diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 10819-0.txt | 4901 | ||||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 | ||||
| -rw-r--r-- | old/10819-8.txt | 5319 | ||||
| -rw-r--r-- | old/10819-8.zip | bin | 0 -> 93323 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/10819.txt | 5319 | ||||
| -rw-r--r-- | old/10819.zip | bin | 0 -> 93156 bytes |
8 files changed, 15555 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/10819-0.txt b/10819-0.txt new file mode 100644 index 0000000..08097b5 --- /dev/null +++ b/10819-0.txt @@ -0,0 +1,4901 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 10819 *** + +DE KLEINE JOHANNES + +van + +FREDERIK VAN EEDEN + + + +Aan mijn vrouw + + + + +I + + +Ik zal u iets van den kleinen Johannes vertellen. Het heeft veel van een +sprookje, mijn verhaal, maar het is toch alles werkelijk zoo gebeurd. +Zoodra gij het niet meer gelooft, moet ge niet verder lezen, want dan +schrijf ik niet voor u. Ook moogt ge er den kleinen Johannes nooit over +spreken, als ge hem soms ontmoet, want dat zou hem verdriet doen en het +zou mij spijten, u dit alles verteld te hebben. + +Johannes woonde in een oud huis met een grooten tuin. Het was er +moeilijk den weg te vinden, want in het huis waren veel donkere +portaaltjes, trappen, kamertjes en ruime rommelzolders, en in den tuin +waren overal schuttingen en broeikasten. Het was een heele wereld voor +Johannes. Hij kon er verre tochten in maken en hij gaf namen aan alles +wat hij ontdekte. + +Voor het huis had hij namen uit het dierenrijk: de rupsenzolder, omdat +hij er rupsen groot bracht; het kippenkamertje, omdat hij daar eens een +kip gevonden had. Die was er niet van zelve gekomen, maar daar door +Johannes' moeder te broeien gezet. In den tuin koos hij namen uit het +plantenrijk, en lette daarbij vooral op de voortbrengselen, die voor hem +van belang waren. Zoo onderscheidde hij een frambozenberg, een +dirkjesbosch en een aardbeiëndal. Heel achter was een plekje, dat hij +het paradijs noemde en daar was het natuurlijk erg heerlijk. Daar was +een groot water, een vijver, waar witte waterleliën dreven en het riet +lange fluisterende gesprekken hield met den wind. Aan de overzijde lagen +de duinen. Het paradijs zelf was een klein grasveldje aan dezen oever, +omringd door kreupelhout, waartusschen het nachtegaalskruid hoog +opschoot. Daar lag Johannes dikwijls in het dichte gras en tuurde +tusschen de schuifelende rietbladen door naar de duintoppen over het +water. Op warme zomeravonden was hij daar altijd en lag uren te staren, +zonder zich ooit te vervelen. Hij dacht aan de diepte van het stille, +heldere water voor zich, hoe gezellig het daar moest zijn, tusschen die +waterplanten, in dat vreemde schemerlicht, en dan weer aan de verre, +prachtig gekleurde wolken, die boven de duinen zweefden, wat daar wel +achter zou zijn en of het heerlijk zou zijn daarheen te kunnen vliegen. +Als de zon juist was ondergegaan, stapelden de wolken zich daar zóó +opeen, dat ze den ingang van eene grot schenen te vormen en in de diepte +van die grot schitterde het dan van zachtrood licht. Dat was wat +Johannes verlangde. Kon ik daarin vliegen! dacht hij dan. Wat zou daar +wel achter zijn? Zou ik daar eenmaal, eenmaal kunnen komen ... + +Maar hoe dikwijls hij dat wenschte, telkens viel de grot in vale, +donkere wolkjes uiteen, zonder dat hij er dichter bij konde komen. Dan +werd het koud en vochtig aan den vijver en hij moest weer zijn donker +slaapkamertje in het oude huis gaan opzoeken. + +Hij woonde daar niet geheel alleen; hij had een vader, die hem goed +verzorgde, een hond die Presto en een kat die Simon heette. Natuurlijk +hield hij van zijn vader het meest, maar Presto en Simon achtte hij +volstrekt niet zooveel beneden hem, als een groot mensch dat zou doen. +Hij vertrouwde zelfs meer geheimen aan Presto dan aan zijn vader, en +voor Simon gevoelde hij een eerbiedig ontzag. Nu, dat was geen wonder! +Simon was een groote kat met glanzig zwart vel en een dikken staart. Men +kon hem aanzien, dat hij volkomen overtuigd was van zijn eigen grootheid +en wijsheid. Hij bleef altijd even deftig en voornaam, zelfs als hij +zich verwaardigde even met een rollende kurk te spelen, of achter een +boom een vergeten haringkop op te knauwen. Bij de dolle uitgelatenheid +van Presto kneep hij minachtend de groene oogen toe en dacht: Nu ja! Die +honden weten niet beter. + +Begrijpt ge nu, dat Johannes ontzag voor hem had? Met den kleinen +bruinen Presto ging hij heel vertrouwelijk om. Het was geen mooi of +voornaam, maar een bizonder goedig en schrander hondje, dat nimmer +verder dan twee pas van Johannes weg te krijgen was en geduldig zat te +luisteren naar de mededeelingen van zijn meester. Ik behoef u niet te +zeggen, hoeveel Johannes van Presto hield. Maar hij had toch ook heel +wat ruimte in zijn hart voor anderen over. Vindt ge het vreemd, dat zijn +donker slaapkamertje met de kleine ruitjes daar ook een groote plaats +innam? Hij hield van het behangsel met de groote bloemfiguren, waarin +hij gezichten zag en waarvan hij de vormen zoo dikwijls bestudeerd had, +als bij ziek was of 's morgens wakker lag, hij hield van het eene +schilderijtje dat er hing, waarop stijve wandelaars waren afgebeeld, die +in een nog stijver tuin wandelden langs gladde vijvers, waarin +hemelhooge fonteinen spoten en kokette zwanen zwommen; het meest hield +hij echter van de hangklok. Hij wond die altijd met zorg en aandacht op +en hield het voor een noodzakelijke beleefdheid naar haar te kijken als +zij sloeg. Dat ging natuurlijk alleen zoolang Johannes niet sliep. Was +de klok door een verzuim stil blijven staan, dan voelde Johannes zich +zeer schuldig en vroeg haar duizendmaal vergeving. Gij zoudt misschien +lachen, als ge hem met zijn kamer in gesprek hoordet. Maar let eens op +hoe dikwijls gij bij u zelven spreekt. Dat schijnt u in 't geheel niet +belachelijk. Johannes was bovendien overtuigd, dat zijne hoorders hem +volkomen begrepen en had geen antwoord noodig. Maar heimelijk wachtte +hij toch wel eens een antwoord van de klok of het behangsel. + +Schoolkameraden had Johannes wel, maar vrienden waren het eigenlijk +niet. Hij speelde met hen en smeedde samenzweringen op school en vormde +rooverbenden met hen buiten, maar hij voelde zich eerst recht thuis als +hij alleen met Presto was. Dan verlangde hij nimmer naar jongens, en +voelde zich volkomen vrij en veilig. + +Zijn vader was een wijs en ernstig man, die Johannes dikwijls medenam op +lange tochten door wouden en duinen; dan spraken ze weinig en Johannes +liep tien schreden achter zijn vader, de bloemen groetend, die hij +tegenkwam en de oude boomen, die zoo altijd op dezelfde plaats moesten +blijven, vriendelijk met zijn handje langs de ruwe schors strijkend. En +ruischend dankten hem dan de goedige reuzen. + +Soms schreef zijn vader letters in het zand bij het voortgaan, één voor +één, en Johannes spelde de woorden, die zij vormden en soms ook stond de +vader stil en leerde Johannes den naam van een plant of dier. + +En Johannes vroeg ook dikwijls, want hij zag en hoorde veel raadselachtigs. +Domme vragen deed hij vaak; hij vroeg waarom de wereld was zooals zij was, +en waarom dieren en planten dood moesten gaan, en of er wonderen konden +gebeuren. Maar Johannes' vader was een wijs man en zeide niet alles wat hij +wist. Dat was goed voor Johannes. + +'s Avonds voor dat hij slapen ging, deed Johannes altijd een lang gebed. +Dat had de kindermeid hem zoo geleerd. Hij bad voor zijn vader en voor +Presto. Simon had het niet noodig, dacht hij. Hij bad ook heel lang voor +zichzelven en het slot was meestal de wensch, dat er toch eens een +wonder mocht gebeuren. En als hij amen gezegd had, keek hij gespannen in +het half duistere kamertje rond, naar de figuren van het behangsel, die +nog vreemder schenen in het zwakke schemerlicht, naar den deurknop en +naar de klok, waar nu het wonder zou beginnen. Maar de klok bleef altijd +hetzelfde wijsje tikken en de deurknop bewoog zich niet, het werd geheel +duister en Johannes viel in slaap, zonder dat het wonder gekomen was. + +Maar eenmaal zou het gebeuren, dat wist hij. + + + + +II + + +Het was warm aan den vijver en doodstil. De zon, rood en afgemat van +haar dagelijksch werk, scheen een oogenblik op een verren duinrand uit +te rusten, vóór ze onderdook. Bijna volkomen spiegelde het gladde water +haar gloeiend aangezicht weer. De over den vijver hangende bladen van +den beuk maakten van de stilte gebruik om zich eens aandachtig in den +spiegel te bekijken. De eenzame reiger, die tusschen de breede bladen +van de waterlelie op één poot stond, vergat dat hij uitgegaan was om +kikkers te vangen en tuurde in gedachten verzonken langs zijn neus. + +Daar kwam Johannes op het grasveldje, om de wolkengrot te zien. Plomp! +plomp! sprongen de kikvorschen van den kant. De spiegel trok rimpels, +het zonnebeeld brak in breede strepen en de beukenbladen ritselden +verstoord, want zij waren nog niet klaar met hun beschouwing. + +Vastgebonden aan de naakte wortels van den beuk lag een oude kleine +boot. Het was Johannes streng verboden daarin te gaan. O, wat was dezen +avond de verzoeking sterk! Reeds vormden zich de wolken tot een +ontzaglijke poort, waarachter de zon ter ruste zou gaan. Schitterende +rijen wolkjes schaarden zich ter zijde als een goudgeharnaste lijfwacht. +Het watervlak gloeide mede, en roode vonken vlogen als pijlen door het +oeverriet. + +Langzaam maakte Johannes het touw der boot van de beukenwortels los. +Daar te drijven, midden in de pracht! Presto was reeds in de boot +gesprongen en eer zijn meester het zelf wilde, schoven de riethalmen +vaneen en dreven zij beiden weg in de richting van de avondzon. Johannes +lag op den voorsteven en staarde in de diepte van de lichtgrot. Vleugels! +dacht hij, nu vleugels! en daarheen! + +De zon was verdwenen. De wolken gloeiden door. In het oosten was de +hemel donkerblauw. Daar stond een rij wilgen langs den oever. Roerloos +staken zij hun smalle witte blaadjes in de stille lucht. Tegen den +donkeren achtergrond scheen dat prachtig bleekgroen kantwerk. + +Stil! wat was dat? Het schoot als een suizeling over het watervlak, als +een lichte windvlaag, die een spitse vore in het water groeft. Het kwam +van de duinen, van de wolkgrot. + +Toen Johannes omzag, zat een groote blauwe waterjuffer op den rand der +boot. Zoo groot had hij er nog nimmer een gezien. Zij zat stil, maar +haar vleugels bleven in een wijden cirkel trillen. Het scheen Johannes, +dat de punten van haar vleugels een lichtenden ring vormden. + +Dat moet een vuurvlinder zijn, dacht hij, die zijn heel zeldzaam. + +Doch de ring werd grooter en grooter en de vleugels trilden zoo snel, +dat Johannes niet meer dan een nevel zag. En langzamerhand zag hij uit +dien nevel twee donkere oogen schitteren, en een lichte, ranke gestalte, +in een teederblauw kleedje, zat op de plaats van de libel. In het blonde +haar was een krans van witte winden en aan de schouders gazen +haftvleugels, die als een zeepbel in duizend kleuren schitterden. + +Een huivering van geluk doortintelde Johannes. Dát was een wonder! + +'Wilt ge mijn vriend zijn?' fluisterde hij. + +Dat was wel een zonderlinge wijze om een vreemde aan te spreken, maar +het ging hier niet gewoon toe. En hij had een gevoel, alsof hij het +vreemde, blauwe wezen al lang kende. 'Ja Johannes!' hoorde hij en de +stem klonk als het schuifelen van het riet in den avondwind of het +ruischen van den regen op de bladen in het bosch. + +'Hoe moet ik u noemen?' vroeg Johannes. + +'Ik ben geboren in den kelk eener winde. Noem mij Windekind!' + +En Windekind lachte en staarde Johannes zoo vertrouwelijk in de oogen, +dat het hem wonderbaar zalig te moede werd. 'Het is vandaag mijn +verjaardag,' zeide Windekind, 'ik ben hier in den omtrek geboren, uit de +eerste stralen der maan en de laatste der zon. Men zegt wel dat de zon +vrouwelijk is. Dat is niet waar. Hij is mijn vader.' + +Johannes nam zich voor, morgen op school van _den_ zon te spreken. 'En +kijk! daar komt het ronde, blanke gezicht van mijne moeder al te +voorschijn. Dag moeder! O, o, wat kijkt zij weer goedig en bedrukt!' + +Hij wees naar de Oosterkimmen. Groot en glanzig rees daar de maan aan +den grauwen hemel, achter het kantwerk der wilgen, dat zwart tegen de +lichte schijf afstak. Zij zette werkelijk een zeer pijnlijk gezicht. + +'Kom! kom! moeder! het is niets. Ik kan hem immers vertrouwen!' + +Het schoone wezen trilde vroolijk met de gazen vleugels en tikte +Johannes met de Irisbloem, die hij in de hand had, op de wang. 'Zij +vindt het niet goed dat ik bij u gekomen ben. Gij zijt de eerste. Maar +ik vertrouw u, Johannes. Gij moogt nooit, nooit aan een mensch mijn naam +noemen of over mij spreken. Belooft gij dat?' + +'Ja, Windekind,' zei Johannes. Het was hem nog zoo vreemd. Hij voelde +zich onuitsprekelijk gelukkig maar vreesde zijn geluk te verliezen. +Droomde hij? Naast hem op de bank lag Presto kalm te slapen. De warme +adem van zijn hondje stelde hem gerust. De muggen krioelden op het +watervlak en dansten in de zoele lucht, evenals gewoonlijk. Het was +alles zoo klaar en duidelijk om hem heen. Het moest waarheid zijn. En +altijd voelde hij dat Windekinds vertrouwelijke blik op hem rustte. + +Daar klonk weer de zoet-ruischende stem: + +'Ik heb u vaak hier gezien, Johannes. Weet ge waar ik was? Soms zat ik +op den zandgrond van den vijver tusschen de dichte waterplanten en zag +naar u op, als ge over het water heenboogt, om te drinken of om de +watertorren en salamanders te bekijken. Maar mij zelven zaagt gij nooit. +Dikwijls ook keek ik naar u uit het dichte riet. Daar ben ik heel veel. +Daar slaap ik meestal, als het warm is. In een leeg karkietennest. Ja! +dat is heel zacht.' + +Windekind wiegde vergenoegd op den rand van de boot en sloeg met zijn +bloem naar de muggen. + +'Nu kom ik u wat gezelschap houden. Het is anders zoo eentonig, uw +leven. Wij zullen goede vrienden zijn en ik zal u veel vertellen. Veel +beter dingen dan de schoolmeesters u wijs maken. Die weten er volstrekt +niets van. En als gij mij niet gelooft, zal ik u zelven laten zien en +hooren. Ik zal u meenemen.' + +'O, Windekind! lieve Windekind! kunt gij mij daarheen medenemen?' riep +Johannes, en wees naar den kant, waar zooeven het purper licht van de +ondergaande zon uit de gouden wolkenpoort gestraald had. Reeds ging het +heerlijk gevaarte in grijze nevelen vervloeien. Toch drong de bleekroode +glans nog uit de verste diepte te voorschijn. Windekind staarde in het +licht, dat zijn fijn gezichtje en zijn blonde haren verguldde, en +schudde zachtkens het hoofd. 'Nu niet! nu niet! Johannes. Ge moet niet +dadelijk te veel vragen. Ik zelve ben nooit nog bij Vader geweest.' + +'Ik ben altijd bij mijn vader,' zeide Johannes. + +'Neen! dat is uw vader niet. Wij zijn broeders, mijn Vader is ook de +uwe. Maar uw moeder is de aarde en daarom verschillen wij veel. Ook zijt +ge in een huis bij menschen geboren en ik in een windekelk. Dat laatste +is stellig beter. Maar wij zullen het toch goed samen vinden!' + +Toen sprong Windekind luchtig op de zijde van de boot, die niet bewoog +onder dien last, en kuste Johannes op het voorhoofd. + +Wat was dat een vreemde gewaarwording voor Johannes! Het was of alles om +hem heen veranderde. + +Hij zag alles nu veel beter en juister, dacht hij. Hij zag hoe de maan +nu veel vriendelijker keek, en hij zag, dat de waterlelies gezichten +hadden, waarmede zij hem verwonderd en peinzend aanstaarden. + +Hij begreep nu op eens, waarom de muggen zoo vroolijk op en neer dansten, +altijd om elkaar heen, op en neer, tot ze met hun lange beenen het water +raakten. Hij had er wel eens aan gedacht, maar nu begreep hij het van zelf. + +Hij hoorde ook wat het riet fluisterde en hoe de boomen aan den oever +zachtjes klaagden, dat de zon was ondergegaan. + +'O, Windekind! ik dank u, dat is heerlijk. Ja, wij zullen het wel goed +samen vinden!' + +'Geef mij een hand,' zei Windekind, en sloeg de veelkleurige vleugels +uit. Toen trok hij Johannes in de boot voort over het water, door de +plompebladen, die in het maanlicht glinsterden. + +Hier en daar zat een kikvorsch op een blad. Maar nu sprong hij niet in +'t water als Johannes kwam. Hij maakte alleen een kleine buiging en +zeide: 'Kwak!' Johannes boog beleefd terug, hij wilde zich vooral niet +ingebeeld toonen. + +Daar kwamen zij aan het riet, dat was breed en de geheele boot verdween +er in, zonder dat zij het land bereikten. Maar Johannes vatte zijn +geleider stevig vast en toen klauterden zij tusschen de hooge halmen +aan land. + +Johannes meende wel, dat hij kleiner en lichter was geworden, maar dat +was misschien verbeelding. Toch herinnerde hij zich niet dat hij ooit +tegen een riethalm had kunnen opklimmen. + +'Let nu goed op,' zei Windekind, 'nu zult ge iets aardigs zien.' + +Zij wandelden tusschen het hooge gras onder donker kreupelhout, dat hier +en daar een smal, glanzig straaltje van het maanlicht doorliet. + +'Hebt ge 's avonds de krekels wel eens gehoord, Johannes, in de duinen? +Het lijkt of zij een concert maken niet waar? en ge kunt nooit hooren, +waar het geluid vandaan komt. Nu, zij zingen nooit voor hun pleizier, +maar dat geluid komt van de krekelschool, waar honderd krekeltjes hun +lessen van buiten leeren. Wees nu stil, want wij zijn er haast.' + +Shrrr! Shrrr! + +Het kreupelhout werd minder dicht, en toen Windekind met zijn bloem de +grashalmen uiteen schoof, zag Johannes een helder verlicht open plekje, +waar de krekeltjes bezig waren tusschen het dunne, spichtige duingras +hun lessen te leeren. + +Shrrr! Shrrr! + +Een groote, dikke krekel was meester en overhoorde. Eén voor één +sprongen de leerlingen naar hem toe, altijd met één sprong heen en één +sprong weer naar hun plaats terug. Wie mis sprong moest op een +paddestoel te pronk staan. + +'Luister goed Johannes! dan kunt ge misschien óók wat leeren,' zei +Windekind. + +Johannes verstond zeer goed wat de krekeltjes antwoordden. Maar het leek +niets op wat de meester op zijn school vertelde. Eerst kwam geographie. +Van de werelddeelen wisten zij niets. Zij moesten alleen 26 duinen +kennen en twee vijvers. Van hetgeen verder was kon niemand iets weten, +zei de meester, en wat er van verteld werd, was ijdele fantasie. + +Toen kwam de botanie aan de beurt. Daarin waren ze allen erg knap en +werden veel prijzen uitgedeeld, uitgezochte jonge en malsche +grashalmpjes van verschillende lengte. + +Maar de zoölogie verbaasde Johannes het meest. De dieren werden verdeeld +in springende, vliegende en kruipende. De krekels konden springen en +vliegen en stonden dus bovenaan, dan volgden de kikvorschen. Vogels +werden met alle teekenen van afschuw hoogst schadelijk en gevaarlijk +genoemd. Eindelijk werd ook de mensch besproken. Het was een groot, +nutteloos en schadelijk dier, dat zeer laag stond, daar het vliegen noch +springen kon, maar dat gelukkig zeldzaam was. Een klein krekeltje, dat +nog nooit een mensch gezien had, kreeg drie slagen met een rietje, omdat +hij den mensch bij vergissing onder de onschadelijke dieren telde. + +Zoo iets had Johannes nog nooit gehoord. + +Toen riep de meester op eens: 'Stilte! springoefening!' Dadelijk hielden +alle krekeltjes op met lessen leeren en begonnen op heel kunstige en +bedrijvige wijze haasje-over te spelen. De dikke meester het eerst. + +Dat was zulk een vroolijk gezicht, dat Johannes in de handen klapte van +pret. Op dat geluid stoof de heele school in een oogenblik het duin in +en werd het doodstil op het grasveldje. + +'Ja, dat komt er van, Johannes. Ge moet u niet zoo lomp gedragen! Men +kan toch wel merken, dat gij bij menschen geboren zijt!' + +'Het spijt mij, ik zal mijn best doen. Maar het was ook zoo aardig!' + +'Het wordt nog veel aardiger,' zei Windekind. + +Zij staken het grasveldje over en bestegen de duin aan de andere zijde. +Oef! dat was zwoegen in het dikke zand; maar toen Johannes Windekind bij +het lichte blauwe kleedje greep, vloog hij er vlug en luchtig tegen op. +Halverwege den top was een konijnenhol. + +Het konijntje, dat er thuis hoorde, lag met kop en voorpooten uit den +ingang. De duinrozen bloeiden nog en haar fijne, zachte geur mengde zich +met dien van het thijmkruid, dat op den duintop groeide. + +Johannes had dikwijls konijntjes in hun hol zien verdwijnen en dan +gedacht: hoe zou het daarbinnen uitzien? Hoeveel zouden er daar wel bij +elkaar zitten en zouden zij het niet benauwd hebben? + +Hij was dan ook zeer verheugd, toen hij zijn metgezel aan het konijntje +hoorde vragen of zij het hol eens mochten bezien. 'Wat mij betreft, +wel!' zeide het konijntje. 'Maar het treft ongelukkig, dat ik van avond +juist mijn hol heb afgestaan voor het geven van een weldadigheidsfeest, +en dus eigenlijk geen baas ben in mijn huis.' + +'Ei! Ei! is er een ongeluk gebeurd?' + +'Ach ja!' zei het konijntje weemoedig: 'Een groote ramp! Wij komen het +in geen jaren te boven. Een duizend sprongen hier vandaan is een +menschenhuis gebouwd, zoo groot! zoo groot!--En er zijn menschen komen +wonen met honden. Er zijn wel zeven leden van mijn familie bij omgekomen +en nog driemaal zooveel van hol beroofd. En het is met het geslacht Muis +en de familie Mol nog erger gegaan. Ook de Padden hebben zwaar geleden. +Nu hebben wij een feest op touw gezet voor de nagelaten betrekkingen. +Ieder doet het zijne, ik geef mijn hol. Men moet wat over hebben voor +zijne medeschepselen.' + +Het meewarige konijntje zuchtte en haalde met den rechter voorpoot het +lange oor over zijn kopje, om er een traan mede uit het oog te wisschen. +Dat was zoo zijn zakdoek. + +Daar ritselde iets in het helm en een dikke, logge gedaante kwam op het +hol toe scharrelen. + +'Kijk!' riep Windekind, 'daar komt vader Pad ook al aangehuppeld. Wel! +wel! durft ge nog zoo laat op 't pad, Pad!' + +De Pad nam geen notitie van de scherts. Aardigheden op zijn naam +verveelden hem al lang. Bedaard legde hij een volle korenaar, netjes in +een droog blad gewikkeld, bij den ingang neer en klom behendig over den +rug van het konijntje in het hol. 'Mogen wij binnengaan?' zeide Johannes, +die erg nieuwsgierig was. 'Ik zal ook wat geven.' + +Hij herinnerde zich dat hij in zijn zak nog een beschuitje had. Een rond +beschuitje van Huntley en Palmers. Toen hij het te voorschijn haalde, +bemerkte hij eerst hoe klein hij geworden was. Hij kon het nauwelijks +met twee handen tillen en begreep niet hoe het nog in zijn broekzak +gezeten had. 'Dat is zeer kostbaar en zeldzaam!' riep het konijntje. +'Dat is een kostbaar geschenk!' + +Eerbiedig liet het aan beiden den toegang vrij. Het was donker in het +hol en Johannes liet Windekind maar vóórgaan. Spoedig zagen zij een +bleekgroen lichtje naderen. Het was een glimworm, die welwillend aanbood +hen voor te lichten. + +'Het belooft een genoeglijke avond te worden,' zeide de glimworm onder +'t voortgaan. 'Er zijn al veel gasten. Gij zijt elfen, naar mij +toeschijnt, niet waar?' De glimworm keek daarbij eenigszins wantrouwend +naar Johannes. + +'Gij kunt ons als elfen aandienen,' antwoordde Windekind. + +'Weet ge dat uw koning van de partij is?' ging de glimworm voort. + +'Is Oberon hier? Wel dat doet mij recht veel genoegen,' riep Windekind, +'ik ken hem persoonlijk.' + +'O?' zeide de glimworm, 'ik wist niet dat ik de eer had ...' en zijn +lichtje ging bijna uit van schrik. 'Ja Z.M. houdt gewoonlijk meer van de +buitenlucht, maar voor een liefdadig doel is hij altijd te vinden. Het +zal wel een luisterrijk feest zijn.' + +Dat was het inderdaad. De groote zaal in het konijnenhol was prachtig +versierd. De vloer was platgetreden en met geurig thijm bestrooid; dwars +voor den ingang hing een vleermuis aan de achterpooten. Deze riep de +namen der gasten af en diende tevens als gordijn, dat was een +zuinigheidsmaatregel. De wanden der zaal waren smaakvol gedecoreerd met +dorre bladen, spinnewebben en kleine hangende vleermuisjes. Tallooze +glimwormen kropen daartusschen en over de zoldering rond, en vormden een +alleraardigste beweeglijke verlichting. Er was aan 't eind der zaal een +troon gebouwd van stukjes vermolmd hout, die licht gaven. Dat was een +mooi gezicht! + +Er waren veel gasten. Johannes voelde zich maar half thuis in de vreemde +menigte en drong dicht tegen Windekind aan. Hij zag er vreemde dingen. +Een mol sprak druk met een veldmuis over de fraaie verlichting en de +decoratie. In een hoekje zaten twee dikke padden hoofdschuddend tegen +elkaar te jammeren over het aanhoudend droge weer. Een kikvorsch poogde +gearmd met een hagedis een wandeling door de zaal te maken, wat hem +slecht afging, daar hij verlegen en gejaagd was en telkens te ver +sprong, waarbij hij soms de wandversiering danig in wanorde bracht. + +Op den troon zat Oberon, de elfenkoning, omringd door een klein gevolg +elfen, die eenigszins minachtend op de omgeving neerzagen. De koning +zelf was naar vorstenwijze allerminzaamst en onderhield zich vriendelijk +met verschillende gasten. Hij kwam van een reis uit het Oosten en had +een vreemd gewaad van schitterend gekleurde bloembladen aan. Zulke +bloemen groeien hier niet, dacht Johannes. Op het hoofd droeg hij een +donkerblauw bloemkelkje, dat nog een frisschen geur verspreidde, als was +het zooeven geplukt. In de hand hield hij den meeldraad van een +lotosbloem als koningsstaf. + +Alle aanwezigen waren vol stillen lof over zijn goedheid. Hij had het +maanlicht in de duinen geroemd en gezegd dat de glimwormen hier bijna +even schoon waren als de Oostersche vuurvliegen. Ook had hij met +genoegen naar de wandversiering gekeken en een mol had zelfs opgemerkt, +dat hij goedkeurend met het hoofd had geknikt. + +'Ga mede,' zei Windekind tot Johannes, 'ik zal u voorstellen.' En zij +drongen tot aan 's konings zitplaats door. + +Oberon spreidde de armen vol vreugde uit, toen hij Windekind herkende en +kuste hem. Dit gaf een gefluister onder de gasten en afgunstige blikken +van het elfengevolg. De twee dikke padden in den hoek mompelden samen +iets van 'vleiers' en 'kruipen' en 'niet lang duren'; toen knikten ze +elkaar veelbeteekenend toe. + +Windekind sprak lang in een vreemde taal tot Oberon en wenkte toen +Johannes om dichterbij te komen. + +'Geef mij de hand, Johannes!' zei de koning. 'Windekind's vrienden zijn +de mijne. Waar ik kan, zal ik u bijstaan. Ik zal u een teeken van ons +verbond geven.' Oberon maakte van zijn halsketen een klein gouden +sleuteltje los en gaf dat aan Johannes, die het vol eerbied aannam en +vast in zijne hand sloot. 'Dat sleuteltje kan uw geluk zijn,' ging de +koning voort. 'Het past op een gouden kistje dat kostbare schatten +bevat. Maar wie dat heeft, kan ik u niet zeggen. Gij moet maar ijverig +zoeken. Als gij goede vrienden met mij en Windekind blijft en +standvastig en trouw zijt, zal het u wel gelukken.' De elfenkoning +knikte daarbij hartelijk met het schoone hoofdje en overgelukkig dankte +Johannes hem. + +Daar begonnen drie kikkers, op eene kleine verhevenheid van vochtig mos +gezeten, de inleiding tot een langzame wals te zingen en er vormden zich +paartjes. De niet dansenden werden door een groen hagedisje, dat als +ceremoniemeester werkzaam was en schutterig heen en weer vloog, naar de +kanten gedrongen, tot groote ergernis van de twee padden, die klaagden +dat zij niets konden zien, en daarna begon de dans. + +Dat was eerst grappig. Ieder danste op zijn eigen manier en verbeeldde +zich natuurlijk, dat hij het veel beter deed dan de anderen. De muizen +en kikvorschen sprongen hoog op hun achterste pooten, een oude rat +draaide zoo woest, dat alle dansers voor hem op zij weken, en ook een +vette boomslak waagde een toertje met een mol, maar gaf het spoedig op, +onder voorwendsel dat ze er een steek van in de zij kreeg, de ware reden +was, dat ze het niet best kon. + +Het ging echter zeer ernstig en plechtig toe. Men maakte er een +gewetenszaak van, en gluurde angstig naar den koning om een teeken van +goedkeuring op zijn gelaat te zien. Maar de koning was bang om +ontevredenen te maken en keek zeer strak. Zijn gevolg rekende het +beneden hunne danskunst mede te doen. + +Johannes had zich bij dien ernst lang goed gehouden. Doch toen hij een +klein padje zag rondzwieren met een lange hagedis, die het ongelukkige +padje soms hoog boven den grond tilde en een halven cirkel in de lucht +liet beschrijven, barstte zijn vroolijkheid in een schaterlachen uit. + +Dat gaf opschudding. De muziek zweeg. De koning keek verstoord om. De +ceremoniemeester vloog in volle vaart op den lacher toe en verzocht hem +dringend zich wat gepaster te gedragen. 'Dansen is een ernstige zaak,' +zeide hij, 'en volstrekt geen bezigheid om uit te lachen. Het is hier +een deftig gezelschap, waar men niet zoo maar voor de grap danst. Ieder +deed zijn best en niemand verlangde uitgelachen te worden. Dat is een +grofheid. Men is hier bovendien op een treurfeest om droevige redenen. +Men moet zich hier fatsoenlijk gedragen en niet handelen, alsof men bij +menschen was!' + +Daar verschrikte Johannes van. Overal zag hij vijandige blikken. Zijn +vertrouwelijkheid met den koning had hem vele vijanden bezorgd. + +Windekind trok hem ter zijde: + +'Het is maar beter, dat wij weggaan, Johannes!' fluisterde hij, 'gij +hebt het weer verkorven. Ja! Ja! dat komt er van, als men bij menschen +is opgevoed!' + +Haastig glipten zij onder de vleugels van den vleermuisportier door en +kwamen in de duistere gang. De beleefde glimworm wachtte hen op. + +'Hebt gij u goed geamuseerd?' vroeg hij. 'Hebt gij koning Oberon +gesproken!' + +'O ja! het was een vroolijk feest,' zei Johannes, 'moet gij hier altijd +in de donkere gang blijven?' + +'Dat is eigen vrije keuze,' zeide de glimworm op weemoedig bitteren +toon. 'Ik houd niet meer van die ijdelheden.' + +'Kom,' zeide Windekind, 'dat meent gij niet.' + +'Het is zooals ik zeg. Vroeger,--vroeger was er een tijd dat ik ook naar +feesten ging en danste en mij met zulke beuzelingen ophield. Maar nu ben +ik door het lijden gelouterd, nu ...' + +En hij werd zoo geroerd, dat zijn lichtje weder uitging. Gelukkig waren +zij dicht bij den uitgang en het konijntje, dat hen hoorde aankomen, +ging een weinig op zijde, zoodat het maanlicht naar binnen scheen. + +Zoodra zij bij het konijntje buiten waren, zeide Johannes: 'Vertel ons +uwe geschiedenis eens, glimworm!' + +'Ach!' zuchtte de glimworm, 'die is eenvoudig en droevig. Zij zal u niet +vermaken.' + +'Vertel haar, vertel haar toch maar,' riepen allen. + +'Nu: gij weet dan toch allen wel, dat wij glimwormen zeer bijzondere +wezens zijn. Ja, ik geloof dat niemand zou durven tegenspreken, dat wij +glimwormen het hoogst begaafd zijn van al wat leeft.' + +'Waarom? dat weet ik niet,' zeide het konijntje. + +Met minachting vroeg de glimworm toen: 'Kunt gij licht geven?' 'Neen! +dat nu wel niet,' moest het konijntje bekennen. + +'Nu, _wij_ geven licht! Allen! En wij kunnen het laten schijnen of +verdooven naar willekeur. Licht is de beste gave der natuur, en licht +geven het hoogste, waartoe een levend wezen komen kan. Zou iemand nog +onzen voorrang willen betwisten! Wij mannetjes hebben bovendien vleugels +en kunnen mijlen ver vliegen.' + +'Dat kan ik ook niet,' bekende het konijntje nederig. + +'Door de goddelijke gave des lichts, die wij hebben,' ging de glimworm +voort, 'ontzien ons ook andere dieren, geen vogel zal ons aanvallen. +Alleen één dier, het laagste onder allen, zoekt ons en neemt ons mede. +Dat is de mensch, het verfoeilijkst gedrocht der schepping.' + +Johannes keek Windekind aan bij dezen uitval, als begreep hij het niet. +Doch Windekind glimlachte en wenkte hem te zwijgen. 'Eens vloog ik +vroolijk rond, als een helder dwaallicht tusschen de donkere heesters. +En op een eenzaam, vochtig grasveldje, aan den oever van een sloot, daar +woonde zij, wier bestaan onafscheidelijk aan mijn geluk was verbonden. +Schoon schitterde zij in bleeken smaragd-glans, als zij tusschen de +glanshalmen rondkroop en machtig bekoorde zij mijn jong hart. Ik vloog +om haar heen en deed mijn best door verwisseling van glans hare aandacht +te trekken. Dankbaar zag ik, hoe zij mijn groet bespeurde en zedig haar +lichtje verduisterde. Sidderend van aandoening was ik op het punt mijn +vleugels samen te vouwen en in verrukking bij mijne stralende geliefde +neer te zinken, toen een ontzaglijk geluid de lucht vervulde. Donkere +gestalten naderden. Het waren menschen. Ik nam verschrikt de vlucht. +Zij joegen mij na, en sloegen naar mij met groote, zwarte dingen. Doch +sneller dan hun logge beenen droegen mij mijne vleugels.' 'Toen ik +terug kwam ...' + +Hier begaf den verhaler de stem. Eerst na een oogenblik van stille +aandoening, waarin de drie hoorders eerbiedig zwegen,--ging hij voort: + +'Gij kunt het reeds vermoeden. Mijn teedere bruid,--de glansrijkste en +schitterendste onder allen, zij was verdwenen, medegesleept door den +boosaardigen mensch. Het stille, vochtige grasveldje was vertrapt en +haar geliefd plekje aan de sloot was duister en ledig. Ik was alleen op +de wereld.' + +Hier haalde het gevoelige konijntje wederom een oor naar beneden om een +traan uit het oog te wisschen. + +'Sinds dien tijd ben ik veranderd. Ik heb een walg van alle ijdele +vermaken. Ik denk alleen aan haar, die ik verloren heb en aan den tijd +dat ik haar zal wederzien.' + +'Zoo! hebt ge daar nog hoop op?' vroeg het konijntje verheugd. 'Ik heb +meer dan hoop, ik heb zekerheid. Daarboven zal ik mijne geliefde +wederzien.' + +'Maar ...' wilde het konijntje inbrengen. + +'Konijn!' zeide de glimworm ernstig, 'ik kan mij begrijpen, dat iemand +twijfelt, die in het duister moet rondtasten. Maar wanneer men kan zien, +met eigen oogen zien? dan is elke onzekerheid mij een raadsel. Daar!' +zeide het glimwormpje en keek vol eerbied naar den van sterren +fonkelenden hemel. 'Daar zie ik hen! al mijn vaderen, al mijn vrienden +en ook haar, duidelijk stralen, in nog heerlijker glans dan hier op +aarde. Ach! wanneer zal ik mij uit dit lage leven kunnen opheffen, en +tot haar vliegen, die mij lonkend wenkt? Ach! wanneer? wanneer?' + +Zuchtend verliet het glimwormpje zijne toehoorders en kroop weder in het +donkere hol. + +'Arm schepsel!'zeide het konijntje, 'ik hoop dat hij gelijk heeft.' + +'Ik hoop het ook,' voegde Johannes er bij. + +'Ik vrees er voor,' zeide Windekind, 'maar het was zeer aandoenlijk.' + +'Lieve Windekind,' begon Johannes, 'ik ben heel moe en heb slaap.' + +'Kom dan naast mij, ik zal u met mijn mantel toedekken.' + +Windekind nam zijn blauwe manteltje en spreidde dat over Johannes en +zichzelven uit. Zoo legden zij zich neer, in het geurige mos op de +duinhelling, de armen om elkanders hals geslagen. + +'Uwe hoofden liggen wat laag,' riep het konijntje, 'wilt ge die tegen +mij laten rusten?' + +Dat deden zij. + +'Nacht moeder!' zeide Windekind tot de maan. + +Toen sloot Johannes zijn gouden sleuteltje vast in de hand, vlijde zijn +hoofd tegen het donzige vel van het goede konijntje en sliep rustig in. + + + + +III + + +Waar is hij dan, Presto? Waar is het kleine baasje dan? Welk een schrik, +wakker te worden in de boot, in het riet--geheel alleen, de baas +spoorloos verdwenen. Het was om angstig van te worden. + +En loop je hem nu al zoolang te zoeken, onder voortdurend zenuwachtig +piepen? Arme Presto! Hoe kon je ook zoo vast slapen en niet merken dat +de baas uit de boot ging? Anders word je dadelijk wakker, zoodra hij +eenige beweging maakt. + +Nauwelijks kon je herkennen, waar de baas aan land was gegaan en hier in +de duinen ben je nu het spoor geheel bijster geraakt. Het ijverig +snuffelen hielp niet. Welk een wanhoop! de baas weg! spoorloos weg! Zoek +dan Presto, zoek hem dan! + +Wacht! daar recht voor je, tegen die duinhelling, ligt daar niet een +kleine donkere gedaante? zie eens goed! + +Een oogenblik staat het hondje onbeweeglijk, en ziet ingespannen in de +verte. Dan strekt het op eens den kop vooruit en holt, vliegt met al de +kracht van zijn vier dunne pootjes, naar dat donkere plekje op de +duinhelling. + +Maar toen dat werkelijk het zoo smartelijk vermiste baasje bleek te +zijn, toen vond hij alle pogingen nog ontoereikend om zijn gansche +blijdschap en dankbaarheid uit te drukken. Hij kwispelde, verdraaide +zijn geheele lijfje, sprong, jankte, blafte en duwde zijn kouden neus +den lang gezochte likkend en snuffelend in 't gezicht. + +'Koest, Presto, in je mand!' riep Johannes half slapend. + +Hoe dom van den baas! Er is geen mand in de buurt, zoover men zien kan. + +Langzaam begon de schemering te dagen in de ziel van den kleinen slaper. +Het snuffelen van Presto, dat was hij iederen morgen zoo gewoon. Maar +voor zijn geest hingen nog lichte droombeelden van elfen en maneschijn, +als morgennevelen om een duinlandschap. Hij vreesde dat de kille adem +van den ochtend die zou verjagen. 'Oogen toehouden,' dacht hij, 'anders +zie ik de klok en het behangsel weer, als altijd!' + +Maar hij lag vreemd. Hij voelde, dat hij geen deken had. Langzaam en +voorzichtig opende hij de oogleden op een kier. + +Helder licht. Blauwe hemel. Wolken. + +Toen opende Johannes de oogen wagenwijd en zeide: 'Is het dan toch +waar?' + +Ja, hij lag midden in het duin. Vroolijke zonneschijn verwarmde hem, +frissche morgenlucht ademde hij in, een fijne nevel omgaf de bosschen in +'t verschiet. Hij zag alleen den hoogen beuk bij den vijver en het dak +van zijn huis, dat uitstak boven het groen. Bijen en kevers gonsden om +hem heen, boven hem zong de stijgende leeuwerik, in de verte klonk +hondengeblaf en het gerucht der verwijderde stad. Het was alles klare +werkelijkheid. + +Maar wat had hij gedroomd en wat niet? Waar was Windekind? en het +konijntje? + +Hij zag geen van beiden. Alleen Presto zat zoo dicht mogelijk bij hem en +keek hem in afwachting aan. + +'Zou ik aan 't slaapwandelen geweest zijn?' prevelde Johannes zacht. + +Naast hem was een konijnenhol. Maar zoo waren er zooveel in 't duin. Hij +richtte zich op om het goed te bezien. Wat voelde hij daar in de nog +vastgesloten hand? + +Een tinteling liep van de kruin van zijn hoofd tot zijn voeten, toen hij +de hand opende. Daar schitterde een klein gouden sleuteltje. + +Een tijd lang zat hij sprakeloos. + +'Presto! zeide hij toen, terwijl de tranen hem in de oogen kwamen. +'Presto, het is _toch_ waar!' + +Presto sprong op en trachtte door blaffen zijnen meester aan 't verstand +te brengen, dat hij honger had en naar huis wilde. + +Naar huis? Ja! daaraan had Johannes niet gedacht en hij had er weinig +zin in. Maar spoedig hoorde hij door verschillende stemmen zijn naam +roepen. Toen begon hij te begrijpen, dat zijn gedrag volstrekt niet +braaf en fatsoenlijk zoude gevonden worden en dat hem lang geen +vriendelijke woorden te wachten stonden. + +Een oogenblik scheelde het weinig, of zijn vreugdetranen waren in één +moeite door, tranen van angst en berouw geworden. Maar toen dacht hij +aan Windekind, die nu zijn vriend was, zijn vriend en vertrouweling, aan +het geschenk van den elfenkoning en aan die heerlijke, onbetwistbare +waarheid van al het gebeurde en hij zocht kalm en op alles voorbereid +den weg naar huis op. + +De ontmoeting viel niet mede. Zoo erg had hij zich de onrust en vrees +van zijn huisgenooten niet voorgesteld. Hij moest plechtig beloven, +nimmer meer zoo ondeugend en onvoorzichtig te zijn. + +'Dat kan ik niet,' zeide hij vastberaden. Daar zag men vreemd van op. +Hij werd ondervraagd, gesmeekt, bedreigd. Maar hij dacht aan Windekind +en hield vol. + +Wat konden hem straffen schelen als hij Windekind's vriendschap maar +behield en wat zou hij niet voor Windekind willen lijden! Vast klemde +hij het sleuteltje aan zijn borst en de lippen opeen, terwijl hij iedere +vraag met schouderophalen beantwoordde. 'Ik kan niets beloven,' zei +hij weer. + +Doch zijn vader zeide: 'Laat hem nu maar met vrede, het is hem ernst. Er +moet iets bijzonders met hem gebeurd zijn. Eens zal hij het ons wel +vertellen.' + +Johannes glimlachte, at zwijgend zijn boterham en sloop naar zijn +kamertje. Daar sneed hij een stuk van het gordijnkoord af, deed er het +kostbare sleuteltje aan en hing het zich om den hals op de bloote borst. +Toen ging hij getroost naar school. + +Het ging zeer slecht dien dag op school. Hij kende zijn lessen geen van +alle en lette volstrekt niet op. Voortdurend vlogen zijn gedachten naar +den vijver en naar de wonderbare gebeurtenissen van den vorigen avond. +Hij kon het zich nauwelijks denken, dat een vriend van den elfenkoning +nu weer verplicht zou zijn, sommen te maken en werkwoorden te vervoegen. +Maar het was toch alles waar geweest, en niemand om hem heen wist er +iets van of zou het kunnen gelooven of begrijpen, zelfs de meester niet, +hoe barsch hij ook keek en hoe minachtend hij Johannes ook een luien +rekel noemde. Blijmoedig verdroeg hij de kwade aanteekening en maakte +hij het strafwerk, dat zijn verstrooidheid hem op den hals haalde. + +'Zij hebben er toch geen van allen begrip van. Zij mogen mij uitschelden, +zooveel zij willen. Ik blijf Windekind's vriend, en Windekind is mij meer +waard dan zij allemaal te zamen. Ja, met den meester er bij.' + +Dat was niet eerbiedig van Johannes. Maar zijn achting voor zijn +medemenschen was, na al het kwaad dat hij er den vorigen avond van had +moeten hooren, niet gestegen. + +Doch, zooals het meer gaat, hij wist zijne wijsheid nog niet verstandig +genoeg te pas te brengen, of liever, te verzwijgen. + +Toen de meester vertelde, dat alleen de mensch door God met rede was +begaafd en als heerscher was gesteld over alle andere dieren, begon hij +te lachen. Dat bezorgde hem een slechte aanteekening en eene ernstige +vermaning. En toen zijn buurman uit een themaboek den volgenden zin +oplas: 'De ouderdom van mijne moedwillige tante is groot, maar niet zoo +groot als die van de zon'--riep Johannes haastig en luide: 'van _den_ zon!' + +Allen lachten hem uit en de meester, verbaasd, over zulk een aanmatigende +domheid, zooals hij het noemde, liet Johannes schoolblijven en honderdmaal +overschrijven: 'De ouderdom van mijne moedwillige tante is groot, maar +niet zoo groot als die van de zon, het grootst echter is mijne aanmatigende +domheid.' + +De scholieren waren verdwenen en Johannes zat eenzaam in het groote +schoollokaal te schrijven. Het zonlicht scheen vroolijk naar binnen, +deed duizenden stofjes glinsteren op zijn weg en vormde op den gewitten +muur lichte plekken, die met de wisseling der uren langzaam voortkropen. +De meester was weggegaan en had de deur hard toegeslagen. Johannes was +reeds aan de twee-en-vijftigste moedwillige tante, toen een klein, vlug +muisje, met zwarte kraaloogjes en zijdeachtige oortjes, uit den versten +hoek van het lokaal onhoorbaar langs den muur kwam loopen. Johannes +hield zich doodstil om het aardige diertje niet te verjagen. Het was +niet schuw en kwam tot dicht bij Johannes' zitplaats. Toen gluurde het +een tijdlang met de kleine heldere oogjes scherp in het rond en sprong +behendig met één sprong op de bank en met een tweeden op den lessenaar, +waaraan Johannes schreef. + +'Ei, ei!' zeide deze, half bij zichzelven, 'jij bent eerst een dapper +muisje!' + +'Ik zou niet weten voor wien ik bang moest zijn,' zeide een fijn +stemmetje, en het muisje liet de tandjes zien alsof het lachte. + +Johannes was reeds aan veel wonderlijks gewend, maar zette nu toch weer +groote oogen op. Zoo midden op den dag en op school, 't was ongeloofelijk. + +'Voor mij behoef je niet bang te zijn,' zeide hij zacht, uit vrees het +muisje te verschrikken, 'kom je van Windekind?' + +'Ik kom u even zeggen, dat de meester groot gelijk heeft en dat ge uw +strafwerk ruim verdiend hebt.' + +'Maar Windekind zei toch dat de zon mannelijk was, de zon was onze +vader.' + +'Ja, maar dat behoeft niemand anders te weten. Wat hebben de menschen +daarmee te maken. Ge moet nooit over zulke teedere zaken met menschen +spreken. Daar zijn zij te grof voor. De mensch is een verbazend +boosaardig en lomp wezen, die liefst alles vangt en doodtrapt wat onder +zijn bereik komt. Daar hebben wij, muizen, ondervinding van.' + +'Maar muisje! waarom blijf je dan in zijn buurt? Waarom ga je niet ver +weg, naar de bosschen?' + +'Ach, dat kunnen wij niet meer. Wij zijn het stadsvoedsel te veel +gewend. En als men voorzichtig is en altijd oppast hun vallen en hun +zware voeten te mijden, dan is het onder menschen wel uit te houden. +Wij zijn gelukkig nog al vlug. Het ergst is, dat de mensch zijn eigen +logheid verhelpt door een verbond te sluiten met de kat, dat is een +groote ramp, maar in het bosch zijn uilen en sperwers, en sterven moeten +wij toch eenmaal allen. Nu, Johannes, onthoud mijn raad, daar komt de +meester!' + +'Muisje! muisje! ga niet weg. Vraag aan Windekind wat ik met mijn +sleuteltje doen moet. Ik heb het om mijn hals gehangen, op mijn bloote +borst. Maar Zaterdag word ik verschoond en ik ben zoo bang dat iemand +het zien zal. Zeg mij, waar ik het veilig bergen kan, muisjelief!' + +'Onder den grond, altijd onder den grond, daar is alles het veiligst. +Wil ik het bewaren?' + +'Neen! niet hier op school.' + +'Begraaf het dan buiten in de duinen. Ik zal aan mijn neef de veldmuis +laten weten, dat hij er op passen moet.' + +'Dank je muisje!' + +Bom! Bom! Daar kwam de meester aanstappen. In den tijd dat Johannes zijn +pen indoopte, was het muisje verdwenen. De meester, die zelf naar huis +verlangde, schold Johannes achtenveertig strafregels kwijt. + +Twee dagen lang leefde Johannes in voortdurenden angst. Hij werd streng +in het oog gehouden en alle gelegenheid, om naar de duinen te ontsnappen, +hem ontnomen. Het werd Vrijdag en nog liep hij met het kostbare sleuteltje +rond. Den volgenden avond moest hij verschoond worden, men zou het +sleuteltje ontdekken en hem afnemen, hij ijsde bij de gedachte. In huis +of tuin durfde hij het niet verbergen, geen plekje scheen hem veilig +genoeg. + +Het werd Vrijdagavond en de schemering begon te vallen. Johannes zat +voor het venster van zijn slaapkamer en keek verlangend naar buiten, +over de groene heesters van den tuin, naar de verre duinen. 'Windekind! +Windekind! help mij,' fluisterde hij angstig. + +Daar ruischte een zachte vleugelslag naast hem, hij rook den geur van +leliën van dalen en hoorde plotseling de bekende, zoete stem. + +Windekind zat naast hem op de vensterbank en liet de klokjes van een +lelie van dalen aan den slanken stengel wiegelen. + +'Zijt gij daar eindelijk! Ik heb zoo naar u verlangd!' zeide Johannes. + +'Ga met mij mede, Johannes, wij zullen uw sleuteltje gaan begraven.' + +'Ik kan niet,' zuchtte Johannes droevig. + +Doch Windekind vatte hem bij de hand, en hij gevoelde hoe hij, licht als +het gepluisde zaadje van een paardebloem, wegzweefde door de stille +avondlucht. + +'Windekind,' zeide Johannes onder het zweven, 'ik houd zooveel van u. Ik +geloof dat ik alle menschen voor u zou willen geven en Presto ook.' + +Windekind zeide: 'en Simon?' + +'O, het kan Simon niet zooveel schelen, of ik van hem houd. Ik geloof, +dat hij dat te kinderachtig vindt. Simon houdt alleen maar van de +vischvrouw en dat ook alleen maar, als hij honger heeft. Gelooft ge, dat +Simon een gewone kat is, Windekind?' + +'Neen, hij is vroeger een mensch geweest.' + +Hoe-oe-oe! boms! daar vloog een dikke meikever tegen Johannes aan. 'Kunt +gij niet beter voor u uitkijken,' bromde de meikever 'dat elfengoed +vliegt maar, alsof het de heele lucht in pacht had! Dat heb je van die +nietsdoeners, die altijd maar voor hun plezier rondzwerven, iemand als +ik die zijn plicht doet, altijd voedsel zoekt en zoo hard eet, als hij +kan, wordt er door uit den koers gebracht.' + +Onder luid gebrom vloog hij verder. + +'Neemt hij ons kwalijk, dat wij niet eten?' vroeg Johannes. + +'Ja, dat is zoo meikever-gewoonte. Bij de meikevers wordt het als +hoogste plicht beschouwd, veel te eten. Wil ik u eens de geschiedenis +van een jongen meikever vertellen?' + +'Ja doe dat, Windekind.' + +'Het was een mooie, jonge meikever, die pas uit den grond was gekropen. +Nu, dat was een groote verrassing. Een geheel jaar had hij onder de +donkere aarde gezeten en gewacht op den eersten warmen avond. En toen +hij zijn kop uit de kluitjes stak, bracht al dat groen en het wuivende +gras en de zingende vogels hem geheel in verlegenheid. Hij wist niet, +wat hij eigenlijk beginnen moest. Hij betastte de grashalmpjes in de +buurt met zijn sprieten en stak die waaiervormig uit. Daaraan merkte +hij, Johannes, dat hij een mannetje was. Hij was heel mooi in zijn +soort, had glanzige, zwarte pooten, een dik, bestoven achterlijf en een +borstschild, dat als een spiegel glom. Gelukkig zag hij al gauw, niet +ver van hem vandaan, een anderen meikever, wel niet zoo'n mooien, maar +een die al een dag vroeger uitgevlogen en dus al heel oud was. Heel +bescheiden, omdat hij nog zoo jong was, roept hij dezen aan. + +'Wat wou je, vriendje!' zegt de tweede uit de hoogte, omdat hij zag, dat +het een nieuweling was, 'wou je mij den weg vragen?' + +'Neen, ziet u! zeide de jongste beleefd, 'maar ik weet niet, wat ik hier +doen moet. Wat doet men zoo als meikever?' + +'Zoo! zoo!' zeide de ander, 'weet je dat niet. Nu, dat neem ik niet +kwalijk, ik ben óók zoo geweest; luister maar goed, dan zal ik het je +zeggen. De hoofdzaak in het meikever-leven is eten. Niet ver hier +vandaan is een kostelijke lindenhaag, die is daar voor ons gezet om er +zoo vlijtig mogelijk van te eten.' + +'Wie heeft die lindenhaag daar neergezet?' vroeg de jonge kever. + +'Wel, een groot wezen, dat het heel goed met ons meent. Iederen morgen +komt hij langs de haag en wie dan het meeste gegeten heeft, neemt hij +tot zich, in een heerlijk huis, waar een helder licht schijnt en waar +alle meikevers gelukkig bijeen zijn. Wie echter, in plaats van te eten, +den ganschen nacht blijft rondvliegen, wordt door de vleermuis gevangen.' + +'Wie is dat?' vroeg de nieuweling. + +'Dat is een vreeselijk monster met scherpe tanden, dat plotseling achter +ons aan komt vliegen en ons onder afgrijselijk gekraak opeet.' Toen de +kever dat zeide, hoorden ze boven zich een schel gepiep, dat hun door +merg en been drong. + +'Hu! dat is hij,' riep de oudste. 'Pas op voor hem, jonge vriend. Wees +dankbaar dat ik je bijtijds heb gewaarschuwd. Je hebt een ganschen nacht +voor je, verknoei dien nu niet. Hoe minder je eet hoe meer kans je hebt +door de vleermuis te worden verslonden. En alleen zij, die zich een +ernstige levensroeping kiezen, komen in het huis met het heldere +schijnsel. Denk er om! Een ernstige roeping!' + +'Toen scharrelde de kever, die een heelen dag ouder was, tusschen de +grashalmen verder en liet den eersten getroffen achter. Weet je wat een +roeping is, Johannes? Niet! Nu, dat wist die jonge kever ook niet. Het +stond met eten in verband, dat begreep hij. Maar hoe moest hij bij die +lindenhaag komen? 'Vlak naast hem stond een slanke, stevige grashalm, +die zachtjes wiegelde in den avondwind. Dien pakte hij maar vast beet, +met zijn zes kromme pootjes. Het scheen een hoog gevaarte van beneden +gezien en erg steil. Toch wilde de meikever er in. 'Dat is een roeping!' +dacht hij, en begon moedig te klimmen. Het ging langzaam, dikwijls gleed +hij terug, maar hij vorderde; en toen hij eindelijk in het dunste topje +was geklommen en mede wiegelde met de schommelingen, voelde hij zich +voldaan en gelukkig. Welk een uitzicht had hij hier! Het scheen hem, +alsof hij de wereld overzag. Hoe zalig was het, zoo van alle kanten door +lucht te zijn omgeven! Gretig zoog hij het achterlijf vol. Hoe wonderlijk +werd het hem daarbij te moede! Nog hooger wilde hij! + +'Hij lichtte de dekschilden in verrukking op, liet de vliezige vleugels +even trillen. Hooger wilde hij! Hooger! Weer trilden zijne vleugels, de +pooten lieten den grashalm los en--O, vreugde ... Hoe-oe-oe! daar vloog +hij vrij en vroolijk in de stille, warme avondlucht.' + +'En toen?' vroeg Johannes. + +'Het vervolg is niet vroolijk. Dat vertel ik u later wel eens.' + +Zij waren over den vijver heengevlogen. Een paar late, witte kapelletjes +fladderden met hen mede. + +'Waar gaat de reis heen, elfen?' vroegen zij. + +'Naar de groote duinroos, die daar bloeit tegen gindsche helling.' + +'Wij gaan mede! wij gaan mede!' + +Reeds van verre was zij zichtbaar, met haar talrijke teedergele +zijde-zachte bloemen. De knopjes waren rood gekleurd en de geopende +bloemen vertoonden roode streepjes, als teekenen van den tijd toen zij +nog knoppen waren. + +In eenzame rust bloeide de wilde duinroos en vervulde den omtrek met +haar wonderzoete geuren. Zoo heerlijk zijn die, dat de duin-elfen +daarvan alleen leven. + +De vlinders dwarrelden op haar toe en kusten bloem aan bloem. 'Wij komen +u een schat toevertrouwen,' riep Windekind, 'wilt gij dien voor ons +hoeden?' + +'Waarom niet? waarom niet?' fluisterde de duinroos, 'het wachten +verveelt mij niet, en ik denk hier niet vandaan te gaan, als men mij +niet weghaalt. Ook heb ik scherpe doornen.' + +Toen kwam de veldmuis, de neef van het muisje uit school, en groef een +gang onder de wortels van de roos. Daar droeg hij het sleuteltje in. + +'Als gij het nu weer hebben wilt, dan moet gij mij weer roepen. Dan +behoeft gij de roos geen schade te doen.' + +De roos vlocht zijn gedoornde twijgen dicht over den ingang en zwoer +plechtig het trouw te bewaken. De kapelletjes waren getuigen. + +Den volgenden morgen werd Johannes in zijn eigen bedje wakker, bij +Presto, de klok en het behangsel. Het koord om zijn hals en het +sleuteltje daaraan waren verdwenen. + + + + +IV + + +Jongen! Jongen! Wat is zoo'n zomer toch criant vervelend,' zuchtte één +van de drie groote kachels, die op een zolder in het oude huis, in een +donkere hoek bij elkaar stonden te kniezen, 'weken lang heb ik geen +levende ziel gezien en geen verstandig woord gehoord. En dan die leegte +van binnen. 't Is afschuwelijk!' + +'Ik zit vol spinnewebben,' zei de tweede, 'dat zou 's winters ook niet +gebeuren.' + +'En ik ben zoo stoffig, dat ik mij dood zal schamen, als tegen den +winter de zwarte man weer verschijnt, zooals van Alphen zegt.' Die +wijsheid had de derde kachel natuurlijk van Johannes opgevangen, als +deze 's winters voor den haard versjes opzeide. + +'Gij moet niet zoo oneerbiedig over den Smid spreken,' zeide de eerste +kachel, die de oudste was, 'dat hindert mij!' + +Ook eenige tangen en aschschoppen die hier en daar op den grond lagen, +in papier gewikkeld tegen 't roesten, gaven duidelijk hun +verontwaardiging te kennen over die lichtzinnige uitdrukking. + +Doch plotseling verstomde het gesprek, want het zolderluik werd +opgeheven, een lichtstraal drong tot in den duisteren hoek door en +stelde het geheele gezelschap in hun stoffige verwarring ten toon. + +Het was Johannes, die hun gesprek kwam storen. De zolder had altijd een +groote aantrekkelijkheid voor hem. Nu, na al de vreemde gebeurtenissen +van den laatsten tijd kwam hij er dikwijls. Hij vond er rust en +eenzaamheid. Ook was er een venster, dat door een luik gesloten was en +naar den duinkant uitzag. Het was een groot genot, dat luik plotseling +te openen, en na het geheimzinnig schemerduister van den zolder op eens +het wijde, hel verlichte landschap voor zich te zien, begrensd door de +blanke, zacht-golvende duinreeks. + +Er waren drie weken na dien Vrijdagavond verloopen, zonder dat Johannes +iets van zijn vriend bespeurd had. Het sleuteltje was nu ook weg en +niets was hem nog tot zeker bewijs, dat hij niet gedroomd had. Dikwijls +kon hij de vrees niet wegredeneeren, dat het alles toch maar inbeelding +was geweest. Hij werd er stil onder, en angstig maakte zijn vader de +opmerking, dat Johannes na dien nacht in de duinen zeker een ziekte +onder de leden had gekregen. Johannes echter verlangde naar Windekind. + +'Zou hij net zooveel van mij houden, als ik van hem?' mijmerde hij, +terwijl hij aan het zoldervenster stond en over den groenen, bloemrijken +tuin staarde, 'waarom zou hij dan niet meer en langer bij mij komen. Als +ik kon ... Maar misschien heeft hij meer vrienden. Zou hij daar ook van +houden, meer dan van mij. Ik heb geen andere vrienden, geen één. Ik houd +alleen van hem. Zoo veel! o zoo veel!' + +Tegen den diep-blauwen hemel zag hij een vlucht van zes witte duiven +afsteken, die met kleppenden vleugelslag over het huis zwenkten. Het +scheen of één gedachte hen dreef, zoo snel en gelijktijdig veranderden +zij telkens van richting, als om volop te genieten van de zee van +zonlicht waarin zij zweefden. + +Op eenmaal vlogen zij naar Johannes' dakvenstertje toe en streken met +veel gefladder en wiekgeklepper op de dakgoot neer, waar zij bedrijvig +kirrend heen en weer bleven trippelen. Een van hen had een rood veertje +in zijnen vleugel. Hij pluisde en trok er zoolang aan, totdat hij het in +den bek hield, toen vloog hij op Johannes toe en gaf het hem. + +Nauwelijks had Johannes het aangenomen, of hij voelde dat hij zoo licht +en vlug werd als een der duiven. Hij strekte de leden uit, de +duivenvlucht vloog op, en Johannes zweefde in hun midden mede, in de +ruime, vrije lucht en den helderen zonneschijn. Niets was om hem, dan +het reine blauw en de helle schittering der blanke duivenvleugels. + +Zij vlogen over den grooten tuin naar het bosch, waarvan de dichte +boomtoppen in de verte wuifden als de golven van een groene zee. +Johannes keek naar beneden en zag zijn vader voor het open raam zitten +in de huiskamer, Simon zat met gevouwen voorpooten in de vensterbank en +koesterde zich in de zon. 'Zou zij mij zien?' dacht hij, maar hij durfde +niet roepen. + +Presto holde door de tuinpaden en snuffelde in iederen heester, achter +elken muur, en krabbelde tegen elk deurtje van broeikas of oranjerie, om +zijn baasje te vinden. + +'Presto! Presto !' riep Johannes. Het hondje zag op en begon te +kwispelstaarten en klagelijk te janken. + +'Ik kom terug, Presto! wachten!' riep Johannes, maar hij was al te ver +weg. + +Zij zweefden boven het bosch en de kraaien vlogen krassend uit de hooge +toppen, waarin zij hun nesten hadden. Het was in 't midden van den zomer +en de geur der bloeiende linden steeg in wolken uit het groene woud +omhoog. + +In een leeg nest, op den top van een hooge linde zat Windekind, met zijn +krans van windekelken op het hoofd. Hij knikte Johannes toe. + +'Zijt ge daar! dat is goed,' zeide hij. 'Ik heb u laten halen. Nu kunnen +wij lang bijeen blijven--als ge wilt.' + +'Ik wil wel graag,' zeide Johannes. + +Toen dankte hij de vriendelijke duiven, die hem gebracht hadden en +daalde met Windekind in het bosch af. + +Daar was het frisch en schaduwrijk. De wielewaal floot, altijd bijna +hetzelfde maar toch eenigszins anders. + +'De arme vogel,' zei Windekind, 'hij was eens een paradijsvogel. Dat +ziet ge nog wel aan zijn vreemde gele vederen, maar hij is veranderd en +uit het paradijs verjaagd. Er is een woord, dat hem zijn vroegere +prachtige kleeding kan teruggeven en hem weer in het paradijs brengen. +Maar dat woord is hij vergeten. Nu probeert hij dag aan dag, om het +terug te vinden. Het lijkt er wel iets op, maar het rechte is het niet.' + +Tallooze vliegen glinsterden als zwevende kristallen in de zonnestralen, +die door het donkere loover drongen. Als men aandachtig luisterde, kon +men hun gonzen hooren als een groot eentonig concert, dat het gansche +bosch vervulde. Het was alsof de zonnestralen zongen. + +Dik, donkergroen mos bedekte den grond en Johannes was weder zoo klein +geworden, dat het hem een nieuw bosch op den bodem van het groote bosch +toescheen. Wat sierlijke stammetjes! En hoe dicht groeiden zij opeen! +Het was moeilijk er tusschen door te komen en het moswoud scheen +ontzettend groot. + +Daar kwamen zij aan een mierenpaadje. Honderden mieren liepen bedrijvig +af en aan, sommige stukjes hout, blaadjes of grassprietjes in de kaken +dragend. Het was zulk een gewoel, dat Johannes er bijna duizelig van werd. + +Het duurde lang, voor dat een der mieren hen te woord wilde staan. Zij +hadden het allen zoo druk. Eindelijk vonden zij een oude mier, die was +aangesteld om de bladluisjes, waarvan de mieren den honingdauw trekken, +te bewaken. Daar zijn kudde erg rustig was, kon hij zich wel een poosje +met de vreemdelingen bemoeien en hun het groote nest laten zien. Het was +aan den voet van een ouden boomstam aangelegd, zeer groot en honderden +gangen en kamertjes rijk. De bladluisherder gaf uitleg en leidde de +bezoekers overal rond, tot in de kinderkamers, waar de jonge larven uit +de witte windsels kruipen. Johannes was verbaasd en opgetogen. + +De oude mier vertelde, dat men in groote drukte leefde wegens den +veldtocht, die eerstdaags ophanden was. Men zou een andere mierenkolonie, +niet ver verwijderd, met een groote macht gaan overvallen, het nest +vernielen en de larven rooven of dooden, daarvoor zouden alle krachten +noodig zijn en men moest dus eerst het dringendste werk afdoen. + +'Waarom is die veldtocht?' zeide Johannes, 'dat lijkt mij niet mooi.' + +'Neen! neen!' zei de luizenhoeder, 'het is een zeer schoone en +lofwaardige tocht. Ge moet denken, het zijn de Strijd-mieren, die wij +gaan aanvallen, wij gaan hun geslacht uitroeien en dat is een zeer +goed werk.' + +'Zijt gij dan geen Strijd-mieren?' + +'Zeker niet! Wat denkt ge wel? Wij zijn Vrede-mieren.' + +'Wat beteekent dat dan?' + +'Weet ge dat niet? Dat zal ik u uitleggen. Eens waren alle mieren +voortdurend aan 't vechten, geen dag ging er om zonder groote +slachtingen. Toen kwam er een wijze, goede mier, die bedacht dat het +veel moeite zou besparen, als de mieren onderling afspraken niet meer +te vechten. + +'Toen hij dat zeide, vond men het erg vreemd en om die reden begon men +maar met hem in kleine stukjes te bijten. Later kwamen nog andere mieren +die hetzelfde meenden. Ook die werden in kleine stukjes gebeten. Maar +eindelijk kwamen er zooveel, dat het stukbijten te veel werk was voor +de anderen. + +'Toen noemden zij zich Vrede-mieren en hielden allen vol dat de eerste +Vrede-mier gelijk had; wie dat tegensprak beten zij op hun beurt in +stukjes. Op die manier zijn tegenwoordig bijna alle mieren Vrede-mieren +geworden, en de stukjes van de eerste Vrede-mier worden met zorg en +eerbied bewaard. Wij hebben den kop. Den echten. Wij hebben al twaalf +andere kolonies verwoest en uitgemoord, die beweerden den echten kop te +hebben. Nu zijn er nog maar vier over die dat doen. Zij noemen zich +Vrede-mieren, maar het zijn natuurlijk Strijd-mieren, want wij hebben +den echten kop en de Vredemier had maar één kop. Nu gaan wij eerstdaags +de dertiende kolonie uitroeien. Dat is dus wel een goed werk.' + +'Ja! Ja!' zeide Johannes--'het is heel merkwaardig!' + +Hij was eigenlijk een beetje bang geworden, en voelde zich veel rustiger, +toen zij den gedienstigen herder dankend vaarwel hadden gezegd en ver van +het mierenvolk wiegelend op een grashalm zaten uit te rusten, in de +schaduw van een sierlijk varenblad. + +'Hu!' zuchtte Johannes, 'dat was een bloeddorstig en dom gezelschap.' + +Windekind lachte en schommelde met zijn grashalm op en neder. + +'O!' zei hij, 'gij moet hen niet dom noemen. De menschen gaan naar de +mieren om wijs te worden.' + +Zoo toonde Windekind aan Johannes alle wonderen van het bosch, zij +vlogen beiden tot de vogels in de boomtoppen en in de dichte heesters, +daalden af in de kunstige woningen van de mollen, en zagen het bijennest +in den ouden boomstam. + +Eindelijk kwamen zij aan een open plek, omringd door kreupelhout. +Kamperfoelie groeide er in grooten overvloed. Overal slingerden zich de +weelderige twijgen over de struiken en prijkten de welriekende +bloemkransen tusschen het groen. Een zwerm meesjes sprong en fladderde +tusschen de blaadjes, onder luidruchtig getjilp en gekwetter. + +'Laat ons hier wat blijven,' vroeg Johannes, 'hier is het heerlijk.' + +'Goed,' zeide Windekind. 'Dan zult ge ook iets grappigs zien.' + +Op den grond stonden blauwe klokjes in het gras. Johannes ging naast een +zitten en begon een gesprek over de bijen en de kapellen. Dat waren +goede vrienden van het klokje en daarom vlotte het gesprek ook spoedig. + +Wat was dat? Een groote schaduw kwam over het gras en iets als een witte +wolk daalde op het klokje neer ... Nauwelijks had Johannes tijd om weg te +komen, en vloog naar Windekind, die in een hoogbloeiende kamperfoelie- +bloem zat. Toen zag hij dat de witte wolk een zakdoek was en bom! daar +ging een dikke juffrouw op den zakdoek zitten en op het arme klokje dat +er onder was. + +Hij had geen tijd om het te beklagen, want gerucht van stemmen en +gekraak van takken vervulden de open plek van het bosch. Een menigte +menschen naderde. + +'Nu zullen wij lachen,' zeide Windekind. + +Daar kwamen zij aan, de menschen. De vrouwen met manden en parapluies in +de hand, de mannen met hooge, rechte, zwarte hoeden op. Ze waren meest +allen zwart, erg zwart. In het zonnige, groene bosch zagen zij er uit +als groote, leelijke inktvlekken op een prachtig schilderij. + +Er werden heesters uiteengedrongen, bloemen neergetrapt, nog vele witte +zakdoeken uitgespreid en de lijdzame grassprietjes en de geduldige +mosplantjes gaven zuchtend mede onder het gewicht dat ze te torsen +kregen en vreesden nimmer van den slag te herstellen. + +Sigarenrook krinkelde over de kamperfoelie-struiken en verdreef nijdig +den teederen geur hunner bloemen. + +Harde stemmen verjaagden den vroolijken meezenzwerm, die onder verschrikt +en verontwaardigd getjilp in de naaste boomen toevlucht zocht. + +Een man rees op uit de menigte en ging op een heuveltje staan. Hij had +lang, blond haar en een bleek gezicht. Hij zeide iets en toen deden alle +menschen hunnen mond erg wijd open en begonnen te zingen, zoo hard, dat +de kraaien krassend opvlogen van hunne hooge nesten en de nieuwsgierige +konijntjes, die van den duinrand gekomen waren om eens te kijken, +verschrikt aan 't loopen gingen en een kwartier lang bleven doorloopen, +toen zij reeds veilig weder in 't duin waren. + +Windekind lachte en sloeg den sigarenrook voor zich weg met een varentak, +Johannes kwamen de tranen in de oogen, echter niet van den rook. + +'Windekind,' zeide hij, 'ik wilde weg, het is zoo leelijk en zoo hard.' + +'Neen, wij moeten nog blijven. Gij zult lachen, het wordt nog grappiger.' + +Het zingen hield op en de bleeke man begon te spreken. Hij schreeuwde +hard, opdat allen hem zouden verstaan, maar wat hij zeide klonk erg +vriendelijk. Hij noemde de menschen broeders en zusters en sprak van de +heerlijke natuur en de wonderen der schepping, van Gods zonneschijn en +van de lieve vogelen en bloemen ... + +'Wat is dat?' vroeg Johannes. 'Hoe spreekt hij daarover? Kent hij u? Is +hij een vriend van u?' + +Windekind schudde minachtend het omkranste hoofdje. + +'Hij kent mij niet, de zon, de vogelen, de bloemen evenmin. Het is alles +logen wat hij zegt.' + +De menschen luisterden allen zeer aandachtig. De dikke juffrouw, die op +het blauwe klokje zat, begon verscheiden malen te huilen en wischte de +tranen met haar rokslip af, omdat zij haar zakdoek niet gebruiken kon. + +De bleeke man zeide, dat God ter wille van hun bijeenkomst de zon zoo +vroolijk had laten schijnen; toen lachte Windekind en wierp van uit de +dichte bladen een eikel op zijn neus. + +'Hij zal het anders ondervinden,' zeide hij, 'mijn vader zou voor hem +schijnen, wat verbeeldt hij zich wel.' + +Doch de bleeke man was te veel in vuur geraakt om op den eikel te +letten, die uit de lucht scheen te vallen, hij sprak lang en hoe langer +hoe harder. Op 't laatst werd hij rood en blauw in 't gezicht, balde de +vuisten en schreeuwde zoo luid, dat de bladeren trilden en de grashalmen +ontzet heen en weer wiegelden. Toen hij eindelijk tot bedaren gekomen +was, begonnen allen weer te zingen. + +'Wel foei!' zeide een meerle, die van een hoogen boom het rumoer +aanhoorde. 'Is dat een afschuwelijk leven maken! Ik heb nog liever dat +er koeien in het bosch komen. Hoor dat eens aan. Wel foei!' + +Nu! de meerle is een kenner en heeft een fijnen smaak. + +Na het gezang haalden de menschen uit manden, doozen en zakken, allerlei +eetwaren voor den dag. Er werden papieren uitgespreid en broodjes en +sinaasappelen verdeeld. Ook flesschen en glazen kwamen te voorschijn. + +Toen riep Windekind zijn bondgenooten bijeen en begon den smullenden +troep te belegeren. + +Een dappere kikvorsch sprong op den schoot van een oude juffrouw, vlak +naast het broodje dat zij juist wilde gaan opeten en bleef daar zitten, +als verbaasd over zijn eigen stoutmoedigheid. De juffrouw gaf een +ijselijken gil en staarde ontzet den aanvaller aan, zonder zich te +durven verroeren. Het moedige voorbeeld vond navolging. Groene rupsen +kropen onverschrokken over hoeden, zakdoeken en broodjes, overal angst +en schrik teweegbrengend; groote dikke kruisspinnen lieten zich aan +glinsterende draden neer in bierglazen, op hoofden of halzen en een luid +gegil volgde steeds hunnen aanval; tallooze vliegjes bestormden de +menschen regelrecht in 't gezicht en offerden hun leven voor de goede +zaak, door zich op spijzen en dranken te storten en ze met hun lichaam +onbruikbaar te maken. Eindelijk kwamen de mieren in onafzienbare scharen +en tastten den vijand op de meest onverwachte plaatsen bij honderden +tegelijk aan. Dat bracht een verwarring en ontsteltenis teweeg! Haastig +vlogen mannen en vrouwen van de zoo lang verdrukte mos- en grasplantjes +op; ook het arme, blauwe klokje werd bevrijd, door den welgeslaagden +aanval van twee oorwurmen op de beenen van de dikke juffrouw. De +vertwijfeling nam toe: dansend en springend, onder de zonderlingste +gebaren, trachtten de menschen hun vervolgers te ontkomen. De bleeke man +bood lang weerstand en sloeg met een zwart stokje in 't rond, doch een +paar baldadige meezen, die geen aanvalsmiddel te laag achtten en een +wesp, die hem door zijn zwarte broek heen in de kuit stak, stelden hem +buiten gevecht. + +Toen kon de vroolijke zon zich niet langer goed houden en verborg het +aangezicht achter een wolk. Groote regendroppels daalden op de +strijdende partijen. Het was alsof door den regen plotseling een bosch +van groote, zwarte paddestoelen uit den grond opschoot. Dat waren de +regenschermen die werden uitgespannen. Vrouwen sloegen de rokken over +het hoofd, waardoor witte onderrokken, wit gekouste beenen en schoenen +zonder hakken zichtbaar werden. O, wat had Windekind een pret! hij moest +zich aan den bloemstengel vasthouden van 't lachen. + +Dichter en dichter stroomde de regen, hij begon het bosch met een +grauwen, glinsterenden sluier te omhullen. Kletterende waterstralen +vielen van parapluies, hooge hoeden en zwarte jassen, die glommen als de +schilden van de watertor, de schoenen zoenden en smakten in den +doorweekten grond. Toen gaven de menschen het op, en dropen bij kleine +troepjes zwijgend af, een menigte papieren, ledige flesschen en +sinaasappelschillen als onoogelijke sporen van hun bezoek, achterlatend. +Op het open veldje in het bosch werd het weder eenzaam en hoorde men +spoedig niets meer dan het eentonige ruischen van den regen. + +'Nu, Johannes! nu hebben wij ook menschen gezien. Waarom lacht gij ook +niet om hen?' + +'Ach, Windekind! zijn alle menschen zoo?' + +'O! er zijn nog veel erger en leelijker. Soms razen en tieren zij en +vernielen al wat mooi en heerlijk is. Zij hakken boomen om en zetten er +plompe, vierkante huizen voor in de plaats. Zij vertrappen de bloemen +moedwillig en dooden voor vermaak elk dier, dat onder hun bereik komt. +In hun steden, waar zij opeen kruipen, is alles vuil en zwart en de +lucht bedompt en vergiftigd door stank en rook. Zij zijn geheel vervreemd +van de natuur en hun medeschepselen. Daarom maken zij zulk een dwaas en +droevig figuur, als zij er in terugkeeren.' + +'Ach! Windekind! Windekind!' + +'Waarom weent gij, Johannes? Gij moet niet weenen, omdat gij bij +menschen geboren zijt. Ik heb u immers lief en u verkoren onder allen. +Ik heb u de taal van vlinders en vogelen geleerd en den blik der bloemen +doen verstaan. De maan kent u, en de goede, milde aarde heeft u lief als +haar liefste kind. Waarom zoudt ge niet blij zijn, daar ik uw vriend ben?' + +'O, Windekind dat ben ik! dat ben ik! maar ik moet toch huilen om al die +menschen!' + +'Waarom? Gij behoeft niet bij hen te blijven, als u dat verdriet doet. +Gij kunt hier wonen en mij altijd vergezellen. Wij zullen huizen in het +dichtste van het bosch, in de eenzame, zonnige duinen of in het riet aan +den vijver. Ik zal u overal brengen, op den bodem van het water tusschen +de waterplanten, in de paleizen van elfen en in de woningen van de +kabouters. Ik zal met u zweven over velden en wouden, over vreemde +landen en zeeën. Ik zal spinnen fijne kleederen voor u laten maken en u +vleugels geven, zooals ik ze draag. Wij zullen leven van bloemengeur en +met de elfen in het maanlicht dansen. Als de herfst komt, zullen wij met +den zomer medetrekken, daarheen waar de hooge palmen oprijzen, waar +kleurige bloemtrossen aan de rotsen hangen en het donkerblauwe zeevlak +schittert in de zon. En ik zal u altijd sprookjes vertellen. Wilt ge dat +Johannes?' + +'Zal ik nimmermeer onder menschen wonen?' + +'Onder menschen wacht u eindeloos verdriet, verveling, vermoeienis en +zorg. Dag aan dag zult gij tobben en zuchten onder den last van uw +leven. Zij zullen uwe teedere ziel stooten en pijnigen door hun +grofheden. Zij zullen u ter dood vervelen en martelen. Hebt gij de +menschen meer lief dan mij?' + +'Neen! neen! Windekind, ik wil bij u blijven!' + +Nu kon hij toonen, hoeveel hij van Windekind hield. Ja! hij wilde allen +en alles voor hem verlaten en vergeten. Zijn kamertje, Presto en zijn +vader. Vol vreugde en vastberaden herhaalde hij zijn wensch. + +De regen hield op. Onder grauwe wolken door straalde een heldere +glimlach van de zon over het woud, op de vochtige glanzende bladeren en +op de droppels, die aan elk twijgje en halmpje fonkelden en de +spinnewebben sierden, die over het eikenloof gespannen waren. Langzaam +steeg een fijne nevel uit den vochtigen grond tusschen het kreupelhout +omhoog, duizend zoele droomerige geuren medevoerend. De meerle vloog nu +in den hoogsten boomtop en zong in korte, innige melodieën tot de +dalende zon, als wilde zij toonen welke zang hier paste, in de plechtige +avondstilte, bij de zachte begeleiding der vallende droppen. + +'Is dat niet schooner dan menschengeluid, Johannes? Ja! de meerle weet +wel den juisten toon te treffen. Hier is alles harmonie, zoo volkomen +zult ge ze bij menschen nooit vinden.' + +'Wat is harmonie, Windekind?' + +'Dat is hetzelfde als geluk. Het is dat, waarnaar alles streeft. Ook de +menschen. Doch zij doen als jongens, die een vlinder willen vangen. Zij +jagen haar juist weg door hun domme pogingen.' + +'Zal ik haar bij u vinden?' + +'Ja Johannes! Maar dan moet gij de menschen vergeten. Het is een slecht +begin, bij menschen geboren te zijn, maar gij zijt nog jong, gij moet +alle herinneringen aan uw menschenleven van u afzetten, bij hen zoudt +gij dwalen en in verwarring, strijd en ellende geraken, het zou met u +gaan als met den jongen meikever, van wien ik u vertelde.' + +'Wat is daarmede verder gebeurd?' + +'Hij heeft het heldere schijnsel gezien, waarvan de oude kever sprak; +hij dacht niet beter te kunnen doen, dan er dadelijk heen te vliegen. +Regelrecht vloog hij in een kamer en viel in menschenhanden. Drie dagen +lang is hij daar gemarteld, hij heeft in kartonnen doosjes gezeten, men +heeft hem draadjes aan de pooten gebonden en zoo laten vliegen, toen +heeft hij zich losgerukt, een vleugel en een poot verloren en is +eindelijk, hulpeloos op een vloerkleed rondkruipend en nog vruchteloos +pogend den tuin te bereiken, door een zwaren voet verpletterd. + +'Alle dieren, Johannes, die in den nacht ronddolen, zijn zoo goed +kinderen van de zon als wij. En al hebben zij nimmer hunnen +schitterenden vader gezien, toch drijft hen een onbewuste herinnering +immer weer tot al waaraan licht ontstraalt. En duizenden arme schepsels +der duisternis vinden een jammerlijken dood door die liefde tot de zon, +van wie zij sinds lang gescheiden en vervreemd zijn. Zoo brengt een +onbegrepen, onweerstaanbare neiging de menschen ten verderve in de +schijnbeelden van dat Groote Licht, dat hen deed ontstaan en dat zij +niet meer kennen.' + +Vragend zag Johannes op naar Windekind's oogen. Doch zij waren diep en +geheimvol, als de donkere hemel tusschen de sterren. + +'Bedoelt gij God?' vroeg hij eindelijk schuchter. + +'God?' De diepe oogen lachten zacht. 'Ik weet, Johannes, waaraan gij +denkt, als gij dien klank uitspreekt. Aan den stoel voor uw bed, +waartegen gij het lange gebedje iederen avond zegt, aan de groen saaien +gordijnen voor het kerkraam, waarnaar gij Zondagmorgen zoo lang kijkt, +aan de kapitale letters van uw bijbeltje, aan het kerkezakje met den +langen steel, aan leelijk gezang en een muffe menschenlucht. Wat gij met +dien naam bedoelt, Johannes, is een belachelijk schijnbeeld, in plaats +van de zon, een groote petroleumlamp, waarop honderden en duizenden +mugjes hulpeloos zitten vastgeplakt.' + +'Maar hoe heet dan dat Groote Licht, Windekind? en tot wien moet ik dan +bidden?' + +'Johannes, het is alsof een schimmelplantje mij vroeg hoe de aarde +heette, die met haar ronddraait. Was er een antwoord op uw vraag, gij +zoudt het verstaan als een aardworm de muziek der sterren. Doch bidden +zal ik u leeren.' + +En met den kleinen Johannes, die in stille verwondering over Windekind's +woorden peinsde, vloog hij uit het bosch omhoog, zoo hoog, dat over den +duinrand een lange, als goud fonkelende streep zichtbaar werd. Zij +vlogen voort, de grillig beschaduwde duinvlakte gleed onder hun blikken +weg en breeder en breeder werd de lichtstreep. De groene kleur der +duinen week, vaal zag het helm en vreemde, bleekblauwe planten groeiden +er tusschen. Nog een hooge heuvelreeks, een lang gestrekte, smalle +zandstrook en dan de wijde, ontzaglijke zee. + +Blauw was het groote vlak, tot aan de kimme, maar onder de zon straalde +een smalle strook in verblindend roode schittering. Een lange, donzig +witte schuimrand omzoomde het zeevlak, zooals hermelijn het blauw fluweel +omzoomt. + +En aan de kimme scheidde lucht en water een fijne, wonderbare lijn. Een +wonder scheen zij: recht en toch gebogen, scherp en toch onbestemd, +zichtbaar en toch onnaspeurlijk. Zij was als de toon eener harp, die +lang en droomend naklinkt, die schijnt weg te sterven en toch blijft. + +Toen zette de kleine Johannes zich op den duinrand en staarde ..., +staarde in lang, roerloos zwijgen totdat het hem was, alsof hij ging +sterven, alsof de groote, gouden deuren van het heelal zich statig +ontsloten en zijne kleine ziel het eerste licht der oneindigheid +tegenzweefde. + +En totdat de tranen, die in zijn wijd geopende oogen welden, de schoone +zon omfloersten en de pracht van hemel en aarde deden wegdeinzen in een +duistere, trillende schemering ... + +'Zoo moet gij bidden!' zeide toen Windekind. + + + + +V + + +Hebt gij wel eens op een fraaien herfstdag door het bosch gedwaald? Als +de zon zoo stil en helder op het rijkgetinte loover schijnt, als de +takken kraken en de dorre bladeren ruischen onder uw voet? + +Dan schijnt het woud zoo moede, het kan nog slechts deinzen en leeft in +oude herinneringen. Een blauwe nevel omringt het, als een droom, met +geheimzinnige pracht en de glinsterende herfstdraden zweven door de +lucht in trage golving, als schoone, doellooze mijmeringen. + +Doch uit den vochtigen grond, tusschen mos en dorre bladeren, verrijzen +dan plotseling en raadselachtig de wonderlijke gestalten der +paddestoelen. Sommige dik, wanstaltig en vleezig, andere slank en +rijzig, met geringden steel en schitterend gekleurden hoed. Dat zijn +zonderlinge droombeelden van het woud. + +Dan ziet men ook op vermolmde boomstronken tallooze kleine, witte +stompjes, met zwarte topjes, alsof zij verbrand waren. Sommige wijze +menschen houden ze voor een soort zwammen. Doch Johannes leerde beter: + +Het zijn kaarsjes. Zij branden in stille herfstnachten, dan zitten er de +kaboutermannetjes bij en lezen in kleine boekjes. + +Dat leerde hem Windekind op zulk een stillen herfstdag, en Johannes ademde +droomstemming in met den doffen geur, die uit den boschgrond opsteeg. + +Hoe komen de bladeren van den eschdoorn zoo zwartgevlekt? + +'Ja, dat doen de kabouters ook,' zei Windekind. 'Als zij des nachts +geschreven hebben, gooien zij des morgens de rest van hun inktpotjes +over die bladeren uit. Zij houden niet van dien boom. Van esschenhout +maakt men kruisjes en stelen voor kerkezakjes.' + +Johannes werd nieuwsgierig naar die kleine, vlijtige kabouters, en hij +liet Windekind beloven, hem bij één van hen te brengen. + +Lang was hij reeds bij Windekind geweest, en hij was zoo gelukkig in +zijn nieuw leven, dat hij nog weinig berouw gevoelde over zijn belofte, +al het achtergelatene te vergeten. Er waren geen tijden van angst of +eenzaamheid, waarin altijd het berouw komt. Windekind verliet hem nooit, +en bij hem was elke plek een te huis. Rustig sliep hij in het wiegelend +nest van een karkiet, dat tusschen de groene riethalmen hing, al brulde +de roerdomp en krasten de kraaien nog zoo onheilspellend. Geen angst +voelde hij bij kletterenden regen of suizenden storm, dan school hij in +holle boomen, of konijnenholen, en kroop dicht onder Windekinds +manteltje en luisterde naar zijn stem die sprookjes verhaalde. + +En nu zou hij de kabouters zien. + +'t Was een goede dag daarvoor. Zoo stil! zoo stil! Johannes meende reeds +hun fijne stemmetjes en het geschuifel hunner voetjes te hooren, doch +het was nog middag. De vogelen waren bijna allen weg, alleen de lijsters +smulden aan de helroode bessen. Eén zat gevangen in een strik. Met +uitgespreide vleugels hing zij daar en spartelde, tot het scherp +omknelde pootje bijna vaneen scheurde. Spoedig bevrijdde haar Johannes, +en onder blij getink vloog zij ijlings weg. + +De paddestoelen hadden het druk onder elkaar. + +'Zie mij eens!' zeide een dikke duivels-zwam. 'Hebt ge ooit zoo iets +gezien? Zie hoe dik en wit mijn steel is en hoe mijn hoed glimt. Ik ben +de grootste van allen. En dat in één nacht!' 'Ba!' zeide de roode +vliegenzwam, 'gij zijt zeer lomp. Zoo bruin en grof. Ik wiegel op mijn +slanken steel als een riethalm. Ik ben prachtig rood als de +lijsterbessen en sierlijk gespikkeld. Ik ben schooner dan allen.' + +'Stil!' zeide Johannes, die hen wel kende van vroeger dagen: 'gij zijt +beiden giftig.' + +'Dat is een deugd,' zei de vliegenzwam. + +'Zijt gij een mensch bij geval?' bromde de dikke schamper. 'Dan mag ik +lijden dat gij mij opeet.' + +Dat deed Johannes echter niet. Hij nam dorre takjes en stak die in den +vleezigen hoed. Dat stond gek en alle andere lachten. Ook een troepje +dunne paddestoelen met bruine kopjes, die gezamenlijk in een paar uur +waren opgeschoten en elkaar verdrongen om in de wereld te kijken. De +duivelszwam werd blauw van kwaadheid. Daar kwam zijn giftige aard mee +aan den dag. + +Aardsterren hieven haar ronde, opgeblazen hoofdjes op vierpuntige +voetstukjes. Van tijd tot tijd vloog een bruin wolkje uiterst fijn +poeder uit de opening van het ronde hoofdje. Waar dat poeder neerviel in +vochtigen bodem, zouden zich draden door de zwarte aarde vlechten en het +volgende jaar honderden nieuwe aardsterren opschieten. + +'Welk een schoon bestaan!' zeiden zij tot elkaar. + +'Stuiven is het hoogste levensdoel! Welk een geluk te kunnen stuiven zoo +lang men leeft!' + +En met aandachtige toewijding dreven zij de kleine poederwolkjes in de +lucht. + +'Hebben zij gelijk, Windekind?' + +'Waarom niet? Wat kan voor hen hooger zijn? Gelukkig dat zij niet meer +verlangen, want zij kunnen niet anders.' + +Toen de nacht was gedaald en de schaduwen der boomen tot een gelijkmatig +duister waren ineengevloeid, hield het geheimzinnige woudleven niet op. +De takjes kraakten en knapten, de dorre blaadjes ritselden hier en daar, +tusschen het gras en in het kreupelhout. Johannes voelde den tocht van +onhoorbare vleugelslagen en was bewust van de nabijheid van onzichtbare +wezens. Nu hoorde hij toch duidelijk stemmetjes fluisteren en voetjes +trippelen. Zie, daar in de duistere diepte der struiken gloeide even een +klein, blauw vonkje en verdween. Daar weder een en weder! Stil ... als +hij goed luisterde, hoorde hij geschuifel in de bladeren vlak bij +hem,--bij dien donkeren boomstronk. De blauwe lichtjes kwamen er achter +te voorschijn en hielden stil op den top. + +Overal zag Johannes nu lichtglansen glimmen, zij zweefden tusschen het +donkere loover, dansten met kleine sprongen langs den grond, en ginds +straalde een groote tintelende massa als een blauw vreugdevuur. + +'Wat is dat voor een vuur?' vroeg Johannes. 'Dat brandt prachtig!' + +'Dat is een vermolmde boomstam,' zeide Windekind. Zij gingen op een +stil, helder lichtje af. + +'Nu zal ik u aan Wistik voorstellen. Dat is de oudste en wijste der +kabouters.' + +Dichterbij gekomen, zag Johannes hem bij zijn kaarsje zitten. Duidelijk +kon men bij den blauwen schijn het gerimpeld gezichtje met den grijzen +baard onderscheiden; hij las hardop met saamgetrokken wenkbrauwen. Op +het hoofd droeg hij een eikelkapje met een klein veertje, vóór hem zat +een kruisspin en luisterde naar de voorlezing. + +Toen de twee naderden, keek de kabouter zonder het hoofd op te heffen, +uit zijn boekje op en trok de wenkbrauwen in de hoogte. De kruisspin +kroop weg. 'Goeden avond!' zeide de kabouter. 'Ik ben Wistik. Wie zijt +gij beiden?' + +'Ik heet Johannes. Ik wilde graag met u kennis maken. Wat leest gij +daar?' + +'Dat is niet voor uwe ooren bestemd,' zeide Wistik; 'dat is alleen voor +kruisspinnen.' + +'Laat het mij ook eens zien, lieve Wistik!' vroeg Johannes. + +'Dat mag ik niet. Dat is het heilige boek der spinnen, dat bewaar ik en +mag ik nooit uit mijn handen geven. Ik heb de heilige boeken van torren +en vlinders en egels en mollen en al wat hier leeft. Zij kunnen niet +allen lezen en als zij nu iets willen weten, lees ik het hun voor. Dat +is een groote eer voor mij, een post van vertrouwen, begrijpt ge?' + +Het mannetje knikte een paar malen zeer ernstig en stak een +wijsvingertje op. + +'Waaraan waart gij nu bezig?' + +'Aan de geschiedenis van Kribbelgauw, den grooten held der kruisspinnen, +die heel lang geleden leefde en een net had, dat over drie boomen +gespannen was, waarin hij millioenen vliegen op één dag ving. Vóór +Kribbelgauw's tijd maakten de spinnen geen netten en leefden van gras en +doode beestjes; maar Kribbelgauw was een knappe kop en bewees, dat ook +levende beestjes tot spinnenvoedsel gemaakt waren. Toen vond Kribbelgauw +ook de kunstige netten uit, door moeilijke berekeningen, want hij was +een groot wiskunstenaar. En de kruisspinnen maken nog altijd haar netten +precies, draadje aan draadje zooals hij het geleerd heeft, maar veel +kleiner. Want het spinnengeslacht is erg ontaard. Kribbelgauw ving +groote vogels in zijn net en vermoordde duizend van zijn eigen kinderen, +dat was nog eens een groote spin. Eindelijk is er een geweldige storm +gekomen en heeft Kribbelgauw met zijn net en de drie boomen, waaraan het +vastzat, mede door de lucht gesleept, naar verre bosschen, waar hij nu +eeuwig vereerd wordt om zijn grooten moordlust en vlugheid.' + +'Is dat alles waar?' vroeg Johannes. + +'Het staat in dit boekje,' zeide Wistik. + +'Gelooft gij het?' + +De kabouter kneep één oog dicht en legde den wijsvinger langs den neus. + +'In de heilige boekjes van andere dieren, waarin over Kribbelgauw +gesproken wordt, heet hij een verfoeilijk en verachtelijk monster. Maar +ik houd er mij buiten.' + +'Is er ook een kabouterboekje, Wistik?' + +Wistik keek Johannes eenigszins wantrouwend aan. + +'Wat zijt gij eigenlijk voor een wezen, Johannes? Gij hebt zoo iets ... +zoo iets ... menschelijks, zou ik zeggen.' + +'Neen! neen! wees gerust, Wistik,' zeide Windekind toen, 'wij zijn +elfen. Maar Johannes heeft vroeger veel menschen gezien. Gij kunt hem +echter vertrouwen. Het zal hem geen kwaad doen.' + +'Ja! ja! dat is goed en wel, maar ik heet de wijste der kabouters en ik +heb lang en ijverig gestudeerd vóórdat ik wist wat ik weet. Nu moet ik +voorzichtig zijn met mijn wijsheid. Als ik te veel vertel, verlies ik +mijn reputatie.' + +'Maar in welk boekje denkt gij dan, dat het rechte staat?' + +'Ik heb veel gelezen, maar ik geloof niet, dat ik dat boekje ooit +gelezen heb. Het is niet het elfenboekje, ook niet het kabouterboekje. +Toch moet het er zijn.' + +'Het menschenboekje misschien?' + +'Dat ken ik niet, maar ik zou het niet denken. Want het ware boekje moet +groot geluk en grooten vrede brengen, daarin moet nauwkeurig staan, +waarom alles is zooals het is, zoodat niemand iets meer kan vragen of +verlangen. Nu, zóó ver zijn de menschen, geloof ik, niet.' + +'O! O neen!' lachte Windekind. + +'Is er stellig zulk een boekje?' vroeg Johannes gretig. + +'Ja! ja!' fluisterde het kaboutertje, 'ik weet het uit oude, oude +verhalen. En--stil!--ik weet ook waar het is en wie het vinden kan.' + +'O! Wistik! Wistik!' + +'Waarom hebt gij het dan nog niet?' vroeg Windekind. + +'Geduld maar, dat zal wel gebeuren. Enkele bizonderheden weet ik nog +niet. Doch spoedig zal ik het vinden. Ik heb er mijn leven lang voor +gewerkt en naar gezocht. Want voor hem, die het vindt, zal het leven +zijn als een eeuwige herfstdag, blauwe lucht omhoog en blauwe nevel +rondom, doch geen vallend blad zal ritselen, geen takje zal kraken en +geen druppel zal tikken, de schaduwen zullen niet veranderen, en het +goud op de boomtoppen zal niet verbleeken. Wat ons licht schijnt, zal +duister zijn, en wat ons gelukkig schijnt, zal droevig wezen voor hem +die dat boekje gelezen heeft. Ja! dit alles weet ik, en ik zal het ook +eenmaal vinden.' + +Het kaboutertje trok de wenkbrauwen zeer hoog op en legde den vinger op +zijn mond. + +'Wistik zoudt gij mij kunnen leeren ...' begon Johannes; doch eer hij kon +uitspreken, voelde hij een hevige windvlaag en zag een groote, zwarte +gedaante vlak boven zich, die snel en onhoorbaar voorbijschoot. + +Toen hij weer naar Wistik keek, zag hij nog even een voetje in den +boomstronk verdwijnen. Wip! was het kaboutertje voorover in zijn hol +gesprongen, met boek en al. Het kaarsje begon flauwer en flauwer te +branden en ging opeens uit. Het zijn zeer bizondere kaarsjes. + +'Wat was dat?' vroeg Johannes, zich in het duister angstig aan Windekind +vastklemmend. + +'Een nachtuil,' zeide Windekind. + +Zij zwegen beiden een tijdlang. Toen vroeg Johannes: 'Gelooft gij wat +Wistik gezegd heeft?' + +'Wistik is niet zoo wijs als hij zelf denkt. Zulk een boekje vindt hij +nimmer, en gij ook niet.' + +'Maar bestaat het?' + +'Dat boekje bestaat zooals uw schaduw bestaat, Johannes! Hoe hard gij +loopt en hoe omzichtig gij grijpt, gij zult haar niet inhalen of vatten. +En eindelijk merkt ge dat ge u-zelven zoekt. Wees niet dwaas en vergeet +dien kabouterpraat! Ik zal u honderd mooiere geschiedenissen vertellen. +Ga mede; wij zullen naar den rand van 't bosch gaan en zien hoe onze +goede Vader de witte wollen dauwdekens van de slapende weilanden +licht. Ga mede!' + +Johannes ging, doch Windekinds woorden begreep hij niet en zijn raad +volgde hij niet. En terwijl hij den schitterenden herfstmorgen zag +rijzen, mijmerde hij over het boekje, waarin stond, waarom alles is +zooals het is, en herhaalde zachtjes bij zichzelve: 'Wistik! ...' + + + + +VI + + +Toen scheen het hem, de volgende dagen, alsof het niet zoo vroolijk en +prettig meer was bij Windekind in het bosch en de duinen. Zijn gedachten +waren niet geheel meer vervuld van al hetgeen Windekind zeide en hem +liet zien. Telkens moest hij weder over dat boekje peinzen en daarover +durfde hij niet spreken. Wat hij zag, scheen hem niet zoo mooi en +wondervol meer als vroeger. De wolken waren zoo zwart en zwaar en +maakten hem angstig, als zouden zij op hem neerkomen. Het deed hem pijn, +als de herfstwind rusteloos de arme, moede boomen schudde en zweepte, +dat de bleeke achterkant der groene bladeren boven kwam en geel loof en +dorre takken opvlogen in de lucht. + +Wat Windekind vertelde, gaf hem geen voldoening. Veel begreep hij niet, +en nimmer kreeg hij een volkomen duidelijk en bevredigend antwoord, +wanneer hij een van zijn oude vragen deed. + +Dan moest hij weer aan dat boekje denken, waarin alles zoo klaar en +eenvoudig geschreven stond, en aan dien eeuwig zonnigen stillen +herfstdag, die dan volgen zou. + +'Wistik! Wistik!' + +Windekind hoorde het. + +'Johannes! gij zult toch een mensch blijven, vrees ik. Zelfs uw +vriendschap is als die van menschen, de eerste, die tot u sprak na mij, +heeft al uw vertrouwen weggenomen. Ach, mijn moeder had wel gelijk!' + +'Neen Windekind! maar gij zijt zooveel wijzer dan Wistik, gij zijt ook +zoo wijs als dat boekje. Waarom zegt gij mij alles niet? Zie, nu! waarom +blaast de wind door de boomen, dat zij moeten buigen en weer buigen? +Zie, zij kunnen niet meer, de mooiste takken breken, en bij honderden +laten de blaadjes los ook al zijn ze nog groen en frisch. Ze zijn zoo +moede en kunnen niet meer vasthouden, en toch worden ze telkens weer +opnieuw geschud en geslagen door dien ruwen nijdigen wind. Waarom is +dat? Wat wil de wind?' + +'Arme Johannes! dat is menschentaal!' + +'Laat het stil worden, Windekind! Ik wil stilte en zonneschijn!' + +'Gij vraagt en wilt als een mensch, daarvoor is antwoord noch +vervulling. Als gij niet beter leert vragen en wenschen, zal de +herfstdag nimmer voor u aanbreken, en gij wordt als de duizenden +menschen, die Wistik gesproken hebben.' + +'Zijn er zooveel?' + +'Ja, duizenden! Wistik hield zich heel geheimzinnig maar toch is hij een +prater, die zijn geheim niet verzwijgen kan. Hij hoopt het boekje bij de +menschen te vinden, en deelt zijn wijsheid aan ieder mee, die hem +misschien kan helpen. En al veel ongelukkigen heeft hij er mede gemaakt. +Zij gelooven hem en gaan het boekje zoeken, met evenveel ijver als +sommigen de kunst om goud te maken. Zij offeren alles op, vergeten al +hun bedrijf en geluk en sluiten zich op tusschen dikke boeken, vreemde +stoffen en werktuigen. Zij wagen hun leven en gezondheid, ze vergeten +den blauwen hemel en de goede, milde natuur en ook hun medemenschen. +Soms vinden zij mooie en nuttige dingen als goudklompen, die zij uit hun +holen op de lichte, zonnige aardoppervlakte gooien, doch zelf bekommeren +zij zich daar niet om, laten anderen er van genieten en graven en +wroeten ingespannen en rusteloos in het duister voort. Geen goud zoeken +zij, maar het boekje. Sommigen versuffen ook onder den arbeid, vergeten +hun doel en hun wensch en dwalen af tot jammerlijk gebeuzel. Dan heeft +de kabouter hen kindsch gemaakt. Men ziet ze torentjes van zand bouwen +en tellen hoeveel korrels er noodig zijn voordat ze omvallen; ze maken +watervalletjes en berekenen precies elk bochtje en golfje, dat het water +maken zal; ze graven kuiltjes en besteden al hun geduld en vernuft, om +die mooi glad en zonder steentjes te krijgen. Stoort men die arme +verdwaasden in hun werk en vraagt men wat zij doen, dan zien zij u +ernstig en gewichtig aan, schudden het hoofd en mompelen: 'Wistik! +Wistik!' Ja, dit alles is de schuld van dien kleinen, naren kabouter. +Pas op voor hem, Johannes!' + +Doch Johannes staarde voor zich naar de zwaaiende en piepende boomen; +boven zijn heldere kinderoogen plooide zich de teedere huid tot rimpels. +Nog nooit had hij zoo ernstig gekeken. + +'Maar toch, ge hebt het zelf gezegd, het boekje was er! O, ik weet zeker, +daar staat ook in van het Groote Licht, dat gij mij niet noemen wilt.' + +'Arme, arme Johannes!' zeide Windekind, en zijn stem was boven het roezig +geruisch van den storm als een vredig choraalgezang, dat van verre klonk. +'Heb mij lief, heb mij lief met uw geheele wezen. In mij vindt gij meer +dan dat wat ge wenscht. Gij zult begrijpen wat gij u niet denken kunt, en +gij zult zelf zijn, wat gij verlangt te kennen. Aarde en hemel zullen uw +vertrouwden, de sterren zullen uw naasten, de oneindigheid zal uw woning +zijn. + +'Heb mij lief, heb mij lief! omvat mij als de hoprank den boomstam, +blijf mij trouw als het meer den bodem, in mij alleen is al uw rust, +Johannes!' + +Windekind's woorden zwegen, doch het was alsof het choraalgezang +voortduurde. Uit verwijderde verte scheen het aan te zweven, plechtig en +gelijkmatig, door het razen en suizen van den wind, vredig als het +maanlicht, dat door de jagende wolken scheen. + +Windekind breidde de armen uit, en Johannes sliep aan zijne borst, +beschermd door het blauwe manteltje. + +Doch in den nacht werd hij wakker. De stilte was plotseling en +onmerkbaar over de aarde gekomen, de maan onder de kimmen gedaald. +Roerloos hing het afgematte loover, zwijgende duisternis vervulde +het bosch. + +Daar kwamen de vragen in snelle, spookachtige opvolging in Johannes' +hoofd terug en dreven het nog zoo jonge vertrouwen voor zich uit. Waarom +waren de menschen zoo? Waarom moest hij hen verlaten? hun liefde +verliezen? Waarom moest het winter worden? Waarom moesten de bladeren +vallen en de bloemen sterven? Waarom? Waarom? + +Daar dansten in de diepte van 't kreupelhout weder de blauwe lichtjes. +Zij kwamen en gingen. Ingespannen staarde Johannes hen na. Hij zag het +groote, heldere lichtje glanzen op den donkeren boomstronk. Windekind +sliep vast en rustig. 'Nog één vraag!' dacht Johannes en gleed onder het +blauwe manteltje weg. + +'Zijt ge daar weer!' zeide Wistik en knikte hartelijk. 'Dat doet mij +zeer veel genoegen. Waar is uw vriend?' + +'Daarginder. Ik wilde u alleen nog één vraag doen. Wilt gij mij daarop +antwoorden?' + +'Gij zijt bij menschen geweest, niet waar? Is het u om mijn geheim te +doen?' + +'Wie zal dat boekje vinden, Wistik?' + +'Ja, Ja! dat is het! dat is het! Wilt ge mij helpen, als ik het u zeg? + +'Als ik kan, zeker!' + +'Luister dan, Johannes!' Wistik zette verbazend groote oogen en trok +zijn wenkbrauwen hooger op dan ooit. Toen fluisterde hij langs den rug +van zijn handje: 'Menschen hebben het gouden kistje, elfen hebben den +gouden sleutel, elfenvijand vindt het niet, menschenvriend slechts opent +het. Lentenacht is de rechte tijd, en roodborstje weet den weg.' + +'Is dat waar? Is dat waar?' riep Johannes en dacht aan zijn sleuteltje. + +'Ja!' zeide Wistik. + +'Waarom vond het nog niemand dan? Zooveel menschen zoeken er naar.' + +'Ik heb geen mensch, geen mensch gezegd, wat ik u vertrouwd heb. Ik vond +nog nooit een elfenvriend.' + +'Ik heb het, Wistik! ik kan u helpen!' Johannes juichte en klapte in de +handen. 'Ik zal het Windekind vragen.' + +Weg vloog hij over mos en dorre bladeren. Doch hij struikelde telkens, +en zijn tred was zwaar. Dikke takken knapten onder zijn voet, waar hij +anders geen grashalmpje boog. + +Daar was de dichte varenplant, waaronder zij geslapen hadden, wat leek +zij hem laag. + +'Windekind!' riep hij. Doch hij schrikte van het geluid van zijn stem. + +'Windekind!' Het klonk als een menschenstem, een schuwe nachtvogel vloog +krijschend op. + +Ledig was het onder den varenstruik, Johannes zag niets. + +De blauwe lichtjes waren verdwenen; het was kil en grondeloos duister om +hem heen. Boven zich zag hij de zwarte schimmen der boomkruinen tegen de +sterrenlucht. + +Nog ééns riep hij. Toen durfde hij niet meer. Zijn stem was een schennis +in de stilte, en Windekinds naam scheen een spotklank. + +Toen viel het arme Johannesje neder en snikte in radeloos berouw. + + + + +VII + + +Kil en grauw was de morgen. De zwarte glimmende takken, door den storm +ontbladerd, weenden in den mist. + +Over het natte, neêrgeslagen gras liep de kleine Johannes haastig voort, +voor zich uit starend naar den kant, waar het woud lichter werd, als had +hij daar een doel. Zijn oogen waren rood van 't weenen en strak van +angst en jammer. Zoo had hij den ganschen nacht geloopen, alleen zoekend +naar het licht, met Windekind was het veilig thuisgevoel weg. In elke +donkere plek zat het spook der verlatenheid, en hij durfde niet omzien. + +Eindelijk kwam hij aan den boschrand. Hij zag over een weiland, waarop +een fijne, klamme regen langzaam neêrstreek. Er stond een paard midden +in, naast een kalen wilgeboom. Het stond onbeweeglijk met gebogen kop, +en het water droppelde traag van zijn glimmende zijden en uit de +saamgepakte manen. + +Johannes liep door, langs het bosch. Hij keek met matten, angstigen blik +naar het eenzame paard en den grauwen regennevel en kreunde zacht. + +'Nu is alles uit,' dacht hij; 'nu zal de zon wel nooit meer terugkomen. +Nu zal het altoos voor mij blijven zooals hier.' + +Toch durfde hij in zijn wanhoop niet stilstaan, dan zou het vreeselijkste +komen, dacht hij. + +Toen zag hij het groote hek van een buitenplaats en een huisje, onder +een lindeboom met helder-gele bladeren. + +Hij ging het hek in en liep door de breede lanen, waar de bruine en gele +lindebladeren in een dikke laag den grond bedekten. Langs de grasperken +groeiden paarse asters en andere kleurige herfstbloemen verwilderd dooreen. + +Hij kwam aan een vijver. Daarbij stond een groot huis met lage ramen en +glazen deuren. Rozenstruiken en klimop groeiden tegen de muren. Het was +overal doodsch en gesloten. Half ontbladerde kastanjeboomen stonden stil +rondom, en op den grond, tusschen het afgevallen loover, zag Johannes de +glimmend bruine kastanjes blinken. + +Toen week het kille, doode gevoel van hem. Hij dacht aan zijn eigen +huis, daar waren ook kastanjeboomen, en altijd ging hij in dezen tijd de +gladde kastanjes zoeken. Hij begon plotseling te verlangen, alsof hij +een bekende stem had hooren roepen. Hij zette zich op een bank bij het +groote huis en schreide zich rustig. + +Een eigenaardige geur deed hem opkijken. Er stond een man bij hem, met +een wit voorschoot om en een pijp in den mond. Om zijn middel had hij +strooken lindebast, waarmede hij de bloemen opbond. Johannes kende dien +reuk zoo goed, hij deed hem aan zijn eigen tuin denken en aan den tuinman, +die hem mooie rupsen bracht en spreeuweneieren voor hem uithaalde. + +Hij schrikte niet, al was het een mensch, die bij hem stond. Hij vertelde +den man dat hij verlaten en verdwaald was, en dankbaar volgde hij hem naar +de kleine woning onder den geelgebladerden lindeboom. + +Daarbinnen zat de tuinmansvrouw en breide zwarte kousen. Over het +turfvuurtje op de haardplaat hing een groote ketel water te koken. Op de +vloermat bij het vuur zat een kat met gevouwen voorpooten, juist zooals +Simon gezeten had, toen Johannes van huis ging. + +Johannes werd bij het vuur gezet, om zijn voeten te drogen. 'Tik!--Tik! +--Tik!--Tik!' zeide de groote hangklok. Johannes keek naar den stoom, +die suizend uit den ketel vloog, en naar de kleine vlammetjes, die vlug +en grillig om de turven huppelden. 'Nu ben ik onder menschen,' dacht hij. + +Dat was niet naar. Hij voelde zich kalm en rustig. Zij waren goed en +vriendelijk en vroegen hem, wat hij nu het liefst wilde. 'Het liefst +wilde ik hier blijven,' antwoordde hij. + +Hier had hij rust, en als hij naar huis ging, zouden er verdriet en +tranen komen. Hij had moeten zwijgen, en men zou hem zeggen, dat hij +kwaad had gedaan. Hij zou alles terug moeten zien en alles nog eens +moeten denken. + +Wel verlangde hij naar zijn kamertje, naar zijn vader, naar Presto, maar +hij droeg liever het stille verlangen hier, dan het pijnlijke moeilijke +wederzien. En het was of hij hier aan Windekind kon blijven denken, en +thuis niet. + +Windekind was nu zeker weggegaan. Ver weg naar het zonnige land, waar de +palmen over de blauwe zee heenbuigen. Hij wilde hier boete doen en op +hem wachten. + +Daarom smeekte hij de beide goede menschen, of hij bij hen mocht +blijven. Hij zou gehoorzaam zijn en voor hen werken. Hij zou helpen den +tuin en de bloemen te verzorgen. Alleen dezen winter maar. Want hij +hoopte in stilte, dat Windekind met de lente zou terugkomen. + +De tuinman en zijn vrouw dachten dat Johannes was weggeloopen, omdat hij +thuis hard behandeld werd. Zij hadden medelijden met hem, en beloofden +hem, dat hij blijven mocht. + +Hij bleef en hielp de bloemen in den tuin verzorgen. Een slaapkamertje +gaf men hem, met een bedstede van blauwe planken. Daaruit zag hij 's +ochtends de natte, gele lindebladeren langs het venster strijken en 's +nachts de donkere stammen heen en weer wiegelen, waarachter de sterren +schuilevinkje speelden. Nu gaf hij namen aan de sterren en noemde de +helderste: Windekind. + +Aan de bloemen, die hij meest alle kende van huis, vertelde hij zijne +geschiedenis. Aan de ernstige, groote asters, aan de kleurige zinnia's, +aan de witte chrysanthen, die zoo lang bleven bloeien in het ruwe +najaar. Toen alle andere bloemen dood waren, stonden de chrysanthen nog, +en zelfs toen op een morgen de eerste sneeuw gevallen was en Johannes +vroeg naar haar kwam kijken, staken zij haar vroolijke gezichtjes op en +zeiden: 'Ja, wij zijn er nog! Dat hadt ge niet gedacht!' Zij hielden +zich goed, doch twee dagen later waren zij allen dood. + +Maar in de serre prijkten dan nog palmen en boomvarens en hingen de +vreemde bloemtrossen der orchideeën in de vochtige zoelte. Met +verwondering staarde Johannes in haar prachtige kelken en dacht aan +Windekind. Hoe kil en kleurloos scheen alles dan, als hij buiten kwam, +de natte sneeuw met de zwarte voetstappen en de rafelende, druipende +boomgeraamten. + +Alleen als de sneeuwvlokken uren en uren achtereen zwijgend waren +neergezegen, zoodat de twijgen bogen onder het aangroeiend dons, liep +Johannes graag in de violette schemering van het sneeuwbeschaduwd bosch. +Dat was stilte, maar geen dood. En het was bijna schooner dan zomergroen, +als het blinkend wit der gekruiste takjes tegen den helderblauwen hemel +afstak, of als een te zwaar beladen struik het sneeuwloof van zich af +liet glijden, zoodat het, tot een schitterend wolkje verstuivend, daalde. + +Eens op zulk een wandeling, toen hij zoo ver gekomen was, dat hij niets +om zich zag dan sneeuw en sneeuwdragende takken,--half wit, half +zwart--en alle geluid en leven verdoofd schenen in het glinsterend +donzen hulsel, gebeurde het, dat hij een klein, wit diertje snel voor +zich uit meende te zien loopen. Hij volgde het,--het geleek op geen +diertje, dat hij kende,--doch toen hij het wilde grijpen, verdween het +schielijk in een boomstronk. Johannes tuurde in de ronde zwarte opening +waarin het verdwenen was, en dacht: 'Zou dat Wistik zijn?' + +Hij dacht niet veel aan hem. Het scheen hem slecht, en hij wilde zijn +boete niet verzwakken. En het leven bij de twee goede menschen deed hem +weinig vragen. Wel moest hij 's avonds voorlezen uit een dik boek waarin +veel over God gesproken werd, doch hij kende dat boek en las gedachteloos. + +Den nacht echter na die wandeling in de sneeuw, lag hij wakker in zijn +bedstede en keek naar het koude schijnsel der maan op den vloer. Daar +zag hij opeens twee kleine handjes, die boven de beddeplank uitkwamen en +zich stevig om den rand haakten. Toen verscheen de punt van een wit +pelsmutsje tusschen de twee handjes, en eindelijk zag hij een paar +ernstige oogjes onder hoog getrokken wenkbrauwen. + +'Goeden avond, Johannes!' zeide Wistik. 'Ik kwam u even herinneren aan +onze afspraak. Gij kunt het boekje nog niet gevonden hebben, want het is +nog geen lente. Maar denkt gij er wel om? Wat is dat voor een dik boek, +waarin ik u heb zien lezen? Dat kan het echte niet zijn. Denk dat niet.' + +'Dat denk ik niet, Wistik,' zeide Johannes. Hij keerde zich om en wilde +slapen. Doch het sleuteltje wilde hem niet uit het hoofd. En als hij +voortaan in het dikke boek las, dacht hij er bij, en hij zag dan +duidelijk dat het niet het echte was. + + + + +VIII + + +'Nu zal hij komen!' dacht Johannes, toen de eerste maal de sneeuw was +weggesmolten en hier en daar de sneeuwklokjes bij groepjes te voorschijn +kwamen. 'Zou hij nu komen?' vroeg hij aan de sneeuwklokjes. Doch zij +wisten het niet en bleven met hangende hoofdjes naar de aarde kijken, +alsof zij beschaamd waren over hun haast en wel weer weg wilden kruipen. + +Konden zij maar! De verstijvende oostenwind begon alras weer te blazen, +en de sneeuw stapelde zich hoog over de voorbarige stumpertjes. + +Weken later kwamen de viooltjes, hun zoete geur zweefde tusschen het +kreupelhout, en toen de zon lang en warm op den mossigen grond geschenen +had, ontloken ook de blonde primula's bij honderden en duizenden. + +De schuwe violen met haar sterke geuren waren geheimzinnige voorboden +van komende heerlijkheid, doch de vroolijke primula's waren de blijde +werkelijkheid zelve. De ontwaakte aarde had de eerste zonnestralen +vastgehouden en maakte er een gouden siersel van. 'Nu dan! nu komt hij +toch zeker!' dacht Johannes. Met spanning bezag hij de knoppen aan de +takken hoe zij van dag tot dag langzaam zwollen en zich uit de schors +loswrongen, tot de eerste bleekgroene puntjes tusschen de bruine +schubben te voorschijn kwamen. Lang bleef Johannes op die groene +blaadjes kijken, hij zag ze toch nooit bewegen, en als hij zich even had +omgedraaid, schenen ze grooter geworden. 'Ze durven niet, als ik hen +aankijk,' dacht hij. + +Reeds begon het groen schaduw te werpen. Nog was Windekind niet gekomen, +geen duif was bij hem neergestreken, geen muisje had tegen hem gesproken. +Als hij tot de bloemen sprak, knikten zij slechts even en antwoordden +niet. 'Mijn straf is nog niet om,' dacht hij. + +Toen kwam hij op een zonnigen lentemorgen bij den vijver van het huis. +De ramen waren alle wijd geopend. Zouden er menschen in gekomen zijn? + +De vogelkers-struik, die aan den vijver stond, was al heelemaal met +teedere blaadjes overdekt, alle twijgen hadden fijne, groene vleugeltjes +gekregen. Op het gras bij de vogelkers lag een meisje. Johannes zag +alleen haar licht-blauw kleedje en blond haar. Een roodborstje, dat op +haar schouder zat, pikte uit haar hand. + +Op eenmaal wendde zij het hoofd om en zag Johannes. 'Dag jongetje!' +zeide zij en knikte vriendelijk. + +Weer tintelde het Johannes van het hoofd tot de voeten. Dat waren +Windekind's oogen, dat was Windekind's stem. + +'Wie zijt ge?' vroeg hij. Zijn lippen beefden van aandoening. 'Ik ben +Robinetta! en dit is mijn vogel. Hij zal niet schuw voor je zijn. Hou je +van vogels?' + +Het roodborstje was niet schuw voor Johannes. Het vloog op zijn arm. Dat +was juist als vroeger. Het moest toch Windekind zijn, dat blauwe wezen. + +'Vertel me eens hoe je heet, jongetje,' zeide Windekind's stem. + +'Kent gij mij niet? Weet ge niet, dat ik Johannes heet?' + +'Hoe zou ik dat weten?' + +Wat beteekende dat? Het was toch die bekende, zoete stem, het waren toch +die donkere, hemeldiepe oogen. + +'Hoe zie je mij zoo aan, Johannes? Heb je mij ooit meer gezien?' + +'Ja ik geloof het wel.' + +'Dat heb je toch zeker gedroomd.' + +Gedroomd? dacht Johannes. Zou ik alles gedroomd hebben? Of zou ik nu +droomen? + +'Waar zijt gij geboren?' vroeg hij. + +'Heel ver van hier, in een groote stad.' + +'Bij menschen?' + +Robinetta lachte. Het was Windekind's lach. 'Ik geloof het wel. Jij +niet?' + +'Ach ja, ik ook!' + +'Spijt je dat? Hou je niet van menschen?' + +'Neen! Wie zou van menschen houden?' + +'Wie? Wel, Johannes, wat ben je een raar jongetje! Hou je meer van +dieren?' + +'O, veel meer, en van bloemen.' + +'Ik doe dat eigenlijk ook wel eens. Een enkelen keer. Maar dat is niet +goed. Wij moeten van menschen houden, zegt Vader.' + +'Waarom is dat niet goed? ik houd van wien ik wil, of het goed is of +niet.' + +'Foei, Johannes! Heb je dan geen ouders of iemand die voor je zorgt? Hou +je niet van hen?' + +'Ja,' zeide Johannes nadenkend. 'Ik houd van mijn vader. Maar niet, +omdat het goed is. Ook niet omdat hij een mensch is.' + +'Waarom dan?' + +'Dat weet ik niet, omdat hij niet is als andere menschen, omdat hij ook +van bloemen en vogels houdt.' + +'Dat doe ik ook Johannes! dat zie je.' En Robinetta riep het roodborstje +op haar hand en sprak het vriendelijk toe. + +'Dat weet ik,' zeide Johannes. 'Ik houd ook veel van u.' + +'Nu al? Dat is vlug!' lachte het meisje. 'Van wie hou je wel het +meeste?' + +'Van ...' Johannes weifelde. Zou hij Windekind's naam noemen? De vrees, +dat die naam hem tegenover menschen mocht ontvallen, was onafscheidelijk +van al zijn denken. En toch, was dit blonde wezen in het blauwe kleed +Windekind niet? Wie anders kon hem dat gevoel van rust en geluk geven? +'Van u!' zeide hij opeens en zag met vollen blik in de diepe oogen. +Moedig waagde hij die volkomen overgave, maar hij was toch angstig en +wachtte gespannen de ontvangst van zijn kostbaar geschenk. + +Weer lachte Robinetta met helderen lach, doch zij vatte zijne hand, en +haar blik werd niet koeler, haar stem niet minder innig. + +'Wel, Johannes,' zeide zij, 'waarmeê heb ik dat zoo op eens verdiend?' +Johannes antwoordde niet en bleef haar aanzien met groeiend vertrouwen. +Robinetta stond op en legde haar arm om Johannes' schouders. Zij was +grooter dan hij. + +Zoo wandelden zij door het bosch en plukten groote bundels sleutelbloemen, +totdat zij wel weg konden schuilen onder den berg van doorschijnend geel +gebloemte. Het roodborstje vloog mede van tak tot tak en gluurde naar hen +met schiiterende zwarte oogjes. + +Zij spraken niet veel, doch keken elkaar dikwijls van ter zijde aan. Zij +waren beiden verbaasd over hun ontmoeting en half onzeker, wat zij van +elkaar denken moesten. + +Doch spoedig moest Robinetta terug, het speet haar. + +'Nu moet ik weg, Johannes! Maar wil je nog eens wandelen met me? Ik vind +je een aardig jongetje,' zeide zij bij 't heengaan. + +'Wiet! wiet!' zei het roodborstje en vloog haar achterna. + +Toen zij weg was, en alleen haar beeld bij hem achterbleef, twijfelde +hij er niet meer aan wie zij was. + +Zij was dezelfde wie hij al zijn vriendschap had gegeven, de naam +Windekind klonk flauwer in hem en verwarde met Robinetta. + +En alles werd weer om hem heen, zooals het vroeger geweest was. De +bloemen knikten vroolijk, en haar geur verdreef het weemoedig verlangen +naar huis, dat hij tot nu toe gevoeld en gekweekt had. Tusschen het +teedere groen, in de lauwe, mollige lentelucht, voelde hij zich op eens +thuis, als een vogel, die zijn nest gevonden had. Hij moest de armen +uitstrekken en diep ademhalen. Hij was zoo gelukkig. Op den weg naar +huis zweefde de lichte blauwe gestalte met de blonde haren voor hem uit, +altijd voor hem uit, welken kant hij ook opkeek. Het was alsof hij in de +zon gekeken had en het zonnebeeld overal met zijn blik medevloog. + +Van dien dag af ging Johannes elken helderen morgen naar den vijver. Hij +ging vroeg, zoodra hij gewekt werd door het kijven der musschen in de +klimopbladeren om zijn venster, en het gekwetter en gerekte getjilp der +spreeuwen, die op de dakgoot fladderden en krieuwden in den jongen +zonneschijn. Dan snelde hij vlug door 't vochtige gras tot dicht bij het +huis en wachtte achter de seringenstruiken, totdat hij de glazen deur +hoorde opengaan en de lichte gedaante op hem toe zag komen. + +Dan wandelden zij door het bosch en door de duinen, waaraan het bosch +grensde. Zij spraken over al wat zij zagen, over de boomen en de planten +en duinen. Johannes had een vreemd, duizelig gevoel, als hij met haar +liep, hij dacht zich somtijds weer zoo licht dat hij door de lucht zou +kunnen vliegen. Doch dat gebeurde nooit. Hij vertelde de geschiedenissen, +die hij van de bloemen en dieren wist door Windekind. Doch hij vergat hoe +hij ze geleerd had, en Windekind bestond niet meer voor hem, alleen +Robinetta. Hij genoot, als zij tegen hem lachte en hij vriendschap zag in +haar oogen en hij sprak tot haar, zooals hij vroeger tot zijn hondje +gesproken had: alles wat in hem opkwam, zonder weifeling of schuwheid. +De uren, dat hij haar niet zag, dacht hij aan haar, en elke bezigheid +deed hij met de vraag, of Robinetta het goed of mooi zou vinden. + +En zij-zelve scheen altoos zoo blij, als zij hem zag; dan glimlachte zij +en liep haastiger. Zij had hem ook gezegd dat zij met niemand zoo graag +wandelde als met hem. + +'Maar, Johannes,' vroeg zij eens, 'hoe weet je al die dingen? Hoe weet +je wat de meikevers denken, wat de lijsters zingen, hoe het er in het +konijnenhol en op den bodem van het water uitziet?' + +'Ze hebben het mij verteld,' antwoordde Johannes, 'en ik ben zelf in een +konijnenhol geweest en op den bodem van het water.' + +Robinetta trok de fijne wenkbrauwen samen en keek hem half spottend aan. +Doch zij vond geen valschheid. + +Zij zaten onder seringenboomen, waarvan dikke, paarse bloemtrossen +afhingen. Vóór hen lag de vijver, met riet en kroos. Zij zagen de zwarte +torretjes in kringen over het vlak glijden en roode spinnetjes bedrijvig +op en neder duiken. Het krioelde van wriemelend leven daar. Johannes +keek, in herinneringen verzonken, in de diepte en zeide: + +'Daar ben ik eens gedoken; ik gleed langs een riethalm af en kwam op den +bodem. Die is heelemaal met dorre bladeren bedekt, dat loopt zoo licht +en zacht. Het is altijd schemerig, groene schemering, want het licht +valt door het groene kroos. En boven mijn hoofd zag ik de lange, witte +worteltjes van het kroos neerhangen. Er kwamen salamanders om mij heen +zwemmen, die zijn heel nieuwsgierig. Het is vreemd, als zulke groote +dieren zoo over je heen zwemmen, en ik kon niet ver vooruitzien, daar +was het donker, maar ook groen. En uit dat donker kwamen de dieren als +zwarte schaduwen te voorschijn. Watertorren met roeipooten en platte +wantsen, soms ook een klein vischje. Ik ging heel ver, uren ver, geloof +ik, en midden in was een groot bosch van waterplanten, waar slakken +tegenop kropen en waterspinnen glinsterende nestjes bouwden. +Stekelbaarsjes schoten er door en bleven mij soms met open mond en +trillende vinnen aankijken, zoo verbaasd waren ze. Daar heb ik kennis +gemaakt met een aal, wien ik bij ongeluk op zijn staart trapte. Die +heeft mij van zijn reizen verteld; hij was tot in zee geweest, zeide +hij. Men had hem daarom koning gemaakt in den vijver, want niemand was +zoover geweest. Hij lag altijd in de modder te slapen, behalve wanneer +hij eten kreeg, dat anderen hem brachten. Hij at verschrikkelijk veel. +Dat was omdat hij koning was, men wilde graag een dikken koning, dat +stond deftig. O, het was prachtig mooi in dien vijver!' + +'Waarom kun je dan nu niet meer daarheen gaan?' + +'Nu?' vroeg Johannes en keek haar met groote peinzende oogen aan. + +'Nu? Nu kan ik niet meer. Ik zou daar verdrinken. Maar het is niet +noodig. Ik ben liever hier, bij de seringen en bij u.' + +Robinetta schudde verwonderd het blonde hoofdje en streek Johannes over +het haar. Toen keek ze naar haar roodborstje, dat aan den rand van den +vijver allerlei lekkernijen scheen te vinden. Hij keek even op en bleef +beiden een oogenblik met zijn heldere oogjes aanzien. + +'Begrijp jij er iets van, vogelijn?' + +Het vogelijn keek heel slim en ging toen voort met zoeken en pikken. + +'Vertel mij verder, Johannes, van wat je gezien hebt.' + +Dat deed Johannes gaarne, en Robinetta luisterde, geloovig en +aandachtig. + +'Maar waarom is dat alles opgehouden? Waarom kun je nu met mij niet +gaan? daar overal heen? Ik wilde ook graag.' + +Johannes spande zijne herinnering in, doch een zonnig waas bedekte den +donkeren afgrond, dien hij was overgegaan. Hij wist niet juist meer, hoe +hij zijn vorig geluk verloren had. + +'Ik weet het niet recht, gij moet er niet naar vragen. Een naar klein +wezentje heeft alles bedorven. Maar nu is het er weer. Nog beter dan +vroeger.' + +De seringengeur daalde uit de heesters op hen neer en het gegons der +vliegen over het watervlak en de stille zonnestralen doordrongen hen met +zoete bedwelming. Totdat een bel op het huis met piependen zwaai begon +te luiden, en Robinetta haastig wegvloog. + +Toen Johannes dien avond in zijn kamertje kwam en naar de maan-schaduwen +der klimopbladeren keek, die over de ruiten schoven, scheen het alsof er +tegen het glas getikt werd. + +Johannes dacht dat het een klimopblad was, dat in den nachtwind trilde. +Doch het tikte zoo duidelijk, telkens driemaal achtereen, dat Johannes +zachtkens het venster opende en behoedzaam rondzag. De klimopbladeren +tegen het huisje glansden in den blauwen schijn, onder hen was een +duistere wereld vol geheim: daar waren holen en spelonken, waarin het +maanlicht kleine, blauwe vonkjes wierp, die hun duisternis nog +dieper maakten. + +Toen Johannes lang in die wondervolle schaduwwereld had gestaard, zag +hij eindelijk den vorm van een klein mannetje, vlak naast het venster, +verscholen onder een groot klimopblad. Hij herkende Wistik dadelijk aan +de groote, verwonderde oogen onder de hooggetrokken wenkbrauwen. Op het +puntje van Wistik's langen neus tekende de maan een klein vonkje. + +'Hebt ge mij vergeten, Johannes? Waarom denkt ge er nu niet aan? Het is +de rechte tijd. Hebt ge roodborstje den weg niet gevraagd?' + +'Ach, Wistik, waarnaar zou ik vragen? Ik heb alles wat ik verlangen kan. +Ik heb Robinetta.' + +'Maar dat zal niet lang duren. En gij kunt nog gelukkiger worden en +Robinetta zeker ook. En moet het sleuteltje dan daar blijven liggen? +Denk eens hoe heerlijk als gij beiden het boekje vindt. Vraag er +roodborstje naar; ik zal u helpen als ik kan.' + +'Ik kan er altijd naar vragen,' zeide Johannes. + +Wistik knikte en klom vlug naar beneden. + +Nog lang keek Johannes naar de donkere schaduwen en de glanzende +klimopbladeren voor hij naar bed ging. + +Den volgenden dag vroeg hij het roodborstje of het den weg wist naar het +gouden kistje. Robinetta hoorde verwonderd. Johannes zag het roodborstje +knikken en schuins naar Robinetta gluren. 'Hier niet! hier niet!' tjilpte +het vogeltje. + +'Wat bedoel je, Johannes?' vroeg Robinetta. + +'Weet ge er niets van, Robinetta? Weet ge niet, waar het te vinden is? +Wacht ge niet op het gouden sleuteltje?' + +'Neen, neen! Vertel eens, wat is dat?' + +Johannes vertelde wat hij van dat boekje wist. + +'En ik heb het gouden sleuteltje; ik dacht dat gij het gouden kistje +hadt. Is het niet zoo, vogelijn?' + +Doch het vogelijn deed of het niets hoorde en fladderde tusschen het +jonge, lichte beukengroen. + +Zij zaten tegen een duinhelling, waarop kleine beuke- en sparreboomen +stonden. Een groen paadje liep er schuins tegen op, en zij zaten aan den +rand daarvan, in dik, donkergroen mos. Zij konden over de toppen der +laagste boompjes heen zien, op een groene looverzee met licht- en donker- +getinte golven. + +'Ik geloof wel, Johannes,' zei Robinetta nadenkend, 'dat ik voor je +vinden kan, wat je zoekt. Maar wat bedoel je met dat sleuteltje? Hoe kom +je daaraan?' + +'Ja, hoe was dat, hoe was dat ook weer?' prevelde Johannes en staarde +over het groen in de verte. + +Als waren zij plotseling in het zonnige blauw ontstaan, kwamen hem +opeens twee witte vlinders voor den blik. Zij dwarrelden, trilden en +schitterden in het zonlicht, met onbestemde, grillige vlucht. Doch zij +kwamen dichterbij. + +'Windekind! Windekind!' fluisterde Johannes opeens in herinnering. + +'Wie is dat? Windekind!' vroeg Robinetta. + +Het roodborstje vloog kwetterend op, en de madelieven tusschen het gras +vóór hem, schenen Johannes opeens geweldig verschrikt aan te staren, met +hun wijde, witte oogjes. + +'Gaf die je dat sleuteltje?' vroeg het meisje verder. Johannes knikte en +zweeg, doch zij wilde meer weten. 'Wie was dat? Heeft die je alles +geleerd? Waar is hij?' + +'Nu is hij er niet meer. Nu is het Robinetta, niemand anders dan +Robinetta, alleen Robinetta.' Hij omvatte haar arm en drukte er zijn +hoofdje tegen. + +'Mal jongetje!' zeide zij en lachte. 'Ik zal je het boekje laten vinden, +ik weet waar het is.' + +'Maar dan moet ik den sleutel gaan halen, en die is ver weg.' + +'Neen, neen dat behoeft niet. Ik vind het zonder sleutel, morgen, morgen, +ik beloof het je. + +Toen zij naar huis gingen, fladderden de kapelletjes voor hen uit. + +Johannes droomde dien nacht van zijn vader, van Robinetta en van vele +anderen. Het waren allen goede vrienden; zij stonden om hem heen en +zagen hem innig en vertrouwelijk aan. Doch op eenmaal waren de gezichten +veranderd, hun blikken koel en spottend, hij keek angstig om, aan alle +zijden wreede vijandige gezichten. Hij voelde een namelooze beklemming +en werd schreiend wakker. + + + + +IX + + +Reeds lang zat Johannes te wachten. De lucht was kil, en groote wolken +dreven dicht over de aarde, in statige, eindelooze opvolging. Ze +breidden sombergrauwe, wijd golvende mantels uit en krulden haar +trotsche koppen in het klare licht, dat daarboven scheen. Wondersnel +wisselden zonlicht en schaduw op de boomen, als een telkens opvlammend +vuur. Het werd Johannes angstig daarbij te moede; hij peinsde over het +boekje, niet recht geloovend, dat hij het heden vinden zou. Tusschen de +wolken, veel hooger, ontzaglijk hoog, zag hij het heldere, strakke blauw +en daarop teedere, witte wolkjes, fijngepluimd, kalm zich uitstrekkend +in onbeweeglijke rust. 'Zóó moet het zijn,' dacht hij, 'zoo hoog, zoo +licht, zoo stil.' Daar kwam Robinetta. Het roodborstje was niet bij haar. + +'Het is goed, Johannes,' riep ze luid; 'je mag komen en het boek zien.' + +'Waar is het roodborstje?' vroeg Johannes twijfelend. + +'Dat is niet meegekomen, we gaan toch immers niet wandelen.' + +Hij ging mede, voortdurend bij zich-zelven denkende: 'Het kan niet, zóó +kan het niet, het moest alles heel anders zijn.' + +Doch hij volgde het glanzig-blonde haar, dat hem voorlichtte. Ach! nu +ging het droevig met den kleinen Johannes. Ik wenschte, dat zijn +geschiedenis hier eindigde. Hebt gij wel eens heerlijk gedroomd, van een +toovertuin met bloemen en dieren, die u liefhadden en tot u spraken? En +hebt gij dan wel in uw droom het besef gekregen, dat gij spoedig zoudt +ontwaken en al die heerlijkheid verliezen? Dan poogt gij vruchteloos +haar vast te houden en wilt het koude morgenlicht niet zien. + +Zulk een gevoel had Johannes toen hij medeging. + +Hij kwam in een huis, in een gang, waar zijn voetstappen weerklonken. +Hij rook de lucht van kleederen en spijzen; hij dacht aan lange dagen, +toen hij thuis had moeten blijven, aan schoolwerk, aan al wat somber en +koud in zijn leven was geweest. + +Hij kwam in een kamer met menschen. Hij zag niet hoeveel. Zij praatten, +doch toen hij binnenkwam werd het stil. Hij lette op het vloerkleed, het +had groote, onmogelijke bloemen met schelle kleuren. Zij waren even +vreemd en wanstaltig als die van het behangsel in zijn slaapkamer thuis. + +'Is dat nu dat tuinmansjongetje?' zeide een stem recht tegenover hem. +'Kom maar hier, vriendje, je behoeft niet bang te zijn.' + +En een andere stem klonk plotseling naast hem: 'Nu, Robbi, je hebt daar +wel een aardig vrijertje.' + +Wat beteekende dat alles? Weer kwamen boven de donkere kinderoogen van +Johannes diepe rimpels, en verward en verschrikt keek hij rond. + +Daar zat een zwart gekleede man en keek hem met koude, grijze oogen aan. + +'En je wilde zoo kennis maken met het boek der boeken? Het verwondert +me, dat je vader, dien ik als een vroom man ken, je dat niet heeft +gegeven.' + +'U kent mijn vader niet, die is ver weg.' + +'Zoo! nu, dat is hetzelfde. Ziehier, mijn vriendje! lees hier veel in, +het zal je op je levensweg ...' + +Doch Johannes had het boek reeds herkend. Zóó kon hij het ook niet +krijgen, het moest heel anders gaan. Hij schudde het hoofd. + +'Neen, neen! dat is het niet wat ik bedoel. Dit ken ik. Dit is het niet.' + +Hij hoorde geluiden van verbazing en voelde de blikken, die hem van alle +zijden staken. + +'Wat? Wat meen je, mannetje?' + +'Ik ken dit boekje, het is het menschenboek. Maar het geeft niet genoeg, +anders zou er rust zijn onder de menschen en vrede. En die zijn er niet. +Ik bedoel iets anders, waaraan niemand twijfelen kan die het ziet, +waarin staat, waarom alles is zooals het is, precies en duidelijk.' + +'Hoe is 't mogelijk? Waar heeft de jongen dat vandaan?' + +'Wie heeft je dat geleerd, vriendje?' + +'Ik geloof dat je verkeerde boeken gelezen hebt, jongen! en die napraat!' + +Zoo klonken de stemmen. Johannes voelde zijn wangen gloeien, het begon +hem te duizelen, de kamer draaide, en de groote bloemen op het +vloerkleed zweefden op en neer. Waar was het muisje, dat hem zoo trouw +waarschuwde op school, dien eersten dag? Het was nu noodig. + +'Ik praat het niet uit boeken na, en die het mij geleerd heeft is meer +waard dan gij allen. Ik ken de taal van bloemen en dieren, ik ben hun +vertrouwde. Ik weet ook wat menschen zijn en hoe zij leven. Ik ken al de +geheimen van feeën en kabouters, want mij hebben zij lief, meer dan de +menschen.' + +Muisje! muisje! + +Johannes hoorde proesten en lachen, om hem en achter hem. Het zong en +suisde in zijn ooren. + +'Hij schijnt Andersen gelezen te hebben.' + +'Hij is niet recht bij 't hoofd.' + +De man voor hem zeide: 'Als je Andersen kent, mannetje! dan moest je +meer van zijn eerbied hebben voor God en zijn Woord.' + +'God!' dat woord kende hij, en hij dacht aan de les van Windekind. + +'Ik heb geen eerbied voor God. God is een groote petroleumlamp, waardoor +duizenden verdwalen en verongelukken.' + +Geen gelach, maar een angstige stilte, waarin afschuw en ontzetting +voelbaar rondwaarden. Johannes voelde de stekende blikken in den rug. +Het was als in zijn droom van den vorigen nacht. + +De zwart-gekleede man stond op en nam hem bij den arm. Dat deed pijn en +brak bijna zijn moed. + +'Hoor eens, jongen, ik weet niet of je niet wijs bent of diep bedorven, +maar die goddeloosheid duld ik hier niet. Ga heen en kom niet meer onder +mijn oogen, zeg ik. Ik zal navraag naar je doen, maar in deze buurt zet +je geen voet meer. Verstaan?' + +Aller blikken waren koud en vijandig evenals dien nacht. + +Johannes zag angstig rond. + +'Robinetta! Waar is Robinetta!' + +'Jawel, mijn kind bederven! Pas op, als je ooit weer tot haar spreekt!' + +'Neen! laat me bij haar! Ik wil niet van haar weg. Robinetta!' schreide +Johannes. + +Doch zij zat angstig in een hoek en keek niet op. + +'Voort, bengel! hoor je niet? Pas op, als je 't hart hebt weer te +komen!' + +En de pijnlijke greep leidde hem door de klinkende gang, de glazen deur +rammelde, en Johannes stond buiten, onder de donkere, laag drijvende +wolken. + +Hij weende niet meer en staarde stil voor zich uit, terwijl hij langzaam +voortliep. De droevige rimpels boven zijn oogen waren dieper, en gingen +niet meer weg. + +Het roodborstje zat in een lindenhaag en keek naar hem. Hij stond stil +en staarde zwijgend terug. Doch er was geen vertrouwen meer in de +schuwe, glurende oogjes, en toen hij een stap naderde, vloog het vlugge +diertje in een snorrende vlucht heen. 'Weg! weg! een mensch,' tjilpten +de musschen, die op het tuinpad bij elkaar zaten, en zij vlogen naar +alle zijden uiteen. + +Ook de opene bloemen lachten niet, maar staarden ernstig en onverschillig, +zooals zij bij iederen vreemde doen. + +Doch Johannes vatte die teekens niet, maar dacht aan de krenking, die de +menschen hem hadden aangedaan. Het was hem of zijn innig binnenste door +koude, harde handen was ontwijd. 'Zij zullen mij gelooven,' dacht hij; +'ik zal mijn sleuteltje halen en het hun toonen.' + +'Johannes! Johannes!' riep een fijn stemmetje. Daar zat een vogelnestje +in een hulstboom, en de groote oogen van Wistik keken over den rand. +'Waar gaat ge heen?' + +'Het is alles uw schuld, Wistik,' zeide Johannes. 'Laat mij met rust!' + +'Wat doet ge er ook met menschen over te spreken, menschen begrijpen u +toch niet. Waarom zegt ge die dingen aan menschen? dat is heel dom.' + +'Zij hebben mij uitgelachen en pijn gedaan. Het zijn ellendige wezens! +ik haat ze.' + +'Neen Johannes, ge houdt van hen.' + +'Neen! neen!' + +'Anders zou het u minder verdriet doen, dat zij niet zijn als gij; dan +zou het u niet kunnen schelen, wat zij zeggen. Ge moet u minder om +menschen bekommeren.' + +'Ik wil mijn sleuteltje. Ik wil het hun toonen.' + +'Dat moet ge niet doen, ze zouden u toch niet gelooven. Waartoe zou het +dienen?' + +'Ik wil mijn sleuteltje, onder den rozenstruik. Weet ge dien te vinden?' + +'Ja wel! bij den vijver, niet waar? Ja dien weet ik.' + +'Breng mij er dan, Wistik!' + +Wistik klom op Johannes' schouder en zeide hem den weg. Zij liepen den +ganschen dag, het woei en van tijd tot tijd vielen regenbuien, doch +tegen den avond werden de wolken stil en verlengden zich tot lange +gouden en grauwe strooken. + +Toen zij aan het duin kwamen, dat Johannes kende, werd het hem week te +moede en hij fluisterde telkens 'Windekind! Windekind!' + +Daar was het konijnenhol, en de duin, waartegen hij eens geslapen had. +Het grijze rendiermos was week en vochtig en kraakte niet onder zijn +voet. De rozen waren uitgebloeid en de gele Teunisbloemen met haar +bedwelmenden, flauwen geur staken bij honderden de kelken op. Hooger nog +rezen de lange, trotsche toortsplanten met dikke, vilten bladeren. + +Zoekend speurde Johannes naar het fijne, bruinachtige loof van de +duinroos. + +'Waar is zij, Wistik, ik zie haar niet.' + +'Ik weet er niet van,' zeide Wistik. 'Gij hebt het sleuteltje verborgen, +ik niet.' + +Waar de roos gebloeid had, was een veld vol gele Teunisbloemen, die +wezenloos naar boven keken. Johannes vroeg haar en ook de toortsplanten; +die waren echter veel te trotsch, want haar lange bloemtros stak ver +boven hem uit, en hij vroeg het aan de kleine, driekleurige viooltjes op +den zandgrond. + +Doch niemand wist iets van de duinroos. Ze waren allen van dezen zomer. +Zelfs de verwaande toortsplant, die zoo hoog was. + +'Ach, waar is zij? waar is zij?' + +'Hebt _gij_ mij ook al beet genomen?' zeide Wistik. 'Ik dacht het wel, +dat heb je altijd met menschen.' + +En hij liet zich van Johannes' schouder glijden en liep weg tusschen het +helm. + +Wanhopend staarde Johannes rond, daar stond een klein duinrozestruikje. + +'Waar is de groote roos,' vroeg Johannes, 'de groote die hier vroeger +stond?' + +'Wij spreken niet met menschen,' zeide het struikje. + +Dat was het laatste, wat hij hoorde, al het levende om hem zweeg, alleen +de helmen suisden in den zachten avondwind. + +'Ben ik een mensch?' dacht Johannes. 'Neen, dat kan niet, dat kan niet. +Ik wil geen mensch zijn. Ik haat de menschen.' + +Hij was moede en dof van geest. Hij ging liggen aan den rand van 't +veldje, op het weeke, grijze mos, dat een vochtigen, sterken geur +verspreidde. + +'Nu kan ik niet terugkeeren, en nu zie ik Robinetta ook niet weer. Zou +ik niet doodgaan, als ik haar niet heb? Zou ik blijven leven en een +mensch zijn, een mensch zooals die anderen, die mij uitlachten?' + +Daar zag hij op eenmaal de twee witte vlinders weer, die van den kant +der ondergaande zon naar hem toe fladderden. Gespannen volgde hij hun +vlucht. Zouden zij hem den weg wijzen? Zij vlogen hem over 't hoofd, +elkaar naderende en weer verlatende, om elkaar heen dwarrelende in +wispelturig spel. Langzaam verwijderden ze zich van de zon en zweefden +eindelijk over den rand der duinen naar het bosch, waarvan alleen de +hoogste toppen nog kleurden in den avondschijn, die rood en schel onder +de lange sombere wolkenrijen uit lichtte. + +Johannes volgde hen. Doch toen ze boven de eerste boomen waren, zag hij +hoe een donkere schaduw hen in onhoorbare fladdervlucht achtervolgde en +inhaalde. Het volgende oogenblik waren zij verdwenen. De zwarte schaduw +schoot snel op hem toe, en angstig dekte hij het gezicht met de handen. + +'Wel, vriendje! wat zit je daar te huilen?' klonk een scherpe, +spotachtige stem vlak naast hem. Johannes had een groote vleermuis op +zich zien afkomen, doch toen hij opkeek, stond een zwart mannetje op het +duin, niet veel grooter dan hij-zelf. Hij had een groot hoofd met groote +ooren, die donker afstaken tegen den lichten avondhemel, en een mager +figuurtje met dunne beenen. Van zijn gezicht zag Johannes alleen de +kleine, schitterende oogen. + +'Heb je iets verloren, kereltje? Dan zal ik je helpen zoeken,' zeide +hij. Doch Johannes schudde zwijgend het hoofd. + +'Kijk eens! wil je die van mij hebben?' begon hij weer en opende zijn +hand. + +Daarin zag Johannes iets wits, dat van tijd tot tijd even bewoog. Het +waren de witte kapelletjes, die stervend met de gescheurde en gebroken +vleugeltjes trilden. Johannes voelde een huivering, alsof iemand hem +tegen het achterhoofd blies, en angstig keek hij naar het vreemde +wezen op. + +'Wie zijt gij?' vroeg hij. + +'Wou je mijn naam weten, ventje? Nu, zeg maar Pluizer, familjaarweg +Pluizer. Ik heb nog wel mooier namen, maar die begrijp je toch niet.' + +'Zijt gij een mensch?' + +'Wel nu nog mooier! Nu heb ik nogal armen en beenen en een hoofd, kijk +eens wat een hoofd! en nu vraagt zoo'n jongen nog of ik een mensch ben. +Maar, Johannes! Johannes!' En het mannetje lachte met een piepend, +doordringend geluid. + +'Hoe weet ge wie ik ben?' vroeg Johannes. + +'O, dat is voor mij een kleinigheid. Ik weet nog heel wat meer. Ik weet +ook waar je vandaan komt en wat je hier komt doen. Ik weet verbazend +veel, bijna alles.' + +'Ach, mijnheer Pluizer ...' + +'Pluizer, Pluizer, geen complimenten.' + +'Weet ge dan ook ...' Doch Johannes zweeg plotseling. 'Het is een mensch,' +dacht hij. + +'Van je sleuteltje, bedoel je? Wel zeker!' + +'Maar ik dacht niet, dat menschen daarvan konden weten.' + +'Domme jongen! En Wistik heeft het al zoovelen verklapt.' + +'Kent ge Wistik dan ook?' + +'O ja! een van mijn beste vrienden, en ik heb veel vrienden. Maar ik +wist dat ook zonder Wistik. Ik weet veel meer dan Wistik. Wistik is een +goed ventje, maar dom, buitengewoon dom. Ik niet! lang niet!' En Pluizer +klopte zelfvoldaan met zijn mager handje op zijn groot hoofd. + +'Weet je, Johannes,' ging hij voort, 'wat een groot gebrek van Wistik +is? Maar je moet het hem nooit zeggen, want dan wordt hij erg boos.' + +'Nu, wat dan?' vroeg Johannes. + +'Hij bestaat niet. Dat is een groot gebrek, maar hij wil het niet weten. +En hij zegt van mij, dat ik niet besta, maar dat liegt hij. Of ik besta! +Drommels goed!' + +En Pluizer stak de kapelletjes in zijn zak en ging plotseling voor +Johannes op zijn hoofd staan. Toen grijnsde hij erg leelijk en stak een +lange tong uit. Johannes, die zich toch al niet op zijn gemak gevoelde +alleen met dit wonderlijk wezen, bij den vallenden avond in het eenzame +duin, rilde nu van angst. + +'Dit is een alleraardigste manier om de wereld te bekijken,' zeide +Pluizer, nog steeds op zijn hoofd staande. 'Als je wilt, zal ik je het +ook leeren. Je ziet alles veel scherper en veel natuurlijker.' + +En hij spartelde met de spillebeentjes in de lucht en wendde zich op de +handen om. Toen de roode avondgloed op het omgekeerde gelaat viel, vond +Johannes het afschuwelijk, de kleine oogjes knipten in het licht en +lieten het wit zien, aan den kant waar men het niet gewoon is. + +'Zie je, zoo schijnen de wolken de vloer, en de aarde het deksel van de +wereld. Dat kun je evengoed volhouden als het tegenovergestelde. Boven +of onder is er toch niet. Een mooie wandelplaats zou het op die wolken +zijn.' + +Johannes keek naar de lange wolken. Hij vond dat zij op een geploegd +land geleken met roode voren, alsof er bloed uit opwelde. Boven de zee +straalde de poort van de wolkgrot. + +'Kan men daarheen gaan en daarin komen?' vroeg hij. + +'Gekheid!' zei Pluizer en stond eensklaps weer op zijn beenen, tot +groote verlichting van Johannes. 'Gekheid! Als je daar bent, is het +precies als hier, en dan lijkt dat moois een eindje verder. In die mooie +wolken dáár is het mistig, grijs en koud.' + +'Ik geloof u niet,' zeide Johannes; 'nu zie ik eerst goed dat ge een +mensch zijt.' + +'Och kom! geloof je mij niet, beste jongen, omdat ik een mensch ben? en +wat ben je zelf dan wel voor bizonders?' + +'O Pluizer, ben ik ook een mensch?' + +'Wat dacht je! een elf? Elfen worden niet verliefd.' En Pluizer ging +vlak voor Johannes zitten, de beenen onder zich gekruist en grijnsde hem +strak aan. Johannes voelde zich onbeschrijfelijk beklemd en verlegen +onder dien blik en had zich wel willen wegstoppen of onzichtbaar maken. +Doch hij kon zijn oogen niet meer afwenden. + +'Alleen menschen worden verliefd, Johannes, hoor je! en dat is maar goed +ook, anders waren ze er al lang niet meer. En jij bent verliefd als de +beste, al ben je nog zoo klein. Aan wie denk je op 't oogenblik?' + +'Aan Robinetta!' fluisterde Johannes nauwelijks hoorbaar. + +'Naar wie verlang je het meest?' + +'Robinetta!' + +'Zonder wie denk je niet te kunnen leven?' + +Johannes' lippen bewogen geluidloos: 'Robinetta!' + +'Nu dan, ventje,' grinnikte Pluizer, 'wat verbeeld je je dan, een elf te +zijn? Elfen worden niet verliefd op menschenkinderen.' + +'Maar het was Windekind ...' stamelde Johannes in zijn verlegenheid. Toen +keek Pluizer ontzettend valsch en greep Johannes met zijn beenige handjes +bij de ooren. + +'Wat is dat voor onzin! Wou je mij met dien snuiter bang maken? Die is +nog veel dommer dan Wistik, veel dommer. Hij weet er niets van. En wat +erger is, hij bestaat heelemaal niet en heeft nooit bestaan. Ik besta +alleen, begrijp je? En als je mij niet gelooft, zal ik je laten voelen, +dat ik er ben.' + +En hij schudde den armen Johannes hard bij de ooren. Deze riep: + +'Maar ik heb hem toch zoo lang gekend, en ik ben zoo ver met hem +weggetrokken.' + +'Gedroomd heb je, zeg ik. Waar is dan je sleuteltje, he? Maar nu droom +je niet, voel je wel?' + +'Au!' riep Johannes, want Pluizer kneep. + +Het was reeds donker, en de vleermuizen vlogen nu dicht langs hunne +hoofden en piepten schril. De lucht was zwart en zwaar, geen blad bewoog +in het bosch. + +'Mag ik naar huis gaan?' smeekte Johannes.'Naar mijn vader?' + +'Je vader? wat wil je daar doen?' zei Pluizer. 'Die man zal je wel +vriendelijk ontvangen, nadat je zoo lang bent weggebleven.' + +'Ik verlang naar huis,' zeide Johannes, en hij dacht aan de huiskamer +met het heldere lamplicht, waar hij zoo vaak bij zijn vader zat, +luisterend naar het krassen van diens pen. Daar was het vredig en +gezellig. + +'Ja, dan hadt je maar niet weg moeten gaan en weg moeten blijven, ter +wille van dien mallen snuiter, die niet bestaat. Nu is het te laat. En +het komt er ook niet op aan, ik zal wel voor je zorgen. Of ik het doe of +je vader, dat is eigenlijk precies hetzelfde. Zoo'n vader, dat is toch +maar verbeelding. Heb je hem soms zelf uitgezocht? Denk je dat er geen +anderen zijn even goed en even knap? Ik ben even goed en veel knapper, +veel knapper.' + +Johannes had geen moed tot antwoorden, hij sloot de oogen en knikte +flauw. + +'En bij die Robinetta moet je het ook niet zoeken,' ging het mannetje +voort. Hij legde de handen op Johannes' schouders en praatte dicht +aan zijn oor. + +'Dat kind hield je even goed voor den gek als die anderen. Heb je niet +gezien dat ze in den hoek bleef zitten, en geen woord zeide, toen je +werd uitgelachen? Ze is niets beter dan al die anderen. Ze vond je een +aardig jongetje en heeft met je gespeeld, zooals ze met een meikever zou +spelen. Het kon haar niet schelen of je wegging. En van dat boekje wist +ze niets. Maar ik wel, ik weet waar het is, en ik zal het je helpen +zoeken. Ik weet bijna alles.' + +En Johannes begon hem te gelooven. + +'Ga je met mij mede? Wil je met mij zoeken?' + +'Ik ben zoo moe,' zeide Johannes, 'laat mij ergens slapen.' + +'Ik houd anders niet van slapen,' zei Pluizer, 'daar ben ik te levendig +voor, een mensch moet altijd kijken en denken. Maar een poosje zal ik je +met rust laten. Tot morgen.' + +Toen zette hij het vriendelijkste gezicht, dat hij zetten kon, Johannes +keek strak in de glinsterende oogjes, tot hij niets anders zag. Zijn +hoofd werd zwaar, hij leunde tegen de bemoste duinhelling. De oogjes +schenen verder en verder te lichten, totdat zij sterren waren aan den +zwarten hemel; het was alsof hij het geluid van verre stemmen hoorde, +alsof de aarde zich onder hem verwijderde, toen hield zijn denken op. + + + + +X + + +Nog eer hij goed ontwaakt was, had hij een vaag besef, dat er iets +bijzonders met hem was gebeurd, terwijl hij sliep. Doch hij was niet +begeerig het te weten en om zich heen te zien. Hij wilde weer terug in +den droom, die als een trage nevel langzaam wegtrok, daarin was +Robinetta weder naar hem toegekomen en had hem over het haar gestreken, +zooals vroeger, daarin had hij zijn vader weer gezien en Presto, in den +tuin met den vijver. + +'Au!' dat was pijn. Wie deed dat? Johannes opende de oogen en zag in de +grauwe morgenschemering een klein mensch vlak bij zich, die hem aan de +haren trok. Hij lag in een bed en het licht was mat en ongelijk, als in +een kamer. + +Doch het gezicht, dat over hem heenboog, bracht hem op eenmaal weder al +de ellende en somberheid van gisteren te binnen. Het was Pluizer's +gezicht, minder spookachtig en meer menschelijk, maar even leelijk en +angstwekkend als den vorigen avond. + +'Och neen! laat mij droomen,' zeide hij. + +Doch Pluizer schudde hem: 'ben je mal, luiaard, droomen is dwaasheid, +daarmee kom je niet verder. Een mensch moet werken en denken en zoeken. +Daar ben je een mensch voor.' + +'Ik wil geen mensch zijn. Ik wil droomen.' + +'Dat helpt niet. Je moet. Je bent nu onder mijn hoede en met mij samen +zul je werken en zoeken. Alleen met mij kan je vinden wat je verlangt. +En ik zal je niet verlaten totdat wij het gevonden hebben.' Johannes +voelde een vage ontzetting. Doch het was alsof een overmacht hem drukte +en dwong. Willoos onderwierp hij zich. + +Weg waren duinen, boomen en bloemen. Hij was in een klein, schemerig +verlicht kamertje, daarbuiten zag hij, zoover hij zien kon, huizen en +weder huizen, somber en grauw, in lange, eentonige rijen. + +Rook steeg overal op in dikke kronkels en sloeg als een bruinachtige +nevel in de straten neer. En op die straten liepen de menschen als +groote, zwarte mieren haastig dooreen. Een verward gerucht steeg dof en +aanhoudend uit hun massa op. + +'Zie Johannes,' zei Pluizer, 'is dat nu niet aardig? Dat zijn nu allen +menschen en al die huizen zoover je zien kunt, nog verder dan die blauwe +toren daar, zijn ook vol menschen, van boven tot beneden vol. Is dat +niet merkwaardig? Dit is nog wat anders dan een mierenhoop.' + +Johannes luisterde met angstige nieuwsgierigheid, alsof hem een groot, +verschrikkelijk ondier vertoond werd. Het was hem alsof hij op den rug +van het monster stond, het zwarte bloed door dikke aderen zag stroomen +en den donkeren adem uit honderd neusgaten zag stijgen. En hij werd bang +voor het onheilspellend grommen der ontzaglijke stem. + +'Zie hoe hard al die menschen loopen, Johannes,' ging Pluizer voort. +'Je kunt zien dat zij haast hebben en iets zoeken, niet waar? Maar het is +grappig, dat geen een precies weet wat hij zoekt. Als ze nu een poosje +gezocht hebben, dan komen ze iemand tegen, die heet Hein ...' + +'Wie is dat?' vroeg Johannes. + +'O! een goede kennis van me, ik zal je wel eens aan hem voorstellen. Nu +die Hein zegt dan: 'Zoek je mij?' Daarop zeggen de meesten gewoonlijk: +'O neen! ... jou bedoel ik niet!' maar dan antwoordt Hein weer: 'Er is +toch niets anders te vinden dan mij.' Dan moeten ze zich wel met Hein +tevreden stellen.' + +Johannes begreep, dat hij van den dood sprak. + +'En gaat dat altijd, altijd zoo?' + +'Welzeker, altijd. Er komen echter iederen dag weer een massa nieuwen en +die beginnen dagelijks te zoeken, zonder te weten waarnaar, en zoeken en +zoeken totdat ze eindelijk Hein vinden, zoo gaat het al een aardig +poosje lang en zoo zal het ook nog wel een poosje blijven aanhouden.' + +'Zal ik ook niets anders vinden, Pluizer, niets anders dan ...' + +'Ja, Hein vind je zeker eens, maar dat doet er niet toe, zoeken maar! +altijd blijven zoeken!' + +'Maar het boekje dan, Pluizer, gij zoudt mij het boekje laten vinden.' + +'Nu! wie weet! ik heb het niet tegengesproken. Wij moeten zoeken, +zoeken. Wij weten tenminste waarnaar wij zoeken. Dat heeft ons Wistik +geleerd. En er zijn er, die hun geheele leven zoeken om te weten +waarnaar zij eigenlijk zoeken. Dat zijn de wijsgeeren, Johannes. Maar +als Hein komt, is het met hun gezoek óók uit.' + +'Dat is vreeselijk, Pluizer.' + +'O neen, volstrekt niet. Hein is een heel goedig man. Maar hij wordt +miskend.' + +Iemand stommelde buiten de kamerdeur op de trap. Klos! Klos! klonk het +op de houten treden. + +Klos! Klos! nader en naderbij. Toen tikte iemand tegen de deur en het +was alsof ijzer op hout tikte. + +Er kwam een groote man binnen. Hij had diepliggende oogen en lange, +magere handen. Een koude tocht woei in het kamertje. + +'Welzoo,' zeide Pluizer, 'zijt gij daar, ga zitten! Wij spraken juist +over u. Hoe gaat het u?' + +'Druk, druk!' zeide de lange man en wischte zich het koude zweet van het +beenige bleeke voorhoofd. + +Roerloos en schuw staarde Johannes in de diepliggende oogen, die strak +op hem gericht waren. Zij waren zeer ernstig en donker, doch niet wreed, +niet vijandig. Na eenige oogenblikken ademde hij weer vrijer en klopte +zijn hart minder hevig. + +'Dit is Johannes,' zeide Pluizer, 'hij heeft van een zeker boekje +gehoord, waarin staat, waarom alles is zooals het is, en dat zullen wij +nu samen gaan zoeken, niet waar?' Toen lachte Pluizer veelbeteekenend. + +'Zoo! zoo! nu dat is goed!' zeide de Dood vriendelijk, en knikte +Johannes toe. + +'Hij is bang het niet te vinden, maar ik zeide hem maar eerst vlijtig te +zoeken.' + +'Zeker!' zeide de Dood, 'vlijtig zoeken is het beste.' + +'Hij dacht, dat gij zoo verschrikkelijk waart. Nu zie je toch Johannes, +dat je je vergist hebt, niet waar?' + +'Ach ja!' zeide de Dood welwillend, 'men spreekt veel kwaad van mij. Ik +heb geen innemend uiterlijk, maar ik meen het toch goed.' + +Hij glimlachte flauw, als iemand die met ernstiger dingen vervuld is dan +waarover hij spreekt. Toen wendde zich zijn donkere blik van Johannes af +naar buiten en dwaalde peinzend over de groote stad. + +Lang waagde Johannes het niet te spreken, eindelijk zeide hij zacht: + +'Zult gij mij medenemen?' + +'Wat meen je, mijn jongen?' zeide de Dood, opkijkend uit zijn mijmering: +'Neen! nu nog niet. Gij moet opgroeien en een goed mensch worden.' + +'Ik wil geen mensch worden als de anderen.' + +'Kom! kom!' zeide de Dood, 'daar is niets aan te doen.' + +Men kon hooren, dat dit een dagelijksche term van hem was. Hij ging +voort. + +'Mijn vriend Pluizer kan u leeren, hoe men een goed mensch wordt. Men +kan het op verschillende wijzen, maar Pluizer leert het ook uitstekend. +Het is iets zeer schoons en begeerlijks een goed mensch te zijn. Daar +moet ge niet op neer zien, ventje!' + +'Zoeken, denken, kijken!' zei Pluizer. + +'Zeker, zeker!' zei de Dood; en toen tot Pluizer: 'Bij wien zult ge hem +brengen?' + +'Bij docter Cijfer, mijn oud-leerling.' + +'A ja! dat is een goed leerling. Dat is een zeer fraai voorbeeld van een +mensch. Bijna volmaakt in zijn soort.' + +'Zal ik Robinetta weerzien?' vroeg Johannes bevend. + +'Wie bedoelt het ventje?' vroeg de Dood. 'O! hij is al verliefd geweest +en verbeeldde zich toch een elf te zijn, hi! hi! hi!' lachte Pluizer +geniepig! + +'Neen! beste jongen, dat gaat niet,' zei de Dood, 'die dingen zul je bij +docter Cijfer wel verleeren. Wie zoekt wat gij zoekt, moet al het andere +verliezen. Alles of niets.' + +'Ik zal een mensch uit één stuk van hem maken, ik zal hem eens laten +zien wat eigenlijk verliefdheid is, dan zal hij er zich wel doorheen +pluizen.' + +En Pluizer lachte vroolijk, de Dood richtte weer zijn zwarte oogen op +den armen Johannes, die met moeite het snikken bedwong. Want hij +schaamde zich voor den Dood. + +Deze rees plotseling op. 'Ik moet heen,' zeide hij, 'ik verpraat mijn +tijd. Er is hier veel te doen. Goeden dag, Johannes! wij zullen elkander +nog wel weerzien. Gij moet niet bang voor mij zijn.' + +'Ik ben niet bang voor u, ik wilde dat ge mij medenaamt. Toe! neem mij +liever mede!' + +Doch de Dood wees hem zacht terug, hij was dergelijke vragen gewend. + +'Neen! Johannes, ga nu aan uw werk, zoek en zie! Vraag mij niet meer. Ik +vraag maar eens en dan is het tijd genoeg.' + +Toen hij verdwenen was gedroeg Pluizer zich weer zeer buitensporig. Hij +sprong over stoelen, buitelde over den grond, kroop op de kast en den +schoorsteenmantel en voerde halsbrekende kunsten uit in de open vensters. + +'Dat was nu Hein! mijn goede vriend Hein!' riep hij, 'vond je hem niet +aardig? Een beetje leelijk en knorrig van uitzicht. Maar hij kan ook +heel vroolijk zijn, als hij plezier heeft in zijn werk. Maar dikwijls +verveelt het hem. 't Is ook wel wat eentonig.' + +'Wie zegt hem, Pluizer, waarheen hij gaan moet?' + +Pluizer gluurde Johannes valsch en uitvorschend aan. + +'Waarom vraag je dat? Hij gaat zijn eigen gang, hij neemt wie hij +krijgen kan.' + +Later heeft Johannes anders gezien. Doch nu wist hij niet beter of +Pluizer sprak waarheid in alles. + +Zij gingen op de straat en bewogen zich door de krioelende menigte. De +zwarte menschen liepen dooreen, lachten, praatten, zoo vroolijk dat +Johannes zich moest verwonderen. Hij zag hoe Pluizer velen toeknikte, +maar niemand beantwoordde den groet, allen keken vóór zich alsof ze +niets gezien hadden. + +'Ze loopen nu te lachen,' zeide Pluizer, 'alsof zij mij geen van allen +kenden. Maar dat schijnt maar zoo. Als ik alleen met hen ben, kunnen ze +mij niet negeeren en dan zijn ze ook zoo vroolijk niet.' En onder het +gaan was Johannes zich bewust dat er iemand achter hem liep. Als hij +omkeek zag hij den langen, bleeken man, die met groote, onhoorbare +schreden tusschen de menschen schreed. Hij knikte Johannes toe. + +'Zien de menschen hem ook?' vroeg Johannes aan Pluizer. + +'Ja zeker! allen, maar zij willen hem ook niet kennen. Nu ik gun hun +dien trots!' + +De drukte en het geraas brachten Johannes in een soort verdooving, die +hem zijn leed deed vergeten. De smalle straten en de hooge huizen, die +het hemelblauw in rechte strooken verdeelden, de menschen die langs hem +af en aan gingen, het slepen der voetstappen en het ratelen der wagens +verstoorden de oude visioenen en den droom van dien nacht, als een storm +de beelden in een waterspiegel. Het was hem alsof er niets anders +bestond dan muren, ramen en menschen, alsof hij mede moest doen, mede +draven in het rusteloos, ademloos gewoel. + +Toen kwamen zij in een stille buurt, waar een groot huis stond met +grauwe, sierlooze ramen. Het zag er streng en onvriendelijk uit. +Daarbinnen was het stil en rook Johannes een mengeling van vreemde, +scherpe geuren, met een dompige kelderlucht tot grondtoon. In een kamer, +vol wonderlijke werktuigen, zat een eenzame man. Hij was omringd door +boeken, glazen en koperen voorwerpen, allen vreemd voor Johannes. Er +viel een enkele zonnestraal over zijn hoofd heen in de kamer en fonkelde +op flesschen met fraai gekleurde stoffen. De man tuurde ingespannen door +een koperen buis en zag niet op. + +Toen Johannes naderkwam hoorde hij hem mompelen: 'Wistik! Wistik!' + +Naast den man, op een lang, zwart bankje, lag iets wits en wolligs, dat +Johannes niet goed kon onderscheiden. + +'Goeden morgen, docter!' zei Pluizer, maar de docter keek nog niet op. + +Toen schrikte Johannes, want het witte voorwerp waarnaar hij ingespannen +keek, kwam op eens in krampachtig rukkende beweging. Wat hij gezien had, +was het witte buikdons van een konijntje. Het kopje met den beweeglijken +neus lag achterover in ijzer geklemd, en de vier pootjes waren strak +gebonden naast het lichaam. Kort duurde de wanhopige poging om zich te +bevrijden, toen lag het beestje weder stil en alleen de snelle beweging +van de bloedige keel toonde dat het nog leefde. + +En Johannes zag het ronde, goedige oog dat zoo wijd staarde in +machteloozen angst en het was of hij het herkende. Ach! was dat niet +het zachte lijfje, waartegen hij gerust had in dien eersten, zaligen +elfennacht? Oude herinneringen drongen met geweld in hem boven. Hij +vloog op het diertje toe: + +'Wacht! wacht! arm konijntje, ik zal u helpen.' En haastig trachtte hij +de koordjes los te knoopen, die de teere pootjes striemden. + +Doch zijn beide handen werden tegelijk vastgegrepen en een scherpe lach +klonk aan zijn oor. + +'Wat beduidt dat, Johannes? Ben je nog zóó kinderachtig? Wat moet de +docter wel van je denken?' + +'Wat wil die jongen? wat doet hij hier?' vroeg de docter verbaasd. + +'Hij wilde een mensch worden, daarom kwam ik met hem bij u. Maar hij is +nog wat klein en kinderachtig. Dit is niet de manier om te vinden wat je +zoekt, Johannes!' + +'Neen! dit is de manier niet,' zeide de docter. + +'Docter, maak dat konijntje los!' + +Doch Pluizer kneep hem de beide handen, dat hij ineenkromp. 'Wat hebben +wij afgesproken, mannetje?' siste hij hem in 't oor. 'Zoeken zouden wij, +niet waar? Wij zijn hier niet in de duinen, bij Windekind en bij stomme +dieren. Wij zouden menschen zijn, menschen! versta je. Als je een kind +wilt blijven, als je niet sterk genoeg bent om mij te helpen, laat ik je +gaan, zoek dan alleen!' + +Johannes zweeg en geloofde. Hij wilde sterk zijn. Hij sloot de oogen, om +het konijntje niet te zien. + +'Beste jongen!' zeide de docter, 'je schijnt nog wat teergevoelig om te +beginnen. Het is waar, de eerste maal is zoo iets naar om te zien. Ik +zelf zie het altijd ongaarne en vermijd het zooveel mogelijk. Doch het +is onontbeerlijk. En je moet begrijpen: wij zijn menschen en geen +dieren, en het heil van de menschheid en van de wetenschap gaat boven +dat van eenige konijnen.' + +'Hoor je!' zei Pluizer, 'de wetenschap en de menschheid!' + +'De man der wetenschap,' ging de docter voort, 'staat hooger dan alle +andere menschen. Maar hij moet dan ook de kleine gevoeligheden, die de +gewone menschen kennen, laten varen voor dat ééne groote: de wetenschap. +Wilt ge zulk een mensch worden? was dat uw roeping, mijn jongen?' + +Johannes weifelde, hij wist nog niet recht wat een roeping was, zoomin +als de meikever. + +'Ik wilde het boekje vinden,' zeide hij, 'waar Wistik van sprak.' + +De docter keek verbaasd en vroeg: 'Wistik?' + +Doch Pluizer zei snel: 'Hij wil het, docter, ik weet het wel. Hij wil de +hoogste wijsheid zoeken, hij wil het wezen der dingen begrijpen.' + +Johannes knikte, 'Ja!' Zoover hij begreep, was dat zijn bedoeling. + +'Nu, dan moet je sterk zijn, Johannes, en niet klein en teerhartig. Dan +zal ik je helpen. Maar bedenk: alles of niets.' + +En Johannes hielp met sidderende handen de losgemaakte koorden weer +vaster om de pootjes van het konijntje strikken. + + + + +XI + + +'Wij zullen toch eens zien,' zeide Pluizer, 'of ik je niet evenveel +moois vertoonen kan als Windekind.' + +En toen zij den docter vaarwel hadden gezegd en beloofd spoedig weer te +komen, leidde hij Johannes rond in alle hoeken der groote stad, hij +toonde hem, hoe het groote monster leefde, hoe het ademde en zich voedde, +hoe het in zich-zelve verteerde en uit zich-zelve weer opgroeide. + +Doch hij had voorliefde voor de sombere achterbuurten, waar de menschen +dicht opeengepakt zaten, waar alles grauw en groezelig, de lucht zwaar +en bedompt was. + +Hij ging met hem in een der groote gebouwen, waaruit de rook opsteeg, +dien Johannes den eersten dag gezien had. Er heerschte een verdoovend +geraas, overal rammelde, ratelde, stampte en dreunde het, groote wielen +wentelden en lange riemen schoven slingerend voort; zwart zagen muren en +bodem, de vensters waren gebroken of bestoven. Hoog rezen de geweldige +schoorsteenen boven het zwarte gebouw uit en zonden dikke, kronkelende +rookzuilen op. In dat gewoel van raderen en werktuigen zag Johannes tal +van menschen met bleek gelaat, met zwarte handen en kleederen, zwijgend +en rusteloos werken. + +'Wie zijn dat?' vroeg hij. + +'Raderen, ook raderen,' lachte Pluizer, 'of menschen, zoo je wilt. Wat +ze daar doen, doen ze dag in, dag uit. Men kan op die manier ook mensch +zijn, in hun soort altijd.' + +En zij kwamen in vuile straatjes, waar het strookje hemelblauw zoo smal +leek als een vinger en nog verduisterd werd door uitgespannen kleederen. +Daar krioelde het van menschen; ze verdrongen elkaar, schreeuwden, +lachten en zongen ook somtijds. In de huizen waren de kamertjes zoo +klein, zoo donker en bedompt, dat Johannes nauwelijks durfde ademen. Hij +zag havelooze kinderen over den kalen vloer kruipen en jonge meisjes met +verwilderd haar, die liedjes neurieden voor magere, bleeke zuigelingen. +Hij hoorde twisten en schelden, en alle gezichten om hem zagen moede, of +dom en onverschillig. + +Het greep Johannes aan met een vreeselijke smart. Het had niets gemeen +met zijn vroeger leed, daarvoor schaamde hij zich. + +'Pluizer,' vroeg hij, 'hebben die menschen altijd hier geleefd, zoo +akelig en ellendig? Ook toen ik ...' + +Hij durfde niet verder gaan. + +'Welzeker, en dat is gelukkig. Zij leven volstrekt niet akelig en +ellendig, zij zijn hier gewend en weten niet beter. Het is dom, +onverschillig vee. Zie die twee vrouwen daar, voor haar deur zitten! Zij +kijken zoo tevreden in de vuile straat, als jij vroeger naar je duinen! +Om die menschen behoef je niet te huilen. Dan kan je wel om de mollen +huilen, die nooit het daglicht zien.' + +En Johannes wist niet te antwoorden en wist ook niet waarom hij toch +huilen moest. En te midden van het luidruchtige drijven en woelen zag +hij steeds den bleeken, holoogigen man voortschrijden, met +geruischloozen tred. + +'Toch een goede man, nietwaar?' zeide Pluizer, 'de menschen hieruit weg +te halen. Maar toch zijn ze hier even bang voor hem.' + +Toen de nacht was gedaald, en de honderden lichtjes in den wind +flikkerden en lange, wiegelende beelden in het donkere water wierpen, +gingen beiden langs de stille straten. De oude, hooge huizen schenen +vermoeid tegen elkander geleund te slapen. De meesten hadden hun oogen +gesloten. Doch hier en daar schemerde nog een venster met matten, gelen +glans. + +Pluizer vertelde aan Johannes lange verhalen van hen die daarachter +woonden, van de pijnen, die daar werden uitgestaan, en van den strijd, +die daar tusschen ellende en levenslust gestreden werd. Hij spaarde hem +niets, het somberste, het laagste en platste zocht hij uit, en grinnikte +van genoegen, als Johannes bij zijn verschrikkelijke verhalen bleek werd +en zweeg. + +'Pluizer,' vroeg Johannes op eenmaal, 'weet gij iets van het Groote +Licht?' + +Hij dacht, dat die vraag hem redden zou uit de duisternis, die dichter +en drukkender om hem samendrong. + +'Praatjes! Praatjes van Windekind!' zeide Pluizer. 'Hersenschimmen en +droomerijen! Er zijn alleen menschen, en ik-zelf. Dacht je, dat een God +of iets van dien aard er vermaak in zou hebben, zoo'n rommel te regeeren +als het hier op aarde is? En zoo'n groot licht zou er niet zoovelen hier +in 't donker laten.' + +'En die sterren, die sterren dan?' vroeg Johannes, als verwachtte hij, +dat die zichtbare grootheid het lage voor hem zou kunnen verheffen. + +'Die sterren? Weet je wel waarvan je praat, ventje? Het zijn geen +lichtjes daarboven, zooals de lantaarns, die je hier om je heen ziet. +Het zijn allen werelden, elke veel grooter dan deze wereld met haar +duizenden steden, en middenin zweven wij als een klein stofje, en er is +geen onder of boven, en naar alle zijden zijn werelden, al maar werelden, +en dat houdt nimmer, nimmer op.' + +'Neen! Neen!' riep Johannes angstig, 'niet zeggen, niet zeggen! Ik zie +lichtjes op een groot donker veld boven mij.' + +'Ja, zien kun je niet anders dan lichtjes. Al staarde je je leven lang +omhoog, je zoudt niet anders zien dan lichtjes op een donker veld boven +je. Maar je kunt, je _moet_ weten, dat het werelden zijn, noch boven, +noch onder, waarin dit kluitje met zijn armzalig, wriemelend +menschenzootje niets is, en als niets zal verdwijnen. Spreek dus niet +meer van 'de sterren', als waren het er een paar dozijn, het is een +dwaasheid.' + +Johannes zweeg. De grootheid, die het lage zou verheffen, verpletterde +het. + +'Komaan,' zei Pluizer, 'nu zullen we iets vroolijks gaan zien.' Bij +tusschenpoozen kwamen de golven van een lieflijk slepende muziek hen +tegemoet. Op een donkere gracht was een groot huis, waar het licht hel +uit vele, hooge vensters brak. + +Een lange stoet rijtuigen stond er voor. Het stampen der paarden klonk +hol door de nachtelijke stilte, en hun koppen knikten: ja! ja! +Glimlichtjes blonken op de zilveren knoppen van het tuig en op het +vernis der wagens. + +Binnen was het een-en-al licht. Half verblind staarde Johannes in de +schittering van honderden vlammen, van bonte kleuren, van spiegels en +bloemen. Lichte gestalten streken langs de vensters, naar elkaar toe +buigend, met lach en handgebaar. Tot ver achter in de zalen bewogen zich +de rijkgetooide menschen met langzamen tred of met snelle, wiegelende +draaiing. Een verward gerucht van gelach en blijde stemmen, slepende +schreden en ruischende gewaden drong tot op straat door, meegedragen op +de golven der weeke, bedwelmende muziek, die Johannes reeds van verre +gehoord had. Op straat, dicht bij de ramen, stonden een paar donkere +gestalten, waarvan alleen de gezichten vreemd en ongelijk werden +verlicht door den glans, waarin zij gretig staarden. + +'Dat is mooi, dat is heerlijk!' riep Johannes; hij genoot bij het zien +van zooveel kleur en licht en bloemen. 'Wat gebeurt daar? Mogen wij +daarin?' + +'Zoo, vindt je dit nu toch mooi? Of verkies je soms liever een +konijnenhol? Zie die menschen eens lachen en buigen en schitteren; zie +eens hoe deftig en glad die mannen, hoe bont en opgeschikt die vrouwen! +En welk een aandacht bij het dansen, alsof het de gewichtigste zaak ter +wereld was.'Johannes dacht terug aan het bal in het konijnenhol en hij +zag veel, dat hem er aan herinnerde. Doch alles was hier grooter en +schitterender. De jonge vrouwen met haar rijken tooi schenen hem zoo +schoon als elfen, als zij de lange, blanke armen ophieven en het hoofd +half ter zijde wendden in den dans. De bedienden gingen statig rond en +boden heerlijke dranken aan, met eerbiedige buiging. + +'Hoe prachtig! hoe prachtig!' riep Johannes. + +'Erg mooi, vindt je niet?' zei Pluizer. 'Maar nu moet je ook eens wat +verder kijken dan je neus lang is. Je ziet nu niets dan lieve, lachende +gezichten niet waar? Nu, het grootste deel van al die lachjes is leugen +en gemaaktheid. Die vriendelijke, oude dames aan den kant zitten daar +als hengelaars om een vijver; die jonge vrouwen zijn het aas, de heeren +zijn de visschen. En hoe lief ze ook met elkaar keuvelen, ze rnisgunnen +elkaar nijdig elke vangst. Als een van die jonge vrouwen plezier heeft, +dan is het omdat ze mooier is aangekleed of meer heeren om zich lokt dan +de andere, en het plezier van de heeren ontstaat vooral door die bloote +halzen en armen. Achter al die lachende oogen en vriendelijke lippen +schuilt iets heel anders. Zelfs die eerbiedige knechts denken lang niet +eerbiedig. Als het op eens uitkwam wat allen waarlijk dachten, dan zou +de partij gauw gedaan zijn!' + +En toen Pluizer hem alles wees, zag Johannes duidelijk de gemaaktheid in +gezichten en gebaren en de ijdelheid, afgunst en verveling, die door het +lachend masker heen gluurden of plotseling uitkwamen als het even werd +afgelegd. + +'Nu,' zeide Pluizer, 'men moet hen maar laten begaan. Die menschen +moeten zich toch amuseeren. En anders kunnen zij het niet.' + +Johannes voelde dat er iemand achter hem stond. Hij zag om. Het was de +welbekende, lange gestalte. Het bleeke gelaat was grillig door den +hellen glans verlicht, zoodat de oogen groote, donkere plekken vormden. +Hij prevelde zachtkens bij zichzelven en wees met den vinger in de +lichte zaal. + +'Zie,' zeide Pluizer, 'hij is weer aan 't uitzoeken.' + +Johannes zag waarheen de vinger wees. En hij zag hoe de oude dame onder +het gesprek even de oogen sloot en de hand aan het hoofd bracht, en hoe +het schoone, jonge meisje haar drentelen even staakte en met een lichte +rilling vóór zich, staarde. + +'Wanneer?' vroeg Pluizer aan den Dood. + +'Dat is mijn zaak,' zeide deze. + +'Ik wilde Johannes ditzelfde gezelschap nog eens laten zien,' zeide +Pluizer en knipoogde grijnzend. 'Kan dat?' + +'Van avond?' vroeg de Dood. + +'Waarom niet?' zeide Pluizer. 'Daar is uur noch tijd. Wat nu is, is +altijd geweest, en wat worden zal, is er reeds.' + +'Ik kan niet mede,' zeide de Dood, 'ik heb te veel werk. Doch noem den +naam van dat wat wij beiden kennen, en gij zult ook zonder mij den weg +vinden.' + +Zij gingen toen een eindweegs door de eenzame straten, waar de +gasvlammen flikkerden in den nachtwind en het donkere koude water tegen +de grachtwallen kabbelde. De weeke muziek klonk flauwer en flauwer en +verdoofde eindelijk in de groote rust, die over de stad lag. + +Daar klonk op eens van omhoog, met vollen galmenden metaalklank, een +luid en feestelijk lied. + +Plotseling viel het neer van den hoogen toren, op de slapende stad, in +de droeve duistere ziel van den kleinen Johannes. Verwonderd zag hij op. +De klokkenzang hield aan, met helderen, kalmen klank, die zich jubelend +verhief en forsch de doodsche stilte scheurde. Vreemd schenen hem die +blijde tonen, die feestzang te midden van stillen slaap en donkeren rouw. + +'Dat is de klok,' zei Pluizer, 'die is altijd even vroolijk, jaar in, +jaar uit. Elk uur zingt zij ditzelfde lied met gelijke kracht en +opgewektheid. En des nachts klinkt het blijder dan des daags, alsof de +klok juichte dat zij niet behoeft te slapen, dat zij altijd door even +gelukkig kan zingen, waar duizenden onder haar weenen en lijden. Doch +het vroolijkst klinkt het wanneer er iemand gestorven is.' + +Nogmaals verhief zich de jubelende galm. + +'Eens, Johannes,' ging Pluizer voort, 'zal achter zulk een venster in +een stille kamer een flauw lichtje branden. Een droevig lichtje, dat +peinzend trilt en de schaduwen op den wand doet dansen. Er zal geen +gerucht zijn in de kamer, dan nu en dan een zacht, onderdrukt snikken. +Er zal een bed staan met witte gordijnen, met lange schaduwen in de +plooien. En in dat bed zal iets liggen, wit en stil. Dat zal de kleine +Johannes geweest zijn. O, dan zal op eens datzelfde lied luid en lustig +in die kamer breken en 't eerste uur bezingen na zijn dood.' + +Twaalf zware slagen dreunden door de lucht met lange tusschenpoozen. Bij +den laatsten kreeg Johannes op eenmaal een gevoel alsof hij droomde, hij +liep niet meer maar zweefde een eind boven de straat, aan Pluizer's +hand. In snelle vaart streken hem de huizen en lantaarns voorbij. De +huizen stonden nu minder dicht opeen. Ze vormden alleenstaande rijen, +met donkere geheimzinnige gaten er tusschen, waar het gaslicht kuilen, +plassen, puin en balken grillig verlichtte. Eindelijk kwam een groote +poort, met zware zuilen en een hoog hek. In een oogwenk waren zij er +over gezweefd en kwamen neer op vochtig gras naast een grooten zandhoop. +Johannes dacht in een tuin te zijn, want hij hoorde 't ruischen van +boomen in 't ronde. + +'Let nu goed op, Johannes, en houd dan nog eens vol, dat ik niet meer +kan dan Windekind.' + +Toen riep Pluizer luide een korten, somberen naam, die Johannes deed +huiveren. Van alle zijden herhaalde de duisternis den klank, en de wind +voerde hem op in gierend draaien, totdat hij wegstierf in de hooge lucht. + +En Johannes zag hoe de grashalmen hem boven 't hoofd reikten, en hoe de +kleine steen, die zooeven laan zijn voeten ag, hem nu het gezicht +belemmerde. Pluizer naast hem, even klein als hij, vatte den steen met +beide handen en wentelde dien met alle krachten om. Een verward geroep +van fijne, hooge stemmetjes rees van den vrij geworden bodem op. + +'Hei! wie doet dat? Wat beteekent dat? Lomperd!' klonk het dooreen. + +Johannes zag zwarte gestalten haastig door elkaar loopen. Hij herkende +den vluggen, zwarten loopkever, den glimmend bruinen oorworm met zijn +fijne knijpers, pissebedden met haar ronde ruggen en slangachtige +duizendpooten. In 't midden trok een lange aardworm zich bliksemsnel in +zijn gang terug. + +Pluizer ging dwars door de tierende en scheldende bende op het hol van +den aardworm toe. + +'Heidaar! lange, bloote slungel! kom eens voor den dag met je rooden +puntneus!' riep Pluizer. + +'Wat moet je?' vroeg de worm uit de diepte. + +'Jij moet er uit, omdat ik er in wil, hoor je, kale zandeter!' + +Voorzichtig rekte de pier zijn spitsen kop uit de opening, tastte er +eenige malen mee in 't rond en trok toen langzaam het naakte, geringde +lijf verder naar de oppervlakte. + +Pluizer keek rond naar de andere dieren, die nieuwsgierig om hem heen +drongen. + +'Een van jelui gaat mede en licht vóór. Neen, zwarte kever, je bent te +dik, en jij met je duizend pooten zoudt me duizelig maken. Ha, jij daar, +oorworm! jouw gezicht bevalt me. Ga mede en draag het licht in je +scharen! Loopkever, loop! en zoek een dwaallicht of haal een fakkel van +hout, dat rottend is.' + +De dieren kregen ontzag voor zijn gebiedende stem en gehoorzaamden. + +Toen daalden zij af in de wormengang. Voorop de oorworm met het lichtend +hout, dan Pluizer, dan Johannes. Het was eng en duister daar beneden. +Flauw zag Johannes de zandkorrels door het matte, blauwe schijnsel +verlicht. Zij schenen groot als steenen, half doorschijnend, tot een +gladden, vasten wand geschuurd door het lichaam van de pier. Deze +laatste volgde nieuwsgierig. Johannes zag achter zich haar spitsen kop +zich nu eens snel vooruit strekken, dan weer wachten tot het lange lijf +nader aangetrokken was. Zij daalden zwijgend, lang en diep. Waar +Johannes het pad te steil werd, steunde Pluizer hem. Er scheen geen +einde te zullen komen; altijd nieuwe zandkorrels, en steeds kroop de +oorworm voort, zich wendend en buigend met de kronkelingen van de gang. +Eindelijk werd de weg breeder en weken de wanden vaneen. De zandkorrels +werden zwart en vochtig; boven vormden ze een gewelf, waarlangs +waterdroppels glinsterende strepen trokken en waardoor boomwortels zich +strekten als verstijfde slangen. + +Daar rees plotseling voor Johannes' blik een loodrechte wand, zwart en +hoog, die de geheele ruimte voor hem afsloot. De oorworm wendde zich om. + +'Ziezoo! Nu is het zaak, daar-achter te komen. Dat zal de pier wel +weten, die is hier te huis.' + +'Kom, wijs ons den weg!' zei Pluizer. + +Langzaam schoof de aardworm het geringde lijf tot bij den zwarten wand +en betastte dien zoekend. Johannes zag, dat het hout was. Hier en daar +was het tot bruinachtige stof vervallen. Daar boorde de worm zich in, en +het lange, lenige lijf gleed in drie tusschenpoozen weg. + +'Nu jij!' zei Pluizer en duwde Johannes in de kleine ronde opening. Een +oogenblik dacht deze te stikken in den zachten, vochtigen molm; toen +voelde hij zijn hoofd vrij komen en werkte zich met moeite geheel uit de +opening los. Een groote ruimte scheen hem te omgeven. De grond was hard +en vochtig, de lucht dik en ondragelijk benauwd, Johannes durfde nauw +ademen en wachtte in nameloozen angst. + +Hij hoorde Pluizer's stem, die hol klonk als in een grooten kelder. + +'Hier Johannes, volg me!' + +Voor zich voelde hij den grond rijzen tot een berg. Aan Pluizer's hand +beklom hij dien, in de diepe duisternis. Het was alsof hij op een kleed +liep, dat meegaf onder zijn tred. Hij strompelde over kuilen en heuvels, +Pluizer volgend, die hem medetrok tot een vlakke plaats, waar hij zich +vastklemde aan lange halmen, die als buigzaam riet waren in zijn hand. +'Hier staan wij goed! Licht!' riep Pluizer. + +Daar daagde het matte licht uit de verte, met zijn drager dalend en +rijzend. Hoe nader het kwam en hoe meer het flauwe gloren de ruimte +vervulde, des te vreeselijker werd Johannes' beklemming. + +De berg, dien hij betreden had, was lang en wit; het riet, dat hij +omklemde, was bruin en krulde in glinsterende golven naar omlaag. + +Hij herkende de rechte gestalte van een mensch, en de kille vlakte, +waarop hij stond, was het voorhoofd. + +Vóór hem lagen, als twee diepe, donkere kuilen, de ingezonken oogen, en +het blauwe licht scheen op den dunnen neus en de grauwe lippen, in +akeligen, stijven doodenlach geopend. + +Uit Pluizer's mond klonk een schelle lach, die dadelijk smoorde in de +vochtige houtwanden. + +'Dit is nu een verrassing, Johannes!' + +De lange worm kwam aankruipen tusschen de plooien van het lijkkleed; hij +schoof zich behoedzaam tegen de kin op en glipte over de strakke lippen +in de zwarte mondholte. + +'Dit is nu de schoonste uit de danspartij, die je schooner vond dan een +elf. Toen stroomden zoete geuren uit haar kleederen en haren, toen +lonkten haar oogen en lachten haar lippen. Zie nu eens!' + +Bij al zijn ontzetting was er toch ongeloof in de oogen van Johannes. +Zoo snel? Die pracht was zoo even, en nu reeds ...? 'Geloof je mij +niet?' grijnsde Pluizer. 'Er ligt een halve eeuw tusschen toen en nu. +Daar is uur noch tijd. Wat eenmaal was, zal altijd zijn, en wat worden +zal, is altijd geweest. Je kunt het niet denken, maar moet het gelooven. +Het is hier alles waarheid, alles wat ik je toon is waar! waar! Dat kon +Windekind niet zeggen.' + +Grinnikend sprong Pluizer rond op het doodengelaat en bedreef de +afschuwelijkste scherts. Hij zat op de wenkbrauw en trok bij de lange +wimpers het ooglid op. Het oog, dat Johannes vroolijk had zien +schitteren, staarde dof en rimpelig wit in het schemerlichtje. 'Nu +vooruit!' riep Pluizer, 'er valt nog meer te zien!' + +De pier kroop langzaam uit den rechter mondhoek te voorschijn en de +bange tocht werd voortgezet. + +Niet terug, maar langs nieuwe, even lange en sombere wegen. 'Nu komt een +oude,' zeide de aardworm, toen weder een zwarte wand den weg afsloot. +'Deze is hier al zeer lang.' + +Het was minder vreeselijk dan de vorige maal. Johannes zag slechts een +verwarde massa, waaruit bruinachtige beenderen staken. Honderden wormen +en insecten waren er zwijgend bezig. Het licht gaf opschudding. + +'Van waar komt gij? Wie brengt hier licht? Dat hebben wij niet noodig.' + +En snel schoten zij weg tusschen plooien en in holten. Doch zij +herkenden een soortgenoot. + +'Zijt ge in die hiernaast geweest?' vroegen de wormen. 'Het hout is nog +hard.' + +De eerste worm ontkende. 'Hij wil het buitenkansje voor zich houden,' +zeide Pluizer zacht tot Johannes. + +Verder trokken zij, Pluizer gaf uitleg en wees aan, wie Johannes bekend +waren. Er kwam een misvormd gezicht met starende, uitpuilende oogen, +dikke, zwarte lippen en wangen. 'Dit was een deftig heer,' zeide hij +toen vroolijk, 'je had hem moeten zien, zoo rijk, zoo voornaam en zoo +ingebeeld. Zijn opgeblazenheid heeft hij gehouden.' + +Zoo ging het voort. Er waren ook magere, uitgeteerde gestalten met wit +haar, dat blauw glinsterde in het zwakke licht, en kleine kinderen met +groote hoofden en oudachtige denkersgezichten. + +'Zie, die zijn eerst na hun dood oud geworden!' zei Pluizer. Zij kwamen +bij een man met vollen baard en opgetrokken lippen, wiens witte tanden +blonken. Midden in het voorhoofd had hij een rond zwart gaatje. + +'Deze heeft Hein een handje geholpen. Waarom niet een beetje geduld? Hij +was toch wel hier gekomen.' + +En weer kwamen gangen en nieuwe gangen en weer rechte gestalten met +strakke, grijnzende gezichten en roerlooze, over elkaar gelegde handen. + +'Nu ga ik niet verder,' zei de oorworm, 'ik weet hier geen weg meer.' + +'Laat ons omkeeren,' zei de pier. 'Nog één, nog één!' riep Pluizer. + +Verder ging de tocht. + +'Het bestaat alles wat je ziet,' zei Pluizer onder het voortgaan, 'het +is alles waar. Eén ding alleen is niet waar. Dat ben je zelf, Johannes. +jij bent hier niet, en je kunt hier niet zijn.' + +En hij schaterlachte, als hij den angstigen, wezenloozen blik van +Johannes bij zijn woorden zag. + +'Dit is de laatste! werkelijk de laatste!' + +'De gang loopt dood, ik ga niet verder,' zeide de oorworm knorrig. + +'Ik wil verder!' zeide Pluizer, en waar de gang eindigde, begon hij met +beide handen te graven. 'Help mij, Johannes!' + +Willoos in zijn ellende, gehoorzaamde deze en groef de vochtige, fijne +aarde weg. + +Zwijgend en zwoegend werkten zij door, totdat het zwarte hout kwam. + +De pier had den geringden kop ingetrokken en was achteruit verdwenen. De +oorworm liet het licht vallen en ging terug. + +'Zij komen er niet in, het hout is te nieuw,' zeide hij bij 't heengaan. + +'Ik wil,' zei Pluizer en scheurde met de haakvingers lange, witte +splinters krakend uit het hout. + +Een vreeselijke beklemming drukte Johannes. Doch hij moest, hij kon niet +anders. + +Eindelijk kwam de donkere ruimte open. Pluizer nam het licht en kroop +haastig naar binnen. + +'Hier, hier!' riep hij en liep naar het hoofdeinde. + +Doch toen Johannes bij de handen kwam, die stil over elkaar gevouwen op +de borst lagen, moest hij rusten. Hij staarde op de magere, witte +vingers, half verlicht aan de bovenzijde. Op eenmaal herkende hij ze, +hij herkende den vorm en de plooien der vingers, de gedaante der lange +nagels, nu donkerblauw verkleurd. Hij herkende een bruin vlekje aan den +wijsvinger. + +Het waren zijn eigene handen. + +'Hier, hier!' riep Pluizer's stem van het hoofdeinde. 'Zie eens, herken +je hem?' + +Nog wilde de arme Johannes zich weer oprichten en op het licht toegaan, +dat hem wenkte. Doch hij kon niet meer. Het lichtje verglom tot volkomen +duisternis, en hij viel bewusteloos. + + + + +XII + + +Diep zonk hij weg in den slaap, tot in de diepte waar geen droomen zijn. + +Toen hij uit die duisternissen herrees, langzaam, naar het grauwe, koele +licht van den morgen, streek hij door bonte, zachte droomen uit vroeger +tijd. Hij ontwaakte en zij gleden van zijn ziel als dauwdroppelen van +een bloem. Kalm en vriendelijk was de uitdrukking van zijn oogen, half +nog starend in het wemelen der lieflijke beelden. + +Doch in pijn, als een lichtschuwe, sloot hij ze voor het vale daglicht. +Hij zag, wat hij ook den vorigen morgen gezien had. Het scheen hem ver +en lang geleden. Doch uur na uur kwam hem weer te binnen, van den +droevigen morgen tot den vreeselijken nacht. Hij kon niet gelooven, dat +al die verschrikkingen in éénen dag waren verschenen. Het begin van zijn +ellende scheen zoo ver, verloren in grauwen mist. + +Spoorloos gleden de zachte droomen van zijn ziel, Pluizer schudde hem, +en de sombere dag begon, traag en kleurloos, de voorlooper van vele, +vele andere. + +Doch wat hij den vorigen avond op dien bangen tocht gezien had, bleef +hem bij. Was het slechts een afschuwelijk visioen geweest? + +Toen hij Pluizer er weifelend naar vroeg, keek deze hem spottend en +verwonderd aan. + +'Wat bedoel je?' vroeg hij. + +Doch Johannes zag den spot niet in zijn blik, en vroeg of het niet +waarlijk zoo geschied was, hij zag het nog zoo scherp en duidelijk +voor zich! + +'Maar Johannes, wat ben je toch dom! Zulke dingen kunnen immers niet +gebeuren!' + +En Johannes wist niet wat hij denken moest. + +'We zullen je gauw aan 't werk zetten. Dan zul je zulke domme vragen +niet meer doen.' + +En zij gingen naar den docter Cijfer, die Johannes zou helpen vinden, +wat hij zocht. + +Doch in de drukke straten hield Pluizer eenmaal plotseling stil en wees +Johannes een mensch uit de menigte. + +'Ken je hem nog?' vroeg Pluizer en schaterde het uit toen Johannes bleek +werd en den man verschrikt nastaarde. + +Hij had hem den vorigen nacht gezien, diep onder de aarde. + +Vriendelijk ontving hen de docter en deelde Johannes zijn wijsheid mede. +Uren luisterde hij dien dag, en vele dagen daarna. + +Wat hij zocht had de docter nog niet gevonden. Doch hij had het bijna, +zeide hij. Hij zou Johannes zoo ver brengen als hij zelve was en dan +zouden zij er beiden wel komen. + +Johannes leerde en luisterde, ijverig en geduldig, dagen en maanden +lang. Hij gevoelde weinig hoop, doch hij begreep, dat hij nu dóór moest +gaan, zoo ver mogelijk. Hij vond het vreemd, dat terwijl hij licht +zocht, het hoe langer hoe duisterder om hem werd. Het begin van al wat +hij leerde was het best, doch hoe dieper hij doordrong hoe doodscher en +duisterder. Hij begon met planten en dieren, met al wat om hem was en +als hij er lang op gestaard had, werden het cijfers. Alles viel uiteen +tot cijfers, bladen vol cijfers. Dat vond docter Cijfer heerlijk, en hij +zeide, dat het hem licht werd, als de cijfers kwamen, doch voor Johannes +was dat duisternis. + +Pluizer verliet hem niet en dreef en zweepte hem voort, als hij +moedeloos en vermoeid was. Alle oogenblikken van genot of bewondering +bedierf hij hem. + +Johannes verbaasde en verheugde zich, toen hij leerde en zag, hoe fijn +de bloemen waren gebouwd, hoe zij vruchten vormden en hoe de insecten +hen onwetend hielpen in die taak. + +'Dat is toch prachtig,' zeide hij, 'hoe juist is dat alles berekend en +hoe fijn en doelmatig gemaakt.' + +'Ja, verbazend doelmatig,'zei Pluizer, 'jammer dat het grootste deel van +die doelmatigheid en fijnheid tot niets dient. Hoeveel bloesems worden +vruchten en hoeveel pitten worden boomen?' + +'Maar het schijnt toch alles naar een groot plan gemaakt,' antwoordde +Johannes. 'Zie! de bijen zoeken honing voor zich zelven en weten niet +dat zij de bloemen helpen, en de bloemen lokken de bijen door hun kleur. +Het is een plan, en zij werken beide mede zonder het te weten.' + +'Dat lijkt heel mooi, maar er mankeert veel aan. Als de bijen kans zien, +bijten zij een gat onder in de bloem en maken de heele ingewikkelde +inrichting te schande. Een slimme plannenmaker, die zich door een bij +voor den gek laat houden.' + +Bij het wonderbare samenstel van menschen en dieren ging het nog erger. +Van al wat Johannes schoon en kunstig toescheen, toonde hij de +onvolkomenheid en de gebreken. Het gansche heer van kwalen en ellende +dat mensch en dier treffen kan, toonde hij hem, met voorliefde het +walgelijkste en afzichtelijkste kiezend. + +'Die plannenmaker, Johannes, was erg slim, maar bij alles wat hij maakte +vergat hij iets, en de menschen hebben handen vol werk, om al die +gebreken zoo goed mogelijk bij te lappen. Zie maar om je heen! een +parapluie, een bril, zelfs kleeren en huizen, het is alles menschelijk +lapwerk. Het hoort volstrekt niet bij het plan. Maar de plannenmaker +heeft niet bedacht dat menschen het koud zouden hebben en boeken zouden +lezen en duizend dingen meer zouden gaan doen, waarvoor zijn plan niet +deugde. Hij heeft zijn kinderen kleertjes gegeven, zonder te denken, +dat zij er uit zouden groeien. Nu zijn bijna alle menschen lang hun +natuurpakje ontgroeid. Nu gaan zij alles zelf doen en storen zich +volstrekt niet meer aan den plannenmaker en zijn plannen. Wat hij hun +niet gegeven heeft, nemen ze brutaal en eigenmachtig, en waar het hem +blijkbaar te doen was hen te doen sterven, ontduiken zij den dood soms +voor langen tijd, door allerlei kunstgrepen.' + +'Maar het is de schuld van de menschen,' riep Johannes, 'waarom wijken +zij moedwillig af van de natuur?' + +'O domme Johannes! als een kindermeid een onnoozel kind met vuur laat +spelen en het brandt zich, wie heeft dan schuld? Het kind dat geen vuur +kende, of de meid die wist dat het kind zich branden zou? En wie is +schuld, als de menschen afdwalen in ellende en onnatuur, zijzelve of de +alwijze plannenmaker, bij wien zij als onwetende kinderen zijn?' + +'Maar zij zijn niet onwetend, zij wisten ...' + +'Johannes! als gij een kind zegt: 'raak dat vuur niet aan! het doet +pijn' en als het kind het dan toch doet, omdat het niet weet wat pijn +is, kunt gij u dan van schuld vrij pleiten en zeggen: 'zie! het kind was +niet onwetend'? Gij toch wist, dat het uwen raad niet zou achten. +Menschen zijn dwaas en dom als kinderen. Doch glas is bros en leem is +week. En wie menschen maakt en hun dwaasheid niet rekent, is als hij die +wapenen maakt van glas en niet bedenkt dat zij zullen breken, en pijlen +van leem en niet bedenkt, dat zij zullen buigen.' + +En de woorden vielen als droppelen vloeiend vuur op Johannes' ziel. En +in zijn borst zwol het grootste leed, dat zijn vroegere smarten verdrong +en hem vaak deed weenen, in de stille, slapelooze uren van den nacht. + +Ach! slaap! slaap! Er kwam een tijd, na lange dagen, dat slaap hem het +liefste was van alles. Daarin was geen gedachte en geen leed; en zijn +droomen brachten hem altijd tot zijn vroeger leven terug. Heerlijk +scheen het hem, als hij er van droomde, doch overdag kon hij zich niet +meer te binnen brengen, hoe het geweest was. Hij wist alleen, dat zijn +verdriet en verlangen van vroeger beter waren, dan het ledige, doode +gevoel dat hij nu kende. Hij had eens smartelijk naar Windekind verlangd, +hij had eens uur aan uur op Robinetta gewacht. Hoe heerlijk was dat +geweest! + +Robinetta! Verlangde hij nog? Hoe meer hij leerde, hoe meer zijn +verlangen week. Want ook dat werd ontleed en Pluizer legde hem uit wat +liefde was. Toen schaamde hij zich en docter Cijfer zeide dat hij er nog +geen cijfers van maken kon, maar dat het wel spoedig gebeuren zoude. Zoo +werd het duisterder en duisterder om den kleinen Johannes. + +Hij had een flauw gevoel van dankbaarheid, dat hij Robinetta niet +herkend had op zijn vreeselijken tocht met Pluizer. + +Als hij Pluizer er over sprak, zeide deze niets en lachte slim. Maar +Johannes begreep dat het niet was geweest, om hem te sparen. + +De uren dat Johannes niet leerde en werkte, gebruikte Pluizer, om hem de +menschen te laten zien. Hij wist hem overal te brengen, in de ziekenhuizen, +waar in groote zalen de zieken lagen, lange rijen bleeke, uitgeteerde +gezichten met doffe of pijnlijke uitdrukking, waar een naargeestige stilte +was, slechts door kuchen en kermen gebroken. En Pluizer wees hem, wie van +hen nimmer die zalen zouden verlaten. En als op een bepaald uur stroomen +menschen het huis binnenkwamen om hunne zieke verwanten te bezoeken, zeide +Pluizer: 'Zie! die allen weten, dat ook zij eens in dit huis en in die +droeve zalen terecht zullen komen, om er in een zwarte kist uitgedragen te +worden.' + +'Hoe kunnen zij nog ooit vroolijk zijn?' dacht Johannes. + +En Pluizer bracht hem op een klein bovenzaaltje, waar een weemoedig +halfduister heerschte en waar de verwijderde klanken van een piano uit +een naburig huis onophoudelijk en droomerig doordrongen. Daar wees +Pluizer hem onder de anderen een zieke, die suffend voor zich uit +staarde naar een smal zonnestraaltje, dat traag langs den muur kroop. + +'Die ligt daar al zeven jaar,' zeide Pluizer. 'Hij is zeeman geweest en +heeft de palmen van Indië, de blauwe zeeën van Japan, de bosschen van +Brazilië gezien. Nu amuseert hij zich al de lange dagen van zeven lange +jaren, met dat zonnestraaltje en dat pianospel. Hij komt hier niet meer +vandaan; maar het kan nog even lang duren.' + +Na dien dag was het Johannes' bangste droom, op eens te ontwaken in dat +zaaltje, in dat weemoedig halfduister bij die droomerige klanken, om tot +het einde toe niets anders meer te zien dan het gaande en komende licht. + +Pluizer bracht hem ook in de groote kerkgebouwen en liet hem luisteren +naar wat daar gezegd werd. Hij bracht hem bij feesten, bij groote +plechtigheden, in de binnenvertrekken van vele huizen. + +Johannes leerde de menschen kennen, en het gebeurde hem somtijds, dat +hij aan zijn vroeger leven moest denken, aan de sprookjes, die Windekind +hem verteld had, en aan zijn eigen ontmoetingen. Er waren menschen die +hem aan het glimwormpje herinnerden, dat in de sterren zijn gestorven +makkers meende te zien, of aan den eenen meikever, die een dag ouder was +dan de andere en zooveel over een roeping gesproken had, en hij hoorde +verhalen, die hem aan Kribbelgauw, den held der kruisspinnen, deden +denken; of aan den aal, die niets deed en gevoed werd omdat een dikke +koning deftig stond. Zich-zelven vergeleek hij wel met den jongen +meikever, die niet wist wat een roeping was en in het licht vloog. Hij +voelde zich alsof hij hulpeloos en verminkt op het vloerkleed rondkroop, +met een draadje om 't lijf, een scherp draadje, waaraan Pluizer rukte +en trok. + +Ach, den tuin zou hij wel niet meer vinden, wanneer zou de zwarte voet +komen en hem verpletteren? + +Pluizer bespotte hem, als hij over Windekind sprak. En langzamerhand +begon hij te gelooven, dat Windekind er nooit geweest was. + +'Maar, Pluizer! dan is het sleuteltje er ook niet, dan is er niets!' + +'Niets! Niets! Er zijn menschen en cijfers, dat is alles waar, dat +bestaat, eindeloos veel cijfers.' + +'Maar, Pluizer, dan hebt ge mij bedrogen. Laat mij uitscheiden, laat mij +niet meer zoeken, laat mij alleen!' + +'Weet je niet meer wat de Dood gezegd heeft? Een mensch zou je worden, +een volmaakt mensch.' + +'Ik wil niet, het is vreeselijk.' + +'Je moet, je hebt ééns gewild. Zie docter Cijfer eens, vindt die het +vreeselijk? Word zooals hij is.' + +Het was waar. Docter Cijfer scheen altijd rustig en gelukkig. Onvermoeid +en onverstoorbaar ging hij zijn weg, studeerend en onderrichtend, tevreden +en gelijkmoedig. + +'Zie hem,' zeide Pluizer, 'hij ziet alles en ziet ook niets. Hij bekijkt +de menschen alsof hij zelf een ander wezen ware, dat niets met hen +uitstaande heeft. Hij gaat tusschen kwalen en ellenden als een onkwetsbare +en verkeert met den dood als een onsterfelijke. Hij verlangt alleen te +begrijpen wat hij ziet, en hij vindt alles even goed wat hij te weten komt. +Hij is met alles tevreden, zoodra hij het bereikt. Zóó moet je ook worden.' + +'Maar dat kan ik nooit.' + +'Ja, dat kan ik niet helpen.' + +Dat was immer het hopelooze einde van hun gesprek. Johannes werd dof en +onverschillig, zocht en zocht, niet meer wetend waarnaar en waarom. Hij +werd als de velen, die Wistik gesproken hadden. + +'t Werd winter, en hij merkte het nauwelijks. + +Op een killen, mistigen morgen, toen de natte, vuile sneeuw op de +straten lag en van boomen en daken droop, ging hij met Pluizer zijn +dagelijkschen gang. + +Op een plein ontmoette hij eenige jonge meisjes, op een rij, met +schoolboeken in de hand. Ze wierpen elkaar met sneeuw en lachten en +stoeiden. Helder klonken haar stemmetjes over het besneeuwde plein. Men +hoorde geen geluid van voetstappen of rijtuigen, alleen de rinkelende +bellen der paarden of het rammelen van een winkeldeur. Helder klonk de +blijde lach door de stilte. Johannes zag hoe een der meisjes hem aankeek +en bleef nastaren. Zij had een bontmanteltje om en droeg een zwarten +hoed. Hij kende haar gelaat zeer goed, maar wist toch niet wie zij was. +Zij knikte eens, en nog eens. + +'Wie is dat? ik ken haar.' + +'Ja, dat is wel mogelijk. Zij heet Maria. Sommigen noemen haar +Robinetta.' + +'Neen, dat kan niet. Zij lijkt niet op Windekind. Het is een gewoon +meisje.' + +'Ha! ha! ha! Zij kan niet lijken op niemand. Maar zij is wie zij is. Je +hebt naar haar verlangd, ik wil je nu wel bij haar brengen.' + +'Neen, ik wil haar niet zien. Ik had haar liever dood gezien, zooals de +anderen.' + +En Johannes keek niet meer om, maar liep haastig door en prevelde: + +'Dat is het laatste, er is niets! niets!' + + + + +XIII + + +Het klare, warme zonlicht van een eersten lentemorgen stroomde over de +groote stad. Helle stralen vielen in 't kamertje, waar Johannes woonde; +op de lage zoldering trilde en schommelde een groote lichtplek, +weerkaatsing van het rimpelend water der gracht. + +Johannes zat voor het raam in den zonneschijn en staarde over de stad. +Zij was geheel van uitzicht veranderd. De grauwe mist was een glanzig +blauw zonnewaas geworden, dat het einde der lange straten en de torens +in de verte omhulde. De lichtkanten der leien daken schitterden +zilverwit, alle huizen hadden heldere lijnen en lichte vlakken door het +zonlicht, er was een warme tinteling in de bleekblauwe lucht. Het water +scheen levend geworden. De bruine knopjes der iepeboomen waren dik en +glanzig, en luidruchtige musschen fladderden tusschen de takjes. + +Het werd Johannes zoo zonderling te moede, terwijl hij staarde. De +zonneschijn bracht hem in een zoete verdooving. + +Er was vergetelheid en dadelijke weelde in. Droomend staarde hij op de +schittering der golfjes, op de zwellende iepeknopjes, en hij luisterde +naar het tjilpen der musschen. Er was vreugde in dat geluid. + +Zoo week was hij in langen tijd niet gestemd geweest; zoo gelukkig had +hij zich in langen tijd niet gevoeld. + +Dat was de oude zonneschijn, dien hij herkende. Dat was de zon die hem +vroeger naar buiten riep, naar den tuin, waar hij dan, in de luwte van +een oud muurtje, op den warmen grond ging liggen, en lang kon genieten +van al dat licht en die warmte, starend op de halmpjes en kluitjes vóór +hem, gekoesterd in de zon. + +Het was hem zoo wèl in dat licht, het gaf hem het veilige thuisgevoel, +zooals hij zich herinnerde dat het heel vroeger was, in de armen van +zijn moeder. Hij moest aan al het verledene denken, doch hij weende of +verlangde niet. Hij zat stil en droomde, niet anders wenschend dan dat +de zon blijven mocht. + +'Wat suf je daar, Johannes?' riep Pluizer, 'je weet ik houd niet van +droomen.' + +Johannes hief smeekend de peinzende oogen op. + +'Laat mij nog wat zoo blijven,' zeide hij. 'De zon is zoo goed.' + +'Wat vindt je aan die zon?' zeide Pluizer. 'Het is toch niets anders +dan een groote kaars, of je in kaarslicht of zonlicht zit is volmaakt +hetzelfde. Zie! die schaduwen en die lichte plekken op straat, dat is +toch niets anders dan het schijnsel van een licht, dat wat stil brandt +en niet flikkert. En dat licht is eigenlijk een heel klein vlammetje, +dat op een heel klein stukje van de wereld schijnt. Daar! daar! voorbij +dat blauw, onder en boven ons, is het donker, koud en donker! daar is +het nu nacht, nu en altijd.' + +Doch zijn woorden hadden geen invloed op Johannes. De stille, warme +zonnestralen doordrongen hem en vervulden zijn geheele ziel, het was +licht en vredig in hem. + +Pluizer nam hem mede naar het kille huis van docter Cijfer. Een tijd +lang nog zweefden de zonnebeelden voor zijn geest, toen verflauwden zij +langzamerhand en midden op den dag was het geheel duister in hem. + +Doch toen de avond kwam en hij weder door de straten der stad ging, was +de lucht zoel en vol vochtige voorjaarsgeuren. Alles geurde sterker en +in de enge straten beklemde het hem. Maar op de open pleinen rook hij +het gras en de knoppen van buiten. En boven de stad zag hij het voorjaar +in de rustige wolkjes, in het teedere rood van den westelijken hemel. + +De schemering spreidde een zachten, grijzen nevel over de stad, vol +fijne tinten. Het werd stil in de straten, alleen een straatorgel in de +verte speelde een weemoedige wijs, de huizen schenen zwarte schimmen +tegen den rooden avondhemel, als tallooze armen staken ze hun grillige +spitsen en schoorsteenen op. + +Het was Johannes als een vriendelijke glimlach der zon, toen zij voor +het laatst lichtte over de groote stad, vriendelijk als de glimlach die +een dwaasheid vergeeft. En de zoelte streek Johannes liefkoozend langs +de wangen. + +Toen kwam er een groote weemoed in Johannes' hart, zoo groot dat hij +niet verder kon gaan en diep ademend zijn gezicht moest opheffen naar +den wijden hemel. Het voorjaar riep hem en hij hoorde het. Hij wilde +antwoorden, hij wilde komen. Het was alles berouw en liefde en +vergeving in hem. + +Verlangend staarde hij omhoog en tranen gleden uit zijn droeve oogen. + +'Kom! Johannes! doe niet zoo raar, de menschen kijken!' zei Pluizer. + +De lange, eentonige huizenrijen strekten zich aan beide zijden somber en +naargeestig uit. Een jammer in de zoele lucht, een klaagtoon tusschen +het roepen van de lente! + +De menschen zaten aan de deuren en op de stoepen, om de lente te +genieten. Het scheen Johannes een bespotting. De vuile deuren stonden +open en de bedompte ruimte daarbinnen wachtte hen. Nog rekte het orgel +in de verte zijn weemoedige tonen. + +'O! kon ik hier uit wegvliegen, ver weg, naar de duinen, naar--de zee!' + +Doch hij moest mede naar het hooge kleine kamertje en hij lag wakker +dien nacht. + +Hij moest denken aan zijn vader en de lange wandelingen, die hij met hem +maakte, als hij tien passen achter hem liep en zijn vader letters voor +hem schreef in het zand. Hij moest aan de plaatsen denken, waar de +viooltjes groeien tusschen het kreupelhout en aan de dagen, dat hij ze +met zijn vader gezocht had. Den ganschen nacht zag hij het gezicht van +zijn vader, zooals het was, als hij des avonds bij het stille lamplicht +naar hem zat te kijken en luisterde naar het krassen van zijn pen. + +Iederen morgen vroeg hij Pluizer toen, om nog ééns terug te mogen gaan, +naar zijn huis en zijn vader, om nog ééns zijn tuin en de duinen te +mogen zien. Nu merkte hij dat hij zijn vader meer had liefgehad dan +Presto en zijn kamertje, want het was om hem dat hij het vroeg. + +'Zeg mij alleen hoe het met hem is en of hij nog boos op mij is, dat ik +zoolang ben weggebleven.' + +Pluizer haalde de schouders op. 'Al wist je dat nu, wat zou het je +helpen?' + +Doch de lente bleef hem roepen, luider en luider. Iederen nacht droomde +hij van het donkergroene mos aan de duinhellingen en van zonnestralen, +die door het fijne, jonge groen schenen. + +'Het kan zóó niet langer duren,' dacht Johannes, 'ik kan het niet +uithouden.' + +En vaak, als hij niet slapen kon, stond hij zachtjes op, ging naar het +venster, en staarde in den nacht. Hij zag hoe de dommelige, donzen +wolkjes langzaam langs de maanschijf schoven, vreedzaam drijvend in een +zee van zachten glans. Hij dacht hoe nu daar in de verte de duinen +sliepen in den zoelen nacht, hoe wondervol het moest zijn in de lage +boschjes, waar geen van de jonge blaadjes zou bewegen en waar het zou +geuren van vochtig mos en jonge berkenspruiten. Hij meende van verre het +golvende koor der kikvorschen te hooren, dat zoo geheimzinnig aanzweeft +over de velden, en het lied van den eenigen vogel, die de plechtige +stilte mag begeleiden, die zijn zang zoo zacht en klagend begint en zoo +plotseling afbreekt, waardoor de stilte nog stiller schijnt. En het riep +hem, het riep hem alles. Hij boog het hoofd op de vensterbank en snikte +op zijn arm. + +'Ik kan niet! ik kan het niet dragen. Ik zal wel gauw sterven, als ik +niet komen mag.' + +Toen Pluizer hem den volgenden dag wekte, zat hij nog bij het venster, +waar hij was ingeslapen met het hoofd op den arm. + +De dagen vergingen, werden lang en warm, en er kwam geen verandering. +Doch Johannes stierf niet en zijn smart moest hij dragen. + +Op een morgen zeide docter Cijfer tot hem: 'Gaat ge mede Johannes, ik +moet een zieke bezoeken.' + +Docter Cijfer was bekend als een geleerd man en velen riepen zijn hulp +in tegen ziekte en dood. Reeds dikwijls was Johannes met hem medegegaan. + +Pluizer was bizonder vroolijk dien morgen. Hij ging telkens op het hoofd +staan, danste en buitelde, en bedreef allerlei uitgelaten scherts. Hij +grinnikte voortdurend geheimzinnig, als een die een ander een verrassing +bereid heeft. Johannes vreesde hem zeer in die stemming. + +Docter Cijfer bleef echter ernstig als altijd. + +Zij gingen een verren weg dien morgen. In een spoortrein en te voet. Zij +gingen verder dan anders, nog nooit was Johannes buiten de stad +medegenomen. + +Het was een warme, zonnige dag. Uit den spoortrein zag Johannes de +groote, groene weiden voorbijgaan met langgepluimd gras en grazende +koeien. Hij zag witte vlinders fladderen boven het bloemrijke land, waar +de lucht trilde van zonnehitte. + +Doch opeens voelde hij een tinteling, daar strekte zich de lange, +golvende duinreeks uit! + +'Nu Johannes!' grinnikte Pluizer. 'Nu krijg je toch je zin, zie je wel!' + +Half ongeloovig bleef Johannes naar de duinen staren. Zij kwamen nader +en naderbij. De lange slooten aan beide zijden schenen om hun middelpunt +te draaien en snel vlogen enkele woningen langs den weg voorbij. + +Toen kwamen de boomen: dichtbebladerde kastanjeboomen, rijkelijk bloeiend +met duizenden groote, witte of roode bloemtrossen, donker-blauwgroene +dennen, groote, statige linden. + +Het was toch waarheid, hij ging zijn duinen weerzien. + +De trein stond stil, en toen liepen de drie te voet, onder schaduwrijk +loof. + +Daar was het donkergroene mos, daar waren de ronde plekken der zonnestralen +op den boschgrond, dat was de geur van berkenspruiten en dennenaalden. + +'Is het waar! is het werkelijk waar?' dacht Johannes, 'zou het geluk komen?' + +Zijn oogen schitterden en zijn hart klopte sterk. Hij begon te gelooven +aan zijn geluk. Deze boomen, dezen grond kende hij, dit boschpad was hij +vaak gegaan. + +Zij waren alleen op den weg. Doch Johannes moest omkijken, alsof hen +iemand volgde. En hij meende tusschen het eikenloof de donkere figuur +van een mensch te zien, die telkens door de laatste kronkeling van het +pad verborgen bleef. + +Pluizer keek hem valsch en geheimzinnig aan. Docter Cijfer liep met +lange schreden en staarde naar den grond. + +De weg werd hem bekender en vertrouwder, iederen steen, ieder struikje +kende hij, toen verschrikte Johannes op eenmaal hevig, want hij stond +voor zijn eigen huis. + +De kastanjeboom voor het huis breidde zijn groote, handvormige bladen +schaduwend uit. Tot boven in den hoogen top prijkten de prachtig witte +bloesems in de volle, ronde loovermassa. + +Hij hoorde het geluid der opengaande deur, dat hij zoo goed kende, en +hij rook den geur van zijn eigen huis. Daar herkende hij de gang, de +deuren, alles stuk voor stuk, met een smartelijk gevoel van verloren +vertrouwelijkheid. Het was alles een deel van zijn leven, van zijn +eenzaam, mijmerend kinderleven. Tegen al die voorwerpen had hij +gesproken, hij had met hen geleefd in zijn gedachteleven, waarin hij +geen mensch toeliet. Doch nu voelde hij zich gescheiden en afgestorven +van het gansche oude huis, met zijn kamers en gangen en portaaltjes. Hij +voelde dat die scheiding onherroepelijk was en het was hem alsof hij een +kerkhof bezocht, zoo weemoedig en droevig. + +Was Presto hem maar tegemoetgesprongen, dan zou het minder akelig zijn, +maar Presto was zeker weg of dood. + +Doch waar was zijn vader? + +Hij keek terug naar de open deur en den zonnigen tuin daarbuiten, en zag +den man, die hem op weg scheen te achtervolgen, nu reeds op het huis +toeschrijden. Hij kwam nader en nader en scheen grooter te worden bij +het naderen. Toen hij bij de deur was vervulde een groote, kille schaduw +de gang. Toen herkende Johannes den Man. + +Het was doodstil in huis en zij gingen zwijgend de trap op. Er was een +trede, die altijd kraakte onder den tred, dat wist Johannes. En nu +hoorde hij haar driemaal kraken, het klonk als pijnlijk kreunen. Doch +onder den vierden voetstap was het als een doffe snik. + +En boven hoorde Johannes een gekreun, zacht en zoo regelmatig als +langzaam klokgetik. Het was een pijnlijk akelig geluid. + +De deur van Johannes' kamertje stond open. Hij wierp er even een schuwen +blik in. De wonderlijke bloemfiguren van het behangsel staarden hem +verbaasd en wezenloos aan. De hangklok stond stil. + +Zij gingen naar de kamer van waar het geluid kwam. Het was zijns vaders +slaapkamer. De zon scheen vroolijk naar binnen, op de gesloten, groene +gordijnen van het bed. Simon de kat zat op de vensterbank in den +zonneschijn. Er heerschte een beklemmende geur van wijn en kamfer. Het +zachte kreunen klonk nu van nabij. + +Johannes hoorde fluisteren van stemmen en schuifelen van voorzichtige +voetstappen. Toen werden de groene gordijnen opgeslagen. + +Hij zag het gezicht van zijn vader, dat hij zoo dikwijls voor zich had +gezien den laatsten tijd. Doch het was geheel anders. De vriendelijke, +ernstige uitdrukking was weg en het keek strak en benauwd. Het was +vaalbleek, met bruine schaduwen. De tanden waren zichtbaar in den +halfgeopenden mond en het wit der oogen onder de halfgesloten oogleden. +Het hoofd lag weggezonken in het kussen en regelmatig hief het zich bij +het kreunen even op, om dan weer moede op zij te vallen. + +Roerloos stond Johannes bij het bed en staarde met wijde strakke oogen +naar dat bekende gezicht. Hij wist niet wat hij dacht, hij durfde geen +vinger bewegen, hij durfde die oude, bleeke handen niet vatten, die slap +op het witte linnen lagen. + +Het was alles zwart om hem, de zon en de lichte kamer, het groen +daarbuiten en de blauwe lucht van zooeven, al wat achter hem lag, het +werd zwart, zwart, dof en ondoordringbaar. En in dien nacht zag hij +alleen dat bleeke hoofd daar vóór hem. En hij moest alleen denken aan +dat arme hoofd, dat zoo moede scheen, en zich telkens en telkens weer +met smartelijk geluid moest opheffen. + +Daar kwam een oogenblik verandering in de regelmatige beweging. Het +kreunen hield even op, de oogleden gingen langzaam open, de oogen +staarden zoekend rond en de lippen trachtten iets te zeggen. + +'Dag vader!' fluisterde Johannes en staarde angstig bevend in de +zoekende oogen. De matte blik rustte toen even op hem en een flauw, +flauw glimlachje rimpelde de holle wangen. De smalle, saamgeplooide hand +werd van het linnen opgeheven en maakte een onzekere beweging naar +Johannes, toen viel zij krachteloos weder neer. + +'Kom! kom!' zeide Pluizer, 'geen scène hier.' + +'Ga uit den weg, Johannes,' zeide docter Cijfer, 'wij moeten zien wat er +te doen valt.' De docter begon het onderzoek, doch Johannes ging weg van +het bed en stond voor het raam. Hij keek naar het zonnige gras en de +heldere lucht en naar de breede kastanjeblaren, waarop dikke vliegen +zaten, die blauw glansden in den zonneschijn. Het kreunen begon weer met +dezelfde gelijkmatigheid. + +Een zwarte meerle huppelde tusschen het hooge gras in den tuin, groote +rood- en zwarte vlinders dwarrelden over de bloemperken, uit het loover +der hoogste boomen drong het zachte, vleiende gekir der houtduiven tot +Johannes door. + +Hier binnen hield het kreunen aan, altijd door, altijd door. Hij moest +er naar luisteren, en het kwam regelmatig, onafwendbaar als de vallende +droppel, die krankzinnig maakt. In spanning wachtte hij bij elke +tusschenpooze en telkens kwam het weer, verschrikkelijk als de voetstap +van den naderenden dood. + +En daarbuiten heerschte warme, weelderige zonnevrede. Alles koesterde +zich en genoot. De grashalmen trilden en de bladeren ritselden van zoete +weelde, boven de hooge boomtoppen, diep in het wemelende blauw, zweefde +een reiger met kalmen vleugelslag. + +Johannes begreep het niet, het was hem alles een raadsel. Het was zoo +verward en duister in zijn ziel. 'Hoe kan dit alles tegelijk in mij +zijn!' dacht hij. + +'Ben ik dit werkelijk? Is dat mijn vader, mijn eigen vader? Van mij, +mij, Johannes?' + +Het was hem alsof hij van een vreemde sprak. Het was alles een verhaal, +dat hij gehoord had. Hij had iemand hooren vertellen van Johannes en van +het huis, waar hij woonde en van zijn vader, dien hij verlaten had en +die nu sterven ging. Hij was het zelf niet, hij had het hooren vertellen. +Het was wel een droevig verhaal, recht droevig. Maar het ging hem niet aan. + +Ja! ja! toch. Hij was het zelf, hij! Johannes! + +'Ik begrijp de zaak niet,' zeide docter Cijfer, zich oprichtende, 'het +is een raadselachtig geval.' + +Pluizer kwam bij Johannes staan. + +'Kom je niet eens kijken, Johannes, het is een belangrijk geval. De +docter weet het niet.' + +'Laat mij,' zeide Johannes, zonder zich om te wenden. 'Ik kan niet +denken.' + +Doch Pluizer ging achter hem staan en fluisterde scherp in zijn oor, +zooals zijn gewoonte was. + +'Niet denken! Dacht je dat je niet denken kon? Dat heb je mis. Je moet +denken. Al kijk je nu in het groen en in de blauwe lucht, dat helpt +niet. Windekind komt toch niet. En de zieke man dáár gaat toch dood. Dat +heb je even goed gezien als wij. Maar wat zou zijn kwaal zijn, denk je?' + +'Ik weet het niet! ik wil het niet weten.' + +Johannes zweeg en luisterde naar het kreunen, het klonk zacht klagend en +verwijtend. Docter Cijfer maakte aanteekeningen in een boekje. Bij het +hoofd van het bed zat de donkere gestalte, die hen gevolgd was, het +hoofd gebogen, de lange hand naar den zieke gestrekt en de diepliggende +oogen naar de klok gericht. + +Het scherpe fluisteren aan zijn oor begon weer. + +'Waarom zie je zoo bedroefd, Johannes? Nu heb je toch je zin. Daar +liggen de duinen, daar zijn de zonnestralen door het groen, daar +fladderen vlinders en zingen vogels. Wat verlang je nu nog? Wacht je +Windekind? Als hij ergens is, moet hij dáár zijn. Waarom komt hij nu +niet? Zou hij bang zijn voor dien donkeren vriend aan het hoofdeneind? +Die was er toch altijd.' + +'Zie je nu wel dat het alles verbeelding geweest is, Johannes?' + +'Hoor je dat kreunen wel? Het klinkt al zachter dan zooeven. Je kunt +hooren dat het wel gauw heelemaal zal ophouden. Nu, wat is dat? Er +hebben er al zooveel gekreund, ook toen jij hier buiten rondliep +tusschen de duinrozen. Waarom sta je nu hier te treuren en gaat niet de +duinen in, als vroeger? Zie! alles bloeit en geurt en zingt daar, alsof +er niets gebeurt. Waarom doe je niet mee in al die vroolijkheid en +dat leven?' + +'Eerst klaag je en verlang je, nu breng ik je waar je zijn wilde en nu +is het weer niet goed. Zie! ik laat je gaan, ga door het hooge gras, lig +in die koele schaduw, laat de vliegen om je gonzen en ruik den geur van +het jonge kruid! ik laat je vrij, ga nu! Zoek Windekind nu weer!' + +'Je wilt niet? Geloof je nu dan toch alleen in mij? Is het waar wat ik +je verteld heb? Loog Windekind of ik?' + +'Hoor het kreunen! Zoo kort en zwak. Het zal gauw stil zijn.' + +'Zie maar niet zoo angstig om, Johannes. Hoe eer het stil is, hoe beter. +Nu zullen er geene lange wandelingen meer komen, nu zul je niet meer +naar viooltjes zoeken met hem. Met wie zou hij die twee jaren gewandeld +hebben, denk je? toen je weg waart? Ja, je kunt het hem nu niet meer +vragen. Dat zul je nooit weten. Nu moet je je wel met mij tevreden +stellen. Als je mij wat vroeger gekend hadt, zou je nu niet zoo +jammerlijk kijken. Je bent nog lang niet zooals je wezen moet. Denk je +dat docter Cijfer in jouw geval zoo kijken zou? Het zou hem even +bedroefd maken als die kat, die daar spint in den zonneschijn. En dat is +goed. Waartoe dient die rampzaligheid? Hebben de bloemen je die geleerd? +Die treuren ook niet als er een geplukt wordt. Is dat niet gelukkig? Zij +weten niets, daarom zijn zij zoo. Jij bent eens begonnen met iets te +weten, nu moet je ook alles weten om gelukkig te worden. Dat kan ik +alleen je leeren. Alles of niets.' + +'Luister naar mij. Wat scheelt het of dat je vader is? Het is een mensch +die sterft, dat is een gewone zaak.' + +'Hoor je het kreunen nog? Erg zwak niet waar? Het zijn nu wel de laatsten.' + +Johannes zag naar het bed in bange beklemming. + +Simon de kat sprong van de vensterbank, rekte zich uit en legde zich +spinnend naast den stervende in het bed. + +Het arme, moede hoofd bewoog niet meer, het lag stil in het kussen +gezonken, doch uit den half geopenden mond kwamen nog regelmatig de +korte, matte klanken. + +Zij werden zachter, zachter, nauwelijks hoorbaar. + +Toen wendde de Dood de donkere oogen van de klok naar het ingezonken +hoofd en hief de hand op. Daarna werd het stil. + +Een vale schaduw viel over het strakke gelaat. + +Stilte, doffe, leege stilte! + +Johannes wachtte, wachtte. + +Doch de regelmatige klank keerde niet weer. Het bleef stil, een groote, +suizende stilte. + +De spanning van het luisteren der laatste uren hield op, en het was +Johannes of zijn ziel werd losgelaten en neerviel in een zwart en +grondloos ledig. Hij viel dieper, en dieper. Het werd stiller en +duisterder om hem. + +Daar klonk Pluizer's stem, als op een grooten afstand. + +'Ziezoo! dat verhaaltje is weer uit.' + +'Dat is goed,' zeide docter Cijfer, 'nu kunt gij zien wat het geweest +is. Ik laat dat aan u over. Ik moet heen.' + +Half nog in een droom zag Johannes glinsterende messen blinken. + +De kat zette een hoogen rug. Het werd koud naast het lichaam, en hij +zocht weer den zonneschijn. + +Johannes zag hoe Pluizer een mes nam, het zorgvuldig beschouwde en er +mede naar het bed ging. + +Toen schudde Johannes de verdooving van zich af. Eer Pluizer bij het bed +was, stond hij vóór hem. + +'Wat wilt ge? vroeg hij. Zijn oogen waren wijd geopend in ontzetting. + +'Wij zullen zien wat het geweest is,' zeide Pluizer. + +'Neen!' zeide Johannes, en zijn stem was laag als een mannenstem. + +'Wat beteekent dat?' zeide Pluizer met grimmig flikkerenden blik. + +'Kun jij mij verbieden? Weet je niet hoe sterk ik ben?' + +'Ik wil niet,' zeide Johannes. Hij sloot de tanden opeen en haalde diep +adem. Vast staarde hij Pluizer aan en strekte de hand naar hem uit. + +Doch Pluizer naderde. Toen greep Johannes hem bij de polsen en worstelde +met hem. + +Pluizer was sterk, hij wist het, nog nooit had hij hem weerstaan. Doch +hij liet niet af, en zijn wil brak niet. + +Het mes schitterde voor zijn oogen, hij zag vonken voor zijn blik en +roode vlammen, doch hij gaf niet toe en bleef worstelen. Hij wist wat er +komen zou als hij bezweek. Hij kende het, hij had het vroeger gezien. +Doch wat daar achter hem lag was zijn vader, en hij wilde het niet zien. + +En terwijl zij hijgend worstelden, lag achter hem het doode lichaam +gestrekt en bewegingloos, zooals het gelegen had op het oogenblik, toen +de stilte kwam, het wit der oogen zichtbaar als een smalle streep, de +mondhoeken opgetrokken tot strakken grijnslach. + +Alleen als beiden in hun strijd tegen het bed stootten, schudde het +hoofd zachtjes heen en weer. + +Nog hield Johannes vol, de adem begaf hem en hij zag niets meer. Een +sluier van bloedrood licht was voor zijn oogen. Toch hield hij vol. + +Toen verzwakte langzamerhand de weerstand der beide polsen onder zijn +greep. Zijn spieren ontspanden zich, zijn armen vielen slap langs zijn +lijf en zijn gesloten handen waren ledig. + +Toen hij opzag was Pluizer verdwenen. Alleen de Dood zat bij het bed en +knikte. + +'Dat was goed van u, Johannes,' zeide hij. + +'Zal hij weerkomen?' fluisterde Johannes. De Dood schudde het hoofd. + +'Nooit. Wie hem eenmaal aandurft, ziet hem nooit weer.' + +'En Windekind? Zal ik nu Windekind weerzien?' + +Lang keek de sombere man Johannes aan. Zijn blik was niet angstwekkend +meer, maar zacht en ernstig, hij trok Johannes aan, als een groote diepte. + +'_Ik_ alleen kan u bij Windekind brengen. Door mij alleen kunt ge het +boekje vinden.' + +'Neem mij dan mede, er is nu niemand meer, neem mij nu ook mede, zooals +de anderen, ik wil niets anders meer ...' + +Nogmaals schudde de Dood het hoofd. + +'Gij hebt de menschen lief, Johannes. Gij wist het niet, maar gij hebt +hen altijd liefgehad. Gij moet een goed mensch worden. Het is een schoon +ding een goed mensch te zijn.' + +'Ik wil niet, neem mij mede ...' + +'Het is niet zoo. Gij wilt. Gij kunt niet anders!' + +Toen werd de lange, donkere gestalte nevelig voor Johannes' oogen, zij +vervloeide in vage vormen, een ijle, grijze mist zweefde in 't vertrek +en trok weg langs de zonnestralen. + +Johannes boog het hoofd over den rand van het bed en schreide bij den +dooden man. + + + +XIV + +Na langen tijd hief hij het hoofd op. De zonnestralen vielen schuin naar +binnen en hadden een rooden glans. Het schenen rechte, gouden staven. +'Vader! Vader!' fluisterde johannes. + +Buiten vervulde de zon de geheele natuur met een wolk van schitterend +gouden gloed. Elk blad hing roerloos en alles zweeg in plechtige +zonnewijding. + +En langs het licht daalde een zachte suizeling naar binnen. Het was als +zongen de lichte stralen. + +'Zonnezoon! Zonnezoon!' + +Johannes hief het hoofd op en luisterde. Het ruischte in zijn ooren. + +'Zonnezoon! Zonnezoon!' + +Het was als Windekind's stem. Die alleen had hem zoo genoemd, zou hij +hem nu roepen? + +Doch hij zag naar het gelaat naast hem, hij wilde niet meer luisteren. + +'Arme, lieve vader!' zeide hij. + +Doch plotseling klonk het weer om hem, van alle zijden om hem, zoo +sterk, zoo dringend, dat hij huiverde van wonderbare aandoening. + +'Zonnezoon! Zonnezoon!' + +Johannes stond op en staarde naar buiten. Welk licht! welk heerlijk +licht. Het stroomde over de volle boomkruinen, het tintelde tusschen de +grashalmen en vonkelde in de donkere schaduwplekken. De gansche lucht +was er mede vervuld, tot hoog in het blauw, waar zich de eerste, teedere +avondwolkjes vormden. + +Over het grasveld tusschen de groene boomen en heesters zag hij de +duinen. Op hun toppen lag rood goud en in hun schaduwen hing het blauw +des hemels. + +Rustig lagen zij gestrekt in een kleed van teedere tinten. De fijne +golving hunner omtrekken was vredebrengend als een gebed. Johannes +voelde weder hoe het was, toen Windekind hem had leeren bidden. + +Was zij daar niet, de lichte gestalte in het blauwe kleed? Zie! daar +midden in het licht, wat daar schemert in een waas van goud en blauw, is +dat niet Windekind, die hem wenkt? + +Johannes vloog naar buiten in den zonneglans. Daar stond hij een oogwenk +stil. Hij voelde de heilige wijding van het licht, en durfde zich +nauwelijks bewegen, waar het loover zoo stil was. + +Doch daar vóór hem was de lichte gestalte weer. Het was Windekind, +zeker! hij was het. Het stralende hoofdje naar hem toegekeerd, de mond +half geopend, als om te roepen. Hij wenkte hem met de rechterhand. In de +linker hield hij iets omhoog. Hoog hield hij het met de toppen der +slanke vingers, en het flonkerde en schitterde in zijn hand. + +Met een blijden kreet van geluk en verlangen snelde Johannes naar de +geliefde verschijning. Doch ze verhief zich en zweefde vóór hem uit met +lachend gelaat en wenkende hand. Soms raakte zij de aarde in langzame +daling, maar dan rees zij weder op, licht en snel en zweefde verder als +het zaadpluis, dat de wind voortdrijft. + +Johannes wilde zich ook verheffen en zweven, zooals vroeger en zooals in +zijn droom. Doch de aarde trok zijne voeten, en zijn tred bleef zwaar op +den grazigen grond. Hij moest met moeite zijn weg zoeken door de +struiken, wier loover ritselend langs zijn kleederen streek en wier +takken hem striemden in het gelaat. Zwoegend moest hij de mossige +hellingen der duinen beklimmen. Doch hij volgde onvermoeid en zijn oog +werd niet afgewend van Windekind's stralende verschijning, van wat daar +blonk in de hooggeheven hand. + +Daar was hij midden in duin. In de gloeiende valleien bloeiden de +duinrozen en zagen met hun duizenden bleekgele kelkjes in het zonlicht. +Ook bloeiden er vele andere bloemen, helder blauwe, gele en purperen, +zwoele hitte lag in de kleine dalen en koesterde de geurige kruiden. +Sterke, harsachtige geuren hingen in de lucht. Johannes rook ze terwijl +hij voortging, het thijm rook hij en den geur van het droge rendiermos, +dat kraakte onder zijn voet. Het was bedwelmend heerlijk. + +En voor het liefelijk beeld dat hij vervolgde, zag hij de bonte +duinvlinders fladderen. Kleine zwarte en roode kapelletjes, en het +zandoogje, het vroolijke vlindertje met de zijdeachtige vleugeltjes van +het teederste blauw. Om zijn hoofd snorden de gouden kevers, die op de +duinroos leven en dikke hommels dansten gonzend tusschen het +geblakerde duingras. + +Wat was het heerlijk, wat zoude hij gelukkig zijn, als hij maar bij +Windekind was. Doch Windekind zweefde verder en altijd verder. Ademloos +moest hij volgen. De groote bleekbebladerde doornstruiken hielden hem +tegen en krasten hem met hun doornen; de vale, wollige toortsplanten +schudden de lange hoofden, als hij ze wegduwde in zijn vaart. Hij klom +tegen de zandige walletjes op en kwetste zijn handen aan het +stekelig helm. + +Hij drong door de lage berkenboschjes waar het gras hem tot de knieën +reikte en de watervogels opvlogen van de kleine vijvers, die glinsterden +tusschen de struiken. Dichte witbloeiende meidoorns mengden hun geur met +dien van het berkenloof en van de munthe, die talrijk groeide op den +moerassigen grond. + +Doch toen hielden de boschjes, het groen en de kleurige bloemen op. +Alleen de wonderlijke, bleekblauwe zeedistel groeide tusschen het vale, +dorre helm. + +Op den top der laatste hooge duinenrij zag Johannes Windekind's beeld. +Verblindend schitterde het in zijn opgeheven hand. Geheimzinnig lokkend +klonk een groot gestadig bruisen van gene zijde, door een koelen wind +overgedragen. Het was de zee. Johannes voelde dat hij haar naderde en +langzaam klom hij de laatste helling op. Daarboven viel hij op de knieën +en staarde over de zee. + +Toen hij zich boven den duinrand verhief, omgaf hem een roode gloed. De +avondwolken hadden zich ter uitvaart van het licht geschaard. Als een +wijde kring van geweldige rotsblokken met roodgloeiende randen omgaven +zij de dalende zon. Op de zee was een breede weg van levend purpervuur, +een vlammende, schitterende lichtweg, leidende naar den ingang des +verren hemels. + +Achter de zon, waarin het oog nog niet staren kon, wemelden teedere +tinten van blauw en rose dooreen, in de diepte van de lichtgrot. +Daarbuiten langs den ganschen wijden hemel glansden roode vlammen en +strepen, lichte vlokjes van bloedig dons en vegen van uiteenvloeiend +vuur. + +Johannes wachtte, totdat de zonneschijf den gloeienden weg die tot hem +leidde, aan het verste einde aanraakte. + +Toen zag hij neder, en dichtbij was het lichte beeld, dat hij gevolgd +was. Een vaartuig, klaar en glinsterend als kristal, dreef bij het +strand op de breede vuurbaan. Aan het eene einde der boot stond +Windekind's ranke gedaante, met het gouden voorwerp dat blonk in zijn +hand. Aan het andere einde herkende Johannes den duisteren Dood. + +'Windekind! Windekind!' riep Johannes. Doch in denzelfden tijd dat +Johannes het wondere vaartuig naderde, zag hij naar den horizon. In het +midden van de lichte ruimte, door de grove, vurige wolken omgeven, zag +hij een kleine, zwarte gestalte. Zij werd grooter en grooter, langzaam +naderde een mensch, rustig schrijdend over de woelende, vurige wateren. + +De roodgloeiende golven rezen en daalden onder zijn voet, doch kalm en +rustig kwam hij nader. + +Het was een mensch, zijn gelaat was bleek en zijn oog diep en donker. +Zoo diep als de oogen van Windekind, doch in hun blik was eindeloos +zachte weemoed, zooals Johannes dien nimmer in andere oogen gezien had. + +'Wie zijt gij?' vroeg Johannes. 'Zijt gij een mensch?' + +'Ik ben meer!' zeide hij. + +'Zijt gij Jezus, zijt gij God?' vroeg Johannes. + +'Noem die namen niet,' zeide de gestalte, 'zij waren heilig en rein als +priestergewaden en kostelijk als voedend koren, doch zij zijn tot draf +geworden voor de zwijnen en tot narrekleederen voor de dwazen. Noem hen +niet, want hun zin is tot dwaling, hun wijding tot spot geworden. Wie +mij kennen wil, werpe die namen weg en luistere naar zichzelven.' + +'Ik ken u! ik ken u!' zeide Johannes. + +'Ik was het, die u deed weenen om de menschen, terwijl gij uwe tranen +niet begrijpen kondet. Ik was het, die u deed liefhebben, waar gij uwe +liefde niet verstondt. Ik ben bij u geweest, en gij hebt mij niet +gezien, ik heb uwe ziel bewogen en gij hebt mij niet gekend.' + +'Waarom zie ik u nu eerst?' + +'Vele tranen moeten de oogen verhelderen, die mij zullen zien. En niet +voor uzelven alleen, maar voor mij moet gij weenen, dan zal ik u +verschijnen en gij zult mij herkennen als een ouden vriend.' + +'Ik ken u. Ik herkende u. Ik wil bij u zijn.' + +Johannes strekte de handen uit. Doch de mensch wees op het glinsterende +vaartuig, dat langzaam voortdreef op den vurigen weg. + +'Zie!' zeide hij, 'dat is de weg naar alles wat gij verlangd hebt. Een +andere is er niet. Zonder die beiden zult ge het niet vinden. Doe nu uwe +keuze. Daar is het Groote Licht, daar zult gij zelve zijn wat gij +verlangt te kennen. Daar!' en hij wees naar het donkere Oosten, 'waar de +menschheid is en haar weedom, daar is mijn weg. Niet het dwaallicht, dat +gij gedoofd hebt, maar ik zal u begeleiden. Zie nu, gij weet het. Doe +uwe keuze.' + +Toen wendde Johannes langzaam het oog van Windekind's wenkende gestalte +af en strekte de handen naar den ernstigen mensch. En met zijnen +begeleider ging hij den killen nachtwind tegemoet, den zwaren weg naar +de groote, duistere stad, waar de menschheid was en haar weedom. + + * * * * * + +Wellicht vertel ik u eenmaal meer van den kleinen Johannes, doch op een +sprookje zal het dan niet meer gelijken. + + + + + + + + + + + +End of Project Gutenberg's De kleine Johannes, by Frederik van Eeden + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 10819 *** diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..6cbe27f --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #10819 (https://www.gutenberg.org/ebooks/10819) diff --git a/old/10819-8.txt b/old/10819-8.txt new file mode 100644 index 0000000..a133ee4 --- /dev/null +++ b/old/10819-8.txt @@ -0,0 +1,5319 @@ +The Project Gutenberg EBook of De kleine Johannes, by Frederik van Eeden + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De kleine Johannes + +Author: Frederik van Eeden + +Release Date: January 24, 2004 [EBook #10819] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO Latin-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE KLEINE JOHANNES *** + + + + +Produced by Marc D'Hooghe + + + + +DE KLEINE JOHANNES + +van + +FREDERIK VAN EEDEN + + + +Aan mijn vrouw + + + + +I + + +Ik zal u iets van den kleinen Johannes vertellen. Het heeft veel van een +sprookje, mijn verhaal, maar het is toch alles werkelijk zoo gebeurd. +Zoodra gij het niet meer gelooft, moet ge niet verder lezen, want dan +schrijf ik niet voor u. Ook moogt ge er den kleinen Johannes nooit over +spreken, als ge hem soms ontmoet, want dat zou hem verdriet doen en het +zou mij spijten, u dit alles verteld te hebben. + +Johannes woonde in een oud huis met een grooten tuin. Het was er +moeilijk den weg te vinden, want in het huis waren veel donkere +portaaltjes, trappen, kamertjes en ruime rommelzolders, en in den tuin +waren overal schuttingen en broeikasten. Het was een heele wereld voor +Johannes. Hij kon er verre tochten in maken en hij gaf namen aan alles +wat hij ontdekte. + +Voor het huis had hij namen uit het dierenrijk: de rupsenzolder, omdat +hij er rupsen groot bracht; het kippenkamertje, omdat hij daar eens een +kip gevonden had. Die was er niet van zelve gekomen, maar daar door +Johannes' moeder te broeien gezet. In den tuin koos hij namen uit het +plantenrijk, en lette daarbij vooral op de voortbrengselen, die voor hem +van belang waren. Zoo onderscheidde hij een frambozenberg, een +dirkjesbosch en een aardbeiëndal. Heel achter was een plekje, dat hij +het paradijs noemde en daar was het natuurlijk erg heerlijk. Daar was +een groot water, een vijver, waar witte waterleliën dreven en het riet +lange fluisterende gesprekken hield met den wind. Aan de overzijde lagen +de duinen. Het paradijs zelf was een klein grasveldje aan dezen oever, +omringd door kreupelhout, waartusschen het nachtegaalskruid hoog +opschoot. Daar lag Johannes dikwijls in het dichte gras en tuurde +tusschen de schuifelende rietbladen door naar de duintoppen over het +water. Op warme zomeravonden was hij daar altijd en lag uren te staren, +zonder zich ooit te vervelen. Hij dacht aan de diepte van het stille, +heldere water voor zich, hoe gezellig het daar moest zijn, tusschen die +waterplanten, in dat vreemde schemerlicht, en dan weer aan de verre, +prachtig gekleurde wolken, die boven de duinen zweefden, wat daar wel +achter zou zijn en of het heerlijk zou zijn daarheen te kunnen vliegen. +Als de zon juist was ondergegaan, stapelden de wolken zich daar zóó +opeen, dat ze den ingang van eene grot schenen te vormen en in de diepte +van die grot schitterde het dan van zachtrood licht. Dat was wat +Johannes verlangde. Kon ik daarin vliegen! dacht hij dan. Wat zou daar +wel achter zijn? Zou ik daar eenmaal, eenmaal kunnen komen ... + +Maar hoe dikwijls hij dat wenschte, telkens viel de grot in vale, +donkere wolkjes uiteen, zonder dat hij er dichter bij konde komen. Dan +werd het koud en vochtig aan den vijver en hij moest weer zijn donker +slaapkamertje in het oude huis gaan opzoeken. + +Hij woonde daar niet geheel alleen; hij had een vader, die hem goed +verzorgde, een hond die Presto en een kat die Simon heette. Natuurlijk +hield hij van zijn vader het meest, maar Presto en Simon achtte hij +volstrekt niet zooveel beneden hem, als een groot mensch dat zou doen. +Hij vertrouwde zelfs meer geheimen aan Presto dan aan zijn vader, en +voor Simon gevoelde hij een eerbiedig ontzag. Nu, dat was geen wonder! +Simon was een groote kat met glanzig zwart vel en een dikken staart. Men +kon hem aanzien, dat hij volkomen overtuigd was van zijn eigen grootheid +en wijsheid. Hij bleef altijd even deftig en voornaam, zelfs als hij +zich verwaardigde even met een rollende kurk te spelen, of achter een +boom een vergeten haringkop op te knauwen. Bij de dolle uitgelatenheid +van Presto kneep hij minachtend de groene oogen toe en dacht: Nu ja! Die +honden weten niet beter. + +Begrijpt ge nu, dat Johannes ontzag voor hem had? Met den kleinen +bruinen Presto ging hij heel vertrouwelijk om. Het was geen mooi of +voornaam, maar een bizonder goedig en schrander hondje, dat nimmer +verder dan twee pas van Johannes weg te krijgen was en geduldig zat te +luisteren naar de mededeelingen van zijn meester. Ik behoef u niet te +zeggen, hoeveel Johannes van Presto hield. Maar hij had toch ook heel +wat ruimte in zijn hart voor anderen over. Vindt ge het vreemd, dat zijn +donker slaapkamertje met de kleine ruitjes daar ook een groote plaats +innam? Hij hield van het behangsel met de groote bloemfiguren, waarin +hij gezichten zag en waarvan hij de vormen zoo dikwijls bestudeerd had, +als bij ziek was of 's morgens wakker lag, hij hield van het eene +schilderijtje dat er hing, waarop stijve wandelaars waren afgebeeld, die +in een nog stijver tuin wandelden langs gladde vijvers, waarin +hemelhooge fonteinen spoten en kokette zwanen zwommen; het meest hield +hij echter van de hangklok. Hij wond die altijd met zorg en aandacht op +en hield het voor een noodzakelijke beleefdheid naar haar te kijken als +zij sloeg. Dat ging natuurlijk alleen zoolang Johannes niet sliep. Was +de klok door een verzuim stil blijven staan, dan voelde Johannes zich +zeer schuldig en vroeg haar duizendmaal vergeving. Gij zoudt misschien +lachen, als ge hem met zijn kamer in gesprek hoordet. Maar let eens op +hoe dikwijls gij bij u zelven spreekt. Dat schijnt u in 't geheel niet +belachelijk. Johannes was bovendien overtuigd, dat zijne hoorders hem +volkomen begrepen en had geen antwoord noodig. Maar heimelijk wachtte +hij toch wel eens een antwoord van de klok of het behangsel. + +Schoolkameraden had Johannes wel, maar vrienden waren het eigenlijk +niet. Hij speelde met hen en smeedde samenzweringen op school en vormde +rooverbenden met hen buiten, maar hij voelde zich eerst recht thuis als +hij alleen met Presto was. Dan verlangde hij nimmer naar jongens, en +voelde zich volkomen vrij en veilig. + +Zijn vader was een wijs en ernstig man, die Johannes dikwijls medenam op +lange tochten door wouden en duinen; dan spraken ze weinig en Johannes +liep tien schreden achter zijn vader, de bloemen groetend, die hij +tegenkwam en de oude boomen, die zoo altijd op dezelfde plaats moesten +blijven, vriendelijk met zijn handje langs de ruwe schors strijkend. En +ruischend dankten hem dan de goedige reuzen. + +Soms schreef zijn vader letters in het zand bij het voortgaan, één voor +één, en Johannes spelde de woorden, die zij vormden en soms ook stond de +vader stil en leerde Johannes den naam van een plant of dier. + +En Johannes vroeg ook dikwijls, want hij zag en hoorde veel raadselachtigs. +Domme vragen deed hij vaak; hij vroeg waarom de wereld was zooals zij was, +en waarom dieren en planten dood moesten gaan, en of er wonderen konden +gebeuren. Maar Johannes' vader was een wijs man en zeide niet alles wat hij +wist. Dat was goed voor Johannes. + +'s Avonds voor dat hij slapen ging, deed Johannes altijd een lang gebed. +Dat had de kindermeid hem zoo geleerd. Hij bad voor zijn vader en voor +Presto. Simon had het niet noodig, dacht hij. Hij bad ook heel lang voor +zichzelven en het slot was meestal de wensch, dat er toch eens een +wonder mocht gebeuren. En als hij amen gezegd had, keek hij gespannen in +het half duistere kamertje rond, naar de figuren van het behangsel, die +nog vreemder schenen in het zwakke schemerlicht, naar den deurknop en +naar de klok, waar nu het wonder zou beginnen. Maar de klok bleef altijd +hetzelfde wijsje tikken en de deurknop bewoog zich niet, het werd geheel +duister en Johannes viel in slaap, zonder dat het wonder gekomen was. + +Maar eenmaal zou het gebeuren, dat wist hij. + + + + +II + + +Het was warm aan den vijver en doodstil. De zon, rood en afgemat van +haar dagelijksch werk, scheen een oogenblik op een verren duinrand uit +te rusten, vóór ze onderdook. Bijna volkomen spiegelde het gladde water +haar gloeiend aangezicht weer. De over den vijver hangende bladen van +den beuk maakten van de stilte gebruik om zich eens aandachtig in den +spiegel te bekijken. De eenzame reiger, die tusschen de breede bladen +van de waterlelie op één poot stond, vergat dat hij uitgegaan was om +kikkers te vangen en tuurde in gedachten verzonken langs zijn neus. + +Daar kwam Johannes op het grasveldje, om de wolkengrot te zien. Plomp! +plomp! sprongen de kikvorschen van den kant. De spiegel trok rimpels, +het zonnebeeld brak in breede strepen en de beukenbladen ritselden +verstoord, want zij waren nog niet klaar met hun beschouwing. + +Vastgebonden aan de naakte wortels van den beuk lag een oude kleine +boot. Het was Johannes streng verboden daarin te gaan. O, wat was dezen +avond de verzoeking sterk! Reeds vormden zich de wolken tot een +ontzaglijke poort, waarachter de zon ter ruste zou gaan. Schitterende +rijen wolkjes schaarden zich ter zijde als een goudgeharnaste lijfwacht. +Het watervlak gloeide mede, en roode vonken vlogen als pijlen door het +oeverriet. + +Langzaam maakte Johannes het touw der boot van de beukenwortels los. +Daar te drijven, midden in de pracht! Presto was reeds in de boot +gesprongen en eer zijn meester het zelf wilde, schoven de riethalmen +vaneen en dreven zij beiden weg in de richting van de avondzon. Johannes +lag op den voorsteven en staarde in de diepte van de lichtgrot. Vleugels! +dacht hij, nu vleugels! en daarheen! + +De zon was verdwenen. De wolken gloeiden door. In het oosten was de +hemel donkerblauw. Daar stond een rij wilgen langs den oever. Roerloos +staken zij hun smalle witte blaadjes in de stille lucht. Tegen den +donkeren achtergrond scheen dat prachtig bleekgroen kantwerk. + +Stil! wat was dat? Het schoot als een suizeling over het watervlak, als +een lichte windvlaag, die een spitse vore in het water groeft. Het kwam +van de duinen, van de wolkgrot. + +Toen Johannes omzag, zat een groote blauwe waterjuffer op den rand der +boot. Zoo groot had hij er nog nimmer een gezien. Zij zat stil, maar +haar vleugels bleven in een wijden cirkel trillen. Het scheen Johannes, +dat de punten van haar vleugels een lichtenden ring vormden. + +Dat moet een vuurvlinder zijn, dacht hij, die zijn heel zeldzaam. + +Doch de ring werd grooter en grooter en de vleugels trilden zoo snel, +dat Johannes niet meer dan een nevel zag. En langzamerhand zag hij uit +dien nevel twee donkere oogen schitteren, en een lichte, ranke gestalte, +in een teederblauw kleedje, zat op de plaats van de libel. In het blonde +haar was een krans van witte winden en aan de schouders gazen +haftvleugels, die als een zeepbel in duizend kleuren schitterden. + +Een huivering van geluk doortintelde Johannes. Dát was een wonder! + +'Wilt ge mijn vriend zijn?' fluisterde hij. + +Dat was wel een zonderlinge wijze om een vreemde aan te spreken, maar +het ging hier niet gewoon toe. En hij had een gevoel, alsof hij het +vreemde, blauwe wezen al lang kende. 'Ja Johannes!' hoorde hij en de +stem klonk als het schuifelen van het riet in den avondwind of het +ruischen van den regen op de bladen in het bosch. + +'Hoe moet ik u noemen?' vroeg Johannes. + +'Ik ben geboren in den kelk eener winde. Noem mij Windekind!' + +En Windekind lachte en staarde Johannes zoo vertrouwelijk in de oogen, +dat het hem wonderbaar zalig te moede werd. 'Het is vandaag mijn +verjaardag,' zeide Windekind, 'ik ben hier in den omtrek geboren, uit de +eerste stralen der maan en de laatste der zon. Men zegt wel dat de zon +vrouwelijk is. Dat is niet waar. Hij is mijn vader.' + +Johannes nam zich voor, morgen op school van _den_ zon te spreken. 'En +kijk! daar komt het ronde, blanke gezicht van mijne moeder al te +voorschijn. Dag moeder! O, o, wat kijkt zij weer goedig en bedrukt!' + +Hij wees naar de Oosterkimmen. Groot en glanzig rees daar de maan aan +den grauwen hemel, achter het kantwerk der wilgen, dat zwart tegen de +lichte schijf afstak. Zij zette werkelijk een zeer pijnlijk gezicht. + +'Kom! kom! moeder! het is niets. Ik kan hem immers vertrouwen!' + +Het schoone wezen trilde vroolijk met de gazen vleugels en tikte +Johannes met de Irisbloem, die hij in de hand had, op de wang. 'Zij +vindt het niet goed dat ik bij u gekomen ben. Gij zijt de eerste. Maar +ik vertrouw u, Johannes. Gij moogt nooit, nooit aan een mensch mijn naam +noemen of over mij spreken. Belooft gij dat?' + +'Ja, Windekind,' zei Johannes. Het was hem nog zoo vreemd. Hij voelde +zich onuitsprekelijk gelukkig maar vreesde zijn geluk te verliezen. +Droomde hij? Naast hem op de bank lag Presto kalm te slapen. De warme +adem van zijn hondje stelde hem gerust. De muggen krioelden op het +watervlak en dansten in de zoele lucht, evenals gewoonlijk. Het was +alles zoo klaar en duidelijk om hem heen. Het moest waarheid zijn. En +altijd voelde hij dat Windekinds vertrouwelijke blik op hem rustte. + +Daar klonk weer de zoet-ruischende stem: + +'Ik heb u vaak hier gezien, Johannes. Weet ge waar ik was? Soms zat ik +op den zandgrond van den vijver tusschen de dichte waterplanten en zag +naar u op, als ge over het water heenboogt, om te drinken of om de +watertorren en salamanders te bekijken. Maar mij zelven zaagt gij nooit. +Dikwijls ook keek ik naar u uit het dichte riet. Daar ben ik heel veel. +Daar slaap ik meestal, als het warm is. In een leeg karkietennest. Ja! +dat is heel zacht.' + +Windekind wiegde vergenoegd op den rand van de boot en sloeg met zijn +bloem naar de muggen. + +'Nu kom ik u wat gezelschap houden. Het is anders zoo eentonig, uw +leven. Wij zullen goede vrienden zijn en ik zal u veel vertellen. Veel +beter dingen dan de schoolmeesters u wijs maken. Die weten er volstrekt +niets van. En als gij mij niet gelooft, zal ik u zelven laten zien en +hooren. Ik zal u meenemen.' + +'O, Windekind! lieve Windekind! kunt gij mij daarheen medenemen?' riep +Johannes, en wees naar den kant, waar zooeven het purper licht van de +ondergaande zon uit de gouden wolkenpoort gestraald had. Reeds ging het +heerlijk gevaarte in grijze nevelen vervloeien. Toch drong de bleekroode +glans nog uit de verste diepte te voorschijn. Windekind staarde in het +licht, dat zijn fijn gezichtje en zijn blonde haren verguldde, en +schudde zachtkens het hoofd. 'Nu niet! nu niet! Johannes. Ge moet niet +dadelijk te veel vragen. Ik zelve ben nooit nog bij Vader geweest.' + +'Ik ben altijd bij mijn vader,' zeide Johannes. + +'Neen! dat is uw vader niet. Wij zijn broeders, mijn Vader is ook de +uwe. Maar uw moeder is de aarde en daarom verschillen wij veel. Ook zijt +ge in een huis bij menschen geboren en ik in een windekelk. Dat laatste +is stellig beter. Maar wij zullen het toch goed samen vinden!' + +Toen sprong Windekind luchtig op de zijde van de boot, die niet bewoog +onder dien last, en kuste Johannes op het voorhoofd. + +Wat was dat een vreemde gewaarwording voor Johannes! Het was of alles om +hem heen veranderde. + +Hij zag alles nu veel beter en juister, dacht hij. Hij zag hoe de maan +nu veel vriendelijker keek, en hij zag, dat de waterlelies gezichten +hadden, waarmede zij hem verwonderd en peinzend aanstaarden. + +Hij begreep nu op eens, waarom de muggen zoo vroolijk op en neer dansten, +altijd om elkaar heen, op en neer, tot ze met hun lange beenen het water +raakten. Hij had er wel eens aan gedacht, maar nu begreep hij het van zelf. + +Hij hoorde ook wat het riet fluisterde en hoe de boomen aan den oever +zachtjes klaagden, dat de zon was ondergegaan. + +'O, Windekind! ik dank u, dat is heerlijk. Ja, wij zullen het wel goed +samen vinden!' + +'Geef mij een hand,' zei Windekind, en sloeg de veelkleurige vleugels +uit. Toen trok hij Johannes in de boot voort over het water, door de +plompebladen, die in het maanlicht glinsterden. + +Hier en daar zat een kikvorsch op een blad. Maar nu sprong hij niet in +'t water als Johannes kwam. Hij maakte alleen een kleine buiging en +zeide: 'Kwak!' Johannes boog beleefd terug, hij wilde zich vooral niet +ingebeeld toonen. + +Daar kwamen zij aan het riet, dat was breed en de geheele boot verdween +er in, zonder dat zij het land bereikten. Maar Johannes vatte zijn +geleider stevig vast en toen klauterden zij tusschen de hooge halmen +aan land. + +Johannes meende wel, dat hij kleiner en lichter was geworden, maar dat +was misschien verbeelding. Toch herinnerde hij zich niet dat hij ooit +tegen een riethalm had kunnen opklimmen. + +'Let nu goed op,' zei Windekind, 'nu zult ge iets aardigs zien.' + +Zij wandelden tusschen het hooge gras onder donker kreupelhout, dat hier +en daar een smal, glanzig straaltje van het maanlicht doorliet. + +'Hebt ge 's avonds de krekels wel eens gehoord, Johannes, in de duinen? +Het lijkt of zij een concert maken niet waar? en ge kunt nooit hooren, +waar het geluid vandaan komt. Nu, zij zingen nooit voor hun pleizier, +maar dat geluid komt van de krekelschool, waar honderd krekeltjes hun +lessen van buiten leeren. Wees nu stil, want wij zijn er haast.' + +Shrrr! Shrrr! + +Het kreupelhout werd minder dicht, en toen Windekind met zijn bloem de +grashalmen uiteen schoof, zag Johannes een helder verlicht open plekje, +waar de krekeltjes bezig waren tusschen het dunne, spichtige duingras +hun lessen te leeren. + +Shrrr! Shrrr! + +Een groote, dikke krekel was meester en overhoorde. Eén voor één +sprongen de leerlingen naar hem toe, altijd met één sprong heen en één +sprong weer naar hun plaats terug. Wie mis sprong moest op een +paddestoel te pronk staan. + +'Luister goed Johannes! dan kunt ge misschien óók wat leeren,' zei +Windekind. + +Johannes verstond zeer goed wat de krekeltjes antwoordden. Maar het leek +niets op wat de meester op zijn school vertelde. Eerst kwam geographie. +Van de werelddeelen wisten zij niets. Zij moesten alleen 26 duinen +kennen en twee vijvers. Van hetgeen verder was kon niemand iets weten, +zei de meester, en wat er van verteld werd, was ijdele fantasie. + +Toen kwam de botanie aan de beurt. Daarin waren ze allen erg knap en +werden veel prijzen uitgedeeld, uitgezochte jonge en malsche +grashalmpjes van verschillende lengte. + +Maar de zoölogie verbaasde Johannes het meest. De dieren werden verdeeld +in springende, vliegende en kruipende. De krekels konden springen en +vliegen en stonden dus bovenaan, dan volgden de kikvorschen. Vogels +werden met alle teekenen van afschuw hoogst schadelijk en gevaarlijk +genoemd. Eindelijk werd ook de mensch besproken. Het was een groot, +nutteloos en schadelijk dier, dat zeer laag stond, daar het vliegen noch +springen kon, maar dat gelukkig zeldzaam was. Een klein krekeltje, dat +nog nooit een mensch gezien had, kreeg drie slagen met een rietje, omdat +hij den mensch bij vergissing onder de onschadelijke dieren telde. + +Zoo iets had Johannes nog nooit gehoord. + +Toen riep de meester op eens: 'Stilte! springoefening!' Dadelijk hielden +alle krekeltjes op met lessen leeren en begonnen op heel kunstige en +bedrijvige wijze haasje-over te spelen. De dikke meester het eerst. + +Dat was zulk een vroolijk gezicht, dat Johannes in de handen klapte van +pret. Op dat geluid stoof de heele school in een oogenblik het duin in +en werd het doodstil op het grasveldje. + +'Ja, dat komt er van, Johannes. Ge moet u niet zoo lomp gedragen! Men +kan toch wel merken, dat gij bij menschen geboren zijt!' + +'Het spijt mij, ik zal mijn best doen. Maar het was ook zoo aardig!' + +'Het wordt nog veel aardiger,' zei Windekind. + +Zij staken het grasveldje over en bestegen de duin aan de andere zijde. +Oef! dat was zwoegen in het dikke zand; maar toen Johannes Windekind bij +het lichte blauwe kleedje greep, vloog hij er vlug en luchtig tegen op. +Halverwege den top was een konijnenhol. + +Het konijntje, dat er thuis hoorde, lag met kop en voorpooten uit den +ingang. De duinrozen bloeiden nog en haar fijne, zachte geur mengde zich +met dien van het thijmkruid, dat op den duintop groeide. + +Johannes had dikwijls konijntjes in hun hol zien verdwijnen en dan +gedacht: hoe zou het daarbinnen uitzien? Hoeveel zouden er daar wel bij +elkaar zitten en zouden zij het niet benauwd hebben? + +Hij was dan ook zeer verheugd, toen hij zijn metgezel aan het konijntje +hoorde vragen of zij het hol eens mochten bezien. 'Wat mij betreft, +wel!' zeide het konijntje. 'Maar het treft ongelukkig, dat ik van avond +juist mijn hol heb afgestaan voor het geven van een weldadigheidsfeest, +en dus eigenlijk geen baas ben in mijn huis.' + +'Ei! Ei! is er een ongeluk gebeurd?' + +'Ach ja!' zei het konijntje weemoedig: 'Een groote ramp! Wij komen het +in geen jaren te boven. Een duizend sprongen hier vandaan is een +menschenhuis gebouwd, zoo groot! zoo groot!--En er zijn menschen komen +wonen met honden. Er zijn wel zeven leden van mijn familie bij omgekomen +en nog driemaal zooveel van hol beroofd. En het is met het geslacht Muis +en de familie Mol nog erger gegaan. Ook de Padden hebben zwaar geleden. +Nu hebben wij een feest op touw gezet voor de nagelaten betrekkingen. +Ieder doet het zijne, ik geef mijn hol. Men moet wat over hebben voor +zijne medeschepselen.' + +Het meewarige konijntje zuchtte en haalde met den rechter voorpoot het +lange oor over zijn kopje, om er een traan mede uit het oog te wisschen. +Dat was zoo zijn zakdoek. + +Daar ritselde iets in het helm en een dikke, logge gedaante kwam op het +hol toe scharrelen. + +'Kijk!' riep Windekind, 'daar komt vader Pad ook al aangehuppeld. Wel! +wel! durft ge nog zoo laat op 't pad, Pad!' + +De Pad nam geen notitie van de scherts. Aardigheden op zijn naam +verveelden hem al lang. Bedaard legde hij een volle korenaar, netjes in +een droog blad gewikkeld, bij den ingang neer en klom behendig over den +rug van het konijntje in het hol. 'Mogen wij binnengaan?' zeide Johannes, +die erg nieuwsgierig was. 'Ik zal ook wat geven.' + +Hij herinnerde zich dat hij in zijn zak nog een beschuitje had. Een rond +beschuitje van Huntley en Palmers. Toen hij het te voorschijn haalde, +bemerkte hij eerst hoe klein hij geworden was. Hij kon het nauwelijks +met twee handen tillen en begreep niet hoe het nog in zijn broekzak +gezeten had. 'Dat is zeer kostbaar en zeldzaam!' riep het konijntje. +'Dat is een kostbaar geschenk!' + +Eerbiedig liet het aan beiden den toegang vrij. Het was donker in het +hol en Johannes liet Windekind maar vóórgaan. Spoedig zagen zij een +bleekgroen lichtje naderen. Het was een glimworm, die welwillend aanbood +hen voor te lichten. + +'Het belooft een genoeglijke avond te worden,' zeide de glimworm onder +'t voortgaan. 'Er zijn al veel gasten. Gij zijt elfen, naar mij +toeschijnt, niet waar?' De glimworm keek daarbij eenigszins wantrouwend +naar Johannes. + +'Gij kunt ons als elfen aandienen,' antwoordde Windekind. + +'Weet ge dat uw koning van de partij is?' ging de glimworm voort. + +'Is Oberon hier? Wel dat doet mij recht veel genoegen,' riep Windekind, +'ik ken hem persoonlijk.' + +'O?' zeide de glimworm, 'ik wist niet dat ik de eer had ...' en zijn +lichtje ging bijna uit van schrik. 'Ja Z.M. houdt gewoonlijk meer van de +buitenlucht, maar voor een liefdadig doel is hij altijd te vinden. Het +zal wel een luisterrijk feest zijn.' + +Dat was het inderdaad. De groote zaal in het konijnenhol was prachtig +versierd. De vloer was platgetreden en met geurig thijm bestrooid; dwars +voor den ingang hing een vleermuis aan de achterpooten. Deze riep de +namen der gasten af en diende tevens als gordijn, dat was een +zuinigheidsmaatregel. De wanden der zaal waren smaakvol gedecoreerd met +dorre bladen, spinnewebben en kleine hangende vleermuisjes. Tallooze +glimwormen kropen daartusschen en over de zoldering rond, en vormden een +alleraardigste beweeglijke verlichting. Er was aan 't eind der zaal een +troon gebouwd van stukjes vermolmd hout, die licht gaven. Dat was een +mooi gezicht! + +Er waren veel gasten. Johannes voelde zich maar half thuis in de vreemde +menigte en drong dicht tegen Windekind aan. Hij zag er vreemde dingen. +Een mol sprak druk met een veldmuis over de fraaie verlichting en de +decoratie. In een hoekje zaten twee dikke padden hoofdschuddend tegen +elkaar te jammeren over het aanhoudend droge weer. Een kikvorsch poogde +gearmd met een hagedis een wandeling door de zaal te maken, wat hem +slecht afging, daar hij verlegen en gejaagd was en telkens te ver +sprong, waarbij hij soms de wandversiering danig in wanorde bracht. + +Op den troon zat Oberon, de elfenkoning, omringd door een klein gevolg +elfen, die eenigszins minachtend op de omgeving neerzagen. De koning +zelf was naar vorstenwijze allerminzaamst en onderhield zich vriendelijk +met verschillende gasten. Hij kwam van een reis uit het Oosten en had +een vreemd gewaad van schitterend gekleurde bloembladen aan. Zulke +bloemen groeien hier niet, dacht Johannes. Op het hoofd droeg hij een +donkerblauw bloemkelkje, dat nog een frisschen geur verspreidde, als was +het zooeven geplukt. In de hand hield hij den meeldraad van een +lotosbloem als koningsstaf. + +Alle aanwezigen waren vol stillen lof over zijn goedheid. Hij had het +maanlicht in de duinen geroemd en gezegd dat de glimwormen hier bijna +even schoon waren als de Oostersche vuurvliegen. Ook had hij met +genoegen naar de wandversiering gekeken en een mol had zelfs opgemerkt, +dat hij goedkeurend met het hoofd had geknikt. + +'Ga mede,' zei Windekind tot Johannes, 'ik zal u voorstellen.' En zij +drongen tot aan 's konings zitplaats door. + +Oberon spreidde de armen vol vreugde uit, toen hij Windekind herkende en +kuste hem. Dit gaf een gefluister onder de gasten en afgunstige blikken +van het elfengevolg. De twee dikke padden in den hoek mompelden samen +iets van 'vleiers' en 'kruipen' en 'niet lang duren'; toen knikten ze +elkaar veelbeteekenend toe. + +Windekind sprak lang in een vreemde taal tot Oberon en wenkte toen +Johannes om dichterbij te komen. + +'Geef mij de hand, Johannes!' zei de koning. 'Windekind's vrienden zijn +de mijne. Waar ik kan, zal ik u bijstaan. Ik zal u een teeken van ons +verbond geven.' Oberon maakte van zijn halsketen een klein gouden +sleuteltje los en gaf dat aan Johannes, die het vol eerbied aannam en +vast in zijne hand sloot. 'Dat sleuteltje kan uw geluk zijn,' ging de +koning voort. 'Het past op een gouden kistje dat kostbare schatten +bevat. Maar wie dat heeft, kan ik u niet zeggen. Gij moet maar ijverig +zoeken. Als gij goede vrienden met mij en Windekind blijft en +standvastig en trouw zijt, zal het u wel gelukken.' De elfenkoning +knikte daarbij hartelijk met het schoone hoofdje en overgelukkig dankte +Johannes hem. + +Daar begonnen drie kikkers, op eene kleine verhevenheid van vochtig mos +gezeten, de inleiding tot een langzame wals te zingen en er vormden zich +paartjes. De niet dansenden werden door een groen hagedisje, dat als +ceremoniemeester werkzaam was en schutterig heen en weer vloog, naar de +kanten gedrongen, tot groote ergernis van de twee padden, die klaagden +dat zij niets konden zien, en daarna begon de dans. + +Dat was eerst grappig. Ieder danste op zijn eigen manier en verbeeldde +zich natuurlijk, dat hij het veel beter deed dan de anderen. De muizen +en kikvorschen sprongen hoog op hun achterste pooten, een oude rat +draaide zoo woest, dat alle dansers voor hem op zij weken, en ook een +vette boomslak waagde een toertje met een mol, maar gaf het spoedig op, +onder voorwendsel dat ze er een steek van in de zij kreeg, de ware reden +was, dat ze het niet best kon. + +Het ging echter zeer ernstig en plechtig toe. Men maakte er een +gewetenszaak van, en gluurde angstig naar den koning om een teeken van +goedkeuring op zijn gelaat te zien. Maar de koning was bang om +ontevredenen te maken en keek zeer strak. Zijn gevolg rekende het +beneden hunne danskunst mede te doen. + +Johannes had zich bij dien ernst lang goed gehouden. Doch toen hij een +klein padje zag rondzwieren met een lange hagedis, die het ongelukkige +padje soms hoog boven den grond tilde en een halven cirkel in de lucht +liet beschrijven, barstte zijn vroolijkheid in een schaterlachen uit. + +Dat gaf opschudding. De muziek zweeg. De koning keek verstoord om. De +ceremoniemeester vloog in volle vaart op den lacher toe en verzocht hem +dringend zich wat gepaster te gedragen. 'Dansen is een ernstige zaak,' +zeide hij, 'en volstrekt geen bezigheid om uit te lachen. Het is hier +een deftig gezelschap, waar men niet zoo maar voor de grap danst. Ieder +deed zijn best en niemand verlangde uitgelachen te worden. Dat is een +grofheid. Men is hier bovendien op een treurfeest om droevige redenen. +Men moet zich hier fatsoenlijk gedragen en niet handelen, alsof men bij +menschen was!' + +Daar verschrikte Johannes van. Overal zag hij vijandige blikken. Zijn +vertrouwelijkheid met den koning had hem vele vijanden bezorgd. + +Windekind trok hem ter zijde: + +'Het is maar beter, dat wij weggaan, Johannes!' fluisterde hij, 'gij +hebt het weer verkorven. Ja! Ja! dat komt er van, als men bij menschen +is opgevoed!' + +Haastig glipten zij onder de vleugels van den vleermuisportier door en +kwamen in de duistere gang. De beleefde glimworm wachtte hen op. + +'Hebt gij u goed geamuseerd?' vroeg hij. 'Hebt gij koning Oberon +gesproken!' + +'O ja! het was een vroolijk feest,' zei Johannes, 'moet gij hier altijd +in de donkere gang blijven?' + +'Dat is eigen vrije keuze,' zeide de glimworm op weemoedig bitteren +toon. 'Ik houd niet meer van die ijdelheden.' + +'Kom,' zeide Windekind, 'dat meent gij niet.' + +'Het is zooals ik zeg. Vroeger,--vroeger was er een tijd dat ik ook naar +feesten ging en danste en mij met zulke beuzelingen ophield. Maar nu ben +ik door het lijden gelouterd, nu ...' + +En hij werd zoo geroerd, dat zijn lichtje weder uitging. Gelukkig waren +zij dicht bij den uitgang en het konijntje, dat hen hoorde aankomen, +ging een weinig op zijde, zoodat het maanlicht naar binnen scheen. + +Zoodra zij bij het konijntje buiten waren, zeide Johannes: 'Vertel ons +uwe geschiedenis eens, glimworm!' + +'Ach!' zuchtte de glimworm, 'die is eenvoudig en droevig. Zij zal u niet +vermaken.' + +'Vertel haar, vertel haar toch maar,' riepen allen. + +'Nu: gij weet dan toch allen wel, dat wij glimwormen zeer bijzondere +wezens zijn. Ja, ik geloof dat niemand zou durven tegenspreken, dat wij +glimwormen het hoogst begaafd zijn van al wat leeft.' + +'Waarom? dat weet ik niet,' zeide het konijntje. + +Met minachting vroeg de glimworm toen: 'Kunt gij licht geven?' 'Neen! +dat nu wel niet,' moest het konijntje bekennen. + +'Nu, _wij_ geven licht! Allen! En wij kunnen het laten schijnen of +verdooven naar willekeur. Licht is de beste gave der natuur, en licht +geven het hoogste, waartoe een levend wezen komen kan. Zou iemand nog +onzen voorrang willen betwisten! Wij mannetjes hebben bovendien vleugels +en kunnen mijlen ver vliegen.' + +'Dat kan ik ook niet,' bekende het konijntje nederig. + +'Door de goddelijke gave des lichts, die wij hebben,' ging de glimworm +voort, 'ontzien ons ook andere dieren, geen vogel zal ons aanvallen. +Alleen één dier, het laagste onder allen, zoekt ons en neemt ons mede. +Dat is de mensch, het verfoeilijkst gedrocht der schepping.' + +Johannes keek Windekind aan bij dezen uitval, als begreep hij het niet. +Doch Windekind glimlachte en wenkte hem te zwijgen. 'Eens vloog ik +vroolijk rond, als een helder dwaallicht tusschen de donkere heesters. +En op een eenzaam, vochtig grasveldje, aan den oever van een sloot, daar +woonde zij, wier bestaan onafscheidelijk aan mijn geluk was verbonden. +Schoon schitterde zij in bleeken smaragd-glans, als zij tusschen de +glanshalmen rondkroop en machtig bekoorde zij mijn jong hart. Ik vloog +om haar heen en deed mijn best door verwisseling van glans hare aandacht +te trekken. Dankbaar zag ik, hoe zij mijn groet bespeurde en zedig haar +lichtje verduisterde. Sidderend van aandoening was ik op het punt mijn +vleugels samen te vouwen en in verrukking bij mijne stralende geliefde +neer te zinken, toen een ontzaglijk geluid de lucht vervulde. Donkere +gestalten naderden. Het waren menschen. Ik nam verschrikt de vlucht. +Zij joegen mij na, en sloegen naar mij met groote, zwarte dingen. Doch +sneller dan hun logge beenen droegen mij mijne vleugels.' 'Toen ik +terug kwam ...' + +Hier begaf den verhaler de stem. Eerst na een oogenblik van stille +aandoening, waarin de drie hoorders eerbiedig zwegen,--ging hij voort: + +'Gij kunt het reeds vermoeden. Mijn teedere bruid,--de glansrijkste en +schitterendste onder allen, zij was verdwenen, medegesleept door den +boosaardigen mensch. Het stille, vochtige grasveldje was vertrapt en +haar geliefd plekje aan de sloot was duister en ledig. Ik was alleen op +de wereld.' + +Hier haalde het gevoelige konijntje wederom een oor naar beneden om een +traan uit het oog te wisschen. + +'Sinds dien tijd ben ik veranderd. Ik heb een walg van alle ijdele +vermaken. Ik denk alleen aan haar, die ik verloren heb en aan den tijd +dat ik haar zal wederzien.' + +'Zoo! hebt ge daar nog hoop op?' vroeg het konijntje verheugd. 'Ik heb +meer dan hoop, ik heb zekerheid. Daarboven zal ik mijne geliefde +wederzien.' + +'Maar ...' wilde het konijntje inbrengen. + +'Konijn!' zeide de glimworm ernstig, 'ik kan mij begrijpen, dat iemand +twijfelt, die in het duister moet rondtasten. Maar wanneer men kan zien, +met eigen oogen zien? dan is elke onzekerheid mij een raadsel. Daar!' +zeide het glimwormpje en keek vol eerbied naar den van sterren +fonkelenden hemel. 'Daar zie ik hen! al mijn vaderen, al mijn vrienden +en ook haar, duidelijk stralen, in nog heerlijker glans dan hier op +aarde. Ach! wanneer zal ik mij uit dit lage leven kunnen opheffen, en +tot haar vliegen, die mij lonkend wenkt? Ach! wanneer? wanneer?' + +Zuchtend verliet het glimwormpje zijne toehoorders en kroop weder in het +donkere hol. + +'Arm schepsel!'zeide het konijntje, 'ik hoop dat hij gelijk heeft.' + +'Ik hoop het ook,' voegde Johannes er bij. + +'Ik vrees er voor,' zeide Windekind, 'maar het was zeer aandoenlijk.' + +'Lieve Windekind,' begon Johannes, 'ik ben heel moe en heb slaap.' + +'Kom dan naast mij, ik zal u met mijn mantel toedekken.' + +Windekind nam zijn blauwe manteltje en spreidde dat over Johannes en +zichzelven uit. Zoo legden zij zich neer, in het geurige mos op de +duinhelling, de armen om elkanders hals geslagen. + +'Uwe hoofden liggen wat laag,' riep het konijntje, 'wilt ge die tegen +mij laten rusten?' + +Dat deden zij. + +'Nacht moeder!' zeide Windekind tot de maan. + +Toen sloot Johannes zijn gouden sleuteltje vast in de hand, vlijde zijn +hoofd tegen het donzige vel van het goede konijntje en sliep rustig in. + + + + +III + + +Waar is hij dan, Presto? Waar is het kleine baasje dan? Welk een schrik, +wakker te worden in de boot, in het riet--geheel alleen, de baas +spoorloos verdwenen. Het was om angstig van te worden. + +En loop je hem nu al zoolang te zoeken, onder voortdurend zenuwachtig +piepen? Arme Presto! Hoe kon je ook zoo vast slapen en niet merken dat +de baas uit de boot ging? Anders word je dadelijk wakker, zoodra hij +eenige beweging maakt. + +Nauwelijks kon je herkennen, waar de baas aan land was gegaan en hier in +de duinen ben je nu het spoor geheel bijster geraakt. Het ijverig +snuffelen hielp niet. Welk een wanhoop! de baas weg! spoorloos weg! Zoek +dan Presto, zoek hem dan! + +Wacht! daar recht voor je, tegen die duinhelling, ligt daar niet een +kleine donkere gedaante? zie eens goed! + +Een oogenblik staat het hondje onbeweeglijk, en ziet ingespannen in de +verte. Dan strekt het op eens den kop vooruit en holt, vliegt met al de +kracht van zijn vier dunne pootjes, naar dat donkere plekje op de +duinhelling. + +Maar toen dat werkelijk het zoo smartelijk vermiste baasje bleek te +zijn, toen vond hij alle pogingen nog ontoereikend om zijn gansche +blijdschap en dankbaarheid uit te drukken. Hij kwispelde, verdraaide +zijn geheele lijfje, sprong, jankte, blafte en duwde zijn kouden neus +den lang gezochte likkend en snuffelend in 't gezicht. + +'Koest, Presto, in je mand!' riep Johannes half slapend. + +Hoe dom van den baas! Er is geen mand in de buurt, zoover men zien kan. + +Langzaam begon de schemering te dagen in de ziel van den kleinen slaper. +Het snuffelen van Presto, dat was hij iederen morgen zoo gewoon. Maar +voor zijn geest hingen nog lichte droombeelden van elfen en maneschijn, +als morgennevelen om een duinlandschap. Hij vreesde dat de kille adem +van den ochtend die zou verjagen. 'Oogen toehouden,' dacht hij, 'anders +zie ik de klok en het behangsel weer, als altijd!' + +Maar hij lag vreemd. Hij voelde, dat hij geen deken had. Langzaam en +voorzichtig opende hij de oogleden op een kier. + +Helder licht. Blauwe hemel. Wolken. + +Toen opende Johannes de oogen wagenwijd en zeide: 'Is het dan toch +waar?' + +Ja, hij lag midden in het duin. Vroolijke zonneschijn verwarmde hem, +frissche morgenlucht ademde hij in, een fijne nevel omgaf de bosschen in +'t verschiet. Hij zag alleen den hoogen beuk bij den vijver en het dak +van zijn huis, dat uitstak boven het groen. Bijen en kevers gonsden om +hem heen, boven hem zong de stijgende leeuwerik, in de verte klonk +hondengeblaf en het gerucht der verwijderde stad. Het was alles klare +werkelijkheid. + +Maar wat had hij gedroomd en wat niet? Waar was Windekind? en het +konijntje? + +Hij zag geen van beiden. Alleen Presto zat zoo dicht mogelijk bij hem en +keek hem in afwachting aan. + +'Zou ik aan 't slaapwandelen geweest zijn?' prevelde Johannes zacht. + +Naast hem was een konijnenhol. Maar zoo waren er zooveel in 't duin. Hij +richtte zich op om het goed te bezien. Wat voelde hij daar in de nog +vastgesloten hand? + +Een tinteling liep van de kruin van zijn hoofd tot zijn voeten, toen hij +de hand opende. Daar schitterde een klein gouden sleuteltje. + +Een tijd lang zat hij sprakeloos. + +'Presto! zeide hij toen, terwijl de tranen hem in de oogen kwamen. +'Presto, het is _toch_ waar!' + +Presto sprong op en trachtte door blaffen zijnen meester aan 't verstand +te brengen, dat hij honger had en naar huis wilde. + +Naar huis? Ja! daaraan had Johannes niet gedacht en hij had er weinig +zin in. Maar spoedig hoorde hij door verschillende stemmen zijn naam +roepen. Toen begon hij te begrijpen, dat zijn gedrag volstrekt niet +braaf en fatsoenlijk zoude gevonden worden en dat hem lang geen +vriendelijke woorden te wachten stonden. + +Een oogenblik scheelde het weinig, of zijn vreugdetranen waren in één +moeite door, tranen van angst en berouw geworden. Maar toen dacht hij +aan Windekind, die nu zijn vriend was, zijn vriend en vertrouweling, aan +het geschenk van den elfenkoning en aan die heerlijke, onbetwistbare +waarheid van al het gebeurde en hij zocht kalm en op alles voorbereid +den weg naar huis op. + +De ontmoeting viel niet mede. Zoo erg had hij zich de onrust en vrees +van zijn huisgenooten niet voorgesteld. Hij moest plechtig beloven, +nimmer meer zoo ondeugend en onvoorzichtig te zijn. + +'Dat kan ik niet,' zeide hij vastberaden. Daar zag men vreemd van op. +Hij werd ondervraagd, gesmeekt, bedreigd. Maar hij dacht aan Windekind +en hield vol. + +Wat konden hem straffen schelen als hij Windekind's vriendschap maar +behield en wat zou hij niet voor Windekind willen lijden! Vast klemde +hij het sleuteltje aan zijn borst en de lippen opeen, terwijl hij iedere +vraag met schouderophalen beantwoordde. 'Ik kan niets beloven,' zei +hij weer. + +Doch zijn vader zeide: 'Laat hem nu maar met vrede, het is hem ernst. Er +moet iets bijzonders met hem gebeurd zijn. Eens zal hij het ons wel +vertellen.' + +Johannes glimlachte, at zwijgend zijn boterham en sloop naar zijn +kamertje. Daar sneed hij een stuk van het gordijnkoord af, deed er het +kostbare sleuteltje aan en hing het zich om den hals op de bloote borst. +Toen ging hij getroost naar school. + +Het ging zeer slecht dien dag op school. Hij kende zijn lessen geen van +alle en lette volstrekt niet op. Voortdurend vlogen zijn gedachten naar +den vijver en naar de wonderbare gebeurtenissen van den vorigen avond. +Hij kon het zich nauwelijks denken, dat een vriend van den elfenkoning +nu weer verplicht zou zijn, sommen te maken en werkwoorden te vervoegen. +Maar het was toch alles waar geweest, en niemand om hem heen wist er +iets van of zou het kunnen gelooven of begrijpen, zelfs de meester niet, +hoe barsch hij ook keek en hoe minachtend hij Johannes ook een luien +rekel noemde. Blijmoedig verdroeg hij de kwade aanteekening en maakte +hij het strafwerk, dat zijn verstrooidheid hem op den hals haalde. + +'Zij hebben er toch geen van allen begrip van. Zij mogen mij uitschelden, +zooveel zij willen. Ik blijf Windekind's vriend, en Windekind is mij meer +waard dan zij allemaal te zamen. Ja, met den meester er bij.' + +Dat was niet eerbiedig van Johannes. Maar zijn achting voor zijn +medemenschen was, na al het kwaad dat hij er den vorigen avond van had +moeten hooren, niet gestegen. + +Doch, zooals het meer gaat, hij wist zijne wijsheid nog niet verstandig +genoeg te pas te brengen, of liever, te verzwijgen. + +Toen de meester vertelde, dat alleen de mensch door God met rede was +begaafd en als heerscher was gesteld over alle andere dieren, begon hij +te lachen. Dat bezorgde hem een slechte aanteekening en eene ernstige +vermaning. En toen zijn buurman uit een themaboek den volgenden zin +oplas: 'De ouderdom van mijne moedwillige tante is groot, maar niet zoo +groot als die van de zon'--riep Johannes haastig en luide: 'van _den_ zon!' + +Allen lachten hem uit en de meester, verbaasd, over zulk een aanmatigende +domheid, zooals hij het noemde, liet Johannes schoolblijven en honderdmaal +overschrijven: 'De ouderdom van mijne moedwillige tante is groot, maar +niet zoo groot als die van de zon, het grootst echter is mijne aanmatigende +domheid.' + +De scholieren waren verdwenen en Johannes zat eenzaam in het groote +schoollokaal te schrijven. Het zonlicht scheen vroolijk naar binnen, +deed duizenden stofjes glinsteren op zijn weg en vormde op den gewitten +muur lichte plekken, die met de wisseling der uren langzaam voortkropen. +De meester was weggegaan en had de deur hard toegeslagen. Johannes was +reeds aan de twee-en-vijftigste moedwillige tante, toen een klein, vlug +muisje, met zwarte kraaloogjes en zijdeachtige oortjes, uit den versten +hoek van het lokaal onhoorbaar langs den muur kwam loopen. Johannes +hield zich doodstil om het aardige diertje niet te verjagen. Het was +niet schuw en kwam tot dicht bij Johannes' zitplaats. Toen gluurde het +een tijdlang met de kleine heldere oogjes scherp in het rond en sprong +behendig met één sprong op de bank en met een tweeden op den lessenaar, +waaraan Johannes schreef. + +'Ei, ei!' zeide deze, half bij zichzelven, 'jij bent eerst een dapper +muisje!' + +'Ik zou niet weten voor wien ik bang moest zijn,' zeide een fijn +stemmetje, en het muisje liet de tandjes zien alsof het lachte. + +Johannes was reeds aan veel wonderlijks gewend, maar zette nu toch weer +groote oogen op. Zoo midden op den dag en op school, 't was ongeloofelijk. + +'Voor mij behoef je niet bang te zijn,' zeide hij zacht, uit vrees het +muisje te verschrikken, 'kom je van Windekind?' + +'Ik kom u even zeggen, dat de meester groot gelijk heeft en dat ge uw +strafwerk ruim verdiend hebt.' + +'Maar Windekind zei toch dat de zon mannelijk was, de zon was onze +vader.' + +'Ja, maar dat behoeft niemand anders te weten. Wat hebben de menschen +daarmee te maken. Ge moet nooit over zulke teedere zaken met menschen +spreken. Daar zijn zij te grof voor. De mensch is een verbazend +boosaardig en lomp wezen, die liefst alles vangt en doodtrapt wat onder +zijn bereik komt. Daar hebben wij, muizen, ondervinding van.' + +'Maar muisje! waarom blijf je dan in zijn buurt? Waarom ga je niet ver +weg, naar de bosschen?' + +'Ach, dat kunnen wij niet meer. Wij zijn het stadsvoedsel te veel +gewend. En als men voorzichtig is en altijd oppast hun vallen en hun +zware voeten te mijden, dan is het onder menschen wel uit te houden. +Wij zijn gelukkig nog al vlug. Het ergst is, dat de mensch zijn eigen +logheid verhelpt door een verbond te sluiten met de kat, dat is een +groote ramp, maar in het bosch zijn uilen en sperwers, en sterven moeten +wij toch eenmaal allen. Nu, Johannes, onthoud mijn raad, daar komt de +meester!' + +'Muisje! muisje! ga niet weg. Vraag aan Windekind wat ik met mijn +sleuteltje doen moet. Ik heb het om mijn hals gehangen, op mijn bloote +borst. Maar Zaterdag word ik verschoond en ik ben zoo bang dat iemand +het zien zal. Zeg mij, waar ik het veilig bergen kan, muisjelief!' + +'Onder den grond, altijd onder den grond, daar is alles het veiligst. +Wil ik het bewaren?' + +'Neen! niet hier op school.' + +'Begraaf het dan buiten in de duinen. Ik zal aan mijn neef de veldmuis +laten weten, dat hij er op passen moet.' + +'Dank je muisje!' + +Bom! Bom! Daar kwam de meester aanstappen. In den tijd dat Johannes zijn +pen indoopte, was het muisje verdwenen. De meester, die zelf naar huis +verlangde, schold Johannes achtenveertig strafregels kwijt. + +Twee dagen lang leefde Johannes in voortdurenden angst. Hij werd streng +in het oog gehouden en alle gelegenheid, om naar de duinen te ontsnappen, +hem ontnomen. Het werd Vrijdag en nog liep hij met het kostbare sleuteltje +rond. Den volgenden avond moest hij verschoond worden, men zou het +sleuteltje ontdekken en hem afnemen, hij ijsde bij de gedachte. In huis +of tuin durfde hij het niet verbergen, geen plekje scheen hem veilig +genoeg. + +Het werd Vrijdagavond en de schemering begon te vallen. Johannes zat +voor het venster van zijn slaapkamer en keek verlangend naar buiten, +over de groene heesters van den tuin, naar de verre duinen. 'Windekind! +Windekind! help mij,' fluisterde hij angstig. + +Daar ruischte een zachte vleugelslag naast hem, hij rook den geur van +leliën van dalen en hoorde plotseling de bekende, zoete stem. + +Windekind zat naast hem op de vensterbank en liet de klokjes van een +lelie van dalen aan den slanken stengel wiegelen. + +'Zijt gij daar eindelijk! Ik heb zoo naar u verlangd!' zeide Johannes. + +'Ga met mij mede, Johannes, wij zullen uw sleuteltje gaan begraven.' + +'Ik kan niet,' zuchtte Johannes droevig. + +Doch Windekind vatte hem bij de hand, en hij gevoelde hoe hij, licht als +het gepluisde zaadje van een paardebloem, wegzweefde door de stille +avondlucht. + +'Windekind,' zeide Johannes onder het zweven, 'ik houd zooveel van u. Ik +geloof dat ik alle menschen voor u zou willen geven en Presto ook.' + +Windekind zeide: 'en Simon?' + +'O, het kan Simon niet zooveel schelen, of ik van hem houd. Ik geloof, +dat hij dat te kinderachtig vindt. Simon houdt alleen maar van de +vischvrouw en dat ook alleen maar, als hij honger heeft. Gelooft ge, dat +Simon een gewone kat is, Windekind?' + +'Neen, hij is vroeger een mensch geweest.' + +Hoe-oe-oe! boms! daar vloog een dikke meikever tegen Johannes aan. 'Kunt +gij niet beter voor u uitkijken,' bromde de meikever 'dat elfengoed +vliegt maar, alsof het de heele lucht in pacht had! Dat heb je van die +nietsdoeners, die altijd maar voor hun plezier rondzwerven, iemand als +ik die zijn plicht doet, altijd voedsel zoekt en zoo hard eet, als hij +kan, wordt er door uit den koers gebracht.' + +Onder luid gebrom vloog hij verder. + +'Neemt hij ons kwalijk, dat wij niet eten?' vroeg Johannes. + +'Ja, dat is zoo meikever-gewoonte. Bij de meikevers wordt het als +hoogste plicht beschouwd, veel te eten. Wil ik u eens de geschiedenis +van een jongen meikever vertellen?' + +'Ja doe dat, Windekind.' + +'Het was een mooie, jonge meikever, die pas uit den grond was gekropen. +Nu, dat was een groote verrassing. Een geheel jaar had hij onder de +donkere aarde gezeten en gewacht op den eersten warmen avond. En toen +hij zijn kop uit de kluitjes stak, bracht al dat groen en het wuivende +gras en de zingende vogels hem geheel in verlegenheid. Hij wist niet, +wat hij eigenlijk beginnen moest. Hij betastte de grashalmpjes in de +buurt met zijn sprieten en stak die waaiervormig uit. Daaraan merkte +hij, Johannes, dat hij een mannetje was. Hij was heel mooi in zijn +soort, had glanzige, zwarte pooten, een dik, bestoven achterlijf en een +borstschild, dat als een spiegel glom. Gelukkig zag hij al gauw, niet +ver van hem vandaan, een anderen meikever, wel niet zoo'n mooien, maar +een die al een dag vroeger uitgevlogen en dus al heel oud was. Heel +bescheiden, omdat hij nog zoo jong was, roept hij dezen aan. + +'Wat wou je, vriendje!' zegt de tweede uit de hoogte, omdat hij zag, dat +het een nieuweling was, 'wou je mij den weg vragen?' + +'Neen, ziet u! zeide de jongste beleefd, 'maar ik weet niet, wat ik hier +doen moet. Wat doet men zoo als meikever?' + +'Zoo! zoo!' zeide de ander, 'weet je dat niet. Nu, dat neem ik niet +kwalijk, ik ben óók zoo geweest; luister maar goed, dan zal ik het je +zeggen. De hoofdzaak in het meikever-leven is eten. Niet ver hier +vandaan is een kostelijke lindenhaag, die is daar voor ons gezet om er +zoo vlijtig mogelijk van te eten.' + +'Wie heeft die lindenhaag daar neergezet?' vroeg de jonge kever. + +'Wel, een groot wezen, dat het heel goed met ons meent. Iederen morgen +komt hij langs de haag en wie dan het meeste gegeten heeft, neemt hij +tot zich, in een heerlijk huis, waar een helder licht schijnt en waar +alle meikevers gelukkig bijeen zijn. Wie echter, in plaats van te eten, +den ganschen nacht blijft rondvliegen, wordt door de vleermuis gevangen.' + +'Wie is dat?' vroeg de nieuweling. + +'Dat is een vreeselijk monster met scherpe tanden, dat plotseling achter +ons aan komt vliegen en ons onder afgrijselijk gekraak opeet.' Toen de +kever dat zeide, hoorden ze boven zich een schel gepiep, dat hun door +merg en been drong. + +'Hu! dat is hij,' riep de oudste. 'Pas op voor hem, jonge vriend. Wees +dankbaar dat ik je bijtijds heb gewaarschuwd. Je hebt een ganschen nacht +voor je, verknoei dien nu niet. Hoe minder je eet hoe meer kans je hebt +door de vleermuis te worden verslonden. En alleen zij, die zich een +ernstige levensroeping kiezen, komen in het huis met het heldere +schijnsel. Denk er om! Een ernstige roeping!' + +'Toen scharrelde de kever, die een heelen dag ouder was, tusschen de +grashalmen verder en liet den eersten getroffen achter. Weet je wat een +roeping is, Johannes? Niet! Nu, dat wist die jonge kever ook niet. Het +stond met eten in verband, dat begreep hij. Maar hoe moest hij bij die +lindenhaag komen? 'Vlak naast hem stond een slanke, stevige grashalm, +die zachtjes wiegelde in den avondwind. Dien pakte hij maar vast beet, +met zijn zes kromme pootjes. Het scheen een hoog gevaarte van beneden +gezien en erg steil. Toch wilde de meikever er in. 'Dat is een roeping!' +dacht hij, en begon moedig te klimmen. Het ging langzaam, dikwijls gleed +hij terug, maar hij vorderde; en toen hij eindelijk in het dunste topje +was geklommen en mede wiegelde met de schommelingen, voelde hij zich +voldaan en gelukkig. Welk een uitzicht had hij hier! Het scheen hem, +alsof hij de wereld overzag. Hoe zalig was het, zoo van alle kanten door +lucht te zijn omgeven! Gretig zoog hij het achterlijf vol. Hoe wonderlijk +werd het hem daarbij te moede! Nog hooger wilde hij! + +'Hij lichtte de dekschilden in verrukking op, liet de vliezige vleugels +even trillen. Hooger wilde hij! Hooger! Weer trilden zijne vleugels, de +pooten lieten den grashalm los en--O, vreugde ... Hoe-oe-oe! daar vloog +hij vrij en vroolijk in de stille, warme avondlucht.' + +'En toen?' vroeg Johannes. + +'Het vervolg is niet vroolijk. Dat vertel ik u later wel eens.' + +Zij waren over den vijver heengevlogen. Een paar late, witte kapelletjes +fladderden met hen mede. + +'Waar gaat de reis heen, elfen?' vroegen zij. + +'Naar de groote duinroos, die daar bloeit tegen gindsche helling.' + +'Wij gaan mede! wij gaan mede!' + +Reeds van verre was zij zichtbaar, met haar talrijke teedergele +zijde-zachte bloemen. De knopjes waren rood gekleurd en de geopende +bloemen vertoonden roode streepjes, als teekenen van den tijd toen zij +nog knoppen waren. + +In eenzame rust bloeide de wilde duinroos en vervulde den omtrek met +haar wonderzoete geuren. Zoo heerlijk zijn die, dat de duin-elfen +daarvan alleen leven. + +De vlinders dwarrelden op haar toe en kusten bloem aan bloem. 'Wij komen +u een schat toevertrouwen,' riep Windekind, 'wilt gij dien voor ons +hoeden?' + +'Waarom niet? waarom niet?' fluisterde de duinroos, 'het wachten +verveelt mij niet, en ik denk hier niet vandaan te gaan, als men mij +niet weghaalt. Ook heb ik scherpe doornen.' + +Toen kwam de veldmuis, de neef van het muisje uit school, en groef een +gang onder de wortels van de roos. Daar droeg hij het sleuteltje in. + +'Als gij het nu weer hebben wilt, dan moet gij mij weer roepen. Dan +behoeft gij de roos geen schade te doen.' + +De roos vlocht zijn gedoornde twijgen dicht over den ingang en zwoer +plechtig het trouw te bewaken. De kapelletjes waren getuigen. + +Den volgenden morgen werd Johannes in zijn eigen bedje wakker, bij +Presto, de klok en het behangsel. Het koord om zijn hals en het +sleuteltje daaraan waren verdwenen. + + + + +IV + + +Jongen! Jongen! Wat is zoo'n zomer toch criant vervelend,' zuchtte één +van de drie groote kachels, die op een zolder in het oude huis, in een +donkere hoek bij elkaar stonden te kniezen, 'weken lang heb ik geen +levende ziel gezien en geen verstandig woord gehoord. En dan die leegte +van binnen. 't Is afschuwelijk!' + +'Ik zit vol spinnewebben,' zei de tweede, 'dat zou 's winters ook niet +gebeuren.' + +'En ik ben zoo stoffig, dat ik mij dood zal schamen, als tegen den +winter de zwarte man weer verschijnt, zooals van Alphen zegt.' Die +wijsheid had de derde kachel natuurlijk van Johannes opgevangen, als +deze 's winters voor den haard versjes opzeide. + +'Gij moet niet zoo oneerbiedig over den Smid spreken,' zeide de eerste +kachel, die de oudste was, 'dat hindert mij!' + +Ook eenige tangen en aschschoppen die hier en daar op den grond lagen, +in papier gewikkeld tegen 't roesten, gaven duidelijk hun +verontwaardiging te kennen over die lichtzinnige uitdrukking. + +Doch plotseling verstomde het gesprek, want het zolderluik werd +opgeheven, een lichtstraal drong tot in den duisteren hoek door en +stelde het geheele gezelschap in hun stoffige verwarring ten toon. + +Het was Johannes, die hun gesprek kwam storen. De zolder had altijd een +groote aantrekkelijkheid voor hem. Nu, na al de vreemde gebeurtenissen +van den laatsten tijd kwam hij er dikwijls. Hij vond er rust en +eenzaamheid. Ook was er een venster, dat door een luik gesloten was en +naar den duinkant uitzag. Het was een groot genot, dat luik plotseling +te openen, en na het geheimzinnig schemerduister van den zolder op eens +het wijde, hel verlichte landschap voor zich te zien, begrensd door de +blanke, zacht-golvende duinreeks. + +Er waren drie weken na dien Vrijdagavond verloopen, zonder dat Johannes +iets van zijn vriend bespeurd had. Het sleuteltje was nu ook weg en +niets was hem nog tot zeker bewijs, dat hij niet gedroomd had. Dikwijls +kon hij de vrees niet wegredeneeren, dat het alles toch maar inbeelding +was geweest. Hij werd er stil onder, en angstig maakte zijn vader de +opmerking, dat Johannes na dien nacht in de duinen zeker een ziekte +onder de leden had gekregen. Johannes echter verlangde naar Windekind. + +'Zou hij net zooveel van mij houden, als ik van hem?' mijmerde hij, +terwijl hij aan het zoldervenster stond en over den groenen, bloemrijken +tuin staarde, 'waarom zou hij dan niet meer en langer bij mij komen. Als +ik kon ... Maar misschien heeft hij meer vrienden. Zou hij daar ook van +houden, meer dan van mij. Ik heb geen andere vrienden, geen één. Ik houd +alleen van hem. Zoo veel! o zoo veel!' + +Tegen den diep-blauwen hemel zag hij een vlucht van zes witte duiven +afsteken, die met kleppenden vleugelslag over het huis zwenkten. Het +scheen of één gedachte hen dreef, zoo snel en gelijktijdig veranderden +zij telkens van richting, als om volop te genieten van de zee van +zonlicht waarin zij zweefden. + +Op eenmaal vlogen zij naar Johannes' dakvenstertje toe en streken met +veel gefladder en wiekgeklepper op de dakgoot neer, waar zij bedrijvig +kirrend heen en weer bleven trippelen. Een van hen had een rood veertje +in zijnen vleugel. Hij pluisde en trok er zoolang aan, totdat hij het in +den bek hield, toen vloog hij op Johannes toe en gaf het hem. + +Nauwelijks had Johannes het aangenomen, of hij voelde dat hij zoo licht +en vlug werd als een der duiven. Hij strekte de leden uit, de +duivenvlucht vloog op, en Johannes zweefde in hun midden mede, in de +ruime, vrije lucht en den helderen zonneschijn. Niets was om hem, dan +het reine blauw en de helle schittering der blanke duivenvleugels. + +Zij vlogen over den grooten tuin naar het bosch, waarvan de dichte +boomtoppen in de verte wuifden als de golven van een groene zee. +Johannes keek naar beneden en zag zijn vader voor het open raam zitten +in de huiskamer, Simon zat met gevouwen voorpooten in de vensterbank en +koesterde zich in de zon. 'Zou zij mij zien?' dacht hij, maar hij durfde +niet roepen. + +Presto holde door de tuinpaden en snuffelde in iederen heester, achter +elken muur, en krabbelde tegen elk deurtje van broeikas of oranjerie, om +zijn baasje te vinden. + +'Presto! Presto !' riep Johannes. Het hondje zag op en begon te +kwispelstaarten en klagelijk te janken. + +'Ik kom terug, Presto! wachten!' riep Johannes, maar hij was al te ver +weg. + +Zij zweefden boven het bosch en de kraaien vlogen krassend uit de hooge +toppen, waarin zij hun nesten hadden. Het was in 't midden van den zomer +en de geur der bloeiende linden steeg in wolken uit het groene woud +omhoog. + +In een leeg nest, op den top van een hooge linde zat Windekind, met zijn +krans van windekelken op het hoofd. Hij knikte Johannes toe. + +'Zijt ge daar! dat is goed,' zeide hij. 'Ik heb u laten halen. Nu kunnen +wij lang bijeen blijven--als ge wilt.' + +'Ik wil wel graag,' zeide Johannes. + +Toen dankte hij de vriendelijke duiven, die hem gebracht hadden en +daalde met Windekind in het bosch af. + +Daar was het frisch en schaduwrijk. De wielewaal floot, altijd bijna +hetzelfde maar toch eenigszins anders. + +'De arme vogel,' zei Windekind, 'hij was eens een paradijsvogel. Dat +ziet ge nog wel aan zijn vreemde gele vederen, maar hij is veranderd en +uit het paradijs verjaagd. Er is een woord, dat hem zijn vroegere +prachtige kleeding kan teruggeven en hem weer in het paradijs brengen. +Maar dat woord is hij vergeten. Nu probeert hij dag aan dag, om het +terug te vinden. Het lijkt er wel iets op, maar het rechte is het niet.' + +Tallooze vliegen glinsterden als zwevende kristallen in de zonnestralen, +die door het donkere loover drongen. Als men aandachtig luisterde, kon +men hun gonzen hooren als een groot eentonig concert, dat het gansche +bosch vervulde. Het was alsof de zonnestralen zongen. + +Dik, donkergroen mos bedekte den grond en Johannes was weder zoo klein +geworden, dat het hem een nieuw bosch op den bodem van het groote bosch +toescheen. Wat sierlijke stammetjes! En hoe dicht groeiden zij opeen! +Het was moeilijk er tusschen door te komen en het moswoud scheen +ontzettend groot. + +Daar kwamen zij aan een mierenpaadje. Honderden mieren liepen bedrijvig +af en aan, sommige stukjes hout, blaadjes of grassprietjes in de kaken +dragend. Het was zulk een gewoel, dat Johannes er bijna duizelig van werd. + +Het duurde lang, voor dat een der mieren hen te woord wilde staan. Zij +hadden het allen zoo druk. Eindelijk vonden zij een oude mier, die was +aangesteld om de bladluisjes, waarvan de mieren den honingdauw trekken, +te bewaken. Daar zijn kudde erg rustig was, kon hij zich wel een poosje +met de vreemdelingen bemoeien en hun het groote nest laten zien. Het was +aan den voet van een ouden boomstam aangelegd, zeer groot en honderden +gangen en kamertjes rijk. De bladluisherder gaf uitleg en leidde de +bezoekers overal rond, tot in de kinderkamers, waar de jonge larven uit +de witte windsels kruipen. Johannes was verbaasd en opgetogen. + +De oude mier vertelde, dat men in groote drukte leefde wegens den +veldtocht, die eerstdaags ophanden was. Men zou een andere mierenkolonie, +niet ver verwijderd, met een groote macht gaan overvallen, het nest +vernielen en de larven rooven of dooden, daarvoor zouden alle krachten +noodig zijn en men moest dus eerst het dringendste werk afdoen. + +'Waarom is die veldtocht?' zeide Johannes, 'dat lijkt mij niet mooi.' + +'Neen! neen!' zei de luizenhoeder, 'het is een zeer schoone en +lofwaardige tocht. Ge moet denken, het zijn de Strijd-mieren, die wij +gaan aanvallen, wij gaan hun geslacht uitroeien en dat is een zeer +goed werk.' + +'Zijt gij dan geen Strijd-mieren?' + +'Zeker niet! Wat denkt ge wel? Wij zijn Vrede-mieren.' + +'Wat beteekent dat dan?' + +'Weet ge dat niet? Dat zal ik u uitleggen. Eens waren alle mieren +voortdurend aan 't vechten, geen dag ging er om zonder groote +slachtingen. Toen kwam er een wijze, goede mier, die bedacht dat het +veel moeite zou besparen, als de mieren onderling afspraken niet meer +te vechten. + +'Toen hij dat zeide, vond men het erg vreemd en om die reden begon men +maar met hem in kleine stukjes te bijten. Later kwamen nog andere mieren +die hetzelfde meenden. Ook die werden in kleine stukjes gebeten. Maar +eindelijk kwamen er zooveel, dat het stukbijten te veel werk was voor +de anderen. + +'Toen noemden zij zich Vrede-mieren en hielden allen vol dat de eerste +Vrede-mier gelijk had; wie dat tegensprak beten zij op hun beurt in +stukjes. Op die manier zijn tegenwoordig bijna alle mieren Vrede-mieren +geworden, en de stukjes van de eerste Vrede-mier worden met zorg en +eerbied bewaard. Wij hebben den kop. Den echten. Wij hebben al twaalf +andere kolonies verwoest en uitgemoord, die beweerden den echten kop te +hebben. Nu zijn er nog maar vier over die dat doen. Zij noemen zich +Vrede-mieren, maar het zijn natuurlijk Strijd-mieren, want wij hebben +den echten kop en de Vredemier had maar één kop. Nu gaan wij eerstdaags +de dertiende kolonie uitroeien. Dat is dus wel een goed werk.' + +'Ja! Ja!' zeide Johannes--'het is heel merkwaardig!' + +Hij was eigenlijk een beetje bang geworden, en voelde zich veel rustiger, +toen zij den gedienstigen herder dankend vaarwel hadden gezegd en ver van +het mierenvolk wiegelend op een grashalm zaten uit te rusten, in de +schaduw van een sierlijk varenblad. + +'Hu!' zuchtte Johannes, 'dat was een bloeddorstig en dom gezelschap.' + +Windekind lachte en schommelde met zijn grashalm op en neder. + +'O!' zei hij, 'gij moet hen niet dom noemen. De menschen gaan naar de +mieren om wijs te worden.' + +Zoo toonde Windekind aan Johannes alle wonderen van het bosch, zij +vlogen beiden tot de vogels in de boomtoppen en in de dichte heesters, +daalden af in de kunstige woningen van de mollen, en zagen het bijennest +in den ouden boomstam. + +Eindelijk kwamen zij aan een open plek, omringd door kreupelhout. +Kamperfoelie groeide er in grooten overvloed. Overal slingerden zich de +weelderige twijgen over de struiken en prijkten de welriekende +bloemkransen tusschen het groen. Een zwerm meesjes sprong en fladderde +tusschen de blaadjes, onder luidruchtig getjilp en gekwetter. + +'Laat ons hier wat blijven,' vroeg Johannes, 'hier is het heerlijk.' + +'Goed,' zeide Windekind. 'Dan zult ge ook iets grappigs zien.' + +Op den grond stonden blauwe klokjes in het gras. Johannes ging naast een +zitten en begon een gesprek over de bijen en de kapellen. Dat waren +goede vrienden van het klokje en daarom vlotte het gesprek ook spoedig. + +Wat was dat? Een groote schaduw kwam over het gras en iets als een witte +wolk daalde op het klokje neer ... Nauwelijks had Johannes tijd om weg te +komen, en vloog naar Windekind, die in een hoogbloeiende kamperfoelie- +bloem zat. Toen zag hij dat de witte wolk een zakdoek was en bom! daar +ging een dikke juffrouw op den zakdoek zitten en op het arme klokje dat +er onder was. + +Hij had geen tijd om het te beklagen, want gerucht van stemmen en +gekraak van takken vervulden de open plek van het bosch. Een menigte +menschen naderde. + +'Nu zullen wij lachen,' zeide Windekind. + +Daar kwamen zij aan, de menschen. De vrouwen met manden en parapluies in +de hand, de mannen met hooge, rechte, zwarte hoeden op. Ze waren meest +allen zwart, erg zwart. In het zonnige, groene bosch zagen zij er uit +als groote, leelijke inktvlekken op een prachtig schilderij. + +Er werden heesters uiteengedrongen, bloemen neergetrapt, nog vele witte +zakdoeken uitgespreid en de lijdzame grassprietjes en de geduldige +mosplantjes gaven zuchtend mede onder het gewicht dat ze te torsen +kregen en vreesden nimmer van den slag te herstellen. + +Sigarenrook krinkelde over de kamperfoelie-struiken en verdreef nijdig +den teederen geur hunner bloemen. + +Harde stemmen verjaagden den vroolijken meezenzwerm, die onder verschrikt +en verontwaardigd getjilp in de naaste boomen toevlucht zocht. + +Een man rees op uit de menigte en ging op een heuveltje staan. Hij had +lang, blond haar en een bleek gezicht. Hij zeide iets en toen deden alle +menschen hunnen mond erg wijd open en begonnen te zingen, zoo hard, dat +de kraaien krassend opvlogen van hunne hooge nesten en de nieuwsgierige +konijntjes, die van den duinrand gekomen waren om eens te kijken, +verschrikt aan 't loopen gingen en een kwartier lang bleven doorloopen, +toen zij reeds veilig weder in 't duin waren. + +Windekind lachte en sloeg den sigarenrook voor zich weg met een varentak, +Johannes kwamen de tranen in de oogen, echter niet van den rook. + +'Windekind,' zeide hij, 'ik wilde weg, het is zoo leelijk en zoo hard.' + +'Neen, wij moeten nog blijven. Gij zult lachen, het wordt nog grappiger.' + +Het zingen hield op en de bleeke man begon te spreken. Hij schreeuwde +hard, opdat allen hem zouden verstaan, maar wat hij zeide klonk erg +vriendelijk. Hij noemde de menschen broeders en zusters en sprak van de +heerlijke natuur en de wonderen der schepping, van Gods zonneschijn en +van de lieve vogelen en bloemen ... + +'Wat is dat?' vroeg Johannes. 'Hoe spreekt hij daarover? Kent hij u? Is +hij een vriend van u?' + +Windekind schudde minachtend het omkranste hoofdje. + +'Hij kent mij niet, de zon, de vogelen, de bloemen evenmin. Het is alles +logen wat hij zegt.' + +De menschen luisterden allen zeer aandachtig. De dikke juffrouw, die op +het blauwe klokje zat, begon verscheiden malen te huilen en wischte de +tranen met haar rokslip af, omdat zij haar zakdoek niet gebruiken kon. + +De bleeke man zeide, dat God ter wille van hun bijeenkomst de zon zoo +vroolijk had laten schijnen; toen lachte Windekind en wierp van uit de +dichte bladen een eikel op zijn neus. + +'Hij zal het anders ondervinden,' zeide hij, 'mijn vader zou voor hem +schijnen, wat verbeeldt hij zich wel.' + +Doch de bleeke man was te veel in vuur geraakt om op den eikel te +letten, die uit de lucht scheen te vallen, hij sprak lang en hoe langer +hoe harder. Op 't laatst werd hij rood en blauw in 't gezicht, balde de +vuisten en schreeuwde zoo luid, dat de bladeren trilden en de grashalmen +ontzet heen en weer wiegelden. Toen hij eindelijk tot bedaren gekomen +was, begonnen allen weer te zingen. + +'Wel foei!' zeide een meerle, die van een hoogen boom het rumoer +aanhoorde. 'Is dat een afschuwelijk leven maken! Ik heb nog liever dat +er koeien in het bosch komen. Hoor dat eens aan. Wel foei!' + +Nu! de meerle is een kenner en heeft een fijnen smaak. + +Na het gezang haalden de menschen uit manden, doozen en zakken, allerlei +eetwaren voor den dag. Er werden papieren uitgespreid en broodjes en +sinaasappelen verdeeld. Ook flesschen en glazen kwamen te voorschijn. + +Toen riep Windekind zijn bondgenooten bijeen en begon den smullenden +troep te belegeren. + +Een dappere kikvorsch sprong op den schoot van een oude juffrouw, vlak +naast het broodje dat zij juist wilde gaan opeten en bleef daar zitten, +als verbaasd over zijn eigen stoutmoedigheid. De juffrouw gaf een +ijselijken gil en staarde ontzet den aanvaller aan, zonder zich te +durven verroeren. Het moedige voorbeeld vond navolging. Groene rupsen +kropen onverschrokken over hoeden, zakdoeken en broodjes, overal angst +en schrik teweegbrengend; groote dikke kruisspinnen lieten zich aan +glinsterende draden neer in bierglazen, op hoofden of halzen en een luid +gegil volgde steeds hunnen aanval; tallooze vliegjes bestormden de +menschen regelrecht in 't gezicht en offerden hun leven voor de goede +zaak, door zich op spijzen en dranken te storten en ze met hun lichaam +onbruikbaar te maken. Eindelijk kwamen de mieren in onafzienbare scharen +en tastten den vijand op de meest onverwachte plaatsen bij honderden +tegelijk aan. Dat bracht een verwarring en ontsteltenis teweeg! Haastig +vlogen mannen en vrouwen van de zoo lang verdrukte mos- en grasplantjes +op; ook het arme, blauwe klokje werd bevrijd, door den welgeslaagden +aanval van twee oorwurmen op de beenen van de dikke juffrouw. De +vertwijfeling nam toe: dansend en springend, onder de zonderlingste +gebaren, trachtten de menschen hun vervolgers te ontkomen. De bleeke man +bood lang weerstand en sloeg met een zwart stokje in 't rond, doch een +paar baldadige meezen, die geen aanvalsmiddel te laag achtten en een +wesp, die hem door zijn zwarte broek heen in de kuit stak, stelden hem +buiten gevecht. + +Toen kon de vroolijke zon zich niet langer goed houden en verborg het +aangezicht achter een wolk. Groote regendroppels daalden op de +strijdende partijen. Het was alsof door den regen plotseling een bosch +van groote, zwarte paddestoelen uit den grond opschoot. Dat waren de +regenschermen die werden uitgespannen. Vrouwen sloegen de rokken over +het hoofd, waardoor witte onderrokken, wit gekouste beenen en schoenen +zonder hakken zichtbaar werden. O, wat had Windekind een pret! hij moest +zich aan den bloemstengel vasthouden van 't lachen. + +Dichter en dichter stroomde de regen, hij begon het bosch met een +grauwen, glinsterenden sluier te omhullen. Kletterende waterstralen +vielen van parapluies, hooge hoeden en zwarte jassen, die glommen als de +schilden van de watertor, de schoenen zoenden en smakten in den +doorweekten grond. Toen gaven de menschen het op, en dropen bij kleine +troepjes zwijgend af, een menigte papieren, ledige flesschen en +sinaasappelschillen als onoogelijke sporen van hun bezoek, achterlatend. +Op het open veldje in het bosch werd het weder eenzaam en hoorde men +spoedig niets meer dan het eentonige ruischen van den regen. + +'Nu, Johannes! nu hebben wij ook menschen gezien. Waarom lacht gij ook +niet om hen?' + +'Ach, Windekind! zijn alle menschen zoo?' + +'O! er zijn nog veel erger en leelijker. Soms razen en tieren zij en +vernielen al wat mooi en heerlijk is. Zij hakken boomen om en zetten er +plompe, vierkante huizen voor in de plaats. Zij vertrappen de bloemen +moedwillig en dooden voor vermaak elk dier, dat onder hun bereik komt. +In hun steden, waar zij opeen kruipen, is alles vuil en zwart en de +lucht bedompt en vergiftigd door stank en rook. Zij zijn geheel vervreemd +van de natuur en hun medeschepselen. Daarom maken zij zulk een dwaas en +droevig figuur, als zij er in terugkeeren.' + +'Ach! Windekind! Windekind!' + +'Waarom weent gij, Johannes? Gij moet niet weenen, omdat gij bij +menschen geboren zijt. Ik heb u immers lief en u verkoren onder allen. +Ik heb u de taal van vlinders en vogelen geleerd en den blik der bloemen +doen verstaan. De maan kent u, en de goede, milde aarde heeft u lief als +haar liefste kind. Waarom zoudt ge niet blij zijn, daar ik uw vriend ben?' + +'O, Windekind dat ben ik! dat ben ik! maar ik moet toch huilen om al die +menschen!' + +'Waarom? Gij behoeft niet bij hen te blijven, als u dat verdriet doet. +Gij kunt hier wonen en mij altijd vergezellen. Wij zullen huizen in het +dichtste van het bosch, in de eenzame, zonnige duinen of in het riet aan +den vijver. Ik zal u overal brengen, op den bodem van het water tusschen +de waterplanten, in de paleizen van elfen en in de woningen van de +kabouters. Ik zal met u zweven over velden en wouden, over vreemde +landen en zeeën. Ik zal spinnen fijne kleederen voor u laten maken en u +vleugels geven, zooals ik ze draag. Wij zullen leven van bloemengeur en +met de elfen in het maanlicht dansen. Als de herfst komt, zullen wij met +den zomer medetrekken, daarheen waar de hooge palmen oprijzen, waar +kleurige bloemtrossen aan de rotsen hangen en het donkerblauwe zeevlak +schittert in de zon. En ik zal u altijd sprookjes vertellen. Wilt ge dat +Johannes?' + +'Zal ik nimmermeer onder menschen wonen?' + +'Onder menschen wacht u eindeloos verdriet, verveling, vermoeienis en +zorg. Dag aan dag zult gij tobben en zuchten onder den last van uw +leven. Zij zullen uwe teedere ziel stooten en pijnigen door hun +grofheden. Zij zullen u ter dood vervelen en martelen. Hebt gij de +menschen meer lief dan mij?' + +'Neen! neen! Windekind, ik wil bij u blijven!' + +Nu kon hij toonen, hoeveel hij van Windekind hield. Ja! hij wilde allen +en alles voor hem verlaten en vergeten. Zijn kamertje, Presto en zijn +vader. Vol vreugde en vastberaden herhaalde hij zijn wensch. + +De regen hield op. Onder grauwe wolken door straalde een heldere +glimlach van de zon over het woud, op de vochtige glanzende bladeren en +op de droppels, die aan elk twijgje en halmpje fonkelden en de +spinnewebben sierden, die over het eikenloof gespannen waren. Langzaam +steeg een fijne nevel uit den vochtigen grond tusschen het kreupelhout +omhoog, duizend zoele droomerige geuren medevoerend. De meerle vloog nu +in den hoogsten boomtop en zong in korte, innige melodieën tot de +dalende zon, als wilde zij toonen welke zang hier paste, in de plechtige +avondstilte, bij de zachte begeleiding der vallende droppen. + +'Is dat niet schooner dan menschengeluid, Johannes? Ja! de meerle weet +wel den juisten toon te treffen. Hier is alles harmonie, zoo volkomen +zult ge ze bij menschen nooit vinden.' + +'Wat is harmonie, Windekind?' + +'Dat is hetzelfde als geluk. Het is dat, waarnaar alles streeft. Ook de +menschen. Doch zij doen als jongens, die een vlinder willen vangen. Zij +jagen haar juist weg door hun domme pogingen.' + +'Zal ik haar bij u vinden?' + +'Ja Johannes! Maar dan moet gij de menschen vergeten. Het is een slecht +begin, bij menschen geboren te zijn, maar gij zijt nog jong, gij moet +alle herinneringen aan uw menschenleven van u afzetten, bij hen zoudt +gij dwalen en in verwarring, strijd en ellende geraken, het zou met u +gaan als met den jongen meikever, van wien ik u vertelde.' + +'Wat is daarmede verder gebeurd?' + +'Hij heeft het heldere schijnsel gezien, waarvan de oude kever sprak; +hij dacht niet beter te kunnen doen, dan er dadelijk heen te vliegen. +Regelrecht vloog hij in een kamer en viel in menschenhanden. Drie dagen +lang is hij daar gemarteld, hij heeft in kartonnen doosjes gezeten, men +heeft hem draadjes aan de pooten gebonden en zoo laten vliegen, toen +heeft hij zich losgerukt, een vleugel en een poot verloren en is +eindelijk, hulpeloos op een vloerkleed rondkruipend en nog vruchteloos +pogend den tuin te bereiken, door een zwaren voet verpletterd. + +'Alle dieren, Johannes, die in den nacht ronddolen, zijn zoo goed +kinderen van de zon als wij. En al hebben zij nimmer hunnen +schitterenden vader gezien, toch drijft hen een onbewuste herinnering +immer weer tot al waaraan licht ontstraalt. En duizenden arme schepsels +der duisternis vinden een jammerlijken dood door die liefde tot de zon, +van wie zij sinds lang gescheiden en vervreemd zijn. Zoo brengt een +onbegrepen, onweerstaanbare neiging de menschen ten verderve in de +schijnbeelden van dat Groote Licht, dat hen deed ontstaan en dat zij +niet meer kennen.' + +Vragend zag Johannes op naar Windekind's oogen. Doch zij waren diep en +geheimvol, als de donkere hemel tusschen de sterren. + +'Bedoelt gij God?' vroeg hij eindelijk schuchter. + +'God?' De diepe oogen lachten zacht. 'Ik weet, Johannes, waaraan gij +denkt, als gij dien klank uitspreekt. Aan den stoel voor uw bed, +waartegen gij het lange gebedje iederen avond zegt, aan de groen saaien +gordijnen voor het kerkraam, waarnaar gij Zondagmorgen zoo lang kijkt, +aan de kapitale letters van uw bijbeltje, aan het kerkezakje met den +langen steel, aan leelijk gezang en een muffe menschenlucht. Wat gij met +dien naam bedoelt, Johannes, is een belachelijk schijnbeeld, in plaats +van de zon, een groote petroleumlamp, waarop honderden en duizenden +mugjes hulpeloos zitten vastgeplakt.' + +'Maar hoe heet dan dat Groote Licht, Windekind? en tot wien moet ik dan +bidden?' + +'Johannes, het is alsof een schimmelplantje mij vroeg hoe de aarde +heette, die met haar ronddraait. Was er een antwoord op uw vraag, gij +zoudt het verstaan als een aardworm de muziek der sterren. Doch bidden +zal ik u leeren.' + +En met den kleinen Johannes, die in stille verwondering over Windekind's +woorden peinsde, vloog hij uit het bosch omhoog, zoo hoog, dat over den +duinrand een lange, als goud fonkelende streep zichtbaar werd. Zij +vlogen voort, de grillig beschaduwde duinvlakte gleed onder hun blikken +weg en breeder en breeder werd de lichtstreep. De groene kleur der +duinen week, vaal zag het helm en vreemde, bleekblauwe planten groeiden +er tusschen. Nog een hooge heuvelreeks, een lang gestrekte, smalle +zandstrook en dan de wijde, ontzaglijke zee. + +Blauw was het groote vlak, tot aan de kimme, maar onder de zon straalde +een smalle strook in verblindend roode schittering. Een lange, donzig +witte schuimrand omzoomde het zeevlak, zooals hermelijn het blauw fluweel +omzoomt. + +En aan de kimme scheidde lucht en water een fijne, wonderbare lijn. Een +wonder scheen zij: recht en toch gebogen, scherp en toch onbestemd, +zichtbaar en toch onnaspeurlijk. Zij was als de toon eener harp, die +lang en droomend naklinkt, die schijnt weg te sterven en toch blijft. + +Toen zette de kleine Johannes zich op den duinrand en staarde ..., +staarde in lang, roerloos zwijgen totdat het hem was, alsof hij ging +sterven, alsof de groote, gouden deuren van het heelal zich statig +ontsloten en zijne kleine ziel het eerste licht der oneindigheid +tegenzweefde. + +En totdat de tranen, die in zijn wijd geopende oogen welden, de schoone +zon omfloersten en de pracht van hemel en aarde deden wegdeinzen in een +duistere, trillende schemering ... + +'Zoo moet gij bidden!' zeide toen Windekind. + + + + +V + + +Hebt gij wel eens op een fraaien herfstdag door het bosch gedwaald? Als +de zon zoo stil en helder op het rijkgetinte loover schijnt, als de +takken kraken en de dorre bladeren ruischen onder uw voet? + +Dan schijnt het woud zoo moede, het kan nog slechts deinzen en leeft in +oude herinneringen. Een blauwe nevel omringt het, als een droom, met +geheimzinnige pracht en de glinsterende herfstdraden zweven door de +lucht in trage golving, als schoone, doellooze mijmeringen. + +Doch uit den vochtigen grond, tusschen mos en dorre bladeren, verrijzen +dan plotseling en raadselachtig de wonderlijke gestalten der +paddestoelen. Sommige dik, wanstaltig en vleezig, andere slank en +rijzig, met geringden steel en schitterend gekleurden hoed. Dat zijn +zonderlinge droombeelden van het woud. + +Dan ziet men ook op vermolmde boomstronken tallooze kleine, witte +stompjes, met zwarte topjes, alsof zij verbrand waren. Sommige wijze +menschen houden ze voor een soort zwammen. Doch Johannes leerde beter: + +Het zijn kaarsjes. Zij branden in stille herfstnachten, dan zitten er de +kaboutermannetjes bij en lezen in kleine boekjes. + +Dat leerde hem Windekind op zulk een stillen herfstdag, en Johannes ademde +droomstemming in met den doffen geur, die uit den boschgrond opsteeg. + +Hoe komen de bladeren van den eschdoorn zoo zwartgevlekt? + +'Ja, dat doen de kabouters ook,' zei Windekind. 'Als zij des nachts +geschreven hebben, gooien zij des morgens de rest van hun inktpotjes +over die bladeren uit. Zij houden niet van dien boom. Van esschenhout +maakt men kruisjes en stelen voor kerkezakjes.' + +Johannes werd nieuwsgierig naar die kleine, vlijtige kabouters, en hij +liet Windekind beloven, hem bij één van hen te brengen. + +Lang was hij reeds bij Windekind geweest, en hij was zoo gelukkig in +zijn nieuw leven, dat hij nog weinig berouw gevoelde over zijn belofte, +al het achtergelatene te vergeten. Er waren geen tijden van angst of +eenzaamheid, waarin altijd het berouw komt. Windekind verliet hem nooit, +en bij hem was elke plek een te huis. Rustig sliep hij in het wiegelend +nest van een karkiet, dat tusschen de groene riethalmen hing, al brulde +de roerdomp en krasten de kraaien nog zoo onheilspellend. Geen angst +voelde hij bij kletterenden regen of suizenden storm, dan school hij in +holle boomen, of konijnenholen, en kroop dicht onder Windekinds +manteltje en luisterde naar zijn stem die sprookjes verhaalde. + +En nu zou hij de kabouters zien. + +'t Was een goede dag daarvoor. Zoo stil! zoo stil! Johannes meende reeds +hun fijne stemmetjes en het geschuifel hunner voetjes te hooren, doch +het was nog middag. De vogelen waren bijna allen weg, alleen de lijsters +smulden aan de helroode bessen. Eén zat gevangen in een strik. Met +uitgespreide vleugels hing zij daar en spartelde, tot het scherp +omknelde pootje bijna vaneen scheurde. Spoedig bevrijdde haar Johannes, +en onder blij getink vloog zij ijlings weg. + +De paddestoelen hadden het druk onder elkaar. + +'Zie mij eens!' zeide een dikke duivels-zwam. 'Hebt ge ooit zoo iets +gezien? Zie hoe dik en wit mijn steel is en hoe mijn hoed glimt. Ik ben +de grootste van allen. En dat in één nacht!' 'Ba!' zeide de roode +vliegenzwam, 'gij zijt zeer lomp. Zoo bruin en grof. Ik wiegel op mijn +slanken steel als een riethalm. Ik ben prachtig rood als de +lijsterbessen en sierlijk gespikkeld. Ik ben schooner dan allen.' + +'Stil!' zeide Johannes, die hen wel kende van vroeger dagen: 'gij zijt +beiden giftig.' + +'Dat is een deugd,' zei de vliegenzwam. + +'Zijt gij een mensch bij geval?' bromde de dikke schamper. 'Dan mag ik +lijden dat gij mij opeet.' + +Dat deed Johannes echter niet. Hij nam dorre takjes en stak die in den +vleezigen hoed. Dat stond gek en alle andere lachten. Ook een troepje +dunne paddestoelen met bruine kopjes, die gezamenlijk in een paar uur +waren opgeschoten en elkaar verdrongen om in de wereld te kijken. De +duivelszwam werd blauw van kwaadheid. Daar kwam zijn giftige aard mee +aan den dag. + +Aardsterren hieven haar ronde, opgeblazen hoofdjes op vierpuntige +voetstukjes. Van tijd tot tijd vloog een bruin wolkje uiterst fijn +poeder uit de opening van het ronde hoofdje. Waar dat poeder neerviel in +vochtigen bodem, zouden zich draden door de zwarte aarde vlechten en het +volgende jaar honderden nieuwe aardsterren opschieten. + +'Welk een schoon bestaan!' zeiden zij tot elkaar. + +'Stuiven is het hoogste levensdoel! Welk een geluk te kunnen stuiven zoo +lang men leeft!' + +En met aandachtige toewijding dreven zij de kleine poederwolkjes in de +lucht. + +'Hebben zij gelijk, Windekind?' + +'Waarom niet? Wat kan voor hen hooger zijn? Gelukkig dat zij niet meer +verlangen, want zij kunnen niet anders.' + +Toen de nacht was gedaald en de schaduwen der boomen tot een gelijkmatig +duister waren ineengevloeid, hield het geheimzinnige woudleven niet op. +De takjes kraakten en knapten, de dorre blaadjes ritselden hier en daar, +tusschen het gras en in het kreupelhout. Johannes voelde den tocht van +onhoorbare vleugelslagen en was bewust van de nabijheid van onzichtbare +wezens. Nu hoorde hij toch duidelijk stemmetjes fluisteren en voetjes +trippelen. Zie, daar in de duistere diepte der struiken gloeide even een +klein, blauw vonkje en verdween. Daar weder een en weder! Stil ... als +hij goed luisterde, hoorde hij geschuifel in de bladeren vlak bij +hem,--bij dien donkeren boomstronk. De blauwe lichtjes kwamen er achter +te voorschijn en hielden stil op den top. + +Overal zag Johannes nu lichtglansen glimmen, zij zweefden tusschen het +donkere loover, dansten met kleine sprongen langs den grond, en ginds +straalde een groote tintelende massa als een blauw vreugdevuur. + +'Wat is dat voor een vuur?' vroeg Johannes. 'Dat brandt prachtig!' + +'Dat is een vermolmde boomstam,' zeide Windekind. Zij gingen op een +stil, helder lichtje af. + +'Nu zal ik u aan Wistik voorstellen. Dat is de oudste en wijste der +kabouters.' + +Dichterbij gekomen, zag Johannes hem bij zijn kaarsje zitten. Duidelijk +kon men bij den blauwen schijn het gerimpeld gezichtje met den grijzen +baard onderscheiden; hij las hardop met saamgetrokken wenkbrauwen. Op +het hoofd droeg hij een eikelkapje met een klein veertje, vóór hem zat +een kruisspin en luisterde naar de voorlezing. + +Toen de twee naderden, keek de kabouter zonder het hoofd op te heffen, +uit zijn boekje op en trok de wenkbrauwen in de hoogte. De kruisspin +kroop weg. 'Goeden avond!' zeide de kabouter. 'Ik ben Wistik. Wie zijt +gij beiden?' + +'Ik heet Johannes. Ik wilde graag met u kennis maken. Wat leest gij +daar?' + +'Dat is niet voor uwe ooren bestemd,' zeide Wistik; 'dat is alleen voor +kruisspinnen.' + +'Laat het mij ook eens zien, lieve Wistik!' vroeg Johannes. + +'Dat mag ik niet. Dat is het heilige boek der spinnen, dat bewaar ik en +mag ik nooit uit mijn handen geven. Ik heb de heilige boeken van torren +en vlinders en egels en mollen en al wat hier leeft. Zij kunnen niet +allen lezen en als zij nu iets willen weten, lees ik het hun voor. Dat +is een groote eer voor mij, een post van vertrouwen, begrijpt ge?' + +Het mannetje knikte een paar malen zeer ernstig en stak een +wijsvingertje op. + +'Waaraan waart gij nu bezig?' + +'Aan de geschiedenis van Kribbelgauw, den grooten held der kruisspinnen, +die heel lang geleden leefde en een net had, dat over drie boomen +gespannen was, waarin hij millioenen vliegen op één dag ving. Vóór +Kribbelgauw's tijd maakten de spinnen geen netten en leefden van gras en +doode beestjes; maar Kribbelgauw was een knappe kop en bewees, dat ook +levende beestjes tot spinnenvoedsel gemaakt waren. Toen vond Kribbelgauw +ook de kunstige netten uit, door moeilijke berekeningen, want hij was +een groot wiskunstenaar. En de kruisspinnen maken nog altijd haar netten +precies, draadje aan draadje zooals hij het geleerd heeft, maar veel +kleiner. Want het spinnengeslacht is erg ontaard. Kribbelgauw ving +groote vogels in zijn net en vermoordde duizend van zijn eigen kinderen, +dat was nog eens een groote spin. Eindelijk is er een geweldige storm +gekomen en heeft Kribbelgauw met zijn net en de drie boomen, waaraan het +vastzat, mede door de lucht gesleept, naar verre bosschen, waar hij nu +eeuwig vereerd wordt om zijn grooten moordlust en vlugheid.' + +'Is dat alles waar?' vroeg Johannes. + +'Het staat in dit boekje,' zeide Wistik. + +'Gelooft gij het?' + +De kabouter kneep één oog dicht en legde den wijsvinger langs den neus. + +'In de heilige boekjes van andere dieren, waarin over Kribbelgauw +gesproken wordt, heet hij een verfoeilijk en verachtelijk monster. Maar +ik houd er mij buiten.' + +'Is er ook een kabouterboekje, Wistik?' + +Wistik keek Johannes eenigszins wantrouwend aan. + +'Wat zijt gij eigenlijk voor een wezen, Johannes? Gij hebt zoo iets ... +zoo iets ... menschelijks, zou ik zeggen.' + +'Neen! neen! wees gerust, Wistik,' zeide Windekind toen, 'wij zijn +elfen. Maar Johannes heeft vroeger veel menschen gezien. Gij kunt hem +echter vertrouwen. Het zal hem geen kwaad doen.' + +'Ja! ja! dat is goed en wel, maar ik heet de wijste der kabouters en ik +heb lang en ijverig gestudeerd vóórdat ik wist wat ik weet. Nu moet ik +voorzichtig zijn met mijn wijsheid. Als ik te veel vertel, verlies ik +mijn reputatie.' + +'Maar in welk boekje denkt gij dan, dat het rechte staat?' + +'Ik heb veel gelezen, maar ik geloof niet, dat ik dat boekje ooit +gelezen heb. Het is niet het elfenboekje, ook niet het kabouterboekje. +Toch moet het er zijn.' + +'Het menschenboekje misschien?' + +'Dat ken ik niet, maar ik zou het niet denken. Want het ware boekje moet +groot geluk en grooten vrede brengen, daarin moet nauwkeurig staan, +waarom alles is zooals het is, zoodat niemand iets meer kan vragen of +verlangen. Nu, zóó ver zijn de menschen, geloof ik, niet.' + +'O! O neen!' lachte Windekind. + +'Is er stellig zulk een boekje?' vroeg Johannes gretig. + +'Ja! ja!' fluisterde het kaboutertje, 'ik weet het uit oude, oude +verhalen. En--stil!--ik weet ook waar het is en wie het vinden kan.' + +'O! Wistik! Wistik!' + +'Waarom hebt gij het dan nog niet?' vroeg Windekind. + +'Geduld maar, dat zal wel gebeuren. Enkele bizonderheden weet ik nog +niet. Doch spoedig zal ik het vinden. Ik heb er mijn leven lang voor +gewerkt en naar gezocht. Want voor hem, die het vindt, zal het leven +zijn als een eeuwige herfstdag, blauwe lucht omhoog en blauwe nevel +rondom, doch geen vallend blad zal ritselen, geen takje zal kraken en +geen druppel zal tikken, de schaduwen zullen niet veranderen, en het +goud op de boomtoppen zal niet verbleeken. Wat ons licht schijnt, zal +duister zijn, en wat ons gelukkig schijnt, zal droevig wezen voor hem +die dat boekje gelezen heeft. Ja! dit alles weet ik, en ik zal het ook +eenmaal vinden.' + +Het kaboutertje trok de wenkbrauwen zeer hoog op en legde den vinger op +zijn mond. + +'Wistik zoudt gij mij kunnen leeren ...' begon Johannes; doch eer hij kon +uitspreken, voelde hij een hevige windvlaag en zag een groote, zwarte +gedaante vlak boven zich, die snel en onhoorbaar voorbijschoot. + +Toen hij weer naar Wistik keek, zag hij nog even een voetje in den +boomstronk verdwijnen. Wip! was het kaboutertje voorover in zijn hol +gesprongen, met boek en al. Het kaarsje begon flauwer en flauwer te +branden en ging opeens uit. Het zijn zeer bizondere kaarsjes. + +'Wat was dat?' vroeg Johannes, zich in het duister angstig aan Windekind +vastklemmend. + +'Een nachtuil,' zeide Windekind. + +Zij zwegen beiden een tijdlang. Toen vroeg Johannes: 'Gelooft gij wat +Wistik gezegd heeft?' + +'Wistik is niet zoo wijs als hij zelf denkt. Zulk een boekje vindt hij +nimmer, en gij ook niet.' + +'Maar bestaat het?' + +'Dat boekje bestaat zooals uw schaduw bestaat, Johannes! Hoe hard gij +loopt en hoe omzichtig gij grijpt, gij zult haar niet inhalen of vatten. +En eindelijk merkt ge dat ge u-zelven zoekt. Wees niet dwaas en vergeet +dien kabouterpraat! Ik zal u honderd mooiere geschiedenissen vertellen. +Ga mede; wij zullen naar den rand van 't bosch gaan en zien hoe onze +goede Vader de witte wollen dauwdekens van de slapende weilanden +licht. Ga mede!' + +Johannes ging, doch Windekinds woorden begreep hij niet en zijn raad +volgde hij niet. En terwijl hij den schitterenden herfstmorgen zag +rijzen, mijmerde hij over het boekje, waarin stond, waarom alles is +zooals het is, en herhaalde zachtjes bij zichzelve: 'Wistik! ...' + + + + +VI + + +Toen scheen het hem, de volgende dagen, alsof het niet zoo vroolijk en +prettig meer was bij Windekind in het bosch en de duinen. Zijn gedachten +waren niet geheel meer vervuld van al hetgeen Windekind zeide en hem +liet zien. Telkens moest hij weder over dat boekje peinzen en daarover +durfde hij niet spreken. Wat hij zag, scheen hem niet zoo mooi en +wondervol meer als vroeger. De wolken waren zoo zwart en zwaar en +maakten hem angstig, als zouden zij op hem neerkomen. Het deed hem pijn, +als de herfstwind rusteloos de arme, moede boomen schudde en zweepte, +dat de bleeke achterkant der groene bladeren boven kwam en geel loof en +dorre takken opvlogen in de lucht. + +Wat Windekind vertelde, gaf hem geen voldoening. Veel begreep hij niet, +en nimmer kreeg hij een volkomen duidelijk en bevredigend antwoord, +wanneer hij een van zijn oude vragen deed. + +Dan moest hij weer aan dat boekje denken, waarin alles zoo klaar en +eenvoudig geschreven stond, en aan dien eeuwig zonnigen stillen +herfstdag, die dan volgen zou. + +'Wistik! Wistik!' + +Windekind hoorde het. + +'Johannes! gij zult toch een mensch blijven, vrees ik. Zelfs uw +vriendschap is als die van menschen, de eerste, die tot u sprak na mij, +heeft al uw vertrouwen weggenomen. Ach, mijn moeder had wel gelijk!' + +'Neen Windekind! maar gij zijt zooveel wijzer dan Wistik, gij zijt ook +zoo wijs als dat boekje. Waarom zegt gij mij alles niet? Zie, nu! waarom +blaast de wind door de boomen, dat zij moeten buigen en weer buigen? +Zie, zij kunnen niet meer, de mooiste takken breken, en bij honderden +laten de blaadjes los ook al zijn ze nog groen en frisch. Ze zijn zoo +moede en kunnen niet meer vasthouden, en toch worden ze telkens weer +opnieuw geschud en geslagen door dien ruwen nijdigen wind. Waarom is +dat? Wat wil de wind?' + +'Arme Johannes! dat is menschentaal!' + +'Laat het stil worden, Windekind! Ik wil stilte en zonneschijn!' + +'Gij vraagt en wilt als een mensch, daarvoor is antwoord noch +vervulling. Als gij niet beter leert vragen en wenschen, zal de +herfstdag nimmer voor u aanbreken, en gij wordt als de duizenden +menschen, die Wistik gesproken hebben.' + +'Zijn er zooveel?' + +'Ja, duizenden! Wistik hield zich heel geheimzinnig maar toch is hij een +prater, die zijn geheim niet verzwijgen kan. Hij hoopt het boekje bij de +menschen te vinden, en deelt zijn wijsheid aan ieder mee, die hem +misschien kan helpen. En al veel ongelukkigen heeft hij er mede gemaakt. +Zij gelooven hem en gaan het boekje zoeken, met evenveel ijver als +sommigen de kunst om goud te maken. Zij offeren alles op, vergeten al +hun bedrijf en geluk en sluiten zich op tusschen dikke boeken, vreemde +stoffen en werktuigen. Zij wagen hun leven en gezondheid, ze vergeten +den blauwen hemel en de goede, milde natuur en ook hun medemenschen. +Soms vinden zij mooie en nuttige dingen als goudklompen, die zij uit hun +holen op de lichte, zonnige aardoppervlakte gooien, doch zelf bekommeren +zij zich daar niet om, laten anderen er van genieten en graven en +wroeten ingespannen en rusteloos in het duister voort. Geen goud zoeken +zij, maar het boekje. Sommigen versuffen ook onder den arbeid, vergeten +hun doel en hun wensch en dwalen af tot jammerlijk gebeuzel. Dan heeft +de kabouter hen kindsch gemaakt. Men ziet ze torentjes van zand bouwen +en tellen hoeveel korrels er noodig zijn voordat ze omvallen; ze maken +watervalletjes en berekenen precies elk bochtje en golfje, dat het water +maken zal; ze graven kuiltjes en besteden al hun geduld en vernuft, om +die mooi glad en zonder steentjes te krijgen. Stoort men die arme +verdwaasden in hun werk en vraagt men wat zij doen, dan zien zij u +ernstig en gewichtig aan, schudden het hoofd en mompelen: 'Wistik! +Wistik!' Ja, dit alles is de schuld van dien kleinen, naren kabouter. +Pas op voor hem, Johannes!' + +Doch Johannes staarde voor zich naar de zwaaiende en piepende boomen; +boven zijn heldere kinderoogen plooide zich de teedere huid tot rimpels. +Nog nooit had hij zoo ernstig gekeken. + +'Maar toch, ge hebt het zelf gezegd, het boekje was er! O, ik weet zeker, +daar staat ook in van het Groote Licht, dat gij mij niet noemen wilt.' + +'Arme, arme Johannes!' zeide Windekind, en zijn stem was boven het roezig +geruisch van den storm als een vredig choraalgezang, dat van verre klonk. +'Heb mij lief, heb mij lief met uw geheele wezen. In mij vindt gij meer +dan dat wat ge wenscht. Gij zult begrijpen wat gij u niet denken kunt, en +gij zult zelf zijn, wat gij verlangt te kennen. Aarde en hemel zullen uw +vertrouwden, de sterren zullen uw naasten, de oneindigheid zal uw woning +zijn. + +'Heb mij lief, heb mij lief! omvat mij als de hoprank den boomstam, +blijf mij trouw als het meer den bodem, in mij alleen is al uw rust, +Johannes!' + +Windekind's woorden zwegen, doch het was alsof het choraalgezang +voortduurde. Uit verwijderde verte scheen het aan te zweven, plechtig en +gelijkmatig, door het razen en suizen van den wind, vredig als het +maanlicht, dat door de jagende wolken scheen. + +Windekind breidde de armen uit, en Johannes sliep aan zijne borst, +beschermd door het blauwe manteltje. + +Doch in den nacht werd hij wakker. De stilte was plotseling en +onmerkbaar over de aarde gekomen, de maan onder de kimmen gedaald. +Roerloos hing het afgematte loover, zwijgende duisternis vervulde +het bosch. + +Daar kwamen de vragen in snelle, spookachtige opvolging in Johannes' +hoofd terug en dreven het nog zoo jonge vertrouwen voor zich uit. Waarom +waren de menschen zoo? Waarom moest hij hen verlaten? hun liefde +verliezen? Waarom moest het winter worden? Waarom moesten de bladeren +vallen en de bloemen sterven? Waarom? Waarom? + +Daar dansten in de diepte van 't kreupelhout weder de blauwe lichtjes. +Zij kwamen en gingen. Ingespannen staarde Johannes hen na. Hij zag het +groote, heldere lichtje glanzen op den donkeren boomstronk. Windekind +sliep vast en rustig. 'Nog één vraag!' dacht Johannes en gleed onder het +blauwe manteltje weg. + +'Zijt ge daar weer!' zeide Wistik en knikte hartelijk. 'Dat doet mij +zeer veel genoegen. Waar is uw vriend?' + +'Daarginder. Ik wilde u alleen nog één vraag doen. Wilt gij mij daarop +antwoorden?' + +'Gij zijt bij menschen geweest, niet waar? Is het u om mijn geheim te +doen?' + +'Wie zal dat boekje vinden, Wistik?' + +'Ja, Ja! dat is het! dat is het! Wilt ge mij helpen, als ik het u zeg? + +'Als ik kan, zeker!' + +'Luister dan, Johannes!' Wistik zette verbazend groote oogen en trok +zijn wenkbrauwen hooger op dan ooit. Toen fluisterde hij langs den rug +van zijn handje: 'Menschen hebben het gouden kistje, elfen hebben den +gouden sleutel, elfenvijand vindt het niet, menschenvriend slechts opent +het. Lentenacht is de rechte tijd, en roodborstje weet den weg.' + +'Is dat waar? Is dat waar?' riep Johannes en dacht aan zijn sleuteltje. + +'Ja!' zeide Wistik. + +'Waarom vond het nog niemand dan? Zooveel menschen zoeken er naar.' + +'Ik heb geen mensch, geen mensch gezegd, wat ik u vertrouwd heb. Ik vond +nog nooit een elfenvriend.' + +'Ik heb het, Wistik! ik kan u helpen!' Johannes juichte en klapte in de +handen. 'Ik zal het Windekind vragen.' + +Weg vloog hij over mos en dorre bladeren. Doch hij struikelde telkens, +en zijn tred was zwaar. Dikke takken knapten onder zijn voet, waar hij +anders geen grashalmpje boog. + +Daar was de dichte varenplant, waaronder zij geslapen hadden, wat leek +zij hem laag. + +'Windekind!' riep hij. Doch hij schrikte van het geluid van zijn stem. + +'Windekind!' Het klonk als een menschenstem, een schuwe nachtvogel vloog +krijschend op. + +Ledig was het onder den varenstruik, Johannes zag niets. + +De blauwe lichtjes waren verdwenen; het was kil en grondeloos duister om +hem heen. Boven zich zag hij de zwarte schimmen der boomkruinen tegen de +sterrenlucht. + +Nog ééns riep hij. Toen durfde hij niet meer. Zijn stem was een schennis +in de stilte, en Windekinds naam scheen een spotklank. + +Toen viel het arme Johannesje neder en snikte in radeloos berouw. + + + + +VII + + +Kil en grauw was de morgen. De zwarte glimmende takken, door den storm +ontbladerd, weenden in den mist. + +Over het natte, neêrgeslagen gras liep de kleine Johannes haastig voort, +voor zich uit starend naar den kant, waar het woud lichter werd, als had +hij daar een doel. Zijn oogen waren rood van 't weenen en strak van +angst en jammer. Zoo had hij den ganschen nacht geloopen, alleen zoekend +naar het licht, met Windekind was het veilig thuisgevoel weg. In elke +donkere plek zat het spook der verlatenheid, en hij durfde niet omzien. + +Eindelijk kwam hij aan den boschrand. Hij zag over een weiland, waarop +een fijne, klamme regen langzaam neêrstreek. Er stond een paard midden +in, naast een kalen wilgeboom. Het stond onbeweeglijk met gebogen kop, +en het water droppelde traag van zijn glimmende zijden en uit de +saamgepakte manen. + +Johannes liep door, langs het bosch. Hij keek met matten, angstigen blik +naar het eenzame paard en den grauwen regennevel en kreunde zacht. + +'Nu is alles uit,' dacht hij; 'nu zal de zon wel nooit meer terugkomen. +Nu zal het altoos voor mij blijven zooals hier.' + +Toch durfde hij in zijn wanhoop niet stilstaan, dan zou het vreeselijkste +komen, dacht hij. + +Toen zag hij het groote hek van een buitenplaats en een huisje, onder +een lindeboom met helder-gele bladeren. + +Hij ging het hek in en liep door de breede lanen, waar de bruine en gele +lindebladeren in een dikke laag den grond bedekten. Langs de grasperken +groeiden paarse asters en andere kleurige herfstbloemen verwilderd dooreen. + +Hij kwam aan een vijver. Daarbij stond een groot huis met lage ramen en +glazen deuren. Rozenstruiken en klimop groeiden tegen de muren. Het was +overal doodsch en gesloten. Half ontbladerde kastanjeboomen stonden stil +rondom, en op den grond, tusschen het afgevallen loover, zag Johannes de +glimmend bruine kastanjes blinken. + +Toen week het kille, doode gevoel van hem. Hij dacht aan zijn eigen +huis, daar waren ook kastanjeboomen, en altijd ging hij in dezen tijd de +gladde kastanjes zoeken. Hij begon plotseling te verlangen, alsof hij +een bekende stem had hooren roepen. Hij zette zich op een bank bij het +groote huis en schreide zich rustig. + +Een eigenaardige geur deed hem opkijken. Er stond een man bij hem, met +een wit voorschoot om en een pijp in den mond. Om zijn middel had hij +strooken lindebast, waarmede hij de bloemen opbond. Johannes kende dien +reuk zoo goed, hij deed hem aan zijn eigen tuin denken en aan den tuinman, +die hem mooie rupsen bracht en spreeuweneieren voor hem uithaalde. + +Hij schrikte niet, al was het een mensch, die bij hem stond. Hij vertelde +den man dat hij verlaten en verdwaald was, en dankbaar volgde hij hem naar +de kleine woning onder den geelgebladerden lindeboom. + +Daarbinnen zat de tuinmansvrouw en breide zwarte kousen. Over het +turfvuurtje op de haardplaat hing een groote ketel water te koken. Op de +vloermat bij het vuur zat een kat met gevouwen voorpooten, juist zooals +Simon gezeten had, toen Johannes van huis ging. + +Johannes werd bij het vuur gezet, om zijn voeten te drogen. 'Tik!--Tik! +--Tik!--Tik!' zeide de groote hangklok. Johannes keek naar den stoom, +die suizend uit den ketel vloog, en naar de kleine vlammetjes, die vlug +en grillig om de turven huppelden. 'Nu ben ik onder menschen,' dacht hij. + +Dat was niet naar. Hij voelde zich kalm en rustig. Zij waren goed en +vriendelijk en vroegen hem, wat hij nu het liefst wilde. 'Het liefst +wilde ik hier blijven,' antwoordde hij. + +Hier had hij rust, en als hij naar huis ging, zouden er verdriet en +tranen komen. Hij had moeten zwijgen, en men zou hem zeggen, dat hij +kwaad had gedaan. Hij zou alles terug moeten zien en alles nog eens +moeten denken. + +Wel verlangde hij naar zijn kamertje, naar zijn vader, naar Presto, maar +hij droeg liever het stille verlangen hier, dan het pijnlijke moeilijke +wederzien. En het was of hij hier aan Windekind kon blijven denken, en +thuis niet. + +Windekind was nu zeker weggegaan. Ver weg naar het zonnige land, waar de +palmen over de blauwe zee heenbuigen. Hij wilde hier boete doen en op +hem wachten. + +Daarom smeekte hij de beide goede menschen, of hij bij hen mocht +blijven. Hij zou gehoorzaam zijn en voor hen werken. Hij zou helpen den +tuin en de bloemen te verzorgen. Alleen dezen winter maar. Want hij +hoopte in stilte, dat Windekind met de lente zou terugkomen. + +De tuinman en zijn vrouw dachten dat Johannes was weggeloopen, omdat hij +thuis hard behandeld werd. Zij hadden medelijden met hem, en beloofden +hem, dat hij blijven mocht. + +Hij bleef en hielp de bloemen in den tuin verzorgen. Een slaapkamertje +gaf men hem, met een bedstede van blauwe planken. Daaruit zag hij 's +ochtends de natte, gele lindebladeren langs het venster strijken en 's +nachts de donkere stammen heen en weer wiegelen, waarachter de sterren +schuilevinkje speelden. Nu gaf hij namen aan de sterren en noemde de +helderste: Windekind. + +Aan de bloemen, die hij meest alle kende van huis, vertelde hij zijne +geschiedenis. Aan de ernstige, groote asters, aan de kleurige zinnia's, +aan de witte chrysanthen, die zoo lang bleven bloeien in het ruwe +najaar. Toen alle andere bloemen dood waren, stonden de chrysanthen nog, +en zelfs toen op een morgen de eerste sneeuw gevallen was en Johannes +vroeg naar haar kwam kijken, staken zij haar vroolijke gezichtjes op en +zeiden: 'Ja, wij zijn er nog! Dat hadt ge niet gedacht!' Zij hielden +zich goed, doch twee dagen later waren zij allen dood. + +Maar in de serre prijkten dan nog palmen en boomvarens en hingen de +vreemde bloemtrossen der orchideeën in de vochtige zoelte. Met +verwondering staarde Johannes in haar prachtige kelken en dacht aan +Windekind. Hoe kil en kleurloos scheen alles dan, als hij buiten kwam, +de natte sneeuw met de zwarte voetstappen en de rafelende, druipende +boomgeraamten. + +Alleen als de sneeuwvlokken uren en uren achtereen zwijgend waren +neergezegen, zoodat de twijgen bogen onder het aangroeiend dons, liep +Johannes graag in de violette schemering van het sneeuwbeschaduwd bosch. +Dat was stilte, maar geen dood. En het was bijna schooner dan zomergroen, +als het blinkend wit der gekruiste takjes tegen den helderblauwen hemel +afstak, of als een te zwaar beladen struik het sneeuwloof van zich af +liet glijden, zoodat het, tot een schitterend wolkje verstuivend, daalde. + +Eens op zulk een wandeling, toen hij zoo ver gekomen was, dat hij niets +om zich zag dan sneeuw en sneeuwdragende takken,--half wit, half +zwart--en alle geluid en leven verdoofd schenen in het glinsterend +donzen hulsel, gebeurde het, dat hij een klein, wit diertje snel voor +zich uit meende te zien loopen. Hij volgde het,--het geleek op geen +diertje, dat hij kende,--doch toen hij het wilde grijpen, verdween het +schielijk in een boomstronk. Johannes tuurde in de ronde zwarte opening +waarin het verdwenen was, en dacht: 'Zou dat Wistik zijn?' + +Hij dacht niet veel aan hem. Het scheen hem slecht, en hij wilde zijn +boete niet verzwakken. En het leven bij de twee goede menschen deed hem +weinig vragen. Wel moest hij 's avonds voorlezen uit een dik boek waarin +veel over God gesproken werd, doch hij kende dat boek en las gedachteloos. + +Den nacht echter na die wandeling in de sneeuw, lag hij wakker in zijn +bedstede en keek naar het koude schijnsel der maan op den vloer. Daar +zag hij opeens twee kleine handjes, die boven de beddeplank uitkwamen en +zich stevig om den rand haakten. Toen verscheen de punt van een wit +pelsmutsje tusschen de twee handjes, en eindelijk zag hij een paar +ernstige oogjes onder hoog getrokken wenkbrauwen. + +'Goeden avond, Johannes!' zeide Wistik. 'Ik kwam u even herinneren aan +onze afspraak. Gij kunt het boekje nog niet gevonden hebben, want het is +nog geen lente. Maar denkt gij er wel om? Wat is dat voor een dik boek, +waarin ik u heb zien lezen? Dat kan het echte niet zijn. Denk dat niet.' + +'Dat denk ik niet, Wistik,' zeide Johannes. Hij keerde zich om en wilde +slapen. Doch het sleuteltje wilde hem niet uit het hoofd. En als hij +voortaan in het dikke boek las, dacht hij er bij, en hij zag dan +duidelijk dat het niet het echte was. + + + + +VIII + + +'Nu zal hij komen!' dacht Johannes, toen de eerste maal de sneeuw was +weggesmolten en hier en daar de sneeuwklokjes bij groepjes te voorschijn +kwamen. 'Zou hij nu komen?' vroeg hij aan de sneeuwklokjes. Doch zij +wisten het niet en bleven met hangende hoofdjes naar de aarde kijken, +alsof zij beschaamd waren over hun haast en wel weer weg wilden kruipen. + +Konden zij maar! De verstijvende oostenwind begon alras weer te blazen, +en de sneeuw stapelde zich hoog over de voorbarige stumpertjes. + +Weken later kwamen de viooltjes, hun zoete geur zweefde tusschen het +kreupelhout, en toen de zon lang en warm op den mossigen grond geschenen +had, ontloken ook de blonde primula's bij honderden en duizenden. + +De schuwe violen met haar sterke geuren waren geheimzinnige voorboden +van komende heerlijkheid, doch de vroolijke primula's waren de blijde +werkelijkheid zelve. De ontwaakte aarde had de eerste zonnestralen +vastgehouden en maakte er een gouden siersel van. 'Nu dan! nu komt hij +toch zeker!' dacht Johannes. Met spanning bezag hij de knoppen aan de +takken hoe zij van dag tot dag langzaam zwollen en zich uit de schors +loswrongen, tot de eerste bleekgroene puntjes tusschen de bruine +schubben te voorschijn kwamen. Lang bleef Johannes op die groene +blaadjes kijken, hij zag ze toch nooit bewegen, en als hij zich even had +omgedraaid, schenen ze grooter geworden. 'Ze durven niet, als ik hen +aankijk,' dacht hij. + +Reeds begon het groen schaduw te werpen. Nog was Windekind niet gekomen, +geen duif was bij hem neergestreken, geen muisje had tegen hem gesproken. +Als hij tot de bloemen sprak, knikten zij slechts even en antwoordden +niet. 'Mijn straf is nog niet om,' dacht hij. + +Toen kwam hij op een zonnigen lentemorgen bij den vijver van het huis. +De ramen waren alle wijd geopend. Zouden er menschen in gekomen zijn? + +De vogelkers-struik, die aan den vijver stond, was al heelemaal met +teedere blaadjes overdekt, alle twijgen hadden fijne, groene vleugeltjes +gekregen. Op het gras bij de vogelkers lag een meisje. Johannes zag +alleen haar licht-blauw kleedje en blond haar. Een roodborstje, dat op +haar schouder zat, pikte uit haar hand. + +Op eenmaal wendde zij het hoofd om en zag Johannes. 'Dag jongetje!' +zeide zij en knikte vriendelijk. + +Weer tintelde het Johannes van het hoofd tot de voeten. Dat waren +Windekind's oogen, dat was Windekind's stem. + +'Wie zijt ge?' vroeg hij. Zijn lippen beefden van aandoening. 'Ik ben +Robinetta! en dit is mijn vogel. Hij zal niet schuw voor je zijn. Hou je +van vogels?' + +Het roodborstje was niet schuw voor Johannes. Het vloog op zijn arm. Dat +was juist als vroeger. Het moest toch Windekind zijn, dat blauwe wezen. + +'Vertel me eens hoe je heet, jongetje,' zeide Windekind's stem. + +'Kent gij mij niet? Weet ge niet, dat ik Johannes heet?' + +'Hoe zou ik dat weten?' + +Wat beteekende dat? Het was toch die bekende, zoete stem, het waren toch +die donkere, hemeldiepe oogen. + +'Hoe zie je mij zoo aan, Johannes? Heb je mij ooit meer gezien?' + +'Ja ik geloof het wel.' + +'Dat heb je toch zeker gedroomd.' + +Gedroomd? dacht Johannes. Zou ik alles gedroomd hebben? Of zou ik nu +droomen? + +'Waar zijt gij geboren?' vroeg hij. + +'Heel ver van hier, in een groote stad.' + +'Bij menschen?' + +Robinetta lachte. Het was Windekind's lach. 'Ik geloof het wel. Jij +niet?' + +'Ach ja, ik ook!' + +'Spijt je dat? Hou je niet van menschen?' + +'Neen! Wie zou van menschen houden?' + +'Wie? Wel, Johannes, wat ben je een raar jongetje! Hou je meer van +dieren?' + +'O, veel meer, en van bloemen.' + +'Ik doe dat eigenlijk ook wel eens. Een enkelen keer. Maar dat is niet +goed. Wij moeten van menschen houden, zegt Vader.' + +'Waarom is dat niet goed? ik houd van wien ik wil, of het goed is of +niet.' + +'Foei, Johannes! Heb je dan geen ouders of iemand die voor je zorgt? Hou +je niet van hen?' + +'Ja,' zeide Johannes nadenkend. 'Ik houd van mijn vader. Maar niet, +omdat het goed is. Ook niet omdat hij een mensch is.' + +'Waarom dan?' + +'Dat weet ik niet, omdat hij niet is als andere menschen, omdat hij ook +van bloemen en vogels houdt.' + +'Dat doe ik ook Johannes! dat zie je.' En Robinetta riep het roodborstje +op haar hand en sprak het vriendelijk toe. + +'Dat weet ik,' zeide Johannes. 'Ik houd ook veel van u.' + +'Nu al? Dat is vlug!' lachte het meisje. 'Van wie hou je wel het +meeste?' + +'Van ...' Johannes weifelde. Zou hij Windekind's naam noemen? De vrees, +dat die naam hem tegenover menschen mocht ontvallen, was onafscheidelijk +van al zijn denken. En toch, was dit blonde wezen in het blauwe kleed +Windekind niet? Wie anders kon hem dat gevoel van rust en geluk geven? +'Van u!' zeide hij opeens en zag met vollen blik in de diepe oogen. +Moedig waagde hij die volkomen overgave, maar hij was toch angstig en +wachtte gespannen de ontvangst van zijn kostbaar geschenk. + +Weer lachte Robinetta met helderen lach, doch zij vatte zijne hand, en +haar blik werd niet koeler, haar stem niet minder innig. + +'Wel, Johannes,' zeide zij, 'waarmeê heb ik dat zoo op eens verdiend?' +Johannes antwoordde niet en bleef haar aanzien met groeiend vertrouwen. +Robinetta stond op en legde haar arm om Johannes' schouders. Zij was +grooter dan hij. + +Zoo wandelden zij door het bosch en plukten groote bundels sleutelbloemen, +totdat zij wel weg konden schuilen onder den berg van doorschijnend geel +gebloemte. Het roodborstje vloog mede van tak tot tak en gluurde naar hen +met schiiterende zwarte oogjes. + +Zij spraken niet veel, doch keken elkaar dikwijls van ter zijde aan. Zij +waren beiden verbaasd over hun ontmoeting en half onzeker, wat zij van +elkaar denken moesten. + +Doch spoedig moest Robinetta terug, het speet haar. + +'Nu moet ik weg, Johannes! Maar wil je nog eens wandelen met me? Ik vind +je een aardig jongetje,' zeide zij bij 't heengaan. + +'Wiet! wiet!' zei het roodborstje en vloog haar achterna. + +Toen zij weg was, en alleen haar beeld bij hem achterbleef, twijfelde +hij er niet meer aan wie zij was. + +Zij was dezelfde wie hij al zijn vriendschap had gegeven, de naam +Windekind klonk flauwer in hem en verwarde met Robinetta. + +En alles werd weer om hem heen, zooals het vroeger geweest was. De +bloemen knikten vroolijk, en haar geur verdreef het weemoedig verlangen +naar huis, dat hij tot nu toe gevoeld en gekweekt had. Tusschen het +teedere groen, in de lauwe, mollige lentelucht, voelde hij zich op eens +thuis, als een vogel, die zijn nest gevonden had. Hij moest de armen +uitstrekken en diep ademhalen. Hij was zoo gelukkig. Op den weg naar +huis zweefde de lichte blauwe gestalte met de blonde haren voor hem uit, +altijd voor hem uit, welken kant hij ook opkeek. Het was alsof hij in de +zon gekeken had en het zonnebeeld overal met zijn blik medevloog. + +Van dien dag af ging Johannes elken helderen morgen naar den vijver. Hij +ging vroeg, zoodra hij gewekt werd door het kijven der musschen in de +klimopbladeren om zijn venster, en het gekwetter en gerekte getjilp der +spreeuwen, die op de dakgoot fladderden en krieuwden in den jongen +zonneschijn. Dan snelde hij vlug door 't vochtige gras tot dicht bij het +huis en wachtte achter de seringenstruiken, totdat hij de glazen deur +hoorde opengaan en de lichte gedaante op hem toe zag komen. + +Dan wandelden zij door het bosch en door de duinen, waaraan het bosch +grensde. Zij spraken over al wat zij zagen, over de boomen en de planten +en duinen. Johannes had een vreemd, duizelig gevoel, als hij met haar +liep, hij dacht zich somtijds weer zoo licht dat hij door de lucht zou +kunnen vliegen. Doch dat gebeurde nooit. Hij vertelde de geschiedenissen, +die hij van de bloemen en dieren wist door Windekind. Doch hij vergat hoe +hij ze geleerd had, en Windekind bestond niet meer voor hem, alleen +Robinetta. Hij genoot, als zij tegen hem lachte en hij vriendschap zag in +haar oogen en hij sprak tot haar, zooals hij vroeger tot zijn hondje +gesproken had: alles wat in hem opkwam, zonder weifeling of schuwheid. +De uren, dat hij haar niet zag, dacht hij aan haar, en elke bezigheid +deed hij met de vraag, of Robinetta het goed of mooi zou vinden. + +En zij-zelve scheen altoos zoo blij, als zij hem zag; dan glimlachte zij +en liep haastiger. Zij had hem ook gezegd dat zij met niemand zoo graag +wandelde als met hem. + +'Maar, Johannes,' vroeg zij eens, 'hoe weet je al die dingen? Hoe weet +je wat de meikevers denken, wat de lijsters zingen, hoe het er in het +konijnenhol en op den bodem van het water uitziet?' + +'Ze hebben het mij verteld,' antwoordde Johannes, 'en ik ben zelf in een +konijnenhol geweest en op den bodem van het water.' + +Robinetta trok de fijne wenkbrauwen samen en keek hem half spottend aan. +Doch zij vond geen valschheid. + +Zij zaten onder seringenboomen, waarvan dikke, paarse bloemtrossen +afhingen. Vóór hen lag de vijver, met riet en kroos. Zij zagen de zwarte +torretjes in kringen over het vlak glijden en roode spinnetjes bedrijvig +op en neder duiken. Het krioelde van wriemelend leven daar. Johannes +keek, in herinneringen verzonken, in de diepte en zeide: + +'Daar ben ik eens gedoken; ik gleed langs een riethalm af en kwam op den +bodem. Die is heelemaal met dorre bladeren bedekt, dat loopt zoo licht +en zacht. Het is altijd schemerig, groene schemering, want het licht +valt door het groene kroos. En boven mijn hoofd zag ik de lange, witte +worteltjes van het kroos neerhangen. Er kwamen salamanders om mij heen +zwemmen, die zijn heel nieuwsgierig. Het is vreemd, als zulke groote +dieren zoo over je heen zwemmen, en ik kon niet ver vooruitzien, daar +was het donker, maar ook groen. En uit dat donker kwamen de dieren als +zwarte schaduwen te voorschijn. Watertorren met roeipooten en platte +wantsen, soms ook een klein vischje. Ik ging heel ver, uren ver, geloof +ik, en midden in was een groot bosch van waterplanten, waar slakken +tegenop kropen en waterspinnen glinsterende nestjes bouwden. +Stekelbaarsjes schoten er door en bleven mij soms met open mond en +trillende vinnen aankijken, zoo verbaasd waren ze. Daar heb ik kennis +gemaakt met een aal, wien ik bij ongeluk op zijn staart trapte. Die +heeft mij van zijn reizen verteld; hij was tot in zee geweest, zeide +hij. Men had hem daarom koning gemaakt in den vijver, want niemand was +zoover geweest. Hij lag altijd in de modder te slapen, behalve wanneer +hij eten kreeg, dat anderen hem brachten. Hij at verschrikkelijk veel. +Dat was omdat hij koning was, men wilde graag een dikken koning, dat +stond deftig. O, het was prachtig mooi in dien vijver!' + +'Waarom kun je dan nu niet meer daarheen gaan?' + +'Nu?' vroeg Johannes en keek haar met groote peinzende oogen aan. + +'Nu? Nu kan ik niet meer. Ik zou daar verdrinken. Maar het is niet +noodig. Ik ben liever hier, bij de seringen en bij u.' + +Robinetta schudde verwonderd het blonde hoofdje en streek Johannes over +het haar. Toen keek ze naar haar roodborstje, dat aan den rand van den +vijver allerlei lekkernijen scheen te vinden. Hij keek even op en bleef +beiden een oogenblik met zijn heldere oogjes aanzien. + +'Begrijp jij er iets van, vogelijn?' + +Het vogelijn keek heel slim en ging toen voort met zoeken en pikken. + +'Vertel mij verder, Johannes, van wat je gezien hebt.' + +Dat deed Johannes gaarne, en Robinetta luisterde, geloovig en +aandachtig. + +'Maar waarom is dat alles opgehouden? Waarom kun je nu met mij niet +gaan? daar overal heen? Ik wilde ook graag.' + +Johannes spande zijne herinnering in, doch een zonnig waas bedekte den +donkeren afgrond, dien hij was overgegaan. Hij wist niet juist meer, hoe +hij zijn vorig geluk verloren had. + +'Ik weet het niet recht, gij moet er niet naar vragen. Een naar klein +wezentje heeft alles bedorven. Maar nu is het er weer. Nog beter dan +vroeger.' + +De seringengeur daalde uit de heesters op hen neer en het gegons der +vliegen over het watervlak en de stille zonnestralen doordrongen hen met +zoete bedwelming. Totdat een bel op het huis met piependen zwaai begon +te luiden, en Robinetta haastig wegvloog. + +Toen Johannes dien avond in zijn kamertje kwam en naar de maan-schaduwen +der klimopbladeren keek, die over de ruiten schoven, scheen het alsof er +tegen het glas getikt werd. + +Johannes dacht dat het een klimopblad was, dat in den nachtwind trilde. +Doch het tikte zoo duidelijk, telkens driemaal achtereen, dat Johannes +zachtkens het venster opende en behoedzaam rondzag. De klimopbladeren +tegen het huisje glansden in den blauwen schijn, onder hen was een +duistere wereld vol geheim: daar waren holen en spelonken, waarin het +maanlicht kleine, blauwe vonkjes wierp, die hun duisternis nog +dieper maakten. + +Toen Johannes lang in die wondervolle schaduwwereld had gestaard, zag +hij eindelijk den vorm van een klein mannetje, vlak naast het venster, +verscholen onder een groot klimopblad. Hij herkende Wistik dadelijk aan +de groote, verwonderde oogen onder de hooggetrokken wenkbrauwen. Op het +puntje van Wistik's langen neus tekende de maan een klein vonkje. + +'Hebt ge mij vergeten, Johannes? Waarom denkt ge er nu niet aan? Het is +de rechte tijd. Hebt ge roodborstje den weg niet gevraagd?' + +'Ach, Wistik, waarnaar zou ik vragen? Ik heb alles wat ik verlangen kan. +Ik heb Robinetta.' + +'Maar dat zal niet lang duren. En gij kunt nog gelukkiger worden en +Robinetta zeker ook. En moet het sleuteltje dan daar blijven liggen? +Denk eens hoe heerlijk als gij beiden het boekje vindt. Vraag er +roodborstje naar; ik zal u helpen als ik kan.' + +'Ik kan er altijd naar vragen,' zeide Johannes. + +Wistik knikte en klom vlug naar beneden. + +Nog lang keek Johannes naar de donkere schaduwen en de glanzende +klimopbladeren voor hij naar bed ging. + +Den volgenden dag vroeg hij het roodborstje of het den weg wist naar het +gouden kistje. Robinetta hoorde verwonderd. Johannes zag het roodborstje +knikken en schuins naar Robinetta gluren. 'Hier niet! hier niet!' tjilpte +het vogeltje. + +'Wat bedoel je, Johannes?' vroeg Robinetta. + +'Weet ge er niets van, Robinetta? Weet ge niet, waar het te vinden is? +Wacht ge niet op het gouden sleuteltje?' + +'Neen, neen! Vertel eens, wat is dat?' + +Johannes vertelde wat hij van dat boekje wist. + +'En ik heb het gouden sleuteltje; ik dacht dat gij het gouden kistje +hadt. Is het niet zoo, vogelijn?' + +Doch het vogelijn deed of het niets hoorde en fladderde tusschen het +jonge, lichte beukengroen. + +Zij zaten tegen een duinhelling, waarop kleine beuke- en sparreboomen +stonden. Een groen paadje liep er schuins tegen op, en zij zaten aan den +rand daarvan, in dik, donkergroen mos. Zij konden over de toppen der +laagste boompjes heen zien, op een groene looverzee met licht- en donker- +getinte golven. + +'Ik geloof wel, Johannes,' zei Robinetta nadenkend, 'dat ik voor je +vinden kan, wat je zoekt. Maar wat bedoel je met dat sleuteltje? Hoe kom +je daaraan?' + +'Ja, hoe was dat, hoe was dat ook weer?' prevelde Johannes en staarde +over het groen in de verte. + +Als waren zij plotseling in het zonnige blauw ontstaan, kwamen hem +opeens twee witte vlinders voor den blik. Zij dwarrelden, trilden en +schitterden in het zonlicht, met onbestemde, grillige vlucht. Doch zij +kwamen dichterbij. + +'Windekind! Windekind!' fluisterde Johannes opeens in herinnering. + +'Wie is dat? Windekind!' vroeg Robinetta. + +Het roodborstje vloog kwetterend op, en de madelieven tusschen het gras +vóór hem, schenen Johannes opeens geweldig verschrikt aan te staren, met +hun wijde, witte oogjes. + +'Gaf die je dat sleuteltje?' vroeg het meisje verder. Johannes knikte en +zweeg, doch zij wilde meer weten. 'Wie was dat? Heeft die je alles +geleerd? Waar is hij?' + +'Nu is hij er niet meer. Nu is het Robinetta, niemand anders dan +Robinetta, alleen Robinetta.' Hij omvatte haar arm en drukte er zijn +hoofdje tegen. + +'Mal jongetje!' zeide zij en lachte. 'Ik zal je het boekje laten vinden, +ik weet waar het is.' + +'Maar dan moet ik den sleutel gaan halen, en die is ver weg.' + +'Neen, neen dat behoeft niet. Ik vind het zonder sleutel, morgen, morgen, +ik beloof het je. + +Toen zij naar huis gingen, fladderden de kapelletjes voor hen uit. + +Johannes droomde dien nacht van zijn vader, van Robinetta en van vele +anderen. Het waren allen goede vrienden; zij stonden om hem heen en +zagen hem innig en vertrouwelijk aan. Doch op eenmaal waren de gezichten +veranderd, hun blikken koel en spottend, hij keek angstig om, aan alle +zijden wreede vijandige gezichten. Hij voelde een namelooze beklemming +en werd schreiend wakker. + + + + +IX + + +Reeds lang zat Johannes te wachten. De lucht was kil, en groote wolken +dreven dicht over de aarde, in statige, eindelooze opvolging. Ze +breidden sombergrauwe, wijd golvende mantels uit en krulden haar +trotsche koppen in het klare licht, dat daarboven scheen. Wondersnel +wisselden zonlicht en schaduw op de boomen, als een telkens opvlammend +vuur. Het werd Johannes angstig daarbij te moede; hij peinsde over het +boekje, niet recht geloovend, dat hij het heden vinden zou. Tusschen de +wolken, veel hooger, ontzaglijk hoog, zag hij het heldere, strakke blauw +en daarop teedere, witte wolkjes, fijngepluimd, kalm zich uitstrekkend +in onbeweeglijke rust. 'Zóó moet het zijn,' dacht hij, 'zoo hoog, zoo +licht, zoo stil.' Daar kwam Robinetta. Het roodborstje was niet bij haar. + +'Het is goed, Johannes,' riep ze luid; 'je mag komen en het boek zien.' + +'Waar is het roodborstje?' vroeg Johannes twijfelend. + +'Dat is niet meegekomen, we gaan toch immers niet wandelen.' + +Hij ging mede, voortdurend bij zich-zelven denkende: 'Het kan niet, zóó +kan het niet, het moest alles heel anders zijn.' + +Doch hij volgde het glanzig-blonde haar, dat hem voorlichtte. Ach! nu +ging het droevig met den kleinen Johannes. Ik wenschte, dat zijn +geschiedenis hier eindigde. Hebt gij wel eens heerlijk gedroomd, van een +toovertuin met bloemen en dieren, die u liefhadden en tot u spraken? En +hebt gij dan wel in uw droom het besef gekregen, dat gij spoedig zoudt +ontwaken en al die heerlijkheid verliezen? Dan poogt gij vruchteloos +haar vast te houden en wilt het koude morgenlicht niet zien. + +Zulk een gevoel had Johannes toen hij medeging. + +Hij kwam in een huis, in een gang, waar zijn voetstappen weerklonken. +Hij rook de lucht van kleederen en spijzen; hij dacht aan lange dagen, +toen hij thuis had moeten blijven, aan schoolwerk, aan al wat somber en +koud in zijn leven was geweest. + +Hij kwam in een kamer met menschen. Hij zag niet hoeveel. Zij praatten, +doch toen hij binnenkwam werd het stil. Hij lette op het vloerkleed, het +had groote, onmogelijke bloemen met schelle kleuren. Zij waren even +vreemd en wanstaltig als die van het behangsel in zijn slaapkamer thuis. + +'Is dat nu dat tuinmansjongetje?' zeide een stem recht tegenover hem. +'Kom maar hier, vriendje, je behoeft niet bang te zijn.' + +En een andere stem klonk plotseling naast hem: 'Nu, Robbi, je hebt daar +wel een aardig vrijertje.' + +Wat beteekende dat alles? Weer kwamen boven de donkere kinderoogen van +Johannes diepe rimpels, en verward en verschrikt keek hij rond. + +Daar zat een zwart gekleede man en keek hem met koude, grijze oogen aan. + +'En je wilde zoo kennis maken met het boek der boeken? Het verwondert +me, dat je vader, dien ik als een vroom man ken, je dat niet heeft +gegeven.' + +'U kent mijn vader niet, die is ver weg.' + +'Zoo! nu, dat is hetzelfde. Ziehier, mijn vriendje! lees hier veel in, +het zal je op je levensweg ...' + +Doch Johannes had het boek reeds herkend. Zóó kon hij het ook niet +krijgen, het moest heel anders gaan. Hij schudde het hoofd. + +'Neen, neen! dat is het niet wat ik bedoel. Dit ken ik. Dit is het niet.' + +Hij hoorde geluiden van verbazing en voelde de blikken, die hem van alle +zijden staken. + +'Wat? Wat meen je, mannetje?' + +'Ik ken dit boekje, het is het menschenboek. Maar het geeft niet genoeg, +anders zou er rust zijn onder de menschen en vrede. En die zijn er niet. +Ik bedoel iets anders, waaraan niemand twijfelen kan die het ziet, +waarin staat, waarom alles is zooals het is, precies en duidelijk.' + +'Hoe is 't mogelijk? Waar heeft de jongen dat vandaan?' + +'Wie heeft je dat geleerd, vriendje?' + +'Ik geloof dat je verkeerde boeken gelezen hebt, jongen! en die napraat!' + +Zoo klonken de stemmen. Johannes voelde zijn wangen gloeien, het begon +hem te duizelen, de kamer draaide, en de groote bloemen op het +vloerkleed zweefden op en neer. Waar was het muisje, dat hem zoo trouw +waarschuwde op school, dien eersten dag? Het was nu noodig. + +'Ik praat het niet uit boeken na, en die het mij geleerd heeft is meer +waard dan gij allen. Ik ken de taal van bloemen en dieren, ik ben hun +vertrouwde. Ik weet ook wat menschen zijn en hoe zij leven. Ik ken al de +geheimen van feeën en kabouters, want mij hebben zij lief, meer dan de +menschen.' + +Muisje! muisje! + +Johannes hoorde proesten en lachen, om hem en achter hem. Het zong en +suisde in zijn ooren. + +'Hij schijnt Andersen gelezen te hebben.' + +'Hij is niet recht bij 't hoofd.' + +De man voor hem zeide: 'Als je Andersen kent, mannetje! dan moest je +meer van zijn eerbied hebben voor God en zijn Woord.' + +'God!' dat woord kende hij, en hij dacht aan de les van Windekind. + +'Ik heb geen eerbied voor God. God is een groote petroleumlamp, waardoor +duizenden verdwalen en verongelukken.' + +Geen gelach, maar een angstige stilte, waarin afschuw en ontzetting +voelbaar rondwaarden. Johannes voelde de stekende blikken in den rug. +Het was als in zijn droom van den vorigen nacht. + +De zwart-gekleede man stond op en nam hem bij den arm. Dat deed pijn en +brak bijna zijn moed. + +'Hoor eens, jongen, ik weet niet of je niet wijs bent of diep bedorven, +maar die goddeloosheid duld ik hier niet. Ga heen en kom niet meer onder +mijn oogen, zeg ik. Ik zal navraag naar je doen, maar in deze buurt zet +je geen voet meer. Verstaan?' + +Aller blikken waren koud en vijandig evenals dien nacht. + +Johannes zag angstig rond. + +'Robinetta! Waar is Robinetta!' + +'Jawel, mijn kind bederven! Pas op, als je ooit weer tot haar spreekt!' + +'Neen! laat me bij haar! Ik wil niet van haar weg. Robinetta!' schreide +Johannes. + +Doch zij zat angstig in een hoek en keek niet op. + +'Voort, bengel! hoor je niet? Pas op, als je 't hart hebt weer te +komen!' + +En de pijnlijke greep leidde hem door de klinkende gang, de glazen deur +rammelde, en Johannes stond buiten, onder de donkere, laag drijvende +wolken. + +Hij weende niet meer en staarde stil voor zich uit, terwijl hij langzaam +voortliep. De droevige rimpels boven zijn oogen waren dieper, en gingen +niet meer weg. + +Het roodborstje zat in een lindenhaag en keek naar hem. Hij stond stil +en staarde zwijgend terug. Doch er was geen vertrouwen meer in de +schuwe, glurende oogjes, en toen hij een stap naderde, vloog het vlugge +diertje in een snorrende vlucht heen. 'Weg! weg! een mensch,' tjilpten +de musschen, die op het tuinpad bij elkaar zaten, en zij vlogen naar +alle zijden uiteen. + +Ook de opene bloemen lachten niet, maar staarden ernstig en onverschillig, +zooals zij bij iederen vreemde doen. + +Doch Johannes vatte die teekens niet, maar dacht aan de krenking, die de +menschen hem hadden aangedaan. Het was hem of zijn innig binnenste door +koude, harde handen was ontwijd. 'Zij zullen mij gelooven,' dacht hij; +'ik zal mijn sleuteltje halen en het hun toonen.' + +'Johannes! Johannes!' riep een fijn stemmetje. Daar zat een vogelnestje +in een hulstboom, en de groote oogen van Wistik keken over den rand. +'Waar gaat ge heen?' + +'Het is alles uw schuld, Wistik,' zeide Johannes. 'Laat mij met rust!' + +'Wat doet ge er ook met menschen over te spreken, menschen begrijpen u +toch niet. Waarom zegt ge die dingen aan menschen? dat is heel dom.' + +'Zij hebben mij uitgelachen en pijn gedaan. Het zijn ellendige wezens! +ik haat ze.' + +'Neen Johannes, ge houdt van hen.' + +'Neen! neen!' + +'Anders zou het u minder verdriet doen, dat zij niet zijn als gij; dan +zou het u niet kunnen schelen, wat zij zeggen. Ge moet u minder om +menschen bekommeren.' + +'Ik wil mijn sleuteltje. Ik wil het hun toonen.' + +'Dat moet ge niet doen, ze zouden u toch niet gelooven. Waartoe zou het +dienen?' + +'Ik wil mijn sleuteltje, onder den rozenstruik. Weet ge dien te vinden?' + +'Ja wel! bij den vijver, niet waar? Ja dien weet ik.' + +'Breng mij er dan, Wistik!' + +Wistik klom op Johannes' schouder en zeide hem den weg. Zij liepen den +ganschen dag, het woei en van tijd tot tijd vielen regenbuien, doch +tegen den avond werden de wolken stil en verlengden zich tot lange +gouden en grauwe strooken. + +Toen zij aan het duin kwamen, dat Johannes kende, werd het hem week te +moede en hij fluisterde telkens 'Windekind! Windekind!' + +Daar was het konijnenhol, en de duin, waartegen hij eens geslapen had. +Het grijze rendiermos was week en vochtig en kraakte niet onder zijn +voet. De rozen waren uitgebloeid en de gele Teunisbloemen met haar +bedwelmenden, flauwen geur staken bij honderden de kelken op. Hooger nog +rezen de lange, trotsche toortsplanten met dikke, vilten bladeren. + +Zoekend speurde Johannes naar het fijne, bruinachtige loof van de +duinroos. + +'Waar is zij, Wistik, ik zie haar niet.' + +'Ik weet er niet van,' zeide Wistik. 'Gij hebt het sleuteltje verborgen, +ik niet.' + +Waar de roos gebloeid had, was een veld vol gele Teunisbloemen, die +wezenloos naar boven keken. Johannes vroeg haar en ook de toortsplanten; +die waren echter veel te trotsch, want haar lange bloemtros stak ver +boven hem uit, en hij vroeg het aan de kleine, driekleurige viooltjes op +den zandgrond. + +Doch niemand wist iets van de duinroos. Ze waren allen van dezen zomer. +Zelfs de verwaande toortsplant, die zoo hoog was. + +'Ach, waar is zij? waar is zij?' + +'Hebt _gij_ mij ook al beet genomen?' zeide Wistik. 'Ik dacht het wel, +dat heb je altijd met menschen.' + +En hij liet zich van Johannes' schouder glijden en liep weg tusschen het +helm. + +Wanhopend staarde Johannes rond, daar stond een klein duinrozestruikje. + +'Waar is de groote roos,' vroeg Johannes, 'de groote die hier vroeger +stond?' + +'Wij spreken niet met menschen,' zeide het struikje. + +Dat was het laatste, wat hij hoorde, al het levende om hem zweeg, alleen +de helmen suisden in den zachten avondwind. + +'Ben ik een mensch?' dacht Johannes. 'Neen, dat kan niet, dat kan niet. +Ik wil geen mensch zijn. Ik haat de menschen.' + +Hij was moede en dof van geest. Hij ging liggen aan den rand van 't +veldje, op het weeke, grijze mos, dat een vochtigen, sterken geur +verspreidde. + +'Nu kan ik niet terugkeeren, en nu zie ik Robinetta ook niet weer. Zou +ik niet doodgaan, als ik haar niet heb? Zou ik blijven leven en een +mensch zijn, een mensch zooals die anderen, die mij uitlachten?' + +Daar zag hij op eenmaal de twee witte vlinders weer, die van den kant +der ondergaande zon naar hem toe fladderden. Gespannen volgde hij hun +vlucht. Zouden zij hem den weg wijzen? Zij vlogen hem over 't hoofd, +elkaar naderende en weer verlatende, om elkaar heen dwarrelende in +wispelturig spel. Langzaam verwijderden ze zich van de zon en zweefden +eindelijk over den rand der duinen naar het bosch, waarvan alleen de +hoogste toppen nog kleurden in den avondschijn, die rood en schel onder +de lange sombere wolkenrijen uit lichtte. + +Johannes volgde hen. Doch toen ze boven de eerste boomen waren, zag hij +hoe een donkere schaduw hen in onhoorbare fladdervlucht achtervolgde en +inhaalde. Het volgende oogenblik waren zij verdwenen. De zwarte schaduw +schoot snel op hem toe, en angstig dekte hij het gezicht met de handen. + +'Wel, vriendje! wat zit je daar te huilen?' klonk een scherpe, +spotachtige stem vlak naast hem. Johannes had een groote vleermuis op +zich zien afkomen, doch toen hij opkeek, stond een zwart mannetje op het +duin, niet veel grooter dan hij-zelf. Hij had een groot hoofd met groote +ooren, die donker afstaken tegen den lichten avondhemel, en een mager +figuurtje met dunne beenen. Van zijn gezicht zag Johannes alleen de +kleine, schitterende oogen. + +'Heb je iets verloren, kereltje? Dan zal ik je helpen zoeken,' zeide +hij. Doch Johannes schudde zwijgend het hoofd. + +'Kijk eens! wil je die van mij hebben?' begon hij weer en opende zijn +hand. + +Daarin zag Johannes iets wits, dat van tijd tot tijd even bewoog. Het +waren de witte kapelletjes, die stervend met de gescheurde en gebroken +vleugeltjes trilden. Johannes voelde een huivering, alsof iemand hem +tegen het achterhoofd blies, en angstig keek hij naar het vreemde +wezen op. + +'Wie zijt gij?' vroeg hij. + +'Wou je mijn naam weten, ventje? Nu, zeg maar Pluizer, familjaarweg +Pluizer. Ik heb nog wel mooier namen, maar die begrijp je toch niet.' + +'Zijt gij een mensch?' + +'Wel nu nog mooier! Nu heb ik nogal armen en beenen en een hoofd, kijk +eens wat een hoofd! en nu vraagt zoo'n jongen nog of ik een mensch ben. +Maar, Johannes! Johannes!' En het mannetje lachte met een piepend, +doordringend geluid. + +'Hoe weet ge wie ik ben?' vroeg Johannes. + +'O, dat is voor mij een kleinigheid. Ik weet nog heel wat meer. Ik weet +ook waar je vandaan komt en wat je hier komt doen. Ik weet verbazend +veel, bijna alles.' + +'Ach, mijnheer Pluizer ...' + +'Pluizer, Pluizer, geen complimenten.' + +'Weet ge dan ook ...' Doch Johannes zweeg plotseling. 'Het is een mensch,' +dacht hij. + +'Van je sleuteltje, bedoel je? Wel zeker!' + +'Maar ik dacht niet, dat menschen daarvan konden weten.' + +'Domme jongen! En Wistik heeft het al zoovelen verklapt.' + +'Kent ge Wistik dan ook?' + +'O ja! een van mijn beste vrienden, en ik heb veel vrienden. Maar ik +wist dat ook zonder Wistik. Ik weet veel meer dan Wistik. Wistik is een +goed ventje, maar dom, buitengewoon dom. Ik niet! lang niet!' En Pluizer +klopte zelfvoldaan met zijn mager handje op zijn groot hoofd. + +'Weet je, Johannes,' ging hij voort, 'wat een groot gebrek van Wistik +is? Maar je moet het hem nooit zeggen, want dan wordt hij erg boos.' + +'Nu, wat dan?' vroeg Johannes. + +'Hij bestaat niet. Dat is een groot gebrek, maar hij wil het niet weten. +En hij zegt van mij, dat ik niet besta, maar dat liegt hij. Of ik besta! +Drommels goed!' + +En Pluizer stak de kapelletjes in zijn zak en ging plotseling voor +Johannes op zijn hoofd staan. Toen grijnsde hij erg leelijk en stak een +lange tong uit. Johannes, die zich toch al niet op zijn gemak gevoelde +alleen met dit wonderlijk wezen, bij den vallenden avond in het eenzame +duin, rilde nu van angst. + +'Dit is een alleraardigste manier om de wereld te bekijken,' zeide +Pluizer, nog steeds op zijn hoofd staande. 'Als je wilt, zal ik je het +ook leeren. Je ziet alles veel scherper en veel natuurlijker.' + +En hij spartelde met de spillebeentjes in de lucht en wendde zich op de +handen om. Toen de roode avondgloed op het omgekeerde gelaat viel, vond +Johannes het afschuwelijk, de kleine oogjes knipten in het licht en +lieten het wit zien, aan den kant waar men het niet gewoon is. + +'Zie je, zoo schijnen de wolken de vloer, en de aarde het deksel van de +wereld. Dat kun je evengoed volhouden als het tegenovergestelde. Boven +of onder is er toch niet. Een mooie wandelplaats zou het op die wolken +zijn.' + +Johannes keek naar de lange wolken. Hij vond dat zij op een geploegd +land geleken met roode voren, alsof er bloed uit opwelde. Boven de zee +straalde de poort van de wolkgrot. + +'Kan men daarheen gaan en daarin komen?' vroeg hij. + +'Gekheid!' zei Pluizer en stond eensklaps weer op zijn beenen, tot +groote verlichting van Johannes. 'Gekheid! Als je daar bent, is het +precies als hier, en dan lijkt dat moois een eindje verder. In die mooie +wolken dáár is het mistig, grijs en koud.' + +'Ik geloof u niet,' zeide Johannes; 'nu zie ik eerst goed dat ge een +mensch zijt.' + +'Och kom! geloof je mij niet, beste jongen, omdat ik een mensch ben? en +wat ben je zelf dan wel voor bizonders?' + +'O Pluizer, ben ik ook een mensch?' + +'Wat dacht je! een elf? Elfen worden niet verliefd.' En Pluizer ging +vlak voor Johannes zitten, de beenen onder zich gekruist en grijnsde hem +strak aan. Johannes voelde zich onbeschrijfelijk beklemd en verlegen +onder dien blik en had zich wel willen wegstoppen of onzichtbaar maken. +Doch hij kon zijn oogen niet meer afwenden. + +'Alleen menschen worden verliefd, Johannes, hoor je! en dat is maar goed +ook, anders waren ze er al lang niet meer. En jij bent verliefd als de +beste, al ben je nog zoo klein. Aan wie denk je op 't oogenblik?' + +'Aan Robinetta!' fluisterde Johannes nauwelijks hoorbaar. + +'Naar wie verlang je het meest?' + +'Robinetta!' + +'Zonder wie denk je niet te kunnen leven?' + +Johannes' lippen bewogen geluidloos: 'Robinetta!' + +'Nu dan, ventje,' grinnikte Pluizer, 'wat verbeeld je je dan, een elf te +zijn? Elfen worden niet verliefd op menschenkinderen.' + +'Maar het was Windekind ...' stamelde Johannes in zijn verlegenheid. Toen +keek Pluizer ontzettend valsch en greep Johannes met zijn beenige handjes +bij de ooren. + +'Wat is dat voor onzin! Wou je mij met dien snuiter bang maken? Die is +nog veel dommer dan Wistik, veel dommer. Hij weet er niets van. En wat +erger is, hij bestaat heelemaal niet en heeft nooit bestaan. Ik besta +alleen, begrijp je? En als je mij niet gelooft, zal ik je laten voelen, +dat ik er ben.' + +En hij schudde den armen Johannes hard bij de ooren. Deze riep: + +'Maar ik heb hem toch zoo lang gekend, en ik ben zoo ver met hem +weggetrokken.' + +'Gedroomd heb je, zeg ik. Waar is dan je sleuteltje, he? Maar nu droom +je niet, voel je wel?' + +'Au!' riep Johannes, want Pluizer kneep. + +Het was reeds donker, en de vleermuizen vlogen nu dicht langs hunne +hoofden en piepten schril. De lucht was zwart en zwaar, geen blad bewoog +in het bosch. + +'Mag ik naar huis gaan?' smeekte Johannes.'Naar mijn vader?' + +'Je vader? wat wil je daar doen?' zei Pluizer. 'Die man zal je wel +vriendelijk ontvangen, nadat je zoo lang bent weggebleven.' + +'Ik verlang naar huis,' zeide Johannes, en hij dacht aan de huiskamer +met het heldere lamplicht, waar hij zoo vaak bij zijn vader zat, +luisterend naar het krassen van diens pen. Daar was het vredig en +gezellig. + +'Ja, dan hadt je maar niet weg moeten gaan en weg moeten blijven, ter +wille van dien mallen snuiter, die niet bestaat. Nu is het te laat. En +het komt er ook niet op aan, ik zal wel voor je zorgen. Of ik het doe of +je vader, dat is eigenlijk precies hetzelfde. Zoo'n vader, dat is toch +maar verbeelding. Heb je hem soms zelf uitgezocht? Denk je dat er geen +anderen zijn even goed en even knap? Ik ben even goed en veel knapper, +veel knapper.' + +Johannes had geen moed tot antwoorden, hij sloot de oogen en knikte +flauw. + +'En bij die Robinetta moet je het ook niet zoeken,' ging het mannetje +voort. Hij legde de handen op Johannes' schouders en praatte dicht +aan zijn oor. + +'Dat kind hield je even goed voor den gek als die anderen. Heb je niet +gezien dat ze in den hoek bleef zitten, en geen woord zeide, toen je +werd uitgelachen? Ze is niets beter dan al die anderen. Ze vond je een +aardig jongetje en heeft met je gespeeld, zooals ze met een meikever zou +spelen. Het kon haar niet schelen of je wegging. En van dat boekje wist +ze niets. Maar ik wel, ik weet waar het is, en ik zal het je helpen +zoeken. Ik weet bijna alles.' + +En Johannes begon hem te gelooven. + +'Ga je met mij mede? Wil je met mij zoeken?' + +'Ik ben zoo moe,' zeide Johannes, 'laat mij ergens slapen.' + +'Ik houd anders niet van slapen,' zei Pluizer, 'daar ben ik te levendig +voor, een mensch moet altijd kijken en denken. Maar een poosje zal ik je +met rust laten. Tot morgen.' + +Toen zette hij het vriendelijkste gezicht, dat hij zetten kon, Johannes +keek strak in de glinsterende oogjes, tot hij niets anders zag. Zijn +hoofd werd zwaar, hij leunde tegen de bemoste duinhelling. De oogjes +schenen verder en verder te lichten, totdat zij sterren waren aan den +zwarten hemel; het was alsof hij het geluid van verre stemmen hoorde, +alsof de aarde zich onder hem verwijderde, toen hield zijn denken op. + + + + +X + + +Nog eer hij goed ontwaakt was, had hij een vaag besef, dat er iets +bijzonders met hem was gebeurd, terwijl hij sliep. Doch hij was niet +begeerig het te weten en om zich heen te zien. Hij wilde weer terug in +den droom, die als een trage nevel langzaam wegtrok, daarin was +Robinetta weder naar hem toegekomen en had hem over het haar gestreken, +zooals vroeger, daarin had hij zijn vader weer gezien en Presto, in den +tuin met den vijver. + +'Au!' dat was pijn. Wie deed dat? Johannes opende de oogen en zag in de +grauwe morgenschemering een klein mensch vlak bij zich, die hem aan de +haren trok. Hij lag in een bed en het licht was mat en ongelijk, als in +een kamer. + +Doch het gezicht, dat over hem heenboog, bracht hem op eenmaal weder al +de ellende en somberheid van gisteren te binnen. Het was Pluizer's +gezicht, minder spookachtig en meer menschelijk, maar even leelijk en +angstwekkend als den vorigen avond. + +'Och neen! laat mij droomen,' zeide hij. + +Doch Pluizer schudde hem: 'ben je mal, luiaard, droomen is dwaasheid, +daarmee kom je niet verder. Een mensch moet werken en denken en zoeken. +Daar ben je een mensch voor.' + +'Ik wil geen mensch zijn. Ik wil droomen.' + +'Dat helpt niet. Je moet. Je bent nu onder mijn hoede en met mij samen +zul je werken en zoeken. Alleen met mij kan je vinden wat je verlangt. +En ik zal je niet verlaten totdat wij het gevonden hebben.' Johannes +voelde een vage ontzetting. Doch het was alsof een overmacht hem drukte +en dwong. Willoos onderwierp hij zich. + +Weg waren duinen, boomen en bloemen. Hij was in een klein, schemerig +verlicht kamertje, daarbuiten zag hij, zoover hij zien kon, huizen en +weder huizen, somber en grauw, in lange, eentonige rijen. + +Rook steeg overal op in dikke kronkels en sloeg als een bruinachtige +nevel in de straten neer. En op die straten liepen de menschen als +groote, zwarte mieren haastig dooreen. Een verward gerucht steeg dof en +aanhoudend uit hun massa op. + +'Zie Johannes,' zei Pluizer, 'is dat nu niet aardig? Dat zijn nu allen +menschen en al die huizen zoover je zien kunt, nog verder dan die blauwe +toren daar, zijn ook vol menschen, van boven tot beneden vol. Is dat +niet merkwaardig? Dit is nog wat anders dan een mierenhoop.' + +Johannes luisterde met angstige nieuwsgierigheid, alsof hem een groot, +verschrikkelijk ondier vertoond werd. Het was hem alsof hij op den rug +van het monster stond, het zwarte bloed door dikke aderen zag stroomen +en den donkeren adem uit honderd neusgaten zag stijgen. En hij werd bang +voor het onheilspellend grommen der ontzaglijke stem. + +'Zie hoe hard al die menschen loopen, Johannes,' ging Pluizer voort. +'Je kunt zien dat zij haast hebben en iets zoeken, niet waar? Maar het is +grappig, dat geen een precies weet wat hij zoekt. Als ze nu een poosje +gezocht hebben, dan komen ze iemand tegen, die heet Hein ...' + +'Wie is dat?' vroeg Johannes. + +'O! een goede kennis van me, ik zal je wel eens aan hem voorstellen. Nu +die Hein zegt dan: 'Zoek je mij?' Daarop zeggen de meesten gewoonlijk: +'O neen! ... jou bedoel ik niet!' maar dan antwoordt Hein weer: 'Er is +toch niets anders te vinden dan mij.' Dan moeten ze zich wel met Hein +tevreden stellen.' + +Johannes begreep, dat hij van den dood sprak. + +'En gaat dat altijd, altijd zoo?' + +'Welzeker, altijd. Er komen echter iederen dag weer een massa nieuwen en +die beginnen dagelijks te zoeken, zonder te weten waarnaar, en zoeken en +zoeken totdat ze eindelijk Hein vinden, zoo gaat het al een aardig +poosje lang en zoo zal het ook nog wel een poosje blijven aanhouden.' + +'Zal ik ook niets anders vinden, Pluizer, niets anders dan ...' + +'Ja, Hein vind je zeker eens, maar dat doet er niet toe, zoeken maar! +altijd blijven zoeken!' + +'Maar het boekje dan, Pluizer, gij zoudt mij het boekje laten vinden.' + +'Nu! wie weet! ik heb het niet tegengesproken. Wij moeten zoeken, +zoeken. Wij weten tenminste waarnaar wij zoeken. Dat heeft ons Wistik +geleerd. En er zijn er, die hun geheele leven zoeken om te weten +waarnaar zij eigenlijk zoeken. Dat zijn de wijsgeeren, Johannes. Maar +als Hein komt, is het met hun gezoek óók uit.' + +'Dat is vreeselijk, Pluizer.' + +'O neen, volstrekt niet. Hein is een heel goedig man. Maar hij wordt +miskend.' + +Iemand stommelde buiten de kamerdeur op de trap. Klos! Klos! klonk het +op de houten treden. + +Klos! Klos! nader en naderbij. Toen tikte iemand tegen de deur en het +was alsof ijzer op hout tikte. + +Er kwam een groote man binnen. Hij had diepliggende oogen en lange, +magere handen. Een koude tocht woei in het kamertje. + +'Welzoo,' zeide Pluizer, 'zijt gij daar, ga zitten! Wij spraken juist +over u. Hoe gaat het u?' + +'Druk, druk!' zeide de lange man en wischte zich het koude zweet van het +beenige bleeke voorhoofd. + +Roerloos en schuw staarde Johannes in de diepliggende oogen, die strak +op hem gericht waren. Zij waren zeer ernstig en donker, doch niet wreed, +niet vijandig. Na eenige oogenblikken ademde hij weer vrijer en klopte +zijn hart minder hevig. + +'Dit is Johannes,' zeide Pluizer, 'hij heeft van een zeker boekje +gehoord, waarin staat, waarom alles is zooals het is, en dat zullen wij +nu samen gaan zoeken, niet waar?' Toen lachte Pluizer veelbeteekenend. + +'Zoo! zoo! nu dat is goed!' zeide de Dood vriendelijk, en knikte +Johannes toe. + +'Hij is bang het niet te vinden, maar ik zeide hem maar eerst vlijtig te +zoeken.' + +'Zeker!' zeide de Dood, 'vlijtig zoeken is het beste.' + +'Hij dacht, dat gij zoo verschrikkelijk waart. Nu zie je toch Johannes, +dat je je vergist hebt, niet waar?' + +'Ach ja!' zeide de Dood welwillend, 'men spreekt veel kwaad van mij. Ik +heb geen innemend uiterlijk, maar ik meen het toch goed.' + +Hij glimlachte flauw, als iemand die met ernstiger dingen vervuld is dan +waarover hij spreekt. Toen wendde zich zijn donkere blik van Johannes af +naar buiten en dwaalde peinzend over de groote stad. + +Lang waagde Johannes het niet te spreken, eindelijk zeide hij zacht: + +'Zult gij mij medenemen?' + +'Wat meen je, mijn jongen?' zeide de Dood, opkijkend uit zijn mijmering: +'Neen! nu nog niet. Gij moet opgroeien en een goed mensch worden.' + +'Ik wil geen mensch worden als de anderen.' + +'Kom! kom!' zeide de Dood, 'daar is niets aan te doen.' + +Men kon hooren, dat dit een dagelijksche term van hem was. Hij ging +voort. + +'Mijn vriend Pluizer kan u leeren, hoe men een goed mensch wordt. Men +kan het op verschillende wijzen, maar Pluizer leert het ook uitstekend. +Het is iets zeer schoons en begeerlijks een goed mensch te zijn. Daar +moet ge niet op neer zien, ventje!' + +'Zoeken, denken, kijken!' zei Pluizer. + +'Zeker, zeker!' zei de Dood; en toen tot Pluizer: 'Bij wien zult ge hem +brengen?' + +'Bij docter Cijfer, mijn oud-leerling.' + +'A ja! dat is een goed leerling. Dat is een zeer fraai voorbeeld van een +mensch. Bijna volmaakt in zijn soort.' + +'Zal ik Robinetta weerzien?' vroeg Johannes bevend. + +'Wie bedoelt het ventje?' vroeg de Dood. 'O! hij is al verliefd geweest +en verbeeldde zich toch een elf te zijn, hi! hi! hi!' lachte Pluizer +geniepig! + +'Neen! beste jongen, dat gaat niet,' zei de Dood, 'die dingen zul je bij +docter Cijfer wel verleeren. Wie zoekt wat gij zoekt, moet al het andere +verliezen. Alles of niets.' + +'Ik zal een mensch uit één stuk van hem maken, ik zal hem eens laten +zien wat eigenlijk verliefdheid is, dan zal hij er zich wel doorheen +pluizen.' + +En Pluizer lachte vroolijk, de Dood richtte weer zijn zwarte oogen op +den armen Johannes, die met moeite het snikken bedwong. Want hij +schaamde zich voor den Dood. + +Deze rees plotseling op. 'Ik moet heen,' zeide hij, 'ik verpraat mijn +tijd. Er is hier veel te doen. Goeden dag, Johannes! wij zullen elkander +nog wel weerzien. Gij moet niet bang voor mij zijn.' + +'Ik ben niet bang voor u, ik wilde dat ge mij medenaamt. Toe! neem mij +liever mede!' + +Doch de Dood wees hem zacht terug, hij was dergelijke vragen gewend. + +'Neen! Johannes, ga nu aan uw werk, zoek en zie! Vraag mij niet meer. Ik +vraag maar eens en dan is het tijd genoeg.' + +Toen hij verdwenen was gedroeg Pluizer zich weer zeer buitensporig. Hij +sprong over stoelen, buitelde over den grond, kroop op de kast en den +schoorsteenmantel en voerde halsbrekende kunsten uit in de open vensters. + +'Dat was nu Hein! mijn goede vriend Hein!' riep hij, 'vond je hem niet +aardig? Een beetje leelijk en knorrig van uitzicht. Maar hij kan ook +heel vroolijk zijn, als hij plezier heeft in zijn werk. Maar dikwijls +verveelt het hem. 't Is ook wel wat eentonig.' + +'Wie zegt hem, Pluizer, waarheen hij gaan moet?' + +Pluizer gluurde Johannes valsch en uitvorschend aan. + +'Waarom vraag je dat? Hij gaat zijn eigen gang, hij neemt wie hij +krijgen kan.' + +Later heeft Johannes anders gezien. Doch nu wist hij niet beter of +Pluizer sprak waarheid in alles. + +Zij gingen op de straat en bewogen zich door de krioelende menigte. De +zwarte menschen liepen dooreen, lachten, praatten, zoo vroolijk dat +Johannes zich moest verwonderen. Hij zag hoe Pluizer velen toeknikte, +maar niemand beantwoordde den groet, allen keken vóór zich alsof ze +niets gezien hadden. + +'Ze loopen nu te lachen,' zeide Pluizer, 'alsof zij mij geen van allen +kenden. Maar dat schijnt maar zoo. Als ik alleen met hen ben, kunnen ze +mij niet negeeren en dan zijn ze ook zoo vroolijk niet.' En onder het +gaan was Johannes zich bewust dat er iemand achter hem liep. Als hij +omkeek zag hij den langen, bleeken man, die met groote, onhoorbare +schreden tusschen de menschen schreed. Hij knikte Johannes toe. + +'Zien de menschen hem ook?' vroeg Johannes aan Pluizer. + +'Ja zeker! allen, maar zij willen hem ook niet kennen. Nu ik gun hun +dien trots!' + +De drukte en het geraas brachten Johannes in een soort verdooving, die +hem zijn leed deed vergeten. De smalle straten en de hooge huizen, die +het hemelblauw in rechte strooken verdeelden, de menschen die langs hem +af en aan gingen, het slepen der voetstappen en het ratelen der wagens +verstoorden de oude visioenen en den droom van dien nacht, als een storm +de beelden in een waterspiegel. Het was hem alsof er niets anders +bestond dan muren, ramen en menschen, alsof hij mede moest doen, mede +draven in het rusteloos, ademloos gewoel. + +Toen kwamen zij in een stille buurt, waar een groot huis stond met +grauwe, sierlooze ramen. Het zag er streng en onvriendelijk uit. +Daarbinnen was het stil en rook Johannes een mengeling van vreemde, +scherpe geuren, met een dompige kelderlucht tot grondtoon. In een kamer, +vol wonderlijke werktuigen, zat een eenzame man. Hij was omringd door +boeken, glazen en koperen voorwerpen, allen vreemd voor Johannes. Er +viel een enkele zonnestraal over zijn hoofd heen in de kamer en fonkelde +op flesschen met fraai gekleurde stoffen. De man tuurde ingespannen door +een koperen buis en zag niet op. + +Toen Johannes naderkwam hoorde hij hem mompelen: 'Wistik! Wistik!' + +Naast den man, op een lang, zwart bankje, lag iets wits en wolligs, dat +Johannes niet goed kon onderscheiden. + +'Goeden morgen, docter!' zei Pluizer, maar de docter keek nog niet op. + +Toen schrikte Johannes, want het witte voorwerp waarnaar hij ingespannen +keek, kwam op eens in krampachtig rukkende beweging. Wat hij gezien had, +was het witte buikdons van een konijntje. Het kopje met den beweeglijken +neus lag achterover in ijzer geklemd, en de vier pootjes waren strak +gebonden naast het lichaam. Kort duurde de wanhopige poging om zich te +bevrijden, toen lag het beestje weder stil en alleen de snelle beweging +van de bloedige keel toonde dat het nog leefde. + +En Johannes zag het ronde, goedige oog dat zoo wijd staarde in +machteloozen angst en het was of hij het herkende. Ach! was dat niet +het zachte lijfje, waartegen hij gerust had in dien eersten, zaligen +elfennacht? Oude herinneringen drongen met geweld in hem boven. Hij +vloog op het diertje toe: + +'Wacht! wacht! arm konijntje, ik zal u helpen.' En haastig trachtte hij +de koordjes los te knoopen, die de teere pootjes striemden. + +Doch zijn beide handen werden tegelijk vastgegrepen en een scherpe lach +klonk aan zijn oor. + +'Wat beduidt dat, Johannes? Ben je nog zóó kinderachtig? Wat moet de +docter wel van je denken?' + +'Wat wil die jongen? wat doet hij hier?' vroeg de docter verbaasd. + +'Hij wilde een mensch worden, daarom kwam ik met hem bij u. Maar hij is +nog wat klein en kinderachtig. Dit is niet de manier om te vinden wat je +zoekt, Johannes!' + +'Neen! dit is de manier niet,' zeide de docter. + +'Docter, maak dat konijntje los!' + +Doch Pluizer kneep hem de beide handen, dat hij ineenkromp. 'Wat hebben +wij afgesproken, mannetje?' siste hij hem in 't oor. 'Zoeken zouden wij, +niet waar? Wij zijn hier niet in de duinen, bij Windekind en bij stomme +dieren. Wij zouden menschen zijn, menschen! versta je. Als je een kind +wilt blijven, als je niet sterk genoeg bent om mij te helpen, laat ik je +gaan, zoek dan alleen!' + +Johannes zweeg en geloofde. Hij wilde sterk zijn. Hij sloot de oogen, om +het konijntje niet te zien. + +'Beste jongen!' zeide de docter, 'je schijnt nog wat teergevoelig om te +beginnen. Het is waar, de eerste maal is zoo iets naar om te zien. Ik +zelf zie het altijd ongaarne en vermijd het zooveel mogelijk. Doch het +is onontbeerlijk. En je moet begrijpen: wij zijn menschen en geen +dieren, en het heil van de menschheid en van de wetenschap gaat boven +dat van eenige konijnen.' + +'Hoor je!' zei Pluizer, 'de wetenschap en de menschheid!' + +'De man der wetenschap,' ging de docter voort, 'staat hooger dan alle +andere menschen. Maar hij moet dan ook de kleine gevoeligheden, die de +gewone menschen kennen, laten varen voor dat ééne groote: de wetenschap. +Wilt ge zulk een mensch worden? was dat uw roeping, mijn jongen?' + +Johannes weifelde, hij wist nog niet recht wat een roeping was, zoomin +als de meikever. + +'Ik wilde het boekje vinden,' zeide hij, 'waar Wistik van sprak.' + +De docter keek verbaasd en vroeg: 'Wistik?' + +Doch Pluizer zei snel: 'Hij wil het, docter, ik weet het wel. Hij wil de +hoogste wijsheid zoeken, hij wil het wezen der dingen begrijpen.' + +Johannes knikte, 'Ja!' Zoover hij begreep, was dat zijn bedoeling. + +'Nu, dan moet je sterk zijn, Johannes, en niet klein en teerhartig. Dan +zal ik je helpen. Maar bedenk: alles of niets.' + +En Johannes hielp met sidderende handen de losgemaakte koorden weer +vaster om de pootjes van het konijntje strikken. + + + + +XI + + +'Wij zullen toch eens zien,' zeide Pluizer, 'of ik je niet evenveel +moois vertoonen kan als Windekind.' + +En toen zij den docter vaarwel hadden gezegd en beloofd spoedig weer te +komen, leidde hij Johannes rond in alle hoeken der groote stad, hij +toonde hem, hoe het groote monster leefde, hoe het ademde en zich voedde, +hoe het in zich-zelve verteerde en uit zich-zelve weer opgroeide. + +Doch hij had voorliefde voor de sombere achterbuurten, waar de menschen +dicht opeengepakt zaten, waar alles grauw en groezelig, de lucht zwaar +en bedompt was. + +Hij ging met hem in een der groote gebouwen, waaruit de rook opsteeg, +dien Johannes den eersten dag gezien had. Er heerschte een verdoovend +geraas, overal rammelde, ratelde, stampte en dreunde het, groote wielen +wentelden en lange riemen schoven slingerend voort; zwart zagen muren en +bodem, de vensters waren gebroken of bestoven. Hoog rezen de geweldige +schoorsteenen boven het zwarte gebouw uit en zonden dikke, kronkelende +rookzuilen op. In dat gewoel van raderen en werktuigen zag Johannes tal +van menschen met bleek gelaat, met zwarte handen en kleederen, zwijgend +en rusteloos werken. + +'Wie zijn dat?' vroeg hij. + +'Raderen, ook raderen,' lachte Pluizer, 'of menschen, zoo je wilt. Wat +ze daar doen, doen ze dag in, dag uit. Men kan op die manier ook mensch +zijn, in hun soort altijd.' + +En zij kwamen in vuile straatjes, waar het strookje hemelblauw zoo smal +leek als een vinger en nog verduisterd werd door uitgespannen kleederen. +Daar krioelde het van menschen; ze verdrongen elkaar, schreeuwden, +lachten en zongen ook somtijds. In de huizen waren de kamertjes zoo +klein, zoo donker en bedompt, dat Johannes nauwelijks durfde ademen. Hij +zag havelooze kinderen over den kalen vloer kruipen en jonge meisjes met +verwilderd haar, die liedjes neurieden voor magere, bleeke zuigelingen. +Hij hoorde twisten en schelden, en alle gezichten om hem zagen moede, of +dom en onverschillig. + +Het greep Johannes aan met een vreeselijke smart. Het had niets gemeen +met zijn vroeger leed, daarvoor schaamde hij zich. + +'Pluizer,' vroeg hij, 'hebben die menschen altijd hier geleefd, zoo +akelig en ellendig? Ook toen ik ...' + +Hij durfde niet verder gaan. + +'Welzeker, en dat is gelukkig. Zij leven volstrekt niet akelig en +ellendig, zij zijn hier gewend en weten niet beter. Het is dom, +onverschillig vee. Zie die twee vrouwen daar, voor haar deur zitten! Zij +kijken zoo tevreden in de vuile straat, als jij vroeger naar je duinen! +Om die menschen behoef je niet te huilen. Dan kan je wel om de mollen +huilen, die nooit het daglicht zien.' + +En Johannes wist niet te antwoorden en wist ook niet waarom hij toch +huilen moest. En te midden van het luidruchtige drijven en woelen zag +hij steeds den bleeken, holoogigen man voortschrijden, met +geruischloozen tred. + +'Toch een goede man, nietwaar?' zeide Pluizer, 'de menschen hieruit weg +te halen. Maar toch zijn ze hier even bang voor hem.' + +Toen de nacht was gedaald, en de honderden lichtjes in den wind +flikkerden en lange, wiegelende beelden in het donkere water wierpen, +gingen beiden langs de stille straten. De oude, hooge huizen schenen +vermoeid tegen elkander geleund te slapen. De meesten hadden hun oogen +gesloten. Doch hier en daar schemerde nog een venster met matten, gelen +glans. + +Pluizer vertelde aan Johannes lange verhalen van hen die daarachter +woonden, van de pijnen, die daar werden uitgestaan, en van den strijd, +die daar tusschen ellende en levenslust gestreden werd. Hij spaarde hem +niets, het somberste, het laagste en platste zocht hij uit, en grinnikte +van genoegen, als Johannes bij zijn verschrikkelijke verhalen bleek werd +en zweeg. + +'Pluizer,' vroeg Johannes op eenmaal, 'weet gij iets van het Groote +Licht?' + +Hij dacht, dat die vraag hem redden zou uit de duisternis, die dichter +en drukkender om hem samendrong. + +'Praatjes! Praatjes van Windekind!' zeide Pluizer. 'Hersenschimmen en +droomerijen! Er zijn alleen menschen, en ik-zelf. Dacht je, dat een God +of iets van dien aard er vermaak in zou hebben, zoo'n rommel te regeeren +als het hier op aarde is? En zoo'n groot licht zou er niet zoovelen hier +in 't donker laten.' + +'En die sterren, die sterren dan?' vroeg Johannes, als verwachtte hij, +dat die zichtbare grootheid het lage voor hem zou kunnen verheffen. + +'Die sterren? Weet je wel waarvan je praat, ventje? Het zijn geen +lichtjes daarboven, zooals de lantaarns, die je hier om je heen ziet. +Het zijn allen werelden, elke veel grooter dan deze wereld met haar +duizenden steden, en middenin zweven wij als een klein stofje, en er is +geen onder of boven, en naar alle zijden zijn werelden, al maar werelden, +en dat houdt nimmer, nimmer op.' + +'Neen! Neen!' riep Johannes angstig, 'niet zeggen, niet zeggen! Ik zie +lichtjes op een groot donker veld boven mij.' + +'Ja, zien kun je niet anders dan lichtjes. Al staarde je je leven lang +omhoog, je zoudt niet anders zien dan lichtjes op een donker veld boven +je. Maar je kunt, je _moet_ weten, dat het werelden zijn, noch boven, +noch onder, waarin dit kluitje met zijn armzalig, wriemelend +menschenzootje niets is, en als niets zal verdwijnen. Spreek dus niet +meer van 'de sterren', als waren het er een paar dozijn, het is een +dwaasheid.' + +Johannes zweeg. De grootheid, die het lage zou verheffen, verpletterde +het. + +'Komaan,' zei Pluizer, 'nu zullen we iets vroolijks gaan zien.' Bij +tusschenpoozen kwamen de golven van een lieflijk slepende muziek hen +tegemoet. Op een donkere gracht was een groot huis, waar het licht hel +uit vele, hooge vensters brak. + +Een lange stoet rijtuigen stond er voor. Het stampen der paarden klonk +hol door de nachtelijke stilte, en hun koppen knikten: ja! ja! +Glimlichtjes blonken op de zilveren knoppen van het tuig en op het +vernis der wagens. + +Binnen was het een-en-al licht. Half verblind staarde Johannes in de +schittering van honderden vlammen, van bonte kleuren, van spiegels en +bloemen. Lichte gestalten streken langs de vensters, naar elkaar toe +buigend, met lach en handgebaar. Tot ver achter in de zalen bewogen zich +de rijkgetooide menschen met langzamen tred of met snelle, wiegelende +draaiing. Een verward gerucht van gelach en blijde stemmen, slepende +schreden en ruischende gewaden drong tot op straat door, meegedragen op +de golven der weeke, bedwelmende muziek, die Johannes reeds van verre +gehoord had. Op straat, dicht bij de ramen, stonden een paar donkere +gestalten, waarvan alleen de gezichten vreemd en ongelijk werden +verlicht door den glans, waarin zij gretig staarden. + +'Dat is mooi, dat is heerlijk!' riep Johannes; hij genoot bij het zien +van zooveel kleur en licht en bloemen. 'Wat gebeurt daar? Mogen wij +daarin?' + +'Zoo, vindt je dit nu toch mooi? Of verkies je soms liever een +konijnenhol? Zie die menschen eens lachen en buigen en schitteren; zie +eens hoe deftig en glad die mannen, hoe bont en opgeschikt die vrouwen! +En welk een aandacht bij het dansen, alsof het de gewichtigste zaak ter +wereld was.'Johannes dacht terug aan het bal in het konijnenhol en hij +zag veel, dat hem er aan herinnerde. Doch alles was hier grooter en +schitterender. De jonge vrouwen met haar rijken tooi schenen hem zoo +schoon als elfen, als zij de lange, blanke armen ophieven en het hoofd +half ter zijde wendden in den dans. De bedienden gingen statig rond en +boden heerlijke dranken aan, met eerbiedige buiging. + +'Hoe prachtig! hoe prachtig!' riep Johannes. + +'Erg mooi, vindt je niet?' zei Pluizer. 'Maar nu moet je ook eens wat +verder kijken dan je neus lang is. Je ziet nu niets dan lieve, lachende +gezichten niet waar? Nu, het grootste deel van al die lachjes is leugen +en gemaaktheid. Die vriendelijke, oude dames aan den kant zitten daar +als hengelaars om een vijver; die jonge vrouwen zijn het aas, de heeren +zijn de visschen. En hoe lief ze ook met elkaar keuvelen, ze rnisgunnen +elkaar nijdig elke vangst. Als een van die jonge vrouwen plezier heeft, +dan is het omdat ze mooier is aangekleed of meer heeren om zich lokt dan +de andere, en het plezier van de heeren ontstaat vooral door die bloote +halzen en armen. Achter al die lachende oogen en vriendelijke lippen +schuilt iets heel anders. Zelfs die eerbiedige knechts denken lang niet +eerbiedig. Als het op eens uitkwam wat allen waarlijk dachten, dan zou +de partij gauw gedaan zijn!' + +En toen Pluizer hem alles wees, zag Johannes duidelijk de gemaaktheid in +gezichten en gebaren en de ijdelheid, afgunst en verveling, die door het +lachend masker heen gluurden of plotseling uitkwamen als het even werd +afgelegd. + +'Nu,' zeide Pluizer, 'men moet hen maar laten begaan. Die menschen +moeten zich toch amuseeren. En anders kunnen zij het niet.' + +Johannes voelde dat er iemand achter hem stond. Hij zag om. Het was de +welbekende, lange gestalte. Het bleeke gelaat was grillig door den +hellen glans verlicht, zoodat de oogen groote, donkere plekken vormden. +Hij prevelde zachtkens bij zichzelven en wees met den vinger in de +lichte zaal. + +'Zie,' zeide Pluizer, 'hij is weer aan 't uitzoeken.' + +Johannes zag waarheen de vinger wees. En hij zag hoe de oude dame onder +het gesprek even de oogen sloot en de hand aan het hoofd bracht, en hoe +het schoone, jonge meisje haar drentelen even staakte en met een lichte +rilling vóór zich, staarde. + +'Wanneer?' vroeg Pluizer aan den Dood. + +'Dat is mijn zaak,' zeide deze. + +'Ik wilde Johannes ditzelfde gezelschap nog eens laten zien,' zeide +Pluizer en knipoogde grijnzend. 'Kan dat?' + +'Van avond?' vroeg de Dood. + +'Waarom niet?' zeide Pluizer. 'Daar is uur noch tijd. Wat nu is, is +altijd geweest, en wat worden zal, is er reeds.' + +'Ik kan niet mede,' zeide de Dood, 'ik heb te veel werk. Doch noem den +naam van dat wat wij beiden kennen, en gij zult ook zonder mij den weg +vinden.' + +Zij gingen toen een eindweegs door de eenzame straten, waar de +gasvlammen flikkerden in den nachtwind en het donkere koude water tegen +de grachtwallen kabbelde. De weeke muziek klonk flauwer en flauwer en +verdoofde eindelijk in de groote rust, die over de stad lag. + +Daar klonk op eens van omhoog, met vollen galmenden metaalklank, een +luid en feestelijk lied. + +Plotseling viel het neer van den hoogen toren, op de slapende stad, in +de droeve duistere ziel van den kleinen Johannes. Verwonderd zag hij op. +De klokkenzang hield aan, met helderen, kalmen klank, die zich jubelend +verhief en forsch de doodsche stilte scheurde. Vreemd schenen hem die +blijde tonen, die feestzang te midden van stillen slaap en donkeren rouw. + +'Dat is de klok,' zei Pluizer, 'die is altijd even vroolijk, jaar in, +jaar uit. Elk uur zingt zij ditzelfde lied met gelijke kracht en +opgewektheid. En des nachts klinkt het blijder dan des daags, alsof de +klok juichte dat zij niet behoeft te slapen, dat zij altijd door even +gelukkig kan zingen, waar duizenden onder haar weenen en lijden. Doch +het vroolijkst klinkt het wanneer er iemand gestorven is.' + +Nogmaals verhief zich de jubelende galm. + +'Eens, Johannes,' ging Pluizer voort, 'zal achter zulk een venster in +een stille kamer een flauw lichtje branden. Een droevig lichtje, dat +peinzend trilt en de schaduwen op den wand doet dansen. Er zal geen +gerucht zijn in de kamer, dan nu en dan een zacht, onderdrukt snikken. +Er zal een bed staan met witte gordijnen, met lange schaduwen in de +plooien. En in dat bed zal iets liggen, wit en stil. Dat zal de kleine +Johannes geweest zijn. O, dan zal op eens datzelfde lied luid en lustig +in die kamer breken en 't eerste uur bezingen na zijn dood.' + +Twaalf zware slagen dreunden door de lucht met lange tusschenpoozen. Bij +den laatsten kreeg Johannes op eenmaal een gevoel alsof hij droomde, hij +liep niet meer maar zweefde een eind boven de straat, aan Pluizer's +hand. In snelle vaart streken hem de huizen en lantaarns voorbij. De +huizen stonden nu minder dicht opeen. Ze vormden alleenstaande rijen, +met donkere geheimzinnige gaten er tusschen, waar het gaslicht kuilen, +plassen, puin en balken grillig verlichtte. Eindelijk kwam een groote +poort, met zware zuilen en een hoog hek. In een oogwenk waren zij er +over gezweefd en kwamen neer op vochtig gras naast een grooten zandhoop. +Johannes dacht in een tuin te zijn, want hij hoorde 't ruischen van +boomen in 't ronde. + +'Let nu goed op, Johannes, en houd dan nog eens vol, dat ik niet meer +kan dan Windekind.' + +Toen riep Pluizer luide een korten, somberen naam, die Johannes deed +huiveren. Van alle zijden herhaalde de duisternis den klank, en de wind +voerde hem op in gierend draaien, totdat hij wegstierf in de hooge lucht. + +En Johannes zag hoe de grashalmen hem boven 't hoofd reikten, en hoe de +kleine steen, die zooeven laan zijn voeten ag, hem nu het gezicht +belemmerde. Pluizer naast hem, even klein als hij, vatte den steen met +beide handen en wentelde dien met alle krachten om. Een verward geroep +van fijne, hooge stemmetjes rees van den vrij geworden bodem op. + +'Hei! wie doet dat? Wat beteekent dat? Lomperd!' klonk het dooreen. + +Johannes zag zwarte gestalten haastig door elkaar loopen. Hij herkende +den vluggen, zwarten loopkever, den glimmend bruinen oorworm met zijn +fijne knijpers, pissebedden met haar ronde ruggen en slangachtige +duizendpooten. In 't midden trok een lange aardworm zich bliksemsnel in +zijn gang terug. + +Pluizer ging dwars door de tierende en scheldende bende op het hol van +den aardworm toe. + +'Heidaar! lange, bloote slungel! kom eens voor den dag met je rooden +puntneus!' riep Pluizer. + +'Wat moet je?' vroeg de worm uit de diepte. + +'Jij moet er uit, omdat ik er in wil, hoor je, kale zandeter!' + +Voorzichtig rekte de pier zijn spitsen kop uit de opening, tastte er +eenige malen mee in 't rond en trok toen langzaam het naakte, geringde +lijf verder naar de oppervlakte. + +Pluizer keek rond naar de andere dieren, die nieuwsgierig om hem heen +drongen. + +'Een van jelui gaat mede en licht vóór. Neen, zwarte kever, je bent te +dik, en jij met je duizend pooten zoudt me duizelig maken. Ha, jij daar, +oorworm! jouw gezicht bevalt me. Ga mede en draag het licht in je +scharen! Loopkever, loop! en zoek een dwaallicht of haal een fakkel van +hout, dat rottend is.' + +De dieren kregen ontzag voor zijn gebiedende stem en gehoorzaamden. + +Toen daalden zij af in de wormengang. Voorop de oorworm met het lichtend +hout, dan Pluizer, dan Johannes. Het was eng en duister daar beneden. +Flauw zag Johannes de zandkorrels door het matte, blauwe schijnsel +verlicht. Zij schenen groot als steenen, half doorschijnend, tot een +gladden, vasten wand geschuurd door het lichaam van de pier. Deze +laatste volgde nieuwsgierig. Johannes zag achter zich haar spitsen kop +zich nu eens snel vooruit strekken, dan weer wachten tot het lange lijf +nader aangetrokken was. Zij daalden zwijgend, lang en diep. Waar +Johannes het pad te steil werd, steunde Pluizer hem. Er scheen geen +einde te zullen komen; altijd nieuwe zandkorrels, en steeds kroop de +oorworm voort, zich wendend en buigend met de kronkelingen van de gang. +Eindelijk werd de weg breeder en weken de wanden vaneen. De zandkorrels +werden zwart en vochtig; boven vormden ze een gewelf, waarlangs +waterdroppels glinsterende strepen trokken en waardoor boomwortels zich +strekten als verstijfde slangen. + +Daar rees plotseling voor Johannes' blik een loodrechte wand, zwart en +hoog, die de geheele ruimte voor hem afsloot. De oorworm wendde zich om. + +'Ziezoo! Nu is het zaak, daar-achter te komen. Dat zal de pier wel +weten, die is hier te huis.' + +'Kom, wijs ons den weg!' zei Pluizer. + +Langzaam schoof de aardworm het geringde lijf tot bij den zwarten wand +en betastte dien zoekend. Johannes zag, dat het hout was. Hier en daar +was het tot bruinachtige stof vervallen. Daar boorde de worm zich in, en +het lange, lenige lijf gleed in drie tusschenpoozen weg. + +'Nu jij!' zei Pluizer en duwde Johannes in de kleine ronde opening. Een +oogenblik dacht deze te stikken in den zachten, vochtigen molm; toen +voelde hij zijn hoofd vrij komen en werkte zich met moeite geheel uit de +opening los. Een groote ruimte scheen hem te omgeven. De grond was hard +en vochtig, de lucht dik en ondragelijk benauwd, Johannes durfde nauw +ademen en wachtte in nameloozen angst. + +Hij hoorde Pluizer's stem, die hol klonk als in een grooten kelder. + +'Hier Johannes, volg me!' + +Voor zich voelde hij den grond rijzen tot een berg. Aan Pluizer's hand +beklom hij dien, in de diepe duisternis. Het was alsof hij op een kleed +liep, dat meegaf onder zijn tred. Hij strompelde over kuilen en heuvels, +Pluizer volgend, die hem medetrok tot een vlakke plaats, waar hij zich +vastklemde aan lange halmen, die als buigzaam riet waren in zijn hand. +'Hier staan wij goed! Licht!' riep Pluizer. + +Daar daagde het matte licht uit de verte, met zijn drager dalend en +rijzend. Hoe nader het kwam en hoe meer het flauwe gloren de ruimte +vervulde, des te vreeselijker werd Johannes' beklemming. + +De berg, dien hij betreden had, was lang en wit; het riet, dat hij +omklemde, was bruin en krulde in glinsterende golven naar omlaag. + +Hij herkende de rechte gestalte van een mensch, en de kille vlakte, +waarop hij stond, was het voorhoofd. + +Vóór hem lagen, als twee diepe, donkere kuilen, de ingezonken oogen, en +het blauwe licht scheen op den dunnen neus en de grauwe lippen, in +akeligen, stijven doodenlach geopend. + +Uit Pluizer's mond klonk een schelle lach, die dadelijk smoorde in de +vochtige houtwanden. + +'Dit is nu een verrassing, Johannes!' + +De lange worm kwam aankruipen tusschen de plooien van het lijkkleed; hij +schoof zich behoedzaam tegen de kin op en glipte over de strakke lippen +in de zwarte mondholte. + +'Dit is nu de schoonste uit de danspartij, die je schooner vond dan een +elf. Toen stroomden zoete geuren uit haar kleederen en haren, toen +lonkten haar oogen en lachten haar lippen. Zie nu eens!' + +Bij al zijn ontzetting was er toch ongeloof in de oogen van Johannes. +Zoo snel? Die pracht was zoo even, en nu reeds ...? 'Geloof je mij +niet?' grijnsde Pluizer. 'Er ligt een halve eeuw tusschen toen en nu. +Daar is uur noch tijd. Wat eenmaal was, zal altijd zijn, en wat worden +zal, is altijd geweest. Je kunt het niet denken, maar moet het gelooven. +Het is hier alles waarheid, alles wat ik je toon is waar! waar! Dat kon +Windekind niet zeggen.' + +Grinnikend sprong Pluizer rond op het doodengelaat en bedreef de +afschuwelijkste scherts. Hij zat op de wenkbrauw en trok bij de lange +wimpers het ooglid op. Het oog, dat Johannes vroolijk had zien +schitteren, staarde dof en rimpelig wit in het schemerlichtje. 'Nu +vooruit!' riep Pluizer, 'er valt nog meer te zien!' + +De pier kroop langzaam uit den rechter mondhoek te voorschijn en de +bange tocht werd voortgezet. + +Niet terug, maar langs nieuwe, even lange en sombere wegen. 'Nu komt een +oude,' zeide de aardworm, toen weder een zwarte wand den weg afsloot. +'Deze is hier al zeer lang.' + +Het was minder vreeselijk dan de vorige maal. Johannes zag slechts een +verwarde massa, waaruit bruinachtige beenderen staken. Honderden wormen +en insecten waren er zwijgend bezig. Het licht gaf opschudding. + +'Van waar komt gij? Wie brengt hier licht? Dat hebben wij niet noodig.' + +En snel schoten zij weg tusschen plooien en in holten. Doch zij +herkenden een soortgenoot. + +'Zijt ge in die hiernaast geweest?' vroegen de wormen. 'Het hout is nog +hard.' + +De eerste worm ontkende. 'Hij wil het buitenkansje voor zich houden,' +zeide Pluizer zacht tot Johannes. + +Verder trokken zij, Pluizer gaf uitleg en wees aan, wie Johannes bekend +waren. Er kwam een misvormd gezicht met starende, uitpuilende oogen, +dikke, zwarte lippen en wangen. 'Dit was een deftig heer,' zeide hij +toen vroolijk, 'je had hem moeten zien, zoo rijk, zoo voornaam en zoo +ingebeeld. Zijn opgeblazenheid heeft hij gehouden.' + +Zoo ging het voort. Er waren ook magere, uitgeteerde gestalten met wit +haar, dat blauw glinsterde in het zwakke licht, en kleine kinderen met +groote hoofden en oudachtige denkersgezichten. + +'Zie, die zijn eerst na hun dood oud geworden!' zei Pluizer. Zij kwamen +bij een man met vollen baard en opgetrokken lippen, wiens witte tanden +blonken. Midden in het voorhoofd had hij een rond zwart gaatje. + +'Deze heeft Hein een handje geholpen. Waarom niet een beetje geduld? Hij +was toch wel hier gekomen.' + +En weer kwamen gangen en nieuwe gangen en weer rechte gestalten met +strakke, grijnzende gezichten en roerlooze, over elkaar gelegde handen. + +'Nu ga ik niet verder,' zei de oorworm, 'ik weet hier geen weg meer.' + +'Laat ons omkeeren,' zei de pier. 'Nog één, nog één!' riep Pluizer. + +Verder ging de tocht. + +'Het bestaat alles wat je ziet,' zei Pluizer onder het voortgaan, 'het +is alles waar. Eén ding alleen is niet waar. Dat ben je zelf, Johannes. +jij bent hier niet, en je kunt hier niet zijn.' + +En hij schaterlachte, als hij den angstigen, wezenloozen blik van +Johannes bij zijn woorden zag. + +'Dit is de laatste! werkelijk de laatste!' + +'De gang loopt dood, ik ga niet verder,' zeide de oorworm knorrig. + +'Ik wil verder!' zeide Pluizer, en waar de gang eindigde, begon hij met +beide handen te graven. 'Help mij, Johannes!' + +Willoos in zijn ellende, gehoorzaamde deze en groef de vochtige, fijne +aarde weg. + +Zwijgend en zwoegend werkten zij door, totdat het zwarte hout kwam. + +De pier had den geringden kop ingetrokken en was achteruit verdwenen. De +oorworm liet het licht vallen en ging terug. + +'Zij komen er niet in, het hout is te nieuw,' zeide hij bij 't heengaan. + +'Ik wil,' zei Pluizer en scheurde met de haakvingers lange, witte +splinters krakend uit het hout. + +Een vreeselijke beklemming drukte Johannes. Doch hij moest, hij kon niet +anders. + +Eindelijk kwam de donkere ruimte open. Pluizer nam het licht en kroop +haastig naar binnen. + +'Hier, hier!' riep hij en liep naar het hoofdeinde. + +Doch toen Johannes bij de handen kwam, die stil over elkaar gevouwen op +de borst lagen, moest hij rusten. Hij staarde op de magere, witte +vingers, half verlicht aan de bovenzijde. Op eenmaal herkende hij ze, +hij herkende den vorm en de plooien der vingers, de gedaante der lange +nagels, nu donkerblauw verkleurd. Hij herkende een bruin vlekje aan den +wijsvinger. + +Het waren zijn eigene handen. + +'Hier, hier!' riep Pluizer's stem van het hoofdeinde. 'Zie eens, herken +je hem?' + +Nog wilde de arme Johannes zich weer oprichten en op het licht toegaan, +dat hem wenkte. Doch hij kon niet meer. Het lichtje verglom tot volkomen +duisternis, en hij viel bewusteloos. + + + + +XII + + +Diep zonk hij weg in den slaap, tot in de diepte waar geen droomen zijn. + +Toen hij uit die duisternissen herrees, langzaam, naar het grauwe, koele +licht van den morgen, streek hij door bonte, zachte droomen uit vroeger +tijd. Hij ontwaakte en zij gleden van zijn ziel als dauwdroppelen van +een bloem. Kalm en vriendelijk was de uitdrukking van zijn oogen, half +nog starend in het wemelen der lieflijke beelden. + +Doch in pijn, als een lichtschuwe, sloot hij ze voor het vale daglicht. +Hij zag, wat hij ook den vorigen morgen gezien had. Het scheen hem ver +en lang geleden. Doch uur na uur kwam hem weer te binnen, van den +droevigen morgen tot den vreeselijken nacht. Hij kon niet gelooven, dat +al die verschrikkingen in éénen dag waren verschenen. Het begin van zijn +ellende scheen zoo ver, verloren in grauwen mist. + +Spoorloos gleden de zachte droomen van zijn ziel, Pluizer schudde hem, +en de sombere dag begon, traag en kleurloos, de voorlooper van vele, +vele andere. + +Doch wat hij den vorigen avond op dien bangen tocht gezien had, bleef +hem bij. Was het slechts een afschuwelijk visioen geweest? + +Toen hij Pluizer er weifelend naar vroeg, keek deze hem spottend en +verwonderd aan. + +'Wat bedoel je?' vroeg hij. + +Doch Johannes zag den spot niet in zijn blik, en vroeg of het niet +waarlijk zoo geschied was, hij zag het nog zoo scherp en duidelijk +voor zich! + +'Maar Johannes, wat ben je toch dom! Zulke dingen kunnen immers niet +gebeuren!' + +En Johannes wist niet wat hij denken moest. + +'We zullen je gauw aan 't werk zetten. Dan zul je zulke domme vragen +niet meer doen.' + +En zij gingen naar den docter Cijfer, die Johannes zou helpen vinden, +wat hij zocht. + +Doch in de drukke straten hield Pluizer eenmaal plotseling stil en wees +Johannes een mensch uit de menigte. + +'Ken je hem nog?' vroeg Pluizer en schaterde het uit toen Johannes bleek +werd en den man verschrikt nastaarde. + +Hij had hem den vorigen nacht gezien, diep onder de aarde. + +Vriendelijk ontving hen de docter en deelde Johannes zijn wijsheid mede. +Uren luisterde hij dien dag, en vele dagen daarna. + +Wat hij zocht had de docter nog niet gevonden. Doch hij had het bijna, +zeide hij. Hij zou Johannes zoo ver brengen als hij zelve was en dan +zouden zij er beiden wel komen. + +Johannes leerde en luisterde, ijverig en geduldig, dagen en maanden +lang. Hij gevoelde weinig hoop, doch hij begreep, dat hij nu dóór moest +gaan, zoo ver mogelijk. Hij vond het vreemd, dat terwijl hij licht +zocht, het hoe langer hoe duisterder om hem werd. Het begin van al wat +hij leerde was het best, doch hoe dieper hij doordrong hoe doodscher en +duisterder. Hij begon met planten en dieren, met al wat om hem was en +als hij er lang op gestaard had, werden het cijfers. Alles viel uiteen +tot cijfers, bladen vol cijfers. Dat vond docter Cijfer heerlijk, en hij +zeide, dat het hem licht werd, als de cijfers kwamen, doch voor Johannes +was dat duisternis. + +Pluizer verliet hem niet en dreef en zweepte hem voort, als hij +moedeloos en vermoeid was. Alle oogenblikken van genot of bewondering +bedierf hij hem. + +Johannes verbaasde en verheugde zich, toen hij leerde en zag, hoe fijn +de bloemen waren gebouwd, hoe zij vruchten vormden en hoe de insecten +hen onwetend hielpen in die taak. + +'Dat is toch prachtig,' zeide hij, 'hoe juist is dat alles berekend en +hoe fijn en doelmatig gemaakt.' + +'Ja, verbazend doelmatig,'zei Pluizer, 'jammer dat het grootste deel van +die doelmatigheid en fijnheid tot niets dient. Hoeveel bloesems worden +vruchten en hoeveel pitten worden boomen?' + +'Maar het schijnt toch alles naar een groot plan gemaakt,' antwoordde +Johannes. 'Zie! de bijen zoeken honing voor zich zelven en weten niet +dat zij de bloemen helpen, en de bloemen lokken de bijen door hun kleur. +Het is een plan, en zij werken beide mede zonder het te weten.' + +'Dat lijkt heel mooi, maar er mankeert veel aan. Als de bijen kans zien, +bijten zij een gat onder in de bloem en maken de heele ingewikkelde +inrichting te schande. Een slimme plannenmaker, die zich door een bij +voor den gek laat houden.' + +Bij het wonderbare samenstel van menschen en dieren ging het nog erger. +Van al wat Johannes schoon en kunstig toescheen, toonde hij de +onvolkomenheid en de gebreken. Het gansche heer van kwalen en ellende +dat mensch en dier treffen kan, toonde hij hem, met voorliefde het +walgelijkste en afzichtelijkste kiezend. + +'Die plannenmaker, Johannes, was erg slim, maar bij alles wat hij maakte +vergat hij iets, en de menschen hebben handen vol werk, om al die +gebreken zoo goed mogelijk bij te lappen. Zie maar om je heen! een +parapluie, een bril, zelfs kleeren en huizen, het is alles menschelijk +lapwerk. Het hoort volstrekt niet bij het plan. Maar de plannenmaker +heeft niet bedacht dat menschen het koud zouden hebben en boeken zouden +lezen en duizend dingen meer zouden gaan doen, waarvoor zijn plan niet +deugde. Hij heeft zijn kinderen kleertjes gegeven, zonder te denken, +dat zij er uit zouden groeien. Nu zijn bijna alle menschen lang hun +natuurpakje ontgroeid. Nu gaan zij alles zelf doen en storen zich +volstrekt niet meer aan den plannenmaker en zijn plannen. Wat hij hun +niet gegeven heeft, nemen ze brutaal en eigenmachtig, en waar het hem +blijkbaar te doen was hen te doen sterven, ontduiken zij den dood soms +voor langen tijd, door allerlei kunstgrepen.' + +'Maar het is de schuld van de menschen,' riep Johannes, 'waarom wijken +zij moedwillig af van de natuur?' + +'O domme Johannes! als een kindermeid een onnoozel kind met vuur laat +spelen en het brandt zich, wie heeft dan schuld? Het kind dat geen vuur +kende, of de meid die wist dat het kind zich branden zou? En wie is +schuld, als de menschen afdwalen in ellende en onnatuur, zijzelve of de +alwijze plannenmaker, bij wien zij als onwetende kinderen zijn?' + +'Maar zij zijn niet onwetend, zij wisten ...' + +'Johannes! als gij een kind zegt: 'raak dat vuur niet aan! het doet +pijn' en als het kind het dan toch doet, omdat het niet weet wat pijn +is, kunt gij u dan van schuld vrij pleiten en zeggen: 'zie! het kind was +niet onwetend'? Gij toch wist, dat het uwen raad niet zou achten. +Menschen zijn dwaas en dom als kinderen. Doch glas is bros en leem is +week. En wie menschen maakt en hun dwaasheid niet rekent, is als hij die +wapenen maakt van glas en niet bedenkt dat zij zullen breken, en pijlen +van leem en niet bedenkt, dat zij zullen buigen.' + +En de woorden vielen als droppelen vloeiend vuur op Johannes' ziel. En +in zijn borst zwol het grootste leed, dat zijn vroegere smarten verdrong +en hem vaak deed weenen, in de stille, slapelooze uren van den nacht. + +Ach! slaap! slaap! Er kwam een tijd, na lange dagen, dat slaap hem het +liefste was van alles. Daarin was geen gedachte en geen leed; en zijn +droomen brachten hem altijd tot zijn vroeger leven terug. Heerlijk +scheen het hem, als hij er van droomde, doch overdag kon hij zich niet +meer te binnen brengen, hoe het geweest was. Hij wist alleen, dat zijn +verdriet en verlangen van vroeger beter waren, dan het ledige, doode +gevoel dat hij nu kende. Hij had eens smartelijk naar Windekind verlangd, +hij had eens uur aan uur op Robinetta gewacht. Hoe heerlijk was dat +geweest! + +Robinetta! Verlangde hij nog? Hoe meer hij leerde, hoe meer zijn +verlangen week. Want ook dat werd ontleed en Pluizer legde hem uit wat +liefde was. Toen schaamde hij zich en docter Cijfer zeide dat hij er nog +geen cijfers van maken kon, maar dat het wel spoedig gebeuren zoude. Zoo +werd het duisterder en duisterder om den kleinen Johannes. + +Hij had een flauw gevoel van dankbaarheid, dat hij Robinetta niet +herkend had op zijn vreeselijken tocht met Pluizer. + +Als hij Pluizer er over sprak, zeide deze niets en lachte slim. Maar +Johannes begreep dat het niet was geweest, om hem te sparen. + +De uren dat Johannes niet leerde en werkte, gebruikte Pluizer, om hem de +menschen te laten zien. Hij wist hem overal te brengen, in de ziekenhuizen, +waar in groote zalen de zieken lagen, lange rijen bleeke, uitgeteerde +gezichten met doffe of pijnlijke uitdrukking, waar een naargeestige stilte +was, slechts door kuchen en kermen gebroken. En Pluizer wees hem, wie van +hen nimmer die zalen zouden verlaten. En als op een bepaald uur stroomen +menschen het huis binnenkwamen om hunne zieke verwanten te bezoeken, zeide +Pluizer: 'Zie! die allen weten, dat ook zij eens in dit huis en in die +droeve zalen terecht zullen komen, om er in een zwarte kist uitgedragen te +worden.' + +'Hoe kunnen zij nog ooit vroolijk zijn?' dacht Johannes. + +En Pluizer bracht hem op een klein bovenzaaltje, waar een weemoedig +halfduister heerschte en waar de verwijderde klanken van een piano uit +een naburig huis onophoudelijk en droomerig doordrongen. Daar wees +Pluizer hem onder de anderen een zieke, die suffend voor zich uit +staarde naar een smal zonnestraaltje, dat traag langs den muur kroop. + +'Die ligt daar al zeven jaar,' zeide Pluizer. 'Hij is zeeman geweest en +heeft de palmen van Indië, de blauwe zeeën van Japan, de bosschen van +Brazilië gezien. Nu amuseert hij zich al de lange dagen van zeven lange +jaren, met dat zonnestraaltje en dat pianospel. Hij komt hier niet meer +vandaan; maar het kan nog even lang duren.' + +Na dien dag was het Johannes' bangste droom, op eens te ontwaken in dat +zaaltje, in dat weemoedig halfduister bij die droomerige klanken, om tot +het einde toe niets anders meer te zien dan het gaande en komende licht. + +Pluizer bracht hem ook in de groote kerkgebouwen en liet hem luisteren +naar wat daar gezegd werd. Hij bracht hem bij feesten, bij groote +plechtigheden, in de binnenvertrekken van vele huizen. + +Johannes leerde de menschen kennen, en het gebeurde hem somtijds, dat +hij aan zijn vroeger leven moest denken, aan de sprookjes, die Windekind +hem verteld had, en aan zijn eigen ontmoetingen. Er waren menschen die +hem aan het glimwormpje herinnerden, dat in de sterren zijn gestorven +makkers meende te zien, of aan den eenen meikever, die een dag ouder was +dan de andere en zooveel over een roeping gesproken had, en hij hoorde +verhalen, die hem aan Kribbelgauw, den held der kruisspinnen, deden +denken; of aan den aal, die niets deed en gevoed werd omdat een dikke +koning deftig stond. Zich-zelven vergeleek hij wel met den jongen +meikever, die niet wist wat een roeping was en in het licht vloog. Hij +voelde zich alsof hij hulpeloos en verminkt op het vloerkleed rondkroop, +met een draadje om 't lijf, een scherp draadje, waaraan Pluizer rukte +en trok. + +Ach, den tuin zou hij wel niet meer vinden, wanneer zou de zwarte voet +komen en hem verpletteren? + +Pluizer bespotte hem, als hij over Windekind sprak. En langzamerhand +begon hij te gelooven, dat Windekind er nooit geweest was. + +'Maar, Pluizer! dan is het sleuteltje er ook niet, dan is er niets!' + +'Niets! Niets! Er zijn menschen en cijfers, dat is alles waar, dat +bestaat, eindeloos veel cijfers.' + +'Maar, Pluizer, dan hebt ge mij bedrogen. Laat mij uitscheiden, laat mij +niet meer zoeken, laat mij alleen!' + +'Weet je niet meer wat de Dood gezegd heeft? Een mensch zou je worden, +een volmaakt mensch.' + +'Ik wil niet, het is vreeselijk.' + +'Je moet, je hebt ééns gewild. Zie docter Cijfer eens, vindt die het +vreeselijk? Word zooals hij is.' + +Het was waar. Docter Cijfer scheen altijd rustig en gelukkig. Onvermoeid +en onverstoorbaar ging hij zijn weg, studeerend en onderrichtend, tevreden +en gelijkmoedig. + +'Zie hem,' zeide Pluizer, 'hij ziet alles en ziet ook niets. Hij bekijkt +de menschen alsof hij zelf een ander wezen ware, dat niets met hen +uitstaande heeft. Hij gaat tusschen kwalen en ellenden als een onkwetsbare +en verkeert met den dood als een onsterfelijke. Hij verlangt alleen te +begrijpen wat hij ziet, en hij vindt alles even goed wat hij te weten komt. +Hij is met alles tevreden, zoodra hij het bereikt. Zóó moet je ook worden.' + +'Maar dat kan ik nooit.' + +'Ja, dat kan ik niet helpen.' + +Dat was immer het hopelooze einde van hun gesprek. Johannes werd dof en +onverschillig, zocht en zocht, niet meer wetend waarnaar en waarom. Hij +werd als de velen, die Wistik gesproken hadden. + +'t Werd winter, en hij merkte het nauwelijks. + +Op een killen, mistigen morgen, toen de natte, vuile sneeuw op de +straten lag en van boomen en daken droop, ging hij met Pluizer zijn +dagelijkschen gang. + +Op een plein ontmoette hij eenige jonge meisjes, op een rij, met +schoolboeken in de hand. Ze wierpen elkaar met sneeuw en lachten en +stoeiden. Helder klonken haar stemmetjes over het besneeuwde plein. Men +hoorde geen geluid van voetstappen of rijtuigen, alleen de rinkelende +bellen der paarden of het rammelen van een winkeldeur. Helder klonk de +blijde lach door de stilte. Johannes zag hoe een der meisjes hem aankeek +en bleef nastaren. Zij had een bontmanteltje om en droeg een zwarten +hoed. Hij kende haar gelaat zeer goed, maar wist toch niet wie zij was. +Zij knikte eens, en nog eens. + +'Wie is dat? ik ken haar.' + +'Ja, dat is wel mogelijk. Zij heet Maria. Sommigen noemen haar +Robinetta.' + +'Neen, dat kan niet. Zij lijkt niet op Windekind. Het is een gewoon +meisje.' + +'Ha! ha! ha! Zij kan niet lijken op niemand. Maar zij is wie zij is. Je +hebt naar haar verlangd, ik wil je nu wel bij haar brengen.' + +'Neen, ik wil haar niet zien. Ik had haar liever dood gezien, zooals de +anderen.' + +En Johannes keek niet meer om, maar liep haastig door en prevelde: + +'Dat is het laatste, er is niets! niets!' + + + + +XIII + + +Het klare, warme zonlicht van een eersten lentemorgen stroomde over de +groote stad. Helle stralen vielen in 't kamertje, waar Johannes woonde; +op de lage zoldering trilde en schommelde een groote lichtplek, +weerkaatsing van het rimpelend water der gracht. + +Johannes zat voor het raam in den zonneschijn en staarde over de stad. +Zij was geheel van uitzicht veranderd. De grauwe mist was een glanzig +blauw zonnewaas geworden, dat het einde der lange straten en de torens +in de verte omhulde. De lichtkanten der leien daken schitterden +zilverwit, alle huizen hadden heldere lijnen en lichte vlakken door het +zonlicht, er was een warme tinteling in de bleekblauwe lucht. Het water +scheen levend geworden. De bruine knopjes der iepeboomen waren dik en +glanzig, en luidruchtige musschen fladderden tusschen de takjes. + +Het werd Johannes zoo zonderling te moede, terwijl hij staarde. De +zonneschijn bracht hem in een zoete verdooving. + +Er was vergetelheid en dadelijke weelde in. Droomend staarde hij op de +schittering der golfjes, op de zwellende iepeknopjes, en hij luisterde +naar het tjilpen der musschen. Er was vreugde in dat geluid. + +Zoo week was hij in langen tijd niet gestemd geweest; zoo gelukkig had +hij zich in langen tijd niet gevoeld. + +Dat was de oude zonneschijn, dien hij herkende. Dat was de zon die hem +vroeger naar buiten riep, naar den tuin, waar hij dan, in de luwte van +een oud muurtje, op den warmen grond ging liggen, en lang kon genieten +van al dat licht en die warmte, starend op de halmpjes en kluitjes vóór +hem, gekoesterd in de zon. + +Het was hem zoo wèl in dat licht, het gaf hem het veilige thuisgevoel, +zooals hij zich herinnerde dat het heel vroeger was, in de armen van +zijn moeder. Hij moest aan al het verledene denken, doch hij weende of +verlangde niet. Hij zat stil en droomde, niet anders wenschend dan dat +de zon blijven mocht. + +'Wat suf je daar, Johannes?' riep Pluizer, 'je weet ik houd niet van +droomen.' + +Johannes hief smeekend de peinzende oogen op. + +'Laat mij nog wat zoo blijven,' zeide hij. 'De zon is zoo goed.' + +'Wat vindt je aan die zon?' zeide Pluizer. 'Het is toch niets anders +dan een groote kaars, of je in kaarslicht of zonlicht zit is volmaakt +hetzelfde. Zie! die schaduwen en die lichte plekken op straat, dat is +toch niets anders dan het schijnsel van een licht, dat wat stil brandt +en niet flikkert. En dat licht is eigenlijk een heel klein vlammetje, +dat op een heel klein stukje van de wereld schijnt. Daar! daar! voorbij +dat blauw, onder en boven ons, is het donker, koud en donker! daar is +het nu nacht, nu en altijd.' + +Doch zijn woorden hadden geen invloed op Johannes. De stille, warme +zonnestralen doordrongen hem en vervulden zijn geheele ziel, het was +licht en vredig in hem. + +Pluizer nam hem mede naar het kille huis van docter Cijfer. Een tijd +lang nog zweefden de zonnebeelden voor zijn geest, toen verflauwden zij +langzamerhand en midden op den dag was het geheel duister in hem. + +Doch toen de avond kwam en hij weder door de straten der stad ging, was +de lucht zoel en vol vochtige voorjaarsgeuren. Alles geurde sterker en +in de enge straten beklemde het hem. Maar op de open pleinen rook hij +het gras en de knoppen van buiten. En boven de stad zag hij het voorjaar +in de rustige wolkjes, in het teedere rood van den westelijken hemel. + +De schemering spreidde een zachten, grijzen nevel over de stad, vol +fijne tinten. Het werd stil in de straten, alleen een straatorgel in de +verte speelde een weemoedige wijs, de huizen schenen zwarte schimmen +tegen den rooden avondhemel, als tallooze armen staken ze hun grillige +spitsen en schoorsteenen op. + +Het was Johannes als een vriendelijke glimlach der zon, toen zij voor +het laatst lichtte over de groote stad, vriendelijk als de glimlach die +een dwaasheid vergeeft. En de zoelte streek Johannes liefkoozend langs +de wangen. + +Toen kwam er een groote weemoed in Johannes' hart, zoo groot dat hij +niet verder kon gaan en diep ademend zijn gezicht moest opheffen naar +den wijden hemel. Het voorjaar riep hem en hij hoorde het. Hij wilde +antwoorden, hij wilde komen. Het was alles berouw en liefde en +vergeving in hem. + +Verlangend staarde hij omhoog en tranen gleden uit zijn droeve oogen. + +'Kom! Johannes! doe niet zoo raar, de menschen kijken!' zei Pluizer. + +De lange, eentonige huizenrijen strekten zich aan beide zijden somber en +naargeestig uit. Een jammer in de zoele lucht, een klaagtoon tusschen +het roepen van de lente! + +De menschen zaten aan de deuren en op de stoepen, om de lente te +genieten. Het scheen Johannes een bespotting. De vuile deuren stonden +open en de bedompte ruimte daarbinnen wachtte hen. Nog rekte het orgel +in de verte zijn weemoedige tonen. + +'O! kon ik hier uit wegvliegen, ver weg, naar de duinen, naar--de zee!' + +Doch hij moest mede naar het hooge kleine kamertje en hij lag wakker +dien nacht. + +Hij moest denken aan zijn vader en de lange wandelingen, die hij met hem +maakte, als hij tien passen achter hem liep en zijn vader letters voor +hem schreef in het zand. Hij moest aan de plaatsen denken, waar de +viooltjes groeien tusschen het kreupelhout en aan de dagen, dat hij ze +met zijn vader gezocht had. Den ganschen nacht zag hij het gezicht van +zijn vader, zooals het was, als hij des avonds bij het stille lamplicht +naar hem zat te kijken en luisterde naar het krassen van zijn pen. + +Iederen morgen vroeg hij Pluizer toen, om nog ééns terug te mogen gaan, +naar zijn huis en zijn vader, om nog ééns zijn tuin en de duinen te +mogen zien. Nu merkte hij dat hij zijn vader meer had liefgehad dan +Presto en zijn kamertje, want het was om hem dat hij het vroeg. + +'Zeg mij alleen hoe het met hem is en of hij nog boos op mij is, dat ik +zoolang ben weggebleven.' + +Pluizer haalde de schouders op. 'Al wist je dat nu, wat zou het je +helpen?' + +Doch de lente bleef hem roepen, luider en luider. Iederen nacht droomde +hij van het donkergroene mos aan de duinhellingen en van zonnestralen, +die door het fijne, jonge groen schenen. + +'Het kan zóó niet langer duren,' dacht Johannes, 'ik kan het niet +uithouden.' + +En vaak, als hij niet slapen kon, stond hij zachtjes op, ging naar het +venster, en staarde in den nacht. Hij zag hoe de dommelige, donzen +wolkjes langzaam langs de maanschijf schoven, vreedzaam drijvend in een +zee van zachten glans. Hij dacht hoe nu daar in de verte de duinen +sliepen in den zoelen nacht, hoe wondervol het moest zijn in de lage +boschjes, waar geen van de jonge blaadjes zou bewegen en waar het zou +geuren van vochtig mos en jonge berkenspruiten. Hij meende van verre het +golvende koor der kikvorschen te hooren, dat zoo geheimzinnig aanzweeft +over de velden, en het lied van den eenigen vogel, die de plechtige +stilte mag begeleiden, die zijn zang zoo zacht en klagend begint en zoo +plotseling afbreekt, waardoor de stilte nog stiller schijnt. En het riep +hem, het riep hem alles. Hij boog het hoofd op de vensterbank en snikte +op zijn arm. + +'Ik kan niet! ik kan het niet dragen. Ik zal wel gauw sterven, als ik +niet komen mag.' + +Toen Pluizer hem den volgenden dag wekte, zat hij nog bij het venster, +waar hij was ingeslapen met het hoofd op den arm. + +De dagen vergingen, werden lang en warm, en er kwam geen verandering. +Doch Johannes stierf niet en zijn smart moest hij dragen. + +Op een morgen zeide docter Cijfer tot hem: 'Gaat ge mede Johannes, ik +moet een zieke bezoeken.' + +Docter Cijfer was bekend als een geleerd man en velen riepen zijn hulp +in tegen ziekte en dood. Reeds dikwijls was Johannes met hem medegegaan. + +Pluizer was bizonder vroolijk dien morgen. Hij ging telkens op het hoofd +staan, danste en buitelde, en bedreef allerlei uitgelaten scherts. Hij +grinnikte voortdurend geheimzinnig, als een die een ander een verrassing +bereid heeft. Johannes vreesde hem zeer in die stemming. + +Docter Cijfer bleef echter ernstig als altijd. + +Zij gingen een verren weg dien morgen. In een spoortrein en te voet. Zij +gingen verder dan anders, nog nooit was Johannes buiten de stad +medegenomen. + +Het was een warme, zonnige dag. Uit den spoortrein zag Johannes de +groote, groene weiden voorbijgaan met langgepluimd gras en grazende +koeien. Hij zag witte vlinders fladderen boven het bloemrijke land, waar +de lucht trilde van zonnehitte. + +Doch opeens voelde hij een tinteling, daar strekte zich de lange, +golvende duinreeks uit! + +'Nu Johannes!' grinnikte Pluizer. 'Nu krijg je toch je zin, zie je wel!' + +Half ongeloovig bleef Johannes naar de duinen staren. Zij kwamen nader +en naderbij. De lange slooten aan beide zijden schenen om hun middelpunt +te draaien en snel vlogen enkele woningen langs den weg voorbij. + +Toen kwamen de boomen: dichtbebladerde kastanjeboomen, rijkelijk bloeiend +met duizenden groote, witte of roode bloemtrossen, donker-blauwgroene +dennen, groote, statige linden. + +Het was toch waarheid, hij ging zijn duinen weerzien. + +De trein stond stil, en toen liepen de drie te voet, onder schaduwrijk +loof. + +Daar was het donkergroene mos, daar waren de ronde plekken der zonnestralen +op den boschgrond, dat was de geur van berkenspruiten en dennenaalden. + +'Is het waar! is het werkelijk waar?' dacht Johannes, 'zou het geluk komen?' + +Zijn oogen schitterden en zijn hart klopte sterk. Hij begon te gelooven +aan zijn geluk. Deze boomen, dezen grond kende hij, dit boschpad was hij +vaak gegaan. + +Zij waren alleen op den weg. Doch Johannes moest omkijken, alsof hen +iemand volgde. En hij meende tusschen het eikenloof de donkere figuur +van een mensch te zien, die telkens door de laatste kronkeling van het +pad verborgen bleef. + +Pluizer keek hem valsch en geheimzinnig aan. Docter Cijfer liep met +lange schreden en staarde naar den grond. + +De weg werd hem bekender en vertrouwder, iederen steen, ieder struikje +kende hij, toen verschrikte Johannes op eenmaal hevig, want hij stond +voor zijn eigen huis. + +De kastanjeboom voor het huis breidde zijn groote, handvormige bladen +schaduwend uit. Tot boven in den hoogen top prijkten de prachtig witte +bloesems in de volle, ronde loovermassa. + +Hij hoorde het geluid der opengaande deur, dat hij zoo goed kende, en +hij rook den geur van zijn eigen huis. Daar herkende hij de gang, de +deuren, alles stuk voor stuk, met een smartelijk gevoel van verloren +vertrouwelijkheid. Het was alles een deel van zijn leven, van zijn +eenzaam, mijmerend kinderleven. Tegen al die voorwerpen had hij +gesproken, hij had met hen geleefd in zijn gedachteleven, waarin hij +geen mensch toeliet. Doch nu voelde hij zich gescheiden en afgestorven +van het gansche oude huis, met zijn kamers en gangen en portaaltjes. Hij +voelde dat die scheiding onherroepelijk was en het was hem alsof hij een +kerkhof bezocht, zoo weemoedig en droevig. + +Was Presto hem maar tegemoetgesprongen, dan zou het minder akelig zijn, +maar Presto was zeker weg of dood. + +Doch waar was zijn vader? + +Hij keek terug naar de open deur en den zonnigen tuin daarbuiten, en zag +den man, die hem op weg scheen te achtervolgen, nu reeds op het huis +toeschrijden. Hij kwam nader en nader en scheen grooter te worden bij +het naderen. Toen hij bij de deur was vervulde een groote, kille schaduw +de gang. Toen herkende Johannes den Man. + +Het was doodstil in huis en zij gingen zwijgend de trap op. Er was een +trede, die altijd kraakte onder den tred, dat wist Johannes. En nu +hoorde hij haar driemaal kraken, het klonk als pijnlijk kreunen. Doch +onder den vierden voetstap was het als een doffe snik. + +En boven hoorde Johannes een gekreun, zacht en zoo regelmatig als +langzaam klokgetik. Het was een pijnlijk akelig geluid. + +De deur van Johannes' kamertje stond open. Hij wierp er even een schuwen +blik in. De wonderlijke bloemfiguren van het behangsel staarden hem +verbaasd en wezenloos aan. De hangklok stond stil. + +Zij gingen naar de kamer van waar het geluid kwam. Het was zijns vaders +slaapkamer. De zon scheen vroolijk naar binnen, op de gesloten, groene +gordijnen van het bed. Simon de kat zat op de vensterbank in den +zonneschijn. Er heerschte een beklemmende geur van wijn en kamfer. Het +zachte kreunen klonk nu van nabij. + +Johannes hoorde fluisteren van stemmen en schuifelen van voorzichtige +voetstappen. Toen werden de groene gordijnen opgeslagen. + +Hij zag het gezicht van zijn vader, dat hij zoo dikwijls voor zich had +gezien den laatsten tijd. Doch het was geheel anders. De vriendelijke, +ernstige uitdrukking was weg en het keek strak en benauwd. Het was +vaalbleek, met bruine schaduwen. De tanden waren zichtbaar in den +halfgeopenden mond en het wit der oogen onder de halfgesloten oogleden. +Het hoofd lag weggezonken in het kussen en regelmatig hief het zich bij +het kreunen even op, om dan weer moede op zij te vallen. + +Roerloos stond Johannes bij het bed en staarde met wijde strakke oogen +naar dat bekende gezicht. Hij wist niet wat hij dacht, hij durfde geen +vinger bewegen, hij durfde die oude, bleeke handen niet vatten, die slap +op het witte linnen lagen. + +Het was alles zwart om hem, de zon en de lichte kamer, het groen +daarbuiten en de blauwe lucht van zooeven, al wat achter hem lag, het +werd zwart, zwart, dof en ondoordringbaar. En in dien nacht zag hij +alleen dat bleeke hoofd daar vóór hem. En hij moest alleen denken aan +dat arme hoofd, dat zoo moede scheen, en zich telkens en telkens weer +met smartelijk geluid moest opheffen. + +Daar kwam een oogenblik verandering in de regelmatige beweging. Het +kreunen hield even op, de oogleden gingen langzaam open, de oogen +staarden zoekend rond en de lippen trachtten iets te zeggen. + +'Dag vader!' fluisterde Johannes en staarde angstig bevend in de +zoekende oogen. De matte blik rustte toen even op hem en een flauw, +flauw glimlachje rimpelde de holle wangen. De smalle, saamgeplooide hand +werd van het linnen opgeheven en maakte een onzekere beweging naar +Johannes, toen viel zij krachteloos weder neer. + +'Kom! kom!' zeide Pluizer, 'geen scène hier.' + +'Ga uit den weg, Johannes,' zeide docter Cijfer, 'wij moeten zien wat er +te doen valt.' De docter begon het onderzoek, doch Johannes ging weg van +het bed en stond voor het raam. Hij keek naar het zonnige gras en de +heldere lucht en naar de breede kastanjeblaren, waarop dikke vliegen +zaten, die blauw glansden in den zonneschijn. Het kreunen begon weer met +dezelfde gelijkmatigheid. + +Een zwarte meerle huppelde tusschen het hooge gras in den tuin, groote +rood- en zwarte vlinders dwarrelden over de bloemperken, uit het loover +der hoogste boomen drong het zachte, vleiende gekir der houtduiven tot +Johannes door. + +Hier binnen hield het kreunen aan, altijd door, altijd door. Hij moest +er naar luisteren, en het kwam regelmatig, onafwendbaar als de vallende +droppel, die krankzinnig maakt. In spanning wachtte hij bij elke +tusschenpooze en telkens kwam het weer, verschrikkelijk als de voetstap +van den naderenden dood. + +En daarbuiten heerschte warme, weelderige zonnevrede. Alles koesterde +zich en genoot. De grashalmen trilden en de bladeren ritselden van zoete +weelde, boven de hooge boomtoppen, diep in het wemelende blauw, zweefde +een reiger met kalmen vleugelslag. + +Johannes begreep het niet, het was hem alles een raadsel. Het was zoo +verward en duister in zijn ziel. 'Hoe kan dit alles tegelijk in mij +zijn!' dacht hij. + +'Ben ik dit werkelijk? Is dat mijn vader, mijn eigen vader? Van mij, +mij, Johannes?' + +Het was hem alsof hij van een vreemde sprak. Het was alles een verhaal, +dat hij gehoord had. Hij had iemand hooren vertellen van Johannes en van +het huis, waar hij woonde en van zijn vader, dien hij verlaten had en +die nu sterven ging. Hij was het zelf niet, hij had het hooren vertellen. +Het was wel een droevig verhaal, recht droevig. Maar het ging hem niet aan. + +Ja! ja! toch. Hij was het zelf, hij! Johannes! + +'Ik begrijp de zaak niet,' zeide docter Cijfer, zich oprichtende, 'het +is een raadselachtig geval.' + +Pluizer kwam bij Johannes staan. + +'Kom je niet eens kijken, Johannes, het is een belangrijk geval. De +docter weet het niet.' + +'Laat mij,' zeide Johannes, zonder zich om te wenden. 'Ik kan niet +denken.' + +Doch Pluizer ging achter hem staan en fluisterde scherp in zijn oor, +zooals zijn gewoonte was. + +'Niet denken! Dacht je dat je niet denken kon? Dat heb je mis. Je moet +denken. Al kijk je nu in het groen en in de blauwe lucht, dat helpt +niet. Windekind komt toch niet. En de zieke man dáár gaat toch dood. Dat +heb je even goed gezien als wij. Maar wat zou zijn kwaal zijn, denk je?' + +'Ik weet het niet! ik wil het niet weten.' + +Johannes zweeg en luisterde naar het kreunen, het klonk zacht klagend en +verwijtend. Docter Cijfer maakte aanteekeningen in een boekje. Bij het +hoofd van het bed zat de donkere gestalte, die hen gevolgd was, het +hoofd gebogen, de lange hand naar den zieke gestrekt en de diepliggende +oogen naar de klok gericht. + +Het scherpe fluisteren aan zijn oor begon weer. + +'Waarom zie je zoo bedroefd, Johannes? Nu heb je toch je zin. Daar +liggen de duinen, daar zijn de zonnestralen door het groen, daar +fladderen vlinders en zingen vogels. Wat verlang je nu nog? Wacht je +Windekind? Als hij ergens is, moet hij dáár zijn. Waarom komt hij nu +niet? Zou hij bang zijn voor dien donkeren vriend aan het hoofdeneind? +Die was er toch altijd.' + +'Zie je nu wel dat het alles verbeelding geweest is, Johannes?' + +'Hoor je dat kreunen wel? Het klinkt al zachter dan zooeven. Je kunt +hooren dat het wel gauw heelemaal zal ophouden. Nu, wat is dat? Er +hebben er al zooveel gekreund, ook toen jij hier buiten rondliep +tusschen de duinrozen. Waarom sta je nu hier te treuren en gaat niet de +duinen in, als vroeger? Zie! alles bloeit en geurt en zingt daar, alsof +er niets gebeurt. Waarom doe je niet mee in al die vroolijkheid en +dat leven?' + +'Eerst klaag je en verlang je, nu breng ik je waar je zijn wilde en nu +is het weer niet goed. Zie! ik laat je gaan, ga door het hooge gras, lig +in die koele schaduw, laat de vliegen om je gonzen en ruik den geur van +het jonge kruid! ik laat je vrij, ga nu! Zoek Windekind nu weer!' + +'Je wilt niet? Geloof je nu dan toch alleen in mij? Is het waar wat ik +je verteld heb? Loog Windekind of ik?' + +'Hoor het kreunen! Zoo kort en zwak. Het zal gauw stil zijn.' + +'Zie maar niet zoo angstig om, Johannes. Hoe eer het stil is, hoe beter. +Nu zullen er geene lange wandelingen meer komen, nu zul je niet meer +naar viooltjes zoeken met hem. Met wie zou hij die twee jaren gewandeld +hebben, denk je? toen je weg waart? Ja, je kunt het hem nu niet meer +vragen. Dat zul je nooit weten. Nu moet je je wel met mij tevreden +stellen. Als je mij wat vroeger gekend hadt, zou je nu niet zoo +jammerlijk kijken. Je bent nog lang niet zooals je wezen moet. Denk je +dat docter Cijfer in jouw geval zoo kijken zou? Het zou hem even +bedroefd maken als die kat, die daar spint in den zonneschijn. En dat is +goed. Waartoe dient die rampzaligheid? Hebben de bloemen je die geleerd? +Die treuren ook niet als er een geplukt wordt. Is dat niet gelukkig? Zij +weten niets, daarom zijn zij zoo. Jij bent eens begonnen met iets te +weten, nu moet je ook alles weten om gelukkig te worden. Dat kan ik +alleen je leeren. Alles of niets.' + +'Luister naar mij. Wat scheelt het of dat je vader is? Het is een mensch +die sterft, dat is een gewone zaak.' + +'Hoor je het kreunen nog? Erg zwak niet waar? Het zijn nu wel de laatsten.' + +Johannes zag naar het bed in bange beklemming. + +Simon de kat sprong van de vensterbank, rekte zich uit en legde zich +spinnend naast den stervende in het bed. + +Het arme, moede hoofd bewoog niet meer, het lag stil in het kussen +gezonken, doch uit den half geopenden mond kwamen nog regelmatig de +korte, matte klanken. + +Zij werden zachter, zachter, nauwelijks hoorbaar. + +Toen wendde de Dood de donkere oogen van de klok naar het ingezonken +hoofd en hief de hand op. Daarna werd het stil. + +Een vale schaduw viel over het strakke gelaat. + +Stilte, doffe, leege stilte! + +Johannes wachtte, wachtte. + +Doch de regelmatige klank keerde niet weer. Het bleef stil, een groote, +suizende stilte. + +De spanning van het luisteren der laatste uren hield op, en het was +Johannes of zijn ziel werd losgelaten en neerviel in een zwart en +grondloos ledig. Hij viel dieper, en dieper. Het werd stiller en +duisterder om hem. + +Daar klonk Pluizer's stem, als op een grooten afstand. + +'Ziezoo! dat verhaaltje is weer uit.' + +'Dat is goed,' zeide docter Cijfer, 'nu kunt gij zien wat het geweest +is. Ik laat dat aan u over. Ik moet heen.' + +Half nog in een droom zag Johannes glinsterende messen blinken. + +De kat zette een hoogen rug. Het werd koud naast het lichaam, en hij +zocht weer den zonneschijn. + +Johannes zag hoe Pluizer een mes nam, het zorgvuldig beschouwde en er +mede naar het bed ging. + +Toen schudde Johannes de verdooving van zich af. Eer Pluizer bij het bed +was, stond hij vóór hem. + +'Wat wilt ge? vroeg hij. Zijn oogen waren wijd geopend in ontzetting. + +'Wij zullen zien wat het geweest is,' zeide Pluizer. + +'Neen!' zeide Johannes, en zijn stem was laag als een mannenstem. + +'Wat beteekent dat?' zeide Pluizer met grimmig flikkerenden blik. + +'Kun jij mij verbieden? Weet je niet hoe sterk ik ben?' + +'Ik wil niet,' zeide Johannes. Hij sloot de tanden opeen en haalde diep +adem. Vast staarde hij Pluizer aan en strekte de hand naar hem uit. + +Doch Pluizer naderde. Toen greep Johannes hem bij de polsen en worstelde +met hem. + +Pluizer was sterk, hij wist het, nog nooit had hij hem weerstaan. Doch +hij liet niet af, en zijn wil brak niet. + +Het mes schitterde voor zijn oogen, hij zag vonken voor zijn blik en +roode vlammen, doch hij gaf niet toe en bleef worstelen. Hij wist wat er +komen zou als hij bezweek. Hij kende het, hij had het vroeger gezien. +Doch wat daar achter hem lag was zijn vader, en hij wilde het niet zien. + +En terwijl zij hijgend worstelden, lag achter hem het doode lichaam +gestrekt en bewegingloos, zooals het gelegen had op het oogenblik, toen +de stilte kwam, het wit der oogen zichtbaar als een smalle streep, de +mondhoeken opgetrokken tot strakken grijnslach. + +Alleen als beiden in hun strijd tegen het bed stootten, schudde het +hoofd zachtjes heen en weer. + +Nog hield Johannes vol, de adem begaf hem en hij zag niets meer. Een +sluier van bloedrood licht was voor zijn oogen. Toch hield hij vol. + +Toen verzwakte langzamerhand de weerstand der beide polsen onder zijn +greep. Zijn spieren ontspanden zich, zijn armen vielen slap langs zijn +lijf en zijn gesloten handen waren ledig. + +Toen hij opzag was Pluizer verdwenen. Alleen de Dood zat bij het bed en +knikte. + +'Dat was goed van u, Johannes,' zeide hij. + +'Zal hij weerkomen?' fluisterde Johannes. De Dood schudde het hoofd. + +'Nooit. Wie hem eenmaal aandurft, ziet hem nooit weer.' + +'En Windekind? Zal ik nu Windekind weerzien?' + +Lang keek de sombere man Johannes aan. Zijn blik was niet angstwekkend +meer, maar zacht en ernstig, hij trok Johannes aan, als een groote diepte. + +'_Ik_ alleen kan u bij Windekind brengen. Door mij alleen kunt ge het +boekje vinden.' + +'Neem mij dan mede, er is nu niemand meer, neem mij nu ook mede, zooals +de anderen, ik wil niets anders meer ...' + +Nogmaals schudde de Dood het hoofd. + +'Gij hebt de menschen lief, Johannes. Gij wist het niet, maar gij hebt +hen altijd liefgehad. Gij moet een goed mensch worden. Het is een schoon +ding een goed mensch te zijn.' + +'Ik wil niet, neem mij mede ...' + +'Het is niet zoo. Gij wilt. Gij kunt niet anders!' + +Toen werd de lange, donkere gestalte nevelig voor Johannes' oogen, zij +vervloeide in vage vormen, een ijle, grijze mist zweefde in 't vertrek +en trok weg langs de zonnestralen. + +Johannes boog het hoofd over den rand van het bed en schreide bij den +dooden man. + + + +XIV + +Na langen tijd hief hij het hoofd op. De zonnestralen vielen schuin naar +binnen en hadden een rooden glans. Het schenen rechte, gouden staven. +'Vader! Vader!' fluisterde johannes. + +Buiten vervulde de zon de geheele natuur met een wolk van schitterend +gouden gloed. Elk blad hing roerloos en alles zweeg in plechtige +zonnewijding. + +En langs het licht daalde een zachte suizeling naar binnen. Het was als +zongen de lichte stralen. + +'Zonnezoon! Zonnezoon!' + +Johannes hief het hoofd op en luisterde. Het ruischte in zijn ooren. + +'Zonnezoon! Zonnezoon!' + +Het was als Windekind's stem. Die alleen had hem zoo genoemd, zou hij +hem nu roepen? + +Doch hij zag naar het gelaat naast hem, hij wilde niet meer luisteren. + +'Arme, lieve vader!' zeide hij. + +Doch plotseling klonk het weer om hem, van alle zijden om hem, zoo +sterk, zoo dringend, dat hij huiverde van wonderbare aandoening. + +'Zonnezoon! Zonnezoon!' + +Johannes stond op en staarde naar buiten. Welk licht! welk heerlijk +licht. Het stroomde over de volle boomkruinen, het tintelde tusschen de +grashalmen en vonkelde in de donkere schaduwplekken. De gansche lucht +was er mede vervuld, tot hoog in het blauw, waar zich de eerste, teedere +avondwolkjes vormden. + +Over het grasveld tusschen de groene boomen en heesters zag hij de +duinen. Op hun toppen lag rood goud en in hun schaduwen hing het blauw +des hemels. + +Rustig lagen zij gestrekt in een kleed van teedere tinten. De fijne +golving hunner omtrekken was vredebrengend als een gebed. Johannes +voelde weder hoe het was, toen Windekind hem had leeren bidden. + +Was zij daar niet, de lichte gestalte in het blauwe kleed? Zie! daar +midden in het licht, wat daar schemert in een waas van goud en blauw, is +dat niet Windekind, die hem wenkt? + +Johannes vloog naar buiten in den zonneglans. Daar stond hij een oogwenk +stil. Hij voelde de heilige wijding van het licht, en durfde zich +nauwelijks bewegen, waar het loover zoo stil was. + +Doch daar vóór hem was de lichte gestalte weer. Het was Windekind, +zeker! hij was het. Het stralende hoofdje naar hem toegekeerd, de mond +half geopend, als om te roepen. Hij wenkte hem met de rechterhand. In de +linker hield hij iets omhoog. Hoog hield hij het met de toppen der +slanke vingers, en het flonkerde en schitterde in zijn hand. + +Met een blijden kreet van geluk en verlangen snelde Johannes naar de +geliefde verschijning. Doch ze verhief zich en zweefde vóór hem uit met +lachend gelaat en wenkende hand. Soms raakte zij de aarde in langzame +daling, maar dan rees zij weder op, licht en snel en zweefde verder als +het zaadpluis, dat de wind voortdrijft. + +Johannes wilde zich ook verheffen en zweven, zooals vroeger en zooals in +zijn droom. Doch de aarde trok zijne voeten, en zijn tred bleef zwaar op +den grazigen grond. Hij moest met moeite zijn weg zoeken door de +struiken, wier loover ritselend langs zijn kleederen streek en wier +takken hem striemden in het gelaat. Zwoegend moest hij de mossige +hellingen der duinen beklimmen. Doch hij volgde onvermoeid en zijn oog +werd niet afgewend van Windekind's stralende verschijning, van wat daar +blonk in de hooggeheven hand. + +Daar was hij midden in duin. In de gloeiende valleien bloeiden de +duinrozen en zagen met hun duizenden bleekgele kelkjes in het zonlicht. +Ook bloeiden er vele andere bloemen, helder blauwe, gele en purperen, +zwoele hitte lag in de kleine dalen en koesterde de geurige kruiden. +Sterke, harsachtige geuren hingen in de lucht. Johannes rook ze terwijl +hij voortging, het thijm rook hij en den geur van het droge rendiermos, +dat kraakte onder zijn voet. Het was bedwelmend heerlijk. + +En voor het liefelijk beeld dat hij vervolgde, zag hij de bonte +duinvlinders fladderen. Kleine zwarte en roode kapelletjes, en het +zandoogje, het vroolijke vlindertje met de zijdeachtige vleugeltjes van +het teederste blauw. Om zijn hoofd snorden de gouden kevers, die op de +duinroos leven en dikke hommels dansten gonzend tusschen het +geblakerde duingras. + +Wat was het heerlijk, wat zoude hij gelukkig zijn, als hij maar bij +Windekind was. Doch Windekind zweefde verder en altijd verder. Ademloos +moest hij volgen. De groote bleekbebladerde doornstruiken hielden hem +tegen en krasten hem met hun doornen; de vale, wollige toortsplanten +schudden de lange hoofden, als hij ze wegduwde in zijn vaart. Hij klom +tegen de zandige walletjes op en kwetste zijn handen aan het +stekelig helm. + +Hij drong door de lage berkenboschjes waar het gras hem tot de knieën +reikte en de watervogels opvlogen van de kleine vijvers, die glinsterden +tusschen de struiken. Dichte witbloeiende meidoorns mengden hun geur met +dien van het berkenloof en van de munthe, die talrijk groeide op den +moerassigen grond. + +Doch toen hielden de boschjes, het groen en de kleurige bloemen op. +Alleen de wonderlijke, bleekblauwe zeedistel groeide tusschen het vale, +dorre helm. + +Op den top der laatste hooge duinenrij zag Johannes Windekind's beeld. +Verblindend schitterde het in zijn opgeheven hand. Geheimzinnig lokkend +klonk een groot gestadig bruisen van gene zijde, door een koelen wind +overgedragen. Het was de zee. Johannes voelde dat hij haar naderde en +langzaam klom hij de laatste helling op. Daarboven viel hij op de knieën +en staarde over de zee. + +Toen hij zich boven den duinrand verhief, omgaf hem een roode gloed. De +avondwolken hadden zich ter uitvaart van het licht geschaard. Als een +wijde kring van geweldige rotsblokken met roodgloeiende randen omgaven +zij de dalende zon. Op de zee was een breede weg van levend purpervuur, +een vlammende, schitterende lichtweg, leidende naar den ingang des +verren hemels. + +Achter de zon, waarin het oog nog niet staren kon, wemelden teedere +tinten van blauw en rose dooreen, in de diepte van de lichtgrot. +Daarbuiten langs den ganschen wijden hemel glansden roode vlammen en +strepen, lichte vlokjes van bloedig dons en vegen van uiteenvloeiend +vuur. + +Johannes wachtte, totdat de zonneschijf den gloeienden weg die tot hem +leidde, aan het verste einde aanraakte. + +Toen zag hij neder, en dichtbij was het lichte beeld, dat hij gevolgd +was. Een vaartuig, klaar en glinsterend als kristal, dreef bij het +strand op de breede vuurbaan. Aan het eene einde der boot stond +Windekind's ranke gedaante, met het gouden voorwerp dat blonk in zijn +hand. Aan het andere einde herkende Johannes den duisteren Dood. + +'Windekind! Windekind!' riep Johannes. Doch in denzelfden tijd dat +Johannes het wondere vaartuig naderde, zag hij naar den horizon. In het +midden van de lichte ruimte, door de grove, vurige wolken omgeven, zag +hij een kleine, zwarte gestalte. Zij werd grooter en grooter, langzaam +naderde een mensch, rustig schrijdend over de woelende, vurige wateren. + +De roodgloeiende golven rezen en daalden onder zijn voet, doch kalm en +rustig kwam hij nader. + +Het was een mensch, zijn gelaat was bleek en zijn oog diep en donker. +Zoo diep als de oogen van Windekind, doch in hun blik was eindeloos +zachte weemoed, zooals Johannes dien nimmer in andere oogen gezien had. + +'Wie zijt gij?' vroeg Johannes. 'Zijt gij een mensch?' + +'Ik ben meer!' zeide hij. + +'Zijt gij Jezus, zijt gij God?' vroeg Johannes. + +'Noem die namen niet,' zeide de gestalte, 'zij waren heilig en rein als +priestergewaden en kostelijk als voedend koren, doch zij zijn tot draf +geworden voor de zwijnen en tot narrekleederen voor de dwazen. Noem hen +niet, want hun zin is tot dwaling, hun wijding tot spot geworden. Wie +mij kennen wil, werpe die namen weg en luistere naar zichzelven.' + +'Ik ken u! ik ken u!' zeide Johannes. + +'Ik was het, die u deed weenen om de menschen, terwijl gij uwe tranen +niet begrijpen kondet. Ik was het, die u deed liefhebben, waar gij uwe +liefde niet verstondt. Ik ben bij u geweest, en gij hebt mij niet +gezien, ik heb uwe ziel bewogen en gij hebt mij niet gekend.' + +'Waarom zie ik u nu eerst?' + +'Vele tranen moeten de oogen verhelderen, die mij zullen zien. En niet +voor uzelven alleen, maar voor mij moet gij weenen, dan zal ik u +verschijnen en gij zult mij herkennen als een ouden vriend.' + +'Ik ken u. Ik herkende u. Ik wil bij u zijn.' + +Johannes strekte de handen uit. Doch de mensch wees op het glinsterende +vaartuig, dat langzaam voortdreef op den vurigen weg. + +'Zie!' zeide hij, 'dat is de weg naar alles wat gij verlangd hebt. Een +andere is er niet. Zonder die beiden zult ge het niet vinden. Doe nu uwe +keuze. Daar is het Groote Licht, daar zult gij zelve zijn wat gij +verlangt te kennen. Daar!' en hij wees naar het donkere Oosten, 'waar de +menschheid is en haar weedom, daar is mijn weg. Niet het dwaallicht, dat +gij gedoofd hebt, maar ik zal u begeleiden. Zie nu, gij weet het. Doe +uwe keuze.' + +Toen wendde Johannes langzaam het oog van Windekind's wenkende gestalte +af en strekte de handen naar den ernstigen mensch. En met zijnen +begeleider ging hij den killen nachtwind tegemoet, den zwaren weg naar +de groote, duistere stad, waar de menschheid was en haar weedom. + + * * * * * + +Wellicht vertel ik u eenmaal meer van den kleinen Johannes, doch op een +sprookje zal het dan niet meer gelijken. + + + + + + + + + + + +End of Project Gutenberg's De kleine Johannes, by Frederik van Eeden + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE KLEINE JOHANNES *** + +***** This file should be named 10819-8.txt or 10819-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/0/8/1/10819/ + +Produced by Marc D'Hooghe + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS," WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + +Each eBook is in a subdirectory of the same number as the eBook's +eBook number, often in several formats including plain vanilla ASCII, +compressed (zipped), HTML and others. + +Corrected EDITIONS of our eBooks replace the old file and take over +the old filename and etext number. The replaced older file is renamed. +VERSIONS based on separate sources are treated as new eBooks receiving +new filenames and etext numbers. + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + +EBooks posted prior to November 2003, with eBook numbers BELOW #10000, +are filed in directories based on their release date. If you want to +download any of these eBooks directly, rather than using the regular +search system you may utilize the following addresses and just +download by the etext year. + + https://www.gutenberg.org/etext06 + + (Or /etext 05, 04, 03, 02, 01, 00, 99, + 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90) + +EBooks posted since November 2003, with etext numbers OVER #10000, are +filed in a different way. The year of a release date is no longer part +of the directory path. The path is based on the etext number (which is +identical to the filename). The path to the file is made up of single +digits corresponding to all but the last digit in the filename. For +example an eBook of filename 10234 would be found at: + + https://www.gutenberg.org/1/0/2/3/10234 + +or filename 24689 would be found at: + https://www.gutenberg.org/2/4/6/8/24689 + +An alternative method of locating eBooks: + https://www.gutenberg.org/GUTINDEX.ALL + + diff --git a/old/10819-8.zip b/old/10819-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..cfa40dd --- /dev/null +++ b/old/10819-8.zip diff --git a/old/10819.txt b/old/10819.txt new file mode 100644 index 0000000..f54a82a --- /dev/null +++ b/old/10819.txt @@ -0,0 +1,5319 @@ +The Project Gutenberg EBook of De kleine Johannes, by Frederik van Eeden + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De kleine Johannes + +Author: Frederik van Eeden + +Release Date: January 24, 2004 [EBook #10819] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO Latin-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE KLEINE JOHANNES *** + + + + +Produced by Marc D'Hooghe + + + + +DE KLEINE JOHANNES + +van + +FREDERIK VAN EEDEN + + + +Aan mijn vrouw + + + + +I + + +Ik zal u iets van den kleinen Johannes vertellen. Het heeft veel van een +sprookje, mijn verhaal, maar het is toch alles werkelijk zoo gebeurd. +Zoodra gij het niet meer gelooft, moet ge niet verder lezen, want dan +schrijf ik niet voor u. Ook moogt ge er den kleinen Johannes nooit over +spreken, als ge hem soms ontmoet, want dat zou hem verdriet doen en het +zou mij spijten, u dit alles verteld te hebben. + +Johannes woonde in een oud huis met een grooten tuin. Het was er +moeilijk den weg te vinden, want in het huis waren veel donkere +portaaltjes, trappen, kamertjes en ruime rommelzolders, en in den tuin +waren overal schuttingen en broeikasten. Het was een heele wereld voor +Johannes. Hij kon er verre tochten in maken en hij gaf namen aan alles +wat hij ontdekte. + +Voor het huis had hij namen uit het dierenrijk: de rupsenzolder, omdat +hij er rupsen groot bracht; het kippenkamertje, omdat hij daar eens een +kip gevonden had. Die was er niet van zelve gekomen, maar daar door +Johannes' moeder te broeien gezet. In den tuin koos hij namen uit het +plantenrijk, en lette daarbij vooral op de voortbrengselen, die voor hem +van belang waren. Zoo onderscheidde hij een frambozenberg, een +dirkjesbosch en een aardbeiendal. Heel achter was een plekje, dat hij +het paradijs noemde en daar was het natuurlijk erg heerlijk. Daar was +een groot water, een vijver, waar witte waterlelien dreven en het riet +lange fluisterende gesprekken hield met den wind. Aan de overzijde lagen +de duinen. Het paradijs zelf was een klein grasveldje aan dezen oever, +omringd door kreupelhout, waartusschen het nachtegaalskruid hoog +opschoot. Daar lag Johannes dikwijls in het dichte gras en tuurde +tusschen de schuifelende rietbladen door naar de duintoppen over het +water. Op warme zomeravonden was hij daar altijd en lag uren te staren, +zonder zich ooit te vervelen. Hij dacht aan de diepte van het stille, +heldere water voor zich, hoe gezellig het daar moest zijn, tusschen die +waterplanten, in dat vreemde schemerlicht, en dan weer aan de verre, +prachtig gekleurde wolken, die boven de duinen zweefden, wat daar wel +achter zou zijn en of het heerlijk zou zijn daarheen te kunnen vliegen. +Als de zon juist was ondergegaan, stapelden de wolken zich daar zoo +opeen, dat ze den ingang van eene grot schenen te vormen en in de diepte +van die grot schitterde het dan van zachtrood licht. Dat was wat +Johannes verlangde. Kon ik daarin vliegen! dacht hij dan. Wat zou daar +wel achter zijn? Zou ik daar eenmaal, eenmaal kunnen komen ... + +Maar hoe dikwijls hij dat wenschte, telkens viel de grot in vale, +donkere wolkjes uiteen, zonder dat hij er dichter bij konde komen. Dan +werd het koud en vochtig aan den vijver en hij moest weer zijn donker +slaapkamertje in het oude huis gaan opzoeken. + +Hij woonde daar niet geheel alleen; hij had een vader, die hem goed +verzorgde, een hond die Presto en een kat die Simon heette. Natuurlijk +hield hij van zijn vader het meest, maar Presto en Simon achtte hij +volstrekt niet zooveel beneden hem, als een groot mensch dat zou doen. +Hij vertrouwde zelfs meer geheimen aan Presto dan aan zijn vader, en +voor Simon gevoelde hij een eerbiedig ontzag. Nu, dat was geen wonder! +Simon was een groote kat met glanzig zwart vel en een dikken staart. Men +kon hem aanzien, dat hij volkomen overtuigd was van zijn eigen grootheid +en wijsheid. Hij bleef altijd even deftig en voornaam, zelfs als hij +zich verwaardigde even met een rollende kurk te spelen, of achter een +boom een vergeten haringkop op te knauwen. Bij de dolle uitgelatenheid +van Presto kneep hij minachtend de groene oogen toe en dacht: Nu ja! Die +honden weten niet beter. + +Begrijpt ge nu, dat Johannes ontzag voor hem had? Met den kleinen +bruinen Presto ging hij heel vertrouwelijk om. Het was geen mooi of +voornaam, maar een bizonder goedig en schrander hondje, dat nimmer +verder dan twee pas van Johannes weg te krijgen was en geduldig zat te +luisteren naar de mededeelingen van zijn meester. Ik behoef u niet te +zeggen, hoeveel Johannes van Presto hield. Maar hij had toch ook heel +wat ruimte in zijn hart voor anderen over. Vindt ge het vreemd, dat zijn +donker slaapkamertje met de kleine ruitjes daar ook een groote plaats +innam? Hij hield van het behangsel met de groote bloemfiguren, waarin +hij gezichten zag en waarvan hij de vormen zoo dikwijls bestudeerd had, +als bij ziek was of 's morgens wakker lag, hij hield van het eene +schilderijtje dat er hing, waarop stijve wandelaars waren afgebeeld, die +in een nog stijver tuin wandelden langs gladde vijvers, waarin +hemelhooge fonteinen spoten en kokette zwanen zwommen; het meest hield +hij echter van de hangklok. Hij wond die altijd met zorg en aandacht op +en hield het voor een noodzakelijke beleefdheid naar haar te kijken als +zij sloeg. Dat ging natuurlijk alleen zoolang Johannes niet sliep. Was +de klok door een verzuim stil blijven staan, dan voelde Johannes zich +zeer schuldig en vroeg haar duizendmaal vergeving. Gij zoudt misschien +lachen, als ge hem met zijn kamer in gesprek hoordet. Maar let eens op +hoe dikwijls gij bij u zelven spreekt. Dat schijnt u in 't geheel niet +belachelijk. Johannes was bovendien overtuigd, dat zijne hoorders hem +volkomen begrepen en had geen antwoord noodig. Maar heimelijk wachtte +hij toch wel eens een antwoord van de klok of het behangsel. + +Schoolkameraden had Johannes wel, maar vrienden waren het eigenlijk +niet. Hij speelde met hen en smeedde samenzweringen op school en vormde +rooverbenden met hen buiten, maar hij voelde zich eerst recht thuis als +hij alleen met Presto was. Dan verlangde hij nimmer naar jongens, en +voelde zich volkomen vrij en veilig. + +Zijn vader was een wijs en ernstig man, die Johannes dikwijls medenam op +lange tochten door wouden en duinen; dan spraken ze weinig en Johannes +liep tien schreden achter zijn vader, de bloemen groetend, die hij +tegenkwam en de oude boomen, die zoo altijd op dezelfde plaats moesten +blijven, vriendelijk met zijn handje langs de ruwe schors strijkend. En +ruischend dankten hem dan de goedige reuzen. + +Soms schreef zijn vader letters in het zand bij het voortgaan, een voor +een, en Johannes spelde de woorden, die zij vormden en soms ook stond de +vader stil en leerde Johannes den naam van een plant of dier. + +En Johannes vroeg ook dikwijls, want hij zag en hoorde veel raadselachtigs. +Domme vragen deed hij vaak; hij vroeg waarom de wereld was zooals zij was, +en waarom dieren en planten dood moesten gaan, en of er wonderen konden +gebeuren. Maar Johannes' vader was een wijs man en zeide niet alles wat hij +wist. Dat was goed voor Johannes. + +'s Avonds voor dat hij slapen ging, deed Johannes altijd een lang gebed. +Dat had de kindermeid hem zoo geleerd. Hij bad voor zijn vader en voor +Presto. Simon had het niet noodig, dacht hij. Hij bad ook heel lang voor +zichzelven en het slot was meestal de wensch, dat er toch eens een +wonder mocht gebeuren. En als hij amen gezegd had, keek hij gespannen in +het half duistere kamertje rond, naar de figuren van het behangsel, die +nog vreemder schenen in het zwakke schemerlicht, naar den deurknop en +naar de klok, waar nu het wonder zou beginnen. Maar de klok bleef altijd +hetzelfde wijsje tikken en de deurknop bewoog zich niet, het werd geheel +duister en Johannes viel in slaap, zonder dat het wonder gekomen was. + +Maar eenmaal zou het gebeuren, dat wist hij. + + + + +II + + +Het was warm aan den vijver en doodstil. De zon, rood en afgemat van +haar dagelijksch werk, scheen een oogenblik op een verren duinrand uit +te rusten, voor ze onderdook. Bijna volkomen spiegelde het gladde water +haar gloeiend aangezicht weer. De over den vijver hangende bladen van +den beuk maakten van de stilte gebruik om zich eens aandachtig in den +spiegel te bekijken. De eenzame reiger, die tusschen de breede bladen +van de waterlelie op een poot stond, vergat dat hij uitgegaan was om +kikkers te vangen en tuurde in gedachten verzonken langs zijn neus. + +Daar kwam Johannes op het grasveldje, om de wolkengrot te zien. Plomp! +plomp! sprongen de kikvorschen van den kant. De spiegel trok rimpels, +het zonnebeeld brak in breede strepen en de beukenbladen ritselden +verstoord, want zij waren nog niet klaar met hun beschouwing. + +Vastgebonden aan de naakte wortels van den beuk lag een oude kleine +boot. Het was Johannes streng verboden daarin te gaan. O, wat was dezen +avond de verzoeking sterk! Reeds vormden zich de wolken tot een +ontzaglijke poort, waarachter de zon ter ruste zou gaan. Schitterende +rijen wolkjes schaarden zich ter zijde als een goudgeharnaste lijfwacht. +Het watervlak gloeide mede, en roode vonken vlogen als pijlen door het +oeverriet. + +Langzaam maakte Johannes het touw der boot van de beukenwortels los. +Daar te drijven, midden in de pracht! Presto was reeds in de boot +gesprongen en eer zijn meester het zelf wilde, schoven de riethalmen +vaneen en dreven zij beiden weg in de richting van de avondzon. Johannes +lag op den voorsteven en staarde in de diepte van de lichtgrot. Vleugels! +dacht hij, nu vleugels! en daarheen! + +De zon was verdwenen. De wolken gloeiden door. In het oosten was de +hemel donkerblauw. Daar stond een rij wilgen langs den oever. Roerloos +staken zij hun smalle witte blaadjes in de stille lucht. Tegen den +donkeren achtergrond scheen dat prachtig bleekgroen kantwerk. + +Stil! wat was dat? Het schoot als een suizeling over het watervlak, als +een lichte windvlaag, die een spitse vore in het water groeft. Het kwam +van de duinen, van de wolkgrot. + +Toen Johannes omzag, zat een groote blauwe waterjuffer op den rand der +boot. Zoo groot had hij er nog nimmer een gezien. Zij zat stil, maar +haar vleugels bleven in een wijden cirkel trillen. Het scheen Johannes, +dat de punten van haar vleugels een lichtenden ring vormden. + +Dat moet een vuurvlinder zijn, dacht hij, die zijn heel zeldzaam. + +Doch de ring werd grooter en grooter en de vleugels trilden zoo snel, +dat Johannes niet meer dan een nevel zag. En langzamerhand zag hij uit +dien nevel twee donkere oogen schitteren, en een lichte, ranke gestalte, +in een teederblauw kleedje, zat op de plaats van de libel. In het blonde +haar was een krans van witte winden en aan de schouders gazen +haftvleugels, die als een zeepbel in duizend kleuren schitterden. + +Een huivering van geluk doortintelde Johannes. Dat was een wonder! + +'Wilt ge mijn vriend zijn?' fluisterde hij. + +Dat was wel een zonderlinge wijze om een vreemde aan te spreken, maar +het ging hier niet gewoon toe. En hij had een gevoel, alsof hij het +vreemde, blauwe wezen al lang kende. 'Ja Johannes!' hoorde hij en de +stem klonk als het schuifelen van het riet in den avondwind of het +ruischen van den regen op de bladen in het bosch. + +'Hoe moet ik u noemen?' vroeg Johannes. + +'Ik ben geboren in den kelk eener winde. Noem mij Windekind!' + +En Windekind lachte en staarde Johannes zoo vertrouwelijk in de oogen, +dat het hem wonderbaar zalig te moede werd. 'Het is vandaag mijn +verjaardag,' zeide Windekind, 'ik ben hier in den omtrek geboren, uit de +eerste stralen der maan en de laatste der zon. Men zegt wel dat de zon +vrouwelijk is. Dat is niet waar. Hij is mijn vader.' + +Johannes nam zich voor, morgen op school van _den_ zon te spreken. 'En +kijk! daar komt het ronde, blanke gezicht van mijne moeder al te +voorschijn. Dag moeder! O, o, wat kijkt zij weer goedig en bedrukt!' + +Hij wees naar de Oosterkimmen. Groot en glanzig rees daar de maan aan +den grauwen hemel, achter het kantwerk der wilgen, dat zwart tegen de +lichte schijf afstak. Zij zette werkelijk een zeer pijnlijk gezicht. + +'Kom! kom! moeder! het is niets. Ik kan hem immers vertrouwen!' + +Het schoone wezen trilde vroolijk met de gazen vleugels en tikte +Johannes met de Irisbloem, die hij in de hand had, op de wang. 'Zij +vindt het niet goed dat ik bij u gekomen ben. Gij zijt de eerste. Maar +ik vertrouw u, Johannes. Gij moogt nooit, nooit aan een mensch mijn naam +noemen of over mij spreken. Belooft gij dat?' + +'Ja, Windekind,' zei Johannes. Het was hem nog zoo vreemd. Hij voelde +zich onuitsprekelijk gelukkig maar vreesde zijn geluk te verliezen. +Droomde hij? Naast hem op de bank lag Presto kalm te slapen. De warme +adem van zijn hondje stelde hem gerust. De muggen krioelden op het +watervlak en dansten in de zoele lucht, evenals gewoonlijk. Het was +alles zoo klaar en duidelijk om hem heen. Het moest waarheid zijn. En +altijd voelde hij dat Windekinds vertrouwelijke blik op hem rustte. + +Daar klonk weer de zoet-ruischende stem: + +'Ik heb u vaak hier gezien, Johannes. Weet ge waar ik was? Soms zat ik +op den zandgrond van den vijver tusschen de dichte waterplanten en zag +naar u op, als ge over het water heenboogt, om te drinken of om de +watertorren en salamanders te bekijken. Maar mij zelven zaagt gij nooit. +Dikwijls ook keek ik naar u uit het dichte riet. Daar ben ik heel veel. +Daar slaap ik meestal, als het warm is. In een leeg karkietennest. Ja! +dat is heel zacht.' + +Windekind wiegde vergenoegd op den rand van de boot en sloeg met zijn +bloem naar de muggen. + +'Nu kom ik u wat gezelschap houden. Het is anders zoo eentonig, uw +leven. Wij zullen goede vrienden zijn en ik zal u veel vertellen. Veel +beter dingen dan de schoolmeesters u wijs maken. Die weten er volstrekt +niets van. En als gij mij niet gelooft, zal ik u zelven laten zien en +hooren. Ik zal u meenemen.' + +'O, Windekind! lieve Windekind! kunt gij mij daarheen medenemen?' riep +Johannes, en wees naar den kant, waar zooeven het purper licht van de +ondergaande zon uit de gouden wolkenpoort gestraald had. Reeds ging het +heerlijk gevaarte in grijze nevelen vervloeien. Toch drong de bleekroode +glans nog uit de verste diepte te voorschijn. Windekind staarde in het +licht, dat zijn fijn gezichtje en zijn blonde haren verguldde, en +schudde zachtkens het hoofd. 'Nu niet! nu niet! Johannes. Ge moet niet +dadelijk te veel vragen. Ik zelve ben nooit nog bij Vader geweest.' + +'Ik ben altijd bij mijn vader,' zeide Johannes. + +'Neen! dat is uw vader niet. Wij zijn broeders, mijn Vader is ook de +uwe. Maar uw moeder is de aarde en daarom verschillen wij veel. Ook zijt +ge in een huis bij menschen geboren en ik in een windekelk. Dat laatste +is stellig beter. Maar wij zullen het toch goed samen vinden!' + +Toen sprong Windekind luchtig op de zijde van de boot, die niet bewoog +onder dien last, en kuste Johannes op het voorhoofd. + +Wat was dat een vreemde gewaarwording voor Johannes! Het was of alles om +hem heen veranderde. + +Hij zag alles nu veel beter en juister, dacht hij. Hij zag hoe de maan +nu veel vriendelijker keek, en hij zag, dat de waterlelies gezichten +hadden, waarmede zij hem verwonderd en peinzend aanstaarden. + +Hij begreep nu op eens, waarom de muggen zoo vroolijk op en neer dansten, +altijd om elkaar heen, op en neer, tot ze met hun lange beenen het water +raakten. Hij had er wel eens aan gedacht, maar nu begreep hij het van zelf. + +Hij hoorde ook wat het riet fluisterde en hoe de boomen aan den oever +zachtjes klaagden, dat de zon was ondergegaan. + +'O, Windekind! ik dank u, dat is heerlijk. Ja, wij zullen het wel goed +samen vinden!' + +'Geef mij een hand,' zei Windekind, en sloeg de veelkleurige vleugels +uit. Toen trok hij Johannes in de boot voort over het water, door de +plompebladen, die in het maanlicht glinsterden. + +Hier en daar zat een kikvorsch op een blad. Maar nu sprong hij niet in +'t water als Johannes kwam. Hij maakte alleen een kleine buiging en +zeide: 'Kwak!' Johannes boog beleefd terug, hij wilde zich vooral niet +ingebeeld toonen. + +Daar kwamen zij aan het riet, dat was breed en de geheele boot verdween +er in, zonder dat zij het land bereikten. Maar Johannes vatte zijn +geleider stevig vast en toen klauterden zij tusschen de hooge halmen +aan land. + +Johannes meende wel, dat hij kleiner en lichter was geworden, maar dat +was misschien verbeelding. Toch herinnerde hij zich niet dat hij ooit +tegen een riethalm had kunnen opklimmen. + +'Let nu goed op,' zei Windekind, 'nu zult ge iets aardigs zien.' + +Zij wandelden tusschen het hooge gras onder donker kreupelhout, dat hier +en daar een smal, glanzig straaltje van het maanlicht doorliet. + +'Hebt ge 's avonds de krekels wel eens gehoord, Johannes, in de duinen? +Het lijkt of zij een concert maken niet waar? en ge kunt nooit hooren, +waar het geluid vandaan komt. Nu, zij zingen nooit voor hun pleizier, +maar dat geluid komt van de krekelschool, waar honderd krekeltjes hun +lessen van buiten leeren. Wees nu stil, want wij zijn er haast.' + +Shrrr! Shrrr! + +Het kreupelhout werd minder dicht, en toen Windekind met zijn bloem de +grashalmen uiteen schoof, zag Johannes een helder verlicht open plekje, +waar de krekeltjes bezig waren tusschen het dunne, spichtige duingras +hun lessen te leeren. + +Shrrr! Shrrr! + +Een groote, dikke krekel was meester en overhoorde. Een voor een +sprongen de leerlingen naar hem toe, altijd met een sprong heen en een +sprong weer naar hun plaats terug. Wie mis sprong moest op een +paddestoel te pronk staan. + +'Luister goed Johannes! dan kunt ge misschien ook wat leeren,' zei +Windekind. + +Johannes verstond zeer goed wat de krekeltjes antwoordden. Maar het leek +niets op wat de meester op zijn school vertelde. Eerst kwam geographie. +Van de werelddeelen wisten zij niets. Zij moesten alleen 26 duinen +kennen en twee vijvers. Van hetgeen verder was kon niemand iets weten, +zei de meester, en wat er van verteld werd, was ijdele fantasie. + +Toen kwam de botanie aan de beurt. Daarin waren ze allen erg knap en +werden veel prijzen uitgedeeld, uitgezochte jonge en malsche +grashalmpjes van verschillende lengte. + +Maar de zooelogie verbaasde Johannes het meest. De dieren werden verdeeld +in springende, vliegende en kruipende. De krekels konden springen en +vliegen en stonden dus bovenaan, dan volgden de kikvorschen. Vogels +werden met alle teekenen van afschuw hoogst schadelijk en gevaarlijk +genoemd. Eindelijk werd ook de mensch besproken. Het was een groot, +nutteloos en schadelijk dier, dat zeer laag stond, daar het vliegen noch +springen kon, maar dat gelukkig zeldzaam was. Een klein krekeltje, dat +nog nooit een mensch gezien had, kreeg drie slagen met een rietje, omdat +hij den mensch bij vergissing onder de onschadelijke dieren telde. + +Zoo iets had Johannes nog nooit gehoord. + +Toen riep de meester op eens: 'Stilte! springoefening!' Dadelijk hielden +alle krekeltjes op met lessen leeren en begonnen op heel kunstige en +bedrijvige wijze haasje-over te spelen. De dikke meester het eerst. + +Dat was zulk een vroolijk gezicht, dat Johannes in de handen klapte van +pret. Op dat geluid stoof de heele school in een oogenblik het duin in +en werd het doodstil op het grasveldje. + +'Ja, dat komt er van, Johannes. Ge moet u niet zoo lomp gedragen! Men +kan toch wel merken, dat gij bij menschen geboren zijt!' + +'Het spijt mij, ik zal mijn best doen. Maar het was ook zoo aardig!' + +'Het wordt nog veel aardiger,' zei Windekind. + +Zij staken het grasveldje over en bestegen de duin aan de andere zijde. +Oef! dat was zwoegen in het dikke zand; maar toen Johannes Windekind bij +het lichte blauwe kleedje greep, vloog hij er vlug en luchtig tegen op. +Halverwege den top was een konijnenhol. + +Het konijntje, dat er thuis hoorde, lag met kop en voorpooten uit den +ingang. De duinrozen bloeiden nog en haar fijne, zachte geur mengde zich +met dien van het thijmkruid, dat op den duintop groeide. + +Johannes had dikwijls konijntjes in hun hol zien verdwijnen en dan +gedacht: hoe zou het daarbinnen uitzien? Hoeveel zouden er daar wel bij +elkaar zitten en zouden zij het niet benauwd hebben? + +Hij was dan ook zeer verheugd, toen hij zijn metgezel aan het konijntje +hoorde vragen of zij het hol eens mochten bezien. 'Wat mij betreft, +wel!' zeide het konijntje. 'Maar het treft ongelukkig, dat ik van avond +juist mijn hol heb afgestaan voor het geven van een weldadigheidsfeest, +en dus eigenlijk geen baas ben in mijn huis.' + +'Ei! Ei! is er een ongeluk gebeurd?' + +'Ach ja!' zei het konijntje weemoedig: 'Een groote ramp! Wij komen het +in geen jaren te boven. Een duizend sprongen hier vandaan is een +menschenhuis gebouwd, zoo groot! zoo groot!--En er zijn menschen komen +wonen met honden. Er zijn wel zeven leden van mijn familie bij omgekomen +en nog driemaal zooveel van hol beroofd. En het is met het geslacht Muis +en de familie Mol nog erger gegaan. Ook de Padden hebben zwaar geleden. +Nu hebben wij een feest op touw gezet voor de nagelaten betrekkingen. +Ieder doet het zijne, ik geef mijn hol. Men moet wat over hebben voor +zijne medeschepselen.' + +Het meewarige konijntje zuchtte en haalde met den rechter voorpoot het +lange oor over zijn kopje, om er een traan mede uit het oog te wisschen. +Dat was zoo zijn zakdoek. + +Daar ritselde iets in het helm en een dikke, logge gedaante kwam op het +hol toe scharrelen. + +'Kijk!' riep Windekind, 'daar komt vader Pad ook al aangehuppeld. Wel! +wel! durft ge nog zoo laat op 't pad, Pad!' + +De Pad nam geen notitie van de scherts. Aardigheden op zijn naam +verveelden hem al lang. Bedaard legde hij een volle korenaar, netjes in +een droog blad gewikkeld, bij den ingang neer en klom behendig over den +rug van het konijntje in het hol. 'Mogen wij binnengaan?' zeide Johannes, +die erg nieuwsgierig was. 'Ik zal ook wat geven.' + +Hij herinnerde zich dat hij in zijn zak nog een beschuitje had. Een rond +beschuitje van Huntley en Palmers. Toen hij het te voorschijn haalde, +bemerkte hij eerst hoe klein hij geworden was. Hij kon het nauwelijks +met twee handen tillen en begreep niet hoe het nog in zijn broekzak +gezeten had. 'Dat is zeer kostbaar en zeldzaam!' riep het konijntje. +'Dat is een kostbaar geschenk!' + +Eerbiedig liet het aan beiden den toegang vrij. Het was donker in het +hol en Johannes liet Windekind maar voorgaan. Spoedig zagen zij een +bleekgroen lichtje naderen. Het was een glimworm, die welwillend aanbood +hen voor te lichten. + +'Het belooft een genoeglijke avond te worden,' zeide de glimworm onder +'t voortgaan. 'Er zijn al veel gasten. Gij zijt elfen, naar mij +toeschijnt, niet waar?' De glimworm keek daarbij eenigszins wantrouwend +naar Johannes. + +'Gij kunt ons als elfen aandienen,' antwoordde Windekind. + +'Weet ge dat uw koning van de partij is?' ging de glimworm voort. + +'Is Oberon hier? Wel dat doet mij recht veel genoegen,' riep Windekind, +'ik ken hem persoonlijk.' + +'O?' zeide de glimworm, 'ik wist niet dat ik de eer had ...' en zijn +lichtje ging bijna uit van schrik. 'Ja Z.M. houdt gewoonlijk meer van de +buitenlucht, maar voor een liefdadig doel is hij altijd te vinden. Het +zal wel een luisterrijk feest zijn.' + +Dat was het inderdaad. De groote zaal in het konijnenhol was prachtig +versierd. De vloer was platgetreden en met geurig thijm bestrooid; dwars +voor den ingang hing een vleermuis aan de achterpooten. Deze riep de +namen der gasten af en diende tevens als gordijn, dat was een +zuinigheidsmaatregel. De wanden der zaal waren smaakvol gedecoreerd met +dorre bladen, spinnewebben en kleine hangende vleermuisjes. Tallooze +glimwormen kropen daartusschen en over de zoldering rond, en vormden een +alleraardigste beweeglijke verlichting. Er was aan 't eind der zaal een +troon gebouwd van stukjes vermolmd hout, die licht gaven. Dat was een +mooi gezicht! + +Er waren veel gasten. Johannes voelde zich maar half thuis in de vreemde +menigte en drong dicht tegen Windekind aan. Hij zag er vreemde dingen. +Een mol sprak druk met een veldmuis over de fraaie verlichting en de +decoratie. In een hoekje zaten twee dikke padden hoofdschuddend tegen +elkaar te jammeren over het aanhoudend droge weer. Een kikvorsch poogde +gearmd met een hagedis een wandeling door de zaal te maken, wat hem +slecht afging, daar hij verlegen en gejaagd was en telkens te ver +sprong, waarbij hij soms de wandversiering danig in wanorde bracht. + +Op den troon zat Oberon, de elfenkoning, omringd door een klein gevolg +elfen, die eenigszins minachtend op de omgeving neerzagen. De koning +zelf was naar vorstenwijze allerminzaamst en onderhield zich vriendelijk +met verschillende gasten. Hij kwam van een reis uit het Oosten en had +een vreemd gewaad van schitterend gekleurde bloembladen aan. Zulke +bloemen groeien hier niet, dacht Johannes. Op het hoofd droeg hij een +donkerblauw bloemkelkje, dat nog een frisschen geur verspreidde, als was +het zooeven geplukt. In de hand hield hij den meeldraad van een +lotosbloem als koningsstaf. + +Alle aanwezigen waren vol stillen lof over zijn goedheid. Hij had het +maanlicht in de duinen geroemd en gezegd dat de glimwormen hier bijna +even schoon waren als de Oostersche vuurvliegen. Ook had hij met +genoegen naar de wandversiering gekeken en een mol had zelfs opgemerkt, +dat hij goedkeurend met het hoofd had geknikt. + +'Ga mede,' zei Windekind tot Johannes, 'ik zal u voorstellen.' En zij +drongen tot aan 's konings zitplaats door. + +Oberon spreidde de armen vol vreugde uit, toen hij Windekind herkende en +kuste hem. Dit gaf een gefluister onder de gasten en afgunstige blikken +van het elfengevolg. De twee dikke padden in den hoek mompelden samen +iets van 'vleiers' en 'kruipen' en 'niet lang duren'; toen knikten ze +elkaar veelbeteekenend toe. + +Windekind sprak lang in een vreemde taal tot Oberon en wenkte toen +Johannes om dichterbij te komen. + +'Geef mij de hand, Johannes!' zei de koning. 'Windekind's vrienden zijn +de mijne. Waar ik kan, zal ik u bijstaan. Ik zal u een teeken van ons +verbond geven.' Oberon maakte van zijn halsketen een klein gouden +sleuteltje los en gaf dat aan Johannes, die het vol eerbied aannam en +vast in zijne hand sloot. 'Dat sleuteltje kan uw geluk zijn,' ging de +koning voort. 'Het past op een gouden kistje dat kostbare schatten +bevat. Maar wie dat heeft, kan ik u niet zeggen. Gij moet maar ijverig +zoeken. Als gij goede vrienden met mij en Windekind blijft en +standvastig en trouw zijt, zal het u wel gelukken.' De elfenkoning +knikte daarbij hartelijk met het schoone hoofdje en overgelukkig dankte +Johannes hem. + +Daar begonnen drie kikkers, op eene kleine verhevenheid van vochtig mos +gezeten, de inleiding tot een langzame wals te zingen en er vormden zich +paartjes. De niet dansenden werden door een groen hagedisje, dat als +ceremoniemeester werkzaam was en schutterig heen en weer vloog, naar de +kanten gedrongen, tot groote ergernis van de twee padden, die klaagden +dat zij niets konden zien, en daarna begon de dans. + +Dat was eerst grappig. Ieder danste op zijn eigen manier en verbeeldde +zich natuurlijk, dat hij het veel beter deed dan de anderen. De muizen +en kikvorschen sprongen hoog op hun achterste pooten, een oude rat +draaide zoo woest, dat alle dansers voor hem op zij weken, en ook een +vette boomslak waagde een toertje met een mol, maar gaf het spoedig op, +onder voorwendsel dat ze er een steek van in de zij kreeg, de ware reden +was, dat ze het niet best kon. + +Het ging echter zeer ernstig en plechtig toe. Men maakte er een +gewetenszaak van, en gluurde angstig naar den koning om een teeken van +goedkeuring op zijn gelaat te zien. Maar de koning was bang om +ontevredenen te maken en keek zeer strak. Zijn gevolg rekende het +beneden hunne danskunst mede te doen. + +Johannes had zich bij dien ernst lang goed gehouden. Doch toen hij een +klein padje zag rondzwieren met een lange hagedis, die het ongelukkige +padje soms hoog boven den grond tilde en een halven cirkel in de lucht +liet beschrijven, barstte zijn vroolijkheid in een schaterlachen uit. + +Dat gaf opschudding. De muziek zweeg. De koning keek verstoord om. De +ceremoniemeester vloog in volle vaart op den lacher toe en verzocht hem +dringend zich wat gepaster te gedragen. 'Dansen is een ernstige zaak,' +zeide hij, 'en volstrekt geen bezigheid om uit te lachen. Het is hier +een deftig gezelschap, waar men niet zoo maar voor de grap danst. Ieder +deed zijn best en niemand verlangde uitgelachen te worden. Dat is een +grofheid. Men is hier bovendien op een treurfeest om droevige redenen. +Men moet zich hier fatsoenlijk gedragen en niet handelen, alsof men bij +menschen was!' + +Daar verschrikte Johannes van. Overal zag hij vijandige blikken. Zijn +vertrouwelijkheid met den koning had hem vele vijanden bezorgd. + +Windekind trok hem ter zijde: + +'Het is maar beter, dat wij weggaan, Johannes!' fluisterde hij, 'gij +hebt het weer verkorven. Ja! Ja! dat komt er van, als men bij menschen +is opgevoed!' + +Haastig glipten zij onder de vleugels van den vleermuisportier door en +kwamen in de duistere gang. De beleefde glimworm wachtte hen op. + +'Hebt gij u goed geamuseerd?' vroeg hij. 'Hebt gij koning Oberon +gesproken!' + +'O ja! het was een vroolijk feest,' zei Johannes, 'moet gij hier altijd +in de donkere gang blijven?' + +'Dat is eigen vrije keuze,' zeide de glimworm op weemoedig bitteren +toon. 'Ik houd niet meer van die ijdelheden.' + +'Kom,' zeide Windekind, 'dat meent gij niet.' + +'Het is zooals ik zeg. Vroeger,--vroeger was er een tijd dat ik ook naar +feesten ging en danste en mij met zulke beuzelingen ophield. Maar nu ben +ik door het lijden gelouterd, nu ...' + +En hij werd zoo geroerd, dat zijn lichtje weder uitging. Gelukkig waren +zij dicht bij den uitgang en het konijntje, dat hen hoorde aankomen, +ging een weinig op zijde, zoodat het maanlicht naar binnen scheen. + +Zoodra zij bij het konijntje buiten waren, zeide Johannes: 'Vertel ons +uwe geschiedenis eens, glimworm!' + +'Ach!' zuchtte de glimworm, 'die is eenvoudig en droevig. Zij zal u niet +vermaken.' + +'Vertel haar, vertel haar toch maar,' riepen allen. + +'Nu: gij weet dan toch allen wel, dat wij glimwormen zeer bijzondere +wezens zijn. Ja, ik geloof dat niemand zou durven tegenspreken, dat wij +glimwormen het hoogst begaafd zijn van al wat leeft.' + +'Waarom? dat weet ik niet,' zeide het konijntje. + +Met minachting vroeg de glimworm toen: 'Kunt gij licht geven?' 'Neen! +dat nu wel niet,' moest het konijntje bekennen. + +'Nu, _wij_ geven licht! Allen! En wij kunnen het laten schijnen of +verdooven naar willekeur. Licht is de beste gave der natuur, en licht +geven het hoogste, waartoe een levend wezen komen kan. Zou iemand nog +onzen voorrang willen betwisten! Wij mannetjes hebben bovendien vleugels +en kunnen mijlen ver vliegen.' + +'Dat kan ik ook niet,' bekende het konijntje nederig. + +'Door de goddelijke gave des lichts, die wij hebben,' ging de glimworm +voort, 'ontzien ons ook andere dieren, geen vogel zal ons aanvallen. +Alleen een dier, het laagste onder allen, zoekt ons en neemt ons mede. +Dat is de mensch, het verfoeilijkst gedrocht der schepping.' + +Johannes keek Windekind aan bij dezen uitval, als begreep hij het niet. +Doch Windekind glimlachte en wenkte hem te zwijgen. 'Eens vloog ik +vroolijk rond, als een helder dwaallicht tusschen de donkere heesters. +En op een eenzaam, vochtig grasveldje, aan den oever van een sloot, daar +woonde zij, wier bestaan onafscheidelijk aan mijn geluk was verbonden. +Schoon schitterde zij in bleeken smaragd-glans, als zij tusschen de +glanshalmen rondkroop en machtig bekoorde zij mijn jong hart. Ik vloog +om haar heen en deed mijn best door verwisseling van glans hare aandacht +te trekken. Dankbaar zag ik, hoe zij mijn groet bespeurde en zedig haar +lichtje verduisterde. Sidderend van aandoening was ik op het punt mijn +vleugels samen te vouwen en in verrukking bij mijne stralende geliefde +neer te zinken, toen een ontzaglijk geluid de lucht vervulde. Donkere +gestalten naderden. Het waren menschen. Ik nam verschrikt de vlucht. +Zij joegen mij na, en sloegen naar mij met groote, zwarte dingen. Doch +sneller dan hun logge beenen droegen mij mijne vleugels.' 'Toen ik +terug kwam ...' + +Hier begaf den verhaler de stem. Eerst na een oogenblik van stille +aandoening, waarin de drie hoorders eerbiedig zwegen,--ging hij voort: + +'Gij kunt het reeds vermoeden. Mijn teedere bruid,--de glansrijkste en +schitterendste onder allen, zij was verdwenen, medegesleept door den +boosaardigen mensch. Het stille, vochtige grasveldje was vertrapt en +haar geliefd plekje aan de sloot was duister en ledig. Ik was alleen op +de wereld.' + +Hier haalde het gevoelige konijntje wederom een oor naar beneden om een +traan uit het oog te wisschen. + +'Sinds dien tijd ben ik veranderd. Ik heb een walg van alle ijdele +vermaken. Ik denk alleen aan haar, die ik verloren heb en aan den tijd +dat ik haar zal wederzien.' + +'Zoo! hebt ge daar nog hoop op?' vroeg het konijntje verheugd. 'Ik heb +meer dan hoop, ik heb zekerheid. Daarboven zal ik mijne geliefde +wederzien.' + +'Maar ...' wilde het konijntje inbrengen. + +'Konijn!' zeide de glimworm ernstig, 'ik kan mij begrijpen, dat iemand +twijfelt, die in het duister moet rondtasten. Maar wanneer men kan zien, +met eigen oogen zien? dan is elke onzekerheid mij een raadsel. Daar!' +zeide het glimwormpje en keek vol eerbied naar den van sterren +fonkelenden hemel. 'Daar zie ik hen! al mijn vaderen, al mijn vrienden +en ook haar, duidelijk stralen, in nog heerlijker glans dan hier op +aarde. Ach! wanneer zal ik mij uit dit lage leven kunnen opheffen, en +tot haar vliegen, die mij lonkend wenkt? Ach! wanneer? wanneer?' + +Zuchtend verliet het glimwormpje zijne toehoorders en kroop weder in het +donkere hol. + +'Arm schepsel!'zeide het konijntje, 'ik hoop dat hij gelijk heeft.' + +'Ik hoop het ook,' voegde Johannes er bij. + +'Ik vrees er voor,' zeide Windekind, 'maar het was zeer aandoenlijk.' + +'Lieve Windekind,' begon Johannes, 'ik ben heel moe en heb slaap.' + +'Kom dan naast mij, ik zal u met mijn mantel toedekken.' + +Windekind nam zijn blauwe manteltje en spreidde dat over Johannes en +zichzelven uit. Zoo legden zij zich neer, in het geurige mos op de +duinhelling, de armen om elkanders hals geslagen. + +'Uwe hoofden liggen wat laag,' riep het konijntje, 'wilt ge die tegen +mij laten rusten?' + +Dat deden zij. + +'Nacht moeder!' zeide Windekind tot de maan. + +Toen sloot Johannes zijn gouden sleuteltje vast in de hand, vlijde zijn +hoofd tegen het donzige vel van het goede konijntje en sliep rustig in. + + + + +III + + +Waar is hij dan, Presto? Waar is het kleine baasje dan? Welk een schrik, +wakker te worden in de boot, in het riet--geheel alleen, de baas +spoorloos verdwenen. Het was om angstig van te worden. + +En loop je hem nu al zoolang te zoeken, onder voortdurend zenuwachtig +piepen? Arme Presto! Hoe kon je ook zoo vast slapen en niet merken dat +de baas uit de boot ging? Anders word je dadelijk wakker, zoodra hij +eenige beweging maakt. + +Nauwelijks kon je herkennen, waar de baas aan land was gegaan en hier in +de duinen ben je nu het spoor geheel bijster geraakt. Het ijverig +snuffelen hielp niet. Welk een wanhoop! de baas weg! spoorloos weg! Zoek +dan Presto, zoek hem dan! + +Wacht! daar recht voor je, tegen die duinhelling, ligt daar niet een +kleine donkere gedaante? zie eens goed! + +Een oogenblik staat het hondje onbeweeglijk, en ziet ingespannen in de +verte. Dan strekt het op eens den kop vooruit en holt, vliegt met al de +kracht van zijn vier dunne pootjes, naar dat donkere plekje op de +duinhelling. + +Maar toen dat werkelijk het zoo smartelijk vermiste baasje bleek te +zijn, toen vond hij alle pogingen nog ontoereikend om zijn gansche +blijdschap en dankbaarheid uit te drukken. Hij kwispelde, verdraaide +zijn geheele lijfje, sprong, jankte, blafte en duwde zijn kouden neus +den lang gezochte likkend en snuffelend in 't gezicht. + +'Koest, Presto, in je mand!' riep Johannes half slapend. + +Hoe dom van den baas! Er is geen mand in de buurt, zoover men zien kan. + +Langzaam begon de schemering te dagen in de ziel van den kleinen slaper. +Het snuffelen van Presto, dat was hij iederen morgen zoo gewoon. Maar +voor zijn geest hingen nog lichte droombeelden van elfen en maneschijn, +als morgennevelen om een duinlandschap. Hij vreesde dat de kille adem +van den ochtend die zou verjagen. 'Oogen toehouden,' dacht hij, 'anders +zie ik de klok en het behangsel weer, als altijd!' + +Maar hij lag vreemd. Hij voelde, dat hij geen deken had. Langzaam en +voorzichtig opende hij de oogleden op een kier. + +Helder licht. Blauwe hemel. Wolken. + +Toen opende Johannes de oogen wagenwijd en zeide: 'Is het dan toch +waar?' + +Ja, hij lag midden in het duin. Vroolijke zonneschijn verwarmde hem, +frissche morgenlucht ademde hij in, een fijne nevel omgaf de bosschen in +'t verschiet. Hij zag alleen den hoogen beuk bij den vijver en het dak +van zijn huis, dat uitstak boven het groen. Bijen en kevers gonsden om +hem heen, boven hem zong de stijgende leeuwerik, in de verte klonk +hondengeblaf en het gerucht der verwijderde stad. Het was alles klare +werkelijkheid. + +Maar wat had hij gedroomd en wat niet? Waar was Windekind? en het +konijntje? + +Hij zag geen van beiden. Alleen Presto zat zoo dicht mogelijk bij hem en +keek hem in afwachting aan. + +'Zou ik aan 't slaapwandelen geweest zijn?' prevelde Johannes zacht. + +Naast hem was een konijnenhol. Maar zoo waren er zooveel in 't duin. Hij +richtte zich op om het goed te bezien. Wat voelde hij daar in de nog +vastgesloten hand? + +Een tinteling liep van de kruin van zijn hoofd tot zijn voeten, toen hij +de hand opende. Daar schitterde een klein gouden sleuteltje. + +Een tijd lang zat hij sprakeloos. + +'Presto! zeide hij toen, terwijl de tranen hem in de oogen kwamen. +'Presto, het is _toch_ waar!' + +Presto sprong op en trachtte door blaffen zijnen meester aan 't verstand +te brengen, dat hij honger had en naar huis wilde. + +Naar huis? Ja! daaraan had Johannes niet gedacht en hij had er weinig +zin in. Maar spoedig hoorde hij door verschillende stemmen zijn naam +roepen. Toen begon hij te begrijpen, dat zijn gedrag volstrekt niet +braaf en fatsoenlijk zoude gevonden worden en dat hem lang geen +vriendelijke woorden te wachten stonden. + +Een oogenblik scheelde het weinig, of zijn vreugdetranen waren in een +moeite door, tranen van angst en berouw geworden. Maar toen dacht hij +aan Windekind, die nu zijn vriend was, zijn vriend en vertrouweling, aan +het geschenk van den elfenkoning en aan die heerlijke, onbetwistbare +waarheid van al het gebeurde en hij zocht kalm en op alles voorbereid +den weg naar huis op. + +De ontmoeting viel niet mede. Zoo erg had hij zich de onrust en vrees +van zijn huisgenooten niet voorgesteld. Hij moest plechtig beloven, +nimmer meer zoo ondeugend en onvoorzichtig te zijn. + +'Dat kan ik niet,' zeide hij vastberaden. Daar zag men vreemd van op. +Hij werd ondervraagd, gesmeekt, bedreigd. Maar hij dacht aan Windekind +en hield vol. + +Wat konden hem straffen schelen als hij Windekind's vriendschap maar +behield en wat zou hij niet voor Windekind willen lijden! Vast klemde +hij het sleuteltje aan zijn borst en de lippen opeen, terwijl hij iedere +vraag met schouderophalen beantwoordde. 'Ik kan niets beloven,' zei +hij weer. + +Doch zijn vader zeide: 'Laat hem nu maar met vrede, het is hem ernst. Er +moet iets bijzonders met hem gebeurd zijn. Eens zal hij het ons wel +vertellen.' + +Johannes glimlachte, at zwijgend zijn boterham en sloop naar zijn +kamertje. Daar sneed hij een stuk van het gordijnkoord af, deed er het +kostbare sleuteltje aan en hing het zich om den hals op de bloote borst. +Toen ging hij getroost naar school. + +Het ging zeer slecht dien dag op school. Hij kende zijn lessen geen van +alle en lette volstrekt niet op. Voortdurend vlogen zijn gedachten naar +den vijver en naar de wonderbare gebeurtenissen van den vorigen avond. +Hij kon het zich nauwelijks denken, dat een vriend van den elfenkoning +nu weer verplicht zou zijn, sommen te maken en werkwoorden te vervoegen. +Maar het was toch alles waar geweest, en niemand om hem heen wist er +iets van of zou het kunnen gelooven of begrijpen, zelfs de meester niet, +hoe barsch hij ook keek en hoe minachtend hij Johannes ook een luien +rekel noemde. Blijmoedig verdroeg hij de kwade aanteekening en maakte +hij het strafwerk, dat zijn verstrooidheid hem op den hals haalde. + +'Zij hebben er toch geen van allen begrip van. Zij mogen mij uitschelden, +zooveel zij willen. Ik blijf Windekind's vriend, en Windekind is mij meer +waard dan zij allemaal te zamen. Ja, met den meester er bij.' + +Dat was niet eerbiedig van Johannes. Maar zijn achting voor zijn +medemenschen was, na al het kwaad dat hij er den vorigen avond van had +moeten hooren, niet gestegen. + +Doch, zooals het meer gaat, hij wist zijne wijsheid nog niet verstandig +genoeg te pas te brengen, of liever, te verzwijgen. + +Toen de meester vertelde, dat alleen de mensch door God met rede was +begaafd en als heerscher was gesteld over alle andere dieren, begon hij +te lachen. Dat bezorgde hem een slechte aanteekening en eene ernstige +vermaning. En toen zijn buurman uit een themaboek den volgenden zin +oplas: 'De ouderdom van mijne moedwillige tante is groot, maar niet zoo +groot als die van de zon'--riep Johannes haastig en luide: 'van _den_ zon!' + +Allen lachten hem uit en de meester, verbaasd, over zulk een aanmatigende +domheid, zooals hij het noemde, liet Johannes schoolblijven en honderdmaal +overschrijven: 'De ouderdom van mijne moedwillige tante is groot, maar +niet zoo groot als die van de zon, het grootst echter is mijne aanmatigende +domheid.' + +De scholieren waren verdwenen en Johannes zat eenzaam in het groote +schoollokaal te schrijven. Het zonlicht scheen vroolijk naar binnen, +deed duizenden stofjes glinsteren op zijn weg en vormde op den gewitten +muur lichte plekken, die met de wisseling der uren langzaam voortkropen. +De meester was weggegaan en had de deur hard toegeslagen. Johannes was +reeds aan de twee-en-vijftigste moedwillige tante, toen een klein, vlug +muisje, met zwarte kraaloogjes en zijdeachtige oortjes, uit den versten +hoek van het lokaal onhoorbaar langs den muur kwam loopen. Johannes +hield zich doodstil om het aardige diertje niet te verjagen. Het was +niet schuw en kwam tot dicht bij Johannes' zitplaats. Toen gluurde het +een tijdlang met de kleine heldere oogjes scherp in het rond en sprong +behendig met een sprong op de bank en met een tweeden op den lessenaar, +waaraan Johannes schreef. + +'Ei, ei!' zeide deze, half bij zichzelven, 'jij bent eerst een dapper +muisje!' + +'Ik zou niet weten voor wien ik bang moest zijn,' zeide een fijn +stemmetje, en het muisje liet de tandjes zien alsof het lachte. + +Johannes was reeds aan veel wonderlijks gewend, maar zette nu toch weer +groote oogen op. Zoo midden op den dag en op school, 't was ongeloofelijk. + +'Voor mij behoef je niet bang te zijn,' zeide hij zacht, uit vrees het +muisje te verschrikken, 'kom je van Windekind?' + +'Ik kom u even zeggen, dat de meester groot gelijk heeft en dat ge uw +strafwerk ruim verdiend hebt.' + +'Maar Windekind zei toch dat de zon mannelijk was, de zon was onze +vader.' + +'Ja, maar dat behoeft niemand anders te weten. Wat hebben de menschen +daarmee te maken. Ge moet nooit over zulke teedere zaken met menschen +spreken. Daar zijn zij te grof voor. De mensch is een verbazend +boosaardig en lomp wezen, die liefst alles vangt en doodtrapt wat onder +zijn bereik komt. Daar hebben wij, muizen, ondervinding van.' + +'Maar muisje! waarom blijf je dan in zijn buurt? Waarom ga je niet ver +weg, naar de bosschen?' + +'Ach, dat kunnen wij niet meer. Wij zijn het stadsvoedsel te veel +gewend. En als men voorzichtig is en altijd oppast hun vallen en hun +zware voeten te mijden, dan is het onder menschen wel uit te houden. +Wij zijn gelukkig nog al vlug. Het ergst is, dat de mensch zijn eigen +logheid verhelpt door een verbond te sluiten met de kat, dat is een +groote ramp, maar in het bosch zijn uilen en sperwers, en sterven moeten +wij toch eenmaal allen. Nu, Johannes, onthoud mijn raad, daar komt de +meester!' + +'Muisje! muisje! ga niet weg. Vraag aan Windekind wat ik met mijn +sleuteltje doen moet. Ik heb het om mijn hals gehangen, op mijn bloote +borst. Maar Zaterdag word ik verschoond en ik ben zoo bang dat iemand +het zien zal. Zeg mij, waar ik het veilig bergen kan, muisjelief!' + +'Onder den grond, altijd onder den grond, daar is alles het veiligst. +Wil ik het bewaren?' + +'Neen! niet hier op school.' + +'Begraaf het dan buiten in de duinen. Ik zal aan mijn neef de veldmuis +laten weten, dat hij er op passen moet.' + +'Dank je muisje!' + +Bom! Bom! Daar kwam de meester aanstappen. In den tijd dat Johannes zijn +pen indoopte, was het muisje verdwenen. De meester, die zelf naar huis +verlangde, schold Johannes achtenveertig strafregels kwijt. + +Twee dagen lang leefde Johannes in voortdurenden angst. Hij werd streng +in het oog gehouden en alle gelegenheid, om naar de duinen te ontsnappen, +hem ontnomen. Het werd Vrijdag en nog liep hij met het kostbare sleuteltje +rond. Den volgenden avond moest hij verschoond worden, men zou het +sleuteltje ontdekken en hem afnemen, hij ijsde bij de gedachte. In huis +of tuin durfde hij het niet verbergen, geen plekje scheen hem veilig +genoeg. + +Het werd Vrijdagavond en de schemering begon te vallen. Johannes zat +voor het venster van zijn slaapkamer en keek verlangend naar buiten, +over de groene heesters van den tuin, naar de verre duinen. 'Windekind! +Windekind! help mij,' fluisterde hij angstig. + +Daar ruischte een zachte vleugelslag naast hem, hij rook den geur van +lelien van dalen en hoorde plotseling de bekende, zoete stem. + +Windekind zat naast hem op de vensterbank en liet de klokjes van een +lelie van dalen aan den slanken stengel wiegelen. + +'Zijt gij daar eindelijk! Ik heb zoo naar u verlangd!' zeide Johannes. + +'Ga met mij mede, Johannes, wij zullen uw sleuteltje gaan begraven.' + +'Ik kan niet,' zuchtte Johannes droevig. + +Doch Windekind vatte hem bij de hand, en hij gevoelde hoe hij, licht als +het gepluisde zaadje van een paardebloem, wegzweefde door de stille +avondlucht. + +'Windekind,' zeide Johannes onder het zweven, 'ik houd zooveel van u. Ik +geloof dat ik alle menschen voor u zou willen geven en Presto ook.' + +Windekind zeide: 'en Simon?' + +'O, het kan Simon niet zooveel schelen, of ik van hem houd. Ik geloof, +dat hij dat te kinderachtig vindt. Simon houdt alleen maar van de +vischvrouw en dat ook alleen maar, als hij honger heeft. Gelooft ge, dat +Simon een gewone kat is, Windekind?' + +'Neen, hij is vroeger een mensch geweest.' + +Hoe-oe-oe! boms! daar vloog een dikke meikever tegen Johannes aan. 'Kunt +gij niet beter voor u uitkijken,' bromde de meikever 'dat elfengoed +vliegt maar, alsof het de heele lucht in pacht had! Dat heb je van die +nietsdoeners, die altijd maar voor hun plezier rondzwerven, iemand als +ik die zijn plicht doet, altijd voedsel zoekt en zoo hard eet, als hij +kan, wordt er door uit den koers gebracht.' + +Onder luid gebrom vloog hij verder. + +'Neemt hij ons kwalijk, dat wij niet eten?' vroeg Johannes. + +'Ja, dat is zoo meikever-gewoonte. Bij de meikevers wordt het als +hoogste plicht beschouwd, veel te eten. Wil ik u eens de geschiedenis +van een jongen meikever vertellen?' + +'Ja doe dat, Windekind.' + +'Het was een mooie, jonge meikever, die pas uit den grond was gekropen. +Nu, dat was een groote verrassing. Een geheel jaar had hij onder de +donkere aarde gezeten en gewacht op den eersten warmen avond. En toen +hij zijn kop uit de kluitjes stak, bracht al dat groen en het wuivende +gras en de zingende vogels hem geheel in verlegenheid. Hij wist niet, +wat hij eigenlijk beginnen moest. Hij betastte de grashalmpjes in de +buurt met zijn sprieten en stak die waaiervormig uit. Daaraan merkte +hij, Johannes, dat hij een mannetje was. Hij was heel mooi in zijn +soort, had glanzige, zwarte pooten, een dik, bestoven achterlijf en een +borstschild, dat als een spiegel glom. Gelukkig zag hij al gauw, niet +ver van hem vandaan, een anderen meikever, wel niet zoo'n mooien, maar +een die al een dag vroeger uitgevlogen en dus al heel oud was. Heel +bescheiden, omdat hij nog zoo jong was, roept hij dezen aan. + +'Wat wou je, vriendje!' zegt de tweede uit de hoogte, omdat hij zag, dat +het een nieuweling was, 'wou je mij den weg vragen?' + +'Neen, ziet u! zeide de jongste beleefd, 'maar ik weet niet, wat ik hier +doen moet. Wat doet men zoo als meikever?' + +'Zoo! zoo!' zeide de ander, 'weet je dat niet. Nu, dat neem ik niet +kwalijk, ik ben ook zoo geweest; luister maar goed, dan zal ik het je +zeggen. De hoofdzaak in het meikever-leven is eten. Niet ver hier +vandaan is een kostelijke lindenhaag, die is daar voor ons gezet om er +zoo vlijtig mogelijk van te eten.' + +'Wie heeft die lindenhaag daar neergezet?' vroeg de jonge kever. + +'Wel, een groot wezen, dat het heel goed met ons meent. Iederen morgen +komt hij langs de haag en wie dan het meeste gegeten heeft, neemt hij +tot zich, in een heerlijk huis, waar een helder licht schijnt en waar +alle meikevers gelukkig bijeen zijn. Wie echter, in plaats van te eten, +den ganschen nacht blijft rondvliegen, wordt door de vleermuis gevangen.' + +'Wie is dat?' vroeg de nieuweling. + +'Dat is een vreeselijk monster met scherpe tanden, dat plotseling achter +ons aan komt vliegen en ons onder afgrijselijk gekraak opeet.' Toen de +kever dat zeide, hoorden ze boven zich een schel gepiep, dat hun door +merg en been drong. + +'Hu! dat is hij,' riep de oudste. 'Pas op voor hem, jonge vriend. Wees +dankbaar dat ik je bijtijds heb gewaarschuwd. Je hebt een ganschen nacht +voor je, verknoei dien nu niet. Hoe minder je eet hoe meer kans je hebt +door de vleermuis te worden verslonden. En alleen zij, die zich een +ernstige levensroeping kiezen, komen in het huis met het heldere +schijnsel. Denk er om! Een ernstige roeping!' + +'Toen scharrelde de kever, die een heelen dag ouder was, tusschen de +grashalmen verder en liet den eersten getroffen achter. Weet je wat een +roeping is, Johannes? Niet! Nu, dat wist die jonge kever ook niet. Het +stond met eten in verband, dat begreep hij. Maar hoe moest hij bij die +lindenhaag komen? 'Vlak naast hem stond een slanke, stevige grashalm, +die zachtjes wiegelde in den avondwind. Dien pakte hij maar vast beet, +met zijn zes kromme pootjes. Het scheen een hoog gevaarte van beneden +gezien en erg steil. Toch wilde de meikever er in. 'Dat is een roeping!' +dacht hij, en begon moedig te klimmen. Het ging langzaam, dikwijls gleed +hij terug, maar hij vorderde; en toen hij eindelijk in het dunste topje +was geklommen en mede wiegelde met de schommelingen, voelde hij zich +voldaan en gelukkig. Welk een uitzicht had hij hier! Het scheen hem, +alsof hij de wereld overzag. Hoe zalig was het, zoo van alle kanten door +lucht te zijn omgeven! Gretig zoog hij het achterlijf vol. Hoe wonderlijk +werd het hem daarbij te moede! Nog hooger wilde hij! + +'Hij lichtte de dekschilden in verrukking op, liet de vliezige vleugels +even trillen. Hooger wilde hij! Hooger! Weer trilden zijne vleugels, de +pooten lieten den grashalm los en--O, vreugde ... Hoe-oe-oe! daar vloog +hij vrij en vroolijk in de stille, warme avondlucht.' + +'En toen?' vroeg Johannes. + +'Het vervolg is niet vroolijk. Dat vertel ik u later wel eens.' + +Zij waren over den vijver heengevlogen. Een paar late, witte kapelletjes +fladderden met hen mede. + +'Waar gaat de reis heen, elfen?' vroegen zij. + +'Naar de groote duinroos, die daar bloeit tegen gindsche helling.' + +'Wij gaan mede! wij gaan mede!' + +Reeds van verre was zij zichtbaar, met haar talrijke teedergele +zijde-zachte bloemen. De knopjes waren rood gekleurd en de geopende +bloemen vertoonden roode streepjes, als teekenen van den tijd toen zij +nog knoppen waren. + +In eenzame rust bloeide de wilde duinroos en vervulde den omtrek met +haar wonderzoete geuren. Zoo heerlijk zijn die, dat de duin-elfen +daarvan alleen leven. + +De vlinders dwarrelden op haar toe en kusten bloem aan bloem. 'Wij komen +u een schat toevertrouwen,' riep Windekind, 'wilt gij dien voor ons +hoeden?' + +'Waarom niet? waarom niet?' fluisterde de duinroos, 'het wachten +verveelt mij niet, en ik denk hier niet vandaan te gaan, als men mij +niet weghaalt. Ook heb ik scherpe doornen.' + +Toen kwam de veldmuis, de neef van het muisje uit school, en groef een +gang onder de wortels van de roos. Daar droeg hij het sleuteltje in. + +'Als gij het nu weer hebben wilt, dan moet gij mij weer roepen. Dan +behoeft gij de roos geen schade te doen.' + +De roos vlocht zijn gedoornde twijgen dicht over den ingang en zwoer +plechtig het trouw te bewaken. De kapelletjes waren getuigen. + +Den volgenden morgen werd Johannes in zijn eigen bedje wakker, bij +Presto, de klok en het behangsel. Het koord om zijn hals en het +sleuteltje daaraan waren verdwenen. + + + + +IV + + +Jongen! Jongen! Wat is zoo'n zomer toch criant vervelend,' zuchtte een +van de drie groote kachels, die op een zolder in het oude huis, in een +donkere hoek bij elkaar stonden te kniezen, 'weken lang heb ik geen +levende ziel gezien en geen verstandig woord gehoord. En dan die leegte +van binnen. 't Is afschuwelijk!' + +'Ik zit vol spinnewebben,' zei de tweede, 'dat zou 's winters ook niet +gebeuren.' + +'En ik ben zoo stoffig, dat ik mij dood zal schamen, als tegen den +winter de zwarte man weer verschijnt, zooals van Alphen zegt.' Die +wijsheid had de derde kachel natuurlijk van Johannes opgevangen, als +deze 's winters voor den haard versjes opzeide. + +'Gij moet niet zoo oneerbiedig over den Smid spreken,' zeide de eerste +kachel, die de oudste was, 'dat hindert mij!' + +Ook eenige tangen en aschschoppen die hier en daar op den grond lagen, +in papier gewikkeld tegen 't roesten, gaven duidelijk hun +verontwaardiging te kennen over die lichtzinnige uitdrukking. + +Doch plotseling verstomde het gesprek, want het zolderluik werd +opgeheven, een lichtstraal drong tot in den duisteren hoek door en +stelde het geheele gezelschap in hun stoffige verwarring ten toon. + +Het was Johannes, die hun gesprek kwam storen. De zolder had altijd een +groote aantrekkelijkheid voor hem. Nu, na al de vreemde gebeurtenissen +van den laatsten tijd kwam hij er dikwijls. Hij vond er rust en +eenzaamheid. Ook was er een venster, dat door een luik gesloten was en +naar den duinkant uitzag. Het was een groot genot, dat luik plotseling +te openen, en na het geheimzinnig schemerduister van den zolder op eens +het wijde, hel verlichte landschap voor zich te zien, begrensd door de +blanke, zacht-golvende duinreeks. + +Er waren drie weken na dien Vrijdagavond verloopen, zonder dat Johannes +iets van zijn vriend bespeurd had. Het sleuteltje was nu ook weg en +niets was hem nog tot zeker bewijs, dat hij niet gedroomd had. Dikwijls +kon hij de vrees niet wegredeneeren, dat het alles toch maar inbeelding +was geweest. Hij werd er stil onder, en angstig maakte zijn vader de +opmerking, dat Johannes na dien nacht in de duinen zeker een ziekte +onder de leden had gekregen. Johannes echter verlangde naar Windekind. + +'Zou hij net zooveel van mij houden, als ik van hem?' mijmerde hij, +terwijl hij aan het zoldervenster stond en over den groenen, bloemrijken +tuin staarde, 'waarom zou hij dan niet meer en langer bij mij komen. Als +ik kon ... Maar misschien heeft hij meer vrienden. Zou hij daar ook van +houden, meer dan van mij. Ik heb geen andere vrienden, geen een. Ik houd +alleen van hem. Zoo veel! o zoo veel!' + +Tegen den diep-blauwen hemel zag hij een vlucht van zes witte duiven +afsteken, die met kleppenden vleugelslag over het huis zwenkten. Het +scheen of een gedachte hen dreef, zoo snel en gelijktijdig veranderden +zij telkens van richting, als om volop te genieten van de zee van +zonlicht waarin zij zweefden. + +Op eenmaal vlogen zij naar Johannes' dakvenstertje toe en streken met +veel gefladder en wiekgeklepper op de dakgoot neer, waar zij bedrijvig +kirrend heen en weer bleven trippelen. Een van hen had een rood veertje +in zijnen vleugel. Hij pluisde en trok er zoolang aan, totdat hij het in +den bek hield, toen vloog hij op Johannes toe en gaf het hem. + +Nauwelijks had Johannes het aangenomen, of hij voelde dat hij zoo licht +en vlug werd als een der duiven. Hij strekte de leden uit, de +duivenvlucht vloog op, en Johannes zweefde in hun midden mede, in de +ruime, vrije lucht en den helderen zonneschijn. Niets was om hem, dan +het reine blauw en de helle schittering der blanke duivenvleugels. + +Zij vlogen over den grooten tuin naar het bosch, waarvan de dichte +boomtoppen in de verte wuifden als de golven van een groene zee. +Johannes keek naar beneden en zag zijn vader voor het open raam zitten +in de huiskamer, Simon zat met gevouwen voorpooten in de vensterbank en +koesterde zich in de zon. 'Zou zij mij zien?' dacht hij, maar hij durfde +niet roepen. + +Presto holde door de tuinpaden en snuffelde in iederen heester, achter +elken muur, en krabbelde tegen elk deurtje van broeikas of oranjerie, om +zijn baasje te vinden. + +'Presto! Presto !' riep Johannes. Het hondje zag op en begon te +kwispelstaarten en klagelijk te janken. + +'Ik kom terug, Presto! wachten!' riep Johannes, maar hij was al te ver +weg. + +Zij zweefden boven het bosch en de kraaien vlogen krassend uit de hooge +toppen, waarin zij hun nesten hadden. Het was in 't midden van den zomer +en de geur der bloeiende linden steeg in wolken uit het groene woud +omhoog. + +In een leeg nest, op den top van een hooge linde zat Windekind, met zijn +krans van windekelken op het hoofd. Hij knikte Johannes toe. + +'Zijt ge daar! dat is goed,' zeide hij. 'Ik heb u laten halen. Nu kunnen +wij lang bijeen blijven--als ge wilt.' + +'Ik wil wel graag,' zeide Johannes. + +Toen dankte hij de vriendelijke duiven, die hem gebracht hadden en +daalde met Windekind in het bosch af. + +Daar was het frisch en schaduwrijk. De wielewaal floot, altijd bijna +hetzelfde maar toch eenigszins anders. + +'De arme vogel,' zei Windekind, 'hij was eens een paradijsvogel. Dat +ziet ge nog wel aan zijn vreemde gele vederen, maar hij is veranderd en +uit het paradijs verjaagd. Er is een woord, dat hem zijn vroegere +prachtige kleeding kan teruggeven en hem weer in het paradijs brengen. +Maar dat woord is hij vergeten. Nu probeert hij dag aan dag, om het +terug te vinden. Het lijkt er wel iets op, maar het rechte is het niet.' + +Tallooze vliegen glinsterden als zwevende kristallen in de zonnestralen, +die door het donkere loover drongen. Als men aandachtig luisterde, kon +men hun gonzen hooren als een groot eentonig concert, dat het gansche +bosch vervulde. Het was alsof de zonnestralen zongen. + +Dik, donkergroen mos bedekte den grond en Johannes was weder zoo klein +geworden, dat het hem een nieuw bosch op den bodem van het groote bosch +toescheen. Wat sierlijke stammetjes! En hoe dicht groeiden zij opeen! +Het was moeilijk er tusschen door te komen en het moswoud scheen +ontzettend groot. + +Daar kwamen zij aan een mierenpaadje. Honderden mieren liepen bedrijvig +af en aan, sommige stukjes hout, blaadjes of grassprietjes in de kaken +dragend. Het was zulk een gewoel, dat Johannes er bijna duizelig van werd. + +Het duurde lang, voor dat een der mieren hen te woord wilde staan. Zij +hadden het allen zoo druk. Eindelijk vonden zij een oude mier, die was +aangesteld om de bladluisjes, waarvan de mieren den honingdauw trekken, +te bewaken. Daar zijn kudde erg rustig was, kon hij zich wel een poosje +met de vreemdelingen bemoeien en hun het groote nest laten zien. Het was +aan den voet van een ouden boomstam aangelegd, zeer groot en honderden +gangen en kamertjes rijk. De bladluisherder gaf uitleg en leidde de +bezoekers overal rond, tot in de kinderkamers, waar de jonge larven uit +de witte windsels kruipen. Johannes was verbaasd en opgetogen. + +De oude mier vertelde, dat men in groote drukte leefde wegens den +veldtocht, die eerstdaags ophanden was. Men zou een andere mierenkolonie, +niet ver verwijderd, met een groote macht gaan overvallen, het nest +vernielen en de larven rooven of dooden, daarvoor zouden alle krachten +noodig zijn en men moest dus eerst het dringendste werk afdoen. + +'Waarom is die veldtocht?' zeide Johannes, 'dat lijkt mij niet mooi.' + +'Neen! neen!' zei de luizenhoeder, 'het is een zeer schoone en +lofwaardige tocht. Ge moet denken, het zijn de Strijd-mieren, die wij +gaan aanvallen, wij gaan hun geslacht uitroeien en dat is een zeer +goed werk.' + +'Zijt gij dan geen Strijd-mieren?' + +'Zeker niet! Wat denkt ge wel? Wij zijn Vrede-mieren.' + +'Wat beteekent dat dan?' + +'Weet ge dat niet? Dat zal ik u uitleggen. Eens waren alle mieren +voortdurend aan 't vechten, geen dag ging er om zonder groote +slachtingen. Toen kwam er een wijze, goede mier, die bedacht dat het +veel moeite zou besparen, als de mieren onderling afspraken niet meer +te vechten. + +'Toen hij dat zeide, vond men het erg vreemd en om die reden begon men +maar met hem in kleine stukjes te bijten. Later kwamen nog andere mieren +die hetzelfde meenden. Ook die werden in kleine stukjes gebeten. Maar +eindelijk kwamen er zooveel, dat het stukbijten te veel werk was voor +de anderen. + +'Toen noemden zij zich Vrede-mieren en hielden allen vol dat de eerste +Vrede-mier gelijk had; wie dat tegensprak beten zij op hun beurt in +stukjes. Op die manier zijn tegenwoordig bijna alle mieren Vrede-mieren +geworden, en de stukjes van de eerste Vrede-mier worden met zorg en +eerbied bewaard. Wij hebben den kop. Den echten. Wij hebben al twaalf +andere kolonies verwoest en uitgemoord, die beweerden den echten kop te +hebben. Nu zijn er nog maar vier over die dat doen. Zij noemen zich +Vrede-mieren, maar het zijn natuurlijk Strijd-mieren, want wij hebben +den echten kop en de Vredemier had maar een kop. Nu gaan wij eerstdaags +de dertiende kolonie uitroeien. Dat is dus wel een goed werk.' + +'Ja! Ja!' zeide Johannes--'het is heel merkwaardig!' + +Hij was eigenlijk een beetje bang geworden, en voelde zich veel rustiger, +toen zij den gedienstigen herder dankend vaarwel hadden gezegd en ver van +het mierenvolk wiegelend op een grashalm zaten uit te rusten, in de +schaduw van een sierlijk varenblad. + +'Hu!' zuchtte Johannes, 'dat was een bloeddorstig en dom gezelschap.' + +Windekind lachte en schommelde met zijn grashalm op en neder. + +'O!' zei hij, 'gij moet hen niet dom noemen. De menschen gaan naar de +mieren om wijs te worden.' + +Zoo toonde Windekind aan Johannes alle wonderen van het bosch, zij +vlogen beiden tot de vogels in de boomtoppen en in de dichte heesters, +daalden af in de kunstige woningen van de mollen, en zagen het bijennest +in den ouden boomstam. + +Eindelijk kwamen zij aan een open plek, omringd door kreupelhout. +Kamperfoelie groeide er in grooten overvloed. Overal slingerden zich de +weelderige twijgen over de struiken en prijkten de welriekende +bloemkransen tusschen het groen. Een zwerm meesjes sprong en fladderde +tusschen de blaadjes, onder luidruchtig getjilp en gekwetter. + +'Laat ons hier wat blijven,' vroeg Johannes, 'hier is het heerlijk.' + +'Goed,' zeide Windekind. 'Dan zult ge ook iets grappigs zien.' + +Op den grond stonden blauwe klokjes in het gras. Johannes ging naast een +zitten en begon een gesprek over de bijen en de kapellen. Dat waren +goede vrienden van het klokje en daarom vlotte het gesprek ook spoedig. + +Wat was dat? Een groote schaduw kwam over het gras en iets als een witte +wolk daalde op het klokje neer ... Nauwelijks had Johannes tijd om weg te +komen, en vloog naar Windekind, die in een hoogbloeiende kamperfoelie- +bloem zat. Toen zag hij dat de witte wolk een zakdoek was en bom! daar +ging een dikke juffrouw op den zakdoek zitten en op het arme klokje dat +er onder was. + +Hij had geen tijd om het te beklagen, want gerucht van stemmen en +gekraak van takken vervulden de open plek van het bosch. Een menigte +menschen naderde. + +'Nu zullen wij lachen,' zeide Windekind. + +Daar kwamen zij aan, de menschen. De vrouwen met manden en parapluies in +de hand, de mannen met hooge, rechte, zwarte hoeden op. Ze waren meest +allen zwart, erg zwart. In het zonnige, groene bosch zagen zij er uit +als groote, leelijke inktvlekken op een prachtig schilderij. + +Er werden heesters uiteengedrongen, bloemen neergetrapt, nog vele witte +zakdoeken uitgespreid en de lijdzame grassprietjes en de geduldige +mosplantjes gaven zuchtend mede onder het gewicht dat ze te torsen +kregen en vreesden nimmer van den slag te herstellen. + +Sigarenrook krinkelde over de kamperfoelie-struiken en verdreef nijdig +den teederen geur hunner bloemen. + +Harde stemmen verjaagden den vroolijken meezenzwerm, die onder verschrikt +en verontwaardigd getjilp in de naaste boomen toevlucht zocht. + +Een man rees op uit de menigte en ging op een heuveltje staan. Hij had +lang, blond haar en een bleek gezicht. Hij zeide iets en toen deden alle +menschen hunnen mond erg wijd open en begonnen te zingen, zoo hard, dat +de kraaien krassend opvlogen van hunne hooge nesten en de nieuwsgierige +konijntjes, die van den duinrand gekomen waren om eens te kijken, +verschrikt aan 't loopen gingen en een kwartier lang bleven doorloopen, +toen zij reeds veilig weder in 't duin waren. + +Windekind lachte en sloeg den sigarenrook voor zich weg met een varentak, +Johannes kwamen de tranen in de oogen, echter niet van den rook. + +'Windekind,' zeide hij, 'ik wilde weg, het is zoo leelijk en zoo hard.' + +'Neen, wij moeten nog blijven. Gij zult lachen, het wordt nog grappiger.' + +Het zingen hield op en de bleeke man begon te spreken. Hij schreeuwde +hard, opdat allen hem zouden verstaan, maar wat hij zeide klonk erg +vriendelijk. Hij noemde de menschen broeders en zusters en sprak van de +heerlijke natuur en de wonderen der schepping, van Gods zonneschijn en +van de lieve vogelen en bloemen ... + +'Wat is dat?' vroeg Johannes. 'Hoe spreekt hij daarover? Kent hij u? Is +hij een vriend van u?' + +Windekind schudde minachtend het omkranste hoofdje. + +'Hij kent mij niet, de zon, de vogelen, de bloemen evenmin. Het is alles +logen wat hij zegt.' + +De menschen luisterden allen zeer aandachtig. De dikke juffrouw, die op +het blauwe klokje zat, begon verscheiden malen te huilen en wischte de +tranen met haar rokslip af, omdat zij haar zakdoek niet gebruiken kon. + +De bleeke man zeide, dat God ter wille van hun bijeenkomst de zon zoo +vroolijk had laten schijnen; toen lachte Windekind en wierp van uit de +dichte bladen een eikel op zijn neus. + +'Hij zal het anders ondervinden,' zeide hij, 'mijn vader zou voor hem +schijnen, wat verbeeldt hij zich wel.' + +Doch de bleeke man was te veel in vuur geraakt om op den eikel te +letten, die uit de lucht scheen te vallen, hij sprak lang en hoe langer +hoe harder. Op 't laatst werd hij rood en blauw in 't gezicht, balde de +vuisten en schreeuwde zoo luid, dat de bladeren trilden en de grashalmen +ontzet heen en weer wiegelden. Toen hij eindelijk tot bedaren gekomen +was, begonnen allen weer te zingen. + +'Wel foei!' zeide een meerle, die van een hoogen boom het rumoer +aanhoorde. 'Is dat een afschuwelijk leven maken! Ik heb nog liever dat +er koeien in het bosch komen. Hoor dat eens aan. Wel foei!' + +Nu! de meerle is een kenner en heeft een fijnen smaak. + +Na het gezang haalden de menschen uit manden, doozen en zakken, allerlei +eetwaren voor den dag. Er werden papieren uitgespreid en broodjes en +sinaasappelen verdeeld. Ook flesschen en glazen kwamen te voorschijn. + +Toen riep Windekind zijn bondgenooten bijeen en begon den smullenden +troep te belegeren. + +Een dappere kikvorsch sprong op den schoot van een oude juffrouw, vlak +naast het broodje dat zij juist wilde gaan opeten en bleef daar zitten, +als verbaasd over zijn eigen stoutmoedigheid. De juffrouw gaf een +ijselijken gil en staarde ontzet den aanvaller aan, zonder zich te +durven verroeren. Het moedige voorbeeld vond navolging. Groene rupsen +kropen onverschrokken over hoeden, zakdoeken en broodjes, overal angst +en schrik teweegbrengend; groote dikke kruisspinnen lieten zich aan +glinsterende draden neer in bierglazen, op hoofden of halzen en een luid +gegil volgde steeds hunnen aanval; tallooze vliegjes bestormden de +menschen regelrecht in 't gezicht en offerden hun leven voor de goede +zaak, door zich op spijzen en dranken te storten en ze met hun lichaam +onbruikbaar te maken. Eindelijk kwamen de mieren in onafzienbare scharen +en tastten den vijand op de meest onverwachte plaatsen bij honderden +tegelijk aan. Dat bracht een verwarring en ontsteltenis teweeg! Haastig +vlogen mannen en vrouwen van de zoo lang verdrukte mos- en grasplantjes +op; ook het arme, blauwe klokje werd bevrijd, door den welgeslaagden +aanval van twee oorwurmen op de beenen van de dikke juffrouw. De +vertwijfeling nam toe: dansend en springend, onder de zonderlingste +gebaren, trachtten de menschen hun vervolgers te ontkomen. De bleeke man +bood lang weerstand en sloeg met een zwart stokje in 't rond, doch een +paar baldadige meezen, die geen aanvalsmiddel te laag achtten en een +wesp, die hem door zijn zwarte broek heen in de kuit stak, stelden hem +buiten gevecht. + +Toen kon de vroolijke zon zich niet langer goed houden en verborg het +aangezicht achter een wolk. Groote regendroppels daalden op de +strijdende partijen. Het was alsof door den regen plotseling een bosch +van groote, zwarte paddestoelen uit den grond opschoot. Dat waren de +regenschermen die werden uitgespannen. Vrouwen sloegen de rokken over +het hoofd, waardoor witte onderrokken, wit gekouste beenen en schoenen +zonder hakken zichtbaar werden. O, wat had Windekind een pret! hij moest +zich aan den bloemstengel vasthouden van 't lachen. + +Dichter en dichter stroomde de regen, hij begon het bosch met een +grauwen, glinsterenden sluier te omhullen. Kletterende waterstralen +vielen van parapluies, hooge hoeden en zwarte jassen, die glommen als de +schilden van de watertor, de schoenen zoenden en smakten in den +doorweekten grond. Toen gaven de menschen het op, en dropen bij kleine +troepjes zwijgend af, een menigte papieren, ledige flesschen en +sinaasappelschillen als onoogelijke sporen van hun bezoek, achterlatend. +Op het open veldje in het bosch werd het weder eenzaam en hoorde men +spoedig niets meer dan het eentonige ruischen van den regen. + +'Nu, Johannes! nu hebben wij ook menschen gezien. Waarom lacht gij ook +niet om hen?' + +'Ach, Windekind! zijn alle menschen zoo?' + +'O! er zijn nog veel erger en leelijker. Soms razen en tieren zij en +vernielen al wat mooi en heerlijk is. Zij hakken boomen om en zetten er +plompe, vierkante huizen voor in de plaats. Zij vertrappen de bloemen +moedwillig en dooden voor vermaak elk dier, dat onder hun bereik komt. +In hun steden, waar zij opeen kruipen, is alles vuil en zwart en de +lucht bedompt en vergiftigd door stank en rook. Zij zijn geheel vervreemd +van de natuur en hun medeschepselen. Daarom maken zij zulk een dwaas en +droevig figuur, als zij er in terugkeeren.' + +'Ach! Windekind! Windekind!' + +'Waarom weent gij, Johannes? Gij moet niet weenen, omdat gij bij +menschen geboren zijt. Ik heb u immers lief en u verkoren onder allen. +Ik heb u de taal van vlinders en vogelen geleerd en den blik der bloemen +doen verstaan. De maan kent u, en de goede, milde aarde heeft u lief als +haar liefste kind. Waarom zoudt ge niet blij zijn, daar ik uw vriend ben?' + +'O, Windekind dat ben ik! dat ben ik! maar ik moet toch huilen om al die +menschen!' + +'Waarom? Gij behoeft niet bij hen te blijven, als u dat verdriet doet. +Gij kunt hier wonen en mij altijd vergezellen. Wij zullen huizen in het +dichtste van het bosch, in de eenzame, zonnige duinen of in het riet aan +den vijver. Ik zal u overal brengen, op den bodem van het water tusschen +de waterplanten, in de paleizen van elfen en in de woningen van de +kabouters. Ik zal met u zweven over velden en wouden, over vreemde +landen en zeeen. Ik zal spinnen fijne kleederen voor u laten maken en u +vleugels geven, zooals ik ze draag. Wij zullen leven van bloemengeur en +met de elfen in het maanlicht dansen. Als de herfst komt, zullen wij met +den zomer medetrekken, daarheen waar de hooge palmen oprijzen, waar +kleurige bloemtrossen aan de rotsen hangen en het donkerblauwe zeevlak +schittert in de zon. En ik zal u altijd sprookjes vertellen. Wilt ge dat +Johannes?' + +'Zal ik nimmermeer onder menschen wonen?' + +'Onder menschen wacht u eindeloos verdriet, verveling, vermoeienis en +zorg. Dag aan dag zult gij tobben en zuchten onder den last van uw +leven. Zij zullen uwe teedere ziel stooten en pijnigen door hun +grofheden. Zij zullen u ter dood vervelen en martelen. Hebt gij de +menschen meer lief dan mij?' + +'Neen! neen! Windekind, ik wil bij u blijven!' + +Nu kon hij toonen, hoeveel hij van Windekind hield. Ja! hij wilde allen +en alles voor hem verlaten en vergeten. Zijn kamertje, Presto en zijn +vader. Vol vreugde en vastberaden herhaalde hij zijn wensch. + +De regen hield op. Onder grauwe wolken door straalde een heldere +glimlach van de zon over het woud, op de vochtige glanzende bladeren en +op de droppels, die aan elk twijgje en halmpje fonkelden en de +spinnewebben sierden, die over het eikenloof gespannen waren. Langzaam +steeg een fijne nevel uit den vochtigen grond tusschen het kreupelhout +omhoog, duizend zoele droomerige geuren medevoerend. De meerle vloog nu +in den hoogsten boomtop en zong in korte, innige melodieen tot de +dalende zon, als wilde zij toonen welke zang hier paste, in de plechtige +avondstilte, bij de zachte begeleiding der vallende droppen. + +'Is dat niet schooner dan menschengeluid, Johannes? Ja! de meerle weet +wel den juisten toon te treffen. Hier is alles harmonie, zoo volkomen +zult ge ze bij menschen nooit vinden.' + +'Wat is harmonie, Windekind?' + +'Dat is hetzelfde als geluk. Het is dat, waarnaar alles streeft. Ook de +menschen. Doch zij doen als jongens, die een vlinder willen vangen. Zij +jagen haar juist weg door hun domme pogingen.' + +'Zal ik haar bij u vinden?' + +'Ja Johannes! Maar dan moet gij de menschen vergeten. Het is een slecht +begin, bij menschen geboren te zijn, maar gij zijt nog jong, gij moet +alle herinneringen aan uw menschenleven van u afzetten, bij hen zoudt +gij dwalen en in verwarring, strijd en ellende geraken, het zou met u +gaan als met den jongen meikever, van wien ik u vertelde.' + +'Wat is daarmede verder gebeurd?' + +'Hij heeft het heldere schijnsel gezien, waarvan de oude kever sprak; +hij dacht niet beter te kunnen doen, dan er dadelijk heen te vliegen. +Regelrecht vloog hij in een kamer en viel in menschenhanden. Drie dagen +lang is hij daar gemarteld, hij heeft in kartonnen doosjes gezeten, men +heeft hem draadjes aan de pooten gebonden en zoo laten vliegen, toen +heeft hij zich losgerukt, een vleugel en een poot verloren en is +eindelijk, hulpeloos op een vloerkleed rondkruipend en nog vruchteloos +pogend den tuin te bereiken, door een zwaren voet verpletterd. + +'Alle dieren, Johannes, die in den nacht ronddolen, zijn zoo goed +kinderen van de zon als wij. En al hebben zij nimmer hunnen +schitterenden vader gezien, toch drijft hen een onbewuste herinnering +immer weer tot al waaraan licht ontstraalt. En duizenden arme schepsels +der duisternis vinden een jammerlijken dood door die liefde tot de zon, +van wie zij sinds lang gescheiden en vervreemd zijn. Zoo brengt een +onbegrepen, onweerstaanbare neiging de menschen ten verderve in de +schijnbeelden van dat Groote Licht, dat hen deed ontstaan en dat zij +niet meer kennen.' + +Vragend zag Johannes op naar Windekind's oogen. Doch zij waren diep en +geheimvol, als de donkere hemel tusschen de sterren. + +'Bedoelt gij God?' vroeg hij eindelijk schuchter. + +'God?' De diepe oogen lachten zacht. 'Ik weet, Johannes, waaraan gij +denkt, als gij dien klank uitspreekt. Aan den stoel voor uw bed, +waartegen gij het lange gebedje iederen avond zegt, aan de groen saaien +gordijnen voor het kerkraam, waarnaar gij Zondagmorgen zoo lang kijkt, +aan de kapitale letters van uw bijbeltje, aan het kerkezakje met den +langen steel, aan leelijk gezang en een muffe menschenlucht. Wat gij met +dien naam bedoelt, Johannes, is een belachelijk schijnbeeld, in plaats +van de zon, een groote petroleumlamp, waarop honderden en duizenden +mugjes hulpeloos zitten vastgeplakt.' + +'Maar hoe heet dan dat Groote Licht, Windekind? en tot wien moet ik dan +bidden?' + +'Johannes, het is alsof een schimmelplantje mij vroeg hoe de aarde +heette, die met haar ronddraait. Was er een antwoord op uw vraag, gij +zoudt het verstaan als een aardworm de muziek der sterren. Doch bidden +zal ik u leeren.' + +En met den kleinen Johannes, die in stille verwondering over Windekind's +woorden peinsde, vloog hij uit het bosch omhoog, zoo hoog, dat over den +duinrand een lange, als goud fonkelende streep zichtbaar werd. Zij +vlogen voort, de grillig beschaduwde duinvlakte gleed onder hun blikken +weg en breeder en breeder werd de lichtstreep. De groene kleur der +duinen week, vaal zag het helm en vreemde, bleekblauwe planten groeiden +er tusschen. Nog een hooge heuvelreeks, een lang gestrekte, smalle +zandstrook en dan de wijde, ontzaglijke zee. + +Blauw was het groote vlak, tot aan de kimme, maar onder de zon straalde +een smalle strook in verblindend roode schittering. Een lange, donzig +witte schuimrand omzoomde het zeevlak, zooals hermelijn het blauw fluweel +omzoomt. + +En aan de kimme scheidde lucht en water een fijne, wonderbare lijn. Een +wonder scheen zij: recht en toch gebogen, scherp en toch onbestemd, +zichtbaar en toch onnaspeurlijk. Zij was als de toon eener harp, die +lang en droomend naklinkt, die schijnt weg te sterven en toch blijft. + +Toen zette de kleine Johannes zich op den duinrand en staarde ..., +staarde in lang, roerloos zwijgen totdat het hem was, alsof hij ging +sterven, alsof de groote, gouden deuren van het heelal zich statig +ontsloten en zijne kleine ziel het eerste licht der oneindigheid +tegenzweefde. + +En totdat de tranen, die in zijn wijd geopende oogen welden, de schoone +zon omfloersten en de pracht van hemel en aarde deden wegdeinzen in een +duistere, trillende schemering ... + +'Zoo moet gij bidden!' zeide toen Windekind. + + + + +V + + +Hebt gij wel eens op een fraaien herfstdag door het bosch gedwaald? Als +de zon zoo stil en helder op het rijkgetinte loover schijnt, als de +takken kraken en de dorre bladeren ruischen onder uw voet? + +Dan schijnt het woud zoo moede, het kan nog slechts deinzen en leeft in +oude herinneringen. Een blauwe nevel omringt het, als een droom, met +geheimzinnige pracht en de glinsterende herfstdraden zweven door de +lucht in trage golving, als schoone, doellooze mijmeringen. + +Doch uit den vochtigen grond, tusschen mos en dorre bladeren, verrijzen +dan plotseling en raadselachtig de wonderlijke gestalten der +paddestoelen. Sommige dik, wanstaltig en vleezig, andere slank en +rijzig, met geringden steel en schitterend gekleurden hoed. Dat zijn +zonderlinge droombeelden van het woud. + +Dan ziet men ook op vermolmde boomstronken tallooze kleine, witte +stompjes, met zwarte topjes, alsof zij verbrand waren. Sommige wijze +menschen houden ze voor een soort zwammen. Doch Johannes leerde beter: + +Het zijn kaarsjes. Zij branden in stille herfstnachten, dan zitten er de +kaboutermannetjes bij en lezen in kleine boekjes. + +Dat leerde hem Windekind op zulk een stillen herfstdag, en Johannes ademde +droomstemming in met den doffen geur, die uit den boschgrond opsteeg. + +Hoe komen de bladeren van den eschdoorn zoo zwartgevlekt? + +'Ja, dat doen de kabouters ook,' zei Windekind. 'Als zij des nachts +geschreven hebben, gooien zij des morgens de rest van hun inktpotjes +over die bladeren uit. Zij houden niet van dien boom. Van esschenhout +maakt men kruisjes en stelen voor kerkezakjes.' + +Johannes werd nieuwsgierig naar die kleine, vlijtige kabouters, en hij +liet Windekind beloven, hem bij een van hen te brengen. + +Lang was hij reeds bij Windekind geweest, en hij was zoo gelukkig in +zijn nieuw leven, dat hij nog weinig berouw gevoelde over zijn belofte, +al het achtergelatene te vergeten. Er waren geen tijden van angst of +eenzaamheid, waarin altijd het berouw komt. Windekind verliet hem nooit, +en bij hem was elke plek een te huis. Rustig sliep hij in het wiegelend +nest van een karkiet, dat tusschen de groene riethalmen hing, al brulde +de roerdomp en krasten de kraaien nog zoo onheilspellend. Geen angst +voelde hij bij kletterenden regen of suizenden storm, dan school hij in +holle boomen, of konijnenholen, en kroop dicht onder Windekinds +manteltje en luisterde naar zijn stem die sprookjes verhaalde. + +En nu zou hij de kabouters zien. + +'t Was een goede dag daarvoor. Zoo stil! zoo stil! Johannes meende reeds +hun fijne stemmetjes en het geschuifel hunner voetjes te hooren, doch +het was nog middag. De vogelen waren bijna allen weg, alleen de lijsters +smulden aan de helroode bessen. Een zat gevangen in een strik. Met +uitgespreide vleugels hing zij daar en spartelde, tot het scherp +omknelde pootje bijna vaneen scheurde. Spoedig bevrijdde haar Johannes, +en onder blij getink vloog zij ijlings weg. + +De paddestoelen hadden het druk onder elkaar. + +'Zie mij eens!' zeide een dikke duivels-zwam. 'Hebt ge ooit zoo iets +gezien? Zie hoe dik en wit mijn steel is en hoe mijn hoed glimt. Ik ben +de grootste van allen. En dat in een nacht!' 'Ba!' zeide de roode +vliegenzwam, 'gij zijt zeer lomp. Zoo bruin en grof. Ik wiegel op mijn +slanken steel als een riethalm. Ik ben prachtig rood als de +lijsterbessen en sierlijk gespikkeld. Ik ben schooner dan allen.' + +'Stil!' zeide Johannes, die hen wel kende van vroeger dagen: 'gij zijt +beiden giftig.' + +'Dat is een deugd,' zei de vliegenzwam. + +'Zijt gij een mensch bij geval?' bromde de dikke schamper. 'Dan mag ik +lijden dat gij mij opeet.' + +Dat deed Johannes echter niet. Hij nam dorre takjes en stak die in den +vleezigen hoed. Dat stond gek en alle andere lachten. Ook een troepje +dunne paddestoelen met bruine kopjes, die gezamenlijk in een paar uur +waren opgeschoten en elkaar verdrongen om in de wereld te kijken. De +duivelszwam werd blauw van kwaadheid. Daar kwam zijn giftige aard mee +aan den dag. + +Aardsterren hieven haar ronde, opgeblazen hoofdjes op vierpuntige +voetstukjes. Van tijd tot tijd vloog een bruin wolkje uiterst fijn +poeder uit de opening van het ronde hoofdje. Waar dat poeder neerviel in +vochtigen bodem, zouden zich draden door de zwarte aarde vlechten en het +volgende jaar honderden nieuwe aardsterren opschieten. + +'Welk een schoon bestaan!' zeiden zij tot elkaar. + +'Stuiven is het hoogste levensdoel! Welk een geluk te kunnen stuiven zoo +lang men leeft!' + +En met aandachtige toewijding dreven zij de kleine poederwolkjes in de +lucht. + +'Hebben zij gelijk, Windekind?' + +'Waarom niet? Wat kan voor hen hooger zijn? Gelukkig dat zij niet meer +verlangen, want zij kunnen niet anders.' + +Toen de nacht was gedaald en de schaduwen der boomen tot een gelijkmatig +duister waren ineengevloeid, hield het geheimzinnige woudleven niet op. +De takjes kraakten en knapten, de dorre blaadjes ritselden hier en daar, +tusschen het gras en in het kreupelhout. Johannes voelde den tocht van +onhoorbare vleugelslagen en was bewust van de nabijheid van onzichtbare +wezens. Nu hoorde hij toch duidelijk stemmetjes fluisteren en voetjes +trippelen. Zie, daar in de duistere diepte der struiken gloeide even een +klein, blauw vonkje en verdween. Daar weder een en weder! Stil ... als +hij goed luisterde, hoorde hij geschuifel in de bladeren vlak bij +hem,--bij dien donkeren boomstronk. De blauwe lichtjes kwamen er achter +te voorschijn en hielden stil op den top. + +Overal zag Johannes nu lichtglansen glimmen, zij zweefden tusschen het +donkere loover, dansten met kleine sprongen langs den grond, en ginds +straalde een groote tintelende massa als een blauw vreugdevuur. + +'Wat is dat voor een vuur?' vroeg Johannes. 'Dat brandt prachtig!' + +'Dat is een vermolmde boomstam,' zeide Windekind. Zij gingen op een +stil, helder lichtje af. + +'Nu zal ik u aan Wistik voorstellen. Dat is de oudste en wijste der +kabouters.' + +Dichterbij gekomen, zag Johannes hem bij zijn kaarsje zitten. Duidelijk +kon men bij den blauwen schijn het gerimpeld gezichtje met den grijzen +baard onderscheiden; hij las hardop met saamgetrokken wenkbrauwen. Op +het hoofd droeg hij een eikelkapje met een klein veertje, voor hem zat +een kruisspin en luisterde naar de voorlezing. + +Toen de twee naderden, keek de kabouter zonder het hoofd op te heffen, +uit zijn boekje op en trok de wenkbrauwen in de hoogte. De kruisspin +kroop weg. 'Goeden avond!' zeide de kabouter. 'Ik ben Wistik. Wie zijt +gij beiden?' + +'Ik heet Johannes. Ik wilde graag met u kennis maken. Wat leest gij +daar?' + +'Dat is niet voor uwe ooren bestemd,' zeide Wistik; 'dat is alleen voor +kruisspinnen.' + +'Laat het mij ook eens zien, lieve Wistik!' vroeg Johannes. + +'Dat mag ik niet. Dat is het heilige boek der spinnen, dat bewaar ik en +mag ik nooit uit mijn handen geven. Ik heb de heilige boeken van torren +en vlinders en egels en mollen en al wat hier leeft. Zij kunnen niet +allen lezen en als zij nu iets willen weten, lees ik het hun voor. Dat +is een groote eer voor mij, een post van vertrouwen, begrijpt ge?' + +Het mannetje knikte een paar malen zeer ernstig en stak een +wijsvingertje op. + +'Waaraan waart gij nu bezig?' + +'Aan de geschiedenis van Kribbelgauw, den grooten held der kruisspinnen, +die heel lang geleden leefde en een net had, dat over drie boomen +gespannen was, waarin hij millioenen vliegen op een dag ving. Voor +Kribbelgauw's tijd maakten de spinnen geen netten en leefden van gras en +doode beestjes; maar Kribbelgauw was een knappe kop en bewees, dat ook +levende beestjes tot spinnenvoedsel gemaakt waren. Toen vond Kribbelgauw +ook de kunstige netten uit, door moeilijke berekeningen, want hij was +een groot wiskunstenaar. En de kruisspinnen maken nog altijd haar netten +precies, draadje aan draadje zooals hij het geleerd heeft, maar veel +kleiner. Want het spinnengeslacht is erg ontaard. Kribbelgauw ving +groote vogels in zijn net en vermoordde duizend van zijn eigen kinderen, +dat was nog eens een groote spin. Eindelijk is er een geweldige storm +gekomen en heeft Kribbelgauw met zijn net en de drie boomen, waaraan het +vastzat, mede door de lucht gesleept, naar verre bosschen, waar hij nu +eeuwig vereerd wordt om zijn grooten moordlust en vlugheid.' + +'Is dat alles waar?' vroeg Johannes. + +'Het staat in dit boekje,' zeide Wistik. + +'Gelooft gij het?' + +De kabouter kneep een oog dicht en legde den wijsvinger langs den neus. + +'In de heilige boekjes van andere dieren, waarin over Kribbelgauw +gesproken wordt, heet hij een verfoeilijk en verachtelijk monster. Maar +ik houd er mij buiten.' + +'Is er ook een kabouterboekje, Wistik?' + +Wistik keek Johannes eenigszins wantrouwend aan. + +'Wat zijt gij eigenlijk voor een wezen, Johannes? Gij hebt zoo iets ... +zoo iets ... menschelijks, zou ik zeggen.' + +'Neen! neen! wees gerust, Wistik,' zeide Windekind toen, 'wij zijn +elfen. Maar Johannes heeft vroeger veel menschen gezien. Gij kunt hem +echter vertrouwen. Het zal hem geen kwaad doen.' + +'Ja! ja! dat is goed en wel, maar ik heet de wijste der kabouters en ik +heb lang en ijverig gestudeerd voordat ik wist wat ik weet. Nu moet ik +voorzichtig zijn met mijn wijsheid. Als ik te veel vertel, verlies ik +mijn reputatie.' + +'Maar in welk boekje denkt gij dan, dat het rechte staat?' + +'Ik heb veel gelezen, maar ik geloof niet, dat ik dat boekje ooit +gelezen heb. Het is niet het elfenboekje, ook niet het kabouterboekje. +Toch moet het er zijn.' + +'Het menschenboekje misschien?' + +'Dat ken ik niet, maar ik zou het niet denken. Want het ware boekje moet +groot geluk en grooten vrede brengen, daarin moet nauwkeurig staan, +waarom alles is zooals het is, zoodat niemand iets meer kan vragen of +verlangen. Nu, zoo ver zijn de menschen, geloof ik, niet.' + +'O! O neen!' lachte Windekind. + +'Is er stellig zulk een boekje?' vroeg Johannes gretig. + +'Ja! ja!' fluisterde het kaboutertje, 'ik weet het uit oude, oude +verhalen. En--stil!--ik weet ook waar het is en wie het vinden kan.' + +'O! Wistik! Wistik!' + +'Waarom hebt gij het dan nog niet?' vroeg Windekind. + +'Geduld maar, dat zal wel gebeuren. Enkele bizonderheden weet ik nog +niet. Doch spoedig zal ik het vinden. Ik heb er mijn leven lang voor +gewerkt en naar gezocht. Want voor hem, die het vindt, zal het leven +zijn als een eeuwige herfstdag, blauwe lucht omhoog en blauwe nevel +rondom, doch geen vallend blad zal ritselen, geen takje zal kraken en +geen druppel zal tikken, de schaduwen zullen niet veranderen, en het +goud op de boomtoppen zal niet verbleeken. Wat ons licht schijnt, zal +duister zijn, en wat ons gelukkig schijnt, zal droevig wezen voor hem +die dat boekje gelezen heeft. Ja! dit alles weet ik, en ik zal het ook +eenmaal vinden.' + +Het kaboutertje trok de wenkbrauwen zeer hoog op en legde den vinger op +zijn mond. + +'Wistik zoudt gij mij kunnen leeren ...' begon Johannes; doch eer hij kon +uitspreken, voelde hij een hevige windvlaag en zag een groote, zwarte +gedaante vlak boven zich, die snel en onhoorbaar voorbijschoot. + +Toen hij weer naar Wistik keek, zag hij nog even een voetje in den +boomstronk verdwijnen. Wip! was het kaboutertje voorover in zijn hol +gesprongen, met boek en al. Het kaarsje begon flauwer en flauwer te +branden en ging opeens uit. Het zijn zeer bizondere kaarsjes. + +'Wat was dat?' vroeg Johannes, zich in het duister angstig aan Windekind +vastklemmend. + +'Een nachtuil,' zeide Windekind. + +Zij zwegen beiden een tijdlang. Toen vroeg Johannes: 'Gelooft gij wat +Wistik gezegd heeft?' + +'Wistik is niet zoo wijs als hij zelf denkt. Zulk een boekje vindt hij +nimmer, en gij ook niet.' + +'Maar bestaat het?' + +'Dat boekje bestaat zooals uw schaduw bestaat, Johannes! Hoe hard gij +loopt en hoe omzichtig gij grijpt, gij zult haar niet inhalen of vatten. +En eindelijk merkt ge dat ge u-zelven zoekt. Wees niet dwaas en vergeet +dien kabouterpraat! Ik zal u honderd mooiere geschiedenissen vertellen. +Ga mede; wij zullen naar den rand van 't bosch gaan en zien hoe onze +goede Vader de witte wollen dauwdekens van de slapende weilanden +licht. Ga mede!' + +Johannes ging, doch Windekinds woorden begreep hij niet en zijn raad +volgde hij niet. En terwijl hij den schitterenden herfstmorgen zag +rijzen, mijmerde hij over het boekje, waarin stond, waarom alles is +zooals het is, en herhaalde zachtjes bij zichzelve: 'Wistik! ...' + + + + +VI + + +Toen scheen het hem, de volgende dagen, alsof het niet zoo vroolijk en +prettig meer was bij Windekind in het bosch en de duinen. Zijn gedachten +waren niet geheel meer vervuld van al hetgeen Windekind zeide en hem +liet zien. Telkens moest hij weder over dat boekje peinzen en daarover +durfde hij niet spreken. Wat hij zag, scheen hem niet zoo mooi en +wondervol meer als vroeger. De wolken waren zoo zwart en zwaar en +maakten hem angstig, als zouden zij op hem neerkomen. Het deed hem pijn, +als de herfstwind rusteloos de arme, moede boomen schudde en zweepte, +dat de bleeke achterkant der groene bladeren boven kwam en geel loof en +dorre takken opvlogen in de lucht. + +Wat Windekind vertelde, gaf hem geen voldoening. Veel begreep hij niet, +en nimmer kreeg hij een volkomen duidelijk en bevredigend antwoord, +wanneer hij een van zijn oude vragen deed. + +Dan moest hij weer aan dat boekje denken, waarin alles zoo klaar en +eenvoudig geschreven stond, en aan dien eeuwig zonnigen stillen +herfstdag, die dan volgen zou. + +'Wistik! Wistik!' + +Windekind hoorde het. + +'Johannes! gij zult toch een mensch blijven, vrees ik. Zelfs uw +vriendschap is als die van menschen, de eerste, die tot u sprak na mij, +heeft al uw vertrouwen weggenomen. Ach, mijn moeder had wel gelijk!' + +'Neen Windekind! maar gij zijt zooveel wijzer dan Wistik, gij zijt ook +zoo wijs als dat boekje. Waarom zegt gij mij alles niet? Zie, nu! waarom +blaast de wind door de boomen, dat zij moeten buigen en weer buigen? +Zie, zij kunnen niet meer, de mooiste takken breken, en bij honderden +laten de blaadjes los ook al zijn ze nog groen en frisch. Ze zijn zoo +moede en kunnen niet meer vasthouden, en toch worden ze telkens weer +opnieuw geschud en geslagen door dien ruwen nijdigen wind. Waarom is +dat? Wat wil de wind?' + +'Arme Johannes! dat is menschentaal!' + +'Laat het stil worden, Windekind! Ik wil stilte en zonneschijn!' + +'Gij vraagt en wilt als een mensch, daarvoor is antwoord noch +vervulling. Als gij niet beter leert vragen en wenschen, zal de +herfstdag nimmer voor u aanbreken, en gij wordt als de duizenden +menschen, die Wistik gesproken hebben.' + +'Zijn er zooveel?' + +'Ja, duizenden! Wistik hield zich heel geheimzinnig maar toch is hij een +prater, die zijn geheim niet verzwijgen kan. Hij hoopt het boekje bij de +menschen te vinden, en deelt zijn wijsheid aan ieder mee, die hem +misschien kan helpen. En al veel ongelukkigen heeft hij er mede gemaakt. +Zij gelooven hem en gaan het boekje zoeken, met evenveel ijver als +sommigen de kunst om goud te maken. Zij offeren alles op, vergeten al +hun bedrijf en geluk en sluiten zich op tusschen dikke boeken, vreemde +stoffen en werktuigen. Zij wagen hun leven en gezondheid, ze vergeten +den blauwen hemel en de goede, milde natuur en ook hun medemenschen. +Soms vinden zij mooie en nuttige dingen als goudklompen, die zij uit hun +holen op de lichte, zonnige aardoppervlakte gooien, doch zelf bekommeren +zij zich daar niet om, laten anderen er van genieten en graven en +wroeten ingespannen en rusteloos in het duister voort. Geen goud zoeken +zij, maar het boekje. Sommigen versuffen ook onder den arbeid, vergeten +hun doel en hun wensch en dwalen af tot jammerlijk gebeuzel. Dan heeft +de kabouter hen kindsch gemaakt. Men ziet ze torentjes van zand bouwen +en tellen hoeveel korrels er noodig zijn voordat ze omvallen; ze maken +watervalletjes en berekenen precies elk bochtje en golfje, dat het water +maken zal; ze graven kuiltjes en besteden al hun geduld en vernuft, om +die mooi glad en zonder steentjes te krijgen. Stoort men die arme +verdwaasden in hun werk en vraagt men wat zij doen, dan zien zij u +ernstig en gewichtig aan, schudden het hoofd en mompelen: 'Wistik! +Wistik!' Ja, dit alles is de schuld van dien kleinen, naren kabouter. +Pas op voor hem, Johannes!' + +Doch Johannes staarde voor zich naar de zwaaiende en piepende boomen; +boven zijn heldere kinderoogen plooide zich de teedere huid tot rimpels. +Nog nooit had hij zoo ernstig gekeken. + +'Maar toch, ge hebt het zelf gezegd, het boekje was er! O, ik weet zeker, +daar staat ook in van het Groote Licht, dat gij mij niet noemen wilt.' + +'Arme, arme Johannes!' zeide Windekind, en zijn stem was boven het roezig +geruisch van den storm als een vredig choraalgezang, dat van verre klonk. +'Heb mij lief, heb mij lief met uw geheele wezen. In mij vindt gij meer +dan dat wat ge wenscht. Gij zult begrijpen wat gij u niet denken kunt, en +gij zult zelf zijn, wat gij verlangt te kennen. Aarde en hemel zullen uw +vertrouwden, de sterren zullen uw naasten, de oneindigheid zal uw woning +zijn. + +'Heb mij lief, heb mij lief! omvat mij als de hoprank den boomstam, +blijf mij trouw als het meer den bodem, in mij alleen is al uw rust, +Johannes!' + +Windekind's woorden zwegen, doch het was alsof het choraalgezang +voortduurde. Uit verwijderde verte scheen het aan te zweven, plechtig en +gelijkmatig, door het razen en suizen van den wind, vredig als het +maanlicht, dat door de jagende wolken scheen. + +Windekind breidde de armen uit, en Johannes sliep aan zijne borst, +beschermd door het blauwe manteltje. + +Doch in den nacht werd hij wakker. De stilte was plotseling en +onmerkbaar over de aarde gekomen, de maan onder de kimmen gedaald. +Roerloos hing het afgematte loover, zwijgende duisternis vervulde +het bosch. + +Daar kwamen de vragen in snelle, spookachtige opvolging in Johannes' +hoofd terug en dreven het nog zoo jonge vertrouwen voor zich uit. Waarom +waren de menschen zoo? Waarom moest hij hen verlaten? hun liefde +verliezen? Waarom moest het winter worden? Waarom moesten de bladeren +vallen en de bloemen sterven? Waarom? Waarom? + +Daar dansten in de diepte van 't kreupelhout weder de blauwe lichtjes. +Zij kwamen en gingen. Ingespannen staarde Johannes hen na. Hij zag het +groote, heldere lichtje glanzen op den donkeren boomstronk. Windekind +sliep vast en rustig. 'Nog een vraag!' dacht Johannes en gleed onder het +blauwe manteltje weg. + +'Zijt ge daar weer!' zeide Wistik en knikte hartelijk. 'Dat doet mij +zeer veel genoegen. Waar is uw vriend?' + +'Daarginder. Ik wilde u alleen nog een vraag doen. Wilt gij mij daarop +antwoorden?' + +'Gij zijt bij menschen geweest, niet waar? Is het u om mijn geheim te +doen?' + +'Wie zal dat boekje vinden, Wistik?' + +'Ja, Ja! dat is het! dat is het! Wilt ge mij helpen, als ik het u zeg? + +'Als ik kan, zeker!' + +'Luister dan, Johannes!' Wistik zette verbazend groote oogen en trok +zijn wenkbrauwen hooger op dan ooit. Toen fluisterde hij langs den rug +van zijn handje: 'Menschen hebben het gouden kistje, elfen hebben den +gouden sleutel, elfenvijand vindt het niet, menschenvriend slechts opent +het. Lentenacht is de rechte tijd, en roodborstje weet den weg.' + +'Is dat waar? Is dat waar?' riep Johannes en dacht aan zijn sleuteltje. + +'Ja!' zeide Wistik. + +'Waarom vond het nog niemand dan? Zooveel menschen zoeken er naar.' + +'Ik heb geen mensch, geen mensch gezegd, wat ik u vertrouwd heb. Ik vond +nog nooit een elfenvriend.' + +'Ik heb het, Wistik! ik kan u helpen!' Johannes juichte en klapte in de +handen. 'Ik zal het Windekind vragen.' + +Weg vloog hij over mos en dorre bladeren. Doch hij struikelde telkens, +en zijn tred was zwaar. Dikke takken knapten onder zijn voet, waar hij +anders geen grashalmpje boog. + +Daar was de dichte varenplant, waaronder zij geslapen hadden, wat leek +zij hem laag. + +'Windekind!' riep hij. Doch hij schrikte van het geluid van zijn stem. + +'Windekind!' Het klonk als een menschenstem, een schuwe nachtvogel vloog +krijschend op. + +Ledig was het onder den varenstruik, Johannes zag niets. + +De blauwe lichtjes waren verdwenen; het was kil en grondeloos duister om +hem heen. Boven zich zag hij de zwarte schimmen der boomkruinen tegen de +sterrenlucht. + +Nog eens riep hij. Toen durfde hij niet meer. Zijn stem was een schennis +in de stilte, en Windekinds naam scheen een spotklank. + +Toen viel het arme Johannesje neder en snikte in radeloos berouw. + + + + +VII + + +Kil en grauw was de morgen. De zwarte glimmende takken, door den storm +ontbladerd, weenden in den mist. + +Over het natte, neergeslagen gras liep de kleine Johannes haastig voort, +voor zich uit starend naar den kant, waar het woud lichter werd, als had +hij daar een doel. Zijn oogen waren rood van 't weenen en strak van +angst en jammer. Zoo had hij den ganschen nacht geloopen, alleen zoekend +naar het licht, met Windekind was het veilig thuisgevoel weg. In elke +donkere plek zat het spook der verlatenheid, en hij durfde niet omzien. + +Eindelijk kwam hij aan den boschrand. Hij zag over een weiland, waarop +een fijne, klamme regen langzaam neerstreek. Er stond een paard midden +in, naast een kalen wilgeboom. Het stond onbeweeglijk met gebogen kop, +en het water droppelde traag van zijn glimmende zijden en uit de +saamgepakte manen. + +Johannes liep door, langs het bosch. Hij keek met matten, angstigen blik +naar het eenzame paard en den grauwen regennevel en kreunde zacht. + +'Nu is alles uit,' dacht hij; 'nu zal de zon wel nooit meer terugkomen. +Nu zal het altoos voor mij blijven zooals hier.' + +Toch durfde hij in zijn wanhoop niet stilstaan, dan zou het vreeselijkste +komen, dacht hij. + +Toen zag hij het groote hek van een buitenplaats en een huisje, onder +een lindeboom met helder-gele bladeren. + +Hij ging het hek in en liep door de breede lanen, waar de bruine en gele +lindebladeren in een dikke laag den grond bedekten. Langs de grasperken +groeiden paarse asters en andere kleurige herfstbloemen verwilderd dooreen. + +Hij kwam aan een vijver. Daarbij stond een groot huis met lage ramen en +glazen deuren. Rozenstruiken en klimop groeiden tegen de muren. Het was +overal doodsch en gesloten. Half ontbladerde kastanjeboomen stonden stil +rondom, en op den grond, tusschen het afgevallen loover, zag Johannes de +glimmend bruine kastanjes blinken. + +Toen week het kille, doode gevoel van hem. Hij dacht aan zijn eigen +huis, daar waren ook kastanjeboomen, en altijd ging hij in dezen tijd de +gladde kastanjes zoeken. Hij begon plotseling te verlangen, alsof hij +een bekende stem had hooren roepen. Hij zette zich op een bank bij het +groote huis en schreide zich rustig. + +Een eigenaardige geur deed hem opkijken. Er stond een man bij hem, met +een wit voorschoot om en een pijp in den mond. Om zijn middel had hij +strooken lindebast, waarmede hij de bloemen opbond. Johannes kende dien +reuk zoo goed, hij deed hem aan zijn eigen tuin denken en aan den tuinman, +die hem mooie rupsen bracht en spreeuweneieren voor hem uithaalde. + +Hij schrikte niet, al was het een mensch, die bij hem stond. Hij vertelde +den man dat hij verlaten en verdwaald was, en dankbaar volgde hij hem naar +de kleine woning onder den geelgebladerden lindeboom. + +Daarbinnen zat de tuinmansvrouw en breide zwarte kousen. Over het +turfvuurtje op de haardplaat hing een groote ketel water te koken. Op de +vloermat bij het vuur zat een kat met gevouwen voorpooten, juist zooals +Simon gezeten had, toen Johannes van huis ging. + +Johannes werd bij het vuur gezet, om zijn voeten te drogen. 'Tik!--Tik! +--Tik!--Tik!' zeide de groote hangklok. Johannes keek naar den stoom, +die suizend uit den ketel vloog, en naar de kleine vlammetjes, die vlug +en grillig om de turven huppelden. 'Nu ben ik onder menschen,' dacht hij. + +Dat was niet naar. Hij voelde zich kalm en rustig. Zij waren goed en +vriendelijk en vroegen hem, wat hij nu het liefst wilde. 'Het liefst +wilde ik hier blijven,' antwoordde hij. + +Hier had hij rust, en als hij naar huis ging, zouden er verdriet en +tranen komen. Hij had moeten zwijgen, en men zou hem zeggen, dat hij +kwaad had gedaan. Hij zou alles terug moeten zien en alles nog eens +moeten denken. + +Wel verlangde hij naar zijn kamertje, naar zijn vader, naar Presto, maar +hij droeg liever het stille verlangen hier, dan het pijnlijke moeilijke +wederzien. En het was of hij hier aan Windekind kon blijven denken, en +thuis niet. + +Windekind was nu zeker weggegaan. Ver weg naar het zonnige land, waar de +palmen over de blauwe zee heenbuigen. Hij wilde hier boete doen en op +hem wachten. + +Daarom smeekte hij de beide goede menschen, of hij bij hen mocht +blijven. Hij zou gehoorzaam zijn en voor hen werken. Hij zou helpen den +tuin en de bloemen te verzorgen. Alleen dezen winter maar. Want hij +hoopte in stilte, dat Windekind met de lente zou terugkomen. + +De tuinman en zijn vrouw dachten dat Johannes was weggeloopen, omdat hij +thuis hard behandeld werd. Zij hadden medelijden met hem, en beloofden +hem, dat hij blijven mocht. + +Hij bleef en hielp de bloemen in den tuin verzorgen. Een slaapkamertje +gaf men hem, met een bedstede van blauwe planken. Daaruit zag hij 's +ochtends de natte, gele lindebladeren langs het venster strijken en 's +nachts de donkere stammen heen en weer wiegelen, waarachter de sterren +schuilevinkje speelden. Nu gaf hij namen aan de sterren en noemde de +helderste: Windekind. + +Aan de bloemen, die hij meest alle kende van huis, vertelde hij zijne +geschiedenis. Aan de ernstige, groote asters, aan de kleurige zinnia's, +aan de witte chrysanthen, die zoo lang bleven bloeien in het ruwe +najaar. Toen alle andere bloemen dood waren, stonden de chrysanthen nog, +en zelfs toen op een morgen de eerste sneeuw gevallen was en Johannes +vroeg naar haar kwam kijken, staken zij haar vroolijke gezichtjes op en +zeiden: 'Ja, wij zijn er nog! Dat hadt ge niet gedacht!' Zij hielden +zich goed, doch twee dagen later waren zij allen dood. + +Maar in de serre prijkten dan nog palmen en boomvarens en hingen de +vreemde bloemtrossen der orchideeen in de vochtige zoelte. Met +verwondering staarde Johannes in haar prachtige kelken en dacht aan +Windekind. Hoe kil en kleurloos scheen alles dan, als hij buiten kwam, +de natte sneeuw met de zwarte voetstappen en de rafelende, druipende +boomgeraamten. + +Alleen als de sneeuwvlokken uren en uren achtereen zwijgend waren +neergezegen, zoodat de twijgen bogen onder het aangroeiend dons, liep +Johannes graag in de violette schemering van het sneeuwbeschaduwd bosch. +Dat was stilte, maar geen dood. En het was bijna schooner dan zomergroen, +als het blinkend wit der gekruiste takjes tegen den helderblauwen hemel +afstak, of als een te zwaar beladen struik het sneeuwloof van zich af +liet glijden, zoodat het, tot een schitterend wolkje verstuivend, daalde. + +Eens op zulk een wandeling, toen hij zoo ver gekomen was, dat hij niets +om zich zag dan sneeuw en sneeuwdragende takken,--half wit, half +zwart--en alle geluid en leven verdoofd schenen in het glinsterend +donzen hulsel, gebeurde het, dat hij een klein, wit diertje snel voor +zich uit meende te zien loopen. Hij volgde het,--het geleek op geen +diertje, dat hij kende,--doch toen hij het wilde grijpen, verdween het +schielijk in een boomstronk. Johannes tuurde in de ronde zwarte opening +waarin het verdwenen was, en dacht: 'Zou dat Wistik zijn?' + +Hij dacht niet veel aan hem. Het scheen hem slecht, en hij wilde zijn +boete niet verzwakken. En het leven bij de twee goede menschen deed hem +weinig vragen. Wel moest hij 's avonds voorlezen uit een dik boek waarin +veel over God gesproken werd, doch hij kende dat boek en las gedachteloos. + +Den nacht echter na die wandeling in de sneeuw, lag hij wakker in zijn +bedstede en keek naar het koude schijnsel der maan op den vloer. Daar +zag hij opeens twee kleine handjes, die boven de beddeplank uitkwamen en +zich stevig om den rand haakten. Toen verscheen de punt van een wit +pelsmutsje tusschen de twee handjes, en eindelijk zag hij een paar +ernstige oogjes onder hoog getrokken wenkbrauwen. + +'Goeden avond, Johannes!' zeide Wistik. 'Ik kwam u even herinneren aan +onze afspraak. Gij kunt het boekje nog niet gevonden hebben, want het is +nog geen lente. Maar denkt gij er wel om? Wat is dat voor een dik boek, +waarin ik u heb zien lezen? Dat kan het echte niet zijn. Denk dat niet.' + +'Dat denk ik niet, Wistik,' zeide Johannes. Hij keerde zich om en wilde +slapen. Doch het sleuteltje wilde hem niet uit het hoofd. En als hij +voortaan in het dikke boek las, dacht hij er bij, en hij zag dan +duidelijk dat het niet het echte was. + + + + +VIII + + +'Nu zal hij komen!' dacht Johannes, toen de eerste maal de sneeuw was +weggesmolten en hier en daar de sneeuwklokjes bij groepjes te voorschijn +kwamen. 'Zou hij nu komen?' vroeg hij aan de sneeuwklokjes. Doch zij +wisten het niet en bleven met hangende hoofdjes naar de aarde kijken, +alsof zij beschaamd waren over hun haast en wel weer weg wilden kruipen. + +Konden zij maar! De verstijvende oostenwind begon alras weer te blazen, +en de sneeuw stapelde zich hoog over de voorbarige stumpertjes. + +Weken later kwamen de viooltjes, hun zoete geur zweefde tusschen het +kreupelhout, en toen de zon lang en warm op den mossigen grond geschenen +had, ontloken ook de blonde primula's bij honderden en duizenden. + +De schuwe violen met haar sterke geuren waren geheimzinnige voorboden +van komende heerlijkheid, doch de vroolijke primula's waren de blijde +werkelijkheid zelve. De ontwaakte aarde had de eerste zonnestralen +vastgehouden en maakte er een gouden siersel van. 'Nu dan! nu komt hij +toch zeker!' dacht Johannes. Met spanning bezag hij de knoppen aan de +takken hoe zij van dag tot dag langzaam zwollen en zich uit de schors +loswrongen, tot de eerste bleekgroene puntjes tusschen de bruine +schubben te voorschijn kwamen. Lang bleef Johannes op die groene +blaadjes kijken, hij zag ze toch nooit bewegen, en als hij zich even had +omgedraaid, schenen ze grooter geworden. 'Ze durven niet, als ik hen +aankijk,' dacht hij. + +Reeds begon het groen schaduw te werpen. Nog was Windekind niet gekomen, +geen duif was bij hem neergestreken, geen muisje had tegen hem gesproken. +Als hij tot de bloemen sprak, knikten zij slechts even en antwoordden +niet. 'Mijn straf is nog niet om,' dacht hij. + +Toen kwam hij op een zonnigen lentemorgen bij den vijver van het huis. +De ramen waren alle wijd geopend. Zouden er menschen in gekomen zijn? + +De vogelkers-struik, die aan den vijver stond, was al heelemaal met +teedere blaadjes overdekt, alle twijgen hadden fijne, groene vleugeltjes +gekregen. Op het gras bij de vogelkers lag een meisje. Johannes zag +alleen haar licht-blauw kleedje en blond haar. Een roodborstje, dat op +haar schouder zat, pikte uit haar hand. + +Op eenmaal wendde zij het hoofd om en zag Johannes. 'Dag jongetje!' +zeide zij en knikte vriendelijk. + +Weer tintelde het Johannes van het hoofd tot de voeten. Dat waren +Windekind's oogen, dat was Windekind's stem. + +'Wie zijt ge?' vroeg hij. Zijn lippen beefden van aandoening. 'Ik ben +Robinetta! en dit is mijn vogel. Hij zal niet schuw voor je zijn. Hou je +van vogels?' + +Het roodborstje was niet schuw voor Johannes. Het vloog op zijn arm. Dat +was juist als vroeger. Het moest toch Windekind zijn, dat blauwe wezen. + +'Vertel me eens hoe je heet, jongetje,' zeide Windekind's stem. + +'Kent gij mij niet? Weet ge niet, dat ik Johannes heet?' + +'Hoe zou ik dat weten?' + +Wat beteekende dat? Het was toch die bekende, zoete stem, het waren toch +die donkere, hemeldiepe oogen. + +'Hoe zie je mij zoo aan, Johannes? Heb je mij ooit meer gezien?' + +'Ja ik geloof het wel.' + +'Dat heb je toch zeker gedroomd.' + +Gedroomd? dacht Johannes. Zou ik alles gedroomd hebben? Of zou ik nu +droomen? + +'Waar zijt gij geboren?' vroeg hij. + +'Heel ver van hier, in een groote stad.' + +'Bij menschen?' + +Robinetta lachte. Het was Windekind's lach. 'Ik geloof het wel. Jij +niet?' + +'Ach ja, ik ook!' + +'Spijt je dat? Hou je niet van menschen?' + +'Neen! Wie zou van menschen houden?' + +'Wie? Wel, Johannes, wat ben je een raar jongetje! Hou je meer van +dieren?' + +'O, veel meer, en van bloemen.' + +'Ik doe dat eigenlijk ook wel eens. Een enkelen keer. Maar dat is niet +goed. Wij moeten van menschen houden, zegt Vader.' + +'Waarom is dat niet goed? ik houd van wien ik wil, of het goed is of +niet.' + +'Foei, Johannes! Heb je dan geen ouders of iemand die voor je zorgt? Hou +je niet van hen?' + +'Ja,' zeide Johannes nadenkend. 'Ik houd van mijn vader. Maar niet, +omdat het goed is. Ook niet omdat hij een mensch is.' + +'Waarom dan?' + +'Dat weet ik niet, omdat hij niet is als andere menschen, omdat hij ook +van bloemen en vogels houdt.' + +'Dat doe ik ook Johannes! dat zie je.' En Robinetta riep het roodborstje +op haar hand en sprak het vriendelijk toe. + +'Dat weet ik,' zeide Johannes. 'Ik houd ook veel van u.' + +'Nu al? Dat is vlug!' lachte het meisje. 'Van wie hou je wel het +meeste?' + +'Van ...' Johannes weifelde. Zou hij Windekind's naam noemen? De vrees, +dat die naam hem tegenover menschen mocht ontvallen, was onafscheidelijk +van al zijn denken. En toch, was dit blonde wezen in het blauwe kleed +Windekind niet? Wie anders kon hem dat gevoel van rust en geluk geven? +'Van u!' zeide hij opeens en zag met vollen blik in de diepe oogen. +Moedig waagde hij die volkomen overgave, maar hij was toch angstig en +wachtte gespannen de ontvangst van zijn kostbaar geschenk. + +Weer lachte Robinetta met helderen lach, doch zij vatte zijne hand, en +haar blik werd niet koeler, haar stem niet minder innig. + +'Wel, Johannes,' zeide zij, 'waarmee heb ik dat zoo op eens verdiend?' +Johannes antwoordde niet en bleef haar aanzien met groeiend vertrouwen. +Robinetta stond op en legde haar arm om Johannes' schouders. Zij was +grooter dan hij. + +Zoo wandelden zij door het bosch en plukten groote bundels sleutelbloemen, +totdat zij wel weg konden schuilen onder den berg van doorschijnend geel +gebloemte. Het roodborstje vloog mede van tak tot tak en gluurde naar hen +met schiiterende zwarte oogjes. + +Zij spraken niet veel, doch keken elkaar dikwijls van ter zijde aan. Zij +waren beiden verbaasd over hun ontmoeting en half onzeker, wat zij van +elkaar denken moesten. + +Doch spoedig moest Robinetta terug, het speet haar. + +'Nu moet ik weg, Johannes! Maar wil je nog eens wandelen met me? Ik vind +je een aardig jongetje,' zeide zij bij 't heengaan. + +'Wiet! wiet!' zei het roodborstje en vloog haar achterna. + +Toen zij weg was, en alleen haar beeld bij hem achterbleef, twijfelde +hij er niet meer aan wie zij was. + +Zij was dezelfde wie hij al zijn vriendschap had gegeven, de naam +Windekind klonk flauwer in hem en verwarde met Robinetta. + +En alles werd weer om hem heen, zooals het vroeger geweest was. De +bloemen knikten vroolijk, en haar geur verdreef het weemoedig verlangen +naar huis, dat hij tot nu toe gevoeld en gekweekt had. Tusschen het +teedere groen, in de lauwe, mollige lentelucht, voelde hij zich op eens +thuis, als een vogel, die zijn nest gevonden had. Hij moest de armen +uitstrekken en diep ademhalen. Hij was zoo gelukkig. Op den weg naar +huis zweefde de lichte blauwe gestalte met de blonde haren voor hem uit, +altijd voor hem uit, welken kant hij ook opkeek. Het was alsof hij in de +zon gekeken had en het zonnebeeld overal met zijn blik medevloog. + +Van dien dag af ging Johannes elken helderen morgen naar den vijver. Hij +ging vroeg, zoodra hij gewekt werd door het kijven der musschen in de +klimopbladeren om zijn venster, en het gekwetter en gerekte getjilp der +spreeuwen, die op de dakgoot fladderden en krieuwden in den jongen +zonneschijn. Dan snelde hij vlug door 't vochtige gras tot dicht bij het +huis en wachtte achter de seringenstruiken, totdat hij de glazen deur +hoorde opengaan en de lichte gedaante op hem toe zag komen. + +Dan wandelden zij door het bosch en door de duinen, waaraan het bosch +grensde. Zij spraken over al wat zij zagen, over de boomen en de planten +en duinen. Johannes had een vreemd, duizelig gevoel, als hij met haar +liep, hij dacht zich somtijds weer zoo licht dat hij door de lucht zou +kunnen vliegen. Doch dat gebeurde nooit. Hij vertelde de geschiedenissen, +die hij van de bloemen en dieren wist door Windekind. Doch hij vergat hoe +hij ze geleerd had, en Windekind bestond niet meer voor hem, alleen +Robinetta. Hij genoot, als zij tegen hem lachte en hij vriendschap zag in +haar oogen en hij sprak tot haar, zooals hij vroeger tot zijn hondje +gesproken had: alles wat in hem opkwam, zonder weifeling of schuwheid. +De uren, dat hij haar niet zag, dacht hij aan haar, en elke bezigheid +deed hij met de vraag, of Robinetta het goed of mooi zou vinden. + +En zij-zelve scheen altoos zoo blij, als zij hem zag; dan glimlachte zij +en liep haastiger. Zij had hem ook gezegd dat zij met niemand zoo graag +wandelde als met hem. + +'Maar, Johannes,' vroeg zij eens, 'hoe weet je al die dingen? Hoe weet +je wat de meikevers denken, wat de lijsters zingen, hoe het er in het +konijnenhol en op den bodem van het water uitziet?' + +'Ze hebben het mij verteld,' antwoordde Johannes, 'en ik ben zelf in een +konijnenhol geweest en op den bodem van het water.' + +Robinetta trok de fijne wenkbrauwen samen en keek hem half spottend aan. +Doch zij vond geen valschheid. + +Zij zaten onder seringenboomen, waarvan dikke, paarse bloemtrossen +afhingen. Voor hen lag de vijver, met riet en kroos. Zij zagen de zwarte +torretjes in kringen over het vlak glijden en roode spinnetjes bedrijvig +op en neder duiken. Het krioelde van wriemelend leven daar. Johannes +keek, in herinneringen verzonken, in de diepte en zeide: + +'Daar ben ik eens gedoken; ik gleed langs een riethalm af en kwam op den +bodem. Die is heelemaal met dorre bladeren bedekt, dat loopt zoo licht +en zacht. Het is altijd schemerig, groene schemering, want het licht +valt door het groene kroos. En boven mijn hoofd zag ik de lange, witte +worteltjes van het kroos neerhangen. Er kwamen salamanders om mij heen +zwemmen, die zijn heel nieuwsgierig. Het is vreemd, als zulke groote +dieren zoo over je heen zwemmen, en ik kon niet ver vooruitzien, daar +was het donker, maar ook groen. En uit dat donker kwamen de dieren als +zwarte schaduwen te voorschijn. Watertorren met roeipooten en platte +wantsen, soms ook een klein vischje. Ik ging heel ver, uren ver, geloof +ik, en midden in was een groot bosch van waterplanten, waar slakken +tegenop kropen en waterspinnen glinsterende nestjes bouwden. +Stekelbaarsjes schoten er door en bleven mij soms met open mond en +trillende vinnen aankijken, zoo verbaasd waren ze. Daar heb ik kennis +gemaakt met een aal, wien ik bij ongeluk op zijn staart trapte. Die +heeft mij van zijn reizen verteld; hij was tot in zee geweest, zeide +hij. Men had hem daarom koning gemaakt in den vijver, want niemand was +zoover geweest. Hij lag altijd in de modder te slapen, behalve wanneer +hij eten kreeg, dat anderen hem brachten. Hij at verschrikkelijk veel. +Dat was omdat hij koning was, men wilde graag een dikken koning, dat +stond deftig. O, het was prachtig mooi in dien vijver!' + +'Waarom kun je dan nu niet meer daarheen gaan?' + +'Nu?' vroeg Johannes en keek haar met groote peinzende oogen aan. + +'Nu? Nu kan ik niet meer. Ik zou daar verdrinken. Maar het is niet +noodig. Ik ben liever hier, bij de seringen en bij u.' + +Robinetta schudde verwonderd het blonde hoofdje en streek Johannes over +het haar. Toen keek ze naar haar roodborstje, dat aan den rand van den +vijver allerlei lekkernijen scheen te vinden. Hij keek even op en bleef +beiden een oogenblik met zijn heldere oogjes aanzien. + +'Begrijp jij er iets van, vogelijn?' + +Het vogelijn keek heel slim en ging toen voort met zoeken en pikken. + +'Vertel mij verder, Johannes, van wat je gezien hebt.' + +Dat deed Johannes gaarne, en Robinetta luisterde, geloovig en +aandachtig. + +'Maar waarom is dat alles opgehouden? Waarom kun je nu met mij niet +gaan? daar overal heen? Ik wilde ook graag.' + +Johannes spande zijne herinnering in, doch een zonnig waas bedekte den +donkeren afgrond, dien hij was overgegaan. Hij wist niet juist meer, hoe +hij zijn vorig geluk verloren had. + +'Ik weet het niet recht, gij moet er niet naar vragen. Een naar klein +wezentje heeft alles bedorven. Maar nu is het er weer. Nog beter dan +vroeger.' + +De seringengeur daalde uit de heesters op hen neer en het gegons der +vliegen over het watervlak en de stille zonnestralen doordrongen hen met +zoete bedwelming. Totdat een bel op het huis met piependen zwaai begon +te luiden, en Robinetta haastig wegvloog. + +Toen Johannes dien avond in zijn kamertje kwam en naar de maan-schaduwen +der klimopbladeren keek, die over de ruiten schoven, scheen het alsof er +tegen het glas getikt werd. + +Johannes dacht dat het een klimopblad was, dat in den nachtwind trilde. +Doch het tikte zoo duidelijk, telkens driemaal achtereen, dat Johannes +zachtkens het venster opende en behoedzaam rondzag. De klimopbladeren +tegen het huisje glansden in den blauwen schijn, onder hen was een +duistere wereld vol geheim: daar waren holen en spelonken, waarin het +maanlicht kleine, blauwe vonkjes wierp, die hun duisternis nog +dieper maakten. + +Toen Johannes lang in die wondervolle schaduwwereld had gestaard, zag +hij eindelijk den vorm van een klein mannetje, vlak naast het venster, +verscholen onder een groot klimopblad. Hij herkende Wistik dadelijk aan +de groote, verwonderde oogen onder de hooggetrokken wenkbrauwen. Op het +puntje van Wistik's langen neus tekende de maan een klein vonkje. + +'Hebt ge mij vergeten, Johannes? Waarom denkt ge er nu niet aan? Het is +de rechte tijd. Hebt ge roodborstje den weg niet gevraagd?' + +'Ach, Wistik, waarnaar zou ik vragen? Ik heb alles wat ik verlangen kan. +Ik heb Robinetta.' + +'Maar dat zal niet lang duren. En gij kunt nog gelukkiger worden en +Robinetta zeker ook. En moet het sleuteltje dan daar blijven liggen? +Denk eens hoe heerlijk als gij beiden het boekje vindt. Vraag er +roodborstje naar; ik zal u helpen als ik kan.' + +'Ik kan er altijd naar vragen,' zeide Johannes. + +Wistik knikte en klom vlug naar beneden. + +Nog lang keek Johannes naar de donkere schaduwen en de glanzende +klimopbladeren voor hij naar bed ging. + +Den volgenden dag vroeg hij het roodborstje of het den weg wist naar het +gouden kistje. Robinetta hoorde verwonderd. Johannes zag het roodborstje +knikken en schuins naar Robinetta gluren. 'Hier niet! hier niet!' tjilpte +het vogeltje. + +'Wat bedoel je, Johannes?' vroeg Robinetta. + +'Weet ge er niets van, Robinetta? Weet ge niet, waar het te vinden is? +Wacht ge niet op het gouden sleuteltje?' + +'Neen, neen! Vertel eens, wat is dat?' + +Johannes vertelde wat hij van dat boekje wist. + +'En ik heb het gouden sleuteltje; ik dacht dat gij het gouden kistje +hadt. Is het niet zoo, vogelijn?' + +Doch het vogelijn deed of het niets hoorde en fladderde tusschen het +jonge, lichte beukengroen. + +Zij zaten tegen een duinhelling, waarop kleine beuke- en sparreboomen +stonden. Een groen paadje liep er schuins tegen op, en zij zaten aan den +rand daarvan, in dik, donkergroen mos. Zij konden over de toppen der +laagste boompjes heen zien, op een groene looverzee met licht- en donker- +getinte golven. + +'Ik geloof wel, Johannes,' zei Robinetta nadenkend, 'dat ik voor je +vinden kan, wat je zoekt. Maar wat bedoel je met dat sleuteltje? Hoe kom +je daaraan?' + +'Ja, hoe was dat, hoe was dat ook weer?' prevelde Johannes en staarde +over het groen in de verte. + +Als waren zij plotseling in het zonnige blauw ontstaan, kwamen hem +opeens twee witte vlinders voor den blik. Zij dwarrelden, trilden en +schitterden in het zonlicht, met onbestemde, grillige vlucht. Doch zij +kwamen dichterbij. + +'Windekind! Windekind!' fluisterde Johannes opeens in herinnering. + +'Wie is dat? Windekind!' vroeg Robinetta. + +Het roodborstje vloog kwetterend op, en de madelieven tusschen het gras +voor hem, schenen Johannes opeens geweldig verschrikt aan te staren, met +hun wijde, witte oogjes. + +'Gaf die je dat sleuteltje?' vroeg het meisje verder. Johannes knikte en +zweeg, doch zij wilde meer weten. 'Wie was dat? Heeft die je alles +geleerd? Waar is hij?' + +'Nu is hij er niet meer. Nu is het Robinetta, niemand anders dan +Robinetta, alleen Robinetta.' Hij omvatte haar arm en drukte er zijn +hoofdje tegen. + +'Mal jongetje!' zeide zij en lachte. 'Ik zal je het boekje laten vinden, +ik weet waar het is.' + +'Maar dan moet ik den sleutel gaan halen, en die is ver weg.' + +'Neen, neen dat behoeft niet. Ik vind het zonder sleutel, morgen, morgen, +ik beloof het je. + +Toen zij naar huis gingen, fladderden de kapelletjes voor hen uit. + +Johannes droomde dien nacht van zijn vader, van Robinetta en van vele +anderen. Het waren allen goede vrienden; zij stonden om hem heen en +zagen hem innig en vertrouwelijk aan. Doch op eenmaal waren de gezichten +veranderd, hun blikken koel en spottend, hij keek angstig om, aan alle +zijden wreede vijandige gezichten. Hij voelde een namelooze beklemming +en werd schreiend wakker. + + + + +IX + + +Reeds lang zat Johannes te wachten. De lucht was kil, en groote wolken +dreven dicht over de aarde, in statige, eindelooze opvolging. Ze +breidden sombergrauwe, wijd golvende mantels uit en krulden haar +trotsche koppen in het klare licht, dat daarboven scheen. Wondersnel +wisselden zonlicht en schaduw op de boomen, als een telkens opvlammend +vuur. Het werd Johannes angstig daarbij te moede; hij peinsde over het +boekje, niet recht geloovend, dat hij het heden vinden zou. Tusschen de +wolken, veel hooger, ontzaglijk hoog, zag hij het heldere, strakke blauw +en daarop teedere, witte wolkjes, fijngepluimd, kalm zich uitstrekkend +in onbeweeglijke rust. 'Zoo moet het zijn,' dacht hij, 'zoo hoog, zoo +licht, zoo stil.' Daar kwam Robinetta. Het roodborstje was niet bij haar. + +'Het is goed, Johannes,' riep ze luid; 'je mag komen en het boek zien.' + +'Waar is het roodborstje?' vroeg Johannes twijfelend. + +'Dat is niet meegekomen, we gaan toch immers niet wandelen.' + +Hij ging mede, voortdurend bij zich-zelven denkende: 'Het kan niet, zoo +kan het niet, het moest alles heel anders zijn.' + +Doch hij volgde het glanzig-blonde haar, dat hem voorlichtte. Ach! nu +ging het droevig met den kleinen Johannes. Ik wenschte, dat zijn +geschiedenis hier eindigde. Hebt gij wel eens heerlijk gedroomd, van een +toovertuin met bloemen en dieren, die u liefhadden en tot u spraken? En +hebt gij dan wel in uw droom het besef gekregen, dat gij spoedig zoudt +ontwaken en al die heerlijkheid verliezen? Dan poogt gij vruchteloos +haar vast te houden en wilt het koude morgenlicht niet zien. + +Zulk een gevoel had Johannes toen hij medeging. + +Hij kwam in een huis, in een gang, waar zijn voetstappen weerklonken. +Hij rook de lucht van kleederen en spijzen; hij dacht aan lange dagen, +toen hij thuis had moeten blijven, aan schoolwerk, aan al wat somber en +koud in zijn leven was geweest. + +Hij kwam in een kamer met menschen. Hij zag niet hoeveel. Zij praatten, +doch toen hij binnenkwam werd het stil. Hij lette op het vloerkleed, het +had groote, onmogelijke bloemen met schelle kleuren. Zij waren even +vreemd en wanstaltig als die van het behangsel in zijn slaapkamer thuis. + +'Is dat nu dat tuinmansjongetje?' zeide een stem recht tegenover hem. +'Kom maar hier, vriendje, je behoeft niet bang te zijn.' + +En een andere stem klonk plotseling naast hem: 'Nu, Robbi, je hebt daar +wel een aardig vrijertje.' + +Wat beteekende dat alles? Weer kwamen boven de donkere kinderoogen van +Johannes diepe rimpels, en verward en verschrikt keek hij rond. + +Daar zat een zwart gekleede man en keek hem met koude, grijze oogen aan. + +'En je wilde zoo kennis maken met het boek der boeken? Het verwondert +me, dat je vader, dien ik als een vroom man ken, je dat niet heeft +gegeven.' + +'U kent mijn vader niet, die is ver weg.' + +'Zoo! nu, dat is hetzelfde. Ziehier, mijn vriendje! lees hier veel in, +het zal je op je levensweg ...' + +Doch Johannes had het boek reeds herkend. Zoo kon hij het ook niet +krijgen, het moest heel anders gaan. Hij schudde het hoofd. + +'Neen, neen! dat is het niet wat ik bedoel. Dit ken ik. Dit is het niet.' + +Hij hoorde geluiden van verbazing en voelde de blikken, die hem van alle +zijden staken. + +'Wat? Wat meen je, mannetje?' + +'Ik ken dit boekje, het is het menschenboek. Maar het geeft niet genoeg, +anders zou er rust zijn onder de menschen en vrede. En die zijn er niet. +Ik bedoel iets anders, waaraan niemand twijfelen kan die het ziet, +waarin staat, waarom alles is zooals het is, precies en duidelijk.' + +'Hoe is 't mogelijk? Waar heeft de jongen dat vandaan?' + +'Wie heeft je dat geleerd, vriendje?' + +'Ik geloof dat je verkeerde boeken gelezen hebt, jongen! en die napraat!' + +Zoo klonken de stemmen. Johannes voelde zijn wangen gloeien, het begon +hem te duizelen, de kamer draaide, en de groote bloemen op het +vloerkleed zweefden op en neer. Waar was het muisje, dat hem zoo trouw +waarschuwde op school, dien eersten dag? Het was nu noodig. + +'Ik praat het niet uit boeken na, en die het mij geleerd heeft is meer +waard dan gij allen. Ik ken de taal van bloemen en dieren, ik ben hun +vertrouwde. Ik weet ook wat menschen zijn en hoe zij leven. Ik ken al de +geheimen van feeen en kabouters, want mij hebben zij lief, meer dan de +menschen.' + +Muisje! muisje! + +Johannes hoorde proesten en lachen, om hem en achter hem. Het zong en +suisde in zijn ooren. + +'Hij schijnt Andersen gelezen te hebben.' + +'Hij is niet recht bij 't hoofd.' + +De man voor hem zeide: 'Als je Andersen kent, mannetje! dan moest je +meer van zijn eerbied hebben voor God en zijn Woord.' + +'God!' dat woord kende hij, en hij dacht aan de les van Windekind. + +'Ik heb geen eerbied voor God. God is een groote petroleumlamp, waardoor +duizenden verdwalen en verongelukken.' + +Geen gelach, maar een angstige stilte, waarin afschuw en ontzetting +voelbaar rondwaarden. Johannes voelde de stekende blikken in den rug. +Het was als in zijn droom van den vorigen nacht. + +De zwart-gekleede man stond op en nam hem bij den arm. Dat deed pijn en +brak bijna zijn moed. + +'Hoor eens, jongen, ik weet niet of je niet wijs bent of diep bedorven, +maar die goddeloosheid duld ik hier niet. Ga heen en kom niet meer onder +mijn oogen, zeg ik. Ik zal navraag naar je doen, maar in deze buurt zet +je geen voet meer. Verstaan?' + +Aller blikken waren koud en vijandig evenals dien nacht. + +Johannes zag angstig rond. + +'Robinetta! Waar is Robinetta!' + +'Jawel, mijn kind bederven! Pas op, als je ooit weer tot haar spreekt!' + +'Neen! laat me bij haar! Ik wil niet van haar weg. Robinetta!' schreide +Johannes. + +Doch zij zat angstig in een hoek en keek niet op. + +'Voort, bengel! hoor je niet? Pas op, als je 't hart hebt weer te +komen!' + +En de pijnlijke greep leidde hem door de klinkende gang, de glazen deur +rammelde, en Johannes stond buiten, onder de donkere, laag drijvende +wolken. + +Hij weende niet meer en staarde stil voor zich uit, terwijl hij langzaam +voortliep. De droevige rimpels boven zijn oogen waren dieper, en gingen +niet meer weg. + +Het roodborstje zat in een lindenhaag en keek naar hem. Hij stond stil +en staarde zwijgend terug. Doch er was geen vertrouwen meer in de +schuwe, glurende oogjes, en toen hij een stap naderde, vloog het vlugge +diertje in een snorrende vlucht heen. 'Weg! weg! een mensch,' tjilpten +de musschen, die op het tuinpad bij elkaar zaten, en zij vlogen naar +alle zijden uiteen. + +Ook de opene bloemen lachten niet, maar staarden ernstig en onverschillig, +zooals zij bij iederen vreemde doen. + +Doch Johannes vatte die teekens niet, maar dacht aan de krenking, die de +menschen hem hadden aangedaan. Het was hem of zijn innig binnenste door +koude, harde handen was ontwijd. 'Zij zullen mij gelooven,' dacht hij; +'ik zal mijn sleuteltje halen en het hun toonen.' + +'Johannes! Johannes!' riep een fijn stemmetje. Daar zat een vogelnestje +in een hulstboom, en de groote oogen van Wistik keken over den rand. +'Waar gaat ge heen?' + +'Het is alles uw schuld, Wistik,' zeide Johannes. 'Laat mij met rust!' + +'Wat doet ge er ook met menschen over te spreken, menschen begrijpen u +toch niet. Waarom zegt ge die dingen aan menschen? dat is heel dom.' + +'Zij hebben mij uitgelachen en pijn gedaan. Het zijn ellendige wezens! +ik haat ze.' + +'Neen Johannes, ge houdt van hen.' + +'Neen! neen!' + +'Anders zou het u minder verdriet doen, dat zij niet zijn als gij; dan +zou het u niet kunnen schelen, wat zij zeggen. Ge moet u minder om +menschen bekommeren.' + +'Ik wil mijn sleuteltje. Ik wil het hun toonen.' + +'Dat moet ge niet doen, ze zouden u toch niet gelooven. Waartoe zou het +dienen?' + +'Ik wil mijn sleuteltje, onder den rozenstruik. Weet ge dien te vinden?' + +'Ja wel! bij den vijver, niet waar? Ja dien weet ik.' + +'Breng mij er dan, Wistik!' + +Wistik klom op Johannes' schouder en zeide hem den weg. Zij liepen den +ganschen dag, het woei en van tijd tot tijd vielen regenbuien, doch +tegen den avond werden de wolken stil en verlengden zich tot lange +gouden en grauwe strooken. + +Toen zij aan het duin kwamen, dat Johannes kende, werd het hem week te +moede en hij fluisterde telkens 'Windekind! Windekind!' + +Daar was het konijnenhol, en de duin, waartegen hij eens geslapen had. +Het grijze rendiermos was week en vochtig en kraakte niet onder zijn +voet. De rozen waren uitgebloeid en de gele Teunisbloemen met haar +bedwelmenden, flauwen geur staken bij honderden de kelken op. Hooger nog +rezen de lange, trotsche toortsplanten met dikke, vilten bladeren. + +Zoekend speurde Johannes naar het fijne, bruinachtige loof van de +duinroos. + +'Waar is zij, Wistik, ik zie haar niet.' + +'Ik weet er niet van,' zeide Wistik. 'Gij hebt het sleuteltje verborgen, +ik niet.' + +Waar de roos gebloeid had, was een veld vol gele Teunisbloemen, die +wezenloos naar boven keken. Johannes vroeg haar en ook de toortsplanten; +die waren echter veel te trotsch, want haar lange bloemtros stak ver +boven hem uit, en hij vroeg het aan de kleine, driekleurige viooltjes op +den zandgrond. + +Doch niemand wist iets van de duinroos. Ze waren allen van dezen zomer. +Zelfs de verwaande toortsplant, die zoo hoog was. + +'Ach, waar is zij? waar is zij?' + +'Hebt _gij_ mij ook al beet genomen?' zeide Wistik. 'Ik dacht het wel, +dat heb je altijd met menschen.' + +En hij liet zich van Johannes' schouder glijden en liep weg tusschen het +helm. + +Wanhopend staarde Johannes rond, daar stond een klein duinrozestruikje. + +'Waar is de groote roos,' vroeg Johannes, 'de groote die hier vroeger +stond?' + +'Wij spreken niet met menschen,' zeide het struikje. + +Dat was het laatste, wat hij hoorde, al het levende om hem zweeg, alleen +de helmen suisden in den zachten avondwind. + +'Ben ik een mensch?' dacht Johannes. 'Neen, dat kan niet, dat kan niet. +Ik wil geen mensch zijn. Ik haat de menschen.' + +Hij was moede en dof van geest. Hij ging liggen aan den rand van 't +veldje, op het weeke, grijze mos, dat een vochtigen, sterken geur +verspreidde. + +'Nu kan ik niet terugkeeren, en nu zie ik Robinetta ook niet weer. Zou +ik niet doodgaan, als ik haar niet heb? Zou ik blijven leven en een +mensch zijn, een mensch zooals die anderen, die mij uitlachten?' + +Daar zag hij op eenmaal de twee witte vlinders weer, die van den kant +der ondergaande zon naar hem toe fladderden. Gespannen volgde hij hun +vlucht. Zouden zij hem den weg wijzen? Zij vlogen hem over 't hoofd, +elkaar naderende en weer verlatende, om elkaar heen dwarrelende in +wispelturig spel. Langzaam verwijderden ze zich van de zon en zweefden +eindelijk over den rand der duinen naar het bosch, waarvan alleen de +hoogste toppen nog kleurden in den avondschijn, die rood en schel onder +de lange sombere wolkenrijen uit lichtte. + +Johannes volgde hen. Doch toen ze boven de eerste boomen waren, zag hij +hoe een donkere schaduw hen in onhoorbare fladdervlucht achtervolgde en +inhaalde. Het volgende oogenblik waren zij verdwenen. De zwarte schaduw +schoot snel op hem toe, en angstig dekte hij het gezicht met de handen. + +'Wel, vriendje! wat zit je daar te huilen?' klonk een scherpe, +spotachtige stem vlak naast hem. Johannes had een groote vleermuis op +zich zien afkomen, doch toen hij opkeek, stond een zwart mannetje op het +duin, niet veel grooter dan hij-zelf. Hij had een groot hoofd met groote +ooren, die donker afstaken tegen den lichten avondhemel, en een mager +figuurtje met dunne beenen. Van zijn gezicht zag Johannes alleen de +kleine, schitterende oogen. + +'Heb je iets verloren, kereltje? Dan zal ik je helpen zoeken,' zeide +hij. Doch Johannes schudde zwijgend het hoofd. + +'Kijk eens! wil je die van mij hebben?' begon hij weer en opende zijn +hand. + +Daarin zag Johannes iets wits, dat van tijd tot tijd even bewoog. Het +waren de witte kapelletjes, die stervend met de gescheurde en gebroken +vleugeltjes trilden. Johannes voelde een huivering, alsof iemand hem +tegen het achterhoofd blies, en angstig keek hij naar het vreemde +wezen op. + +'Wie zijt gij?' vroeg hij. + +'Wou je mijn naam weten, ventje? Nu, zeg maar Pluizer, familjaarweg +Pluizer. Ik heb nog wel mooier namen, maar die begrijp je toch niet.' + +'Zijt gij een mensch?' + +'Wel nu nog mooier! Nu heb ik nogal armen en beenen en een hoofd, kijk +eens wat een hoofd! en nu vraagt zoo'n jongen nog of ik een mensch ben. +Maar, Johannes! Johannes!' En het mannetje lachte met een piepend, +doordringend geluid. + +'Hoe weet ge wie ik ben?' vroeg Johannes. + +'O, dat is voor mij een kleinigheid. Ik weet nog heel wat meer. Ik weet +ook waar je vandaan komt en wat je hier komt doen. Ik weet verbazend +veel, bijna alles.' + +'Ach, mijnheer Pluizer ...' + +'Pluizer, Pluizer, geen complimenten.' + +'Weet ge dan ook ...' Doch Johannes zweeg plotseling. 'Het is een mensch,' +dacht hij. + +'Van je sleuteltje, bedoel je? Wel zeker!' + +'Maar ik dacht niet, dat menschen daarvan konden weten.' + +'Domme jongen! En Wistik heeft het al zoovelen verklapt.' + +'Kent ge Wistik dan ook?' + +'O ja! een van mijn beste vrienden, en ik heb veel vrienden. Maar ik +wist dat ook zonder Wistik. Ik weet veel meer dan Wistik. Wistik is een +goed ventje, maar dom, buitengewoon dom. Ik niet! lang niet!' En Pluizer +klopte zelfvoldaan met zijn mager handje op zijn groot hoofd. + +'Weet je, Johannes,' ging hij voort, 'wat een groot gebrek van Wistik +is? Maar je moet het hem nooit zeggen, want dan wordt hij erg boos.' + +'Nu, wat dan?' vroeg Johannes. + +'Hij bestaat niet. Dat is een groot gebrek, maar hij wil het niet weten. +En hij zegt van mij, dat ik niet besta, maar dat liegt hij. Of ik besta! +Drommels goed!' + +En Pluizer stak de kapelletjes in zijn zak en ging plotseling voor +Johannes op zijn hoofd staan. Toen grijnsde hij erg leelijk en stak een +lange tong uit. Johannes, die zich toch al niet op zijn gemak gevoelde +alleen met dit wonderlijk wezen, bij den vallenden avond in het eenzame +duin, rilde nu van angst. + +'Dit is een alleraardigste manier om de wereld te bekijken,' zeide +Pluizer, nog steeds op zijn hoofd staande. 'Als je wilt, zal ik je het +ook leeren. Je ziet alles veel scherper en veel natuurlijker.' + +En hij spartelde met de spillebeentjes in de lucht en wendde zich op de +handen om. Toen de roode avondgloed op het omgekeerde gelaat viel, vond +Johannes het afschuwelijk, de kleine oogjes knipten in het licht en +lieten het wit zien, aan den kant waar men het niet gewoon is. + +'Zie je, zoo schijnen de wolken de vloer, en de aarde het deksel van de +wereld. Dat kun je evengoed volhouden als het tegenovergestelde. Boven +of onder is er toch niet. Een mooie wandelplaats zou het op die wolken +zijn.' + +Johannes keek naar de lange wolken. Hij vond dat zij op een geploegd +land geleken met roode voren, alsof er bloed uit opwelde. Boven de zee +straalde de poort van de wolkgrot. + +'Kan men daarheen gaan en daarin komen?' vroeg hij. + +'Gekheid!' zei Pluizer en stond eensklaps weer op zijn beenen, tot +groote verlichting van Johannes. 'Gekheid! Als je daar bent, is het +precies als hier, en dan lijkt dat moois een eindje verder. In die mooie +wolken daar is het mistig, grijs en koud.' + +'Ik geloof u niet,' zeide Johannes; 'nu zie ik eerst goed dat ge een +mensch zijt.' + +'Och kom! geloof je mij niet, beste jongen, omdat ik een mensch ben? en +wat ben je zelf dan wel voor bizonders?' + +'O Pluizer, ben ik ook een mensch?' + +'Wat dacht je! een elf? Elfen worden niet verliefd.' En Pluizer ging +vlak voor Johannes zitten, de beenen onder zich gekruist en grijnsde hem +strak aan. Johannes voelde zich onbeschrijfelijk beklemd en verlegen +onder dien blik en had zich wel willen wegstoppen of onzichtbaar maken. +Doch hij kon zijn oogen niet meer afwenden. + +'Alleen menschen worden verliefd, Johannes, hoor je! en dat is maar goed +ook, anders waren ze er al lang niet meer. En jij bent verliefd als de +beste, al ben je nog zoo klein. Aan wie denk je op 't oogenblik?' + +'Aan Robinetta!' fluisterde Johannes nauwelijks hoorbaar. + +'Naar wie verlang je het meest?' + +'Robinetta!' + +'Zonder wie denk je niet te kunnen leven?' + +Johannes' lippen bewogen geluidloos: 'Robinetta!' + +'Nu dan, ventje,' grinnikte Pluizer, 'wat verbeeld je je dan, een elf te +zijn? Elfen worden niet verliefd op menschenkinderen.' + +'Maar het was Windekind ...' stamelde Johannes in zijn verlegenheid. Toen +keek Pluizer ontzettend valsch en greep Johannes met zijn beenige handjes +bij de ooren. + +'Wat is dat voor onzin! Wou je mij met dien snuiter bang maken? Die is +nog veel dommer dan Wistik, veel dommer. Hij weet er niets van. En wat +erger is, hij bestaat heelemaal niet en heeft nooit bestaan. Ik besta +alleen, begrijp je? En als je mij niet gelooft, zal ik je laten voelen, +dat ik er ben.' + +En hij schudde den armen Johannes hard bij de ooren. Deze riep: + +'Maar ik heb hem toch zoo lang gekend, en ik ben zoo ver met hem +weggetrokken.' + +'Gedroomd heb je, zeg ik. Waar is dan je sleuteltje, he? Maar nu droom +je niet, voel je wel?' + +'Au!' riep Johannes, want Pluizer kneep. + +Het was reeds donker, en de vleermuizen vlogen nu dicht langs hunne +hoofden en piepten schril. De lucht was zwart en zwaar, geen blad bewoog +in het bosch. + +'Mag ik naar huis gaan?' smeekte Johannes.'Naar mijn vader?' + +'Je vader? wat wil je daar doen?' zei Pluizer. 'Die man zal je wel +vriendelijk ontvangen, nadat je zoo lang bent weggebleven.' + +'Ik verlang naar huis,' zeide Johannes, en hij dacht aan de huiskamer +met het heldere lamplicht, waar hij zoo vaak bij zijn vader zat, +luisterend naar het krassen van diens pen. Daar was het vredig en +gezellig. + +'Ja, dan hadt je maar niet weg moeten gaan en weg moeten blijven, ter +wille van dien mallen snuiter, die niet bestaat. Nu is het te laat. En +het komt er ook niet op aan, ik zal wel voor je zorgen. Of ik het doe of +je vader, dat is eigenlijk precies hetzelfde. Zoo'n vader, dat is toch +maar verbeelding. Heb je hem soms zelf uitgezocht? Denk je dat er geen +anderen zijn even goed en even knap? Ik ben even goed en veel knapper, +veel knapper.' + +Johannes had geen moed tot antwoorden, hij sloot de oogen en knikte +flauw. + +'En bij die Robinetta moet je het ook niet zoeken,' ging het mannetje +voort. Hij legde de handen op Johannes' schouders en praatte dicht +aan zijn oor. + +'Dat kind hield je even goed voor den gek als die anderen. Heb je niet +gezien dat ze in den hoek bleef zitten, en geen woord zeide, toen je +werd uitgelachen? Ze is niets beter dan al die anderen. Ze vond je een +aardig jongetje en heeft met je gespeeld, zooals ze met een meikever zou +spelen. Het kon haar niet schelen of je wegging. En van dat boekje wist +ze niets. Maar ik wel, ik weet waar het is, en ik zal het je helpen +zoeken. Ik weet bijna alles.' + +En Johannes begon hem te gelooven. + +'Ga je met mij mede? Wil je met mij zoeken?' + +'Ik ben zoo moe,' zeide Johannes, 'laat mij ergens slapen.' + +'Ik houd anders niet van slapen,' zei Pluizer, 'daar ben ik te levendig +voor, een mensch moet altijd kijken en denken. Maar een poosje zal ik je +met rust laten. Tot morgen.' + +Toen zette hij het vriendelijkste gezicht, dat hij zetten kon, Johannes +keek strak in de glinsterende oogjes, tot hij niets anders zag. Zijn +hoofd werd zwaar, hij leunde tegen de bemoste duinhelling. De oogjes +schenen verder en verder te lichten, totdat zij sterren waren aan den +zwarten hemel; het was alsof hij het geluid van verre stemmen hoorde, +alsof de aarde zich onder hem verwijderde, toen hield zijn denken op. + + + + +X + + +Nog eer hij goed ontwaakt was, had hij een vaag besef, dat er iets +bijzonders met hem was gebeurd, terwijl hij sliep. Doch hij was niet +begeerig het te weten en om zich heen te zien. Hij wilde weer terug in +den droom, die als een trage nevel langzaam wegtrok, daarin was +Robinetta weder naar hem toegekomen en had hem over het haar gestreken, +zooals vroeger, daarin had hij zijn vader weer gezien en Presto, in den +tuin met den vijver. + +'Au!' dat was pijn. Wie deed dat? Johannes opende de oogen en zag in de +grauwe morgenschemering een klein mensch vlak bij zich, die hem aan de +haren trok. Hij lag in een bed en het licht was mat en ongelijk, als in +een kamer. + +Doch het gezicht, dat over hem heenboog, bracht hem op eenmaal weder al +de ellende en somberheid van gisteren te binnen. Het was Pluizer's +gezicht, minder spookachtig en meer menschelijk, maar even leelijk en +angstwekkend als den vorigen avond. + +'Och neen! laat mij droomen,' zeide hij. + +Doch Pluizer schudde hem: 'ben je mal, luiaard, droomen is dwaasheid, +daarmee kom je niet verder. Een mensch moet werken en denken en zoeken. +Daar ben je een mensch voor.' + +'Ik wil geen mensch zijn. Ik wil droomen.' + +'Dat helpt niet. Je moet. Je bent nu onder mijn hoede en met mij samen +zul je werken en zoeken. Alleen met mij kan je vinden wat je verlangt. +En ik zal je niet verlaten totdat wij het gevonden hebben.' Johannes +voelde een vage ontzetting. Doch het was alsof een overmacht hem drukte +en dwong. Willoos onderwierp hij zich. + +Weg waren duinen, boomen en bloemen. Hij was in een klein, schemerig +verlicht kamertje, daarbuiten zag hij, zoover hij zien kon, huizen en +weder huizen, somber en grauw, in lange, eentonige rijen. + +Rook steeg overal op in dikke kronkels en sloeg als een bruinachtige +nevel in de straten neer. En op die straten liepen de menschen als +groote, zwarte mieren haastig dooreen. Een verward gerucht steeg dof en +aanhoudend uit hun massa op. + +'Zie Johannes,' zei Pluizer, 'is dat nu niet aardig? Dat zijn nu allen +menschen en al die huizen zoover je zien kunt, nog verder dan die blauwe +toren daar, zijn ook vol menschen, van boven tot beneden vol. Is dat +niet merkwaardig? Dit is nog wat anders dan een mierenhoop.' + +Johannes luisterde met angstige nieuwsgierigheid, alsof hem een groot, +verschrikkelijk ondier vertoond werd. Het was hem alsof hij op den rug +van het monster stond, het zwarte bloed door dikke aderen zag stroomen +en den donkeren adem uit honderd neusgaten zag stijgen. En hij werd bang +voor het onheilspellend grommen der ontzaglijke stem. + +'Zie hoe hard al die menschen loopen, Johannes,' ging Pluizer voort. +'Je kunt zien dat zij haast hebben en iets zoeken, niet waar? Maar het is +grappig, dat geen een precies weet wat hij zoekt. Als ze nu een poosje +gezocht hebben, dan komen ze iemand tegen, die heet Hein ...' + +'Wie is dat?' vroeg Johannes. + +'O! een goede kennis van me, ik zal je wel eens aan hem voorstellen. Nu +die Hein zegt dan: 'Zoek je mij?' Daarop zeggen de meesten gewoonlijk: +'O neen! ... jou bedoel ik niet!' maar dan antwoordt Hein weer: 'Er is +toch niets anders te vinden dan mij.' Dan moeten ze zich wel met Hein +tevreden stellen.' + +Johannes begreep, dat hij van den dood sprak. + +'En gaat dat altijd, altijd zoo?' + +'Welzeker, altijd. Er komen echter iederen dag weer een massa nieuwen en +die beginnen dagelijks te zoeken, zonder te weten waarnaar, en zoeken en +zoeken totdat ze eindelijk Hein vinden, zoo gaat het al een aardig +poosje lang en zoo zal het ook nog wel een poosje blijven aanhouden.' + +'Zal ik ook niets anders vinden, Pluizer, niets anders dan ...' + +'Ja, Hein vind je zeker eens, maar dat doet er niet toe, zoeken maar! +altijd blijven zoeken!' + +'Maar het boekje dan, Pluizer, gij zoudt mij het boekje laten vinden.' + +'Nu! wie weet! ik heb het niet tegengesproken. Wij moeten zoeken, +zoeken. Wij weten tenminste waarnaar wij zoeken. Dat heeft ons Wistik +geleerd. En er zijn er, die hun geheele leven zoeken om te weten +waarnaar zij eigenlijk zoeken. Dat zijn de wijsgeeren, Johannes. Maar +als Hein komt, is het met hun gezoek ook uit.' + +'Dat is vreeselijk, Pluizer.' + +'O neen, volstrekt niet. Hein is een heel goedig man. Maar hij wordt +miskend.' + +Iemand stommelde buiten de kamerdeur op de trap. Klos! Klos! klonk het +op de houten treden. + +Klos! Klos! nader en naderbij. Toen tikte iemand tegen de deur en het +was alsof ijzer op hout tikte. + +Er kwam een groote man binnen. Hij had diepliggende oogen en lange, +magere handen. Een koude tocht woei in het kamertje. + +'Welzoo,' zeide Pluizer, 'zijt gij daar, ga zitten! Wij spraken juist +over u. Hoe gaat het u?' + +'Druk, druk!' zeide de lange man en wischte zich het koude zweet van het +beenige bleeke voorhoofd. + +Roerloos en schuw staarde Johannes in de diepliggende oogen, die strak +op hem gericht waren. Zij waren zeer ernstig en donker, doch niet wreed, +niet vijandig. Na eenige oogenblikken ademde hij weer vrijer en klopte +zijn hart minder hevig. + +'Dit is Johannes,' zeide Pluizer, 'hij heeft van een zeker boekje +gehoord, waarin staat, waarom alles is zooals het is, en dat zullen wij +nu samen gaan zoeken, niet waar?' Toen lachte Pluizer veelbeteekenend. + +'Zoo! zoo! nu dat is goed!' zeide de Dood vriendelijk, en knikte +Johannes toe. + +'Hij is bang het niet te vinden, maar ik zeide hem maar eerst vlijtig te +zoeken.' + +'Zeker!' zeide de Dood, 'vlijtig zoeken is het beste.' + +'Hij dacht, dat gij zoo verschrikkelijk waart. Nu zie je toch Johannes, +dat je je vergist hebt, niet waar?' + +'Ach ja!' zeide de Dood welwillend, 'men spreekt veel kwaad van mij. Ik +heb geen innemend uiterlijk, maar ik meen het toch goed.' + +Hij glimlachte flauw, als iemand die met ernstiger dingen vervuld is dan +waarover hij spreekt. Toen wendde zich zijn donkere blik van Johannes af +naar buiten en dwaalde peinzend over de groote stad. + +Lang waagde Johannes het niet te spreken, eindelijk zeide hij zacht: + +'Zult gij mij medenemen?' + +'Wat meen je, mijn jongen?' zeide de Dood, opkijkend uit zijn mijmering: +'Neen! nu nog niet. Gij moet opgroeien en een goed mensch worden.' + +'Ik wil geen mensch worden als de anderen.' + +'Kom! kom!' zeide de Dood, 'daar is niets aan te doen.' + +Men kon hooren, dat dit een dagelijksche term van hem was. Hij ging +voort. + +'Mijn vriend Pluizer kan u leeren, hoe men een goed mensch wordt. Men +kan het op verschillende wijzen, maar Pluizer leert het ook uitstekend. +Het is iets zeer schoons en begeerlijks een goed mensch te zijn. Daar +moet ge niet op neer zien, ventje!' + +'Zoeken, denken, kijken!' zei Pluizer. + +'Zeker, zeker!' zei de Dood; en toen tot Pluizer: 'Bij wien zult ge hem +brengen?' + +'Bij docter Cijfer, mijn oud-leerling.' + +'A ja! dat is een goed leerling. Dat is een zeer fraai voorbeeld van een +mensch. Bijna volmaakt in zijn soort.' + +'Zal ik Robinetta weerzien?' vroeg Johannes bevend. + +'Wie bedoelt het ventje?' vroeg de Dood. 'O! hij is al verliefd geweest +en verbeeldde zich toch een elf te zijn, hi! hi! hi!' lachte Pluizer +geniepig! + +'Neen! beste jongen, dat gaat niet,' zei de Dood, 'die dingen zul je bij +docter Cijfer wel verleeren. Wie zoekt wat gij zoekt, moet al het andere +verliezen. Alles of niets.' + +'Ik zal een mensch uit een stuk van hem maken, ik zal hem eens laten +zien wat eigenlijk verliefdheid is, dan zal hij er zich wel doorheen +pluizen.' + +En Pluizer lachte vroolijk, de Dood richtte weer zijn zwarte oogen op +den armen Johannes, die met moeite het snikken bedwong. Want hij +schaamde zich voor den Dood. + +Deze rees plotseling op. 'Ik moet heen,' zeide hij, 'ik verpraat mijn +tijd. Er is hier veel te doen. Goeden dag, Johannes! wij zullen elkander +nog wel weerzien. Gij moet niet bang voor mij zijn.' + +'Ik ben niet bang voor u, ik wilde dat ge mij medenaamt. Toe! neem mij +liever mede!' + +Doch de Dood wees hem zacht terug, hij was dergelijke vragen gewend. + +'Neen! Johannes, ga nu aan uw werk, zoek en zie! Vraag mij niet meer. Ik +vraag maar eens en dan is het tijd genoeg.' + +Toen hij verdwenen was gedroeg Pluizer zich weer zeer buitensporig. Hij +sprong over stoelen, buitelde over den grond, kroop op de kast en den +schoorsteenmantel en voerde halsbrekende kunsten uit in de open vensters. + +'Dat was nu Hein! mijn goede vriend Hein!' riep hij, 'vond je hem niet +aardig? Een beetje leelijk en knorrig van uitzicht. Maar hij kan ook +heel vroolijk zijn, als hij plezier heeft in zijn werk. Maar dikwijls +verveelt het hem. 't Is ook wel wat eentonig.' + +'Wie zegt hem, Pluizer, waarheen hij gaan moet?' + +Pluizer gluurde Johannes valsch en uitvorschend aan. + +'Waarom vraag je dat? Hij gaat zijn eigen gang, hij neemt wie hij +krijgen kan.' + +Later heeft Johannes anders gezien. Doch nu wist hij niet beter of +Pluizer sprak waarheid in alles. + +Zij gingen op de straat en bewogen zich door de krioelende menigte. De +zwarte menschen liepen dooreen, lachten, praatten, zoo vroolijk dat +Johannes zich moest verwonderen. Hij zag hoe Pluizer velen toeknikte, +maar niemand beantwoordde den groet, allen keken voor zich alsof ze +niets gezien hadden. + +'Ze loopen nu te lachen,' zeide Pluizer, 'alsof zij mij geen van allen +kenden. Maar dat schijnt maar zoo. Als ik alleen met hen ben, kunnen ze +mij niet negeeren en dan zijn ze ook zoo vroolijk niet.' En onder het +gaan was Johannes zich bewust dat er iemand achter hem liep. Als hij +omkeek zag hij den langen, bleeken man, die met groote, onhoorbare +schreden tusschen de menschen schreed. Hij knikte Johannes toe. + +'Zien de menschen hem ook?' vroeg Johannes aan Pluizer. + +'Ja zeker! allen, maar zij willen hem ook niet kennen. Nu ik gun hun +dien trots!' + +De drukte en het geraas brachten Johannes in een soort verdooving, die +hem zijn leed deed vergeten. De smalle straten en de hooge huizen, die +het hemelblauw in rechte strooken verdeelden, de menschen die langs hem +af en aan gingen, het slepen der voetstappen en het ratelen der wagens +verstoorden de oude visioenen en den droom van dien nacht, als een storm +de beelden in een waterspiegel. Het was hem alsof er niets anders +bestond dan muren, ramen en menschen, alsof hij mede moest doen, mede +draven in het rusteloos, ademloos gewoel. + +Toen kwamen zij in een stille buurt, waar een groot huis stond met +grauwe, sierlooze ramen. Het zag er streng en onvriendelijk uit. +Daarbinnen was het stil en rook Johannes een mengeling van vreemde, +scherpe geuren, met een dompige kelderlucht tot grondtoon. In een kamer, +vol wonderlijke werktuigen, zat een eenzame man. Hij was omringd door +boeken, glazen en koperen voorwerpen, allen vreemd voor Johannes. Er +viel een enkele zonnestraal over zijn hoofd heen in de kamer en fonkelde +op flesschen met fraai gekleurde stoffen. De man tuurde ingespannen door +een koperen buis en zag niet op. + +Toen Johannes naderkwam hoorde hij hem mompelen: 'Wistik! Wistik!' + +Naast den man, op een lang, zwart bankje, lag iets wits en wolligs, dat +Johannes niet goed kon onderscheiden. + +'Goeden morgen, docter!' zei Pluizer, maar de docter keek nog niet op. + +Toen schrikte Johannes, want het witte voorwerp waarnaar hij ingespannen +keek, kwam op eens in krampachtig rukkende beweging. Wat hij gezien had, +was het witte buikdons van een konijntje. Het kopje met den beweeglijken +neus lag achterover in ijzer geklemd, en de vier pootjes waren strak +gebonden naast het lichaam. Kort duurde de wanhopige poging om zich te +bevrijden, toen lag het beestje weder stil en alleen de snelle beweging +van de bloedige keel toonde dat het nog leefde. + +En Johannes zag het ronde, goedige oog dat zoo wijd staarde in +machteloozen angst en het was of hij het herkende. Ach! was dat niet +het zachte lijfje, waartegen hij gerust had in dien eersten, zaligen +elfennacht? Oude herinneringen drongen met geweld in hem boven. Hij +vloog op het diertje toe: + +'Wacht! wacht! arm konijntje, ik zal u helpen.' En haastig trachtte hij +de koordjes los te knoopen, die de teere pootjes striemden. + +Doch zijn beide handen werden tegelijk vastgegrepen en een scherpe lach +klonk aan zijn oor. + +'Wat beduidt dat, Johannes? Ben je nog zoo kinderachtig? Wat moet de +docter wel van je denken?' + +'Wat wil die jongen? wat doet hij hier?' vroeg de docter verbaasd. + +'Hij wilde een mensch worden, daarom kwam ik met hem bij u. Maar hij is +nog wat klein en kinderachtig. Dit is niet de manier om te vinden wat je +zoekt, Johannes!' + +'Neen! dit is de manier niet,' zeide de docter. + +'Docter, maak dat konijntje los!' + +Doch Pluizer kneep hem de beide handen, dat hij ineenkromp. 'Wat hebben +wij afgesproken, mannetje?' siste hij hem in 't oor. 'Zoeken zouden wij, +niet waar? Wij zijn hier niet in de duinen, bij Windekind en bij stomme +dieren. Wij zouden menschen zijn, menschen! versta je. Als je een kind +wilt blijven, als je niet sterk genoeg bent om mij te helpen, laat ik je +gaan, zoek dan alleen!' + +Johannes zweeg en geloofde. Hij wilde sterk zijn. Hij sloot de oogen, om +het konijntje niet te zien. + +'Beste jongen!' zeide de docter, 'je schijnt nog wat teergevoelig om te +beginnen. Het is waar, de eerste maal is zoo iets naar om te zien. Ik +zelf zie het altijd ongaarne en vermijd het zooveel mogelijk. Doch het +is onontbeerlijk. En je moet begrijpen: wij zijn menschen en geen +dieren, en het heil van de menschheid en van de wetenschap gaat boven +dat van eenige konijnen.' + +'Hoor je!' zei Pluizer, 'de wetenschap en de menschheid!' + +'De man der wetenschap,' ging de docter voort, 'staat hooger dan alle +andere menschen. Maar hij moet dan ook de kleine gevoeligheden, die de +gewone menschen kennen, laten varen voor dat eene groote: de wetenschap. +Wilt ge zulk een mensch worden? was dat uw roeping, mijn jongen?' + +Johannes weifelde, hij wist nog niet recht wat een roeping was, zoomin +als de meikever. + +'Ik wilde het boekje vinden,' zeide hij, 'waar Wistik van sprak.' + +De docter keek verbaasd en vroeg: 'Wistik?' + +Doch Pluizer zei snel: 'Hij wil het, docter, ik weet het wel. Hij wil de +hoogste wijsheid zoeken, hij wil het wezen der dingen begrijpen.' + +Johannes knikte, 'Ja!' Zoover hij begreep, was dat zijn bedoeling. + +'Nu, dan moet je sterk zijn, Johannes, en niet klein en teerhartig. Dan +zal ik je helpen. Maar bedenk: alles of niets.' + +En Johannes hielp met sidderende handen de losgemaakte koorden weer +vaster om de pootjes van het konijntje strikken. + + + + +XI + + +'Wij zullen toch eens zien,' zeide Pluizer, 'of ik je niet evenveel +moois vertoonen kan als Windekind.' + +En toen zij den docter vaarwel hadden gezegd en beloofd spoedig weer te +komen, leidde hij Johannes rond in alle hoeken der groote stad, hij +toonde hem, hoe het groote monster leefde, hoe het ademde en zich voedde, +hoe het in zich-zelve verteerde en uit zich-zelve weer opgroeide. + +Doch hij had voorliefde voor de sombere achterbuurten, waar de menschen +dicht opeengepakt zaten, waar alles grauw en groezelig, de lucht zwaar +en bedompt was. + +Hij ging met hem in een der groote gebouwen, waaruit de rook opsteeg, +dien Johannes den eersten dag gezien had. Er heerschte een verdoovend +geraas, overal rammelde, ratelde, stampte en dreunde het, groote wielen +wentelden en lange riemen schoven slingerend voort; zwart zagen muren en +bodem, de vensters waren gebroken of bestoven. Hoog rezen de geweldige +schoorsteenen boven het zwarte gebouw uit en zonden dikke, kronkelende +rookzuilen op. In dat gewoel van raderen en werktuigen zag Johannes tal +van menschen met bleek gelaat, met zwarte handen en kleederen, zwijgend +en rusteloos werken. + +'Wie zijn dat?' vroeg hij. + +'Raderen, ook raderen,' lachte Pluizer, 'of menschen, zoo je wilt. Wat +ze daar doen, doen ze dag in, dag uit. Men kan op die manier ook mensch +zijn, in hun soort altijd.' + +En zij kwamen in vuile straatjes, waar het strookje hemelblauw zoo smal +leek als een vinger en nog verduisterd werd door uitgespannen kleederen. +Daar krioelde het van menschen; ze verdrongen elkaar, schreeuwden, +lachten en zongen ook somtijds. In de huizen waren de kamertjes zoo +klein, zoo donker en bedompt, dat Johannes nauwelijks durfde ademen. Hij +zag havelooze kinderen over den kalen vloer kruipen en jonge meisjes met +verwilderd haar, die liedjes neurieden voor magere, bleeke zuigelingen. +Hij hoorde twisten en schelden, en alle gezichten om hem zagen moede, of +dom en onverschillig. + +Het greep Johannes aan met een vreeselijke smart. Het had niets gemeen +met zijn vroeger leed, daarvoor schaamde hij zich. + +'Pluizer,' vroeg hij, 'hebben die menschen altijd hier geleefd, zoo +akelig en ellendig? Ook toen ik ...' + +Hij durfde niet verder gaan. + +'Welzeker, en dat is gelukkig. Zij leven volstrekt niet akelig en +ellendig, zij zijn hier gewend en weten niet beter. Het is dom, +onverschillig vee. Zie die twee vrouwen daar, voor haar deur zitten! Zij +kijken zoo tevreden in de vuile straat, als jij vroeger naar je duinen! +Om die menschen behoef je niet te huilen. Dan kan je wel om de mollen +huilen, die nooit het daglicht zien.' + +En Johannes wist niet te antwoorden en wist ook niet waarom hij toch +huilen moest. En te midden van het luidruchtige drijven en woelen zag +hij steeds den bleeken, holoogigen man voortschrijden, met +geruischloozen tred. + +'Toch een goede man, nietwaar?' zeide Pluizer, 'de menschen hieruit weg +te halen. Maar toch zijn ze hier even bang voor hem.' + +Toen de nacht was gedaald, en de honderden lichtjes in den wind +flikkerden en lange, wiegelende beelden in het donkere water wierpen, +gingen beiden langs de stille straten. De oude, hooge huizen schenen +vermoeid tegen elkander geleund te slapen. De meesten hadden hun oogen +gesloten. Doch hier en daar schemerde nog een venster met matten, gelen +glans. + +Pluizer vertelde aan Johannes lange verhalen van hen die daarachter +woonden, van de pijnen, die daar werden uitgestaan, en van den strijd, +die daar tusschen ellende en levenslust gestreden werd. Hij spaarde hem +niets, het somberste, het laagste en platste zocht hij uit, en grinnikte +van genoegen, als Johannes bij zijn verschrikkelijke verhalen bleek werd +en zweeg. + +'Pluizer,' vroeg Johannes op eenmaal, 'weet gij iets van het Groote +Licht?' + +Hij dacht, dat die vraag hem redden zou uit de duisternis, die dichter +en drukkender om hem samendrong. + +'Praatjes! Praatjes van Windekind!' zeide Pluizer. 'Hersenschimmen en +droomerijen! Er zijn alleen menschen, en ik-zelf. Dacht je, dat een God +of iets van dien aard er vermaak in zou hebben, zoo'n rommel te regeeren +als het hier op aarde is? En zoo'n groot licht zou er niet zoovelen hier +in 't donker laten.' + +'En die sterren, die sterren dan?' vroeg Johannes, als verwachtte hij, +dat die zichtbare grootheid het lage voor hem zou kunnen verheffen. + +'Die sterren? Weet je wel waarvan je praat, ventje? Het zijn geen +lichtjes daarboven, zooals de lantaarns, die je hier om je heen ziet. +Het zijn allen werelden, elke veel grooter dan deze wereld met haar +duizenden steden, en middenin zweven wij als een klein stofje, en er is +geen onder of boven, en naar alle zijden zijn werelden, al maar werelden, +en dat houdt nimmer, nimmer op.' + +'Neen! Neen!' riep Johannes angstig, 'niet zeggen, niet zeggen! Ik zie +lichtjes op een groot donker veld boven mij.' + +'Ja, zien kun je niet anders dan lichtjes. Al staarde je je leven lang +omhoog, je zoudt niet anders zien dan lichtjes op een donker veld boven +je. Maar je kunt, je _moet_ weten, dat het werelden zijn, noch boven, +noch onder, waarin dit kluitje met zijn armzalig, wriemelend +menschenzootje niets is, en als niets zal verdwijnen. Spreek dus niet +meer van 'de sterren', als waren het er een paar dozijn, het is een +dwaasheid.' + +Johannes zweeg. De grootheid, die het lage zou verheffen, verpletterde +het. + +'Komaan,' zei Pluizer, 'nu zullen we iets vroolijks gaan zien.' Bij +tusschenpoozen kwamen de golven van een lieflijk slepende muziek hen +tegemoet. Op een donkere gracht was een groot huis, waar het licht hel +uit vele, hooge vensters brak. + +Een lange stoet rijtuigen stond er voor. Het stampen der paarden klonk +hol door de nachtelijke stilte, en hun koppen knikten: ja! ja! +Glimlichtjes blonken op de zilveren knoppen van het tuig en op het +vernis der wagens. + +Binnen was het een-en-al licht. Half verblind staarde Johannes in de +schittering van honderden vlammen, van bonte kleuren, van spiegels en +bloemen. Lichte gestalten streken langs de vensters, naar elkaar toe +buigend, met lach en handgebaar. Tot ver achter in de zalen bewogen zich +de rijkgetooide menschen met langzamen tred of met snelle, wiegelende +draaiing. Een verward gerucht van gelach en blijde stemmen, slepende +schreden en ruischende gewaden drong tot op straat door, meegedragen op +de golven der weeke, bedwelmende muziek, die Johannes reeds van verre +gehoord had. Op straat, dicht bij de ramen, stonden een paar donkere +gestalten, waarvan alleen de gezichten vreemd en ongelijk werden +verlicht door den glans, waarin zij gretig staarden. + +'Dat is mooi, dat is heerlijk!' riep Johannes; hij genoot bij het zien +van zooveel kleur en licht en bloemen. 'Wat gebeurt daar? Mogen wij +daarin?' + +'Zoo, vindt je dit nu toch mooi? Of verkies je soms liever een +konijnenhol? Zie die menschen eens lachen en buigen en schitteren; zie +eens hoe deftig en glad die mannen, hoe bont en opgeschikt die vrouwen! +En welk een aandacht bij het dansen, alsof het de gewichtigste zaak ter +wereld was.'Johannes dacht terug aan het bal in het konijnenhol en hij +zag veel, dat hem er aan herinnerde. Doch alles was hier grooter en +schitterender. De jonge vrouwen met haar rijken tooi schenen hem zoo +schoon als elfen, als zij de lange, blanke armen ophieven en het hoofd +half ter zijde wendden in den dans. De bedienden gingen statig rond en +boden heerlijke dranken aan, met eerbiedige buiging. + +'Hoe prachtig! hoe prachtig!' riep Johannes. + +'Erg mooi, vindt je niet?' zei Pluizer. 'Maar nu moet je ook eens wat +verder kijken dan je neus lang is. Je ziet nu niets dan lieve, lachende +gezichten niet waar? Nu, het grootste deel van al die lachjes is leugen +en gemaaktheid. Die vriendelijke, oude dames aan den kant zitten daar +als hengelaars om een vijver; die jonge vrouwen zijn het aas, de heeren +zijn de visschen. En hoe lief ze ook met elkaar keuvelen, ze rnisgunnen +elkaar nijdig elke vangst. Als een van die jonge vrouwen plezier heeft, +dan is het omdat ze mooier is aangekleed of meer heeren om zich lokt dan +de andere, en het plezier van de heeren ontstaat vooral door die bloote +halzen en armen. Achter al die lachende oogen en vriendelijke lippen +schuilt iets heel anders. Zelfs die eerbiedige knechts denken lang niet +eerbiedig. Als het op eens uitkwam wat allen waarlijk dachten, dan zou +de partij gauw gedaan zijn!' + +En toen Pluizer hem alles wees, zag Johannes duidelijk de gemaaktheid in +gezichten en gebaren en de ijdelheid, afgunst en verveling, die door het +lachend masker heen gluurden of plotseling uitkwamen als het even werd +afgelegd. + +'Nu,' zeide Pluizer, 'men moet hen maar laten begaan. Die menschen +moeten zich toch amuseeren. En anders kunnen zij het niet.' + +Johannes voelde dat er iemand achter hem stond. Hij zag om. Het was de +welbekende, lange gestalte. Het bleeke gelaat was grillig door den +hellen glans verlicht, zoodat de oogen groote, donkere plekken vormden. +Hij prevelde zachtkens bij zichzelven en wees met den vinger in de +lichte zaal. + +'Zie,' zeide Pluizer, 'hij is weer aan 't uitzoeken.' + +Johannes zag waarheen de vinger wees. En hij zag hoe de oude dame onder +het gesprek even de oogen sloot en de hand aan het hoofd bracht, en hoe +het schoone, jonge meisje haar drentelen even staakte en met een lichte +rilling voor zich, staarde. + +'Wanneer?' vroeg Pluizer aan den Dood. + +'Dat is mijn zaak,' zeide deze. + +'Ik wilde Johannes ditzelfde gezelschap nog eens laten zien,' zeide +Pluizer en knipoogde grijnzend. 'Kan dat?' + +'Van avond?' vroeg de Dood. + +'Waarom niet?' zeide Pluizer. 'Daar is uur noch tijd. Wat nu is, is +altijd geweest, en wat worden zal, is er reeds.' + +'Ik kan niet mede,' zeide de Dood, 'ik heb te veel werk. Doch noem den +naam van dat wat wij beiden kennen, en gij zult ook zonder mij den weg +vinden.' + +Zij gingen toen een eindweegs door de eenzame straten, waar de +gasvlammen flikkerden in den nachtwind en het donkere koude water tegen +de grachtwallen kabbelde. De weeke muziek klonk flauwer en flauwer en +verdoofde eindelijk in de groote rust, die over de stad lag. + +Daar klonk op eens van omhoog, met vollen galmenden metaalklank, een +luid en feestelijk lied. + +Plotseling viel het neer van den hoogen toren, op de slapende stad, in +de droeve duistere ziel van den kleinen Johannes. Verwonderd zag hij op. +De klokkenzang hield aan, met helderen, kalmen klank, die zich jubelend +verhief en forsch de doodsche stilte scheurde. Vreemd schenen hem die +blijde tonen, die feestzang te midden van stillen slaap en donkeren rouw. + +'Dat is de klok,' zei Pluizer, 'die is altijd even vroolijk, jaar in, +jaar uit. Elk uur zingt zij ditzelfde lied met gelijke kracht en +opgewektheid. En des nachts klinkt het blijder dan des daags, alsof de +klok juichte dat zij niet behoeft te slapen, dat zij altijd door even +gelukkig kan zingen, waar duizenden onder haar weenen en lijden. Doch +het vroolijkst klinkt het wanneer er iemand gestorven is.' + +Nogmaals verhief zich de jubelende galm. + +'Eens, Johannes,' ging Pluizer voort, 'zal achter zulk een venster in +een stille kamer een flauw lichtje branden. Een droevig lichtje, dat +peinzend trilt en de schaduwen op den wand doet dansen. Er zal geen +gerucht zijn in de kamer, dan nu en dan een zacht, onderdrukt snikken. +Er zal een bed staan met witte gordijnen, met lange schaduwen in de +plooien. En in dat bed zal iets liggen, wit en stil. Dat zal de kleine +Johannes geweest zijn. O, dan zal op eens datzelfde lied luid en lustig +in die kamer breken en 't eerste uur bezingen na zijn dood.' + +Twaalf zware slagen dreunden door de lucht met lange tusschenpoozen. Bij +den laatsten kreeg Johannes op eenmaal een gevoel alsof hij droomde, hij +liep niet meer maar zweefde een eind boven de straat, aan Pluizer's +hand. In snelle vaart streken hem de huizen en lantaarns voorbij. De +huizen stonden nu minder dicht opeen. Ze vormden alleenstaande rijen, +met donkere geheimzinnige gaten er tusschen, waar het gaslicht kuilen, +plassen, puin en balken grillig verlichtte. Eindelijk kwam een groote +poort, met zware zuilen en een hoog hek. In een oogwenk waren zij er +over gezweefd en kwamen neer op vochtig gras naast een grooten zandhoop. +Johannes dacht in een tuin te zijn, want hij hoorde 't ruischen van +boomen in 't ronde. + +'Let nu goed op, Johannes, en houd dan nog eens vol, dat ik niet meer +kan dan Windekind.' + +Toen riep Pluizer luide een korten, somberen naam, die Johannes deed +huiveren. Van alle zijden herhaalde de duisternis den klank, en de wind +voerde hem op in gierend draaien, totdat hij wegstierf in de hooge lucht. + +En Johannes zag hoe de grashalmen hem boven 't hoofd reikten, en hoe de +kleine steen, die zooeven laan zijn voeten ag, hem nu het gezicht +belemmerde. Pluizer naast hem, even klein als hij, vatte den steen met +beide handen en wentelde dien met alle krachten om. Een verward geroep +van fijne, hooge stemmetjes rees van den vrij geworden bodem op. + +'Hei! wie doet dat? Wat beteekent dat? Lomperd!' klonk het dooreen. + +Johannes zag zwarte gestalten haastig door elkaar loopen. Hij herkende +den vluggen, zwarten loopkever, den glimmend bruinen oorworm met zijn +fijne knijpers, pissebedden met haar ronde ruggen en slangachtige +duizendpooten. In 't midden trok een lange aardworm zich bliksemsnel in +zijn gang terug. + +Pluizer ging dwars door de tierende en scheldende bende op het hol van +den aardworm toe. + +'Heidaar! lange, bloote slungel! kom eens voor den dag met je rooden +puntneus!' riep Pluizer. + +'Wat moet je?' vroeg de worm uit de diepte. + +'Jij moet er uit, omdat ik er in wil, hoor je, kale zandeter!' + +Voorzichtig rekte de pier zijn spitsen kop uit de opening, tastte er +eenige malen mee in 't rond en trok toen langzaam het naakte, geringde +lijf verder naar de oppervlakte. + +Pluizer keek rond naar de andere dieren, die nieuwsgierig om hem heen +drongen. + +'Een van jelui gaat mede en licht voor. Neen, zwarte kever, je bent te +dik, en jij met je duizend pooten zoudt me duizelig maken. Ha, jij daar, +oorworm! jouw gezicht bevalt me. Ga mede en draag het licht in je +scharen! Loopkever, loop! en zoek een dwaallicht of haal een fakkel van +hout, dat rottend is.' + +De dieren kregen ontzag voor zijn gebiedende stem en gehoorzaamden. + +Toen daalden zij af in de wormengang. Voorop de oorworm met het lichtend +hout, dan Pluizer, dan Johannes. Het was eng en duister daar beneden. +Flauw zag Johannes de zandkorrels door het matte, blauwe schijnsel +verlicht. Zij schenen groot als steenen, half doorschijnend, tot een +gladden, vasten wand geschuurd door het lichaam van de pier. Deze +laatste volgde nieuwsgierig. Johannes zag achter zich haar spitsen kop +zich nu eens snel vooruit strekken, dan weer wachten tot het lange lijf +nader aangetrokken was. Zij daalden zwijgend, lang en diep. Waar +Johannes het pad te steil werd, steunde Pluizer hem. Er scheen geen +einde te zullen komen; altijd nieuwe zandkorrels, en steeds kroop de +oorworm voort, zich wendend en buigend met de kronkelingen van de gang. +Eindelijk werd de weg breeder en weken de wanden vaneen. De zandkorrels +werden zwart en vochtig; boven vormden ze een gewelf, waarlangs +waterdroppels glinsterende strepen trokken en waardoor boomwortels zich +strekten als verstijfde slangen. + +Daar rees plotseling voor Johannes' blik een loodrechte wand, zwart en +hoog, die de geheele ruimte voor hem afsloot. De oorworm wendde zich om. + +'Ziezoo! Nu is het zaak, daar-achter te komen. Dat zal de pier wel +weten, die is hier te huis.' + +'Kom, wijs ons den weg!' zei Pluizer. + +Langzaam schoof de aardworm het geringde lijf tot bij den zwarten wand +en betastte dien zoekend. Johannes zag, dat het hout was. Hier en daar +was het tot bruinachtige stof vervallen. Daar boorde de worm zich in, en +het lange, lenige lijf gleed in drie tusschenpoozen weg. + +'Nu jij!' zei Pluizer en duwde Johannes in de kleine ronde opening. Een +oogenblik dacht deze te stikken in den zachten, vochtigen molm; toen +voelde hij zijn hoofd vrij komen en werkte zich met moeite geheel uit de +opening los. Een groote ruimte scheen hem te omgeven. De grond was hard +en vochtig, de lucht dik en ondragelijk benauwd, Johannes durfde nauw +ademen en wachtte in nameloozen angst. + +Hij hoorde Pluizer's stem, die hol klonk als in een grooten kelder. + +'Hier Johannes, volg me!' + +Voor zich voelde hij den grond rijzen tot een berg. Aan Pluizer's hand +beklom hij dien, in de diepe duisternis. Het was alsof hij op een kleed +liep, dat meegaf onder zijn tred. Hij strompelde over kuilen en heuvels, +Pluizer volgend, die hem medetrok tot een vlakke plaats, waar hij zich +vastklemde aan lange halmen, die als buigzaam riet waren in zijn hand. +'Hier staan wij goed! Licht!' riep Pluizer. + +Daar daagde het matte licht uit de verte, met zijn drager dalend en +rijzend. Hoe nader het kwam en hoe meer het flauwe gloren de ruimte +vervulde, des te vreeselijker werd Johannes' beklemming. + +De berg, dien hij betreden had, was lang en wit; het riet, dat hij +omklemde, was bruin en krulde in glinsterende golven naar omlaag. + +Hij herkende de rechte gestalte van een mensch, en de kille vlakte, +waarop hij stond, was het voorhoofd. + +Voor hem lagen, als twee diepe, donkere kuilen, de ingezonken oogen, en +het blauwe licht scheen op den dunnen neus en de grauwe lippen, in +akeligen, stijven doodenlach geopend. + +Uit Pluizer's mond klonk een schelle lach, die dadelijk smoorde in de +vochtige houtwanden. + +'Dit is nu een verrassing, Johannes!' + +De lange worm kwam aankruipen tusschen de plooien van het lijkkleed; hij +schoof zich behoedzaam tegen de kin op en glipte over de strakke lippen +in de zwarte mondholte. + +'Dit is nu de schoonste uit de danspartij, die je schooner vond dan een +elf. Toen stroomden zoete geuren uit haar kleederen en haren, toen +lonkten haar oogen en lachten haar lippen. Zie nu eens!' + +Bij al zijn ontzetting was er toch ongeloof in de oogen van Johannes. +Zoo snel? Die pracht was zoo even, en nu reeds ...? 'Geloof je mij +niet?' grijnsde Pluizer. 'Er ligt een halve eeuw tusschen toen en nu. +Daar is uur noch tijd. Wat eenmaal was, zal altijd zijn, en wat worden +zal, is altijd geweest. Je kunt het niet denken, maar moet het gelooven. +Het is hier alles waarheid, alles wat ik je toon is waar! waar! Dat kon +Windekind niet zeggen.' + +Grinnikend sprong Pluizer rond op het doodengelaat en bedreef de +afschuwelijkste scherts. Hij zat op de wenkbrauw en trok bij de lange +wimpers het ooglid op. Het oog, dat Johannes vroolijk had zien +schitteren, staarde dof en rimpelig wit in het schemerlichtje. 'Nu +vooruit!' riep Pluizer, 'er valt nog meer te zien!' + +De pier kroop langzaam uit den rechter mondhoek te voorschijn en de +bange tocht werd voortgezet. + +Niet terug, maar langs nieuwe, even lange en sombere wegen. 'Nu komt een +oude,' zeide de aardworm, toen weder een zwarte wand den weg afsloot. +'Deze is hier al zeer lang.' + +Het was minder vreeselijk dan de vorige maal. Johannes zag slechts een +verwarde massa, waaruit bruinachtige beenderen staken. Honderden wormen +en insecten waren er zwijgend bezig. Het licht gaf opschudding. + +'Van waar komt gij? Wie brengt hier licht? Dat hebben wij niet noodig.' + +En snel schoten zij weg tusschen plooien en in holten. Doch zij +herkenden een soortgenoot. + +'Zijt ge in die hiernaast geweest?' vroegen de wormen. 'Het hout is nog +hard.' + +De eerste worm ontkende. 'Hij wil het buitenkansje voor zich houden,' +zeide Pluizer zacht tot Johannes. + +Verder trokken zij, Pluizer gaf uitleg en wees aan, wie Johannes bekend +waren. Er kwam een misvormd gezicht met starende, uitpuilende oogen, +dikke, zwarte lippen en wangen. 'Dit was een deftig heer,' zeide hij +toen vroolijk, 'je had hem moeten zien, zoo rijk, zoo voornaam en zoo +ingebeeld. Zijn opgeblazenheid heeft hij gehouden.' + +Zoo ging het voort. Er waren ook magere, uitgeteerde gestalten met wit +haar, dat blauw glinsterde in het zwakke licht, en kleine kinderen met +groote hoofden en oudachtige denkersgezichten. + +'Zie, die zijn eerst na hun dood oud geworden!' zei Pluizer. Zij kwamen +bij een man met vollen baard en opgetrokken lippen, wiens witte tanden +blonken. Midden in het voorhoofd had hij een rond zwart gaatje. + +'Deze heeft Hein een handje geholpen. Waarom niet een beetje geduld? Hij +was toch wel hier gekomen.' + +En weer kwamen gangen en nieuwe gangen en weer rechte gestalten met +strakke, grijnzende gezichten en roerlooze, over elkaar gelegde handen. + +'Nu ga ik niet verder,' zei de oorworm, 'ik weet hier geen weg meer.' + +'Laat ons omkeeren,' zei de pier. 'Nog een, nog een!' riep Pluizer. + +Verder ging de tocht. + +'Het bestaat alles wat je ziet,' zei Pluizer onder het voortgaan, 'het +is alles waar. Een ding alleen is niet waar. Dat ben je zelf, Johannes. +jij bent hier niet, en je kunt hier niet zijn.' + +En hij schaterlachte, als hij den angstigen, wezenloozen blik van +Johannes bij zijn woorden zag. + +'Dit is de laatste! werkelijk de laatste!' + +'De gang loopt dood, ik ga niet verder,' zeide de oorworm knorrig. + +'Ik wil verder!' zeide Pluizer, en waar de gang eindigde, begon hij met +beide handen te graven. 'Help mij, Johannes!' + +Willoos in zijn ellende, gehoorzaamde deze en groef de vochtige, fijne +aarde weg. + +Zwijgend en zwoegend werkten zij door, totdat het zwarte hout kwam. + +De pier had den geringden kop ingetrokken en was achteruit verdwenen. De +oorworm liet het licht vallen en ging terug. + +'Zij komen er niet in, het hout is te nieuw,' zeide hij bij 't heengaan. + +'Ik wil,' zei Pluizer en scheurde met de haakvingers lange, witte +splinters krakend uit het hout. + +Een vreeselijke beklemming drukte Johannes. Doch hij moest, hij kon niet +anders. + +Eindelijk kwam de donkere ruimte open. Pluizer nam het licht en kroop +haastig naar binnen. + +'Hier, hier!' riep hij en liep naar het hoofdeinde. + +Doch toen Johannes bij de handen kwam, die stil over elkaar gevouwen op +de borst lagen, moest hij rusten. Hij staarde op de magere, witte +vingers, half verlicht aan de bovenzijde. Op eenmaal herkende hij ze, +hij herkende den vorm en de plooien der vingers, de gedaante der lange +nagels, nu donkerblauw verkleurd. Hij herkende een bruin vlekje aan den +wijsvinger. + +Het waren zijn eigene handen. + +'Hier, hier!' riep Pluizer's stem van het hoofdeinde. 'Zie eens, herken +je hem?' + +Nog wilde de arme Johannes zich weer oprichten en op het licht toegaan, +dat hem wenkte. Doch hij kon niet meer. Het lichtje verglom tot volkomen +duisternis, en hij viel bewusteloos. + + + + +XII + + +Diep zonk hij weg in den slaap, tot in de diepte waar geen droomen zijn. + +Toen hij uit die duisternissen herrees, langzaam, naar het grauwe, koele +licht van den morgen, streek hij door bonte, zachte droomen uit vroeger +tijd. Hij ontwaakte en zij gleden van zijn ziel als dauwdroppelen van +een bloem. Kalm en vriendelijk was de uitdrukking van zijn oogen, half +nog starend in het wemelen der lieflijke beelden. + +Doch in pijn, als een lichtschuwe, sloot hij ze voor het vale daglicht. +Hij zag, wat hij ook den vorigen morgen gezien had. Het scheen hem ver +en lang geleden. Doch uur na uur kwam hem weer te binnen, van den +droevigen morgen tot den vreeselijken nacht. Hij kon niet gelooven, dat +al die verschrikkingen in eenen dag waren verschenen. Het begin van zijn +ellende scheen zoo ver, verloren in grauwen mist. + +Spoorloos gleden de zachte droomen van zijn ziel, Pluizer schudde hem, +en de sombere dag begon, traag en kleurloos, de voorlooper van vele, +vele andere. + +Doch wat hij den vorigen avond op dien bangen tocht gezien had, bleef +hem bij. Was het slechts een afschuwelijk visioen geweest? + +Toen hij Pluizer er weifelend naar vroeg, keek deze hem spottend en +verwonderd aan. + +'Wat bedoel je?' vroeg hij. + +Doch Johannes zag den spot niet in zijn blik, en vroeg of het niet +waarlijk zoo geschied was, hij zag het nog zoo scherp en duidelijk +voor zich! + +'Maar Johannes, wat ben je toch dom! Zulke dingen kunnen immers niet +gebeuren!' + +En Johannes wist niet wat hij denken moest. + +'We zullen je gauw aan 't werk zetten. Dan zul je zulke domme vragen +niet meer doen.' + +En zij gingen naar den docter Cijfer, die Johannes zou helpen vinden, +wat hij zocht. + +Doch in de drukke straten hield Pluizer eenmaal plotseling stil en wees +Johannes een mensch uit de menigte. + +'Ken je hem nog?' vroeg Pluizer en schaterde het uit toen Johannes bleek +werd en den man verschrikt nastaarde. + +Hij had hem den vorigen nacht gezien, diep onder de aarde. + +Vriendelijk ontving hen de docter en deelde Johannes zijn wijsheid mede. +Uren luisterde hij dien dag, en vele dagen daarna. + +Wat hij zocht had de docter nog niet gevonden. Doch hij had het bijna, +zeide hij. Hij zou Johannes zoo ver brengen als hij zelve was en dan +zouden zij er beiden wel komen. + +Johannes leerde en luisterde, ijverig en geduldig, dagen en maanden +lang. Hij gevoelde weinig hoop, doch hij begreep, dat hij nu door moest +gaan, zoo ver mogelijk. Hij vond het vreemd, dat terwijl hij licht +zocht, het hoe langer hoe duisterder om hem werd. Het begin van al wat +hij leerde was het best, doch hoe dieper hij doordrong hoe doodscher en +duisterder. Hij begon met planten en dieren, met al wat om hem was en +als hij er lang op gestaard had, werden het cijfers. Alles viel uiteen +tot cijfers, bladen vol cijfers. Dat vond docter Cijfer heerlijk, en hij +zeide, dat het hem licht werd, als de cijfers kwamen, doch voor Johannes +was dat duisternis. + +Pluizer verliet hem niet en dreef en zweepte hem voort, als hij +moedeloos en vermoeid was. Alle oogenblikken van genot of bewondering +bedierf hij hem. + +Johannes verbaasde en verheugde zich, toen hij leerde en zag, hoe fijn +de bloemen waren gebouwd, hoe zij vruchten vormden en hoe de insecten +hen onwetend hielpen in die taak. + +'Dat is toch prachtig,' zeide hij, 'hoe juist is dat alles berekend en +hoe fijn en doelmatig gemaakt.' + +'Ja, verbazend doelmatig,'zei Pluizer, 'jammer dat het grootste deel van +die doelmatigheid en fijnheid tot niets dient. Hoeveel bloesems worden +vruchten en hoeveel pitten worden boomen?' + +'Maar het schijnt toch alles naar een groot plan gemaakt,' antwoordde +Johannes. 'Zie! de bijen zoeken honing voor zich zelven en weten niet +dat zij de bloemen helpen, en de bloemen lokken de bijen door hun kleur. +Het is een plan, en zij werken beide mede zonder het te weten.' + +'Dat lijkt heel mooi, maar er mankeert veel aan. Als de bijen kans zien, +bijten zij een gat onder in de bloem en maken de heele ingewikkelde +inrichting te schande. Een slimme plannenmaker, die zich door een bij +voor den gek laat houden.' + +Bij het wonderbare samenstel van menschen en dieren ging het nog erger. +Van al wat Johannes schoon en kunstig toescheen, toonde hij de +onvolkomenheid en de gebreken. Het gansche heer van kwalen en ellende +dat mensch en dier treffen kan, toonde hij hem, met voorliefde het +walgelijkste en afzichtelijkste kiezend. + +'Die plannenmaker, Johannes, was erg slim, maar bij alles wat hij maakte +vergat hij iets, en de menschen hebben handen vol werk, om al die +gebreken zoo goed mogelijk bij te lappen. Zie maar om je heen! een +parapluie, een bril, zelfs kleeren en huizen, het is alles menschelijk +lapwerk. Het hoort volstrekt niet bij het plan. Maar de plannenmaker +heeft niet bedacht dat menschen het koud zouden hebben en boeken zouden +lezen en duizend dingen meer zouden gaan doen, waarvoor zijn plan niet +deugde. Hij heeft zijn kinderen kleertjes gegeven, zonder te denken, +dat zij er uit zouden groeien. Nu zijn bijna alle menschen lang hun +natuurpakje ontgroeid. Nu gaan zij alles zelf doen en storen zich +volstrekt niet meer aan den plannenmaker en zijn plannen. Wat hij hun +niet gegeven heeft, nemen ze brutaal en eigenmachtig, en waar het hem +blijkbaar te doen was hen te doen sterven, ontduiken zij den dood soms +voor langen tijd, door allerlei kunstgrepen.' + +'Maar het is de schuld van de menschen,' riep Johannes, 'waarom wijken +zij moedwillig af van de natuur?' + +'O domme Johannes! als een kindermeid een onnoozel kind met vuur laat +spelen en het brandt zich, wie heeft dan schuld? Het kind dat geen vuur +kende, of de meid die wist dat het kind zich branden zou? En wie is +schuld, als de menschen afdwalen in ellende en onnatuur, zijzelve of de +alwijze plannenmaker, bij wien zij als onwetende kinderen zijn?' + +'Maar zij zijn niet onwetend, zij wisten ...' + +'Johannes! als gij een kind zegt: 'raak dat vuur niet aan! het doet +pijn' en als het kind het dan toch doet, omdat het niet weet wat pijn +is, kunt gij u dan van schuld vrij pleiten en zeggen: 'zie! het kind was +niet onwetend'? Gij toch wist, dat het uwen raad niet zou achten. +Menschen zijn dwaas en dom als kinderen. Doch glas is bros en leem is +week. En wie menschen maakt en hun dwaasheid niet rekent, is als hij die +wapenen maakt van glas en niet bedenkt dat zij zullen breken, en pijlen +van leem en niet bedenkt, dat zij zullen buigen.' + +En de woorden vielen als droppelen vloeiend vuur op Johannes' ziel. En +in zijn borst zwol het grootste leed, dat zijn vroegere smarten verdrong +en hem vaak deed weenen, in de stille, slapelooze uren van den nacht. + +Ach! slaap! slaap! Er kwam een tijd, na lange dagen, dat slaap hem het +liefste was van alles. Daarin was geen gedachte en geen leed; en zijn +droomen brachten hem altijd tot zijn vroeger leven terug. Heerlijk +scheen het hem, als hij er van droomde, doch overdag kon hij zich niet +meer te binnen brengen, hoe het geweest was. Hij wist alleen, dat zijn +verdriet en verlangen van vroeger beter waren, dan het ledige, doode +gevoel dat hij nu kende. Hij had eens smartelijk naar Windekind verlangd, +hij had eens uur aan uur op Robinetta gewacht. Hoe heerlijk was dat +geweest! + +Robinetta! Verlangde hij nog? Hoe meer hij leerde, hoe meer zijn +verlangen week. Want ook dat werd ontleed en Pluizer legde hem uit wat +liefde was. Toen schaamde hij zich en docter Cijfer zeide dat hij er nog +geen cijfers van maken kon, maar dat het wel spoedig gebeuren zoude. Zoo +werd het duisterder en duisterder om den kleinen Johannes. + +Hij had een flauw gevoel van dankbaarheid, dat hij Robinetta niet +herkend had op zijn vreeselijken tocht met Pluizer. + +Als hij Pluizer er over sprak, zeide deze niets en lachte slim. Maar +Johannes begreep dat het niet was geweest, om hem te sparen. + +De uren dat Johannes niet leerde en werkte, gebruikte Pluizer, om hem de +menschen te laten zien. Hij wist hem overal te brengen, in de ziekenhuizen, +waar in groote zalen de zieken lagen, lange rijen bleeke, uitgeteerde +gezichten met doffe of pijnlijke uitdrukking, waar een naargeestige stilte +was, slechts door kuchen en kermen gebroken. En Pluizer wees hem, wie van +hen nimmer die zalen zouden verlaten. En als op een bepaald uur stroomen +menschen het huis binnenkwamen om hunne zieke verwanten te bezoeken, zeide +Pluizer: 'Zie! die allen weten, dat ook zij eens in dit huis en in die +droeve zalen terecht zullen komen, om er in een zwarte kist uitgedragen te +worden.' + +'Hoe kunnen zij nog ooit vroolijk zijn?' dacht Johannes. + +En Pluizer bracht hem op een klein bovenzaaltje, waar een weemoedig +halfduister heerschte en waar de verwijderde klanken van een piano uit +een naburig huis onophoudelijk en droomerig doordrongen. Daar wees +Pluizer hem onder de anderen een zieke, die suffend voor zich uit +staarde naar een smal zonnestraaltje, dat traag langs den muur kroop. + +'Die ligt daar al zeven jaar,' zeide Pluizer. 'Hij is zeeman geweest en +heeft de palmen van Indie, de blauwe zeeen van Japan, de bosschen van +Brazilie gezien. Nu amuseert hij zich al de lange dagen van zeven lange +jaren, met dat zonnestraaltje en dat pianospel. Hij komt hier niet meer +vandaan; maar het kan nog even lang duren.' + +Na dien dag was het Johannes' bangste droom, op eens te ontwaken in dat +zaaltje, in dat weemoedig halfduister bij die droomerige klanken, om tot +het einde toe niets anders meer te zien dan het gaande en komende licht. + +Pluizer bracht hem ook in de groote kerkgebouwen en liet hem luisteren +naar wat daar gezegd werd. Hij bracht hem bij feesten, bij groote +plechtigheden, in de binnenvertrekken van vele huizen. + +Johannes leerde de menschen kennen, en het gebeurde hem somtijds, dat +hij aan zijn vroeger leven moest denken, aan de sprookjes, die Windekind +hem verteld had, en aan zijn eigen ontmoetingen. Er waren menschen die +hem aan het glimwormpje herinnerden, dat in de sterren zijn gestorven +makkers meende te zien, of aan den eenen meikever, die een dag ouder was +dan de andere en zooveel over een roeping gesproken had, en hij hoorde +verhalen, die hem aan Kribbelgauw, den held der kruisspinnen, deden +denken; of aan den aal, die niets deed en gevoed werd omdat een dikke +koning deftig stond. Zich-zelven vergeleek hij wel met den jongen +meikever, die niet wist wat een roeping was en in het licht vloog. Hij +voelde zich alsof hij hulpeloos en verminkt op het vloerkleed rondkroop, +met een draadje om 't lijf, een scherp draadje, waaraan Pluizer rukte +en trok. + +Ach, den tuin zou hij wel niet meer vinden, wanneer zou de zwarte voet +komen en hem verpletteren? + +Pluizer bespotte hem, als hij over Windekind sprak. En langzamerhand +begon hij te gelooven, dat Windekind er nooit geweest was. + +'Maar, Pluizer! dan is het sleuteltje er ook niet, dan is er niets!' + +'Niets! Niets! Er zijn menschen en cijfers, dat is alles waar, dat +bestaat, eindeloos veel cijfers.' + +'Maar, Pluizer, dan hebt ge mij bedrogen. Laat mij uitscheiden, laat mij +niet meer zoeken, laat mij alleen!' + +'Weet je niet meer wat de Dood gezegd heeft? Een mensch zou je worden, +een volmaakt mensch.' + +'Ik wil niet, het is vreeselijk.' + +'Je moet, je hebt eens gewild. Zie docter Cijfer eens, vindt die het +vreeselijk? Word zooals hij is.' + +Het was waar. Docter Cijfer scheen altijd rustig en gelukkig. Onvermoeid +en onverstoorbaar ging hij zijn weg, studeerend en onderrichtend, tevreden +en gelijkmoedig. + +'Zie hem,' zeide Pluizer, 'hij ziet alles en ziet ook niets. Hij bekijkt +de menschen alsof hij zelf een ander wezen ware, dat niets met hen +uitstaande heeft. Hij gaat tusschen kwalen en ellenden als een onkwetsbare +en verkeert met den dood als een onsterfelijke. Hij verlangt alleen te +begrijpen wat hij ziet, en hij vindt alles even goed wat hij te weten komt. +Hij is met alles tevreden, zoodra hij het bereikt. Zoo moet je ook worden.' + +'Maar dat kan ik nooit.' + +'Ja, dat kan ik niet helpen.' + +Dat was immer het hopelooze einde van hun gesprek. Johannes werd dof en +onverschillig, zocht en zocht, niet meer wetend waarnaar en waarom. Hij +werd als de velen, die Wistik gesproken hadden. + +'t Werd winter, en hij merkte het nauwelijks. + +Op een killen, mistigen morgen, toen de natte, vuile sneeuw op de +straten lag en van boomen en daken droop, ging hij met Pluizer zijn +dagelijkschen gang. + +Op een plein ontmoette hij eenige jonge meisjes, op een rij, met +schoolboeken in de hand. Ze wierpen elkaar met sneeuw en lachten en +stoeiden. Helder klonken haar stemmetjes over het besneeuwde plein. Men +hoorde geen geluid van voetstappen of rijtuigen, alleen de rinkelende +bellen der paarden of het rammelen van een winkeldeur. Helder klonk de +blijde lach door de stilte. Johannes zag hoe een der meisjes hem aankeek +en bleef nastaren. Zij had een bontmanteltje om en droeg een zwarten +hoed. Hij kende haar gelaat zeer goed, maar wist toch niet wie zij was. +Zij knikte eens, en nog eens. + +'Wie is dat? ik ken haar.' + +'Ja, dat is wel mogelijk. Zij heet Maria. Sommigen noemen haar +Robinetta.' + +'Neen, dat kan niet. Zij lijkt niet op Windekind. Het is een gewoon +meisje.' + +'Ha! ha! ha! Zij kan niet lijken op niemand. Maar zij is wie zij is. Je +hebt naar haar verlangd, ik wil je nu wel bij haar brengen.' + +'Neen, ik wil haar niet zien. Ik had haar liever dood gezien, zooals de +anderen.' + +En Johannes keek niet meer om, maar liep haastig door en prevelde: + +'Dat is het laatste, er is niets! niets!' + + + + +XIII + + +Het klare, warme zonlicht van een eersten lentemorgen stroomde over de +groote stad. Helle stralen vielen in 't kamertje, waar Johannes woonde; +op de lage zoldering trilde en schommelde een groote lichtplek, +weerkaatsing van het rimpelend water der gracht. + +Johannes zat voor het raam in den zonneschijn en staarde over de stad. +Zij was geheel van uitzicht veranderd. De grauwe mist was een glanzig +blauw zonnewaas geworden, dat het einde der lange straten en de torens +in de verte omhulde. De lichtkanten der leien daken schitterden +zilverwit, alle huizen hadden heldere lijnen en lichte vlakken door het +zonlicht, er was een warme tinteling in de bleekblauwe lucht. Het water +scheen levend geworden. De bruine knopjes der iepeboomen waren dik en +glanzig, en luidruchtige musschen fladderden tusschen de takjes. + +Het werd Johannes zoo zonderling te moede, terwijl hij staarde. De +zonneschijn bracht hem in een zoete verdooving. + +Er was vergetelheid en dadelijke weelde in. Droomend staarde hij op de +schittering der golfjes, op de zwellende iepeknopjes, en hij luisterde +naar het tjilpen der musschen. Er was vreugde in dat geluid. + +Zoo week was hij in langen tijd niet gestemd geweest; zoo gelukkig had +hij zich in langen tijd niet gevoeld. + +Dat was de oude zonneschijn, dien hij herkende. Dat was de zon die hem +vroeger naar buiten riep, naar den tuin, waar hij dan, in de luwte van +een oud muurtje, op den warmen grond ging liggen, en lang kon genieten +van al dat licht en die warmte, starend op de halmpjes en kluitjes voor +hem, gekoesterd in de zon. + +Het was hem zoo wel in dat licht, het gaf hem het veilige thuisgevoel, +zooals hij zich herinnerde dat het heel vroeger was, in de armen van +zijn moeder. Hij moest aan al het verledene denken, doch hij weende of +verlangde niet. Hij zat stil en droomde, niet anders wenschend dan dat +de zon blijven mocht. + +'Wat suf je daar, Johannes?' riep Pluizer, 'je weet ik houd niet van +droomen.' + +Johannes hief smeekend de peinzende oogen op. + +'Laat mij nog wat zoo blijven,' zeide hij. 'De zon is zoo goed.' + +'Wat vindt je aan die zon?' zeide Pluizer. 'Het is toch niets anders +dan een groote kaars, of je in kaarslicht of zonlicht zit is volmaakt +hetzelfde. Zie! die schaduwen en die lichte plekken op straat, dat is +toch niets anders dan het schijnsel van een licht, dat wat stil brandt +en niet flikkert. En dat licht is eigenlijk een heel klein vlammetje, +dat op een heel klein stukje van de wereld schijnt. Daar! daar! voorbij +dat blauw, onder en boven ons, is het donker, koud en donker! daar is +het nu nacht, nu en altijd.' + +Doch zijn woorden hadden geen invloed op Johannes. De stille, warme +zonnestralen doordrongen hem en vervulden zijn geheele ziel, het was +licht en vredig in hem. + +Pluizer nam hem mede naar het kille huis van docter Cijfer. Een tijd +lang nog zweefden de zonnebeelden voor zijn geest, toen verflauwden zij +langzamerhand en midden op den dag was het geheel duister in hem. + +Doch toen de avond kwam en hij weder door de straten der stad ging, was +de lucht zoel en vol vochtige voorjaarsgeuren. Alles geurde sterker en +in de enge straten beklemde het hem. Maar op de open pleinen rook hij +het gras en de knoppen van buiten. En boven de stad zag hij het voorjaar +in de rustige wolkjes, in het teedere rood van den westelijken hemel. + +De schemering spreidde een zachten, grijzen nevel over de stad, vol +fijne tinten. Het werd stil in de straten, alleen een straatorgel in de +verte speelde een weemoedige wijs, de huizen schenen zwarte schimmen +tegen den rooden avondhemel, als tallooze armen staken ze hun grillige +spitsen en schoorsteenen op. + +Het was Johannes als een vriendelijke glimlach der zon, toen zij voor +het laatst lichtte over de groote stad, vriendelijk als de glimlach die +een dwaasheid vergeeft. En de zoelte streek Johannes liefkoozend langs +de wangen. + +Toen kwam er een groote weemoed in Johannes' hart, zoo groot dat hij +niet verder kon gaan en diep ademend zijn gezicht moest opheffen naar +den wijden hemel. Het voorjaar riep hem en hij hoorde het. Hij wilde +antwoorden, hij wilde komen. Het was alles berouw en liefde en +vergeving in hem. + +Verlangend staarde hij omhoog en tranen gleden uit zijn droeve oogen. + +'Kom! Johannes! doe niet zoo raar, de menschen kijken!' zei Pluizer. + +De lange, eentonige huizenrijen strekten zich aan beide zijden somber en +naargeestig uit. Een jammer in de zoele lucht, een klaagtoon tusschen +het roepen van de lente! + +De menschen zaten aan de deuren en op de stoepen, om de lente te +genieten. Het scheen Johannes een bespotting. De vuile deuren stonden +open en de bedompte ruimte daarbinnen wachtte hen. Nog rekte het orgel +in de verte zijn weemoedige tonen. + +'O! kon ik hier uit wegvliegen, ver weg, naar de duinen, naar--de zee!' + +Doch hij moest mede naar het hooge kleine kamertje en hij lag wakker +dien nacht. + +Hij moest denken aan zijn vader en de lange wandelingen, die hij met hem +maakte, als hij tien passen achter hem liep en zijn vader letters voor +hem schreef in het zand. Hij moest aan de plaatsen denken, waar de +viooltjes groeien tusschen het kreupelhout en aan de dagen, dat hij ze +met zijn vader gezocht had. Den ganschen nacht zag hij het gezicht van +zijn vader, zooals het was, als hij des avonds bij het stille lamplicht +naar hem zat te kijken en luisterde naar het krassen van zijn pen. + +Iederen morgen vroeg hij Pluizer toen, om nog eens terug te mogen gaan, +naar zijn huis en zijn vader, om nog eens zijn tuin en de duinen te +mogen zien. Nu merkte hij dat hij zijn vader meer had liefgehad dan +Presto en zijn kamertje, want het was om hem dat hij het vroeg. + +'Zeg mij alleen hoe het met hem is en of hij nog boos op mij is, dat ik +zoolang ben weggebleven.' + +Pluizer haalde de schouders op. 'Al wist je dat nu, wat zou het je +helpen?' + +Doch de lente bleef hem roepen, luider en luider. Iederen nacht droomde +hij van het donkergroene mos aan de duinhellingen en van zonnestralen, +die door het fijne, jonge groen schenen. + +'Het kan zoo niet langer duren,' dacht Johannes, 'ik kan het niet +uithouden.' + +En vaak, als hij niet slapen kon, stond hij zachtjes op, ging naar het +venster, en staarde in den nacht. Hij zag hoe de dommelige, donzen +wolkjes langzaam langs de maanschijf schoven, vreedzaam drijvend in een +zee van zachten glans. Hij dacht hoe nu daar in de verte de duinen +sliepen in den zoelen nacht, hoe wondervol het moest zijn in de lage +boschjes, waar geen van de jonge blaadjes zou bewegen en waar het zou +geuren van vochtig mos en jonge berkenspruiten. Hij meende van verre het +golvende koor der kikvorschen te hooren, dat zoo geheimzinnig aanzweeft +over de velden, en het lied van den eenigen vogel, die de plechtige +stilte mag begeleiden, die zijn zang zoo zacht en klagend begint en zoo +plotseling afbreekt, waardoor de stilte nog stiller schijnt. En het riep +hem, het riep hem alles. Hij boog het hoofd op de vensterbank en snikte +op zijn arm. + +'Ik kan niet! ik kan het niet dragen. Ik zal wel gauw sterven, als ik +niet komen mag.' + +Toen Pluizer hem den volgenden dag wekte, zat hij nog bij het venster, +waar hij was ingeslapen met het hoofd op den arm. + +De dagen vergingen, werden lang en warm, en er kwam geen verandering. +Doch Johannes stierf niet en zijn smart moest hij dragen. + +Op een morgen zeide docter Cijfer tot hem: 'Gaat ge mede Johannes, ik +moet een zieke bezoeken.' + +Docter Cijfer was bekend als een geleerd man en velen riepen zijn hulp +in tegen ziekte en dood. Reeds dikwijls was Johannes met hem medegegaan. + +Pluizer was bizonder vroolijk dien morgen. Hij ging telkens op het hoofd +staan, danste en buitelde, en bedreef allerlei uitgelaten scherts. Hij +grinnikte voortdurend geheimzinnig, als een die een ander een verrassing +bereid heeft. Johannes vreesde hem zeer in die stemming. + +Docter Cijfer bleef echter ernstig als altijd. + +Zij gingen een verren weg dien morgen. In een spoortrein en te voet. Zij +gingen verder dan anders, nog nooit was Johannes buiten de stad +medegenomen. + +Het was een warme, zonnige dag. Uit den spoortrein zag Johannes de +groote, groene weiden voorbijgaan met langgepluimd gras en grazende +koeien. Hij zag witte vlinders fladderen boven het bloemrijke land, waar +de lucht trilde van zonnehitte. + +Doch opeens voelde hij een tinteling, daar strekte zich de lange, +golvende duinreeks uit! + +'Nu Johannes!' grinnikte Pluizer. 'Nu krijg je toch je zin, zie je wel!' + +Half ongeloovig bleef Johannes naar de duinen staren. Zij kwamen nader +en naderbij. De lange slooten aan beide zijden schenen om hun middelpunt +te draaien en snel vlogen enkele woningen langs den weg voorbij. + +Toen kwamen de boomen: dichtbebladerde kastanjeboomen, rijkelijk bloeiend +met duizenden groote, witte of roode bloemtrossen, donker-blauwgroene +dennen, groote, statige linden. + +Het was toch waarheid, hij ging zijn duinen weerzien. + +De trein stond stil, en toen liepen de drie te voet, onder schaduwrijk +loof. + +Daar was het donkergroene mos, daar waren de ronde plekken der zonnestralen +op den boschgrond, dat was de geur van berkenspruiten en dennenaalden. + +'Is het waar! is het werkelijk waar?' dacht Johannes, 'zou het geluk komen?' + +Zijn oogen schitterden en zijn hart klopte sterk. Hij begon te gelooven +aan zijn geluk. Deze boomen, dezen grond kende hij, dit boschpad was hij +vaak gegaan. + +Zij waren alleen op den weg. Doch Johannes moest omkijken, alsof hen +iemand volgde. En hij meende tusschen het eikenloof de donkere figuur +van een mensch te zien, die telkens door de laatste kronkeling van het +pad verborgen bleef. + +Pluizer keek hem valsch en geheimzinnig aan. Docter Cijfer liep met +lange schreden en staarde naar den grond. + +De weg werd hem bekender en vertrouwder, iederen steen, ieder struikje +kende hij, toen verschrikte Johannes op eenmaal hevig, want hij stond +voor zijn eigen huis. + +De kastanjeboom voor het huis breidde zijn groote, handvormige bladen +schaduwend uit. Tot boven in den hoogen top prijkten de prachtig witte +bloesems in de volle, ronde loovermassa. + +Hij hoorde het geluid der opengaande deur, dat hij zoo goed kende, en +hij rook den geur van zijn eigen huis. Daar herkende hij de gang, de +deuren, alles stuk voor stuk, met een smartelijk gevoel van verloren +vertrouwelijkheid. Het was alles een deel van zijn leven, van zijn +eenzaam, mijmerend kinderleven. Tegen al die voorwerpen had hij +gesproken, hij had met hen geleefd in zijn gedachteleven, waarin hij +geen mensch toeliet. Doch nu voelde hij zich gescheiden en afgestorven +van het gansche oude huis, met zijn kamers en gangen en portaaltjes. Hij +voelde dat die scheiding onherroepelijk was en het was hem alsof hij een +kerkhof bezocht, zoo weemoedig en droevig. + +Was Presto hem maar tegemoetgesprongen, dan zou het minder akelig zijn, +maar Presto was zeker weg of dood. + +Doch waar was zijn vader? + +Hij keek terug naar de open deur en den zonnigen tuin daarbuiten, en zag +den man, die hem op weg scheen te achtervolgen, nu reeds op het huis +toeschrijden. Hij kwam nader en nader en scheen grooter te worden bij +het naderen. Toen hij bij de deur was vervulde een groote, kille schaduw +de gang. Toen herkende Johannes den Man. + +Het was doodstil in huis en zij gingen zwijgend de trap op. Er was een +trede, die altijd kraakte onder den tred, dat wist Johannes. En nu +hoorde hij haar driemaal kraken, het klonk als pijnlijk kreunen. Doch +onder den vierden voetstap was het als een doffe snik. + +En boven hoorde Johannes een gekreun, zacht en zoo regelmatig als +langzaam klokgetik. Het was een pijnlijk akelig geluid. + +De deur van Johannes' kamertje stond open. Hij wierp er even een schuwen +blik in. De wonderlijke bloemfiguren van het behangsel staarden hem +verbaasd en wezenloos aan. De hangklok stond stil. + +Zij gingen naar de kamer van waar het geluid kwam. Het was zijns vaders +slaapkamer. De zon scheen vroolijk naar binnen, op de gesloten, groene +gordijnen van het bed. Simon de kat zat op de vensterbank in den +zonneschijn. Er heerschte een beklemmende geur van wijn en kamfer. Het +zachte kreunen klonk nu van nabij. + +Johannes hoorde fluisteren van stemmen en schuifelen van voorzichtige +voetstappen. Toen werden de groene gordijnen opgeslagen. + +Hij zag het gezicht van zijn vader, dat hij zoo dikwijls voor zich had +gezien den laatsten tijd. Doch het was geheel anders. De vriendelijke, +ernstige uitdrukking was weg en het keek strak en benauwd. Het was +vaalbleek, met bruine schaduwen. De tanden waren zichtbaar in den +halfgeopenden mond en het wit der oogen onder de halfgesloten oogleden. +Het hoofd lag weggezonken in het kussen en regelmatig hief het zich bij +het kreunen even op, om dan weer moede op zij te vallen. + +Roerloos stond Johannes bij het bed en staarde met wijde strakke oogen +naar dat bekende gezicht. Hij wist niet wat hij dacht, hij durfde geen +vinger bewegen, hij durfde die oude, bleeke handen niet vatten, die slap +op het witte linnen lagen. + +Het was alles zwart om hem, de zon en de lichte kamer, het groen +daarbuiten en de blauwe lucht van zooeven, al wat achter hem lag, het +werd zwart, zwart, dof en ondoordringbaar. En in dien nacht zag hij +alleen dat bleeke hoofd daar voor hem. En hij moest alleen denken aan +dat arme hoofd, dat zoo moede scheen, en zich telkens en telkens weer +met smartelijk geluid moest opheffen. + +Daar kwam een oogenblik verandering in de regelmatige beweging. Het +kreunen hield even op, de oogleden gingen langzaam open, de oogen +staarden zoekend rond en de lippen trachtten iets te zeggen. + +'Dag vader!' fluisterde Johannes en staarde angstig bevend in de +zoekende oogen. De matte blik rustte toen even op hem en een flauw, +flauw glimlachje rimpelde de holle wangen. De smalle, saamgeplooide hand +werd van het linnen opgeheven en maakte een onzekere beweging naar +Johannes, toen viel zij krachteloos weder neer. + +'Kom! kom!' zeide Pluizer, 'geen scene hier.' + +'Ga uit den weg, Johannes,' zeide docter Cijfer, 'wij moeten zien wat er +te doen valt.' De docter begon het onderzoek, doch Johannes ging weg van +het bed en stond voor het raam. Hij keek naar het zonnige gras en de +heldere lucht en naar de breede kastanjeblaren, waarop dikke vliegen +zaten, die blauw glansden in den zonneschijn. Het kreunen begon weer met +dezelfde gelijkmatigheid. + +Een zwarte meerle huppelde tusschen het hooge gras in den tuin, groote +rood- en zwarte vlinders dwarrelden over de bloemperken, uit het loover +der hoogste boomen drong het zachte, vleiende gekir der houtduiven tot +Johannes door. + +Hier binnen hield het kreunen aan, altijd door, altijd door. Hij moest +er naar luisteren, en het kwam regelmatig, onafwendbaar als de vallende +droppel, die krankzinnig maakt. In spanning wachtte hij bij elke +tusschenpooze en telkens kwam het weer, verschrikkelijk als de voetstap +van den naderenden dood. + +En daarbuiten heerschte warme, weelderige zonnevrede. Alles koesterde +zich en genoot. De grashalmen trilden en de bladeren ritselden van zoete +weelde, boven de hooge boomtoppen, diep in het wemelende blauw, zweefde +een reiger met kalmen vleugelslag. + +Johannes begreep het niet, het was hem alles een raadsel. Het was zoo +verward en duister in zijn ziel. 'Hoe kan dit alles tegelijk in mij +zijn!' dacht hij. + +'Ben ik dit werkelijk? Is dat mijn vader, mijn eigen vader? Van mij, +mij, Johannes?' + +Het was hem alsof hij van een vreemde sprak. Het was alles een verhaal, +dat hij gehoord had. Hij had iemand hooren vertellen van Johannes en van +het huis, waar hij woonde en van zijn vader, dien hij verlaten had en +die nu sterven ging. Hij was het zelf niet, hij had het hooren vertellen. +Het was wel een droevig verhaal, recht droevig. Maar het ging hem niet aan. + +Ja! ja! toch. Hij was het zelf, hij! Johannes! + +'Ik begrijp de zaak niet,' zeide docter Cijfer, zich oprichtende, 'het +is een raadselachtig geval.' + +Pluizer kwam bij Johannes staan. + +'Kom je niet eens kijken, Johannes, het is een belangrijk geval. De +docter weet het niet.' + +'Laat mij,' zeide Johannes, zonder zich om te wenden. 'Ik kan niet +denken.' + +Doch Pluizer ging achter hem staan en fluisterde scherp in zijn oor, +zooals zijn gewoonte was. + +'Niet denken! Dacht je dat je niet denken kon? Dat heb je mis. Je moet +denken. Al kijk je nu in het groen en in de blauwe lucht, dat helpt +niet. Windekind komt toch niet. En de zieke man daar gaat toch dood. Dat +heb je even goed gezien als wij. Maar wat zou zijn kwaal zijn, denk je?' + +'Ik weet het niet! ik wil het niet weten.' + +Johannes zweeg en luisterde naar het kreunen, het klonk zacht klagend en +verwijtend. Docter Cijfer maakte aanteekeningen in een boekje. Bij het +hoofd van het bed zat de donkere gestalte, die hen gevolgd was, het +hoofd gebogen, de lange hand naar den zieke gestrekt en de diepliggende +oogen naar de klok gericht. + +Het scherpe fluisteren aan zijn oor begon weer. + +'Waarom zie je zoo bedroefd, Johannes? Nu heb je toch je zin. Daar +liggen de duinen, daar zijn de zonnestralen door het groen, daar +fladderen vlinders en zingen vogels. Wat verlang je nu nog? Wacht je +Windekind? Als hij ergens is, moet hij daar zijn. Waarom komt hij nu +niet? Zou hij bang zijn voor dien donkeren vriend aan het hoofdeneind? +Die was er toch altijd.' + +'Zie je nu wel dat het alles verbeelding geweest is, Johannes?' + +'Hoor je dat kreunen wel? Het klinkt al zachter dan zooeven. Je kunt +hooren dat het wel gauw heelemaal zal ophouden. Nu, wat is dat? Er +hebben er al zooveel gekreund, ook toen jij hier buiten rondliep +tusschen de duinrozen. Waarom sta je nu hier te treuren en gaat niet de +duinen in, als vroeger? Zie! alles bloeit en geurt en zingt daar, alsof +er niets gebeurt. Waarom doe je niet mee in al die vroolijkheid en +dat leven?' + +'Eerst klaag je en verlang je, nu breng ik je waar je zijn wilde en nu +is het weer niet goed. Zie! ik laat je gaan, ga door het hooge gras, lig +in die koele schaduw, laat de vliegen om je gonzen en ruik den geur van +het jonge kruid! ik laat je vrij, ga nu! Zoek Windekind nu weer!' + +'Je wilt niet? Geloof je nu dan toch alleen in mij? Is het waar wat ik +je verteld heb? Loog Windekind of ik?' + +'Hoor het kreunen! Zoo kort en zwak. Het zal gauw stil zijn.' + +'Zie maar niet zoo angstig om, Johannes. Hoe eer het stil is, hoe beter. +Nu zullen er geene lange wandelingen meer komen, nu zul je niet meer +naar viooltjes zoeken met hem. Met wie zou hij die twee jaren gewandeld +hebben, denk je? toen je weg waart? Ja, je kunt het hem nu niet meer +vragen. Dat zul je nooit weten. Nu moet je je wel met mij tevreden +stellen. Als je mij wat vroeger gekend hadt, zou je nu niet zoo +jammerlijk kijken. Je bent nog lang niet zooals je wezen moet. Denk je +dat docter Cijfer in jouw geval zoo kijken zou? Het zou hem even +bedroefd maken als die kat, die daar spint in den zonneschijn. En dat is +goed. Waartoe dient die rampzaligheid? Hebben de bloemen je die geleerd? +Die treuren ook niet als er een geplukt wordt. Is dat niet gelukkig? Zij +weten niets, daarom zijn zij zoo. Jij bent eens begonnen met iets te +weten, nu moet je ook alles weten om gelukkig te worden. Dat kan ik +alleen je leeren. Alles of niets.' + +'Luister naar mij. Wat scheelt het of dat je vader is? Het is een mensch +die sterft, dat is een gewone zaak.' + +'Hoor je het kreunen nog? Erg zwak niet waar? Het zijn nu wel de laatsten.' + +Johannes zag naar het bed in bange beklemming. + +Simon de kat sprong van de vensterbank, rekte zich uit en legde zich +spinnend naast den stervende in het bed. + +Het arme, moede hoofd bewoog niet meer, het lag stil in het kussen +gezonken, doch uit den half geopenden mond kwamen nog regelmatig de +korte, matte klanken. + +Zij werden zachter, zachter, nauwelijks hoorbaar. + +Toen wendde de Dood de donkere oogen van de klok naar het ingezonken +hoofd en hief de hand op. Daarna werd het stil. + +Een vale schaduw viel over het strakke gelaat. + +Stilte, doffe, leege stilte! + +Johannes wachtte, wachtte. + +Doch de regelmatige klank keerde niet weer. Het bleef stil, een groote, +suizende stilte. + +De spanning van het luisteren der laatste uren hield op, en het was +Johannes of zijn ziel werd losgelaten en neerviel in een zwart en +grondloos ledig. Hij viel dieper, en dieper. Het werd stiller en +duisterder om hem. + +Daar klonk Pluizer's stem, als op een grooten afstand. + +'Ziezoo! dat verhaaltje is weer uit.' + +'Dat is goed,' zeide docter Cijfer, 'nu kunt gij zien wat het geweest +is. Ik laat dat aan u over. Ik moet heen.' + +Half nog in een droom zag Johannes glinsterende messen blinken. + +De kat zette een hoogen rug. Het werd koud naast het lichaam, en hij +zocht weer den zonneschijn. + +Johannes zag hoe Pluizer een mes nam, het zorgvuldig beschouwde en er +mede naar het bed ging. + +Toen schudde Johannes de verdooving van zich af. Eer Pluizer bij het bed +was, stond hij voor hem. + +'Wat wilt ge? vroeg hij. Zijn oogen waren wijd geopend in ontzetting. + +'Wij zullen zien wat het geweest is,' zeide Pluizer. + +'Neen!' zeide Johannes, en zijn stem was laag als een mannenstem. + +'Wat beteekent dat?' zeide Pluizer met grimmig flikkerenden blik. + +'Kun jij mij verbieden? Weet je niet hoe sterk ik ben?' + +'Ik wil niet,' zeide Johannes. Hij sloot de tanden opeen en haalde diep +adem. Vast staarde hij Pluizer aan en strekte de hand naar hem uit. + +Doch Pluizer naderde. Toen greep Johannes hem bij de polsen en worstelde +met hem. + +Pluizer was sterk, hij wist het, nog nooit had hij hem weerstaan. Doch +hij liet niet af, en zijn wil brak niet. + +Het mes schitterde voor zijn oogen, hij zag vonken voor zijn blik en +roode vlammen, doch hij gaf niet toe en bleef worstelen. Hij wist wat er +komen zou als hij bezweek. Hij kende het, hij had het vroeger gezien. +Doch wat daar achter hem lag was zijn vader, en hij wilde het niet zien. + +En terwijl zij hijgend worstelden, lag achter hem het doode lichaam +gestrekt en bewegingloos, zooals het gelegen had op het oogenblik, toen +de stilte kwam, het wit der oogen zichtbaar als een smalle streep, de +mondhoeken opgetrokken tot strakken grijnslach. + +Alleen als beiden in hun strijd tegen het bed stootten, schudde het +hoofd zachtjes heen en weer. + +Nog hield Johannes vol, de adem begaf hem en hij zag niets meer. Een +sluier van bloedrood licht was voor zijn oogen. Toch hield hij vol. + +Toen verzwakte langzamerhand de weerstand der beide polsen onder zijn +greep. Zijn spieren ontspanden zich, zijn armen vielen slap langs zijn +lijf en zijn gesloten handen waren ledig. + +Toen hij opzag was Pluizer verdwenen. Alleen de Dood zat bij het bed en +knikte. + +'Dat was goed van u, Johannes,' zeide hij. + +'Zal hij weerkomen?' fluisterde Johannes. De Dood schudde het hoofd. + +'Nooit. Wie hem eenmaal aandurft, ziet hem nooit weer.' + +'En Windekind? Zal ik nu Windekind weerzien?' + +Lang keek de sombere man Johannes aan. Zijn blik was niet angstwekkend +meer, maar zacht en ernstig, hij trok Johannes aan, als een groote diepte. + +'_Ik_ alleen kan u bij Windekind brengen. Door mij alleen kunt ge het +boekje vinden.' + +'Neem mij dan mede, er is nu niemand meer, neem mij nu ook mede, zooals +de anderen, ik wil niets anders meer ...' + +Nogmaals schudde de Dood het hoofd. + +'Gij hebt de menschen lief, Johannes. Gij wist het niet, maar gij hebt +hen altijd liefgehad. Gij moet een goed mensch worden. Het is een schoon +ding een goed mensch te zijn.' + +'Ik wil niet, neem mij mede ...' + +'Het is niet zoo. Gij wilt. Gij kunt niet anders!' + +Toen werd de lange, donkere gestalte nevelig voor Johannes' oogen, zij +vervloeide in vage vormen, een ijle, grijze mist zweefde in 't vertrek +en trok weg langs de zonnestralen. + +Johannes boog het hoofd over den rand van het bed en schreide bij den +dooden man. + + + +XIV + +Na langen tijd hief hij het hoofd op. De zonnestralen vielen schuin naar +binnen en hadden een rooden glans. Het schenen rechte, gouden staven. +'Vader! Vader!' fluisterde johannes. + +Buiten vervulde de zon de geheele natuur met een wolk van schitterend +gouden gloed. Elk blad hing roerloos en alles zweeg in plechtige +zonnewijding. + +En langs het licht daalde een zachte suizeling naar binnen. Het was als +zongen de lichte stralen. + +'Zonnezoon! Zonnezoon!' + +Johannes hief het hoofd op en luisterde. Het ruischte in zijn ooren. + +'Zonnezoon! Zonnezoon!' + +Het was als Windekind's stem. Die alleen had hem zoo genoemd, zou hij +hem nu roepen? + +Doch hij zag naar het gelaat naast hem, hij wilde niet meer luisteren. + +'Arme, lieve vader!' zeide hij. + +Doch plotseling klonk het weer om hem, van alle zijden om hem, zoo +sterk, zoo dringend, dat hij huiverde van wonderbare aandoening. + +'Zonnezoon! Zonnezoon!' + +Johannes stond op en staarde naar buiten. Welk licht! welk heerlijk +licht. Het stroomde over de volle boomkruinen, het tintelde tusschen de +grashalmen en vonkelde in de donkere schaduwplekken. De gansche lucht +was er mede vervuld, tot hoog in het blauw, waar zich de eerste, teedere +avondwolkjes vormden. + +Over het grasveld tusschen de groene boomen en heesters zag hij de +duinen. Op hun toppen lag rood goud en in hun schaduwen hing het blauw +des hemels. + +Rustig lagen zij gestrekt in een kleed van teedere tinten. De fijne +golving hunner omtrekken was vredebrengend als een gebed. Johannes +voelde weder hoe het was, toen Windekind hem had leeren bidden. + +Was zij daar niet, de lichte gestalte in het blauwe kleed? Zie! daar +midden in het licht, wat daar schemert in een waas van goud en blauw, is +dat niet Windekind, die hem wenkt? + +Johannes vloog naar buiten in den zonneglans. Daar stond hij een oogwenk +stil. Hij voelde de heilige wijding van het licht, en durfde zich +nauwelijks bewegen, waar het loover zoo stil was. + +Doch daar voor hem was de lichte gestalte weer. Het was Windekind, +zeker! hij was het. Het stralende hoofdje naar hem toegekeerd, de mond +half geopend, als om te roepen. Hij wenkte hem met de rechterhand. In de +linker hield hij iets omhoog. Hoog hield hij het met de toppen der +slanke vingers, en het flonkerde en schitterde in zijn hand. + +Met een blijden kreet van geluk en verlangen snelde Johannes naar de +geliefde verschijning. Doch ze verhief zich en zweefde voor hem uit met +lachend gelaat en wenkende hand. Soms raakte zij de aarde in langzame +daling, maar dan rees zij weder op, licht en snel en zweefde verder als +het zaadpluis, dat de wind voortdrijft. + +Johannes wilde zich ook verheffen en zweven, zooals vroeger en zooals in +zijn droom. Doch de aarde trok zijne voeten, en zijn tred bleef zwaar op +den grazigen grond. Hij moest met moeite zijn weg zoeken door de +struiken, wier loover ritselend langs zijn kleederen streek en wier +takken hem striemden in het gelaat. Zwoegend moest hij de mossige +hellingen der duinen beklimmen. Doch hij volgde onvermoeid en zijn oog +werd niet afgewend van Windekind's stralende verschijning, van wat daar +blonk in de hooggeheven hand. + +Daar was hij midden in duin. In de gloeiende valleien bloeiden de +duinrozen en zagen met hun duizenden bleekgele kelkjes in het zonlicht. +Ook bloeiden er vele andere bloemen, helder blauwe, gele en purperen, +zwoele hitte lag in de kleine dalen en koesterde de geurige kruiden. +Sterke, harsachtige geuren hingen in de lucht. Johannes rook ze terwijl +hij voortging, het thijm rook hij en den geur van het droge rendiermos, +dat kraakte onder zijn voet. Het was bedwelmend heerlijk. + +En voor het liefelijk beeld dat hij vervolgde, zag hij de bonte +duinvlinders fladderen. Kleine zwarte en roode kapelletjes, en het +zandoogje, het vroolijke vlindertje met de zijdeachtige vleugeltjes van +het teederste blauw. Om zijn hoofd snorden de gouden kevers, die op de +duinroos leven en dikke hommels dansten gonzend tusschen het +geblakerde duingras. + +Wat was het heerlijk, wat zoude hij gelukkig zijn, als hij maar bij +Windekind was. Doch Windekind zweefde verder en altijd verder. Ademloos +moest hij volgen. De groote bleekbebladerde doornstruiken hielden hem +tegen en krasten hem met hun doornen; de vale, wollige toortsplanten +schudden de lange hoofden, als hij ze wegduwde in zijn vaart. Hij klom +tegen de zandige walletjes op en kwetste zijn handen aan het +stekelig helm. + +Hij drong door de lage berkenboschjes waar het gras hem tot de knieen +reikte en de watervogels opvlogen van de kleine vijvers, die glinsterden +tusschen de struiken. Dichte witbloeiende meidoorns mengden hun geur met +dien van het berkenloof en van de munthe, die talrijk groeide op den +moerassigen grond. + +Doch toen hielden de boschjes, het groen en de kleurige bloemen op. +Alleen de wonderlijke, bleekblauwe zeedistel groeide tusschen het vale, +dorre helm. + +Op den top der laatste hooge duinenrij zag Johannes Windekind's beeld. +Verblindend schitterde het in zijn opgeheven hand. Geheimzinnig lokkend +klonk een groot gestadig bruisen van gene zijde, door een koelen wind +overgedragen. Het was de zee. Johannes voelde dat hij haar naderde en +langzaam klom hij de laatste helling op. Daarboven viel hij op de knieen +en staarde over de zee. + +Toen hij zich boven den duinrand verhief, omgaf hem een roode gloed. De +avondwolken hadden zich ter uitvaart van het licht geschaard. Als een +wijde kring van geweldige rotsblokken met roodgloeiende randen omgaven +zij de dalende zon. Op de zee was een breede weg van levend purpervuur, +een vlammende, schitterende lichtweg, leidende naar den ingang des +verren hemels. + +Achter de zon, waarin het oog nog niet staren kon, wemelden teedere +tinten van blauw en rose dooreen, in de diepte van de lichtgrot. +Daarbuiten langs den ganschen wijden hemel glansden roode vlammen en +strepen, lichte vlokjes van bloedig dons en vegen van uiteenvloeiend +vuur. + +Johannes wachtte, totdat de zonneschijf den gloeienden weg die tot hem +leidde, aan het verste einde aanraakte. + +Toen zag hij neder, en dichtbij was het lichte beeld, dat hij gevolgd +was. Een vaartuig, klaar en glinsterend als kristal, dreef bij het +strand op de breede vuurbaan. Aan het eene einde der boot stond +Windekind's ranke gedaante, met het gouden voorwerp dat blonk in zijn +hand. Aan het andere einde herkende Johannes den duisteren Dood. + +'Windekind! Windekind!' riep Johannes. Doch in denzelfden tijd dat +Johannes het wondere vaartuig naderde, zag hij naar den horizon. In het +midden van de lichte ruimte, door de grove, vurige wolken omgeven, zag +hij een kleine, zwarte gestalte. Zij werd grooter en grooter, langzaam +naderde een mensch, rustig schrijdend over de woelende, vurige wateren. + +De roodgloeiende golven rezen en daalden onder zijn voet, doch kalm en +rustig kwam hij nader. + +Het was een mensch, zijn gelaat was bleek en zijn oog diep en donker. +Zoo diep als de oogen van Windekind, doch in hun blik was eindeloos +zachte weemoed, zooals Johannes dien nimmer in andere oogen gezien had. + +'Wie zijt gij?' vroeg Johannes. 'Zijt gij een mensch?' + +'Ik ben meer!' zeide hij. + +'Zijt gij Jezus, zijt gij God?' vroeg Johannes. + +'Noem die namen niet,' zeide de gestalte, 'zij waren heilig en rein als +priestergewaden en kostelijk als voedend koren, doch zij zijn tot draf +geworden voor de zwijnen en tot narrekleederen voor de dwazen. Noem hen +niet, want hun zin is tot dwaling, hun wijding tot spot geworden. Wie +mij kennen wil, werpe die namen weg en luistere naar zichzelven.' + +'Ik ken u! ik ken u!' zeide Johannes. + +'Ik was het, die u deed weenen om de menschen, terwijl gij uwe tranen +niet begrijpen kondet. Ik was het, die u deed liefhebben, waar gij uwe +liefde niet verstondt. Ik ben bij u geweest, en gij hebt mij niet +gezien, ik heb uwe ziel bewogen en gij hebt mij niet gekend.' + +'Waarom zie ik u nu eerst?' + +'Vele tranen moeten de oogen verhelderen, die mij zullen zien. En niet +voor uzelven alleen, maar voor mij moet gij weenen, dan zal ik u +verschijnen en gij zult mij herkennen als een ouden vriend.' + +'Ik ken u. Ik herkende u. Ik wil bij u zijn.' + +Johannes strekte de handen uit. Doch de mensch wees op het glinsterende +vaartuig, dat langzaam voortdreef op den vurigen weg. + +'Zie!' zeide hij, 'dat is de weg naar alles wat gij verlangd hebt. Een +andere is er niet. Zonder die beiden zult ge het niet vinden. Doe nu uwe +keuze. Daar is het Groote Licht, daar zult gij zelve zijn wat gij +verlangt te kennen. Daar!' en hij wees naar het donkere Oosten, 'waar de +menschheid is en haar weedom, daar is mijn weg. Niet het dwaallicht, dat +gij gedoofd hebt, maar ik zal u begeleiden. Zie nu, gij weet het. Doe +uwe keuze.' + +Toen wendde Johannes langzaam het oog van Windekind's wenkende gestalte +af en strekte de handen naar den ernstigen mensch. En met zijnen +begeleider ging hij den killen nachtwind tegemoet, den zwaren weg naar +de groote, duistere stad, waar de menschheid was en haar weedom. + + * * * * * + +Wellicht vertel ik u eenmaal meer van den kleinen Johannes, doch op een +sprookje zal het dan niet meer gelijken. + + + + + + + + + + + +End of Project Gutenberg's De kleine Johannes, by Frederik van Eeden + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE KLEINE JOHANNES *** + +***** This file should be named 10819.txt or 10819.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/0/8/1/10819/ + +Produced by Marc D'Hooghe + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS," WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + +Each eBook is in a subdirectory of the same number as the eBook's +eBook number, often in several formats including plain vanilla ASCII, +compressed (zipped), HTML and others. + +Corrected EDITIONS of our eBooks replace the old file and take over +the old filename and etext number. The replaced older file is renamed. +VERSIONS based on separate sources are treated as new eBooks receiving +new filenames and etext numbers. + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + +EBooks posted prior to November 2003, with eBook numbers BELOW #10000, +are filed in directories based on their release date. If you want to +download any of these eBooks directly, rather than using the regular +search system you may utilize the following addresses and just +download by the etext year. + + https://www.gutenberg.org/etext06 + + (Or /etext 05, 04, 03, 02, 01, 00, 99, + 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90) + +EBooks posted since November 2003, with etext numbers OVER #10000, are +filed in a different way. The year of a release date is no longer part +of the directory path. The path is based on the etext number (which is +identical to the filename). The path to the file is made up of single +digits corresponding to all but the last digit in the filename. For +example an eBook of filename 10234 would be found at: + + https://www.gutenberg.org/1/0/2/3/10234 + +or filename 24689 would be found at: + https://www.gutenberg.org/2/4/6/8/24689 + +An alternative method of locating eBooks: + https://www.gutenberg.org/GUTINDEX.ALL + + diff --git a/old/10819.zip b/old/10819.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..f90b399 --- /dev/null +++ b/old/10819.zip |
