt misschien
+lachen, als ge hem met zijn kamer in gesprek hoordet. Maar let eens op
+hoe dikwijls gij bij u zelven spreekt. Dat schijnt u in 't geheel niet
+belachelijk. Johannes was bovendien overtuigd, dat zijne hoorders hem
+volkomen begrepen en had geen antwoord noodig. Maar heimelijk wachtte
+hij toch wel eens een antwoord van de klok of het behangsel.
+
+Schoolkameraden had Johannes wel, maar vrienden waren het eigenlijk
+niet. Hij speelde met hen en smeedde samenzweringen op school en vormde
+rooverbenden met hen buiten, maar hij voelde zich eerst recht thuis als
+hij alleen met Presto was. Dan verlangde hij nimmer naar jongens, en
+voelde zich volkomen vrij en veilig.
+
+Zijn vader was een wijs en ernstig man, die Johannes dikwijls medenam op
+lange tochten door wouden en duinen; dan spraken ze weinig en Johannes
+liep tien schreden achter zijn vader, de bloemen groetend, die hij
+tegenkwam en de oude boomen, die zoo altijd op dezelfde plaats moesten
+blijven, vriendelijk met zijn handje langs de ruwe schors strijkend. En
+ruischend dankten hem dan de goedige reuzen.
+
+Soms schreef zijn vader letters in het zand bij het voortgaan, één voor
+één, en Johannes spelde de woorden, die zij vormden en soms ook stond de
+vader stil en leerde Johannes den naam van een plant of dier.
+
+En Johannes vroeg ook dikwijls, want hij zag en hoorde veel raadselachtigs.
+Domme vragen deed hij vaak; hij vroeg waarom de wereld was zooals zij was,
+en waarom dieren en planten dood moesten gaan, en of er wonderen konden
+gebeuren. Maar Johannes' vader was een wijs man en zeide niet alles wat hij
+wist. Dat was goed voor Johannes.
+
+'s Avonds voor dat hij slapen ging, deed Johannes altijd een lang gebed.
+Dat had de kindermeid hem zoo geleerd. Hij bad voor zijn vader en voor
+Presto. Simon had het niet noodig, dacht hij. Hij bad ook heel lang voor
+zichzelven en het slot was meestal de wensch, dat er toch eens een
+wonder mocht gebeuren. En als hij amen gezegd had, keek hij gespannen in
+het half duistere kamertje rond, naar de figuren van het behangsel, die
+nog vreemder schenen in het zwakke schemerlicht, naar den deurknop en
+naar de klok, waar nu het wonder zou beginnen. Maar de klok bleef altijd
+hetzelfde wijsje tikken en de deurknop bewoog zich niet, het werd geheel
+duister en Johannes viel in slaap, zonder dat het wonder gekomen was.
+
+Maar eenmaal zou het gebeuren, dat wist hij.
+
+
+
+
+II
+
+
+Het was warm aan den vijver en doodstil. De zon, rood en afgemat van
+haar dagelijksch werk, scheen een oogenblik op een verren duinrand uit
+te rusten, vóór ze onderdook. Bijna volkomen spiegelde het gladde water
+haar gloeiend aangezicht weer. De over den vijver hangende bladen van
+den beuk maakten van de stilte gebruik om zich eens aandachtig in den
+spiegel te bekijken. De eenzame reiger, die tusschen de breede bladen
+van de waterlelie op één poot stond, vergat dat hij uitgegaan was om
+kikkers te vangen en tuurde in gedachten verzonken langs zijn neus.
+
+Daar kwam Johannes op het grasveldje, om de wolkengrot te zien. Plomp!
+plomp! sprongen de kikvorschen van den kant. De spiegel trok rimpels,
+het zonnebeeld brak in breede strepen en de beukenbladen ritselden
+verstoord, want zij waren nog niet klaar met hun beschouwing.
+
+Vastgebonden aan de naakte wortels van den beuk lag een oude kleine
+boot. Het was Johannes streng verboden daarin te gaan. O, wat was dezen
+avond de verzoeking sterk! Reeds vormden zich de wolken tot een
+ontzaglijke poort, waarachter de zon ter ruste zou gaan. Schitterende
+rijen wolkjes schaarden zich ter zijde als een goudgeharnaste lijfwacht.
+Het watervlak gloeide mede, en roode vonken vlogen als pijlen door het
+oeverriet.
+
+Langzaam maakte Johannes het touw der boot van de beukenwortels los.
+Daar te drijven, midden in de pracht! Presto was reeds in de boot
+gesprongen en eer zijn meester het zelf wilde, schoven de riethalmen
+vaneen en dreven zij beiden weg in de richting van de avondzon. Johannes
+lag op den voorsteven en staarde in de diepte van de lichtgrot. Vleugels!
+dacht hij, nu vleugels! en daarheen!
+
+De zon was verdwenen. De wolken gloeiden door. In het oosten was de
+hemel donkerblauw. Daar stond een rij wilgen langs den oever. Roerloos
+staken zij hun smalle witte blaadjes in de stille lucht. Tegen den
+donkeren achtergrond scheen dat prachtig bleekgroen kantwerk.
+
+Stil! wat was dat? Het schoot als een suizeling over het watervlak, als
+een lichte windvlaag, die een spitse vore in het water groeft. Het kwam
+van de duinen, van de wolkgrot.
+
+Toen Johannes omzag, zat een groote blauwe waterjuffer op den rand der
+boot. Zoo groot had hij er nog nimmer een gezien. Zij zat stil, maar
+haar vleugels bleven in een wijden cirkel trillen. Het scheen Johannes,
+dat de punten van haar vleugels een lichtenden ring vormden.
+
+Dat moet een vuurvlinder zijn, dacht hij, die zijn heel zeldzaam.
+
+Doch de ring werd grooter en grooter en de vleugels trilden zoo snel,
+dat Johannes niet meer dan een nevel zag. En langzamerhand zag hij uit
+dien nevel twee donkere oogen schitteren, en een lichte, ranke gestalte,
+in een teederblauw kleedje, zat op de plaats van de libel. In het blonde
+haar was een krans van witte winden en aan de schouders gazen
+haftvleugels, die als een zeepbel in duizend kleuren schitterden.
+
+Een huivering van geluk doortintelde Johannes. Dát was een wonder!
+
+'Wilt ge mijn vriend zijn?' fluisterde hij.
+
+Dat was wel een zonderlinge wijze om een vreemde aan te spreken, maar
+het ging hier niet gewoon toe. En hij had een gevoel, alsof hij het
+vreemde, blauwe wezen al lang kende. 'Ja Johannes!' hoorde hij en de
+stem klonk als het schuifelen van het riet in den avondwind of het
+ruischen van den regen op de bladen in het bosch.
+
+'Hoe moet ik u noemen?' vroeg Johannes.
+
+'Ik ben geboren in den kelk eener winde. Noem mij Windekind!'
+
+En Windekind lachte en staarde Johannes zoo vertrouwelijk in de oogen,
+dat het hem wonderbaar zalig te moede werd. 'Het is vandaag mijn
+verjaardag,' zeide Windekind, 'ik ben hier in den omtrek geboren, uit de
+eerste stralen der maan en de laatste der zon. Men zegt wel dat de zon
+vrouwelijk is. Dat is niet waar. Hij is mijn vader.'
+
+Johannes nam zich voor, morgen op school van _den_ zon te spreken. 'En
+kijk! daar komt het ronde, blanke gezicht van mijne moeder al te
+voorschijn. Dag moeder! O, o, wat kijkt zij weer goedig en bedrukt!'
+
+Hij wees naar de Oosterkimmen. Groot en glanzig rees daar de maan aan
+den grauwen hemel, achter het kantwerk der wilgen, dat zwart tegen de
+lichte schijf afstak. Zij zette werkelijk een zeer pijnlijk gezicht.
+
+'Kom! kom! moeder! het is niets. Ik kan hem immers vertrouwen!'
+
+Het schoone wezen trilde vroolijk met de gazen vleugels en tikte
+Johannes met de Irisbloem, die hij in de hand had, op de wang. 'Zij
+vindt het niet goed dat ik bij u gekomen ben. Gij zijt de eerste. Maar
+ik vertrouw u, Johannes. Gij moogt nooit, nooit aan een mensch mijn naam
+noemen of over mij spreken. Belooft gij dat?'
+
+'Ja, Windekind,' zei Johannes. Het was hem nog zoo vreemd. Hij voelde
+zich onuitsprekelijk gelukkig maar vreesde zijn geluk te verliezen.
+Droomde hij? Naast hem op de bank lag Presto kalm te slapen. De warme
+adem van zijn hondje stelde hem gerust. De muggen krioelden op het
+watervlak en dansten in de zoele lucht, evenals gewoonlijk. Het was
+alles zoo klaar en duidelijk om hem heen. Het moest waarheid zijn. En
+altijd voelde hij dat Windekinds vertrouwelijke blik op hem rustte.
+
+Daar klonk weer de zoet-ruischende stem:
+
+'Ik heb u vaak hier gezien, Johannes. Weet ge waar ik was? Soms zat ik
+op den zandgrond van den vijver tusschen de dichte waterplanten en zag
+naar u op, als ge over het water heenboogt, om te drinken of om de
+watertorren en salamanders te bekijken. Maar mij zelven zaagt gij nooit.
+Dikwijls ook keek ik naar u uit het dichte riet. Daar ben ik heel veel.
+Daar slaap ik meestal, als het warm is. In een leeg karkietennest. Ja!
+dat is heel zacht.'
+
+Windekind wiegde vergenoegd op den rand van de boot en sloeg met zijn
+bloem naar de muggen.
+
+'Nu kom ik u wat gezelschap houden. Het is anders zoo eentonig, uw
+leven. Wij zullen goede vrienden zijn en ik zal u veel vertellen. Veel
+beter dingen dan de schoolmeesters u wijs maken. Die weten er volstrekt
+niets van. En als gij mij niet gelooft, zal ik u zelven laten zien en
+hooren. Ik zal u meenemen.'
+
+'O, Windekind! lieve Windekind! kunt gij mij daarheen medenemen?' riep
+Johannes, en wees naar den kant, waar zooeven het purper licht van de
+ondergaande zon uit de gouden wolkenpoort gestraald had. Reeds ging het
+heerlijk gevaarte in grijze nevelen vervloeien. Toch drong de bleekroode
+glans nog uit de verste diepte te voorschijn. Windekind staarde in het
+licht, dat zijn fijn gezichtje en zijn blonde haren verguldde, en
+schudde zachtkens het hoofd. 'Nu niet! nu niet! Johannes. Ge moet niet
+dadelijk te veel vragen. Ik zelve ben nooit nog bij Vader geweest.'
+
+'Ik ben altijd bij mijn vader,' zeide Johannes.
+
+'Neen! dat is uw vader niet. Wij zijn broeders, mijn Vader is ook de
+uwe. Maar uw moeder is de aarde en daarom verschillen wij veel. Ook zijt
+ge in een huis bij menschen geboren en ik in een windekelk. Dat laatste
+is stellig beter. Maar wij zullen het toch goed samen vinden!'
+
+Toen sprong Windekind luchtig op de zijde van de boot, die niet bewoog
+onder dien last, en kuste Johannes op het voorhoofd.
+
+Wat was dat een vreemde gewaarwording voor Johannes! Het was of alles om
+hem heen veranderde.
+
+Hij zag alles nu veel beter en juister, dacht hij. Hij zag hoe de maan
+nu veel vriendelijker keek, en hij zag, dat de waterlelies gezichten
+hadden, waarmede zij hem verwonderd en peinzend aanstaarden.
+
+Hij begreep nu op eens, waarom de muggen zoo vroolijk op en neer dansten,
+altijd om elkaar heen, op en neer, tot ze met hun lange beenen het water
+raakten. Hij had er wel eens aan gedacht, maar nu begreep hij het van zelf.
+
+Hij hoorde ook wat het riet fluisterde en hoe de boomen aan den oever
+zachtjes klaagden, dat de zon was ondergegaan.
+
+'O, Windekind! ik dank u, dat is heerlijk. Ja, wij zullen het wel goed
+samen vinden!'
+
+'Geef mij een hand,' zei Windekind, en sloeg de veelkleurige vleugels
+uit. Toen trok hij Johannes in de boot voort over het water, door de
+plompebladen, die in het maanlicht glinsterden.
+
+Hier en daar zat een kikvorsch op een blad. Maar nu sprong hij niet in
+'t water als Johannes kwam. Hij maakte alleen een kleine buiging en
+zeide: 'Kwak!' Johannes boog beleefd terug, hij wilde zich vooral niet
+ingebeeld toonen.
+
+Daar kwamen zij aan het riet, dat was breed en de geheele boot verdween
+er in, zonder dat zij het land bereikten. Maar Johannes vatte zijn
+geleider stevig vast en toen klauterden zij tusschen de hooge halmen
+aan land.
+
+Johannes meende wel, dat hij kleiner en lichter was geworden, maar dat
+was misschien verbeelding. Toch herinnerde hij zich niet dat hij ooit
+tegen een riethalm had kunnen opklimmen.
+
+'Let nu goed op,' zei Windekind, 'nu zult ge iets aardigs zien.'
+
+Zij wandelden tusschen het hooge gras onder donker kreupelhout, dat hier
+en daar een smal, glanzig straaltje van het maanlicht doorliet.
+
+'Hebt ge 's avonds de krekels wel eens gehoord, Johannes, in de duinen?
+Het lijkt of zij een concert maken niet waar? en ge kunt nooit hooren,
+waar het geluid vandaan komt. Nu, zij zingen nooit voor hun pleizier,
+maar dat geluid komt van de krekelschool, waar honderd krekeltjes hun
+lessen van buiten leeren. Wees nu stil, want wij zijn er haast.'
+
+Shrrr! Shrrr!
+
+Het kreupelhout werd minder dicht, en toen Windekind met zijn bloem de
+grashalmen uiteen schoof, zag Johannes een helder verlicht open plekje,
+waar de krekeltjes bezig waren tusschen het dunne, spichtige duingras
+hun lessen te leeren.
+
+Shrrr! Shrrr!
+
+Een groote, dikke krekel was meester en overhoorde. Eén voor één
+sprongen de leerlingen naar hem toe, altijd met één sprong heen en één
+sprong weer naar hun plaats terug. Wie mis sprong moest op een
+paddestoel te pronk staan.
+
+'Luister goed Johannes! dan kunt ge misschien óók wat leeren,' zei
+Windekind.
+
+Johannes verstond zeer goed wat de krekeltjes antwoordden. Maar het leek
+niets op wat de meester op zijn school vertelde. Eerst kwam geographie.
+Van de werelddeelen wisten zij niets. Zij moesten alleen 26 duinen
+kennen en twee vijvers. Van hetgeen verder was kon niemand iets weten,
+zei de meester, en wat er van verteld werd, was ijdele fantasie.
+
+Toen kwam de botanie aan de beurt. Daarin waren ze allen erg knap en
+werden veel prijzen uitgedeeld, uitgezochte jonge en malsche
+grashalmpjes van verschillende lengte.
+
+Maar de zoölogie verbaasde Johannes het meest. De dieren werden verdeeld
+in springende, vliegende en kruipende. De krekels konden springen en
+vliegen en stonden dus bovenaan, dan volgden de kikvorschen. Vogels
+werden met alle teekenen van afschuw hoogst schadelijk en gevaarlijk
+genoemd. Eindelijk werd ook de mensch besproken. Het was een groot,
+nutteloos en schadelijk dier, dat zeer laag stond, daar het vliegen noch
+springen kon, maar dat gelukkig zeldzaam was. Een klein krekeltje, dat
+nog nooit een mensch gezien had, kreeg drie slagen met een rietje, omdat
+hij den mensch bij vergissing onder de onschadelijke dieren telde.
+
+Zoo iets had Johannes nog nooit gehoord.
+
+Toen riep de meester op eens: 'Stilte! springoefening!' Dadelijk hielden
+alle krekeltjes op met lessen leeren en begonnen op heel kunstige en
+bedrijvige wijze haasje-over te spelen. De dikke meester het eerst.
+
+Dat was zulk een vroolijk gezicht, dat Johannes in de handen klapte van
+pret. Op dat geluid stoof de heele school in een oogenblik het duin in
+en werd het doodstil op het grasveldje.
+
+'Ja, dat komt er van, Johannes. Ge moet u niet zoo lomp gedragen! Men
+kan toch wel merken, dat gij bij menschen geboren zijt!'
+
+'Het spijt mij, ik zal mijn best doen. Maar het was ook zoo aardig!'
+
+'Het wordt nog veel aardiger,' zei Windekind.
+
+Zij staken het grasveldje over en bestegen de duin aan de andere zijde.
+Oef! dat was zwoegen in het dikke zand; maar toen Johannes Windekind bij
+het lichte blauwe kleedje greep, vloog hij er vlug en luchtig tegen op.
+Halverwege den top was een konijnenhol.
+
+Het konijntje, dat er thuis hoorde, lag met kop en voorpooten uit den
+ingang. De duinrozen bloeiden nog en haar fijne, zachte geur mengde zich
+met dien van het thijmkruid, dat op den duintop groeide.
+
+Johannes had dikwijls konijntjes in hun hol zien verdwijnen en dan
+gedacht: hoe zou het daarbinnen uitzien? Hoeveel zouden er daar wel bij
+elkaar zitten en zouden zij het niet benauwd hebben?
+
+Hij was dan ook zeer verheugd, toen hij zijn metgezel aan het konijntje
+hoorde vragen of zij het hol eens mochten bezien. 'Wat mij betreft,
+wel!' zeide het konijntje. 'Maar het treft ongelukkig, dat ik van avond
+juist mijn hol heb afgestaan voor het geven van een weldadigheidsfeest,
+en dus eigenlijk geen baas ben in mijn huis.'
+
+'Ei! Ei! is er een ongeluk gebeurd?'
+
+'Ach ja!' zei het konijntje weemoedig: 'Een groote ramp! Wij komen het
+in geen jaren te boven. Een duizend sprongen hier vandaan is een
+menschenhuis gebouwd, zoo groot! zoo groot!--En er zijn menschen komen
+wonen met honden. Er zijn wel zeven leden van mijn familie bij omgekomen
+en nog driemaal zooveel van hol beroofd. En het is met het geslacht Muis
+en de familie Mol nog erger gegaan. Ook de Padden hebben zwaar geleden.
+Nu hebben wij een feest op touw gezet voor de nagelaten betrekkingen.
+Ieder doet het zijne, ik geef mijn hol. Men moet wat over hebben voor
+zijne medeschepselen.'
+
+Het meewarige konijntje zuchtte en haalde met den rechter voorpoot het
+lange oor over zijn kopje, om er een traan mede uit het oog te wisschen.
+Dat was zoo zijn zakdoek.
+
+Daar ritselde iets in het helm en een dikke, logge gedaante kwam op het
+hol toe scharrelen.
+
+'Kijk!' riep Windekind, 'daar komt vader Pad ook al aangehuppeld. Wel!
+wel! durft ge nog zoo laat op 't pad, Pad!'
+
+De Pad nam geen notitie van de scherts. Aardigheden op zijn naam
+verveelden hem al lang. Bedaard legde hij een volle korenaar, netjes in
+een droog blad gewikkeld, bij den ingang neer en klom behendig over den
+rug van het konijntje in het hol. 'Mogen wij binnengaan?' zeide Johannes,
+die erg nieuwsgierig was. 'Ik zal ook wat geven.'
+
+Hij herinnerde zich dat hij in zijn zak nog een beschuitje had. Een rond
+beschuitje van Huntley en Palmers. Toen hij het te voorschijn haalde,
+bemerkte hij eerst hoe klein hij geworden was. Hij kon het nauwelijks
+met twee handen tillen en begreep niet hoe het nog in zijn broekzak
+gezeten had. 'Dat is zeer kostbaar en zeldzaam!' riep het konijntje.
+'Dat is een kostbaar geschenk!'
+
+Eerbiedig liet het aan beiden den toegang vrij. Het was donker in het
+hol en Johannes liet Windekind maar vóórgaan. Spoedig zagen zij een
+bleekgroen lichtje naderen. Het was een glimworm, die welwillend aanbood
+hen voor te lichten.
+
+'Het belooft een genoeglijke avond te worden,' zeide de glimworm onder
+'t voortgaan. 'Er zijn al veel gasten. Gij zijt elfen, naar mij
+toeschijnt, niet waar?' De glimworm keek daarbij eenigszins wantrouwend
+naar Johannes.
+
+'Gij kunt ons als elfen aandienen,' antwoordde Windekind.
+
+'Weet ge dat uw koning van de partij is?' ging de glimworm voort.
+
+'Is Oberon hier? Wel dat doet mij recht veel genoegen,' riep Windekind,
+'ik ken hem persoonlijk.'
+
+'O?' zeide de glimworm, 'ik wist niet dat ik de eer had ...' en zijn
+lichtje ging bijna uit van schrik. 'Ja Z.M. houdt gewoonlijk meer van de
+buitenlucht, maar voor een liefdadig doel is hij altijd te vinden. Het
+zal wel een luisterrijk feest zijn.'
+
+Dat was het inderdaad. De groote zaal in het konijnenhol was prachtig
+versierd. De vloer was platgetreden en met geurig thijm bestrooid; dwars
+voor den ingang hing een vleermuis aan de achterpooten. Deze riep de
+namen der gasten af en diende tevens als gordijn, dat was een
+zuinigheidsmaatregel. De wanden der zaal waren smaakvol gedecoreerd met
+dorre bladen, spinnewebben en kleine hangende vleermuisjes. Tallooze
+glimwormen kropen daartusschen en over de zoldering rond, en vormden een
+alleraardigste beweeglijke verlichting. Er was aan 't eind der zaal een
+troon gebouwd van stukjes vermolmd hout, die licht gaven. Dat was een
+mooi gezicht!
+
+Er waren veel gasten. Johannes voelde zich maar half thuis in de vreemde
+menigte en drong dicht tegen Windekind aan. Hij zag er vreemde dingen.
+Een mol sprak druk met een veldmuis over de fraaie verlichting en de
+decoratie. In een hoekje zaten twee dikke padden hoofdschuddend tegen
+elkaar te jammeren over het aanhoudend droge weer. Een kikvorsch poogde
+gearmd met een hagedis een wandeling door de zaal te maken, wat hem
+slecht afging, daar hij verlegen en gejaagd was en telkens te ver
+sprong, waarbij hij soms de wandversiering danig in wanorde bracht.
+
+Op den troon zat Oberon, de elfenkoning, omringd door een klein gevolg
+elfen, die eenigszins minachtend op de omgeving neerzagen. De koning
+zelf was naar vorstenwijze allerminzaamst en onderhield zich vriendelijk
+met verschillende gasten. Hij kwam van een reis uit het Oosten en had
+een vreemd gewaad van schitterend gekleurde bloembladen aan. Zulke
+bloemen groeien hier niet, dacht Johannes. Op het hoofd droeg hij een
+donkerblauw bloemkelkje, dat nog een frisschen geur verspreidde, als was
+het zooeven geplukt. In de hand hield hij den meeldraad van een
+lotosbloem als koningsstaf.
+
+Alle aanwezigen waren vol stillen lof over zijn goedheid. Hij had het
+maanlicht in de duinen geroemd en gezegd dat de glimwormen hier bijna
+even schoon waren als de Oostersche vuurvliegen. Ook had hij met
+genoegen naar de wandversiering gekeken en een mol had zelfs opgemerkt,
+dat hij goedkeurend met het hoofd had geknikt.
+
+'Ga mede,' zei Windekind tot Johannes, 'ik zal u voorstellen.' En zij
+drongen tot aan 's konings zitplaats door.
+
+Oberon spreidde de armen vol vreugde uit, toen hij Windekind herkende en
+kuste hem. Dit gaf een gefluister onder de gasten en afgunstige blikken
+van het elfengevolg. De twee dikke padden in den hoek mompelden samen
+iets van 'vleiers' en 'kruipen' en 'niet lang duren'; toen knikten ze
+elkaar veelbeteekenend toe.
+
+Windekind sprak lang in een vreemde taal tot Oberon en wenkte toen
+Johannes om dichterbij te komen.
+
+'Geef mij de hand, Johannes!' zei de koning. 'Windekind's vrienden zijn
+de mijne. Waar ik kan, zal ik u bijstaan. Ik zal u een teeken van ons
+verbond geven.' Oberon maakte van zijn halsketen een klein gouden
+sleuteltje los en gaf dat aan Johannes, die het vol eerbied aannam en
+vast in zijne hand sloot. 'Dat sleuteltje kan uw geluk zijn,' ging de
+koning voort. 'Het past op een gouden kistje dat kostbare schatten
+bevat. Maar wie dat heeft, kan ik u niet zeggen. Gij moet maar ijverig
+zoeken. Als gij goede vrienden met mij en Windekind blijft en
+standvastig en trouw zijt, zal het u wel gelukken.' De elfenkoning
+knikte daarbij hartelijk met het schoone hoofdje en overgelukkig dankte
+Johannes hem.
+
+Daar begonnen drie kikkers, op eene kleine verhevenheid van vochtig mos
+gezeten, de inleiding tot een langzame wals te zingen en er vormden zich
+paartjes. De niet dansenden werden door een groen hagedisje, dat als
+ceremoniemeester werkzaam was en schutterig heen en weer vloog, naar de
+kanten gedrongen, tot groote ergernis van de twee padden, die klaagden
+dat zij niets konden zien, en daarna begon de dans.
+
+Dat was eerst grappig. Ieder danste op zijn eigen manier en verbeeldde
+zich natuurlijk, dat hij het veel beter deed dan de anderen. De muizen
+en kikvorschen sprongen hoog op hun achterste pooten, een oude rat
+draaide zoo woest, dat alle dansers voor hem op zij weken, en ook een
+vette boomslak waagde een toertje met een mol, maar gaf het spoedig op,
+onder voorwendsel dat ze er een steek van in de zij kreeg, de ware reden
+was, dat ze het niet best kon.
+
+Het ging echter zeer ernstig en plechtig toe. Men maakte er een
+gewetenszaak van, en gluurde angstig naar den koning om een teeken van
+goedkeuring op zijn gelaat te zien. Maar de koning was bang om
+ontevredenen te maken en keek zeer strak. Zijn gevolg rekende het
+beneden hunne danskunst mede te doen.
+
+Johannes had zich bij dien ernst lang goed gehouden. Doch toen hij een
+klein padje zag rondzwieren met een lange hagedis, die het ongelukkige
+padje soms hoog boven den grond tilde en een halven cirkel in de lucht
+liet beschrijven, barstte zijn vroolijkheid in een schaterlachen uit.
+
+Dat gaf opschudding. De muziek zweeg. De koning keek verstoord om. De
+ceremoniemeester vloog in volle vaart op den lacher toe en verzocht hem
+dringend zich wat gepaster te gedragen. 'Dansen is een ernstige zaak,'
+zeide hij, 'en volstrekt geen bezigheid om uit te lachen. Het is hier
+een deftig gezelschap, waar men niet zoo maar voor de grap danst. Ieder
+deed zijn best en niemand verlangde uitgelachen te worden. Dat is een
+grofheid. Men is hier bovendien op een treurfeest om droevige redenen.
+Men moet zich hier fatsoenlijk gedragen en niet handelen, alsof men bij
+menschen was!'
+
+Daar verschrikte Johannes van. Overal zag hij vijandige blikken. Zijn
+vertrouwelijkheid met den koning had hem vele vijanden bezorgd.
+
+Windekind trok hem ter zijde:
+
+'Het is maar beter, dat wij weggaan, Johannes!' fluisterde hij, 'gij
+hebt het weer verkorven. Ja! Ja! dat komt er van, als men bij menschen
+is opgevoed!'
+
+Haastig glipten zij onder de vleugels van den vleermuisportier door en
+kwamen in de duistere gang. De beleefde glimworm wachtte hen op.
+
+'Hebt gij u goed geamuseerd?' vroeg hij. 'Hebt gij koning Oberon
+gesproken!'
+
+'O ja! het was een vroolijk feest,' zei Johannes, 'moet gij hier altijd
+in de donkere gang blijven?'
+
+'Dat is eigen vrije keuze,' zeide de glimworm op weemoedig bitteren
+toon. 'Ik houd niet meer van die ijdelheden.'
+
+'Kom,' zeide Windekind, 'dat meent gij niet.'
+
+'Het is zooals ik zeg. Vroeger,--vroeger was er een tijd dat ik ook naar
+feesten ging en danste en mij met zulke beuzelingen ophield. Maar nu ben
+ik door het lijden gelouterd, nu ...'
+
+En hij werd zoo geroerd, dat zijn lichtje weder uitging. Gelukkig waren
+zij dicht bij den uitgang en het konijntje, dat hen hoorde aankomen,
+ging een weinig op zijde, zoodat het maanlicht naar binnen scheen.
+
+Zoodra zij bij het konijntje buiten waren, zeide Johannes: 'Vertel ons
+uwe geschiedenis eens, glimworm!'
+
+'Ach!' zuchtte de glimworm, 'die is eenvoudig en droevig. Zij zal u niet
+vermaken.'
+
+'Vertel haar, vertel haar toch maar,' riepen allen.
+
+'Nu: gij weet dan toch allen wel, dat wij glimwormen zeer bijzondere
+wezens zijn. Ja, ik geloof dat niemand zou durven tegenspreken, dat wij
+glimwormen het hoogst begaafd zijn van al wat leeft.'
+
+'Waarom? dat weet ik niet,' zeide het konijntje.
+
+Met minachting vroeg de glimworm toen: 'Kunt gij licht geven?' 'Neen!
+dat nu wel niet,' moest het konijntje bekennen.
+
+'Nu, _wij_ geven licht! Allen! En wij kunnen het laten schijnen of
+verdooven naar willekeur. Licht is de beste gave der natuur, en licht
+geven het hoogste, waartoe een levend wezen komen kan. Zou iemand nog
+onzen voorrang willen betwisten! Wij mannetjes hebben bovendien vleugels
+en kunnen mijlen ver vliegen.'
+
+'Dat kan ik ook niet,' bekende het konijntje nederig.
+
+'Door de goddelijke gave des lichts, die wij hebben,' ging de glimworm
+voort, 'ontzien ons ook andere dieren, geen vogel zal ons aanvallen.
+Alleen één dier, het laagste onder allen, zoekt ons en neemt ons mede.
+Dat is de mensch, het verfoeilijkst gedrocht der schepping.'
+
+Johannes keek Windekind aan bij dezen uitval, als begreep hij het niet.
+Doch Windekind glimlachte en wenkte hem te zwijgen. 'Eens vloog ik
+vroolijk rond, als een helder dwaallicht tusschen de donkere heesters.
+En op een eenzaam, vochtig grasveldje, aan den oever van een sloot, daar
+woonde zij, wier bestaan onafscheidelijk aan mijn geluk was verbonden.
+Schoon schitterde zij in bleeken smaragd-glans, als zij tusschen de
+glanshalmen rondkroop en machtig bekoorde zij mijn jong hart. Ik vloog
+om haar heen en deed mijn best door verwisseling van glans hare aandacht
+te trekken. Dankbaar zag ik, hoe zij mijn groet bespeurde en zedig haar
+lichtje verduisterde. Sidderend van aandoening was ik op het punt mijn
+vleugels samen te vouwen en in verrukking bij mijne stralende geliefde
+neer te zinken, toen een ontzaglijk geluid de lucht vervulde. Donkere
+gestalten naderden. Het waren menschen. Ik nam verschrikt de vlucht.
+Zij joegen mij na, en sloegen naar mij met groote, zwarte dingen. Doch
+sneller dan hun logge beenen droegen mij mijne vleugels.' 'Toen ik
+terug kwam ...'
+
+Hier begaf den verhaler de stem. Eerst na een oogenblik van stille
+aandoening, waarin de drie hoorders eerbiedig zwegen,--ging hij voort:
+
+'Gij kunt het reeds vermoeden. Mijn teedere bruid,--de glansrijkste en
+schitterendste onder allen, zij was verdwenen, medegesleept door den
+boosaardigen mensch. Het stille, vochtige grasveldje was vertrapt en
+haar geliefd plekje aan de sloot was duister en ledig. Ik was alleen op
+de wereld.'
+
+Hier haalde het gevoelige konijntje wederom een oor naar beneden om een
+traan uit het oog te wisschen.
+
+'Sinds dien tijd ben ik veranderd. Ik heb een walg van alle ijdele
+vermaken. Ik denk alleen aan haar, die ik verloren heb en aan den tijd
+dat ik haar zal wederzien.'
+
+'Zoo! hebt ge daar nog hoop op?' vroeg het konijntje verheugd. 'Ik heb
+meer dan hoop, ik heb zekerheid. Daarboven zal ik mijne geliefde
+wederzien.'
+
+'Maar ...' wilde het konijntje inbrengen.
+
+'Konijn!' zeide de glimworm ernstig, 'ik kan mij begrijpen, dat iemand
+twijfelt, die in het duister moet rondtasten. Maar wanneer men kan zien,
+met eigen oogen zien? dan is elke onzekerheid mij een raadsel. Daar!'
+zeide het glimwormpje en keek vol eerbied naar den van sterren
+fonkelenden hemel. 'Daar zie ik hen! al mijn vaderen, al mijn vrienden
+en ook haar, duidelijk stralen, in nog heerlijker glans dan hier op
+aarde. Ach! wanneer zal ik mij uit dit lage leven kunnen opheffen, en
+tot haar vliegen, die mij lonkend wenkt? Ach! wanneer? wanneer?'
+
+Zuchtend verliet het glimwormpje zijne toehoorders en kroop weder in het
+donkere hol.
+
+'Arm schepsel!'zeide het konijntje, 'ik hoop dat hij gelijk heeft.'
+
+'Ik hoop het ook,' voegde Johannes er bij.
+
+'Ik vrees er voor,' zeide Windekind, 'maar het was zeer aandoenlijk.'
+
+'Lieve Windekind,' begon Johannes, 'ik ben heel moe en heb slaap.'
+
+'Kom dan naast mij, ik zal u met mijn mantel toedekken.'
+
+Windekind nam zijn blauwe manteltje en spreidde dat over Johannes en
+zichzelven uit. Zoo legden zij zich neer, in het geurige mos op de
+duinhelling, de armen om elkanders hals geslagen.
+
+'Uwe hoofden liggen wat laag,' riep het konijntje, 'wilt ge die tegen
+mij laten rusten?'
+
+Dat deden zij.
+
+'Nacht moeder!' zeide Windekind tot de maan.
+
+Toen sloot Johannes zijn gouden sleuteltje vast in de hand, vlijde zijn
+hoofd tegen het donzige vel van het goede konijntje en sliep rustig in.
+
+
+
+
+III
+
+
+Waar is hij dan, Presto? Waar is het kleine baasje dan? Welk een schrik,
+wakker te worden in de boot, in het riet--geheel alleen, de baas
+spoorloos verdwenen. Het was om angstig van te worden.
+
+En loop je hem nu al zoolang te zoeken, onder voortdurend zenuwachtig
+piepen? Arme Presto! Hoe kon je ook zoo vast slapen en niet merken dat
+de baas uit de boot ging? Anders word je dadelijk wakker, zoodra hij
+eenige beweging maakt.
+
+Nauwelijks kon je herkennen, waar de baas aan land was gegaan en hier in
+de duinen ben je nu het spoor geheel bijster geraakt. Het ijverig
+snuffelen hielp niet. Welk een wanhoop! de baas weg! spoorloos weg! Zoek
+dan Presto, zoek hem dan!
+
+Wacht! daar recht voor je, tegen die duinhelling, ligt daar niet een
+kleine donkere gedaante? zie eens goed!
+
+Een oogenblik staat het hondje onbeweeglijk, en ziet ingespannen in de
+verte. Dan strekt het op eens den kop vooruit en holt, vliegt met al de
+kracht van zijn vier dunne pootjes, naar dat donkere plekje op de
+duinhelling.
+
+Maar toen dat werkelijk het zoo smartelijk vermiste baasje bleek te
+zijn, toen vond hij alle pogingen nog ontoereikend om zijn gansche
+blijdschap en dankbaarheid uit te drukken. Hij kwispelde, verdraaide
+zijn geheele lijfje, sprong, jankte, blafte en duwde zijn kouden neus
+den lang gezochte likkend en snuffelend in 't gezicht.
+
+'Koest, Presto, in je mand!' riep Johannes half slapend.
+
+Hoe dom van den baas! Er is geen mand in de buurt, zoover men zien kan.
+
+Langzaam begon de schemering te dagen in de ziel van den kleinen slaper.
+Het snuffelen van Presto, dat was hij iederen morgen zoo gewoon. Maar
+voor zijn geest hingen nog lichte droombeelden van elfen en maneschijn,
+als morgennevelen om een duinlandschap. Hij vreesde dat de kille adem
+van den ochtend die zou verjagen. 'Oogen toehouden,' dacht hij, 'anders
+zie ik de klok en het behangsel weer, als altijd!'
+
+Maar hij lag vreemd. Hij voelde, dat hij geen deken had. Langzaam en
+voorzichtig opende hij de oogleden op een kier.
+
+Helder licht. Blauwe hemel. Wolken.
+
+Toen opende Johannes de oogen wagenwijd en zeide: 'Is het dan toch
+waar?'
+
+Ja, hij lag midden in het duin. Vroolijke zonneschijn verwarmde hem,
+frissche morgenlucht ademde hij in, een fijne nevel omgaf de bosschen in
+'t verschiet. Hij zag alleen den hoogen beuk bij den vijver en het dak
+van zijn huis, dat uitstak boven het groen. Bijen en kevers gonsden om
+hem heen, boven hem zong de stijgende leeuwerik, in de verte klonk
+hondengeblaf en het gerucht der verwijderde stad. Het was alles klare
+werkelijkheid.
+
+Maar wat had hij gedroomd en wat niet? Waar was Windekind? en het
+konijntje?
+
+Hij zag geen van beiden. Alleen Presto zat zoo dicht mogelijk bij hem en
+keek hem in afwachting aan.
+
+'Zou ik aan 't slaapwandelen geweest zijn?' prevelde Johannes zacht.
+
+Naast hem was een konijnenhol. Maar zoo waren er zooveel in 't duin. Hij
+richtte zich op om het goed te bezien. Wat voelde hij daar in de nog
+vastgesloten hand?
+
+Een tinteling liep van de kruin van zijn hoofd tot zijn voeten, toen hij
+de hand opende. Daar schitterde een klein gouden sleuteltje.
+
+Een tijd lang zat hij sprakeloos.
+
+'Presto! zeide hij toen, terwijl de tranen hem in de oogen kwamen.
+'Presto, het is _toch_ waar!'
+
+Presto sprong op en trachtte door blaffen zijnen meester aan 't verstand
+te brengen, dat hij honger had en naar huis wilde.
+
+Naar huis? Ja! daaraan had Johannes niet gedacht en hij had er weinig
+zin in. Maar spoedig hoorde hij door verschillende stemmen zijn naam
+roepen. Toen begon hij te begrijpen, dat zijn gedrag volstrekt niet
+braaf en fatsoenlijk zoude gevonden worden en dat hem lang geen
+vriendelijke woorden te wachten stonden.
+
+Een oogenblik scheelde het weinig, of zijn vreugdetranen waren in één
+moeite door, tranen van angst en berouw geworden. Maar toen dacht hij
+aan Windekind, die nu zijn vriend was, zijn vriend en vertrouweling, aan
+het geschenk van den elfenkoning en aan die heerlijke, onbetwistbare
+waarheid van al het gebeurde en hij zocht kalm en op alles voorbereid
+den weg naar huis op.
+
+De ontmoeting viel niet mede. Zoo erg had hij zich de onrust en vrees
+van zijn huisgenooten niet voorgesteld. Hij moest plechtig beloven,
+nimmer meer zoo ondeugend en onvoorzichtig te zijn.
+
+'Dat kan ik niet,' zeide hij vastberaden. Daar zag men vreemd van op.
+Hij werd ondervraagd, gesmeekt, bedreigd. Maar hij dacht aan Windekind
+en hield vol.
+
+Wat konden hem straffen schelen als hij Windekind's vriendschap maar
+behield en wat zou hij niet voor Windekind willen lijden! Vast klemde
+hij het sleuteltje aan zijn borst en de lippen opeen, terwijl hij iedere
+vraag met schouderophalen beantwoordde. 'Ik kan niets beloven,' zei
+hij weer.
+
+Doch zijn vader zeide: 'Laat hem nu maar met vrede, het is hem ernst. Er
+moet iets bijzonders met hem gebeurd zijn. Eens zal hij het ons wel
+vertellen.'
+
+Johannes glimlachte, at zwijgend zijn boterham en sloop naar zijn
+kamertje. Daar sneed hij een stuk van het gordijnkoord af, deed er het
+kostbare sleuteltje aan en hing het zich om den hals op de bloote borst.
+Toen ging hij getroost naar school.
+
+Het ging zeer slecht dien dag op school. Hij kende zijn lessen geen van
+alle en lette volstrekt niet op. Voortdurend vlogen zijn gedachten naar
+den vijver en naar de wonderbare gebeurtenissen van den vorigen avond.
+Hij kon het zich nauwelijks denken, dat een vriend van den elfenkoning
+nu weer verplicht zou zijn, sommen te maken en werkwoorden te vervoegen.
+Maar het was toch alles waar geweest, en niemand om hem heen wist er
+iets van of zou het kunnen gelooven of begrijpen, zelfs de meester niet,
+hoe barsch hij ook keek en hoe minachtend hij Johannes ook een luien
+rekel noemde. Blijmoedig verdroeg hij de kwade aanteekening en maakte
+hij het strafwerk, dat zijn verstrooidheid hem op den hals haalde.
+
+'Zij hebben er toch geen van allen begrip van. Zij mogen mij uitschelden,
+zooveel zij willen. Ik blijf Windekind's vriend, en Windekind is mij meer
+waard dan zij allemaal te zamen. Ja, met den meester er bij.'
+
+Dat was niet eerbiedig van Johannes. Maar zijn achting voor zijn
+medemenschen was, na al het kwaad dat hij er den vorigen avond van had
+moeten hooren, niet gestegen.
+
+Doch, zooals het meer gaat, hij wist zijne wijsheid nog niet verstandig
+genoeg te pas te brengen, of liever, te verzwijgen.
+
+Toen de meester vertelde, dat alleen de mensch door God met rede was
+begaafd en als heerscher was gesteld over alle andere dieren, begon hij
+te lachen. Dat bezorgde hem een slechte aanteekening en eene ernstige
+vermaning. En toen zijn buurman uit een themaboek den volgenden zin
+oplas: 'De ouderdom van mijne moedwillige tante is groot, maar niet zoo
+groot als die van de zon'--riep Johannes haastig en luide: 'van _den_ zon!'
+
+Allen lachten hem uit en de meester, verbaasd, over zulk een aanmatigende
+domheid, zooals hij het noemde, liet Johannes schoolblijven en honderdmaal
+overschrijven: 'De ouderdom van mijne moedwillige tante is groot, maar
+niet zoo groot als die van de zon, het grootst echter is mijne aanmatigende
+domheid.'
+
+De scholieren waren verdwenen en Johannes zat eenzaam in het groote
+schoollokaal te schrijven. Het zonlicht scheen vroolijk naar binnen,
+deed duizenden stofjes glinsteren op zijn weg en vormde op den gewitten
+muur lichte plekken, die met de wisseling der uren langzaam voortkropen.
+De meester was weggegaan en had de deur hard toegeslagen. Johannes was
+reeds aan de twee-en-vijftigste moedwillige tante, toen een klein, vlug
+muisje, met zwarte kraaloogjes en zijdeachtige oortjes, uit den versten
+hoek van het lokaal onhoorbaar langs den muur kwam loopen. Johannes
+hield zich doodstil om het aardige diertje niet te verjagen. Het was
+niet schuw en kwam tot dicht bij Johannes' zitplaats. Toen gluurde het
+een tijdlang met de kleine heldere oogjes scherp in het rond en sprong
+behendig met één sprong op de bank en met een tweeden op den lessenaar,
+waaraan Johannes schreef.
+
+'Ei, ei!' zeide deze, half bij zichzelven, 'jij bent eerst een dapper
+muisje!'
+
+'Ik zou niet weten voor wien ik bang moest zijn,' zeide een fijn
+stemmetje, en het muisje liet de tandjes zien alsof het lachte.
+
+Johannes was reeds aan veel wonderlijks gewend, maar zette nu toch weer
+groote oogen op. Zoo midden op den dag en op school, 't was ongeloofelijk.
+
+'Voor mij behoef je niet bang te zijn,' zeide hij zacht, uit vrees het
+muisje te verschrikken, 'kom je van Windekind?'
+
+'Ik kom u even zeggen, dat de meester groot gelijk heeft en dat ge uw
+strafwerk ruim verdiend hebt.'
+
+'Maar Windekind zei toch dat de zon mannelijk was, de zon was onze
+vader.'
+
+'Ja, maar dat behoeft niemand anders te weten. Wat hebben de menschen
+daarmee te maken. Ge moet nooit over zulke teedere zaken met menschen
+spreken. Daar zijn zij te grof voor. De mensch is een verbazend
+boosaardig en lomp wezen, die liefst alles vangt en doodtrapt wat onder
+zijn bereik komt. Daar hebben wij, muizen, ondervinding van.'
+
+'Maar muisje! waarom blijf je dan in zijn buurt? Waarom ga je niet ver
+weg, naar de bosschen?'
+
+'Ach, dat kunnen wij niet meer. Wij zijn het stadsvoedsel te veel
+gewend. En als men voorzichtig is en altijd oppast hun vallen en hun
+zware voeten te mijden, dan is het onder menschen wel uit te houden.
+Wij zijn gelukkig nog al vlug. Het ergst is, dat de mensch zijn eigen
+logheid verhelpt door een verbond te sluiten met de kat, dat is een
+groote ramp, maar in het bosch zijn uilen en sperwers, en sterven moeten
+wij toch eenmaal allen. Nu, Johannes, onthoud mijn raad, daar komt de
+meester!'
+
+'Muisje! muisje! ga niet weg. Vraag aan Windekind wat ik met mijn
+sleuteltje doen moet. Ik heb het om mijn hals gehangen, op mijn bloote
+borst. Maar Zaterdag word ik verschoond en ik ben zoo bang dat iemand
+het zien zal. Zeg mij, waar ik het veilig bergen kan, muisjelief!'
+
+'Onder den grond, altijd onder den grond, daar is alles het veiligst.
+Wil ik het bewaren?'
+
+'Neen! niet hier op school.'
+
+'Begraaf het dan buiten in de duinen. Ik zal aan mijn neef de veldmuis
+laten weten, dat hij er op passen moet.'
+
+'Dank je muisje!'
+
+Bom! Bom! Daar kwam de meester aanstappen. In den tijd dat Johannes zijn
+pen indoopte, was het muisje verdwenen. De meester, die zelf naar huis
+verlangde, schold Johannes achtenveertig strafregels kwijt.
+
+Twee dagen lang leefde Johannes in voortdurenden angst. Hij werd streng
+in het oog gehouden en alle gelegenheid, om naar de duinen te ontsnappen,
+hem ontnomen. Het werd Vrijdag en nog liep hij met het kostbare sleuteltje
+rond. Den volgenden avond moest hij verschoond worden, men zou het
+sleuteltje ontdekken en hem afnemen, hij ijsde bij de gedachte. In huis
+of tuin durfde hij het niet verbergen, geen plekje scheen hem veilig
+genoeg.
+
+Het werd Vrijdagavond en de schemering begon te vallen. Johannes zat
+voor het venster van zijn slaapkamer en keek verlangend naar buiten,
+over de groene heesters van den tuin, naar de verre duinen. 'Windekind!
+Windekind! help mij,' fluisterde hij angstig.
+
+Daar ruischte een zachte vleugelslag naast hem, hij rook den geur van
+leliën van dalen en hoorde plotseling de bekende, zoete stem.
+
+Windekind zat naast hem op de vensterbank en liet de klokjes van een
+lelie van dalen aan den slanken stengel wiegelen.
+
+'Zijt gij daar eindelijk! Ik heb zoo naar u verlangd!' zeide Johannes.
+
+'Ga met mij mede, Johannes, wij zullen uw sleuteltje gaan begraven.'
+
+'Ik kan niet,' zuchtte Johannes droevig.
+
+Doch Windekind vatte hem bij de hand, en hij gevoelde hoe hij, licht als
+het gepluisde zaadje van een paardebloem, wegzweefde door de stille
+avondlucht.
+
+'Windekind,' zeide Johannes onder het zweven, 'ik houd zooveel van u. Ik
+geloof dat ik alle menschen voor u zou willen geven en Presto ook.'
+
+Windekind zeide: 'en Simon?'
+
+'O, het kan Simon niet zooveel schelen, of ik van hem houd. Ik geloof,
+dat hij dat te kinderachtig vindt. Simon houdt alleen maar van de
+vischvrouw en dat ook alleen maar, als hij honger heeft. Gelooft ge, dat
+Simon een gewone kat is, Windekind?'
+
+'Neen, hij is vroeger een mensch geweest.'
+
+Hoe-oe-oe! boms! daar vloog een dikke meikever tegen Johannes aan. 'Kunt
+gij niet beter voor u uitkijken,' bromde de meikever 'dat elfengoed
+vliegt maar, alsof het de heele lucht in pacht had! Dat heb je van die
+nietsdoeners, die altijd maar voor hun plezier rondzwerven, iemand als
+ik die zijn plicht doet, altijd voedsel zoekt en zoo hard eet, als hij
+kan, wordt er door uit den koers gebracht.'
+
+Onder luid gebrom vloog hij verder.
+
+'Neemt hij ons kwalijk, dat wij niet eten?' vroeg Johannes.
+
+'Ja, dat is zoo meikever-gewoonte. Bij de meikevers wordt het als
+hoogste plicht beschouwd, veel te eten. Wil ik u eens de geschiedenis
+van een jongen meikever vertellen?'
+
+'Ja doe dat, Windekind.'
+
+'Het was een mooie, jonge meikever, die pas uit den grond was gekropen.
+Nu, dat was een groote verrassing. Een geheel jaar had hij onder de
+donkere aarde gezeten en gewacht op den eersten warmen avond. En toen
+hij zijn kop uit de kluitjes stak, bracht al dat groen en het wuivende
+gras en de zingende vogels hem geheel in verlegenheid. Hij wist niet,
+wat hij eigenlijk beginnen moest. Hij betastte de grashalmpjes in de
+buurt met zijn sprieten en stak die waaiervormig uit. Daaraan merkte
+hij, Johannes, dat hij een mannetje was. Hij was heel mooi in zijn
+soort, had glanzige, zwarte pooten, een dik, bestoven achterlijf en een
+borstschild, dat als een spiegel glom. Gelukkig zag hij al gauw, niet
+ver van hem vandaan, een anderen meikever, wel niet zoo'n mooien, maar
+een die al een dag vroeger uitgevlogen en dus al heel oud was. Heel
+bescheiden, omdat hij nog zoo jong was, roept hij dezen aan.
+
+'Wat wou je, vriendje!' zegt de tweede uit de hoogte, omdat hij zag, dat
+het een nieuweling was, 'wou je mij den weg vragen?'
+
+'Neen, ziet u! zeide de jongste beleefd, 'maar ik weet niet, wat ik hier
+doen moet. Wat doet men zoo als meikever?'
+
+'Zoo! zoo!' zeide de ander, 'weet je dat niet. Nu, dat neem ik niet
+kwalijk, ik ben óók zoo geweest; luister maar goed, dan zal ik het je
+zeggen. De hoofdzaak in het meikever-leven is eten. Niet ver hier
+vandaan is een kostelijke lindenhaag, die is daar voor ons gezet om er
+zoo vlijtig mogelijk van te eten.'
+
+'Wie heeft die lindenhaag daar neergezet?' vroeg de jonge kever.
+
+'Wel, een groot wezen, dat het heel goed met ons meent. Iederen morgen
+komt hij langs de haag en wie dan het meeste gegeten heeft, neemt hij
+tot zich, in een heerlijk huis, waar een helder licht schijnt en waar
+alle meikevers gelukkig bijeen zijn. Wie echter, in plaats van te eten,
+den ganschen nacht blijft rondvliegen, wordt door de vleermuis gevangen.'
+
+'Wie is dat?' vroeg de nieuweling.
+
+'Dat is een vreeselijk monster met scherpe tanden, dat plotseling achter
+ons aan komt vliegen en ons onder afgrijselijk gekraak opeet.' Toen de
+kever dat zeide, hoorden ze boven zich een schel gepiep, dat hun door
+merg en been drong.
+
+'Hu! dat is hij,' riep de oudste. 'Pas op voor hem, jonge vriend. Wees
+dankbaar dat ik je bijtijds heb gewaarschuwd. Je hebt een ganschen nacht
+voor je, verknoei dien nu niet. Hoe minder je eet hoe meer kans je hebt
+door de vleermuis te worden verslonden. En alleen zij, die zich een
+ernstige levensroeping kiezen, komen in het huis met het heldere
+schijnsel. Denk er om! Een ernstige roeping!'
+
+'Toen scharrelde de kever, die een heelen dag ouder was, tusschen de
+grashalmen verder en liet den eersten getroffen achter. Weet je wat een
+roeping is, Johannes? Niet! Nu, dat wist die jonge kever ook niet. Het
+stond met eten in verband, dat begreep hij. Maar hoe moest hij bij die
+lindenhaag komen? 'Vlak naast hem stond een slanke, stevige grashalm,
+die zachtjes wiegelde in den avondwind. Dien pakte hij maar vast beet,
+met zijn zes kromme pootjes. Het scheen een hoog gevaarte van beneden
+gezien en erg steil. Toch wilde de meikever er in. 'Dat is een roeping!'
+dacht hij, en begon moedig te klimmen. Het ging langzaam, dikwijls gleed
+hij terug, maar hij vorderde; en toen hij eindelijk in het dunste topje
+was geklommen en mede wiegelde met de schommelingen, voelde hij zich
+voldaan en gelukkig. Welk een uitzicht had hij hier! Het scheen hem,
+alsof hij de wereld overzag. Hoe zalig was het, zoo van alle kanten door
+lucht te zijn omgeven! Gretig zoog hij het achterlijf vol. Hoe wonderlijk
+werd het hem daarbij te moede! Nog hooger wilde hij!
+
+'Hij lichtte de dekschilden in verrukking op, liet de vliezige vleugels
+even trillen. Hooger wilde hij! Hooger! Weer trilden zijne vleugels, de
+pooten lieten den grashalm los en--O, vreugde ... Hoe-oe-oe! daar vloog
+hij vrij en vroolijk in de stille, warme avondlucht.'
+
+'En toen?' vroeg Johannes.
+
+'Het vervolg is niet vroolijk. Dat vertel ik u later wel eens.'
+
+Zij waren over den vijver heengevlogen. Een paar late, witte kapelletjes
+fladderden met hen mede.
+
+'Waar gaat de reis heen, elfen?' vroegen zij.
+
+'Naar de groote duinroos, die daar bloeit tegen gindsche helling.'
+
+'Wij gaan mede! wij gaan mede!'
+
+Reeds van verre was zij zichtbaar, met haar talrijke teedergele
+zijde-zachte bloemen. De knopjes waren rood gekleurd en de geopende
+bloemen vertoonden roode streepjes, als teekenen van den tijd toen zij
+nog knoppen waren.
+
+In eenzame rust bloeide de wilde duinroos en vervulde den omtrek met
+haar wonderzoete geuren. Zoo heerlijk zijn die, dat de duin-elfen
+daarvan alleen leven.
+
+De vlinders dwarrelden op haar toe en kusten bloem aan bloem. 'Wij komen
+u een schat toevertrouwen,' riep Windekind, 'wilt gij dien voor ons
+hoeden?'
+
+'Waarom niet? waarom niet?' fluisterde de duinroos, 'het wachten
+verveelt mij niet, en ik denk hier niet vandaan te gaan, als men mij
+niet weghaalt. Ook heb ik scherpe doornen.'
+
+Toen kwam de veldmuis, de neef van het muisje uit school, en groef een
+gang onder de wortels van de roos. Daar droeg hij het sleuteltje in.
+
+'Als gij het nu weer hebben wilt, dan moet gij mij weer roepen. Dan
+behoeft gij de roos geen schade te doen.'
+
+De roos vlocht zijn gedoornde twijgen dicht over den ingang en zwoer
+plechtig het trouw te bewaken. De kapelletjes waren getuigen.
+
+Den volgenden morgen werd Johannes in zijn eigen bedje wakker, bij
+Presto, de klok en het behangsel. Het koord om zijn hals en het
+sleuteltje daaraan waren verdwenen.
+
+
+
+
+IV
+
+
+Jongen! Jongen! Wat is zoo'n zomer toch criant vervelend,' zuchtte één
+van de drie groote kachels, die op een zolder in het oude huis, in een
+donkere hoek bij elkaar stonden te kniezen, 'weken lang heb ik geen
+levende ziel gezien en geen verstandig woord gehoord. En dan die leegte
+van binnen. 't Is afschuwelijk!'
+
+'Ik zit vol spinnewebben,' zei de tweede, 'dat zou 's winters ook niet
+gebeuren.'
+
+'En ik ben zoo stoffig, dat ik mij dood zal schamen, als tegen den
+winter de zwarte man weer verschijnt, zooals van Alphen zegt.' Die
+wijsheid had de derde kachel natuurlijk van Johannes opgevangen, als
+deze 's winters voor den haard versjes opzeide.
+
+'Gij moet niet zoo oneerbiedig over den Smid spreken,' zeide de eerste
+kachel, die de oudste was, 'dat hindert mij!'
+
+Ook eenige tangen en aschschoppen die hier en daar op den grond lagen,
+in papier gewikkeld tegen 't roesten, gaven duidelijk hun
+verontwaardiging te kennen over die lichtzinnige uitdrukking.
+
+Doch plotseling verstomde het gesprek, want het zolderluik werd
+opgeheven, een lichtstraal drong tot in den duisteren hoek door en
+stelde het geheele gezelschap in hun stoffige verwarring ten toon.
+
+Het was Johannes, die hun gesprek kwam storen. De zolder had altijd een
+groote aantrekkelijkheid voor hem. Nu, na al de vreemde gebeurtenissen
+van den laatsten tijd kwam hij er dikwijls. Hij vond er rust en
+eenzaamheid. Ook was er een venster, dat door een luik gesloten was en
+naar den duinkant uitzag. Het was een groot genot, dat luik plotseling
+te openen, en na het geheimzinnig schemerduister van den zolder op eens
+het wijde, hel verlichte landschap voor zich te zien, begrensd door de
+blanke, zacht-golvende duinreeks.
+
+Er waren drie weken na dien Vrijdagavond verloopen, zonder dat Johannes
+iets van zijn vriend bespeurd had. Het sleuteltje was nu ook weg en
+niets was hem nog tot zeker bewijs, dat hij niet gedroomd had. Dikwijls
+kon hij de vrees niet wegredeneeren, dat het alles toch maar inbeelding
+was geweest. Hij werd er stil onder, en angstig maakte zijn vader de
+opmerking, dat Johannes na dien nacht in de duinen zeker een ziekte
+onder de leden had gekregen. Johannes echter verlangde naar Windekind.
+
+'Zou hij net zooveel van mij houden, als ik van hem?' mijmerde hij,
+terwijl hij aan het zoldervenster stond en over den groenen, bloemrijken
+tuin staarde, 'waarom zou hij dan niet meer en langer bij mij komen. Als
+ik kon ... Maar misschien heeft hij meer vrienden. Zou hij daar ook van
+houden, meer dan van mij. Ik heb geen andere vrienden, geen één. Ik houd
+alleen van hem. Zoo veel! o zoo veel!'
+
+Tegen den diep-blauwen hemel zag hij een vlucht van zes witte duiven
+afsteken, die met kleppenden vleugelslag over het huis zwenkten. Het
+scheen of één gedachte hen dreef, zoo snel en gelijktijdig veranderden
+zij telkens van richting, als om volop te genieten van de zee van
+zonlicht waarin zij zweefden.
+
+Op eenmaal vlogen zij naar Johannes' dakvenstertje toe en streken met
+veel gefladder en wiekgeklepper op de dakgoot neer, waar zij bedrijvig
+kirrend heen en weer bleven trippelen. Een van hen had een rood veertje
+in zijnen vleugel. Hij pluisde en trok er zoolang aan, totdat hij het in
+den bek hield, toen vloog hij op Johannes toe en gaf het hem.
+
+Nauwelijks had Johannes het aangenomen, of hij voelde dat hij zoo licht
+en vlug werd als een der duiven. Hij strekte de leden uit, de
+duivenvlucht vloog op, en Johannes zweefde in hun midden mede, in de
+ruime, vrije lucht en den helderen zonneschijn. Niets was om hem, dan
+het reine blauw en de helle schittering der blanke duivenvleugels.
+
+Zij vlogen over den grooten tuin naar het bosch, waarvan de dichte
+boomtoppen in de verte wuifden als de golven van een groene zee.
+Johannes keek naar beneden en zag zijn vader voor het open raam zitten
+in de huiskamer, Simon zat met gevouwen voorpooten in de vensterbank en
+koesterde zich in de zon. 'Zou zij mij zien?' dacht hij, maar hij durfde
+niet roepen.
+
+Presto holde door de tuinpaden en snuffelde in iederen heester, achter
+elken muur, en krabbelde tegen elk deurtje van broeikas of oranjerie, om
+zijn baasje te vinden.
+
+'Presto! Presto !' riep Johannes. Het hondje zag op en begon te
+kwispelstaarten en klagelijk te janken.
+
+'Ik kom terug, Presto! wachten!' riep Johannes, maar hij was al te ver
+weg.
+
+Zij zweefden boven het bosch en de kraaien vlogen krassend uit de hooge
+toppen, waarin zij hun nesten hadden. Het was in 't midden van den zomer
+en de geur der bloeiende linden steeg in wolken uit het groene woud
+omhoog.
+
+In een leeg nest, op den top van een hooge linde zat Windekind, met zijn
+krans van windekelken op het hoofd. Hij knikte Johannes toe.
+
+'Zijt ge daar! dat is goed,' zeide hij. 'Ik heb u laten halen. Nu kunnen
+wij lang bijeen blijven--als ge wilt.'
+
+'Ik wil wel graag,' zeide Johannes.
+
+Toen dankte hij de vriendelijke duiven, die hem gebracht hadden en
+daalde met Windekind in het bosch af.
+
+Daar was het frisch en schaduwrijk. De wielewaal floot, altijd bijna
+hetzelfde maar toch eenigszins anders.
+
+'De arme vogel,' zei Windekind, 'hij was eens een paradijsvogel. Dat
+ziet ge nog wel aan zijn vreemde gele vederen, maar hij is veranderd en
+uit het paradijs verjaagd. Er is een woord, dat hem zijn vroegere
+prachtige kleeding kan teruggeven en hem weer in het paradijs brengen.
+Maar dat woord is hij vergeten. Nu probeert hij dag aan dag, om het
+terug te vinden. Het lijkt er wel iets op, maar het rechte is het niet.'
+
+Tallooze vliegen glinsterden als zwevende kristallen in de zonnestralen,
+die door het donkere loover drongen. Als men aandachtig luisterde, kon
+men hun gonzen hooren als een groot eentonig concert, dat het gansche
+bosch vervulde. Het was alsof de zonnestralen zongen.
+
+Dik, donkergroen mos bedekte den grond en Johannes was weder zoo klein
+geworden, dat het hem een nieuw bosch op den bodem van het groote bosch
+toescheen. Wat sierlijke stammetjes! En hoe dicht groeiden zij opeen!
+Het was moeilijk er tusschen door te komen en het moswoud scheen
+ontzettend groot.
+
+Daar kwamen zij aan een mierenpaadje. Honderden mieren liepen bedrijvig
+af en aan, sommige stukjes hout, blaadjes of grassprietjes in de kaken
+dragend. Het was zulk een gewoel, dat Johannes er bijna duizelig van werd.
+
+Het duurde lang, voor dat een der mieren hen te woord wilde staan. Zij
+hadden het allen zoo druk. Eindelijk vonden zij een oude mier, die was
+aangesteld om de bladluisjes, waarvan de mieren den honingdauw trekken,
+te bewaken. Daar zijn kudde erg rustig was, kon hij zich wel een poosje
+met de vreemdelingen bemoeien en hun het groote nest laten zien. Het was
+aan den voet van een ouden boomstam aangelegd, zeer groot en honderden
+gangen en kamertjes rijk. De bladluisherder gaf uitleg en leidde de
+bezoekers overal rond, tot in de kinderkamers, waar de jonge larven uit
+de witte windsels kruipen. Johannes was verbaasd en opgetogen.
+
+De oude mier vertelde, dat men in groote drukte leefde wegens den
+veldtocht, die eerstdaags ophanden was. Men zou een andere mierenkolonie,
+niet ver verwijderd, met een groote macht gaan overvallen, het nest
+vernielen en de larven rooven of dooden, daarvoor zouden alle krachten
+noodig zijn en men moest dus eerst het dringendste werk afdoen.
+
+'Waarom is die veldtocht?' zeide Johannes, 'dat lijkt mij niet mooi.'
+
+'Neen! neen!' zei de luizenhoeder, 'het is een zeer schoone en
+lofwaardige tocht. Ge moet denken, het zijn de Strijd-mieren, die wij
+gaan aanvallen, wij gaan hun geslacht uitroeien en dat is een zeer
+goed werk.'
+
+'Zijt gij dan geen Strijd-mieren?'
+
+'Zeker niet! Wat denkt ge wel? Wij zijn Vrede-mieren.'
+
+'Wat beteekent dat dan?'
+
+'Weet ge dat niet? Dat zal ik u uitleggen. Eens waren alle mieren
+voortdurend aan 't vechten, geen dag ging er om zonder groote
+slachtingen. Toen kwam er een wijze, goede mier, die bedacht dat het
+veel moeite zou besparen, als de mieren onderling afspraken niet meer
+te vechten.
+
+'Toen hij dat zeide, vond men het erg vreemd en om die reden begon men
+maar met hem in kleine stukjes te bijten. Later kwamen nog andere mieren
+die hetzelfde meenden. Ook die werden in kleine stukjes gebeten. Maar
+eindelijk kwamen er zooveel, dat het stukbijten te veel werk was voor
+de anderen.
+
+'Toen noemden zij zich Vrede-mieren en hielden allen vol dat de eerste
+Vrede-mier gelijk had; wie dat tegensprak beten zij op hun beurt in
+stukjes. Op die manier zijn tegenwoordig bijna alle mieren Vrede-mieren
+geworden, en de stukjes van de eerste Vrede-mier worden met zorg en
+eerbied bewaard. Wij hebben den kop. Den echten. Wij hebben al twaalf
+andere kolonies verwoest en uitgemoord, die beweerden den echten kop te
+hebben. Nu zijn er nog maar vier over die dat doen. Zij noemen zich
+Vrede-mieren, maar het zijn natuurlijk Strijd-mieren, want wij hebben
+den echten kop en de Vredemier had maar één kop. Nu gaan wij eerstdaags
+de dertiende kolonie uitroeien. Dat is dus wel een goed werk.'
+
+'Ja! Ja!' zeide Johannes--'het is heel merkwaardig!'
+
+Hij was eigenlijk een beetje bang geworden, en voelde zich veel rustiger,
+toen zij den gedienstigen herder dankend vaarwel hadden gezegd en ver van
+het mierenvolk wiegelend op een grashalm zaten uit te rusten, in de
+schaduw van een sierlijk varenblad.
+
+'Hu!' zuchtte Johannes, 'dat was een bloeddorstig en dom gezelschap.'
+
+Windekind lachte en schommelde met zijn grashalm op en neder.
+
+'O!' zei hij, 'gij moet hen niet dom noemen. De menschen gaan naar de
+mieren om wijs te worden.'
+
+Zoo toonde Windekind aan Johannes alle wonderen van het bosch, zij
+vlogen beiden tot de vogels in de boomtoppen en in de dichte heesters,
+daalden af in de kunstige woningen van de mollen, en zagen het bijennest
+in den ouden boomstam.
+
+Eindelijk kwamen zij aan een open plek, omringd door kreupelhout.
+Kamperfoelie groeide er in grooten overvloed. Overal slingerden zich de
+weelderige twijgen over de struiken en prijkten de welriekende
+bloemkransen tusschen het groen. Een zwerm meesjes sprong en fladderde
+tusschen de blaadjes, onder luidruchtig getjilp en gekwetter.
+
+'Laat ons hier wat blijven,' vroeg Johannes, 'hier is het heerlijk.'
+
+'Goed,' zeide Windekind. 'Dan zult ge ook iets grappigs zien.'
+
+Op den grond stonden blauwe klokjes in het gras. Johannes ging naast een
+zitten en begon een gesprek over de bijen en de kapellen. Dat waren
+goede vrienden van het klokje en daarom vlotte het gesprek ook spoedig.
+
+Wat was dat? Een groote schaduw kwam over het gras en iets als een witte
+wolk daalde op het klokje neer ... Nauwelijks had Johannes tijd om weg te
+komen, en vloog naar Windekind, die in een hoogbloeiende kamperfoelie-
+bloem zat. Toen zag hij dat de witte wolk een zakdoek was en bom! daar
+ging een dikke juffrouw op den zakdoek zitten en op het arme klokje dat
+er onder was.
+
+Hij had geen tijd om het te beklagen, want gerucht van stemmen en
+gekraak van takken vervulden de open plek van het bosch. Een menigte
+menschen naderde.
+
+'Nu zullen wij lachen,' zeide Windekind.
+
+Daar kwamen zij aan, de menschen. De vrouwen met manden en parapluies in
+de hand, de mannen met hooge, rechte, zwarte hoeden op. Ze waren meest
+allen zwart, erg zwart. In het zonnige, groene bosch zagen zij er uit
+als groote, leelijke inktvlekken op een prachtig schilderij.
+
+Er werden heesters uiteengedrongen, bloemen neergetrapt, nog vele witte
+zakdoeken uitgespreid en de lijdzame grassprietjes en de geduldige
+mosplantjes gaven zuchtend mede onder het gewicht dat ze te torsen
+kregen en vreesden nimmer van den slag te herstellen.
+
+Sigarenrook krinkelde over de kamperfoelie-struiken en verdreef nijdig
+den teederen geur hunner bloemen.
+
+Harde stemmen verjaagden den vroolijken meezenzwerm, die onder verschrikt
+en verontwaardigd getjilp in de naaste boomen toevlucht zocht.
+
+Een man rees op uit de menigte en ging op een heuveltje staan. Hij had
+lang, blond haar en een bleek gezicht. Hij zeide iets en toen deden alle
+menschen hunnen mond erg wijd open en begonnen te zingen, zoo hard, dat
+de kraaien krassend opvlogen van hunne hooge nesten en de nieuwsgierige
+konijntjes, die van den duinrand gekomen waren om eens te kijken,
+verschrikt aan 't loopen gingen en een kwartier lang bleven doorloopen,
+toen zij reeds veilig weder in 't duin waren.
+
+Windekind lachte en sloeg den sigarenrook voor zich weg met een varentak,
+Johannes kwamen de tranen in de oogen, echter niet van den rook.
+
+'Windekind,' zeide hij, 'ik wilde weg, het is zoo leelijk en zoo hard.'
+
+'Neen, wij moeten nog blijven. Gij zult lachen, het wordt nog grappiger.'
+
+Het zingen hield op en de bleeke man begon te spreken. Hij schreeuwde
+hard, opdat allen hem zouden verstaan, maar wat hij zeide klonk erg
+vriendelijk. Hij noemde de menschen broeders en zusters en sprak van de
+heerlijke natuur en de wonderen der schepping, van Gods zonneschijn en
+van de lieve vogelen en bloemen ...
+
+'Wat is dat?' vroeg Johannes. 'Hoe spreekt hij daarover? Kent hij u? Is
+hij een vriend van u?'
+
+Windekind schudde minachtend het omkranste hoofdje.
+
+'Hij kent mij niet, de zon, de vogelen, de bloemen evenmin. Het is alles
+logen wat hij zegt.'
+
+De menschen luisterden allen zeer aandachtig. De dikke juffrouw, die op
+het blauwe klokje zat, begon verscheiden malen te huilen en wischte de
+tranen met haar rokslip af, omdat zij haar zakdoek niet gebruiken kon.
+
+De bleeke man zeide, dat God ter wille van hun bijeenkomst de zon zoo
+vroolijk had laten schijnen; toen lachte Windekind en wierp van uit de
+dichte bladen een eikel op zijn neus.
+
+'Hij zal het anders ondervinden,' zeide hij, 'mijn vader zou voor hem
+schijnen, wat verbeeldt hij zich wel.'
+
+Doch de bleeke man was te veel in vuur geraakt om op den eikel te
+letten, die uit de lucht scheen te vallen, hij sprak lang en hoe langer
+hoe harder. Op 't laatst werd hij rood en blauw in 't gezicht, balde de
+vuisten en schreeuwde zoo luid, dat de bladeren trilden en de grashalmen
+ontzet heen en weer wiegelden. Toen hij eindelijk tot bedaren gekomen
+was, begonnen allen weer te zingen.
+
+'Wel foei!' zeide een meerle, die van een hoogen boom het rumoer
+aanhoorde. 'Is dat een afschuwelijk leven maken! Ik heb nog liever dat
+er koeien in het bosch komen. Hoor dat eens aan. Wel foei!'
+
+Nu! de meerle is een kenner en heeft een fijnen smaak.
+
+Na het gezang haalden de menschen uit manden, doozen en zakken, allerlei
+eetwaren voor den dag. Er werden papieren uitgespreid en broodjes en
+sinaasappelen verdeeld. Ook flesschen en glazen kwamen te voorschijn.
+
+Toen riep Windekind zijn bondgenooten bijeen en begon den smullenden
+troep te belegeren.
+
+Een dappere kikvorsch sprong op den schoot van een oude juffrouw, vlak
+naast het broodje dat zij juist wilde gaan opeten en bleef daar zitten,
+als verbaasd over zijn eigen stoutmoedigheid. De juffrouw gaf een
+ijselijken gil en staarde ontzet den aanvaller aan, zonder zich te
+durven verroeren. Het moedige voorbeeld vond navolging. Groene rupsen
+kropen onverschrokken over hoeden, zakdoeken en broodjes, overal angst
+en schrik teweegbrengend; groote dikke kruisspinnen lieten zich aan
+glinsterende draden neer in bierglazen, op hoofden of halzen en een luid
+gegil volgde steeds hunnen aanval; tallooze vliegjes bestormden de
+menschen regelrecht in 't gezicht en offerden hun leven voor de goede
+zaak, door zich op spijzen en dranken te storten en ze met hun lichaam
+onbruikbaar te maken. Eindelijk kwamen de mieren in onafzienbare scharen
+en tastten den vijand op de meest onverwachte plaatsen bij honderden
+tegelijk aan. Dat bracht een verwarring en ontsteltenis teweeg! Haastig
+vlogen mannen en vrouwen van de zoo lang verdrukte mos- en grasplantjes
+op; ook het arme, blauwe klokje werd bevrijd, door den welgeslaagden
+aanval van twee oorwurmen op de beenen van de dikke juffrouw. De
+vertwijfeling nam toe: dansend en springend, onder de zonderlingste
+gebaren, trachtten de menschen hun vervolgers te ontkomen. De bleeke man
+bood lang weerstand en sloeg met een zwart stokje in 't rond, doch een
+paar baldadige meezen, die geen aanvalsmiddel te laag achtten en een
+wesp, die hem door zijn zwarte broek heen in de kuit stak, stelden hem
+buiten gevecht.
+
+Toen kon de vroolijke zon zich niet langer goed houden en verborg het
+aangezicht achter een wolk. Groote regendroppels daalden op de
+strijdende partijen. Het was alsof door den regen plotseling een bosch
+van groote, zwarte paddestoelen uit den grond opschoot. Dat waren de
+regenschermen die werden uitgespannen. Vrouwen sloegen de rokken over
+het hoofd, waardoor witte onderrokken, wit gekouste beenen en schoenen
+zonder hakken zichtbaar werden. O, wat had Windekind een pret! hij moest
+zich aan den bloemstengel vasthouden van 't lachen.
+
+Dichter en dichter stroomde de regen, hij begon het bosch met een
+grauwen, glinsterenden sluier te omhullen. Kletterende waterstralen
+vielen van parapluies, hooge hoeden en zwarte jassen, die glommen als de
+schilden van de watertor, de schoenen zoenden en smakten in den
+doorweekten grond. Toen gaven de menschen het op, en dropen bij kleine
+troepjes zwijgend af, een menigte papieren, ledige flesschen en
+sinaasappelschillen als onoogelijke sporen van hun bezoek, achterlatend.
+Op het open veldje in het bosch werd het weder eenzaam en hoorde men
+spoedig niets meer dan het eentonige ruischen van den regen.
+
+'Nu, Johannes! nu hebben wij ook menschen gezien. Waarom lacht gij ook
+niet om hen?'
+
+'Ach, Windekind! zijn alle menschen zoo?'
+
+'O! er zijn nog veel erger en leelijker. Soms razen en tieren zij en
+vernielen al wat mooi en heerlijk is. Zij hakken boomen om en zetten er
+plompe, vierkante huizen voor in de plaats. Zij vertrappen de bloemen
+moedwillig en dooden voor vermaak elk dier, dat onder hun bereik komt.
+In hun steden, waar zij opeen kruipen, is alles vuil en zwart en de
+lucht bedompt en vergiftigd door stank en rook. Zij zijn geheel vervreemd
+van de natuur en hun medeschepselen. Daarom maken zij zulk een dwaas en
+droevig figuur, als zij er in terugkeeren.'
+
+'Ach! Windekind! Windekind!'
+
+'Waarom weent gij, Johannes? Gij moet niet weenen, omdat gij bij
+menschen geboren zijt. Ik heb u immers lief en u verkoren onder allen.
+Ik heb u de taal van vlinders en vogelen geleerd en den blik der bloemen
+doen verstaan. De maan kent u, en de goede, milde aarde heeft u lief als
+haar liefste kind. Waarom zoudt ge niet blij zijn, daar ik uw vriend ben?'
+
+'O, Windekind dat ben ik! dat ben ik! maar ik moet toch huilen om al die
+menschen!'
+
+'Waarom? Gij behoeft niet bij hen te blijven, als u dat verdriet doet.
+Gij kunt hier wonen en mij altijd vergezellen. Wij zullen huizen in het
+dichtste van het bosch, in de eenzame, zonnige duinen of in het riet aan
+den vijver. Ik zal u overal brengen, op den bodem van het water tusschen
+de waterplanten, in de paleizen van elfen en in de woningen van de
+kabouters. Ik zal met u zweven over velden en wouden, over vreemde
+landen en zeeën. Ik zal spinnen fijne kleederen voor u laten maken en u
+vleugels geven, zooals ik ze draag. Wij zullen leven van bloemengeur en
+met de elfen in het maanlicht dansen. Als de herfst komt, zullen wij met
+den zomer medetrekken, daarheen waar de hooge palmen oprijzen, waar
+kleurige bloemtrossen aan de rotsen hangen en het donkerblauwe zeevlak
+schittert in de zon. En ik zal u altijd sprookjes vertellen. Wilt ge dat
+Johannes?'
+
+'Zal ik nimmermeer onder menschen wonen?'
+
+'Onder menschen wacht u eindeloos verdriet, verveling, vermoeienis en
+zorg. Dag aan dag zult gij tobben en zuchten onder den last van uw
+leven. Zij zullen uwe teedere ziel stooten en pijnigen door hun
+grofheden. Zij zullen u ter dood vervelen en martelen. Hebt gij de
+menschen meer lief dan mij?'
+
+'Neen! neen! Windekind, ik wil bij u blijven!'
+
+Nu kon hij toonen, hoeveel hij van Windekind hield. Ja! hij wilde allen
+en alles voor hem verlaten en vergeten. Zijn kamertje, Presto en zijn
+vader. Vol vreugde en vastberaden herhaalde hij zijn wensch.
+
+De regen hield op. Onder grauwe wolken door straalde een heldere
+glimlach van de zon over het woud, op de vochtige glanzende bladeren en
+op de droppels, die aan elk twijgje en halmpje fonkelden en de
+spinnewebben sierden, die over het eikenloof gespannen waren. Langzaam
+steeg een fijne nevel uit den vochtigen grond tusschen het kreupelhout
+omhoog, duizend zoele droomerige geuren medevoerend. De meerle vloog nu
+in den hoogsten boomtop en zong in korte, innige melodieën tot de
+dalende zon, als wilde zij toonen welke zang hier paste, in de plechtige
+avondstilte, bij de zachte begeleiding der vallende droppen.
+
+'Is dat niet schooner dan menschengeluid, Johannes? Ja! de meerle weet
+wel den juisten toon te treffen. Hier is alles harmonie, zoo volkomen
+zult ge ze bij menschen nooit vinden.'
+
+'Wat is harmonie, Windekind?'
+
+'Dat is hetzelfde als geluk. Het is dat, waarnaar alles streeft. Ook de
+menschen. Doch zij doen als jongens, die een vlinder willen vangen. Zij
+jagen haar juist weg door hun domme pogingen.'
+
+'Zal ik haar bij u vinden?'
+
+'Ja Johannes! Maar dan moet gij de menschen vergeten. Het is een slecht
+begin, bij menschen geboren te zijn, maar gij zijt nog jong, gij moet
+alle herinneringen aan uw menschenleven van u afzetten, bij hen zoudt
+gij dwalen en in verwarring, strijd en ellende geraken, het zou met u
+gaan als met den jongen meikever, van wien ik u vertelde.'
+
+'Wat is daarmede verder gebeurd?'
+
+'Hij heeft het heldere schijnsel gezien, waarvan de oude kever sprak;
+hij dacht niet beter te kunnen doen, dan er dadelijk heen te vliegen.
+Regelrecht vloog hij in een kamer en viel in menschenhanden. Drie dagen
+lang is hij daar gemarteld, hij heeft in kartonnen doosjes gezeten, men
+heeft hem draadjes aan de pooten gebonden en zoo laten vliegen, toen
+heeft hij zich losgerukt, een vleugel en een poot verloren en is
+eindelijk, hulpeloos op een vloerkleed rondkruipend en nog vruchteloos
+pogend den tuin te bereiken, door een zwaren voet verpletterd.
+
+'Alle dieren, Johannes, die in den nacht ronddolen, zijn zoo goed
+kinderen van de zon als wij. En al hebben zij nimmer hunnen
+schitterenden vader gezien, toch drijft hen een onbewuste herinnering
+immer weer tot al waaraan licht ontstraalt. En duizenden arme schepsels
+der duisternis vinden een jammerlijken dood door die liefde tot de zon,
+van wie zij sinds lang gescheiden en vervreemd zijn. Zoo brengt een
+onbegrepen, onweerstaanbare neiging de menschen ten verderve in de
+schijnbeelden van dat Groote Licht, dat hen deed ontstaan en dat zij
+niet meer kennen.'
+
+Vragend zag Johannes op naar Windekind's oogen. Doch zij waren diep en
+geheimvol, als de donkere hemel tusschen de sterren.
+
+'Bedoelt gij God?' vroeg hij eindelijk schuchter.
+
+'God?' De diepe oogen lachten zacht. 'Ik weet, Johannes, waaraan gij
+denkt, als gij dien klank uitspreekt. Aan den stoel voor uw bed,
+waartegen gij het lange gebedje iederen avond zegt, aan de groen saaien
+gordijnen voor het kerkraam, waarnaar gij Zondagmorgen zoo lang kijkt,
+aan de kapitale letters van uw bijbeltje, aan het kerkezakje met den
+langen steel, aan leelijk gezang en een muffe menschenlucht. Wat gij met
+dien naam bedoelt, Johannes, is een belachelijk schijnbeeld, in plaats
+van de zon, een groote petroleumlamp, waarop honderden en duizenden
+mugjes hulpeloos zitten vastgeplakt.'
+
+'Maar hoe heet dan dat Groote Licht, Windekind? en tot wien moet ik dan
+bidden?'
+
+'Johannes, het is alsof een schimmelplantje mij vroeg hoe de aarde
+heette, die met haar ronddraait. Was er een antwoord op uw vraag, gij
+zoudt het verstaan als een aardworm de muziek der sterren. Doch bidden
+zal ik u leeren.'
+
+En met den kleinen Johannes, die in stille verwondering over Windekind's
+woorden peinsde, vloog hij uit het bosch omhoog, zoo hoog, dat over den
+duinrand een lange, als goud fonkelende streep zichtbaar werd. Zij
+vlogen voort, de grillig beschaduwde duinvlakte gleed onder hun blikken
+weg en breeder en breeder werd de lichtstreep. De groene kleur der
+duinen week, vaal zag het helm en vreemde, bleekblauwe planten groeiden
+er tusschen. Nog een hooge heuvelreeks, een lang gestrekte, smalle
+zandstrook en dan de wijde, ontzaglijke zee.
+
+Blauw was het groote vlak, tot aan de kimme, maar onder de zon straalde
+een smalle strook in verblindend roode schittering. Een lange, donzig
+witte schuimrand omzoomde het zeevlak, zooals hermelijn het blauw fluweel
+omzoomt.
+
+En aan de kimme scheidde lucht en water een fijne, wonderbare lijn. Een
+wonder scheen zij: recht en toch gebogen, scherp en toch onbestemd,
+zichtbaar en toch onnaspeurlijk. Zij was als de toon eener harp, die
+lang en droomend naklinkt, die schijnt weg te sterven en toch blijft.
+
+Toen zette de kleine Johannes zich op den duinrand en staarde ...,
+staarde in lang, roerloos zwijgen totdat het hem was, alsof hij ging
+sterven, alsof de groote, gouden deuren van het heelal zich statig
+ontsloten en zijne kleine ziel het eerste licht der oneindigheid
+tegenzweefde.
+
+En totdat de tranen, die in zijn wijd geopende oogen welden, de schoone
+zon omfloersten en de pracht van hemel en aarde deden wegdeinzen in een
+duistere, trillende schemering ...
+
+'Zoo moet gij bidden!' zeide toen Windekind.
+
+
+
+
+V
+
+
+Hebt gij wel eens op een fraaien herfstdag door het bosch gedwaald? Als
+de zon zoo stil en helder op het rijkgetinte loover schijnt, als de
+takken kraken en de dorre bladeren ruischen onder uw voet?
+
+Dan schijnt het woud zoo moede, het kan nog slechts deinzen en leeft in
+oude herinneringen. Een blauwe nevel omringt het, als een droom, met
+geheimzinnige pracht en de glinsterende herfstdraden zweven door de
+lucht in trage golving, als schoone, doellooze mijmeringen.
+
+Doch uit den vochtigen grond, tusschen mos en dorre bladeren, verrijzen
+dan plotseling en raadselachtig de wonderlijke gestalten der
+paddestoelen. Sommige dik, wanstaltig en vleezig, andere slank en
+rijzig, met geringden steel en schitterend gekleurden hoed. Dat zijn
+zonderlinge droombeelden van het woud.
+
+Dan ziet men ook op vermolmde boomstronken tallooze kleine, witte
+stompjes, met zwarte topjes, alsof zij verbrand waren. Sommige wijze
+menschen houden ze voor een soort zwammen. Doch Johannes leerde beter:
+
+Het zijn kaarsjes. Zij branden in stille herfstnachten, dan zitten er de
+kaboutermannetjes bij en lezen in kleine boekjes.
+
+Dat leerde hem Windekind op zulk een stillen herfstdag, en Johannes ademde
+droomstemming in met den doffen geur, die uit den boschgrond opsteeg.
+
+Hoe komen de bladeren van den eschdoorn zoo zwartgevlekt?
+
+'Ja, dat doen de kabouters ook,' zei Windekind. 'Als zij des nachts
+geschreven hebben, gooien zij des morgens de rest van hun inktpotjes
+over die bladeren uit. Zij houden niet van dien boom. Van esschenhout
+maakt men kruisjes en stelen voor kerkezakjes.'
+
+Johannes werd nieuwsgierig naar die kleine, vlijtige kabouters, en hij
+liet Windekind beloven, hem bij één van hen te brengen.
+
+Lang was hij reeds bij Windekind geweest, en hij was zoo gelukkig in
+zijn nieuw leven, dat hij nog weinig berouw gevoelde over zijn belofte,
+al het achtergelatene te vergeten. Er waren geen tijden van angst of
+eenzaamheid, waarin altijd het berouw komt. Windekind verliet hem nooit,
+en bij hem was elke plek een te huis. Rustig sliep hij in het wiegelend
+nest van een karkiet, dat tusschen de groene riethalmen hing, al brulde
+de roerdomp en krasten de kraaien nog zoo onheilspellend. Geen angst
+voelde hij bij kletterenden regen of suizenden storm, dan school hij in
+holle boomen, of konijnenholen, en kroop dicht onder Windekinds
+manteltje en luisterde naar zijn stem die sprookjes verhaalde.
+
+En nu zou hij de kabouters zien.
+
+'t Was een goede dag daarvoor. Zoo stil! zoo stil! Johannes meende reeds
+hun fijne stemmetjes en het geschuifel hunner voetjes te hooren, doch
+het was nog middag. De vogelen waren bijna allen weg, alleen de lijsters
+smulden aan de helroode bessen. Eén zat gevangen in een strik. Met
+uitgespreide vleugels hing zij daar en spartelde, tot het scherp
+omknelde pootje bijna vaneen scheurde. Spoedig bevrijdde haar Johannes,
+en onder blij getink vloog zij ijlings weg.
+
+De paddestoelen hadden het druk onder elkaar.
+
+'Zie mij eens!' zeide een dikke duivels-zwam. 'Hebt ge ooit zoo iets
+gezien? Zie hoe dik en wit mijn steel is en hoe mijn hoed glimt. Ik ben
+de grootste van allen. En dat in één nacht!' 'Ba!' zeide de roode
+vliegenzwam, 'gij zijt zeer lomp. Zoo bruin en grof. Ik wiegel op mijn
+slanken steel als een riethalm. Ik ben prachtig rood als de
+lijsterbessen en sierlijk gespikkeld. Ik ben schooner dan allen.'
+
+'Stil!' zeide Johannes, die hen wel kende van vroeger dagen: 'gij zijt
+beiden giftig.'
+
+'Dat is een deugd,' zei de vliegenzwam.
+
+'Zijt gij een mensch bij geval?' bromde de dikke schamper. 'Dan mag ik
+lijden dat gij mij opeet.'
+
+Dat deed Johannes echter niet. Hij nam dorre takjes en stak die in den
+vleezigen hoed. Dat stond gek en alle andere lachten. Ook een troepje
+dunne paddestoelen met bruine kopjes, die gezamenlijk in een paar uur
+waren opgeschoten en elkaar verdrongen om in de wereld te kijken. De
+duivelszwam werd blauw van kwaadheid. Daar kwam zijn giftige aard mee
+aan den dag.
+
+Aardsterren hieven haar ronde, opgeblazen hoofdjes op vierpuntige
+voetstukjes. Van tijd tot tijd vloog een bruin wolkje uiterst fijn
+poeder uit de opening van het ronde hoofdje. Waar dat poeder neerviel in
+vochtigen bodem, zouden zich draden door de zwarte aarde vlechten en het
+volgende jaar honderden nieuwe aardsterren opschieten.
+
+'Welk een schoon bestaan!' zeiden zij tot elkaar.
+
+'Stuiven is het hoogste levensdoel! Welk een geluk te kunnen stuiven zoo
+lang men leeft!'
+
+En met aandachtige toewijding dreven zij de kleine poederwolkjes in de
+lucht.
+
+'Hebben zij gelijk, Windekind?'
+
+'Waarom niet? Wat kan voor hen hooger zijn? Gelukkig dat zij niet meer
+verlangen, want zij kunnen niet anders.'
+
+Toen de nacht was gedaald en de schaduwen der boomen tot een gelijkmatig
+duister waren ineengevloeid, hield het geheimzinnige woudleven niet op.
+De takjes kraakten en knapten, de dorre blaadjes ritselden hier en daar,
+tusschen het gras en in het kreupelhout. Johannes voelde den tocht van
+onhoorbare vleugelslagen en was bewust van de nabijheid van onzichtbare
+wezens. Nu hoorde hij toch duidelijk stemmetjes fluisteren en voetjes
+trippelen. Zie, daar in de duistere diepte der struiken gloeide even een
+klein, blauw vonkje en verdween. Daar weder een en weder! Stil ... als
+hij goed luisterde, hoorde hij geschuifel in de bladeren vlak bij
+hem,--bij dien donkeren boomstronk. De blauwe lichtjes kwamen er achter
+te voorschijn en hielden stil op den top.
+
+Overal zag Johannes nu lichtglansen glimmen, zij zweefden tusschen het
+donkere loover, dansten met kleine sprongen langs den grond, en ginds
+straalde een groote tintelende massa als een blauw vreugdevuur.
+
+'Wat is dat voor een vuur?' vroeg Johannes. 'Dat brandt prachtig!'
+
+'Dat is een vermolmde boomstam,' zeide Windekind. Zij gingen op een
+stil, helder lichtje af.
+
+'Nu zal ik u aan Wistik voorstellen. Dat is de oudste en wijste der
+kabouters.'
+
+Dichterbij gekomen, zag Johannes hem bij zijn kaarsje zitten. Duidelijk
+kon men bij den blauwen schijn het gerimpeld gezichtje met den grijzen
+baard onderscheiden; hij las hardop met saamgetrokken wenkbrauwen. Op
+het hoofd droeg hij een eikelkapje met een klein veertje, vóór hem zat
+een kruisspin en luisterde naar de voorlezing.
+
+Toen de twee naderden, keek de kabouter zonder het hoofd op te heffen,
+uit zijn boekje op en trok de wenkbrauwen in de hoogte. De kruisspin
+kroop weg. 'Goeden avond!' zeide de kabouter. 'Ik ben Wistik. Wie zijt
+gij beiden?'
+
+'Ik heet Johannes. Ik wilde graag met u kennis maken. Wat leest gij
+daar?'
+
+'Dat is niet voor uwe ooren bestemd,' zeide Wistik; 'dat is alleen voor
+kruisspinnen.'
+
+'Laat het mij ook eens zien, lieve Wistik!' vroeg Johannes.
+
+'Dat mag ik niet. Dat is het heilige boek der spinnen, dat bewaar ik en
+mag ik nooit uit mijn handen geven. Ik heb de heilige boeken van torren
+en vlinders en egels en mollen en al wat hier leeft. Zij kunnen niet
+allen lezen en als zij nu iets willen weten, lees ik het hun voor. Dat
+is een groote eer voor mij, een post van vertrouwen, begrijpt ge?'
+
+Het mannetje knikte een paar malen zeer ernstig en stak een
+wijsvingertje op.
+
+'Waaraan waart gij nu bezig?'
+
+'Aan de geschiedenis van Kribbelgauw, den grooten held der kruisspinnen,
+die heel lang geleden leefde en een net had, dat over drie boomen
+gespannen was, waarin hij millioenen vliegen op één dag ving. Vóór
+Kribbelgauw's tijd maakten de spinnen geen netten en leefden van gras en
+doode beestjes; maar Kribbelgauw was een knappe kop en bewees, dat ook
+levende beestjes tot spinnenvoedsel gemaakt waren. Toen vond Kribbelgauw
+ook de kunstige netten uit, door moeilijke berekeningen, want hij was
+een groot wiskunstenaar. En de kruisspinnen maken nog altijd haar netten
+precies, draadje aan draadje zooals hij het geleerd heeft, maar veel
+kleiner. Want het spinnengeslacht is erg ontaard. Kribbelgauw ving
+groote vogels in zijn net en vermoordde duizend van zijn eigen kinderen,
+dat was nog eens een groote spin. Eindelijk is er een geweldige storm
+gekomen en heeft Kribbelgauw met zijn net en de drie boomen, waaraan het
+vastzat, mede door de lucht gesleept, naar verre bosschen, waar hij nu
+eeuwig vereerd wordt om zijn grooten moordlust en vlugheid.'
+
+'Is dat alles waar?' vroeg Johannes.
+
+'Het staat in dit boekje,' zeide Wistik.
+
+'Gelooft gij het?'
+
+De kabouter kneep één oog dicht en legde den wijsvinger langs den neus.
+
+'In de heilige boekjes van andere dieren, waarin over Kribbelgauw
+gesproken wordt, heet hij een verfoeilijk en verachtelijk monster. Maar
+ik houd er mij buiten.'
+
+'Is er ook een kabouterboekje, Wistik?'
+
+Wistik keek Johannes eenigszins wantrouwend aan.
+
+'Wat zijt gij eigenlijk voor een wezen, Johannes? Gij hebt zoo iets ...
+zoo iets ... menschelijks, zou ik zeggen.'
+
+'Neen! neen! wees gerust, Wistik,' zeide Windekind toen, 'wij zijn
+elfen. Maar Johannes heeft vroeger veel menschen gezien. Gij kunt hem
+echter vertrouwen. Het zal hem geen kwaad doen.'
+
+'Ja! ja! dat is goed en wel, maar ik heet de wijste der kabouters en ik
+heb lang en ijverig gestudeerd vóórdat ik wist wat ik weet. Nu moet ik
+voorzichtig zijn met mijn wijsheid. Als ik te veel vertel, verlies ik
+mijn reputatie.'
+
+'Maar in welk boekje denkt gij dan, dat het rechte staat?'
+
+'Ik heb veel gelezen, maar ik geloof niet, dat ik dat boekje ooit
+gelezen heb. Het is niet het elfenboekje, ook niet het kabouterboekje.
+Toch moet het er zijn.'
+
+'Het menschenboekje misschien?'
+
+'Dat ken ik niet, maar ik zou het niet denken. Want het ware boekje moet
+groot geluk en grooten vrede brengen, daarin moet nauwkeurig staan,
+waarom alles is zooals het is, zoodat niemand iets meer kan vragen of
+verlangen. Nu, zóó ver zijn de menschen, geloof ik, niet.'
+
+'O! O neen!' lachte Windekind.
+
+'Is er stellig zulk een boekje?' vroeg Johannes gretig.
+
+'Ja! ja!' fluisterde het kaboutertje, 'ik weet het uit oude, oude
+verhalen. En--stil!--ik weet ook waar het is en wie het vinden kan.'
+
+'O! Wistik! Wistik!'
+
+'Waarom hebt gij het dan nog niet?' vroeg Windekind.
+
+'Geduld maar, dat zal wel gebeuren. Enkele bizonderheden weet ik nog
+niet. Doch spoedig zal ik het vinden. Ik heb er mijn leven lang voor
+gewerkt en naar gezocht. Want voor hem, die het vindt, zal het leven
+zijn als een eeuwige herfstdag, blauwe lucht omhoog en blauwe nevel
+rondom, doch geen vallend blad zal ritselen, geen takje zal kraken en
+geen druppel zal tikken, de schaduwen zullen niet veranderen, en het
+goud op de boomtoppen zal niet verbleeken. Wat ons licht schijnt, zal
+duister zijn, en wat ons gelukkig schijnt, zal droevig wezen voor hem
+die dat boekje gelezen heeft. Ja! dit alles weet ik, en ik zal het ook
+eenmaal vinden.'
+
+Het kaboutertje trok de wenkbrauwen zeer hoog op en legde den vinger op
+zijn mond.
+
+'Wistik zoudt gij mij kunnen leeren ...' begon Johannes; doch eer hij kon
+uitspreken, voelde hij een hevige windvlaag en zag een groote, zwarte
+gedaante vlak boven zich, die snel en onhoorbaar voorbijschoot.
+
+Toen hij weer naar Wistik keek, zag hij nog even een voetje in den
+boomstronk verdwijnen. Wip! was het kaboutertje voorover in zijn hol
+gesprongen, met boek en al. Het kaarsje begon flauwer en flauwer te
+branden en ging opeens uit. Het zijn zeer bizondere kaarsjes.
+
+'Wat was dat?' vroeg Johannes, zich in het duister angstig aan Windekind
+vastklemmend.
+
+'Een nachtuil,' zeide Windekind.
+
+Zij zwegen beiden een tijdlang. Toen vroeg Johannes: 'Gelooft gij wat
+Wistik gezegd heeft?'
+
+'Wistik is niet zoo wijs als hij zelf denkt. Zulk een boekje vindt hij
+nimmer, en gij ook niet.'
+
+'Maar bestaat het?'
+
+'Dat boekje bestaat zooals uw schaduw bestaat, Johannes! Hoe hard gij
+loopt en hoe omzichtig gij grijpt, gij zult haar niet inhalen of vatten.
+En eindelijk merkt ge dat ge u-zelven zoekt. Wees niet dwaas en vergeet
+dien kabouterpraat! Ik zal u honderd mooiere geschiedenissen vertellen.
+Ga mede; wij zullen naar den rand van 't bosch gaan en zien hoe onze
+goede Vader de witte wollen dauwdekens van de slapende weilanden
+licht. Ga mede!'
+
+Johannes ging, doch Windekinds woorden begreep hij niet en zijn raad
+volgde hij niet. En terwijl hij den schitterenden herfstmorgen zag
+rijzen, mijmerde hij over het boekje, waarin stond, waarom alles is
+zooals het is, en herhaalde zachtjes bij zichzelve: 'Wistik! ...'
+
+
+
+
+VI
+
+
+Toen scheen het hem, de volgende dagen, alsof het niet zoo vroolijk en
+prettig meer was bij Windekind in het bosch en de duinen. Zijn gedachten
+waren niet geheel meer vervuld van al hetgeen Windekind zeide en hem
+liet zien. Telkens moest hij weder over dat boekje peinzen en daarover
+durfde hij niet spreken. Wat hij zag, scheen hem niet zoo mooi en
+wondervol meer als vroeger. De wolken waren zoo zwart en zwaar en
+maakten hem angstig, als zouden zij op hem neerkomen. Het deed hem pijn,
+als de herfstwind rusteloos de arme, moede boomen schudde en zweepte,
+dat de bleeke achterkant der groene bladeren boven kwam en geel loof en
+dorre takken opvlogen in de lucht.
+
+Wat Windekind vertelde, gaf hem geen voldoening. Veel begreep hij niet,
+en nimmer kreeg hij een volkomen duidelijk en bevredigend antwoord,
+wanneer hij een van zijn oude vragen deed.
+
+Dan moest hij weer aan dat boekje denken, waarin alles zoo klaar en
+eenvoudig geschreven stond, en aan dien eeuwig zonnigen stillen
+herfstdag, die dan volgen zou.
+
+'Wistik! Wistik!'
+
+Windekind hoorde het.
+
+'Johannes! gij zult toch een mensch blijven, vrees ik. Zelfs uw
+vriendschap is als die van menschen, de eerste, die tot u sprak na mij,
+heeft al uw vertrouwen weggenomen. Ach, mijn moeder had wel gelijk!'
+
+'Neen Windekind! maar gij zijt zooveel wijzer dan Wistik, gij zijt ook
+zoo wijs als dat boekje. Waarom zegt gij mij alles niet? Zie, nu! waarom
+blaast de wind door de boomen, dat zij moeten buigen en weer buigen?
+Zie, zij kunnen niet meer, de mooiste takken breken, en bij honderden
+laten de blaadjes los ook al zijn ze nog groen en frisch. Ze zijn zoo
+moede en kunnen niet meer vasthouden, en toch worden ze telkens weer
+opnieuw geschud en geslagen door dien ruwen nijdigen wind. Waarom is
+dat? Wat wil de wind?'
+
+'Arme Johannes! dat is menschentaal!'
+
+'Laat het stil worden, Windekind! Ik wil stilte en zonneschijn!'
+
+'Gij vraagt en wilt als een mensch, daarvoor is antwoord noch
+vervulling. Als gij niet beter leert vragen en wenschen, zal de
+herfstdag nimmer voor u aanbreken, en gij wordt als de duizenden
+menschen, die Wistik gesproken hebben.'
+
+'Zijn er zooveel?'
+
+'Ja, duizenden! Wistik hield zich heel geheimzinnig maar toch is hij een
+prater, die zijn geheim niet verzwijgen kan. Hij hoopt het boekje bij de
+menschen te vinden, en deelt zijn wijsheid aan ieder mee, die hem
+misschien kan helpen. En al veel ongelukkigen heeft hij er mede gemaakt.
+Zij gelooven hem en gaan het boekje zoeken, met evenveel ijver als
+sommigen de kunst om goud te maken. Zij offeren alles op, vergeten al
+hun bedrijf en geluk en sluiten zich op tusschen dikke boeken, vreemde
+stoffen en werktuigen. Zij wagen hun leven en gezondheid, ze vergeten
+den blauwen hemel en de goede, milde natuur en ook hun medemenschen.
+Soms vinden zij mooie en nuttige dingen als goudklompen, die zij uit hun
+holen op de lichte, zonnige aardoppervlakte gooien, doch zelf bekommeren
+zij zich daar niet om, laten anderen er van genieten en graven en
+wroeten ingespannen en rusteloos in het duister voort. Geen goud zoeken
+zij, maar het boekje. Sommigen versuffen ook onder den arbeid, vergeten
+hun doel en hun wensch en dwalen af tot jammerlijk gebeuzel. Dan heeft
+de kabouter hen kindsch gemaakt. Men ziet ze torentjes van zand bouwen
+en tellen hoeveel korrels er noodig zijn voordat ze omvallen; ze maken
+watervalletjes en berekenen precies elk bochtje en golfje, dat het water
+maken zal; ze graven kuiltjes en besteden al hun geduld en vernuft, om
+die mooi glad en zonder steentjes te krijgen. Stoort men die arme
+verdwaasden in hun werk en vraagt men wat zij doen, dan zien zij u
+ernstig en gewichtig aan, schudden het hoofd en mompelen: 'Wistik!
+Wistik!' Ja, dit alles is de schuld van dien kleinen, naren kabouter.
+Pas op voor hem, Johannes!'
+
+Doch Johannes staarde voor zich naar de zwaaiende en piepende boomen;
+boven zijn heldere kinderoogen plooide zich de teedere huid tot rimpels.
+Nog nooit had hij zoo ernstig gekeken.
+
+'Maar toch, ge hebt het zelf gezegd, het boekje was er! O, ik weet zeker,
+daar staat ook in van het Groote Licht, dat gij mij niet noemen wilt.'
+
+'Arme, arme Johannes!' zeide Windekind, en zijn stem was boven het roezig
+geruisch van den storm als een vredig choraalgezang, dat van verre klonk.
+'Heb mij lief, heb mij lief met uw geheele wezen. In mij vindt gij meer
+dan dat wat ge wenscht. Gij zult begrijpen wat gij u niet denken kunt, en
+gij zult zelf zijn, wat gij verlangt te kennen. Aarde en hemel zullen uw
+vertrouwden, de sterren zullen uw naasten, de oneindigheid zal uw woning
+zijn.
+
+'Heb mij lief, heb mij lief! omvat mij als de hoprank den boomstam,
+blijf mij trouw als het meer den bodem, in mij alleen is al uw rust,
+Johannes!'
+
+Windekind's woorden zwegen, doch het was alsof het choraalgezang
+voortduurde. Uit verwijderde verte scheen het aan te zweven, plechtig en
+gelijkmatig, door het razen en suizen van den wind, vredig als het
+maanlicht, dat door de jagende wolken scheen.
+
+Windekind breidde de armen uit, en Johannes sliep aan zijne borst,
+beschermd door het blauwe manteltje.
+
+Doch in den nacht werd hij wakker. De stilte was plotseling en
+onmerkbaar over de aarde gekomen, de maan onder de kimmen gedaald.
+Roerloos hing het afgematte loover, zwijgende duisternis vervulde
+het bosch.
+
+Daar kwamen de vragen in snelle, spookachtige opvolging in Johannes'
+hoofd terug en dreven het nog zoo jonge vertrouwen voor zich uit. Waarom
+waren de menschen zoo? Waarom moest hij hen verlaten? hun liefde
+verliezen? Waarom moest het winter worden? Waarom moesten de bladeren
+vallen en de bloemen sterven? Waarom? Waarom?
+
+Daar dansten in de diepte van 't kreupelhout weder de blauwe lichtjes.
+Zij kwamen en gingen. Ingespannen staarde Johannes hen na. Hij zag het
+groote, heldere lichtje glanzen op den donkeren boomstronk. Windekind
+sliep vast en rustig. 'Nog één vraag!' dacht Johannes en gleed onder het
+blauwe manteltje weg.
+
+'Zijt ge daar weer!' zeide Wistik en knikte hartelijk. 'Dat doet mij
+zeer veel genoegen. Waar is uw vriend?'
+
+'Daarginder. Ik wilde u alleen nog één vraag doen. Wilt gij mij daarop
+antwoorden?'
+
+'Gij zijt bij menschen geweest, niet waar? Is het u om mijn geheim te
+doen?'
+
+'Wie zal dat boekje vinden, Wistik?'
+
+'Ja, Ja! dat is het! dat is het! Wilt ge mij helpen, als ik het u zeg?
+
+'Als ik kan, zeker!'
+
+'Luister dan, Johannes!' Wistik zette verbazend groote oogen en trok
+zijn wenkbrauwen hooger op dan ooit. Toen fluisterde hij langs den rug
+van zijn handje: 'Menschen hebben het gouden kistje, elfen hebben den
+gouden sleutel, elfenvijand vindt het niet, menschenvriend slechts opent
+het. Lentenacht is de rechte tijd, en roodborstje weet den weg.'
+
+'Is dat waar? Is dat waar?' riep Johannes en dacht aan zijn sleuteltje.
+
+'Ja!' zeide Wistik.
+
+'Waarom vond het nog niemand dan? Zooveel menschen zoeken er naar.'
+
+'Ik heb geen mensch, geen mensch gezegd, wat ik u vertrouwd heb. Ik vond
+nog nooit een elfenvriend.'
+
+'Ik heb het, Wistik! ik kan u helpen!' Johannes juichte en klapte in de
+handen. 'Ik zal het Windekind vragen.'
+
+Weg vloog hij over mos en dorre bladeren. Doch hij struikelde telkens,
+en zijn tred was zwaar. Dikke takken knapten onder zijn voet, waar hij
+anders geen grashalmpje boog.
+
+Daar was de dichte varenplant, waaronder zij geslapen hadden, wat leek
+zij hem laag.
+
+'Windekind!' riep hij. Doch hij schrikte van het geluid van zijn stem.
+
+'Windekind!' Het klonk als een menschenstem, een schuwe nachtvogel vloog
+krijschend op.
+
+Ledig was het onder den varenstruik, Johannes zag niets.
+
+De blauwe lichtjes waren verdwenen; het was kil en grondeloos duister om
+hem heen. Boven zich zag hij de zwarte schimmen der boomkruinen tegen de
+sterrenlucht.
+
+Nog ééns riep hij. Toen durfde hij niet meer. Zijn stem was een schennis
+in de stilte, en Windekinds naam scheen een spotklank.
+
+Toen viel het arme Johannesje neder en snikte in radeloos berouw.
+
+
+
+
+VII
+
+
+Kil en grauw was de morgen. De zwarte glimmende takken, door den storm
+ontbladerd, weenden in den mist.
+
+Over het natte, neêrgeslagen gras liep de kleine Johannes haastig voort,
+voor zich uit starend naar den kant, waar het woud lichter werd, als had
+hij daar een doel. Zijn oogen waren rood van 't weenen en strak van
+angst en jammer. Zoo had hij den ganschen nacht geloopen, alleen zoekend
+naar het licht, met Windekind was het veilig thuisgevoel weg. In elke
+donkere plek zat het spook der verlatenheid, en hij durfde niet omzien.
+
+Eindelijk kwam hij aan den boschrand. Hij zag over een weiland, waarop
+een fijne, klamme regen langzaam neêrstreek. Er stond een paard midden
+in, naast een kalen wilgeboom. Het stond onbeweeglijk met gebogen kop,
+en het water droppelde traag van zijn glimmende zijden en uit de
+saamgepakte manen.
+
+Johannes liep door, langs het bosch. Hij keek met matten, angstigen blik
+naar het eenzame paard en den grauwen regennevel en kreunde zacht.
+
+'Nu is alles uit,' dacht hij; 'nu zal de zon wel nooit meer terugkomen.
+Nu zal het altoos voor mij blijven zooals hier.'
+
+Toch durfde hij in zijn wanhoop niet stilstaan, dan zou het vreeselijkste
+komen, dacht hij.
+
+Toen zag hij het groote hek van een buitenplaats en een huisje, onder
+een lindeboom met helder-gele bladeren.
+
+Hij ging het hek in en liep door de breede lanen, waar de bruine en gele
+lindebladeren in een dikke laag den grond bedekten. Langs de grasperken
+groeiden paarse asters en andere kleurige herfstbloemen verwilderd dooreen.
+
+Hij kwam aan een vijver. Daarbij stond een groot huis met lage ramen en
+glazen deuren. Rozenstruiken en klimop groeiden tegen de muren. Het was
+overal doodsch en gesloten. Half ontbladerde kastanjeboomen stonden stil
+rondom, en op den grond, tusschen het afgevallen loover, zag Johannes de
+glimmend bruine kastanjes blinken.
+
+Toen week het kille, doode gevoel van hem. Hij dacht aan zijn eigen
+huis, daar waren ook kastanjeboomen, en altijd ging hij in dezen tijd de
+gladde kastanjes zoeken. Hij begon plotseling te verlangen, alsof hij
+een bekende stem had hooren roepen. Hij zette zich op een bank bij het
+groote huis en schreide zich rustig.
+
+Een eigenaardige geur deed hem opkijken. Er stond een man bij hem, met
+een wit voorschoot om en een pijp in den mond. Om zijn middel had hij
+strooken lindebast, waarmede hij de bloemen opbond. Johannes kende dien
+reuk zoo goed, hij deed hem aan zijn eigen tuin denken en aan den tuinman,
+die hem mooie rupsen bracht en spreeuweneieren voor hem uithaalde.
+
+Hij schrikte niet, al was het een mensch, die bij hem stond. Hij vertelde
+den man dat hij verlaten en verdwaald was, en dankbaar volgde hij hem naar
+de kleine woning onder den geelgebladerden lindeboom.
+
+Daarbinnen zat de tuinmansvrouw en breide zwarte kousen. Over het
+turfvuurtje op de haardplaat hing een groote ketel water te koken. Op de
+vloermat bij het vuur zat een kat met gevouwen voorpooten, juist zooals
+Simon gezeten had, toen Johannes van huis ging.
+
+Johannes werd bij het vuur gezet, om zijn voeten te drogen. 'Tik!--Tik!
+--Tik!--Tik!' zeide de groote hangklok. Johannes keek naar den stoom,
+die suizend uit den ketel vloog, en naar de kleine vlammetjes, die vlug
+en grillig om de turven huppelden. 'Nu ben ik onder menschen,' dacht hij.
+
+Dat was niet naar. Hij voelde zich kalm en rustig. Zij waren goed en
+vriendelijk en vroegen hem, wat hij nu het liefst wilde. 'Het liefst
+wilde ik hier blijven,' antwoordde hij.
+
+Hier had hij rust, en als hij naar huis ging, zouden er verdriet en
+tranen komen. Hij had moeten zwijgen, en men zou hem zeggen, dat hij
+kwaad had gedaan. Hij zou alles terug moeten zien en alles nog eens
+moeten denken.
+
+Wel verlangde hij naar zijn kamertje, naar zijn vader, naar Presto, maar
+hij droeg liever het stille verlangen hier, dan het pijnlijke moeilijke
+wederzien. En het was of hij hier aan Windekind kon blijven denken, en
+thuis niet.
+
+Windekind was nu zeker weggegaan. Ver weg naar het zonnige land, waar de
+palmen over de blauwe zee heenbuigen. Hij wilde hier boete doen en op
+hem wachten.
+
+Daarom smeekte hij de beide goede menschen, of hij bij hen mocht
+blijven. Hij zou gehoorzaam zijn en voor hen werken. Hij zou helpen den
+tuin en de bloemen te verzorgen. Alleen dezen winter maar. Want hij
+hoopte in stilte, dat Windekind met de lente zou terugkomen.
+
+De tuinman en zijn vrouw dachten dat Johannes was weggeloopen, omdat hij
+thuis hard behandeld werd. Zij hadden medelijden met hem, en beloofden
+hem, dat hij blijven mocht.
+
+Hij bleef en hielp de bloemen in den tuin verzorgen. Een slaapkamertje
+gaf men hem, met een bedstede van blauwe planken. Daaruit zag hij 's
+ochtends de natte, gele lindebladeren langs het venster strijken en 's
+nachts de donkere stammen heen en weer wiegelen, waarachter de sterren
+schuilevinkje speelden. Nu gaf hij namen aan de sterren en noemde de
+helderste: Windekind.
+
+Aan de bloemen, die hij meest alle kende van huis, vertelde hij zijne
+geschiedenis. Aan de ernstige, groote asters, aan de kleurige zinnia's,
+aan de witte chrysanthen, die zoo lang bleven bloeien in het ruwe
+najaar. Toen alle andere bloemen dood waren, stonden de chrysanthen nog,
+en zelfs toen op een morgen de eerste sneeuw gevallen was en Johannes
+vroeg naar haar kwam kijken, staken zij haar vroolijke gezichtjes op en
+zeiden: 'Ja, wij zijn er nog! Dat hadt ge niet gedacht!' Zij hielden
+zich goed, doch twee dagen later waren zij allen dood.
+
+Maar in de serre prijkten dan nog palmen en boomvarens en hingen de
+vreemde bloemtrossen der orchideeën in de vochtige zoelte. Met
+verwondering staarde Johannes in haar prachtige kelken en dacht aan
+Windekind. Hoe kil en kleurloos scheen alles dan, als hij buiten kwam,
+de natte sneeuw met de zwarte voetstappen en de rafelende, druipende
+boomgeraamten.
+
+Alleen als de sneeuwvlokken uren en uren achtereen zwijgend waren
+neergezegen, zoodat de twijgen bogen onder het aangroeiend dons, liep
+Johannes graag in de violette schemering van het sneeuwbeschaduwd bosch.
+Dat was stilte, maar geen dood. En het was bijna schooner dan zomergroen,
+als het blinkend wit der gekruiste takjes tegen den helderblauwen hemel
+afstak, of als een te zwaar beladen struik het sneeuwloof van zich af
+liet glijden, zoodat het, tot een schitterend wolkje verstuivend, daalde.
+
+Eens op zulk een wandeling, toen hij zoo ver gekomen was, dat hij niets
+om zich zag dan sneeuw en sneeuwdragende takken,--half wit, half
+zwart--en alle geluid en leven verdoofd schenen in het glinsterend
+donzen hulsel, gebeurde het, dat hij een klein, wit diertje snel voor
+zich uit meende te zien loopen. Hij volgde het,--het geleek op geen
+diertje, dat hij kende,--doch toen hij het wilde grijpen, verdween het
+schielijk in een boomstronk. Johannes tuurde in de ronde zwarte opening
+waarin het verdwenen was, en dacht: 'Zou dat Wistik zijn?'
+
+Hij dacht niet veel aan hem. Het scheen hem slecht, en hij wilde zijn
+boete niet verzwakken. En het leven bij de twee goede menschen deed hem
+weinig vragen. Wel moest hij 's avonds voorlezen uit een dik boek waarin
+veel over God gesproken werd, doch hij kende dat boek en las gedachteloos.
+
+Den nacht echter na die wandeling in de sneeuw, lag hij wakker in zijn
+bedstede en keek naar het koude schijnsel der maan op den vloer. Daar
+zag hij opeens twee kleine handjes, die boven de beddeplank uitkwamen en
+zich stevig om den rand haakten. Toen verscheen de punt van een wit
+pelsmutsje tusschen de twee handjes, en eindelijk zag hij een paar
+ernstige oogjes onder hoog getrokken wenkbrauwen.
+
+'Goeden avond, Johannes!' zeide Wistik. 'Ik kwam u even herinneren aan
+onze afspraak. Gij kunt het boekje nog niet gevonden hebben, want het is
+nog geen lente. Maar denkt gij er wel om? Wat is dat voor een dik boek,
+waarin ik u heb zien lezen? Dat kan het echte niet zijn. Denk dat niet.'
+
+'Dat denk ik niet, Wistik,' zeide Johannes. Hij keerde zich om en wilde
+slapen. Doch het sleuteltje wilde hem niet uit het hoofd. En als hij
+voortaan in het dikke boek las, dacht hij er bij, en hij zag dan
+duidelijk dat het niet het echte was.
+
+
+
+
+VIII
+
+
+'Nu zal hij komen!' dacht Johannes, toen de eerste maal de sneeuw was
+weggesmolten en hier en daar de sneeuwklokjes bij groepjes te voorschijn
+kwamen. 'Zou hij nu komen?' vroeg hij aan de sneeuwklokjes. Doch zij
+wisten het niet en bleven met hangende hoofdjes naar de aarde kijken,
+alsof zij beschaamd waren over hun haast en wel weer weg wilden kruipen.
+
+Konden zij maar! De verstijvende oostenwind begon alras weer te blazen,
+en de sneeuw stapelde zich hoog over de voorbarige stumpertjes.
+
+Weken later kwamen de viooltjes, hun zoete geur zweefde tusschen het
+kreupelhout, en toen de zon lang en warm op den mossigen grond geschenen
+had, ontloken ook de blonde primula's bij honderden en duizenden.
+
+De schuwe violen met haar sterke geuren waren geheimzinnige voorboden
+van komende heerlijkheid, doch de vroolijke primula's waren de blijde
+werkelijkheid zelve. De ontwaakte aarde had de eerste zonnestralen
+vastgehouden en maakte er een gouden siersel van. 'Nu dan! nu komt hij
+toch zeker!' dacht Johannes. Met spanning bezag hij de knoppen aan de
+takken hoe zij van dag tot dag langzaam zwollen en zich uit de schors
+loswrongen, tot de eerste bleekgroene puntjes tusschen de bruine
+schubben te voorschijn kwamen. Lang bleef Johannes op die groene
+blaadjes kijken, hij zag ze toch nooit bewegen, en als hij zich even had
+omgedraaid, schenen ze grooter geworden. 'Ze durven niet, als ik hen
+aankijk,' dacht hij.
+
+Reeds begon het groen schaduw te werpen. Nog was Windekind niet gekomen,
+geen duif was bij hem neergestreken, geen muisje had tegen hem gesproken.
+Als hij tot de bloemen sprak, knikten zij slechts even en antwoordden
+niet. 'Mijn straf is nog niet om,' dacht hij.
+
+Toen kwam hij op een zonnigen lentemorgen bij den vijver van het huis.
+De ramen waren alle wijd geopend. Zouden er menschen in gekomen zijn?
+
+De vogelkers-struik, die aan den vijver stond, was al heelemaal met
+teedere blaadjes overdekt, alle twijgen hadden fijne, groene vleugeltjes
+gekregen. Op het gras bij de vogelkers lag een meisje. Johannes zag
+alleen haar licht-blauw kleedje en blond haar. Een roodborstje, dat op
+haar schouder zat, pikte uit haar hand.
+
+Op eenmaal wendde zij het hoofd om en zag Johannes. 'Dag jongetje!'
+zeide zij en knikte vriendelijk.
+
+Weer tintelde het Johannes van het hoofd tot de voeten. Dat waren
+Windekind's oogen, dat was Windekind's stem.
+
+'Wie zijt ge?' vroeg hij. Zijn lippen beefden van aandoening. 'Ik ben
+Robinetta! en dit is mijn vogel. Hij zal niet schuw voor je zijn. Hou je
+van vogels?'
+
+Het roodborstje was niet schuw voor Johannes. Het vloog op zijn arm. Dat
+was juist als vroeger. Het moest toch Windekind zijn, dat blauwe wezen.
+
+'Vertel me eens hoe je heet, jongetje,' zeide Windekind's stem.
+
+'Kent gij mij niet? Weet ge niet, dat ik Johannes heet?'
+
+'Hoe zou ik dat weten?'
+
+Wat beteekende dat? Het was toch die bekende, zoete stem, het waren toch
+die donkere, hemeldiepe oogen.
+
+'Hoe zie je mij zoo aan, Johannes? Heb je mij ooit meer gezien?'
+
+'Ja ik geloof het wel.'
+
+'Dat heb je toch zeker gedroomd.'
+
+Gedroomd? dacht Johannes. Zou ik alles gedroomd hebben? Of zou ik nu
+droomen?
+
+'Waar zijt gij geboren?' vroeg hij.
+
+'Heel ver van hier, in een groote stad.'
+
+'Bij menschen?'
+
+Robinetta lachte. Het was Windekind's lach. 'Ik geloof het wel. Jij
+niet?'
+
+'Ach ja, ik ook!'
+
+'Spijt je dat? Hou je niet van menschen?'
+
+'Neen! Wie zou van menschen houden?'
+
+'Wie? Wel, Johannes, wat ben je een raar jongetje! Hou je meer van
+dieren?'
+
+'O, veel meer, en van bloemen.'
+
+'Ik doe dat eigenlijk ook wel eens. Een enkelen keer. Maar dat is niet
+goed. Wij moeten van menschen houden, zegt Vader.'
+
+'Waarom is dat niet goed? ik houd van wien ik wil, of het goed is of
+niet.'
+
+'Foei, Johannes! Heb je dan geen ouders of iemand die voor je zorgt? Hou
+je niet van hen?'
+
+'Ja,' zeide Johannes nadenkend. 'Ik houd van mijn vader. Maar niet,
+omdat het goed is. Ook niet omdat hij een mensch is.'
+
+'Waarom dan?'
+
+'Dat weet ik niet, omdat hij niet is als andere menschen, omdat hij ook
+van bloemen en vogels houdt.'
+
+'Dat doe ik ook Johannes! dat zie je.' En Robinetta riep het roodborstje
+op haar hand en sprak het vriendelijk toe.
+
+'Dat weet ik,' zeide Johannes. 'Ik houd ook veel van u.'
+
+'Nu al? Dat is vlug!' lachte het meisje. 'Van wie hou je wel het
+meeste?'
+
+'Van ...' Johannes weifelde. Zou hij Windekind's naam noemen? De vrees,
+dat die naam hem tegenover menschen mocht ontvallen, was onafscheidelijk
+van al zijn denken. En toch, was dit blonde wezen in het blauwe kleed
+Windekind niet? Wie anders kon hem dat gevoel van rust en geluk geven?
+'Van u!' zeide hij opeens en zag met vollen blik in de diepe oogen.
+Moedig waagde hij die volkomen overgave, maar hij was toch angstig en
+wachtte gespannen de ontvangst van zijn kostbaar geschenk.
+
+Weer lachte Robinetta met helderen lach, doch zij vatte zijne hand, en
+haar blik werd niet koeler, haar stem niet minder innig.
+
+'Wel, Johannes,' zeide zij, 'waarmeê heb ik dat zoo op eens verdiend?'
+Johannes antwoordde niet en bleef haar aanzien met groeiend vertrouwen.
+Robinetta stond op en legde haar arm om Johannes' schouders. Zij was
+grooter dan hij.
+
+Zoo wandelden zij door het bosch en plukten groote bundels sleutelbloemen,
+totdat zij wel weg konden schuilen onder den berg van doorschijnend geel
+gebloemte. Het roodborstje vloog mede van tak tot tak en gluurde naar hen
+met schiiterende zwarte oogjes.
+
+Zij spraken niet veel, doch keken elkaar dikwijls van ter zijde aan. Zij
+waren beiden verbaasd over hun ontmoeting en half onzeker, wat zij van
+elkaar denken moesten.
+
+Doch spoedig moest Robinetta terug, het speet haar.
+
+'Nu moet ik weg, Johannes! Maar wil je nog eens wandelen met me? Ik vind
+je een aardig jongetje,' zeide zij bij 't heengaan.
+
+'Wiet! wiet!' zei het roodborstje en vloog haar achterna.
+
+Toen zij weg was, en alleen haar beeld bij hem achterbleef, twijfelde
+hij er niet meer aan wie zij was.
+
+Zij was dezelfde wie hij al zijn vriendschap had gegeven, de naam
+Windekind klonk flauwer in hem en verwarde met Robinetta.
+
+En alles werd weer om hem heen, zooals het vroeger geweest was. De
+bloemen knikten vroolijk, en haar geur verdreef het weemoedig verlangen
+naar huis, dat hij tot nu toe gevoeld en gekweekt had. Tusschen het
+teedere groen, in de lauwe, mollige lentelucht, voelde hij zich op eens
+thuis, als een vogel, die zijn nest gevonden had. Hij moest de armen
+uitstrekken en diep ademhalen. Hij was zoo gelukkig. Op den weg naar
+huis zweefde de lichte blauwe gestalte met de blonde haren voor hem uit,
+altijd voor hem uit, welken kant hij ook opkeek. Het was alsof hij in de
+zon gekeken had en het zonnebeeld overal met zijn blik medevloog.
+
+Van dien dag af ging Johannes elken helderen morgen naar den vijver. Hij
+ging vroeg, zoodra hij gewekt werd door het kijven der musschen in de
+klimopbladeren om zijn venster, en het gekwetter en gerekte getjilp der
+spreeuwen, die op de dakgoot fladderden en krieuwden in den jongen
+zonneschijn. Dan snelde hij vlug door 't vochtige gras tot dicht bij het
+huis en wachtte achter de seringenstruiken, totdat hij de glazen deur
+hoorde opengaan en de lichte gedaante op hem toe zag komen.
+
+Dan wandelden zij door het bosch en door de duinen, waaraan het bosch
+grensde. Zij spraken over al wat zij zagen, over de boomen en de planten
+en duinen. Johannes had een vreemd, duizelig gevoel, als hij met haar
+liep, hij dacht zich somtijds weer zoo licht dat hij door de lucht zou
+kunnen vliegen. Doch dat gebeurde nooit. Hij vertelde de geschiedenissen,
+die hij van de bloemen en dieren wist door Windekind. Doch hij vergat hoe
+hij ze geleerd had, en Windekind bestond niet meer voor hem, alleen
+Robinetta. Hij genoot, als zij tegen hem lachte en hij vriendschap zag in
+haar oogen en hij sprak tot haar, zooals hij vroeger tot zijn hondje
+gesproken had: alles wat in hem opkwam, zonder weifeling of schuwheid.
+De uren, dat hij haar niet zag, dacht hij aan haar, en elke bezigheid
+deed hij met de vraag, of Robinetta het goed of mooi zou vinden.
+
+En zij-zelve scheen altoos zoo blij, als zij hem zag; dan glimlachte zij
+en liep haastiger. Zij had hem ook gezegd dat zij met niemand zoo graag
+wandelde als met hem.
+
+'Maar, Johannes,' vroeg zij eens, 'hoe weet je al die dingen? Hoe weet
+je wat de meikevers denken, wat de lijsters zingen, hoe het er in het
+konijnenhol en op den bodem van het water uitziet?'
+
+'Ze hebben het mij verteld,' antwoordde Johannes, 'en ik ben zelf in een
+konijnenhol geweest en op den bodem van het water.'
+
+Robinetta trok de fijne wenkbrauwen samen en keek hem half spottend aan.
+Doch zij vond geen valschheid.
+
+Zij zaten onder seringenboomen, waarvan dikke, paarse bloemtrossen
+afhingen. Vóór hen lag de vijver, met riet en kroos. Zij zagen de zwarte
+torretjes in kringen over het vlak glijden en roode spinnetjes bedrijvig
+op en neder duiken. Het krioelde van wriemelend leven daar. Johannes
+keek, in herinneringen verzonken, in de diepte en zeide:
+
+'Daar ben ik eens gedoken; ik gleed langs een riethalm af en kwam op den
+bodem. Die is heelemaal met dorre bladeren bedekt, dat loopt zoo licht
+en zacht. Het is altijd schemerig, groene schemering, want het licht
+valt door het groene kroos. En boven mijn hoofd zag ik de lange, witte
+worteltjes van het kroos neerhangen. Er kwamen salamanders om mij heen
+zwemmen, die zijn heel nieuwsgierig. Het is vreemd, als zulke groote
+dieren zoo over je heen zwemmen, en ik kon niet ver vooruitzien, daar
+was het donker, maar ook groen. En uit dat donker kwamen de dieren als
+zwarte schaduwen te voorschijn. Watertorren met roeipooten en platte
+wantsen, soms ook een klein vischje. Ik ging heel ver, uren ver, geloof
+ik, en midden in was een groot bosch van waterplanten, waar slakken
+tegenop kropen en waterspinnen glinsterende nestjes bouwden.
+Stekelbaarsjes schoten er door en bleven mij soms met open mond en
+trillende vinnen aankijken, zoo verbaasd waren ze. Daar heb ik kennis
+gemaakt met een aal, wien ik bij ongeluk op zijn staart trapte. Die
+heeft mij van zijn reizen verteld; hij was tot in zee geweest, zeide
+hij. Men had hem daarom koning gemaakt in den vijver, want niemand was
+zoover geweest. Hij lag altijd in de modder te slapen, behalve wanneer
+hij eten kreeg, dat anderen hem brachten. Hij at verschrikkelijk veel.
+Dat was omdat hij koning was, men wilde graag een dikken koning, dat
+stond deftig. O, het was prachtig mooi in dien vijver!'
+
+'Waarom kun je dan nu niet meer daarheen gaan?'
+
+'Nu?' vroeg Johannes en keek haar met groote peinzende oogen aan.
+
+'Nu? Nu kan ik niet meer. Ik zou daar verdrinken. Maar het is niet
+noodig. Ik ben liever hier, bij de seringen en bij u.'
+
+Robinetta schudde verwonderd het blonde hoofdje en streek Johannes over
+het haar. Toen keek ze naar haar roodborstje, dat aan den rand van den
+vijver allerlei lekkernijen scheen te vinden. Hij keek even op en bleef
+beiden een oogenblik met zijn heldere oogjes aanzien.
+
+'Begrijp jij er iets van, vogelijn?'
+
+Het vogelijn keek heel slim en ging toen voort met zoeken en pikken.
+
+'Vertel mij verder, Johannes, van wat je gezien hebt.'
+
+Dat deed Johannes gaarne, en Robinetta luisterde, geloovig en
+aandachtig.
+
+'Maar waarom is dat alles opgehouden? Waarom kun je nu met mij niet
+gaan? daar overal heen? Ik wilde ook graag.'
+
+Johannes spande zijne herinnering in, doch een zonnig waas bedekte den
+donkeren afgrond, dien hij was overgegaan. Hij wist niet juist meer, hoe
+hij zijn vorig geluk verloren had.
+
+'Ik weet het niet recht, gij moet er niet naar vragen. Een naar klein
+wezentje heeft alles bedorven. Maar nu is het er weer. Nog beter dan
+vroeger.'
+
+De seringengeur daalde uit de heesters op hen neer en het gegons der
+vliegen over het watervlak en de stille zonnestralen doordrongen hen met
+zoete bedwelming. Totdat een bel op het huis met piependen zwaai begon
+te luiden, en Robinetta haastig wegvloog.
+
+Toen Johannes dien avond in zijn kamertje kwam en naar de maan-schaduwen
+der klimopbladeren keek, die over de ruiten schoven, scheen het alsof er
+tegen het glas getikt werd.
+
+Johannes dacht dat het een klimopblad was, dat in den nachtwind trilde.
+Doch het tikte zoo duidelijk, telkens driemaal achtereen, dat Johannes
+zachtkens het venster opende en behoedzaam rondzag. De klimopbladeren
+tegen het huisje glansden in den blauwen schijn, onder hen was een
+duistere wereld vol geheim: daar waren holen en spelonken, waarin het
+maanlicht kleine, blauwe vonkjes wierp, die hun duisternis nog
+dieper maakten.
+
+Toen Johannes lang in die wondervolle schaduwwereld had gestaard, zag
+hij eindelijk den vorm van een klein mannetje, vlak naast het venster,
+verscholen onder een groot klimopblad. Hij herkende Wistik dadelijk aan
+de groote, verwonderde oogen onder de hooggetrokken wenkbrauwen. Op het
+puntje van Wistik's langen neus tekende de maan een klein vonkje.
+
+'Hebt ge mij vergeten, Johannes? Waarom denkt ge er nu niet aan? Het is
+de rechte tijd. Hebt ge roodborstje den weg niet gevraagd?'
+
+'Ach, Wistik, waarnaar zou ik vragen? Ik heb alles wat ik verlangen kan.
+Ik heb Robinetta.'
+
+'Maar dat zal niet lang duren. En gij kunt nog gelukkiger worden en
+Robinetta zeker ook. En moet het sleuteltje dan daar blijven liggen?
+Denk eens hoe heerlijk als gij beiden het boekje vindt. Vraag er
+roodborstje naar; ik zal u helpen als ik kan.'
+
+'Ik kan er altijd naar vragen,' zeide Johannes.
+
+Wistik knikte en klom vlug naar beneden.
+
+Nog lang keek Johannes naar de donkere schaduwen en de glanzende
+klimopbladeren voor hij naar bed ging.
+
+Den volgenden dag vroeg hij het roodborstje of het den weg wist naar het
+gouden kistje. Robinetta hoorde verwonderd. Johannes zag het roodborstje
+knikken en schuins naar Robinetta gluren. 'Hier niet! hier niet!' tjilpte
+het vogeltje.
+
+'Wat bedoel je, Johannes?' vroeg Robinetta.
+
+'Weet ge er niets van, Robinetta? Weet ge niet, waar het te vinden is?
+Wacht ge niet op het gouden sleuteltje?'
+
+'Neen, neen! Vertel eens, wat is dat?'
+
+Johannes vertelde wat hij van dat boekje wist.
+
+'En ik heb het gouden sleuteltje; ik dacht dat gij het gouden kistje
+hadt. Is het niet zoo, vogelijn?'
+
+Doch het vogelijn deed of het niets hoorde en fladderde tusschen het
+jonge, lichte beukengroen.
+
+Zij zaten tegen een duinhelling, waarop kleine beuke- en sparreboomen
+stonden. Een groen paadje liep er schuins tegen op, en zij zaten aan den
+rand daarvan, in dik, donkergroen mos. Zij konden over de toppen der
+laagste boompjes heen zien, op een groene looverzee met licht- en donker-
+getinte golven.
+
+'Ik geloof wel, Johannes,' zei Robinetta nadenkend, 'dat ik voor je
+vinden kan, wat je zoekt. Maar wat bedoel je met dat sleuteltje? Hoe kom
+je daaraan?'
+
+'Ja, hoe was dat, hoe was dat ook weer?' prevelde Johannes en staarde
+over het groen in de verte.
+
+Als waren zij plotseling in het zonnige blauw ontstaan, kwamen hem
+opeens twee witte vlinders voor den blik. Zij dwarrelden, trilden en
+schitterden in het zonlicht, met onbestemde, grillige vlucht. Doch zij
+kwamen dichterbij.
+
+'Windekind! Windekind!' fluisterde Johannes opeens in herinnering.
+
+'Wie is dat? Windekind!' vroeg Robinetta.
+
+Het roodborstje vloog kwetterend op, en de madelieven tusschen het gras
+vóór hem, schenen Johannes opeens geweldig verschrikt aan te staren, met
+hun wijde, witte oogjes.
+
+'Gaf die je dat sleuteltje?' vroeg het meisje verder. Johannes knikte en
+zweeg, doch zij wilde meer weten. 'Wie was dat? Heeft die je alles
+geleerd? Waar is hij?'
+
+'Nu is hij er niet meer. Nu is het Robinetta, niemand anders dan
+Robinetta, alleen Robinetta.' Hij omvatte haar arm en drukte er zijn
+hoofdje tegen.
+
+'Mal jongetje!' zeide zij en lachte. 'Ik zal je het boekje laten vinden,
+ik weet waar het is.'
+
+'Maar dan moet ik den sleutel gaan halen, en die is ver weg.'
+
+'Neen, neen dat behoeft niet. Ik vind het zonder sleutel, morgen, morgen,
+ik beloof het je.
+
+Toen zij naar huis gingen, fladderden de kapelletjes voor hen uit.
+
+Johannes droomde dien nacht van zijn vader, van Robinetta en van vele
+anderen. Het waren allen goede vrienden; zij stonden om hem heen en
+zagen hem innig en vertrouwelijk aan. Doch op eenmaal waren de gezichten
+veranderd, hun blikken koel en spottend, hij keek angstig om, aan alle
+zijden wreede vijandige gezichten. Hij voelde een namelooze beklemming
+en werd schreiend wakker.
+
+
+
+
+IX
+
+
+Reeds lang zat Johannes te wachten. De lucht was kil, en groote wolken
+dreven dicht over de aarde, in statige, eindelooze opvolging. Ze
+breidden sombergrauwe, wijd golvende mantels uit en krulden haar
+trotsche koppen in het klare licht, dat daarboven scheen. Wondersnel
+wisselden zonlicht en schaduw op de boomen, als een telkens opvlammend
+vuur. Het werd Johannes angstig daarbij te moede; hij peinsde over het
+boekje, niet recht geloovend, dat hij het heden vinden zou. Tusschen de
+wolken, veel hooger, ontzaglijk hoog, zag hij het heldere, strakke blauw
+en daarop teedere, witte wolkjes, fijngepluimd, kalm zich uitstrekkend
+in onbeweeglijke rust. 'Zóó moet het zijn,' dacht hij, 'zoo hoog, zoo
+licht, zoo stil.' Daar kwam Robinetta. Het roodborstje was niet bij haar.
+
+'Het is goed, Johannes,' riep ze luid; 'je mag komen en het boek zien.'
+
+'Waar is het roodborstje?' vroeg Johannes twijfelend.
+
+'Dat is niet meegekomen, we gaan toch immers niet wandelen.'
+
+Hij ging mede, voortdurend bij zich-zelven denkende: 'Het kan niet, zóó
+kan het niet, het moest alles heel anders zijn.'
+
+Doch hij volgde het glanzig-blonde haar, dat hem voorlichtte. Ach! nu
+ging het droevig met den kleinen Johannes. Ik wenschte, dat zijn
+geschiedenis hier eindigde. Hebt gij wel eens heerlijk gedroomd, van een
+toovertuin met bloemen en dieren, die u liefhadden en tot u spraken? En
+hebt gij dan wel in uw droom het besef gekregen, dat gij spoedig zoudt
+ontwaken en al die heerlijkheid verliezen? Dan poogt gij vruchteloos
+haar vast te houden en wilt het koude morgenlicht niet zien.
+
+Zulk een gevoel had Johannes toen hij medeging.
+
+Hij kwam in een huis, in een gang, waar zijn voetstappen weerklonken.
+Hij rook de lucht van kleederen en spijzen; hij dacht aan lange dagen,
+toen hij thuis had moeten blijven, aan schoolwerk, aan al wat somber en
+koud in zijn leven was geweest.
+
+Hij kwam in een kamer met menschen. Hij zag niet hoeveel. Zij praatten,
+doch toen hij binnenkwam werd het stil. Hij lette op het vloerkleed, het
+had groote, onmogelijke bloemen met schelle kleuren. Zij waren even
+vreemd en wanstaltig als die van het behangsel in zijn slaapkamer thuis.
+
+'Is dat nu dat tuinmansjongetje?' zeide een stem recht tegenover hem.
+'Kom maar hier, vriendje, je behoeft niet bang te zijn.'
+
+En een andere stem klonk plotseling naast hem: 'Nu, Robbi, je hebt daar
+wel een aardig vrijertje.'
+
+Wat beteekende dat alles? Weer kwamen boven de donkere kinderoogen van
+Johannes diepe rimpels, en verward en verschrikt keek hij rond.
+
+Daar zat een zwart gekleede man en keek hem met koude, grijze oogen aan.
+
+'En je wilde zoo kennis maken met het boek der boeken? Het verwondert
+me, dat je vader, dien ik als een vroom man ken, je dat niet heeft
+gegeven.'
+
+'U kent mijn vader niet, die is ver weg.'
+
+'Zoo! nu, dat is hetzelfde. Ziehier, mijn vriendje! lees hier veel in,
+het zal je op je levensweg ...'
+
+Doch Johannes had het boek reeds herkend. Zóó kon hij het ook niet
+krijgen, het moest heel anders gaan. Hij schudde het hoofd.
+
+'Neen, neen! dat is het niet wat ik bedoel. Dit ken ik. Dit is het niet.'
+
+Hij hoorde geluiden van verbazing en voelde de blikken, die hem van alle
+zijden staken.
+
+'Wat? Wat meen je, mannetje?'
+
+'Ik ken dit boekje, het is het menschenboek. Maar het geeft niet genoeg,
+anders zou er rust zijn onder de menschen en vrede. En die zijn er niet.
+Ik bedoel iets anders, waaraan niemand twijfelen kan die het ziet,
+waarin staat, waarom alles is zooals het is, precies en duidelijk.'
+
+'Hoe is 't mogelijk? Waar heeft de jongen dat vandaan?'
+
+'Wie heeft je dat geleerd, vriendje?'
+
+'Ik geloof dat je verkeerde boeken gelezen hebt, jongen! en die napraat!'
+
+Zoo klonken de stemmen. Johannes voelde zijn wangen gloeien, het begon
+hem te duizelen, de kamer draaide, en de groote bloemen op het
+vloerkleed zweefden op en neer. Waar was het muisje, dat hem zoo trouw
+waarschuwde op school, dien eersten dag? Het was nu noodig.
+
+'Ik praat het niet uit boeken na, en die het mij geleerd heeft is meer
+waard dan gij allen. Ik ken de taal van bloemen en dieren, ik ben hun
+vertrouwde. Ik weet ook wat menschen zijn en hoe zij leven. Ik ken al de
+geheimen van feeën en kabouters, want mij hebben zij lief, meer dan de
+menschen.'
+
+Muisje! muisje!
+
+Johannes hoorde proesten en lachen, om hem en achter hem. Het zong en
+suisde in zijn ooren.
+
+'Hij schijnt Andersen gelezen te hebben.'
+
+'Hij is niet recht bij 't hoofd.'
+
+De man voor hem zeide: 'Als je Andersen kent, mannetje! dan moest je
+meer van zijn eerbied hebben voor God en zijn Woord.'
+
+'God!' dat woord kende hij, en hij dacht aan de les van Windekind.
+
+'Ik heb geen eerbied voor God. God is een groote petroleumlamp, waardoor
+duizenden verdwalen en verongelukken.'
+
+Geen gelach, maar een angstige stilte, waarin afschuw en ontzetting
+voelbaar rondwaarden. Johannes voelde de stekende blikken in den rug.
+Het was als in zijn droom van den vorigen nacht.
+
+De zwart-gekleede man stond op en nam hem bij den arm. Dat deed pijn en
+brak bijna zijn moed.
+
+'Hoor eens, jongen, ik weet niet of je niet wijs bent of diep bedorven,
+maar die goddeloosheid duld ik hier niet. Ga heen en kom niet meer onder
+mijn oogen, zeg ik. Ik zal navraag naar je doen, maar in deze buurt zet
+je geen voet meer. Verstaan?'
+
+Aller blikken waren koud en vijandig evenals dien nacht.
+
+Johannes zag angstig rond.
+
+'Robinetta! Waar is Robinetta!'
+
+'Jawel, mijn kind bederven! Pas op, als je ooit weer tot haar spreekt!'
+
+'Neen! laat me bij haar! Ik wil niet van haar weg. Robinetta!' schreide
+Johannes.
+
+Doch zij zat angstig in een hoek en keek niet op.
+
+'Voort, bengel! hoor je niet? Pas op, als je 't hart hebt weer te
+komen!'
+
+En de pijnlijke greep leidde hem door de klinkende gang, de glazen deur
+rammelde, en Johannes stond buiten, onder de donkere, laag drijvende
+wolken.
+
+Hij weende niet meer en staarde stil voor zich uit, terwijl hij langzaam
+voortliep. De droevige rimpels boven zijn oogen waren dieper, en gingen
+niet meer weg.
+
+Het roodborstje zat in een lindenhaag en keek naar hem. Hij stond stil
+en staarde zwijgend terug. Doch er was geen vertrouwen meer in de
+schuwe, glurende oogjes, en toen hij een stap naderde, vloog het vlugge
+diertje in een snorrende vlucht heen. 'Weg! weg! een mensch,' tjilpten
+de musschen, die op het tuinpad bij elkaar zaten, en zij vlogen naar
+alle zijden uiteen.
+
+Ook de opene bloemen lachten niet, maar staarden ernstig en onverschillig,
+zooals zij bij iederen vreemde doen.
+
+Doch Johannes vatte die teekens niet, maar dacht aan de krenking, die de
+menschen hem hadden aangedaan. Het was hem of zijn innig binnenste door
+koude, harde handen was ontwijd. 'Zij zullen mij gelooven,' dacht hij;
+'ik zal mijn sleuteltje halen en het hun toonen.'
+
+'Johannes! Johannes!' riep een fijn stemmetje. Daar zat een vogelnestje
+in een hulstboom, en de groote oogen van Wistik keken over den rand.
+'Waar gaat ge heen?'
+
+'Het is alles uw schuld, Wistik,' zeide Johannes. 'Laat mij met rust!'
+
+'Wat doet ge er ook met menschen over te spreken, menschen begrijpen u
+toch niet. Waarom zegt ge die dingen aan menschen? dat is heel dom.'
+
+'Zij hebben mij uitgelachen en pijn gedaan. Het zijn ellendige wezens!
+ik haat ze.'
+
+'Neen Johannes, ge houdt van hen.'
+
+'Neen! neen!'
+
+'Anders zou het u minder verdriet doen, dat zij niet zijn als gij; dan
+zou het u niet kunnen schelen, wat zij zeggen. Ge moet u minder om
+menschen bekommeren.'
+
+'Ik wil mijn sleuteltje. Ik wil het hun toonen.'
+
+'Dat moet ge niet doen, ze zouden u toch niet gelooven. Waartoe zou het
+dienen?'
+
+'Ik wil mijn sleuteltje, onder den rozenstruik. Weet ge dien te vinden?'
+
+'Ja wel! bij den vijver, niet waar? Ja dien weet ik.'
+
+'Breng mij er dan, Wistik!'
+
+Wistik klom op Johannes' schouder en zeide hem den weg. Zij liepen den
+ganschen dag, het woei en van tijd tot tijd vielen regenbuien, doch
+tegen den avond werden de wolken stil en verlengden zich tot lange
+gouden en grauwe strooken.
+
+Toen zij aan het duin kwamen, dat Johannes kende, werd het hem week te
+moede en hij fluisterde telkens 'Windekind! Windekind!'
+
+Daar was het konijnenhol, en de duin, waartegen hij eens geslapen had.
+Het grijze rendiermos was week en vochtig en kraakte niet onder zijn
+voet. De rozen waren uitgebloeid en de gele Teunisbloemen met haar
+bedwelmenden, flauwen geur staken bij honderden de kelken op. Hooger nog
+rezen de lange, trotsche toortsplanten met dikke, vilten bladeren.
+
+Zoekend speurde Johannes naar het fijne, bruinachtige loof van de
+duinroos.
+
+'Waar is zij, Wistik, ik zie haar niet.'
+
+'Ik weet er niet van,' zeide Wistik. 'Gij hebt het sleuteltje verborgen,
+ik niet.'
+
+Waar de roos gebloeid had, was een veld vol gele Teunisbloemen, die
+wezenloos naar boven keken. Johannes vroeg haar en ook de toortsplanten;
+die waren echter veel te trotsch, want haar lange bloemtros stak ver
+boven hem uit, en hij vroeg het aan de kleine, driekleurige viooltjes op
+den zandgrond.
+
+Doch niemand wist iets van de duinroos. Ze waren allen van dezen zomer.
+Zelfs de verwaande toortsplant, die zoo hoog was.
+
+'Ach, waar is zij? waar is zij?'
+
+'Hebt _gij_ mij ook al beet genomen?' zeide Wistik. 'Ik dacht het wel,
+dat heb je altijd met menschen.'
+
+En hij liet zich van Johannes' schouder glijden en liep weg tusschen het
+helm.
+
+Wanhopend staarde Johannes rond, daar stond een klein duinrozestruikje.
+
+'Waar is de groote roos,' vroeg Johannes, 'de groote die hier vroeger
+stond?'
+
+'Wij spreken niet met menschen,' zeide het struikje.
+
+Dat was het laatste, wat hij hoorde, al het levende om hem zweeg, alleen
+de helmen suisden in den zachten avondwind.
+
+'Ben ik een mensch?' dacht Johannes. 'Neen, dat kan niet, dat kan niet.
+Ik wil geen mensch zijn. Ik haat de menschen.'
+
+Hij was moede en dof van geest. Hij ging liggen aan den rand van 't
+veldje, op het weeke, grijze mos, dat een vochtigen, sterken geur
+verspreidde.
+
+'Nu kan ik niet terugkeeren, en nu zie ik Robinetta ook niet weer. Zou
+ik niet doodgaan, als ik haar niet heb? Zou ik blijven leven en een
+mensch zijn, een mensch zooals die anderen, die mij uitlachten?'
+
+Daar zag hij op eenmaal de twee witte vlinders weer, die van den kant
+der ondergaande zon naar hem toe fladderden. Gespannen volgde hij hun
+vlucht. Zouden zij hem den weg wijzen? Zij vlogen hem over 't hoofd,
+elkaar naderende en weer verlatende, om elkaar heen dwarrelende in
+wispelturig spel. Langzaam verwijderden ze zich van de zon en zweefden
+eindelijk over den rand der duinen naar het bosch, waarvan alleen de
+hoogste toppen nog kleurden in den avondschijn, die rood en schel onder
+de lange sombere wolkenrijen uit lichtte.
+
+Johannes volgde hen. Doch toen ze boven de eerste boomen waren, zag hij
+hoe een donkere schaduw hen in onhoorbare fladdervlucht achtervolgde en
+inhaalde. Het volgende oogenblik waren zij verdwenen. De zwarte schaduw
+schoot snel op hem toe, en angstig dekte hij het gezicht met de handen.
+
+'Wel, vriendje! wat zit je daar te huilen?' klonk een scherpe,
+spotachtige stem vlak naast hem. Johannes had een groote vleermuis op
+zich zien afkomen, doch toen hij opkeek, stond een zwart mannetje op het
+duin, niet veel grooter dan hij-zelf. Hij had een groot hoofd met groote
+ooren, die donker afstaken tegen den lichten avondhemel, en een mager
+figuurtje met dunne beenen. Van zijn gezicht zag Johannes alleen de
+kleine, schitterende oogen.
+
+'Heb je iets verloren, kereltje? Dan zal ik je helpen zoeken,' zeide
+hij. Doch Johannes schudde zwijgend het hoofd.
+
+'Kijk eens! wil je die van mij hebben?' begon hij weer en opende zijn
+hand.
+
+Daarin zag Johannes iets wits, dat van tijd tot tijd even bewoog. Het
+waren de witte kapelletjes, die stervend met de gescheurde en gebroken
+vleugeltjes trilden. Johannes voelde een huivering, alsof iemand hem
+tegen het achterhoofd blies, en angstig keek hij naar het vreemde
+wezen op.
+
+'Wie zijt gij?' vroeg hij.
+
+'Wou je mijn naam weten, ventje? Nu, zeg maar Pluizer, familjaarweg
+Pluizer. Ik heb nog wel mooier namen, maar die begrijp je toch niet.'
+
+'Zijt gij een mensch?'
+
+'Wel nu nog mooier! Nu heb ik nogal armen en beenen en een hoofd, kijk
+eens wat een hoofd! en nu vraagt zoo'n jongen nog of ik een mensch ben.
+Maar, Johannes! Johannes!' En het mannetje lachte met een piepend,
+doordringend geluid.
+
+'Hoe weet ge wie ik ben?' vroeg Johannes.
+
+'O, dat is voor mij een kleinigheid. Ik weet nog heel wat meer. Ik weet
+ook waar je vandaan komt en wat je hier komt doen. Ik weet verbazend
+veel, bijna alles.'
+
+'Ach, mijnheer Pluizer ...'
+
+'Pluizer, Pluizer, geen complimenten.'
+
+'Weet ge dan ook ...' Doch Johannes zweeg plotseling. 'Het is een mensch,'
+dacht hij.
+
+'Van je sleuteltje, bedoel je? Wel zeker!'
+
+'Maar ik dacht niet, dat menschen daarvan konden weten.'
+
+'Domme jongen! En Wistik heeft het al zoovelen verklapt.'
+
+'Kent ge Wistik dan ook?'
+
+'O ja! een van mijn beste vrienden, en ik heb veel vrienden. Maar ik
+wist dat ook zonder Wistik. Ik weet veel meer dan Wistik. Wistik is een
+goed ventje, maar dom, buitengewoon dom. Ik niet! lang niet!' En Pluizer
+klopte zelfvoldaan met zijn mager handje op zijn groot hoofd.
+
+'Weet je, Johannes,' ging hij voort, 'wat een groot gebrek van Wistik
+is? Maar je moet het hem nooit zeggen, want dan wordt hij erg boos.'
+
+'Nu, wat dan?' vroeg Johannes.
+
+'Hij bestaat niet. Dat is een groot gebrek, maar hij wil het niet weten.
+En hij zegt van mij, dat ik niet besta, maar dat liegt hij. Of ik besta!
+Drommels goed!'
+
+En Pluizer stak de kapelletjes in zijn zak en ging plotseling voor
+Johannes op zijn hoofd staan. Toen grijnsde hij erg leelijk en stak een
+lange tong uit. Johannes, die zich toch al niet op zijn gemak gevoelde
+alleen met dit wonderlijk wezen, bij den vallenden avond in het eenzame
+duin, rilde nu van angst.
+
+'Dit is een alleraardigste manier om de wereld te bekijken,' zeide
+Pluizer, nog steeds op zijn hoofd staande. 'Als je wilt, zal ik je het
+ook leeren. Je ziet alles veel scherper en veel natuurlijker.'
+
+En hij spartelde met de spillebeentjes in de lucht en wendde zich op de
+handen om. Toen de roode avondgloed op het omgekeerde gelaat viel, vond
+Johannes het afschuwelijk, de kleine oogjes knipten in het licht en
+lieten het wit zien, aan den kant waar men het niet gewoon is.
+
+'Zie je, zoo schijnen de wolken de vloer, en de aarde het deksel van de
+wereld. Dat kun je evengoed volhouden als het tegenovergestelde. Boven
+of onder is er toch niet. Een mooie wandelplaats zou het op die wolken
+zijn.'
+
+Johannes keek naar de lange wolken. Hij vond dat zij op een geploegd
+land geleken met roode voren, alsof er bloed uit opwelde. Boven de zee
+straalde de poort van de wolkgrot.
+
+'Kan men daarheen gaan en daarin komen?' vroeg hij.
+
+'Gekheid!' zei Pluizer en stond eensklaps weer op zijn beenen, tot
+groote verlichting van Johannes. 'Gekheid! Als je daar bent, is het
+precies als hier, en dan lijkt dat moois een eindje verder. In die mooie
+wolken dáár is het mistig, grijs en koud.'
+
+'Ik geloof u niet,' zeide Johannes; 'nu zie ik eerst goed dat ge een
+mensch zijt.'
+
+'Och kom! geloof je mij niet, beste jongen, omdat ik een mensch ben? en
+wat ben je zelf dan wel voor bizonders?'
+
+'O Pluizer, ben ik ook een mensch?'
+
+'Wat dacht je! een elf? Elfen worden niet verliefd.' En Pluizer ging
+vlak voor Johannes zitten, de beenen onder zich gekruist en grijnsde hem
+strak aan. Johannes voelde zich onbeschrijfelijk beklemd en verlegen
+onder dien blik en had zich wel willen wegstoppen of onzichtbaar maken.
+Doch hij kon zijn oogen niet meer afwenden.
+
+'Alleen menschen worden verliefd, Johannes, hoor je! en dat is maar goed
+ook, anders waren ze er al lang niet meer. En jij bent verliefd als de
+beste, al ben je nog zoo klein. Aan wie denk je op 't oogenblik?'
+
+'Aan Robinetta!' fluisterde Johannes nauwelijks hoorbaar.
+
+'Naar wie verlang je het meest?'
+
+'Robinetta!'
+
+'Zonder wie denk je niet te kunnen leven?'
+
+Johannes' lippen bewogen geluidloos: 'Robinetta!'
+
+'Nu dan, ventje,' grinnikte Pluizer, 'wat verbeeld je je dan, een elf te
+zijn? Elfen worden niet verliefd op menschenkinderen.'
+
+'Maar het was Windekind ...' stamelde Johannes in zijn verlegenheid. Toen
+keek Pluizer ontzettend valsch en greep Johannes met zijn beenige handjes
+bij de ooren.
+
+'Wat is dat voor onzin! Wou je mij met dien snuiter bang maken? Die is
+nog veel dommer dan Wistik, veel dommer. Hij weet er niets van. En wat
+erger is, hij bestaat heelemaal niet en heeft nooit bestaan. Ik besta
+alleen, begrijp je? En als je mij niet gelooft, zal ik je laten voelen,
+dat ik er ben.'
+
+En hij schudde den armen Johannes hard bij de ooren. Deze riep:
+
+'Maar ik heb hem toch zoo lang gekend, en ik ben zoo ver met hem
+weggetrokken.'
+
+'Gedroomd heb je, zeg ik. Waar is dan je sleuteltje, he? Maar nu droom
+je niet, voel je wel?'
+
+'Au!' riep Johannes, want Pluizer kneep.
+
+Het was reeds donker, en de vleermuizen vlogen nu dicht langs hunne
+hoofden en piepten schril. De lucht was zwart en zwaar, geen blad bewoog
+in het bosch.
+
+'Mag ik naar huis gaan?' smeekte Johannes.'Naar mijn vader?'
+
+'Je vader? wat wil je daar doen?' zei Pluizer. 'Die man zal je wel
+vriendelijk ontvangen, nadat je zoo lang bent weggebleven.'
+
+'Ik verlang naar huis,' zeide Johannes, en hij dacht aan de huiskamer
+met het heldere lamplicht, waar hij zoo vaak bij zijn vader zat,
+luisterend naar het krassen van diens pen. Daar was het vredig en
+gezellig.
+
+'Ja, dan hadt je maar niet weg moeten gaan en weg moeten blijven, ter
+wille van dien mallen snuiter, die niet bestaat. Nu is het te laat. En
+het komt er ook niet op aan, ik zal wel voor je zorgen. Of ik het doe of
+je vader, dat is eigenlijk precies hetzelfde. Zoo'n vader, dat is toch
+maar verbeelding. Heb je hem soms zelf uitgezocht? Denk je dat er geen
+anderen zijn even goed en even knap? Ik ben even goed en veel knapper,
+veel knapper.'
+
+Johannes had geen moed tot antwoorden, hij sloot de oogen en knikte
+flauw.
+
+'En bij die Robinetta moet je het ook niet zoeken,' ging het mannetje
+voort. Hij legde de handen op Johannes' schouders en praatte dicht
+aan zijn oor.
+
+'Dat kind hield je even goed voor den gek als die anderen. Heb je niet
+gezien dat ze in den hoek bleef zitten, en geen woord zeide, toen je
+werd uitgelachen? Ze is niets beter dan al die anderen. Ze vond je een
+aardig jongetje en heeft met je gespeeld, zooals ze met een meikever zou
+spelen. Het kon haar niet schelen of je wegging. En van dat boekje wist
+ze niets. Maar ik wel, ik weet waar het is, en ik zal het je helpen
+zoeken. Ik weet bijna alles.'
+
+En Johannes begon hem te gelooven.
+
+'Ga je met mij mede? Wil je met mij zoeken?'
+
+'Ik ben zoo moe,' zeide Johannes, 'laat mij ergens slapen.'
+
+'Ik houd anders niet van slapen,' zei Pluizer, 'daar ben ik te levendig
+voor, een mensch moet altijd kijken en denken. Maar een poosje zal ik je
+met rust laten. Tot morgen.'
+
+Toen zette hij het vriendelijkste gezicht, dat hij zetten kon, Johannes
+keek strak in de glinsterende oogjes, tot hij niets anders zag. Zijn
+hoofd werd zwaar, hij leunde tegen de bemoste duinhelling. De oogjes
+schenen verder en verder te lichten, totdat zij sterren waren aan den
+zwarten hemel; het was alsof hij het geluid van verre stemmen hoorde,
+alsof de aarde zich onder hem verwijderde, toen hield zijn denken op.
+
+
+
+
+X
+
+
+Nog eer hij goed ontwaakt was, had hij een vaag besef, dat er iets
+bijzonders met hem was gebeurd, terwijl hij sliep. Doch hij was niet
+begeerig het te weten en om zich heen te zien. Hij wilde weer terug in
+den droom, die als een trage nevel langzaam wegtrok, daarin was
+Robinetta weder naar hem toegekomen en had hem over het haar gestreken,
+zooals vroeger, daarin had hij zijn vader weer gezien en Presto, in den
+tuin met den vijver.
+
+'Au!' dat was pijn. Wie deed dat? Johannes opende de oogen en zag in de
+grauwe morgenschemering een klein mensch vlak bij zich, die hem aan de
+haren trok. Hij lag in een bed en het licht was mat en ongelijk, als in
+een kamer.
+
+Doch het gezicht, dat over hem heenboog, bracht hem op eenmaal weder al
+de ellende en somberheid van gisteren te binnen. Het was Pluizer's
+gezicht, minder spookachtig en meer menschelijk, maar even leelijk en
+angstwekkend als den vorigen avond.
+
+'Och neen! laat mij droomen,' zeide hij.
+
+Doch Pluizer schudde hem: 'ben je mal, luiaard, droomen is dwaasheid,
+daarmee kom je niet verder. Een mensch moet werken en denken en zoeken.
+Daar ben je een mensch voor.'
+
+'Ik wil geen mensch zijn. Ik wil droomen.'
+
+'Dat helpt niet. Je moet. Je bent nu onder mijn hoede en met mij samen
+zul je werken en zoeken. Alleen met mij kan je vinden wat je verlangt.
+En ik zal je niet verlaten totdat wij het gevonden hebben.' Johannes
+voelde een vage ontzetting. Doch het was alsof een overmacht hem drukte
+en dwong. Willoos onderwierp hij zich.
+
+Weg waren duinen, boomen en bloemen. Hij was in een klein, schemerig
+verlicht kamertje, daarbuiten zag hij, zoover hij zien kon, huizen en
+weder huizen, somber en grauw, in lange, eentonige rijen.
+
+Rook steeg overal op in dikke kronkels en sloeg als een bruinachtige
+nevel in de straten neer. En op die straten liepen de menschen als
+groote, zwarte mieren haastig dooreen. Een verward gerucht steeg dof en
+aanhoudend uit hun massa op.
+
+'Zie Johannes,' zei Pluizer, 'is dat nu niet aardig? Dat zijn nu allen
+menschen en al die huizen zoover je zien kunt, nog verder dan die blauwe
+toren daar, zijn ook vol menschen, van boven tot beneden vol. Is dat
+niet merkwaardig? Dit is nog wat anders dan een mierenhoop.'
+
+Johannes luisterde met angstige nieuwsgierigheid, alsof hem een groot,
+verschrikkelijk ondier vertoond werd. Het was hem alsof hij op den rug
+van het monster stond, het zwarte bloed door dikke aderen zag stroomen
+en den donkeren adem uit honderd neusgaten zag stijgen. En hij werd bang
+voor het onheilspellend grommen der ontzaglijke stem.
+
+'Zie hoe hard al die menschen loopen, Johannes,' ging Pluizer voort.
+'Je kunt zien dat zij haast hebben en iets zoeken, niet waar? Maar het is
+grappig, dat geen een precies weet wat hij zoekt. Als ze nu een poosje
+gezocht hebben, dan komen ze iemand tegen, die heet Hein ...'
+
+'Wie is dat?' vroeg Johannes.
+
+'O! een goede kennis van me, ik zal je wel eens aan hem voorstellen. Nu
+die Hein zegt dan: 'Zoek je mij?' Daarop zeggen de meesten gewoonlijk:
+'O neen! ... jou bedoel ik niet!' maar dan antwoordt Hein weer: 'Er is
+toch niets anders te vinden dan mij.' Dan moeten ze zich wel met Hein
+tevreden stellen.'
+
+Johannes begreep, dat hij van den dood sprak.
+
+'En gaat dat altijd, altijd zoo?'
+
+'Welzeker, altijd. Er komen echter iederen dag weer een massa nieuwen en
+die beginnen dagelijks te zoeken, zonder te weten waarnaar, en zoeken en
+zoeken totdat ze eindelijk Hein vinden, zoo gaat het al een aardig
+poosje lang en zoo zal het ook nog wel een poosje blijven aanhouden.'
+
+'Zal ik ook niets anders vinden, Pluizer, niets anders dan ...'
+
+'Ja, Hein vind je zeker eens, maar dat doet er niet toe, zoeken maar!
+altijd blijven zoeken!'
+
+'Maar het boekje dan, Pluizer, gij zoudt mij het boekje laten vinden.'
+
+'Nu! wie weet! ik heb het niet tegengesproken. Wij moeten zoeken,
+zoeken. Wij weten tenminste waarnaar wij zoeken. Dat heeft ons Wistik
+geleerd. En er zijn er, die hun geheele leven zoeken om te weten
+waarnaar zij eigenlijk zoeken. Dat zijn de wijsgeeren, Johannes. Maar
+als Hein komt, is het met hun gezoek óók uit.'
+
+'Dat is vreeselijk, Pluizer.'
+
+'O neen, volstrekt niet. Hein is een heel goedig man. Maar hij wordt
+miskend.'
+
+Iemand stommelde buiten de kamerdeur op de trap. Klos! Klos! klonk het
+op de houten treden.
+
+Klos! Klos! nader en naderbij. Toen tikte iemand tegen de deur en het
+was alsof ijzer op hout tikte.
+
+Er kwam een groote man binnen. Hij had diepliggende oogen en lange,
+magere handen. Een koude tocht woei in het kamertje.
+
+'Welzoo,' zeide Pluizer, 'zijt gij daar, ga zitten! Wij spraken juist
+over u. Hoe gaat het u?'
+
+'Druk, druk!' zeide de lange man en wischte zich het koude zweet van het
+beenige bleeke voorhoofd.
+
+Roerloos en schuw staarde Johannes in de diepliggende oogen, die strak
+op hem gericht waren. Zij waren zeer ernstig en donker, doch niet wreed,
+niet vijandig. Na eenige oogenblikken ademde hij weer vrijer en klopte
+zijn hart minder hevig.
+
+'Dit is Johannes,' zeide Pluizer, 'hij heeft van een zeker boekje
+gehoord, waarin staat, waarom alles is zooals het is, en dat zullen wij
+nu samen gaan zoeken, niet waar?' Toen lachte Pluizer veelbeteekenend.
+
+'Zoo! zoo! nu dat is goed!' zeide de Dood vriendelijk, en knikte
+Johannes toe.
+
+'Hij is bang het niet te vinden, maar ik zeide hem maar eerst vlijtig te
+zoeken.'
+
+'Zeker!' zeide de Dood, 'vlijtig zoeken is het beste.'
+
+'Hij dacht, dat gij zoo verschrikkelijk waart. Nu zie je toch Johannes,
+dat je je vergist hebt, niet waar?'
+
+'Ach ja!' zeide de Dood welwillend, 'men spreekt veel kwaad van mij. Ik
+heb geen innemend uiterlijk, maar ik meen het toch goed.'
+
+Hij glimlachte flauw, als iemand die met ernstiger dingen vervuld is dan
+waarover hij spreekt. Toen wendde zich zijn donkere blik van Johannes af
+naar buiten en dwaalde peinzend over de groote stad.
+
+Lang waagde Johannes het niet te spreken, eindelijk zeide hij zacht:
+
+'Zult gij mij medenemen?'
+
+'Wat meen je, mijn jongen?' zeide de Dood, opkijkend uit zijn mijmering:
+'Neen! nu nog niet. Gij moet opgroeien en een goed mensch worden.'
+
+'Ik wil geen mensch worden als de anderen.'
+
+'Kom! kom!' zeide de Dood, 'daar is niets aan te doen.'
+
+Men kon hooren, dat dit een dagelijksche term van hem was. Hij ging
+voort.
+
+'Mijn vriend Pluizer kan u leeren, hoe men een goed mensch wordt. Men
+kan het op verschillende wijzen, maar Pluizer leert het ook uitstekend.
+Het is iets zeer schoons en begeerlijks een goed mensch te zijn. Daar
+moet ge niet op neer zien, ventje!'
+
+'Zoeken, denken, kijken!' zei Pluizer.
+
+'Zeker, zeker!' zei de Dood; en toen tot Pluizer: 'Bij wien zult ge hem
+brengen?'
+
+'Bij docter Cijfer, mijn oud-leerling.'
+
+'A ja! dat is een goed leerling. Dat is een zeer fraai voorbeeld van een
+mensch. Bijna volmaakt in zijn soort.'
+
+'Zal ik Robinetta weerzien?' vroeg Johannes bevend.
+
+'Wie bedoelt het ventje?' vroeg de Dood. 'O! hij is al verliefd geweest
+en verbeeldde zich toch een elf te zijn, hi! hi! hi!' lachte Pluizer
+geniepig!
+
+'Neen! beste jongen, dat gaat niet,' zei de Dood, 'die dingen zul je bij
+docter Cijfer wel verleeren. Wie zoekt wat gij zoekt, moet al het andere
+verliezen. Alles of niets.'
+
+'Ik zal een mensch uit één stuk van hem maken, ik zal hem eens laten
+zien wat eigenlijk verliefdheid is, dan zal hij er zich wel doorheen
+pluizen.'
+
+En Pluizer lachte vroolijk, de Dood richtte weer zijn zwarte oogen op
+den armen Johannes, die met moeite het snikken bedwong. Want hij
+schaamde zich voor den Dood.
+
+Deze rees plotseling op. 'Ik moet heen,' zeide hij, 'ik verpraat mijn
+tijd. Er is hier veel te doen. Goeden dag, Johannes! wij zullen elkander
+nog wel weerzien. Gij moet niet bang voor mij zijn.'
+
+'Ik ben niet bang voor u, ik wilde dat ge mij medenaamt. Toe! neem mij
+liever mede!'
+
+Doch de Dood wees hem zacht terug, hij was dergelijke vragen gewend.
+
+'Neen! Johannes, ga nu aan uw werk, zoek en zie! Vraag mij niet meer. Ik
+vraag maar eens en dan is het tijd genoeg.'
+
+Toen hij verdwenen was gedroeg Pluizer zich weer zeer buitensporig. Hij
+sprong over stoelen, buitelde over den grond, kroop op de kast en den
+schoorsteenmantel en voerde halsbrekende kunsten uit in de open vensters.
+
+'Dat was nu Hein! mijn goede vriend Hein!' riep hij, 'vond je hem niet
+aardig? Een beetje leelijk en knorrig van uitzicht. Maar hij kan ook
+heel vroolijk zijn, als hij plezier heeft in zijn werk. Maar dikwijls
+verveelt het hem. 't Is ook wel wat eentonig.'
+
+'Wie zegt hem, Pluizer, waarheen hij gaan moet?'
+
+Pluizer gluurde Johannes valsch en uitvorschend aan.
+
+'Waarom vraag je dat? Hij gaat zijn eigen gang, hij neemt wie hij
+krijgen kan.'
+
+Later heeft Johannes anders gezien. Doch nu wist hij niet beter of
+Pluizer sprak waarheid in alles.
+
+Zij gingen op de straat en bewogen zich door de krioelende menigte. De
+zwarte menschen liepen dooreen, lachten, praatten, zoo vroolijk dat
+Johannes zich moest verwonderen. Hij zag hoe Pluizer velen toeknikte,
+maar niemand beantwoordde den groet, allen keken vóór zich alsof ze
+niets gezien hadden.
+
+'Ze loopen nu te lachen,' zeide Pluizer, 'alsof zij mij geen van allen
+kenden. Maar dat schijnt maar zoo. Als ik alleen met hen ben, kunnen ze
+mij niet negeeren en dan zijn ze ook zoo vroolijk niet.' En onder het
+gaan was Johannes zich bewust dat er iemand achter hem liep. Als hij
+omkeek zag hij den langen, bleeken man, die met groote, onhoorbare
+schreden tusschen de menschen schreed. Hij knikte Johannes toe.
+
+'Zien de menschen hem ook?' vroeg Johannes aan Pluizer.
+
+'Ja zeker! allen, maar zij willen hem ook niet kennen. Nu ik gun hun
+dien trots!'
+
+De drukte en het geraas brachten Johannes in een soort verdooving, die
+hem zijn leed deed vergeten. De smalle straten en de hooge huizen, die
+het hemelblauw in rechte strooken verdeelden, de menschen die langs hem
+af en aan gingen, het slepen der voetstappen en het ratelen der wagens
+verstoorden de oude visioenen en den droom van dien nacht, als een storm
+de beelden in een waterspiegel. Het was hem alsof er niets anders
+bestond dan muren, ramen en menschen, alsof hij mede moest doen, mede
+draven in het rusteloos, ademloos gewoel.
+
+Toen kwamen zij in een stille buurt, waar een groot huis stond met
+grauwe, sierlooze ramen. Het zag er streng en onvriendelijk uit.
+Daarbinnen was het stil en rook Johannes een mengeling van vreemde,
+scherpe geuren, met een dompige kelderlucht tot grondtoon. In een kamer,
+vol wonderlijke werktuigen, zat een eenzame man. Hij was omringd door
+boeken, glazen en koperen voorwerpen, allen vreemd voor Johannes. Er
+viel een enkele zonnestraal over zijn hoofd heen in de kamer en fonkelde
+op flesschen met fraai gekleurde stoffen. De man tuurde ingespannen door
+een koperen buis en zag niet op.
+
+Toen Johannes naderkwam hoorde hij hem mompelen: 'Wistik! Wistik!'
+
+Naast den man, op een lang, zwart bankje, lag iets wits en wolligs, dat
+Johannes niet goed kon onderscheiden.
+
+'Goeden morgen, docter!' zei Pluizer, maar de docter keek nog niet op.
+
+Toen schrikte Johannes, want het witte voorwerp waarnaar hij ingespannen
+keek, kwam op eens in krampachtig rukkende beweging. Wat hij gezien had,
+was het witte buikdons van een konijntje. Het kopje met den beweeglijken
+neus lag achterover in ijzer geklemd, en de vier pootjes waren strak
+gebonden naast het lichaam. Kort duurde de wanhopige poging om zich te
+bevrijden, toen lag het beestje weder stil en alleen de snelle beweging
+van de bloedige keel toonde dat het nog leefde.
+
+En Johannes zag het ronde, goedige oog dat zoo wijd staarde in
+machteloozen angst en het was of hij het herkende. Ach! was dat niet
+het zachte lijfje, waartegen hij gerust had in dien eersten, zaligen
+elfennacht? Oude herinneringen drongen met geweld in hem boven. Hij
+vloog op het diertje toe:
+
+'Wacht! wacht! arm konijntje, ik zal u helpen.' En haastig trachtte hij
+de koordjes los te knoopen, die de teere pootjes striemden.
+
+Doch zijn beide handen werden tegelijk vastgegrepen en een scherpe lach
+klonk aan zijn oor.
+
+'Wat beduidt dat, Johannes? Ben je nog zóó kinderachtig? Wat moet de
+docter wel van je denken?'
+
+'Wat wil die jongen? wat doet hij hier?' vroeg de docter verbaasd.
+
+'Hij wilde een mensch worden, daarom kwam ik met hem bij u. Maar hij is
+nog wat klein en kinderachtig. Dit is niet de manier om te vinden wat je
+zoekt, Johannes!'
+
+'Neen! dit is de manier niet,' zeide de docter.
+
+'Docter, maak dat konijntje los!'
+
+Doch Pluizer kneep hem de beide handen, dat hij ineenkromp. 'Wat hebben
+wij afgesproken, mannetje?' siste hij hem in 't oor. 'Zoeken zouden wij,
+niet waar? Wij zijn hier niet in de duinen, bij Windekind en bij stomme
+dieren. Wij zouden menschen zijn, menschen! versta je. Als je een kind
+wilt blijven, als je niet sterk genoeg bent om mij te helpen, laat ik je
+gaan, zoek dan alleen!'
+
+Johannes zweeg en geloofde. Hij wilde sterk zijn. Hij sloot de oogen, om
+het konijntje niet te zien.
+
+'Beste jongen!' zeide de docter, 'je schijnt nog wat teergevoelig om te
+beginnen. Het is waar, de eerste maal is zoo iets naar om te zien. Ik
+zelf zie het altijd ongaarne en vermijd het zooveel mogelijk. Doch het
+is onontbeerlijk. En je moet begrijpen: wij zijn menschen en geen
+dieren, en het heil van de menschheid en van de wetenschap gaat boven
+dat van eenige konijnen.'
+
+'Hoor je!' zei Pluizer, 'de wetenschap en de menschheid!'
+
+'De man der wetenschap,' ging de docter voort, 'staat hooger dan alle
+andere menschen. Maar hij moet dan ook de kleine gevoeligheden, die de
+gewone menschen kennen, laten varen voor dat ééne groote: de wetenschap.
+Wilt ge zulk een mensch worden? was dat uw roeping, mijn jongen?'
+
+Johannes weifelde, hij wist nog niet recht wat een roeping was, zoomin
+als de meikever.
+
+'Ik wilde het boekje vinden,' zeide hij, 'waar Wistik van sprak.'
+
+De docter keek verbaasd en vroeg: 'Wistik?'
+
+Doch Pluizer zei snel: 'Hij wil het, docter, ik weet het wel. Hij wil de
+hoogste wijsheid zoeken, hij wil het wezen der dingen begrijpen.'
+
+Johannes knikte, 'Ja!' Zoover hij begreep, was dat zijn bedoeling.
+
+'Nu, dan moet je sterk zijn, Johannes, en niet klein en teerhartig. Dan
+zal ik je helpen. Maar bedenk: alles of niets.'
+
+En Johannes hielp met sidderende handen de losgemaakte koorden weer
+vaster om de pootjes van het konijntje strikken.
+
+
+
+
+XI
+
+
+'Wij zullen toch eens zien,' zeide Pluizer, 'of ik je niet evenveel
+moois vertoonen kan als Windekind.'
+
+En toen zij den docter vaarwel hadden gezegd en beloofd spoedig weer te
+komen, leidde hij Johannes rond in alle hoeken der groote stad, hij
+toonde hem, hoe het groote monster leefde, hoe het ademde en zich voedde,
+hoe het in zich-zelve verteerde en uit zich-zelve weer opgroeide.
+
+Doch hij had voorliefde voor de sombere achterbuurten, waar de menschen
+dicht opeengepakt zaten, waar alles grauw en groezelig, de lucht zwaar
+en bedompt was.
+
+Hij ging met hem in een der groote gebouwen, waaruit de rook opsteeg,
+dien Johannes den eersten dag gezien had. Er heerschte een verdoovend
+geraas, overal rammelde, ratelde, stampte en dreunde het, groote wielen
+wentelden en lange riemen schoven slingerend voort; zwart zagen muren en
+bodem, de vensters waren gebroken of bestoven. Hoog rezen de geweldige
+schoorsteenen boven het zwarte gebouw uit en zonden dikke, kronkelende
+rookzuilen op. In dat gewoel van raderen en werktuigen zag Johannes tal
+van menschen met bleek gelaat, met zwarte handen en kleederen, zwijgend
+en rusteloos werken.
+
+'Wie zijn dat?' vroeg hij.
+
+'Raderen, ook raderen,' lachte Pluizer, 'of menschen, zoo je wilt. Wat
+ze daar doen, doen ze dag in, dag uit. Men kan op die manier ook mensch
+zijn, in hun soort altijd.'
+
+En zij kwamen in vuile straatjes, waar het strookje hemelblauw zoo smal
+leek als een vinger en nog verduisterd werd door uitgespannen kleederen.
+Daar krioelde het van menschen; ze verdrongen elkaar, schreeuwden,
+lachten en zongen ook somtijds. In de huizen waren de kamertjes zoo
+klein, zoo donker en bedompt, dat Johannes nauwelijks durfde ademen. Hij
+zag havelooze kinderen over den kalen vloer kruipen en jonge meisjes met
+verwilderd haar, die liedjes neurieden voor magere, bleeke zuigelingen.
+Hij hoorde twisten en schelden, en alle gezichten om hem zagen moede, of
+dom en onverschillig.
+
+Het greep Johannes aan met een vreeselijke smart. Het had niets gemeen
+met zijn vroeger leed, daarvoor schaamde hij zich.
+
+'Pluizer,' vroeg hij, 'hebben die menschen altijd hier geleefd, zoo
+akelig en ellendig? Ook toen ik ...'
+
+Hij durfde niet verder gaan.
+
+'Welzeker, en dat is gelukkig. Zij leven volstrekt niet akelig en
+ellendig, zij zijn hier gewend en weten niet beter. Het is dom,
+onverschillig vee. Zie die twee vrouwen daar, voor haar deur zitten! Zij
+kijken zoo tevreden in de vuile straat, als jij vroeger naar je duinen!
+Om die menschen behoef je niet te huilen. Dan kan je wel om de mollen
+huilen, die nooit het daglicht zien.'
+
+En Johannes wist niet te antwoorden en wist ook niet waarom hij toch
+huilen moest. En te midden van het luidruchtige drijven en woelen zag
+hij steeds den bleeken, holoogigen man voortschrijden, met
+geruischloozen tred.
+
+'Toch een goede man, nietwaar?' zeide Pluizer, 'de menschen hieruit weg
+te halen. Maar toch zijn ze hier even bang voor hem.'
+
+Toen de nacht was gedaald, en de honderden lichtjes in den wind
+flikkerden en lange, wiegelende beelden in het donkere water wierpen,
+gingen beiden langs de stille straten. De oude, hooge huizen schenen
+vermoeid tegen elkander geleund te slapen. De meesten hadden hun oogen
+gesloten. Doch hier en daar schemerde nog een venster met matten, gelen
+glans.
+
+Pluizer vertelde aan Johannes lange verhalen van hen die daarachter
+woonden, van de pijnen, die daar werden uitgestaan, en van den strijd,
+die daar tusschen ellende en levenslust gestreden werd. Hij spaarde hem
+niets, het somberste, het laagste en platste zocht hij uit, en grinnikte
+van genoegen, als Johannes bij zijn verschrikkelijke verhalen bleek werd
+en zweeg.
+
+'Pluizer,' vroeg Johannes op eenmaal, 'weet gij iets van het Groote
+Licht?'
+
+Hij dacht, dat die vraag hem redden zou uit de duisternis, die dichter
+en drukkender om hem samendrong.
+
+'Praatjes! Praatjes van Windekind!' zeide Pluizer. 'Hersenschimmen en
+droomerijen! Er zijn alleen menschen, en ik-zelf. Dacht je, dat een God
+of iets van dien aard er vermaak in zou hebben, zoo'n rommel te regeeren
+als het hier op aarde is? En zoo'n groot licht zou er niet zoovelen hier
+in 't donker laten.'
+
+'En die sterren, die sterren dan?' vroeg Johannes, als verwachtte hij,
+dat die zichtbare grootheid het lage voor hem zou kunnen verheffen.
+
+'Die sterren? Weet je wel waarvan je praat, ventje? Het zijn geen
+lichtjes daarboven, zooals de lantaarns, die je hier om je heen ziet.
+Het zijn allen werelden, elke veel grooter dan deze wereld met haar
+duizenden steden, en middenin zweven wij als een klein stofje, en er is
+geen onder of boven, en naar alle zijden zijn werelden, al maar werelden,
+en dat houdt nimmer, nimmer op.'
+
+'Neen! Neen!' riep Johannes angstig, 'niet zeggen, niet zeggen! Ik zie
+lichtjes op een groot donker veld boven mij.'
+
+'Ja, zien kun je niet anders dan lichtjes. Al staarde je je leven lang
+omhoog, je zoudt niet anders zien dan lichtjes op een donker veld boven
+je. Maar je kunt, je _moet_ weten, dat het werelden zijn, noch boven,
+noch onder, waarin dit kluitje met zijn armzalig, wriemelend
+menschenzootje niets is, en als niets zal verdwijnen. Spreek dus niet
+meer van 'de sterren', als waren het er een paar dozijn, het is een
+dwaasheid.'
+
+Johannes zweeg. De grootheid, die het lage zou verheffen, verpletterde
+het.
+
+'Komaan,' zei Pluizer, 'nu zullen we iets vroolijks gaan zien.' Bij
+tusschenpoozen kwamen de golven van een lieflijk slepende muziek hen
+tegemoet. Op een donkere gracht was een groot huis, waar het licht hel
+uit vele, hooge vensters brak.
+
+Een lange stoet rijtuigen stond er voor. Het stampen der paarden klonk
+hol door de nachtelijke stilte, en hun koppen knikten: ja! ja!
+Glimlichtjes blonken op de zilveren knoppen van het tuig en op het
+vernis der wagens.
+
+Binnen was het een-en-al licht. Half verblind staarde Johannes in de
+schittering van honderden vlammen, van bonte kleuren, van spiegels en
+bloemen. Lichte gestalten streken langs de vensters, naar elkaar toe
+buigend, met lach en handgebaar. Tot ver achter in de zalen bewogen zich
+de rijkgetooide menschen met langzamen tred of met snelle, wiegelende
+draaiing. Een verward gerucht van gelach en blijde stemmen, slepende
+schreden en ruischende gewaden drong tot op straat door, meegedragen op
+de golven der weeke, bedwelmende muziek, die Johannes reeds van verre
+gehoord had. Op straat, dicht bij de ramen, stonden een paar donkere
+gestalten, waarvan alleen de gezichten vreemd en ongelijk werden
+verlicht door den glans, waarin zij gretig staarden.
+
+'Dat is mooi, dat is heerlijk!' riep Johannes; hij genoot bij het zien
+van zooveel kleur en licht en bloemen. 'Wat gebeurt daar? Mogen wij
+daarin?'
+
+'Zoo, vindt je dit nu toch mooi? Of verkies je soms liever een
+konijnenhol? Zie die menschen eens lachen en buigen en schitteren; zie
+eens hoe deftig en glad die mannen, hoe bont en opgeschikt die vrouwen!
+En welk een aandacht bij het dansen, alsof het de gewichtigste zaak ter
+wereld was.'Johannes dacht terug aan het bal in het konijnenhol en hij
+zag veel, dat hem er aan herinnerde. Doch alles was hier grooter en
+schitterender. De jonge vrouwen met haar rijken tooi schenen hem zoo
+schoon als elfen, als zij de lange, blanke armen ophieven en het hoofd
+half ter zijde wendden in den dans. De bedienden gingen statig rond en
+boden heerlijke dranken aan, met eerbiedige buiging.
+
+'Hoe prachtig! hoe prachtig!' riep Johannes.
+
+'Erg mooi, vindt je niet?' zei Pluizer. 'Maar nu moet je ook eens wat
+verder kijken dan je neus lang is. Je ziet nu niets dan lieve, lachende
+gezichten niet waar? Nu, het grootste deel van al die lachjes is leugen
+en gemaaktheid. Die vriendelijke, oude dames aan den kant zitten daar
+als hengelaars om een vijver; die jonge vrouwen zijn het aas, de heeren
+zijn de visschen. En hoe lief ze ook met elkaar keuvelen, ze rnisgunnen
+elkaar nijdig elke vangst. Als een van die jonge vrouwen plezier heeft,
+dan is het omdat ze mooier is aangekleed of meer heeren om zich lokt dan
+de andere, en het plezier van de heeren ontstaat vooral door die bloote
+halzen en armen. Achter al die lachende oogen en vriendelijke lippen
+schuilt iets heel anders. Zelfs die eerbiedige knechts denken lang niet
+eerbiedig. Als het op eens uitkwam wat allen waarlijk dachten, dan zou
+de partij gauw gedaan zijn!'
+
+En toen Pluizer hem alles wees, zag Johannes duidelijk de gemaaktheid in
+gezichten en gebaren en de ijdelheid, afgunst en verveling, die door het
+lachend masker heen gluurden of plotseling uitkwamen als het even werd
+afgelegd.
+
+'Nu,' zeide Pluizer, 'men moet hen maar laten begaan. Die menschen
+moeten zich toch amuseeren. En anders kunnen zij het niet.'
+
+Johannes voelde dat er iemand achter hem stond. Hij zag om. Het was de
+welbekende, lange gestalte. Het bleeke gelaat was grillig door den
+hellen glans verlicht, zoodat de oogen groote, donkere plekken vormden.
+Hij prevelde zachtkens bij zichzelven en wees met den vinger in de
+lichte zaal.
+
+'Zie,' zeide Pluizer, 'hij is weer aan 't uitzoeken.'
+
+Johannes zag waarheen de vinger wees. En hij zag hoe de oude dame onder
+het gesprek even de oogen sloot en de hand aan het hoofd bracht, en hoe
+het schoone, jonge meisje haar drentelen even staakte en met een lichte
+rilling vóór zich, staarde.
+
+'Wanneer?' vroeg Pluizer aan den Dood.
+
+'Dat is mijn zaak,' zeide deze.
+
+'Ik wilde Johannes ditzelfde gezelschap nog eens laten zien,' zeide
+Pluizer en knipoogde grijnzend. 'Kan dat?'
+
+'Van avond?' vroeg de Dood.
+
+'Waarom niet?' zeide Pluizer. 'Daar is uur noch tijd. Wat nu is, is
+altijd geweest, en wat worden zal, is er reeds.'
+
+'Ik kan niet mede,' zeide de Dood, 'ik heb te veel werk. Doch noem den
+naam van dat wat wij beiden kennen, en gij zult ook zonder mij den weg
+vinden.'
+
+Zij gingen toen een eindweegs door de eenzame straten, waar de
+gasvlammen flikkerden in den nachtwind en het donkere koude water tegen
+de grachtwallen kabbelde. De weeke muziek klonk flauwer en flauwer en
+verdoofde eindelijk in de groote rust, die over de stad lag.
+
+Daar klonk op eens van omhoog, met vollen galmenden metaalklank, een
+luid en feestelijk lied.
+
+Plotseling viel het neer van den hoogen toren, op de slapende stad, in
+de droeve duistere ziel van den kleinen Johannes. Verwonderd zag hij op.
+De klokkenzang hield aan, met helderen, kalmen klank, die zich jubelend
+verhief en forsch de doodsche stilte scheurde. Vreemd schenen hem die
+blijde tonen, die feestzang te midden van stillen slaap en donkeren rouw.
+
+'Dat is de klok,' zei Pluizer, 'die is altijd even vroolijk, jaar in,
+jaar uit. Elk uur zingt zij ditzelfde lied met gelijke kracht en
+opgewektheid. En des nachts klinkt het blijder dan des daags, alsof de
+klok juichte dat zij niet behoeft te slapen, dat zij altijd door even
+gelukkig kan zingen, waar duizenden onder haar weenen en lijden. Doch
+het vroolijkst klinkt het wanneer er iemand gestorven is.'
+
+Nogmaals verhief zich de jubelende galm.
+
+'Eens, Johannes,' ging Pluizer voort, 'zal achter zulk een venster in
+een stille kamer een flauw lichtje branden. Een droevig lichtje, dat
+peinzend trilt en de schaduwen op den wand doet dansen. Er zal geen
+gerucht zijn in de kamer, dan nu en dan een zacht, onderdrukt snikken.
+Er zal een bed staan met witte gordijnen, met lange schaduwen in de
+plooien. En in dat bed zal iets liggen, wit en stil. Dat zal de kleine
+Johannes geweest zijn. O, dan zal op eens datzelfde lied luid en lustig
+in die kamer breken en 't eerste uur bezingen na zijn dood.'
+
+Twaalf zware slagen dreunden door de lucht met lange tusschenpoozen. Bij
+den laatsten kreeg Johannes op eenmaal een gevoel alsof hij droomde, hij
+liep niet meer maar zweefde een eind boven de straat, aan Pluizer's
+hand. In snelle vaart streken hem de huizen en lantaarns voorbij. De
+huizen stonden nu minder dicht opeen. Ze vormden alleenstaande rijen,
+met donkere geheimzinnige gaten er tusschen, waar het gaslicht kuilen,
+plassen, puin en balken grillig verlichtte. Eindelijk kwam een groote
+poort, met zware zuilen en een hoog hek. In een oogwenk waren zij er
+over gezweefd en kwamen neer op vochtig gras naast een grooten zandhoop.
+Johannes dacht in een tuin te zijn, want hij hoorde 't ruischen van
+boomen in 't ronde.
+
+'Let nu goed op, Johannes, en houd dan nog eens vol, dat ik niet meer
+kan dan Windekind.'
+
+Toen riep Pluizer luide een korten, somberen naam, die Johannes deed
+huiveren. Van alle zijden herhaalde de duisternis den klank, en de wind
+voerde hem op in gierend draaien, totdat hij wegstierf in de hooge lucht.
+
+En Johannes zag hoe de grashalmen hem boven 't hoofd reikten, en hoe de
+kleine steen, die zooeven laan zijn voeten ag, hem nu het gezicht
+belemmerde. Pluizer naast hem, even klein als hij, vatte den steen met
+beide handen en wentelde dien met alle krachten om. Een verward geroep
+van fijne, hooge stemmetjes rees van den vrij geworden bodem op.
+
+'Hei! wie doet dat? Wat beteekent dat? Lomperd!' klonk het dooreen.
+
+Johannes zag zwarte gestalten haastig door elkaar loopen. Hij herkende
+den vluggen, zwarten loopkever, den glimmend bruinen oorworm met zijn
+fijne knijpers, pissebedden met haar ronde ruggen en slangachtige
+duizendpooten. In 't midden trok een lange aardworm zich bliksemsnel in
+zijn gang terug.
+
+Pluizer ging dwars door de tierende en scheldende bende op het hol van
+den aardworm toe.
+
+'Heidaar! lange, bloote slungel! kom eens voor den dag met je rooden
+puntneus!' riep Pluizer.
+
+'Wat moet je?' vroeg de worm uit de diepte.
+
+'Jij moet er uit, omdat ik er in wil, hoor je, kale zandeter!'
+
+Voorzichtig rekte de pier zijn spitsen kop uit de opening, tastte er
+eenige malen mee in 't rond en trok toen langzaam het naakte, geringde
+lijf verder naar de oppervlakte.
+
+Pluizer keek rond naar de andere dieren, die nieuwsgierig om hem heen
+drongen.
+
+'Een van jelui gaat mede en licht vóór. Neen, zwarte kever, je bent te
+dik, en jij met je duizend pooten zoudt me duizelig maken. Ha, jij daar,
+oorworm! jouw gezicht bevalt me. Ga mede en draag het licht in je
+scharen! Loopkever, loop! en zoek een dwaallicht of haal een fakkel van
+hout, dat rottend is.'
+
+De dieren kregen ontzag voor zijn gebiedende stem en gehoorzaamden.
+
+Toen daalden zij af in de wormengang. Voorop de oorworm met het lichtend
+hout, dan Pluizer, dan Johannes. Het was eng en duister daar beneden.
+Flauw zag Johannes de zandkorrels door het matte, blauwe schijnsel
+verlicht. Zij schenen groot als steenen, half doorschijnend, tot een
+gladden, vasten wand geschuurd door het lichaam van de pier. Deze
+laatste volgde nieuwsgierig. Johannes zag achter zich haar spitsen kop
+zich nu eens snel vooruit strekken, dan weer wachten tot het lange lijf
+nader aangetrokken was. Zij daalden zwijgend, lang en diep. Waar
+Johannes het pad te steil werd, steunde Pluizer hem. Er scheen geen
+einde te zullen komen; altijd nieuwe zandkorrels, en steeds kroop de
+oorworm voort, zich wendend en buigend met de kronkelingen van de gang.
+Eindelijk werd de weg breeder en weken de wanden vaneen. De zandkorrels
+werden zwart en vochtig; boven vormden ze een gewelf, waarlangs
+waterdroppels glinsterende strepen trokken en waardoor boomwortels zich
+strekten als verstijfde slangen.
+
+Daar rees plotseling voor Johannes' blik een loodrechte wand, zwart en
+hoog, die de geheele ruimte voor hem afsloot. De oorworm wendde zich om.
+
+'Ziezoo! Nu is het zaak, daar-achter te komen. Dat zal de pier wel
+weten, die is hier te huis.'
+
+'Kom, wijs ons den weg!' zei Pluizer.
+
+Langzaam schoof de aardworm het geringde lijf tot bij den zwarten wand
+en betastte dien zoekend. Johannes zag, dat het hout was. Hier en daar
+was het tot bruinachtige stof vervallen. Daar boorde de worm zich in, en
+het lange, lenige lijf gleed in drie tusschenpoozen weg.
+
+'Nu jij!' zei Pluizer en duwde Johannes in de kleine ronde opening. Een
+oogenblik dacht deze te stikken in den zachten, vochtigen molm; toen
+voelde hij zijn hoofd vrij komen en werkte zich met moeite geheel uit de
+opening los. Een groote ruimte scheen hem te omgeven. De grond was hard
+en vochtig, de lucht dik en ondragelijk benauwd, Johannes durfde nauw
+ademen en wachtte in nameloozen angst.
+
+Hij hoorde Pluizer's stem, die hol klonk als in een grooten kelder.
+
+'Hier Johannes, volg me!'
+
+Voor zich voelde hij den grond rijzen tot een berg. Aan Pluizer's hand
+beklom hij dien, in de diepe duisternis. Het was alsof hij op een kleed
+liep, dat meegaf onder zijn tred. Hij strompelde over kuilen en heuvels,
+Pluizer volgend, die hem medetrok tot een vlakke plaats, waar hij zich
+vastklemde aan lange halmen, die als buigzaam riet waren in zijn hand.
+'Hier staan wij goed! Licht!' riep Pluizer.
+
+Daar daagde het matte licht uit de verte, met zijn drager dalend en
+rijzend. Hoe nader het kwam en hoe meer het flauwe gloren de ruimte
+vervulde, des te vreeselijker werd Johannes' beklemming.
+
+De berg, dien hij betreden had, was lang en wit; het riet, dat hij
+omklemde, was bruin en krulde in glinsterende golven naar omlaag.
+
+Hij herkende de rechte gestalte van een mensch, en de kille vlakte,
+waarop hij stond, was het voorhoofd.
+
+Vóór hem lagen, als twee diepe, donkere kuilen, de ingezonken oogen, en
+het blauwe licht scheen op den dunnen neus en de grauwe lippen, in
+akeligen, stijven doodenlach geopend.
+
+Uit Pluizer's mond klonk een schelle lach, die dadelijk smoorde in de
+vochtige houtwanden.
+
+'Dit is nu een verrassing, Johannes!'
+
+De lange worm kwam aankruipen tusschen de plooien van het lijkkleed; hij
+schoof zich behoedzaam tegen de kin op en glipte over de strakke lippen
+in de zwarte mondholte.
+
+'Dit is nu de schoonste uit de danspartij, die je schooner vond dan een
+elf. Toen stroomden zoete geuren uit haar kleederen en haren, toen
+lonkten haar oogen en lachten haar lippen. Zie nu eens!'
+
+Bij al zijn ontzetting was er toch ongeloof in de oogen van Johannes.
+Zoo snel? Die pracht was zoo even, en nu reeds ...? 'Geloof je mij
+niet?' grijnsde Pluizer. 'Er ligt een halve eeuw tusschen toen en nu.
+Daar is uur noch tijd. Wat eenmaal was, zal altijd zijn, en wat worden
+zal, is altijd geweest. Je kunt het niet denken, maar moet het gelooven.
+Het is hier alles waarheid, alles wat ik je toon is waar! waar! Dat kon
+Windekind niet zeggen.'
+
+Grinnikend sprong Pluizer rond op het doodengelaat en bedreef de
+afschuwelijkste scherts. Hij zat op de wenkbrauw en trok bij de lange
+wimpers het ooglid op. Het oog, dat Johannes vroolijk had zien
+schitteren, staarde dof en rimpelig wit in het schemerlichtje. 'Nu
+vooruit!' riep Pluizer, 'er valt nog meer te zien!'
+
+De pier kroop langzaam uit den rechter mondhoek te voorschijn en de
+bange tocht werd voortgezet.
+
+Niet terug, maar langs nieuwe, even lange en sombere wegen. 'Nu komt een
+oude,' zeide de aardworm, toen weder een zwarte wand den weg afsloot.
+'Deze is hier al zeer lang.'
+
+Het was minder vreeselijk dan de vorige maal. Johannes zag slechts een
+verwarde massa, waaruit bruinachtige beenderen staken. Honderden wormen
+en insecten waren er zwijgend bezig. Het licht gaf opschudding.
+
+'Van waar komt gij? Wie brengt hier licht? Dat hebben wij niet noodig.'
+
+En snel schoten zij weg tusschen plooien en in holten. Doch zij
+herkenden een soortgenoot.
+
+'Zijt ge in die hiernaast geweest?' vroegen de wormen. 'Het hout is nog
+hard.'
+
+De eerste worm ontkende. 'Hij wil het buitenkansje voor zich houden,'
+zeide Pluizer zacht tot Johannes.
+
+Verder trokken zij, Pluizer gaf uitleg en wees aan, wie Johannes bekend
+waren. Er kwam een misvormd gezicht met starende, uitpuilende oogen,
+dikke, zwarte lippen en wangen. 'Dit was een deftig heer,' zeide hij
+toen vroolijk, 'je had hem moeten zien, zoo rijk, zoo voornaam en zoo
+ingebeeld. Zijn opgeblazenheid heeft hij gehouden.'
+
+Zoo ging het voort. Er waren ook magere, uitgeteerde gestalten met wit
+haar, dat blauw glinsterde in het zwakke licht, en kleine kinderen met
+groote hoofden en oudachtige denkersgezichten.
+
+'Zie, die zijn eerst na hun dood oud geworden!' zei Pluizer. Zij kwamen
+bij een man met vollen baard en opgetrokken lippen, wiens witte tanden
+blonken. Midden in het voorhoofd had hij een rond zwart gaatje.
+
+'Deze heeft Hein een handje geholpen. Waarom niet een beetje geduld? Hij
+was toch wel hier gekomen.'
+
+En weer kwamen gangen en nieuwe gangen en weer rechte gestalten met
+strakke, grijnzende gezichten en roerlooze, over elkaar gelegde handen.
+
+'Nu ga ik niet verder,' zei de oorworm, 'ik weet hier geen weg meer.'
+
+'Laat ons omkeeren,' zei de pier. 'Nog één, nog één!' riep Pluizer.
+
+Verder ging de tocht.
+
+'Het bestaat alles wat je ziet,' zei Pluizer onder het voortgaan, 'het
+is alles waar. Eén ding alleen is niet waar. Dat ben je zelf, Johannes.
+jij bent hier niet, en je kunt hier niet zijn.'
+
+En hij schaterlachte, als hij den angstigen, wezenloozen blik van
+Johannes bij zijn woorden zag.
+
+'Dit is de laatste! werkelijk de laatste!'
+
+'De gang loopt dood, ik ga niet verder,' zeide de oorworm knorrig.
+
+'Ik wil verder!' zeide Pluizer, en waar de gang eindigde, begon hij met
+beide handen te graven. 'Help mij, Johannes!'
+
+Willoos in zijn ellende, gehoorzaamde deze en groef de vochtige, fijne
+aarde weg.
+
+Zwijgend en zwoegend werkten zij door, totdat het zwarte hout kwam.
+
+De pier had den geringden kop ingetrokken en was achteruit verdwenen. De
+oorworm liet het licht vallen en ging terug.
+
+'Zij komen er niet in, het hout is te nieuw,' zeide hij bij 't heengaan.
+
+'Ik wil,' zei Pluizer en scheurde met de haakvingers lange, witte
+splinters krakend uit het hout.
+
+Een vreeselijke beklemming drukte Johannes. Doch hij moest, hij kon niet
+anders.
+
+Eindelijk kwam de donkere ruimte open. Pluizer nam het licht en kroop
+haastig naar binnen.
+
+'Hier, hier!' riep hij en liep naar het hoofdeinde.
+
+Doch toen Johannes bij de handen kwam, die stil over elkaar gevouwen op
+de borst lagen, moest hij rusten. Hij staarde op de magere, witte
+vingers, half verlicht aan de bovenzijde. Op eenmaal herkende hij ze,
+hij herkende den vorm en de plooien der vingers, de gedaante der lange
+nagels, nu donkerblauw verkleurd. Hij herkende een bruin vlekje aan den
+wijsvinger.
+
+Het waren zijn eigene handen.
+
+'Hier, hier!' riep Pluizer's stem van het hoofdeinde. 'Zie eens, herken
+je hem?'
+
+Nog wilde de arme Johannes zich weer oprichten en op het licht toegaan,
+dat hem wenkte. Doch hij kon niet meer. Het lichtje verglom tot volkomen
+duisternis, en hij viel bewusteloos.
+
+
+
+
+XII
+
+
+Diep zonk hij weg in den slaap, tot in de diepte waar geen droomen zijn.
+
+Toen hij uit die duisternissen herrees, langzaam, naar het grauwe, koele
+licht van den morgen, streek hij door bonte, zachte droomen uit vroeger
+tijd. Hij ontwaakte en zij gleden van zijn ziel als dauwdroppelen van
+een bloem. Kalm en vriendelijk was de uitdrukking van zijn oogen, half
+nog starend in het wemelen der lieflijke beelden.
+
+Doch in pijn, als een lichtschuwe, sloot hij ze voor het vale daglicht.
+Hij zag, wat hij ook den vorigen morgen gezien had. Het scheen hem ver
+en lang geleden. Doch uur na uur kwam hem weer te binnen, van den
+droevigen morgen tot den vreeselijken nacht. Hij kon niet gelooven, dat
+al die verschrikkingen in éénen dag waren verschenen. Het begin van zijn
+ellende scheen zoo ver, verloren in grauwen mist.
+
+Spoorloos gleden de zachte droomen van zijn ziel, Pluizer schudde hem,
+en de sombere dag begon, traag en kleurloos, de voorlooper van vele,
+vele andere.
+
+Doch wat hij den vorigen avond op dien bangen tocht gezien had, bleef
+hem bij. Was het slechts een afschuwelijk visioen geweest?
+
+Toen hij Pluizer er weifelend naar vroeg, keek deze hem spottend en
+verwonderd aan.
+
+'Wat bedoel je?' vroeg hij.
+
+Doch Johannes zag den spot niet in zijn blik, en vroeg of het niet
+waarlijk zoo geschied was, hij zag het nog zoo scherp en duidelijk
+voor zich!
+
+'Maar Johannes, wat ben je toch dom! Zulke dingen kunnen immers niet
+gebeuren!'
+
+En Johannes wist niet wat hij denken moest.
+
+'We zullen je gauw aan 't werk zetten. Dan zul je zulke domme vragen
+niet meer doen.'
+
+En zij gingen naar den docter Cijfer, die Johannes zou helpen vinden,
+wat hij zocht.
+
+Doch in de drukke straten hield Pluizer eenmaal plotseling stil en wees
+Johannes een mensch uit de menigte.
+
+'Ken je hem nog?' vroeg Pluizer en schaterde het uit toen Johannes bleek
+werd en den man verschrikt nastaarde.
+
+Hij had hem den vorigen nacht gezien, diep onder de aarde.
+
+Vriendelijk ontving hen de docter en deelde Johannes zijn wijsheid mede.
+Uren luisterde hij dien dag, en vele dagen daarna.
+
+Wat hij zocht had de docter nog niet gevonden. Doch hij had het bijna,
+zeide hij. Hij zou Johannes zoo ver brengen als hij zelve was en dan
+zouden zij er beiden wel komen.
+
+Johannes leerde en luisterde, ijverig en geduldig, dagen en maanden
+lang. Hij gevoelde weinig hoop, doch hij begreep, dat hij nu dóór moest
+gaan, zoo ver mogelijk. Hij vond het vreemd, dat terwijl hij licht
+zocht, het hoe langer hoe duisterder om hem werd. Het begin van al wat
+hij leerde was het best, doch hoe dieper hij doordrong hoe doodscher en
+duisterder. Hij begon met planten en dieren, met al wat om hem was en
+als hij er lang op gestaard had, werden het cijfers. Alles viel uiteen
+tot cijfers, bladen vol cijfers. Dat vond docter Cijfer heerlijk, en hij
+zeide, dat het hem licht werd, als de cijfers kwamen, doch voor Johannes
+was dat duisternis.
+
+Pluizer verliet hem niet en dreef en zweepte hem voort, als hij
+moedeloos en vermoeid was. Alle oogenblikken van genot of bewondering
+bedierf hij hem.
+
+Johannes verbaasde en verheugde zich, toen hij leerde en zag, hoe fijn
+de bloemen waren gebouwd, hoe zij vruchten vormden en hoe de insecten
+hen onwetend hielpen in die taak.
+
+'Dat is toch prachtig,' zeide hij, 'hoe juist is dat alles berekend en
+hoe fijn en doelmatig gemaakt.'
+
+'Ja, verbazend doelmatig,'zei Pluizer, 'jammer dat het grootste deel van
+die doelmatigheid en fijnheid tot niets dient. Hoeveel bloesems worden
+vruchten en hoeveel pitten worden boomen?'
+
+'Maar het schijnt toch alles naar een groot plan gemaakt,' antwoordde
+Johannes. 'Zie! de bijen zoeken honing voor zich zelven en weten niet
+dat zij de bloemen helpen, en de bloemen lokken de bijen door hun kleur.
+Het is een plan, en zij werken beide mede zonder het te weten.'
+
+'Dat lijkt heel mooi, maar er mankeert veel aan. Als de bijen kans zien,
+bijten zij een gat onder in de bloem en maken de heele ingewikkelde
+inrichting te schande. Een slimme plannenmaker, die zich door een bij
+voor den gek laat houden.'
+
+Bij het wonderbare samenstel van menschen en dieren ging het nog erger.
+Van al wat Johannes schoon en kunstig toescheen, toonde hij de
+onvolkomenheid en de gebreken. Het gansche heer van kwalen en ellende
+dat mensch en dier treffen kan, toonde hij hem, met voorliefde het
+walgelijkste en afzichtelijkste kiezend.
+
+'Die plannenmaker, Johannes, was erg slim, maar bij alles wat hij maakte
+vergat hij iets, en de menschen hebben handen vol werk, om al die
+gebreken zoo goed mogelijk bij te lappen. Zie maar om je heen! een
+parapluie, een bril, zelfs kleeren en huizen, het is alles menschelijk
+lapwerk. Het hoort volstrekt niet bij het plan. Maar de plannenmaker
+heeft niet bedacht dat menschen het koud zouden hebben en boeken zouden
+lezen en duizend dingen meer zouden gaan doen, waarvoor zijn plan niet
+deugde. Hij heeft zijn kinderen kleertjes gegeven, zonder te denken,
+dat zij er uit zouden groeien. Nu zijn bijna alle menschen lang hun
+natuurpakje ontgroeid. Nu gaan zij alles zelf doen en storen zich
+volstrekt niet meer aan den plannenmaker en zijn plannen. Wat hij hun
+niet gegeven heeft, nemen ze brutaal en eigenmachtig, en waar het hem
+blijkbaar te doen was hen te doen sterven, ontduiken zij den dood soms
+voor langen tijd, door allerlei kunstgrepen.'
+
+'Maar het is de schuld van de menschen,' riep Johannes, 'waarom wijken
+zij moedwillig af van de natuur?'
+
+'O domme Johannes! als een kindermeid een onnoozel kind met vuur laat
+spelen en het brandt zich, wie heeft dan schuld? Het kind dat geen vuur
+kende, of de meid die wist dat het kind zich branden zou? En wie is
+schuld, als de menschen afdwalen in ellende en onnatuur, zijzelve of de
+alwijze plannenmaker, bij wien zij als onwetende kinderen zijn?'
+
+'Maar zij zijn niet onwetend, zij wisten ...'
+
+'Johannes! als gij een kind zegt: 'raak dat vuur niet aan! het doet
+pijn' en als het kind het dan toch doet, omdat het niet weet wat pijn
+is, kunt gij u dan van schuld vrij pleiten en zeggen: 'zie! het kind was
+niet onwetend'? Gij toch wist, dat het uwen raad niet zou achten.
+Menschen zijn dwaas en dom als kinderen. Doch glas is bros en leem is
+week. En wie menschen maakt en hun dwaasheid niet rekent, is als hij die
+wapenen maakt van glas en niet bedenkt dat zij zullen breken, en pijlen
+van leem en niet bedenkt, dat zij zullen buigen.'
+
+En de woorden vielen als droppelen vloeiend vuur op Johannes' ziel. En
+in zijn borst zwol het grootste leed, dat zijn vroegere smarten verdrong
+en hem vaak deed weenen, in de stille, slapelooze uren van den nacht.
+
+Ach! slaap! slaap! Er kwam een tijd, na lange dagen, dat slaap hem het
+liefste was van alles. Daarin was geen gedachte en geen leed; en zijn
+droomen brachten hem altijd tot zijn vroeger leven terug. Heerlijk
+scheen het hem, als hij er van droomde, doch overdag kon hij zich niet
+meer te binnen brengen, hoe het geweest was. Hij wist alleen, dat zijn
+verdriet en verlangen van vroeger beter waren, dan het ledige, doode
+gevoel dat hij nu kende. Hij had eens smartelijk naar Windekind verlangd,
+hij had eens uur aan uur op Robinetta gewacht. Hoe heerlijk was dat
+geweest!
+
+Robinetta! Verlangde hij nog? Hoe meer hij leerde, hoe meer zijn
+verlangen week. Want ook dat werd ontleed en Pluizer legde hem uit wat
+liefde was. Toen schaamde hij zich en docter Cijfer zeide dat hij er nog
+geen cijfers van maken kon, maar dat het wel spoedig gebeuren zoude. Zoo
+werd het duisterder en duisterder om den kleinen Johannes.
+
+Hij had een flauw gevoel van dankbaarheid, dat hij Robinetta niet
+herkend had op zijn vreeselijken tocht met Pluizer.
+
+Als hij Pluizer er over sprak, zeide deze niets en lachte slim. Maar
+Johannes begreep dat het niet was geweest, om hem te sparen.
+
+De uren dat Johannes niet leerde en werkte, gebruikte Pluizer, om hem de
+menschen te laten zien. Hij wist hem overal te brengen, in de ziekenhuizen,
+waar in groote zalen de zieken lagen, lange rijen bleeke, uitgeteerde
+gezichten met doffe of pijnlijke uitdrukking, waar een naargeestige stilte
+was, slechts door kuchen en kermen gebroken. En Pluizer wees hem, wie van
+hen nimmer die zalen zouden verlaten. En als op een bepaald uur stroomen
+menschen het huis binnenkwamen om hunne zieke verwanten te bezoeken, zeide
+Pluizer: 'Zie! die allen weten, dat ook zij eens in dit huis en in die
+droeve zalen terecht zullen komen, om er in een zwarte kist uitgedragen te
+worden.'
+
+'Hoe kunnen zij nog ooit vroolijk zijn?' dacht Johannes.
+
+En Pluizer bracht hem op een klein bovenzaaltje, waar een weemoedig
+halfduister heerschte en waar de verwijderde klanken van een piano uit
+een naburig huis onophoudelijk en droomerig doordrongen. Daar wees
+Pluizer hem onder de anderen een zieke, die suffend voor zich uit
+staarde naar een smal zonnestraaltje, dat traag langs den muur kroop.
+
+'Die ligt daar al zeven jaar,' zeide Pluizer. 'Hij is zeeman geweest en
+heeft de palmen van Indië, de blauwe zeeën van Japan, de bosschen van
+Brazilië gezien. Nu amuseert hij zich al de lange dagen van zeven lange
+jaren, met dat zonnestraaltje en dat pianospel. Hij komt hier niet meer
+vandaan; maar het kan nog even lang duren.'
+
+Na dien dag was het Johannes' bangste droom, op eens te ontwaken in dat
+zaaltje, in dat weemoedig halfduister bij die droomerige klanken, om tot
+het einde toe niets anders meer te zien dan het gaande en komende licht.
+
+Pluizer bracht hem ook in de groote kerkgebouwen en liet hem luisteren
+naar wat daar gezegd werd. Hij bracht hem bij feesten, bij groote
+plechtigheden, in de binnenvertrekken van vele huizen.
+
+Johannes leerde de menschen kennen, en het gebeurde hem somtijds, dat
+hij aan zijn vroeger leven moest denken, aan de sprookjes, die Windekind
+hem verteld had, en aan zijn eigen ontmoetingen. Er waren menschen die
+hem aan het glimwormpje herinnerden, dat in de sterren zijn gestorven
+makkers meende te zien, of aan den eenen meikever, die een dag ouder was
+dan de andere en zooveel over een roeping gesproken had, en hij hoorde
+verhalen, die hem aan Kribbelgauw, den held der kruisspinnen, deden
+denken; of aan den aal, die niets deed en gevoed werd omdat een dikke
+koning deftig stond. Zich-zelven vergeleek hij wel met den jongen
+meikever, die niet wist wat een roeping was en in het licht vloog. Hij
+voelde zich alsof hij hulpeloos en verminkt op het vloerkleed rondkroop,
+met een draadje om 't lijf, een scherp draadje, waaraan Pluizer rukte
+en trok.
+
+Ach, den tuin zou hij wel niet meer vinden, wanneer zou de zwarte voet
+komen en hem verpletteren?
+
+Pluizer bespotte hem, als hij over Windekind sprak. En langzamerhand
+begon hij te gelooven, dat Windekind er nooit geweest was.
+
+'Maar, Pluizer! dan is het sleuteltje er ook niet, dan is er niets!'
+
+'Niets! Niets! Er zijn menschen en cijfers, dat is alles waar, dat
+bestaat, eindeloos veel cijfers.'
+
+'Maar, Pluizer, dan hebt ge mij bedrogen. Laat mij uitscheiden, laat mij
+niet meer zoeken, laat mij alleen!'
+
+'Weet je niet meer wat de Dood gezegd heeft? Een mensch zou je worden,
+een volmaakt mensch.'
+
+'Ik wil niet, het is vreeselijk.'
+
+'Je moet, je hebt ééns gewild. Zie docter Cijfer eens, vindt die het
+vreeselijk? Word zooals hij is.'
+
+Het was waar. Docter Cijfer scheen altijd rustig en gelukkig. Onvermoeid
+en onverstoorbaar ging hij zijn weg, studeerend en onderrichtend, tevreden
+en gelijkmoedig.
+
+'Zie hem,' zeide Pluizer, 'hij ziet alles en ziet ook niets. Hij bekijkt
+de menschen alsof hij zelf een ander wezen ware, dat niets met hen
+uitstaande heeft. Hij gaat tusschen kwalen en ellenden als een onkwetsbare
+en verkeert met den dood als een onsterfelijke. Hij verlangt alleen te
+begrijpen wat hij ziet, en hij vindt alles even goed wat hij te weten komt.
+Hij is met alles tevreden, zoodra hij het bereikt. Zóó moet je ook worden.'
+
+'Maar dat kan ik nooit.'
+
+'Ja, dat kan ik niet helpen.'
+
+Dat was immer het hopelooze einde van hun gesprek. Johannes werd dof en
+onverschillig, zocht en zocht, niet meer wetend waarnaar en waarom. Hij
+werd als de velen, die Wistik gesproken hadden.
+
+'t Werd winter, en hij merkte het nauwelijks.
+
+Op een killen, mistigen morgen, toen de natte, vuile sneeuw op de
+straten lag en van boomen en daken droop, ging hij met Pluizer zijn
+dagelijkschen gang.
+
+Op een plein ontmoette hij eenige jonge meisjes, op een rij, met
+schoolboeken in de hand. Ze wierpen elkaar met sneeuw en lachten en
+stoeiden. Helder klonken haar stemmetjes over het besneeuwde plein. Men
+hoorde geen geluid van voetstappen of rijtuigen, alleen de rinkelende
+bellen der paarden of het rammelen van een winkeldeur. Helder klonk de
+blijde lach door de stilte. Johannes zag hoe een der meisjes hem aankeek
+en bleef nastaren. Zij had een bontmanteltje om en droeg een zwarten
+hoed. Hij kende haar gelaat zeer goed, maar wist toch niet wie zij was.
+Zij knikte eens, en nog eens.
+
+'Wie is dat? ik ken haar.'
+
+'Ja, dat is wel mogelijk. Zij heet Maria. Sommigen noemen haar
+Robinetta.'
+
+'Neen, dat kan niet. Zij lijkt niet op Windekind. Het is een gewoon
+meisje.'
+
+'Ha! ha! ha! Zij kan niet lijken op niemand. Maar zij is wie zij is. Je
+hebt naar haar verlangd, ik wil je nu wel bij haar brengen.'
+
+'Neen, ik wil haar niet zien. Ik had haar liever dood gezien, zooals de
+anderen.'
+
+En Johannes keek niet meer om, maar liep haastig door en prevelde:
+
+'Dat is het laatste, er is niets! niets!'
+
+
+
+
+XIII
+
+
+Het klare, warme zonlicht van een eersten lentemorgen stroomde over de
+groote stad. Helle stralen vielen in 't kamertje, waar Johannes woonde;
+op de lage zoldering trilde en schommelde een groote lichtplek,
+weerkaatsing van het rimpelend water der gracht.
+
+Johannes zat voor het raam in den zonneschijn en staarde over de stad.
+Zij was geheel van uitzicht veranderd. De grauwe mist was een glanzig
+blauw zonnewaas geworden, dat het einde der lange straten en de torens
+in de verte omhulde. De lichtkanten der leien daken schitterden
+zilverwit, alle huizen hadden heldere lijnen en lichte vlakken door het
+zonlicht, er was een warme tinteling in de bleekblauwe lucht. Het water
+scheen levend geworden. De bruine knopjes der iepeboomen waren dik en
+glanzig, en luidruchtige musschen fladderden tusschen de takjes.
+
+Het werd Johannes zoo zonderling te moede, terwijl hij staarde. De
+zonneschijn bracht hem in een zoete verdooving.
+
+Er was vergetelheid en dadelijke weelde in. Droomend staarde hij op de
+schittering der golfjes, op de zwellende iepeknopjes, en hij luisterde
+naar het tjilpen der musschen. Er was vreugde in dat geluid.
+
+Zoo week was hij in langen tijd niet gestemd geweest; zoo gelukkig had
+hij zich in langen tijd niet gevoeld.
+
+Dat was de oude zonneschijn, dien hij herkende. Dat was de zon die hem
+vroeger naar buiten riep, naar den tuin, waar hij dan, in de luwte van
+een oud muurtje, op den warmen grond ging liggen, en lang kon genieten
+van al dat licht en die warmte, starend op de halmpjes en kluitjes vóór
+hem, gekoesterd in de zon.
+
+Het was hem zoo wèl in dat licht, het gaf hem het veilige thuisgevoel,
+zooals hij zich herinnerde dat het heel vroeger was, in de armen van
+zijn moeder. Hij moest aan al het verledene denken, doch hij weende of
+verlangde niet. Hij zat stil en droomde, niet anders wenschend dan dat
+de zon blijven mocht.
+
+'Wat suf je daar, Johannes?' riep Pluizer, 'je weet ik houd niet van
+droomen.'
+
+Johannes hief smeekend de peinzende oogen op.
+
+'Laat mij nog wat zoo blijven,' zeide hij. 'De zon is zoo goed.'
+
+'Wat vindt je aan die zon?' zeide Pluizer. 'Het is toch niets anders
+dan een groote kaars, of je in kaarslicht of zonlicht zit is volmaakt
+hetzelfde. Zie! die schaduwen en die lichte plekken op straat, dat is
+toch niets anders dan het schijnsel van een licht, dat wat stil brandt
+en niet flikkert. En dat licht is eigenlijk een heel klein vlammetje,
+dat op een heel klein stukje van de wereld schijnt. Daar! daar! voorbij
+dat blauw, onder en boven ons, is het donker, koud en donker! daar is
+het nu nacht, nu en altijd.'
+
+Doch zijn woorden hadden geen invloed op Johannes. De stille, warme
+zonnestralen doordrongen hem en vervulden zijn geheele ziel, het was
+licht en vredig in hem.
+
+Pluizer nam hem mede naar het kille huis van docter Cijfer. Een tijd
+lang nog zweefden de zonnebeelden voor zijn geest, toen verflauwden zij
+langzamerhand en midden op den dag was het geheel duister in hem.
+
+Doch toen de avond kwam en hij weder door de straten der stad ging, was
+de lucht zoel en vol vochtige voorjaarsgeuren. Alles geurde sterker en
+in de enge straten beklemde het hem. Maar op de open pleinen rook hij
+het gras en de knoppen van buiten. En boven de stad zag hij het voorjaar
+in de rustige wolkjes, in het teedere rood van den westelijken hemel.
+
+De schemering spreidde een zachten, grijzen nevel over de stad, vol
+fijne tinten. Het werd stil in de straten, alleen een straatorgel in de
+verte speelde een weemoedige wijs, de huizen schenen zwarte schimmen
+tegen den rooden avondhemel, als tallooze armen staken ze hun grillige
+spitsen en schoorsteenen op.
+
+Het was Johannes als een vriendelijke glimlach der zon, toen zij voor
+het laatst lichtte over de groote stad, vriendelijk als de glimlach die
+een dwaasheid vergeeft. En de zoelte streek Johannes liefkoozend langs
+de wangen.
+
+Toen kwam er een groote weemoed in Johannes' hart, zoo groot dat hij
+niet verder kon gaan en diep ademend zijn gezicht moest opheffen naar
+den wijden hemel. Het voorjaar riep hem en hij hoorde het. Hij wilde
+antwoorden, hij wilde komen. Het was alles berouw en liefde en
+vergeving in hem.
+
+Verlangend staarde hij omhoog en tranen gleden uit zijn droeve oogen.
+
+'Kom! Johannes! doe niet zoo raar, de menschen kijken!' zei Pluizer.
+
+De lange, eentonige huizenrijen strekten zich aan beide zijden somber en
+naargeestig uit. Een jammer in de zoele lucht, een klaagtoon tusschen
+het roepen van de lente!
+
+De menschen zaten aan de deuren en op de stoepen, om de lente te
+genieten. Het scheen Johannes een bespotting. De vuile deuren stonden
+open en de bedompte ruimte daarbinnen wachtte hen. Nog rekte het orgel
+in de verte zijn weemoedige tonen.
+
+'O! kon ik hier uit wegvliegen, ver weg, naar de duinen, naar--de zee!'
+
+Doch hij moest mede naar het hooge kleine kamertje en hij lag wakker
+dien nacht.
+
+Hij moest denken aan zijn vader en de lange wandelingen, die hij met hem
+maakte, als hij tien passen achter hem liep en zijn vader letters voor
+hem schreef in het zand. Hij moest aan de plaatsen denken, waar de
+viooltjes groeien tusschen het kreupelhout en aan de dagen, dat hij ze
+met zijn vader gezocht had. Den ganschen nacht zag hij het gezicht van
+zijn vader, zooals het was, als hij des avonds bij het stille lamplicht
+naar hem zat te kijken en luisterde naar het krassen van zijn pen.
+
+Iederen morgen vroeg hij Pluizer toen, om nog ééns terug te mogen gaan,
+naar zijn huis en zijn vader, om nog ééns zijn tuin en de duinen te
+mogen zien. Nu merkte hij dat hij zijn vader meer had liefgehad dan
+Presto en zijn kamertje, want het was om hem dat hij het vroeg.
+
+'Zeg mij alleen hoe het met hem is en of hij nog boos op mij is, dat ik
+zoolang ben weggebleven.'
+
+Pluizer haalde de schouders op. 'Al wist je dat nu, wat zou het je
+helpen?'
+
+Doch de lente bleef hem roepen, luider en luider. Iederen nacht droomde
+hij van het donkergroene mos aan de duinhellingen en van zonnestralen,
+die door het fijne, jonge groen schenen.
+
+'Het kan zóó niet langer duren,' dacht Johannes, 'ik kan het niet
+uithouden.'
+
+En vaak, als hij niet slapen kon, stond hij zachtjes op, ging naar het
+venster, en staarde in den nacht. Hij zag hoe de dommelige, donzen
+wolkjes langzaam langs de maanschijf schoven, vreedzaam drijvend in een
+zee van zachten glans. Hij dacht hoe nu daar in de verte de duinen
+sliepen in den zoelen nacht, hoe wondervol het moest zijn in de lage
+boschjes, waar geen van de jonge blaadjes zou bewegen en waar het zou
+geuren van vochtig mos en jonge berkenspruiten. Hij meende van verre het
+golvende koor der kikvorschen te hooren, dat zoo geheimzinnig aanzweeft
+over de velden, en het lied van den eenigen vogel, die de plechtige
+stilte mag begeleiden, die zijn zang zoo zacht en klagend begint en zoo
+plotseling afbreekt, waardoor de stilte nog stiller schijnt. En het riep
+hem, het riep hem alles. Hij boog het hoofd op de vensterbank en snikte
+op zijn arm.
+
+'Ik kan niet! ik kan het niet dragen. Ik zal wel gauw sterven, als ik
+niet komen mag.'
+
+Toen Pluizer hem den volgenden dag wekte, zat hij nog bij het venster,
+waar hij was ingeslapen met het hoofd op den arm.
+
+De dagen vergingen, werden lang en warm, en er kwam geen verandering.
+Doch Johannes stierf niet en zijn smart moest hij dragen.
+
+Op een morgen zeide docter Cijfer tot hem: 'Gaat ge mede Johannes, ik
+moet een zieke bezoeken.'
+
+Docter Cijfer was bekend als een geleerd man en velen riepen zijn hulp
+in tegen ziekte en dood. Reeds dikwijls was Johannes met hem medegegaan.
+
+Pluizer was bizonder vroolijk dien morgen. Hij ging telkens op het hoofd
+staan, danste en buitelde, en bedreef allerlei uitgelaten scherts. Hij
+grinnikte voortdurend geheimzinnig, als een die een ander een verrassing
+bereid heeft. Johannes vreesde hem zeer in die stemming.
+
+Docter Cijfer bleef echter ernstig als altijd.
+
+Zij gingen een verren weg dien morgen. In een spoortrein en te voet. Zij
+gingen verder dan anders, nog nooit was Johannes buiten de stad
+medegenomen.
+
+Het was een warme, zonnige dag. Uit den spoortrein zag Johannes de
+groote, groene weiden voorbijgaan met langgepluimd gras en grazende
+koeien. Hij zag witte vlinders fladderen boven het bloemrijke land, waar
+de lucht trilde van zonnehitte.
+
+Doch opeens voelde hij een tinteling, daar strekte zich de lange,
+golvende duinreeks uit!
+
+'Nu Johannes!' grinnikte Pluizer. 'Nu krijg je toch je zin, zie je wel!'
+
+Half ongeloovig bleef Johannes naar de duinen staren. Zij kwamen nader
+en naderbij. De lange slooten aan beide zijden schenen om hun middelpunt
+te draaien en snel vlogen enkele woningen langs den weg voorbij.
+
+Toen kwamen de boomen: dichtbebladerde kastanjeboomen, rijkelijk bloeiend
+met duizenden groote, witte of roode bloemtrossen, donker-blauwgroene
+dennen, groote, statige linden.
+
+Het was toch waarheid, hij ging zijn duinen weerzien.
+
+De trein stond stil, en toen liepen de drie te voet, onder schaduwrijk
+loof.
+
+Daar was het donkergroene mos, daar waren de ronde plekken der zonnestralen
+op den boschgrond, dat was de geur van berkenspruiten en dennenaalden.
+
+'Is het waar! is het werkelijk waar?' dacht Johannes, 'zou het geluk komen?'
+
+Zijn oogen schitterden en zijn hart klopte sterk. Hij begon te gelooven
+aan zijn geluk. Deze boomen, dezen grond kende hij, dit boschpad was hij
+vaak gegaan.
+
+Zij waren alleen op den weg. Doch Johannes moest omkijken, alsof hen
+iemand volgde. En hij meende tusschen het eikenloof de donkere figuur
+van een mensch te zien, die telkens door de laatste kronkeling van het
+pad verborgen bleef.
+
+Pluizer keek hem valsch en geheimzinnig aan. Docter Cijfer liep met
+lange schreden en staarde naar den grond.
+
+De weg werd hem bekender en vertrouwder, iederen steen, ieder struikje
+kende hij, toen verschrikte Johannes op eenmaal hevig, want hij stond
+voor zijn eigen huis.
+
+De kastanjeboom voor het huis breidde zijn groote, handvormige bladen
+schaduwend uit. Tot boven in den hoogen top prijkten de prachtig witte
+bloesems in de volle, ronde loovermassa.
+
+Hij hoorde het geluid der opengaande deur, dat hij zoo goed kende, en
+hij rook den geur van zijn eigen huis. Daar herkende hij de gang, de
+deuren, alles stuk voor stuk, met een smartelijk gevoel van verloren
+vertrouwelijkheid. Het was alles een deel van zijn leven, van zijn
+eenzaam, mijmerend kinderleven. Tegen al die voorwerpen had hij
+gesproken, hij had met hen geleefd in zijn gedachteleven, waarin hij
+geen mensch toeliet. Doch nu voelde hij zich gescheiden en afgestorven
+van het gansche oude huis, met zijn kamers en gangen en portaaltjes. Hij
+voelde dat die scheiding onherroepelijk was en het was hem alsof hij een
+kerkhof bezocht, zoo weemoedig en droevig.
+
+Was Presto hem maar tegemoetgesprongen, dan zou het minder akelig zijn,
+maar Presto was zeker weg of dood.
+
+Doch waar was zijn vader?
+
+Hij keek terug naar de open deur en den zonnigen tuin daarbuiten, en zag
+den man, die hem op weg scheen te achtervolgen, nu reeds op het huis
+toeschrijden. Hij kwam nader en nader en scheen grooter te worden bij
+het naderen. Toen hij bij de deur was vervulde een groote, kille schaduw
+de gang. Toen herkende Johannes den Man.
+
+Het was doodstil in huis en zij gingen zwijgend de trap op. Er was een
+trede, die altijd kraakte onder den tred, dat wist Johannes. En nu
+hoorde hij haar driemaal kraken, het klonk als pijnlijk kreunen. Doch
+onder den vierden voetstap was het als een doffe snik.
+
+En boven hoorde Johannes een gekreun, zacht en zoo regelmatig als
+langzaam klokgetik. Het was een pijnlijk akelig geluid.
+
+De deur van Johannes' kamertje stond open. Hij wierp er even een schuwen
+blik in. De wonderlijke bloemfiguren van het behangsel staarden hem
+verbaasd en wezenloos aan. De hangklok stond stil.
+
+Zij gingen naar de kamer van waar het geluid kwam. Het was zijns vaders
+slaapkamer. De zon scheen vroolijk naar binnen, op de gesloten, groene
+gordijnen van het bed. Simon de kat zat op de vensterbank in den
+zonneschijn. Er heerschte een beklemmende geur van wijn en kamfer. Het
+zachte kreunen klonk nu van nabij.
+
+Johannes hoorde fluisteren van stemmen en schuifelen van voorzichtige
+voetstappen. Toen werden de groene gordijnen opgeslagen.
+
+Hij zag het gezicht van zijn vader, dat hij zoo dikwijls voor zich had
+gezien den laatsten tijd. Doch het was geheel anders. De vriendelijke,
+ernstige uitdrukking was weg en het keek strak en benauwd. Het was
+vaalbleek, met bruine schaduwen. De tanden waren zichtbaar in den
+halfgeopenden mond en het wit der oogen onder de halfgesloten oogleden.
+Het hoofd lag weggezonken in het kussen en regelmatig hief het zich bij
+het kreunen even op, om dan weer moede op zij te vallen.
+
+Roerloos stond Johannes bij het bed en staarde met wijde strakke oogen
+naar dat bekende gezicht. Hij wist niet wat hij dacht, hij durfde geen
+vinger bewegen, hij durfde die oude, bleeke handen niet vatten, die slap
+op het witte linnen lagen.
+
+Het was alles zwart om hem, de zon en de lichte kamer, het groen
+daarbuiten en de blauwe lucht van zooeven, al wat achter hem lag, het
+werd zwart, zwart, dof en ondoordringbaar. En in dien nacht zag hij
+alleen dat bleeke hoofd daar vóór hem. En hij moest alleen denken aan
+dat arme hoofd, dat zoo moede scheen, en zich telkens en telkens weer
+met smartelijk geluid moest opheffen.
+
+Daar kwam een oogenblik verandering in de regelmatige beweging. Het
+kreunen hield even op, de oogleden gingen langzaam open, de oogen
+staarden zoekend rond en de lippen trachtten iets te zeggen.
+
+'Dag vader!' fluisterde Johannes en staarde angstig bevend in de
+zoekende oogen. De matte blik rustte toen even op hem en een flauw,
+flauw glimlachje rimpelde de holle wangen. De smalle, saamgeplooide hand
+werd van het linnen opgeheven en maakte een onzekere beweging naar
+Johannes, toen viel zij krachteloos weder neer.
+
+'Kom! kom!' zeide Pluizer, 'geen scène hier.'
+
+'Ga uit den weg, Johannes,' zeide docter Cijfer, 'wij moeten zien wat er
+te doen valt.' De docter begon het onderzoek, doch Johannes ging weg van
+het bed en stond voor het raam. Hij keek naar het zonnige gras en de
+heldere lucht en naar de breede kastanjeblaren, waarop dikke vliegen
+zaten, die blauw glansden in den zonneschijn. Het kreunen begon weer met
+dezelfde gelijkmatigheid.
+
+Een zwarte meerle huppelde tusschen het hooge gras in den tuin, groote
+rood- en zwarte vlinders dwarrelden over de bloemperken, uit het loover
+der hoogste boomen drong het zachte, vleiende gekir der houtduiven tot
+Johannes door.
+
+Hier binnen hield het kreunen aan, altijd door, altijd door. Hij moest
+er naar luisteren, en het kwam regelmatig, onafwendbaar als de vallende
+droppel, die krankzinnig maakt. In spanning wachtte hij bij elke
+tusschenpooze en telkens kwam het weer, verschrikkelijk als de voetstap
+van den naderenden dood.
+
+En daarbuiten heerschte warme, weelderige zonnevrede. Alles koesterde
+zich en genoot. De grashalmen trilden en de bladeren ritselden van zoete
+weelde, boven de hooge boomtoppen, diep in het wemelende blauw, zweefde
+een reiger met kalmen vleugelslag.
+
+Johannes begreep het niet, het was hem alles een raadsel. Het was zoo
+verward en duister in zijn ziel. 'Hoe kan dit alles tegelijk in mij
+zijn!' dacht hij.
+
+'Ben ik dit werkelijk? Is dat mijn vader, mijn eigen vader? Van mij,
+mij, Johannes?'
+
+Het was hem alsof hij van een vreemde sprak. Het was alles een verhaal,
+dat hij gehoord had. Hij had iemand hooren vertellen van Johannes en van
+het huis, waar hij woonde en van zijn vader, dien hij verlaten had en
+die nu sterven ging. Hij was het zelf niet, hij had het hooren vertellen.
+Het was wel een droevig verhaal, recht droevig. Maar het ging hem niet aan.
+
+Ja! ja! toch. Hij was het zelf, hij! Johannes!
+
+'Ik begrijp de zaak niet,' zeide docter Cijfer, zich oprichtende, 'het
+is een raadselachtig geval.'
+
+Pluizer kwam bij Johannes staan.
+
+'Kom je niet eens kijken, Johannes, het is een belangrijk geval. De
+docter weet het niet.'
+
+'Laat mij,' zeide Johannes, zonder zich om te wenden. 'Ik kan niet
+denken.'
+
+Doch Pluizer ging achter hem staan en fluisterde scherp in zijn oor,
+zooals zijn gewoonte was.
+
+'Niet denken! Dacht je dat je niet denken kon? Dat heb je mis. Je moet
+denken. Al kijk je nu in het groen en in de blauwe lucht, dat helpt
+niet. Windekind komt toch niet. En de zieke man dáár gaat toch dood. Dat
+heb je even goed gezien als wij. Maar wat zou zijn kwaal zijn, denk je?'
+
+'Ik weet het niet! ik wil het niet weten.'
+
+Johannes zweeg en luisterde naar het kreunen, het klonk zacht klagend en
+verwijtend. Docter Cijfer maakte aanteekeningen in een boekje. Bij het
+hoofd van het bed zat de donkere gestalte, die hen gevolgd was, het
+hoofd gebogen, de lange hand naar den zieke gestrekt en de diepliggende
+oogen naar de klok gericht.
+
+Het scherpe fluisteren aan zijn oor begon weer.
+
+'Waarom zie je zoo bedroefd, Johannes? Nu heb je toch je zin. Daar
+liggen de duinen, daar zijn de zonnestralen door het groen, daar
+fladderen vlinders en zingen vogels. Wat verlang je nu nog? Wacht je
+Windekind? Als hij ergens is, moet hij dáár zijn. Waarom komt hij nu
+niet? Zou hij bang zijn voor dien donkeren vriend aan het hoofdeneind?
+Die was er toch altijd.'
+
+'Zie je nu wel dat het alles verbeelding geweest is, Johannes?'
+
+'Hoor je dat kreunen wel? Het klinkt al zachter dan zooeven. Je kunt
+hooren dat het wel gauw heelemaal zal ophouden. Nu, wat is dat? Er
+hebben er al zooveel gekreund, ook toen jij hier buiten rondliep
+tusschen de duinrozen. Waarom sta je nu hier te treuren en gaat niet de
+duinen in, als vroeger? Zie! alles bloeit en geurt en zingt daar, alsof
+er niets gebeurt. Waarom doe je niet mee in al die vroolijkheid en
+dat leven?'
+
+'Eerst klaag je en verlang je, nu breng ik je waar je zijn wilde en nu
+is het weer niet goed. Zie! ik laat je gaan, ga door het hooge gras, lig
+in die koele schaduw, laat de vliegen om je gonzen en ruik den geur van
+het jonge kruid! ik laat je vrij, ga nu! Zoek Windekind nu weer!'
+
+'Je wilt niet? Geloof je nu dan toch alleen in mij? Is het waar wat ik
+je verteld heb? Loog Windekind of ik?'
+
+'Hoor het kreunen! Zoo kort en zwak. Het zal gauw stil zijn.'
+
+'Zie maar niet zoo angstig om, Johannes. Hoe eer het stil is, hoe beter.
+Nu zullen er geene lange wandelingen meer komen, nu zul je niet meer
+naar viooltjes zoeken met hem. Met wie zou hij die twee jaren gewandeld
+hebben, denk je? toen je weg waart? Ja, je kunt het hem nu niet meer
+vragen. Dat zul je nooit weten. Nu moet je je wel met mij tevreden
+stellen. Als je mij wat vroeger gekend hadt, zou je nu niet zoo
+jammerlijk kijken. Je bent nog lang niet zooals je wezen moet. Denk je
+dat docter Cijfer in jouw geval zoo kijken zou? Het zou hem even
+bedroefd maken als die kat, die daar spint in den zonneschijn. En dat is
+goed. Waartoe dient die rampzaligheid? Hebben de bloemen je die geleerd?
+Die treuren ook niet als er een geplukt wordt. Is dat niet gelukkig? Zij
+weten niets, daarom zijn zij zoo. Jij bent eens begonnen met iets te
+weten, nu moet je ook alles weten om gelukkig te worden. Dat kan ik
+alleen je leeren. Alles of niets.'
+
+'Luister naar mij. Wat scheelt het of dat je vader is? Het is een mensch
+die sterft, dat is een gewone zaak.'
+
+'Hoor je het kreunen nog? Erg zwak niet waar? Het zijn nu wel de laatsten.'
+
+Johannes zag naar het bed in bange beklemming.
+
+Simon de kat sprong van de vensterbank, rekte zich uit en legde zich
+spinnend naast den stervende in het bed.
+
+Het arme, moede hoofd bewoog niet meer, het lag stil in het kussen
+gezonken, doch uit den half geopenden mond kwamen nog regelmatig de
+korte, matte klanken.
+
+Zij werden zachter, zachter, nauwelijks hoorbaar.
+
+Toen wendde de Dood de donkere oogen van de klok naar het ingezonken
+hoofd en hief de hand op. Daarna werd het stil.
+
+Een vale schaduw viel over het strakke gelaat.
+
+Stilte, doffe, leege stilte!
+
+Johannes wachtte, wachtte.
+
+Doch de regelmatige klank keerde niet weer. Het bleef stil, een groote,
+suizende stilte.
+
+De spanning van het luisteren der laatste uren hield op, en het was
+Johannes of zijn ziel werd losgelaten en neerviel in een zwart en
+grondloos ledig. Hij viel dieper, en dieper. Het werd stiller en
+duisterder om hem.
+
+Daar klonk Pluizer's stem, als op een grooten afstand.
+
+'Ziezoo! dat verhaaltje is weer uit.'
+
+'Dat is goed,' zeide docter Cijfer, 'nu kunt gij zien wat het geweest
+is. Ik laat dat aan u over. Ik moet heen.'
+
+Half nog in een droom zag Johannes glinsterende messen blinken.
+
+De kat zette een hoogen rug. Het werd koud naast het lichaam, en hij
+zocht weer den zonneschijn.
+
+Johannes zag hoe Pluizer een mes nam, het zorgvuldig beschouwde en er
+mede naar het bed ging.
+
+Toen schudde Johannes de verdooving van zich af. Eer Pluizer bij het bed
+was, stond hij vóór hem.
+
+'Wat wilt ge? vroeg hij. Zijn oogen waren wijd geopend in ontzetting.
+
+'Wij zullen zien wat het geweest is,' zeide Pluizer.
+
+'Neen!' zeide Johannes, en zijn stem was laag als een mannenstem.
+
+'Wat beteekent dat?' zeide Pluizer met grimmig flikkerenden blik.
+
+'Kun jij mij verbieden? Weet je niet hoe sterk ik ben?'
+
+'Ik wil niet,' zeide Johannes. Hij sloot de tanden opeen en haalde diep
+adem. Vast staarde hij Pluizer aan en strekte de hand naar hem uit.
+
+Doch Pluizer naderde. Toen greep Johannes hem bij de polsen en worstelde
+met hem.
+
+Pluizer was sterk, hij wist het, nog nooit had hij hem weerstaan. Doch
+hij liet niet af, en zijn wil brak niet.
+
+Het mes schitterde voor zijn oogen, hij zag vonken voor zijn blik en
+roode vlammen, doch hij gaf niet toe en bleef worstelen. Hij wist wat er
+komen zou als hij bezweek. Hij kende het, hij had het vroeger gezien.
+Doch wat daar achter hem lag was zijn vader, en hij wilde het niet zien.
+
+En terwijl zij hijgend worstelden, lag achter hem het doode lichaam
+gestrekt en bewegingloos, zooals het gelegen had op het oogenblik, toen
+de stilte kwam, het wit der oogen zichtbaar als een smalle streep, de
+mondhoeken opgetrokken tot strakken grijnslach.
+
+Alleen als beiden in hun strijd tegen het bed stootten, schudde het
+hoofd zachtjes heen en weer.
+
+Nog hield Johannes vol, de adem begaf hem en hij zag niets meer. Een
+sluier van bloedrood licht was voor zijn oogen. Toch hield hij vol.
+
+Toen verzwakte langzamerhand de weerstand der beide polsen onder zijn
+greep. Zijn spieren ontspanden zich, zijn armen vielen slap langs zijn
+lijf en zijn gesloten handen waren ledig.
+
+Toen hij opzag was Pluizer verdwenen. Alleen de Dood zat bij het bed en
+knikte.
+
+'Dat was goed van u, Johannes,' zeide hij.
+
+'Zal hij weerkomen?' fluisterde Johannes. De Dood schudde het hoofd.
+
+'Nooit. Wie hem eenmaal aandurft, ziet hem nooit weer.'
+
+'En Windekind? Zal ik nu Windekind weerzien?'
+
+Lang keek de sombere man Johannes aan. Zijn blik was niet angstwekkend
+meer, maar zacht en ernstig, hij trok Johannes aan, als een groote diepte.
+
+'_Ik_ alleen kan u bij Windekind brengen. Door mij alleen kunt ge het
+boekje vinden.'
+
+'Neem mij dan mede, er is nu niemand meer, neem mij nu ook mede, zooals
+de anderen, ik wil niets anders meer ...'
+
+Nogmaals schudde de Dood het hoofd.
+
+'Gij hebt de menschen lief, Johannes. Gij wist het niet, maar gij hebt
+hen altijd liefgehad. Gij moet een goed mensch worden. Het is een schoon
+ding een goed mensch te zijn.'
+
+'Ik wil niet, neem mij mede ...'
+
+'Het is niet zoo. Gij wilt. Gij kunt niet anders!'
+
+Toen werd de lange, donkere gestalte nevelig voor Johannes' oogen, zij
+vervloeide in vage vormen, een ijle, grijze mist zweefde in 't vertrek
+en trok weg langs de zonnestralen.
+
+Johannes boog het hoofd over den rand van het bed en schreide bij den
+dooden man.
+
+
+
+XIV
+
+Na langen tijd hief hij het hoofd op. De zonnestralen vielen schuin naar
+binnen en hadden een rooden glans. Het schenen rechte, gouden staven.
+'Vader! Vader!' fluisterde johannes.
+
+Buiten vervulde de zon de geheele natuur met een wolk van schitterend
+gouden gloed. Elk blad hing roerloos en alles zweeg in plechtige
+zonnewijding.
+
+En langs het licht daalde een zachte suizeling naar binnen. Het was als
+zongen de lichte stralen.
+
+'Zonnezoon! Zonnezoon!'
+
+Johannes hief het hoofd op en luisterde. Het ruischte in zijn ooren.
+
+'Zonnezoon! Zonnezoon!'
+
+Het was als Windekind's stem. Die alleen had hem zoo genoemd, zou hij
+hem nu roepen?
+
+Doch hij zag naar het gelaat naast hem, hij wilde niet meer luisteren.
+
+'Arme, lieve vader!' zeide hij.
+
+Doch plotseling klonk het weer om hem, van alle zijden om hem, zoo
+sterk, zoo dringend, dat hij huiverde van wonderbare aandoening.
+
+'Zonnezoon! Zonnezoon!'
+
+Johannes stond op en staarde naar buiten. Welk licht! welk heerlijk
+licht. Het stroomde over de volle boomkruinen, het tintelde tusschen de
+grashalmen en vonkelde in de donkere schaduwplekken. De gansche lucht
+was er mede vervuld, tot hoog in het blauw, waar zich de eerste, teedere
+avondwolkjes vormden.
+
+Over het grasveld tusschen de groene boomen en heesters zag hij de
+duinen. Op hun toppen lag rood goud en in hun schaduwen hing het blauw
+des hemels.
+
+Rustig lagen zij gestrekt in een kleed van teedere tinten. De fijne
+golving hunner omtrekken was vredebrengend als een gebed. Johannes
+voelde weder hoe het was, toen Windekind hem had leeren bidden.
+
+Was zij daar niet, de lichte gestalte in het blauwe kleed? Zie! daar
+midden in het licht, wat daar schemert in een waas van goud en blauw, is
+dat niet Windekind, die hem wenkt?
+
+Johannes vloog naar buiten in den zonneglans. Daar stond hij een oogwenk
+stil. Hij voelde de heilige wijding van het licht, en durfde zich
+nauwelijks bewegen, waar het loover zoo stil was.
+
+Doch daar vóór hem was de lichte gestalte weer. Het was Windekind,
+zeker! hij was het. Het stralende hoofdje naar hem toegekeerd, de mond
+half geopend, als om te roepen. Hij wenkte hem met de rechterhand. In de
+linker hield hij iets omhoog. Hoog hield hij het met de toppen der
+slanke vingers, en het flonkerde en schitterde in zijn hand.
+
+Met een blijden kreet van geluk en verlangen snelde Johannes naar de
+geliefde verschijning. Doch ze verhief zich en zweefde vóór hem uit met
+lachend gelaat en wenkende hand. Soms raakte zij de aarde in langzame
+daling, maar dan rees zij weder op, licht en snel en zweefde verder als
+het zaadpluis, dat de wind voortdrijft.
+
+Johannes wilde zich ook verheffen en zweven, zooals vroeger en zooals in
+zijn droom. Doch de aarde trok zijne voeten, en zijn tred bleef zwaar op
+den grazigen grond. Hij moest met moeite zijn weg zoeken door de
+struiken, wier loover ritselend langs zijn kleederen streek en wier
+takken hem striemden in het gelaat. Zwoegend moest hij de mossige
+hellingen der duinen beklimmen. Doch hij volgde onvermoeid en zijn oog
+werd niet afgewend van Windekind's stralende verschijning, van wat daar
+blonk in de hooggeheven hand.
+
+Daar was hij midden in duin. In de gloeiende valleien bloeiden de
+duinrozen en zagen met hun duizenden bleekgele kelkjes in het zonlicht.
+Ook bloeiden er vele andere bloemen, helder blauwe, gele en purperen,
+zwoele hitte lag in de kleine dalen en koesterde de geurige kruiden.
+Sterke, harsachtige geuren hingen in de lucht. Johannes rook ze terwijl
+hij voortging, het thijm rook hij en den geur van het droge rendiermos,
+dat kraakte onder zijn voet. Het was bedwelmend heerlijk.
+
+En voor het liefelijk beeld dat hij vervolgde, zag hij de bonte
+duinvlinders fladderen. Kleine zwarte en roode kapelletjes, en het
+zandoogje, het vroolijke vlindertje met de zijdeachtige vleugeltjes van
+het teederste blauw. Om zijn hoofd snorden de gouden kevers, die op de
+duinroos leven en dikke hommels dansten gonzend tusschen het
+geblakerde duingras.
+
+Wat was het heerlijk, wat zoude hij gelukkig zijn, als hij maar bij
+Windekind was. Doch Windekind zweefde verder en altijd verder. Ademloos
+moest hij volgen. De groote bleekbebladerde doornstruiken hielden hem
+tegen en krasten hem met hun doornen; de vale, wollige toortsplanten
+schudden de lange hoofden, als hij ze wegduwde in zijn vaart. Hij klom
+tegen de zandige walletjes op en kwetste zijn handen aan het
+stekelig helm.
+
+Hij drong door de lage berkenboschjes waar het gras hem tot de knieën
+reikte en de watervogels opvlogen van de kleine vijvers, die glinsterden
+tusschen de struiken. Dichte witbloeiende meidoorns mengden hun geur met
+dien van het berkenloof en van de munthe, die talrijk groeide op den
+moerassigen grond.
+
+Doch toen hielden de boschjes, het groen en de kleurige bloemen op.
+Alleen de wonderlijke, bleekblauwe zeedistel groeide tusschen het vale,
+dorre helm.
+
+Op den top der laatste hooge duinenrij zag Johannes Windekind's beeld.
+Verblindend schitterde het in zijn opgeheven hand. Geheimzinnig lokkend
+klonk een groot gestadig bruisen van gene zijde, door een koelen wind
+overgedragen. Het was de zee. Johannes voelde dat hij haar naderde en
+langzaam klom hij de laatste helling op. Daarboven viel hij op de knieën
+en staarde over de zee.
+
+Toen hij zich boven den duinrand verhief, omgaf hem een roode gloed. De
+avondwolken hadden zich ter uitvaart van het licht geschaard. Als een
+wijde kring van geweldige rotsblokken met roodgloeiende randen omgaven
+zij de dalende zon. Op de zee was een breede weg van levend purpervuur,
+een vlammende, schitterende lichtweg, leidende naar den ingang des
+verren hemels.
+
+Achter de zon, waarin het oog nog niet staren kon, wemelden teedere
+tinten van blauw en rose dooreen, in de diepte van de lichtgrot.
+Daarbuiten langs den ganschen wijden hemel glansden roode vlammen en
+strepen, lichte vlokjes van bloedig dons en vegen van uiteenvloeiend
+vuur.
+
+Johannes wachtte, totdat de zonneschijf den gloeienden weg die tot hem
+leidde, aan het verste einde aanraakte.
+
+Toen zag hij neder, en dichtbij was het lichte beeld, dat hij gevolgd
+was. Een vaartuig, klaar en glinsterend als kristal, dreef bij het
+strand op de breede vuurbaan. Aan het eene einde der boot stond
+Windekind's ranke gedaante, met het gouden voorwerp dat blonk in zijn
+hand. Aan het andere einde herkende Johannes den duisteren Dood.
+
+'Windekind! Windekind!' riep Johannes. Doch in denzelfden tijd dat
+Johannes het wondere vaartuig naderde, zag hij naar den horizon. In het
+midden van de lichte ruimte, door de grove, vurige wolken omgeven, zag
+hij een kleine, zwarte gestalte. Zij werd grooter en grooter, langzaam
+naderde een mensch, rustig schrijdend over de woelende, vurige wateren.
+
+De roodgloeiende golven rezen en daalden onder zijn voet, doch kalm en
+rustig kwam hij nader.
+
+Het was een mensch, zijn gelaat was bleek en zijn oog diep en donker.
+Zoo diep als de oogen van Windekind, doch in hun blik was eindeloos
+zachte weemoed, zooals Johannes dien nimmer in andere oogen gezien had.
+
+'Wie zijt gij?' vroeg Johannes. 'Zijt gij een mensch?'
+
+'Ik ben meer!' zeide hij.
+
+'Zijt gij Jezus, zijt gij God?' vroeg Johannes.
+
+'Noem die namen niet,' zeide de gestalte, 'zij waren heilig en rein als
+priestergewaden en kostelijk als voedend koren, doch zij zijn tot draf
+geworden voor de zwijnen en tot narrekleederen voor de dwazen. Noem hen
+niet, want hun zin is tot dwaling, hun wijding tot spot geworden. Wie
+mij kennen wil, werpe die namen weg en luistere naar zichzelven.'
+
+'Ik ken u! ik ken u!' zeide Johannes.
+
+'Ik was het, die u deed weenen om de menschen, terwijl gij uwe tranen
+niet begrijpen kondet. Ik was het, die u deed liefhebben, waar gij uwe
+liefde niet verstondt. Ik ben bij u geweest, en gij hebt mij niet
+gezien, ik heb uwe ziel bewogen en gij hebt mij niet gekend.'
+
+'Waarom zie ik u nu eerst?'
+
+'Vele tranen moeten de oogen verhelderen, die mij zullen zien. En niet
+voor uzelven alleen, maar voor mij moet gij weenen, dan zal ik u
+verschijnen en gij zult mij herkennen als een ouden vriend.'
+
+'Ik ken u. Ik herkende u. Ik wil bij u zijn.'
+
+Johannes strekte de handen uit. Doch de mensch wees op het glinsterende
+vaartuig, dat langzaam voortdreef op den vurigen weg.
+
+'Zie!' zeide hij, 'dat is de weg naar alles wat gij verlangd hebt. Een
+andere is er niet. Zonder die beiden zult ge het niet vinden. Doe nu uwe
+keuze. Daar is het Groote Licht, daar zult gij zelve zijn wat gij
+verlangt te kennen. Daar!' en hij wees naar het donkere Oosten, 'waar de
+menschheid is en haar weedom, daar is mijn weg. Niet het dwaallicht, dat
+gij gedoofd hebt, maar ik zal u begeleiden. Zie nu, gij weet het. Doe
+uwe keuze.'
+
+Toen wendde Johannes langzaam het oog van Windekind's wenkende gestalte
+af en strekte de handen naar den ernstigen mensch. En met zijnen
+begeleider ging hij den killen nachtwind tegemoet, den zwaren weg naar
+de groote, duistere stad, waar de menschheid was en haar weedom.
+
+ * * * * *
+
+Wellicht vertel ik u eenmaal meer van den kleinen Johannes, doch op een
+sprookje zal het dan niet meer gelijken.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's De kleine Johannes, by Frederik van Eeden
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 10819 ***
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..6cbe27f
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #10819 (https://www.gutenberg.org/ebooks/10819)
diff --git a/old/10819-8.txt b/old/10819-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..a133ee4
--- /dev/null
+++ b/old/10819-8.txt
@@ -0,0 +1,5319 @@
+The Project Gutenberg EBook of De kleine Johannes, by Frederik van Eeden
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: De kleine Johannes
+
+Author: Frederik van Eeden
+
+Release Date: January 24, 2004 [EBook #10819]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO Latin-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE KLEINE JOHANNES ***
+
+
+
+
+Produced by Marc D'Hooghe
+
+
+
+
+DE KLEINE JOHANNES
+
+van
+
+FREDERIK VAN EEDEN
+
+
+
+Aan mijn vrouw
+
+
+
+
+I
+
+
+Ik zal u iets van den kleinen Johannes vertellen. Het heeft veel van een
+sprookje, mijn verhaal, maar het is toch alles werkelijk zoo gebeurd.
+Zoodra gij het niet meer gelooft, moet ge niet verder lezen, want dan
+schrijf ik niet voor u. Ook moogt ge er den kleinen Johannes nooit over
+spreken, als ge hem soms ontmoet, want dat zou hem verdriet doen en het
+zou mij spijten, u dit alles verteld te hebben.
+
+Johannes woonde in een oud huis met een grooten tuin. Het was er
+moeilijk den weg te vinden, want in het huis waren veel donkere
+portaaltjes, trappen, kamertjes en ruime rommelzolders, en in den tuin
+waren overal schuttingen en broeikasten. Het was een heele wereld voor
+Johannes. Hij kon er verre tochten in maken en hij gaf namen aan alles
+wat hij ontdekte.
+
+Voor het huis had hij namen uit het dierenrijk: de rupsenzolder, omdat
+hij er rupsen groot bracht; het kippenkamertje, omdat hij daar eens een
+kip gevonden had. Die was er niet van zelve gekomen, maar daar door
+Johannes' moeder te broeien gezet. In den tuin koos hij namen uit het
+plantenrijk, en lette daarbij vooral op de voortbrengselen, die voor hem
+van belang waren. Zoo onderscheidde hij een frambozenberg, een
+dirkjesbosch en een aardbeiëndal. Heel achter was een plekje, dat hij
+het paradijs noemde en daar was het natuurlijk erg heerlijk. Daar was
+een groot water, een vijver, waar witte waterleliën dreven en het riet
+lange fluisterende gesprekken hield met den wind. Aan de overzijde lagen
+de duinen. Het paradijs zelf was een klein grasveldje aan dezen oever,
+omringd door kreupelhout, waartusschen het nachtegaalskruid hoog
+opschoot. Daar lag Johannes dikwijls in het dichte gras en tuurde
+tusschen de schuifelende rietbladen door naar de duintoppen over het
+water. Op warme zomeravonden was hij daar altijd en lag uren te staren,
+zonder zich ooit te vervelen. Hij dacht aan de diepte van het stille,
+heldere water voor zich, hoe gezellig het daar moest zijn, tusschen die
+waterplanten, in dat vreemde schemerlicht, en dan weer aan de verre,
+prachtig gekleurde wolken, die boven de duinen zweefden, wat daar wel
+achter zou zijn en of het heerlijk zou zijn daarheen te kunnen vliegen.
+Als de zon juist was ondergegaan, stapelden de wolken zich daar zóó
+opeen, dat ze den ingang van eene grot schenen te vormen en in de diepte
+van die grot schitterde het dan van zachtrood licht. Dat was wat
+Johannes verlangde. Kon ik daarin vliegen! dacht hij dan. Wat zou daar
+wel achter zijn? Zou ik daar eenmaal, eenmaal kunnen komen ...
+
+Maar hoe dikwijls hij dat wenschte, telkens viel de grot in vale,
+donkere wolkjes uiteen, zonder dat hij er dichter bij konde komen. Dan
+werd het koud en vochtig aan den vijver en hij moest weer zijn donker
+slaapkamertje in het oude huis gaan opzoeken.
+
+Hij woonde daar niet geheel alleen; hij had een vader, die hem goed
+verzorgde, een hond die Presto en een kat die Simon heette. Natuurlijk
+hield hij van zijn vader het meest, maar Presto en Simon achtte hij
+volstrekt niet zooveel beneden hem, als een groot mensch dat zou doen.
+Hij vertrouwde zelfs meer geheimen aan Presto dan aan zijn vader, en
+voor Simon gevoelde hij een eerbiedig ontzag. Nu, dat was geen wonder!
+Simon was een groote kat met glanzig zwart vel en een dikken staart. Men
+kon hem aanzien, dat hij volkomen overtuigd was van zijn eigen grootheid
+en wijsheid. Hij bleef altijd even deftig en voornaam, zelfs als hij
+zich verwaardigde even met een rollende kurk te spelen, of achter een
+boom een vergeten haringkop op te knauwen. Bij de dolle uitgelatenheid
+van Presto kneep hij minachtend de groene oogen toe en dacht: Nu ja! Die
+honden weten niet beter.
+
+Begrijpt ge nu, dat Johannes ontzag voor hem had? Met den kleinen
+bruinen Presto ging hij heel vertrouwelijk om. Het was geen mooi of
+voornaam, maar een bizonder goedig en schrander hondje, dat nimmer
+verder dan twee pas van Johannes weg te krijgen was en geduldig zat te
+luisteren naar de mededeelingen van zijn meester. Ik behoef u niet te
+zeggen, hoeveel Johannes van Presto hield. Maar hij had toch ook heel
+wat ruimte in zijn hart voor anderen over. Vindt ge het vreemd, dat zijn
+donker slaapkamertje met de kleine ruitjes daar ook een groote plaats
+innam? Hij hield van het behangsel met de groote bloemfiguren, waarin
+hij gezichten zag en waarvan hij de vormen zoo dikwijls bestudeerd had,
+als bij ziek was of 's morgens wakker lag, hij hield van het eene
+schilderijtje dat er hing, waarop stijve wandelaars waren afgebeeld, die
+in een nog stijver tuin wandelden langs gladde vijvers, waarin
+hemelhooge fonteinen spoten en kokette zwanen zwommen; het meest hield
+hij echter van de hangklok. Hij wond die altijd met zorg en aandacht op
+en hield het voor een noodzakelijke beleefdheid naar haar te kijken als
+zij sloeg. Dat ging natuurlijk alleen zoolang Johannes niet sliep. Was
+de klok door een verzuim stil blijven staan, dan voelde Johannes zich
+zeer schuldig en vroeg haar duizendmaal vergeving. Gij zoudt misschien
+lachen, als ge hem met zijn kamer in gesprek hoordet. Maar let eens op
+hoe dikwijls gij bij u zelven spreekt. Dat schijnt u in 't geheel niet
+belachelijk. Johannes was bovendien overtuigd, dat zijne hoorders hem
+volkomen begrepen en had geen antwoord noodig. Maar heimelijk wachtte
+hij toch wel eens een antwoord van de klok of het behangsel.
+
+Schoolkameraden had Johannes wel, maar vrienden waren het eigenlijk
+niet. Hij speelde met hen en smeedde samenzweringen op school en vormde
+rooverbenden met hen buiten, maar hij voelde zich eerst recht thuis als
+hij alleen met Presto was. Dan verlangde hij nimmer naar jongens, en
+voelde zich volkomen vrij en veilig.
+
+Zijn vader was een wijs en ernstig man, die Johannes dikwijls medenam op
+lange tochten door wouden en duinen; dan spraken ze weinig en Johannes
+liep tien schreden achter zijn vader, de bloemen groetend, die hij
+tegenkwam en de oude boomen, die zoo altijd op dezelfde plaats moesten
+blijven, vriendelijk met zijn handje langs de ruwe schors strijkend. En
+ruischend dankten hem dan de goedige reuzen.
+
+Soms schreef zijn vader letters in het zand bij het voortgaan, één voor
+één, en Johannes spelde de woorden, die zij vormden en soms ook stond de
+vader stil en leerde Johannes den naam van een plant of dier.
+
+En Johannes vroeg ook dikwijls, want hij zag en hoorde veel raadselachtigs.
+Domme vragen deed hij vaak; hij vroeg waarom de wereld was zooals zij was,
+en waarom dieren en planten dood moesten gaan, en of er wonderen konden
+gebeuren. Maar Johannes' vader was een wijs man en zeide niet alles wat hij
+wist. Dat was goed voor Johannes.
+
+'s Avonds voor dat hij slapen ging, deed Johannes altijd een lang gebed.
+Dat had de kindermeid hem zoo geleerd. Hij bad voor zijn vader en voor
+Presto. Simon had het niet noodig, dacht hij. Hij bad ook heel lang voor
+zichzelven en het slot was meestal de wensch, dat er toch eens een
+wonder mocht gebeuren. En als hij amen gezegd had, keek hij gespannen in
+het half duistere kamertje rond, naar de figuren van het behangsel, die
+nog vreemder schenen in het zwakke schemerlicht, naar den deurknop en
+naar de klok, waar nu het wonder zou beginnen. Maar de klok bleef altijd
+hetzelfde wijsje tikken en de deurknop bewoog zich niet, het werd geheel
+duister en Johannes viel in slaap, zonder dat het wonder gekomen was.
+
+Maar eenmaal zou het gebeuren, dat wist hij.
+
+
+
+
+II
+
+
+Het was warm aan den vijver en doodstil. De zon, rood en afgemat van
+haar dagelijksch werk, scheen een oogenblik op een verren duinrand uit
+te rusten, vóór ze onderdook. Bijna volkomen spiegelde het gladde water
+haar gloeiend aangezicht weer. De over den vijver hangende bladen van
+den beuk maakten van de stilte gebruik om zich eens aandachtig in den
+spiegel te bekijken. De eenzame reiger, die tusschen de breede bladen
+van de waterlelie op één poot stond, vergat dat hij uitgegaan was om
+kikkers te vangen en tuurde in gedachten verzonken langs zijn neus.
+
+Daar kwam Johannes op het grasveldje, om de wolkengrot te zien. Plomp!
+plomp! sprongen de kikvorschen van den kant. De spiegel trok rimpels,
+het zonnebeeld brak in breede strepen en de beukenbladen ritselden
+verstoord, want zij waren nog niet klaar met hun beschouwing.
+
+Vastgebonden aan de naakte wortels van den beuk lag een oude kleine
+boot. Het was Johannes streng verboden daarin te gaan. O, wat was dezen
+avond de verzoeking sterk! Reeds vormden zich de wolken tot een
+ontzaglijke poort, waarachter de zon ter ruste zou gaan. Schitterende
+rijen wolkjes schaarden zich ter zijde als een goudgeharnaste lijfwacht.
+Het watervlak gloeide mede, en roode vonken vlogen als pijlen door het
+oeverriet.
+
+Langzaam maakte Johannes het touw der boot van de beukenwortels los.
+Daar te drijven, midden in de pracht! Presto was reeds in de boot
+gesprongen en eer zijn meester het zelf wilde, schoven de riethalmen
+vaneen en dreven zij beiden weg in de richting van de avondzon. Johannes
+lag op den voorsteven en staarde in de diepte van de lichtgrot. Vleugels!
+dacht hij, nu vleugels! en daarheen!
+
+De zon was verdwenen. De wolken gloeiden door. In het oosten was de
+hemel donkerblauw. Daar stond een rij wilgen langs den oever. Roerloos
+staken zij hun smalle witte blaadjes in de stille lucht. Tegen den
+donkeren achtergrond scheen dat prachtig bleekgroen kantwerk.
+
+Stil! wat was dat? Het schoot als een suizeling over het watervlak, als
+een lichte windvlaag, die een spitse vore in het water groeft. Het kwam
+van de duinen, van de wolkgrot.
+
+Toen Johannes omzag, zat een groote blauwe waterjuffer op den rand der
+boot. Zoo groot had hij er nog nimmer een gezien. Zij zat stil, maar
+haar vleugels bleven in een wijden cirkel trillen. Het scheen Johannes,
+dat de punten van haar vleugels een lichtenden ring vormden.
+
+Dat moet een vuurvlinder zijn, dacht hij, die zijn heel zeldzaam.
+
+Doch de ring werd grooter en grooter en de vleugels trilden zoo snel,
+dat Johannes niet meer dan een nevel zag. En langzamerhand zag hij uit
+dien nevel twee donkere oogen schitteren, en een lichte, ranke gestalte,
+in een teederblauw kleedje, zat op de plaats van de libel. In het blonde
+haar was een krans van witte winden en aan de schouders gazen
+haftvleugels, die als een zeepbel in duizend kleuren schitterden.
+
+Een huivering van geluk doortintelde Johannes. Dát was een wonder!
+
+'Wilt ge mijn vriend zijn?' fluisterde hij.
+
+Dat was wel een zonderlinge wijze om een vreemde aan te spreken, maar
+het ging hier niet gewoon toe. En hij had een gevoel, alsof hij het
+vreemde, blauwe wezen al lang kende. 'Ja Johannes!' hoorde hij en de
+stem klonk als het schuifelen van het riet in den avondwind of het
+ruischen van den regen op de bladen in het bosch.
+
+'Hoe moet ik u noemen?' vroeg Johannes.
+
+'Ik ben geboren in den kelk eener winde. Noem mij Windekind!'
+
+En Windekind lachte en staarde Johannes zoo vertrouwelijk in de oogen,
+dat het hem wonderbaar zalig te moede werd. 'Het is vandaag mijn
+verjaardag,' zeide Windekind, 'ik ben hier in den omtrek geboren, uit de
+eerste stralen der maan en de laatste der zon. Men zegt wel dat de zon
+vrouwelijk is. Dat is niet waar. Hij is mijn vader.'
+
+Johannes nam zich voor, morgen op school van _den_ zon te spreken. 'En
+kijk! daar komt het ronde, blanke gezicht van mijne moeder al te
+voorschijn. Dag moeder! O, o, wat kijkt zij weer goedig en bedrukt!'
+
+Hij wees naar de Oosterkimmen. Groot en glanzig rees daar de maan aan
+den grauwen hemel, achter het kantwerk der wilgen, dat zwart tegen de
+lichte schijf afstak. Zij zette werkelijk een zeer pijnlijk gezicht.
+
+'Kom! kom! moeder! het is niets. Ik kan hem immers vertrouwen!'
+
+Het schoone wezen trilde vroolijk met de gazen vleugels en tikte
+Johannes met de Irisbloem, die hij in de hand had, op de wang. 'Zij
+vindt het niet goed dat ik bij u gekomen ben. Gij zijt de eerste. Maar
+ik vertrouw u, Johannes. Gij moogt nooit, nooit aan een mensch mijn naam
+noemen of over mij spreken. Belooft gij dat?'
+
+'Ja, Windekind,' zei Johannes. Het was hem nog zoo vreemd. Hij voelde
+zich onuitsprekelijk gelukkig maar vreesde zijn geluk te verliezen.
+Droomde hij? Naast hem op de bank lag Presto kalm te slapen. De warme
+adem van zijn hondje stelde hem gerust. De muggen krioelden op het
+watervlak en dansten in de zoele lucht, evenals gewoonlijk. Het was
+alles zoo klaar en duidelijk om hem heen. Het moest waarheid zijn. En
+altijd voelde hij dat Windekinds vertrouwelijke blik op hem rustte.
+
+Daar klonk weer de zoet-ruischende stem:
+
+'Ik heb u vaak hier gezien, Johannes. Weet ge waar ik was? Soms zat ik
+op den zandgrond van den vijver tusschen de dichte waterplanten en zag
+naar u op, als ge over het water heenboogt, om te drinken of om de
+watertorren en salamanders te bekijken. Maar mij zelven zaagt gij nooit.
+Dikwijls ook keek ik naar u uit het dichte riet. Daar ben ik heel veel.
+Daar slaap ik meestal, als het warm is. In een leeg karkietennest. Ja!
+dat is heel zacht.'
+
+Windekind wiegde vergenoegd op den rand van de boot en sloeg met zijn
+bloem naar de muggen.
+
+'Nu kom ik u wat gezelschap houden. Het is anders zoo eentonig, uw
+leven. Wij zullen goede vrienden zijn en ik zal u veel vertellen. Veel
+beter dingen dan de schoolmeesters u wijs maken. Die weten er volstrekt
+niets van. En als gij mij niet gelooft, zal ik u zelven laten zien en
+hooren. Ik zal u meenemen.'
+
+'O, Windekind! lieve Windekind! kunt gij mij daarheen medenemen?' riep
+Johannes, en wees naar den kant, waar zooeven het purper licht van de
+ondergaande zon uit de gouden wolkenpoort gestraald had. Reeds ging het
+heerlijk gevaarte in grijze nevelen vervloeien. Toch drong de bleekroode
+glans nog uit de verste diepte te voorschijn. Windekind staarde in het
+licht, dat zijn fijn gezichtje en zijn blonde haren verguldde, en
+schudde zachtkens het hoofd. 'Nu niet! nu niet! Johannes. Ge moet niet
+dadelijk te veel vragen. Ik zelve ben nooit nog bij Vader geweest.'
+
+'Ik ben altijd bij mijn vader,' zeide Johannes.
+
+'Neen! dat is uw vader niet. Wij zijn broeders, mijn Vader is ook de
+uwe. Maar uw moeder is de aarde en daarom verschillen wij veel. Ook zijt
+ge in een huis bij menschen geboren en ik in een windekelk. Dat laatste
+is stellig beter. Maar wij zullen het toch goed samen vinden!'
+
+Toen sprong Windekind luchtig op de zijde van de boot, die niet bewoog
+onder dien last, en kuste Johannes op het voorhoofd.
+
+Wat was dat een vreemde gewaarwording voor Johannes! Het was of alles om
+hem heen veranderde.
+
+Hij zag alles nu veel beter en juister, dacht hij. Hij zag hoe de maan
+nu veel vriendelijker keek, en hij zag, dat de waterlelies gezichten
+hadden, waarmede zij hem verwonderd en peinzend aanstaarden.
+
+Hij begreep nu op eens, waarom de muggen zoo vroolijk op en neer dansten,
+altijd om elkaar heen, op en neer, tot ze met hun lange beenen het water
+raakten. Hij had er wel eens aan gedacht, maar nu begreep hij het van zelf.
+
+Hij hoorde ook wat het riet fluisterde en hoe de boomen aan den oever
+zachtjes klaagden, dat de zon was ondergegaan.
+
+'O, Windekind! ik dank u, dat is heerlijk. Ja, wij zullen het wel goed
+samen vinden!'
+
+'Geef mij een hand,' zei Windekind, en sloeg de veelkleurige vleugels
+uit. Toen trok hij Johannes in de boot voort over het water, door de
+plompebladen, die in het maanlicht glinsterden.
+
+Hier en daar zat een kikvorsch op een blad. Maar nu sprong hij niet in
+'t water als Johannes kwam. Hij maakte alleen een kleine buiging en
+zeide: 'Kwak!' Johannes boog beleefd terug, hij wilde zich vooral niet
+ingebeeld toonen.
+
+Daar kwamen zij aan het riet, dat was breed en de geheele boot verdween
+er in, zonder dat zij het land bereikten. Maar Johannes vatte zijn
+geleider stevig vast en toen klauterden zij tusschen de hooge halmen
+aan land.
+
+Johannes meende wel, dat hij kleiner en lichter was geworden, maar dat
+was misschien verbeelding. Toch herinnerde hij zich niet dat hij ooit
+tegen een riethalm had kunnen opklimmen.
+
+'Let nu goed op,' zei Windekind, 'nu zult ge iets aardigs zien.'
+
+Zij wandelden tusschen het hooge gras onder donker kreupelhout, dat hier
+en daar een smal, glanzig straaltje van het maanlicht doorliet.
+
+'Hebt ge 's avonds de krekels wel eens gehoord, Johannes, in de duinen?
+Het lijkt of zij een concert maken niet waar? en ge kunt nooit hooren,
+waar het geluid vandaan komt. Nu, zij zingen nooit voor hun pleizier,
+maar dat geluid komt van de krekelschool, waar honderd krekeltjes hun
+lessen van buiten leeren. Wees nu stil, want wij zijn er haast.'
+
+Shrrr! Shrrr!
+
+Het kreupelhout werd minder dicht, en toen Windekind met zijn bloem de
+grashalmen uiteen schoof, zag Johannes een helder verlicht open plekje,
+waar de krekeltjes bezig waren tusschen het dunne, spichtige duingras
+hun lessen te leeren.
+
+Shrrr! Shrrr!
+
+Een groote, dikke krekel was meester en overhoorde. Eén voor één
+sprongen de leerlingen naar hem toe, altijd met één sprong heen en één
+sprong weer naar hun plaats terug. Wie mis sprong moest op een
+paddestoel te pronk staan.
+
+'Luister goed Johannes! dan kunt ge misschien óók wat leeren,' zei
+Windekind.
+
+Johannes verstond zeer goed wat de krekeltjes antwoordden. Maar het leek
+niets op wat de meester op zijn school vertelde. Eerst kwam geographie.
+Van de werelddeelen wisten zij niets. Zij moesten alleen 26 duinen
+kennen en twee vijvers. Van hetgeen verder was kon niemand iets weten,
+zei de meester, en wat er van verteld werd, was ijdele fantasie.
+
+Toen kwam de botanie aan de beurt. Daarin waren ze allen erg knap en
+werden veel prijzen uitgedeeld, uitgezochte jonge en malsche
+grashalmpjes van verschillende lengte.
+
+Maar de zoölogie verbaasde Johannes het meest. De dieren werden verdeeld
+in springende, vliegende en kruipende. De krekels konden springen en
+vliegen en stonden dus bovenaan, dan volgden de kikvorschen. Vogels
+werden met alle teekenen van afschuw hoogst schadelijk en gevaarlijk
+genoemd. Eindelijk werd ook de mensch besproken. Het was een groot,
+nutteloos en schadelijk dier, dat zeer laag stond, daar het vliegen noch
+springen kon, maar dat gelukkig zeldzaam was. Een klein krekeltje, dat
+nog nooit een mensch gezien had, kreeg drie slagen met een rietje, omdat
+hij den mensch bij vergissing onder de onschadelijke dieren telde.
+
+Zoo iets had Johannes nog nooit gehoord.
+
+Toen riep de meester op eens: 'Stilte! springoefening!' Dadelijk hielden
+alle krekeltjes op met lessen leeren en begonnen op heel kunstige en
+bedrijvige wijze haasje-over te spelen. De dikke meester het eerst.
+
+Dat was zulk een vroolijk gezicht, dat Johannes in de handen klapte van
+pret. Op dat geluid stoof de heele school in een oogenblik het duin in
+en werd het doodstil op het grasveldje.
+
+'Ja, dat komt er van, Johannes. Ge moet u niet zoo lomp gedragen! Men
+kan toch wel merken, dat gij bij menschen geboren zijt!'
+
+'Het spijt mij, ik zal mijn best doen. Maar het was ook zoo aardig!'
+
+'Het wordt nog veel aardiger,' zei Windekind.
+
+Zij staken het grasveldje over en bestegen de duin aan de andere zijde.
+Oef! dat was zwoegen in het dikke zand; maar toen Johannes Windekind bij
+het lichte blauwe kleedje greep, vloog hij er vlug en luchtig tegen op.
+Halverwege den top was een konijnenhol.
+
+Het konijntje, dat er thuis hoorde, lag met kop en voorpooten uit den
+ingang. De duinrozen bloeiden nog en haar fijne, zachte geur mengde zich
+met dien van het thijmkruid, dat op den duintop groeide.
+
+Johannes had dikwijls konijntjes in hun hol zien verdwijnen en dan
+gedacht: hoe zou het daarbinnen uitzien? Hoeveel zouden er daar wel bij
+elkaar zitten en zouden zij het niet benauwd hebben?
+
+Hij was dan ook zeer verheugd, toen hij zijn metgezel aan het konijntje
+hoorde vragen of zij het hol eens mochten bezien. 'Wat mij betreft,
+wel!' zeide het konijntje. 'Maar het treft ongelukkig, dat ik van avond
+juist mijn hol heb afgestaan voor het geven van een weldadigheidsfeest,
+en dus eigenlijk geen baas ben in mijn huis.'
+
+'Ei! Ei! is er een ongeluk gebeurd?'
+
+'Ach ja!' zei het konijntje weemoedig: 'Een groote ramp! Wij komen het
+in geen jaren te boven. Een duizend sprongen hier vandaan is een
+menschenhuis gebouwd, zoo groot! zoo groot!--En er zijn menschen komen
+wonen met honden. Er zijn wel zeven leden van mijn familie bij omgekomen
+en nog driemaal zooveel van hol beroofd. En het is met het geslacht Muis
+en de familie Mol nog erger gegaan. Ook de Padden hebben zwaar geleden.
+Nu hebben wij een feest op touw gezet voor de nagelaten betrekkingen.
+Ieder doet het zijne, ik geef mijn hol. Men moet wat over hebben voor
+zijne medeschepselen.'
+
+Het meewarige konijntje zuchtte en haalde met den rechter voorpoot het
+lange oor over zijn kopje, om er een traan mede uit het oog te wisschen.
+Dat was zoo zijn zakdoek.
+
+Daar ritselde iets in het helm en een dikke, logge gedaante kwam op het
+hol toe scharrelen.
+
+'Kijk!' riep Windekind, 'daar komt vader Pad ook al aangehuppeld. Wel!
+wel! durft ge nog zoo laat op 't pad, Pad!'
+
+De Pad nam geen notitie van de scherts. Aardigheden op zijn naam
+verveelden hem al lang. Bedaard legde hij een volle korenaar, netjes in
+een droog blad gewikkeld, bij den ingang neer en klom behendig over den
+rug van het konijntje in het hol. 'Mogen wij binnengaan?' zeide Johannes,
+die erg nieuwsgierig was. 'Ik zal ook wat geven.'
+
+Hij herinnerde zich dat hij in zijn zak nog een beschuitje had. Een rond
+beschuitje van Huntley en Palmers. Toen hij het te voorschijn haalde,
+bemerkte hij eerst hoe klein hij geworden was. Hij kon het nauwelijks
+met twee handen tillen en begreep niet hoe het nog in zijn broekzak
+gezeten had. 'Dat is zeer kostbaar en zeldzaam!' riep het konijntje.
+'Dat is een kostbaar geschenk!'
+
+Eerbiedig liet het aan beiden den toegang vrij. Het was donker in het
+hol en Johannes liet Windekind maar vóórgaan. Spoedig zagen zij een
+bleekgroen lichtje naderen. Het was een glimworm, die welwillend aanbood
+hen voor te lichten.
+
+'Het belooft een genoeglijke avond te worden,' zeide de glimworm onder
+'t voortgaan. 'Er zijn al veel gasten. Gij zijt elfen, naar mij
+toeschijnt, niet waar?' De glimworm keek daarbij eenigszins wantrouwend
+naar Johannes.
+
+'Gij kunt ons als elfen aandienen,' antwoordde Windekind.
+
+'Weet ge dat uw koning van de partij is?' ging de glimworm voort.
+
+'Is Oberon hier? Wel dat doet mij recht veel genoegen,' riep Windekind,
+'ik ken hem persoonlijk.'
+
+'O?' zeide de glimworm, 'ik wist niet dat ik de eer had ...' en zijn
+lichtje ging bijna uit van schrik. 'Ja Z.M. houdt gewoonlijk meer van de
+buitenlucht, maar voor een liefdadig doel is hij altijd te vinden. Het
+zal wel een luisterrijk feest zijn.'
+
+Dat was het inderdaad. De groote zaal in het konijnenhol was prachtig
+versierd. De vloer was platgetreden en met geurig thijm bestrooid; dwars
+voor den ingang hing een vleermuis aan de achterpooten. Deze riep de
+namen der gasten af en diende tevens als gordijn, dat was een
+zuinigheidsmaatregel. De wanden der zaal waren smaakvol gedecoreerd met
+dorre bladen, spinnewebben en kleine hangende vleermuisjes. Tallooze
+glimwormen kropen daartusschen en over de zoldering rond, en vormden een
+alleraardigste beweeglijke verlichting. Er was aan 't eind der zaal een
+troon gebouwd van stukjes vermolmd hout, die licht gaven. Dat was een
+mooi gezicht!
+
+Er waren veel gasten. Johannes voelde zich maar half thuis in de vreemde
+menigte en drong dicht tegen Windekind aan. Hij zag er vreemde dingen.
+Een mol sprak druk met een veldmuis over de fraaie verlichting en de
+decoratie. In een hoekje zaten twee dikke padden hoofdschuddend tegen
+elkaar te jammeren over het aanhoudend droge weer. Een kikvorsch poogde
+gearmd met een hagedis een wandeling door de zaal te maken, wat hem
+slecht afging, daar hij verlegen en gejaagd was en telkens te ver
+sprong, waarbij hij soms de wandversiering danig in wanorde bracht.
+
+Op den troon zat Oberon, de elfenkoning, omringd door een klein gevolg
+elfen, die eenigszins minachtend op de omgeving neerzagen. De koning
+zelf was naar vorstenwijze allerminzaamst en onderhield zich vriendelijk
+met verschillende gasten. Hij kwam van een reis uit het Oosten en had
+een vreemd gewaad van schitterend gekleurde bloembladen aan. Zulke
+bloemen groeien hier niet, dacht Johannes. Op het hoofd droeg hij een
+donkerblauw bloemkelkje, dat nog een frisschen geur verspreidde, als was
+het zooeven geplukt. In de hand hield hij den meeldraad van een
+lotosbloem als koningsstaf.
+
+Alle aanwezigen waren vol stillen lof over zijn goedheid. Hij had het
+maanlicht in de duinen geroemd en gezegd dat de glimwormen hier bijna
+even schoon waren als de Oostersche vuurvliegen. Ook had hij met
+genoegen naar de wandversiering gekeken en een mol had zelfs opgemerkt,
+dat hij goedkeurend met het hoofd had geknikt.
+
+'Ga mede,' zei Windekind tot Johannes, 'ik zal u voorstellen.' En zij
+drongen tot aan 's konings zitplaats door.
+
+Oberon spreidde de armen vol vreugde uit, toen hij Windekind herkende en
+kuste hem. Dit gaf een gefluister onder de gasten en afgunstige blikken
+van het elfengevolg. De twee dikke padden in den hoek mompelden samen
+iets van 'vleiers' en 'kruipen' en 'niet lang duren'; toen knikten ze
+elkaar veelbeteekenend toe.
+
+Windekind sprak lang in een vreemde taal tot Oberon en wenkte toen
+Johannes om dichterbij te komen.
+
+'Geef mij de hand, Johannes!' zei de koning. 'Windekind's vrienden zijn
+de mijne. Waar ik kan, zal ik u bijstaan. Ik zal u een teeken van ons
+verbond geven.' Oberon maakte van zijn halsketen een klein gouden
+sleuteltje los en gaf dat aan Johannes, die het vol eerbied aannam en
+vast in zijne hand sloot. 'Dat sleuteltje kan uw geluk zijn,' ging de
+koning voort. 'Het past op een gouden kistje dat kostbare schatten
+bevat. Maar wie dat heeft, kan ik u niet zeggen. Gij moet maar ijverig
+zoeken. Als gij goede vrienden met mij en Windekind blijft en
+standvastig en trouw zijt, zal het u wel gelukken.' De elfenkoning
+knikte daarbij hartelijk met het schoone hoofdje en overgelukkig dankte
+Johannes hem.
+
+Daar begonnen drie kikkers, op eene kleine verhevenheid van vochtig mos
+gezeten, de inleiding tot een langzame wals te zingen en er vormden zich
+paartjes. De niet dansenden werden door een groen hagedisje, dat als
+ceremoniemeester werkzaam was en schutterig heen en weer vloog, naar de
+kanten gedrongen, tot groote ergernis van de twee padden, die klaagden
+dat zij niets konden zien, en daarna begon de dans.
+
+Dat was eerst grappig. Ieder danste op zijn eigen manier en verbeeldde
+zich natuurlijk, dat hij het veel beter deed dan de anderen. De muizen
+en kikvorschen sprongen hoog op hun achterste pooten, een oude rat
+draaide zoo woest, dat alle dansers voor hem op zij weken, en ook een
+vette boomslak waagde een toertje met een mol, maar gaf het spoedig op,
+onder voorwendsel dat ze er een steek van in de zij kreeg, de ware reden
+was, dat ze het niet best kon.
+
+Het ging echter zeer ernstig en plechtig toe. Men maakte er een
+gewetenszaak van, en gluurde angstig naar den koning om een teeken van
+goedkeuring op zijn gelaat te zien. Maar de koning was bang om
+ontevredenen te maken en keek zeer strak. Zijn gevolg rekende het
+beneden hunne danskunst mede te doen.
+
+Johannes had zich bij dien ernst lang goed gehouden. Doch toen hij een
+klein padje zag rondzwieren met een lange hagedis, die het ongelukkige
+padje soms hoog boven den grond tilde en een halven cirkel in de lucht
+liet beschrijven, barstte zijn vroolijkheid in een schaterlachen uit.
+
+Dat gaf opschudding. De muziek zweeg. De koning keek verstoord om. De
+ceremoniemeester vloog in volle vaart op den lacher toe en verzocht hem
+dringend zich wat gepaster te gedragen. 'Dansen is een ernstige zaak,'
+zeide hij, 'en volstrekt geen bezigheid om uit te lachen. Het is hier
+een deftig gezelschap, waar men niet zoo maar voor de grap danst. Ieder
+deed zijn best en niemand verlangde uitgelachen te worden. Dat is een
+grofheid. Men is hier bovendien op een treurfeest om droevige redenen.
+Men moet zich hier fatsoenlijk gedragen en niet handelen, alsof men bij
+menschen was!'
+
+Daar verschrikte Johannes van. Overal zag hij vijandige blikken. Zijn
+vertrouwelijkheid met den koning had hem vele vijanden bezorgd.
+
+Windekind trok hem ter zijde:
+
+'Het is maar beter, dat wij weggaan, Johannes!' fluisterde hij, 'gij
+hebt het weer verkorven. Ja! Ja! dat komt er van, als men bij menschen
+is opgevoed!'
+
+Haastig glipten zij onder de vleugels van den vleermuisportier door en
+kwamen in de duistere gang. De beleefde glimworm wachtte hen op.
+
+'Hebt gij u goed geamuseerd?' vroeg hij. 'Hebt gij koning Oberon
+gesproken!'
+
+'O ja! het was een vroolijk feest,' zei Johannes, 'moet gij hier altijd
+in de donkere gang blijven?'
+
+'Dat is eigen vrije keuze,' zeide de glimworm op weemoedig bitteren
+toon. 'Ik houd niet meer van die ijdelheden.'
+
+'Kom,' zeide Windekind, 'dat meent gij niet.'
+
+'Het is zooals ik zeg. Vroeger,--vroeger was er een tijd dat ik ook naar
+feesten ging en danste en mij met zulke beuzelingen ophield. Maar nu ben
+ik door het lijden gelouterd, nu ...'
+
+En hij werd zoo geroerd, dat zijn lichtje weder uitging. Gelukkig waren
+zij dicht bij den uitgang en het konijntje, dat hen hoorde aankomen,
+ging een weinig op zijde, zoodat het maanlicht naar binnen scheen.
+
+Zoodra zij bij het konijntje buiten waren, zeide Johannes: 'Vertel ons
+uwe geschiedenis eens, glimworm!'
+
+'Ach!' zuchtte de glimworm, 'die is eenvoudig en droevig. Zij zal u niet
+vermaken.'
+
+'Vertel haar, vertel haar toch maar,' riepen allen.
+
+'Nu: gij weet dan toch allen wel, dat wij glimwormen zeer bijzondere
+wezens zijn. Ja, ik geloof dat niemand zou durven tegenspreken, dat wij
+glimwormen het hoogst begaafd zijn van al wat leeft.'
+
+'Waarom? dat weet ik niet,' zeide het konijntje.
+
+Met minachting vroeg de glimworm toen: 'Kunt gij licht geven?' 'Neen!
+dat nu wel niet,' moest het konijntje bekennen.
+
+'Nu, _wij_ geven licht! Allen! En wij kunnen het laten schijnen of
+verdooven naar willekeur. Licht is de beste gave der natuur, en licht
+geven het hoogste, waartoe een levend wezen komen kan. Zou iemand nog
+onzen voorrang willen betwisten! Wij mannetjes hebben bovendien vleugels
+en kunnen mijlen ver vliegen.'
+
+'Dat kan ik ook niet,' bekende het konijntje nederig.
+
+'Door de goddelijke gave des lichts, die wij hebben,' ging de glimworm
+voort, 'ontzien ons ook andere dieren, geen vogel zal ons aanvallen.
+Alleen één dier, het laagste onder allen, zoekt ons en neemt ons mede.
+Dat is de mensch, het verfoeilijkst gedrocht der schepping.'
+
+Johannes keek Windekind aan bij dezen uitval, als begreep hij het niet.
+Doch Windekind glimlachte en wenkte hem te zwijgen. 'Eens vloog ik
+vroolijk rond, als een helder dwaallicht tusschen de donkere heesters.
+En op een eenzaam, vochtig grasveldje, aan den oever van een sloot, daar
+woonde zij, wier bestaan onafscheidelijk aan mijn geluk was verbonden.
+Schoon schitterde zij in bleeken smaragd-glans, als zij tusschen de
+glanshalmen rondkroop en machtig bekoorde zij mijn jong hart. Ik vloog
+om haar heen en deed mijn best door verwisseling van glans hare aandacht
+te trekken. Dankbaar zag ik, hoe zij mijn groet bespeurde en zedig haar
+lichtje verduisterde. Sidderend van aandoening was ik op het punt mijn
+vleugels samen te vouwen en in verrukking bij mijne stralende geliefde
+neer te zinken, toen een ontzaglijk geluid de lucht vervulde. Donkere
+gestalten naderden. Het waren menschen. Ik nam verschrikt de vlucht.
+Zij joegen mij na, en sloegen naar mij met groote, zwarte dingen. Doch
+sneller dan hun logge beenen droegen mij mijne vleugels.' 'Toen ik
+terug kwam ...'
+
+Hier begaf den verhaler de stem. Eerst na een oogenblik van stille
+aandoening, waarin de drie hoorders eerbiedig zwegen,--ging hij voort:
+
+'Gij kunt het reeds vermoeden. Mijn teedere bruid,--de glansrijkste en
+schitterendste onder allen, zij was verdwenen, medegesleept door den
+boosaardigen mensch. Het stille, vochtige grasveldje was vertrapt en
+haar geliefd plekje aan de sloot was duister en ledig. Ik was alleen op
+de wereld.'
+
+Hier haalde het gevoelige konijntje wederom een oor naar beneden om een
+traan uit het oog te wisschen.
+
+'Sinds dien tijd ben ik veranderd. Ik heb een walg van alle ijdele
+vermaken. Ik denk alleen aan haar, die ik verloren heb en aan den tijd
+dat ik haar zal wederzien.'
+
+'Zoo! hebt ge daar nog hoop op?' vroeg het konijntje verheugd. 'Ik heb
+meer dan hoop, ik heb zekerheid. Daarboven zal ik mijne geliefde
+wederzien.'
+
+'Maar ...' wilde het konijntje inbrengen.
+
+'Konijn!' zeide de glimworm ernstig, 'ik kan mij begrijpen, dat iemand
+twijfelt, die in het duister moet rondtasten. Maar wanneer men kan zien,
+met eigen oogen zien? dan is elke onzekerheid mij een raadsel. Daar!'
+zeide het glimwormpje en keek vol eerbied naar den van sterren
+fonkelenden hemel. 'Daar zie ik hen! al mijn vaderen, al mijn vrienden
+en ook haar, duidelijk stralen, in nog heerlijker glans dan hier op
+aarde. Ach! wanneer zal ik mij uit dit lage leven kunnen opheffen, en
+tot haar vliegen, die mij lonkend wenkt? Ach! wanneer? wanneer?'
+
+Zuchtend verliet het glimwormpje zijne toehoorders en kroop weder in het
+donkere hol.
+
+'Arm schepsel!'zeide het konijntje, 'ik hoop dat hij gelijk heeft.'
+
+'Ik hoop het ook,' voegde Johannes er bij.
+
+'Ik vrees er voor,' zeide Windekind, 'maar het was zeer aandoenlijk.'
+
+'Lieve Windekind,' begon Johannes, 'ik ben heel moe en heb slaap.'
+
+'Kom dan naast mij, ik zal u met mijn mantel toedekken.'
+
+Windekind nam zijn blauwe manteltje en spreidde dat over Johannes en
+zichzelven uit. Zoo legden zij zich neer, in het geurige mos op de
+duinhelling, de armen om elkanders hals geslagen.
+
+'Uwe hoofden liggen wat laag,' riep het konijntje, 'wilt ge die tegen
+mij laten rusten?'
+
+Dat deden zij.
+
+'Nacht moeder!' zeide Windekind tot de maan.
+
+Toen sloot Johannes zijn gouden sleuteltje vast in de hand, vlijde zijn
+hoofd tegen het donzige vel van het goede konijntje en sliep rustig in.
+
+
+
+
+III
+
+
+Waar is hij dan, Presto? Waar is het kleine baasje dan? Welk een schrik,
+wakker te worden in de boot, in het riet--geheel alleen, de baas
+spoorloos verdwenen. Het was om angstig van te worden.
+
+En loop je hem nu al zoolang te zoeken, onder voortdurend zenuwachtig
+piepen? Arme Presto! Hoe kon je ook zoo vast slapen en niet merken dat
+de baas uit de boot ging? Anders word je dadelijk wakker, zoodra hij
+eenige beweging maakt.
+
+Nauwelijks kon je herkennen, waar de baas aan land was gegaan en hier in
+de duinen ben je nu het spoor geheel bijster geraakt. Het ijverig
+snuffelen hielp niet. Welk een wanhoop! de baas weg! spoorloos weg! Zoek
+dan Presto, zoek hem dan!
+
+Wacht! daar recht voor je, tegen die duinhelling, ligt daar niet een
+kleine donkere gedaante? zie eens goed!
+
+Een oogenblik staat het hondje onbeweeglijk, en ziet ingespannen in de
+verte. Dan strekt het op eens den kop vooruit en holt, vliegt met al de
+kracht van zijn vier dunne pootjes, naar dat donkere plekje op de
+duinhelling.
+
+Maar toen dat werkelijk het zoo smartelijk vermiste baasje bleek te
+zijn, toen vond hij alle pogingen nog ontoereikend om zijn gansche
+blijdschap en dankbaarheid uit te drukken. Hij kwispelde, verdraaide
+zijn geheele lijfje, sprong, jankte, blafte en duwde zijn kouden neus
+den lang gezochte likkend en snuffelend in 't gezicht.
+
+'Koest, Presto, in je mand!' riep Johannes half slapend.
+
+Hoe dom van den baas! Er is geen mand in de buurt, zoover men zien kan.
+
+Langzaam begon de schemering te dagen in de ziel van den kleinen slaper.
+Het snuffelen van Presto, dat was hij iederen morgen zoo gewoon. Maar
+voor zijn geest hingen nog lichte droombeelden van elfen en maneschijn,
+als morgennevelen om een duinlandschap. Hij vreesde dat de kille adem
+van den ochtend die zou verjagen. 'Oogen toehouden,' dacht hij, 'anders
+zie ik de klok en het behangsel weer, als altijd!'
+
+Maar hij lag vreemd. Hij voelde, dat hij geen deken had. Langzaam en
+voorzichtig opende hij de oogleden op een kier.
+
+Helder licht. Blauwe hemel. Wolken.
+
+Toen opende Johannes de oogen wagenwijd en zeide: 'Is het dan toch
+waar?'
+
+Ja, hij lag midden in het duin. Vroolijke zonneschijn verwarmde hem,
+frissche morgenlucht ademde hij in, een fijne nevel omgaf de bosschen in
+'t verschiet. Hij zag alleen den hoogen beuk bij den vijver en het dak
+van zijn huis, dat uitstak boven het groen. Bijen en kevers gonsden om
+hem heen, boven hem zong de stijgende leeuwerik, in de verte klonk
+hondengeblaf en het gerucht der verwijderde stad. Het was alles klare
+werkelijkheid.
+
+Maar wat had hij gedroomd en wat niet? Waar was Windekind? en het
+konijntje?
+
+Hij zag geen van beiden. Alleen Presto zat zoo dicht mogelijk bij hem en
+keek hem in afwachting aan.
+
+'Zou ik aan 't slaapwandelen geweest zijn?' prevelde Johannes zacht.
+
+Naast hem was een konijnenhol. Maar zoo waren er zooveel in 't duin. Hij
+richtte zich op om het goed te bezien. Wat voelde hij daar in de nog
+vastgesloten hand?
+
+Een tinteling liep van de kruin van zijn hoofd tot zijn voeten, toen hij
+de hand opende. Daar schitterde een klein gouden sleuteltje.
+
+Een tijd lang zat hij sprakeloos.
+
+'Presto! zeide hij toen, terwijl de tranen hem in de oogen kwamen.
+'Presto, het is _toch_ waar!'
+
+Presto sprong op en trachtte door blaffen zijnen meester aan 't verstand
+te brengen, dat hij honger had en naar huis wilde.
+
+Naar huis? Ja! daaraan had Johannes niet gedacht en hij had er weinig
+zin in. Maar spoedig hoorde hij door verschillende stemmen zijn naam
+roepen. Toen begon hij te begrijpen, dat zijn gedrag volstrekt niet
+braaf en fatsoenlijk zoude gevonden worden en dat hem lang geen
+vriendelijke woorden te wachten stonden.
+
+Een oogenblik scheelde het weinig, of zijn vreugdetranen waren in één
+moeite door, tranen van angst en berouw geworden. Maar toen dacht hij
+aan Windekind, die nu zijn vriend was, zijn vriend en vertrouweling, aan
+het geschenk van den elfenkoning en aan die heerlijke, onbetwistbare
+waarheid van al het gebeurde en hij zocht kalm en op alles voorbereid
+den weg naar huis op.
+
+De ontmoeting viel niet mede. Zoo erg had hij zich de onrust en vrees
+van zijn huisgenooten niet voorgesteld. Hij moest plechtig beloven,
+nimmer meer zoo ondeugend en onvoorzichtig te zijn.
+
+'Dat kan ik niet,' zeide hij vastberaden. Daar zag men vreemd van op.
+Hij werd ondervraagd, gesmeekt, bedreigd. Maar hij dacht aan Windekind
+en hield vol.
+
+Wat konden hem straffen schelen als hij Windekind's vriendschap maar
+behield en wat zou hij niet voor Windekind willen lijden! Vast klemde
+hij het sleuteltje aan zijn borst en de lippen opeen, terwijl hij iedere
+vraag met schouderophalen beantwoordde. 'Ik kan niets beloven,' zei
+hij weer.
+
+Doch zijn vader zeide: 'Laat hem nu maar met vrede, het is hem ernst. Er
+moet iets bijzonders met hem gebeurd zijn. Eens zal hij het ons wel
+vertellen.'
+
+Johannes glimlachte, at zwijgend zijn boterham en sloop naar zijn
+kamertje. Daar sneed hij een stuk van het gordijnkoord af, deed er het
+kostbare sleuteltje aan en hing het zich om den hals op de bloote borst.
+Toen ging hij getroost naar school.
+
+Het ging zeer slecht dien dag op school. Hij kende zijn lessen geen van
+alle en lette volstrekt niet op. Voortdurend vlogen zijn gedachten naar
+den vijver en naar de wonderbare gebeurtenissen van den vorigen avond.
+Hij kon het zich nauwelijks denken, dat een vriend van den elfenkoning
+nu weer verplicht zou zijn, sommen te maken en werkwoorden te vervoegen.
+Maar het was toch alles waar geweest, en niemand om hem heen wist er
+iets van of zou het kunnen gelooven of begrijpen, zelfs de meester niet,
+hoe barsch hij ook keek en hoe minachtend hij Johannes ook een luien
+rekel noemde. Blijmoedig verdroeg hij de kwade aanteekening en maakte
+hij het strafwerk, dat zijn verstrooidheid hem op den hals haalde.
+
+'Zij hebben er toch geen van allen begrip van. Zij mogen mij uitschelden,
+zooveel zij willen. Ik blijf Windekind's vriend, en Windekind is mij meer
+waard dan zij allemaal te zamen. Ja, met den meester er bij.'
+
+Dat was niet eerbiedig van Johannes. Maar zijn achting voor zijn
+medemenschen was, na al het kwaad dat hij er den vorigen avond van had
+moeten hooren, niet gestegen.
+
+Doch, zooals het meer gaat, hij wist zijne wijsheid nog niet verstandig
+genoeg te pas te brengen, of liever, te verzwijgen.
+
+Toen de meester vertelde, dat alleen de mensch door God met rede was
+begaafd en als heerscher was gesteld over alle andere dieren, begon hij
+te lachen. Dat bezorgde hem een slechte aanteekening en eene ernstige
+vermaning. En toen zijn buurman uit een themaboek den volgenden zin
+oplas: 'De ouderdom van mijne moedwillige tante is groot, maar niet zoo
+groot als die van de zon'--riep Johannes haastig en luide: 'van _den_ zon!'
+
+Allen lachten hem uit en de meester, verbaasd, over zulk een aanmatigende
+domheid, zooals hij het noemde, liet Johannes schoolblijven en honderdmaal
+overschrijven: 'De ouderdom van mijne moedwillige tante is groot, maar
+niet zoo groot als die van de zon, het grootst echter is mijne aanmatigende
+domheid.'
+
+De scholieren waren verdwenen en Johannes zat eenzaam in het groote
+schoollokaal te schrijven. Het zonlicht scheen vroolijk naar binnen,
+deed duizenden stofjes glinsteren op zijn weg en vormde op den gewitten
+muur lichte plekken, die met de wisseling der uren langzaam voortkropen.
+De meester was weggegaan en had de deur hard toegeslagen. Johannes was
+reeds aan de twee-en-vijftigste moedwillige tante, toen een klein, vlug
+muisje, met zwarte kraaloogjes en zijdeachtige oortjes, uit den versten
+hoek van het lokaal onhoorbaar langs den muur kwam loopen. Johannes
+hield zich doodstil om het aardige diertje niet te verjagen. Het was
+niet schuw en kwam tot dicht bij Johannes' zitplaats. Toen gluurde het
+een tijdlang met de kleine heldere oogjes scherp in het rond en sprong
+behendig met één sprong op de bank en met een tweeden op den lessenaar,
+waaraan Johannes schreef.
+
+'Ei, ei!' zeide deze, half bij zichzelven, 'jij bent eerst een dapper
+muisje!'
+
+'Ik zou niet weten voor wien ik bang moest zijn,' zeide een fijn
+stemmetje, en het muisje liet de tandjes zien alsof het lachte.
+
+Johannes was reeds aan veel wonderlijks gewend, maar zette nu toch weer
+groote oogen op. Zoo midden op den dag en op school, 't was ongeloofelijk.
+
+'Voor mij behoef je niet bang te zijn,' zeide hij zacht, uit vrees het
+muisje te verschrikken, 'kom je van Windekind?'
+
+'Ik kom u even zeggen, dat de meester groot gelijk heeft en dat ge uw
+strafwerk ruim verdiend hebt.'
+
+'Maar Windekind zei toch dat de zon mannelijk was, de zon was onze
+vader.'
+
+'Ja, maar dat behoeft niemand anders te weten. Wat hebben de menschen
+daarmee te maken. Ge moet nooit over zulke teedere zaken met menschen
+spreken. Daar zijn zij te grof voor. De mensch is een verbazend
+boosaardig en lomp wezen, die liefst alles vangt en doodtrapt wat onder
+zijn bereik komt. Daar hebben wij, muizen, ondervinding van.'
+
+'Maar muisje! waarom blijf je dan in zijn buurt? Waarom ga je niet ver
+weg, naar de bosschen?'
+
+'Ach, dat kunnen wij niet meer. Wij zijn het stadsvoedsel te veel
+gewend. En als men voorzichtig is en altijd oppast hun vallen en hun
+zware voeten te mijden, dan is het onder menschen wel uit te houden.
+Wij zijn gelukkig nog al vlug. Het ergst is, dat de mensch zijn eigen
+logheid verhelpt door een verbond te sluiten met de kat, dat is een
+groote ramp, maar in het bosch zijn uilen en sperwers, en sterven moeten
+wij toch eenmaal allen. Nu, Johannes, onthoud mijn raad, daar komt de
+meester!'
+
+'Muisje! muisje! ga niet weg. Vraag aan Windekind wat ik met mijn
+sleuteltje doen moet. Ik heb het om mijn hals gehangen, op mijn bloote
+borst. Maar Zaterdag word ik verschoond en ik ben zoo bang dat iemand
+het zien zal. Zeg mij, waar ik het veilig bergen kan, muisjelief!'
+
+'Onder den grond, altijd onder den grond, daar is alles het veiligst.
+Wil ik het bewaren?'
+
+'Neen! niet hier op school.'
+
+'Begraaf het dan buiten in de duinen. Ik zal aan mijn neef de veldmuis
+laten weten, dat hij er op passen moet.'
+
+'Dank je muisje!'
+
+Bom! Bom! Daar kwam de meester aanstappen. In den tijd dat Johannes zijn
+pen indoopte, was het muisje verdwenen. De meester, die zelf naar huis
+verlangde, schold Johannes achtenveertig strafregels kwijt.
+
+Twee dagen lang leefde Johannes in voortdurenden angst. Hij werd streng
+in het oog gehouden en alle gelegenheid, om naar de duinen te ontsnappen,
+hem ontnomen. Het werd Vrijdag en nog liep hij met het kostbare sleuteltje
+rond. Den volgenden avond moest hij verschoond worden, men zou het
+sleuteltje ontdekken en hem afnemen, hij ijsde bij de gedachte. In huis
+of tuin durfde hij het niet verbergen, geen plekje scheen hem veilig
+genoeg.
+
+Het werd Vrijdagavond en de schemering begon te vallen. Johannes zat
+voor het venster van zijn slaapkamer en keek verlangend naar buiten,
+over de groene heesters van den tuin, naar de verre duinen. 'Windekind!
+Windekind! help mij,' fluisterde hij angstig.
+
+Daar ruischte een zachte vleugelslag naast hem, hij rook den geur van
+leliën van dalen en hoorde plotseling de bekende, zoete stem.
+
+Windekind zat naast hem op de vensterbank en liet de klokjes van een
+lelie van dalen aan den slanken stengel wiegelen.
+
+'Zijt gij daar eindelijk! Ik heb zoo naar u verlangd!' zeide Johannes.
+
+'Ga met mij mede, Johannes, wij zullen uw sleuteltje gaan begraven.'
+
+'Ik kan niet,' zuchtte Johannes droevig.
+
+Doch Windekind vatte hem bij de hand, en hij gevoelde hoe hij, licht als
+het gepluisde zaadje van een paardebloem, wegzweefde door de stille
+avondlucht.
+
+'Windekind,' zeide Johannes onder het zweven, 'ik houd zooveel van u. Ik
+geloof dat ik alle menschen voor u zou willen geven en Presto ook.'
+
+Windekind zeide: 'en Simon?'
+
+'O, het kan Simon niet zooveel schelen, of ik van hem houd. Ik geloof,
+dat hij dat te kinderachtig vindt. Simon houdt alleen maar van de
+vischvrouw en dat ook alleen maar, als hij honger heeft. Gelooft ge, dat
+Simon een gewone kat is, Windekind?'
+
+'Neen, hij is vroeger een mensch geweest.'
+
+Hoe-oe-oe! boms! daar vloog een dikke meikever tegen Johannes aan. 'Kunt
+gij niet beter voor u uitkijken,' bromde de meikever 'dat elfengoed
+vliegt maar, alsof het de heele lucht in pacht had! Dat heb je van die
+nietsdoeners, die altijd maar voor hun plezier rondzwerven, iemand als
+ik die zijn plicht doet, altijd voedsel zoekt en zoo hard eet, als hij
+kan, wordt er door uit den koers gebracht.'
+
+Onder luid gebrom vloog hij verder.
+
+'Neemt hij ons kwalijk, dat wij niet eten?' vroeg Johannes.
+
+'Ja, dat is zoo meikever-gewoonte. Bij de meikevers wordt het als
+hoogste plicht beschouwd, veel te eten. Wil ik u eens de geschiedenis
+van een jongen meikever vertellen?'
+
+'Ja doe dat, Windekind.'
+
+'Het was een mooie, jonge meikever, die pas uit den grond was gekropen.
+Nu, dat was een groote verrassing. Een geheel jaar had hij onder de
+donkere aarde gezeten en gewacht op den eersten warmen avond. En toen
+hij zijn kop uit de kluitjes stak, bracht al dat groen en het wuivende
+gras en de zingende vogels hem geheel in verlegenheid. Hij wist niet,
+wat hij eigenlijk beginnen moest. Hij betastte de grashalmpjes in de
+buurt met zijn sprieten en stak die waaiervormig uit. Daaraan merkte
+hij, Johannes, dat hij een mannetje was. Hij was heel mooi in zijn
+soort, had glanzige, zwarte pooten, een dik, bestoven achterlijf en een
+borstschild, dat als een spiegel glom. Gelukkig zag hij al gauw, niet
+ver van hem vandaan, een anderen meikever, wel niet zoo'n mooien, maar
+een die al een dag vroeger uitgevlogen en dus al heel oud was. Heel
+bescheiden, omdat hij nog zoo jong was, roept hij dezen aan.
+
+'Wat wou je, vriendje!' zegt de tweede uit de hoogte, omdat hij zag, dat
+het een nieuweling was, 'wou je mij den weg vragen?'
+
+'Neen, ziet u! zeide de jongste beleefd, 'maar ik weet niet, wat ik hier
+doen moet. Wat doet men zoo als meikever?'
+
+'Zoo! zoo!' zeide de ander, 'weet je dat niet. Nu, dat neem ik niet
+kwalijk, ik ben óók zoo geweest; luister maar goed, dan zal ik het je
+zeggen. De hoofdzaak in het meikever-leven is eten. Niet ver hier
+vandaan is een kostelijke lindenhaag, die is daar voor ons gezet om er
+zoo vlijtig mogelijk van te eten.'
+
+'Wie heeft die lindenhaag daar neergezet?' vroeg de jonge kever.
+
+'Wel, een groot wezen, dat het heel goed met ons meent. Iederen morgen
+komt hij langs de haag en wie dan het meeste gegeten heeft, neemt hij
+tot zich, in een heerlijk huis, waar een helder licht schijnt en waar
+alle meikevers gelukkig bijeen zijn. Wie echter, in plaats van te eten,
+den ganschen nacht blijft rondvliegen, wordt door de vleermuis gevangen.'
+
+'Wie is dat?' vroeg de nieuweling.
+
+'Dat is een vreeselijk monster met scherpe tanden, dat plotseling achter
+ons aan komt vliegen en ons onder afgrijselijk gekraak opeet.' Toen de
+kever dat zeide, hoorden ze boven zich een schel gepiep, dat hun door
+merg en been drong.
+
+'Hu! dat is hij,' riep de oudste. 'Pas op voor hem, jonge vriend. Wees
+dankbaar dat ik je bijtijds heb gewaarschuwd. Je hebt een ganschen nacht
+voor je, verknoei dien nu niet. Hoe minder je eet hoe meer kans je hebt
+door de vleermuis te worden verslonden. En alleen zij, die zich een
+ernstige levensroeping kiezen, komen in het huis met het heldere
+schijnsel. Denk er om! Een ernstige roeping!'
+
+'Toen scharrelde de kever, die een heelen dag ouder was, tusschen de
+grashalmen verder en liet den eersten getroffen achter. Weet je wat een
+roeping is, Johannes? Niet! Nu, dat wist die jonge kever ook niet. Het
+stond met eten in verband, dat begreep hij. Maar hoe moest hij bij die
+lindenhaag komen? 'Vlak naast hem stond een slanke, stevige grashalm,
+die zachtjes wiegelde in den avondwind. Dien pakte hij maar vast beet,
+met zijn zes kromme pootjes. Het scheen een hoog gevaarte van beneden
+gezien en erg steil. Toch wilde de meikever er in. 'Dat is een roeping!'
+dacht hij, en begon moedig te klimmen. Het ging langzaam, dikwijls gleed
+hij terug, maar hij vorderde; en toen hij eindelijk in het dunste topje
+was geklommen en mede wiegelde met de schommelingen, voelde hij zich
+voldaan en gelukkig. Welk een uitzicht had hij hier! Het scheen hem,
+alsof hij de wereld overzag. Hoe zalig was het, zoo van alle kanten door
+lucht te zijn omgeven! Gretig zoog hij het achterlijf vol. Hoe wonderlijk
+werd het hem daarbij te moede! Nog hooger wilde hij!
+
+'Hij lichtte de dekschilden in verrukking op, liet de vliezige vleugels
+even trillen. Hooger wilde hij! Hooger! Weer trilden zijne vleugels, de
+pooten lieten den grashalm los en--O, vreugde ... Hoe-oe-oe! daar vloog
+hij vrij en vroolijk in de stille, warme avondlucht.'
+
+'En toen?' vroeg Johannes.
+
+'Het vervolg is niet vroolijk. Dat vertel ik u later wel eens.'
+
+Zij waren over den vijver heengevlogen. Een paar late, witte kapelletjes
+fladderden met hen mede.
+
+'Waar gaat de reis heen, elfen?' vroegen zij.
+
+'Naar de groote duinroos, die daar bloeit tegen gindsche helling.'
+
+'Wij gaan mede! wij gaan mede!'
+
+Reeds van verre was zij zichtbaar, met haar talrijke teedergele
+zijde-zachte bloemen. De knopjes waren rood gekleurd en de geopende
+bloemen vertoonden roode streepjes, als teekenen van den tijd toen zij
+nog knoppen waren.
+
+In eenzame rust bloeide de wilde duinroos en vervulde den omtrek met
+haar wonderzoete geuren. Zoo heerlijk zijn die, dat de duin-elfen
+daarvan alleen leven.
+
+De vlinders dwarrelden op haar toe en kusten bloem aan bloem. 'Wij komen
+u een schat toevertrouwen,' riep Windekind, 'wilt gij dien voor ons
+hoeden?'
+
+'Waarom niet? waarom niet?' fluisterde de duinroos, 'het wachten
+verveelt mij niet, en ik denk hier niet vandaan te gaan, als men mij
+niet weghaalt. Ook heb ik scherpe doornen.'
+
+Toen kwam de veldmuis, de neef van het muisje uit school, en groef een
+gang onder de wortels van de roos. Daar droeg hij het sleuteltje in.
+
+'Als gij het nu weer hebben wilt, dan moet gij mij weer roepen. Dan
+behoeft gij de roos geen schade te doen.'
+
+De roos vlocht zijn gedoornde twijgen dicht over den ingang en zwoer
+plechtig het trouw te bewaken. De kapelletjes waren getuigen.
+
+Den volgenden morgen werd Johannes in zijn eigen bedje wakker, bij
+Presto, de klok en het behangsel. Het koord om zijn hals en het
+sleuteltje daaraan waren verdwenen.
+
+
+
+
+IV
+
+
+Jongen! Jongen! Wat is zoo'n zomer toch criant vervelend,' zuchtte één
+van de drie groote kachels, die op een zolder in het oude huis, in een
+donkere hoek bij elkaar stonden te kniezen, 'weken lang heb ik geen
+levende ziel gezien en geen verstandig woord gehoord. En dan die leegte
+van binnen. 't Is afschuwelijk!'
+
+'Ik zit vol spinnewebben,' zei de tweede, 'dat zou 's winters ook niet
+gebeuren.'
+
+'En ik ben zoo stoffig, dat ik mij dood zal schamen, als tegen den
+winter de zwarte man weer verschijnt, zooals van Alphen zegt.' Die
+wijsheid had de derde kachel natuurlijk van Johannes opgevangen, als
+deze 's winters voor den haard versjes opzeide.
+
+'Gij moet niet zoo oneerbiedig over den Smid spreken,' zeide de eerste
+kachel, die de oudste was, 'dat hindert mij!'
+
+Ook eenige tangen en aschschoppen die hier en daar op den grond lagen,
+in papier gewikkeld tegen 't roesten, gaven duidelijk hun
+verontwaardiging te kennen over die lichtzinnige uitdrukking.
+
+Doch plotseling verstomde het gesprek, want het zolderluik werd
+opgeheven, een lichtstraal drong tot in den duisteren hoek door en
+stelde het geheele gezelschap in hun stoffige verwarring ten toon.
+
+Het was Johannes, die hun gesprek kwam storen. De zolder had altijd een
+groote aantrekkelijkheid voor hem. Nu, na al de vreemde gebeurtenissen
+van den laatsten tijd kwam hij er dikwijls. Hij vond er rust en
+eenzaamheid. Ook was er een venster, dat door een luik gesloten was en
+naar den duinkant uitzag. Het was een groot genot, dat luik plotseling
+te openen, en na het geheimzinnig schemerduister van den zolder op eens
+het wijde, hel verlichte landschap voor zich te zien, begrensd door de
+blanke, zacht-golvende duinreeks.
+
+Er waren drie weken na dien Vrijdagavond verloopen, zonder dat Johannes
+iets van zijn vriend bespeurd had. Het sleuteltje was nu ook weg en
+niets was hem nog tot zeker bewijs, dat hij niet gedroomd had. Dikwijls
+kon hij de vrees niet wegredeneeren, dat het alles toch maar inbeelding
+was geweest. Hij werd er stil onder, en angstig maakte zijn vader de
+opmerking, dat Johannes na dien nacht in de duinen zeker een ziekte
+onder de leden had gekregen. Johannes echter verlangde naar Windekind.
+
+'Zou hij net zooveel van mij houden, als ik van hem?' mijmerde hij,
+terwijl hij aan het zoldervenster stond en over den groenen, bloemrijken
+tuin staarde, 'waarom zou hij dan niet meer en langer bij mij komen. Als
+ik kon ... Maar misschien heeft hij meer vrienden. Zou hij daar ook van
+houden, meer dan van mij. Ik heb geen andere vrienden, geen één. Ik houd
+alleen van hem. Zoo veel! o zoo veel!'
+
+Tegen den diep-blauwen hemel zag hij een vlucht van zes witte duiven
+afsteken, die met kleppenden vleugelslag over het huis zwenkten. Het
+scheen of één gedachte hen dreef, zoo snel en gelijktijdig veranderden
+zij telkens van richting, als om volop te genieten van de zee van
+zonlicht waarin zij zweefden.
+
+Op eenmaal vlogen zij naar Johannes' dakvenstertje toe en streken met
+veel gefladder en wiekgeklepper op de dakgoot neer, waar zij bedrijvig
+kirrend heen en weer bleven trippelen. Een van hen had een rood veertje
+in zijnen vleugel. Hij pluisde en trok er zoolang aan, totdat hij het in
+den bek hield, toen vloog hij op Johannes toe en gaf het hem.
+
+Nauwelijks had Johannes het aangenomen, of hij voelde dat hij zoo licht
+en vlug werd als een der duiven. Hij strekte de leden uit, de
+duivenvlucht vloog op, en Johannes zweefde in hun midden mede, in de
+ruime, vrije lucht en den helderen zonneschijn. Niets was om hem, dan
+het reine blauw en de helle schittering der blanke duivenvleugels.
+
+Zij vlogen over den grooten tuin naar het bosch, waarvan de dichte
+boomtoppen in de verte wuifden als de golven van een groene zee.
+Johannes keek naar beneden en zag zijn vader voor het open raam zitten
+in de huiskamer, Simon zat met gevouwen voorpooten in de vensterbank en
+koesterde zich in de zon. 'Zou zij mij zien?' dacht hij, maar hij durfde
+niet roepen.
+
+Presto holde door de tuinpaden en snuffelde in iederen heester, achter
+elken muur, en krabbelde tegen elk deurtje van broeikas of oranjerie, om
+zijn baasje te vinden.
+
+'Presto! Presto !' riep Johannes. Het hondje zag op en begon te
+kwispelstaarten en klagelijk te janken.
+
+'Ik kom terug, Presto! wachten!' riep Johannes, maar hij was al te ver
+weg.
+
+Zij zweefden boven het bosch en de kraaien vlogen krassend uit de hooge
+toppen, waarin zij hun nesten hadden. Het was in 't midden van den zomer
+en de geur der bloeiende linden steeg in wolken uit het groene woud
+omhoog.
+
+In een leeg nest, op den top van een hooge linde zat Windekind, met zijn
+krans van windekelken op het hoofd. Hij knikte Johannes toe.
+
+'Zijt ge daar! dat is goed,' zeide hij. 'Ik heb u laten halen. Nu kunnen
+wij lang bijeen blijven--als ge wilt.'
+
+'Ik wil wel graag,' zeide Johannes.
+
+Toen dankte hij de vriendelijke duiven, die hem gebracht hadden en
+daalde met Windekind in het bosch af.
+
+Daar was het frisch en schaduwrijk. De wielewaal floot, altijd bijna
+hetzelfde maar toch eenigszins anders.
+
+'De arme vogel,' zei Windekind, 'hij was eens een paradijsvogel. Dat
+ziet ge nog wel aan zijn vreemde gele vederen, maar hij is veranderd en
+uit het paradijs verjaagd. Er is een woord, dat hem zijn vroegere
+prachtige kleeding kan teruggeven en hem weer in het paradijs brengen.
+Maar dat woord is hij vergeten. Nu probeert hij dag aan dag, om het
+terug te vinden. Het lijkt er wel iets op, maar het rechte is het niet.'
+
+Tallooze vliegen glinsterden als zwevende kristallen in de zonnestralen,
+die door het donkere loover drongen. Als men aandachtig luisterde, kon
+men hun gonzen hooren als een groot eentonig concert, dat het gansche
+bosch vervulde. Het was alsof de zonnestralen zongen.
+
+Dik, donkergroen mos bedekte den grond en Johannes was weder zoo klein
+geworden, dat het hem een nieuw bosch op den bodem van het groote bosch
+toescheen. Wat sierlijke stammetjes! En hoe dicht groeiden zij opeen!
+Het was moeilijk er tusschen door te komen en het moswoud scheen
+ontzettend groot.
+
+Daar kwamen zij aan een mierenpaadje. Honderden mieren liepen bedrijvig
+af en aan, sommige stukjes hout, blaadjes of grassprietjes in de kaken
+dragend. Het was zulk een gewoel, dat Johannes er bijna duizelig van werd.
+
+Het duurde lang, voor dat een der mieren hen te woord wilde staan. Zij
+hadden het allen zoo druk. Eindelijk vonden zij een oude mier, die was
+aangesteld om de bladluisjes, waarvan de mieren den honingdauw trekken,
+te bewaken. Daar zijn kudde erg rustig was, kon hij zich wel een poosje
+met de vreemdelingen bemoeien en hun het groote nest laten zien. Het was
+aan den voet van een ouden boomstam aangelegd, zeer groot en honderden
+gangen en kamertjes rijk. De bladluisherder gaf uitleg en leidde de
+bezoekers overal rond, tot in de kinderkamers, waar de jonge larven uit
+de witte windsels kruipen. Johannes was verbaasd en opgetogen.
+
+De oude mier vertelde, dat men in groote drukte leefde wegens den
+veldtocht, die eerstdaags ophanden was. Men zou een andere mierenkolonie,
+niet ver verwijderd, met een groote macht gaan overvallen, het nest
+vernielen en de larven rooven of dooden, daarvoor zouden alle krachten
+noodig zijn en men moest dus eerst het dringendste werk afdoen.
+
+'Waarom is die veldtocht?' zeide Johannes, 'dat lijkt mij niet mooi.'
+
+'Neen! neen!' zei de luizenhoeder, 'het is een zeer schoone en
+lofwaardige tocht. Ge moet denken, het zijn de Strijd-mieren, die wij
+gaan aanvallen, wij gaan hun geslacht uitroeien en dat is een zeer
+goed werk.'
+
+'Zijt gij dan geen Strijd-mieren?'
+
+'Zeker niet! Wat denkt ge wel? Wij zijn Vrede-mieren.'
+
+'Wat beteekent dat dan?'
+
+'Weet ge dat niet? Dat zal ik u uitleggen. Eens waren alle mieren
+voortdurend aan 't vechten, geen dag ging er om zonder groote
+slachtingen. Toen kwam er een wijze, goede mier, die bedacht dat het
+veel moeite zou besparen, als de mieren onderling afspraken niet meer
+te vechten.
+
+'Toen hij dat zeide, vond men het erg vreemd en om die reden begon men
+maar met hem in kleine stukjes te bijten. Later kwamen nog andere mieren
+die hetzelfde meenden. Ook die werden in kleine stukjes gebeten. Maar
+eindelijk kwamen er zooveel, dat het stukbijten te veel werk was voor
+de anderen.
+
+'Toen noemden zij zich Vrede-mieren en hielden allen vol dat de eerste
+Vrede-mier gelijk had; wie dat tegensprak beten zij op hun beurt in
+stukjes. Op die manier zijn tegenwoordig bijna alle mieren Vrede-mieren
+geworden, en de stukjes van de eerste Vrede-mier worden met zorg en
+eerbied bewaard. Wij hebben den kop. Den echten. Wij hebben al twaalf
+andere kolonies verwoest en uitgemoord, die beweerden den echten kop te
+hebben. Nu zijn er nog maar vier over die dat doen. Zij noemen zich
+Vrede-mieren, maar het zijn natuurlijk Strijd-mieren, want wij hebben
+den echten kop en de Vredemier had maar één kop. Nu gaan wij eerstdaags
+de dertiende kolonie uitroeien. Dat is dus wel een goed werk.'
+
+'Ja! Ja!' zeide Johannes--'het is heel merkwaardig!'
+
+Hij was eigenlijk een beetje bang geworden, en voelde zich veel rustiger,
+toen zij den gedienstigen herder dankend vaarwel hadden gezegd en ver van
+het mierenvolk wiegelend op een grashalm zaten uit te rusten, in de
+schaduw van een sierlijk varenblad.
+
+'Hu!' zuchtte Johannes, 'dat was een bloeddorstig en dom gezelschap.'
+
+Windekind lachte en schommelde met zijn grashalm op en neder.
+
+'O!' zei hij, 'gij moet hen niet dom noemen. De menschen gaan naar de
+mieren om wijs te worden.'
+
+Zoo toonde Windekind aan Johannes alle wonderen van het bosch, zij
+vlogen beiden tot de vogels in de boomtoppen en in de dichte heesters,
+daalden af in de kunstige woningen van de mollen, en zagen het bijennest
+in den ouden boomstam.
+
+Eindelijk kwamen zij aan een open plek, omringd door kreupelhout.
+Kamperfoelie groeide er in grooten overvloed. Overal slingerden zich de
+weelderige twijgen over de struiken en prijkten de welriekende
+bloemkransen tusschen het groen. Een zwerm meesjes sprong en fladderde
+tusschen de blaadjes, onder luidruchtig getjilp en gekwetter.
+
+'Laat ons hier wat blijven,' vroeg Johannes, 'hier is het heerlijk.'
+
+'Goed,' zeide Windekind. 'Dan zult ge ook iets grappigs zien.'
+
+Op den grond stonden blauwe klokjes in het gras. Johannes ging naast een
+zitten en begon een gesprek over de bijen en de kapellen. Dat waren
+goede vrienden van het klokje en daarom vlotte het gesprek ook spoedig.
+
+Wat was dat? Een groote schaduw kwam over het gras en iets als een witte
+wolk daalde op het klokje neer ... Nauwelijks had Johannes tijd om weg te
+komen, en vloog naar Windekind, die in een hoogbloeiende kamperfoelie-
+bloem zat. Toen zag hij dat de witte wolk een zakdoek was en bom! daar
+ging een dikke juffrouw op den zakdoek zitten en op het arme klokje dat
+er onder was.
+
+Hij had geen tijd om het te beklagen, want gerucht van stemmen en
+gekraak van takken vervulden de open plek van het bosch. Een menigte
+menschen naderde.
+
+'Nu zullen wij lachen,' zeide Windekind.
+
+Daar kwamen zij aan, de menschen. De vrouwen met manden en parapluies in
+de hand, de mannen met hooge, rechte, zwarte hoeden op. Ze waren meest
+allen zwart, erg zwart. In het zonnige, groene bosch zagen zij er uit
+als groote, leelijke inktvlekken op een prachtig schilderij.
+
+Er werden heesters uiteengedrongen, bloemen neergetrapt, nog vele witte
+zakdoeken uitgespreid en de lijdzame grassprietjes en de geduldige
+mosplantjes gaven zuchtend mede onder het gewicht dat ze te torsen
+kregen en vreesden nimmer van den slag te herstellen.
+
+Sigarenrook krinkelde over de kamperfoelie-struiken en verdreef nijdig
+den teederen geur hunner bloemen.
+
+Harde stemmen verjaagden den vroolijken meezenzwerm, die onder verschrikt
+en verontwaardigd getjilp in de naaste boomen toevlucht zocht.
+
+Een man rees op uit de menigte en ging op een heuveltje staan. Hij had
+lang, blond haar en een bleek gezicht. Hij zeide iets en toen deden alle
+menschen hunnen mond erg wijd open en begonnen te zingen, zoo hard, dat
+de kraaien krassend opvlogen van hunne hooge nesten en de nieuwsgierige
+konijntjes, die van den duinrand gekomen waren om eens te kijken,
+verschrikt aan 't loopen gingen en een kwartier lang bleven doorloopen,
+toen zij reeds veilig weder in 't duin waren.
+
+Windekind lachte en sloeg den sigarenrook voor zich weg met een varentak,
+Johannes kwamen de tranen in de oogen, echter niet van den rook.
+
+'Windekind,' zeide hij, 'ik wilde weg, het is zoo leelijk en zoo hard.'
+
+'Neen, wij moeten nog blijven. Gij zult lachen, het wordt nog grappiger.'
+
+Het zingen hield op en de bleeke man begon te spreken. Hij schreeuwde
+hard, opdat allen hem zouden verstaan, maar wat hij zeide klonk erg
+vriendelijk. Hij noemde de menschen broeders en zusters en sprak van de
+heerlijke natuur en de wonderen der schepping, van Gods zonneschijn en
+van de lieve vogelen en bloemen ...
+
+'Wat is dat?' vroeg Johannes. 'Hoe spreekt hij daarover? Kent hij u? Is
+hij een vriend van u?'
+
+Windekind schudde minachtend het omkranste hoofdje.
+
+'Hij kent mij niet, de zon, de vogelen, de bloemen evenmin. Het is alles
+logen wat hij zegt.'
+
+De menschen luisterden allen zeer aandachtig. De dikke juffrouw, die op
+het blauwe klokje zat, begon verscheiden malen te huilen en wischte de
+tranen met haar rokslip af, omdat zij haar zakdoek niet gebruiken kon.
+
+De bleeke man zeide, dat God ter wille van hun bijeenkomst de zon zoo
+vroolijk had laten schijnen; toen lachte Windekind en wierp van uit de
+dichte bladen een eikel op zijn neus.
+
+'Hij zal het anders ondervinden,' zeide hij, 'mijn vader zou voor hem
+schijnen, wat verbeeldt hij zich wel.'
+
+Doch de bleeke man was te veel in vuur geraakt om op den eikel te
+letten, die uit de lucht scheen te vallen, hij sprak lang en hoe langer
+hoe harder. Op 't laatst werd hij rood en blauw in 't gezicht, balde de
+vuisten en schreeuwde zoo luid, dat de bladeren trilden en de grashalmen
+ontzet heen en weer wiegelden. Toen hij eindelijk tot bedaren gekomen
+was, begonnen allen weer te zingen.
+
+'Wel foei!' zeide een meerle, die van een hoogen boom het rumoer
+aanhoorde. 'Is dat een afschuwelijk leven maken! Ik heb nog liever dat
+er koeien in het bosch komen. Hoor dat eens aan. Wel foei!'
+
+Nu! de meerle is een kenner en heeft een fijnen smaak.
+
+Na het gezang haalden de menschen uit manden, doozen en zakken, allerlei
+eetwaren voor den dag. Er werden papieren uitgespreid en broodjes en
+sinaasappelen verdeeld. Ook flesschen en glazen kwamen te voorschijn.
+
+Toen riep Windekind zijn bondgenooten bijeen en begon den smullenden
+troep te belegeren.
+
+Een dappere kikvorsch sprong op den schoot van een oude juffrouw, vlak
+naast het broodje dat zij juist wilde gaan opeten en bleef daar zitten,
+als verbaasd over zijn eigen stoutmoedigheid. De juffrouw gaf een
+ijselijken gil en staarde ontzet den aanvaller aan, zonder zich te
+durven verroeren. Het moedige voorbeeld vond navolging. Groene rupsen
+kropen onverschrokken over hoeden, zakdoeken en broodjes, overal angst
+en schrik teweegbrengend; groote dikke kruisspinnen lieten zich aan
+glinsterende draden neer in bierglazen, op hoofden of halzen en een luid
+gegil volgde steeds hunnen aanval; tallooze vliegjes bestormden de
+menschen regelrecht in 't gezicht en offerden hun leven voor de goede
+zaak, door zich op spijzen en dranken te storten en ze met hun lichaam
+onbruikbaar te maken. Eindelijk kwamen de mieren in onafzienbare scharen
+en tastten den vijand op de meest onverwachte plaatsen bij honderden
+tegelijk aan. Dat bracht een verwarring en ontsteltenis teweeg! Haastig
+vlogen mannen en vrouwen van de zoo lang verdrukte mos- en grasplantjes
+op; ook het arme, blauwe klokje werd bevrijd, door den welgeslaagden
+aanval van twee oorwurmen op de beenen van de dikke juffrouw. De
+vertwijfeling nam toe: dansend en springend, onder de zonderlingste
+gebaren, trachtten de menschen hun vervolgers te ontkomen. De bleeke man
+bood lang weerstand en sloeg met een zwart stokje in 't rond, doch een
+paar baldadige meezen, die geen aanvalsmiddel te laag achtten en een
+wesp, die hem door zijn zwarte broek heen in de kuit stak, stelden hem
+buiten gevecht.
+
+Toen kon de vroolijke zon zich niet langer goed houden en verborg het
+aangezicht achter een wolk. Groote regendroppels daalden op de
+strijdende partijen. Het was alsof door den regen plotseling een bosch
+van groote, zwarte paddestoelen uit den grond opschoot. Dat waren de
+regenschermen die werden uitgespannen. Vrouwen sloegen de rokken over
+het hoofd, waardoor witte onderrokken, wit gekouste beenen en schoenen
+zonder hakken zichtbaar werden. O, wat had Windekind een pret! hij moest
+zich aan den bloemstengel vasthouden van 't lachen.
+
+Dichter en dichter stroomde de regen, hij begon het bosch met een
+grauwen, glinsterenden sluier te omhullen. Kletterende waterstralen
+vielen van parapluies, hooge hoeden en zwarte jassen, die glommen als de
+schilden van de watertor, de schoenen zoenden en smakten in den
+doorweekten grond. Toen gaven de menschen het op, en dropen bij kleine
+troepjes zwijgend af, een menigte papieren, ledige flesschen en
+sinaasappelschillen als onoogelijke sporen van hun bezoek, achterlatend.
+Op het open veldje in het bosch werd het weder eenzaam en hoorde men
+spoedig niets meer dan het eentonige ruischen van den regen.
+
+'Nu, Johannes! nu hebben wij ook menschen gezien. Waarom lacht gij ook
+niet om hen?'
+
+'Ach, Windekind! zijn alle menschen zoo?'
+
+'O! er zijn nog veel erger en leelijker. Soms razen en tieren zij en
+vernielen al wat mooi en heerlijk is. Zij hakken boomen om en zetten er
+plompe, vierkante huizen voor in de plaats. Zij vertrappen de bloemen
+moedwillig en dooden voor vermaak elk dier, dat onder hun bereik komt.
+In hun steden, waar zij opeen kruipen, is alles vuil en zwart en de
+lucht bedompt en vergiftigd door stank en rook. Zij zijn geheel vervreemd
+van de natuur en hun medeschepselen. Daarom maken zij zulk een dwaas en
+droevig figuur, als zij er in terugkeeren.'
+
+'Ach! Windekind! Windekind!'
+
+'Waarom weent gij, Johannes? Gij moet niet weenen, omdat gij bij
+menschen geboren zijt. Ik heb u immers lief en u verkoren onder allen.
+Ik heb u de taal van vlinders en vogelen geleerd en den blik der bloemen
+doen verstaan. De maan kent u, en de goede, milde aarde heeft u lief als
+haar liefste kind. Waarom zoudt ge niet blij zijn, daar ik uw vriend ben?'
+
+'O, Windekind dat ben ik! dat ben ik! maar ik moet toch huilen om al die
+menschen!'
+
+'Waarom? Gij behoeft niet bij hen te blijven, als u dat verdriet doet.
+Gij kunt hier wonen en mij altijd vergezellen. Wij zullen huizen in het
+dichtste van het bosch, in de eenzame, zonnige duinen of in het riet aan
+den vijver. Ik zal u overal brengen, op den bodem van het water tusschen
+de waterplanten, in de paleizen van elfen en in de woningen van de
+kabouters. Ik zal met u zweven over velden en wouden, over vreemde
+landen en zeeën. Ik zal spinnen fijne kleederen voor u laten maken en u
+vleugels geven, zooals ik ze draag. Wij zullen leven van bloemengeur en
+met de elfen in het maanlicht dansen. Als de herfst komt, zullen wij met
+den zomer medetrekken, daarheen waar de hooge palmen oprijzen, waar
+kleurige bloemtrossen aan de rotsen hangen en het donkerblauwe zeevlak
+schittert in de zon. En ik zal u altijd sprookjes vertellen. Wilt ge dat
+Johannes?'
+
+'Zal ik nimmermeer onder menschen wonen?'
+
+'Onder menschen wacht u eindeloos verdriet, verveling, vermoeienis en
+zorg. Dag aan dag zult gij tobben en zuchten onder den last van uw
+leven. Zij zullen uwe teedere ziel stooten en pijnigen door hun
+grofheden. Zij zullen u ter dood vervelen en martelen. Hebt gij de
+menschen meer lief dan mij?'
+
+'Neen! neen! Windekind, ik wil bij u blijven!'
+
+Nu kon hij toonen, hoeveel hij van Windekind hield. Ja! hij wilde allen
+en alles voor hem verlaten en vergeten. Zijn kamertje, Presto en zijn
+vader. Vol vreugde en vastberaden herhaalde hij zijn wensch.
+
+De regen hield op. Onder grauwe wolken door straalde een heldere
+glimlach van de zon over het woud, op de vochtige glanzende bladeren en
+op de droppels, die aan elk twijgje en halmpje fonkelden en de
+spinnewebben sierden, die over het eikenloof gespannen waren. Langzaam
+steeg een fijne nevel uit den vochtigen grond tusschen het kreupelhout
+omhoog, duizend zoele droomerige geuren medevoerend. De meerle vloog nu
+in den hoogsten boomtop en zong in korte, innige melodieën tot de
+dalende zon, als wilde zij toonen welke zang hier paste, in de plechtige
+avondstilte, bij de zachte begeleiding der vallende droppen.
+
+'Is dat niet schooner dan menschengeluid, Johannes? Ja! de meerle weet
+wel den juisten toon te treffen. Hier is alles harmonie, zoo volkomen
+zult ge ze bij menschen nooit vinden.'
+
+'Wat is harmonie, Windekind?'
+
+'Dat is hetzelfde als geluk. Het is dat, waarnaar alles streeft. Ook de
+menschen. Doch zij doen als jongens, die een vlinder willen vangen. Zij
+jagen haar juist weg door hun domme pogingen.'
+
+'Zal ik haar bij u vinden?'
+
+'Ja Johannes! Maar dan moet gij de menschen vergeten. Het is een slecht
+begin, bij menschen geboren te zijn, maar gij zijt nog jong, gij moet
+alle herinneringen aan uw menschenleven van u afzetten, bij hen zoudt
+gij dwalen en in verwarring, strijd en ellende geraken, het zou met u
+gaan als met den jongen meikever, van wien ik u vertelde.'
+
+'Wat is daarmede verder gebeurd?'
+
+'Hij heeft het heldere schijnsel gezien, waarvan de oude kever sprak;
+hij dacht niet beter te kunnen doen, dan er dadelijk heen te vliegen.
+Regelrecht vloog hij in een kamer en viel in menschenhanden. Drie dagen
+lang is hij daar gemarteld, hij heeft in kartonnen doosjes gezeten, men
+heeft hem draadjes aan de pooten gebonden en zoo laten vliegen, toen
+heeft hij zich losgerukt, een vleugel en een poot verloren en is
+eindelijk, hulpeloos op een vloerkleed rondkruipend en nog vruchteloos
+pogend den tuin te bereiken, door een zwaren voet verpletterd.
+
+'Alle dieren, Johannes, die in den nacht ronddolen, zijn zoo goed
+kinderen van de zon als wij. En al hebben zij nimmer hunnen
+schitterenden vader gezien, toch drijft hen een onbewuste herinnering
+immer weer tot al waaraan licht ontstraalt. En duizenden arme schepsels
+der duisternis vinden een jammerlijken dood door die liefde tot de zon,
+van wie zij sinds lang gescheiden en vervreemd zijn. Zoo brengt een
+onbegrepen, onweerstaanbare neiging de menschen ten verderve in de
+schijnbeelden van dat Groote Licht, dat hen deed ontstaan en dat zij
+niet meer kennen.'
+
+Vragend zag Johannes op naar Windekind's oogen. Doch zij waren diep en
+geheimvol, als de donkere hemel tusschen de sterren.
+
+'Bedoelt gij God?' vroeg hij eindelijk schuchter.
+
+'God?' De diepe oogen lachten zacht. 'Ik weet, Johannes, waaraan gij
+denkt, als gij dien klank uitspreekt. Aan den stoel voor uw bed,
+waartegen gij het lange gebedje iederen avond zegt, aan de groen saaien
+gordijnen voor het kerkraam, waarnaar gij Zondagmorgen zoo lang kijkt,
+aan de kapitale letters van uw bijbeltje, aan het kerkezakje met den
+langen steel, aan leelijk gezang en een muffe menschenlucht. Wat gij met
+dien naam bedoelt, Johannes, is een belachelijk schijnbeeld, in plaats
+van de zon, een groote petroleumlamp, waarop honderden en duizenden
+mugjes hulpeloos zitten vastgeplakt.'
+
+'Maar hoe heet dan dat Groote Licht, Windekind? en tot wien moet ik dan
+bidden?'
+
+'Johannes, het is alsof een schimmelplantje mij vroeg hoe de aarde
+heette, die met haar ronddraait. Was er een antwoord op uw vraag, gij
+zoudt het verstaan als een aardworm de muziek der sterren. Doch bidden
+zal ik u leeren.'
+
+En met den kleinen Johannes, die in stille verwondering over Windekind's
+woorden peinsde, vloog hij uit het bosch omhoog, zoo hoog, dat over den
+duinrand een lange, als goud fonkelende streep zichtbaar werd. Zij
+vlogen voort, de grillig beschaduwde duinvlakte gleed onder hun blikken
+weg en breeder en breeder werd de lichtstreep. De groene kleur der
+duinen week, vaal zag het helm en vreemde, bleekblauwe planten groeiden
+er tusschen. Nog een hooge heuvelreeks, een lang gestrekte, smalle
+zandstrook en dan de wijde, ontzaglijke zee.
+
+Blauw was het groote vlak, tot aan de kimme, maar onder de zon straalde
+een smalle strook in verblindend roode schittering. Een lange, donzig
+witte schuimrand omzoomde het zeevlak, zooals hermelijn het blauw fluweel
+omzoomt.
+
+En aan de kimme scheidde lucht en water een fijne, wonderbare lijn. Een
+wonder scheen zij: recht en toch gebogen, scherp en toch onbestemd,
+zichtbaar en toch onnaspeurlijk. Zij was als de toon eener harp, die
+lang en droomend naklinkt, die schijnt weg te sterven en toch blijft.
+
+Toen zette de kleine Johannes zich op den duinrand en staarde ...,
+staarde in lang, roerloos zwijgen totdat het hem was, alsof hij ging
+sterven, alsof de groote, gouden deuren van het heelal zich statig
+ontsloten en zijne kleine ziel het eerste licht der oneindigheid
+tegenzweefde.
+
+En totdat de tranen, die in zijn wijd geopende oogen welden, de schoone
+zon omfloersten en de pracht van hemel en aarde deden wegdeinzen in een
+duistere, trillende schemering ...
+
+'Zoo moet gij bidden!' zeide toen Windekind.
+
+
+
+
+V
+
+
+Hebt gij wel eens op een fraaien herfstdag door het bosch gedwaald? Als
+de zon zoo stil en helder op het rijkgetinte loover schijnt, als de
+takken kraken en de dorre bladeren ruischen onder uw voet?
+
+Dan schijnt het woud zoo moede, het kan nog slechts deinzen en leeft in
+oude herinneringen. Een blauwe nevel omringt het, als een droom, met
+geheimzinnige pracht en de glinsterende herfstdraden zweven door de
+lucht in trage golving, als schoone, doellooze mijmeringen.
+
+Doch uit den vochtigen grond, tusschen mos en dorre bladeren, verrijzen
+dan plotseling en raadselachtig de wonderlijke gestalten der
+paddestoelen. Sommige dik, wanstaltig en vleezig, andere slank en
+rijzig, met geringden steel en schitterend gekleurden hoed. Dat zijn
+zonderlinge droombeelden van het woud.
+
+Dan ziet men ook op vermolmde boomstronken tallooze kleine, witte
+stompjes, met zwarte topjes, alsof zij verbrand waren. Sommige wijze
+menschen houden ze voor een soort zwammen. Doch Johannes leerde beter:
+
+Het zijn kaarsjes. Zij branden in stille herfstnachten, dan zitten er de
+kaboutermannetjes bij en lezen in kleine boekjes.
+
+Dat leerde hem Windekind op zulk een stillen herfstdag, en Johannes ademde
+droomstemming in met den doffen geur, die uit den boschgrond opsteeg.
+
+Hoe komen de bladeren van den eschdoorn zoo zwartgevlekt?
+
+'Ja, dat doen de kabouters ook,' zei Windekind. 'Als zij des nachts
+geschreven hebben, gooien zij des morgens de rest van hun inktpotjes
+over die bladeren uit. Zij houden niet van dien boom. Van esschenhout
+maakt men kruisjes en stelen voor kerkezakjes.'
+
+Johannes werd nieuwsgierig naar die kleine, vlijtige kabouters, en hij
+liet Windekind beloven, hem bij één van hen te brengen.
+
+Lang was hij reeds bij Windekind geweest, en hij was zoo gelukkig in
+zijn nieuw leven, dat hij nog weinig berouw gevoelde over zijn belofte,
+al het achtergelatene te vergeten. Er waren geen tijden van angst of
+eenzaamheid, waarin altijd het berouw komt. Windekind verliet hem nooit,
+en bij hem was elke plek een te huis. Rustig sliep hij in het wiegelend
+nest van een karkiet, dat tusschen de groene riethalmen hing, al brulde
+de roerdomp en krasten de kraaien nog zoo onheilspellend. Geen angst
+voelde hij bij kletterenden regen of suizenden storm, dan school hij in
+holle boomen, of konijnenholen, en kroop dicht onder Windekinds
+manteltje en luisterde naar zijn stem die sprookjes verhaalde.
+
+En nu zou hij de kabouters zien.
+
+'t Was een goede dag daarvoor. Zoo stil! zoo stil! Johannes meende reeds
+hun fijne stemmetjes en het geschuifel hunner voetjes te hooren, doch
+het was nog middag. De vogelen waren bijna allen weg, alleen de lijsters
+smulden aan de helroode bessen. Eén zat gevangen in een strik. Met
+uitgespreide vleugels hing zij daar en spartelde, tot het scherp
+omknelde pootje bijna vaneen scheurde. Spoedig bevrijdde haar Johannes,
+en onder blij getink vloog zij ijlings weg.
+
+De paddestoelen hadden het druk onder elkaar.
+
+'Zie mij eens!' zeide een dikke duivels-zwam. 'Hebt ge ooit zoo iets
+gezien? Zie hoe dik en wit mijn steel is en hoe mijn hoed glimt. Ik ben
+de grootste van allen. En dat in één nacht!' 'Ba!' zeide de roode
+vliegenzwam, 'gij zijt zeer lomp. Zoo bruin en grof. Ik wiegel op mijn
+slanken steel als een riethalm. Ik ben prachtig rood als de
+lijsterbessen en sierlijk gespikkeld. Ik ben schooner dan allen.'
+
+'Stil!' zeide Johannes, die hen wel kende van vroeger dagen: 'gij zijt
+beiden giftig.'
+
+'Dat is een deugd,' zei de vliegenzwam.
+
+'Zijt gij een mensch bij geval?' bromde de dikke schamper. 'Dan mag ik
+lijden dat gij mij opeet.'
+
+Dat deed Johannes echter niet. Hij nam dorre takjes en stak die in den
+vleezigen hoed. Dat stond gek en alle andere lachten. Ook een troepje
+dunne paddestoelen met bruine kopjes, die gezamenlijk in een paar uur
+waren opgeschoten en elkaar verdrongen om in de wereld te kijken. De
+duivelszwam werd blauw van kwaadheid. Daar kwam zijn giftige aard mee
+aan den dag.
+
+Aardsterren hieven haar ronde, opgeblazen hoofdjes op vierpuntige
+voetstukjes. Van tijd tot tijd vloog een bruin wolkje uiterst fijn
+poeder uit de opening van het ronde hoofdje. Waar dat poeder neerviel in
+vochtigen bodem, zouden zich draden door de zwarte aarde vlechten en het
+volgende jaar honderden nieuwe aardsterren opschieten.
+
+'Welk een schoon bestaan!' zeiden zij tot elkaar.
+
+'Stuiven is het hoogste levensdoel! Welk een geluk te kunnen stuiven zoo
+lang men leeft!'
+
+En met aandachtige toewijding dreven zij de kleine poederwolkjes in de
+lucht.
+
+'Hebben zij gelijk, Windekind?'
+
+'Waarom niet? Wat kan voor hen hooger zijn? Gelukkig dat zij niet meer
+verlangen, want zij kunnen niet anders.'
+
+Toen de nacht was gedaald en de schaduwen der boomen tot een gelijkmatig
+duister waren ineengevloeid, hield het geheimzinnige woudleven niet op.
+De takjes kraakten en knapten, de dorre blaadjes ritselden hier en daar,
+tusschen het gras en in het kreupelhout. Johannes voelde den tocht van
+onhoorbare vleugelslagen en was bewust van de nabijheid van onzichtbare
+wezens. Nu hoorde hij toch duidelijk stemmetjes fluisteren en voetjes
+trippelen. Zie, daar in de duistere diepte der struiken gloeide even een
+klein, blauw vonkje en verdween. Daar weder een en weder! Stil ... als
+hij goed luisterde, hoorde hij geschuifel in de bladeren vlak bij
+hem,--bij dien donkeren boomstronk. De blauwe lichtjes kwamen er achter
+te voorschijn en hielden stil op den top.
+
+Overal zag Johannes nu lichtglansen glimmen, zij zweefden tusschen het
+donkere loover, dansten met kleine sprongen langs den grond, en ginds
+straalde een groote tintelende massa als een blauw vreugdevuur.
+
+'Wat is dat voor een vuur?' vroeg Johannes. 'Dat brandt prachtig!'
+
+'Dat is een vermolmde boomstam,' zeide Windekind. Zij gingen op een
+stil, helder lichtje af.
+
+'Nu zal ik u aan Wistik voorstellen. Dat is de oudste en wijste der
+kabouters.'
+
+Dichterbij gekomen, zag Johannes hem bij zijn kaarsje zitten. Duidelijk
+kon men bij den blauwen schijn het gerimpeld gezichtje met den grijzen
+baard onderscheiden; hij las hardop met saamgetrokken wenkbrauwen. Op
+het hoofd droeg hij een eikelkapje met een klein veertje, vóór hem zat
+een kruisspin en luisterde naar de voorlezing.
+
+Toen de twee naderden, keek de kabouter zonder het hoofd op te heffen,
+uit zijn boekje op en trok de wenkbrauwen in de hoogte. De kruisspin
+kroop weg. 'Goeden avond!' zeide de kabouter. 'Ik ben Wistik. Wie zijt
+gij beiden?'
+
+'Ik heet Johannes. Ik wilde graag met u kennis maken. Wat leest gij
+daar?'
+
+'Dat is niet voor uwe ooren bestemd,' zeide Wistik; 'dat is alleen voor
+kruisspinnen.'
+
+'Laat het mij ook eens zien, lieve Wistik!' vroeg Johannes.
+
+'Dat mag ik niet. Dat is het heilige boek der spinnen, dat bewaar ik en
+mag ik nooit uit mijn handen geven. Ik heb de heilige boeken van torren
+en vlinders en egels en mollen en al wat hier leeft. Zij kunnen niet
+allen lezen en als zij nu iets willen weten, lees ik het hun voor. Dat
+is een groote eer voor mij, een post van vertrouwen, begrijpt ge?'
+
+Het mannetje knikte een paar malen zeer ernstig en stak een
+wijsvingertje op.
+
+'Waaraan waart gij nu bezig?'
+
+'Aan de geschiedenis van Kribbelgauw, den grooten held der kruisspinnen,
+die heel lang geleden leefde en een net had, dat over drie boomen
+gespannen was, waarin hij millioenen vliegen op één dag ving. Vóór
+Kribbelgauw's tijd maakten de spinnen geen netten en leefden van gras en
+doode beestjes; maar Kribbelgauw was een knappe kop en bewees, dat ook
+levende beestjes tot spinnenvoedsel gemaakt waren. Toen vond Kribbelgauw
+ook de kunstige netten uit, door moeilijke berekeningen, want hij was
+een groot wiskunstenaar. En de kruisspinnen maken nog altijd haar netten
+precies, draadje aan draadje zooals hij het geleerd heeft, maar veel
+kleiner. Want het spinnengeslacht is erg ontaard. Kribbelgauw ving
+groote vogels in zijn net en vermoordde duizend van zijn eigen kinderen,
+dat was nog eens een groote spin. Eindelijk is er een geweldige storm
+gekomen en heeft Kribbelgauw met zijn net en de drie boomen, waaraan het
+vastzat, mede door de lucht gesleept, naar verre bosschen, waar hij nu
+eeuwig vereerd wordt om zijn grooten moordlust en vlugheid.'
+
+'Is dat alles waar?' vroeg Johannes.
+
+'Het staat in dit boekje,' zeide Wistik.
+
+'Gelooft gij het?'
+
+De kabouter kneep één oog dicht en legde den wijsvinger langs den neus.
+
+'In de heilige boekjes van andere dieren, waarin over Kribbelgauw
+gesproken wordt, heet hij een verfoeilijk en verachtelijk monster. Maar
+ik houd er mij buiten.'
+
+'Is er ook een kabouterboekje, Wistik?'
+
+Wistik keek Johannes eenigszins wantrouwend aan.
+
+'Wat zijt gij eigenlijk voor een wezen, Johannes? Gij hebt zoo iets ...
+zoo iets ... menschelijks, zou ik zeggen.'
+
+'Neen! neen! wees gerust, Wistik,' zeide Windekind toen, 'wij zijn
+elfen. Maar Johannes heeft vroeger veel menschen gezien. Gij kunt hem
+echter vertrouwen. Het zal hem geen kwaad doen.'
+
+'Ja! ja! dat is goed en wel, maar ik heet de wijste der kabouters en ik
+heb lang en ijverig gestudeerd vóórdat ik wist wat ik weet. Nu moet ik
+voorzichtig zijn met mijn wijsheid. Als ik te veel vertel, verlies ik
+mijn reputatie.'
+
+'Maar in welk boekje denkt gij dan, dat het rechte staat?'
+
+'Ik heb veel gelezen, maar ik geloof niet, dat ik dat boekje ooit
+gelezen heb. Het is niet het elfenboekje, ook niet het kabouterboekje.
+Toch moet het er zijn.'
+
+'Het menschenboekje misschien?'
+
+'Dat ken ik niet, maar ik zou het niet denken. Want het ware boekje moet
+groot geluk en grooten vrede brengen, daarin moet nauwkeurig staan,
+waarom alles is zooals het is, zoodat niemand iets meer kan vragen of
+verlangen. Nu, zóó ver zijn de menschen, geloof ik, niet.'
+
+'O! O neen!' lachte Windekind.
+
+'Is er stellig zulk een boekje?' vroeg Johannes gretig.
+
+'Ja! ja!' fluisterde het kaboutertje, 'ik weet het uit oude, oude
+verhalen. En--stil!--ik weet ook waar het is en wie het vinden kan.'
+
+'O! Wistik! Wistik!'
+
+'Waarom hebt gij het dan nog niet?' vroeg Windekind.
+
+'Geduld maar, dat zal wel gebeuren. Enkele bizonderheden weet ik nog
+niet. Doch spoedig zal ik het vinden. Ik heb er mijn leven lang voor
+gewerkt en naar gezocht. Want voor hem, die het vindt, zal het leven
+zijn als een eeuwige herfstdag, blauwe lucht omhoog en blauwe nevel
+rondom, doch geen vallend blad zal ritselen, geen takje zal kraken en
+geen druppel zal tikken, de schaduwen zullen niet veranderen, en het
+goud op de boomtoppen zal niet verbleeken. Wat ons licht schijnt, zal
+duister zijn, en wat ons gelukkig schijnt, zal droevig wezen voor hem
+die dat boekje gelezen heeft. Ja! dit alles weet ik, en ik zal het ook
+eenmaal vinden.'
+
+Het kaboutertje trok de wenkbrauwen zeer hoog op en legde den vinger op
+zijn mond.
+
+'Wistik zoudt gij mij kunnen leeren ...' begon Johannes; doch eer hij kon
+uitspreken, voelde hij een hevige windvlaag en zag een groote, zwarte
+gedaante vlak boven zich, die snel en onhoorbaar voorbijschoot.
+
+Toen hij weer naar Wistik keek, zag hij nog even een voetje in den
+boomstronk verdwijnen. Wip! was het kaboutertje voorover in zijn hol
+gesprongen, met boek en al. Het kaarsje begon flauwer en flauwer te
+branden en ging opeens uit. Het zijn zeer bizondere kaarsjes.
+
+'Wat was dat?' vroeg Johannes, zich in het duister angstig aan Windekind
+vastklemmend.
+
+'Een nachtuil,' zeide Windekind.
+
+Zij zwegen beiden een tijdlang. Toen vroeg Johannes: 'Gelooft gij wat
+Wistik gezegd heeft?'
+
+'Wistik is niet zoo wijs als hij zelf denkt. Zulk een boekje vindt hij
+nimmer, en gij ook niet.'
+
+'Maar bestaat het?'
+
+'Dat boekje bestaat zooals uw schaduw bestaat, Johannes! Hoe hard gij
+loopt en hoe omzichtig gij grijpt, gij zult haar niet inhalen of vatten.
+En eindelijk merkt ge dat ge u-zelven zoekt. Wees niet dwaas en vergeet
+dien kabouterpraat! Ik zal u honderd mooiere geschiedenissen vertellen.
+Ga mede; wij zullen naar den rand van 't bosch gaan en zien hoe onze
+goede Vader de witte wollen dauwdekens van de slapende weilanden
+licht. Ga mede!'
+
+Johannes ging, doch Windekinds woorden begreep hij niet en zijn raad
+volgde hij niet. En terwijl hij den schitterenden herfstmorgen zag
+rijzen, mijmerde hij over het boekje, waarin stond, waarom alles is
+zooals het is, en herhaalde zachtjes bij zichzelve: 'Wistik! ...'
+
+
+
+
+VI
+
+
+Toen scheen het hem, de volgende dagen, alsof het niet zoo vroolijk en
+prettig meer was bij Windekind in het bosch en de duinen. Zijn gedachten
+waren niet geheel meer vervuld van al hetgeen Windekind zeide en hem
+liet zien. Telkens moest hij weder over dat boekje peinzen en daarover
+durfde hij niet spreken. Wat hij zag, scheen hem niet zoo mooi en
+wondervol meer als vroeger. De wolken waren zoo zwart en zwaar en
+maakten hem angstig, als zouden zij op hem neerkomen. Het deed hem pijn,
+als de herfstwind rusteloos de arme, moede boomen schudde en zweepte,
+dat de bleeke achterkant der groene bladeren boven kwam en geel loof en
+dorre takken opvlogen in de lucht.
+
+Wat Windekind vertelde, gaf hem geen voldoening. Veel begreep hij niet,
+en nimmer kreeg hij een volkomen duidelijk en bevredigend antwoord,
+wanneer hij een van zijn oude vragen deed.
+
+Dan moest hij weer aan dat boekje denken, waarin alles zoo klaar en
+eenvoudig geschreven stond, en aan dien eeuwig zonnigen stillen
+herfstdag, die dan volgen zou.
+
+'Wistik! Wistik!'
+
+Windekind hoorde het.
+
+'Johannes! gij zult toch een mensch blijven, vrees ik. Zelfs uw
+vriendschap is als die van menschen, de eerste, die tot u sprak na mij,
+heeft al uw vertrouwen weggenomen. Ach, mijn moeder had wel gelijk!'
+
+'Neen Windekind! maar gij zijt zooveel wijzer dan Wistik, gij zijt ook
+zoo wijs als dat boekje. Waarom zegt gij mij alles niet? Zie, nu! waarom
+blaast de wind door de boomen, dat zij moeten buigen en weer buigen?
+Zie, zij kunnen niet meer, de mooiste takken breken, en bij honderden
+laten de blaadjes los ook al zijn ze nog groen en frisch. Ze zijn zoo
+moede en kunnen niet meer vasthouden, en toch worden ze telkens weer
+opnieuw geschud en geslagen door dien ruwen nijdigen wind. Waarom is
+dat? Wat wil de wind?'
+
+'Arme Johannes! dat is menschentaal!'
+
+'Laat het stil worden, Windekind! Ik wil stilte en zonneschijn!'
+
+'Gij vraagt en wilt als een mensch, daarvoor is antwoord noch
+vervulling. Als gij niet beter leert vragen en wenschen, zal de
+herfstdag nimmer voor u aanbreken, en gij wordt als de duizenden
+menschen, die Wistik gesproken hebben.'
+
+'Zijn er zooveel?'
+
+'Ja, duizenden! Wistik hield zich heel geheimzinnig maar toch is hij een
+prater, die zijn geheim niet verzwijgen kan. Hij hoopt het boekje bij de
+menschen te vinden, en deelt zijn wijsheid aan ieder mee, die hem
+misschien kan helpen. En al veel ongelukkigen heeft hij er mede gemaakt.
+Zij gelooven hem en gaan het boekje zoeken, met evenveel ijver als
+sommigen de kunst om goud te maken. Zij offeren alles op, vergeten al
+hun bedrijf en geluk en sluiten zich op tusschen dikke boeken, vreemde
+stoffen en werktuigen. Zij wagen hun leven en gezondheid, ze vergeten
+den blauwen hemel en de goede, milde natuur en ook hun medemenschen.
+Soms vinden zij mooie en nuttige dingen als goudklompen, die zij uit hun
+holen op de lichte, zonnige aardoppervlakte gooien, doch zelf bekommeren
+zij zich daar niet om, laten anderen er van genieten en graven en
+wroeten ingespannen en rusteloos in het duister voort. Geen goud zoeken
+zij, maar het boekje. Sommigen versuffen ook onder den arbeid, vergeten
+hun doel en hun wensch en dwalen af tot jammerlijk gebeuzel. Dan heeft
+de kabouter hen kindsch gemaakt. Men ziet ze torentjes van zand bouwen
+en tellen hoeveel korrels er noodig zijn voordat ze omvallen; ze maken
+watervalletjes en berekenen precies elk bochtje en golfje, dat het water
+maken zal; ze graven kuiltjes en besteden al hun geduld en vernuft, om
+die mooi glad en zonder steentjes te krijgen. Stoort men die arme
+verdwaasden in hun werk en vraagt men wat zij doen, dan zien zij u
+ernstig en gewichtig aan, schudden het hoofd en mompelen: 'Wistik!
+Wistik!' Ja, dit alles is de schuld van dien kleinen, naren kabouter.
+Pas op voor hem, Johannes!'
+
+Doch Johannes staarde voor zich naar de zwaaiende en piepende boomen;
+boven zijn heldere kinderoogen plooide zich de teedere huid tot rimpels.
+Nog nooit had hij zoo ernstig gekeken.
+
+'Maar toch, ge hebt het zelf gezegd, het boekje was er! O, ik weet zeker,
+daar staat ook in van het Groote Licht, dat gij mij niet noemen wilt.'
+
+'Arme, arme Johannes!' zeide Windekind, en zijn stem was boven het roezig
+geruisch van den storm als een vredig choraalgezang, dat van verre klonk.
+'Heb mij lief, heb mij lief met uw geheele wezen. In mij vindt gij meer
+dan dat wat ge wenscht. Gij zult begrijpen wat gij u niet denken kunt, en
+gij zult zelf zijn, wat gij verlangt te kennen. Aarde en hemel zullen uw
+vertrouwden, de sterren zullen uw naasten, de oneindigheid zal uw woning
+zijn.
+
+'Heb mij lief, heb mij lief! omvat mij als de hoprank den boomstam,
+blijf mij trouw als het meer den bodem, in mij alleen is al uw rust,
+Johannes!'
+
+Windekind's woorden zwegen, doch het was alsof het choraalgezang
+voortduurde. Uit verwijderde verte scheen het aan te zweven, plechtig en
+gelijkmatig, door het razen en suizen van den wind, vredig als het
+maanlicht, dat door de jagende wolken scheen.
+
+Windekind breidde de armen uit, en Johannes sliep aan zijne borst,
+beschermd door het blauwe manteltje.
+
+Doch in den nacht werd hij wakker. De stilte was plotseling en
+onmerkbaar over de aarde gekomen, de maan onder de kimmen gedaald.
+Roerloos hing het afgematte loover, zwijgende duisternis vervulde
+het bosch.
+
+Daar kwamen de vragen in snelle, spookachtige opvolging in Johannes'
+hoofd terug en dreven het nog zoo jonge vertrouwen voor zich uit. Waarom
+waren de menschen zoo? Waarom moest hij hen verlaten? hun liefde
+verliezen? Waarom moest het winter worden? Waarom moesten de bladeren
+vallen en de bloemen sterven? Waarom? Waarom?
+
+Daar dansten in de diepte van 't kreupelhout weder de blauwe lichtjes.
+Zij kwamen en gingen. Ingespannen staarde Johannes hen na. Hij zag het
+groote, heldere lichtje glanzen op den donkeren boomstronk. Windekind
+sliep vast en rustig. 'Nog één vraag!' dacht Johannes en gleed onder het
+blauwe manteltje weg.
+
+'Zijt ge daar weer!' zeide Wistik en knikte hartelijk. 'Dat doet mij
+zeer veel genoegen. Waar is uw vriend?'
+
+'Daarginder. Ik wilde u alleen nog één vraag doen. Wilt gij mij daarop
+antwoorden?'
+
+'Gij zijt bij menschen geweest, niet waar? Is het u om mijn geheim te
+doen?'
+
+'Wie zal dat boekje vinden, Wistik?'
+
+'Ja, Ja! dat is het! dat is het! Wilt ge mij helpen, als ik het u zeg?
+
+'Als ik kan, zeker!'
+
+'Luister dan, Johannes!' Wistik zette verbazend groote oogen en trok
+zijn wenkbrauwen hooger op dan ooit. Toen fluisterde hij langs den rug
+van zijn handje: 'Menschen hebben het gouden kistje, elfen hebben den
+gouden sleutel, elfenvijand vindt het niet, menschenvriend slechts opent
+het. Lentenacht is de rechte tijd, en roodborstje weet den weg.'
+
+'Is dat waar? Is dat waar?' riep Johannes en dacht aan zijn sleuteltje.
+
+'Ja!' zeide Wistik.
+
+'Waarom vond het nog niemand dan? Zooveel menschen zoeken er naar.'
+
+'Ik heb geen mensch, geen mensch gezegd, wat ik u vertrouwd heb. Ik vond
+nog nooit een elfenvriend.'
+
+'Ik heb het, Wistik! ik kan u helpen!' Johannes juichte en klapte in de
+handen. 'Ik zal het Windekind vragen.'
+
+Weg vloog hij over mos en dorre bladeren. Doch hij struikelde telkens,
+en zijn tred was zwaar. Dikke takken knapten onder zijn voet, waar hij
+anders geen grashalmpje boog.
+
+Daar was de dichte varenplant, waaronder zij geslapen hadden, wat leek
+zij hem laag.
+
+'Windekind!' riep hij. Doch hij schrikte van het geluid van zijn stem.
+
+'Windekind!' Het klonk als een menschenstem, een schuwe nachtvogel vloog
+krijschend op.
+
+Ledig was het onder den varenstruik, Johannes zag niets.
+
+De blauwe lichtjes waren verdwenen; het was kil en grondeloos duister om
+hem heen. Boven zich zag hij de zwarte schimmen der boomkruinen tegen de
+sterrenlucht.
+
+Nog ééns riep hij. Toen durfde hij niet meer. Zijn stem was een schennis
+in de stilte, en Windekinds naam scheen een spotklank.
+
+Toen viel het arme Johannesje neder en snikte in radeloos berouw.
+
+
+
+
+VII
+
+
+Kil en grauw was de morgen. De zwarte glimmende takken, door den storm
+ontbladerd, weenden in den mist.
+
+Over het natte, neêrgeslagen gras liep de kleine Johannes haastig voort,
+voor zich uit starend naar den kant, waar het woud lichter werd, als had
+hij daar een doel. Zijn oogen waren rood van 't weenen en strak van
+angst en jammer. Zoo had hij den ganschen nacht geloopen, alleen zoekend
+naar het licht, met Windekind was het veilig thuisgevoel weg. In elke
+donkere plek zat het spook der verlatenheid, en hij durfde niet omzien.
+
+Eindelijk kwam hij aan den boschrand. Hij zag over een weiland, waarop
+een fijne, klamme regen langzaam neêrstreek. Er stond een paard midden
+in, naast een kalen wilgeboom. Het stond onbeweeglijk met gebogen kop,
+en het water droppelde traag van zijn glimmende zijden en uit de
+saamgepakte manen.
+
+Johannes liep door, langs het bosch. Hij keek met matten, angstigen blik
+naar het eenzame paard en den grauwen regennevel en kreunde zacht.
+
+'Nu is alles uit,' dacht hij; 'nu zal de zon wel nooit meer terugkomen.
+Nu zal het altoos voor mij blijven zooals hier.'
+
+Toch durfde hij in zijn wanhoop niet stilstaan, dan zou het vreeselijkste
+komen, dacht hij.
+
+Toen zag hij het groote hek van een buitenplaats en een huisje, onder
+een lindeboom met helder-gele bladeren.
+
+Hij ging het hek in en liep door de breede lanen, waar de bruine en gele
+lindebladeren in een dikke laag den grond bedekten. Langs de grasperken
+groeiden paarse asters en andere kleurige herfstbloemen verwilderd dooreen.
+
+Hij kwam aan een vijver. Daarbij stond een groot huis met lage ramen en
+glazen deuren. Rozenstruiken en klimop groeiden tegen de muren. Het was
+overal doodsch en gesloten. Half ontbladerde kastanjeboomen stonden stil
+rondom, en op den grond, tusschen het afgevallen loover, zag Johannes de
+glimmend bruine kastanjes blinken.
+
+Toen week het kille, doode gevoel van hem. Hij dacht aan zijn eigen
+huis, daar waren ook kastanjeboomen, en altijd ging hij in dezen tijd de
+gladde kastanjes zoeken. Hij begon plotseling te verlangen, alsof hij
+een bekende stem had hooren roepen. Hij zette zich op een bank bij het
+groote huis en schreide zich rustig.
+
+Een eigenaardige geur deed hem opkijken. Er stond een man bij hem, met
+een wit voorschoot om en een pijp in den mond. Om zijn middel had hij
+strooken lindebast, waarmede hij de bloemen opbond. Johannes kende dien
+reuk zoo goed, hij deed hem aan zijn eigen tuin denken en aan den tuinman,
+die hem mooie rupsen bracht en spreeuweneieren voor hem uithaalde.
+
+Hij schrikte niet, al was het een mensch, die bij hem stond. Hij vertelde
+den man dat hij verlaten en verdwaald was, en dankbaar volgde hij hem naar
+de kleine woning onder den geelgebladerden lindeboom.
+
+Daarbinnen zat de tuinmansvrouw en breide zwarte kousen. Over het
+turfvuurtje op de haardplaat hing een groote ketel water te koken. Op de
+vloermat bij het vuur zat een kat met gevouwen voorpooten, juist zooals
+Simon gezeten had, toen Johannes van huis ging.
+
+Johannes werd bij het vuur gezet, om zijn voeten te drogen. 'Tik!--Tik!
+--Tik!--Tik!' zeide de groote hangklok. Johannes keek naar den stoom,
+die suizend uit den ketel vloog, en naar de kleine vlammetjes, die vlug
+en grillig om de turven huppelden. 'Nu ben ik onder menschen,' dacht hij.
+
+Dat was niet naar. Hij voelde zich kalm en rustig. Zij waren goed en
+vriendelijk en vroegen hem, wat hij nu het liefst wilde. 'Het liefst
+wilde ik hier blijven,' antwoordde hij.
+
+Hier had hij rust, en als hij naar huis ging, zouden er verdriet en
+tranen komen. Hij had moeten zwijgen, en men zou hem zeggen, dat hij
+kwaad had gedaan. Hij zou alles terug moeten zien en alles nog eens
+moeten denken.
+
+Wel verlangde hij naar zijn kamertje, naar zijn vader, naar Presto, maar
+hij droeg liever het stille verlangen hier, dan het pijnlijke moeilijke
+wederzien. En het was of hij hier aan Windekind kon blijven denken, en
+thuis niet.
+
+Windekind was nu zeker weggegaan. Ver weg naar het zonnige land, waar de
+palmen over de blauwe zee heenbuigen. Hij wilde hier boete doen en op
+hem wachten.
+
+Daarom smeekte hij de beide goede menschen, of hij bij hen mocht
+blijven. Hij zou gehoorzaam zijn en voor hen werken. Hij zou helpen den
+tuin en de bloemen te verzorgen. Alleen dezen winter maar. Want hij
+hoopte in stilte, dat Windekind met de lente zou terugkomen.
+
+De tuinman en zijn vrouw dachten dat Johannes was weggeloopen, omdat hij
+thuis hard behandeld werd. Zij hadden medelijden met hem, en beloofden
+hem, dat hij blijven mocht.
+
+Hij bleef en hielp de bloemen in den tuin verzorgen. Een slaapkamertje
+gaf men hem, met een bedstede van blauwe planken. Daaruit zag hij 's
+ochtends de natte, gele lindebladeren langs het venster strijken en 's
+nachts de donkere stammen heen en weer wiegelen, waarachter de sterren
+schuilevinkje speelden. Nu gaf hij namen aan de sterren en noemde de
+helderste: Windekind.
+
+Aan de bloemen, die hij meest alle kende van huis, vertelde hij zijne
+geschiedenis. Aan de ernstige, groote asters, aan de kleurige zinnia's,
+aan de witte chrysanthen, die zoo lang bleven bloeien in het ruwe
+najaar. Toen alle andere bloemen dood waren, stonden de chrysanthen nog,
+en zelfs toen op een morgen de eerste sneeuw gevallen was en Johannes
+vroeg naar haar kwam kijken, staken zij haar vroolijke gezichtjes op en
+zeiden: 'Ja, wij zijn er nog! Dat hadt ge niet gedacht!' Zij hielden
+zich goed, doch twee dagen later waren zij allen dood.
+
+Maar in de serre prijkten dan nog palmen en boomvarens en hingen de
+vreemde bloemtrossen der orchideeën in de vochtige zoelte. Met
+verwondering staarde Johannes in haar prachtige kelken en dacht aan
+Windekind. Hoe kil en kleurloos scheen alles dan, als hij buiten kwam,
+de natte sneeuw met de zwarte voetstappen en de rafelende, druipende
+boomgeraamten.
+
+Alleen als de sneeuwvlokken uren en uren achtereen zwijgend waren
+neergezegen, zoodat de twijgen bogen onder het aangroeiend dons, liep
+Johannes graag in de violette schemering van het sneeuwbeschaduwd bosch.
+Dat was stilte, maar geen dood. En het was bijna schooner dan zomergroen,
+als het blinkend wit der gekruiste takjes tegen den helderblauwen hemel
+afstak, of als een te zwaar beladen struik het sneeuwloof van zich af
+liet glijden, zoodat het, tot een schitterend wolkje verstuivend, daalde.
+
+Eens op zulk een wandeling, toen hij zoo ver gekomen was, dat hij niets
+om zich zag dan sneeuw en sneeuwdragende takken,--half wit, half
+zwart--en alle geluid en leven verdoofd schenen in het glinsterend
+donzen hulsel, gebeurde het, dat hij een klein, wit diertje snel voor
+zich uit meende te zien loopen. Hij volgde het,--het geleek op geen
+diertje, dat hij kende,--doch toen hij het wilde grijpen, verdween het
+schielijk in een boomstronk. Johannes tuurde in de ronde zwarte opening
+waarin het verdwenen was, en dacht: 'Zou dat Wistik zijn?'
+
+Hij dacht niet veel aan hem. Het scheen hem slecht, en hij wilde zijn
+boete niet verzwakken. En het leven bij de twee goede menschen deed hem
+weinig vragen. Wel moest hij 's avonds voorlezen uit een dik boek waarin
+veel over God gesproken werd, doch hij kende dat boek en las gedachteloos.
+
+Den nacht echter na die wandeling in de sneeuw, lag hij wakker in zijn
+bedstede en keek naar het koude schijnsel der maan op den vloer. Daar
+zag hij opeens twee kleine handjes, die boven de beddeplank uitkwamen en
+zich stevig om den rand haakten. Toen verscheen de punt van een wit
+pelsmutsje tusschen de twee handjes, en eindelijk zag hij een paar
+ernstige oogjes onder hoog getrokken wenkbrauwen.
+
+'Goeden avond, Johannes!' zeide Wistik. 'Ik kwam u even herinneren aan
+onze afspraak. Gij kunt het boekje nog niet gevonden hebben, want het is
+nog geen lente. Maar denkt gij er wel om? Wat is dat voor een dik boek,
+waarin ik u heb zien lezen? Dat kan het echte niet zijn. Denk dat niet.'
+
+'Dat denk ik niet, Wistik,' zeide Johannes. Hij keerde zich om en wilde
+slapen. Doch het sleuteltje wilde hem niet uit het hoofd. En als hij
+voortaan in het dikke boek las, dacht hij er bij, en hij zag dan
+duidelijk dat het niet het echte was.
+
+
+
+
+VIII
+
+
+'Nu zal hij komen!' dacht Johannes, toen de eerste maal de sneeuw was
+weggesmolten en hier en daar de sneeuwklokjes bij groepjes te voorschijn
+kwamen. 'Zou hij nu komen?' vroeg hij aan de sneeuwklokjes. Doch zij
+wisten het niet en bleven met hangende hoofdjes naar de aarde kijken,
+alsof zij beschaamd waren over hun haast en wel weer weg wilden kruipen.
+
+Konden zij maar! De verstijvende oostenwind begon alras weer te blazen,
+en de sneeuw stapelde zich hoog over de voorbarige stumpertjes.
+
+Weken later kwamen de viooltjes, hun zoete geur zweefde tusschen het
+kreupelhout, en toen de zon lang en warm op den mossigen grond geschenen
+had, ontloken ook de blonde primula's bij honderden en duizenden.
+
+De schuwe violen met haar sterke geuren waren geheimzinnige voorboden
+van komende heerlijkheid, doch de vroolijke primula's waren de blijde
+werkelijkheid zelve. De ontwaakte aarde had de eerste zonnestralen
+vastgehouden en maakte er een gouden siersel van. 'Nu dan! nu komt hij
+toch zeker!' dacht Johannes. Met spanning bezag hij de knoppen aan de
+takken hoe zij van dag tot dag langzaam zwollen en zich uit de schors
+loswrongen, tot de eerste bleekgroene puntjes tusschen de bruine
+schubben te voorschijn kwamen. Lang bleef Johannes op die groene
+blaadjes kijken, hij zag ze toch nooit bewegen, en als hij zich even had
+omgedraaid, schenen ze grooter geworden. 'Ze durven niet, als ik hen
+aankijk,' dacht hij.
+
+Reeds begon het groen schaduw te werpen. Nog was Windekind niet gekomen,
+geen duif was bij hem neergestreken, geen muisje had tegen hem gesproken.
+Als hij tot de bloemen sprak, knikten zij slechts even en antwoordden
+niet. 'Mijn straf is nog niet om,' dacht hij.
+
+Toen kwam hij op een zonnigen lentemorgen bij den vijver van het huis.
+De ramen waren alle wijd geopend. Zouden er menschen in gekomen zijn?
+
+De vogelkers-struik, die aan den vijver stond, was al heelemaal met
+teedere blaadjes overdekt, alle twijgen hadden fijne, groene vleugeltjes
+gekregen. Op het gras bij de vogelkers lag een meisje. Johannes zag
+alleen haar licht-blauw kleedje en blond haar. Een roodborstje, dat op
+haar schouder zat, pikte uit haar hand.
+
+Op eenmaal wendde zij het hoofd om en zag Johannes. 'Dag jongetje!'
+zeide zij en knikte vriendelijk.
+
+Weer tintelde het Johannes van het hoofd tot de voeten. Dat waren
+Windekind's oogen, dat was Windekind's stem.
+
+'Wie zijt ge?' vroeg hij. Zijn lippen beefden van aandoening. 'Ik ben
+Robinetta! en dit is mijn vogel. Hij zal niet schuw voor je zijn. Hou je
+van vogels?'
+
+Het roodborstje was niet schuw voor Johannes. Het vloog op zijn arm. Dat
+was juist als vroeger. Het moest toch Windekind zijn, dat blauwe wezen.
+
+'Vertel me eens hoe je heet, jongetje,' zeide Windekind's stem.
+
+'Kent gij mij niet? Weet ge niet, dat ik Johannes heet?'
+
+'Hoe zou ik dat weten?'
+
+Wat beteekende dat? Het was toch die bekende, zoete stem, het waren toch
+die donkere, hemeldiepe oogen.
+
+'Hoe zie je mij zoo aan, Johannes? Heb je mij ooit meer gezien?'
+
+'Ja ik geloof het wel.'
+
+'Dat heb je toch zeker gedroomd.'
+
+Gedroomd? dacht Johannes. Zou ik alles gedroomd hebben? Of zou ik nu
+droomen?
+
+'Waar zijt gij geboren?' vroeg hij.
+
+'Heel ver van hier, in een groote stad.'
+
+'Bij menschen?'
+
+Robinetta lachte. Het was Windekind's lach. 'Ik geloof het wel. Jij
+niet?'
+
+'Ach ja, ik ook!'
+
+'Spijt je dat? Hou je niet van menschen?'
+
+'Neen! Wie zou van menschen houden?'
+
+'Wie? Wel, Johannes, wat ben je een raar jongetje! Hou je meer van
+dieren?'
+
+'O, veel meer, en van bloemen.'
+
+'Ik doe dat eigenlijk ook wel eens. Een enkelen keer. Maar dat is niet
+goed. Wij moeten van menschen houden, zegt Vader.'
+
+'Waarom is dat niet goed? ik houd van wien ik wil, of het goed is of
+niet.'
+
+'Foei, Johannes! Heb je dan geen ouders of iemand die voor je zorgt? Hou
+je niet van hen?'
+
+'Ja,' zeide Johannes nadenkend. 'Ik houd van mijn vader. Maar niet,
+omdat het goed is. Ook niet omdat hij een mensch is.'
+
+'Waarom dan?'
+
+'Dat weet ik niet, omdat hij niet is als andere menschen, omdat hij ook
+van bloemen en vogels houdt.'
+
+'Dat doe ik ook Johannes! dat zie je.' En Robinetta riep het roodborstje
+op haar hand en sprak het vriendelijk toe.
+
+'Dat weet ik,' zeide Johannes. 'Ik houd ook veel van u.'
+
+'Nu al? Dat is vlug!' lachte het meisje. 'Van wie hou je wel het
+meeste?'
+
+'Van ...' Johannes weifelde. Zou hij Windekind's naam noemen? De vrees,
+dat die naam hem tegenover menschen mocht ontvallen, was onafscheidelijk
+van al zijn denken. En toch, was dit blonde wezen in het blauwe kleed
+Windekind niet? Wie anders kon hem dat gevoel van rust en geluk geven?
+'Van u!' zeide hij opeens en zag met vollen blik in de diepe oogen.
+Moedig waagde hij die volkomen overgave, maar hij was toch angstig en
+wachtte gespannen de ontvangst van zijn kostbaar geschenk.
+
+Weer lachte Robinetta met helderen lach, doch zij vatte zijne hand, en
+haar blik werd niet koeler, haar stem niet minder innig.
+
+'Wel, Johannes,' zeide zij, 'waarmeê heb ik dat zoo op eens verdiend?'
+Johannes antwoordde niet en bleef haar aanzien met groeiend vertrouwen.
+Robinetta stond op en legde haar arm om Johannes' schouders. Zij was
+grooter dan hij.
+
+Zoo wandelden zij door het bosch en plukten groote bundels sleutelbloemen,
+totdat zij wel weg konden schuilen onder den berg van doorschijnend geel
+gebloemte. Het roodborstje vloog mede van tak tot tak en gluurde naar hen
+met schiiterende zwarte oogjes.
+
+Zij spraken niet veel, doch keken elkaar dikwijls van ter zijde aan. Zij
+waren beiden verbaasd over hun ontmoeting en half onzeker, wat zij van
+elkaar denken moesten.
+
+Doch spoedig moest Robinetta terug, het speet haar.
+
+'Nu moet ik weg, Johannes! Maar wil je nog eens wandelen met me? Ik vind
+je een aardig jongetje,' zeide zij bij 't heengaan.
+
+'Wiet! wiet!' zei het roodborstje en vloog haar achterna.
+
+Toen zij weg was, en alleen haar beeld bij hem achterbleef, twijfelde
+hij er niet meer aan wie zij was.
+
+Zij was dezelfde wie hij al zijn vriendschap had gegeven, de naam
+Windekind klonk flauwer in hem en verwarde met Robinetta.
+
+En alles werd weer om hem heen, zooals het vroeger geweest was. De
+bloemen knikten vroolijk, en haar geur verdreef het weemoedig verlangen
+naar huis, dat hij tot nu toe gevoeld en gekweekt had. Tusschen het
+teedere groen, in de lauwe, mollige lentelucht, voelde hij zich op eens
+thuis, als een vogel, die zijn nest gevonden had. Hij moest de armen
+uitstrekken en diep ademhalen. Hij was zoo gelukkig. Op den weg naar
+huis zweefde de lichte blauwe gestalte met de blonde haren voor hem uit,
+altijd voor hem uit, welken kant hij ook opkeek. Het was alsof hij in de
+zon gekeken had en het zonnebeeld overal met zijn blik medevloog.
+
+Van dien dag af ging Johannes elken helderen morgen naar den vijver. Hij
+ging vroeg, zoodra hij gewekt werd door het kijven der musschen in de
+klimopbladeren om zijn venster, en het gekwetter en gerekte getjilp der
+spreeuwen, die op de dakgoot fladderden en krieuwden in den jongen
+zonneschijn. Dan snelde hij vlug door 't vochtige gras tot dicht bij het
+huis en wachtte achter de seringenstruiken, totdat hij de glazen deur
+hoorde opengaan en de lichte gedaante op hem toe zag komen.
+
+Dan wandelden zij door het bosch en door de duinen, waaraan het bosch
+grensde. Zij spraken over al wat zij zagen, over de boomen en de planten
+en duinen. Johannes had een vreemd, duizelig gevoel, als hij met haar
+liep, hij dacht zich somtijds weer zoo licht dat hij door de lucht zou
+kunnen vliegen. Doch dat gebeurde nooit. Hij vertelde de geschiedenissen,
+die hij van de bloemen en dieren wist door Windekind. Doch hij vergat hoe
+hij ze geleerd had, en Windekind bestond niet meer voor hem, alleen
+Robinetta. Hij genoot, als zij tegen hem lachte en hij vriendschap zag in
+haar oogen en hij sprak tot haar, zooals hij vroeger tot zijn hondje
+gesproken had: alles wat in hem opkwam, zonder weifeling of schuwheid.
+De uren, dat hij haar niet zag, dacht hij aan haar, en elke bezigheid
+deed hij met de vraag, of Robinetta het goed of mooi zou vinden.
+
+En zij-zelve scheen altoos zoo blij, als zij hem zag; dan glimlachte zij
+en liep haastiger. Zij had hem ook gezegd dat zij met niemand zoo graag
+wandelde als met hem.
+
+'Maar, Johannes,' vroeg zij eens, 'hoe weet je al die dingen? Hoe weet
+je wat de meikevers denken, wat de lijsters zingen, hoe het er in het
+konijnenhol en op den bodem van het water uitziet?'
+
+'Ze hebben het mij verteld,' antwoordde Johannes, 'en ik ben zelf in een
+konijnenhol geweest en op den bodem van het water.'
+
+Robinetta trok de fijne wenkbrauwen samen en keek hem half spottend aan.
+Doch zij vond geen valschheid.
+
+Zij zaten onder seringenboomen, waarvan dikke, paarse bloemtrossen
+afhingen. Vóór hen lag de vijver, met riet en kroos. Zij zagen de zwarte
+torretjes in kringen over het vlak glijden en roode spinnetjes bedrijvig
+op en neder duiken. Het krioelde van wriemelend leven daar. Johannes
+keek, in herinneringen verzonken, in de diepte en zeide:
+
+'Daar ben ik eens gedoken; ik gleed langs een riethalm af en kwam op den
+bodem. Die is heelemaal met dorre bladeren bedekt, dat loopt zoo licht
+en zacht. Het is altijd schemerig, groene schemering, want het licht
+valt door het groene kroos. En boven mijn hoofd zag ik de lange, witte
+worteltjes van het kroos neerhangen. Er kwamen salamanders om mij heen
+zwemmen, die zijn heel nieuwsgierig. Het is vreemd, als zulke groote
+dieren zoo over je heen zwemmen, en ik kon niet ver vooruitzien, daar
+was het donker, maar ook groen. En uit dat donker kwamen de dieren als
+zwarte schaduwen te voorschijn. Watertorren met roeipooten en platte
+wantsen, soms ook een klein vischje. Ik ging heel ver, uren ver, geloof
+ik, en midden in was een groot bosch van waterplanten, waar slakken
+tegenop kropen en waterspinnen glinsterende nestjes bouwden.
+Stekelbaarsjes schoten er door en bleven mij soms met open mond en
+trillende vinnen aankijken, zoo verbaasd waren ze. Daar heb ik kennis
+gemaakt met een aal, wien ik bij ongeluk op zijn staart trapte. Die
+heeft mij van zijn reizen verteld; hij was tot in zee geweest, zeide
+hij. Men had hem daarom koning gemaakt in den vijver, want niemand was
+zoover geweest. Hij lag altijd in de modder te slapen, behalve wanneer
+hij eten kreeg, dat anderen hem brachten. Hij at verschrikkelijk veel.
+Dat was omdat hij koning was, men wilde graag een dikken koning, dat
+stond deftig. O, het was prachtig mooi in dien vijver!'
+
+'Waarom kun je dan nu niet meer daarheen gaan?'
+
+'Nu?' vroeg Johannes en keek haar met groote peinzende oogen aan.
+
+'Nu? Nu kan ik niet meer. Ik zou daar verdrinken. Maar het is niet
+noodig. Ik ben liever hier, bij de seringen en bij u.'
+
+Robinetta schudde verwonderd het blonde hoofdje en streek Johannes over
+het haar. Toen keek ze naar haar roodborstje, dat aan den rand van den
+vijver allerlei lekkernijen scheen te vinden. Hij keek even op en bleef
+beiden een oogenblik met zijn heldere oogjes aanzien.
+
+'Begrijp jij er iets van, vogelijn?'
+
+Het vogelijn keek heel slim en ging toen voort met zoeken en pikken.
+
+'Vertel mij verder, Johannes, van wat je gezien hebt.'
+
+Dat deed Johannes gaarne, en Robinetta luisterde, geloovig en
+aandachtig.
+
+'Maar waarom is dat alles opgehouden? Waarom kun je nu met mij niet
+gaan? daar overal heen? Ik wilde ook graag.'
+
+Johannes spande zijne herinnering in, doch een zonnig waas bedekte den
+donkeren afgrond, dien hij was overgegaan. Hij wist niet juist meer, hoe
+hij zijn vorig geluk verloren had.
+
+'Ik weet het niet recht, gij moet er niet naar vragen. Een naar klein
+wezentje heeft alles bedorven. Maar nu is het er weer. Nog beter dan
+vroeger.'
+
+De seringengeur daalde uit de heesters op hen neer en het gegons der
+vliegen over het watervlak en de stille zonnestralen doordrongen hen met
+zoete bedwelming. Totdat een bel op het huis met piependen zwaai begon
+te luiden, en Robinetta haastig wegvloog.
+
+Toen Johannes dien avond in zijn kamertje kwam en naar de maan-schaduwen
+der klimopbladeren keek, die over de ruiten schoven, scheen het alsof er
+tegen het glas getikt werd.
+
+Johannes dacht dat het een klimopblad was, dat in den nachtwind trilde.
+Doch het tikte zoo duidelijk, telkens driemaal achtereen, dat Johannes
+zachtkens het venster opende en behoedzaam rondzag. De klimopbladeren
+tegen het huisje glansden in den blauwen schijn, onder hen was een
+duistere wereld vol geheim: daar waren holen en spelonken, waarin het
+maanlicht kleine, blauwe vonkjes wierp, die hun duisternis nog
+dieper maakten.
+
+Toen Johannes lang in die wondervolle schaduwwereld had gestaard, zag
+hij eindelijk den vorm van een klein mannetje, vlak naast het venster,
+verscholen onder een groot klimopblad. Hij herkende Wistik dadelijk aan
+de groote, verwonderde oogen onder de hooggetrokken wenkbrauwen. Op het
+puntje van Wistik's langen neus tekende de maan een klein vonkje.
+
+'Hebt ge mij vergeten, Johannes? Waarom denkt ge er nu niet aan? Het is
+de rechte tijd. Hebt ge roodborstje den weg niet gevraagd?'
+
+'Ach, Wistik, waarnaar zou ik vragen? Ik heb alles wat ik verlangen kan.
+Ik heb Robinetta.'
+
+'Maar dat zal niet lang duren. En gij kunt nog gelukkiger worden en
+Robinetta zeker ook. En moet het sleuteltje dan daar blijven liggen?
+Denk eens hoe heerlijk als gij beiden het boekje vindt. Vraag er
+roodborstje naar; ik zal u helpen als ik kan.'
+
+'Ik kan er altijd naar vragen,' zeide Johannes.
+
+Wistik knikte en klom vlug naar beneden.
+
+Nog lang keek Johannes naar de donkere schaduwen en de glanzende
+klimopbladeren voor hij naar bed ging.
+
+Den volgenden dag vroeg hij het roodborstje of het den weg wist naar het
+gouden kistje. Robinetta hoorde verwonderd. Johannes zag het roodborstje
+knikken en schuins naar Robinetta gluren. 'Hier niet! hier niet!' tjilpte
+het vogeltje.
+
+'Wat bedoel je, Johannes?' vroeg Robinetta.
+
+'Weet ge er niets van, Robinetta? Weet ge niet, waar het te vinden is?
+Wacht ge niet op het gouden sleuteltje?'
+
+'Neen, neen! Vertel eens, wat is dat?'
+
+Johannes vertelde wat hij van dat boekje wist.
+
+'En ik heb het gouden sleuteltje; ik dacht dat gij het gouden kistje
+hadt. Is het niet zoo, vogelijn?'
+
+Doch het vogelijn deed of het niets hoorde en fladderde tusschen het
+jonge, lichte beukengroen.
+
+Zij zaten tegen een duinhelling, waarop kleine beuke- en sparreboomen
+stonden. Een groen paadje liep er schuins tegen op, en zij zaten aan den
+rand daarvan, in dik, donkergroen mos. Zij konden over de toppen der
+laagste boompjes heen zien, op een groene looverzee met licht- en donker-
+getinte golven.
+
+'Ik geloof wel, Johannes,' zei Robinetta nadenkend, 'dat ik voor je
+vinden kan, wat je zoekt. Maar wat bedoel je met dat sleuteltje? Hoe kom
+je daaraan?'
+
+'Ja, hoe was dat, hoe was dat ook weer?' prevelde Johannes en staarde
+over het groen in de verte.
+
+Als waren zij plotseling in het zonnige blauw ontstaan, kwamen hem
+opeens twee witte vlinders voor den blik. Zij dwarrelden, trilden en
+schitterden in het zonlicht, met onbestemde, grillige vlucht. Doch zij
+kwamen dichterbij.
+
+'Windekind! Windekind!' fluisterde Johannes opeens in herinnering.
+
+'Wie is dat? Windekind!' vroeg Robinetta.
+
+Het roodborstje vloog kwetterend op, en de madelieven tusschen het gras
+vóór hem, schenen Johannes opeens geweldig verschrikt aan te staren, met
+hun wijde, witte oogjes.
+
+'Gaf die je dat sleuteltje?' vroeg het meisje verder. Johannes knikte en
+zweeg, doch zij wilde meer weten. 'Wie was dat? Heeft die je alles
+geleerd? Waar is hij?'
+
+'Nu is hij er niet meer. Nu is het Robinetta, niemand anders dan
+Robinetta, alleen Robinetta.' Hij omvatte haar arm en drukte er zijn
+hoofdje tegen.
+
+'Mal jongetje!' zeide zij en lachte. 'Ik zal je het boekje laten vinden,
+ik weet waar het is.'
+
+'Maar dan moet ik den sleutel gaan halen, en die is ver weg.'
+
+'Neen, neen dat behoeft niet. Ik vind het zonder sleutel, morgen, morgen,
+ik beloof het je.
+
+Toen zij naar huis gingen, fladderden de kapelletjes voor hen uit.
+
+Johannes droomde dien nacht van zijn vader, van Robinetta en van vele
+anderen. Het waren allen goede vrienden; zij stonden om hem heen en
+zagen hem innig en vertrouwelijk aan. Doch op eenmaal waren de gezichten
+veranderd, hun blikken koel en spottend, hij keek angstig om, aan alle
+zijden wreede vijandige gezichten. Hij voelde een namelooze beklemming
+en werd schreiend wakker.
+
+
+
+
+IX
+
+
+Reeds lang zat Johannes te wachten. De lucht was kil, en groote wolken
+dreven dicht over de aarde, in statige, eindelooze opvolging. Ze
+breidden sombergrauwe, wijd golvende mantels uit en krulden haar
+trotsche koppen in het klare licht, dat daarboven scheen. Wondersnel
+wisselden zonlicht en schaduw op de boomen, als een telkens opvlammend
+vuur. Het werd Johannes angstig daarbij te moede; hij peinsde over het
+boekje, niet recht geloovend, dat hij het heden vinden zou. Tusschen de
+wolken, veel hooger, ontzaglijk hoog, zag hij het heldere, strakke blauw
+en daarop teedere, witte wolkjes, fijngepluimd, kalm zich uitstrekkend
+in onbeweeglijke rust. 'Zóó moet het zijn,' dacht hij, 'zoo hoog, zoo
+licht, zoo stil.' Daar kwam Robinetta. Het roodborstje was niet bij haar.
+
+'Het is goed, Johannes,' riep ze luid; 'je mag komen en het boek zien.'
+
+'Waar is het roodborstje?' vroeg Johannes twijfelend.
+
+'Dat is niet meegekomen, we gaan toch immers niet wandelen.'
+
+Hij ging mede, voortdurend bij zich-zelven denkende: 'Het kan niet, zóó
+kan het niet, het moest alles heel anders zijn.'
+
+Doch hij volgde het glanzig-blonde haar, dat hem voorlichtte. Ach! nu
+ging het droevig met den kleinen Johannes. Ik wenschte, dat zijn
+geschiedenis hier eindigde. Hebt gij wel eens heerlijk gedroomd, van een
+toovertuin met bloemen en dieren, die u liefhadden en tot u spraken? En
+hebt gij dan wel in uw droom het besef gekregen, dat gij spoedig zoudt
+ontwaken en al die heerlijkheid verliezen? Dan poogt gij vruchteloos
+haar vast te houden en wilt het koude morgenlicht niet zien.
+
+Zulk een gevoel had Johannes toen hij medeging.
+
+Hij kwam in een huis, in een gang, waar zijn voetstappen weerklonken.
+Hij rook de lucht van kleederen en spijzen; hij dacht aan lange dagen,
+toen hij thuis had moeten blijven, aan schoolwerk, aan al wat somber en
+koud in zijn leven was geweest.
+
+Hij kwam in een kamer met menschen. Hij zag niet hoeveel. Zij praatten,
+doch toen hij binnenkwam werd het stil. Hij lette op het vloerkleed, het
+had groote, onmogelijke bloemen met schelle kleuren. Zij waren even
+vreemd en wanstaltig als die van het behangsel in zijn slaapkamer thuis.
+
+'Is dat nu dat tuinmansjongetje?' zeide een stem recht tegenover hem.
+'Kom maar hier, vriendje, je behoeft niet bang te zijn.'
+
+En een andere stem klonk plotseling naast hem: 'Nu, Robbi, je hebt daar
+wel een aardig vrijertje.'
+
+Wat beteekende dat alles? Weer kwamen boven de donkere kinderoogen van
+Johannes diepe rimpels, en verward en verschrikt keek hij rond.
+
+Daar zat een zwart gekleede man en keek hem met koude, grijze oogen aan.
+
+'En je wilde zoo kennis maken met het boek der boeken? Het verwondert
+me, dat je vader, dien ik als een vroom man ken, je dat niet heeft
+gegeven.'
+
+'U kent mijn vader niet, die is ver weg.'
+
+'Zoo! nu, dat is hetzelfde. Ziehier, mijn vriendje! lees hier veel in,
+het zal je op je levensweg ...'
+
+Doch Johannes had het boek reeds herkend. Zóó kon hij het ook niet
+krijgen, het moest heel anders gaan. Hij schudde het hoofd.
+
+'Neen, neen! dat is het niet wat ik bedoel. Dit ken ik. Dit is het niet.'
+
+Hij hoorde geluiden van verbazing en voelde de blikken, die hem van alle
+zijden staken.
+
+'Wat? Wat meen je, mannetje?'
+
+'Ik ken dit boekje, het is het menschenboek. Maar het geeft niet genoeg,
+anders zou er rust zijn onder de menschen en vrede. En die zijn er niet.
+Ik bedoel iets anders, waaraan niemand twijfelen kan die het ziet,
+waarin staat, waarom alles is zooals het is, precies en duidelijk.'
+
+'Hoe is 't mogelijk? Waar heeft de jongen dat vandaan?'
+
+'Wie heeft je dat geleerd, vriendje?'
+
+'Ik geloof dat je verkeerde boeken gelezen hebt, jongen! en die napraat!'
+
+Zoo klonken de stemmen. Johannes voelde zijn wangen gloeien, het begon
+hem te duizelen, de kamer draaide, en de groote bloemen op het
+vloerkleed zweefden op en neer. Waar was het muisje, dat hem zoo trouw
+waarschuwde op school, dien eersten dag? Het was nu noodig.
+
+'Ik praat het niet uit boeken na, en die het mij geleerd heeft is meer
+waard dan gij allen. Ik ken de taal van bloemen en dieren, ik ben hun
+vertrouwde. Ik weet ook wat menschen zijn en hoe zij leven. Ik ken al de
+geheimen van feeën en kabouters, want mij hebben zij lief, meer dan de
+menschen.'
+
+Muisje! muisje!
+
+Johannes hoorde proesten en lachen, om hem en achter hem. Het zong en
+suisde in zijn ooren.
+
+'Hij schijnt Andersen gelezen te hebben.'
+
+'Hij is niet recht bij 't hoofd.'
+
+De man voor hem zeide: 'Als je Andersen kent, mannetje! dan moest je
+meer van zijn eerbied hebben voor God en zijn Woord.'
+
+'God!' dat woord kende hij, en hij dacht aan de les van Windekind.
+
+'Ik heb geen eerbied voor God. God is een groote petroleumlamp, waardoor
+duizenden verdwalen en verongelukken.'
+
+Geen gelach, maar een angstige stilte, waarin afschuw en ontzetting
+voelbaar rondwaarden. Johannes voelde de stekende blikken in den rug.
+Het was als in zijn droom van den vorigen nacht.
+
+De zwart-gekleede man stond op en nam hem bij den arm. Dat deed pijn en
+brak bijna zijn moed.
+
+'Hoor eens, jongen, ik weet niet of je niet wijs bent of diep bedorven,
+maar die goddeloosheid duld ik hier niet. Ga heen en kom niet meer onder
+mijn oogen, zeg ik. Ik zal navraag naar je doen, maar in deze buurt zet
+je geen voet meer. Verstaan?'
+
+Aller blikken waren koud en vijandig evenals dien nacht.
+
+Johannes zag angstig rond.
+
+'Robinetta! Waar is Robinetta!'
+
+'Jawel, mijn kind bederven! Pas op, als je ooit weer tot haar spreekt!'
+
+'Neen! laat me bij haar! Ik wil niet van haar weg. Robinetta!' schreide
+Johannes.
+
+Doch zij zat angstig in een hoek en keek niet op.
+
+'Voort, bengel! hoor je niet? Pas op, als je 't hart hebt weer te
+komen!'
+
+En de pijnlijke greep leidde hem door de klinkende gang, de glazen deur
+rammelde, en Johannes stond buiten, onder de donkere, laag drijvende
+wolken.
+
+Hij weende niet meer en staarde stil voor zich uit, terwijl hij langzaam
+voortliep. De droevige rimpels boven zijn oogen waren dieper, en gingen
+niet meer weg.
+
+Het roodborstje zat in een lindenhaag en keek naar hem. Hij stond stil
+en staarde zwijgend terug. Doch er was geen vertrouwen meer in de
+schuwe, glurende oogjes, en toen hij een stap naderde, vloog het vlugge
+diertje in een snorrende vlucht heen. 'Weg! weg! een mensch,' tjilpten
+de musschen, die op het tuinpad bij elkaar zaten, en zij vlogen naar
+alle zijden uiteen.
+
+Ook de opene bloemen lachten niet, maar staarden ernstig en onverschillig,
+zooals zij bij iederen vreemde doen.
+
+Doch Johannes vatte die teekens niet, maar dacht aan de krenking, die de
+menschen hem hadden aangedaan. Het was hem of zijn innig binnenste door
+koude, harde handen was ontwijd. 'Zij zullen mij gelooven,' dacht hij;
+'ik zal mijn sleuteltje halen en het hun toonen.'
+
+'Johannes! Johannes!' riep een fijn stemmetje. Daar zat een vogelnestje
+in een hulstboom, en de groote oogen van Wistik keken over den rand.
+'Waar gaat ge heen?'
+
+'Het is alles uw schuld, Wistik,' zeide Johannes. 'Laat mij met rust!'
+
+'Wat doet ge er ook met menschen over te spreken, menschen begrijpen u
+toch niet. Waarom zegt ge die dingen aan menschen? dat is heel dom.'
+
+'Zij hebben mij uitgelachen en pijn gedaan. Het zijn ellendige wezens!
+ik haat ze.'
+
+'Neen Johannes, ge houdt van hen.'
+
+'Neen! neen!'
+
+'Anders zou het u minder verdriet doen, dat zij niet zijn als gij; dan
+zou het u niet kunnen schelen, wat zij zeggen. Ge moet u minder om
+menschen bekommeren.'
+
+'Ik wil mijn sleuteltje. Ik wil het hun toonen.'
+
+'Dat moet ge niet doen, ze zouden u toch niet gelooven. Waartoe zou het
+dienen?'
+
+'Ik wil mijn sleuteltje, onder den rozenstruik. Weet ge dien te vinden?'
+
+'Ja wel! bij den vijver, niet waar? Ja dien weet ik.'
+
+'Breng mij er dan, Wistik!'
+
+Wistik klom op Johannes' schouder en zeide hem den weg. Zij liepen den
+ganschen dag, het woei en van tijd tot tijd vielen regenbuien, doch
+tegen den avond werden de wolken stil en verlengden zich tot lange
+gouden en grauwe strooken.
+
+Toen zij aan het duin kwamen, dat Johannes kende, werd het hem week te
+moede en hij fluisterde telkens 'Windekind! Windekind!'
+
+Daar was het konijnenhol, en de duin, waartegen hij eens geslapen had.
+Het grijze rendiermos was week en vochtig en kraakte niet onder zijn
+voet. De rozen waren uitgebloeid en de gele Teunisbloemen met haar
+bedwelmenden, flauwen geur staken bij honderden de kelken op. Hooger nog
+rezen de lange, trotsche toortsplanten met dikke, vilten bladeren.
+
+Zoekend speurde Johannes naar het fijne, bruinachtige loof van de
+duinroos.
+
+'Waar is zij, Wistik, ik zie haar niet.'
+
+'Ik weet er niet van,' zeide Wistik. 'Gij hebt het sleuteltje verborgen,
+ik niet.'
+
+Waar de roos gebloeid had, was een veld vol gele Teunisbloemen, die
+wezenloos naar boven keken. Johannes vroeg haar en ook de toortsplanten;
+die waren echter veel te trotsch, want haar lange bloemtros stak ver
+boven hem uit, en hij vroeg het aan de kleine, driekleurige viooltjes op
+den zandgrond.
+
+Doch niemand wist iets van de duinroos. Ze waren allen van dezen zomer.
+Zelfs de verwaande toortsplant, die zoo hoog was.
+
+'Ach, waar is zij? waar is zij?'
+
+'Hebt _gij_ mij ook al beet genomen?' zeide Wistik. 'Ik dacht het wel,
+dat heb je altijd met menschen.'
+
+En hij liet zich van Johannes' schouder glijden en liep weg tusschen het
+helm.
+
+Wanhopend staarde Johannes rond, daar stond een klein duinrozestruikje.
+
+'Waar is de groote roos,' vroeg Johannes, 'de groote die hier vroeger
+stond?'
+
+'Wij spreken niet met menschen,' zeide het struikje.
+
+Dat was het laatste, wat hij hoorde, al het levende om hem zweeg, alleen
+de helmen suisden in den zachten avondwind.
+
+'Ben ik een mensch?' dacht Johannes. 'Neen, dat kan niet, dat kan niet.
+Ik wil geen mensch zijn. Ik haat de menschen.'
+
+Hij was moede en dof van geest. Hij ging liggen aan den rand van 't
+veldje, op het weeke, grijze mos, dat een vochtigen, sterken geur
+verspreidde.
+
+'Nu kan ik niet terugkeeren, en nu zie ik Robinetta ook niet weer. Zou
+ik niet doodgaan, als ik haar niet heb? Zou ik blijven leven en een
+mensch zijn, een mensch zooals die anderen, die mij uitlachten?'
+
+Daar zag hij op eenmaal de twee witte vlinders weer, die van den kant
+der ondergaande zon naar hem toe fladderden. Gespannen volgde hij hun
+vlucht. Zouden zij hem den weg wijzen? Zij vlogen hem over 't hoofd,
+elkaar naderende en weer verlatende, om elkaar heen dwarrelende in
+wispelturig spel. Langzaam verwijderden ze zich van de zon en zweefden
+eindelijk over den rand der duinen naar het bosch, waarvan alleen de
+hoogste toppen nog kleurden in den avondschijn, die rood en schel onder
+de lange sombere wolkenrijen uit lichtte.
+
+Johannes volgde hen. Doch toen ze boven de eerste boomen waren, zag hij
+hoe een donkere schaduw hen in onhoorbare fladdervlucht achtervolgde en
+inhaalde. Het volgende oogenblik waren zij verdwenen. De zwarte schaduw
+schoot snel op hem toe, en angstig dekte hij het gezicht met de handen.
+
+'Wel, vriendje! wat zit je daar te huilen?' klonk een scherpe,
+spotachtige stem vlak naast hem. Johannes had een groote vleermuis op
+zich zien afkomen, doch toen hij opkeek, stond een zwart mannetje op het
+duin, niet veel grooter dan hij-zelf. Hij had een groot hoofd met groote
+ooren, die donker afstaken tegen den lichten avondhemel, en een mager
+figuurtje met dunne beenen. Van zijn gezicht zag Johannes alleen de
+kleine, schitterende oogen.
+
+'Heb je iets verloren, kereltje? Dan zal ik je helpen zoeken,' zeide
+hij. Doch Johannes schudde zwijgend het hoofd.
+
+'Kijk eens! wil je die van mij hebben?' begon hij weer en opende zijn
+hand.
+
+Daarin zag Johannes iets wits, dat van tijd tot tijd even bewoog. Het
+waren de witte kapelletjes, die stervend met de gescheurde en gebroken
+vleugeltjes trilden. Johannes voelde een huivering, alsof iemand hem
+tegen het achterhoofd blies, en angstig keek hij naar het vreemde
+wezen op.
+
+'Wie zijt gij?' vroeg hij.
+
+'Wou je mijn naam weten, ventje? Nu, zeg maar Pluizer, familjaarweg
+Pluizer. Ik heb nog wel mooier namen, maar die begrijp je toch niet.'
+
+'Zijt gij een mensch?'
+
+'Wel nu nog mooier! Nu heb ik nogal armen en beenen en een hoofd, kijk
+eens wat een hoofd! en nu vraagt zoo'n jongen nog of ik een mensch ben.
+Maar, Johannes! Johannes!' En het mannetje lachte met een piepend,
+doordringend geluid.
+
+'Hoe weet ge wie ik ben?' vroeg Johannes.
+
+'O, dat is voor mij een kleinigheid. Ik weet nog heel wat meer. Ik weet
+ook waar je vandaan komt en wat je hier komt doen. Ik weet verbazend
+veel, bijna alles.'
+
+'Ach, mijnheer Pluizer ...'
+
+'Pluizer, Pluizer, geen complimenten.'
+
+'Weet ge dan ook ...' Doch Johannes zweeg plotseling. 'Het is een mensch,'
+dacht hij.
+
+'Van je sleuteltje, bedoel je? Wel zeker!'
+
+'Maar ik dacht niet, dat menschen daarvan konden weten.'
+
+'Domme jongen! En Wistik heeft het al zoovelen verklapt.'
+
+'Kent ge Wistik dan ook?'
+
+'O ja! een van mijn beste vrienden, en ik heb veel vrienden. Maar ik
+wist dat ook zonder Wistik. Ik weet veel meer dan Wistik. Wistik is een
+goed ventje, maar dom, buitengewoon dom. Ik niet! lang niet!' En Pluizer
+klopte zelfvoldaan met zijn mager handje op zijn groot hoofd.
+
+'Weet je, Johannes,' ging hij voort, 'wat een groot gebrek van Wistik
+is? Maar je moet het hem nooit zeggen, want dan wordt hij erg boos.'
+
+'Nu, wat dan?' vroeg Johannes.
+
+'Hij bestaat niet. Dat is een groot gebrek, maar hij wil het niet weten.
+En hij zegt van mij, dat ik niet besta, maar dat liegt hij. Of ik besta!
+Drommels goed!'
+
+En Pluizer stak de kapelletjes in zijn zak en ging plotseling voor
+Johannes op zijn hoofd staan. Toen grijnsde hij erg leelijk en stak een
+lange tong uit. Johannes, die zich toch al niet op zijn gemak gevoelde
+alleen met dit wonderlijk wezen, bij den vallenden avond in het eenzame
+duin, rilde nu van angst.
+
+'Dit is een alleraardigste manier om de wereld te bekijken,' zeide
+Pluizer, nog steeds op zijn hoofd staande. 'Als je wilt, zal ik je het
+ook leeren. Je ziet alles veel scherper en veel natuurlijker.'
+
+En hij spartelde met de spillebeentjes in de lucht en wendde zich op de
+handen om. Toen de roode avondgloed op het omgekeerde gelaat viel, vond
+Johannes het afschuwelijk, de kleine oogjes knipten in het licht en
+lieten het wit zien, aan den kant waar men het niet gewoon is.
+
+'Zie je, zoo schijnen de wolken de vloer, en de aarde het deksel van de
+wereld. Dat kun je evengoed volhouden als het tegenovergestelde. Boven
+of onder is er toch niet. Een mooie wandelplaats zou het op die wolken
+zijn.'
+
+Johannes keek naar de lange wolken. Hij vond dat zij op een geploegd
+land geleken met roode voren, alsof er bloed uit opwelde. Boven de zee
+straalde de poort van de wolkgrot.
+
+'Kan men daarheen gaan en daarin komen?' vroeg hij.
+
+'Gekheid!' zei Pluizer en stond eensklaps weer op zijn beenen, tot
+groote verlichting van Johannes. 'Gekheid! Als je daar bent, is het
+precies als hier, en dan lijkt dat moois een eindje verder. In die mooie
+wolken dáár is het mistig, grijs en koud.'
+
+'Ik geloof u niet,' zeide Johannes; 'nu zie ik eerst goed dat ge een
+mensch zijt.'
+
+'Och kom! geloof je mij niet, beste jongen, omdat ik een mensch ben? en
+wat ben je zelf dan wel voor bizonders?'
+
+'O Pluizer, ben ik ook een mensch?'
+
+'Wat dacht je! een elf? Elfen worden niet verliefd.' En Pluizer ging
+vlak voor Johannes zitten, de beenen onder zich gekruist en grijnsde hem
+strak aan. Johannes voelde zich onbeschrijfelijk beklemd en verlegen
+onder dien blik en had zich wel willen wegstoppen of onzichtbaar maken.
+Doch hij kon zijn oogen niet meer afwenden.
+
+'Alleen menschen worden verliefd, Johannes, hoor je! en dat is maar goed
+ook, anders waren ze er al lang niet meer. En jij bent verliefd als de
+beste, al ben je nog zoo klein. Aan wie denk je op 't oogenblik?'
+
+'Aan Robinetta!' fluisterde Johannes nauwelijks hoorbaar.
+
+'Naar wie verlang je het meest?'
+
+'Robinetta!'
+
+'Zonder wie denk je niet te kunnen leven?'
+
+Johannes' lippen bewogen geluidloos: 'Robinetta!'
+
+'Nu dan, ventje,' grinnikte Pluizer, 'wat verbeeld je je dan, een elf te
+zijn? Elfen worden niet verliefd op menschenkinderen.'
+
+'Maar het was Windekind ...' stamelde Johannes in zijn verlegenheid. Toen
+keek Pluizer ontzettend valsch en greep Johannes met zijn beenige handjes
+bij de ooren.
+
+'Wat is dat voor onzin! Wou je mij met dien snuiter bang maken? Die is
+nog veel dommer dan Wistik, veel dommer. Hij weet er niets van. En wat
+erger is, hij bestaat heelemaal niet en heeft nooit bestaan. Ik besta
+alleen, begrijp je? En als je mij niet gelooft, zal ik je laten voelen,
+dat ik er ben.'
+
+En hij schudde den armen Johannes hard bij de ooren. Deze riep:
+
+'Maar ik heb hem toch zoo lang gekend, en ik ben zoo ver met hem
+weggetrokken.'
+
+'Gedroomd heb je, zeg ik. Waar is dan je sleuteltje, he? Maar nu droom
+je niet, voel je wel?'
+
+'Au!' riep Johannes, want Pluizer kneep.
+
+Het was reeds donker, en de vleermuizen vlogen nu dicht langs hunne
+hoofden en piepten schril. De lucht was zwart en zwaar, geen blad bewoog
+in het bosch.
+
+'Mag ik naar huis gaan?' smeekte Johannes.'Naar mijn vader?'
+
+'Je vader? wat wil je daar doen?' zei Pluizer. 'Die man zal je wel
+vriendelijk ontvangen, nadat je zoo lang bent weggebleven.'
+
+'Ik verlang naar huis,' zeide Johannes, en hij dacht aan de huiskamer
+met het heldere lamplicht, waar hij zoo vaak bij zijn vader zat,
+luisterend naar het krassen van diens pen. Daar was het vredig en
+gezellig.
+
+'Ja, dan hadt je maar niet weg moeten gaan en weg moeten blijven, ter
+wille van dien mallen snuiter, die niet bestaat. Nu is het te laat. En
+het komt er ook niet op aan, ik zal wel voor je zorgen. Of ik het doe of
+je vader, dat is eigenlijk precies hetzelfde. Zoo'n vader, dat is toch
+maar verbeelding. Heb je hem soms zelf uitgezocht? Denk je dat er geen
+anderen zijn even goed en even knap? Ik ben even goed en veel knapper,
+veel knapper.'
+
+Johannes had geen moed tot antwoorden, hij sloot de oogen en knikte
+flauw.
+
+'En bij die Robinetta moet je het ook niet zoeken,' ging het mannetje
+voort. Hij legde de handen op Johannes' schouders en praatte dicht
+aan zijn oor.
+
+'Dat kind hield je even goed voor den gek als die anderen. Heb je niet
+gezien dat ze in den hoek bleef zitten, en geen woord zeide, toen je
+werd uitgelachen? Ze is niets beter dan al die anderen. Ze vond je een
+aardig jongetje en heeft met je gespeeld, zooals ze met een meikever zou
+spelen. Het kon haar niet schelen of je wegging. En van dat boekje wist
+ze niets. Maar ik wel, ik weet waar het is, en ik zal het je helpen
+zoeken. Ik weet bijna alles.'
+
+En Johannes begon hem te gelooven.
+
+'Ga je met mij mede? Wil je met mij zoeken?'
+
+'Ik ben zoo moe,' zeide Johannes, 'laat mij ergens slapen.'
+
+'Ik houd anders niet van slapen,' zei Pluizer, 'daar ben ik te levendig
+voor, een mensch moet altijd kijken en denken. Maar een poosje zal ik je
+met rust laten. Tot morgen.'
+
+Toen zette hij het vriendelijkste gezicht, dat hij zetten kon, Johannes
+keek strak in de glinsterende oogjes, tot hij niets anders zag. Zijn
+hoofd werd zwaar, hij leunde tegen de bemoste duinhelling. De oogjes
+schenen verder en verder te lichten, totdat zij sterren waren aan den
+zwarten hemel; het was alsof hij het geluid van verre stemmen hoorde,
+alsof de aarde zich onder hem verwijderde, toen hield zijn denken op.
+
+
+
+
+X
+
+
+Nog eer hij goed ontwaakt was, had hij een vaag besef, dat er iets
+bijzonders met hem was gebeurd, terwijl hij sliep. Doch hij was niet
+begeerig het te weten en om zich heen te zien. Hij wilde weer terug in
+den droom, die als een trage nevel langzaam wegtrok, daarin was
+Robinetta weder naar hem toegekomen en had hem over het haar gestreken,
+zooals vroeger, daarin had hij zijn vader weer gezien en Presto, in den
+tuin met den vijver.
+
+'Au!' dat was pijn. Wie deed dat? Johannes opende de oogen en zag in de
+grauwe morgenschemering een klein mensch vlak bij zich, die hem aan de
+haren trok. Hij lag in een bed en het licht was mat en ongelijk, als in
+een kamer.
+
+Doch het gezicht, dat over hem heenboog, bracht hem op eenmaal weder al
+de ellende en somberheid van gisteren te binnen. Het was Pluizer's
+gezicht, minder spookachtig en meer menschelijk, maar even leelijk en
+angstwekkend als den vorigen avond.
+
+'Och neen! laat mij droomen,' zeide hij.
+
+Doch Pluizer schudde hem: 'ben je mal, luiaard, droomen is dwaasheid,
+daarmee kom je niet verder. Een mensch moet werken en denken en zoeken.
+Daar ben je een mensch voor.'
+
+'Ik wil geen mensch zijn. Ik wil droomen.'
+
+'Dat helpt niet. Je moet. Je bent nu onder mijn hoede en met mij samen
+zul je werken en zoeken. Alleen met mij kan je vinden wat je verlangt.
+En ik zal je niet verlaten totdat wij het gevonden hebben.' Johannes
+voelde een vage ontzetting. Doch het was alsof een overmacht hem drukte
+en dwong. Willoos onderwierp hij zich.
+
+Weg waren duinen, boomen en bloemen. Hij was in een klein, schemerig
+verlicht kamertje, daarbuiten zag hij, zoover hij zien kon, huizen en
+weder huizen, somber en grauw, in lange, eentonige rijen.
+
+Rook steeg overal op in dikke kronkels en sloeg als een bruinachtige
+nevel in de straten neer. En op die straten liepen de menschen als
+groote, zwarte mieren haastig dooreen. Een verward gerucht steeg dof en
+aanhoudend uit hun massa op.
+
+'Zie Johannes,' zei Pluizer, 'is dat nu niet aardig? Dat zijn nu allen
+menschen en al die huizen zoover je zien kunt, nog verder dan die blauwe
+toren daar, zijn ook vol menschen, van boven tot beneden vol. Is dat
+niet merkwaardig? Dit is nog wat anders dan een mierenhoop.'
+
+Johannes luisterde met angstige nieuwsgierigheid, alsof hem een groot,
+verschrikkelijk ondier vertoond werd. Het was hem alsof hij op den rug
+van het monster stond, het zwarte bloed door dikke aderen zag stroomen
+en den donkeren adem uit honderd neusgaten zag stijgen. En hij werd bang
+voor het onheilspellend grommen der ontzaglijke stem.
+
+'Zie hoe hard al die menschen loopen, Johannes,' ging Pluizer voort.
+'Je kunt zien dat zij haast hebben en iets zoeken, niet waar? Maar het is
+grappig, dat geen een precies weet wat hij zoekt. Als ze nu een poosje
+gezocht hebben, dan komen ze iemand tegen, die heet Hein ...'
+
+'Wie is dat?' vroeg Johannes.
+
+'O! een goede kennis van me, ik zal je wel eens aan hem voorstellen. Nu
+die Hein zegt dan: 'Zoek je mij?' Daarop zeggen de meesten gewoonlijk:
+'O neen! ... jou bedoel ik niet!' maar dan antwoordt Hein weer: 'Er is
+toch niets anders te vinden dan mij.' Dan moeten ze zich wel met Hein
+tevreden stellen.'
+
+Johannes begreep, dat hij van den dood sprak.
+
+'En gaat dat altijd, altijd zoo?'
+
+'Welzeker, altijd. Er komen echter iederen dag weer een massa nieuwen en
+die beginnen dagelijks te zoeken, zonder te weten waarnaar, en zoeken en
+zoeken totdat ze eindelijk Hein vinden, zoo gaat het al een aardig
+poosje lang en zoo zal het ook nog wel een poosje blijven aanhouden.'
+
+'Zal ik ook niets anders vinden, Pluizer, niets anders dan ...'
+
+'Ja, Hein vind je zeker eens, maar dat doet er niet toe, zoeken maar!
+altijd blijven zoeken!'
+
+'Maar het boekje dan, Pluizer, gij zoudt mij het boekje laten vinden.'
+
+'Nu! wie weet! ik heb het niet tegengesproken. Wij moeten zoeken,
+zoeken. Wij weten tenminste waarnaar wij zoeken. Dat heeft ons Wistik
+geleerd. En er zijn er, die hun geheele leven zoeken om te weten
+waarnaar zij eigenlijk zoeken. Dat zijn de wijsgeeren, Johannes. Maar
+als Hein komt, is het met hun gezoek óók uit.'
+
+'Dat is vreeselijk, Pluizer.'
+
+'O neen, volstrekt niet. Hein is een heel goedig man. Maar hij wordt
+miskend.'
+
+Iemand stommelde buiten de kamerdeur op de trap. Klos! Klos! klonk het
+op de houten treden.
+
+Klos! Klos! nader en naderbij. Toen tikte iemand tegen de deur en het
+was alsof ijzer op hout tikte.
+
+Er kwam een groote man binnen. Hij had diepliggende oogen en lange,
+magere handen. Een koude tocht woei in het kamertje.
+
+'Welzoo,' zeide Pluizer, 'zijt gij daar, ga zitten! Wij spraken juist
+over u. Hoe gaat het u?'
+
+'Druk, druk!' zeide de lange man en wischte zich het koude zweet van het
+beenige bleeke voorhoofd.
+
+Roerloos en schuw staarde Johannes in de diepliggende oogen, die strak
+op hem gericht waren. Zij waren zeer ernstig en donker, doch niet wreed,
+niet vijandig. Na eenige oogenblikken ademde hij weer vrijer en klopte
+zijn hart minder hevig.
+
+'Dit is Johannes,' zeide Pluizer, 'hij heeft van een zeker boekje
+gehoord, waarin staat, waarom alles is zooals het is, en dat zullen wij
+nu samen gaan zoeken, niet waar?' Toen lachte Pluizer veelbeteekenend.
+
+'Zoo! zoo! nu dat is goed!' zeide de Dood vriendelijk, en knikte
+Johannes toe.
+
+'Hij is bang het niet te vinden, maar ik zeide hem maar eerst vlijtig te
+zoeken.'
+
+'Zeker!' zeide de Dood, 'vlijtig zoeken is het beste.'
+
+'Hij dacht, dat gij zoo verschrikkelijk waart. Nu zie je toch Johannes,
+dat je je vergist hebt, niet waar?'
+
+'Ach ja!' zeide de Dood welwillend, 'men spreekt veel kwaad van mij. Ik
+heb geen innemend uiterlijk, maar ik meen het toch goed.'
+
+Hij glimlachte flauw, als iemand die met ernstiger dingen vervuld is dan
+waarover hij spreekt. Toen wendde zich zijn donkere blik van Johannes af
+naar buiten en dwaalde peinzend over de groote stad.
+
+Lang waagde Johannes het niet te spreken, eindelijk zeide hij zacht:
+
+'Zult gij mij medenemen?'
+
+'Wat meen je, mijn jongen?' zeide de Dood, opkijkend uit zijn mijmering:
+'Neen! nu nog niet. Gij moet opgroeien en een goed mensch worden.'
+
+'Ik wil geen mensch worden als de anderen.'
+
+'Kom! kom!' zeide de Dood, 'daar is niets aan te doen.'
+
+Men kon hooren, dat dit een dagelijksche term van hem was. Hij ging
+voort.
+
+'Mijn vriend Pluizer kan u leeren, hoe men een goed mensch wordt. Men
+kan het op verschillende wijzen, maar Pluizer leert het ook uitstekend.
+Het is iets zeer schoons en begeerlijks een goed mensch te zijn. Daar
+moet ge niet op neer zien, ventje!'
+
+'Zoeken, denken, kijken!' zei Pluizer.
+
+'Zeker, zeker!' zei de Dood; en toen tot Pluizer: 'Bij wien zult ge hem
+brengen?'
+
+'Bij docter Cijfer, mijn oud-leerling.'
+
+'A ja! dat is een goed leerling. Dat is een zeer fraai voorbeeld van een
+mensch. Bijna volmaakt in zijn soort.'
+
+'Zal ik Robinetta weerzien?' vroeg Johannes bevend.
+
+'Wie bedoelt het ventje?' vroeg de Dood. 'O! hij is al verliefd geweest
+en verbeeldde zich toch een elf te zijn, hi! hi! hi!' lachte Pluizer
+geniepig!
+
+'Neen! beste jongen, dat gaat niet,' zei de Dood, 'die dingen zul je bij
+docter Cijfer wel verleeren. Wie zoekt wat gij zoekt, moet al het andere
+verliezen. Alles of niets.'
+
+'Ik zal een mensch uit één stuk van hem maken, ik zal hem eens laten
+zien wat eigenlijk verliefdheid is, dan zal hij er zich wel doorheen
+pluizen.'
+
+En Pluizer lachte vroolijk, de Dood richtte weer zijn zwarte oogen op
+den armen Johannes, die met moeite het snikken bedwong. Want hij
+schaamde zich voor den Dood.
+
+Deze rees plotseling op. 'Ik moet heen,' zeide hij, 'ik verpraat mijn
+tijd. Er is hier veel te doen. Goeden dag, Johannes! wij zullen elkander
+nog wel weerzien. Gij moet niet bang voor mij zijn.'
+
+'Ik ben niet bang voor u, ik wilde dat ge mij medenaamt. Toe! neem mij
+liever mede!'
+
+Doch de Dood wees hem zacht terug, hij was dergelijke vragen gewend.
+
+'Neen! Johannes, ga nu aan uw werk, zoek en zie! Vraag mij niet meer. Ik
+vraag maar eens en dan is het tijd genoeg.'
+
+Toen hij verdwenen was gedroeg Pluizer zich weer zeer buitensporig. Hij
+sprong over stoelen, buitelde over den grond, kroop op de kast en den
+schoorsteenmantel en voerde halsbrekende kunsten uit in de open vensters.
+
+'Dat was nu Hein! mijn goede vriend Hein!' riep hij, 'vond je hem niet
+aardig? Een beetje leelijk en knorrig van uitzicht. Maar hij kan ook
+heel vroolijk zijn, als hij plezier heeft in zijn werk. Maar dikwijls
+verveelt het hem. 't Is ook wel wat eentonig.'
+
+'Wie zegt hem, Pluizer, waarheen hij gaan moet?'
+
+Pluizer gluurde Johannes valsch en uitvorschend aan.
+
+'Waarom vraag je dat? Hij gaat zijn eigen gang, hij neemt wie hij
+krijgen kan.'
+
+Later heeft Johannes anders gezien. Doch nu wist hij niet beter of
+Pluizer sprak waarheid in alles.
+
+Zij gingen op de straat en bewogen zich door de krioelende menigte. De
+zwarte menschen liepen dooreen, lachten, praatten, zoo vroolijk dat
+Johannes zich moest verwonderen. Hij zag hoe Pluizer velen toeknikte,
+maar niemand beantwoordde den groet, allen keken vóór zich alsof ze
+niets gezien hadden.
+
+'Ze loopen nu te lachen,' zeide Pluizer, 'alsof zij mij geen van allen
+kenden. Maar dat schijnt maar zoo. Als ik alleen met hen ben, kunnen ze
+mij niet negeeren en dan zijn ze ook zoo vroolijk niet.' En onder het
+gaan was Johannes zich bewust dat er iemand achter hem liep. Als hij
+omkeek zag hij den langen, bleeken man, die met groote, onhoorbare
+schreden tusschen de menschen schreed. Hij knikte Johannes toe.
+
+'Zien de menschen hem ook?' vroeg Johannes aan Pluizer.
+
+'Ja zeker! allen, maar zij willen hem ook niet kennen. Nu ik gun hun
+dien trots!'
+
+De drukte en het geraas brachten Johannes in een soort verdooving, die
+hem zijn leed deed vergeten. De smalle straten en de hooge huizen, die
+het hemelblauw in rechte strooken verdeelden, de menschen die langs hem
+af en aan gingen, het slepen der voetstappen en het ratelen der wagens
+verstoorden de oude visioenen en den droom van dien nacht, als een storm
+de beelden in een waterspiegel. Het was hem alsof er niets anders
+bestond dan muren, ramen en menschen, alsof hij mede moest doen, mede
+draven in het rusteloos, ademloos gewoel.
+
+Toen kwamen zij in een stille buurt, waar een groot huis stond met
+grauwe, sierlooze ramen. Het zag er streng en onvriendelijk uit.
+Daarbinnen was het stil en rook Johannes een mengeling van vreemde,
+scherpe geuren, met een dompige kelderlucht tot grondtoon. In een kamer,
+vol wonderlijke werktuigen, zat een eenzame man. Hij was omringd door
+boeken, glazen en koperen voorwerpen, allen vreemd voor Johannes. Er
+viel een enkele zonnestraal over zijn hoofd heen in de kamer en fonkelde
+op flesschen met fraai gekleurde stoffen. De man tuurde ingespannen door
+een koperen buis en zag niet op.
+
+Toen Johannes naderkwam hoorde hij hem mompelen: 'Wistik! Wistik!'
+
+Naast den man, op een lang, zwart bankje, lag iets wits en wolligs, dat
+Johannes niet goed kon onderscheiden.
+
+'Goeden morgen, docter!' zei Pluizer, maar de docter keek nog niet op.
+
+Toen schrikte Johannes, want het witte voorwerp waarnaar hij ingespannen
+keek, kwam op eens in krampachtig rukkende beweging. Wat hij gezien had,
+was het witte buikdons van een konijntje. Het kopje met den beweeglijken
+neus lag achterover in ijzer geklemd, en de vier pootjes waren strak
+gebonden naast het lichaam. Kort duurde de wanhopige poging om zich te
+bevrijden, toen lag het beestje weder stil en alleen de snelle beweging
+van de bloedige keel toonde dat het nog leefde.
+
+En Johannes zag het ronde, goedige oog dat zoo wijd staarde in
+machteloozen angst en het was of hij het herkende. Ach! was dat niet
+het zachte lijfje, waartegen hij gerust had in dien eersten, zaligen
+elfennacht? Oude herinneringen drongen met geweld in hem boven. Hij
+vloog op het diertje toe:
+
+'Wacht! wacht! arm konijntje, ik zal u helpen.' En haastig trachtte hij
+de koordjes los te knoopen, die de teere pootjes striemden.
+
+Doch zijn beide handen werden tegelijk vastgegrepen en een scherpe lach
+klonk aan zijn oor.
+
+'Wat beduidt dat, Johannes? Ben je nog zóó kinderachtig? Wat moet de
+docter wel van je denken?'
+
+'Wat wil die jongen? wat doet hij hier?' vroeg de docter verbaasd.
+
+'Hij wilde een mensch worden, daarom kwam ik met hem bij u. Maar hij is
+nog wat klein en kinderachtig. Dit is niet de manier om te vinden wat je
+zoekt, Johannes!'
+
+'Neen! dit is de manier niet,' zeide de docter.
+
+'Docter, maak dat konijntje los!'
+
+Doch Pluizer kneep hem de beide handen, dat hij ineenkromp. 'Wat hebben
+wij afgesproken, mannetje?' siste hij hem in 't oor. 'Zoeken zouden wij,
+niet waar? Wij zijn hier niet in de duinen, bij Windekind en bij stomme
+dieren. Wij zouden menschen zijn, menschen! versta je. Als je een kind
+wilt blijven, als je niet sterk genoeg bent om mij te helpen, laat ik je
+gaan, zoek dan alleen!'
+
+Johannes zweeg en geloofde. Hij wilde sterk zijn. Hij sloot de oogen, om
+het konijntje niet te zien.
+
+'Beste jongen!' zeide de docter, 'je schijnt nog wat teergevoelig om te
+beginnen. Het is waar, de eerste maal is zoo iets naar om te zien. Ik
+zelf zie het altijd ongaarne en vermijd het zooveel mogelijk. Doch het
+is onontbeerlijk. En je moet begrijpen: wij zijn menschen en geen
+dieren, en het heil van de menschheid en van de wetenschap gaat boven
+dat van eenige konijnen.'
+
+'Hoor je!' zei Pluizer, 'de wetenschap en de menschheid!'
+
+'De man der wetenschap,' ging de docter voort, 'staat hooger dan alle
+andere menschen. Maar hij moet dan ook de kleine gevoeligheden, die de
+gewone menschen kennen, laten varen voor dat ééne groote: de wetenschap.
+Wilt ge zulk een mensch worden? was dat uw roeping, mijn jongen?'
+
+Johannes weifelde, hij wist nog niet recht wat een roeping was, zoomin
+als de meikever.
+
+'Ik wilde het boekje vinden,' zeide hij, 'waar Wistik van sprak.'
+
+De docter keek verbaasd en vroeg: 'Wistik?'
+
+Doch Pluizer zei snel: 'Hij wil het, docter, ik weet het wel. Hij wil de
+hoogste wijsheid zoeken, hij wil het wezen der dingen begrijpen.'
+
+Johannes knikte, 'Ja!' Zoover hij begreep, was dat zijn bedoeling.
+
+'Nu, dan moet je sterk zijn, Johannes, en niet klein en teerhartig. Dan
+zal ik je helpen. Maar bedenk: alles of niets.'
+
+En Johannes hielp met sidderende handen de losgemaakte koorden weer
+vaster om de pootjes van het konijntje strikken.
+
+
+
+
+XI
+
+
+'Wij zullen toch eens zien,' zeide Pluizer, 'of ik je niet evenveel
+moois vertoonen kan als Windekind.'
+
+En toen zij den docter vaarwel hadden gezegd en beloofd spoedig weer te
+komen, leidde hij Johannes rond in alle hoeken der groote stad, hij
+toonde hem, hoe het groote monster leefde, hoe het ademde en zich voedde,
+hoe het in zich-zelve verteerde en uit zich-zelve weer opgroeide.
+
+Doch hij had voorliefde voor de sombere achterbuurten, waar de menschen
+dicht opeengepakt zaten, waar alles grauw en groezelig, de lucht zwaar
+en bedompt was.
+
+Hij ging met hem in een der groote gebouwen, waaruit de rook opsteeg,
+dien Johannes den eersten dag gezien had. Er heerschte een verdoovend
+geraas, overal rammelde, ratelde, stampte en dreunde het, groote wielen
+wentelden en lange riemen schoven slingerend voort; zwart zagen muren en
+bodem, de vensters waren gebroken of bestoven. Hoog rezen de geweldige
+schoorsteenen boven het zwarte gebouw uit en zonden dikke, kronkelende
+rookzuilen op. In dat gewoel van raderen en werktuigen zag Johannes tal
+van menschen met bleek gelaat, met zwarte handen en kleederen, zwijgend
+en rusteloos werken.
+
+'Wie zijn dat?' vroeg hij.
+
+'Raderen, ook raderen,' lachte Pluizer, 'of menschen, zoo je wilt. Wat
+ze daar doen, doen ze dag in, dag uit. Men kan op die manier ook mensch
+zijn, in hun soort altijd.'
+
+En zij kwamen in vuile straatjes, waar het strookje hemelblauw zoo smal
+leek als een vinger en nog verduisterd werd door uitgespannen kleederen.
+Daar krioelde het van menschen; ze verdrongen elkaar, schreeuwden,
+lachten en zongen ook somtijds. In de huizen waren de kamertjes zoo
+klein, zoo donker en bedompt, dat Johannes nauwelijks durfde ademen. Hij
+zag havelooze kinderen over den kalen vloer kruipen en jonge meisjes met
+verwilderd haar, die liedjes neurieden voor magere, bleeke zuigelingen.
+Hij hoorde twisten en schelden, en alle gezichten om hem zagen moede, of
+dom en onverschillig.
+
+Het greep Johannes aan met een vreeselijke smart. Het had niets gemeen
+met zijn vroeger leed, daarvoor schaamde hij zich.
+
+'Pluizer,' vroeg hij, 'hebben die menschen altijd hier geleefd, zoo
+akelig en ellendig? Ook toen ik ...'
+
+Hij durfde niet verder gaan.
+
+'Welzeker, en dat is gelukkig. Zij leven volstrekt niet akelig en
+ellendig, zij zijn hier gewend en weten niet beter. Het is dom,
+onverschillig vee. Zie die twee vrouwen daar, voor haar deur zitten! Zij
+kijken zoo tevreden in de vuile straat, als jij vroeger naar je duinen!
+Om die menschen behoef je niet te huilen. Dan kan je wel om de mollen
+huilen, die nooit het daglicht zien.'
+
+En Johannes wist niet te antwoorden en wist ook niet waarom hij toch
+huilen moest. En te midden van het luidruchtige drijven en woelen zag
+hij steeds den bleeken, holoogigen man voortschrijden, met
+geruischloozen tred.
+
+'Toch een goede man, nietwaar?' zeide Pluizer, 'de menschen hieruit weg
+te halen. Maar toch zijn ze hier even bang voor hem.'
+
+Toen de nacht was gedaald, en de honderden lichtjes in den wind
+flikkerden en lange, wiegelende beelden in het donkere water wierpen,
+gingen beiden langs de stille straten. De oude, hooge huizen schenen
+vermoeid tegen elkander geleund te slapen. De meesten hadden hun oogen
+gesloten. Doch hier en daar schemerde nog een venster met matten, gelen
+glans.
+
+Pluizer vertelde aan Johannes lange verhalen van hen die daarachter
+woonden, van de pijnen, die daar werden uitgestaan, en van den strijd,
+die daar tusschen ellende en levenslust gestreden werd. Hij spaarde hem
+niets, het somberste, het laagste en platste zocht hij uit, en grinnikte
+van genoegen, als Johannes bij zijn verschrikkelijke verhalen bleek werd
+en zweeg.
+
+'Pluizer,' vroeg Johannes op eenmaal, 'weet gij iets van het Groote
+Licht?'
+
+Hij dacht, dat die vraag hem redden zou uit de duisternis, die dichter
+en drukkender om hem samendrong.
+
+'Praatjes! Praatjes van Windekind!' zeide Pluizer. 'Hersenschimmen en
+droomerijen! Er zijn alleen menschen, en ik-zelf. Dacht je, dat een God
+of iets van dien aard er vermaak in zou hebben, zoo'n rommel te regeeren
+als het hier op aarde is? En zoo'n groot licht zou er niet zoovelen hier
+in 't donker laten.'
+
+'En die sterren, die sterren dan?' vroeg Johannes, als verwachtte hij,
+dat die zichtbare grootheid het lage voor hem zou kunnen verheffen.
+
+'Die sterren? Weet je wel waarvan je praat, ventje? Het zijn geen
+lichtjes daarboven, zooals de lantaarns, die je hier om je heen ziet.
+Het zijn allen werelden, elke veel grooter dan deze wereld met haar
+duizenden steden, en middenin zweven wij als een klein stofje, en er is
+geen onder of boven, en naar alle zijden zijn werelden, al maar werelden,
+en dat houdt nimmer, nimmer op.'
+
+'Neen! Neen!' riep Johannes angstig, 'niet zeggen, niet zeggen! Ik zie
+lichtjes op een groot donker veld boven mij.'
+
+'Ja, zien kun je niet anders dan lichtjes. Al staarde je je leven lang
+omhoog, je zoudt niet anders zien dan lichtjes op een donker veld boven
+je. Maar je kunt, je _moet_ weten, dat het werelden zijn, noch boven,
+noch onder, waarin dit kluitje met zijn armzalig, wriemelend
+menschenzootje niets is, en als niets zal verdwijnen. Spreek dus niet
+meer van 'de sterren', als waren het er een paar dozijn, het is een
+dwaasheid.'
+
+Johannes zweeg. De grootheid, die het lage zou verheffen, verpletterde
+het.
+
+'Komaan,' zei Pluizer, 'nu zullen we iets vroolijks gaan zien.' Bij
+tusschenpoozen kwamen de golven van een lieflijk slepende muziek hen
+tegemoet. Op een donkere gracht was een groot huis, waar het licht hel
+uit vele, hooge vensters brak.
+
+Een lange stoet rijtuigen stond er voor. Het stampen der paarden klonk
+hol door de nachtelijke stilte, en hun koppen knikten: ja! ja!
+Glimlichtjes blonken op de zilveren knoppen van het tuig en op het
+vernis der wagens.
+
+Binnen was het een-en-al licht. Half verblind staarde Johannes in de
+schittering van honderden vlammen, van bonte kleuren, van spiegels en
+bloemen. Lichte gestalten streken langs de vensters, naar elkaar toe
+buigend, met lach en handgebaar. Tot ver achter in de zalen bewogen zich
+de rijkgetooide menschen met langzamen tred of met snelle, wiegelende
+draaiing. Een verward gerucht van gelach en blijde stemmen, slepende
+schreden en ruischende gewaden drong tot op straat door, meegedragen op
+de golven der weeke, bedwelmende muziek, die Johannes reeds van verre
+gehoord had. Op straat, dicht bij de ramen, stonden een paar donkere
+gestalten, waarvan alleen de gezichten vreemd en ongelijk werden
+verlicht door den glans, waarin zij gretig staarden.
+
+'Dat is mooi, dat is heerlijk!' riep Johannes; hij genoot bij het zien
+van zooveel kleur en licht en bloemen. 'Wat gebeurt daar? Mogen wij
+daarin?'
+
+'Zoo, vindt je dit nu toch mooi? Of verkies je soms liever een
+konijnenhol? Zie die menschen eens lachen en buigen en schitteren; zie
+eens hoe deftig en glad die mannen, hoe bont en opgeschikt die vrouwen!
+En welk een aandacht bij het dansen, alsof het de gewichtigste zaak ter
+wereld was.'Johannes dacht terug aan het bal in het konijnenhol en hij
+zag veel, dat hem er aan herinnerde. Doch alles was hier grooter en
+schitterender. De jonge vrouwen met haar rijken tooi schenen hem zoo
+schoon als elfen, als zij de lange, blanke armen ophieven en het hoofd
+half ter zijde wendden in den dans. De bedienden gingen statig rond en
+boden heerlijke dranken aan, met eerbiedige buiging.
+
+'Hoe prachtig! hoe prachtig!' riep Johannes.
+
+'Erg mooi, vindt je niet?' zei Pluizer. 'Maar nu moet je ook eens wat
+verder kijken dan je neus lang is. Je ziet nu niets dan lieve, lachende
+gezichten niet waar? Nu, het grootste deel van al die lachjes is leugen
+en gemaaktheid. Die vriendelijke, oude dames aan den kant zitten daar
+als hengelaars om een vijver; die jonge vrouwen zijn het aas, de heeren
+zijn de visschen. En hoe lief ze ook met elkaar keuvelen, ze rnisgunnen
+elkaar nijdig elke vangst. Als een van die jonge vrouwen plezier heeft,
+dan is het omdat ze mooier is aangekleed of meer heeren om zich lokt dan
+de andere, en het plezier van de heeren ontstaat vooral door die bloote
+halzen en armen. Achter al die lachende oogen en vriendelijke lippen
+schuilt iets heel anders. Zelfs die eerbiedige knechts denken lang niet
+eerbiedig. Als het op eens uitkwam wat allen waarlijk dachten, dan zou
+de partij gauw gedaan zijn!'
+
+En toen Pluizer hem alles wees, zag Johannes duidelijk de gemaaktheid in
+gezichten en gebaren en de ijdelheid, afgunst en verveling, die door het
+lachend masker heen gluurden of plotseling uitkwamen als het even werd
+afgelegd.
+
+'Nu,' zeide Pluizer, 'men moet hen maar laten begaan. Die menschen
+moeten zich toch amuseeren. En anders kunnen zij het niet.'
+
+Johannes voelde dat er iemand achter hem stond. Hij zag om. Het was de
+welbekende, lange gestalte. Het bleeke gelaat was grillig door den
+hellen glans verlicht, zoodat de oogen groote, donkere plekken vormden.
+Hij prevelde zachtkens bij zichzelven en wees met den vinger in de
+lichte zaal.
+
+'Zie,' zeide Pluizer, 'hij is weer aan 't uitzoeken.'
+
+Johannes zag waarheen de vinger wees. En hij zag hoe de oude dame onder
+het gesprek even de oogen sloot en de hand aan het hoofd bracht, en hoe
+het schoone, jonge meisje haar drentelen even staakte en met een lichte
+rilling vóór zich, staarde.
+
+'Wanneer?' vroeg Pluizer aan den Dood.
+
+'Dat is mijn zaak,' zeide deze.
+
+'Ik wilde Johannes ditzelfde gezelschap nog eens laten zien,' zeide
+Pluizer en knipoogde grijnzend. 'Kan dat?'
+
+'Van avond?' vroeg de Dood.
+
+'Waarom niet?' zeide Pluizer. 'Daar is uur noch tijd. Wat nu is, is
+altijd geweest, en wat worden zal, is er reeds.'
+
+'Ik kan niet mede,' zeide de Dood, 'ik heb te veel werk. Doch noem den
+naam van dat wat wij beiden kennen, en gij zult ook zonder mij den weg
+vinden.'
+
+Zij gingen toen een eindweegs door de eenzame straten, waar de
+gasvlammen flikkerden in den nachtwind en het donkere koude water tegen
+de grachtwallen kabbelde. De weeke muziek klonk flauwer en flauwer en
+verdoofde eindelijk in de groote rust, die over de stad lag.
+
+Daar klonk op eens van omhoog, met vollen galmenden metaalklank, een
+luid en feestelijk lied.
+
+Plotseling viel het neer van den hoogen toren, op de slapende stad, in
+de droeve duistere ziel van den kleinen Johannes. Verwonderd zag hij op.
+De klokkenzang hield aan, met helderen, kalmen klank, die zich jubelend
+verhief en forsch de doodsche stilte scheurde. Vreemd schenen hem die
+blijde tonen, die feestzang te midden van stillen slaap en donkeren rouw.
+
+'Dat is de klok,' zei Pluizer, 'die is altijd even vroolijk, jaar in,
+jaar uit. Elk uur zingt zij ditzelfde lied met gelijke kracht en
+opgewektheid. En des nachts klinkt het blijder dan des daags, alsof de
+klok juichte dat zij niet behoeft te slapen, dat zij altijd door even
+gelukkig kan zingen, waar duizenden onder haar weenen en lijden. Doch
+het vroolijkst klinkt het wanneer er iemand gestorven is.'
+
+Nogmaals verhief zich de jubelende galm.
+
+'Eens, Johannes,' ging Pluizer voort, 'zal achter zulk een venster in
+een stille kamer een flauw lichtje branden. Een droevig lichtje, dat
+peinzend trilt en de schaduwen op den wand doet dansen. Er zal geen
+gerucht zijn in de kamer, dan nu en dan een zacht, onderdrukt snikken.
+Er zal een bed staan met witte gordijnen, met lange schaduwen in de
+plooien. En in dat bed zal iets liggen, wit en stil. Dat zal de kleine
+Johannes geweest zijn. O, dan zal op eens datzelfde lied luid en lustig
+in die kamer breken en 't eerste uur bezingen na zijn dood.'
+
+Twaalf zware slagen dreunden door de lucht met lange tusschenpoozen. Bij
+den laatsten kreeg Johannes op eenmaal een gevoel alsof hij droomde, hij
+liep niet meer maar zweefde een eind boven de straat, aan Pluizer's
+hand. In snelle vaart streken hem de huizen en lantaarns voorbij. De
+huizen stonden nu minder dicht opeen. Ze vormden alleenstaande rijen,
+met donkere geheimzinnige gaten er tusschen, waar het gaslicht kuilen,
+plassen, puin en balken grillig verlichtte. Eindelijk kwam een groote
+poort, met zware zuilen en een hoog hek. In een oogwenk waren zij er
+over gezweefd en kwamen neer op vochtig gras naast een grooten zandhoop.
+Johannes dacht in een tuin te zijn, want hij hoorde 't ruischen van
+boomen in 't ronde.
+
+'Let nu goed op, Johannes, en houd dan nog eens vol, dat ik niet meer
+kan dan Windekind.'
+
+Toen riep Pluizer luide een korten, somberen naam, die Johannes deed
+huiveren. Van alle zijden herhaalde de duisternis den klank, en de wind
+voerde hem op in gierend draaien, totdat hij wegstierf in de hooge lucht.
+
+En Johannes zag hoe de grashalmen hem boven 't hoofd reikten, en hoe de
+kleine steen, die zooeven laan zijn voeten ag, hem nu het gezicht
+belemmerde. Pluizer naast hem, even klein als hij, vatte den steen met
+beide handen en wentelde dien met alle krachten om. Een verward geroep
+van fijne, hooge stemmetjes rees van den vrij geworden bodem op.
+
+'Hei! wie doet dat? Wat beteekent dat? Lomperd!' klonk het dooreen.
+
+Johannes zag zwarte gestalten haastig door elkaar loopen. Hij herkende
+den vluggen, zwarten loopkever, den glimmend bruinen oorworm met zijn
+fijne knijpers, pissebedden met haar ronde ruggen en slangachtige
+duizendpooten. In 't midden trok een lange aardworm zich bliksemsnel in
+zijn gang terug.
+
+Pluizer ging dwars door de tierende en scheldende bende op het hol van
+den aardworm toe.
+
+'Heidaar! lange, bloote slungel! kom eens voor den dag met je rooden
+puntneus!' riep Pluizer.
+
+'Wat moet je?' vroeg de worm uit de diepte.
+
+'Jij moet er uit, omdat ik er in wil, hoor je, kale zandeter!'
+
+Voorzichtig rekte de pier zijn spitsen kop uit de opening, tastte er
+eenige malen mee in 't rond en trok toen langzaam het naakte, geringde
+lijf verder naar de oppervlakte.
+
+Pluizer keek rond naar de andere dieren, die nieuwsgierig om hem heen
+drongen.
+
+'Een van jelui gaat mede en licht vóór. Neen, zwarte kever, je bent te
+dik, en jij met je duizend pooten zoudt me duizelig maken. Ha, jij daar,
+oorworm! jouw gezicht bevalt me. Ga mede en draag het licht in je
+scharen! Loopkever, loop! en zoek een dwaallicht of haal een fakkel van
+hout, dat rottend is.'
+
+De dieren kregen ontzag voor zijn gebiedende stem en gehoorzaamden.
+
+Toen daalden zij af in de wormengang. Voorop de oorworm met het lichtend
+hout, dan Pluizer, dan Johannes. Het was eng en duister daar beneden.
+Flauw zag Johannes de zandkorrels door het matte, blauwe schijnsel
+verlicht. Zij schenen groot als steenen, half doorschijnend, tot een
+gladden, vasten wand geschuurd door het lichaam van de pier. Deze
+laatste volgde nieuwsgierig. Johannes zag achter zich haar spitsen kop
+zich nu eens snel vooruit strekken, dan weer wachten tot het lange lijf
+nader aangetrokken was. Zij daalden zwijgend, lang en diep. Waar
+Johannes het pad te steil werd, steunde Pluizer hem. Er scheen geen
+einde te zullen komen; altijd nieuwe zandkorrels, en steeds kroop de
+oorworm voort, zich wendend en buigend met de kronkelingen van de gang.
+Eindelijk werd de weg breeder en weken de wanden vaneen. De zandkorrels
+werden zwart en vochtig; boven vormden ze een gewelf, waarlangs
+waterdroppels glinsterende strepen trokken en waardoor boomwortels zich
+strekten als verstijfde slangen.
+
+Daar rees plotseling voor Johannes' blik een loodrechte wand, zwart en
+hoog, die de geheele ruimte voor hem afsloot. De oorworm wendde zich om.
+
+'Ziezoo! Nu is het zaak, daar-achter te komen. Dat zal de pier wel
+weten, die is hier te huis.'
+
+'Kom, wijs ons den weg!' zei Pluizer.
+
+Langzaam schoof de aardworm het geringde lijf tot bij den zwarten wand
+en betastte dien zoekend. Johannes zag, dat het hout was. Hier en daar
+was het tot bruinachtige stof vervallen. Daar boorde de worm zich in, en
+het lange, lenige lijf gleed in drie tusschenpoozen weg.
+
+'Nu jij!' zei Pluizer en duwde Johannes in de kleine ronde opening. Een
+oogenblik dacht deze te stikken in den zachten, vochtigen molm; toen
+voelde hij zijn hoofd vrij komen en werkte zich met moeite geheel uit de
+opening los. Een groote ruimte scheen hem te omgeven. De grond was hard
+en vochtig, de lucht dik en ondragelijk benauwd, Johannes durfde nauw
+ademen en wachtte in nameloozen angst.
+
+Hij hoorde Pluizer's stem, die hol klonk als in een grooten kelder.
+
+'Hier Johannes, volg me!'
+
+Voor zich voelde hij den grond rijzen tot een berg. Aan Pluizer's hand
+beklom hij dien, in de diepe duisternis. Het was alsof hij op een kleed
+liep, dat meegaf onder zijn tred. Hij strompelde over kuilen en heuvels,
+Pluizer volgend, die hem medetrok tot een vlakke plaats, waar hij zich
+vastklemde aan lange halmen, die als buigzaam riet waren in zijn hand.
+'Hier staan wij goed! Licht!' riep Pluizer.
+
+Daar daagde het matte licht uit de verte, met zijn drager dalend en
+rijzend. Hoe nader het kwam en hoe meer het flauwe gloren de ruimte
+vervulde, des te vreeselijker werd Johannes' beklemming.
+
+De berg, dien hij betreden had, was lang en wit; het riet, dat hij
+omklemde, was bruin en krulde in glinsterende golven naar omlaag.
+
+Hij herkende de rechte gestalte van een mensch, en de kille vlakte,
+waarop hij stond, was het voorhoofd.
+
+Vóór hem lagen, als twee diepe, donkere kuilen, de ingezonken oogen, en
+het blauwe licht scheen op den dunnen neus en de grauwe lippen, in
+akeligen, stijven doodenlach geopend.
+
+Uit Pluizer's mond klonk een schelle lach, die dadelijk smoorde in de
+vochtige houtwanden.
+
+'Dit is nu een verrassing, Johannes!'
+
+De lange worm kwam aankruipen tusschen de plooien van het lijkkleed; hij
+schoof zich behoedzaam tegen de kin op en glipte over de strakke lippen
+in de zwarte mondholte.
+
+'Dit is nu de schoonste uit de danspartij, die je schooner vond dan een
+elf. Toen stroomden zoete geuren uit haar kleederen en haren, toen
+lonkten haar oogen en lachten haar lippen. Zie nu eens!'
+
+Bij al zijn ontzetting was er toch ongeloof in de oogen van Johannes.
+Zoo snel? Die pracht was zoo even, en nu reeds ...? 'Geloof je mij
+niet?' grijnsde Pluizer. 'Er ligt een halve eeuw tusschen toen en nu.
+Daar is uur noch tijd. Wat eenmaal was, zal altijd zijn, en wat worden
+zal, is altijd geweest. Je kunt het niet denken, maar moet het gelooven.
+Het is hier alles waarheid, alles wat ik je toon is waar! waar! Dat kon
+Windekind niet zeggen.'
+
+Grinnikend sprong Pluizer rond op het doodengelaat en bedreef de
+afschuwelijkste scherts. Hij zat op de wenkbrauw en trok bij de lange
+wimpers het ooglid op. Het oog, dat Johannes vroolijk had zien
+schitteren, staarde dof en rimpelig wit in het schemerlichtje. 'Nu
+vooruit!' riep Pluizer, 'er valt nog meer te zien!'
+
+De pier kroop langzaam uit den rechter mondhoek te voorschijn en de
+bange tocht werd voortgezet.
+
+Niet terug, maar langs nieuwe, even lange en sombere wegen. 'Nu komt een
+oude,' zeide de aardworm, toen weder een zwarte wand den weg afsloot.
+'Deze is hier al zeer lang.'
+
+Het was minder vreeselijk dan de vorige maal. Johannes zag slechts een
+verwarde massa, waaruit bruinachtige beenderen staken. Honderden wormen
+en insecten waren er zwijgend bezig. Het licht gaf opschudding.
+
+'Van waar komt gij? Wie brengt hier licht? Dat hebben wij niet noodig.'
+
+En snel schoten zij weg tusschen plooien en in holten. Doch zij
+herkenden een soortgenoot.
+
+'Zijt ge in die hiernaast geweest?' vroegen de wormen. 'Het hout is nog
+hard.'
+
+De eerste worm ontkende. 'Hij wil het buitenkansje voor zich houden,'
+zeide Pluizer zacht tot Johannes.
+
+Verder trokken zij, Pluizer gaf uitleg en wees aan, wie Johannes bekend
+waren. Er kwam een misvormd gezicht met starende, uitpuilende oogen,
+dikke, zwarte lippen en wangen. 'Dit was een deftig heer,' zeide hij
+toen vroolijk, 'je had hem moeten zien, zoo rijk, zoo voornaam en zoo
+ingebeeld. Zijn opgeblazenheid heeft hij gehouden.'
+
+Zoo ging het voort. Er waren ook magere, uitgeteerde gestalten met wit
+haar, dat blauw glinsterde in het zwakke licht, en kleine kinderen met
+groote hoofden en oudachtige denkersgezichten.
+
+'Zie, die zijn eerst na hun dood oud geworden!' zei Pluizer. Zij kwamen
+bij een man met vollen baard en opgetrokken lippen, wiens witte tanden
+blonken. Midden in het voorhoofd had hij een rond zwart gaatje.
+
+'Deze heeft Hein een handje geholpen. Waarom niet een beetje geduld? Hij
+was toch wel hier gekomen.'
+
+En weer kwamen gangen en nieuwe gangen en weer rechte gestalten met
+strakke, grijnzende gezichten en roerlooze, over elkaar gelegde handen.
+
+'Nu ga ik niet verder,' zei de oorworm, 'ik weet hier geen weg meer.'
+
+'Laat ons omkeeren,' zei de pier. 'Nog één, nog één!' riep Pluizer.
+
+Verder ging de tocht.
+
+'Het bestaat alles wat je ziet,' zei Pluizer onder het voortgaan, 'het
+is alles waar. Eén ding alleen is niet waar. Dat ben je zelf, Johannes.
+jij bent hier niet, en je kunt hier niet zijn.'
+
+En hij schaterlachte, als hij den angstigen, wezenloozen blik van
+Johannes bij zijn woorden zag.
+
+'Dit is de laatste! werkelijk de laatste!'
+
+'De gang loopt dood, ik ga niet verder,' zeide de oorworm knorrig.
+
+'Ik wil verder!' zeide Pluizer, en waar de gang eindigde, begon hij met
+beide handen te graven. 'Help mij, Johannes!'
+
+Willoos in zijn ellende, gehoorzaamde deze en groef de vochtige, fijne
+aarde weg.
+
+Zwijgend en zwoegend werkten zij door, totdat het zwarte hout kwam.
+
+De pier had den geringden kop ingetrokken en was achteruit verdwenen. De
+oorworm liet het licht vallen en ging terug.
+
+'Zij komen er niet in, het hout is te nieuw,' zeide hij bij 't heengaan.
+
+'Ik wil,' zei Pluizer en scheurde met de haakvingers lange, witte
+splinters krakend uit het hout.
+
+Een vreeselijke beklemming drukte Johannes. Doch hij moest, hij kon niet
+anders.
+
+Eindelijk kwam de donkere ruimte open. Pluizer nam het licht en kroop
+haastig naar binnen.
+
+'Hier, hier!' riep hij en liep naar het hoofdeinde.
+
+Doch toen Johannes bij de handen kwam, die stil over elkaar gevouwen op
+de borst lagen, moest hij rusten. Hij staarde op de magere, witte
+vingers, half verlicht aan de bovenzijde. Op eenmaal herkende hij ze,
+hij herkende den vorm en de plooien der vingers, de gedaante der lange
+nagels, nu donkerblauw verkleurd. Hij herkende een bruin vlekje aan den
+wijsvinger.
+
+Het waren zijn eigene handen.
+
+'Hier, hier!' riep Pluizer's stem van het hoofdeinde. 'Zie eens, herken
+je hem?'
+
+Nog wilde de arme Johannes zich weer oprichten en op het licht toegaan,
+dat hem wenkte. Doch hij kon niet meer. Het lichtje verglom tot volkomen
+duisternis, en hij viel bewusteloos.
+
+
+
+
+XII
+
+
+Diep zonk hij weg in den slaap, tot in de diepte waar geen droomen zijn.
+
+Toen hij uit die duisternissen herrees, langzaam, naar het grauwe, koele
+licht van den morgen, streek hij door bonte, zachte droomen uit vroeger
+tijd. Hij ontwaakte en zij gleden van zijn ziel als dauwdroppelen van
+een bloem. Kalm en vriendelijk was de uitdrukking van zijn oogen, half
+nog starend in het wemelen der lieflijke beelden.
+
+Doch in pijn, als een lichtschuwe, sloot hij ze voor het vale daglicht.
+Hij zag, wat hij ook den vorigen morgen gezien had. Het scheen hem ver
+en lang geleden. Doch uur na uur kwam hem weer te binnen, van den
+droevigen morgen tot den vreeselijken nacht. Hij kon niet gelooven, dat
+al die verschrikkingen in éénen dag waren verschenen. Het begin van zijn
+ellende scheen zoo ver, verloren in grauwen mist.
+
+Spoorloos gleden de zachte droomen van zijn ziel, Pluizer schudde hem,
+en de sombere dag begon, traag en kleurloos, de voorlooper van vele,
+vele andere.
+
+Doch wat hij den vorigen avond op dien bangen tocht gezien had, bleef
+hem bij. Was het slechts een afschuwelijk visioen geweest?
+
+Toen hij Pluizer er weifelend naar vroeg, keek deze hem spottend en
+verwonderd aan.
+
+'Wat bedoel je?' vroeg hij.
+
+Doch Johannes zag den spot niet in zijn blik, en vroeg of het niet
+waarlijk zoo geschied was, hij zag het nog zoo scherp en duidelijk
+voor zich!
+
+'Maar Johannes, wat ben je toch dom! Zulke dingen kunnen immers niet
+gebeuren!'
+
+En Johannes wist niet wat hij denken moest.
+
+'We zullen je gauw aan 't werk zetten. Dan zul je zulke domme vragen
+niet meer doen.'
+
+En zij gingen naar den docter Cijfer, die Johannes zou helpen vinden,
+wat hij zocht.
+
+Doch in de drukke straten hield Pluizer eenmaal plotseling stil en wees
+Johannes een mensch uit de menigte.
+
+'Ken je hem nog?' vroeg Pluizer en schaterde het uit toen Johannes bleek
+werd en den man verschrikt nastaarde.
+
+Hij had hem den vorigen nacht gezien, diep onder de aarde.
+
+Vriendelijk ontving hen de docter en deelde Johannes zijn wijsheid mede.
+Uren luisterde hij dien dag, en vele dagen daarna.
+
+Wat hij zocht had de docter nog niet gevonden. Doch hij had het bijna,
+zeide hij. Hij zou Johannes zoo ver brengen als hij zelve was en dan
+zouden zij er beiden wel komen.
+
+Johannes leerde en luisterde, ijverig en geduldig, dagen en maanden
+lang. Hij gevoelde weinig hoop, doch hij begreep, dat hij nu dóór moest
+gaan, zoo ver mogelijk. Hij vond het vreemd, dat terwijl hij licht
+zocht, het hoe langer hoe duisterder om hem werd. Het begin van al wat
+hij leerde was het best, doch hoe dieper hij doordrong hoe doodscher en
+duisterder. Hij begon met planten en dieren, met al wat om hem was en
+als hij er lang op gestaard had, werden het cijfers. Alles viel uiteen
+tot cijfers, bladen vol cijfers. Dat vond docter Cijfer heerlijk, en hij
+zeide, dat het hem licht werd, als de cijfers kwamen, doch voor Johannes
+was dat duisternis.
+
+Pluizer verliet hem niet en dreef en zweepte hem voort, als hij
+moedeloos en vermoeid was. Alle oogenblikken van genot of bewondering
+bedierf hij hem.
+
+Johannes verbaasde en verheugde zich, toen hij leerde en zag, hoe fijn
+de bloemen waren gebouwd, hoe zij vruchten vormden en hoe de insecten
+hen onwetend hielpen in die taak.
+
+'Dat is toch prachtig,' zeide hij, 'hoe juist is dat alles berekend en
+hoe fijn en doelmatig gemaakt.'
+
+'Ja, verbazend doelmatig,'zei Pluizer, 'jammer dat het grootste deel van
+die doelmatigheid en fijnheid tot niets dient. Hoeveel bloesems worden
+vruchten en hoeveel pitten worden boomen?'
+
+'Maar het schijnt toch alles naar een groot plan gemaakt,' antwoordde
+Johannes. 'Zie! de bijen zoeken honing voor zich zelven en weten niet
+dat zij de bloemen helpen, en de bloemen lokken de bijen door hun kleur.
+Het is een plan, en zij werken beide mede zonder het te weten.'
+
+'Dat lijkt heel mooi, maar er mankeert veel aan. Als de bijen kans zien,
+bijten zij een gat onder in de bloem en maken de heele ingewikkelde
+inrichting te schande. Een slimme plannenmaker, die zich door een bij
+voor den gek laat houden.'
+
+Bij het wonderbare samenstel van menschen en dieren ging het nog erger.
+Van al wat Johannes schoon en kunstig toescheen, toonde hij de
+onvolkomenheid en de gebreken. Het gansche heer van kwalen en ellende
+dat mensch en dier treffen kan, toonde hij hem, met voorliefde het
+walgelijkste en afzichtelijkste kiezend.
+
+'Die plannenmaker, Johannes, was erg slim, maar bij alles wat hij maakte
+vergat hij iets, en de menschen hebben handen vol werk, om al die
+gebreken zoo goed mogelijk bij te lappen. Zie maar om je heen! een
+parapluie, een bril, zelfs kleeren en huizen, het is alles menschelijk
+lapwerk. Het hoort volstrekt niet bij het plan. Maar de plannenmaker
+heeft niet bedacht dat menschen het koud zouden hebben en boeken zouden
+lezen en duizend dingen meer zouden gaan doen, waarvoor zijn plan niet
+deugde. Hij heeft zijn kinderen kleertjes gegeven, zonder te denken,
+dat zij er uit zouden groeien. Nu zijn bijna alle menschen lang hun
+natuurpakje ontgroeid. Nu gaan zij alles zelf doen en storen zich
+volstrekt niet meer aan den plannenmaker en zijn plannen. Wat hij hun
+niet gegeven heeft, nemen ze brutaal en eigenmachtig, en waar het hem
+blijkbaar te doen was hen te doen sterven, ontduiken zij den dood soms
+voor langen tijd, door allerlei kunstgrepen.'
+
+'Maar het is de schuld van de menschen,' riep Johannes, 'waarom wijken
+zij moedwillig af van de natuur?'
+
+'O domme Johannes! als een kindermeid een onnoozel kind met vuur laat
+spelen en het brandt zich, wie heeft dan schuld? Het kind dat geen vuur
+kende, of de meid die wist dat het kind zich branden zou? En wie is
+schuld, als de menschen afdwalen in ellende en onnatuur, zijzelve of de
+alwijze plannenmaker, bij wien zij als onwetende kinderen zijn?'
+
+'Maar zij zijn niet onwetend, zij wisten ...'
+
+'Johannes! als gij een kind zegt: 'raak dat vuur niet aan! het doet
+pijn' en als het kind het dan toch doet, omdat het niet weet wat pijn
+is, kunt gij u dan van schuld vrij pleiten en zeggen: 'zie! het kind was
+niet onwetend'? Gij toch wist, dat het uwen raad niet zou achten.
+Menschen zijn dwaas en dom als kinderen. Doch glas is bros en leem is
+week. En wie menschen maakt en hun dwaasheid niet rekent, is als hij die
+wapenen maakt van glas en niet bedenkt dat zij zullen breken, en pijlen
+van leem en niet bedenkt, dat zij zullen buigen.'
+
+En de woorden vielen als droppelen vloeiend vuur op Johannes' ziel. En
+in zijn borst zwol het grootste leed, dat zijn vroegere smarten verdrong
+en hem vaak deed weenen, in de stille, slapelooze uren van den nacht.
+
+Ach! slaap! slaap! Er kwam een tijd, na lange dagen, dat slaap hem het
+liefste was van alles. Daarin was geen gedachte en geen leed; en zijn
+droomen brachten hem altijd tot zijn vroeger leven terug. Heerlijk
+scheen het hem, als hij er van droomde, doch overdag kon hij zich niet
+meer te binnen brengen, hoe het geweest was. Hij wist alleen, dat zijn
+verdriet en verlangen van vroeger beter waren, dan het ledige, doode
+gevoel dat hij nu kende. Hij had eens smartelijk naar Windekind verlangd,
+hij had eens uur aan uur op Robinetta gewacht. Hoe heerlijk was dat
+geweest!
+
+Robinetta! Verlangde hij nog? Hoe meer hij leerde, hoe meer zijn
+verlangen week. Want ook dat werd ontleed en Pluizer legde hem uit wat
+liefde was. Toen schaamde hij zich en docter Cijfer zeide dat hij er nog
+geen cijfers van maken kon, maar dat het wel spoedig gebeuren zoude. Zoo
+werd het duisterder en duisterder om den kleinen Johannes.
+
+Hij had een flauw gevoel van dankbaarheid, dat hij Robinetta niet
+herkend had op zijn vreeselijken tocht met Pluizer.
+
+Als hij Pluizer er over sprak, zeide deze niets en lachte slim. Maar
+Johannes begreep dat het niet was geweest, om hem te sparen.
+
+De uren dat Johannes niet leerde en werkte, gebruikte Pluizer, om hem de
+menschen te laten zien. Hij wist hem overal te brengen, in de ziekenhuizen,
+waar in groote zalen de zieken lagen, lange rijen bleeke, uitgeteerde
+gezichten met doffe of pijnlijke uitdrukking, waar een naargeestige stilte
+was, slechts door kuchen en kermen gebroken. En Pluizer wees hem, wie van
+hen nimmer die zalen zouden verlaten. En als op een bepaald uur stroomen
+menschen het huis binnenkwamen om hunne zieke verwanten te bezoeken, zeide
+Pluizer: 'Zie! die allen weten, dat ook zij eens in dit huis en in die
+droeve zalen terecht zullen komen, om er in een zwarte kist uitgedragen te
+worden.'
+
+'Hoe kunnen zij nog ooit vroolijk zijn?' dacht Johannes.
+
+En Pluizer bracht hem op een klein bovenzaaltje, waar een weemoedig
+halfduister heerschte en waar de verwijderde klanken van een piano uit
+een naburig huis onophoudelijk en droomerig doordrongen. Daar wees
+Pluizer hem onder de anderen een zieke, die suffend voor zich uit
+staarde naar een smal zonnestraaltje, dat traag langs den muur kroop.
+
+'Die ligt daar al zeven jaar,' zeide Pluizer. 'Hij is zeeman geweest en
+heeft de palmen van Indië, de blauwe zeeën van Japan, de bosschen van
+Brazilië gezien. Nu amuseert hij zich al de lange dagen van zeven lange
+jaren, met dat zonnestraaltje en dat pianospel. Hij komt hier niet meer
+vandaan; maar het kan nog even lang duren.'
+
+Na dien dag was het Johannes' bangste droom, op eens te ontwaken in dat
+zaaltje, in dat weemoedig halfduister bij die droomerige klanken, om tot
+het einde toe niets anders meer te zien dan het gaande en komende licht.
+
+Pluizer bracht hem ook in de groote kerkgebouwen en liet hem luisteren
+naar wat daar gezegd werd. Hij bracht hem bij feesten, bij groote
+plechtigheden, in de binnenvertrekken van vele huizen.
+
+Johannes leerde de menschen kennen, en het gebeurde hem somtijds, dat
+hij aan zijn vroeger leven moest denken, aan de sprookjes, die Windekind
+hem verteld had, en aan zijn eigen ontmoetingen. Er waren menschen die
+hem aan het glimwormpje herinnerden, dat in de sterren zijn gestorven
+makkers meende te zien, of aan den eenen meikever, die een dag ouder was
+dan de andere en zooveel over een roeping gesproken had, en hij hoorde
+verhalen, die hem aan Kribbelgauw, den held der kruisspinnen, deden
+denken; of aan den aal, die niets deed en gevoed werd omdat een dikke
+koning deftig stond. Zich-zelven vergeleek hij wel met den jongen
+meikever, die niet wist wat een roeping was en in het licht vloog. Hij
+voelde zich alsof hij hulpeloos en verminkt op het vloerkleed rondkroop,
+met een draadje om 't lijf, een scherp draadje, waaraan Pluizer rukte
+en trok.
+
+Ach, den tuin zou hij wel niet meer vinden, wanneer zou de zwarte voet
+komen en hem verpletteren?
+
+Pluizer bespotte hem, als hij over Windekind sprak. En langzamerhand
+begon hij te gelooven, dat Windekind er nooit geweest was.
+
+'Maar, Pluizer! dan is het sleuteltje er ook niet, dan is er niets!'
+
+'Niets! Niets! Er zijn menschen en cijfers, dat is alles waar, dat
+bestaat, eindeloos veel cijfers.'
+
+'Maar, Pluizer, dan hebt ge mij bedrogen. Laat mij uitscheiden, laat mij
+niet meer zoeken, laat mij alleen!'
+
+'Weet je niet meer wat de Dood gezegd heeft? Een mensch zou je worden,
+een volmaakt mensch.'
+
+'Ik wil niet, het is vreeselijk.'
+
+'Je moet, je hebt ééns gewild. Zie docter Cijfer eens, vindt die het
+vreeselijk? Word zooals hij is.'
+
+Het was waar. Docter Cijfer scheen altijd rustig en gelukkig. Onvermoeid
+en onverstoorbaar ging hij zijn weg, studeerend en onderrichtend, tevreden
+en gelijkmoedig.
+
+'Zie hem,' zeide Pluizer, 'hij ziet alles en ziet ook niets. Hij bekijkt
+de menschen alsof hij zelf een ander wezen ware, dat niets met hen
+uitstaande heeft. Hij gaat tusschen kwalen en ellenden als een onkwetsbare
+en verkeert met den dood als een onsterfelijke. Hij verlangt alleen te
+begrijpen wat hij ziet, en hij vindt alles even goed wat hij te weten komt.
+Hij is met alles tevreden, zoodra hij het bereikt. Zóó moet je ook worden.'
+
+'Maar dat kan ik nooit.'
+
+'Ja, dat kan ik niet helpen.'
+
+Dat was immer het hopelooze einde van hun gesprek. Johannes werd dof en
+onverschillig, zocht en zocht, niet meer wetend waarnaar en waarom. Hij
+werd als de velen, die Wistik gesproken hadden.
+
+'t Werd winter, en hij merkte het nauwelijks.
+
+Op een killen, mistigen morgen, toen de natte, vuile sneeuw op de
+straten lag en van boomen en daken droop, ging hij met Pluizer zijn
+dagelijkschen gang.
+
+Op een plein ontmoette hij eenige jonge meisjes, op een rij, met
+schoolboeken in de hand. Ze wierpen elkaar met sneeuw en lachten en
+stoeiden. Helder klonken haar stemmetjes over het besneeuwde plein. Men
+hoorde geen geluid van voetstappen of rijtuigen, alleen de rinkelende
+bellen der paarden of het rammelen van een winkeldeur. Helder klonk de
+blijde lach door de stilte. Johannes zag hoe een der meisjes hem aankeek
+en bleef nastaren. Zij had een bontmanteltje om en droeg een zwarten
+hoed. Hij kende haar gelaat zeer goed, maar wist toch niet wie zij was.
+Zij knikte eens, en nog eens.
+
+'Wie is dat? ik ken haar.'
+
+'Ja, dat is wel mogelijk. Zij heet Maria. Sommigen noemen haar
+Robinetta.'
+
+'Neen, dat kan niet. Zij lijkt niet op Windekind. Het is een gewoon
+meisje.'
+
+'Ha! ha! ha! Zij kan niet lijken op niemand. Maar zij is wie zij is. Je
+hebt naar haar verlangd, ik wil je nu wel bij haar brengen.'
+
+'Neen, ik wil haar niet zien. Ik had haar liever dood gezien, zooals de
+anderen.'
+
+En Johannes keek niet meer om, maar liep haastig door en prevelde:
+
+'Dat is het laatste, er is niets! niets!'
+
+
+
+
+XIII
+
+
+Het klare, warme zonlicht van een eersten lentemorgen stroomde over de
+groote stad. Helle stralen vielen in 't kamertje, waar Johannes woonde;
+op de lage zoldering trilde en schommelde een groote lichtplek,
+weerkaatsing van het rimpelend water der gracht.
+
+Johannes zat voor het raam in den zonneschijn en staarde over de stad.
+Zij was geheel van uitzicht veranderd. De grauwe mist was een glanzig
+blauw zonnewaas geworden, dat het einde der lange straten en de torens
+in de verte omhulde. De lichtkanten der leien daken schitterden
+zilverwit, alle huizen hadden heldere lijnen en lichte vlakken door het
+zonlicht, er was een warme tinteling in de bleekblauwe lucht. Het water
+scheen levend geworden. De bruine knopjes der iepeboomen waren dik en
+glanzig, en luidruchtige musschen fladderden tusschen de takjes.
+
+Het werd Johannes zoo zonderling te moede, terwijl hij staarde. De
+zonneschijn bracht hem in een zoete verdooving.
+
+Er was vergetelheid en dadelijke weelde in. Droomend staarde hij op de
+schittering der golfjes, op de zwellende iepeknopjes, en hij luisterde
+naar het tjilpen der musschen. Er was vreugde in dat geluid.
+
+Zoo week was hij in langen tijd niet gestemd geweest; zoo gelukkig had
+hij zich in langen tijd niet gevoeld.
+
+Dat was de oude zonneschijn, dien hij herkende. Dat was de zon die hem
+vroeger naar buiten riep, naar den tuin, waar hij dan, in de luwte van
+een oud muurtje, op den warmen grond ging liggen, en lang kon genieten
+van al dat licht en die warmte, starend op de halmpjes en kluitjes vóór
+hem, gekoesterd in de zon.
+
+Het was hem zoo wèl in dat licht, het gaf hem het veilige thuisgevoel,
+zooals hij zich herinnerde dat het heel vroeger was, in de armen van
+zijn moeder. Hij moest aan al het verledene denken, doch hij weende of
+verlangde niet. Hij zat stil en droomde, niet anders wenschend dan dat
+de zon blijven mocht.
+
+'Wat suf je daar, Johannes?' riep Pluizer, 'je weet ik houd niet van
+droomen.'
+
+Johannes hief smeekend de peinzende oogen op.
+
+'Laat mij nog wat zoo blijven,' zeide hij. 'De zon is zoo goed.'
+
+'Wat vindt je aan die zon?' zeide Pluizer. 'Het is toch niets anders
+dan een groote kaars, of je in kaarslicht of zonlicht zit is volmaakt
+hetzelfde. Zie! die schaduwen en die lichte plekken op straat, dat is
+toch niets anders dan het schijnsel van een licht, dat wat stil brandt
+en niet flikkert. En dat licht is eigenlijk een heel klein vlammetje,
+dat op een heel klein stukje van de wereld schijnt. Daar! daar! voorbij
+dat blauw, onder en boven ons, is het donker, koud en donker! daar is
+het nu nacht, nu en altijd.'
+
+Doch zijn woorden hadden geen invloed op Johannes. De stille, warme
+zonnestralen doordrongen hem en vervulden zijn geheele ziel, het was
+licht en vredig in hem.
+
+Pluizer nam hem mede naar het kille huis van docter Cijfer. Een tijd
+lang nog zweefden de zonnebeelden voor zijn geest, toen verflauwden zij
+langzamerhand en midden op den dag was het geheel duister in hem.
+
+Doch toen de avond kwam en hij weder door de straten der stad ging, was
+de lucht zoel en vol vochtige voorjaarsgeuren. Alles geurde sterker en
+in de enge straten beklemde het hem. Maar op de open pleinen rook hij
+het gras en de knoppen van buiten. En boven de stad zag hij het voorjaar
+in de rustige wolkjes, in het teedere rood van den westelijken hemel.
+
+De schemering spreidde een zachten, grijzen nevel over de stad, vol
+fijne tinten. Het werd stil in de straten, alleen een straatorgel in de
+verte speelde een weemoedige wijs, de huizen schenen zwarte schimmen
+tegen den rooden avondhemel, als tallooze armen staken ze hun grillige
+spitsen en schoorsteenen op.
+
+Het was Johannes als een vriendelijke glimlach der zon, toen zij voor
+het laatst lichtte over de groote stad, vriendelijk als de glimlach die
+een dwaasheid vergeeft. En de zoelte streek Johannes liefkoozend langs
+de wangen.
+
+Toen kwam er een groote weemoed in Johannes' hart, zoo groot dat hij
+niet verder kon gaan en diep ademend zijn gezicht moest opheffen naar
+den wijden hemel. Het voorjaar riep hem en hij hoorde het. Hij wilde
+antwoorden, hij wilde komen. Het was alles berouw en liefde en
+vergeving in hem.
+
+Verlangend staarde hij omhoog en tranen gleden uit zijn droeve oogen.
+
+'Kom! Johannes! doe niet zoo raar, de menschen kijken!' zei Pluizer.
+
+De lange, eentonige huizenrijen strekten zich aan beide zijden somber en
+naargeestig uit. Een jammer in de zoele lucht, een klaagtoon tusschen
+het roepen van de lente!
+
+De menschen zaten aan de deuren en op de stoepen, om de lente te
+genieten. Het scheen Johannes een bespotting. De vuile deuren stonden
+open en de bedompte ruimte daarbinnen wachtte hen. Nog rekte het orgel
+in de verte zijn weemoedige tonen.
+
+'O! kon ik hier uit wegvliegen, ver weg, naar de duinen, naar--de zee!'
+
+Doch hij moest mede naar het hooge kleine kamertje en hij lag wakker
+dien nacht.
+
+Hij moest denken aan zijn vader en de lange wandelingen, die hij met hem
+maakte, als hij tien passen achter hem liep en zijn vader letters voor
+hem schreef in het zand. Hij moest aan de plaatsen denken, waar de
+viooltjes groeien tusschen het kreupelhout en aan de dagen, dat hij ze
+met zijn vader gezocht had. Den ganschen nacht zag hij het gezicht van
+zijn vader, zooals het was, als hij des avonds bij het stille lamplicht
+naar hem zat te kijken en luisterde naar het krassen van zijn pen.
+
+Iederen morgen vroeg hij Pluizer toen, om nog ééns terug te mogen gaan,
+naar zijn huis en zijn vader, om nog ééns zijn tuin en de duinen te
+mogen zien. Nu merkte hij dat hij zijn vader meer had liefgehad dan
+Presto en zijn kamertje, want het was om hem dat hij het vroeg.
+
+'Zeg mij alleen hoe het met hem is en of hij nog boos op mij is, dat ik
+zoolang ben weggebleven.'
+
+Pluizer haalde de schouders op. 'Al wist je dat nu, wat zou het je
+helpen?'
+
+Doch de lente bleef hem roepen, luider en luider. Iederen nacht droomde
+hij van het donkergroene mos aan de duinhellingen en van zonnestralen,
+die door het fijne, jonge groen schenen.
+
+'Het kan zóó niet langer duren,' dacht Johannes, 'ik kan het niet
+uithouden.'
+
+En vaak, als hij niet slapen kon, stond hij zachtjes op, ging naar het
+venster, en staarde in den nacht. Hij zag hoe de dommelige, donzen
+wolkjes langzaam langs de maanschijf schoven, vreedzaam drijvend in een
+zee van zachten glans. Hij dacht hoe nu daar in de verte de duinen
+sliepen in den zoelen nacht, hoe wondervol het moest zijn in de lage
+boschjes, waar geen van de jonge blaadjes zou bewegen en waar het zou
+geuren van vochtig mos en jonge berkenspruiten. Hij meende van verre het
+golvende koor der kikvorschen te hooren, dat zoo geheimzinnig aanzweeft
+over de velden, en het lied van den eenigen vogel, die de plechtige
+stilte mag begeleiden, die zijn zang zoo zacht en klagend begint en zoo
+plotseling afbreekt, waardoor de stilte nog stiller schijnt. En het riep
+hem, het riep hem alles. Hij boog het hoofd op de vensterbank en snikte
+op zijn arm.
+
+'Ik kan niet! ik kan het niet dragen. Ik zal wel gauw sterven, als ik
+niet komen mag.'
+
+Toen Pluizer hem den volgenden dag wekte, zat hij nog bij het venster,
+waar hij was ingeslapen met het hoofd op den arm.
+
+De dagen vergingen, werden lang en warm, en er kwam geen verandering.
+Doch Johannes stierf niet en zijn smart moest hij dragen.
+
+Op een morgen zeide docter Cijfer tot hem: 'Gaat ge mede Johannes, ik
+moet een zieke bezoeken.'
+
+Docter Cijfer was bekend als een geleerd man en velen riepen zijn hulp
+in tegen ziekte en dood. Reeds dikwijls was Johannes met hem medegegaan.
+
+Pluizer was bizonder vroolijk dien morgen. Hij ging telkens op het hoofd
+staan, danste en buitelde, en bedreef allerlei uitgelaten scherts. Hij
+grinnikte voortdurend geheimzinnig, als een die een ander een verrassing
+bereid heeft. Johannes vreesde hem zeer in die stemming.
+
+Docter Cijfer bleef echter ernstig als altijd.
+
+Zij gingen een verren weg dien morgen. In een spoortrein en te voet. Zij
+gingen verder dan anders, nog nooit was Johannes buiten de stad
+medegenomen.
+
+Het was een warme, zonnige dag. Uit den spoortrein zag Johannes de
+groote, groene weiden voorbijgaan met langgepluimd gras en grazende
+koeien. Hij zag witte vlinders fladderen boven het bloemrijke land, waar
+de lucht trilde van zonnehitte.
+
+Doch opeens voelde hij een tinteling, daar strekte zich de lange,
+golvende duinreeks uit!
+
+'Nu Johannes!' grinnikte Pluizer. 'Nu krijg je toch je zin, zie je wel!'
+
+Half ongeloovig bleef Johannes naar de duinen staren. Zij kwamen nader
+en naderbij. De lange slooten aan beide zijden schenen om hun middelpunt
+te draaien en snel vlogen enkele woningen langs den weg voorbij.
+
+Toen kwamen de boomen: dichtbebladerde kastanjeboomen, rijkelijk bloeiend
+met duizenden groote, witte of roode bloemtrossen, donker-blauwgroene
+dennen, groote, statige linden.
+
+Het was toch waarheid, hij ging zijn duinen weerzien.
+
+De trein stond stil, en toen liepen de drie te voet, onder schaduwrijk
+loof.
+
+Daar was het donkergroene mos, daar waren de ronde plekken der zonnestralen
+op den boschgrond, dat was de geur van berkenspruiten en dennenaalden.
+
+'Is het waar! is het werkelijk waar?' dacht Johannes, 'zou het geluk komen?'
+
+Zijn oogen schitterden en zijn hart klopte sterk. Hij begon te gelooven
+aan zijn geluk. Deze boomen, dezen grond kende hij, dit boschpad was hij
+vaak gegaan.
+
+Zij waren alleen op den weg. Doch Johannes moest omkijken, alsof hen
+iemand volgde. En hij meende tusschen het eikenloof de donkere figuur
+van een mensch te zien, die telkens door de laatste kronkeling van het
+pad verborgen bleef.
+
+Pluizer keek hem valsch en geheimzinnig aan. Docter Cijfer liep met
+lange schreden en staarde naar den grond.
+
+De weg werd hem bekender en vertrouwder, iederen steen, ieder struikje
+kende hij, toen verschrikte Johannes op eenmaal hevig, want hij stond
+voor zijn eigen huis.
+
+De kastanjeboom voor het huis breidde zijn groote, handvormige bladen
+schaduwend uit. Tot boven in den hoogen top prijkten de prachtig witte
+bloesems in de volle, ronde loovermassa.
+
+Hij hoorde het geluid der opengaande deur, dat hij zoo goed kende, en
+hij rook den geur van zijn eigen huis. Daar herkende hij de gang, de
+deuren, alles stuk voor stuk, met een smartelijk gevoel van verloren
+vertrouwelijkheid. Het was alles een deel van zijn leven, van zijn
+eenzaam, mijmerend kinderleven. Tegen al die voorwerpen had hij
+gesproken, hij had met hen geleefd in zijn gedachteleven, waarin hij
+geen mensch toeliet. Doch nu voelde hij zich gescheiden en afgestorven
+van het gansche oude huis, met zijn kamers en gangen en portaaltjes. Hij
+voelde dat die scheiding onherroepelijk was en het was hem alsof hij een
+kerkhof bezocht, zoo weemoedig en droevig.
+
+Was Presto hem maar tegemoetgesprongen, dan zou het minder akelig zijn,
+maar Presto was zeker weg of dood.
+
+Doch waar was zijn vader?
+
+Hij keek terug naar de open deur en den zonnigen tuin daarbuiten, en zag
+den man, die hem op weg scheen te achtervolgen, nu reeds op het huis
+toeschrijden. Hij kwam nader en nader en scheen grooter te worden bij
+het naderen. Toen hij bij de deur was vervulde een groote, kille schaduw
+de gang. Toen herkende Johannes den Man.
+
+Het was doodstil in huis en zij gingen zwijgend de trap op. Er was een
+trede, die altijd kraakte onder den tred, dat wist Johannes. En nu
+hoorde hij haar driemaal kraken, het klonk als pijnlijk kreunen. Doch
+onder den vierden voetstap was het als een doffe snik.
+
+En boven hoorde Johannes een gekreun, zacht en zoo regelmatig als
+langzaam klokgetik. Het was een pijnlijk akelig geluid.
+
+De deur van Johannes' kamertje stond open. Hij wierp er even een schuwen
+blik in. De wonderlijke bloemfiguren van het behangsel staarden hem
+verbaasd en wezenloos aan. De hangklok stond stil.
+
+Zij gingen naar de kamer van waar het geluid kwam. Het was zijns vaders
+slaapkamer. De zon scheen vroolijk naar binnen, op de gesloten, groene
+gordijnen van het bed. Simon de kat zat op de vensterbank in den
+zonneschijn. Er heerschte een beklemmende geur van wijn en kamfer. Het
+zachte kreunen klonk nu van nabij.
+
+Johannes hoorde fluisteren van stemmen en schuifelen van voorzichtige
+voetstappen. Toen werden de groene gordijnen opgeslagen.
+
+Hij zag het gezicht van zijn vader, dat hij zoo dikwijls voor zich had
+gezien den laatsten tijd. Doch het was geheel anders. De vriendelijke,
+ernstige uitdrukking was weg en het keek strak en benauwd. Het was
+vaalbleek, met bruine schaduwen. De tanden waren zichtbaar in den
+halfgeopenden mond en het wit der oogen onder de halfgesloten oogleden.
+Het hoofd lag weggezonken in het kussen en regelmatig hief het zich bij
+het kreunen even op, om dan weer moede op zij te vallen.
+
+Roerloos stond Johannes bij het bed en staarde met wijde strakke oogen
+naar dat bekende gezicht. Hij wist niet wat hij dacht, hij durfde geen
+vinger bewegen, hij durfde die oude, bleeke handen niet vatten, die slap
+op het witte linnen lagen.
+
+Het was alles zwart om hem, de zon en de lichte kamer, het groen
+daarbuiten en de blauwe lucht van zooeven, al wat achter hem lag, het
+werd zwart, zwart, dof en ondoordringbaar. En in dien nacht zag hij
+alleen dat bleeke hoofd daar vóór hem. En hij moest alleen denken aan
+dat arme hoofd, dat zoo moede scheen, en zich telkens en telkens weer
+met smartelijk geluid moest opheffen.
+
+Daar kwam een oogenblik verandering in de regelmatige beweging. Het
+kreunen hield even op, de oogleden gingen langzaam open, de oogen
+staarden zoekend rond en de lippen trachtten iets te zeggen.
+
+'Dag vader!' fluisterde Johannes en staarde angstig bevend in de
+zoekende oogen. De matte blik rustte toen even op hem en een flauw,
+flauw glimlachje rimpelde de holle wangen. De smalle, saamgeplooide hand
+werd van het linnen opgeheven en maakte een onzekere beweging naar
+Johannes, toen viel zij krachteloos weder neer.
+
+'Kom! kom!' zeide Pluizer, 'geen scène hier.'
+
+'Ga uit den weg, Johannes,' zeide docter Cijfer, 'wij moeten zien wat er
+te doen valt.' De docter begon het onderzoek, doch Johannes ging weg van
+het bed en stond voor het raam. Hij keek naar het zonnige gras en de
+heldere lucht en naar de breede kastanjeblaren, waarop dikke vliegen
+zaten, die blauw glansden in den zonneschijn. Het kreunen begon weer met
+dezelfde gelijkmatigheid.
+
+Een zwarte meerle huppelde tusschen het hooge gras in den tuin, groote
+rood- en zwarte vlinders dwarrelden over de bloemperken, uit het loover
+der hoogste boomen drong het zachte, vleiende gekir der houtduiven tot
+Johannes door.
+
+Hier binnen hield het kreunen aan, altijd door, altijd door. Hij moest
+er naar luisteren, en het kwam regelmatig, onafwendbaar als de vallende
+droppel, die krankzinnig maakt. In spanning wachtte hij bij elke
+tusschenpooze en telkens kwam het weer, verschrikkelijk als de voetstap
+van den naderenden dood.
+
+En daarbuiten heerschte warme, weelderige zonnevrede. Alles koesterde
+zich en genoot. De grashalmen trilden en de bladeren ritselden van zoete
+weelde, boven de hooge boomtoppen, diep in het wemelende blauw, zweefde
+een reiger met kalmen vleugelslag.
+
+Johannes begreep het niet, het was hem alles een raadsel. Het was zoo
+verward en duister in zijn ziel. 'Hoe kan dit alles tegelijk in mij
+zijn!' dacht hij.
+
+'Ben ik dit werkelijk? Is dat mijn vader, mijn eigen vader? Van mij,
+mij, Johannes?'
+
+Het was hem alsof hij van een vreemde sprak. Het was alles een verhaal,
+dat hij gehoord had. Hij had iemand hooren vertellen van Johannes en van
+het huis, waar hij woonde en van zijn vader, dien hij verlaten had en
+die nu sterven ging. Hij was het zelf niet, hij had het hooren vertellen.
+Het was wel een droevig verhaal, recht droevig. Maar het ging hem niet aan.
+
+Ja! ja! toch. Hij was het zelf, hij! Johannes!
+
+'Ik begrijp de zaak niet,' zeide docter Cijfer, zich oprichtende, 'het
+is een raadselachtig geval.'
+
+Pluizer kwam bij Johannes staan.
+
+'Kom je niet eens kijken, Johannes, het is een belangrijk geval. De
+docter weet het niet.'
+
+'Laat mij,' zeide Johannes, zonder zich om te wenden. 'Ik kan niet
+denken.'
+
+Doch Pluizer ging achter hem staan en fluisterde scherp in zijn oor,
+zooals zijn gewoonte was.
+
+'Niet denken! Dacht je dat je niet denken kon? Dat heb je mis. Je moet
+denken. Al kijk je nu in het groen en in de blauwe lucht, dat helpt
+niet. Windekind komt toch niet. En de zieke man dáár gaat toch dood. Dat
+heb je even goed gezien als wij. Maar wat zou zijn kwaal zijn, denk je?'
+
+'Ik weet het niet! ik wil het niet weten.'
+
+Johannes zweeg en luisterde naar het kreunen, het klonk zacht klagend en
+verwijtend. Docter Cijfer maakte aanteekeningen in een boekje. Bij het
+hoofd van het bed zat de donkere gestalte, die hen gevolgd was, het
+hoofd gebogen, de lange hand naar den zieke gestrekt en de diepliggende
+oogen naar de klok gericht.
+
+Het scherpe fluisteren aan zijn oor begon weer.
+
+'Waarom zie je zoo bedroefd, Johannes? Nu heb je toch je zin. Daar
+liggen de duinen, daar zijn de zonnestralen door het groen, daar
+fladderen vlinders en zingen vogels. Wat verlang je nu nog? Wacht je
+Windekind? Als hij ergens is, moet hij dáár zijn. Waarom komt hij nu
+niet? Zou hij bang zijn voor dien donkeren vriend aan het hoofdeneind?
+Die was er toch altijd.'
+
+'Zie je nu wel dat het alles verbeelding geweest is, Johannes?'
+
+'Hoor je dat kreunen wel? Het klinkt al zachter dan zooeven. Je kunt
+hooren dat het wel gauw heelemaal zal ophouden. Nu, wat is dat? Er
+hebben er al zooveel gekreund, ook toen jij hier buiten rondliep
+tusschen de duinrozen. Waarom sta je nu hier te treuren en gaat niet de
+duinen in, als vroeger? Zie! alles bloeit en geurt en zingt daar, alsof
+er niets gebeurt. Waarom doe je niet mee in al die vroolijkheid en
+dat leven?'
+
+'Eerst klaag je en verlang je, nu breng ik je waar je zijn wilde en nu
+is het weer niet goed. Zie! ik laat je gaan, ga door het hooge gras, lig
+in die koele schaduw, laat de vliegen om je gonzen en ruik den geur van
+het jonge kruid! ik laat je vrij, ga nu! Zoek Windekind nu weer!'
+
+'Je wilt niet? Geloof je nu dan toch alleen in mij? Is het waar wat ik
+je verteld heb? Loog Windekind of ik?'
+
+'Hoor het kreunen! Zoo kort en zwak. Het zal gauw stil zijn.'
+
+'Zie maar niet zoo angstig om, Johannes. Hoe eer het stil is, hoe beter.
+Nu zullen er geene lange wandelingen meer komen, nu zul je niet meer
+naar viooltjes zoeken met hem. Met wie zou hij die twee jaren gewandeld
+hebben, denk je? toen je weg waart? Ja, je kunt het hem nu niet meer
+vragen. Dat zul je nooit weten. Nu moet je je wel met mij tevreden
+stellen. Als je mij wat vroeger gekend hadt, zou je nu niet zoo
+jammerlijk kijken. Je bent nog lang niet zooals je wezen moet. Denk je
+dat docter Cijfer in jouw geval zoo kijken zou? Het zou hem even
+bedroefd maken als die kat, die daar spint in den zonneschijn. En dat is
+goed. Waartoe dient die rampzaligheid? Hebben de bloemen je die geleerd?
+Die treuren ook niet als er een geplukt wordt. Is dat niet gelukkig? Zij
+weten niets, daarom zijn zij zoo. Jij bent eens begonnen met iets te
+weten, nu moet je ook alles weten om gelukkig te worden. Dat kan ik
+alleen je leeren. Alles of niets.'
+
+'Luister naar mij. Wat scheelt het of dat je vader is? Het is een mensch
+die sterft, dat is een gewone zaak.'
+
+'Hoor je het kreunen nog? Erg zwak niet waar? Het zijn nu wel de laatsten.'
+
+Johannes zag naar het bed in bange beklemming.
+
+Simon de kat sprong van de vensterbank, rekte zich uit en legde zich
+spinnend naast den stervende in het bed.
+
+Het arme, moede hoofd bewoog niet meer, het lag stil in het kussen
+gezonken, doch uit den half geopenden mond kwamen nog regelmatig de
+korte, matte klanken.
+
+Zij werden zachter, zachter, nauwelijks hoorbaar.
+
+Toen wendde de Dood de donkere oogen van de klok naar het ingezonken
+hoofd en hief de hand op. Daarna werd het stil.
+
+Een vale schaduw viel over het strakke gelaat.
+
+Stilte, doffe, leege stilte!
+
+Johannes wachtte, wachtte.
+
+Doch de regelmatige klank keerde niet weer. Het bleef stil, een groote,
+suizende stilte.
+
+De spanning van het luisteren der laatste uren hield op, en het was
+Johannes of zijn ziel werd losgelaten en neerviel in een zwart en
+grondloos ledig. Hij viel dieper, en dieper. Het werd stiller en
+duisterder om hem.
+
+Daar klonk Pluizer's stem, als op een grooten afstand.
+
+'Ziezoo! dat verhaaltje is weer uit.'
+
+'Dat is goed,' zeide docter Cijfer, 'nu kunt gij zien wat het geweest
+is. Ik laat dat aan u over. Ik moet heen.'
+
+Half nog in een droom zag Johannes glinsterende messen blinken.
+
+De kat zette een hoogen rug. Het werd koud naast het lichaam, en hij
+zocht weer den zonneschijn.
+
+Johannes zag hoe Pluizer een mes nam, het zorgvuldig beschouwde en er
+mede naar het bed ging.
+
+Toen schudde Johannes de verdooving van zich af. Eer Pluizer bij het bed
+was, stond hij vóór hem.
+
+'Wat wilt ge? vroeg hij. Zijn oogen waren wijd geopend in ontzetting.
+
+'Wij zullen zien wat het geweest is,' zeide Pluizer.
+
+'Neen!' zeide Johannes, en zijn stem was laag als een mannenstem.
+
+'Wat beteekent dat?' zeide Pluizer met grimmig flikkerenden blik.
+
+'Kun jij mij verbieden? Weet je niet hoe sterk ik ben?'
+
+'Ik wil niet,' zeide Johannes. Hij sloot de tanden opeen en haalde diep
+adem. Vast staarde hij Pluizer aan en strekte de hand naar hem uit.
+
+Doch Pluizer naderde. Toen greep Johannes hem bij de polsen en worstelde
+met hem.
+
+Pluizer was sterk, hij wist het, nog nooit had hij hem weerstaan. Doch
+hij liet niet af, en zijn wil brak niet.
+
+Het mes schitterde voor zijn oogen, hij zag vonken voor zijn blik en
+roode vlammen, doch hij gaf niet toe en bleef worstelen. Hij wist wat er
+komen zou als hij bezweek. Hij kende het, hij had het vroeger gezien.
+Doch wat daar achter hem lag was zijn vader, en hij wilde het niet zien.
+
+En terwijl zij hijgend worstelden, lag achter hem het doode lichaam
+gestrekt en bewegingloos, zooals het gelegen had op het oogenblik, toen
+de stilte kwam, het wit der oogen zichtbaar als een smalle streep, de
+mondhoeken opgetrokken tot strakken grijnslach.
+
+Alleen als beiden in hun strijd tegen het bed stootten, schudde het
+hoofd zachtjes heen en weer.
+
+Nog hield Johannes vol, de adem begaf hem en hij zag niets meer. Een
+sluier van bloedrood licht was voor zijn oogen. Toch hield hij vol.
+
+Toen verzwakte langzamerhand de weerstand der beide polsen onder zijn
+greep. Zijn spieren ontspanden zich, zijn armen vielen slap langs zijn
+lijf en zijn gesloten handen waren ledig.
+
+Toen hij opzag was Pluizer verdwenen. Alleen de Dood zat bij het bed en
+knikte.
+
+'Dat was goed van u, Johannes,' zeide hij.
+
+'Zal hij weerkomen?' fluisterde Johannes. De Dood schudde het hoofd.
+
+'Nooit. Wie hem eenmaal aandurft, ziet hem nooit weer.'
+
+'En Windekind? Zal ik nu Windekind weerzien?'
+
+Lang keek de sombere man Johannes aan. Zijn blik was niet angstwekkend
+meer, maar zacht en ernstig, hij trok Johannes aan, als een groote diepte.
+
+'_Ik_ alleen kan u bij Windekind brengen. Door mij alleen kunt ge het
+boekje vinden.'
+
+'Neem mij dan mede, er is nu niemand meer, neem mij nu ook mede, zooals
+de anderen, ik wil niets anders meer ...'
+
+Nogmaals schudde de Dood het hoofd.
+
+'Gij hebt de menschen lief, Johannes. Gij wist het niet, maar gij hebt
+hen altijd liefgehad. Gij moet een goed mensch worden. Het is een schoon
+ding een goed mensch te zijn.'
+
+'Ik wil niet, neem mij mede ...'
+
+'Het is niet zoo. Gij wilt. Gij kunt niet anders!'
+
+Toen werd de lange, donkere gestalte nevelig voor Johannes' oogen, zij
+vervloeide in vage vormen, een ijle, grijze mist zweefde in 't vertrek
+en trok weg langs de zonnestralen.
+
+Johannes boog het hoofd over den rand van het bed en schreide bij den
+dooden man.
+
+
+
+XIV
+
+Na langen tijd hief hij het hoofd op. De zonnestralen vielen schuin naar
+binnen en hadden een rooden glans. Het schenen rechte, gouden staven.
+'Vader! Vader!' fluisterde johannes.
+
+Buiten vervulde de zon de geheele natuur met een wolk van schitterend
+gouden gloed. Elk blad hing roerloos en alles zweeg in plechtige
+zonnewijding.
+
+En langs het licht daalde een zachte suizeling naar binnen. Het was als
+zongen de lichte stralen.
+
+'Zonnezoon! Zonnezoon!'
+
+Johannes hief het hoofd op en luisterde. Het ruischte in zijn ooren.
+
+'Zonnezoon! Zonnezoon!'
+
+Het was als Windekind's stem. Die alleen had hem zoo genoemd, zou hij
+hem nu roepen?
+
+Doch hij zag naar het gelaat naast hem, hij wilde niet meer luisteren.
+
+'Arme, lieve vader!' zeide hij.
+
+Doch plotseling klonk het weer om hem, van alle zijden om hem, zoo
+sterk, zoo dringend, dat hij huiverde van wonderbare aandoening.
+
+'Zonnezoon! Zonnezoon!'
+
+Johannes stond op en staarde naar buiten. Welk licht! welk heerlijk
+licht. Het stroomde over de volle boomkruinen, het tintelde tusschen de
+grashalmen en vonkelde in de donkere schaduwplekken. De gansche lucht
+was er mede vervuld, tot hoog in het blauw, waar zich de eerste, teedere
+avondwolkjes vormden.
+
+Over het grasveld tusschen de groene boomen en heesters zag hij de
+duinen. Op hun toppen lag rood goud en in hun schaduwen hing het blauw
+des hemels.
+
+Rustig lagen zij gestrekt in een kleed van teedere tinten. De fijne
+golving hunner omtrekken was vredebrengend als een gebed. Johannes
+voelde weder hoe het was, toen Windekind hem had leeren bidden.
+
+Was zij daar niet, de lichte gestalte in het blauwe kleed? Zie! daar
+midden in het licht, wat daar schemert in een waas van goud en blauw, is
+dat niet Windekind, die hem wenkt?
+
+Johannes vloog naar buiten in den zonneglans. Daar stond hij een oogwenk
+stil. Hij voelde de heilige wijding van het licht, en durfde zich
+nauwelijks bewegen, waar het loover zoo stil was.
+
+Doch daar vóór hem was de lichte gestalte weer. Het was Windekind,
+zeker! hij was het. Het stralende hoofdje naar hem toegekeerd, de mond
+half geopend, als om te roepen. Hij wenkte hem met de rechterhand. In de
+linker hield hij iets omhoog. Hoog hield hij het met de toppen der
+slanke vingers, en het flonkerde en schitterde in zijn hand.
+
+Met een blijden kreet van geluk en verlangen snelde Johannes naar de
+geliefde verschijning. Doch ze verhief zich en zweefde vóór hem uit met
+lachend gelaat en wenkende hand. Soms raakte zij de aarde in langzame
+daling, maar dan rees zij weder op, licht en snel en zweefde verder als
+het zaadpluis, dat de wind voortdrijft.
+
+Johannes wilde zich ook verheffen en zweven, zooals vroeger en zooals in
+zijn droom. Doch de aarde trok zijne voeten, en zijn tred bleef zwaar op
+den grazigen grond. Hij moest met moeite zijn weg zoeken door de
+struiken, wier loover ritselend langs zijn kleederen streek en wier
+takken hem striemden in het gelaat. Zwoegend moest hij de mossige
+hellingen der duinen beklimmen. Doch hij volgde onvermoeid en zijn oog
+werd niet afgewend van Windekind's stralende verschijning, van wat daar
+blonk in de hooggeheven hand.
+
+Daar was hij midden in duin. In de gloeiende valleien bloeiden de
+duinrozen en zagen met hun duizenden bleekgele kelkjes in het zonlicht.
+Ook bloeiden er vele andere bloemen, helder blauwe, gele en purperen,
+zwoele hitte lag in de kleine dalen en koesterde de geurige kruiden.
+Sterke, harsachtige geuren hingen in de lucht. Johannes rook ze terwijl
+hij voortging, het thijm rook hij en den geur van het droge rendiermos,
+dat kraakte onder zijn voet. Het was bedwelmend heerlijk.
+
+En voor het liefelijk beeld dat hij vervolgde, zag hij de bonte
+duinvlinders fladderen. Kleine zwarte en roode kapelletjes, en het
+zandoogje, het vroolijke vlindertje met de zijdeachtige vleugeltjes van
+het teederste blauw. Om zijn hoofd snorden de gouden kevers, die op de
+duinroos leven en dikke hommels dansten gonzend tusschen het
+geblakerde duingras.
+
+Wat was het heerlijk, wat zoude hij gelukkig zijn, als hij maar bij
+Windekind was. Doch Windekind zweefde verder en altijd verder. Ademloos
+moest hij volgen. De groote bleekbebladerde doornstruiken hielden hem
+tegen en krasten hem met hun doornen; de vale, wollige toortsplanten
+schudden de lange hoofden, als hij ze wegduwde in zijn vaart. Hij klom
+tegen de zandige walletjes op en kwetste zijn handen aan het
+stekelig helm.
+
+Hij drong door de lage berkenboschjes waar het gras hem tot de knieën
+reikte en de watervogels opvlogen van de kleine vijvers, die glinsterden
+tusschen de struiken. Dichte witbloeiende meidoorns mengden hun geur met
+dien van het berkenloof en van de munthe, die talrijk groeide op den
+moerassigen grond.
+
+Doch toen hielden de boschjes, het groen en de kleurige bloemen op.
+Alleen de wonderlijke, bleekblauwe zeedistel groeide tusschen het vale,
+dorre helm.
+
+Op den top der laatste hooge duinenrij zag Johannes Windekind's beeld.
+Verblindend schitterde het in zijn opgeheven hand. Geheimzinnig lokkend
+klonk een groot gestadig bruisen van gene zijde, door een koelen wind
+overgedragen. Het was de zee. Johannes voelde dat hij haar naderde en
+langzaam klom hij de laatste helling op. Daarboven viel hij op de knieën
+en staarde over de zee.
+
+Toen hij zich boven den duinrand verhief, omgaf hem een roode gloed. De
+avondwolken hadden zich ter uitvaart van het licht geschaard. Als een
+wijde kring van geweldige rotsblokken met roodgloeiende randen omgaven
+zij de dalende zon. Op de zee was een breede weg van levend purpervuur,
+een vlammende, schitterende lichtweg, leidende naar den ingang des
+verren hemels.
+
+Achter de zon, waarin het oog nog niet staren kon, wemelden teedere
+tinten van blauw en rose dooreen, in de diepte van de lichtgrot.
+Daarbuiten langs den ganschen wijden hemel glansden roode vlammen en
+strepen, lichte vlokjes van bloedig dons en vegen van uiteenvloeiend
+vuur.
+
+Johannes wachtte, totdat de zonneschijf den gloeienden weg die tot hem
+leidde, aan het verste einde aanraakte.
+
+Toen zag hij neder, en dichtbij was het lichte beeld, dat hij gevolgd
+was. Een vaartuig, klaar en glinsterend als kristal, dreef bij het
+strand op de breede vuurbaan. Aan het eene einde der boot stond
+Windekind's ranke gedaante, met het gouden voorwerp dat blonk in zijn
+hand. Aan het andere einde herkende Johannes den duisteren Dood.
+
+'Windekind! Windekind!' riep Johannes. Doch in denzelfden tijd dat
+Johannes het wondere vaartuig naderde, zag hij naar den horizon. In het
+midden van de lichte ruimte, door de grove, vurige wolken omgeven, zag
+hij een kleine, zwarte gestalte. Zij werd grooter en grooter, langzaam
+naderde een mensch, rustig schrijdend over de woelende, vurige wateren.
+
+De roodgloeiende golven rezen en daalden onder zijn voet, doch kalm en
+rustig kwam hij nader.
+
+Het was een mensch, zijn gelaat was bleek en zijn oog diep en donker.
+Zoo diep als de oogen van Windekind, doch in hun blik was eindeloos
+zachte weemoed, zooals Johannes dien nimmer in andere oogen gezien had.
+
+'Wie zijt gij?' vroeg Johannes. 'Zijt gij een mensch?'
+
+'Ik ben meer!' zeide hij.
+
+'Zijt gij Jezus, zijt gij God?' vroeg Johannes.
+
+'Noem die namen niet,' zeide de gestalte, 'zij waren heilig en rein als
+priestergewaden en kostelijk als voedend koren, doch zij zijn tot draf
+geworden voor de zwijnen en tot narrekleederen voor de dwazen. Noem hen
+niet, want hun zin is tot dwaling, hun wijding tot spot geworden. Wie
+mij kennen wil, werpe die namen weg en luistere naar zichzelven.'
+
+'Ik ken u! ik ken u!' zeide Johannes.
+
+'Ik was het, die u deed weenen om de menschen, terwijl gij uwe tranen
+niet begrijpen kondet. Ik was het, die u deed liefhebben, waar gij uwe
+liefde niet verstondt. Ik ben bij u geweest, en gij hebt mij niet
+gezien, ik heb uwe ziel bewogen en gij hebt mij niet gekend.'
+
+'Waarom zie ik u nu eerst?'
+
+'Vele tranen moeten de oogen verhelderen, die mij zullen zien. En niet
+voor uzelven alleen, maar voor mij moet gij weenen, dan zal ik u
+verschijnen en gij zult mij herkennen als een ouden vriend.'
+
+'Ik ken u. Ik herkende u. Ik wil bij u zijn.'
+
+Johannes strekte de handen uit. Doch de mensch wees op het glinsterende
+vaartuig, dat langzaam voortdreef op den vurigen weg.
+
+'Zie!' zeide hij, 'dat is de weg naar alles wat gij verlangd hebt. Een
+andere is er niet. Zonder die beiden zult ge het niet vinden. Doe nu uwe
+keuze. Daar is het Groote Licht, daar zult gij zelve zijn wat gij
+verlangt te kennen. Daar!' en hij wees naar het donkere Oosten, 'waar de
+menschheid is en haar weedom, daar is mijn weg. Niet het dwaallicht, dat
+gij gedoofd hebt, maar ik zal u begeleiden. Zie nu, gij weet het. Doe
+uwe keuze.'
+
+Toen wendde Johannes langzaam het oog van Windekind's wenkende gestalte
+af en strekte de handen naar den ernstigen mensch. En met zijnen
+begeleider ging hij den killen nachtwind tegemoet, den zwaren weg naar
+de groote, duistere stad, waar de menschheid was en haar weedom.
+
+ * * * * *
+
+Wellicht vertel ik u eenmaal meer van den kleinen Johannes, doch op een
+sprookje zal het dan niet meer gelijken.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's De kleine Johannes, by Frederik van Eeden
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE KLEINE JOHANNES ***
+
+***** This file should be named 10819-8.txt or 10819-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/0/8/1/10819/
+
+Produced by Marc D'Hooghe
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS," WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+Each eBook is in a subdirectory of the same number as the eBook's
+eBook number, often in several formats including plain vanilla ASCII,
+compressed (zipped), HTML and others.
+
+Corrected EDITIONS of our eBooks replace the old file and take over
+the old filename and etext number. The replaced older file is renamed.
+VERSIONS based on separate sources are treated as new eBooks receiving
+new filenames and etext numbers.
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+EBooks posted prior to November 2003, with eBook numbers BELOW #10000,
+are filed in directories based on their release date. If you want to
+download any of these eBooks directly, rather than using the regular
+search system you may utilize the following addresses and just
+download by the etext year.
+
+ https://www.gutenberg.org/etext06
+
+ (Or /etext 05, 04, 03, 02, 01, 00, 99,
+ 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90)
+
+EBooks posted since November 2003, with etext numbers OVER #10000, are
+filed in a different way. The year of a release date is no longer part
+of the directory path. The path is based on the etext number (which is
+identical to the filename). The path to the file is made up of single
+digits corresponding to all but the last digit in the filename. For
+example an eBook of filename 10234 would be found at:
+
+ https://www.gutenberg.org/1/0/2/3/10234
+
+or filename 24689 would be found at:
+ https://www.gutenberg.org/2/4/6/8/24689
+
+An alternative method of locating eBooks:
+ https://www.gutenberg.org/GUTINDEX.ALL
+
+
diff --git a/old/10819-8.zip b/old/10819-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..cfa40dd
--- /dev/null
+++ b/old/10819-8.zip
Binary files differ
diff --git a/old/10819.txt b/old/10819.txt
new file mode 100644
index 0000000..f54a82a
--- /dev/null
+++ b/old/10819.txt
@@ -0,0 +1,5319 @@
+The Project Gutenberg EBook of De kleine Johannes, by Frederik van Eeden
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: De kleine Johannes
+
+Author: Frederik van Eeden
+
+Release Date: January 24, 2004 [EBook #10819]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO Latin-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE KLEINE JOHANNES ***
+
+
+
+
+Produced by Marc D'Hooghe
+
+
+
+
+DE KLEINE JOHANNES
+
+van
+
+FREDERIK VAN EEDEN
+
+
+
+Aan mijn vrouw
+
+
+
+
+I
+
+
+Ik zal u iets van den kleinen Johannes vertellen. Het heeft veel van een
+sprookje, mijn verhaal, maar het is toch alles werkelijk zoo gebeurd.
+Zoodra gij het niet meer gelooft, moet ge niet verder lezen, want dan
+schrijf ik niet voor u. Ook moogt ge er den kleinen Johannes nooit over
+spreken, als ge hem soms ontmoet, want dat zou hem verdriet doen en het
+zou mij spijten, u dit alles verteld te hebben.
+
+Johannes woonde in een oud huis met een grooten tuin. Het was er
+moeilijk den weg te vinden, want in het huis waren veel donkere
+portaaltjes, trappen, kamertjes en ruime rommelzolders, en in den tuin
+waren overal schuttingen en broeikasten. Het was een heele wereld voor
+Johannes. Hij kon er verre tochten in maken en hij gaf namen aan alles
+wat hij ontdekte.
+
+Voor het huis had hij namen uit het dierenrijk: de rupsenzolder, omdat
+hij er rupsen groot bracht; het kippenkamertje, omdat hij daar eens een
+kip gevonden had. Die was er niet van zelve gekomen, maar daar door
+Johannes' moeder te broeien gezet. In den tuin koos hij namen uit het
+plantenrijk, en lette daarbij vooral op de voortbrengselen, die voor hem
+van belang waren. Zoo onderscheidde hij een frambozenberg, een
+dirkjesbosch en een aardbeiendal. Heel achter was een plekje, dat hij
+het paradijs noemde en daar was het natuurlijk erg heerlijk. Daar was
+een groot water, een vijver, waar witte waterlelien dreven en het riet
+lange fluisterende gesprekken hield met den wind. Aan de overzijde lagen
+de duinen. Het paradijs zelf was een klein grasveldje aan dezen oever,
+omringd door kreupelhout, waartusschen het nachtegaalskruid hoog
+opschoot. Daar lag Johannes dikwijls in het dichte gras en tuurde
+tusschen de schuifelende rietbladen door naar de duintoppen over het
+water. Op warme zomeravonden was hij daar altijd en lag uren te staren,
+zonder zich ooit te vervelen. Hij dacht aan de diepte van het stille,
+heldere water voor zich, hoe gezellig het daar moest zijn, tusschen die
+waterplanten, in dat vreemde schemerlicht, en dan weer aan de verre,
+prachtig gekleurde wolken, die boven de duinen zweefden, wat daar wel
+achter zou zijn en of het heerlijk zou zijn daarheen te kunnen vliegen.
+Als de zon juist was ondergegaan, stapelden de wolken zich daar zoo
+opeen, dat ze den ingang van eene grot schenen te vormen en in de diepte
+van die grot schitterde het dan van zachtrood licht. Dat was wat
+Johannes verlangde. Kon ik daarin vliegen! dacht hij dan. Wat zou daar
+wel achter zijn? Zou ik daar eenmaal, eenmaal kunnen komen ...
+
+Maar hoe dikwijls hij dat wenschte, telkens viel de grot in vale,
+donkere wolkjes uiteen, zonder dat hij er dichter bij konde komen. Dan
+werd het koud en vochtig aan den vijver en hij moest weer zijn donker
+slaapkamertje in het oude huis gaan opzoeken.
+
+Hij woonde daar niet geheel alleen; hij had een vader, die hem goed
+verzorgde, een hond die Presto en een kat die Simon heette. Natuurlijk
+hield hij van zijn vader het meest, maar Presto en Simon achtte hij
+volstrekt niet zooveel beneden hem, als een groot mensch dat zou doen.
+Hij vertrouwde zelfs meer geheimen aan Presto dan aan zijn vader, en
+voor Simon gevoelde hij een eerbiedig ontzag. Nu, dat was geen wonder!
+Simon was een groote kat met glanzig zwart vel en een dikken staart. Men
+kon hem aanzien, dat hij volkomen overtuigd was van zijn eigen grootheid
+en wijsheid. Hij bleef altijd even deftig en voornaam, zelfs als hij
+zich verwaardigde even met een rollende kurk te spelen, of achter een
+boom een vergeten haringkop op te knauwen. Bij de dolle uitgelatenheid
+van Presto kneep hij minachtend de groene oogen toe en dacht: Nu ja! Die
+honden weten niet beter.
+
+Begrijpt ge nu, dat Johannes ontzag voor hem had? Met den kleinen
+bruinen Presto ging hij heel vertrouwelijk om. Het was geen mooi of
+voornaam, maar een bizonder goedig en schrander hondje, dat nimmer
+verder dan twee pas van Johannes weg te krijgen was en geduldig zat te
+luisteren naar de mededeelingen van zijn meester. Ik behoef u niet te
+zeggen, hoeveel Johannes van Presto hield. Maar hij had toch ook heel
+wat ruimte in zijn hart voor anderen over. Vindt ge het vreemd, dat zijn
+donker slaapkamertje met de kleine ruitjes daar ook een groote plaats
+innam? Hij hield van het behangsel met de groote bloemfiguren, waarin
+hij gezichten zag en waarvan hij de vormen zoo dikwijls bestudeerd had,
+als bij ziek was of 's morgens wakker lag, hij hield van het eene
+schilderijtje dat er hing, waarop stijve wandelaars waren afgebeeld, die
+in een nog stijver tuin wandelden langs gladde vijvers, waarin
+hemelhooge fonteinen spoten en kokette zwanen zwommen; het meest hield
+hij echter van de hangklok. Hij wond die altijd met zorg en aandacht op
+en hield het voor een noodzakelijke beleefdheid naar haar te kijken als
+zij sloeg. Dat ging natuurlijk alleen zoolang Johannes niet sliep. Was
+de klok door een verzuim stil blijven staan, dan voelde Johannes zich
+zeer schuldig en vroeg haar duizendmaal vergeving. Gij zoudt misschien
+lachen, als ge hem met zijn kamer in gesprek hoordet. Maar let eens op
+hoe dikwijls gij bij u zelven spreekt. Dat schijnt u in 't geheel niet
+belachelijk. Johannes was bovendien overtuigd, dat zijne hoorders hem
+volkomen begrepen en had geen antwoord noodig. Maar heimelijk wachtte
+hij toch wel eens een antwoord van de klok of het behangsel.
+
+Schoolkameraden had Johannes wel, maar vrienden waren het eigenlijk
+niet. Hij speelde met hen en smeedde samenzweringen op school en vormde
+rooverbenden met hen buiten, maar hij voelde zich eerst recht thuis als
+hij alleen met Presto was. Dan verlangde hij nimmer naar jongens, en
+voelde zich volkomen vrij en veilig.
+
+Zijn vader was een wijs en ernstig man, die Johannes dikwijls medenam op
+lange tochten door wouden en duinen; dan spraken ze weinig en Johannes
+liep tien schreden achter zijn vader, de bloemen groetend, die hij
+tegenkwam en de oude boomen, die zoo altijd op dezelfde plaats moesten
+blijven, vriendelijk met zijn handje langs de ruwe schors strijkend. En
+ruischend dankten hem dan de goedige reuzen.
+
+Soms schreef zijn vader letters in het zand bij het voortgaan, een voor
+een, en Johannes spelde de woorden, die zij vormden en soms ook stond de
+vader stil en leerde Johannes den naam van een plant of dier.
+
+En Johannes vroeg ook dikwijls, want hij zag en hoorde veel raadselachtigs.
+Domme vragen deed hij vaak; hij vroeg waarom de wereld was zooals zij was,
+en waarom dieren en planten dood moesten gaan, en of er wonderen konden
+gebeuren. Maar Johannes' vader was een wijs man en zeide niet alles wat hij
+wist. Dat was goed voor Johannes.
+
+'s Avonds voor dat hij slapen ging, deed Johannes altijd een lang gebed.
+Dat had de kindermeid hem zoo geleerd. Hij bad voor zijn vader en voor
+Presto. Simon had het niet noodig, dacht hij. Hij bad ook heel lang voor
+zichzelven en het slot was meestal de wensch, dat er toch eens een
+wonder mocht gebeuren. En als hij amen gezegd had, keek hij gespannen in
+het half duistere kamertje rond, naar de figuren van het behangsel, die
+nog vreemder schenen in het zwakke schemerlicht, naar den deurknop en
+naar de klok, waar nu het wonder zou beginnen. Maar de klok bleef altijd
+hetzelfde wijsje tikken en de deurknop bewoog zich niet, het werd geheel
+duister en Johannes viel in slaap, zonder dat het wonder gekomen was.
+
+Maar eenmaal zou het gebeuren, dat wist hij.
+
+
+
+
+II
+
+
+Het was warm aan den vijver en doodstil. De zon, rood en afgemat van
+haar dagelijksch werk, scheen een oogenblik op een verren duinrand uit
+te rusten, voor ze onderdook. Bijna volkomen spiegelde het gladde water
+haar gloeiend aangezicht weer. De over den vijver hangende bladen van
+den beuk maakten van de stilte gebruik om zich eens aandachtig in den
+spiegel te bekijken. De eenzame reiger, die tusschen de breede bladen
+van de waterlelie op een poot stond, vergat dat hij uitgegaan was om
+kikkers te vangen en tuurde in gedachten verzonken langs zijn neus.
+
+Daar kwam Johannes op het grasveldje, om de wolkengrot te zien. Plomp!
+plomp! sprongen de kikvorschen van den kant. De spiegel trok rimpels,
+het zonnebeeld brak in breede strepen en de beukenbladen ritselden
+verstoord, want zij waren nog niet klaar met hun beschouwing.
+
+Vastgebonden aan de naakte wortels van den beuk lag een oude kleine
+boot. Het was Johannes streng verboden daarin te gaan. O, wat was dezen
+avond de verzoeking sterk! Reeds vormden zich de wolken tot een
+ontzaglijke poort, waarachter de zon ter ruste zou gaan. Schitterende
+rijen wolkjes schaarden zich ter zijde als een goudgeharnaste lijfwacht.
+Het watervlak gloeide mede, en roode vonken vlogen als pijlen door het
+oeverriet.
+
+Langzaam maakte Johannes het touw der boot van de beukenwortels los.
+Daar te drijven, midden in de pracht! Presto was reeds in de boot
+gesprongen en eer zijn meester het zelf wilde, schoven de riethalmen
+vaneen en dreven zij beiden weg in de richting van de avondzon. Johannes
+lag op den voorsteven en staarde in de diepte van de lichtgrot. Vleugels!
+dacht hij, nu vleugels! en daarheen!
+
+De zon was verdwenen. De wolken gloeiden door. In het oosten was de
+hemel donkerblauw. Daar stond een rij wilgen langs den oever. Roerloos
+staken zij hun smalle witte blaadjes in de stille lucht. Tegen den
+donkeren achtergrond scheen dat prachtig bleekgroen kantwerk.
+
+Stil! wat was dat? Het schoot als een suizeling over het watervlak, als
+een lichte windvlaag, die een spitse vore in het water groeft. Het kwam
+van de duinen, van de wolkgrot.
+
+Toen Johannes omzag, zat een groote blauwe waterjuffer op den rand der
+boot. Zoo groot had hij er nog nimmer een gezien. Zij zat stil, maar
+haar vleugels bleven in een wijden cirkel trillen. Het scheen Johannes,
+dat de punten van haar vleugels een lichtenden ring vormden.
+
+Dat moet een vuurvlinder zijn, dacht hij, die zijn heel zeldzaam.
+
+Doch de ring werd grooter en grooter en de vleugels trilden zoo snel,
+dat Johannes niet meer dan een nevel zag. En langzamerhand zag hij uit
+dien nevel twee donkere oogen schitteren, en een lichte, ranke gestalte,
+in een teederblauw kleedje, zat op de plaats van de libel. In het blonde
+haar was een krans van witte winden en aan de schouders gazen
+haftvleugels, die als een zeepbel in duizend kleuren schitterden.
+
+Een huivering van geluk doortintelde Johannes. Dat was een wonder!
+
+'Wilt ge mijn vriend zijn?' fluisterde hij.
+
+Dat was wel een zonderlinge wijze om een vreemde aan te spreken, maar
+het ging hier niet gewoon toe. En hij had een gevoel, alsof hij het
+vreemde, blauwe wezen al lang kende. 'Ja Johannes!' hoorde hij en de
+stem klonk als het schuifelen van het riet in den avondwind of het
+ruischen van den regen op de bladen in het bosch.
+
+'Hoe moet ik u noemen?' vroeg Johannes.
+
+'Ik ben geboren in den kelk eener winde. Noem mij Windekind!'
+
+En Windekind lachte en staarde Johannes zoo vertrouwelijk in de oogen,
+dat het hem wonderbaar zalig te moede werd. 'Het is vandaag mijn
+verjaardag,' zeide Windekind, 'ik ben hier in den omtrek geboren, uit de
+eerste stralen der maan en de laatste der zon. Men zegt wel dat de zon
+vrouwelijk is. Dat is niet waar. Hij is mijn vader.'
+
+Johannes nam zich voor, morgen op school van _den_ zon te spreken. 'En
+kijk! daar komt het ronde, blanke gezicht van mijne moeder al te
+voorschijn. Dag moeder! O, o, wat kijkt zij weer goedig en bedrukt!'
+
+Hij wees naar de Oosterkimmen. Groot en glanzig rees daar de maan aan
+den grauwen hemel, achter het kantwerk der wilgen, dat zwart tegen de
+lichte schijf afstak. Zij zette werkelijk een zeer pijnlijk gezicht.
+
+'Kom! kom! moeder! het is niets. Ik kan hem immers vertrouwen!'
+
+Het schoone wezen trilde vroolijk met de gazen vleugels en tikte
+Johannes met de Irisbloem, die hij in de hand had, op de wang. 'Zij
+vindt het niet goed dat ik bij u gekomen ben. Gij zijt de eerste. Maar
+ik vertrouw u, Johannes. Gij moogt nooit, nooit aan een mensch mijn naam
+noemen of over mij spreken. Belooft gij dat?'
+
+'Ja, Windekind,' zei Johannes. Het was hem nog zoo vreemd. Hij voelde
+zich onuitsprekelijk gelukkig maar vreesde zijn geluk te verliezen.
+Droomde hij? Naast hem op de bank lag Presto kalm te slapen. De warme
+adem van zijn hondje stelde hem gerust. De muggen krioelden op het
+watervlak en dansten in de zoele lucht, evenals gewoonlijk. Het was
+alles zoo klaar en duidelijk om hem heen. Het moest waarheid zijn. En
+altijd voelde hij dat Windekinds vertrouwelijke blik op hem rustte.
+
+Daar klonk weer de zoet-ruischende stem:
+
+'Ik heb u vaak hier gezien, Johannes. Weet ge waar ik was? Soms zat ik
+op den zandgrond van den vijver tusschen de dichte waterplanten en zag
+naar u op, als ge over het water heenboogt, om te drinken of om de
+watertorren en salamanders te bekijken. Maar mij zelven zaagt gij nooit.
+Dikwijls ook keek ik naar u uit het dichte riet. Daar ben ik heel veel.
+Daar slaap ik meestal, als het warm is. In een leeg karkietennest. Ja!
+dat is heel zacht.'
+
+Windekind wiegde vergenoegd op den rand van de boot en sloeg met zijn
+bloem naar de muggen.
+
+'Nu kom ik u wat gezelschap houden. Het is anders zoo eentonig, uw
+leven. Wij zullen goede vrienden zijn en ik zal u veel vertellen. Veel
+beter dingen dan de schoolmeesters u wijs maken. Die weten er volstrekt
+niets van. En als gij mij niet gelooft, zal ik u zelven laten zien en
+hooren. Ik zal u meenemen.'
+
+'O, Windekind! lieve Windekind! kunt gij mij daarheen medenemen?' riep
+Johannes, en wees naar den kant, waar zooeven het purper licht van de
+ondergaande zon uit de gouden wolkenpoort gestraald had. Reeds ging het
+heerlijk gevaarte in grijze nevelen vervloeien. Toch drong de bleekroode
+glans nog uit de verste diepte te voorschijn. Windekind staarde in het
+licht, dat zijn fijn gezichtje en zijn blonde haren verguldde, en
+schudde zachtkens het hoofd. 'Nu niet! nu niet! Johannes. Ge moet niet
+dadelijk te veel vragen. Ik zelve ben nooit nog bij Vader geweest.'
+
+'Ik ben altijd bij mijn vader,' zeide Johannes.
+
+'Neen! dat is uw vader niet. Wij zijn broeders, mijn Vader is ook de
+uwe. Maar uw moeder is de aarde en daarom verschillen wij veel. Ook zijt
+ge in een huis bij menschen geboren en ik in een windekelk. Dat laatste
+is stellig beter. Maar wij zullen het toch goed samen vinden!'
+
+Toen sprong Windekind luchtig op de zijde van de boot, die niet bewoog
+onder dien last, en kuste Johannes op het voorhoofd.
+
+Wat was dat een vreemde gewaarwording voor Johannes! Het was of alles om
+hem heen veranderde.
+
+Hij zag alles nu veel beter en juister, dacht hij. Hij zag hoe de maan
+nu veel vriendelijker keek, en hij zag, dat de waterlelies gezichten
+hadden, waarmede zij hem verwonderd en peinzend aanstaarden.
+
+Hij begreep nu op eens, waarom de muggen zoo vroolijk op en neer dansten,
+altijd om elkaar heen, op en neer, tot ze met hun lange beenen het water
+raakten. Hij had er wel eens aan gedacht, maar nu begreep hij het van zelf.
+
+Hij hoorde ook wat het riet fluisterde en hoe de boomen aan den oever
+zachtjes klaagden, dat de zon was ondergegaan.
+
+'O, Windekind! ik dank u, dat is heerlijk. Ja, wij zullen het wel goed
+samen vinden!'
+
+'Geef mij een hand,' zei Windekind, en sloeg de veelkleurige vleugels
+uit. Toen trok hij Johannes in de boot voort over het water, door de
+plompebladen, die in het maanlicht glinsterden.
+
+Hier en daar zat een kikvorsch op een blad. Maar nu sprong hij niet in
+'t water als Johannes kwam. Hij maakte alleen een kleine buiging en
+zeide: 'Kwak!' Johannes boog beleefd terug, hij wilde zich vooral niet
+ingebeeld toonen.
+
+Daar kwamen zij aan het riet, dat was breed en de geheele boot verdween
+er in, zonder dat zij het land bereikten. Maar Johannes vatte zijn
+geleider stevig vast en toen klauterden zij tusschen de hooge halmen
+aan land.
+
+Johannes meende wel, dat hij kleiner en lichter was geworden, maar dat
+was misschien verbeelding. Toch herinnerde hij zich niet dat hij ooit
+tegen een riethalm had kunnen opklimmen.
+
+'Let nu goed op,' zei Windekind, 'nu zult ge iets aardigs zien.'
+
+Zij wandelden tusschen het hooge gras onder donker kreupelhout, dat hier
+en daar een smal, glanzig straaltje van het maanlicht doorliet.
+
+'Hebt ge 's avonds de krekels wel eens gehoord, Johannes, in de duinen?
+Het lijkt of zij een concert maken niet waar? en ge kunt nooit hooren,
+waar het geluid vandaan komt. Nu, zij zingen nooit voor hun pleizier,
+maar dat geluid komt van de krekelschool, waar honderd krekeltjes hun
+lessen van buiten leeren. Wees nu stil, want wij zijn er haast.'
+
+Shrrr! Shrrr!
+
+Het kreupelhout werd minder dicht, en toen Windekind met zijn bloem de
+grashalmen uiteen schoof, zag Johannes een helder verlicht open plekje,
+waar de krekeltjes bezig waren tusschen het dunne, spichtige duingras
+hun lessen te leeren.
+
+Shrrr! Shrrr!
+
+Een groote, dikke krekel was meester en overhoorde. Een voor een
+sprongen de leerlingen naar hem toe, altijd met een sprong heen en een
+sprong weer naar hun plaats terug. Wie mis sprong moest op een
+paddestoel te pronk staan.
+
+'Luister goed Johannes! dan kunt ge misschien ook wat leeren,' zei
+Windekind.
+
+Johannes verstond zeer goed wat de krekeltjes antwoordden. Maar het leek
+niets op wat de meester op zijn school vertelde. Eerst kwam geographie.
+Van de werelddeelen wisten zij niets. Zij moesten alleen 26 duinen
+kennen en twee vijvers. Van hetgeen verder was kon niemand iets weten,
+zei de meester, en wat er van verteld werd, was ijdele fantasie.
+
+Toen kwam de botanie aan de beurt. Daarin waren ze allen erg knap en
+werden veel prijzen uitgedeeld, uitgezochte jonge en malsche
+grashalmpjes van verschillende lengte.
+
+Maar de zooelogie verbaasde Johannes het meest. De dieren werden verdeeld
+in springende, vliegende en kruipende. De krekels konden springen en
+vliegen en stonden dus bovenaan, dan volgden de kikvorschen. Vogels
+werden met alle teekenen van afschuw hoogst schadelijk en gevaarlijk
+genoemd. Eindelijk werd ook de mensch besproken. Het was een groot,
+nutteloos en schadelijk dier, dat zeer laag stond, daar het vliegen noch
+springen kon, maar dat gelukkig zeldzaam was. Een klein krekeltje, dat
+nog nooit een mensch gezien had, kreeg drie slagen met een rietje, omdat
+hij den mensch bij vergissing onder de onschadelijke dieren telde.
+
+Zoo iets had Johannes nog nooit gehoord.
+
+Toen riep de meester op eens: 'Stilte! springoefening!' Dadelijk hielden
+alle krekeltjes op met lessen leeren en begonnen op heel kunstige en
+bedrijvige wijze haasje-over te spelen. De dikke meester het eerst.
+
+Dat was zulk een vroolijk gezicht, dat Johannes in de handen klapte van
+pret. Op dat geluid stoof de heele school in een oogenblik het duin in
+en werd het doodstil op het grasveldje.
+
+'Ja, dat komt er van, Johannes. Ge moet u niet zoo lomp gedragen! Men
+kan toch wel merken, dat gij bij menschen geboren zijt!'
+
+'Het spijt mij, ik zal mijn best doen. Maar het was ook zoo aardig!'
+
+'Het wordt nog veel aardiger,' zei Windekind.
+
+Zij staken het grasveldje over en bestegen de duin aan de andere zijde.
+Oef! dat was zwoegen in het dikke zand; maar toen Johannes Windekind bij
+het lichte blauwe kleedje greep, vloog hij er vlug en luchtig tegen op.
+Halverwege den top was een konijnenhol.
+
+Het konijntje, dat er thuis hoorde, lag met kop en voorpooten uit den
+ingang. De duinrozen bloeiden nog en haar fijne, zachte geur mengde zich
+met dien van het thijmkruid, dat op den duintop groeide.
+
+Johannes had dikwijls konijntjes in hun hol zien verdwijnen en dan
+gedacht: hoe zou het daarbinnen uitzien? Hoeveel zouden er daar wel bij
+elkaar zitten en zouden zij het niet benauwd hebben?
+
+Hij was dan ook zeer verheugd, toen hij zijn metgezel aan het konijntje
+hoorde vragen of zij het hol eens mochten bezien. 'Wat mij betreft,
+wel!' zeide het konijntje. 'Maar het treft ongelukkig, dat ik van avond
+juist mijn hol heb afgestaan voor het geven van een weldadigheidsfeest,
+en dus eigenlijk geen baas ben in mijn huis.'
+
+'Ei! Ei! is er een ongeluk gebeurd?'
+
+'Ach ja!' zei het konijntje weemoedig: 'Een groote ramp! Wij komen het
+in geen jaren te boven. Een duizend sprongen hier vandaan is een
+menschenhuis gebouwd, zoo groot! zoo groot!--En er zijn menschen komen
+wonen met honden. Er zijn wel zeven leden van mijn familie bij omgekomen
+en nog driemaal zooveel van hol beroofd. En het is met het geslacht Muis
+en de familie Mol nog erger gegaan. Ook de Padden hebben zwaar geleden.
+Nu hebben wij een feest op touw gezet voor de nagelaten betrekkingen.
+Ieder doet het zijne, ik geef mijn hol. Men moet wat over hebben voor
+zijne medeschepselen.'
+
+Het meewarige konijntje zuchtte en haalde met den rechter voorpoot het
+lange oor over zijn kopje, om er een traan mede uit het oog te wisschen.
+Dat was zoo zijn zakdoek.
+
+Daar ritselde iets in het helm en een dikke, logge gedaante kwam op het
+hol toe scharrelen.
+
+'Kijk!' riep Windekind, 'daar komt vader Pad ook al aangehuppeld. Wel!
+wel! durft ge nog zoo laat op 't pad, Pad!'
+
+De Pad nam geen notitie van de scherts. Aardigheden op zijn naam
+verveelden hem al lang. Bedaard legde hij een volle korenaar, netjes in
+een droog blad gewikkeld, bij den ingang neer en klom behendig over den
+rug van het konijntje in het hol. 'Mogen wij binnengaan?' zeide Johannes,
+die erg nieuwsgierig was. 'Ik zal ook wat geven.'
+
+Hij herinnerde zich dat hij in zijn zak nog een beschuitje had. Een rond
+beschuitje van Huntley en Palmers. Toen hij het te voorschijn haalde,
+bemerkte hij eerst hoe klein hij geworden was. Hij kon het nauwelijks
+met twee handen tillen en begreep niet hoe het nog in zijn broekzak
+gezeten had. 'Dat is zeer kostbaar en zeldzaam!' riep het konijntje.
+'Dat is een kostbaar geschenk!'
+
+Eerbiedig liet het aan beiden den toegang vrij. Het was donker in het
+hol en Johannes liet Windekind maar voorgaan. Spoedig zagen zij een
+bleekgroen lichtje naderen. Het was een glimworm, die welwillend aanbood
+hen voor te lichten.
+
+'Het belooft een genoeglijke avond te worden,' zeide de glimworm onder
+'t voortgaan. 'Er zijn al veel gasten. Gij zijt elfen, naar mij
+toeschijnt, niet waar?' De glimworm keek daarbij eenigszins wantrouwend
+naar Johannes.
+
+'Gij kunt ons als elfen aandienen,' antwoordde Windekind.
+
+'Weet ge dat uw koning van de partij is?' ging de glimworm voort.
+
+'Is Oberon hier? Wel dat doet mij recht veel genoegen,' riep Windekind,
+'ik ken hem persoonlijk.'
+
+'O?' zeide de glimworm, 'ik wist niet dat ik de eer had ...' en zijn
+lichtje ging bijna uit van schrik. 'Ja Z.M. houdt gewoonlijk meer van de
+buitenlucht, maar voor een liefdadig doel is hij altijd te vinden. Het
+zal wel een luisterrijk feest zijn.'
+
+Dat was het inderdaad. De groote zaal in het konijnenhol was prachtig
+versierd. De vloer was platgetreden en met geurig thijm bestrooid; dwars
+voor den ingang hing een vleermuis aan de achterpooten. Deze riep de
+namen der gasten af en diende tevens als gordijn, dat was een
+zuinigheidsmaatregel. De wanden der zaal waren smaakvol gedecoreerd met
+dorre bladen, spinnewebben en kleine hangende vleermuisjes. Tallooze
+glimwormen kropen daartusschen en over de zoldering rond, en vormden een
+alleraardigste beweeglijke verlichting. Er was aan 't eind der zaal een
+troon gebouwd van stukjes vermolmd hout, die licht gaven. Dat was een
+mooi gezicht!
+
+Er waren veel gasten. Johannes voelde zich maar half thuis in de vreemde
+menigte en drong dicht tegen Windekind aan. Hij zag er vreemde dingen.
+Een mol sprak druk met een veldmuis over de fraaie verlichting en de
+decoratie. In een hoekje zaten twee dikke padden hoofdschuddend tegen
+elkaar te jammeren over het aanhoudend droge weer. Een kikvorsch poogde
+gearmd met een hagedis een wandeling door de zaal te maken, wat hem
+slecht afging, daar hij verlegen en gejaagd was en telkens te ver
+sprong, waarbij hij soms de wandversiering danig in wanorde bracht.
+
+Op den troon zat Oberon, de elfenkoning, omringd door een klein gevolg
+elfen, die eenigszins minachtend op de omgeving neerzagen. De koning
+zelf was naar vorstenwijze allerminzaamst en onderhield zich vriendelijk
+met verschillende gasten. Hij kwam van een reis uit het Oosten en had
+een vreemd gewaad van schitterend gekleurde bloembladen aan. Zulke
+bloemen groeien hier niet, dacht Johannes. Op het hoofd droeg hij een
+donkerblauw bloemkelkje, dat nog een frisschen geur verspreidde, als was
+het zooeven geplukt. In de hand hield hij den meeldraad van een
+lotosbloem als koningsstaf.
+
+Alle aanwezigen waren vol stillen lof over zijn goedheid. Hij had het
+maanlicht in de duinen geroemd en gezegd dat de glimwormen hier bijna
+even schoon waren als de Oostersche vuurvliegen. Ook had hij met
+genoegen naar de wandversiering gekeken en een mol had zelfs opgemerkt,
+dat hij goedkeurend met het hoofd had geknikt.
+
+'Ga mede,' zei Windekind tot Johannes, 'ik zal u voorstellen.' En zij
+drongen tot aan 's konings zitplaats door.
+
+Oberon spreidde de armen vol vreugde uit, toen hij Windekind herkende en
+kuste hem. Dit gaf een gefluister onder de gasten en afgunstige blikken
+van het elfengevolg. De twee dikke padden in den hoek mompelden samen
+iets van 'vleiers' en 'kruipen' en 'niet lang duren'; toen knikten ze
+elkaar veelbeteekenend toe.
+
+Windekind sprak lang in een vreemde taal tot Oberon en wenkte toen
+Johannes om dichterbij te komen.
+
+'Geef mij de hand, Johannes!' zei de koning. 'Windekind's vrienden zijn
+de mijne. Waar ik kan, zal ik u bijstaan. Ik zal u een teeken van ons
+verbond geven.' Oberon maakte van zijn halsketen een klein gouden
+sleuteltje los en gaf dat aan Johannes, die het vol eerbied aannam en
+vast in zijne hand sloot. 'Dat sleuteltje kan uw geluk zijn,' ging de
+koning voort. 'Het past op een gouden kistje dat kostbare schatten
+bevat. Maar wie dat heeft, kan ik u niet zeggen. Gij moet maar ijverig
+zoeken. Als gij goede vrienden met mij en Windekind blijft en
+standvastig en trouw zijt, zal het u wel gelukken.' De elfenkoning
+knikte daarbij hartelijk met het schoone hoofdje en overgelukkig dankte
+Johannes hem.
+
+Daar begonnen drie kikkers, op eene kleine verhevenheid van vochtig mos
+gezeten, de inleiding tot een langzame wals te zingen en er vormden zich
+paartjes. De niet dansenden werden door een groen hagedisje, dat als
+ceremoniemeester werkzaam was en schutterig heen en weer vloog, naar de
+kanten gedrongen, tot groote ergernis van de twee padden, die klaagden
+dat zij niets konden zien, en daarna begon de dans.
+
+Dat was eerst grappig. Ieder danste op zijn eigen manier en verbeeldde
+zich natuurlijk, dat hij het veel beter deed dan de anderen. De muizen
+en kikvorschen sprongen hoog op hun achterste pooten, een oude rat
+draaide zoo woest, dat alle dansers voor hem op zij weken, en ook een
+vette boomslak waagde een toertje met een mol, maar gaf het spoedig op,
+onder voorwendsel dat ze er een steek van in de zij kreeg, de ware reden
+was, dat ze het niet best kon.
+
+Het ging echter zeer ernstig en plechtig toe. Men maakte er een
+gewetenszaak van, en gluurde angstig naar den koning om een teeken van
+goedkeuring op zijn gelaat te zien. Maar de koning was bang om
+ontevredenen te maken en keek zeer strak. Zijn gevolg rekende het
+beneden hunne danskunst mede te doen.
+
+Johannes had zich bij dien ernst lang goed gehouden. Doch toen hij een
+klein padje zag rondzwieren met een lange hagedis, die het ongelukkige
+padje soms hoog boven den grond tilde en een halven cirkel in de lucht
+liet beschrijven, barstte zijn vroolijkheid in een schaterlachen uit.
+
+Dat gaf opschudding. De muziek zweeg. De koning keek verstoord om. De
+ceremoniemeester vloog in volle vaart op den lacher toe en verzocht hem
+dringend zich wat gepaster te gedragen. 'Dansen is een ernstige zaak,'
+zeide hij, 'en volstrekt geen bezigheid om uit te lachen. Het is hier
+een deftig gezelschap, waar men niet zoo maar voor de grap danst. Ieder
+deed zijn best en niemand verlangde uitgelachen te worden. Dat is een
+grofheid. Men is hier bovendien op een treurfeest om droevige redenen.
+Men moet zich hier fatsoenlijk gedragen en niet handelen, alsof men bij
+menschen was!'
+
+Daar verschrikte Johannes van. Overal zag hij vijandige blikken. Zijn
+vertrouwelijkheid met den koning had hem vele vijanden bezorgd.
+
+Windekind trok hem ter zijde:
+
+'Het is maar beter, dat wij weggaan, Johannes!' fluisterde hij, 'gij
+hebt het weer verkorven. Ja! Ja! dat komt er van, als men bij menschen
+is opgevoed!'
+
+Haastig glipten zij onder de vleugels van den vleermuisportier door en
+kwamen in de duistere gang. De beleefde glimworm wachtte hen op.
+
+'Hebt gij u goed geamuseerd?' vroeg hij. 'Hebt gij koning Oberon
+gesproken!'
+
+'O ja! het was een vroolijk feest,' zei Johannes, 'moet gij hier altijd
+in de donkere gang blijven?'
+
+'Dat is eigen vrije keuze,' zeide de glimworm op weemoedig bitteren
+toon. 'Ik houd niet meer van die ijdelheden.'
+
+'Kom,' zeide Windekind, 'dat meent gij niet.'
+
+'Het is zooals ik zeg. Vroeger,--vroeger was er een tijd dat ik ook naar
+feesten ging en danste en mij met zulke beuzelingen ophield. Maar nu ben
+ik door het lijden gelouterd, nu ...'
+
+En hij werd zoo geroerd, dat zijn lichtje weder uitging. Gelukkig waren
+zij dicht bij den uitgang en het konijntje, dat hen hoorde aankomen,
+ging een weinig op zijde, zoodat het maanlicht naar binnen scheen.
+
+Zoodra zij bij het konijntje buiten waren, zeide Johannes: 'Vertel ons
+uwe geschiedenis eens, glimworm!'
+
+'Ach!' zuchtte de glimworm, 'die is eenvoudig en droevig. Zij zal u niet
+vermaken.'
+
+'Vertel haar, vertel haar toch maar,' riepen allen.
+
+'Nu: gij weet dan toch allen wel, dat wij glimwormen zeer bijzondere
+wezens zijn. Ja, ik geloof dat niemand zou durven tegenspreken, dat wij
+glimwormen het hoogst begaafd zijn van al wat leeft.'
+
+'Waarom? dat weet ik niet,' zeide het konijntje.
+
+Met minachting vroeg de glimworm toen: 'Kunt gij licht geven?' 'Neen!
+dat nu wel niet,' moest het konijntje bekennen.
+
+'Nu, _wij_ geven licht! Allen! En wij kunnen het laten schijnen of
+verdooven naar willekeur. Licht is de beste gave der natuur, en licht
+geven het hoogste, waartoe een levend wezen komen kan. Zou iemand nog
+onzen voorrang willen betwisten! Wij mannetjes hebben bovendien vleugels
+en kunnen mijlen ver vliegen.'
+
+'Dat kan ik ook niet,' bekende het konijntje nederig.
+
+'Door de goddelijke gave des lichts, die wij hebben,' ging de glimworm
+voort, 'ontzien ons ook andere dieren, geen vogel zal ons aanvallen.
+Alleen een dier, het laagste onder allen, zoekt ons en neemt ons mede.
+Dat is de mensch, het verfoeilijkst gedrocht der schepping.'
+
+Johannes keek Windekind aan bij dezen uitval, als begreep hij het niet.
+Doch Windekind glimlachte en wenkte hem te zwijgen. 'Eens vloog ik
+vroolijk rond, als een helder dwaallicht tusschen de donkere heesters.
+En op een eenzaam, vochtig grasveldje, aan den oever van een sloot, daar
+woonde zij, wier bestaan onafscheidelijk aan mijn geluk was verbonden.
+Schoon schitterde zij in bleeken smaragd-glans, als zij tusschen de
+glanshalmen rondkroop en machtig bekoorde zij mijn jong hart. Ik vloog
+om haar heen en deed mijn best door verwisseling van glans hare aandacht
+te trekken. Dankbaar zag ik, hoe zij mijn groet bespeurde en zedig haar
+lichtje verduisterde. Sidderend van aandoening was ik op het punt mijn
+vleugels samen te vouwen en in verrukking bij mijne stralende geliefde
+neer te zinken, toen een ontzaglijk geluid de lucht vervulde. Donkere
+gestalten naderden. Het waren menschen. Ik nam verschrikt de vlucht.
+Zij joegen mij na, en sloegen naar mij met groote, zwarte dingen. Doch
+sneller dan hun logge beenen droegen mij mijne vleugels.' 'Toen ik
+terug kwam ...'
+
+Hier begaf den verhaler de stem. Eerst na een oogenblik van stille
+aandoening, waarin de drie hoorders eerbiedig zwegen,--ging hij voort:
+
+'Gij kunt het reeds vermoeden. Mijn teedere bruid,--de glansrijkste en
+schitterendste onder allen, zij was verdwenen, medegesleept door den
+boosaardigen mensch. Het stille, vochtige grasveldje was vertrapt en
+haar geliefd plekje aan de sloot was duister en ledig. Ik was alleen op
+de wereld.'
+
+Hier haalde het gevoelige konijntje wederom een oor naar beneden om een
+traan uit het oog te wisschen.
+
+'Sinds dien tijd ben ik veranderd. Ik heb een walg van alle ijdele
+vermaken. Ik denk alleen aan haar, die ik verloren heb en aan den tijd
+dat ik haar zal wederzien.'
+
+'Zoo! hebt ge daar nog hoop op?' vroeg het konijntje verheugd. 'Ik heb
+meer dan hoop, ik heb zekerheid. Daarboven zal ik mijne geliefde
+wederzien.'
+
+'Maar ...' wilde het konijntje inbrengen.
+
+'Konijn!' zeide de glimworm ernstig, 'ik kan mij begrijpen, dat iemand
+twijfelt, die in het duister moet rondtasten. Maar wanneer men kan zien,
+met eigen oogen zien? dan is elke onzekerheid mij een raadsel. Daar!'
+zeide het glimwormpje en keek vol eerbied naar den van sterren
+fonkelenden hemel. 'Daar zie ik hen! al mijn vaderen, al mijn vrienden
+en ook haar, duidelijk stralen, in nog heerlijker glans dan hier op
+aarde. Ach! wanneer zal ik mij uit dit lage leven kunnen opheffen, en
+tot haar vliegen, die mij lonkend wenkt? Ach! wanneer? wanneer?'
+
+Zuchtend verliet het glimwormpje zijne toehoorders en kroop weder in het
+donkere hol.
+
+'Arm schepsel!'zeide het konijntje, 'ik hoop dat hij gelijk heeft.'
+
+'Ik hoop het ook,' voegde Johannes er bij.
+
+'Ik vrees er voor,' zeide Windekind, 'maar het was zeer aandoenlijk.'
+
+'Lieve Windekind,' begon Johannes, 'ik ben heel moe en heb slaap.'
+
+'Kom dan naast mij, ik zal u met mijn mantel toedekken.'
+
+Windekind nam zijn blauwe manteltje en spreidde dat over Johannes en
+zichzelven uit. Zoo legden zij zich neer, in het geurige mos op de
+duinhelling, de armen om elkanders hals geslagen.
+
+'Uwe hoofden liggen wat laag,' riep het konijntje, 'wilt ge die tegen
+mij laten rusten?'
+
+Dat deden zij.
+
+'Nacht moeder!' zeide Windekind tot de maan.
+
+Toen sloot Johannes zijn gouden sleuteltje vast in de hand, vlijde zijn
+hoofd tegen het donzige vel van het goede konijntje en sliep rustig in.
+
+
+
+
+III
+
+
+Waar is hij dan, Presto? Waar is het kleine baasje dan? Welk een schrik,
+wakker te worden in de boot, in het riet--geheel alleen, de baas
+spoorloos verdwenen. Het was om angstig van te worden.
+
+En loop je hem nu al zoolang te zoeken, onder voortdurend zenuwachtig
+piepen? Arme Presto! Hoe kon je ook zoo vast slapen en niet merken dat
+de baas uit de boot ging? Anders word je dadelijk wakker, zoodra hij
+eenige beweging maakt.
+
+Nauwelijks kon je herkennen, waar de baas aan land was gegaan en hier in
+de duinen ben je nu het spoor geheel bijster geraakt. Het ijverig
+snuffelen hielp niet. Welk een wanhoop! de baas weg! spoorloos weg! Zoek
+dan Presto, zoek hem dan!
+
+Wacht! daar recht voor je, tegen die duinhelling, ligt daar niet een
+kleine donkere gedaante? zie eens goed!
+
+Een oogenblik staat het hondje onbeweeglijk, en ziet ingespannen in de
+verte. Dan strekt het op eens den kop vooruit en holt, vliegt met al de
+kracht van zijn vier dunne pootjes, naar dat donkere plekje op de
+duinhelling.
+
+Maar toen dat werkelijk het zoo smartelijk vermiste baasje bleek te
+zijn, toen vond hij alle pogingen nog ontoereikend om zijn gansche
+blijdschap en dankbaarheid uit te drukken. Hij kwispelde, verdraaide
+zijn geheele lijfje, sprong, jankte, blafte en duwde zijn kouden neus
+den lang gezochte likkend en snuffelend in 't gezicht.
+
+'Koest, Presto, in je mand!' riep Johannes half slapend.
+
+Hoe dom van den baas! Er is geen mand in de buurt, zoover men zien kan.
+
+Langzaam begon de schemering te dagen in de ziel van den kleinen slaper.
+Het snuffelen van Presto, dat was hij iederen morgen zoo gewoon. Maar
+voor zijn geest hingen nog lichte droombeelden van elfen en maneschijn,
+als morgennevelen om een duinlandschap. Hij vreesde dat de kille adem
+van den ochtend die zou verjagen. 'Oogen toehouden,' dacht hij, 'anders
+zie ik de klok en het behangsel weer, als altijd!'
+
+Maar hij lag vreemd. Hij voelde, dat hij geen deken had. Langzaam en
+voorzichtig opende hij de oogleden op een kier.
+
+Helder licht. Blauwe hemel. Wolken.
+
+Toen opende Johannes de oogen wagenwijd en zeide: 'Is het dan toch
+waar?'
+
+Ja, hij lag midden in het duin. Vroolijke zonneschijn verwarmde hem,
+frissche morgenlucht ademde hij in, een fijne nevel omgaf de bosschen in
+'t verschiet. Hij zag alleen den hoogen beuk bij den vijver en het dak
+van zijn huis, dat uitstak boven het groen. Bijen en kevers gonsden om
+hem heen, boven hem zong de stijgende leeuwerik, in de verte klonk
+hondengeblaf en het gerucht der verwijderde stad. Het was alles klare
+werkelijkheid.
+
+Maar wat had hij gedroomd en wat niet? Waar was Windekind? en het
+konijntje?
+
+Hij zag geen van beiden. Alleen Presto zat zoo dicht mogelijk bij hem en
+keek hem in afwachting aan.
+
+'Zou ik aan 't slaapwandelen geweest zijn?' prevelde Johannes zacht.
+
+Naast hem was een konijnenhol. Maar zoo waren er zooveel in 't duin. Hij
+richtte zich op om het goed te bezien. Wat voelde hij daar in de nog
+vastgesloten hand?
+
+Een tinteling liep van de kruin van zijn hoofd tot zijn voeten, toen hij
+de hand opende. Daar schitterde een klein gouden sleuteltje.
+
+Een tijd lang zat hij sprakeloos.
+
+'Presto! zeide hij toen, terwijl de tranen hem in de oogen kwamen.
+'Presto, het is _toch_ waar!'
+
+Presto sprong op en trachtte door blaffen zijnen meester aan 't verstand
+te brengen, dat hij honger had en naar huis wilde.
+
+Naar huis? Ja! daaraan had Johannes niet gedacht en hij had er weinig
+zin in. Maar spoedig hoorde hij door verschillende stemmen zijn naam
+roepen. Toen begon hij te begrijpen, dat zijn gedrag volstrekt niet
+braaf en fatsoenlijk zoude gevonden worden en dat hem lang geen
+vriendelijke woorden te wachten stonden.
+
+Een oogenblik scheelde het weinig, of zijn vreugdetranen waren in een
+moeite door, tranen van angst en berouw geworden. Maar toen dacht hij
+aan Windekind, die nu zijn vriend was, zijn vriend en vertrouweling, aan
+het geschenk van den elfenkoning en aan die heerlijke, onbetwistbare
+waarheid van al het gebeurde en hij zocht kalm en op alles voorbereid
+den weg naar huis op.
+
+De ontmoeting viel niet mede. Zoo erg had hij zich de onrust en vrees
+van zijn huisgenooten niet voorgesteld. Hij moest plechtig beloven,
+nimmer meer zoo ondeugend en onvoorzichtig te zijn.
+
+'Dat kan ik niet,' zeide hij vastberaden. Daar zag men vreemd van op.
+Hij werd ondervraagd, gesmeekt, bedreigd. Maar hij dacht aan Windekind
+en hield vol.
+
+Wat konden hem straffen schelen als hij Windekind's vriendschap maar
+behield en wat zou hij niet voor Windekind willen lijden! Vast klemde
+hij het sleuteltje aan zijn borst en de lippen opeen, terwijl hij iedere
+vraag met schouderophalen beantwoordde. 'Ik kan niets beloven,' zei
+hij weer.
+
+Doch zijn vader zeide: 'Laat hem nu maar met vrede, het is hem ernst. Er
+moet iets bijzonders met hem gebeurd zijn. Eens zal hij het ons wel
+vertellen.'
+
+Johannes glimlachte, at zwijgend zijn boterham en sloop naar zijn
+kamertje. Daar sneed hij een stuk van het gordijnkoord af, deed er het
+kostbare sleuteltje aan en hing het zich om den hals op de bloote borst.
+Toen ging hij getroost naar school.
+
+Het ging zeer slecht dien dag op school. Hij kende zijn lessen geen van
+alle en lette volstrekt niet op. Voortdurend vlogen zijn gedachten naar
+den vijver en naar de wonderbare gebeurtenissen van den vorigen avond.
+Hij kon het zich nauwelijks denken, dat een vriend van den elfenkoning
+nu weer verplicht zou zijn, sommen te maken en werkwoorden te vervoegen.
+Maar het was toch alles waar geweest, en niemand om hem heen wist er
+iets van of zou het kunnen gelooven of begrijpen, zelfs de meester niet,
+hoe barsch hij ook keek en hoe minachtend hij Johannes ook een luien
+rekel noemde. Blijmoedig verdroeg hij de kwade aanteekening en maakte
+hij het strafwerk, dat zijn verstrooidheid hem op den hals haalde.
+
+'Zij hebben er toch geen van allen begrip van. Zij mogen mij uitschelden,
+zooveel zij willen. Ik blijf Windekind's vriend, en Windekind is mij meer
+waard dan zij allemaal te zamen. Ja, met den meester er bij.'
+
+Dat was niet eerbiedig van Johannes. Maar zijn achting voor zijn
+medemenschen was, na al het kwaad dat hij er den vorigen avond van had
+moeten hooren, niet gestegen.
+
+Doch, zooals het meer gaat, hij wist zijne wijsheid nog niet verstandig
+genoeg te pas te brengen, of liever, te verzwijgen.
+
+Toen de meester vertelde, dat alleen de mensch door God met rede was
+begaafd en als heerscher was gesteld over alle andere dieren, begon hij
+te lachen. Dat bezorgde hem een slechte aanteekening en eene ernstige
+vermaning. En toen zijn buurman uit een themaboek den volgenden zin
+oplas: 'De ouderdom van mijne moedwillige tante is groot, maar niet zoo
+groot als die van de zon'--riep Johannes haastig en luide: 'van _den_ zon!'
+
+Allen lachten hem uit en de meester, verbaasd, over zulk een aanmatigende
+domheid, zooals hij het noemde, liet Johannes schoolblijven en honderdmaal
+overschrijven: 'De ouderdom van mijne moedwillige tante is groot, maar
+niet zoo groot als die van de zon, het grootst echter is mijne aanmatigende
+domheid.'
+
+De scholieren waren verdwenen en Johannes zat eenzaam in het groote
+schoollokaal te schrijven. Het zonlicht scheen vroolijk naar binnen,
+deed duizenden stofjes glinsteren op zijn weg en vormde op den gewitten
+muur lichte plekken, die met de wisseling der uren langzaam voortkropen.
+De meester was weggegaan en had de deur hard toegeslagen. Johannes was
+reeds aan de twee-en-vijftigste moedwillige tante, toen een klein, vlug
+muisje, met zwarte kraaloogjes en zijdeachtige oortjes, uit den versten
+hoek van het lokaal onhoorbaar langs den muur kwam loopen. Johannes
+hield zich doodstil om het aardige diertje niet te verjagen. Het was
+niet schuw en kwam tot dicht bij Johannes' zitplaats. Toen gluurde het
+een tijdlang met de kleine heldere oogjes scherp in het rond en sprong
+behendig met een sprong op de bank en met een tweeden op den lessenaar,
+waaraan Johannes schreef.
+
+'Ei, ei!' zeide deze, half bij zichzelven, 'jij bent eerst een dapper
+muisje!'
+
+'Ik zou niet weten voor wien ik bang moest zijn,' zeide een fijn
+stemmetje, en het muisje liet de tandjes zien alsof het lachte.
+
+Johannes was reeds aan veel wonderlijks gewend, maar zette nu toch weer
+groote oogen op. Zoo midden op den dag en op school, 't was ongeloofelijk.
+
+'Voor mij behoef je niet bang te zijn,' zeide hij zacht, uit vrees het
+muisje te verschrikken, 'kom je van Windekind?'
+
+'Ik kom u even zeggen, dat de meester groot gelijk heeft en dat ge uw
+strafwerk ruim verdiend hebt.'
+
+'Maar Windekind zei toch dat de zon mannelijk was, de zon was onze
+vader.'
+
+'Ja, maar dat behoeft niemand anders te weten. Wat hebben de menschen
+daarmee te maken. Ge moet nooit over zulke teedere zaken met menschen
+spreken. Daar zijn zij te grof voor. De mensch is een verbazend
+boosaardig en lomp wezen, die liefst alles vangt en doodtrapt wat onder
+zijn bereik komt. Daar hebben wij, muizen, ondervinding van.'
+
+'Maar muisje! waarom blijf je dan in zijn buurt? Waarom ga je niet ver
+weg, naar de bosschen?'
+
+'Ach, dat kunnen wij niet meer. Wij zijn het stadsvoedsel te veel
+gewend. En als men voorzichtig is en altijd oppast hun vallen en hun
+zware voeten te mijden, dan is het onder menschen wel uit te houden.
+Wij zijn gelukkig nog al vlug. Het ergst is, dat de mensch zijn eigen
+logheid verhelpt door een verbond te sluiten met de kat, dat is een
+groote ramp, maar in het bosch zijn uilen en sperwers, en sterven moeten
+wij toch eenmaal allen. Nu, Johannes, onthoud mijn raad, daar komt de
+meester!'
+
+'Muisje! muisje! ga niet weg. Vraag aan Windekind wat ik met mijn
+sleuteltje doen moet. Ik heb het om mijn hals gehangen, op mijn bloote
+borst. Maar Zaterdag word ik verschoond en ik ben zoo bang dat iemand
+het zien zal. Zeg mij, waar ik het veilig bergen kan, muisjelief!'
+
+'Onder den grond, altijd onder den grond, daar is alles het veiligst.
+Wil ik het bewaren?'
+
+'Neen! niet hier op school.'
+
+'Begraaf het dan buiten in de duinen. Ik zal aan mijn neef de veldmuis
+laten weten, dat hij er op passen moet.'
+
+'Dank je muisje!'
+
+Bom! Bom! Daar kwam de meester aanstappen. In den tijd dat Johannes zijn
+pen indoopte, was het muisje verdwenen. De meester, die zelf naar huis
+verlangde, schold Johannes achtenveertig strafregels kwijt.
+
+Twee dagen lang leefde Johannes in voortdurenden angst. Hij werd streng
+in het oog gehouden en alle gelegenheid, om naar de duinen te ontsnappen,
+hem ontnomen. Het werd Vrijdag en nog liep hij met het kostbare sleuteltje
+rond. Den volgenden avond moest hij verschoond worden, men zou het
+sleuteltje ontdekken en hem afnemen, hij ijsde bij de gedachte. In huis
+of tuin durfde hij het niet verbergen, geen plekje scheen hem veilig
+genoeg.
+
+Het werd Vrijdagavond en de schemering begon te vallen. Johannes zat
+voor het venster van zijn slaapkamer en keek verlangend naar buiten,
+over de groene heesters van den tuin, naar de verre duinen. 'Windekind!
+Windekind! help mij,' fluisterde hij angstig.
+
+Daar ruischte een zachte vleugelslag naast hem, hij rook den geur van
+lelien van dalen en hoorde plotseling de bekende, zoete stem.
+
+Windekind zat naast hem op de vensterbank en liet de klokjes van een
+lelie van dalen aan den slanken stengel wiegelen.
+
+'Zijt gij daar eindelijk! Ik heb zoo naar u verlangd!' zeide Johannes.
+
+'Ga met mij mede, Johannes, wij zullen uw sleuteltje gaan begraven.'
+
+'Ik kan niet,' zuchtte Johannes droevig.
+
+Doch Windekind vatte hem bij de hand, en hij gevoelde hoe hij, licht als
+het gepluisde zaadje van een paardebloem, wegzweefde door de stille
+avondlucht.
+
+'Windekind,' zeide Johannes onder het zweven, 'ik houd zooveel van u. Ik
+geloof dat ik alle menschen voor u zou willen geven en Presto ook.'
+
+Windekind zeide: 'en Simon?'
+
+'O, het kan Simon niet zooveel schelen, of ik van hem houd. Ik geloof,
+dat hij dat te kinderachtig vindt. Simon houdt alleen maar van de
+vischvrouw en dat ook alleen maar, als hij honger heeft. Gelooft ge, dat
+Simon een gewone kat is, Windekind?'
+
+'Neen, hij is vroeger een mensch geweest.'
+
+Hoe-oe-oe! boms! daar vloog een dikke meikever tegen Johannes aan. 'Kunt
+gij niet beter voor u uitkijken,' bromde de meikever 'dat elfengoed
+vliegt maar, alsof het de heele lucht in pacht had! Dat heb je van die
+nietsdoeners, die altijd maar voor hun plezier rondzwerven, iemand als
+ik die zijn plicht doet, altijd voedsel zoekt en zoo hard eet, als hij
+kan, wordt er door uit den koers gebracht.'
+
+Onder luid gebrom vloog hij verder.
+
+'Neemt hij ons kwalijk, dat wij niet eten?' vroeg Johannes.
+
+'Ja, dat is zoo meikever-gewoonte. Bij de meikevers wordt het als
+hoogste plicht beschouwd, veel te eten. Wil ik u eens de geschiedenis
+van een jongen meikever vertellen?'
+
+'Ja doe dat, Windekind.'
+
+'Het was een mooie, jonge meikever, die pas uit den grond was gekropen.
+Nu, dat was een groote verrassing. Een geheel jaar had hij onder de
+donkere aarde gezeten en gewacht op den eersten warmen avond. En toen
+hij zijn kop uit de kluitjes stak, bracht al dat groen en het wuivende
+gras en de zingende vogels hem geheel in verlegenheid. Hij wist niet,
+wat hij eigenlijk beginnen moest. Hij betastte de grashalmpjes in de
+buurt met zijn sprieten en stak die waaiervormig uit. Daaraan merkte
+hij, Johannes, dat hij een mannetje was. Hij was heel mooi in zijn
+soort, had glanzige, zwarte pooten, een dik, bestoven achterlijf en een
+borstschild, dat als een spiegel glom. Gelukkig zag hij al gauw, niet
+ver van hem vandaan, een anderen meikever, wel niet zoo'n mooien, maar
+een die al een dag vroeger uitgevlogen en dus al heel oud was. Heel
+bescheiden, omdat hij nog zoo jong was, roept hij dezen aan.
+
+'Wat wou je, vriendje!' zegt de tweede uit de hoogte, omdat hij zag, dat
+het een nieuweling was, 'wou je mij den weg vragen?'
+
+'Neen, ziet u! zeide de jongste beleefd, 'maar ik weet niet, wat ik hier
+doen moet. Wat doet men zoo als meikever?'
+
+'Zoo! zoo!' zeide de ander, 'weet je dat niet. Nu, dat neem ik niet
+kwalijk, ik ben ook zoo geweest; luister maar goed, dan zal ik het je
+zeggen. De hoofdzaak in het meikever-leven is eten. Niet ver hier
+vandaan is een kostelijke lindenhaag, die is daar voor ons gezet om er
+zoo vlijtig mogelijk van te eten.'
+
+'Wie heeft die lindenhaag daar neergezet?' vroeg de jonge kever.
+
+'Wel, een groot wezen, dat het heel goed met ons meent. Iederen morgen
+komt hij langs de haag en wie dan het meeste gegeten heeft, neemt hij
+tot zich, in een heerlijk huis, waar een helder licht schijnt en waar
+alle meikevers gelukkig bijeen zijn. Wie echter, in plaats van te eten,
+den ganschen nacht blijft rondvliegen, wordt door de vleermuis gevangen.'
+
+'Wie is dat?' vroeg de nieuweling.
+
+'Dat is een vreeselijk monster met scherpe tanden, dat plotseling achter
+ons aan komt vliegen en ons onder afgrijselijk gekraak opeet.' Toen de
+kever dat zeide, hoorden ze boven zich een schel gepiep, dat hun door
+merg en been drong.
+
+'Hu! dat is hij,' riep de oudste. 'Pas op voor hem, jonge vriend. Wees
+dankbaar dat ik je bijtijds heb gewaarschuwd. Je hebt een ganschen nacht
+voor je, verknoei dien nu niet. Hoe minder je eet hoe meer kans je hebt
+door de vleermuis te worden verslonden. En alleen zij, die zich een
+ernstige levensroeping kiezen, komen in het huis met het heldere
+schijnsel. Denk er om! Een ernstige roeping!'
+
+'Toen scharrelde de kever, die een heelen dag ouder was, tusschen de
+grashalmen verder en liet den eersten getroffen achter. Weet je wat een
+roeping is, Johannes? Niet! Nu, dat wist die jonge kever ook niet. Het
+stond met eten in verband, dat begreep hij. Maar hoe moest hij bij die
+lindenhaag komen? 'Vlak naast hem stond een slanke, stevige grashalm,
+die zachtjes wiegelde in den avondwind. Dien pakte hij maar vast beet,
+met zijn zes kromme pootjes. Het scheen een hoog gevaarte van beneden
+gezien en erg steil. Toch wilde de meikever er in. 'Dat is een roeping!'
+dacht hij, en begon moedig te klimmen. Het ging langzaam, dikwijls gleed
+hij terug, maar hij vorderde; en toen hij eindelijk in het dunste topje
+was geklommen en mede wiegelde met de schommelingen, voelde hij zich
+voldaan en gelukkig. Welk een uitzicht had hij hier! Het scheen hem,
+alsof hij de wereld overzag. Hoe zalig was het, zoo van alle kanten door
+lucht te zijn omgeven! Gretig zoog hij het achterlijf vol. Hoe wonderlijk
+werd het hem daarbij te moede! Nog hooger wilde hij!
+
+'Hij lichtte de dekschilden in verrukking op, liet de vliezige vleugels
+even trillen. Hooger wilde hij! Hooger! Weer trilden zijne vleugels, de
+pooten lieten den grashalm los en--O, vreugde ... Hoe-oe-oe! daar vloog
+hij vrij en vroolijk in de stille, warme avondlucht.'
+
+'En toen?' vroeg Johannes.
+
+'Het vervolg is niet vroolijk. Dat vertel ik u later wel eens.'
+
+Zij waren over den vijver heengevlogen. Een paar late, witte kapelletjes
+fladderden met hen mede.
+
+'Waar gaat de reis heen, elfen?' vroegen zij.
+
+'Naar de groote duinroos, die daar bloeit tegen gindsche helling.'
+
+'Wij gaan mede! wij gaan mede!'
+
+Reeds van verre was zij zichtbaar, met haar talrijke teedergele
+zijde-zachte bloemen. De knopjes waren rood gekleurd en de geopende
+bloemen vertoonden roode streepjes, als teekenen van den tijd toen zij
+nog knoppen waren.
+
+In eenzame rust bloeide de wilde duinroos en vervulde den omtrek met
+haar wonderzoete geuren. Zoo heerlijk zijn die, dat de duin-elfen
+daarvan alleen leven.
+
+De vlinders dwarrelden op haar toe en kusten bloem aan bloem. 'Wij komen
+u een schat toevertrouwen,' riep Windekind, 'wilt gij dien voor ons
+hoeden?'
+
+'Waarom niet? waarom niet?' fluisterde de duinroos, 'het wachten
+verveelt mij niet, en ik denk hier niet vandaan te gaan, als men mij
+niet weghaalt. Ook heb ik scherpe doornen.'
+
+Toen kwam de veldmuis, de neef van het muisje uit school, en groef een
+gang onder de wortels van de roos. Daar droeg hij het sleuteltje in.
+
+'Als gij het nu weer hebben wilt, dan moet gij mij weer roepen. Dan
+behoeft gij de roos geen schade te doen.'
+
+De roos vlocht zijn gedoornde twijgen dicht over den ingang en zwoer
+plechtig het trouw te bewaken. De kapelletjes waren getuigen.
+
+Den volgenden morgen werd Johannes in zijn eigen bedje wakker, bij
+Presto, de klok en het behangsel. Het koord om zijn hals en het
+sleuteltje daaraan waren verdwenen.
+
+
+
+
+IV
+
+
+Jongen! Jongen! Wat is zoo'n zomer toch criant vervelend,' zuchtte een
+van de drie groote kachels, die op een zolder in het oude huis, in een
+donkere hoek bij elkaar stonden te kniezen, 'weken lang heb ik geen
+levende ziel gezien en geen verstandig woord gehoord. En dan die leegte
+van binnen. 't Is afschuwelijk!'
+
+'Ik zit vol spinnewebben,' zei de tweede, 'dat zou 's winters ook niet
+gebeuren.'
+
+'En ik ben zoo stoffig, dat ik mij dood zal schamen, als tegen den
+winter de zwarte man weer verschijnt, zooals van Alphen zegt.' Die
+wijsheid had de derde kachel natuurlijk van Johannes opgevangen, als
+deze 's winters voor den haard versjes opzeide.
+
+'Gij moet niet zoo oneerbiedig over den Smid spreken,' zeide de eerste
+kachel, die de oudste was, 'dat hindert mij!'
+
+Ook eenige tangen en aschschoppen die hier en daar op den grond lagen,
+in papier gewikkeld tegen 't roesten, gaven duidelijk hun
+verontwaardiging te kennen over die lichtzinnige uitdrukking.
+
+Doch plotseling verstomde het gesprek, want het zolderluik werd
+opgeheven, een lichtstraal drong tot in den duisteren hoek door en
+stelde het geheele gezelschap in hun stoffige verwarring ten toon.
+
+Het was Johannes, die hun gesprek kwam storen. De zolder had altijd een
+groote aantrekkelijkheid voor hem. Nu, na al de vreemde gebeurtenissen
+van den laatsten tijd kwam hij er dikwijls. Hij vond er rust en
+eenzaamheid. Ook was er een venster, dat door een luik gesloten was en
+naar den duinkant uitzag. Het was een groot genot, dat luik plotseling
+te openen, en na het geheimzinnig schemerduister van den zolder op eens
+het wijde, hel verlichte landschap voor zich te zien, begrensd door de
+blanke, zacht-golvende duinreeks.
+
+Er waren drie weken na dien Vrijdagavond verloopen, zonder dat Johannes
+iets van zijn vriend bespeurd had. Het sleuteltje was nu ook weg en
+niets was hem nog tot zeker bewijs, dat hij niet gedroomd had. Dikwijls
+kon hij de vrees niet wegredeneeren, dat het alles toch maar inbeelding
+was geweest. Hij werd er stil onder, en angstig maakte zijn vader de
+opmerking, dat Johannes na dien nacht in de duinen zeker een ziekte
+onder de leden had gekregen. Johannes echter verlangde naar Windekind.
+
+'Zou hij net zooveel van mij houden, als ik van hem?' mijmerde hij,
+terwijl hij aan het zoldervenster stond en over den groenen, bloemrijken
+tuin staarde, 'waarom zou hij dan niet meer en langer bij mij komen. Als
+ik kon ... Maar misschien heeft hij meer vrienden. Zou hij daar ook van
+houden, meer dan van mij. Ik heb geen andere vrienden, geen een. Ik houd
+alleen van hem. Zoo veel! o zoo veel!'
+
+Tegen den diep-blauwen hemel zag hij een vlucht van zes witte duiven
+afsteken, die met kleppenden vleugelslag over het huis zwenkten. Het
+scheen of een gedachte hen dreef, zoo snel en gelijktijdig veranderden
+zij telkens van richting, als om volop te genieten van de zee van
+zonlicht waarin zij zweefden.
+
+Op eenmaal vlogen zij naar Johannes' dakvenstertje toe en streken met
+veel gefladder en wiekgeklepper op de dakgoot neer, waar zij bedrijvig
+kirrend heen en weer bleven trippelen. Een van hen had een rood veertje
+in zijnen vleugel. Hij pluisde en trok er zoolang aan, totdat hij het in
+den bek hield, toen vloog hij op Johannes toe en gaf het hem.
+
+Nauwelijks had Johannes het aangenomen, of hij voelde dat hij zoo licht
+en vlug werd als een der duiven. Hij strekte de leden uit, de
+duivenvlucht vloog op, en Johannes zweefde in hun midden mede, in de
+ruime, vrije lucht en den helderen zonneschijn. Niets was om hem, dan
+het reine blauw en de helle schittering der blanke duivenvleugels.
+
+Zij vlogen over den grooten tuin naar het bosch, waarvan de dichte
+boomtoppen in de verte wuifden als de golven van een groene zee.
+Johannes keek naar beneden en zag zijn vader voor het open raam zitten
+in de huiskamer, Simon zat met gevouwen voorpooten in de vensterbank en
+koesterde zich in de zon. 'Zou zij mij zien?' dacht hij, maar hij durfde
+niet roepen.
+
+Presto holde door de tuinpaden en snuffelde in iederen heester, achter
+elken muur, en krabbelde tegen elk deurtje van broeikas of oranjerie, om
+zijn baasje te vinden.
+
+'Presto! Presto !' riep Johannes. Het hondje zag op en begon te
+kwispelstaarten en klagelijk te janken.
+
+'Ik kom terug, Presto! wachten!' riep Johannes, maar hij was al te ver
+weg.
+
+Zij zweefden boven het bosch en de kraaien vlogen krassend uit de hooge
+toppen, waarin zij hun nesten hadden. Het was in 't midden van den zomer
+en de geur der bloeiende linden steeg in wolken uit het groene woud
+omhoog.
+
+In een leeg nest, op den top van een hooge linde zat Windekind, met zijn
+krans van windekelken op het hoofd. Hij knikte Johannes toe.
+
+'Zijt ge daar! dat is goed,' zeide hij. 'Ik heb u laten halen. Nu kunnen
+wij lang bijeen blijven--als ge wilt.'
+
+'Ik wil wel graag,' zeide Johannes.
+
+Toen dankte hij de vriendelijke duiven, die hem gebracht hadden en
+daalde met Windekind in het bosch af.
+
+Daar was het frisch en schaduwrijk. De wielewaal floot, altijd bijna
+hetzelfde maar toch eenigszins anders.
+
+'De arme vogel,' zei Windekind, 'hij was eens een paradijsvogel. Dat
+ziet ge nog wel aan zijn vreemde gele vederen, maar hij is veranderd en
+uit het paradijs verjaagd. Er is een woord, dat hem zijn vroegere
+prachtige kleeding kan teruggeven en hem weer in het paradijs brengen.
+Maar dat woord is hij vergeten. Nu probeert hij dag aan dag, om het
+terug te vinden. Het lijkt er wel iets op, maar het rechte is het niet.'
+
+Tallooze vliegen glinsterden als zwevende kristallen in de zonnestralen,
+die door het donkere loover drongen. Als men aandachtig luisterde, kon
+men hun gonzen hooren als een groot eentonig concert, dat het gansche
+bosch vervulde. Het was alsof de zonnestralen zongen.
+
+Dik, donkergroen mos bedekte den grond en Johannes was weder zoo klein
+geworden, dat het hem een nieuw bosch op den bodem van het groote bosch
+toescheen. Wat sierlijke stammetjes! En hoe dicht groeiden zij opeen!
+Het was moeilijk er tusschen door te komen en het moswoud scheen
+ontzettend groot.
+
+Daar kwamen zij aan een mierenpaadje. Honderden mieren liepen bedrijvig
+af en aan, sommige stukjes hout, blaadjes of grassprietjes in de kaken
+dragend. Het was zulk een gewoel, dat Johannes er bijna duizelig van werd.
+
+Het duurde lang, voor dat een der mieren hen te woord wilde staan. Zij
+hadden het allen zoo druk. Eindelijk vonden zij een oude mier, die was
+aangesteld om de bladluisjes, waarvan de mieren den honingdauw trekken,
+te bewaken. Daar zijn kudde erg rustig was, kon hij zich wel een poosje
+met de vreemdelingen bemoeien en hun het groote nest laten zien. Het was
+aan den voet van een ouden boomstam aangelegd, zeer groot en honderden
+gangen en kamertjes rijk. De bladluisherder gaf uitleg en leidde de
+bezoekers overal rond, tot in de kinderkamers, waar de jonge larven uit
+de witte windsels kruipen. Johannes was verbaasd en opgetogen.
+
+De oude mier vertelde, dat men in groote drukte leefde wegens den
+veldtocht, die eerstdaags ophanden was. Men zou een andere mierenkolonie,
+niet ver verwijderd, met een groote macht gaan overvallen, het nest
+vernielen en de larven rooven of dooden, daarvoor zouden alle krachten
+noodig zijn en men moest dus eerst het dringendste werk afdoen.
+
+'Waarom is die veldtocht?' zeide Johannes, 'dat lijkt mij niet mooi.'
+
+'Neen! neen!' zei de luizenhoeder, 'het is een zeer schoone en
+lofwaardige tocht. Ge moet denken, het zijn de Strijd-mieren, die wij
+gaan aanvallen, wij gaan hun geslacht uitroeien en dat is een zeer
+goed werk.'
+
+'Zijt gij dan geen Strijd-mieren?'
+
+'Zeker niet! Wat denkt ge wel? Wij zijn Vrede-mieren.'
+
+'Wat beteekent dat dan?'
+
+'Weet ge dat niet? Dat zal ik u uitleggen. Eens waren alle mieren
+voortdurend aan 't vechten, geen dag ging er om zonder groote
+slachtingen. Toen kwam er een wijze, goede mier, die bedacht dat het
+veel moeite zou besparen, als de mieren onderling afspraken niet meer
+te vechten.
+
+'Toen hij dat zeide, vond men het erg vreemd en om die reden begon men
+maar met hem in kleine stukjes te bijten. Later kwamen nog andere mieren
+die hetzelfde meenden. Ook die werden in kleine stukjes gebeten. Maar
+eindelijk kwamen er zooveel, dat het stukbijten te veel werk was voor
+de anderen.
+
+'Toen noemden zij zich Vrede-mieren en hielden allen vol dat de eerste
+Vrede-mier gelijk had; wie dat tegensprak beten zij op hun beurt in
+stukjes. Op die manier zijn tegenwoordig bijna alle mieren Vrede-mieren
+geworden, en de stukjes van de eerste Vrede-mier worden met zorg en
+eerbied bewaard. Wij hebben den kop. Den echten. Wij hebben al twaalf
+andere kolonies verwoest en uitgemoord, die beweerden den echten kop te
+hebben. Nu zijn er nog maar vier over die dat doen. Zij noemen zich
+Vrede-mieren, maar het zijn natuurlijk Strijd-mieren, want wij hebben
+den echten kop en de Vredemier had maar een kop. Nu gaan wij eerstdaags
+de dertiende kolonie uitroeien. Dat is dus wel een goed werk.'
+
+'Ja! Ja!' zeide Johannes--'het is heel merkwaardig!'
+
+Hij was eigenlijk een beetje bang geworden, en voelde zich veel rustiger,
+toen zij den gedienstigen herder dankend vaarwel hadden gezegd en ver van
+het mierenvolk wiegelend op een grashalm zaten uit te rusten, in de
+schaduw van een sierlijk varenblad.
+
+'Hu!' zuchtte Johannes, 'dat was een bloeddorstig en dom gezelschap.'
+
+Windekind lachte en schommelde met zijn grashalm op en neder.
+
+'O!' zei hij, 'gij moet hen niet dom noemen. De menschen gaan naar de
+mieren om wijs te worden.'
+
+Zoo toonde Windekind aan Johannes alle wonderen van het bosch, zij
+vlogen beiden tot de vogels in de boomtoppen en in de dichte heesters,
+daalden af in de kunstige woningen van de mollen, en zagen het bijennest
+in den ouden boomstam.
+
+Eindelijk kwamen zij aan een open plek, omringd door kreupelhout.
+Kamperfoelie groeide er in grooten overvloed. Overal slingerden zich de
+weelderige twijgen over de struiken en prijkten de welriekende
+bloemkransen tusschen het groen. Een zwerm meesjes sprong en fladderde
+tusschen de blaadjes, onder luidruchtig getjilp en gekwetter.
+
+'Laat ons hier wat blijven,' vroeg Johannes, 'hier is het heerlijk.'
+
+'Goed,' zeide Windekind. 'Dan zult ge ook iets grappigs zien.'
+
+Op den grond stonden blauwe klokjes in het gras. Johannes ging naast een
+zitten en begon een gesprek over de bijen en de kapellen. Dat waren
+goede vrienden van het klokje en daarom vlotte het gesprek ook spoedig.
+
+Wat was dat? Een groote schaduw kwam over het gras en iets als een witte
+wolk daalde op het klokje neer ... Nauwelijks had Johannes tijd om weg te
+komen, en vloog naar Windekind, die in een hoogbloeiende kamperfoelie-
+bloem zat. Toen zag hij dat de witte wolk een zakdoek was en bom! daar
+ging een dikke juffrouw op den zakdoek zitten en op het arme klokje dat
+er onder was.
+
+Hij had geen tijd om het te beklagen, want gerucht van stemmen en
+gekraak van takken vervulden de open plek van het bosch. Een menigte
+menschen naderde.
+
+'Nu zullen wij lachen,' zeide Windekind.
+
+Daar kwamen zij aan, de menschen. De vrouwen met manden en parapluies in
+de hand, de mannen met hooge, rechte, zwarte hoeden op. Ze waren meest
+allen zwart, erg zwart. In het zonnige, groene bosch zagen zij er uit
+als groote, leelijke inktvlekken op een prachtig schilderij.
+
+Er werden heesters uiteengedrongen, bloemen neergetrapt, nog vele witte
+zakdoeken uitgespreid en de lijdzame grassprietjes en de geduldige
+mosplantjes gaven zuchtend mede onder het gewicht dat ze te torsen
+kregen en vreesden nimmer van den slag te herstellen.
+
+Sigarenrook krinkelde over de kamperfoelie-struiken en verdreef nijdig
+den teederen geur hunner bloemen.
+
+Harde stemmen verjaagden den vroolijken meezenzwerm, die onder verschrikt
+en verontwaardigd getjilp in de naaste boomen toevlucht zocht.
+
+Een man rees op uit de menigte en ging op een heuveltje staan. Hij had
+lang, blond haar en een bleek gezicht. Hij zeide iets en toen deden alle
+menschen hunnen mond erg wijd open en begonnen te zingen, zoo hard, dat
+de kraaien krassend opvlogen van hunne hooge nesten en de nieuwsgierige
+konijntjes, die van den duinrand gekomen waren om eens te kijken,
+verschrikt aan 't loopen gingen en een kwartier lang bleven doorloopen,
+toen zij reeds veilig weder in 't duin waren.
+
+Windekind lachte en sloeg den sigarenrook voor zich weg met een varentak,
+Johannes kwamen de tranen in de oogen, echter niet van den rook.
+
+'Windekind,' zeide hij, 'ik wilde weg, het is zoo leelijk en zoo hard.'
+
+'Neen, wij moeten nog blijven. Gij zult lachen, het wordt nog grappiger.'
+
+Het zingen hield op en de bleeke man begon te spreken. Hij schreeuwde
+hard, opdat allen hem zouden verstaan, maar wat hij zeide klonk erg
+vriendelijk. Hij noemde de menschen broeders en zusters en sprak van de
+heerlijke natuur en de wonderen der schepping, van Gods zonneschijn en
+van de lieve vogelen en bloemen ...
+
+'Wat is dat?' vroeg Johannes. 'Hoe spreekt hij daarover? Kent hij u? Is
+hij een vriend van u?'
+
+Windekind schudde minachtend het omkranste hoofdje.
+
+'Hij kent mij niet, de zon, de vogelen, de bloemen evenmin. Het is alles
+logen wat hij zegt.'
+
+De menschen luisterden allen zeer aandachtig. De dikke juffrouw, die op
+het blauwe klokje zat, begon verscheiden malen te huilen en wischte de
+tranen met haar rokslip af, omdat zij haar zakdoek niet gebruiken kon.
+
+De bleeke man zeide, dat God ter wille van hun bijeenkomst de zon zoo
+vroolijk had laten schijnen; toen lachte Windekind en wierp van uit de
+dichte bladen een eikel op zijn neus.
+
+'Hij zal het anders ondervinden,' zeide hij, 'mijn vader zou voor hem
+schijnen, wat verbeeldt hij zich wel.'
+
+Doch de bleeke man was te veel in vuur geraakt om op den eikel te
+letten, die uit de lucht scheen te vallen, hij sprak lang en hoe langer
+hoe harder. Op 't laatst werd hij rood en blauw in 't gezicht, balde de
+vuisten en schreeuwde zoo luid, dat de bladeren trilden en de grashalmen
+ontzet heen en weer wiegelden. Toen hij eindelijk tot bedaren gekomen
+was, begonnen allen weer te zingen.
+
+'Wel foei!' zeide een meerle, die van een hoogen boom het rumoer
+aanhoorde. 'Is dat een afschuwelijk leven maken! Ik heb nog liever dat
+er koeien in het bosch komen. Hoor dat eens aan. Wel foei!'
+
+Nu! de meerle is een kenner en heeft een fijnen smaak.
+
+Na het gezang haalden de menschen uit manden, doozen en zakken, allerlei
+eetwaren voor den dag. Er werden papieren uitgespreid en broodjes en
+sinaasappelen verdeeld. Ook flesschen en glazen kwamen te voorschijn.
+
+Toen riep Windekind zijn bondgenooten bijeen en begon den smullenden
+troep te belegeren.
+
+Een dappere kikvorsch sprong op den schoot van een oude juffrouw, vlak
+naast het broodje dat zij juist wilde gaan opeten en bleef daar zitten,
+als verbaasd over zijn eigen stoutmoedigheid. De juffrouw gaf een
+ijselijken gil en staarde ontzet den aanvaller aan, zonder zich te
+durven verroeren. Het moedige voorbeeld vond navolging. Groene rupsen
+kropen onverschrokken over hoeden, zakdoeken en broodjes, overal angst
+en schrik teweegbrengend; groote dikke kruisspinnen lieten zich aan
+glinsterende draden neer in bierglazen, op hoofden of halzen en een luid
+gegil volgde steeds hunnen aanval; tallooze vliegjes bestormden de
+menschen regelrecht in 't gezicht en offerden hun leven voor de goede
+zaak, door zich op spijzen en dranken te storten en ze met hun lichaam
+onbruikbaar te maken. Eindelijk kwamen de mieren in onafzienbare scharen
+en tastten den vijand op de meest onverwachte plaatsen bij honderden
+tegelijk aan. Dat bracht een verwarring en ontsteltenis teweeg! Haastig
+vlogen mannen en vrouwen van de zoo lang verdrukte mos- en grasplantjes
+op; ook het arme, blauwe klokje werd bevrijd, door den welgeslaagden
+aanval van twee oorwurmen op de beenen van de dikke juffrouw. De
+vertwijfeling nam toe: dansend en springend, onder de zonderlingste
+gebaren, trachtten de menschen hun vervolgers te ontkomen. De bleeke man
+bood lang weerstand en sloeg met een zwart stokje in 't rond, doch een
+paar baldadige meezen, die geen aanvalsmiddel te laag achtten en een
+wesp, die hem door zijn zwarte broek heen in de kuit stak, stelden hem
+buiten gevecht.
+
+Toen kon de vroolijke zon zich niet langer goed houden en verborg het
+aangezicht achter een wolk. Groote regendroppels daalden op de
+strijdende partijen. Het was alsof door den regen plotseling een bosch
+van groote, zwarte paddestoelen uit den grond opschoot. Dat waren de
+regenschermen die werden uitgespannen. Vrouwen sloegen de rokken over
+het hoofd, waardoor witte onderrokken, wit gekouste beenen en schoenen
+zonder hakken zichtbaar werden. O, wat had Windekind een pret! hij moest
+zich aan den bloemstengel vasthouden van 't lachen.
+
+Dichter en dichter stroomde de regen, hij begon het bosch met een
+grauwen, glinsterenden sluier te omhullen. Kletterende waterstralen
+vielen van parapluies, hooge hoeden en zwarte jassen, die glommen als de
+schilden van de watertor, de schoenen zoenden en smakten in den
+doorweekten grond. Toen gaven de menschen het op, en dropen bij kleine
+troepjes zwijgend af, een menigte papieren, ledige flesschen en
+sinaasappelschillen als onoogelijke sporen van hun bezoek, achterlatend.
+Op het open veldje in het bosch werd het weder eenzaam en hoorde men
+spoedig niets meer dan het eentonige ruischen van den regen.
+
+'Nu, Johannes! nu hebben wij ook menschen gezien. Waarom lacht gij ook
+niet om hen?'
+
+'Ach, Windekind! zijn alle menschen zoo?'
+
+'O! er zijn nog veel erger en leelijker. Soms razen en tieren zij en
+vernielen al wat mooi en heerlijk is. Zij hakken boomen om en zetten er
+plompe, vierkante huizen voor in de plaats. Zij vertrappen de bloemen
+moedwillig en dooden voor vermaak elk dier, dat onder hun bereik komt.
+In hun steden, waar zij opeen kruipen, is alles vuil en zwart en de
+lucht bedompt en vergiftigd door stank en rook. Zij zijn geheel vervreemd
+van de natuur en hun medeschepselen. Daarom maken zij zulk een dwaas en
+droevig figuur, als zij er in terugkeeren.'
+
+'Ach! Windekind! Windekind!'
+
+'Waarom weent gij, Johannes? Gij moet niet weenen, omdat gij bij
+menschen geboren zijt. Ik heb u immers lief en u verkoren onder allen.
+Ik heb u de taal van vlinders en vogelen geleerd en den blik der bloemen
+doen verstaan. De maan kent u, en de goede, milde aarde heeft u lief als
+haar liefste kind. Waarom zoudt ge niet blij zijn, daar ik uw vriend ben?'
+
+'O, Windekind dat ben ik! dat ben ik! maar ik moet toch huilen om al die
+menschen!'
+
+'Waarom? Gij behoeft niet bij hen te blijven, als u dat verdriet doet.
+Gij kunt hier wonen en mij altijd vergezellen. Wij zullen huizen in het
+dichtste van het bosch, in de eenzame, zonnige duinen of in het riet aan
+den vijver. Ik zal u overal brengen, op den bodem van het water tusschen
+de waterplanten, in de paleizen van elfen en in de woningen van de
+kabouters. Ik zal met u zweven over velden en wouden, over vreemde
+landen en zeeen. Ik zal spinnen fijne kleederen voor u laten maken en u
+vleugels geven, zooals ik ze draag. Wij zullen leven van bloemengeur en
+met de elfen in het maanlicht dansen. Als de herfst komt, zullen wij met
+den zomer medetrekken, daarheen waar de hooge palmen oprijzen, waar
+kleurige bloemtrossen aan de rotsen hangen en het donkerblauwe zeevlak
+schittert in de zon. En ik zal u altijd sprookjes vertellen. Wilt ge dat
+Johannes?'
+
+'Zal ik nimmermeer onder menschen wonen?'
+
+'Onder menschen wacht u eindeloos verdriet, verveling, vermoeienis en
+zorg. Dag aan dag zult gij tobben en zuchten onder den last van uw
+leven. Zij zullen uwe teedere ziel stooten en pijnigen door hun
+grofheden. Zij zullen u ter dood vervelen en martelen. Hebt gij de
+menschen meer lief dan mij?'
+
+'Neen! neen! Windekind, ik wil bij u blijven!'
+
+Nu kon hij toonen, hoeveel hij van Windekind hield. Ja! hij wilde allen
+en alles voor hem verlaten en vergeten. Zijn kamertje, Presto en zijn
+vader. Vol vreugde en vastberaden herhaalde hij zijn wensch.
+
+De regen hield op. Onder grauwe wolken door straalde een heldere
+glimlach van de zon over het woud, op de vochtige glanzende bladeren en
+op de droppels, die aan elk twijgje en halmpje fonkelden en de
+spinnewebben sierden, die over het eikenloof gespannen waren. Langzaam
+steeg een fijne nevel uit den vochtigen grond tusschen het kreupelhout
+omhoog, duizend zoele droomerige geuren medevoerend. De meerle vloog nu
+in den hoogsten boomtop en zong in korte, innige melodieen tot de
+dalende zon, als wilde zij toonen welke zang hier paste, in de plechtige
+avondstilte, bij de zachte begeleiding der vallende droppen.
+
+'Is dat niet schooner dan menschengeluid, Johannes? Ja! de meerle weet
+wel den juisten toon te treffen. Hier is alles harmonie, zoo volkomen
+zult ge ze bij menschen nooit vinden.'
+
+'Wat is harmonie, Windekind?'
+
+'Dat is hetzelfde als geluk. Het is dat, waarnaar alles streeft. Ook de
+menschen. Doch zij doen als jongens, die een vlinder willen vangen. Zij
+jagen haar juist weg door hun domme pogingen.'
+
+'Zal ik haar bij u vinden?'
+
+'Ja Johannes! Maar dan moet gij de menschen vergeten. Het is een slecht
+begin, bij menschen geboren te zijn, maar gij zijt nog jong, gij moet
+alle herinneringen aan uw menschenleven van u afzetten, bij hen zoudt
+gij dwalen en in verwarring, strijd en ellende geraken, het zou met u
+gaan als met den jongen meikever, van wien ik u vertelde.'
+
+'Wat is daarmede verder gebeurd?'
+
+'Hij heeft het heldere schijnsel gezien, waarvan de oude kever sprak;
+hij dacht niet beter te kunnen doen, dan er dadelijk heen te vliegen.
+Regelrecht vloog hij in een kamer en viel in menschenhanden. Drie dagen
+lang is hij daar gemarteld, hij heeft in kartonnen doosjes gezeten, men
+heeft hem draadjes aan de pooten gebonden en zoo laten vliegen, toen
+heeft hij zich losgerukt, een vleugel en een poot verloren en is
+eindelijk, hulpeloos op een vloerkleed rondkruipend en nog vruchteloos
+pogend den tuin te bereiken, door een zwaren voet verpletterd.
+
+'Alle dieren, Johannes, die in den nacht ronddolen, zijn zoo goed
+kinderen van de zon als wij. En al hebben zij nimmer hunnen
+schitterenden vader gezien, toch drijft hen een onbewuste herinnering
+immer weer tot al waaraan licht ontstraalt. En duizenden arme schepsels
+der duisternis vinden een jammerlijken dood door die liefde tot de zon,
+van wie zij sinds lang gescheiden en vervreemd zijn. Zoo brengt een
+onbegrepen, onweerstaanbare neiging de menschen ten verderve in de
+schijnbeelden van dat Groote Licht, dat hen deed ontstaan en dat zij
+niet meer kennen.'
+
+Vragend zag Johannes op naar Windekind's oogen. Doch zij waren diep en
+geheimvol, als de donkere hemel tusschen de sterren.
+
+'Bedoelt gij God?' vroeg hij eindelijk schuchter.
+
+'God?' De diepe oogen lachten zacht. 'Ik weet, Johannes, waaraan gij
+denkt, als gij dien klank uitspreekt. Aan den stoel voor uw bed,
+waartegen gij het lange gebedje iederen avond zegt, aan de groen saaien
+gordijnen voor het kerkraam, waarnaar gij Zondagmorgen zoo lang kijkt,
+aan de kapitale letters van uw bijbeltje, aan het kerkezakje met den
+langen steel, aan leelijk gezang en een muffe menschenlucht. Wat gij met
+dien naam bedoelt, Johannes, is een belachelijk schijnbeeld, in plaats
+van de zon, een groote petroleumlamp, waarop honderden en duizenden
+mugjes hulpeloos zitten vastgeplakt.'
+
+'Maar hoe heet dan dat Groote Licht, Windekind? en tot wien moet ik dan
+bidden?'
+
+'Johannes, het is alsof een schimmelplantje mij vroeg hoe de aarde
+heette, die met haar ronddraait. Was er een antwoord op uw vraag, gij
+zoudt het verstaan als een aardworm de muziek der sterren. Doch bidden
+zal ik u leeren.'
+
+En met den kleinen Johannes, die in stille verwondering over Windekind's
+woorden peinsde, vloog hij uit het bosch omhoog, zoo hoog, dat over den
+duinrand een lange, als goud fonkelende streep zichtbaar werd. Zij
+vlogen voort, de grillig beschaduwde duinvlakte gleed onder hun blikken
+weg en breeder en breeder werd de lichtstreep. De groene kleur der
+duinen week, vaal zag het helm en vreemde, bleekblauwe planten groeiden
+er tusschen. Nog een hooge heuvelreeks, een lang gestrekte, smalle
+zandstrook en dan de wijde, ontzaglijke zee.
+
+Blauw was het groote vlak, tot aan de kimme, maar onder de zon straalde
+een smalle strook in verblindend roode schittering. Een lange, donzig
+witte schuimrand omzoomde het zeevlak, zooals hermelijn het blauw fluweel
+omzoomt.
+
+En aan de kimme scheidde lucht en water een fijne, wonderbare lijn. Een
+wonder scheen zij: recht en toch gebogen, scherp en toch onbestemd,
+zichtbaar en toch onnaspeurlijk. Zij was als de toon eener harp, die
+lang en droomend naklinkt, die schijnt weg te sterven en toch blijft.
+
+Toen zette de kleine Johannes zich op den duinrand en staarde ...,
+staarde in lang, roerloos zwijgen totdat het hem was, alsof hij ging
+sterven, alsof de groote, gouden deuren van het heelal zich statig
+ontsloten en zijne kleine ziel het eerste licht der oneindigheid
+tegenzweefde.
+
+En totdat de tranen, die in zijn wijd geopende oogen welden, de schoone
+zon omfloersten en de pracht van hemel en aarde deden wegdeinzen in een
+duistere, trillende schemering ...
+
+'Zoo moet gij bidden!' zeide toen Windekind.
+
+
+
+
+V
+
+
+Hebt gij wel eens op een fraaien herfstdag door het bosch gedwaald? Als
+de zon zoo stil en helder op het rijkgetinte loover schijnt, als de
+takken kraken en de dorre bladeren ruischen onder uw voet?
+
+Dan schijnt het woud zoo moede, het kan nog slechts deinzen en leeft in
+oude herinneringen. Een blauwe nevel omringt het, als een droom, met
+geheimzinnige pracht en de glinsterende herfstdraden zweven door de
+lucht in trage golving, als schoone, doellooze mijmeringen.
+
+Doch uit den vochtigen grond, tusschen mos en dorre bladeren, verrijzen
+dan plotseling en raadselachtig de wonderlijke gestalten der
+paddestoelen. Sommige dik, wanstaltig en vleezig, andere slank en
+rijzig, met geringden steel en schitterend gekleurden hoed. Dat zijn
+zonderlinge droombeelden van het woud.
+
+Dan ziet men ook op vermolmde boomstronken tallooze kleine, witte
+stompjes, met zwarte topjes, alsof zij verbrand waren. Sommige wijze
+menschen houden ze voor een soort zwammen. Doch Johannes leerde beter:
+
+Het zijn kaarsjes. Zij branden in stille herfstnachten, dan zitten er de
+kaboutermannetjes bij en lezen in kleine boekjes.
+
+Dat leerde hem Windekind op zulk een stillen herfstdag, en Johannes ademde
+droomstemming in met den doffen geur, die uit den boschgrond opsteeg.
+
+Hoe komen de bladeren van den eschdoorn zoo zwartgevlekt?
+
+'Ja, dat doen de kabouters ook,' zei Windekind. 'Als zij des nachts
+geschreven hebben, gooien zij des morgens de rest van hun inktpotjes
+over die bladeren uit. Zij houden niet van dien boom. Van esschenhout
+maakt men kruisjes en stelen voor kerkezakjes.'
+
+Johannes werd nieuwsgierig naar die kleine, vlijtige kabouters, en hij
+liet Windekind beloven, hem bij een van hen te brengen.
+
+Lang was hij reeds bij Windekind geweest, en hij was zoo gelukkig in
+zijn nieuw leven, dat hij nog weinig berouw gevoelde over zijn belofte,
+al het achtergelatene te vergeten. Er waren geen tijden van angst of
+eenzaamheid, waarin altijd het berouw komt. Windekind verliet hem nooit,
+en bij hem was elke plek een te huis. Rustig sliep hij in het wiegelend
+nest van een karkiet, dat tusschen de groene riethalmen hing, al brulde
+de roerdomp en krasten de kraaien nog zoo onheilspellend. Geen angst
+voelde hij bij kletterenden regen of suizenden storm, dan school hij in
+holle boomen, of konijnenholen, en kroop dicht onder Windekinds
+manteltje en luisterde naar zijn stem die sprookjes verhaalde.
+
+En nu zou hij de kabouters zien.
+
+'t Was een goede dag daarvoor. Zoo stil! zoo stil! Johannes meende reeds
+hun fijne stemmetjes en het geschuifel hunner voetjes te hooren, doch
+het was nog middag. De vogelen waren bijna allen weg, alleen de lijsters
+smulden aan de helroode bessen. Een zat gevangen in een strik. Met
+uitgespreide vleugels hing zij daar en spartelde, tot het scherp
+omknelde pootje bijna vaneen scheurde. Spoedig bevrijdde haar Johannes,
+en onder blij getink vloog zij ijlings weg.
+
+De paddestoelen hadden het druk onder elkaar.
+
+'Zie mij eens!' zeide een dikke duivels-zwam. 'Hebt ge ooit zoo iets
+gezien? Zie hoe dik en wit mijn steel is en hoe mijn hoed glimt. Ik ben
+de grootste van allen. En dat in een nacht!' 'Ba!' zeide de roode
+vliegenzwam, 'gij zijt zeer lomp. Zoo bruin en grof. Ik wiegel op mijn
+slanken steel als een riethalm. Ik ben prachtig rood als de
+lijsterbessen en sierlijk gespikkeld. Ik ben schooner dan allen.'
+
+'Stil!' zeide Johannes, die hen wel kende van vroeger dagen: 'gij zijt
+beiden giftig.'
+
+'Dat is een deugd,' zei de vliegenzwam.
+
+'Zijt gij een mensch bij geval?' bromde de dikke schamper. 'Dan mag ik
+lijden dat gij mij opeet.'
+
+Dat deed Johannes echter niet. Hij nam dorre takjes en stak die in den
+vleezigen hoed. Dat stond gek en alle andere lachten. Ook een troepje
+dunne paddestoelen met bruine kopjes, die gezamenlijk in een paar uur
+waren opgeschoten en elkaar verdrongen om in de wereld te kijken. De
+duivelszwam werd blauw van kwaadheid. Daar kwam zijn giftige aard mee
+aan den dag.
+
+Aardsterren hieven haar ronde, opgeblazen hoofdjes op vierpuntige
+voetstukjes. Van tijd tot tijd vloog een bruin wolkje uiterst fijn
+poeder uit de opening van het ronde hoofdje. Waar dat poeder neerviel in
+vochtigen bodem, zouden zich draden door de zwarte aarde vlechten en het
+volgende jaar honderden nieuwe aardsterren opschieten.
+
+'Welk een schoon bestaan!' zeiden zij tot elkaar.
+
+'Stuiven is het hoogste levensdoel! Welk een geluk te kunnen stuiven zoo
+lang men leeft!'
+
+En met aandachtige toewijding dreven zij de kleine poederwolkjes in de
+lucht.
+
+'Hebben zij gelijk, Windekind?'
+
+'Waarom niet? Wat kan voor hen hooger zijn? Gelukkig dat zij niet meer
+verlangen, want zij kunnen niet anders.'
+
+Toen de nacht was gedaald en de schaduwen der boomen tot een gelijkmatig
+duister waren ineengevloeid, hield het geheimzinnige woudleven niet op.
+De takjes kraakten en knapten, de dorre blaadjes ritselden hier en daar,
+tusschen het gras en in het kreupelhout. Johannes voelde den tocht van
+onhoorbare vleugelslagen en was bewust van de nabijheid van onzichtbare
+wezens. Nu hoorde hij toch duidelijk stemmetjes fluisteren en voetjes
+trippelen. Zie, daar in de duistere diepte der struiken gloeide even een
+klein, blauw vonkje en verdween. Daar weder een en weder! Stil ... als
+hij goed luisterde, hoorde hij geschuifel in de bladeren vlak bij
+hem,--bij dien donkeren boomstronk. De blauwe lichtjes kwamen er achter
+te voorschijn en hielden stil op den top.
+
+Overal zag Johannes nu lichtglansen glimmen, zij zweefden tusschen het
+donkere loover, dansten met kleine sprongen langs den grond, en ginds
+straalde een groote tintelende massa als een blauw vreugdevuur.
+
+'Wat is dat voor een vuur?' vroeg Johannes. 'Dat brandt prachtig!'
+
+'Dat is een vermolmde boomstam,' zeide Windekind. Zij gingen op een
+stil, helder lichtje af.
+
+'Nu zal ik u aan Wistik voorstellen. Dat is de oudste en wijste der
+kabouters.'
+
+Dichterbij gekomen, zag Johannes hem bij zijn kaarsje zitten. Duidelijk
+kon men bij den blauwen schijn het gerimpeld gezichtje met den grijzen
+baard onderscheiden; hij las hardop met saamgetrokken wenkbrauwen. Op
+het hoofd droeg hij een eikelkapje met een klein veertje, voor hem zat
+een kruisspin en luisterde naar de voorlezing.
+
+Toen de twee naderden, keek de kabouter zonder het hoofd op te heffen,
+uit zijn boekje op en trok de wenkbrauwen in de hoogte. De kruisspin
+kroop weg. 'Goeden avond!' zeide de kabouter. 'Ik ben Wistik. Wie zijt
+gij beiden?'
+
+'Ik heet Johannes. Ik wilde graag met u kennis maken. Wat leest gij
+daar?'
+
+'Dat is niet voor uwe ooren bestemd,' zeide Wistik; 'dat is alleen voor
+kruisspinnen.'
+
+'Laat het mij ook eens zien, lieve Wistik!' vroeg Johannes.
+
+'Dat mag ik niet. Dat is het heilige boek der spinnen, dat bewaar ik en
+mag ik nooit uit mijn handen geven. Ik heb de heilige boeken van torren
+en vlinders en egels en mollen en al wat hier leeft. Zij kunnen niet
+allen lezen en als zij nu iets willen weten, lees ik het hun voor. Dat
+is een groote eer voor mij, een post van vertrouwen, begrijpt ge?'
+
+Het mannetje knikte een paar malen zeer ernstig en stak een
+wijsvingertje op.
+
+'Waaraan waart gij nu bezig?'
+
+'Aan de geschiedenis van Kribbelgauw, den grooten held der kruisspinnen,
+die heel lang geleden leefde en een net had, dat over drie boomen
+gespannen was, waarin hij millioenen vliegen op een dag ving. Voor
+Kribbelgauw's tijd maakten de spinnen geen netten en leefden van gras en
+doode beestjes; maar Kribbelgauw was een knappe kop en bewees, dat ook
+levende beestjes tot spinnenvoedsel gemaakt waren. Toen vond Kribbelgauw
+ook de kunstige netten uit, door moeilijke berekeningen, want hij was
+een groot wiskunstenaar. En de kruisspinnen maken nog altijd haar netten
+precies, draadje aan draadje zooals hij het geleerd heeft, maar veel
+kleiner. Want het spinnengeslacht is erg ontaard. Kribbelgauw ving
+groote vogels in zijn net en vermoordde duizend van zijn eigen kinderen,
+dat was nog eens een groote spin. Eindelijk is er een geweldige storm
+gekomen en heeft Kribbelgauw met zijn net en de drie boomen, waaraan het
+vastzat, mede door de lucht gesleept, naar verre bosschen, waar hij nu
+eeuwig vereerd wordt om zijn grooten moordlust en vlugheid.'
+
+'Is dat alles waar?' vroeg Johannes.
+
+'Het staat in dit boekje,' zeide Wistik.
+
+'Gelooft gij het?'
+
+De kabouter kneep een oog dicht en legde den wijsvinger langs den neus.
+
+'In de heilige boekjes van andere dieren, waarin over Kribbelgauw
+gesproken wordt, heet hij een verfoeilijk en verachtelijk monster. Maar
+ik houd er mij buiten.'
+
+'Is er ook een kabouterboekje, Wistik?'
+
+Wistik keek Johannes eenigszins wantrouwend aan.
+
+'Wat zijt gij eigenlijk voor een wezen, Johannes? Gij hebt zoo iets ...
+zoo iets ... menschelijks, zou ik zeggen.'
+
+'Neen! neen! wees gerust, Wistik,' zeide Windekind toen, 'wij zijn
+elfen. Maar Johannes heeft vroeger veel menschen gezien. Gij kunt hem
+echter vertrouwen. Het zal hem geen kwaad doen.'
+
+'Ja! ja! dat is goed en wel, maar ik heet de wijste der kabouters en ik
+heb lang en ijverig gestudeerd voordat ik wist wat ik weet. Nu moet ik
+voorzichtig zijn met mijn wijsheid. Als ik te veel vertel, verlies ik
+mijn reputatie.'
+
+'Maar in welk boekje denkt gij dan, dat het rechte staat?'
+
+'Ik heb veel gelezen, maar ik geloof niet, dat ik dat boekje ooit
+gelezen heb. Het is niet het elfenboekje, ook niet het kabouterboekje.
+Toch moet het er zijn.'
+
+'Het menschenboekje misschien?'
+
+'Dat ken ik niet, maar ik zou het niet denken. Want het ware boekje moet
+groot geluk en grooten vrede brengen, daarin moet nauwkeurig staan,
+waarom alles is zooals het is, zoodat niemand iets meer kan vragen of
+verlangen. Nu, zoo ver zijn de menschen, geloof ik, niet.'
+
+'O! O neen!' lachte Windekind.
+
+'Is er stellig zulk een boekje?' vroeg Johannes gretig.
+
+'Ja! ja!' fluisterde het kaboutertje, 'ik weet het uit oude, oude
+verhalen. En--stil!--ik weet ook waar het is en wie het vinden kan.'
+
+'O! Wistik! Wistik!'
+
+'Waarom hebt gij het dan nog niet?' vroeg Windekind.
+
+'Geduld maar, dat zal wel gebeuren. Enkele bizonderheden weet ik nog
+niet. Doch spoedig zal ik het vinden. Ik heb er mijn leven lang voor
+gewerkt en naar gezocht. Want voor hem, die het vindt, zal het leven
+zijn als een eeuwige herfstdag, blauwe lucht omhoog en blauwe nevel
+rondom, doch geen vallend blad zal ritselen, geen takje zal kraken en
+geen druppel zal tikken, de schaduwen zullen niet veranderen, en het
+goud op de boomtoppen zal niet verbleeken. Wat ons licht schijnt, zal
+duister zijn, en wat ons gelukkig schijnt, zal droevig wezen voor hem
+die dat boekje gelezen heeft. Ja! dit alles weet ik, en ik zal het ook
+eenmaal vinden.'
+
+Het kaboutertje trok de wenkbrauwen zeer hoog op en legde den vinger op
+zijn mond.
+
+'Wistik zoudt gij mij kunnen leeren ...' begon Johannes; doch eer hij kon
+uitspreken, voelde hij een hevige windvlaag en zag een groote, zwarte
+gedaante vlak boven zich, die snel en onhoorbaar voorbijschoot.
+
+Toen hij weer naar Wistik keek, zag hij nog even een voetje in den
+boomstronk verdwijnen. Wip! was het kaboutertje voorover in zijn hol
+gesprongen, met boek en al. Het kaarsje begon flauwer en flauwer te
+branden en ging opeens uit. Het zijn zeer bizondere kaarsjes.
+
+'Wat was dat?' vroeg Johannes, zich in het duister angstig aan Windekind
+vastklemmend.
+
+'Een nachtuil,' zeide Windekind.
+
+Zij zwegen beiden een tijdlang. Toen vroeg Johannes: 'Gelooft gij wat
+Wistik gezegd heeft?'
+
+'Wistik is niet zoo wijs als hij zelf denkt. Zulk een boekje vindt hij
+nimmer, en gij ook niet.'
+
+'Maar bestaat het?'
+
+'Dat boekje bestaat zooals uw schaduw bestaat, Johannes! Hoe hard gij
+loopt en hoe omzichtig gij grijpt, gij zult haar niet inhalen of vatten.
+En eindelijk merkt ge dat ge u-zelven zoekt. Wees niet dwaas en vergeet
+dien kabouterpraat! Ik zal u honderd mooiere geschiedenissen vertellen.
+Ga mede; wij zullen naar den rand van 't bosch gaan en zien hoe onze
+goede Vader de witte wollen dauwdekens van de slapende weilanden
+licht. Ga mede!'
+
+Johannes ging, doch Windekinds woorden begreep hij niet en zijn raad
+volgde hij niet. En terwijl hij den schitterenden herfstmorgen zag
+rijzen, mijmerde hij over het boekje, waarin stond, waarom alles is
+zooals het is, en herhaalde zachtjes bij zichzelve: 'Wistik! ...'
+
+
+
+
+VI
+
+
+Toen scheen het hem, de volgende dagen, alsof het niet zoo vroolijk en
+prettig meer was bij Windekind in het bosch en de duinen. Zijn gedachten
+waren niet geheel meer vervuld van al hetgeen Windekind zeide en hem
+liet zien. Telkens moest hij weder over dat boekje peinzen en daarover
+durfde hij niet spreken. Wat hij zag, scheen hem niet zoo mooi en
+wondervol meer als vroeger. De wolken waren zoo zwart en zwaar en
+maakten hem angstig, als zouden zij op hem neerkomen. Het deed hem pijn,
+als de herfstwind rusteloos de arme, moede boomen schudde en zweepte,
+dat de bleeke achterkant der groene bladeren boven kwam en geel loof en
+dorre takken opvlogen in de lucht.
+
+Wat Windekind vertelde, gaf hem geen voldoening. Veel begreep hij niet,
+en nimmer kreeg hij een volkomen duidelijk en bevredigend antwoord,
+wanneer hij een van zijn oude vragen deed.
+
+Dan moest hij weer aan dat boekje denken, waarin alles zoo klaar en
+eenvoudig geschreven stond, en aan dien eeuwig zonnigen stillen
+herfstdag, die dan volgen zou.
+
+'Wistik! Wistik!'
+
+Windekind hoorde het.
+
+'Johannes! gij zult toch een mensch blijven, vrees ik. Zelfs uw
+vriendschap is als die van menschen, de eerste, die tot u sprak na mij,
+heeft al uw vertrouwen weggenomen. Ach, mijn moeder had wel gelijk!'
+
+'Neen Windekind! maar gij zijt zooveel wijzer dan Wistik, gij zijt ook
+zoo wijs als dat boekje. Waarom zegt gij mij alles niet? Zie, nu! waarom
+blaast de wind door de boomen, dat zij moeten buigen en weer buigen?
+Zie, zij kunnen niet meer, de mooiste takken breken, en bij honderden
+laten de blaadjes los ook al zijn ze nog groen en frisch. Ze zijn zoo
+moede en kunnen niet meer vasthouden, en toch worden ze telkens weer
+opnieuw geschud en geslagen door dien ruwen nijdigen wind. Waarom is
+dat? Wat wil de wind?'
+
+'Arme Johannes! dat is menschentaal!'
+
+'Laat het stil worden, Windekind! Ik wil stilte en zonneschijn!'
+
+'Gij vraagt en wilt als een mensch, daarvoor is antwoord noch
+vervulling. Als gij niet beter leert vragen en wenschen, zal de
+herfstdag nimmer voor u aanbreken, en gij wordt als de duizenden
+menschen, die Wistik gesproken hebben.'
+
+'Zijn er zooveel?'
+
+'Ja, duizenden! Wistik hield zich heel geheimzinnig maar toch is hij een
+prater, die zijn geheim niet verzwijgen kan. Hij hoopt het boekje bij de
+menschen te vinden, en deelt zijn wijsheid aan ieder mee, die hem
+misschien kan helpen. En al veel ongelukkigen heeft hij er mede gemaakt.
+Zij gelooven hem en gaan het boekje zoeken, met evenveel ijver als
+sommigen de kunst om goud te maken. Zij offeren alles op, vergeten al
+hun bedrijf en geluk en sluiten zich op tusschen dikke boeken, vreemde
+stoffen en werktuigen. Zij wagen hun leven en gezondheid, ze vergeten
+den blauwen hemel en de goede, milde natuur en ook hun medemenschen.
+Soms vinden zij mooie en nuttige dingen als goudklompen, die zij uit hun
+holen op de lichte, zonnige aardoppervlakte gooien, doch zelf bekommeren
+zij zich daar niet om, laten anderen er van genieten en graven en
+wroeten ingespannen en rusteloos in het duister voort. Geen goud zoeken
+zij, maar het boekje. Sommigen versuffen ook onder den arbeid, vergeten
+hun doel en hun wensch en dwalen af tot jammerlijk gebeuzel. Dan heeft
+de kabouter hen kindsch gemaakt. Men ziet ze torentjes van zand bouwen
+en tellen hoeveel korrels er noodig zijn voordat ze omvallen; ze maken
+watervalletjes en berekenen precies elk bochtje en golfje, dat het water
+maken zal; ze graven kuiltjes en besteden al hun geduld en vernuft, om
+die mooi glad en zonder steentjes te krijgen. Stoort men die arme
+verdwaasden in hun werk en vraagt men wat zij doen, dan zien zij u
+ernstig en gewichtig aan, schudden het hoofd en mompelen: 'Wistik!
+Wistik!' Ja, dit alles is de schuld van dien kleinen, naren kabouter.
+Pas op voor hem, Johannes!'
+
+Doch Johannes staarde voor zich naar de zwaaiende en piepende boomen;
+boven zijn heldere kinderoogen plooide zich de teedere huid tot rimpels.
+Nog nooit had hij zoo ernstig gekeken.
+
+'Maar toch, ge hebt het zelf gezegd, het boekje was er! O, ik weet zeker,
+daar staat ook in van het Groote Licht, dat gij mij niet noemen wilt.'
+
+'Arme, arme Johannes!' zeide Windekind, en zijn stem was boven het roezig
+geruisch van den storm als een vredig choraalgezang, dat van verre klonk.
+'Heb mij lief, heb mij lief met uw geheele wezen. In mij vindt gij meer
+dan dat wat ge wenscht. Gij zult begrijpen wat gij u niet denken kunt, en
+gij zult zelf zijn, wat gij verlangt te kennen. Aarde en hemel zullen uw
+vertrouwden, de sterren zullen uw naasten, de oneindigheid zal uw woning
+zijn.
+
+'Heb mij lief, heb mij lief! omvat mij als de hoprank den boomstam,
+blijf mij trouw als het meer den bodem, in mij alleen is al uw rust,
+Johannes!'
+
+Windekind's woorden zwegen, doch het was alsof het choraalgezang
+voortduurde. Uit verwijderde verte scheen het aan te zweven, plechtig en
+gelijkmatig, door het razen en suizen van den wind, vredig als het
+maanlicht, dat door de jagende wolken scheen.
+
+Windekind breidde de armen uit, en Johannes sliep aan zijne borst,
+beschermd door het blauwe manteltje.
+
+Doch in den nacht werd hij wakker. De stilte was plotseling en
+onmerkbaar over de aarde gekomen, de maan onder de kimmen gedaald.
+Roerloos hing het afgematte loover, zwijgende duisternis vervulde
+het bosch.
+
+Daar kwamen de vragen in snelle, spookachtige opvolging in Johannes'
+hoofd terug en dreven het nog zoo jonge vertrouwen voor zich uit. Waarom
+waren de menschen zoo? Waarom moest hij hen verlaten? hun liefde
+verliezen? Waarom moest het winter worden? Waarom moesten de bladeren
+vallen en de bloemen sterven? Waarom? Waarom?
+
+Daar dansten in de diepte van 't kreupelhout weder de blauwe lichtjes.
+Zij kwamen en gingen. Ingespannen staarde Johannes hen na. Hij zag het
+groote, heldere lichtje glanzen op den donkeren boomstronk. Windekind
+sliep vast en rustig. 'Nog een vraag!' dacht Johannes en gleed onder het
+blauwe manteltje weg.
+
+'Zijt ge daar weer!' zeide Wistik en knikte hartelijk. 'Dat doet mij
+zeer veel genoegen. Waar is uw vriend?'
+
+'Daarginder. Ik wilde u alleen nog een vraag doen. Wilt gij mij daarop
+antwoorden?'
+
+'Gij zijt bij menschen geweest, niet waar? Is het u om mijn geheim te
+doen?'
+
+'Wie zal dat boekje vinden, Wistik?'
+
+'Ja, Ja! dat is het! dat is het! Wilt ge mij helpen, als ik het u zeg?
+
+'Als ik kan, zeker!'
+
+'Luister dan, Johannes!' Wistik zette verbazend groote oogen en trok
+zijn wenkbrauwen hooger op dan ooit. Toen fluisterde hij langs den rug
+van zijn handje: 'Menschen hebben het gouden kistje, elfen hebben den
+gouden sleutel, elfenvijand vindt het niet, menschenvriend slechts opent
+het. Lentenacht is de rechte tijd, en roodborstje weet den weg.'
+
+'Is dat waar? Is dat waar?' riep Johannes en dacht aan zijn sleuteltje.
+
+'Ja!' zeide Wistik.
+
+'Waarom vond het nog niemand dan? Zooveel menschen zoeken er naar.'
+
+'Ik heb geen mensch, geen mensch gezegd, wat ik u vertrouwd heb. Ik vond
+nog nooit een elfenvriend.'
+
+'Ik heb het, Wistik! ik kan u helpen!' Johannes juichte en klapte in de
+handen. 'Ik zal het Windekind vragen.'
+
+Weg vloog hij over mos en dorre bladeren. Doch hij struikelde telkens,
+en zijn tred was zwaar. Dikke takken knapten onder zijn voet, waar hij
+anders geen grashalmpje boog.
+
+Daar was de dichte varenplant, waaronder zij geslapen hadden, wat leek
+zij hem laag.
+
+'Windekind!' riep hij. Doch hij schrikte van het geluid van zijn stem.
+
+'Windekind!' Het klonk als een menschenstem, een schuwe nachtvogel vloog
+krijschend op.
+
+Ledig was het onder den varenstruik, Johannes zag niets.
+
+De blauwe lichtjes waren verdwenen; het was kil en grondeloos duister om
+hem heen. Boven zich zag hij de zwarte schimmen der boomkruinen tegen de
+sterrenlucht.
+
+Nog eens riep hij. Toen durfde hij niet meer. Zijn stem was een schennis
+in de stilte, en Windekinds naam scheen een spotklank.
+
+Toen viel het arme Johannesje neder en snikte in radeloos berouw.
+
+
+
+
+VII
+
+
+Kil en grauw was de morgen. De zwarte glimmende takken, door den storm
+ontbladerd, weenden in den mist.
+
+Over het natte, neergeslagen gras liep de kleine Johannes haastig voort,
+voor zich uit starend naar den kant, waar het woud lichter werd, als had
+hij daar een doel. Zijn oogen waren rood van 't weenen en strak van
+angst en jammer. Zoo had hij den ganschen nacht geloopen, alleen zoekend
+naar het licht, met Windekind was het veilig thuisgevoel weg. In elke
+donkere plek zat het spook der verlatenheid, en hij durfde niet omzien.
+
+Eindelijk kwam hij aan den boschrand. Hij zag over een weiland, waarop
+een fijne, klamme regen langzaam neerstreek. Er stond een paard midden
+in, naast een kalen wilgeboom. Het stond onbeweeglijk met gebogen kop,
+en het water droppelde traag van zijn glimmende zijden en uit de
+saamgepakte manen.
+
+Johannes liep door, langs het bosch. Hij keek met matten, angstigen blik
+naar het eenzame paard en den grauwen regennevel en kreunde zacht.
+
+'Nu is alles uit,' dacht hij; 'nu zal de zon wel nooit meer terugkomen.
+Nu zal het altoos voor mij blijven zooals hier.'
+
+Toch durfde hij in zijn wanhoop niet stilstaan, dan zou het vreeselijkste
+komen, dacht hij.
+
+Toen zag hij het groote hek van een buitenplaats en een huisje, onder
+een lindeboom met helder-gele bladeren.
+
+Hij ging het hek in en liep door de breede lanen, waar de bruine en gele
+lindebladeren in een dikke laag den grond bedekten. Langs de grasperken
+groeiden paarse asters en andere kleurige herfstbloemen verwilderd dooreen.
+
+Hij kwam aan een vijver. Daarbij stond een groot huis met lage ramen en
+glazen deuren. Rozenstruiken en klimop groeiden tegen de muren. Het was
+overal doodsch en gesloten. Half ontbladerde kastanjeboomen stonden stil
+rondom, en op den grond, tusschen het afgevallen loover, zag Johannes de
+glimmend bruine kastanjes blinken.
+
+Toen week het kille, doode gevoel van hem. Hij dacht aan zijn eigen
+huis, daar waren ook kastanjeboomen, en altijd ging hij in dezen tijd de
+gladde kastanjes zoeken. Hij begon plotseling te verlangen, alsof hij
+een bekende stem had hooren roepen. Hij zette zich op een bank bij het
+groote huis en schreide zich rustig.
+
+Een eigenaardige geur deed hem opkijken. Er stond een man bij hem, met
+een wit voorschoot om en een pijp in den mond. Om zijn middel had hij
+strooken lindebast, waarmede hij de bloemen opbond. Johannes kende dien
+reuk zoo goed, hij deed hem aan zijn eigen tuin denken en aan den tuinman,
+die hem mooie rupsen bracht en spreeuweneieren voor hem uithaalde.
+
+Hij schrikte niet, al was het een mensch, die bij hem stond. Hij vertelde
+den man dat hij verlaten en verdwaald was, en dankbaar volgde hij hem naar
+de kleine woning onder den geelgebladerden lindeboom.
+
+Daarbinnen zat de tuinmansvrouw en breide zwarte kousen. Over het
+turfvuurtje op de haardplaat hing een groote ketel water te koken. Op de
+vloermat bij het vuur zat een kat met gevouwen voorpooten, juist zooals
+Simon gezeten had, toen Johannes van huis ging.
+
+Johannes werd bij het vuur gezet, om zijn voeten te drogen. 'Tik!--Tik!
+--Tik!--Tik!' zeide de groote hangklok. Johannes keek naar den stoom,
+die suizend uit den ketel vloog, en naar de kleine vlammetjes, die vlug
+en grillig om de turven huppelden. 'Nu ben ik onder menschen,' dacht hij.
+
+Dat was niet naar. Hij voelde zich kalm en rustig. Zij waren goed en
+vriendelijk en vroegen hem, wat hij nu het liefst wilde. 'Het liefst
+wilde ik hier blijven,' antwoordde hij.
+
+Hier had hij rust, en als hij naar huis ging, zouden er verdriet en
+tranen komen. Hij had moeten zwijgen, en men zou hem zeggen, dat hij
+kwaad had gedaan. Hij zou alles terug moeten zien en alles nog eens
+moeten denken.
+
+Wel verlangde hij naar zijn kamertje, naar zijn vader, naar Presto, maar
+hij droeg liever het stille verlangen hier, dan het pijnlijke moeilijke
+wederzien. En het was of hij hier aan Windekind kon blijven denken, en
+thuis niet.
+
+Windekind was nu zeker weggegaan. Ver weg naar het zonnige land, waar de
+palmen over de blauwe zee heenbuigen. Hij wilde hier boete doen en op
+hem wachten.
+
+Daarom smeekte hij de beide goede menschen, of hij bij hen mocht
+blijven. Hij zou gehoorzaam zijn en voor hen werken. Hij zou helpen den
+tuin en de bloemen te verzorgen. Alleen dezen winter maar. Want hij
+hoopte in stilte, dat Windekind met de lente zou terugkomen.
+
+De tuinman en zijn vrouw dachten dat Johannes was weggeloopen, omdat hij
+thuis hard behandeld werd. Zij hadden medelijden met hem, en beloofden
+hem, dat hij blijven mocht.
+
+Hij bleef en hielp de bloemen in den tuin verzorgen. Een slaapkamertje
+gaf men hem, met een bedstede van blauwe planken. Daaruit zag hij 's
+ochtends de natte, gele lindebladeren langs het venster strijken en 's
+nachts de donkere stammen heen en weer wiegelen, waarachter de sterren
+schuilevinkje speelden. Nu gaf hij namen aan de sterren en noemde de
+helderste: Windekind.
+
+Aan de bloemen, die hij meest alle kende van huis, vertelde hij zijne
+geschiedenis. Aan de ernstige, groote asters, aan de kleurige zinnia's,
+aan de witte chrysanthen, die zoo lang bleven bloeien in het ruwe
+najaar. Toen alle andere bloemen dood waren, stonden de chrysanthen nog,
+en zelfs toen op een morgen de eerste sneeuw gevallen was en Johannes
+vroeg naar haar kwam kijken, staken zij haar vroolijke gezichtjes op en
+zeiden: 'Ja, wij zijn er nog! Dat hadt ge niet gedacht!' Zij hielden
+zich goed, doch twee dagen later waren zij allen dood.
+
+Maar in de serre prijkten dan nog palmen en boomvarens en hingen de
+vreemde bloemtrossen der orchideeen in de vochtige zoelte. Met
+verwondering staarde Johannes in haar prachtige kelken en dacht aan
+Windekind. Hoe kil en kleurloos scheen alles dan, als hij buiten kwam,
+de natte sneeuw met de zwarte voetstappen en de rafelende, druipende
+boomgeraamten.
+
+Alleen als de sneeuwvlokken uren en uren achtereen zwijgend waren
+neergezegen, zoodat de twijgen bogen onder het aangroeiend dons, liep
+Johannes graag in de violette schemering van het sneeuwbeschaduwd bosch.
+Dat was stilte, maar geen dood. En het was bijna schooner dan zomergroen,
+als het blinkend wit der gekruiste takjes tegen den helderblauwen hemel
+afstak, of als een te zwaar beladen struik het sneeuwloof van zich af
+liet glijden, zoodat het, tot een schitterend wolkje verstuivend, daalde.
+
+Eens op zulk een wandeling, toen hij zoo ver gekomen was, dat hij niets
+om zich zag dan sneeuw en sneeuwdragende takken,--half wit, half
+zwart--en alle geluid en leven verdoofd schenen in het glinsterend
+donzen hulsel, gebeurde het, dat hij een klein, wit diertje snel voor
+zich uit meende te zien loopen. Hij volgde het,--het geleek op geen
+diertje, dat hij kende,--doch toen hij het wilde grijpen, verdween het
+schielijk in een boomstronk. Johannes tuurde in de ronde zwarte opening
+waarin het verdwenen was, en dacht: 'Zou dat Wistik zijn?'
+
+Hij dacht niet veel aan hem. Het scheen hem slecht, en hij wilde zijn
+boete niet verzwakken. En het leven bij de twee goede menschen deed hem
+weinig vragen. Wel moest hij 's avonds voorlezen uit een dik boek waarin
+veel over God gesproken werd, doch hij kende dat boek en las gedachteloos.
+
+Den nacht echter na die wandeling in de sneeuw, lag hij wakker in zijn
+bedstede en keek naar het koude schijnsel der maan op den vloer. Daar
+zag hij opeens twee kleine handjes, die boven de beddeplank uitkwamen en
+zich stevig om den rand haakten. Toen verscheen de punt van een wit
+pelsmutsje tusschen de twee handjes, en eindelijk zag hij een paar
+ernstige oogjes onder hoog getrokken wenkbrauwen.
+
+'Goeden avond, Johannes!' zeide Wistik. 'Ik kwam u even herinneren aan
+onze afspraak. Gij kunt het boekje nog niet gevonden hebben, want het is
+nog geen lente. Maar denkt gij er wel om? Wat is dat voor een dik boek,
+waarin ik u heb zien lezen? Dat kan het echte niet zijn. Denk dat niet.'
+
+'Dat denk ik niet, Wistik,' zeide Johannes. Hij keerde zich om en wilde
+slapen. Doch het sleuteltje wilde hem niet uit het hoofd. En als hij
+voortaan in het dikke boek las, dacht hij er bij, en hij zag dan
+duidelijk dat het niet het echte was.
+
+
+
+
+VIII
+
+
+'Nu zal hij komen!' dacht Johannes, toen de eerste maal de sneeuw was
+weggesmolten en hier en daar de sneeuwklokjes bij groepjes te voorschijn
+kwamen. 'Zou hij nu komen?' vroeg hij aan de sneeuwklokjes. Doch zij
+wisten het niet en bleven met hangende hoofdjes naar de aarde kijken,
+alsof zij beschaamd waren over hun haast en wel weer weg wilden kruipen.
+
+Konden zij maar! De verstijvende oostenwind begon alras weer te blazen,
+en de sneeuw stapelde zich hoog over de voorbarige stumpertjes.
+
+Weken later kwamen de viooltjes, hun zoete geur zweefde tusschen het
+kreupelhout, en toen de zon lang en warm op den mossigen grond geschenen
+had, ontloken ook de blonde primula's bij honderden en duizenden.
+
+De schuwe violen met haar sterke geuren waren geheimzinnige voorboden
+van komende heerlijkheid, doch de vroolijke primula's waren de blijde
+werkelijkheid zelve. De ontwaakte aarde had de eerste zonnestralen
+vastgehouden en maakte er een gouden siersel van. 'Nu dan! nu komt hij
+toch zeker!' dacht Johannes. Met spanning bezag hij de knoppen aan de
+takken hoe zij van dag tot dag langzaam zwollen en zich uit de schors
+loswrongen, tot de eerste bleekgroene puntjes tusschen de bruine
+schubben te voorschijn kwamen. Lang bleef Johannes op die groene
+blaadjes kijken, hij zag ze toch nooit bewegen, en als hij zich even had
+omgedraaid, schenen ze grooter geworden. 'Ze durven niet, als ik hen
+aankijk,' dacht hij.
+
+Reeds begon het groen schaduw te werpen. Nog was Windekind niet gekomen,
+geen duif was bij hem neergestreken, geen muisje had tegen hem gesproken.
+Als hij tot de bloemen sprak, knikten zij slechts even en antwoordden
+niet. 'Mijn straf is nog niet om,' dacht hij.
+
+Toen kwam hij op een zonnigen lentemorgen bij den vijver van het huis.
+De ramen waren alle wijd geopend. Zouden er menschen in gekomen zijn?
+
+De vogelkers-struik, die aan den vijver stond, was al heelemaal met
+teedere blaadjes overdekt, alle twijgen hadden fijne, groene vleugeltjes
+gekregen. Op het gras bij de vogelkers lag een meisje. Johannes zag
+alleen haar licht-blauw kleedje en blond haar. Een roodborstje, dat op
+haar schouder zat, pikte uit haar hand.
+
+Op eenmaal wendde zij het hoofd om en zag Johannes. 'Dag jongetje!'
+zeide zij en knikte vriendelijk.
+
+Weer tintelde het Johannes van het hoofd tot de voeten. Dat waren
+Windekind's oogen, dat was Windekind's stem.
+
+'Wie zijt ge?' vroeg hij. Zijn lippen beefden van aandoening. 'Ik ben
+Robinetta! en dit is mijn vogel. Hij zal niet schuw voor je zijn. Hou je
+van vogels?'
+
+Het roodborstje was niet schuw voor Johannes. Het vloog op zijn arm. Dat
+was juist als vroeger. Het moest toch Windekind zijn, dat blauwe wezen.
+
+'Vertel me eens hoe je heet, jongetje,' zeide Windekind's stem.
+
+'Kent gij mij niet? Weet ge niet, dat ik Johannes heet?'
+
+'Hoe zou ik dat weten?'
+
+Wat beteekende dat? Het was toch die bekende, zoete stem, het waren toch
+die donkere, hemeldiepe oogen.
+
+'Hoe zie je mij zoo aan, Johannes? Heb je mij ooit meer gezien?'
+
+'Ja ik geloof het wel.'
+
+'Dat heb je toch zeker gedroomd.'
+
+Gedroomd? dacht Johannes. Zou ik alles gedroomd hebben? Of zou ik nu
+droomen?
+
+'Waar zijt gij geboren?' vroeg hij.
+
+'Heel ver van hier, in een groote stad.'
+
+'Bij menschen?'
+
+Robinetta lachte. Het was Windekind's lach. 'Ik geloof het wel. Jij
+niet?'
+
+'Ach ja, ik ook!'
+
+'Spijt je dat? Hou je niet van menschen?'
+
+'Neen! Wie zou van menschen houden?'
+
+'Wie? Wel, Johannes, wat ben je een raar jongetje! Hou je meer van
+dieren?'
+
+'O, veel meer, en van bloemen.'
+
+'Ik doe dat eigenlijk ook wel eens. Een enkelen keer. Maar dat is niet
+goed. Wij moeten van menschen houden, zegt Vader.'
+
+'Waarom is dat niet goed? ik houd van wien ik wil, of het goed is of
+niet.'
+
+'Foei, Johannes! Heb je dan geen ouders of iemand die voor je zorgt? Hou
+je niet van hen?'
+
+'Ja,' zeide Johannes nadenkend. 'Ik houd van mijn vader. Maar niet,
+omdat het goed is. Ook niet omdat hij een mensch is.'
+
+'Waarom dan?'
+
+'Dat weet ik niet, omdat hij niet is als andere menschen, omdat hij ook
+van bloemen en vogels houdt.'
+
+'Dat doe ik ook Johannes! dat zie je.' En Robinetta riep het roodborstje
+op haar hand en sprak het vriendelijk toe.
+
+'Dat weet ik,' zeide Johannes. 'Ik houd ook veel van u.'
+
+'Nu al? Dat is vlug!' lachte het meisje. 'Van wie hou je wel het
+meeste?'
+
+'Van ...' Johannes weifelde. Zou hij Windekind's naam noemen? De vrees,
+dat die naam hem tegenover menschen mocht ontvallen, was onafscheidelijk
+van al zijn denken. En toch, was dit blonde wezen in het blauwe kleed
+Windekind niet? Wie anders kon hem dat gevoel van rust en geluk geven?
+'Van u!' zeide hij opeens en zag met vollen blik in de diepe oogen.
+Moedig waagde hij die volkomen overgave, maar hij was toch angstig en
+wachtte gespannen de ontvangst van zijn kostbaar geschenk.
+
+Weer lachte Robinetta met helderen lach, doch zij vatte zijne hand, en
+haar blik werd niet koeler, haar stem niet minder innig.
+
+'Wel, Johannes,' zeide zij, 'waarmee heb ik dat zoo op eens verdiend?'
+Johannes antwoordde niet en bleef haar aanzien met groeiend vertrouwen.
+Robinetta stond op en legde haar arm om Johannes' schouders. Zij was
+grooter dan hij.
+
+Zoo wandelden zij door het bosch en plukten groote bundels sleutelbloemen,
+totdat zij wel weg konden schuilen onder den berg van doorschijnend geel
+gebloemte. Het roodborstje vloog mede van tak tot tak en gluurde naar hen
+met schiiterende zwarte oogjes.
+
+Zij spraken niet veel, doch keken elkaar dikwijls van ter zijde aan. Zij
+waren beiden verbaasd over hun ontmoeting en half onzeker, wat zij van
+elkaar denken moesten.
+
+Doch spoedig moest Robinetta terug, het speet haar.
+
+'Nu moet ik weg, Johannes! Maar wil je nog eens wandelen met me? Ik vind
+je een aardig jongetje,' zeide zij bij 't heengaan.
+
+'Wiet! wiet!' zei het roodborstje en vloog haar achterna.
+
+Toen zij weg was, en alleen haar beeld bij hem achterbleef, twijfelde
+hij er niet meer aan wie zij was.
+
+Zij was dezelfde wie hij al zijn vriendschap had gegeven, de naam
+Windekind klonk flauwer in hem en verwarde met Robinetta.
+
+En alles werd weer om hem heen, zooals het vroeger geweest was. De
+bloemen knikten vroolijk, en haar geur verdreef het weemoedig verlangen
+naar huis, dat hij tot nu toe gevoeld en gekweekt had. Tusschen het
+teedere groen, in de lauwe, mollige lentelucht, voelde hij zich op eens
+thuis, als een vogel, die zijn nest gevonden had. Hij moest de armen
+uitstrekken en diep ademhalen. Hij was zoo gelukkig. Op den weg naar
+huis zweefde de lichte blauwe gestalte met de blonde haren voor hem uit,
+altijd voor hem uit, welken kant hij ook opkeek. Het was alsof hij in de
+zon gekeken had en het zonnebeeld overal met zijn blik medevloog.
+
+Van dien dag af ging Johannes elken helderen morgen naar den vijver. Hij
+ging vroeg, zoodra hij gewekt werd door het kijven der musschen in de
+klimopbladeren om zijn venster, en het gekwetter en gerekte getjilp der
+spreeuwen, die op de dakgoot fladderden en krieuwden in den jongen
+zonneschijn. Dan snelde hij vlug door 't vochtige gras tot dicht bij het
+huis en wachtte achter de seringenstruiken, totdat hij de glazen deur
+hoorde opengaan en de lichte gedaante op hem toe zag komen.
+
+Dan wandelden zij door het bosch en door de duinen, waaraan het bosch
+grensde. Zij spraken over al wat zij zagen, over de boomen en de planten
+en duinen. Johannes had een vreemd, duizelig gevoel, als hij met haar
+liep, hij dacht zich somtijds weer zoo licht dat hij door de lucht zou
+kunnen vliegen. Doch dat gebeurde nooit. Hij vertelde de geschiedenissen,
+die hij van de bloemen en dieren wist door Windekind. Doch hij vergat hoe
+hij ze geleerd had, en Windekind bestond niet meer voor hem, alleen
+Robinetta. Hij genoot, als zij tegen hem lachte en hij vriendschap zag in
+haar oogen en hij sprak tot haar, zooals hij vroeger tot zijn hondje
+gesproken had: alles wat in hem opkwam, zonder weifeling of schuwheid.
+De uren, dat hij haar niet zag, dacht hij aan haar, en elke bezigheid
+deed hij met de vraag, of Robinetta het goed of mooi zou vinden.
+
+En zij-zelve scheen altoos zoo blij, als zij hem zag; dan glimlachte zij
+en liep haastiger. Zij had hem ook gezegd dat zij met niemand zoo graag
+wandelde als met hem.
+
+'Maar, Johannes,' vroeg zij eens, 'hoe weet je al die dingen? Hoe weet
+je wat de meikevers denken, wat de lijsters zingen, hoe het er in het
+konijnenhol en op den bodem van het water uitziet?'
+
+'Ze hebben het mij verteld,' antwoordde Johannes, 'en ik ben zelf in een
+konijnenhol geweest en op den bodem van het water.'
+
+Robinetta trok de fijne wenkbrauwen samen en keek hem half spottend aan.
+Doch zij vond geen valschheid.
+
+Zij zaten onder seringenboomen, waarvan dikke, paarse bloemtrossen
+afhingen. Voor hen lag de vijver, met riet en kroos. Zij zagen de zwarte
+torretjes in kringen over het vlak glijden en roode spinnetjes bedrijvig
+op en neder duiken. Het krioelde van wriemelend leven daar. Johannes
+keek, in herinneringen verzonken, in de diepte en zeide:
+
+'Daar ben ik eens gedoken; ik gleed langs een riethalm af en kwam op den
+bodem. Die is heelemaal met dorre bladeren bedekt, dat loopt zoo licht
+en zacht. Het is altijd schemerig, groene schemering, want het licht
+valt door het groene kroos. En boven mijn hoofd zag ik de lange, witte
+worteltjes van het kroos neerhangen. Er kwamen salamanders om mij heen
+zwemmen, die zijn heel nieuwsgierig. Het is vreemd, als zulke groote
+dieren zoo over je heen zwemmen, en ik kon niet ver vooruitzien, daar
+was het donker, maar ook groen. En uit dat donker kwamen de dieren als
+zwarte schaduwen te voorschijn. Watertorren met roeipooten en platte
+wantsen, soms ook een klein vischje. Ik ging heel ver, uren ver, geloof
+ik, en midden in was een groot bosch van waterplanten, waar slakken
+tegenop kropen en waterspinnen glinsterende nestjes bouwden.
+Stekelbaarsjes schoten er door en bleven mij soms met open mond en
+trillende vinnen aankijken, zoo verbaasd waren ze. Daar heb ik kennis
+gemaakt met een aal, wien ik bij ongeluk op zijn staart trapte. Die
+heeft mij van zijn reizen verteld; hij was tot in zee geweest, zeide
+hij. Men had hem daarom koning gemaakt in den vijver, want niemand was
+zoover geweest. Hij lag altijd in de modder te slapen, behalve wanneer
+hij eten kreeg, dat anderen hem brachten. Hij at verschrikkelijk veel.
+Dat was omdat hij koning was, men wilde graag een dikken koning, dat
+stond deftig. O, het was prachtig mooi in dien vijver!'
+
+'Waarom kun je dan nu niet meer daarheen gaan?'
+
+'Nu?' vroeg Johannes en keek haar met groote peinzende oogen aan.
+
+'Nu? Nu kan ik niet meer. Ik zou daar verdrinken. Maar het is niet
+noodig. Ik ben liever hier, bij de seringen en bij u.'
+
+Robinetta schudde verwonderd het blonde hoofdje en streek Johannes over
+het haar. Toen keek ze naar haar roodborstje, dat aan den rand van den
+vijver allerlei lekkernijen scheen te vinden. Hij keek even op en bleef
+beiden een oogenblik met zijn heldere oogjes aanzien.
+
+'Begrijp jij er iets van, vogelijn?'
+
+Het vogelijn keek heel slim en ging toen voort met zoeken en pikken.
+
+'Vertel mij verder, Johannes, van wat je gezien hebt.'
+
+Dat deed Johannes gaarne, en Robinetta luisterde, geloovig en
+aandachtig.
+
+'Maar waarom is dat alles opgehouden? Waarom kun je nu met mij niet
+gaan? daar overal heen? Ik wilde ook graag.'
+
+Johannes spande zijne herinnering in, doch een zonnig waas bedekte den
+donkeren afgrond, dien hij was overgegaan. Hij wist niet juist meer, hoe
+hij zijn vorig geluk verloren had.
+
+'Ik weet het niet recht, gij moet er niet naar vragen. Een naar klein
+wezentje heeft alles bedorven. Maar nu is het er weer. Nog beter dan
+vroeger.'
+
+De seringengeur daalde uit de heesters op hen neer en het gegons der
+vliegen over het watervlak en de stille zonnestralen doordrongen hen met
+zoete bedwelming. Totdat een bel op het huis met piependen zwaai begon
+te luiden, en Robinetta haastig wegvloog.
+
+Toen Johannes dien avond in zijn kamertje kwam en naar de maan-schaduwen
+der klimopbladeren keek, die over de ruiten schoven, scheen het alsof er
+tegen het glas getikt werd.
+
+Johannes dacht dat het een klimopblad was, dat in den nachtwind trilde.
+Doch het tikte zoo duidelijk, telkens driemaal achtereen, dat Johannes
+zachtkens het venster opende en behoedzaam rondzag. De klimopbladeren
+tegen het huisje glansden in den blauwen schijn, onder hen was een
+duistere wereld vol geheim: daar waren holen en spelonken, waarin het
+maanlicht kleine, blauwe vonkjes wierp, die hun duisternis nog
+dieper maakten.
+
+Toen Johannes lang in die wondervolle schaduwwereld had gestaard, zag
+hij eindelijk den vorm van een klein mannetje, vlak naast het venster,
+verscholen onder een groot klimopblad. Hij herkende Wistik dadelijk aan
+de groote, verwonderde oogen onder de hooggetrokken wenkbrauwen. Op het
+puntje van Wistik's langen neus tekende de maan een klein vonkje.
+
+'Hebt ge mij vergeten, Johannes? Waarom denkt ge er nu niet aan? Het is
+de rechte tijd. Hebt ge roodborstje den weg niet gevraagd?'
+
+'Ach, Wistik, waarnaar zou ik vragen? Ik heb alles wat ik verlangen kan.
+Ik heb Robinetta.'
+
+'Maar dat zal niet lang duren. En gij kunt nog gelukkiger worden en
+Robinetta zeker ook. En moet het sleuteltje dan daar blijven liggen?
+Denk eens hoe heerlijk als gij beiden het boekje vindt. Vraag er
+roodborstje naar; ik zal u helpen als ik kan.'
+
+'Ik kan er altijd naar vragen,' zeide Johannes.
+
+Wistik knikte en klom vlug naar beneden.
+
+Nog lang keek Johannes naar de donkere schaduwen en de glanzende
+klimopbladeren voor hij naar bed ging.
+
+Den volgenden dag vroeg hij het roodborstje of het den weg wist naar het
+gouden kistje. Robinetta hoorde verwonderd. Johannes zag het roodborstje
+knikken en schuins naar Robinetta gluren. 'Hier niet! hier niet!' tjilpte
+het vogeltje.
+
+'Wat bedoel je, Johannes?' vroeg Robinetta.
+
+'Weet ge er niets van, Robinetta? Weet ge niet, waar het te vinden is?
+Wacht ge niet op het gouden sleuteltje?'
+
+'Neen, neen! Vertel eens, wat is dat?'
+
+Johannes vertelde wat hij van dat boekje wist.
+
+'En ik heb het gouden sleuteltje; ik dacht dat gij het gouden kistje
+hadt. Is het niet zoo, vogelijn?'
+
+Doch het vogelijn deed of het niets hoorde en fladderde tusschen het
+jonge, lichte beukengroen.
+
+Zij zaten tegen een duinhelling, waarop kleine beuke- en sparreboomen
+stonden. Een groen paadje liep er schuins tegen op, en zij zaten aan den
+rand daarvan, in dik, donkergroen mos. Zij konden over de toppen der
+laagste boompjes heen zien, op een groene looverzee met licht- en donker-
+getinte golven.
+
+'Ik geloof wel, Johannes,' zei Robinetta nadenkend, 'dat ik voor je
+vinden kan, wat je zoekt. Maar wat bedoel je met dat sleuteltje? Hoe kom
+je daaraan?'
+
+'Ja, hoe was dat, hoe was dat ook weer?' prevelde Johannes en staarde
+over het groen in de verte.
+
+Als waren zij plotseling in het zonnige blauw ontstaan, kwamen hem
+opeens twee witte vlinders voor den blik. Zij dwarrelden, trilden en
+schitterden in het zonlicht, met onbestemde, grillige vlucht. Doch zij
+kwamen dichterbij.
+
+'Windekind! Windekind!' fluisterde Johannes opeens in herinnering.
+
+'Wie is dat? Windekind!' vroeg Robinetta.
+
+Het roodborstje vloog kwetterend op, en de madelieven tusschen het gras
+voor hem, schenen Johannes opeens geweldig verschrikt aan te staren, met
+hun wijde, witte oogjes.
+
+'Gaf die je dat sleuteltje?' vroeg het meisje verder. Johannes knikte en
+zweeg, doch zij wilde meer weten. 'Wie was dat? Heeft die je alles
+geleerd? Waar is hij?'
+
+'Nu is hij er niet meer. Nu is het Robinetta, niemand anders dan
+Robinetta, alleen Robinetta.' Hij omvatte haar arm en drukte er zijn
+hoofdje tegen.
+
+'Mal jongetje!' zeide zij en lachte. 'Ik zal je het boekje laten vinden,
+ik weet waar het is.'
+
+'Maar dan moet ik den sleutel gaan halen, en die is ver weg.'
+
+'Neen, neen dat behoeft niet. Ik vind het zonder sleutel, morgen, morgen,
+ik beloof het je.
+
+Toen zij naar huis gingen, fladderden de kapelletjes voor hen uit.
+
+Johannes droomde dien nacht van zijn vader, van Robinetta en van vele
+anderen. Het waren allen goede vrienden; zij stonden om hem heen en
+zagen hem innig en vertrouwelijk aan. Doch op eenmaal waren de gezichten
+veranderd, hun blikken koel en spottend, hij keek angstig om, aan alle
+zijden wreede vijandige gezichten. Hij voelde een namelooze beklemming
+en werd schreiend wakker.
+
+
+
+
+IX
+
+
+Reeds lang zat Johannes te wachten. De lucht was kil, en groote wolken
+dreven dicht over de aarde, in statige, eindelooze opvolging. Ze
+breidden sombergrauwe, wijd golvende mantels uit en krulden haar
+trotsche koppen in het klare licht, dat daarboven scheen. Wondersnel
+wisselden zonlicht en schaduw op de boomen, als een telkens opvlammend
+vuur. Het werd Johannes angstig daarbij te moede; hij peinsde over het
+boekje, niet recht geloovend, dat hij het heden vinden zou. Tusschen de
+wolken, veel hooger, ontzaglijk hoog, zag hij het heldere, strakke blauw
+en daarop teedere, witte wolkjes, fijngepluimd, kalm zich uitstrekkend
+in onbeweeglijke rust. 'Zoo moet het zijn,' dacht hij, 'zoo hoog, zoo
+licht, zoo stil.' Daar kwam Robinetta. Het roodborstje was niet bij haar.
+
+'Het is goed, Johannes,' riep ze luid; 'je mag komen en het boek zien.'
+
+'Waar is het roodborstje?' vroeg Johannes twijfelend.
+
+'Dat is niet meegekomen, we gaan toch immers niet wandelen.'
+
+Hij ging mede, voortdurend bij zich-zelven denkende: 'Het kan niet, zoo
+kan het niet, het moest alles heel anders zijn.'
+
+Doch hij volgde het glanzig-blonde haar, dat hem voorlichtte. Ach! nu
+ging het droevig met den kleinen Johannes. Ik wenschte, dat zijn
+geschiedenis hier eindigde. Hebt gij wel eens heerlijk gedroomd, van een
+toovertuin met bloemen en dieren, die u liefhadden en tot u spraken? En
+hebt gij dan wel in uw droom het besef gekregen, dat gij spoedig zoudt
+ontwaken en al die heerlijkheid verliezen? Dan poogt gij vruchteloos
+haar vast te houden en wilt het koude morgenlicht niet zien.
+
+Zulk een gevoel had Johannes toen hij medeging.
+
+Hij kwam in een huis, in een gang, waar zijn voetstappen weerklonken.
+Hij rook de lucht van kleederen en spijzen; hij dacht aan lange dagen,
+toen hij thuis had moeten blijven, aan schoolwerk, aan al wat somber en
+koud in zijn leven was geweest.
+
+Hij kwam in een kamer met menschen. Hij zag niet hoeveel. Zij praatten,
+doch toen hij binnenkwam werd het stil. Hij lette op het vloerkleed, het
+had groote, onmogelijke bloemen met schelle kleuren. Zij waren even
+vreemd en wanstaltig als die van het behangsel in zijn slaapkamer thuis.
+
+'Is dat nu dat tuinmansjongetje?' zeide een stem recht tegenover hem.
+'Kom maar hier, vriendje, je behoeft niet bang te zijn.'
+
+En een andere stem klonk plotseling naast hem: 'Nu, Robbi, je hebt daar
+wel een aardig vrijertje.'
+
+Wat beteekende dat alles? Weer kwamen boven de donkere kinderoogen van
+Johannes diepe rimpels, en verward en verschrikt keek hij rond.
+
+Daar zat een zwart gekleede man en keek hem met koude, grijze oogen aan.
+
+'En je wilde zoo kennis maken met het boek der boeken? Het verwondert
+me, dat je vader, dien ik als een vroom man ken, je dat niet heeft
+gegeven.'
+
+'U kent mijn vader niet, die is ver weg.'
+
+'Zoo! nu, dat is hetzelfde. Ziehier, mijn vriendje! lees hier veel in,
+het zal je op je levensweg ...'
+
+Doch Johannes had het boek reeds herkend. Zoo kon hij het ook niet
+krijgen, het moest heel anders gaan. Hij schudde het hoofd.
+
+'Neen, neen! dat is het niet wat ik bedoel. Dit ken ik. Dit is het niet.'
+
+Hij hoorde geluiden van verbazing en voelde de blikken, die hem van alle
+zijden staken.
+
+'Wat? Wat meen je, mannetje?'
+
+'Ik ken dit boekje, het is het menschenboek. Maar het geeft niet genoeg,
+anders zou er rust zijn onder de menschen en vrede. En die zijn er niet.
+Ik bedoel iets anders, waaraan niemand twijfelen kan die het ziet,
+waarin staat, waarom alles is zooals het is, precies en duidelijk.'
+
+'Hoe is 't mogelijk? Waar heeft de jongen dat vandaan?'
+
+'Wie heeft je dat geleerd, vriendje?'
+
+'Ik geloof dat je verkeerde boeken gelezen hebt, jongen! en die napraat!'
+
+Zoo klonken de stemmen. Johannes voelde zijn wangen gloeien, het begon
+hem te duizelen, de kamer draaide, en de groote bloemen op het
+vloerkleed zweefden op en neer. Waar was het muisje, dat hem zoo trouw
+waarschuwde op school, dien eersten dag? Het was nu noodig.
+
+'Ik praat het niet uit boeken na, en die het mij geleerd heeft is meer
+waard dan gij allen. Ik ken de taal van bloemen en dieren, ik ben hun
+vertrouwde. Ik weet ook wat menschen zijn en hoe zij leven. Ik ken al de
+geheimen van feeen en kabouters, want mij hebben zij lief, meer dan de
+menschen.'
+
+Muisje! muisje!
+
+Johannes hoorde proesten en lachen, om hem en achter hem. Het zong en
+suisde in zijn ooren.
+
+'Hij schijnt Andersen gelezen te hebben.'
+
+'Hij is niet recht bij 't hoofd.'
+
+De man voor hem zeide: 'Als je Andersen kent, mannetje! dan moest je
+meer van zijn eerbied hebben voor God en zijn Woord.'
+
+'God!' dat woord kende hij, en hij dacht aan de les van Windekind.
+
+'Ik heb geen eerbied voor God. God is een groote petroleumlamp, waardoor
+duizenden verdwalen en verongelukken.'
+
+Geen gelach, maar een angstige stilte, waarin afschuw en ontzetting
+voelbaar rondwaarden. Johannes voelde de stekende blikken in den rug.
+Het was als in zijn droom van den vorigen nacht.
+
+De zwart-gekleede man stond op en nam hem bij den arm. Dat deed pijn en
+brak bijna zijn moed.
+
+'Hoor eens, jongen, ik weet niet of je niet wijs bent of diep bedorven,
+maar die goddeloosheid duld ik hier niet. Ga heen en kom niet meer onder
+mijn oogen, zeg ik. Ik zal navraag naar je doen, maar in deze buurt zet
+je geen voet meer. Verstaan?'
+
+Aller blikken waren koud en vijandig evenals dien nacht.
+
+Johannes zag angstig rond.
+
+'Robinetta! Waar is Robinetta!'
+
+'Jawel, mijn kind bederven! Pas op, als je ooit weer tot haar spreekt!'
+
+'Neen! laat me bij haar! Ik wil niet van haar weg. Robinetta!' schreide
+Johannes.
+
+Doch zij zat angstig in een hoek en keek niet op.
+
+'Voort, bengel! hoor je niet? Pas op, als je 't hart hebt weer te
+komen!'
+
+En de pijnlijke greep leidde hem door de klinkende gang, de glazen deur
+rammelde, en Johannes stond buiten, onder de donkere, laag drijvende
+wolken.
+
+Hij weende niet meer en staarde stil voor zich uit, terwijl hij langzaam
+voortliep. De droevige rimpels boven zijn oogen waren dieper, en gingen
+niet meer weg.
+
+Het roodborstje zat in een lindenhaag en keek naar hem. Hij stond stil
+en staarde zwijgend terug. Doch er was geen vertrouwen meer in de
+schuwe, glurende oogjes, en toen hij een stap naderde, vloog het vlugge
+diertje in een snorrende vlucht heen. 'Weg! weg! een mensch,' tjilpten
+de musschen, die op het tuinpad bij elkaar zaten, en zij vlogen naar
+alle zijden uiteen.
+
+Ook de opene bloemen lachten niet, maar staarden ernstig en onverschillig,
+zooals zij bij iederen vreemde doen.
+
+Doch Johannes vatte die teekens niet, maar dacht aan de krenking, die de
+menschen hem hadden aangedaan. Het was hem of zijn innig binnenste door
+koude, harde handen was ontwijd. 'Zij zullen mij gelooven,' dacht hij;
+'ik zal mijn sleuteltje halen en het hun toonen.'
+
+'Johannes! Johannes!' riep een fijn stemmetje. Daar zat een vogelnestje
+in een hulstboom, en de groote oogen van Wistik keken over den rand.
+'Waar gaat ge heen?'
+
+'Het is alles uw schuld, Wistik,' zeide Johannes. 'Laat mij met rust!'
+
+'Wat doet ge er ook met menschen over te spreken, menschen begrijpen u
+toch niet. Waarom zegt ge die dingen aan menschen? dat is heel dom.'
+
+'Zij hebben mij uitgelachen en pijn gedaan. Het zijn ellendige wezens!
+ik haat ze.'
+
+'Neen Johannes, ge houdt van hen.'
+
+'Neen! neen!'
+
+'Anders zou het u minder verdriet doen, dat zij niet zijn als gij; dan
+zou het u niet kunnen schelen, wat zij zeggen. Ge moet u minder om
+menschen bekommeren.'
+
+'Ik wil mijn sleuteltje. Ik wil het hun toonen.'
+
+'Dat moet ge niet doen, ze zouden u toch niet gelooven. Waartoe zou het
+dienen?'
+
+'Ik wil mijn sleuteltje, onder den rozenstruik. Weet ge dien te vinden?'
+
+'Ja wel! bij den vijver, niet waar? Ja dien weet ik.'
+
+'Breng mij er dan, Wistik!'
+
+Wistik klom op Johannes' schouder en zeide hem den weg. Zij liepen den
+ganschen dag, het woei en van tijd tot tijd vielen regenbuien, doch
+tegen den avond werden de wolken stil en verlengden zich tot lange
+gouden en grauwe strooken.
+
+Toen zij aan het duin kwamen, dat Johannes kende, werd het hem week te
+moede en hij fluisterde telkens 'Windekind! Windekind!'
+
+Daar was het konijnenhol, en de duin, waartegen hij eens geslapen had.
+Het grijze rendiermos was week en vochtig en kraakte niet onder zijn
+voet. De rozen waren uitgebloeid en de gele Teunisbloemen met haar
+bedwelmenden, flauwen geur staken bij honderden de kelken op. Hooger nog
+rezen de lange, trotsche toortsplanten met dikke, vilten bladeren.
+
+Zoekend speurde Johannes naar het fijne, bruinachtige loof van de
+duinroos.
+
+'Waar is zij, Wistik, ik zie haar niet.'
+
+'Ik weet er niet van,' zeide Wistik. 'Gij hebt het sleuteltje verborgen,
+ik niet.'
+
+Waar de roos gebloeid had, was een veld vol gele Teunisbloemen, die
+wezenloos naar boven keken. Johannes vroeg haar en ook de toortsplanten;
+die waren echter veel te trotsch, want haar lange bloemtros stak ver
+boven hem uit, en hij vroeg het aan de kleine, driekleurige viooltjes op
+den zandgrond.
+
+Doch niemand wist iets van de duinroos. Ze waren allen van dezen zomer.
+Zelfs de verwaande toortsplant, die zoo hoog was.
+
+'Ach, waar is zij? waar is zij?'
+
+'Hebt _gij_ mij ook al beet genomen?' zeide Wistik. 'Ik dacht het wel,
+dat heb je altijd met menschen.'
+
+En hij liet zich van Johannes' schouder glijden en liep weg tusschen het
+helm.
+
+Wanhopend staarde Johannes rond, daar stond een klein duinrozestruikje.
+
+'Waar is de groote roos,' vroeg Johannes, 'de groote die hier vroeger
+stond?'
+
+'Wij spreken niet met menschen,' zeide het struikje.
+
+Dat was het laatste, wat hij hoorde, al het levende om hem zweeg, alleen
+de helmen suisden in den zachten avondwind.
+
+'Ben ik een mensch?' dacht Johannes. 'Neen, dat kan niet, dat kan niet.
+Ik wil geen mensch zijn. Ik haat de menschen.'
+
+Hij was moede en dof van geest. Hij ging liggen aan den rand van 't
+veldje, op het weeke, grijze mos, dat een vochtigen, sterken geur
+verspreidde.
+
+'Nu kan ik niet terugkeeren, en nu zie ik Robinetta ook niet weer. Zou
+ik niet doodgaan, als ik haar niet heb? Zou ik blijven leven en een
+mensch zijn, een mensch zooals die anderen, die mij uitlachten?'
+
+Daar zag hij op eenmaal de twee witte vlinders weer, die van den kant
+der ondergaande zon naar hem toe fladderden. Gespannen volgde hij hun
+vlucht. Zouden zij hem den weg wijzen? Zij vlogen hem over 't hoofd,
+elkaar naderende en weer verlatende, om elkaar heen dwarrelende in
+wispelturig spel. Langzaam verwijderden ze zich van de zon en zweefden
+eindelijk over den rand der duinen naar het bosch, waarvan alleen de
+hoogste toppen nog kleurden in den avondschijn, die rood en schel onder
+de lange sombere wolkenrijen uit lichtte.
+
+Johannes volgde hen. Doch toen ze boven de eerste boomen waren, zag hij
+hoe een donkere schaduw hen in onhoorbare fladdervlucht achtervolgde en
+inhaalde. Het volgende oogenblik waren zij verdwenen. De zwarte schaduw
+schoot snel op hem toe, en angstig dekte hij het gezicht met de handen.
+
+'Wel, vriendje! wat zit je daar te huilen?' klonk een scherpe,
+spotachtige stem vlak naast hem. Johannes had een groote vleermuis op
+zich zien afkomen, doch toen hij opkeek, stond een zwart mannetje op het
+duin, niet veel grooter dan hij-zelf. Hij had een groot hoofd met groote
+ooren, die donker afstaken tegen den lichten avondhemel, en een mager
+figuurtje met dunne beenen. Van zijn gezicht zag Johannes alleen de
+kleine, schitterende oogen.
+
+'Heb je iets verloren, kereltje? Dan zal ik je helpen zoeken,' zeide
+hij. Doch Johannes schudde zwijgend het hoofd.
+
+'Kijk eens! wil je die van mij hebben?' begon hij weer en opende zijn
+hand.
+
+Daarin zag Johannes iets wits, dat van tijd tot tijd even bewoog. Het
+waren de witte kapelletjes, die stervend met de gescheurde en gebroken
+vleugeltjes trilden. Johannes voelde een huivering, alsof iemand hem
+tegen het achterhoofd blies, en angstig keek hij naar het vreemde
+wezen op.
+
+'Wie zijt gij?' vroeg hij.
+
+'Wou je mijn naam weten, ventje? Nu, zeg maar Pluizer, familjaarweg
+Pluizer. Ik heb nog wel mooier namen, maar die begrijp je toch niet.'
+
+'Zijt gij een mensch?'
+
+'Wel nu nog mooier! Nu heb ik nogal armen en beenen en een hoofd, kijk
+eens wat een hoofd! en nu vraagt zoo'n jongen nog of ik een mensch ben.
+Maar, Johannes! Johannes!' En het mannetje lachte met een piepend,
+doordringend geluid.
+
+'Hoe weet ge wie ik ben?' vroeg Johannes.
+
+'O, dat is voor mij een kleinigheid. Ik weet nog heel wat meer. Ik weet
+ook waar je vandaan komt en wat je hier komt doen. Ik weet verbazend
+veel, bijna alles.'
+
+'Ach, mijnheer Pluizer ...'
+
+'Pluizer, Pluizer, geen complimenten.'
+
+'Weet ge dan ook ...' Doch Johannes zweeg plotseling. 'Het is een mensch,'
+dacht hij.
+
+'Van je sleuteltje, bedoel je? Wel zeker!'
+
+'Maar ik dacht niet, dat menschen daarvan konden weten.'
+
+'Domme jongen! En Wistik heeft het al zoovelen verklapt.'
+
+'Kent ge Wistik dan ook?'
+
+'O ja! een van mijn beste vrienden, en ik heb veel vrienden. Maar ik
+wist dat ook zonder Wistik. Ik weet veel meer dan Wistik. Wistik is een
+goed ventje, maar dom, buitengewoon dom. Ik niet! lang niet!' En Pluizer
+klopte zelfvoldaan met zijn mager handje op zijn groot hoofd.
+
+'Weet je, Johannes,' ging hij voort, 'wat een groot gebrek van Wistik
+is? Maar je moet het hem nooit zeggen, want dan wordt hij erg boos.'
+
+'Nu, wat dan?' vroeg Johannes.
+
+'Hij bestaat niet. Dat is een groot gebrek, maar hij wil het niet weten.
+En hij zegt van mij, dat ik niet besta, maar dat liegt hij. Of ik besta!
+Drommels goed!'
+
+En Pluizer stak de kapelletjes in zijn zak en ging plotseling voor
+Johannes op zijn hoofd staan. Toen grijnsde hij erg leelijk en stak een
+lange tong uit. Johannes, die zich toch al niet op zijn gemak gevoelde
+alleen met dit wonderlijk wezen, bij den vallenden avond in het eenzame
+duin, rilde nu van angst.
+
+'Dit is een alleraardigste manier om de wereld te bekijken,' zeide
+Pluizer, nog steeds op zijn hoofd staande. 'Als je wilt, zal ik je het
+ook leeren. Je ziet alles veel scherper en veel natuurlijker.'
+
+En hij spartelde met de spillebeentjes in de lucht en wendde zich op de
+handen om. Toen de roode avondgloed op het omgekeerde gelaat viel, vond
+Johannes het afschuwelijk, de kleine oogjes knipten in het licht en
+lieten het wit zien, aan den kant waar men het niet gewoon is.
+
+'Zie je, zoo schijnen de wolken de vloer, en de aarde het deksel van de
+wereld. Dat kun je evengoed volhouden als het tegenovergestelde. Boven
+of onder is er toch niet. Een mooie wandelplaats zou het op die wolken
+zijn.'
+
+Johannes keek naar de lange wolken. Hij vond dat zij op een geploegd
+land geleken met roode voren, alsof er bloed uit opwelde. Boven de zee
+straalde de poort van de wolkgrot.
+
+'Kan men daarheen gaan en daarin komen?' vroeg hij.
+
+'Gekheid!' zei Pluizer en stond eensklaps weer op zijn beenen, tot
+groote verlichting van Johannes. 'Gekheid! Als je daar bent, is het
+precies als hier, en dan lijkt dat moois een eindje verder. In die mooie
+wolken daar is het mistig, grijs en koud.'
+
+'Ik geloof u niet,' zeide Johannes; 'nu zie ik eerst goed dat ge een
+mensch zijt.'
+
+'Och kom! geloof je mij niet, beste jongen, omdat ik een mensch ben? en
+wat ben je zelf dan wel voor bizonders?'
+
+'O Pluizer, ben ik ook een mensch?'
+
+'Wat dacht je! een elf? Elfen worden niet verliefd.' En Pluizer ging
+vlak voor Johannes zitten, de beenen onder zich gekruist en grijnsde hem
+strak aan. Johannes voelde zich onbeschrijfelijk beklemd en verlegen
+onder dien blik en had zich wel willen wegstoppen of onzichtbaar maken.
+Doch hij kon zijn oogen niet meer afwenden.
+
+'Alleen menschen worden verliefd, Johannes, hoor je! en dat is maar goed
+ook, anders waren ze er al lang niet meer. En jij bent verliefd als de
+beste, al ben je nog zoo klein. Aan wie denk je op 't oogenblik?'
+
+'Aan Robinetta!' fluisterde Johannes nauwelijks hoorbaar.
+
+'Naar wie verlang je het meest?'
+
+'Robinetta!'
+
+'Zonder wie denk je niet te kunnen leven?'
+
+Johannes' lippen bewogen geluidloos: 'Robinetta!'
+
+'Nu dan, ventje,' grinnikte Pluizer, 'wat verbeeld je je dan, een elf te
+zijn? Elfen worden niet verliefd op menschenkinderen.'
+
+'Maar het was Windekind ...' stamelde Johannes in zijn verlegenheid. Toen
+keek Pluizer ontzettend valsch en greep Johannes met zijn beenige handjes
+bij de ooren.
+
+'Wat is dat voor onzin! Wou je mij met dien snuiter bang maken? Die is
+nog veel dommer dan Wistik, veel dommer. Hij weet er niets van. En wat
+erger is, hij bestaat heelemaal niet en heeft nooit bestaan. Ik besta
+alleen, begrijp je? En als je mij niet gelooft, zal ik je laten voelen,
+dat ik er ben.'
+
+En hij schudde den armen Johannes hard bij de ooren. Deze riep:
+
+'Maar ik heb hem toch zoo lang gekend, en ik ben zoo ver met hem
+weggetrokken.'
+
+'Gedroomd heb je, zeg ik. Waar is dan je sleuteltje, he? Maar nu droom
+je niet, voel je wel?'
+
+'Au!' riep Johannes, want Pluizer kneep.
+
+Het was reeds donker, en de vleermuizen vlogen nu dicht langs hunne
+hoofden en piepten schril. De lucht was zwart en zwaar, geen blad bewoog
+in het bosch.
+
+'Mag ik naar huis gaan?' smeekte Johannes.'Naar mijn vader?'
+
+'Je vader? wat wil je daar doen?' zei Pluizer. 'Die man zal je wel
+vriendelijk ontvangen, nadat je zoo lang bent weggebleven.'
+
+'Ik verlang naar huis,' zeide Johannes, en hij dacht aan de huiskamer
+met het heldere lamplicht, waar hij zoo vaak bij zijn vader zat,
+luisterend naar het krassen van diens pen. Daar was het vredig en
+gezellig.
+
+'Ja, dan hadt je maar niet weg moeten gaan en weg moeten blijven, ter
+wille van dien mallen snuiter, die niet bestaat. Nu is het te laat. En
+het komt er ook niet op aan, ik zal wel voor je zorgen. Of ik het doe of
+je vader, dat is eigenlijk precies hetzelfde. Zoo'n vader, dat is toch
+maar verbeelding. Heb je hem soms zelf uitgezocht? Denk je dat er geen
+anderen zijn even goed en even knap? Ik ben even goed en veel knapper,
+veel knapper.'
+
+Johannes had geen moed tot antwoorden, hij sloot de oogen en knikte
+flauw.
+
+'En bij die Robinetta moet je het ook niet zoeken,' ging het mannetje
+voort. Hij legde de handen op Johannes' schouders en praatte dicht
+aan zijn oor.
+
+'Dat kind hield je even goed voor den gek als die anderen. Heb je niet
+gezien dat ze in den hoek bleef zitten, en geen woord zeide, toen je
+werd uitgelachen? Ze is niets beter dan al die anderen. Ze vond je een
+aardig jongetje en heeft met je gespeeld, zooals ze met een meikever zou
+spelen. Het kon haar niet schelen of je wegging. En van dat boekje wist
+ze niets. Maar ik wel, ik weet waar het is, en ik zal het je helpen
+zoeken. Ik weet bijna alles.'
+
+En Johannes begon hem te gelooven.
+
+'Ga je met mij mede? Wil je met mij zoeken?'
+
+'Ik ben zoo moe,' zeide Johannes, 'laat mij ergens slapen.'
+
+'Ik houd anders niet van slapen,' zei Pluizer, 'daar ben ik te levendig
+voor, een mensch moet altijd kijken en denken. Maar een poosje zal ik je
+met rust laten. Tot morgen.'
+
+Toen zette hij het vriendelijkste gezicht, dat hij zetten kon, Johannes
+keek strak in de glinsterende oogjes, tot hij niets anders zag. Zijn
+hoofd werd zwaar, hij leunde tegen de bemoste duinhelling. De oogjes
+schenen verder en verder te lichten, totdat zij sterren waren aan den
+zwarten hemel; het was alsof hij het geluid van verre stemmen hoorde,
+alsof de aarde zich onder hem verwijderde, toen hield zijn denken op.
+
+
+
+
+X
+
+
+Nog eer hij goed ontwaakt was, had hij een vaag besef, dat er iets
+bijzonders met hem was gebeurd, terwijl hij sliep. Doch hij was niet
+begeerig het te weten en om zich heen te zien. Hij wilde weer terug in
+den droom, die als een trage nevel langzaam wegtrok, daarin was
+Robinetta weder naar hem toegekomen en had hem over het haar gestreken,
+zooals vroeger, daarin had hij zijn vader weer gezien en Presto, in den
+tuin met den vijver.
+
+'Au!' dat was pijn. Wie deed dat? Johannes opende de oogen en zag in de
+grauwe morgenschemering een klein mensch vlak bij zich, die hem aan de
+haren trok. Hij lag in een bed en het licht was mat en ongelijk, als in
+een kamer.
+
+Doch het gezicht, dat over hem heenboog, bracht hem op eenmaal weder al
+de ellende en somberheid van gisteren te binnen. Het was Pluizer's
+gezicht, minder spookachtig en meer menschelijk, maar even leelijk en
+angstwekkend als den vorigen avond.
+
+'Och neen! laat mij droomen,' zeide hij.
+
+Doch Pluizer schudde hem: 'ben je mal, luiaard, droomen is dwaasheid,
+daarmee kom je niet verder. Een mensch moet werken en denken en zoeken.
+Daar ben je een mensch voor.'
+
+'Ik wil geen mensch zijn. Ik wil droomen.'
+
+'Dat helpt niet. Je moet. Je bent nu onder mijn hoede en met mij samen
+zul je werken en zoeken. Alleen met mij kan je vinden wat je verlangt.
+En ik zal je niet verlaten totdat wij het gevonden hebben.' Johannes
+voelde een vage ontzetting. Doch het was alsof een overmacht hem drukte
+en dwong. Willoos onderwierp hij zich.
+
+Weg waren duinen, boomen en bloemen. Hij was in een klein, schemerig
+verlicht kamertje, daarbuiten zag hij, zoover hij zien kon, huizen en
+weder huizen, somber en grauw, in lange, eentonige rijen.
+
+Rook steeg overal op in dikke kronkels en sloeg als een bruinachtige
+nevel in de straten neer. En op die straten liepen de menschen als
+groote, zwarte mieren haastig dooreen. Een verward gerucht steeg dof en
+aanhoudend uit hun massa op.
+
+'Zie Johannes,' zei Pluizer, 'is dat nu niet aardig? Dat zijn nu allen
+menschen en al die huizen zoover je zien kunt, nog verder dan die blauwe
+toren daar, zijn ook vol menschen, van boven tot beneden vol. Is dat
+niet merkwaardig? Dit is nog wat anders dan een mierenhoop.'
+
+Johannes luisterde met angstige nieuwsgierigheid, alsof hem een groot,
+verschrikkelijk ondier vertoond werd. Het was hem alsof hij op den rug
+van het monster stond, het zwarte bloed door dikke aderen zag stroomen
+en den donkeren adem uit honderd neusgaten zag stijgen. En hij werd bang
+voor het onheilspellend grommen der ontzaglijke stem.
+
+'Zie hoe hard al die menschen loopen, Johannes,' ging Pluizer voort.
+'Je kunt zien dat zij haast hebben en iets zoeken, niet waar? Maar het is
+grappig, dat geen een precies weet wat hij zoekt. Als ze nu een poosje
+gezocht hebben, dan komen ze iemand tegen, die heet Hein ...'
+
+'Wie is dat?' vroeg Johannes.
+
+'O! een goede kennis van me, ik zal je wel eens aan hem voorstellen. Nu
+die Hein zegt dan: 'Zoek je mij?' Daarop zeggen de meesten gewoonlijk:
+'O neen! ... jou bedoel ik niet!' maar dan antwoordt Hein weer: 'Er is
+toch niets anders te vinden dan mij.' Dan moeten ze zich wel met Hein
+tevreden stellen.'
+
+Johannes begreep, dat hij van den dood sprak.
+
+'En gaat dat altijd, altijd zoo?'
+
+'Welzeker, altijd. Er komen echter iederen dag weer een massa nieuwen en
+die beginnen dagelijks te zoeken, zonder te weten waarnaar, en zoeken en
+zoeken totdat ze eindelijk Hein vinden, zoo gaat het al een aardig
+poosje lang en zoo zal het ook nog wel een poosje blijven aanhouden.'
+
+'Zal ik ook niets anders vinden, Pluizer, niets anders dan ...'
+
+'Ja, Hein vind je zeker eens, maar dat doet er niet toe, zoeken maar!
+altijd blijven zoeken!'
+
+'Maar het boekje dan, Pluizer, gij zoudt mij het boekje laten vinden.'
+
+'Nu! wie weet! ik heb het niet tegengesproken. Wij moeten zoeken,
+zoeken. Wij weten tenminste waarnaar wij zoeken. Dat heeft ons Wistik
+geleerd. En er zijn er, die hun geheele leven zoeken om te weten
+waarnaar zij eigenlijk zoeken. Dat zijn de wijsgeeren, Johannes. Maar
+als Hein komt, is het met hun gezoek ook uit.'
+
+'Dat is vreeselijk, Pluizer.'
+
+'O neen, volstrekt niet. Hein is een heel goedig man. Maar hij wordt
+miskend.'
+
+Iemand stommelde buiten de kamerdeur op de trap. Klos! Klos! klonk het
+op de houten treden.
+
+Klos! Klos! nader en naderbij. Toen tikte iemand tegen de deur en het
+was alsof ijzer op hout tikte.
+
+Er kwam een groote man binnen. Hij had diepliggende oogen en lange,
+magere handen. Een koude tocht woei in het kamertje.
+
+'Welzoo,' zeide Pluizer, 'zijt gij daar, ga zitten! Wij spraken juist
+over u. Hoe gaat het u?'
+
+'Druk, druk!' zeide de lange man en wischte zich het koude zweet van het
+beenige bleeke voorhoofd.
+
+Roerloos en schuw staarde Johannes in de diepliggende oogen, die strak
+op hem gericht waren. Zij waren zeer ernstig en donker, doch niet wreed,
+niet vijandig. Na eenige oogenblikken ademde hij weer vrijer en klopte
+zijn hart minder hevig.
+
+'Dit is Johannes,' zeide Pluizer, 'hij heeft van een zeker boekje
+gehoord, waarin staat, waarom alles is zooals het is, en dat zullen wij
+nu samen gaan zoeken, niet waar?' Toen lachte Pluizer veelbeteekenend.
+
+'Zoo! zoo! nu dat is goed!' zeide de Dood vriendelijk, en knikte
+Johannes toe.
+
+'Hij is bang het niet te vinden, maar ik zeide hem maar eerst vlijtig te
+zoeken.'
+
+'Zeker!' zeide de Dood, 'vlijtig zoeken is het beste.'
+
+'Hij dacht, dat gij zoo verschrikkelijk waart. Nu zie je toch Johannes,
+dat je je vergist hebt, niet waar?'
+
+'Ach ja!' zeide de Dood welwillend, 'men spreekt veel kwaad van mij. Ik
+heb geen innemend uiterlijk, maar ik meen het toch goed.'
+
+Hij glimlachte flauw, als iemand die met ernstiger dingen vervuld is dan
+waarover hij spreekt. Toen wendde zich zijn donkere blik van Johannes af
+naar buiten en dwaalde peinzend over de groote stad.
+
+Lang waagde Johannes het niet te spreken, eindelijk zeide hij zacht:
+
+'Zult gij mij medenemen?'
+
+'Wat meen je, mijn jongen?' zeide de Dood, opkijkend uit zijn mijmering:
+'Neen! nu nog niet. Gij moet opgroeien en een goed mensch worden.'
+
+'Ik wil geen mensch worden als de anderen.'
+
+'Kom! kom!' zeide de Dood, 'daar is niets aan te doen.'
+
+Men kon hooren, dat dit een dagelijksche term van hem was. Hij ging
+voort.
+
+'Mijn vriend Pluizer kan u leeren, hoe men een goed mensch wordt. Men
+kan het op verschillende wijzen, maar Pluizer leert het ook uitstekend.
+Het is iets zeer schoons en begeerlijks een goed mensch te zijn. Daar
+moet ge niet op neer zien, ventje!'
+
+'Zoeken, denken, kijken!' zei Pluizer.
+
+'Zeker, zeker!' zei de Dood; en toen tot Pluizer: 'Bij wien zult ge hem
+brengen?'
+
+'Bij docter Cijfer, mijn oud-leerling.'
+
+'A ja! dat is een goed leerling. Dat is een zeer fraai voorbeeld van een
+mensch. Bijna volmaakt in zijn soort.'
+
+'Zal ik Robinetta weerzien?' vroeg Johannes bevend.
+
+'Wie bedoelt het ventje?' vroeg de Dood. 'O! hij is al verliefd geweest
+en verbeeldde zich toch een elf te zijn, hi! hi! hi!' lachte Pluizer
+geniepig!
+
+'Neen! beste jongen, dat gaat niet,' zei de Dood, 'die dingen zul je bij
+docter Cijfer wel verleeren. Wie zoekt wat gij zoekt, moet al het andere
+verliezen. Alles of niets.'
+
+'Ik zal een mensch uit een stuk van hem maken, ik zal hem eens laten
+zien wat eigenlijk verliefdheid is, dan zal hij er zich wel doorheen
+pluizen.'
+
+En Pluizer lachte vroolijk, de Dood richtte weer zijn zwarte oogen op
+den armen Johannes, die met moeite het snikken bedwong. Want hij
+schaamde zich voor den Dood.
+
+Deze rees plotseling op. 'Ik moet heen,' zeide hij, 'ik verpraat mijn
+tijd. Er is hier veel te doen. Goeden dag, Johannes! wij zullen elkander
+nog wel weerzien. Gij moet niet bang voor mij zijn.'
+
+'Ik ben niet bang voor u, ik wilde dat ge mij medenaamt. Toe! neem mij
+liever mede!'
+
+Doch de Dood wees hem zacht terug, hij was dergelijke vragen gewend.
+
+'Neen! Johannes, ga nu aan uw werk, zoek en zie! Vraag mij niet meer. Ik
+vraag maar eens en dan is het tijd genoeg.'
+
+Toen hij verdwenen was gedroeg Pluizer zich weer zeer buitensporig. Hij
+sprong over stoelen, buitelde over den grond, kroop op de kast en den
+schoorsteenmantel en voerde halsbrekende kunsten uit in de open vensters.
+
+'Dat was nu Hein! mijn goede vriend Hein!' riep hij, 'vond je hem niet
+aardig? Een beetje leelijk en knorrig van uitzicht. Maar hij kan ook
+heel vroolijk zijn, als hij plezier heeft in zijn werk. Maar dikwijls
+verveelt het hem. 't Is ook wel wat eentonig.'
+
+'Wie zegt hem, Pluizer, waarheen hij gaan moet?'
+
+Pluizer gluurde Johannes valsch en uitvorschend aan.
+
+'Waarom vraag je dat? Hij gaat zijn eigen gang, hij neemt wie hij
+krijgen kan.'
+
+Later heeft Johannes anders gezien. Doch nu wist hij niet beter of
+Pluizer sprak waarheid in alles.
+
+Zij gingen op de straat en bewogen zich door de krioelende menigte. De
+zwarte menschen liepen dooreen, lachten, praatten, zoo vroolijk dat
+Johannes zich moest verwonderen. Hij zag hoe Pluizer velen toeknikte,
+maar niemand beantwoordde den groet, allen keken voor zich alsof ze
+niets gezien hadden.
+
+'Ze loopen nu te lachen,' zeide Pluizer, 'alsof zij mij geen van allen
+kenden. Maar dat schijnt maar zoo. Als ik alleen met hen ben, kunnen ze
+mij niet negeeren en dan zijn ze ook zoo vroolijk niet.' En onder het
+gaan was Johannes zich bewust dat er iemand achter hem liep. Als hij
+omkeek zag hij den langen, bleeken man, die met groote, onhoorbare
+schreden tusschen de menschen schreed. Hij knikte Johannes toe.
+
+'Zien de menschen hem ook?' vroeg Johannes aan Pluizer.
+
+'Ja zeker! allen, maar zij willen hem ook niet kennen. Nu ik gun hun
+dien trots!'
+
+De drukte en het geraas brachten Johannes in een soort verdooving, die
+hem zijn leed deed vergeten. De smalle straten en de hooge huizen, die
+het hemelblauw in rechte strooken verdeelden, de menschen die langs hem
+af en aan gingen, het slepen der voetstappen en het ratelen der wagens
+verstoorden de oude visioenen en den droom van dien nacht, als een storm
+de beelden in een waterspiegel. Het was hem alsof er niets anders
+bestond dan muren, ramen en menschen, alsof hij mede moest doen, mede
+draven in het rusteloos, ademloos gewoel.
+
+Toen kwamen zij in een stille buurt, waar een groot huis stond met
+grauwe, sierlooze ramen. Het zag er streng en onvriendelijk uit.
+Daarbinnen was het stil en rook Johannes een mengeling van vreemde,
+scherpe geuren, met een dompige kelderlucht tot grondtoon. In een kamer,
+vol wonderlijke werktuigen, zat een eenzame man. Hij was omringd door
+boeken, glazen en koperen voorwerpen, allen vreemd voor Johannes. Er
+viel een enkele zonnestraal over zijn hoofd heen in de kamer en fonkelde
+op flesschen met fraai gekleurde stoffen. De man tuurde ingespannen door
+een koperen buis en zag niet op.
+
+Toen Johannes naderkwam hoorde hij hem mompelen: 'Wistik! Wistik!'
+
+Naast den man, op een lang, zwart bankje, lag iets wits en wolligs, dat
+Johannes niet goed kon onderscheiden.
+
+'Goeden morgen, docter!' zei Pluizer, maar de docter keek nog niet op.
+
+Toen schrikte Johannes, want het witte voorwerp waarnaar hij ingespannen
+keek, kwam op eens in krampachtig rukkende beweging. Wat hij gezien had,
+was het witte buikdons van een konijntje. Het kopje met den beweeglijken
+neus lag achterover in ijzer geklemd, en de vier pootjes waren strak
+gebonden naast het lichaam. Kort duurde de wanhopige poging om zich te
+bevrijden, toen lag het beestje weder stil en alleen de snelle beweging
+van de bloedige keel toonde dat het nog leefde.
+
+En Johannes zag het ronde, goedige oog dat zoo wijd staarde in
+machteloozen angst en het was of hij het herkende. Ach! was dat niet
+het zachte lijfje, waartegen hij gerust had in dien eersten, zaligen
+elfennacht? Oude herinneringen drongen met geweld in hem boven. Hij
+vloog op het diertje toe:
+
+'Wacht! wacht! arm konijntje, ik zal u helpen.' En haastig trachtte hij
+de koordjes los te knoopen, die de teere pootjes striemden.
+
+Doch zijn beide handen werden tegelijk vastgegrepen en een scherpe lach
+klonk aan zijn oor.
+
+'Wat beduidt dat, Johannes? Ben je nog zoo kinderachtig? Wat moet de
+docter wel van je denken?'
+
+'Wat wil die jongen? wat doet hij hier?' vroeg de docter verbaasd.
+
+'Hij wilde een mensch worden, daarom kwam ik met hem bij u. Maar hij is
+nog wat klein en kinderachtig. Dit is niet de manier om te vinden wat je
+zoekt, Johannes!'
+
+'Neen! dit is de manier niet,' zeide de docter.
+
+'Docter, maak dat konijntje los!'
+
+Doch Pluizer kneep hem de beide handen, dat hij ineenkromp. 'Wat hebben
+wij afgesproken, mannetje?' siste hij hem in 't oor. 'Zoeken zouden wij,
+niet waar? Wij zijn hier niet in de duinen, bij Windekind en bij stomme
+dieren. Wij zouden menschen zijn, menschen! versta je. Als je een kind
+wilt blijven, als je niet sterk genoeg bent om mij te helpen, laat ik je
+gaan, zoek dan alleen!'
+
+Johannes zweeg en geloofde. Hij wilde sterk zijn. Hij sloot de oogen, om
+het konijntje niet te zien.
+
+'Beste jongen!' zeide de docter, 'je schijnt nog wat teergevoelig om te
+beginnen. Het is waar, de eerste maal is zoo iets naar om te zien. Ik
+zelf zie het altijd ongaarne en vermijd het zooveel mogelijk. Doch het
+is onontbeerlijk. En je moet begrijpen: wij zijn menschen en geen
+dieren, en het heil van de menschheid en van de wetenschap gaat boven
+dat van eenige konijnen.'
+
+'Hoor je!' zei Pluizer, 'de wetenschap en de menschheid!'
+
+'De man der wetenschap,' ging de docter voort, 'staat hooger dan alle
+andere menschen. Maar hij moet dan ook de kleine gevoeligheden, die de
+gewone menschen kennen, laten varen voor dat eene groote: de wetenschap.
+Wilt ge zulk een mensch worden? was dat uw roeping, mijn jongen?'
+
+Johannes weifelde, hij wist nog niet recht wat een roeping was, zoomin
+als de meikever.
+
+'Ik wilde het boekje vinden,' zeide hij, 'waar Wistik van sprak.'
+
+De docter keek verbaasd en vroeg: 'Wistik?'
+
+Doch Pluizer zei snel: 'Hij wil het, docter, ik weet het wel. Hij wil de
+hoogste wijsheid zoeken, hij wil het wezen der dingen begrijpen.'
+
+Johannes knikte, 'Ja!' Zoover hij begreep, was dat zijn bedoeling.
+
+'Nu, dan moet je sterk zijn, Johannes, en niet klein en teerhartig. Dan
+zal ik je helpen. Maar bedenk: alles of niets.'
+
+En Johannes hielp met sidderende handen de losgemaakte koorden weer
+vaster om de pootjes van het konijntje strikken.
+
+
+
+
+XI
+
+
+'Wij zullen toch eens zien,' zeide Pluizer, 'of ik je niet evenveel
+moois vertoonen kan als Windekind.'
+
+En toen zij den docter vaarwel hadden gezegd en beloofd spoedig weer te
+komen, leidde hij Johannes rond in alle hoeken der groote stad, hij
+toonde hem, hoe het groote monster leefde, hoe het ademde en zich voedde,
+hoe het in zich-zelve verteerde en uit zich-zelve weer opgroeide.
+
+Doch hij had voorliefde voor de sombere achterbuurten, waar de menschen
+dicht opeengepakt zaten, waar alles grauw en groezelig, de lucht zwaar
+en bedompt was.
+
+Hij ging met hem in een der groote gebouwen, waaruit de rook opsteeg,
+dien Johannes den eersten dag gezien had. Er heerschte een verdoovend
+geraas, overal rammelde, ratelde, stampte en dreunde het, groote wielen
+wentelden en lange riemen schoven slingerend voort; zwart zagen muren en
+bodem, de vensters waren gebroken of bestoven. Hoog rezen de geweldige
+schoorsteenen boven het zwarte gebouw uit en zonden dikke, kronkelende
+rookzuilen op. In dat gewoel van raderen en werktuigen zag Johannes tal
+van menschen met bleek gelaat, met zwarte handen en kleederen, zwijgend
+en rusteloos werken.
+
+'Wie zijn dat?' vroeg hij.
+
+'Raderen, ook raderen,' lachte Pluizer, 'of menschen, zoo je wilt. Wat
+ze daar doen, doen ze dag in, dag uit. Men kan op die manier ook mensch
+zijn, in hun soort altijd.'
+
+En zij kwamen in vuile straatjes, waar het strookje hemelblauw zoo smal
+leek als een vinger en nog verduisterd werd door uitgespannen kleederen.
+Daar krioelde het van menschen; ze verdrongen elkaar, schreeuwden,
+lachten en zongen ook somtijds. In de huizen waren de kamertjes zoo
+klein, zoo donker en bedompt, dat Johannes nauwelijks durfde ademen. Hij
+zag havelooze kinderen over den kalen vloer kruipen en jonge meisjes met
+verwilderd haar, die liedjes neurieden voor magere, bleeke zuigelingen.
+Hij hoorde twisten en schelden, en alle gezichten om hem zagen moede, of
+dom en onverschillig.
+
+Het greep Johannes aan met een vreeselijke smart. Het had niets gemeen
+met zijn vroeger leed, daarvoor schaamde hij zich.
+
+'Pluizer,' vroeg hij, 'hebben die menschen altijd hier geleefd, zoo
+akelig en ellendig? Ook toen ik ...'
+
+Hij durfde niet verder gaan.
+
+'Welzeker, en dat is gelukkig. Zij leven volstrekt niet akelig en
+ellendig, zij zijn hier gewend en weten niet beter. Het is dom,
+onverschillig vee. Zie die twee vrouwen daar, voor haar deur zitten! Zij
+kijken zoo tevreden in de vuile straat, als jij vroeger naar je duinen!
+Om die menschen behoef je niet te huilen. Dan kan je wel om de mollen
+huilen, die nooit het daglicht zien.'
+
+En Johannes wist niet te antwoorden en wist ook niet waarom hij toch
+huilen moest. En te midden van het luidruchtige drijven en woelen zag
+hij steeds den bleeken, holoogigen man voortschrijden, met
+geruischloozen tred.
+
+'Toch een goede man, nietwaar?' zeide Pluizer, 'de menschen hieruit weg
+te halen. Maar toch zijn ze hier even bang voor hem.'
+
+Toen de nacht was gedaald, en de honderden lichtjes in den wind
+flikkerden en lange, wiegelende beelden in het donkere water wierpen,
+gingen beiden langs de stille straten. De oude, hooge huizen schenen
+vermoeid tegen elkander geleund te slapen. De meesten hadden hun oogen
+gesloten. Doch hier en daar schemerde nog een venster met matten, gelen
+glans.
+
+Pluizer vertelde aan Johannes lange verhalen van hen die daarachter
+woonden, van de pijnen, die daar werden uitgestaan, en van den strijd,
+die daar tusschen ellende en levenslust gestreden werd. Hij spaarde hem
+niets, het somberste, het laagste en platste zocht hij uit, en grinnikte
+van genoegen, als Johannes bij zijn verschrikkelijke verhalen bleek werd
+en zweeg.
+
+'Pluizer,' vroeg Johannes op eenmaal, 'weet gij iets van het Groote
+Licht?'
+
+Hij dacht, dat die vraag hem redden zou uit de duisternis, die dichter
+en drukkender om hem samendrong.
+
+'Praatjes! Praatjes van Windekind!' zeide Pluizer. 'Hersenschimmen en
+droomerijen! Er zijn alleen menschen, en ik-zelf. Dacht je, dat een God
+of iets van dien aard er vermaak in zou hebben, zoo'n rommel te regeeren
+als het hier op aarde is? En zoo'n groot licht zou er niet zoovelen hier
+in 't donker laten.'
+
+'En die sterren, die sterren dan?' vroeg Johannes, als verwachtte hij,
+dat die zichtbare grootheid het lage voor hem zou kunnen verheffen.
+
+'Die sterren? Weet je wel waarvan je praat, ventje? Het zijn geen
+lichtjes daarboven, zooals de lantaarns, die je hier om je heen ziet.
+Het zijn allen werelden, elke veel grooter dan deze wereld met haar
+duizenden steden, en middenin zweven wij als een klein stofje, en er is
+geen onder of boven, en naar alle zijden zijn werelden, al maar werelden,
+en dat houdt nimmer, nimmer op.'
+
+'Neen! Neen!' riep Johannes angstig, 'niet zeggen, niet zeggen! Ik zie
+lichtjes op een groot donker veld boven mij.'
+
+'Ja, zien kun je niet anders dan lichtjes. Al staarde je je leven lang
+omhoog, je zoudt niet anders zien dan lichtjes op een donker veld boven
+je. Maar je kunt, je _moet_ weten, dat het werelden zijn, noch boven,
+noch onder, waarin dit kluitje met zijn armzalig, wriemelend
+menschenzootje niets is, en als niets zal verdwijnen. Spreek dus niet
+meer van 'de sterren', als waren het er een paar dozijn, het is een
+dwaasheid.'
+
+Johannes zweeg. De grootheid, die het lage zou verheffen, verpletterde
+het.
+
+'Komaan,' zei Pluizer, 'nu zullen we iets vroolijks gaan zien.' Bij
+tusschenpoozen kwamen de golven van een lieflijk slepende muziek hen
+tegemoet. Op een donkere gracht was een groot huis, waar het licht hel
+uit vele, hooge vensters brak.
+
+Een lange stoet rijtuigen stond er voor. Het stampen der paarden klonk
+hol door de nachtelijke stilte, en hun koppen knikten: ja! ja!
+Glimlichtjes blonken op de zilveren knoppen van het tuig en op het
+vernis der wagens.
+
+Binnen was het een-en-al licht. Half verblind staarde Johannes in de
+schittering van honderden vlammen, van bonte kleuren, van spiegels en
+bloemen. Lichte gestalten streken langs de vensters, naar elkaar toe
+buigend, met lach en handgebaar. Tot ver achter in de zalen bewogen zich
+de rijkgetooide menschen met langzamen tred of met snelle, wiegelende
+draaiing. Een verward gerucht van gelach en blijde stemmen, slepende
+schreden en ruischende gewaden drong tot op straat door, meegedragen op
+de golven der weeke, bedwelmende muziek, die Johannes reeds van verre
+gehoord had. Op straat, dicht bij de ramen, stonden een paar donkere
+gestalten, waarvan alleen de gezichten vreemd en ongelijk werden
+verlicht door den glans, waarin zij gretig staarden.
+
+'Dat is mooi, dat is heerlijk!' riep Johannes; hij genoot bij het zien
+van zooveel kleur en licht en bloemen. 'Wat gebeurt daar? Mogen wij
+daarin?'
+
+'Zoo, vindt je dit nu toch mooi? Of verkies je soms liever een
+konijnenhol? Zie die menschen eens lachen en buigen en schitteren; zie
+eens hoe deftig en glad die mannen, hoe bont en opgeschikt die vrouwen!
+En welk een aandacht bij het dansen, alsof het de gewichtigste zaak ter
+wereld was.'Johannes dacht terug aan het bal in het konijnenhol en hij
+zag veel, dat hem er aan herinnerde. Doch alles was hier grooter en
+schitterender. De jonge vrouwen met haar rijken tooi schenen hem zoo
+schoon als elfen, als zij de lange, blanke armen ophieven en het hoofd
+half ter zijde wendden in den dans. De bedienden gingen statig rond en
+boden heerlijke dranken aan, met eerbiedige buiging.
+
+'Hoe prachtig! hoe prachtig!' riep Johannes.
+
+'Erg mooi, vindt je niet?' zei Pluizer. 'Maar nu moet je ook eens wat
+verder kijken dan je neus lang is. Je ziet nu niets dan lieve, lachende
+gezichten niet waar? Nu, het grootste deel van al die lachjes is leugen
+en gemaaktheid. Die vriendelijke, oude dames aan den kant zitten daar
+als hengelaars om een vijver; die jonge vrouwen zijn het aas, de heeren
+zijn de visschen. En hoe lief ze ook met elkaar keuvelen, ze rnisgunnen
+elkaar nijdig elke vangst. Als een van die jonge vrouwen plezier heeft,
+dan is het omdat ze mooier is aangekleed of meer heeren om zich lokt dan
+de andere, en het plezier van de heeren ontstaat vooral door die bloote
+halzen en armen. Achter al die lachende oogen en vriendelijke lippen
+schuilt iets heel anders. Zelfs die eerbiedige knechts denken lang niet
+eerbiedig. Als het op eens uitkwam wat allen waarlijk dachten, dan zou
+de partij gauw gedaan zijn!'
+
+En toen Pluizer hem alles wees, zag Johannes duidelijk de gemaaktheid in
+gezichten en gebaren en de ijdelheid, afgunst en verveling, die door het
+lachend masker heen gluurden of plotseling uitkwamen als het even werd
+afgelegd.
+
+'Nu,' zeide Pluizer, 'men moet hen maar laten begaan. Die menschen
+moeten zich toch amuseeren. En anders kunnen zij het niet.'
+
+Johannes voelde dat er iemand achter hem stond. Hij zag om. Het was de
+welbekende, lange gestalte. Het bleeke gelaat was grillig door den
+hellen glans verlicht, zoodat de oogen groote, donkere plekken vormden.
+Hij prevelde zachtkens bij zichzelven en wees met den vinger in de
+lichte zaal.
+
+'Zie,' zeide Pluizer, 'hij is weer aan 't uitzoeken.'
+
+Johannes zag waarheen de vinger wees. En hij zag hoe de oude dame onder
+het gesprek even de oogen sloot en de hand aan het hoofd bracht, en hoe
+het schoone, jonge meisje haar drentelen even staakte en met een lichte
+rilling voor zich, staarde.
+
+'Wanneer?' vroeg Pluizer aan den Dood.
+
+'Dat is mijn zaak,' zeide deze.
+
+'Ik wilde Johannes ditzelfde gezelschap nog eens laten zien,' zeide
+Pluizer en knipoogde grijnzend. 'Kan dat?'
+
+'Van avond?' vroeg de Dood.
+
+'Waarom niet?' zeide Pluizer. 'Daar is uur noch tijd. Wat nu is, is
+altijd geweest, en wat worden zal, is er reeds.'
+
+'Ik kan niet mede,' zeide de Dood, 'ik heb te veel werk. Doch noem den
+naam van dat wat wij beiden kennen, en gij zult ook zonder mij den weg
+vinden.'
+
+Zij gingen toen een eindweegs door de eenzame straten, waar de
+gasvlammen flikkerden in den nachtwind en het donkere koude water tegen
+de grachtwallen kabbelde. De weeke muziek klonk flauwer en flauwer en
+verdoofde eindelijk in de groote rust, die over de stad lag.
+
+Daar klonk op eens van omhoog, met vollen galmenden metaalklank, een
+luid en feestelijk lied.
+
+Plotseling viel het neer van den hoogen toren, op de slapende stad, in
+de droeve duistere ziel van den kleinen Johannes. Verwonderd zag hij op.
+De klokkenzang hield aan, met helderen, kalmen klank, die zich jubelend
+verhief en forsch de doodsche stilte scheurde. Vreemd schenen hem die
+blijde tonen, die feestzang te midden van stillen slaap en donkeren rouw.
+
+'Dat is de klok,' zei Pluizer, 'die is altijd even vroolijk, jaar in,
+jaar uit. Elk uur zingt zij ditzelfde lied met gelijke kracht en
+opgewektheid. En des nachts klinkt het blijder dan des daags, alsof de
+klok juichte dat zij niet behoeft te slapen, dat zij altijd door even
+gelukkig kan zingen, waar duizenden onder haar weenen en lijden. Doch
+het vroolijkst klinkt het wanneer er iemand gestorven is.'
+
+Nogmaals verhief zich de jubelende galm.
+
+'Eens, Johannes,' ging Pluizer voort, 'zal achter zulk een venster in
+een stille kamer een flauw lichtje branden. Een droevig lichtje, dat
+peinzend trilt en de schaduwen op den wand doet dansen. Er zal geen
+gerucht zijn in de kamer, dan nu en dan een zacht, onderdrukt snikken.
+Er zal een bed staan met witte gordijnen, met lange schaduwen in de
+plooien. En in dat bed zal iets liggen, wit en stil. Dat zal de kleine
+Johannes geweest zijn. O, dan zal op eens datzelfde lied luid en lustig
+in die kamer breken en 't eerste uur bezingen na zijn dood.'
+
+Twaalf zware slagen dreunden door de lucht met lange tusschenpoozen. Bij
+den laatsten kreeg Johannes op eenmaal een gevoel alsof hij droomde, hij
+liep niet meer maar zweefde een eind boven de straat, aan Pluizer's
+hand. In snelle vaart streken hem de huizen en lantaarns voorbij. De
+huizen stonden nu minder dicht opeen. Ze vormden alleenstaande rijen,
+met donkere geheimzinnige gaten er tusschen, waar het gaslicht kuilen,
+plassen, puin en balken grillig verlichtte. Eindelijk kwam een groote
+poort, met zware zuilen en een hoog hek. In een oogwenk waren zij er
+over gezweefd en kwamen neer op vochtig gras naast een grooten zandhoop.
+Johannes dacht in een tuin te zijn, want hij hoorde 't ruischen van
+boomen in 't ronde.
+
+'Let nu goed op, Johannes, en houd dan nog eens vol, dat ik niet meer
+kan dan Windekind.'
+
+Toen riep Pluizer luide een korten, somberen naam, die Johannes deed
+huiveren. Van alle zijden herhaalde de duisternis den klank, en de wind
+voerde hem op in gierend draaien, totdat hij wegstierf in de hooge lucht.
+
+En Johannes zag hoe de grashalmen hem boven 't hoofd reikten, en hoe de
+kleine steen, die zooeven laan zijn voeten ag, hem nu het gezicht
+belemmerde. Pluizer naast hem, even klein als hij, vatte den steen met
+beide handen en wentelde dien met alle krachten om. Een verward geroep
+van fijne, hooge stemmetjes rees van den vrij geworden bodem op.
+
+'Hei! wie doet dat? Wat beteekent dat? Lomperd!' klonk het dooreen.
+
+Johannes zag zwarte gestalten haastig door elkaar loopen. Hij herkende
+den vluggen, zwarten loopkever, den glimmend bruinen oorworm met zijn
+fijne knijpers, pissebedden met haar ronde ruggen en slangachtige
+duizendpooten. In 't midden trok een lange aardworm zich bliksemsnel in
+zijn gang terug.
+
+Pluizer ging dwars door de tierende en scheldende bende op het hol van
+den aardworm toe.
+
+'Heidaar! lange, bloote slungel! kom eens voor den dag met je rooden
+puntneus!' riep Pluizer.
+
+'Wat moet je?' vroeg de worm uit de diepte.
+
+'Jij moet er uit, omdat ik er in wil, hoor je, kale zandeter!'
+
+Voorzichtig rekte de pier zijn spitsen kop uit de opening, tastte er
+eenige malen mee in 't rond en trok toen langzaam het naakte, geringde
+lijf verder naar de oppervlakte.
+
+Pluizer keek rond naar de andere dieren, die nieuwsgierig om hem heen
+drongen.
+
+'Een van jelui gaat mede en licht voor. Neen, zwarte kever, je bent te
+dik, en jij met je duizend pooten zoudt me duizelig maken. Ha, jij daar,
+oorworm! jouw gezicht bevalt me. Ga mede en draag het licht in je
+scharen! Loopkever, loop! en zoek een dwaallicht of haal een fakkel van
+hout, dat rottend is.'
+
+De dieren kregen ontzag voor zijn gebiedende stem en gehoorzaamden.
+
+Toen daalden zij af in de wormengang. Voorop de oorworm met het lichtend
+hout, dan Pluizer, dan Johannes. Het was eng en duister daar beneden.
+Flauw zag Johannes de zandkorrels door het matte, blauwe schijnsel
+verlicht. Zij schenen groot als steenen, half doorschijnend, tot een
+gladden, vasten wand geschuurd door het lichaam van de pier. Deze
+laatste volgde nieuwsgierig. Johannes zag achter zich haar spitsen kop
+zich nu eens snel vooruit strekken, dan weer wachten tot het lange lijf
+nader aangetrokken was. Zij daalden zwijgend, lang en diep. Waar
+Johannes het pad te steil werd, steunde Pluizer hem. Er scheen geen
+einde te zullen komen; altijd nieuwe zandkorrels, en steeds kroop de
+oorworm voort, zich wendend en buigend met de kronkelingen van de gang.
+Eindelijk werd de weg breeder en weken de wanden vaneen. De zandkorrels
+werden zwart en vochtig; boven vormden ze een gewelf, waarlangs
+waterdroppels glinsterende strepen trokken en waardoor boomwortels zich
+strekten als verstijfde slangen.
+
+Daar rees plotseling voor Johannes' blik een loodrechte wand, zwart en
+hoog, die de geheele ruimte voor hem afsloot. De oorworm wendde zich om.
+
+'Ziezoo! Nu is het zaak, daar-achter te komen. Dat zal de pier wel
+weten, die is hier te huis.'
+
+'Kom, wijs ons den weg!' zei Pluizer.
+
+Langzaam schoof de aardworm het geringde lijf tot bij den zwarten wand
+en betastte dien zoekend. Johannes zag, dat het hout was. Hier en daar
+was het tot bruinachtige stof vervallen. Daar boorde de worm zich in, en
+het lange, lenige lijf gleed in drie tusschenpoozen weg.
+
+'Nu jij!' zei Pluizer en duwde Johannes in de kleine ronde opening. Een
+oogenblik dacht deze te stikken in den zachten, vochtigen molm; toen
+voelde hij zijn hoofd vrij komen en werkte zich met moeite geheel uit de
+opening los. Een groote ruimte scheen hem te omgeven. De grond was hard
+en vochtig, de lucht dik en ondragelijk benauwd, Johannes durfde nauw
+ademen en wachtte in nameloozen angst.
+
+Hij hoorde Pluizer's stem, die hol klonk als in een grooten kelder.
+
+'Hier Johannes, volg me!'
+
+Voor zich voelde hij den grond rijzen tot een berg. Aan Pluizer's hand
+beklom hij dien, in de diepe duisternis. Het was alsof hij op een kleed
+liep, dat meegaf onder zijn tred. Hij strompelde over kuilen en heuvels,
+Pluizer volgend, die hem medetrok tot een vlakke plaats, waar hij zich
+vastklemde aan lange halmen, die als buigzaam riet waren in zijn hand.
+'Hier staan wij goed! Licht!' riep Pluizer.
+
+Daar daagde het matte licht uit de verte, met zijn drager dalend en
+rijzend. Hoe nader het kwam en hoe meer het flauwe gloren de ruimte
+vervulde, des te vreeselijker werd Johannes' beklemming.
+
+De berg, dien hij betreden had, was lang en wit; het riet, dat hij
+omklemde, was bruin en krulde in glinsterende golven naar omlaag.
+
+Hij herkende de rechte gestalte van een mensch, en de kille vlakte,
+waarop hij stond, was het voorhoofd.
+
+Voor hem lagen, als twee diepe, donkere kuilen, de ingezonken oogen, en
+het blauwe licht scheen op den dunnen neus en de grauwe lippen, in
+akeligen, stijven doodenlach geopend.
+
+Uit Pluizer's mond klonk een schelle lach, die dadelijk smoorde in de
+vochtige houtwanden.
+
+'Dit is nu een verrassing, Johannes!'
+
+De lange worm kwam aankruipen tusschen de plooien van het lijkkleed; hij
+schoof zich behoedzaam tegen de kin op en glipte over de strakke lippen
+in de zwarte mondholte.
+
+'Dit is nu de schoonste uit de danspartij, die je schooner vond dan een
+elf. Toen stroomden zoete geuren uit haar kleederen en haren, toen
+lonkten haar oogen en lachten haar lippen. Zie nu eens!'
+
+Bij al zijn ontzetting was er toch ongeloof in de oogen van Johannes.
+Zoo snel? Die pracht was zoo even, en nu reeds ...? 'Geloof je mij
+niet?' grijnsde Pluizer. 'Er ligt een halve eeuw tusschen toen en nu.
+Daar is uur noch tijd. Wat eenmaal was, zal altijd zijn, en wat worden
+zal, is altijd geweest. Je kunt het niet denken, maar moet het gelooven.
+Het is hier alles waarheid, alles wat ik je toon is waar! waar! Dat kon
+Windekind niet zeggen.'
+
+Grinnikend sprong Pluizer rond op het doodengelaat en bedreef de
+afschuwelijkste scherts. Hij zat op de wenkbrauw en trok bij de lange
+wimpers het ooglid op. Het oog, dat Johannes vroolijk had zien
+schitteren, staarde dof en rimpelig wit in het schemerlichtje. 'Nu
+vooruit!' riep Pluizer, 'er valt nog meer te zien!'
+
+De pier kroop langzaam uit den rechter mondhoek te voorschijn en de
+bange tocht werd voortgezet.
+
+Niet terug, maar langs nieuwe, even lange en sombere wegen. 'Nu komt een
+oude,' zeide de aardworm, toen weder een zwarte wand den weg afsloot.
+'Deze is hier al zeer lang.'
+
+Het was minder vreeselijk dan de vorige maal. Johannes zag slechts een
+verwarde massa, waaruit bruinachtige beenderen staken. Honderden wormen
+en insecten waren er zwijgend bezig. Het licht gaf opschudding.
+
+'Van waar komt gij? Wie brengt hier licht? Dat hebben wij niet noodig.'
+
+En snel schoten zij weg tusschen plooien en in holten. Doch zij
+herkenden een soortgenoot.
+
+'Zijt ge in die hiernaast geweest?' vroegen de wormen. 'Het hout is nog
+hard.'
+
+De eerste worm ontkende. 'Hij wil het buitenkansje voor zich houden,'
+zeide Pluizer zacht tot Johannes.
+
+Verder trokken zij, Pluizer gaf uitleg en wees aan, wie Johannes bekend
+waren. Er kwam een misvormd gezicht met starende, uitpuilende oogen,
+dikke, zwarte lippen en wangen. 'Dit was een deftig heer,' zeide hij
+toen vroolijk, 'je had hem moeten zien, zoo rijk, zoo voornaam en zoo
+ingebeeld. Zijn opgeblazenheid heeft hij gehouden.'
+
+Zoo ging het voort. Er waren ook magere, uitgeteerde gestalten met wit
+haar, dat blauw glinsterde in het zwakke licht, en kleine kinderen met
+groote hoofden en oudachtige denkersgezichten.
+
+'Zie, die zijn eerst na hun dood oud geworden!' zei Pluizer. Zij kwamen
+bij een man met vollen baard en opgetrokken lippen, wiens witte tanden
+blonken. Midden in het voorhoofd had hij een rond zwart gaatje.
+
+'Deze heeft Hein een handje geholpen. Waarom niet een beetje geduld? Hij
+was toch wel hier gekomen.'
+
+En weer kwamen gangen en nieuwe gangen en weer rechte gestalten met
+strakke, grijnzende gezichten en roerlooze, over elkaar gelegde handen.
+
+'Nu ga ik niet verder,' zei de oorworm, 'ik weet hier geen weg meer.'
+
+'Laat ons omkeeren,' zei de pier. 'Nog een, nog een!' riep Pluizer.
+
+Verder ging de tocht.
+
+'Het bestaat alles wat je ziet,' zei Pluizer onder het voortgaan, 'het
+is alles waar. Een ding alleen is niet waar. Dat ben je zelf, Johannes.
+jij bent hier niet, en je kunt hier niet zijn.'
+
+En hij schaterlachte, als hij den angstigen, wezenloozen blik van
+Johannes bij zijn woorden zag.
+
+'Dit is de laatste! werkelijk de laatste!'
+
+'De gang loopt dood, ik ga niet verder,' zeide de oorworm knorrig.
+
+'Ik wil verder!' zeide Pluizer, en waar de gang eindigde, begon hij met
+beide handen te graven. 'Help mij, Johannes!'
+
+Willoos in zijn ellende, gehoorzaamde deze en groef de vochtige, fijne
+aarde weg.
+
+Zwijgend en zwoegend werkten zij door, totdat het zwarte hout kwam.
+
+De pier had den geringden kop ingetrokken en was achteruit verdwenen. De
+oorworm liet het licht vallen en ging terug.
+
+'Zij komen er niet in, het hout is te nieuw,' zeide hij bij 't heengaan.
+
+'Ik wil,' zei Pluizer en scheurde met de haakvingers lange, witte
+splinters krakend uit het hout.
+
+Een vreeselijke beklemming drukte Johannes. Doch hij moest, hij kon niet
+anders.
+
+Eindelijk kwam de donkere ruimte open. Pluizer nam het licht en kroop
+haastig naar binnen.
+
+'Hier, hier!' riep hij en liep naar het hoofdeinde.
+
+Doch toen Johannes bij de handen kwam, die stil over elkaar gevouwen op
+de borst lagen, moest hij rusten. Hij staarde op de magere, witte
+vingers, half verlicht aan de bovenzijde. Op eenmaal herkende hij ze,
+hij herkende den vorm en de plooien der vingers, de gedaante der lange
+nagels, nu donkerblauw verkleurd. Hij herkende een bruin vlekje aan den
+wijsvinger.
+
+Het waren zijn eigene handen.
+
+'Hier, hier!' riep Pluizer's stem van het hoofdeinde. 'Zie eens, herken
+je hem?'
+
+Nog wilde de arme Johannes zich weer oprichten en op het licht toegaan,
+dat hem wenkte. Doch hij kon niet meer. Het lichtje verglom tot volkomen
+duisternis, en hij viel bewusteloos.
+
+
+
+
+XII
+
+
+Diep zonk hij weg in den slaap, tot in de diepte waar geen droomen zijn.
+
+Toen hij uit die duisternissen herrees, langzaam, naar het grauwe, koele
+licht van den morgen, streek hij door bonte, zachte droomen uit vroeger
+tijd. Hij ontwaakte en zij gleden van zijn ziel als dauwdroppelen van
+een bloem. Kalm en vriendelijk was de uitdrukking van zijn oogen, half
+nog starend in het wemelen der lieflijke beelden.
+
+Doch in pijn, als een lichtschuwe, sloot hij ze voor het vale daglicht.
+Hij zag, wat hij ook den vorigen morgen gezien had. Het scheen hem ver
+en lang geleden. Doch uur na uur kwam hem weer te binnen, van den
+droevigen morgen tot den vreeselijken nacht. Hij kon niet gelooven, dat
+al die verschrikkingen in eenen dag waren verschenen. Het begin van zijn
+ellende scheen zoo ver, verloren in grauwen mist.
+
+Spoorloos gleden de zachte droomen van zijn ziel, Pluizer schudde hem,
+en de sombere dag begon, traag en kleurloos, de voorlooper van vele,
+vele andere.
+
+Doch wat hij den vorigen avond op dien bangen tocht gezien had, bleef
+hem bij. Was het slechts een afschuwelijk visioen geweest?
+
+Toen hij Pluizer er weifelend naar vroeg, keek deze hem spottend en
+verwonderd aan.
+
+'Wat bedoel je?' vroeg hij.
+
+Doch Johannes zag den spot niet in zijn blik, en vroeg of het niet
+waarlijk zoo geschied was, hij zag het nog zoo scherp en duidelijk
+voor zich!
+
+'Maar Johannes, wat ben je toch dom! Zulke dingen kunnen immers niet
+gebeuren!'
+
+En Johannes wist niet wat hij denken moest.
+
+'We zullen je gauw aan 't werk zetten. Dan zul je zulke domme vragen
+niet meer doen.'
+
+En zij gingen naar den docter Cijfer, die Johannes zou helpen vinden,
+wat hij zocht.
+
+Doch in de drukke straten hield Pluizer eenmaal plotseling stil en wees
+Johannes een mensch uit de menigte.
+
+'Ken je hem nog?' vroeg Pluizer en schaterde het uit toen Johannes bleek
+werd en den man verschrikt nastaarde.
+
+Hij had hem den vorigen nacht gezien, diep onder de aarde.
+
+Vriendelijk ontving hen de docter en deelde Johannes zijn wijsheid mede.
+Uren luisterde hij dien dag, en vele dagen daarna.
+
+Wat hij zocht had de docter nog niet gevonden. Doch hij had het bijna,
+zeide hij. Hij zou Johannes zoo ver brengen als hij zelve was en dan
+zouden zij er beiden wel komen.
+
+Johannes leerde en luisterde, ijverig en geduldig, dagen en maanden
+lang. Hij gevoelde weinig hoop, doch hij begreep, dat hij nu door moest
+gaan, zoo ver mogelijk. Hij vond het vreemd, dat terwijl hij licht
+zocht, het hoe langer hoe duisterder om hem werd. Het begin van al wat
+hij leerde was het best, doch hoe dieper hij doordrong hoe doodscher en
+duisterder. Hij begon met planten en dieren, met al wat om hem was en
+als hij er lang op gestaard had, werden het cijfers. Alles viel uiteen
+tot cijfers, bladen vol cijfers. Dat vond docter Cijfer heerlijk, en hij
+zeide, dat het hem licht werd, als de cijfers kwamen, doch voor Johannes
+was dat duisternis.
+
+Pluizer verliet hem niet en dreef en zweepte hem voort, als hij
+moedeloos en vermoeid was. Alle oogenblikken van genot of bewondering
+bedierf hij hem.
+
+Johannes verbaasde en verheugde zich, toen hij leerde en zag, hoe fijn
+de bloemen waren gebouwd, hoe zij vruchten vormden en hoe de insecten
+hen onwetend hielpen in die taak.
+
+'Dat is toch prachtig,' zeide hij, 'hoe juist is dat alles berekend en
+hoe fijn en doelmatig gemaakt.'
+
+'Ja, verbazend doelmatig,'zei Pluizer, 'jammer dat het grootste deel van
+die doelmatigheid en fijnheid tot niets dient. Hoeveel bloesems worden
+vruchten en hoeveel pitten worden boomen?'
+
+'Maar het schijnt toch alles naar een groot plan gemaakt,' antwoordde
+Johannes. 'Zie! de bijen zoeken honing voor zich zelven en weten niet
+dat zij de bloemen helpen, en de bloemen lokken de bijen door hun kleur.
+Het is een plan, en zij werken beide mede zonder het te weten.'
+
+'Dat lijkt heel mooi, maar er mankeert veel aan. Als de bijen kans zien,
+bijten zij een gat onder in de bloem en maken de heele ingewikkelde
+inrichting te schande. Een slimme plannenmaker, die zich door een bij
+voor den gek laat houden.'
+
+Bij het wonderbare samenstel van menschen en dieren ging het nog erger.
+Van al wat Johannes schoon en kunstig toescheen, toonde hij de
+onvolkomenheid en de gebreken. Het gansche heer van kwalen en ellende
+dat mensch en dier treffen kan, toonde hij hem, met voorliefde het
+walgelijkste en afzichtelijkste kiezend.
+
+'Die plannenmaker, Johannes, was erg slim, maar bij alles wat hij maakte
+vergat hij iets, en de menschen hebben handen vol werk, om al die
+gebreken zoo goed mogelijk bij te lappen. Zie maar om je heen! een
+parapluie, een bril, zelfs kleeren en huizen, het is alles menschelijk
+lapwerk. Het hoort volstrekt niet bij het plan. Maar de plannenmaker
+heeft niet bedacht dat menschen het koud zouden hebben en boeken zouden
+lezen en duizend dingen meer zouden gaan doen, waarvoor zijn plan niet
+deugde. Hij heeft zijn kinderen kleertjes gegeven, zonder te denken,
+dat zij er uit zouden groeien. Nu zijn bijna alle menschen lang hun
+natuurpakje ontgroeid. Nu gaan zij alles zelf doen en storen zich
+volstrekt niet meer aan den plannenmaker en zijn plannen. Wat hij hun
+niet gegeven heeft, nemen ze brutaal en eigenmachtig, en waar het hem
+blijkbaar te doen was hen te doen sterven, ontduiken zij den dood soms
+voor langen tijd, door allerlei kunstgrepen.'
+
+'Maar het is de schuld van de menschen,' riep Johannes, 'waarom wijken
+zij moedwillig af van de natuur?'
+
+'O domme Johannes! als een kindermeid een onnoozel kind met vuur laat
+spelen en het brandt zich, wie heeft dan schuld? Het kind dat geen vuur
+kende, of de meid die wist dat het kind zich branden zou? En wie is
+schuld, als de menschen afdwalen in ellende en onnatuur, zijzelve of de
+alwijze plannenmaker, bij wien zij als onwetende kinderen zijn?'
+
+'Maar zij zijn niet onwetend, zij wisten ...'
+
+'Johannes! als gij een kind zegt: 'raak dat vuur niet aan! het doet
+pijn' en als het kind het dan toch doet, omdat het niet weet wat pijn
+is, kunt gij u dan van schuld vrij pleiten en zeggen: 'zie! het kind was
+niet onwetend'? Gij toch wist, dat het uwen raad niet zou achten.
+Menschen zijn dwaas en dom als kinderen. Doch glas is bros en leem is
+week. En wie menschen maakt en hun dwaasheid niet rekent, is als hij die
+wapenen maakt van glas en niet bedenkt dat zij zullen breken, en pijlen
+van leem en niet bedenkt, dat zij zullen buigen.'
+
+En de woorden vielen als droppelen vloeiend vuur op Johannes' ziel. En
+in zijn borst zwol het grootste leed, dat zijn vroegere smarten verdrong
+en hem vaak deed weenen, in de stille, slapelooze uren van den nacht.
+
+Ach! slaap! slaap! Er kwam een tijd, na lange dagen, dat slaap hem het
+liefste was van alles. Daarin was geen gedachte en geen leed; en zijn
+droomen brachten hem altijd tot zijn vroeger leven terug. Heerlijk
+scheen het hem, als hij er van droomde, doch overdag kon hij zich niet
+meer te binnen brengen, hoe het geweest was. Hij wist alleen, dat zijn
+verdriet en verlangen van vroeger beter waren, dan het ledige, doode
+gevoel dat hij nu kende. Hij had eens smartelijk naar Windekind verlangd,
+hij had eens uur aan uur op Robinetta gewacht. Hoe heerlijk was dat
+geweest!
+
+Robinetta! Verlangde hij nog? Hoe meer hij leerde, hoe meer zijn
+verlangen week. Want ook dat werd ontleed en Pluizer legde hem uit wat
+liefde was. Toen schaamde hij zich en docter Cijfer zeide dat hij er nog
+geen cijfers van maken kon, maar dat het wel spoedig gebeuren zoude. Zoo
+werd het duisterder en duisterder om den kleinen Johannes.
+
+Hij had een flauw gevoel van dankbaarheid, dat hij Robinetta niet
+herkend had op zijn vreeselijken tocht met Pluizer.
+
+Als hij Pluizer er over sprak, zeide deze niets en lachte slim. Maar
+Johannes begreep dat het niet was geweest, om hem te sparen.
+
+De uren dat Johannes niet leerde en werkte, gebruikte Pluizer, om hem de
+menschen te laten zien. Hij wist hem overal te brengen, in de ziekenhuizen,
+waar in groote zalen de zieken lagen, lange rijen bleeke, uitgeteerde
+gezichten met doffe of pijnlijke uitdrukking, waar een naargeestige stilte
+was, slechts door kuchen en kermen gebroken. En Pluizer wees hem, wie van
+hen nimmer die zalen zouden verlaten. En als op een bepaald uur stroomen
+menschen het huis binnenkwamen om hunne zieke verwanten te bezoeken, zeide
+Pluizer: 'Zie! die allen weten, dat ook zij eens in dit huis en in die
+droeve zalen terecht zullen komen, om er in een zwarte kist uitgedragen te
+worden.'
+
+'Hoe kunnen zij nog ooit vroolijk zijn?' dacht Johannes.
+
+En Pluizer bracht hem op een klein bovenzaaltje, waar een weemoedig
+halfduister heerschte en waar de verwijderde klanken van een piano uit
+een naburig huis onophoudelijk en droomerig doordrongen. Daar wees
+Pluizer hem onder de anderen een zieke, die suffend voor zich uit
+staarde naar een smal zonnestraaltje, dat traag langs den muur kroop.
+
+'Die ligt daar al zeven jaar,' zeide Pluizer. 'Hij is zeeman geweest en
+heeft de palmen van Indie, de blauwe zeeen van Japan, de bosschen van
+Brazilie gezien. Nu amuseert hij zich al de lange dagen van zeven lange
+jaren, met dat zonnestraaltje en dat pianospel. Hij komt hier niet meer
+vandaan; maar het kan nog even lang duren.'
+
+Na dien dag was het Johannes' bangste droom, op eens te ontwaken in dat
+zaaltje, in dat weemoedig halfduister bij die droomerige klanken, om tot
+het einde toe niets anders meer te zien dan het gaande en komende licht.
+
+Pluizer bracht hem ook in de groote kerkgebouwen en liet hem luisteren
+naar wat daar gezegd werd. Hij bracht hem bij feesten, bij groote
+plechtigheden, in de binnenvertrekken van vele huizen.
+
+Johannes leerde de menschen kennen, en het gebeurde hem somtijds, dat
+hij aan zijn vroeger leven moest denken, aan de sprookjes, die Windekind
+hem verteld had, en aan zijn eigen ontmoetingen. Er waren menschen die
+hem aan het glimwormpje herinnerden, dat in de sterren zijn gestorven
+makkers meende te zien, of aan den eenen meikever, die een dag ouder was
+dan de andere en zooveel over een roeping gesproken had, en hij hoorde
+verhalen, die hem aan Kribbelgauw, den held der kruisspinnen, deden
+denken; of aan den aal, die niets deed en gevoed werd omdat een dikke
+koning deftig stond. Zich-zelven vergeleek hij wel met den jongen
+meikever, die niet wist wat een roeping was en in het licht vloog. Hij
+voelde zich alsof hij hulpeloos en verminkt op het vloerkleed rondkroop,
+met een draadje om 't lijf, een scherp draadje, waaraan Pluizer rukte
+en trok.
+
+Ach, den tuin zou hij wel niet meer vinden, wanneer zou de zwarte voet
+komen en hem verpletteren?
+
+Pluizer bespotte hem, als hij over Windekind sprak. En langzamerhand
+begon hij te gelooven, dat Windekind er nooit geweest was.
+
+'Maar, Pluizer! dan is het sleuteltje er ook niet, dan is er niets!'
+
+'Niets! Niets! Er zijn menschen en cijfers, dat is alles waar, dat
+bestaat, eindeloos veel cijfers.'
+
+'Maar, Pluizer, dan hebt ge mij bedrogen. Laat mij uitscheiden, laat mij
+niet meer zoeken, laat mij alleen!'
+
+'Weet je niet meer wat de Dood gezegd heeft? Een mensch zou je worden,
+een volmaakt mensch.'
+
+'Ik wil niet, het is vreeselijk.'
+
+'Je moet, je hebt eens gewild. Zie docter Cijfer eens, vindt die het
+vreeselijk? Word zooals hij is.'
+
+Het was waar. Docter Cijfer scheen altijd rustig en gelukkig. Onvermoeid
+en onverstoorbaar ging hij zijn weg, studeerend en onderrichtend, tevreden
+en gelijkmoedig.
+
+'Zie hem,' zeide Pluizer, 'hij ziet alles en ziet ook niets. Hij bekijkt
+de menschen alsof hij zelf een ander wezen ware, dat niets met hen
+uitstaande heeft. Hij gaat tusschen kwalen en ellenden als een onkwetsbare
+en verkeert met den dood als een onsterfelijke. Hij verlangt alleen te
+begrijpen wat hij ziet, en hij vindt alles even goed wat hij te weten komt.
+Hij is met alles tevreden, zoodra hij het bereikt. Zoo moet je ook worden.'
+
+'Maar dat kan ik nooit.'
+
+'Ja, dat kan ik niet helpen.'
+
+Dat was immer het hopelooze einde van hun gesprek. Johannes werd dof en
+onverschillig, zocht en zocht, niet meer wetend waarnaar en waarom. Hij
+werd als de velen, die Wistik gesproken hadden.
+
+'t Werd winter, en hij merkte het nauwelijks.
+
+Op een killen, mistigen morgen, toen de natte, vuile sneeuw op de
+straten lag en van boomen en daken droop, ging hij met Pluizer zijn
+dagelijkschen gang.
+
+Op een plein ontmoette hij eenige jonge meisjes, op een rij, met
+schoolboeken in de hand. Ze wierpen elkaar met sneeuw en lachten en
+stoeiden. Helder klonken haar stemmetjes over het besneeuwde plein. Men
+hoorde geen geluid van voetstappen of rijtuigen, alleen de rinkelende
+bellen der paarden of het rammelen van een winkeldeur. Helder klonk de
+blijde lach door de stilte. Johannes zag hoe een der meisjes hem aankeek
+en bleef nastaren. Zij had een bontmanteltje om en droeg een zwarten
+hoed. Hij kende haar gelaat zeer goed, maar wist toch niet wie zij was.
+Zij knikte eens, en nog eens.
+
+'Wie is dat? ik ken haar.'
+
+'Ja, dat is wel mogelijk. Zij heet Maria. Sommigen noemen haar
+Robinetta.'
+
+'Neen, dat kan niet. Zij lijkt niet op Windekind. Het is een gewoon
+meisje.'
+
+'Ha! ha! ha! Zij kan niet lijken op niemand. Maar zij is wie zij is. Je
+hebt naar haar verlangd, ik wil je nu wel bij haar brengen.'
+
+'Neen, ik wil haar niet zien. Ik had haar liever dood gezien, zooals de
+anderen.'
+
+En Johannes keek niet meer om, maar liep haastig door en prevelde:
+
+'Dat is het laatste, er is niets! niets!'
+
+
+
+
+XIII
+
+
+Het klare, warme zonlicht van een eersten lentemorgen stroomde over de
+groote stad. Helle stralen vielen in 't kamertje, waar Johannes woonde;
+op de lage zoldering trilde en schommelde een groote lichtplek,
+weerkaatsing van het rimpelend water der gracht.
+
+Johannes zat voor het raam in den zonneschijn en staarde over de stad.
+Zij was geheel van uitzicht veranderd. De grauwe mist was een glanzig
+blauw zonnewaas geworden, dat het einde der lange straten en de torens
+in de verte omhulde. De lichtkanten der leien daken schitterden
+zilverwit, alle huizen hadden heldere lijnen en lichte vlakken door het
+zonlicht, er was een warme tinteling in de bleekblauwe lucht. Het water
+scheen levend geworden. De bruine knopjes der iepeboomen waren dik en
+glanzig, en luidruchtige musschen fladderden tusschen de takjes.
+
+Het werd Johannes zoo zonderling te moede, terwijl hij staarde. De
+zonneschijn bracht hem in een zoete verdooving.
+
+Er was vergetelheid en dadelijke weelde in. Droomend staarde hij op de
+schittering der golfjes, op de zwellende iepeknopjes, en hij luisterde
+naar het tjilpen der musschen. Er was vreugde in dat geluid.
+
+Zoo week was hij in langen tijd niet gestemd geweest; zoo gelukkig had
+hij zich in langen tijd niet gevoeld.
+
+Dat was de oude zonneschijn, dien hij herkende. Dat was de zon die hem
+vroeger naar buiten riep, naar den tuin, waar hij dan, in de luwte van
+een oud muurtje, op den warmen grond ging liggen, en lang kon genieten
+van al dat licht en die warmte, starend op de halmpjes en kluitjes voor
+hem, gekoesterd in de zon.
+
+Het was hem zoo wel in dat licht, het gaf hem het veilige thuisgevoel,
+zooals hij zich herinnerde dat het heel vroeger was, in de armen van
+zijn moeder. Hij moest aan al het verledene denken, doch hij weende of
+verlangde niet. Hij zat stil en droomde, niet anders wenschend dan dat
+de zon blijven mocht.
+
+'Wat suf je daar, Johannes?' riep Pluizer, 'je weet ik houd niet van
+droomen.'
+
+Johannes hief smeekend de peinzende oogen op.
+
+'Laat mij nog wat zoo blijven,' zeide hij. 'De zon is zoo goed.'
+
+'Wat vindt je aan die zon?' zeide Pluizer. 'Het is toch niets anders
+dan een groote kaars, of je in kaarslicht of zonlicht zit is volmaakt
+hetzelfde. Zie! die schaduwen en die lichte plekken op straat, dat is
+toch niets anders dan het schijnsel van een licht, dat wat stil brandt
+en niet flikkert. En dat licht is eigenlijk een heel klein vlammetje,
+dat op een heel klein stukje van de wereld schijnt. Daar! daar! voorbij
+dat blauw, onder en boven ons, is het donker, koud en donker! daar is
+het nu nacht, nu en altijd.'
+
+Doch zijn woorden hadden geen invloed op Johannes. De stille, warme
+zonnestralen doordrongen hem en vervulden zijn geheele ziel, het was
+licht en vredig in hem.
+
+Pluizer nam hem mede naar het kille huis van docter Cijfer. Een tijd
+lang nog zweefden de zonnebeelden voor zijn geest, toen verflauwden zij
+langzamerhand en midden op den dag was het geheel duister in hem.
+
+Doch toen de avond kwam en hij weder door de straten der stad ging, was
+de lucht zoel en vol vochtige voorjaarsgeuren. Alles geurde sterker en
+in de enge straten beklemde het hem. Maar op de open pleinen rook hij
+het gras en de knoppen van buiten. En boven de stad zag hij het voorjaar
+in de rustige wolkjes, in het teedere rood van den westelijken hemel.
+
+De schemering spreidde een zachten, grijzen nevel over de stad, vol
+fijne tinten. Het werd stil in de straten, alleen een straatorgel in de
+verte speelde een weemoedige wijs, de huizen schenen zwarte schimmen
+tegen den rooden avondhemel, als tallooze armen staken ze hun grillige
+spitsen en schoorsteenen op.
+
+Het was Johannes als een vriendelijke glimlach der zon, toen zij voor
+het laatst lichtte over de groote stad, vriendelijk als de glimlach die
+een dwaasheid vergeeft. En de zoelte streek Johannes liefkoozend langs
+de wangen.
+
+Toen kwam er een groote weemoed in Johannes' hart, zoo groot dat hij
+niet verder kon gaan en diep ademend zijn gezicht moest opheffen naar
+den wijden hemel. Het voorjaar riep hem en hij hoorde het. Hij wilde
+antwoorden, hij wilde komen. Het was alles berouw en liefde en
+vergeving in hem.
+
+Verlangend staarde hij omhoog en tranen gleden uit zijn droeve oogen.
+
+'Kom! Johannes! doe niet zoo raar, de menschen kijken!' zei Pluizer.
+
+De lange, eentonige huizenrijen strekten zich aan beide zijden somber en
+naargeestig uit. Een jammer in de zoele lucht, een klaagtoon tusschen
+het roepen van de lente!
+
+De menschen zaten aan de deuren en op de stoepen, om de lente te
+genieten. Het scheen Johannes een bespotting. De vuile deuren stonden
+open en de bedompte ruimte daarbinnen wachtte hen. Nog rekte het orgel
+in de verte zijn weemoedige tonen.
+
+'O! kon ik hier uit wegvliegen, ver weg, naar de duinen, naar--de zee!'
+
+Doch hij moest mede naar het hooge kleine kamertje en hij lag wakker
+dien nacht.
+
+Hij moest denken aan zijn vader en de lange wandelingen, die hij met hem
+maakte, als hij tien passen achter hem liep en zijn vader letters voor
+hem schreef in het zand. Hij moest aan de plaatsen denken, waar de
+viooltjes groeien tusschen het kreupelhout en aan de dagen, dat hij ze
+met zijn vader gezocht had. Den ganschen nacht zag hij het gezicht van
+zijn vader, zooals het was, als hij des avonds bij het stille lamplicht
+naar hem zat te kijken en luisterde naar het krassen van zijn pen.
+
+Iederen morgen vroeg hij Pluizer toen, om nog eens terug te mogen gaan,
+naar zijn huis en zijn vader, om nog eens zijn tuin en de duinen te
+mogen zien. Nu merkte hij dat hij zijn vader meer had liefgehad dan
+Presto en zijn kamertje, want het was om hem dat hij het vroeg.
+
+'Zeg mij alleen hoe het met hem is en of hij nog boos op mij is, dat ik
+zoolang ben weggebleven.'
+
+Pluizer haalde de schouders op. 'Al wist je dat nu, wat zou het je
+helpen?'
+
+Doch de lente bleef hem roepen, luider en luider. Iederen nacht droomde
+hij van het donkergroene mos aan de duinhellingen en van zonnestralen,
+die door het fijne, jonge groen schenen.
+
+'Het kan zoo niet langer duren,' dacht Johannes, 'ik kan het niet
+uithouden.'
+
+En vaak, als hij niet slapen kon, stond hij zachtjes op, ging naar het
+venster, en staarde in den nacht. Hij zag hoe de dommelige, donzen
+wolkjes langzaam langs de maanschijf schoven, vreedzaam drijvend in een
+zee van zachten glans. Hij dacht hoe nu daar in de verte de duinen
+sliepen in den zoelen nacht, hoe wondervol het moest zijn in de lage
+boschjes, waar geen van de jonge blaadjes zou bewegen en waar het zou
+geuren van vochtig mos en jonge berkenspruiten. Hij meende van verre het
+golvende koor der kikvorschen te hooren, dat zoo geheimzinnig aanzweeft
+over de velden, en het lied van den eenigen vogel, die de plechtige
+stilte mag begeleiden, die zijn zang zoo zacht en klagend begint en zoo
+plotseling afbreekt, waardoor de stilte nog stiller schijnt. En het riep
+hem, het riep hem alles. Hij boog het hoofd op de vensterbank en snikte
+op zijn arm.
+
+'Ik kan niet! ik kan het niet dragen. Ik zal wel gauw sterven, als ik
+niet komen mag.'
+
+Toen Pluizer hem den volgenden dag wekte, zat hij nog bij het venster,
+waar hij was ingeslapen met het hoofd op den arm.
+
+De dagen vergingen, werden lang en warm, en er kwam geen verandering.
+Doch Johannes stierf niet en zijn smart moest hij dragen.
+
+Op een morgen zeide docter Cijfer tot hem: 'Gaat ge mede Johannes, ik
+moet een zieke bezoeken.'
+
+Docter Cijfer was bekend als een geleerd man en velen riepen zijn hulp
+in tegen ziekte en dood. Reeds dikwijls was Johannes met hem medegegaan.
+
+Pluizer was bizonder vroolijk dien morgen. Hij ging telkens op het hoofd
+staan, danste en buitelde, en bedreef allerlei uitgelaten scherts. Hij
+grinnikte voortdurend geheimzinnig, als een die een ander een verrassing
+bereid heeft. Johannes vreesde hem zeer in die stemming.
+
+Docter Cijfer bleef echter ernstig als altijd.
+
+Zij gingen een verren weg dien morgen. In een spoortrein en te voet. Zij
+gingen verder dan anders, nog nooit was Johannes buiten de stad
+medegenomen.
+
+Het was een warme, zonnige dag. Uit den spoortrein zag Johannes de
+groote, groene weiden voorbijgaan met langgepluimd gras en grazende
+koeien. Hij zag witte vlinders fladderen boven het bloemrijke land, waar
+de lucht trilde van zonnehitte.
+
+Doch opeens voelde hij een tinteling, daar strekte zich de lange,
+golvende duinreeks uit!
+
+'Nu Johannes!' grinnikte Pluizer. 'Nu krijg je toch je zin, zie je wel!'
+
+Half ongeloovig bleef Johannes naar de duinen staren. Zij kwamen nader
+en naderbij. De lange slooten aan beide zijden schenen om hun middelpunt
+te draaien en snel vlogen enkele woningen langs den weg voorbij.
+
+Toen kwamen de boomen: dichtbebladerde kastanjeboomen, rijkelijk bloeiend
+met duizenden groote, witte of roode bloemtrossen, donker-blauwgroene
+dennen, groote, statige linden.
+
+Het was toch waarheid, hij ging zijn duinen weerzien.
+
+De trein stond stil, en toen liepen de drie te voet, onder schaduwrijk
+loof.
+
+Daar was het donkergroene mos, daar waren de ronde plekken der zonnestralen
+op den boschgrond, dat was de geur van berkenspruiten en dennenaalden.
+
+'Is het waar! is het werkelijk waar?' dacht Johannes, 'zou het geluk komen?'
+
+Zijn oogen schitterden en zijn hart klopte sterk. Hij begon te gelooven
+aan zijn geluk. Deze boomen, dezen grond kende hij, dit boschpad was hij
+vaak gegaan.
+
+Zij waren alleen op den weg. Doch Johannes moest omkijken, alsof hen
+iemand volgde. En hij meende tusschen het eikenloof de donkere figuur
+van een mensch te zien, die telkens door de laatste kronkeling van het
+pad verborgen bleef.
+
+Pluizer keek hem valsch en geheimzinnig aan. Docter Cijfer liep met
+lange schreden en staarde naar den grond.
+
+De weg werd hem bekender en vertrouwder, iederen steen, ieder struikje
+kende hij, toen verschrikte Johannes op eenmaal hevig, want hij stond
+voor zijn eigen huis.
+
+De kastanjeboom voor het huis breidde zijn groote, handvormige bladen
+schaduwend uit. Tot boven in den hoogen top prijkten de prachtig witte
+bloesems in de volle, ronde loovermassa.
+
+Hij hoorde het geluid der opengaande deur, dat hij zoo goed kende, en
+hij rook den geur van zijn eigen huis. Daar herkende hij de gang, de
+deuren, alles stuk voor stuk, met een smartelijk gevoel van verloren
+vertrouwelijkheid. Het was alles een deel van zijn leven, van zijn
+eenzaam, mijmerend kinderleven. Tegen al die voorwerpen had hij
+gesproken, hij had met hen geleefd in zijn gedachteleven, waarin hij
+geen mensch toeliet. Doch nu voelde hij zich gescheiden en afgestorven
+van het gansche oude huis, met zijn kamers en gangen en portaaltjes. Hij
+voelde dat die scheiding onherroepelijk was en het was hem alsof hij een
+kerkhof bezocht, zoo weemoedig en droevig.
+
+Was Presto hem maar tegemoetgesprongen, dan zou het minder akelig zijn,
+maar Presto was zeker weg of dood.
+
+Doch waar was zijn vader?
+
+Hij keek terug naar de open deur en den zonnigen tuin daarbuiten, en zag
+den man, die hem op weg scheen te achtervolgen, nu reeds op het huis
+toeschrijden. Hij kwam nader en nader en scheen grooter te worden bij
+het naderen. Toen hij bij de deur was vervulde een groote, kille schaduw
+de gang. Toen herkende Johannes den Man.
+
+Het was doodstil in huis en zij gingen zwijgend de trap op. Er was een
+trede, die altijd kraakte onder den tred, dat wist Johannes. En nu
+hoorde hij haar driemaal kraken, het klonk als pijnlijk kreunen. Doch
+onder den vierden voetstap was het als een doffe snik.
+
+En boven hoorde Johannes een gekreun, zacht en zoo regelmatig als
+langzaam klokgetik. Het was een pijnlijk akelig geluid.
+
+De deur van Johannes' kamertje stond open. Hij wierp er even een schuwen
+blik in. De wonderlijke bloemfiguren van het behangsel staarden hem
+verbaasd en wezenloos aan. De hangklok stond stil.
+
+Zij gingen naar de kamer van waar het geluid kwam. Het was zijns vaders
+slaapkamer. De zon scheen vroolijk naar binnen, op de gesloten, groene
+gordijnen van het bed. Simon de kat zat op de vensterbank in den
+zonneschijn. Er heerschte een beklemmende geur van wijn en kamfer. Het
+zachte kreunen klonk nu van nabij.
+
+Johannes hoorde fluisteren van stemmen en schuifelen van voorzichtige
+voetstappen. Toen werden de groene gordijnen opgeslagen.
+
+Hij zag het gezicht van zijn vader, dat hij zoo dikwijls voor zich had
+gezien den laatsten tijd. Doch het was geheel anders. De vriendelijke,
+ernstige uitdrukking was weg en het keek strak en benauwd. Het was
+vaalbleek, met bruine schaduwen. De tanden waren zichtbaar in den
+halfgeopenden mond en het wit der oogen onder de halfgesloten oogleden.
+Het hoofd lag weggezonken in het kussen en regelmatig hief het zich bij
+het kreunen even op, om dan weer moede op zij te vallen.
+
+Roerloos stond Johannes bij het bed en staarde met wijde strakke oogen
+naar dat bekende gezicht. Hij wist niet wat hij dacht, hij durfde geen
+vinger bewegen, hij durfde die oude, bleeke handen niet vatten, die slap
+op het witte linnen lagen.
+
+Het was alles zwart om hem, de zon en de lichte kamer, het groen
+daarbuiten en de blauwe lucht van zooeven, al wat achter hem lag, het
+werd zwart, zwart, dof en ondoordringbaar. En in dien nacht zag hij
+alleen dat bleeke hoofd daar voor hem. En hij moest alleen denken aan
+dat arme hoofd, dat zoo moede scheen, en zich telkens en telkens weer
+met smartelijk geluid moest opheffen.
+
+Daar kwam een oogenblik verandering in de regelmatige beweging. Het
+kreunen hield even op, de oogleden gingen langzaam open, de oogen
+staarden zoekend rond en de lippen trachtten iets te zeggen.
+
+'Dag vader!' fluisterde Johannes en staarde angstig bevend in de
+zoekende oogen. De matte blik rustte toen even op hem en een flauw,
+flauw glimlachje rimpelde de holle wangen. De smalle, saamgeplooide hand
+werd van het linnen opgeheven en maakte een onzekere beweging naar
+Johannes, toen viel zij krachteloos weder neer.
+
+'Kom! kom!' zeide Pluizer, 'geen scene hier.'
+
+'Ga uit den weg, Johannes,' zeide docter Cijfer, 'wij moeten zien wat er
+te doen valt.' De docter begon het onderzoek, doch Johannes ging weg van
+het bed en stond voor het raam. Hij keek naar het zonnige gras en de
+heldere lucht en naar de breede kastanjeblaren, waarop dikke vliegen
+zaten, die blauw glansden in den zonneschijn. Het kreunen begon weer met
+dezelfde gelijkmatigheid.
+
+Een zwarte meerle huppelde tusschen het hooge gras in den tuin, groote
+rood- en zwarte vlinders dwarrelden over de bloemperken, uit het loover
+der hoogste boomen drong het zachte, vleiende gekir der houtduiven tot
+Johannes door.
+
+Hier binnen hield het kreunen aan, altijd door, altijd door. Hij moest
+er naar luisteren, en het kwam regelmatig, onafwendbaar als de vallende
+droppel, die krankzinnig maakt. In spanning wachtte hij bij elke
+tusschenpooze en telkens kwam het weer, verschrikkelijk als de voetstap
+van den naderenden dood.
+
+En daarbuiten heerschte warme, weelderige zonnevrede. Alles koesterde
+zich en genoot. De grashalmen trilden en de bladeren ritselden van zoete
+weelde, boven de hooge boomtoppen, diep in het wemelende blauw, zweefde
+een reiger met kalmen vleugelslag.
+
+Johannes begreep het niet, het was hem alles een raadsel. Het was zoo
+verward en duister in zijn ziel. 'Hoe kan dit alles tegelijk in mij
+zijn!' dacht hij.
+
+'Ben ik dit werkelijk? Is dat mijn vader, mijn eigen vader? Van mij,
+mij, Johannes?'
+
+Het was hem alsof hij van een vreemde sprak. Het was alles een verhaal,
+dat hij gehoord had. Hij had iemand hooren vertellen van Johannes en van
+het huis, waar hij woonde en van zijn vader, dien hij verlaten had en
+die nu sterven ging. Hij was het zelf niet, hij had het hooren vertellen.
+Het was wel een droevig verhaal, recht droevig. Maar het ging hem niet aan.
+
+Ja! ja! toch. Hij was het zelf, hij! Johannes!
+
+'Ik begrijp de zaak niet,' zeide docter Cijfer, zich oprichtende, 'het
+is een raadselachtig geval.'
+
+Pluizer kwam bij Johannes staan.
+
+'Kom je niet eens kijken, Johannes, het is een belangrijk geval. De
+docter weet het niet.'
+
+'Laat mij,' zeide Johannes, zonder zich om te wenden. 'Ik kan niet
+denken.'
+
+Doch Pluizer ging achter hem staan en fluisterde scherp in zijn oor,
+zooals zijn gewoonte was.
+
+'Niet denken! Dacht je dat je niet denken kon? Dat heb je mis. Je moet
+denken. Al kijk je nu in het groen en in de blauwe lucht, dat helpt
+niet. Windekind komt toch niet. En de zieke man daar gaat toch dood. Dat
+heb je even goed gezien als wij. Maar wat zou zijn kwaal zijn, denk je?'
+
+'Ik weet het niet! ik wil het niet weten.'
+
+Johannes zweeg en luisterde naar het kreunen, het klonk zacht klagend en
+verwijtend. Docter Cijfer maakte aanteekeningen in een boekje. Bij het
+hoofd van het bed zat de donkere gestalte, die hen gevolgd was, het
+hoofd gebogen, de lange hand naar den zieke gestrekt en de diepliggende
+oogen naar de klok gericht.
+
+Het scherpe fluisteren aan zijn oor begon weer.
+
+'Waarom zie je zoo bedroefd, Johannes? Nu heb je toch je zin. Daar
+liggen de duinen, daar zijn de zonnestralen door het groen, daar
+fladderen vlinders en zingen vogels. Wat verlang je nu nog? Wacht je
+Windekind? Als hij ergens is, moet hij daar zijn. Waarom komt hij nu
+niet? Zou hij bang zijn voor dien donkeren vriend aan het hoofdeneind?
+Die was er toch altijd.'
+
+'Zie je nu wel dat het alles verbeelding geweest is, Johannes?'
+
+'Hoor je dat kreunen wel? Het klinkt al zachter dan zooeven. Je kunt
+hooren dat het wel gauw heelemaal zal ophouden. Nu, wat is dat? Er
+hebben er al zooveel gekreund, ook toen jij hier buiten rondliep
+tusschen de duinrozen. Waarom sta je nu hier te treuren en gaat niet de
+duinen in, als vroeger? Zie! alles bloeit en geurt en zingt daar, alsof
+er niets gebeurt. Waarom doe je niet mee in al die vroolijkheid en
+dat leven?'
+
+'Eerst klaag je en verlang je, nu breng ik je waar je zijn wilde en nu
+is het weer niet goed. Zie! ik laat je gaan, ga door het hooge gras, lig
+in die koele schaduw, laat de vliegen om je gonzen en ruik den geur van
+het jonge kruid! ik laat je vrij, ga nu! Zoek Windekind nu weer!'
+
+'Je wilt niet? Geloof je nu dan toch alleen in mij? Is het waar wat ik
+je verteld heb? Loog Windekind of ik?'
+
+'Hoor het kreunen! Zoo kort en zwak. Het zal gauw stil zijn.'
+
+'Zie maar niet zoo angstig om, Johannes. Hoe eer het stil is, hoe beter.
+Nu zullen er geene lange wandelingen meer komen, nu zul je niet meer
+naar viooltjes zoeken met hem. Met wie zou hij die twee jaren gewandeld
+hebben, denk je? toen je weg waart? Ja, je kunt het hem nu niet meer
+vragen. Dat zul je nooit weten. Nu moet je je wel met mij tevreden
+stellen. Als je mij wat vroeger gekend hadt, zou je nu niet zoo
+jammerlijk kijken. Je bent nog lang niet zooals je wezen moet. Denk je
+dat docter Cijfer in jouw geval zoo kijken zou? Het zou hem even
+bedroefd maken als die kat, die daar spint in den zonneschijn. En dat is
+goed. Waartoe dient die rampzaligheid? Hebben de bloemen je die geleerd?
+Die treuren ook niet als er een geplukt wordt. Is dat niet gelukkig? Zij
+weten niets, daarom zijn zij zoo. Jij bent eens begonnen met iets te
+weten, nu moet je ook alles weten om gelukkig te worden. Dat kan ik
+alleen je leeren. Alles of niets.'
+
+'Luister naar mij. Wat scheelt het of dat je vader is? Het is een mensch
+die sterft, dat is een gewone zaak.'
+
+'Hoor je het kreunen nog? Erg zwak niet waar? Het zijn nu wel de laatsten.'
+
+Johannes zag naar het bed in bange beklemming.
+
+Simon de kat sprong van de vensterbank, rekte zich uit en legde zich
+spinnend naast den stervende in het bed.
+
+Het arme, moede hoofd bewoog niet meer, het lag stil in het kussen
+gezonken, doch uit den half geopenden mond kwamen nog regelmatig de
+korte, matte klanken.
+
+Zij werden zachter, zachter, nauwelijks hoorbaar.
+
+Toen wendde de Dood de donkere oogen van de klok naar het ingezonken
+hoofd en hief de hand op. Daarna werd het stil.
+
+Een vale schaduw viel over het strakke gelaat.
+
+Stilte, doffe, leege stilte!
+
+Johannes wachtte, wachtte.
+
+Doch de regelmatige klank keerde niet weer. Het bleef stil, een groote,
+suizende stilte.
+
+De spanning van het luisteren der laatste uren hield op, en het was
+Johannes of zijn ziel werd losgelaten en neerviel in een zwart en
+grondloos ledig. Hij viel dieper, en dieper. Het werd stiller en
+duisterder om hem.
+
+Daar klonk Pluizer's stem, als op een grooten afstand.
+
+'Ziezoo! dat verhaaltje is weer uit.'
+
+'Dat is goed,' zeide docter Cijfer, 'nu kunt gij zien wat het geweest
+is. Ik laat dat aan u over. Ik moet heen.'
+
+Half nog in een droom zag Johannes glinsterende messen blinken.
+
+De kat zette een hoogen rug. Het werd koud naast het lichaam, en hij
+zocht weer den zonneschijn.
+
+Johannes zag hoe Pluizer een mes nam, het zorgvuldig beschouwde en er
+mede naar het bed ging.
+
+Toen schudde Johannes de verdooving van zich af. Eer Pluizer bij het bed
+was, stond hij voor hem.
+
+'Wat wilt ge? vroeg hij. Zijn oogen waren wijd geopend in ontzetting.
+
+'Wij zullen zien wat het geweest is,' zeide Pluizer.
+
+'Neen!' zeide Johannes, en zijn stem was laag als een mannenstem.
+
+'Wat beteekent dat?' zeide Pluizer met grimmig flikkerenden blik.
+
+'Kun jij mij verbieden? Weet je niet hoe sterk ik ben?'
+
+'Ik wil niet,' zeide Johannes. Hij sloot de tanden opeen en haalde diep
+adem. Vast staarde hij Pluizer aan en strekte de hand naar hem uit.
+
+Doch Pluizer naderde. Toen greep Johannes hem bij de polsen en worstelde
+met hem.
+
+Pluizer was sterk, hij wist het, nog nooit had hij hem weerstaan. Doch
+hij liet niet af, en zijn wil brak niet.
+
+Het mes schitterde voor zijn oogen, hij zag vonken voor zijn blik en
+roode vlammen, doch hij gaf niet toe en bleef worstelen. Hij wist wat er
+komen zou als hij bezweek. Hij kende het, hij had het vroeger gezien.
+Doch wat daar achter hem lag was zijn vader, en hij wilde het niet zien.
+
+En terwijl zij hijgend worstelden, lag achter hem het doode lichaam
+gestrekt en bewegingloos, zooals het gelegen had op het oogenblik, toen
+de stilte kwam, het wit der oogen zichtbaar als een smalle streep, de
+mondhoeken opgetrokken tot strakken grijnslach.
+
+Alleen als beiden in hun strijd tegen het bed stootten, schudde het
+hoofd zachtjes heen en weer.
+
+Nog hield Johannes vol, de adem begaf hem en hij zag niets meer. Een
+sluier van bloedrood licht was voor zijn oogen. Toch hield hij vol.
+
+Toen verzwakte langzamerhand de weerstand der beide polsen onder zijn
+greep. Zijn spieren ontspanden zich, zijn armen vielen slap langs zijn
+lijf en zijn gesloten handen waren ledig.
+
+Toen hij opzag was Pluizer verdwenen. Alleen de Dood zat bij het bed en
+knikte.
+
+'Dat was goed van u, Johannes,' zeide hij.
+
+'Zal hij weerkomen?' fluisterde Johannes. De Dood schudde het hoofd.
+
+'Nooit. Wie hem eenmaal aandurft, ziet hem nooit weer.'
+
+'En Windekind? Zal ik nu Windekind weerzien?'
+
+Lang keek de sombere man Johannes aan. Zijn blik was niet angstwekkend
+meer, maar zacht en ernstig, hij trok Johannes aan, als een groote diepte.
+
+'_Ik_ alleen kan u bij Windekind brengen. Door mij alleen kunt ge het
+boekje vinden.'
+
+'Neem mij dan mede, er is nu niemand meer, neem mij nu ook mede, zooals
+de anderen, ik wil niets anders meer ...'
+
+Nogmaals schudde de Dood het hoofd.
+
+'Gij hebt de menschen lief, Johannes. Gij wist het niet, maar gij hebt
+hen altijd liefgehad. Gij moet een goed mensch worden. Het is een schoon
+ding een goed mensch te zijn.'
+
+'Ik wil niet, neem mij mede ...'
+
+'Het is niet zoo. Gij wilt. Gij kunt niet anders!'
+
+Toen werd de lange, donkere gestalte nevelig voor Johannes' oogen, zij
+vervloeide in vage vormen, een ijle, grijze mist zweefde in 't vertrek
+en trok weg langs de zonnestralen.
+
+Johannes boog het hoofd over den rand van het bed en schreide bij den
+dooden man.
+
+
+
+XIV
+
+Na langen tijd hief hij het hoofd op. De zonnestralen vielen schuin naar
+binnen en hadden een rooden glans. Het schenen rechte, gouden staven.
+'Vader! Vader!' fluisterde johannes.
+
+Buiten vervulde de zon de geheele natuur met een wolk van schitterend
+gouden gloed. Elk blad hing roerloos en alles zweeg in plechtige
+zonnewijding.
+
+En langs het licht daalde een zachte suizeling naar binnen. Het was als
+zongen de lichte stralen.
+
+'Zonnezoon! Zonnezoon!'
+
+Johannes hief het hoofd op en luisterde. Het ruischte in zijn ooren.
+
+'Zonnezoon! Zonnezoon!'
+
+Het was als Windekind's stem. Die alleen had hem zoo genoemd, zou hij
+hem nu roepen?
+
+Doch hij zag naar het gelaat naast hem, hij wilde niet meer luisteren.
+
+'Arme, lieve vader!' zeide hij.
+
+Doch plotseling klonk het weer om hem, van alle zijden om hem, zoo
+sterk, zoo dringend, dat hij huiverde van wonderbare aandoening.
+
+'Zonnezoon! Zonnezoon!'
+
+Johannes stond op en staarde naar buiten. Welk licht! welk heerlijk
+licht. Het stroomde over de volle boomkruinen, het tintelde tusschen de
+grashalmen en vonkelde in de donkere schaduwplekken. De gansche lucht
+was er mede vervuld, tot hoog in het blauw, waar zich de eerste, teedere
+avondwolkjes vormden.
+
+Over het grasveld tusschen de groene boomen en heesters zag hij de
+duinen. Op hun toppen lag rood goud en in hun schaduwen hing het blauw
+des hemels.
+
+Rustig lagen zij gestrekt in een kleed van teedere tinten. De fijne
+golving hunner omtrekken was vredebrengend als een gebed. Johannes
+voelde weder hoe het was, toen Windekind hem had leeren bidden.
+
+Was zij daar niet, de lichte gestalte in het blauwe kleed? Zie! daar
+midden in het licht, wat daar schemert in een waas van goud en blauw, is
+dat niet Windekind, die hem wenkt?
+
+Johannes vloog naar buiten in den zonneglans. Daar stond hij een oogwenk
+stil. Hij voelde de heilige wijding van het licht, en durfde zich
+nauwelijks bewegen, waar het loover zoo stil was.
+
+Doch daar voor hem was de lichte gestalte weer. Het was Windekind,
+zeker! hij was het. Het stralende hoofdje naar hem toegekeerd, de mond
+half geopend, als om te roepen. Hij wenkte hem met de rechterhand. In de
+linker hield hij iets omhoog. Hoog hield hij het met de toppen der
+slanke vingers, en het flonkerde en schitterde in zijn hand.
+
+Met een blijden kreet van geluk en verlangen snelde Johannes naar de
+geliefde verschijning. Doch ze verhief zich en zweefde voor hem uit met
+lachend gelaat en wenkende hand. Soms raakte zij de aarde in langzame
+daling, maar dan rees zij weder op, licht en snel en zweefde verder als
+het zaadpluis, dat de wind voortdrijft.
+
+Johannes wilde zich ook verheffen en zweven, zooals vroeger en zooals in
+zijn droom. Doch de aarde trok zijne voeten, en zijn tred bleef zwaar op
+den grazigen grond. Hij moest met moeite zijn weg zoeken door de
+struiken, wier loover ritselend langs zijn kleederen streek en wier
+takken hem striemden in het gelaat. Zwoegend moest hij de mossige
+hellingen der duinen beklimmen. Doch hij volgde onvermoeid en zijn oog
+werd niet afgewend van Windekind's stralende verschijning, van wat daar
+blonk in de hooggeheven hand.
+
+Daar was hij midden in duin. In de gloeiende valleien bloeiden de
+duinrozen en zagen met hun duizenden bleekgele kelkjes in het zonlicht.
+Ook bloeiden er vele andere bloemen, helder blauwe, gele en purperen,
+zwoele hitte lag in de kleine dalen en koesterde de geurige kruiden.
+Sterke, harsachtige geuren hingen in de lucht. Johannes rook ze terwijl
+hij voortging, het thijm rook hij en den geur van het droge rendiermos,
+dat kraakte onder zijn voet. Het was bedwelmend heerlijk.
+
+En voor het liefelijk beeld dat hij vervolgde, zag hij de bonte
+duinvlinders fladderen. Kleine zwarte en roode kapelletjes, en het
+zandoogje, het vroolijke vlindertje met de zijdeachtige vleugeltjes van
+het teederste blauw. Om zijn hoofd snorden de gouden kevers, die op de
+duinroos leven en dikke hommels dansten gonzend tusschen het
+geblakerde duingras.
+
+Wat was het heerlijk, wat zoude hij gelukkig zijn, als hij maar bij
+Windekind was. Doch Windekind zweefde verder en altijd verder. Ademloos
+moest hij volgen. De groote bleekbebladerde doornstruiken hielden hem
+tegen en krasten hem met hun doornen; de vale, wollige toortsplanten
+schudden de lange hoofden, als hij ze wegduwde in zijn vaart. Hij klom
+tegen de zandige walletjes op en kwetste zijn handen aan het
+stekelig helm.
+
+Hij drong door de lage berkenboschjes waar het gras hem tot de knieen
+reikte en de watervogels opvlogen van de kleine vijvers, die glinsterden
+tusschen de struiken. Dichte witbloeiende meidoorns mengden hun geur met
+dien van het berkenloof en van de munthe, die talrijk groeide op den
+moerassigen grond.
+
+Doch toen hielden de boschjes, het groen en de kleurige bloemen op.
+Alleen de wonderlijke, bleekblauwe zeedistel groeide tusschen het vale,
+dorre helm.
+
+Op den top der laatste hooge duinenrij zag Johannes Windekind's beeld.
+Verblindend schitterde het in zijn opgeheven hand. Geheimzinnig lokkend
+klonk een groot gestadig bruisen van gene zijde, door een koelen wind
+overgedragen. Het was de zee. Johannes voelde dat hij haar naderde en
+langzaam klom hij de laatste helling op. Daarboven viel hij op de knieen
+en staarde over de zee.
+
+Toen hij zich boven den duinrand verhief, omgaf hem een roode gloed. De
+avondwolken hadden zich ter uitvaart van het licht geschaard. Als een
+wijde kring van geweldige rotsblokken met roodgloeiende randen omgaven
+zij de dalende zon. Op de zee was een breede weg van levend purpervuur,
+een vlammende, schitterende lichtweg, leidende naar den ingang des
+verren hemels.
+
+Achter de zon, waarin het oog nog niet staren kon, wemelden teedere
+tinten van blauw en rose dooreen, in de diepte van de lichtgrot.
+Daarbuiten langs den ganschen wijden hemel glansden roode vlammen en
+strepen, lichte vlokjes van bloedig dons en vegen van uiteenvloeiend
+vuur.
+
+Johannes wachtte, totdat de zonneschijf den gloeienden weg die tot hem
+leidde, aan het verste einde aanraakte.
+
+Toen zag hij neder, en dichtbij was het lichte beeld, dat hij gevolgd
+was. Een vaartuig, klaar en glinsterend als kristal, dreef bij het
+strand op de breede vuurbaan. Aan het eene einde der boot stond
+Windekind's ranke gedaante, met het gouden voorwerp dat blonk in zijn
+hand. Aan het andere einde herkende Johannes den duisteren Dood.
+
+'Windekind! Windekind!' riep Johannes. Doch in denzelfden tijd dat
+Johannes het wondere vaartuig naderde, zag hij naar den horizon. In het
+midden van de lichte ruimte, door de grove, vurige wolken omgeven, zag
+hij een kleine, zwarte gestalte. Zij werd grooter en grooter, langzaam
+naderde een mensch, rustig schrijdend over de woelende, vurige wateren.
+
+De roodgloeiende golven rezen en daalden onder zijn voet, doch kalm en
+rustig kwam hij nader.
+
+Het was een mensch, zijn gelaat was bleek en zijn oog diep en donker.
+Zoo diep als de oogen van Windekind, doch in hun blik was eindeloos
+zachte weemoed, zooals Johannes dien nimmer in andere oogen gezien had.
+
+'Wie zijt gij?' vroeg Johannes. 'Zijt gij een mensch?'
+
+'Ik ben meer!' zeide hij.
+
+'Zijt gij Jezus, zijt gij God?' vroeg Johannes.
+
+'Noem die namen niet,' zeide de gestalte, 'zij waren heilig en rein als
+priestergewaden en kostelijk als voedend koren, doch zij zijn tot draf
+geworden voor de zwijnen en tot narrekleederen voor de dwazen. Noem hen
+niet, want hun zin is tot dwaling, hun wijding tot spot geworden. Wie
+mij kennen wil, werpe die namen weg en luistere naar zichzelven.'
+
+'Ik ken u! ik ken u!' zeide Johannes.
+
+'Ik was het, die u deed weenen om de menschen, terwijl gij uwe tranen
+niet begrijpen kondet. Ik was het, die u deed liefhebben, waar gij uwe
+liefde niet verstondt. Ik ben bij u geweest, en gij hebt mij niet
+gezien, ik heb uwe ziel bewogen en gij hebt mij niet gekend.'
+
+'Waarom zie ik u nu eerst?'
+
+'Vele tranen moeten de oogen verhelderen, die mij zullen zien. En niet
+voor uzelven alleen, maar voor mij moet gij weenen, dan zal ik u
+verschijnen en gij zult mij herkennen als een ouden vriend.'
+
+'Ik ken u. Ik herkende u. Ik wil bij u zijn.'
+
+Johannes strekte de handen uit. Doch de mensch wees op het glinsterende
+vaartuig, dat langzaam voortdreef op den vurigen weg.
+
+'Zie!' zeide hij, 'dat is de weg naar alles wat gij verlangd hebt. Een
+andere is er niet. Zonder die beiden zult ge het niet vinden. Doe nu uwe
+keuze. Daar is het Groote Licht, daar zult gij zelve zijn wat gij
+verlangt te kennen. Daar!' en hij wees naar het donkere Oosten, 'waar de
+menschheid is en haar weedom, daar is mijn weg. Niet het dwaallicht, dat
+gij gedoofd hebt, maar ik zal u begeleiden. Zie nu, gij weet het. Doe
+uwe keuze.'
+
+Toen wendde Johannes langzaam het oog van Windekind's wenkende gestalte
+af en strekte de handen naar den ernstigen mensch. En met zijnen
+begeleider ging hij den killen nachtwind tegemoet, den zwaren weg naar
+de groote, duistere stad, waar de menschheid was en haar weedom.
+
+ * * * * *
+
+Wellicht vertel ik u eenmaal meer van den kleinen Johannes, doch op een
+sprookje zal het dan niet meer gelijken.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's De kleine Johannes, by Frederik van Eeden
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE KLEINE JOHANNES ***
+
+***** This file should be named 10819.txt or 10819.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/0/8/1/10819/
+
+Produced by Marc D'Hooghe
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS," WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+Each eBook is in a subdirectory of the same number as the eBook's
+eBook number, often in several formats including plain vanilla ASCII,
+compressed (zipped), HTML and others.
+
+Corrected EDITIONS of our eBooks replace the old file and take over
+the old filename and etext number. The replaced older file is renamed.
+VERSIONS based on separate sources are treated as new eBooks receiving
+new filenames and etext numbers.
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+EBooks posted prior to November 2003, with eBook numbers BELOW #10000,
+are filed in directories based on their release date. If you want to
+download any of these eBooks directly, rather than using the regular
+search system you may utilize the following addresses and just
+download by the etext year.
+
+ https://www.gutenberg.org/etext06
+
+ (Or /etext 05, 04, 03, 02, 01, 00, 99,
+ 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90)
+
+EBooks posted since November 2003, with etext numbers OVER #10000, are
+filed in a different way. The year of a release date is no longer part
+of the directory path. The path is based on the etext number (which is
+identical to the filename). The path to the file is made up of single
+digits corresponding to all but the last digit in the filename. For
+example an eBook of filename 10234 would be found at:
+
+ https://www.gutenberg.org/1/0/2/3/10234
+
+or filename 24689 would be found at:
+ https://www.gutenberg.org/2/4/6/8/24689
+
+An alternative method of locating eBooks:
+ https://www.gutenberg.org/GUTINDEX.ALL
+
+
diff --git a/old/10819.zip b/old/10819.zip
new file mode 100644
index 0000000..f90b399
--- /dev/null
+++ b/old/10819.zip
Binary files differ